Muze; Aanbevolen door de redactie van Brabant Cultureel.
MUZE
De spelregels van het aantrekken en afstoten beheerst ze niet. Of liever gezegd; ze wil ze niet kennen, omdat ze er haar hele zeventigerjaren jeugd mee geconfronteerd is geweest. En Gea wil anderen niet gebruiken in navolging van haar moeder. Ergo, nu ze haar tienerjaren achter de rug heeft, zo ongeveer halverwege de jaren tachtig, wil ze nog steeds niet - niet eens bij benadering - op haar moeder lijken. Alhoewel de slager gisteren nog opmerkte dat moeder en Gea net tweelingzusjes zijn. Op het leeftijdsverschil na dan. Gelukkig wel! Als je Gea ziet dan zie je moeder als het ware. Maar dat is uiterlijke schijn. Veel erger is de harde kop van vader die ijzerenheinig blijft volhouden dat zijn vrouw en dochter precies twee handen op één buik zijn. Maar Gea is thuis de studente in de letteren en niet moeder. Moeder heeft m.o. Frans en een baan bij een dochteronderneming van een van oorsprong Franse verzekeringsmaatschappij. Gea heeft niks met francofielen. Haar vader is leraar Engels. Dat is beter, maar het heeft nog steeds maar bitter weinig met een universitaire studie in de taal- en literatuurwetenschap van doen.
‘Vrouwenstudies heeft ook niets met taal- en literatuurwetenschap te maken’, wist Elsbeth op de bank in de trein tegenover haar.
Elsbeth is een medestudente en ze heet haar vriendin te zijn. Maar Gea kan nooit met haar praten. Elsbeth praat meestal over seks en zo niet dan zwijmelt ze over boybands. Doe Maar, Wham en Bolland en Bolland. Mannelijke popidolen die – suggestieve dansmoves maken op discosounds voor een grotendeels vrouwelijk – hysterisch - publiek! Gea luistert en gooit af en toe een opmerking in de monologen van haar zogeheten vriendin, omdat ze Elsbeth niet in verlegenheid wil brengen. Ze interesseren haar niet; de boybands. Ook de seksuele escapades van Elsbeth kunnen haar gestolen worden. Maar Gea mag niemand buitensluiten. Dat kan niet! Dan zou ze op haar moeder lijken! Moeder houdt zich alleen maar bezig met de spelregels van het afstoten en aantrekken. En die regels die beheerst ze niet. Of liever gezegd; Gea wil ze niet kennen.
Dat neemt niet weg dat ze nooit heeft begrepen waarom uitgerekend Elsbeth haar medestudente heeft moeten zijn. Uiteraard staat het iedereen vrij om een wetenschappelijke studie in de letteren ter hand te nemen, maar misschien zou een praktische opleiding in de relationele sfeer beter aan Elsbeth besteed zijn geweest. Een h.b.o.-opleiding met de titel ‘Seks in Werk en Uitvoering’, of zoiets. Want zij wordt misselijk van de geseksualiseerde popidolen, terwijl Elsbeth iedere collegedag weer zo goed als klaarkomt bij haar uitgesproken herinneringen aan de suggestieve optredens van haar idolen. En dat twee keer per dag! ’s Morgens in de trein van Eindhoven naar Tilburg en ’s avonds tijdens de retour.
En zo iemand als Elsbeth overtreft haar op punten. Haar tentamens haalt ze op haar sloffen. Alsof het een makkie is. Ze gaat gewoon achter haar bureau zitten en begint te studeren. Tijdens de tentamenperioden wel acht uur per dag aan één stuk door. Zonder; lunchpauze, tussendoortjes, alcohol, koffie, nicotine, black-outs of vraagtekens. De tienen vliegen haar om de oren, maar in de trein naar de universiteit en weer terug naar huis weet ze niks van taal en literatuur. Helemaal niks! Alsof ze alleen een korte termijn geheugen heeft. Alsof bij haar niets blijft hangen. Dat liegt ze natuurlijk! Dat kan niet anders! En daarom houdt Gea ook haar mond. Daarom zwijgt ze in alle talen over haar seksuele belevingswereld, die hoorbaar stukken interessanter is dan die van Elsbeth. Zolang zij maar met moeite, hertentamens en zonder enige hulp van buitenaf de zesjes bijeensprokkelt, mag Elsbeth op haar beurt blijven raden naar de bedgeheimen van Gea.
Het verklaart wel waarom Elsbeth, net als Gea, koos voor vrouwenstudies. Alle letterenstudenten moeten van alle markten thuis zijn en dus verplicht een pakket aan buitenfacultaire cursussen afronden. Gea koos voor vrouwenstudies, omdat ze dus per sé niet op moeder wil lijken. En vrouwenstudies gaan niet over de spelregels van het afstoten en aantrekken. Vrouwenstudies gaan over vrouwen en hun wezen en niet over hun streken! Althans als je het Gea vraagt. Volgens Elsbeth gaan vrouwenstudies juist wel over vrouwen en hun streken. En over bedgeheimen. Tenminste dat hoopt Elsbeth nog steeds! Zoals ze ook nog altijd op de aandacht van Berend zit te vlassen.
Berend is de broer van Gea. Hij studeert bedrijfskunde. In principe is Berend een nerd, en niet zo’n kleintje ook, maar zo nu en dan zingt hij in een rock and roll band en kleedt zich in de stijl van Elvis Presley, zodat maar heel weinig mensen in staat zijn om door zijn imago heen te prikken. Ten opzichte van Gea ontkent Elsbeth haar gevoelens voor Berend, maar ze heeft zich verraden toen ze om een bepaalde foto van Gea vroeg. Berend staat er ook op! Hij heeft zich uiterst vakkundig in een vereeuwigde pelvisbeweging gewurmd achter een microfoon, waarnaast Gea hem oorspronkelijk een bosje bloemen – als dank voor zijn optreden – aanbiedt. Maar Elsbeth heeft het plaatje in twee delen geknipt. Het gehalveerde stuk met Gea fungeert als boekenlegger, terwijl de kiek van Berend – met een zwevend bosje tulpen aan zijn rechterzijde – een ereplaats in haar agenda kreeg. En toch maar stug blijven ontkennen, hè! Gea kan het ook niet nalaten! In vergelijking tot het droombeeld van de boybands, is de ware Berend in levende lijve tenminste tastbaar. Maar het is niet waar! Elsbeth vindt Berend een eikel van de eerste orde. Pas toen hij stevige verkering met Marieke kreeg, gaf Elsbeth het verknipte fotodeel met Berend zwijgend aan Gea terug. Haar afgewende blik sprak boekdelen!
Want Berend was verkocht en heel ver heen. Hij had Marieke al lang op het oog gehad, maar zij zag hem niet staan. In het voorstellingsvermogen van Gea had de totebel onderhand de gedaante van een filmster aangenomen. Dit had minder met Marieke te maken als wel met het resultaat van het openlijke gezwijmel van Berend in huiselijke kring. Maar op de katholieke universiteit Brabant lopen geen filmsterren rond. Ook niet op de faculteit bedrijfskunde. En Gea wil best van zichzelf toegeven dat ze een ietwat te nuchtere inslag heeft, maar Berend kon haar nog meer vertellen. Juist omdat hij nu eenmaal een nerd is. Dus liet Gea hem maar dwepen. Over Marieke met haar lieve wangetjes, haar blonde, geurende haarpracht, haar ronde billetjes, haar bewegelijke voorpartij, haar stevige kuiten en niet te vergeten; met haar blauwe, onschuldige, grote kijkers omrand met gouden wimpers badend in een weelde van mascara, oogschaduw, eyeliner en contactlenzen! Dat laatste had Berend na lang zijwaarts spieden ontdekt tijdens het college marketing, toen hij naast haar mocht zitten, omdat hij – zogenaamd – haar aantekeningen overschreef. Marieke droeg ook hele speciale kleding. Echt apart! Kokerrokjes en mantelpakjes. En dan haar schoeisel! Naaldhakken! Heuse naaldhakken! Gea moest maar eens naar Marieke uitkijken! Gea zou nog heel wat van Marieke kunnen leren! En Gea probeerde om Berend haar slaapkamer uit te werken, terwijl ze bijna niet meer kon wachten op de volgende dag en haar onvermijdelijke dagelijkse treinritten met Elsbeth en haar seksuele frustraties. Want seksuele frustraties zijn tenminste niet zo éénzijdig als de uitgesproken romantische gevoelens van een nerd. Bij seksuele frustraties kun je je nog wat voorstellen. Aan Marieke daarentegen had Gea bij voorbaat al een gloeiende hekel. Wie dacht dat opgewaardeerde trutje eigenlijk dat ze was?
‘Zou je het begrip ‘nerd’ voor mij kunnen definiëren?’ , vroeg Elsbeth, die elke gelegenheid aangreep om over Berend te filosoferen zonder Marieke bij de analyse te hoeven betrekken.
‘Een nerd is in mijn ogen een persoon die niet in staat is om zich in de gevoelens van een ander in te leven. Een nerd is per definitie asociaal.’
‘Of geniaal!’
‘Nee, Elsbeth, niet geniaal. Berend is niet geniaal. Berend heeft een hele hoge rationele intelligentie en daar is alles mee gezegd. O ja, egocentrisch is hij ook.’
‘Berend of een nerd?, vroeg Elsbeth geamuseerd.
‘Berend de nerd!’, antwoordde Gea stellig.
‘Is een nerd nou asociaal of egocentrisch in jouw definitie!?’, merkte Elsbeth helder op.
Ze haalt niet voor niets tienen bij de vleet.
‘Wat is het verschil? Vergeet niet dat sommige nerds heel vriendelijk en welwillend kunnen zijn. Je moet ze alleen constant uitleggen wat je denkt, voelt of vindt. Berend interesseert zich helemaal niet voor mij. In zijn ogen besta ik niet! Mijn gevoelens doen helemaal niet ter zake. Het enige dat voor Berend telt is hijzelf en die moet hij constant ergens kwijt. Omdat ik nou toevallig bij hem en zijn ouders in huis woon en omdat hij mij al jaren kent – feitelijk al vanaf m’n geboorte – heeft hij mij tot zijn vertrouwelinge uitverkoren. Ik ben niet te benijden, dat kan ik je verzekeren!’
Bij wijze van reactie sloeg Elsbeth beschaamd haar oogleden neer. Een teken dat zij in elk geval geen nerd is!
De enige echte Marieke nam de tijd voordat ze eindelijk toehapte in de avances van Berend. Hierna duurde het nog een week of tien voordat Gea haar verblindende verschijning ook waarachtig onder ogen kreeg. Ze kwam kennis maken met vader en moeder. Beide gingen meteen overstag. Maar Gea wist niet zeker wie of wat ze zag. Op een vreemde manier had Berend niet overdreven. Marieke was nog het beste te omschrijven als een parodie op Marilyn Monroe en Gea begreep meteen wat Berend in haar zag. Ze was de pijler van zijn image. Marilyn en Elvis. Zo uit de tijdmachine gestapt. Of uit het wassenbeeldenmuseum. Moeder had begrepen dat de aanwinst van haar zoon het gymnasium met goed gevolg had afgelegd. Dus begon moeder meteen met allerlei Latijnse termen te gooien, die Marieke met gelijke munt terugbetaalde.
‘Veni, vidi, vici.’
Gea verstond geen woord en ze stond op om koffie in te schenken. Ze voelde zich lelijk en alledaags in haar spijkerbroek en ze haatte vader die Marieke zwijgend met z’n ogen zat uit te kleden. Ze monsterde Berend, maar die bleef aan het uitwendige hangen. Hij ging helemaal op in haar. In die vrouw die net als Gea amper éénentwintig lentes telde; die net als Gea nog maar net kwam kijken op de universiteit; die net als Gea nog niets of niemand was op deze aardbol; die zich net als Gea nog helemaal moest bewijzen. Die vrouw, Marieke. Ze werd binnengehaald als de verloren dochter!
‘Je bent jaloers!’, concludeerde Elsbeth.
‘Spreek voor jezelf!’, snauwde Gea.
Ze was niet jaloers. Althans niet op Marieke. Ze is jaloers op Elsbeth. Soms. Omdat Elsbeth zo makkelijk feitjes kan leren. Omdat Elsbeth geen; afspraak, naam, verjaardag, college of tentamen vergeet. Omdat Elsbeth nooit stomme dingen zegt; omdat ze niet in slaap valt tijdens de hoorcolleges; omdat heur haar in de regel redelijk tot goed zit en haar blouses kreukvrij zijn; haar pennen niet lekken; haar onbeschreven studieboeken ongeschonden blijven en omdat haar schoenen steevast gepoetst zijn. Kortom; Elsbeth is een modelstudente. Geen wonder dat Gea jaloers is. Soms. Want meestal sjokt ze met haar ziel onder haar arm naast Elsbeth voort. Perfectie en accuratesse zijn namelijk niet alleen benijdenswaardig maar ook saai en daarom vaak irritant. Net als Gea lekker op dreef is, dan weet Elsbeth wel weer wat op haar gedrag af te dingen. Gea is zus vergeten of ze heeft zo over het hoofd gezien. Maar in het geval van Elsbeth wint de bewondering het meestal van de ergernis. In de aanwezigheid van Elsbeth weet Gea zich in te houden. Bij Marieke was dat een heel ander verhaal. Nee, ze was niet jaloers op Marieke. Ze was overdonderd door het contrast tussen Marieke en zijzelf. Het was alsof ze haar absolute tegenpool had ontmoet. Alsof Marieke alles verpersoonlijkte wat zij niet was of nooit zou willen zijn. Het was alsof Marieke recht tegen haar geweten indruiste en alsof andersom precies hetzelfde gold. Want in die korte tijd dat Gea met Marieke moest leren leven, heeft geen van beiden ooit een serieuze toenaderingspoging gedaan.
Als bij toverslag beheerste Marieke haar thuishaven. Berend was geobsedeerd door haar en hij probeerde Marieke aan zich te ketenen. Maar daar was zij het type niet na. Dat had Gea al meteen in de gaten. Met een gekweld glimlachje op haar volle lippen ging Marieke gebukt onder zijn verkleefdheid. Manmoedig doorstond ze de handtastelijkheden van Berend die van God los was en haar desnoods uitkleedde terwijl de hele familie toekeek. Gea zag Marieke vaak inwendig spartelen, maar ze hield zich groot en wist Berend altijd heel vrouwelijk van zich af te slaan. Behalve op de zolderslaapkamer van Berend. Daar liet ze alle remmen los en Gea kon haar eigen gedachten niet eens meer verstaan als die twee bezig waren. Vader en moeder deden er het zwijgen toe en geboden Gea dat ook te doen. Gea mocht de eerste grote liefde van haar oudere broertje niet verpesten. Vermoedelijk waren pa en ma zo opgelucht dat hun excentrieke zoontje van drieëntwintig eindelijk onder de pannen was dat ze uit pure dankbaarheid bereid waren om alles voor lief te nemen.
‘Kan het ook wat minder?’
Het waren de eerste woorden die Gea tegen Marieke sprak. Ze kon niet slapen en had honger. In de keuken zat Marieke alleen aan de keukentafel. Op het eerste gezicht leek ze poedelnaakt. Bij nadere inspectie bleek ze toch een huidkleurig slipje te dragen. Ze deed zich tegoed aan een koude pizzapunt. Bij wijze van antwoord kauwde ze schokschouderend verder. Haar borsten bewogen slapjes mee. Ze had gigantische tieten.
‘En doe wat aan die blote borsten. Zo meteen ziet vader je nog!’, gebood Gea.
Marieke had alleen maar gereageerd door onaangedaan en stompzinnig te grijnzen. Op haar voortanden prijkten groene stukjes broccoli. Voor het eerst twijfelde Gea aan haar verstand. Het zou niet de laatste keer zijn. Alhoewel Marieke voor de buitenwereld het toonbeeld van een brave studente bedrijfskunde leek te zijn. Ze woonde nog bij haar moeder – een verbitterde weduwe – in een gehucht bij Tilburg. Haar vrije tijd deelde ze met een tamelijk opdringerige, jongere zus die een stuk lelijker was dan Marieke en die daarenboven ook bedrijfskunde studeerde. Marieke liep haar dus niet alleen thuis tegen het lijf, maar werd ook op de universiteit en tijdens de colleges met haar zusje geconfronteerd. Het onooglijke onderdeurtje was echter wel een behoorlijke slimmerik en al sinds jaar en dag een serieuze concurrente. Op studiegebied wel te verstaan. Maar Marieke wilde niet studeren! Marieke wilde seks en drugs en rock and roll. Overigens buiten medeweten van haar beschermende moeder als dat even kon! Het studiepikkerige zusje was dan ook een blok aan Mariekes elegante been en hoe vaker ze zonder toezicht van huis en universiteit was, hoe liever.
‘Hoe heb je haar eigenlijk aan de haak geslagen?’, vroeg Gea onder vier ogen aan Berend zodra ze de kans kreeg.
‘Ik ben op haar afgestapt en heb haar uitgevraagd’, antwoordde Berend.
Hij raakte opnieuw vervuld van zichzelf bij de herinnering aan zijn koene daad.’
‘Wist ze eigenlijk wel wie je was?’, wilde Gea vervolgens achterdochtig weten.
‘Half, half!’
Berend grimaste alsof Gea stomme vragen stelde.
‘En desondanks zei ze meteen ‘ja’?’
De verwarring van Gea groeide.
‘Ze zei meteen ja’, wist Berend zelfverzekerd.
‘En jij vindt dat normaal? Ze zei meteen ‘ja’ zonder dat ze je naam kende en zonder dat ze wist waarheen de afspraak zou gaan? Bedenk wel dat Marieke uit een minuscuul dorpje komt waar haar horizon tot voor kort niet verder reikte dan Tilburg. Ze is acoliet nota bene. Acoliet!’
‘Ze is ook studente bedrijfskunde en bovendien erg populair!’
‘Dat verklaart natuurlijk waarom ze stante pede met jou op stap wilde!?’ spotte Gea.
‘Dat noemt men ‘liefde op het eerste gezicht’. Dat snap jij niet Gea. Daar ben jij veel te nuchter voor.‘
Maar nuchtere mensen hebben ook gevoelens. Ze kunnen alleen beter met hun emoties omgaan dan bijvoorbeeld de romantici van deze wereld. Bovendien heeft het weinig nut om een ander ongevraagd met jouw problemen op te zadelen. Toch deden Berend en Marieke niet anders. Mochten ze elkaar niet aan het belebberen zijn, dan vochten ze als kemphanen. Dit beurtelingse haatliefdespelletje repeteerden ze uren achtereen. Het was niet om aan te zien en ook niet om aan te horen, maar Gea kon – net zo min als Berend en Marieke – lang vluchten, want er moest gestudeerd worden. Tentamens moesten geleerd en afgerond; er diende vooruitgang geboekt te worden. En wat Gea betreft een beetje snel ook, zodat ze - na het behalen van haar titel - als de wiedeweerga haar ouderlijk huis kon ontvluchten. Haar vriend Geert stond al in de startblokken. Gea hoefde haar jawoord maar te geven. En dat zou ze ook doen. Na haar afstuderen! Want Geert is de moeite waard. Een man van stavast. Zonder poespas en met een betaalde baan met perspectieven. Hij mag er wezen ook. Geert heeft het imago van Elvis Presley niet nodig. Z’n muziek wel. Maar wie heeft dat niet? Over Marieke zei Geert niet veel. Hij vond haar opzienbarend en dat was het wel zo’n beetje. In het weekend lag hij zwijgend op het bed van Gea en luisterde met wijd opengesperde ogen en een verdwaasde uitdrukking op z’n gezicht naar de luidruchtige haatliefdespelletjes van Berend en Marieke. Gea probeerde te lezen en Geert voerde het geluid van de stereo maar weer eens wat hogerop. Het hielp niet veel. Gea en Geert kwamen pas weer aan hun relatie en een goed gesprek toe als Berend en Marieke een weekendje uit waren. Naar de Ardennen, zeilen met vrienden of naar de Galerij. De Galerij was een studentensociëteit in Tilburg waar in de jaren tachtig geen allochtonen, kleurlingen en homoseksuelen werden toegelaten!
‘Berend en Marieke gaan regelmatig naar de Galerij’, bekende Gea met een rood hoofd, terwijl ze de overige treinreizigers zo zacht mogelijk probeerde te overstemmen.
‘Echt waar!’, riep Elsbeth uit.
Ze klonk verrukt niet geschokt. Gea zal Elsbeth wel nooit begrijpen. Vrouwenstudies of niet.
‘Ik vind het een schande.’
Gea had het idee dat ze zich moest verontschuldigen.
‘Tjeetje, Gea doe niet zo benepen zeg. Dat is toch gaaf; de Galerij’, wist Elsbeth half opgewonden over de gedachte aan de Galerij, half geërgerd over Gea.
‘Ik wist niet dat jij zo dol was op de Galerij. Je komt er nooit’, merkte Gea droog op.
‘Gossie, doe niet zo lullig, Gea zeg. Kan ik het helpen dat ik geen verkering heb.’
‘Ben maar blij dat je geen kleurtje hebt of een voorliefde voor je eigen geslacht!’
‘Hè?’ vroeg Elsbeth schaapachtig.
‘Of je worst lust, dan kun je velletjes schijten’, antwoordde Gea.
En Elsbeth kwam niet meer bij, want ere wie ere toekomt; Voor Elsbeth valt er altijd wat te lachen met Gea!
‘Zonder jou had ik allang de brui gegeven aan dat vrouwenstudies. Ik vind er geen flikker aan’, mekkerde Elsbeth tijdens de koffiepauze van het werkcollege: ‘sekse, cultuur en pathologie’.
‘Wat heb ik ermee te maken?’ vroeg Gea afkerig.
‘Jij brengt leven in de brouwerij’, zei een andere jonge vrouw.
Ze studeerde normaliter psychologie en was uit feministische overwegingen bij vrouwenstudies terecht gekomen.
‘Wat doe ik dan?’
Gea was zich van geen kwaad bewust. Het theekransje van geleerde dames gierden het uit.
‘Wat doe ik dan!’, herhaalde Gea kwaad.
‘Je provoceert’, legde Elsbeth welwillend uit.
Gea zag haar wel knipogen naar de rest.
‘Ik provoceer helemaal niet.’
Opnieuw een gezamenlijke lachbui.
‘Ik geloof dat ik nogal komisch ben!’, pruilde Gea, die altijd bloedserieus is.
‘Je doet het erom’, plaagde Elsbeth met een achterdochtig ondertoontje.
‘Ik probeer een rode draad te ontdekken in vrouwenstudies. Kan iemand mij de rode draad aanreiken!’, riep Gea wanhopig uit.
De vrouwenclub ging plat. De dames proestten en gierden. Ze verslikten zich in boterhammen, koffie en thee en klopten elkaar op de rug en borst.
‘Er valt helemaal niets te snappen druif’, bracht één van haar medestudentes na veel hikken en hijgen eindelijk uit.
‘Jij gaat altijd veel te diep op de zaken in Gea. Je moet niet zo moeilijk doen!’
Dat was Elsbeth natuurlijk.
‘Ik moet niet zo moeilijk doen over sekse, cultuur en pathologie. O.k. Ik wil best niet moeilijk doen over sekse, cultuur en pathologie. Kan iemand mij dan even het geheim verklappen?’
‘Scoren!’, merkte een rechtenstudente op.
‘Scoren?’, vroeg Gea niet begrijpend.
‘Ja, het geheim van vrouwenstudies is scoren’, vulde weer iemand anders uit het klutje gelijkgezinden moeiteloos aan. Iedereen stond instemmend te knikken.
‘Die tentamens stellen natuurlijk net zo min wat voor als vrouwenstudies op zich. Dat kun je toch hopelijk wel op je vingers natellen, Gea! Zo trek je zonder enige moeite het puntengemiddelde lekker omhoog. Scoren dus!’
Dat was Elsbeth weer.
‘Alsof jij dat nodig hebt!’, sneerde Gea.
Viel dat even tegen! Met het groeien van het aantal cursusuren vrouwenstudies werd de leerstof hoe langer hoe pittiger en almaar omvangrijker. Langzaam maar zeker raakte Gea gefascineerd door de theorieën die door de eeuwen heen over, voor en door vrouwen bedacht waren. Alle voorstelbare types werden onder de loep genomen. Maria: de maagd, de non. Het natuurwezen; de oermoeder. De verleidster; hoer, heks, femme fatale. De passievelinge, de mannenhaatster, het model, of de geesteszieke. Kortom; de muze. Geen gangbare vrouw of iemand bleek er in het verleden wel een stempel opgedrukt te hebben in de vorm van; een gedicht, een roman, een psychologische analyse, een droombeeld, of een ander hokje met een slot. Gea kon zichzelf in geen van de stereotypen helemaal terugvinden. Ze had van alles wat, behalve van de geesteszieke vrouw. Deze vrouw intrigeerde haar, want Gea begreep haar niet. Het was alsof deze vrouw tegen haar geweten indruiste; alsof ze alles verpersoonlijkte wat Gea niet was of ooit zou willen zijn. Gea had haar absolute tegenpool ontmoet.
In de echte wereld van Gea maakte Marieke het ondertussen steeds bonter. Ze dreef Berend tot waanzin met haar gedrag dat hem tegelijkertijd belust maakte. Berend veranderde. Hij gaf de brui aan z’n rock and roll band, alwaar hij jarenlang de leadzanger was geweest. Logisch dat zijn vrienden hem deze stap niet in dank afnamen. Berend liet het volstrekt koud. In de drie jaar die hij met Marieke verkeerde, keek hij zijn studieboeken nauwelijks tot niet meer in en als zij niet tussen zijn lakens poseerde dan talmde hij verlaten in huis rond. Tussentijds had Marieke sluipenderwijs een heel eisenpakket ontwikkeld waaraan Berend moest zien te voldoen. Ze wilde meer tijd voor zichzelf en haar studie en tegelijkertijd moest haar relatie met Berend als vanzelf aan diepte winnen. Uiteraard kon en mocht Marieke daarbij haar moeder – de arme weduwe – niet verwaarlozen. Marieke wilde zelfs zonder Berend - maar met vriendinnen - naar Spanje. Toen ze weer heelhuids terug in Nederland was, vond ze ineens dat Berend zich anders moest kleden. Ze maakte een afspraak voor Berend bij een moderne kapper, want z’n kuif ging eraf. Berend mocht niet meer roken. Berend zou eens wat vlotter kunnen zijn. Berend was zo saai. Berend moest het niet wagen om met andere vrouwen conversatie te maken, laat staan dat het Berend toekwam om in de richting van het andere geslacht te kijken. Zelfs een gesprek met Gea was taboe in het bijzijn van Marieke, want zij was het centrum van het universum; overal en altijd.
‘Wat doet jouw zusje?’, fleemde ze bijvoorbeeld.
‘Je ziet toch dat ik zit te lezen!’, foeterde Gea in gedachte, maar ze zei geen woord.
Berend trouwens ook niet. Hij liet het contact tussen Marieke en Gea op z’n beloop. Maar omdat het gesprek van de dag, hoe dan ook, toch over Marieke moest gaan of op haar zou eindigen, toonde Gea nooit enige interesse. Ze werd gehinderd door een enorme weerstand tegen dit wezen dat overduidelijk met vergelijkbare bagage was toegerust als zij, maar dat zich desondanks gedroeg als een juffertje met de intelligentie van een verrotte verstandskies. Moeder daarentegen kon eindeloos keuvelen met Marieke. Uit sociale overwegingen had Gea weleens getracht om zich in de conversatie te mengen, maar ze kon nooit een inspringpunt vinden. Zo nu en dan verzon ze maar wat prietpraat om ook iets te zeggen te hebben. Dat was helemaal verkeerd! Gea moest wel weten waar ze over praatte.
‘Wat een prachtige nagels’, zei moeder bijvoorbeeld.
Trots stak Marieke haar juweeltjes met gespreide vingers op ooghoogte in de lucht.
‘Weet u aan wie ik deze nagels te danken heb?’
‘Nou!’ Moeder brandde van nieuwsgierigheid.
Tot haar ergernis besloot uitgerekend Gea om een gokje te wagen:
‘Aan de manicure?’, vroeg Gea vriendelijk
‘Nee, aan m’n moeder’, verried Marieke koket.
Ze richtte zich specifiek niet tot Gea.
‘O, ja?’, vroeg moeder.
‘Ja, ik moet van m’n moeder ’s nachts handschoentjes dragen.’
Hier kwam Gea het gesprek weer binnen:
‘Zeg dat nog eens?!’
‘Wat slim’, antwoordde moeder vol bewondering, terwijl ze Gea nadrukkelijk negeerde.
‘Zeg dat nog eens?!’, herhaalde Gea.
‘Ja, mij zul je geen nagels zien bijten!’, concludeerde Marieke innig tevreden.
‘Zo is dat!’
Moeder knikte instemmend.
‘Draag je ook handschoentjes als je bij Berend slaapt?’, vroeg Gea.
Ze wilde serieus antwoord hebben.
‘Gea!’, gebood moeder streng, terwijl Marieke zuchtte.
Dat deed ze te pas en te onpas. Zuchten. Ze had een heel arsenaal van kreetjes, hikjes en pufjes. Voor Gea had ze een speciaal zuchtje gereserveerd. Het vermoeide blazen. Een blaaszuchtje als het ware.
‘Ja’, protesteerde Gea.
Zij was de onschuld zelve:
‘Als ik dat toch wil weten!’
‘Nou als je het dan zo graag wilt weten Gea’, begon Marieke terwijl ze zich met geaffecteerde gebaartjes tot Gea richtte:
‘Nou, dan zal ik het je wel vertellen hoor!’
‘Ik ben benieuwd.’
Gea ging er eens goed voor zitten.
‘Nee, Gea, ik draag geen handschoentjes als ik bij Berend overnacht. Ben je nou tevreden?!’
De tranen sprongen in de versierde blauwe stuiters van Marieke en moeder schudde haar verdrietige hoofd.
‘Oh’, antwoordde Gea onaangedaan.
Zij was Berend niet. Zij liet zich niet manipuleren. Berend deed wat hem gevraagd werd. En Berend moest zitten en pootjes geven. En dan te bedenken dat Gea hem aanvankelijk nog beklaagd had ook. Alsof Berend z’n handen in onschuld waste!
Zodra Berend namelijk aan z’n grieven was gekomen – en dat was geen flauwekul – dan kon Marieke wat hem betreft opdonderen. Berend draaide zich op één oor en hoorde of zag niets of niemand meer. Berend sliep en Marieke werd bedankt! Soms na zeven keer op één dag. Gea herinnert zich zelfs een regenachtige herfstzondagmiddag waarop ze haar oordopjes negen keer in en uit heeft moeten doen, maar dat was eerder een uitzondering. Normaal gesproken besprongen Marieke en Berend elkaar vijf tot zes keer op een dag. Dat wil zeggen; een stuk of tien keer verdeeld over het weekend. Van hun doordeweekse praktijken was Gea Godzijdank niet ook nog eens oorgetuige, want Marieke kwam op vrijdagavond en vertrok op maandagmorgen in haar eigen auto. Een opgekalefaterde groene Eend die ze voor haar verjaardag van haar toeziend voogd had gekregen. Bijna drie jaar lang reed ze steevast met behuilde, rode ogen op maandagmorgen in haar Eendje de straat uit. Ze vertrok nooit eerder. Want Marieke liet zich niet bedanken. Desnoods verstoorde ze de nachtrust van de hele buurt waardoor moeder en Gea zich in eerste instantie nog wel enigszins genoodzaakt voelden om Marieke op haar fatsoen besef te wijzen. Al was het alleen maar uit gemeenschapszin. Het was desondanks verspilde energie. Marieke krijste net zolang totdat Berend zijn verontschuldigingen aanbood en wel nu!
‘Ga toch naar huis, meisje!’, stelde moeder voorzichtig aan het hysterisch huilende wicht voor.
‘Nee doe dat maar niet!’, riep Gea angstig, omdat ze al visioenen kreeg van krantenberichtjes over een fataal verongelukte jonge vrouw in een groene Eend.
Een hele mooie meid in de bloei van haar leven die in overspannen toestand haar vriend verlaten had.
‘Wat moet ze dan!?’, vroeg moeder die Marieke inmiddels liever kwijt was dan rijk.
Moeder wilde in alle rust naar Franse chansons luisteren of t.v. cinq kijken en wijn drinken. Moeder wilde allang geen Latijnse termen meer met Marieke uitwisselen. Moeder wilde van haar welverdiende weekend genieten. Moeder wilde geen gezeur aan haar kop. En wie niet naar moeder luisteren wilde, die moest maar voelen. Zonder pardon duwde moeder haar schoondochter in spé de huiskamer uit, de gang op. Gea volgde gedwee, omdat ze haar ogen en oren niet kon geloven. Moeder sloot de huiskamerdeur en daarmee bande ze zowel Marieke als Gea uit. Gea wist van verontwaardiging niet waar ze blijven moest. Zeker niet toen Marieke schaamteloos begon te hyperventileren. De echo van de holle gang gaf haar gehijg een onheilspellende teneur en hoewel Gea absoluut niet aan de heftigheid van dit verdriet kon relateren, verfoeide ze haar broer, de supernerd, vanwege zijn onvermogen. Machteloos liet Gea zich door het aanhoudende gedram van Marieke verleiden tot een hartig woordje met Berend.
‘Berend doe iets, want ze drijft me tot wanhoop’, toeterde Gea in het oor van haar ronkende, snurkende broer.
‘Ze is jouw vriendin. Jij hebt haar aangehaald. Los het op, Berend. Los haar op!’
En zo wilde Berend in het begin van zijn tumultueuze relatie na veel vijven en zessen en voor de lieve vrede nog weleens uit zijn coma herrijzen. Eenvoudigweg ‘sorry’ zeggen was echter al snel niet meer goed genoeg. Berend moest boete doen. Hij moest door het slijk, op z’n knieën, eeuwige, onvoorwaardelijke liefde aan Marieke betuigen, trouw, deugdzaamheid en spijt. Diepe, grenzeloze spijt. Knikkebollend stond Berend in z’n onderbroek halverwege de trap en krabde z’n verwarde hoofd. Marieke kromp kwijnend ineen. Haar gezwollen gezicht was nat van de krokodillentranen. Haar wangen zagen zwart van de uitgelopen mascara. Ze was een zielig restje mens. Ze was erbarmelijk. Later zou Gea immuun worden voor deze aanstelleritis, maar in het eerste jaar kon ze de ellende van Marieke niet verdragen:
‘Bied je verontschuldigingen aan, nu!’, riep ze tegen Berend.
‘Waarvoor?’, gaapte hij.
‘Waarvoor?’, wilde Gea op haar beurt van Marieke weten.
‘Hij zegt dat ik slechte adem heb!’, piepte Marieke.
‘Hoe kun je!’
Gea reageerde meteen, omdat ze de zaak voor eens en altijd opgelost wilde hebben. Ze wilde rustig slapen, zonder gemok en gedoe achteraf. Tegelijkertijd bedacht ze voor de zoveelste keer dat haar broer toch wel een ongelofelijke nerd was. Wie zegt nou zoiets?
‘Je hebt ook slechte adem’, merkte Berend slaperig tegen Marieke op.
Hij maakte aanstalten om weer terug te keren naar zijn bed.
‘Je blijft hier!’, gebood Gea.
‘Ze kan toch meekomen!’, stelde Berend kalmpjes voor.
‘Je kunt toch met hem mee naar bed gaan?’, herhaalde Gea tegen Marieke.
‘Berend houdt niet meer van me!’, snikte Marieke.
‘Welja’, suste Gea die zich een kleuterjuf voelde;
‘Iedereen heeft weleens slechte adem. Dat geeft helemaal niets. Je poetst gewoon je tanden met Macleans of zo en morgen is het leed geleden. Slaap er gezamenlijk een nachtje over.’
En tegen Berend zei ze berispend:
‘Iedereen heeft weleens slechte adem Berend!’
Marieke leek te herademen. Het snikken nam af. Marieke wachtte af.
‘Ja’, wist Berend;
‘Dat is allemaal best en ze mag ook graag naast me komen liggen, maar ze moet niet constant in m’n gezicht blazen.’
Na deze woorden maakte Berend rechtsomkeert en kreeg Marieke een soortement zenuwtoeval waarover Gea weleens gelezen had. De reële versie joeg haar de stuipen op het lijf. Bij gebrek aan kalmerende middelen haalde ze maar snel een glaasje water en een rol toiletpapier voor de schuimbekkende, snotterende Marieke en ried haar om de volgende dag voorgoed van Berend heen te gaan. Ze ging nooit.
‘Ze heeft haar lichaam nou eenmaal aan Berend gegeven’, verzuchtte moeder en daar liet ze het verder bij.
Gea kookte:
‘Nou, dan neemt ze dat goddelijke lichaam toch gewoon weer mee naar huis. Laat ze iemand anders een plezier doen met dat omhulsel van d’r!’
Vader zei;
‘Ach die jongen is verliefd.’
Gea was met stomheid geslagen:
‘Waarom ben je nooit zo schappelijk ten opzichte van Geert en mij?’
‘Dat ligt anders.’
‘Waarom ligt dat anders?’
‘Ja, dat weet ik even niet, Gea. Je moet die Marieke maar een beetje helpen. Berend is kennelijk niet zo goed met vrouwen.’
Maar Gea kon Marieke helemaal niet helpen. Alles aan deze vrouw stond haar tegen. De wijze waarop ze zich presenteerde en altijd en eeuwig op de voorgrond trad. De manier waarop ze praatte met zo’n geaffecteerd ministemmetje afgewisseld met hectische adempauzes; alsof haar longcapaciteit permanent tekort kwam aan zuurstof. En dan niet te vergeten dat typische rollen met haar ogen en dat consequente negeren van haar medemens. Middenin een moeizaam gesprek met Marieke over – pakweg – het weer kon ze een zakspiegeltje uit haar handtas tevoorschijn toveren. Zonder enige gêne en in het bijzijn van een iegelijk begon ze bijvoorbeeld koelzinnig haar lippen stiften. Of ze werkte haar kunstwimpers bij met een smoezelige mascararoller tijdens het eten. Gea ergerde zich krankjorum aan Marieke, maar omdat de rest van de wereld geen mening leek te hebben, wist ze totaal niet waar te blijven met haar frustraties. Elsbeth bood geen uitweg, want haar vriendin zou alleen maar smullen van het sappige relaas van Gea. Stiekem zou Elsbeth bidden dat het alsnog maar snel uit mocht raken tussen Berend en Marieke. En Gea wilde haar vriendin geen valse hoop bieden. Na Marieke wist Gea helemaal zeker dat Berend haar nooit een blik waardig zou gunnen.
‘Plain Elsbeth’, noemde hij haar ooit gekscherend.
En Elsbeth mocht dan wel ietwat gewoontjes zijn in de ogen van Berend; ze was in ieder geval in staat om normaal te functioneren. Marieke daarentegen was niet helemaal honderd procent bij haar verstand. Daar kon geen twijfel over bestaan en niemand sprak Gea tegen. Ze kreeg echter evenmin bijval. Nou ja, af en toe, van Geert die helaas zo weinig mogelijk van zijn vrije tijd aan Marieke wenste te besteden.
‘Wat vind je nou van haar?’, wilde Gea weten.
‘Marieke is nep!’, stelde Geert alsof het een voldongen feit was.
‘Vind je haar niet mooi?’
‘Nee.’
‘Waarom niet. Iedereen vindt haar mooi. Ik vind haar zelfs mooi.’
‘Neem verkering met haar’, lachte Geert.
‘Ben nou eens eerlijk, Geert.’
‘Ik ben eerlijk.’
‘Je mag haar best mooi vinden, van mij!’
‘Ik vind haar niet mooi Gea’, zuchtte Geert vermoeid.
‘Hoezo, is ze je type niet?’
‘Nee, Gea, jij bent m’n type voor het geval je dat nog niet gemerkt mocht hebben.’
‘Aan jou heb ik ook niks.’
‘Sorry!’
‘Misschien ben jij haar type ook wel niet. Misschien is Berend daadwerkelijk haar type. Ik kan het me wel niet voorstellen, maar Elsbeth zwijmelt ook van al van Berend en wie ben ik nou helemaal?’
‘Vrouwen als Marieke worden niet verliefd.’
‘Hoe weet jij dat nou weer?’
‘Neem dat nou maar van me aan Gea.’
‘Ik neem nooit iets zomaar aan, dat zou jij toch moeten weten Geert.’
‘Nou, laat ik het dan zo stellen; als ik gewild had, dan zou ze Berend ingeruild hebben voor mij.’
Geert spreekt altijd de waarheid.
‘Heeft ze avances gemaakt?
Gea werd niet eens kwaad. Ze was perplex en werd tegelijkertijd overvallen door een korte golf van allerlei meelijwekkende gevoelens voor Berend. De nerd.
‘Ja.’
‘Dus je vindt mij mooier dan Marieke?’
‘Ja.’
‘Hoe bestaat het.’
‘Beauty is in the eye of the beholder.’
‘De waarheid moet gezegd worden’, antwoordde Gea fier.
Later vernam ze van Elsbeth dat Marieke ook op de universiteit flirtte met alles wat los en vast zat.
Berend wilde niets weten van de ware aard van zijn geliefde en Gea drong niet langer aan. Ze twijfelde aan zichzelf en haar afkeer van Marieke. Misschien was ze op één of ander onbewust niveau wel verschrikkelijk verkeerd bezig. Wellicht had ze hier te maken met een gebrek aan zelfkritiek. Denkelijk was Gea intolerant en bevooroordeeld. Het intensief volgen van de cursussen bij vrouwenstudies deed deze eigenschappen in elk geval geen goed. Met name het werkcollege over ‘de waanzin’ bij de cursus ‘sekse, cultuur en pathologie’ zette een dikke streep onder de antipathie van Gea voor Marieke. Dit gebeurde zomaar op een doodgewone donderdagmiddag waarop een docente zich het hoofd brak over de theorieën van anderen. Van de studentes werd verwacht dat ze hardop meedachten. Gea spitste haar oren, want dit ging over Freud en andere heiligen op het gebied van de psychoanalyse. Dit ging over hysterie, dus dit ging over Marieke. Haar ogen vlogen over de bladzijdes van het nieuwe dictaat, terwijl ze met ingehouden adem de anderen hoorde discussiëren over hysterie alsof het een geestaandoening uit vervlogen dagen betrof. Tegenwoordig zijn vrouwen niet hysterisch. Ze krijgen weliswaar eetproblemen, postnatale depressies of burn-outs, maar geen hysterie. Hysterie was iets voor de onderdrukte vrouw in de negentiende en begin twintigste eeuw. Hysterische vrouwen vielen flauw; de rughand tegen het voorhoofd. Precies zoals beschreven in de literatuur uit die tijd waarin de labiele vrouw uitgebreid geromantiseerd wordt. Onterecht, want deze dames zaten juist gevangen in een keurslijf van sociale regeltjes, waarden en normen. Zij waren geen heldinnen maar juist hysterische slachtoffers van een tijd. Zwakke zieltjes. Enerzijds gedwongen om hun seksualiteit te onderdrukken met hyperaangepast, zedenvol gedrag. Anderzijds geneigd om hun zinnelijkheid tentoon te spreiden met aanstootgevende kleding, suggestieve gebaartjes en een smachtende manier van praten. Alsof het verlangen om uit de ban te springen op het puntje van hun tong lag, maar altijd weer werd ingeslikt op het cruciale moment. Deze vrouwen werden als het ware waanzinnig van verlangen naar seks.
Achterdochtig beluisterde Gea de zelfgenoegzame analyses van haar quasi-vrijgevochten medestudentes. Het sensualiteitgehalte van deze feministes had ze al sinds aanvang van het semester gewantrouwd. De eindconclusie liet zich raden. Iedereen werd logischerwijs eensgezind regelrecht blasé van Freud die stug elke geestaandoening op sekse en seksualiteit terugvoerde.
‘Freud is een man’, zei iemand.
‘En zoals we allemaal weten, willen mannen maar één ding’, grapte iemand anders.
‘Wat dan?’, vroeg Gea onnozel.
Dit keer provoceerde ze juist wel, maar het werd haar goedgeluimd vergeven door de meidenkliek die met elkaar op een doodgewone donderdagmiddag toch maar mooi buitensporig hoge sferen hadden weten te bereiken. De dag kon niet meer stuk. Zelfs Elsbeth durfde met een schijnheilige uitdrukking op haar tronie te beweren dat de huidige, ontwikkelde, geëmancipeerde vrouw heus niet dag en nacht met seks gepreoccupeerd was. Gea twijfelde, maar ze hield haar lippen stijf opeengedrukt. Wie zou haar, de opportuniste, serieus nemen? Verward keek ze om zich heen naar het groepje geleerde dames. Over smaak valt niet te twisten. Toch had elke vrouw van dit clubje zich met zorg opgemaakt. Een ieder droeg redelijk modieuze kleding en een zekere verwachtingsvolle uitstraling was geen van allen vreemd. Kennelijk ligt er voor deze dames nog heel wat in het verschiet. Mogelijk bezitten ze nu al alles wat het moderne vrouwenhartje begeert? Alhoewel Gea van Elsbeth weet dat dit niet zo is. Maar niet getreurd! De vloek van de hysterie is bezworen! Alsof de vrouwen vroeger achterlijk waren. Alsof de chronische toevallen niet samen gingen met een uitgekiend en elegant onderuit gaan in de armen van een dwepende charmeur. Alsof de liters ether die toen gebruikt werden om de doorluchtige elfjes weer met beide benen op de grond te zetten tegenwoordig niet vervangen zijn door valium, prozac of morfine. Alsof de heren heden ten dagen niet net zo goed helemaal plat gaan voor zo’n kwelende kwijl. Zo’n quasi-diepe dame met een hele riedel onuitgesproken roerselen van de ziel. De zinnelijke, sensuele, mysterieuze ziel! Sla de wereldliteratuur er maar op na! Nee, seksualiteit omvat heel wat meer dan de daad alleen. Wat Gea aangaat is Freud nog lang niet passé.
Zoals verwacht was moeder het oneens met Gea:
‘Een zinnelijke vrouw is van nature bezig met schoonheid’, wist ze.
‘Met seks dus, net als mannen’, concludeerde Gea droog.
Marieke – de expert - snoof en moeder kneep haar ogen bedillerig tot spleetjes,
‘Seks heeft niets met schoonheid te maken’, merkte Marieke vermoeid op.
Na een jaar of twee bleek Marieke toch niet helemaal ongevoelig voor de wereld om haar heen. De angel leek wel uit de nietsontziende romance met Berend. De interactie met Marieke nodigde weliswaar over het algemeen nog steeds niet uit tot diepgang, maar in het geval van Gea wilde ze in die getemperde tijd nog weleens een quasi-poging wagen. Gea deed zo’n beetje mee. Ze bleven tenslotte ieder weekend tegen wil en dank met elkaar opgescheept zitten. Het huis was niet groot genoeg om medebewoners te ontlopen. Voor je het wist zat je wederom gezamenlijk te tafelen. Het constante geruzie van voorheen begon z’n tol te eisen. De aantrekkingskracht tussen Berend en Marieke was zoals gezegd verslapt en Gea raakte uitgeput van haar rol als scheidsrechter. Ze leerde haar tegenpool in de loop van de jaren steeds minder begrijpen; totdat ze niet eens meer medelijden met Marieke kon opbrengen. De minachting, die zelfs zo nu en dan bij Gea de kop opstak, probeerde ze te onderdrukken. Temeer daar ze er sinds het college over de waanzin van overtuigd is dat Marieke hysterisch was. Ze had alle symptomen.
‘Als seks niets met schoonheid te maken heeft, waarmee dan wel?’, vroeg Gea.
Marieke haalde haar schouders op en schikte een plooi in het decolleté van haar zijden blouse. Ze schudde haar blonde lokken uit haar gezicht en controleerde de sluiting van één van haar oorbellen.
‘Hé, ik vraag je wat!’
‘Zal ik een boterhammetje voor je smeren?’ fleemde Berend.
‘Kan ze dat zelf niet!’ riep Gea vol afschuw.
‘Ja graag, Beertje. Met een plakje kaas manniemijn’.
‘Tuurlijk vrouwtje. Voor jou doe ik alles, poesje.’
Marieke knipoogde triomfantelijk naar Gea die met ingehouden woede haar slapen masseerde. Vader kauwde en las de krant. Moeder declameerde:
‘De natuur is schoonheid!’
‘Dus seks’, herhaalde Gea.
Vader grinnikte bijna onhoorbaar. Berend concentreerde zich volledig op de boterham voor Marieke.
‘Jij met je seks!’, verzuchtte Marieke.
‘Jij met je seks, zul je bedoelen!’, riep Gea oprecht verontwaardigd uit.
‘Hoe kom je daar nou bij?!’, vroeg moeder verwijtend. ‘Er is er hier maar één in huis die constant over seks praat en dat ben jij!’
Vergenoegd hapte Marieke in haar boterham met kaas.
Hoewel de ruzies afnamen, werd de wanhoop van Marieke niet minder groot. Ze huilde nog steeds in de gang naast de garderobespiegel op de kille betegeling. Ze hing meestal half over de paraplubak. Soms luisterde Gea naar haar snikken die nergens meer toe dienden. Het verdriet ging overal en nergens over. Vader was niet thuis, moeder deed of haar neus bloedde en Berend lag in bed en sliep. Alleen Gea was overgeleverd aan de gekte van een vrouw die ze niet begreep. Een vrouw die alles mee had in dit leven. Een vrouw die in niets voor Gea onderdeed. Gea zou niet weten waarom uitgerekend zij zich in dit wezen zou moeten verdiepen. Marieke had toch een moeder, een zus en zelfs een toeziend voogd? Wat wilde Marieke toch van haar? Radeloos drukte Gea haar vlakke handpalmen tegen haar oorschelpen en ijsbeerde door haar slaapkamer. Ze deed de deur dicht en plaatste de koptelefoon op haar hoofd. Bij tijden hielpen de luisterliedjes van Robert Long of de muziek van Sting haar door de ergste twijfels heen. Af en toe viel ze zelfs in slaap. Ook bracht een studie- of leesboek weleens wat afleiding, maar in de regel zat ze op haar bed, met haar rug tegen de muur, te wachten totdat Marieke uitgeraasd was en zachtjes de traptreden kwam opgeslopen om stilletjes in de zolderslaapkamer van Berend te verdwijnen. Op een keer moest Gea tijdens één van deze weekendrituelen dringend naar het toilet. Bovenaan de trap keek ze neer op een naakt lichaam. Uit razernij had Marieke zich van al haar kleding ontdaan en lag languit op haar buik in de gang. Van bovenaf bezien leek ze een gelatinepudding. Vanillesmaak! De mollige armen lagen loom naast haar welgevormde blanke rug die onregelmatig kromde op de muziek van haar gesmoorde kreten. Haar roomblanke billen kwabden. Het vlees om haar bovenbenen trilde. Gea meende haar te horen lallen en neuriën. Haastig stapte ze over Marieke en snelde naar het toilet in de bijkeuken. Daarna belde ze Geert in paniek uit bed:
‘Het is gebeurd! Ze is totaal doorgedraaid! Ze ligt hier naakt in de gang! Ik kan er niet weer langs. Ik wil er niet weer langs. Maar ik moest zo dringend plassen, Geert. Nou wil ik weer terug naar bed! Ik wil slapen! Ik heb morgen een tentamen! Help!’
'Gewoon over het wicht heenstappen en niets van aantrekken. Ze is niet gek Gea. Ze speelt een spel. Ze weet precies wat ze doet! Wees maar niet bang!’
‘Ik ben wel bang, zo meteen klampt ze zich aan me vast, dan grijpt ze naar m’n kuiten! Of ze berooft zich van het leven! Wat moet ik doen, Geert? Ik moet iets doen!’, huilde Gea.
‘Vrouwen als Marieke plegen geen zelfmoord, Gea, neem dat maar van me aan!’
En omdat Geert dus altijd de waarheid spreekt, begaf Gea zich trillend van vervreemding opnieuw naar de overloop. Daar botste ze net niet tegen Berend op. Vol mededogen droeg hij Marieke in zijn armen. Hij in boxershorts en zij poedelnaakt. Het haar kroesde en piekte alle kanten op, haar borsten wiebelden, haar wangen glommen van de tranen, maar haar behuilde ogen straalden en om de lippen speelde een gelukzalige glimlach. Als dit geen waanzin was, wat had dat dan te betekenen?
‘Hartstocht’, zei Elsbeth.
‘Passie’, volgens vader.
‘Verloren onschuld’, antwoordde moeder.
‘Bezitsdrang’, wist Geert.
‘Geen van allen’, dacht Gea, want de pijn was bekend.
De tranen vloeiden op momenten die ook Gea melancholiek maakten. Het verdriet had te maken met de dingen die voorbij gaan, met teleurstelling in jezelf en ontnuchtering over de liefde in een meisjesdroom. En dromen die bepaal je helemaal zelf. Na het ontwaken volgt onwillekeurig de klap van de realiteit. Van een vriend die blijkt te snurken; van de man van je dromen die onbeschaamd boeren laat na een romantisch dineetje; van de prins op het witte paard die vloekt als hij struikelt; van sterke, brede schouders die vanuit de oksels rieken naar transpiratie juist op het moment van uithuilen; van ongeschoren wangen en stekelige zoenen, van saaie sportuitzendingen en sprakeloze thuiszittingen; van duffe discussies en van zieke zielenpietjes, moederskindjes, centenneukers, viezeriken en muggenzifters; kortom, van de hebbelijkheden van de man van je keuze. En ziedaar een mens! Om de ware Berend kon dus zelfs Marieke niet langer heen. Dat hevige, hysterische verzet kwam voort uit elke botsing tussen Berend en haar adonis. Waarbij Marieke wel eventjes vergat om zelf als een normaal, feilbaar mens uit haar dagdromen te ontwaken. In de ogen van Gea ben je dan pas goed gek. Zeker in de hoedanigheid van heilige maagd Maria met een hoer als alter ego. Berend bood geen enkele uitweg.
Nee, dan is Geert heel wat makkelijker in de omgang. Hij heeft Gea nooit op een voetstuk gezet. Uit voorzienigheid. Opdat ze nooit van haar sokkel zou vallen. Hij is een man van de tussenweg en duizend mogelijkheden. Gea herinnert zich de bos rozen die Geert voor haar drieëntwintigste verjaardag kocht.
‘Wat origineel, drieëntwintig rozen’, merkte moeder vinnig op.
Zij vindt al jaren dat Geert zijn aanstaande schoonmoeder weleens in de bloemetjes mag zetten.
‘Het zijn vierentwintig rozen’, antwoordde Geert op cynische toon.
Geert distantieert zich van moeder zodra hij de kans krijgt. Gea kan zich niet beter wensen.
‘In de bos zitten ook twee theaterkaartjes verstopt’, knipoogde hij naar Gea die stond te stralen van plezier.
Ze had zich nog nooit zo jarig gevoeld.
‘Voor Toon Hermans!’, vulde moeder verveeld aan.
Alsof zij wekelijks op uitnodiging van anderen het theater bezocht. Gea probeerde haar enthousiasme ietwat te temperen voor moeder, vader en Berend. Zij hadden niets te maken met het geluk dat voortvloeide uit een liefdesbetuiging in optima forma.
‘Doe maar duur’, murmelde vader kinderachtig jaloers.
‘Wat kost nou zo’n bos als ik vragen mag?’, vroeg Berend prozaïsch.
‘Gea is jarig’, wist Geert ontwijkend.
‘Man, vertel nou even wat die bos gekost heeft. Binnenkort hebben Marieke en ik twee jaar verkering en dan kan ik mooi ook vierentwintig rozen voor haar kopen.’
‘Zullen we gaan?’
Geert negeerde Berend. Berend keek beduusd, alsof hij op z’n nummer gezet was, terwijl Gea haar tranen wegslikte:
‘Zelfs als dat stomme wijf niet lijfelijk aanwezig is, draait alles om Marieke’, foeterde ze in de gang bij de paraplubak.
‘Probeer haar te vergeten’, stelde Geert voor.
Dat was makkelijker gezegd dan gedaan.
Vergeten, negeren, ontwijken, begrijpen, opvangen, ondersteunen. Allemaal ondoenlijk. Gea had geen leven meer. De uitbarsting kwam toen ze een spijkerbroek miste.
‘Ik mis een spijkerbroek’, merkte ze confuus op, voordat ze achter een bord met dampende zuurkoolstamppot kroop.
‘O ja, die heb ik geleend’, wist Berend terloops.
‘Wat?’, schreeuwde Gea.
Ze stond naast vader, links van de keukentafel, en keek neer op een etend en smakkend viertal.
‘Schreeuw niet zo!’ gebood vader.
Hij las een tijdschrift. Gea kan zich niet anders heugen dan een lezende vader tijdens het eten. Moeder en hij hebben er al ontelbare keren over gekibbeld en dat zullen ze waarschijnlijk tot in het einde der dagen onbeslist blijven volhouden.
Marieke glimlachte onnozel en moeder sneed kalm een rookworst in plakjes.
‘Heb jij mijn spijkerbroek aangehad?’, vroeg ze met een vies gezicht aan Marieke.
‘Ik niet’, ontkende Marieke met volle mond.
‘Pas jij in een maatje veertig met dat achterwerk van jou?!’, riep Gea ongelovig uit.
‘Er is niks verkeerd aan het achterwerk van Marieke’, gniffelde vader.
‘Ga zitten en eet!’
Dat was moeder.
Marieke had haar mond inmiddels leeggegeten:
‘Ik draag geen spijkerbroeken, maar kokerrokken en mantelpakjes, Gea. Berend heeft jouw spijkerbroek gedragen.’
Berend probeerde om zich achter zijn bord met zuurkoolstamppot te verstoppen. Gea kon hem alleen maar daas blijven aanstaren. Met hele grote ogen en een open mond.
‘Je hebt zelf toch spijkerbroeken’, stamelde ze uiteindelijk.
‘Ben je nou nog bezig over die spijkerbroek.’
Driftig schraapte moeder met haar mes een lading zuurkoolstamppot op haar vork.
‘Ja, maar ik heb alleen maar spijkerbroeken in de rock and roll stijl’, antwoordde Berend min of meer verontschuldigend.
‘Ja en?’, vroeg Gea op een toon die aangaf dat ze op exploderen stond.
‘Geen regular of disco dus’, verklaarde Marieke.
‘Ja en?’, herhaalde Gea op dezelfde toon.
‘Zeg, maak jij eens niet zo’n heisa over een spijkerbroek’, zei vader, terwijl hij met een ruim armgebaar een bladzijde van zijn tijdschrift omsloeg.
Moeder kon net op tijd voorkomen dat hij met de ommezwaai de jus van tafel maaide.
‘Ik maak geen heisa over zomaar een spijkerbroek, pap. Ik maak heisa over een regular spijkerbroek’, zei Gea hatelijk.
‘Whatever’, wist vader.
‘Stond hem anders uitzinnig; die regular spijkerbroek’, giebelde Marieke.
‘O ja?’, vroeg moeder vriendelijk.
‘Nou ja, hij kreeg alleen de tailleband niet dicht en de rits ging ook wat moeilijk, maar dat hebben we opgelost met een lamswollen spencer van mijn zusje. Mijn zusje draagt altijd lamswollen spencers op van die geruite collegerokken, weet u wel?’
Moeder glimlachte bemoedigend en Marieke vervolgde vurig:
‘Deze spencer was zachtgeel en viel erg ruim over de tailleband en rits van die regular spijkerbroek van Gea heen. Berend zag eruit om van te smullen. Voor het eerst viel hij helemaal niet op tussen de andere gasten van de Galerij.’
Op dat moment brak er schakel in het redelijke denkvermogen van Gea. Woedend greep ze naar het onaangeroerde bord vol met zuurkoolstamppot voor haar en zwiepte het in de richting van Berend en Marieke. Berend reageerde direct door van Marieke weg te duiken. Marieke schoof haar stoel naar achteren en bleef zitten gillen, terwijl ze ongecoördineerd om zich heen sloeg. Slierten zuurkool lagen her en der tussen de aardappelpuree over haar borsten gedrapeerd. Toevallig was haar bovenkant luchtdicht verpakt in de mohair look. Een geluk bij een ongeluk. Van brandwonden kon dus geen sprake zijn. Desondanks schoot moeder uit haar zithouding en haalde met haar beruchte vlakke rechtse uit naar Gea. De klap sloeg in als een vlam in de pan. Weer terug op aarde wreef Gea beduusd haar schrijnende wang.
‘Je had haar beter kunnen slaan’, piepte ze met een hoofdbeweging naar de krijsende Marieke.
Vader bracht zijn tijdschrift in veiligheid
De spijkerbroekkwestie bleek een onverwacht staartje te hebben. Berend begon heel handig de mening van Gea te gebruiken om voor zichzelf op te komen. Uit politieke correctheid weigerde hij om zich nog langer naar de Galerij te begeven. Zoetjes aan wilde hij weer een kuif laten staan. Hij zocht enkele oude bekenden op. Hij kocht een nieuwe spijkerbroek. Geen regular maar een originele 501. Uit verzet ging Marieke zich steeds hoeriger gedragen. Ze toupeerde het haar in een stijl die de Amerikanen typeren als; ‘big hair’. De make-up werd heftiger. Haar gezicht werd een geschetste farce. Een spotprent van verdwaalde schoonheidspukkels, felle oogschaduw en duimendik opgebrachte foundation. Elk weekend verbruikte ze een lippenstift die ze meestal nog brak ook tijdens het opbrengen van het kersenrood. Haar kleding liet hoe langer hoe minder te raden over. De rokjes waren nog wel in kokerstijl, maar ze werden zienderogen korter en konden voor hetzelfde geld bij een escortservice besteld zijn als door haar zedige moeder ontworpen en genaaid.
‘Ik dacht dat jouw moeder zo streng was?‘, vroeg Gea eens, terwijl ze veelbetekenend de lengte van Mariekes stelten inspecteerde.
Vermoedelijk benaderde ze Marieke op een onbewaakt moment, want ze antwoordde ongekunsteld:
‘Jawel, maar ze is ook heel dom. Ze maakt alles wat ik vraag. Ik zeg gewoon dat het mode is!’
‘Maar het is geen mode, toch?’
‘Nou en?’
‘Vind je jezelf niet een beetje frivool, Marieke?’
‘Ik wist niet dat jij ook al ouderwets was, Gea.’
‘Ik weet niet of ik al dan niet ouderwets ben. Ik weet wel dat een vrouw geen slapende honden wakker moet maken. De buitenwacht is al hitsig genoeg. Als je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Misschien kick ik daar wel op!’, besloot Marieke raadselachtig.
Hierna gaf ze Gea een vette knipoog en heupwiegde heen. Gea had het argwanende nakijken. Met naïveteit had dit weinig meer van doen. Zelfs Berend voelde nattigheid:
‘Ik voel hoorntjes groeien!
‘Ik heb je gewaarschuwd!’
‘Ik kan er niets aan doen.’
‘Waar twee vechten hebben anders twee schuld.’
‘Ik dacht dat jij m’n zus was?!’
‘Ik dacht dat jij m’n broer was?!’
‘Ik dacht dat jij een hekel aan Marieke had?’
‘Ik dacht dat jij van Marieke hield?’
‘Ik houd ook van haar.’
‘Dan heb jij een probleem Berend en niet ik’, besloot Gea.
De hoorcolleges bij vrouwenstudies werden steeds minder druk bezocht naarmate het semester op z’n einde liep en de tentamens naderden.
‘Klotetyphuszooi, heb je die vragen gezien voor het tentamen ‘sekse, cultuur en pathologie’? Zijn die wijven wel helemaal goed bij hun verstand. Ik volg ook nog een echte studie’, vloekte Elsbeth op een morgen in de trein op weg naar Tilburg.
‘Je wilde toch scoren?’, vroeg Gea onschuldig.
Zij verheugde zich op het beantwoorden van de vragen en had leedvermaak over Elsbeth en haar feitenkennis. Haar ogen twinkelden, terwijl ze de situatie nog wat verder uitbuitte:
‘Wat zit je nou te zeiken!? Je mag de vragen mee naar huis nemen nota bene?!’
‘Ja, daar heb ik toch geen bal aan’, zeurde Elsbeth. ‘Ik kan sowieso niets opzoeken. Het is de bedoeling dat de antwoorden tezamen een soort essay vormen. Dat kan ik helemaal niet.’
‘Je kunt toch wel zelfstandig nadenken, mag ik hopen?’ vroeg Gea spottend.
‘Hoezo, nee, ik geloof niet dat ik daar erg goed in ben, nee. Moet dat dan?’
De humoristische kant van Elsbeth doet Gea telkens weer overstag gaan. Grinnikend diepte ze het A-viertje met de vragen van het tentamen ‘sekse, cultuur en pathologie’ uit haar pukkel die ze eerst uit een hoop andere tassen in het bagagerek boven het raam van de trein had moeten vissen. De trein hobbelde en schudde en Gea moest zich overeind houden aan vanalles en nog wat en dus ook aan een vreemde oude mannenjas aan een haakje. De jas liet los, maakte een zijwaartse buiging en bedekte het kale hoofd van de eigenaar die tevens de medepassagier en treinbuur van Gea was. Hij kuchte nadrukkelijk vanonder zijn jas. Gea negeerde de man omdat ze vond dat hij tot nu toe veel te breeduit en asociaal in hun tweezitsbank de krant zat te lezen. Het hele eind vanaf Best tot Boxtel – minstens een kwartier - had hij Gea zowat fijngeperst tussen zijn brede zithouding en de armleuning zonder een spier te vertrekken. Hij was een zwaar irritante bejaarde en had dus geen enkel recht van spreken. Moeizaam ontdeed de oude man zich van zijn wollen belager. Bibberig en met heel veel boze blikken richting Gea hervond hij het lusje van zijn jas en hing het weer terug aan het haakje. Hiervoor moest hij zich echter een seconde van zijn zitplaats oprichten, waarmee hij Gea onbedoeld de kans gaf om er op haar beurt eens goed voor te gaan zitten. Gea zou geen millimeter meer wijken en met haar knieën zo ver mogelijk uiteen en het A-viertje in het vizier van haar opgehouden armen, waarvan de linker ellenboog in de rechterzij van de oude man priemde, zakte ze voluit achterover en richtte zich weer tot Elsbeth die ondertussen zichtbaar had zitten genieten van het tafereeltje.
‘Neem nou de eerste vraag. Dat is toch een makkie?’, begon Gea.
‘Leg uit!’, beval Elsbeth onnodig gretig en hard. Zij dacht dat Gea nog een spelletje speelde.
‘De eerste vraag gaat over de hysterie.’
‘Ja?’
‘Je moet gewoon uitleggen wat jij vindt’.
‘Waarvan?’
‘Van hysterische vrouwen. Ben ik nou zo dom of ben jij nou zo slim?’
‘Wat vind ik dan van hysterische vrouwen?’
‘Ja, dat weet ik toch niet!? Snap je dat nou echt niet Elsbeth?’
‘Nee’, beweerde Elsbeth zonder schaamte.
Gea herlas de eerste vraag van de lijst en probeerde de vakterminologie voor Elsbeth in gewoon Nederlands te vertalen.
‘Je moet in een kort betoog uitleggen of jij vind dat hysterische vrouwen het slachtoffer van hun tijd zijn of juist heldinnen.’
‘Heldinnen?’ Hoezo heldinnen. Hysterische vrouwen zijn toch ziek. Ze zijn toch waanzinnig. Dat zegt Freud toch?’
Paniekerig begon Elsbeth in haar boekentas, die naast haar in het gangpad stond, te graaien op zoek naar haar collegedictaat. Ze wilde haar gelijk, zoals gewoonlijk, zwart op wit voor zich zien. Ze nam haar geopende boekentas op schoot.
‘Nee, dat zegt Freud niet. Freud is die man van het onderbewuste, weet je wel. En hij had een patiënte, ene Dora, en die was dus hysterisch. Dat is alles.’
Beduusd staakte Elsbeth haar zoekactie. Met haar boekentas op de knieën bleef ze Gea sprakeloos aankijken. Na een denkpauze zei ze beslist:
‘Die Dora was hartstikke gek!’
‘Nou, mooi, dan weet je dus hierbij het antwoord op de eerste vraag. Hysterische vrouwen zijn in jouw ogen slachtoffers van de tijd waarin zij leven. Nou moet je alleen nog even uitleggen waarom je dat vind.’
De oude man ging zuchtend verzitten, maar Gea hield stand, terwijl Elsbeth haar achterdochtig monsterde.
‘Vind jij van niet dan?’, wilde ze weten.
‘Ik weet het nog niet’, antwoordde Gea naar waarheid.
‘Kom op Gea, hoe kunnen waanzinnige vrouwen nou heldinnen zijn?’
Elsbeth was moeilijk te verstaan door het kabaal van een naderende treinserveerster met een minisnackbar op wieltjes. Gea moest schreeuwen om boven de herrie uit te komen.
‘Omdat je waanzin ook kunt zien als een verzet tegen heersende waarden en normen.’
‘Ach, de hysterische vrouw als de Don Quichote van de seksualiteit!’, riep Elsbeth leukweg.
Gea vouwde het A-viertje met de vragen tot een koker, hield hem voor haar mond en toeterde:
‘Elsbeth, Elsbeth, soms doe je me versteld staan! In jou schuilt ware dichteres.’
De oude man stopte zijn wijsvingers in z’n oren, terwijl Elsbeth terugblèrde:
‘Ja, ja, er schuilt wel meer in mij waar ik geen kant mee op kan. Wil je koffie of thee?’
‘Graag’, zei Gea die ook gevoel voor humor heeft.
Misschien werd Marieke onderschat?! Wie weet was zij daadwerkelijk een heldin en gedroeg Gea zich als een benepen trutje dat het licht niet in andermans ogen kon zien schijnen?! Mogelijk had moeder gelijk?! Toch vond Gea zichzelf al een hele Piet omdat ze ten langen leste in staat bleek om dit vreemde wezen te respecteren als mens. Een uiterst zeldzaam individu weliswaar, maar wat zou de wereld een afgezaagd zooitje worden als iedereen zich eender gedraagt. Wat overigens niet inhoudt dat je ook maar meteen op elkaars lip moet gaan zitten. Enfin, van een afstand kon ze Marieke inmiddels in ieder geval tolereren. En juist die afstand werkte averechts. Midden in de nacht kreeg Marieke ineens last van droge, luidruchtige, langdurige hoestbuien op de overloop voor de slaapkamerdeur van Gea. Gea schrok wakker uit een diepe slaap en lag zich te verbijten. Maar ze liet zich niet meer vermurwen. Plotseling moest Marieke ook vanalles lenen. Op het laatst ontbrak er iedere week opnieuw wel een typisch meisjesdingetje uit de weekendtas van Marieke. Panty’s, slipjes, tampons, inlegkruisjes, bodymilk, eau de toilette, condooms, glijmiddel of ontharing crème. Op een gegeven moment vroeg ze zelfs ‘echte Gea-oorbellen’ te leen, waarmee ze Berend de stuipen op het lijf wilde jagen. Berend hield van decente oorknopjes en hij schrok zich inderdaad wild van de kolossale Gea-oorbellen. Marieke glunderde en Gea hield haar mond. Zoals ze ook had gezwegen over de stilettohakken in het rulle zand bij het natuurwater waar ze Marieke en Berend door een fout in de regie van haar dagindeling niet langer had kunnen ontlopen. Getroffen was ze stokstijf blijven turen. Ze werd tijdelijk verlamd door het beeld van Berend en een vreemde vrouw. Een luchtspiegeling die in het felle zonlicht als bij toverslag voor Gea was opgedoemd. De vreemde vrouw deed heel in de verte aan Marieke denken, maar ze had prachtige blonde, sluike haren. Vol en glanzend. Haar gezicht was een rossig schaduwspel van natuurlijke trekken, vrolijke sproetjes verdeeld over een ferme neus en open, blauwe ogen met bleke lange wimpers en borstelige, witte wenkbrauwen. Pas toen ze zich oprichtte van het badlaken om ijsjes te gaan kopen, of zoiets, herkende Gea de pose en daarmee Marieke. Op haar belachelijk hoge hakken ploeterde ze voort tussen de losse zandkorrels. Ze wankelende, struikelde, fladderde haar armen maar raakte desondanks uit balans. Mannelijke zonaanbidders maakten obscene gebaren. Vrouwelijke badgasten snoven. De glanzende, dunne stof van haar disignersbikinibroekje had zich tijdens de strandgymnastiek in haar bilspleet opgehoopt. De spierwitte cadetten staken pijnlijk af bij de rest van haar roodverbrande houding. Marieke was een zielige vertoning. Berend kon haar afgang niet langer verdragen en van het ene op het andere moment sprong hij op. Als een speer schoot hij op Marieke af. Lenig laveerde hij tussen de badgasten door. Hij greep haar arm en hield haar staande. Zij schrok. Een paar tellen stond Berend in tweestrijd. Daarna sloeg hij beschermend zijn armen om haar heen en drukte het kwetsbare, welgevormde lijf strak tegen zich aan. Zijn vertwijfelde gezichtsuitdrukking verborg hij in haar halslijn. Marieke wierp het hoofd in de nek en lachte luidkeels. Haar sneeuwwitte tanden schitterden in de zomerzon. Marieke schaterde! Minzaam, onwetend, gecharmeerd en koket. Deze scène zou Gea nooit meer kwijtraken. Ze kon wel huilen. Wat deed Marieke zichzelf tekort! Daar liep geen heldin! Daar strompelde een slachtoffer.
En toen was het uit! Na tweeëneenhalf jaar van haatliefdespelletjes kwam er een einde aan de relatie. Marieke had een ander. Een rechtenstudent. Ene Maurice. Volgens Elsbeth was Maurice een rijkeluiszoontje. Voor de vorm liep hij stage bij een notarissenkantoor, maar zijn kostje was allang gekocht.
‘Maurice is een papventje’, oordeelde Berend.
Hij kon niet in zijn verlies geloven en Marieke liet hem spartelen.
‘Misschien wel, misschien niet’, schijnt Marieke geantwoord te hebben.
‘Ze komt wel terug’, concludeerde Berend.
‘Ik hoop het niet!’, zei Gea, die zich aan de kant gezet voelde.
Tweeëneenhalf jaar was ze geconfronteerd geweest met een drama. Zij had niet om Marieke gevraagd. Marieke was haar ongewild in de schoot geworpen. Marieke met haar geneuzel en geneuk. Marieke met haar flauwekul en haar acteertalent. Marieke met haar pijntjes, pilletjes en poedertjes. En dan, van de ene op de andere dag, trok ze zich terug uit het leven van alledag. Ze zei geen:
‘dankjewel’,
‘tot ziens’,
‘ik zie je nog weleens’, of zelfs maar
‘hoi, hè!’
Ze ging gewoon weg met haar neus in de wind en haar hoofd in de wolken. Ze liet Gea achter. Beurs, overschaduwd, uitgeluld en gefrustreerd. Al de energie van dertig jonge maanden waren verspild aan een heks. En dan nog maar niet te spreken van het aantal weekenden dat Geert en zij maar van de praktische liefde afzagen. De overbekende melodie van het gekissebis tussen Marieke en Berend had vaak meer dan genoeg tot hun verbeelding gesproken.
‘Het is zo schaduwstil’, zei Gea.
Ze zat op haar bed naast Geert. Zijn arm rustte onverrichter zake op haar schouders, terwijl hij antwoordde:
‘Als kind woonde ik vlak bij een spoorwegovergang. Pas toen we verhuisde naar een dorp heb ik nachtenlang wakkergelegen. Ik was verslaafd aan het gerinkel van de belletjes, het geroezemoes van het verkeer en het gedonder van de voorbijrazende treinen. Ik had de herrie nodig om in te doezelen. De stilte hield me uit m’n slaap. Ik moest afkicken van de stadsgeluiden!’
Geert begrijpt altijd precies wat Gea bedoelt.
Berend begon aan zijn lijdensweg. Open en bloot, zodat de hele omgeving van zijn liefdesverdriet kon meegenieten. Moeder klaagde vergeefs over de hoogte van de maandelijkse telefoonrekening. Het geweeklaag van moeder weerhield Berend in elk geval niet van zijn terreur aan het adres van Marieke. Hij belde haar niet alleen om de haverklap, maar hij achtervolgde haar ook. Hij regelde toevallige ontmoetingen en confrontaties met Maurice die totaal niet onder de indruk was van Berend. Kalmpjes ging hij Berend uit de weg. In tegenstelling tot Marieke die haar complete moeder Theresa act opvoerde om Berend tot rust te manen. Althans zolang Maurice in de buurt was. Zo niet dan dook ze net zo makkelijk weer in de rol van prijzige escortdame aan de zijde van Berend op. Zo had Elsbeth ze samen als vanouds zien ‘kleffen’ in een Tilburgse ijssalon.
‘Ik dacht dat het uit was?!’, pruilde ze.
Gea en Geert dachten dat ook. Totdat ze het stel tegen het lijf liepen in een Eindhovense bioscoop. Tijdens de pauze van ‘Back to the future’. Gea meende al dat ze Marieke had horen schateren met die typische gierende uithalen van haar, zodat je nooit met zekerheid wist of ze nou huilde of lachte of dat ze nou huilde van het lachen. Gea fluisterde in het oor van Geert:
‘Ik hallucineer. Nou hoor ik haar buitenshuis ook al gieren!’
‘Kijk eens wie we daar hebben!’, riep Geert dan ook quasi-verrast uit toen Berend en Marieke uit een massa consumenten opdoemden bij de bioscoopbar.
‘Long time no see. Wil je wat van me drinken, schoonheid?’, vroeg hij aan Marieke, terwijl hij haar kameraadschappelijk op haar schouder klopte.
Prompt keerde Marieke hem de rug toe. Haar ogen schoten vuur. Berend groette nog wel. Verlegen, beschaamd en met een onderhands wappergebaar waarmee hij zijn capitulatie pas goed inluidde. In de loop van deze alarmfase kocht hij ook nog een ‘regular’ spijkerbroek, een lamswollen, mosgroene spencer en donkerbruine loafers. Gea kon wel raden waarom! De dubieuze Galerij gloorde ook alweer aan de horizon!
Van de weeromstuit probeerde Gea zich maar te concentreren op haar tentamenstof. Omdat ze de afgelopen maanden niet bepaald de rust had kunnen vinden om op gezette tijden te studeren, vielen haar ogen echter telkens dicht. Steeds was er wel weer een akkefietje geweest, waar zij noodgedwongen bij betrokken werd. Vader en moeder hadden hun handen namelijk officieus van Berend en Marieke afgetrokken. Overigens met de allerbeste bedoelingen. Zoals altijd! Alsof ze zich ooit serieus in de relatie van hun zoon verdiept hadden! Lekker makkelijk. Berend gedroeg zich als een complete randmoroon, maar zijn ouders troffen geen blaam. Ook toen Berend op een winteravond in januari door de gemeentepolitie voor de deur werd afgezet. Zwijgend liet moeder Berend binnen. Ze knikte kort naar de begeleider in uniform en smeet de voordeur voor zijn neus dicht. Ze vroeg niets en keerde terug naar tv cinq waar ze één of andere Franse soap volgde die uiterst intellectueel oogde, maar die ook heel veilig was omdat niemand anders van het gezin een Franstalige serie zonder ondertiteling kon volgen. Onderwijl stond Berend bij de paraplubak in de gang te janken van schaamte. En Gea kan veel verkroppen, maar een huilende vent van zesentwintig viel niet eenvoudig te verhapstukken.
‘Wat is er gebeurd, Berend?’, vroeg ze, terwijl ze de trap af naar beneden stormde.
‘Ach!’, snikte hij hartverscheurend. Hij wendde zijn wijnrode hoofd af en begaf zich naar de keuken. Gea er achteraan.
‘Berend, je bent zojuist thuisgebracht door de politie?!’
Met zijn mouw veegde Berend zijn tranen weg. Hij trok zijn neus op en haalde een paar keer flink adem. Zijn handen omvatten de theepot.
‘Is de thee nog warm?’
Gea vond twee mokken en duwde Berend van de theepot weg om vrijuit in te kunnen schenken. Woordeloos kropen beide met ieder een mok dampende thee achter de keukentafel. Ze zaten tegenover elkaar. Berend snoot zijn neus en herademde opnieuw. Gea herinnerde zich een doos mellow cakes en begaf zich naar de kelder. Berend staarde wezenloos voor zich uit. Zijn lippen trilden en zijn ogen waterden. Hij zag lijkbleek nu. Opnieuw nam Gea tegenover hem plaats. Ze opende de paarse verpakking, vond een mellow cake en begon hem te verorberen op een wijze die ze zich als kleuter al had aangewend. Eerst met haar voortanden een gaatje maken in de knapperige. flinterdunne cacao laag. Het luchtige schuim opzuigen, de chocolade in één keer naar binnen slurpen en de hartige koekbodem tot het laatst bewaren. Zien eten, doet eten. Berend nam ook een mellow cake. Hij begon bij het koekje en lepelde vervolgens het schuim met zijn trillende wijsvinger uit het chocolade jasje. Gea had niet anders verwacht. Hij is weer dat jongetje van vroeger. De overgevoelige, tegendraadse nerd met zijn vingers in de mond. Het huilebalkje dat niet tegen zijn verlies kan; dat beter; groter; sterker en slimmer wil zijn dan zijn kleine zusje en met wie zelfs het eten van mellow cake in een competitie ontaardt.
‘Ik heb een deuk in het portier van haar groene Eend geschopt. Dat had ik niet moeten doen.’ Berend praatte huilerig voor zich uit. Gea had net zo goed een muur kunnen zijn.
‘Ze zal het er wel weer naar gemaakt hebben!’, antwoordde ze.
‘Ze wilde me niet binnen laten. Ze deed gewoon haar balkondeur niet open.’
‘Waarom probeer je niet via een ordinaire voordeur bij haar op bezoek te gaan?’, vroeg Gea, praktisch als ze is.
‘Normaal gesproken ga ik ’s nachts bij haar naar binnen via het balkon.’
Afgeleid schudde Berend een paar keer met zijn hoofd als wilde hij zijn gedachten rangschikken.
‘Waarom?’
Gea nam nog een mellow cake.
‘Haar moeder wil het niet weten voor de buurt.’
‘Wat?’
‘Dat Marieke meer om mij geeft dan om dat rijkeluiszoontje.’
‘Oh, maar dan kan ze je toch nog wel normaal via de voordeur binnen laten?’
‘Nee, want Waaghorst is maar een klein dorp.’
‘Misschien moet Marieke maar eens een keuze maken. Ze is tenslotte een volwassen vrouw. Ze hoeft niet naar haar moeder te luisteren.’
‘Dat heeft ze dus vanavond gedaan’.
Zijn woorden klonken nasaal. Zijn neus liep weer vol. Berend snotterde, maar hij vermande zich.
‘Ik stond daar op dat balkon te roepen, maar niks’.
Hij slikte, terwijl hij vervolgde:
‘Ondertussen had haar moeder de politie gebeld. Dat zei ze nog wel. Ze stond sissend vanachter de vitrage van haar gesloten balkondeuren op mij in te praten: ‘Moeder heeft de politie gebeld, moeder heeft de politie gebeld, moeder heeft de politie gebeld!’ Ik werd gek van dat gedrein. Terwijl ze hier in Eindhoven jarenlang de hele buurt heeft wakker gegild. Dan had ze toch in Waaghorst ook weleens een keertje een keel op kunnen zetten?! En de politie kwam echt. Ik zag ze de oprijlaan opkomen. Dus ik wegwezen natuurlijk. Maar ik heb wel eerst een flinke deuk in het portier van haar groene Eend geschopt. Dat had ik niet moeten doen. Achteraf bezien!’
Gea had intens medelijden met Berend, de nerd, haar kleine broertje.
‘En heeft de politie van Waaghorst je opgepikt?’
‘Nee, ik had me in de bosjes verstopt. Later heb ik m’n auto opgehaald. Die stond een paar straten verder.’
‘En waar is jouw auto dan nu?’
‘In beslag genomen door de politie. Op de snelweg bij Best.’
‘Waarom?’
‘Ik reed te hard. En, o ja; ik had m’n rijbewijs niet bij me, m’n auto is laatst afgekeurd en de belasting is niet betaald.’
‘Stomme eend’.
‘Groene Eend’, wist Berend. Ze namen ieder nog een negerzoen.
De volgende dag kwam Marieke achterom via de keuken binnen. Gea was bezig met de afwas. Ze werd overvallen door de kasjmieroverjas van Marieke. De hoog opstaande kraag en het imitatiebonte witte baretje deden een aanval op de lachspieren van Gea. Op de neus van Marieke prijkte een verfijnd brilletje in een goudkleurig, hoekig montuur dat ze bij weten van Gea nooit eerder gedragen had. Ze leek een stewardess of een secretaresse die haar eerste maandsalaris volledig aan een te dure jas had verkwist. Maar de doorslag gaf de air van een gedecideerde mevrouw die Marieke zich had aangemeten en die Gea eveneens niet van haar kende. Gea stond Marieke in een mum van tijd finaal uit te lachen.
‘Ik kom geen ruzie maken, Gea!’, zei ze met een zwoele Sarah Leanderstem die ook nieuw was.
‘Dat is je geraden ook!’
Gea had eindelijk partij gekozen en wel voor Berend. Vrouwen onder elkaar zijn wereldwijd misschien best solidair, maar geen geslacht overstijgt een gezamenlijk klassenbewustzijn.
‘Nou, dan loop ik meteen door. Berend is boven neem ik aan?’
‘Zul je wel eerst netjes kloppen voordat je zijn domein binnentreedt’, riep Gea haar bekoeld na.
Nog geen half uur later werden zowel Gea als vader door een inhumaan geluid uit hun bezigheden gestoord.
‘Er is brand!’, zei vader, terwijl hij verstrooid van zijn schoolwerk opkeek.
‘Hij heeft m’n dure bril van m’n neus geslagen. Hij heeft m’n dure bril van m’n neus geslagen. Hij heeft m’n dure bril van m’n neus geslagen!’, gilde Marieke vanaf de bovenverdieping.
De repetitie van haar hysterische uitroep was een verbouwereerde mengeling van gekwetste trots en pure triomf.
Hij heeft haar geslagen’, recapituleerde Gea verdwaasd.
Inmiddels was vader al naar de gang gesneld, alwaar hij een gillende, half ontklede Marieke opving. Vanaf de trap viel ze regelrecht in de gespreide armen van vader. Ze droeg alleen haar bodysuit. Vader nam haar betraande, verhitte gezicht tussen zijn handen en suste:
‘Er is niets aan de hand kindje. Hij heeft helemaal niet hard geslagen. Toe maar, huil maar eens uit meisje!’
Tot stomme verbazing van Gea sloeg vader zijn armen om Marieke heen. Zij vleide dankbaar haar hoofd tegen het kippenborstje van vader aan. Haar armen had ze om zijn nek geklemd. Berend verscheen bovenaan de trap en hij was mogelijk nog meer uit het veld geslagen door de omhelzing dan Gea. Vader schrok zichtbaar van de reactie van zijn zoon:
‘Hoer! Vuile hoer!’, schreeuwde Berend.
Hij stond alweer te janken. Zo zoetjes aan begon Gea te twijfelen aan de status van haar afkomst. Wie weet was de middenmoot zelfs te hoog gegrepen en kwam ze regelrecht uit een asociaal gezin?! Toch begon vader langzaam maar zeker de verstrikking met Marieke te ontwarren. Maar zij gaf niet echt mee.
‘Ik heb nooit een vader gehad’, dweepte ze met getuite lippen.
Ze huilde niet meer en hing loom tegen vader aan die niet meer wist waar hij zijn armen moest laten. Marieke stak net niet haar duim in de mond. Plotseling besefte Gea het aandeel van vader in deze vertoning en een intense walging doorstroomde haar hele wezen. In een momentopname zag ze zijn bekken weer tegen het kronkelende lichaam van Marieke aangedrukt. Haar vader was een oude viezerik.
‘Mag ik een teiltje?!’, piepte Gea.
Ze wilde ter plekke sterven
‘Ben je jaloers!?’
Marieke kon opeens weer op eigen benen staan.
‘Laat Gea erbuiten!’, waarschuwde Berend van boven.
Hij meende het.
‘Waarom sla je dat kind ook?’, vroeg vader, omdat hij vond dat hij ook wat moest zeggen.
‘Dat hysterische wijf heeft godverdomme m’n halve inboedel uit het raam gegooid. Kijk maar in de voortuin, kun je ook eens lachen, pa!’
Hoofdschuddend wrong vader zich tussen Marieke en Gea door en verdween in de huiskamer. Hij deed de deur achter zich dicht. Gea wendde zich tot Marieke. Ze zou nog één volwassen poging wagen:
‘Zet de eerste stap Marieke! Laat Berend met rust! Lok hem in vredesnaam niet constant uit! Je hebt nou toch voor Maurice gekozen?!’
Marieke maakte zich groot. Er kwam iets van een domina over haar. De lichtflitsen uit haar ogen zou Gea nooit meer vergeten. Evenals haar repliek. Vinnig, neerbuigend, superieur en extra benadrukt door die spiksplinternieuwe, zwoele Sarah Leanderintonatie.
‘Jij snapt helemaal niets van mannen, Gea. Een echte vrouw laat zich verleiden. Ik kan helemaal niet kiezen. Mannen moeten, zullen en willen vechten voor een echte vrouw! Voor mij dus en helaas niet voor jou!’
‘Ik haat dat verwende trutje. Waarom dump je dat kadaver niet? Als jij haar niet vermoordt dan doe ik het’, raasde Gea, nadat ze naar haar slaapkamer was gerend en ze de deur hermetisch achter zich had afgesloten.
Berend zat uitgeteld op haar bed. Marieke stond misschien nog in de gang. Mogelijk was ze alweer op weg naar huis of wie weet zat ze wel gezellig in de huiskamer bij vader op schoot en las hij haar een verhaaltje voor uit één van z’n schoolboeken.
‘Ik heb haar niet geslagen, Gea. Nou ja, een klapje op haar wang. Maar ook alleen maar omdat ik dat op de televisie heb gezien. Hysterische mensen moet je toch slaan zodra ze in paniek raken? Bovendien had ze al vanalles uit m’n raam geflikkerd’, stamelde Berend.
Gea stond te knarsetanden.
‘Weet jij hoeveel klapjes op m’n wang ik in m’n leven van moeder te verduren heb gehad? En ik heb nooit iets uit het raam gegooid. Noppes. Dat wijf moet zich niet zo opspelen. Wat kwam ze eigenlijk doen?’
‘Ze wil de schade vergoed hebben’, murmelde Berend verslagen.
‘Welke schade?’, schamperde Gea die anders ook nog wel wat schade te claimen had.
Emotionele schade!
‘Ik heb toch een deuk in het portier van haar groene Eend geschopt?’, zei Berend sloom.
‘En dat heb je natuurlijk ook nog eerlijk toegegeven? Wat ben je toch een nerd, Berend, echt!’
‘Had ik het dan moeten ontkennen?’
‘Allicht Berend, want aan wie denk jij nou dat je deze schadeclaim te danken hebt?’
‘Aan haar moeder?‘
‘Nee, Berend.’
‘Aan haar toeziend voogd?’
‘Driemaal is scheepsrecht, Berend.’
‘Aan dinges, uh, Mouwrits?’, vroeg Berend zich eindelijk hardop af.
‘Maurice.’
‘Ja, die bedoel ik.’
‘Goed zo, Berend.’
‘Hoezo?’
‘Onze Maurice is praktisch meester in de rechten, Berend’, zuchtte Gea, terwijl ze vermoeid in haar lederen poef neerviel.
Ze vond een leeg sigarettenpakje op de vensterbank dat ze geërgerd tot een propje kneep.
‘Nou, de moeder van Marieke moet je anders ook niet onderschatten, Gea. Dat mens is gek.’
‘Mooi, dan lijkt Marieke dus op haar moeder. Opgelost. En nou moven, Berend.’
‘Hoe kom je daar nou bij? Marieke lijkt helemaal niet op haar moeder!’
‘Whatever’, antwoordde Gea in navolging van vader.
‘En nou wegwezen, Berend. Ik moet studeren. Ik heb geen rijke ouders. Ik zal m’n kostje zelf moeten kopen. En aangezien jij mijn broer bent, geldt voor jou hetzelfde. Als ik jou was zou ik dus maar eens op zoek gaan naar een vriendin die beter bij jouw positie past. Mogelijk is Marieke een paar standjes te hoog gegrepen.’
‘Helemaal niet, we hebben juist prima seks!’, antwoordde de nerd.
Vertwijfeld besloot Gea om in haar bureaulades op zoek te gaan naar een vol pakje Camel.
‘Bespaar me de details’, wanhoopte ze.
‘Maar haar moeder heeft een dubbele moraal’, vervolgde Berend.
Zoals verwacht bleef hij compleet ongevoelig voor de belevingswereld van zijn zus.
‘Zo mag Marieke zogenaamd niet meer met mij omgaan. Vanwege het papventje. Haar moeder is helemaal weg van dat papventje.’
‘Je bedoelt Maurice?’, vroeg Gea uitgeput.
‘Ja die. Nou eergisteren nog lag ik met Marieke in bed.’
‘Je ijlt Berend, want eergisteren was een zondag en toen was jij niet thuis.’
‘Ik was bij Marieke.’
‘Via de voordeur?’
‘Via het balkon aan de slaapkamer van Marieke.’
Berend deed het onverstoord voorkomen alsof een huisbezoek via de balkondeuren de gewoonste zaak van de wereld was.
‘Zeg, hoe kom jij trouwens op dat balkon?‘, vroeg Gea terloops.
‘Klimmen.’
‘Oh.’
‘Maar luister nou naar wat ik wil vertellen, Gea. Ik lag dus bij Marieke in bed en zij zat op mijn gezicht.’
‘Hoebedoelu?’
‘Ja, ze zat op mijn gezicht. Dat ken je toch wel? Ik lag languit en zij zat op m’n gezicht met haar rug naar mij toe zeg maar, hè.’
Berend praatte op een technische verteltoon, maar Gea moest drie keer slikken.
‘Enfin, op een gegeven moment komt haar moeder binnen. Marieke ziet haar moeder en haar moeder ziet Marieke. Ze staan oog in oog als het ware. Nou, haar moeder doet zachtjes de deur achter zich dicht en Marieke gaat weer verder. Niks aan de hand, alles als vanouds. Dat is toch niet normaal Gea?’
Gea zat weer in haar poef en verborg haar gezicht in de handen.
‘Misschien dacht haar moeder wel dat jij Maurice was, Berend?’, opperde ze guasi-begaand.
‘Hoezo?’
‘Je zegt net zelf dat Marieke op jouw gezicht zat, Berend. Haar moeder kon je dus helemaal niet zien. Ze zal wel gedacht hebben dat jij Maurice was.’
Gea wreef haar wangen. Waar had ze deze stupiditeit aan verdiend?
‘Ja, maar dan nog, Gea.’
‘Wat dan nog!’
‘Ze heeft er Marieke helemaal niet op aangesproken.’
‘En wie is er hier dan gek, Berend?’
Nog dezelfde avond zat moeder met de toeziend voogd van Marieke aan de telefoon. Er werden drastische maatregelen getroffen. Berend moest beloven dat hij Marieke een tijdje met rust zou laten. Marieke op haar beurt werd vrijgepleit. Ze was een jonge, levenslustige vrouw die haar wilde haren nog niet helemaal kwijt was. Marieke had nog een prachtig leven voor zich. De ernst en de diepe dalen van het zwaarwichtige grote mensenleven zouden nog vroeg genoeg op deze bloeiende bloem; dit prachtige vrouwspersoon; deze spring in het veld afkomen. Laat haar dus maar genieten van vrije seks en los-vaste relaties. Van dure vakanties en mooie merkkleding. Van kostbare sieraden en sport en spel. Aan de instemmende teneur van het telefoongesprek viel op te maken dat de toeziend voogd persoonlijk helemaal geen florissante jeugd had gehad. Nou moeder ook niet! Dat was bij Gea al sinds jaar en dag bekend. Ze zat op de bank met haar armen om haar knieën geslagen en waande zich twintig jaar terug in de tijd. In de herinnering van Gea was zijzelf ongeveer vier jaar toen moeder voor het laatst in haar leven op die zorgelijke manier over haar eigen dochter had gepraat. In de daaropvolgende twintig jaar zal moeder wel vergeten zijn dat ze überhaupt een dochter had. Gea is meer haar huissloofje, een luisterend oor, een vriendin op de achtergrond! Overigens wel een vriendin die niet al te veel noten op haar zang moet hebben, want moeder heeft wel meer aan haar hoofd dan zich met de probleempjes van Gea bezig te houden. De probleempjes van Marieke daarentegen voerden al bijna drie jaar de boventoon. Het betreurenswaardige kind had dan ook geen vader. Gea heeft wel een vader, maar of ze daar nou zoveel voordeel van heeft? Toch wilde Gea voor geen miljoen ruilen met Marieke en Berend. Zij zou de schande niet kunnen verdragen. De schaamte over het controleverlies en het onvolwassen gedrag. En niet één keer, maar consequent en meedogenloos. Bovendien raakte Gea niet meer verlost van het beeld van Marieke die op het gezicht van Berend zat. Het bekken wiebelend van voor naar achteren en van links naar rechts. Een genotsgrijns op haar smoelwerk als van een geestelijk gestoorde in een zitmobiel. Zo’n kwartjes kermisattractie op een springveer bestemd voor kleuters.
Gea schrok wakker uit een vervelende zithouding. Haar nek was stijf. Ze had kramp in haar linkerbeen en haar rug kraakte. Ze was met haar hoofd in de armen boven haar tentamenstof in slaap gevallen. De tijdsaanduiding op haar wekkerradio verried een verloren middag en nog steeds was ze niet uitgerust. Doezelig tastte ze naar de wekkerradio. Ze zou nog een uurtje slapen, om het luieren af te leren. Dit keer zou ze in bed gaan liggen. Huiverend programmeerde ze de wekkerradio. Haar ogen zaten nog half dicht en per ongeluk raakte ze het knopje van de radio in plaats van het alarm. Een onwezenlijk nieuwsbericht bereikte haar maar nauwelijks via omroep Brabant. De stem van de nieuwslezer kwam uit dromenland. Heel ver weg en onecht. Hij raaskalde. Gea ving iets op over een ongeluk in Waaghorst – het dorp van Marieke - nota bene. De nieuwslezer formuleerde het bericht als volgt:
‘De oorzaak van het ongeluk is niet bekend. De onveilige bosweg richting Waaghorst is echter al sinds jaar en dag in doorn in het oog van de dorpsbewoners.’
‘Ik slaap natuurlijk en dan droom ik dat ik droom’, dacht Gea, terwijl ze het alarm alsnog instelde en onder het donsdek kroop.
Onwillekeurig dwaalden haar gedachten af naar Marieke en haar rijstijl. Meer dan eens had Gea zich heimelijk ongerust gemaakt over Marieke en haar permanente overspannen toestand die geen moeilijke verkeerssituatie toeliet. Haar verjaarde groene Eend maakte Gea er ook niet geruster op. Ze was weleens meegereden van Eindhoven naar de Tilburgse universiteit. Marieke reed roekeloos en Gea kon zich bijna niet voorstellen dat deze snelheidsduivel in één keer voor haar rijexamen geslaagd was. Gea was al vijf keer gezakt, maar desondanks had ze toch nog meer vertrouwen in haar eigen kunnen achter het stuur dan in de tienertouren van deze blamage voor vrouwen met een rijbewijs. Zelfs Berend had liever niet dat Gea meereed, maar Marieke stond erop en zo niet dan dreigde ze weer een inzinking te krijgen.
‘Je rijdt wel voorzichtig, hè!’, waarschuwde hij uiteindelijk verslagen.
Bij wijze van antwoord zond Marieke hem een cynische blik toe.
‘Ze kan voor geen meter autorijden, maar dat wil ze niet weten’, verklaarde Berend later.
‘Och wat lief dat hij zich zorgen maakt over mij’, dacht Gea ontroerd.
En hardop vroeg ze zich af:
‘Hoe kan zo iemand in één keer slagen voor het rijexamen?’
‘Puur geluk! Marieke heeft altijd geluk!’, wist Berend.
Ter illustratie wees hij naar zichzelf.
‘Noem het maar geluk. Vandaag of morgen rijdt ze zich dood!’, zei Gea nog.
Zij was in ieder geval blij dat ze de tocht naar Tilburg overleefd had. Ze was ternauwernood ontkomen aan een auto van rechts die gevaarlijk dicht bij haar portier halthield. Een paar tellen keek ze de chauffeur recht in de ogen die zo groot waren als schoteltjes. Hij zag lijkbleek.
‘Oeps, wat een stoute meneer’, kirde Marieke, terwijl ze geen millimeter gas terugnam.
‘Die stoute meneer kwam anders wel van rechts’, kuchte Gea.
Haar pepermuntje tegen wagenziekte was van de schrik ergens halverwege haar slokdarm vast geschoten. Op de parkeerplaats van de Tilburgse universiteit aangekomen, – waar Marieke haar groene Eend dubbel parkeerde - werd Gea afgewimpeld:
‘Je zult een enkeltje terug naar Eindhoven moeten nemen, want na de colleges ga ik direct door naar Waaghorst.’
‘Thank you God’, bad Gea in gedachten, maar ze zei opgelucht:
‘Hartstikke bedankt voor het meerijden. Moet ik nog wat bijdragen voor de benzine?’
‘Welnee en geen dank hoor!’, riep ze luchtig, want zoals gewoonlijk was Marieke zich weer eens van geen kwaad bewust.
Berend leek woord te houden. Marieke verdween naar de achtergrond en Berend lummelde alleen nog maar thuis en zo nu en dan op de universiteit rond. De zomervakantie was officieel aangebroken, maar noch Berend noch Gea had daar erg veel baat bij. Ze moesten alle twee tentamens inhalen of opnieuw maken tijdens de hertentamenperiode aan het einde van het seizoen. Dat betekende dus voor beide een zomer lang studeren. Moeder vertrok voor een maand naar Zuid-Frankrijk met een clubje zielsverwanten van de Alliance Francaise en vader zat al lang en breed in een vakantiehuisje van een bevriend echtpaar ergens in Engeland. Vader en moeder hadden voordat ze vertrokken nog wel al de schulden van Berend voldaan. In plaats van een uitbrander kreeg Berend heel veel medeleven en bovendien een andere occasion. Nou alleen nog een nieuwe vriendin! Aan Gea de opdracht om een beetje op Berend te letten. Maar Gea had wel wat beters te doen. Berend is geen baby! Alhoewel zijn gedrag misschien weleens anders doet vermoeden. Op een zonovergoten middag lag hij in de tuin op een strandstoel. Hij lag niet zozeer te zonnebaden alswel te studeren, maar dan ondersteboven. Z’n hoofd bengelde aan het voeteneinde en zijn benen lagen tegen de rugleuning. Z’n studieboek hield hij vlakbij zijn ogen bij wijze van zonneklep. Hij droeg alleen een zwembroek en was al aardig bijgekleurd. Zijn hoofd was zelfs donkerrood, maar dat was te wijten aan z’n houding. Vanuit haar slaapkamerraam keek Gea vanachter haar bureau op zijn caperiolen neer. Ze vroeg zich af welk bedrijfsmanagement in de toekomst een man als Berend serieus zou kunnen nemen. Alhoewel hij in staat is om niet slecht te presteren met een minimum aan input. Gea daarentegen moet alle leerstof van het begin tot het einde uitpluizen wil ze in de buurt van een zesje komen en ze kon zich maar met moeite concentreren. Zelfs op de tentamenstof die haar aansprak en die ze goed beheerste. Niet in de laatste plaats omdat ze zowat om het uur gestoord werd door telefoongerinkel in de huiskamer, waardoor ze steeds de trap af en weer op moest hollen. Elsbeth belde geheid zo’n zeven keer per dag. Ze baalde van vrouwenstudies omdat de naderende hertentamens haar strandvakantie om zeep hadden geholpen. Elsbeth had nog nooit eerder gebruik gemaakt van de herkansingen aan het einde van de zomervakantie. Daar was het haantje de voorste door de bank genomen veel te ijverig voor. Maar deze zomer benodigde ze alsnog duidelijke taal over vrouwenstudies. Elsbeth had niet veel begrepen van de verschillende theorieën en raakte in paniek door de afwezigheid van de gebruikelijke wetenswaardigheden die ze tenminste nog van buiten kon leren. Ze bakte niet veel van haar essay voor ‘sekse, cultuur en pathologie’ en bleef maar hameren op een kant en klare oplossing van Gea.
‘Je moet gewoon je eigen mening weergeven, Elsbeth. Ik kan jou toch niet jouw mening geven? Dat moet je toch zelf doen?’, legde Gea voor de zoveelste keer aan Elsbeth uit.
‘Je kunt toch zeggen wat jij hebt opgeschreven?’
‘Dat heb ik al honderd keer gedaan, maar dat snap jij niet, zeg jij.’
‘Ik snap er ook niets van.’
‘Hoe kun je nou je eigen mening niet snappen! Je hebt toch wel een mening, mag ik hopen?’
‘Kan ik die van jou niet overschrijven?’
‘Ja, maar Elsbeth, je bent het helemaal niet met me eens.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat je mijn mening niet snapt.’
‘Ja, maar die kan je mij toch uitleggen?’
En zo ging dat maar door in slepende telefoongesprekken waarbij Gea zich verloor in oeverloze monologen en Elsbeth herhaaldelijk gaapte en voor de vorm af en toe een keelklank liet horen. Regelmatig verloor Elsbeth echter haar geduld en begon middenin een telefonische lezing van Gea over koetjes en kalfjes. Zo ook tijdens die beruchte bloedhete zomermiddag. Zonder enige aanleiding vroeg Elsbeth ineens:
‘Zeg dat zusje van Marieke hè?’
‘Ja, wat is daarmee?’, vroeg Gea uit beleefdheid.
Ze was al gewend geraakt aan de roddelmanie van Elsbeth. Ze weet altijd vanalles van iedereen,
‘Ken je haar?’
‘Nou, kennen is een groot woord’.
‘Ze is een soortement boerinnetje. Klein en lelijk.’
‘Ja, ik heb haar weleens gezien, ja. Ze scoort heel hoog. Ze is geloof ik nog beter dan jij, Elsbeth!’
‘Oh, dat kan wel. Maar dat zusje dus, dat zusje van Marieke heeft een heel zwaar ongeluk gehad met de groene Eend van Marieke. Dat heb ik in de menza opgevangen. Ze schijnt heel slecht te liggen.’
Juist op dat moment kwam een zwetende Berend in zwembroek en met een glas fris in zijn hand de huiskamer binnen om af te koelen. Hij had een badlaken om z’n nek en plofte puffend en zo rood als een kreeft op de bank neer. Gea liet de hoorn van de telefoon rusten in haar nek en vroeg aan Berend:
‘Weet jij iets van een ongeluk?’
Huiveringwekkend genoeg schoof net op dat moment een wolkendek voor de felle zon die de hele dag onafgebroken had geschenen. Een onheilspellende schaduw viel over de huiskamer en over het gezicht van Berend. Hij werd grauwer dan Pierlala en staarde Gea angstig aan.
‘Een ongeluk?’, vroeg hij paniekerig.
‘Ja, het zusje van Marieke heeft een auto-ongeluk gehad’, zei Gea ongeduldig.
Ze heeft een broertje dood aan mysteries, maar er klopte iets niet. Het zat in het weer, het hing in de radiofrequenties en het stond op het gezicht van Berend te lezen.
‘Dat is niet het zusje van Marieke!’, wist Berend op een toon die aangaf dat hij nu pas doordrongen raakte een akelig vermoeden.
‘Dat is niet het zusje van Marieke’, herhaalde hij. Alsof hij zichzelf wilde overtuigen.
‘Dat is Marieke!’ riep hij uit.
Gea was er als de kippen bij om hem van het tegendeel te overtuigen, omdat ze wist dat hij de waarheid sprak. Ze voelde het in haar buik en merkte zich aan de dreiging van een onafwendbare, zware depressie. De zon brak door het wolkendek en deed door de openstaande tuindeuren een inbreuk op het duister in de huiskamer. Berend werd er niet minder bleek en bibberig van. In de verte lachte een kind. Ergens tjilpte een mus. Een opgevoerde snorfiets raasde voorbij. De bimbam boven de schouw liet weer eens van zich horen. Onzeker trachtte Gea om Berend te kalmeren:
‘Welja, Berend, doe maar dramatisch. Natuurlijk heeft Marieke geen ongeluk gehad. Hoe kom je daar nou bij!’
Gea stond nog steeds met de hoorn van de telefoon in haar hals. Elsbeth kon aan de andere kant van de lijn ongestoord meeluisteren. Berend maakte een wanhoopsgebaar en keek Gea smekend aan:
‘Drie weken lang heb ik haar gezocht! Ik kon haar groene Eend niet vinden, maar haar ook niet! Ik heb alle ziekenhuizen in Tilburg, Eindhoven en omstreken gebeld, maar ze staat nergens geregistreerd! Nergens! En toch is ze verdwenen! Onvindbaar! Haar zusje niet! Haar zusje ben ik eergisteren nog op de universiteit tegengekomen! Ze had haar vinger in het verband! Gebroken zei ze!’
‘Zie je wel dat je geen gelijk hebt! Want stel nou dat Marieke een ernstig ongeluk gehad zou hebben, dan zou haar zusje dat toch wel tegen jou verteld hebben!’, bedacht Gea snel. Haar twijfel probeerde ze voor Berend verborgen te houden
‘Het zusje van Marieke is gek! Zo egocentrisch als ik weet niet wat! Ze is nog gekker dan Marieke! Gekker dan die hele rijke herenboerenkakkluit bij elkaar!’, foeterde Berend machteloos.
Hij wilde Maurice bellen.
‘Doe dat nou niet’, smeekte Gea , terwijl ze de hoorn boven haar hoofd buiten bereik van Berend probeerde te houden.
Hij was echter onverzettelijk en nam Gea in de houdgreep. Zij begreep ook wel dat deze aanval van Berend niet als stoeipartijtje bedoeld was. Wel wilde ze eerst nog netjes afscheid nemen van Elsbeth. Maar om geheimzinnige redenen bleek Elsbeth de verbinding allang te hebben verbroken. Zonder gedag te zeggen!
Gea schilde aardappelen in de keuken en luisterde onwillekeurig met Berend mee. Hij zat in de huiskamer te telefoneren met Maurice. Gea was niet verbaasd over het feit dat Berend – de stalker – het telefoonnummer van Maurice in zijn agenda had staan. De aardappels waren klein en rijkelijk voorzien van uitstulpingen. Gea moest haar aandacht dus voornamelijk bij het ontvellen van zo’n dertig bolletjes voor twee personen aan het avondeten houden. Ze was op de helft toen een uitroep van Berend haar de adem benam.
‘Dood!’
Dat riep hij. Berend riep:
‘Dood!’
Gea werd overvallen door een raar soort kalmte. Het leek op een alarmerende rustpauze voor een storm die onherroepelijk op uitbarsten stond. Gea voelde haar adrenalinegehalte letterlijk door haar hele lichaam ophogen via een kloppende bron in haar onderbuik. De gewaarwording was identiek met de misselijkmakende tinteling tijdens haar allereerste sigaret of de duizeligheid na een eenmalig ritje in de achtbaan met een joelende Berend aan haar zijde. Rustig pelde Gea de vijftiende aardappel af. Ze liet hem met een plons in een pan met water belanden. Daarna plaatste ze het aardappelschilmesje behoedzaam op het aanrecht en begaf zich naar de woonkamer. Berend stond middenin de kamer te brullen. Ze had hem wel vaker zien huilen, maar nooit eerder was ze getuige geweest van een volwassen man die stond te bulken van verdriet, onmacht en woede. Zijn hele houding was vertrokken van de pijn en zijn gelaatstrekken verkrampten in spastische huilbewegingen. Hij stond aan z’n kapsel te rukken. Zijn gedrag leek op zelfkastijding.
‘Het is niet jouw schuld!
‘Het is wel mijn schuld’, brulde Berend.
Zijn neus stroomde leeg en hij bleef aan zijn haren trekken alsof ze pluksgewijs uit zijn hersenpan moesten. Gea greep naar haar mond om een denkbeeldige oprisping te onderdrukken.
‘Is Marieke dood?’, vroeg ze nauwelijks verstaanbaar vanachter haar hand.
Ineens staakte Berend het pijnigen van zijn hersens en antwoordde opmerkelijk bedaard:
‘Ze heeft zich drie weken geleden doodgereden tegen een boom aan de Bosweg bij Waaghorst!’
Na deze uitspraak verloor Berend de controle over zijn onderkaak en slaakte een oerkreet van ontzetting.
‘Waarom heeft niemand dat tegen je verteld?! Waarom heeft niemand je gewaarschuwd?!’, riep Gea ongelovig en vol afschuw uit.
Maar Berend was niet meer voor rede vatbaar. Voordat Gea überhaupt iets had kunnen ondernemen om hem tegen te houden, zat hij al in zijn auto op weg naar Waaghorst. Hij droeg alleen een badlaken en een zwembroek.
Ze niet gek Gea. Ze speelt een spel. Ze weet precies wat ze doet. Wees maar niet bang!’
De woorden van Geert hamerden in haar hersens, terwijl hij naast haar zat. Zijn handen strak om het stuur, de knokkels wit en de ogen star op de Bosweg naar Waaghorst gericht. Gea vocht met de zonneklep tegen de vooruit. De laagstaande avondzon deed haar barstende hoofdpijn geen goed. Geert overschreed de maximum snelheid. Alles was al gezegd.
‘Vrouwen als Marieke plegen geen zelfmoord, neem dat maar van me aan’, beweerde Geert ooit.
‘Zou het zelfmoord zijn?’
‘Dus op deze weg zou het gebeurd moeten zijn?’
‘Zelfmoord?’
‘Ik geloof er niets van!’
‘Waar gaan we heen?’
In de woonplaats van Marieke werd de snelle auto van Geert achterdochtig bespied door dorpsbewoners die een avondwandeling maakten. Het kwam Gea voor alsof ze in een tijdmachine zat waarin bij elke afgelegde meter de jaren afnamen. Het dorp telde meer bomen dan lantaarnpalen en nauwelijks reclameborden. Een bescheiden kerkje vormde het centrum van een pleintje met nog een café, een snackbar en een plaatselijke supermarkt. Er kon de afgelopen vijftig jaar niet veel veranderd zijn. Aan het begin van een rotonde in het dorp stond een grijs bord met een helder wit opschrift:
‘Welkom in Waaghorst’.
Na vijf minuten passeerden ze eenzelfde soort bord, maar dit keer met een afscheidsgroet: ‘Tot ziens in Waaghorst.’
Nadat Gea beide borden zo’n drie keer aan haar ogen voorbij had zien gaan opperde ze:
‘Misschien kunnen we beter naar het kerkhof gaan in plaats van naar haar huis. De kerk zijn we al tien keer voorbijgeraasd, dus dat graf hoeft geen probleem te zijn!’
‘Dat zeg jij!’, zei Geert afgemeten.
‘Wat bedoel je?’, vroeg Gea die niet helemaal met haar gedachten bij de realiteit was.
‘Ik sta niet graag voor gek.’
‘Bedoel je dat je me niet gelooft?’, probeerde Gea in het wilde weg.
‘Vind je het geen vreemd verhaal?’
‘Geert, iedereen kan een dodelijk ongeluk krijgen. Zelfs Marieke.’
‘Ik weet het niet Gea, volgens mij heeft ze ons dit keer alle drie bij de neus genomen.
Geert is uiteraard ook maar een mens. Een betrouwbaar mens weliswaar, maar desondanks een eenvoudige sterveling die net zo min als Gea het plotselinge overlijden van een medemens zomaar kan bevatten. En als Marieke nou nog maar gewoon een gangbare burger was geweest dan zou haar dood mettertijd nog wel kunnen bezinken in zoiets als melancholie of ontzetting. Maar Marieke was niks. Geen zus, vriendin, geliefde, buurmeisje, vage bekende, klasgenoot of collega. Geert wist zich dus net zo min als Gea een houding te geven.
‘Ik zoek de auto van Berend’, vervolgde hij.
‘Dat heeft geen zin.’
‘Waarom niet, hij zal toch wel naar haar woonadres gereden zijn?’
‘Jawel, maar hij parkeert zijn auto sowieso altijd een paar straten van haar huis vandaan.’
‘Waarom?’
‘Officieel is Marieke nou toch met Maurice!?’
‘Marieke is dood, Gea.’
‘O, ja.’
De occasion van Berend stond op het erf van een landhuis iets voorbij Waaghorst. Het balkon boven de voordeur viel niet te missen. Het was een huis uit een doktersroman. Zo’n huis van een eenzame weduwe met twee huwbare schone dochters. Het balkon grensde aan een kersenboom. De vitrage voor twee halfgeopende balkondeuren danste op een avondbriesje.
‘Hier woonde ze’, zei Gea. Haar maag was een luchtballon.
‘Weet je het zeker?’
Geert vertrouwde niets of niemand meer.
‘Ja’, wist Gea stellig.
‘Hoezo dan?’, vroeg Geert ongeduldig en met hoorbare tegenzin om de bewoners van dit landhuis te ontmoeten.
‘Het balkon. Berend klom altijd op het balkon. Marieke liet hem dan door de balkondeuren haar slaapkamer binnen. Nou snap ik ook op welke manier hij op het balkon klom. Via de kersenboom natuurlijk.’
Gea kon zelf merken dat ze tamelijk moeilijk te volgen was. Maar Geert zou zijn droge zelf niet zijn indien hij niet eenvoudigweg vroeg:
‘Waarom belde hij niet gewoon aan de voordeur?’
Gea giebelde ondanks haar ballonbuik.
‘Haar moeder wilde het niet weten. De moeder van Marieke ging voor Maurice en niet voor Berend.’
Grimmig startte Geert de auto.
‘Waar gaan we heen?’
‘Naar het kerkhof maar.’
‘Waarom bellen we niet aan?’
‘Dat snapt zelfs Berend !’
‘Je bedoelt dat we te min zijn voor deze mensen?’
‘Precies.’
‘Ik ben te min voor zoveel mensen, Geert. Als ik daar wakker van zou moeten liggen dan zou ik nooit meer slapen.’
Geert grinnikte niet, terwijl Gea dat wel van hem verwacht had. Heimelijk keek ze naar opzij en schrok vervolgens van zijn verbeten blik. Alsof de hele wereld hem naar het leven stond. Met die instelling verkende hij ook het kerkhof.
‘Zie jij een grafsteen met haar naam erop of zie ik een grafsteen met haar naam erop!’, bulderde hij tenslotte oneerbiedig.
Zijn stem galmde over het kerkhof. Gea ziet hem nog in zijn verslagen toestand tussen de graven staan.
‘Laten we terug naar Eindhoven gaan, dan kunnen we thuis op Berend wachten’, zei ze kalm. Ze stond wel vijftien meter van Geert af en ze hoefde hem dus niet op het relatief verse bloemenperkje vlak naast haar voeten te wijzen. Het recent geprepareerde graf met verpieterde bloemenkransen droeg nog geen steen. De bijbehorende linten waren hier en daar verkleurd door de zon, maar toch nog goed leesbaar. Op één purperen lint viel zelfs duidelijk in gouden letters te ontcijferen:
‘Een laatste groet, lieve Marieke. Je Maurice!’
Marieke was al ruim drie weken dood en begraven en al die tijd had Berend van niets geweten. Vandaag had hij de bevestiging in Waaghorst gekregen in de vorm van een bidprentje. In dat bidprentje stond Maurice vermeld als de grote liefde van Marieke. Niet Berend. Geen letter over Berend. Toch had Berend kans gezien om zijn geboortehuis te hervinden na zijn bezoek aan Waaghorst. Het traject Eindhoven, Waaghorst en andersom kende hij inmiddels dan ook op z’n duimpje. Geert en Gea vingen hem op en schrokken van zijn euforische stemming. Hij verscheen in het holst van een indigoblauwe zomernacht. Hij doemde op in de voordeuropening. Op blote voeten, in zwembroek en nog altijd met dat badlaken om z’n nek. Zijn optreden deed niet onder voor dat van de eerste de beste dronkaard. Hij lalde over een bevrijding uit de klauwen van een vet varken waarmee hij op de moeder van Marieke doelde, terwijl Geert hem de trap ophielp. Ook het papventje en het zusje van Marieke moesten aan zijn scheldkannonades geloven. Berend gedroeg zich alsof hij gewonnen had. Hij had Marieke dan wel niet mogen houden, maar de rest van de wereld had eveneens verloren. Victorie!
‘Ze moesten wel met me praten! Ze moesten wel! Ze konden me niet langer meer negeren!’, pochte hij trots, terwijl hij brallerig met het bidprentje in de lucht zwaaide. Gea hielp hem zijn bed in alsof hij een peuter was. Zijn verdriet moest onverdraaglijk zijn. Berend verkeerde in een aard van shocktoestand waarin hij niemand uit zijn directe omgeving ontzag. Gea vond geen rust. Zelfs niet nadat een paar oud rock and roll bandleden – na telefonische smeekbedes van Geert - bij tourbeurt Berend opzochten. Ook de huisarts kwam en ging. Bij zijn vertrek zei hij tegen Gea:
‘Een rouwproces is een kwestie van tijd niet van medicatie. Het moet slijten. Houdt u hem wel in de gaten! Voor de zekerheid zal ik u een valiumtablet in bewaring geven. Maar dient u het hem alleen toe in uiterste crisissituatie. U lijkt mij een verstandig type. Ik vertrouw op u!’
Maar het verstandige type was volkomen uitgeput van Berend en Marieke.
Ondanks de hulp van Geert en een paar oud rock and roll bandleden bij het zorgen en troosten begon Gea, uit zelfbehoud, steeds meer in cliches te denken en praten. Ze flapte bijvoorbeeld nonens uit in de trant van:
‘Misschien is het maar beter zo; anders was hij nooit van haar losgekomen!’
‘Je haalt me de woorden uit m’n mond Gea’, zei Geert gelaten.
‘Heeft ze nou wel of geen zelfmoord gepleegd?’, wilde de basgitarist weten.
‘Geen zelfmoord’, antwoordde Gea.
‘Hoezo niet, dat wijf was anders zo gek als een deurklink?!’, zei de drummer.
‘Geen hand vol, maar een land vol, zegt m’n moeder altijd. Berend moet maar weer gaan zingen. Wij zoeken nog een zanger, by the way. Van mij kan hij terugkomen.’
Dat was de basgitarist weer.
‘Toch is het niet niks! Je moet het maar durven! Frontaal tegen een boom aanrijden met de dood in de ogen! Chapeau Marieke!’
Bij wijze van illustratie nam de drummer zijn petje op en af.
‘Ze heeft geen zelfmoord gepleegd’, zei Gea nog maar eens.
‘Dat weet je natuurlijk nooit zeker’, stelde Geert vaag.
‘Jawel, want in het politierapport staat te lezen dat Marieke met haar slaap tegen de deurpost is aan geknald. Ze lag erbij als de schone slaapster. Ongeschonden. Alleen had ze geen stukje van een vergiftigde appel in haar mond, maar wel een half uitgekauwde hap van een boterham met kaas. En niemand, zelfs Marieke niet, eet een boterham met kaas vlak voor, tijdens of na een zelfmoordpoging.
‘Niemand’, bevestigde Geert.
‘Geen mens’, zei de drummer.
‘Uitgeluld en uitgekakt’, besloot de basgitarist.
Het waren dit soort zinloze gesprekken die Gea door de eerste nachten hielpen. Terwijl Berend aan de andere kant van de muur – in het grote bed van haar afwezige ouders - hardop tegen zijn waanbeelden over Marieke lag te vechten, probeerde Gea zich het gesprek van die middag of avond weer voor de geest te halen. De conversatie raakte meestal kant nog wal, maar steeds weer had Geert of iemand van de band wel een banaal, grappig of grof zegje te missen, waarmee de aandacht van de ernst van de zaak voor een moment was afgeleid. Zonder die bijeenkomsten in de keuken, de huiskamer, hal of gang; die liters koffie; die tientallen afhaalmenu’s en de honderden filtersigaretten, zou Gea, net als Berend, ongetwijfeld zijn doorgedraaid. Berend haalde zich vanalles in het hoofd. Marieke was een hoer geweest die heimelijk voor een escortservice had gewerkt. Marieke had zelfmoord gepleegd om Berend te pesten. De hele familie van Marieke zat in een complot. Maurice had Marieke vermoord door met de remmen van haar groene Eend te knoeien. Ten einde raad greep Gea toch naar het valiumtablet om Berend rustig in slaap te krijgen. Hij begon volslagen wartaal uit te slaan.
‘Gea, ze wist het!’, ijlde hij. Hij zat rechtop in bed.
Gea sprak hem tegen:
‘Natuurlijk niet.’
Ze klopte zijn kussen op en propte het weer achter zijn rug. Ze duwde hem het pilletje en een glas water onder de neus.
‘Jawel ze heeft me eens verteld dat ze achtervolgd werd in een droom. Ze stond op het strand en ze voelde dat ze achtervolgd werd, maar ze kon niet wegkomen. Ze probeerde wel om vooruit te komen, maar haar blote voeten in het rulle zand gaven niet mee. Ze werd stervensmoe in haar kuiten en ze kwam telkens op haar knieën terecht alsof ze in drijfzand vooruit wilde ploeteren. Het was een nachtmerrie. Levensecht.’
Met een flinke slok water nam Berend het pilletje in.
‘Het was een doodgewone droom, Berend. Ik heb ook weleens zoiets dergelijks gedroomd en zo’n droom is inderdaad doodeng en het lijkt net een reële belevenis, maar het is en blijft een droom. Zoiets betekent helemaal niet dat ik binnenkort zal gaan sterven, dat kun je toch zelf ook wel op je vingers natellen, mag ik hopen!
‘Dromen zijn geen bedrog, Gea’, antwoordde hij al wat bedaarder.
‘Maak jezelf niet gek, Berend.’
‘Dat doe ik niet, dat doet zij. Ze vindt geen rust in vrede! Ze is vannacht in mijn dromen verschenen. Ze wilde niet begraven, maar gecremeerd worden en al helemaal niet in Waaghorst. Ze heeft een hekel aan dat bekrompen dorp!’
En hoe meer Gea haar keel schor redeneerde om Berend van zijn ongelijk te overtuigen, hoe dieper ze doordrongen raakte van het belang van de kale waarheid. Marieke was niet meer.
‘Uitgeluld en uitgekakt’, besloot de basgitarist.
Misschien wat cru gesteld, maar daarom nog niet minder waar. Zo makkelijk ging dat dus. Marieke was gezond, mooi, succesvol, populair en ze had haar studie bijna afgerond. Op een dag stapte ze in haar groene Eend en nam een hap uit haar dubbelgeklapte boterham belegd met een plakje kaas. Zo reed ze op het ene moment nog op de Bosweg richting Waaghorst en ze dacht aan Maurice of met een klein kansje aan Berend. Op het volgende moment was ze dood en dat is niet eerlijk!
‘Het was toch uit?!’, wist moeder tam bij wijze van reactie op de dood van Marieke en het verdriet van Berend.
Ze was net terug was van vakantie en niet in een rouwstemming.
‘Jammer van zo’n mooie meid’, zei vader oprecht spijtig, waarna hij zijn medeleven weer teniet deed met de opmerking:
‘Maar een mens kan niet bij elk sterfgeval stil blijven staan. Een mens kan veel hebben en een mens kan niks hebben. Dood is dood!’
En hoezeer Marieke ook op de zenuwen van Gea had gewerkt. Hoezeer Gea haar uit haar persoonlijke leven had verwenst en Marieke misschien zelfs wel had gehaat, de dood had ze niet verdiend. Niet op haar leeftijd en niet met haar aardse foutjes.
Waarom zij wel en ik niet?’ vroeg Gea zich duizendmaal in gedachte af, terwijl ze het astraallichaam van Marieke zag oplichten in giechelende blonde meisjes in de stadsbus; in de posturen van hooggehakte dames in de winkelstraten van het centrum; in de étalagepoppen van dure modezaken; in de parfumwalm in warenhuizen en in de teneur van de liedjes van Wham en George Michael. Marieke werd lyrisch van George Michael. Tot ergernis van Berend wat haar adoratie uiteraard alleen nog maar deed toenemen.
‘Wake me up before you gogo, en I want your sex.’
‘Wat een drukte om niets! Zometeen vallen we allemaal dood neer’, zei Gea.
‘Ja, of niet!’, antwoordde Geert naar waarheid; zoals verwacht.
Op het prikbord in de ontvangsthal van de universiteit hangen lijsten met tentamenuitslagen. Elsbeth valt niet meer te negeren, want ze komt schuchter naast Gea staan.
‘Heb je een tien?’, vraagt Gea koel.
‘Ik heb nog niet gekeken’, antwoordt ze verlegen.
‘Wil je niet weten hoe het met Berend is?’
Gea is cynisch en Elsbeth kijkt naar de grond. De symbolische afstand tussen beide wordt groter. De kiem voor de kloof is door Elsbeth gelegd, want het enige wat ze zei op het bericht over de dood van Marieke en de crisis van Berend was:
‘Jeetje, Gea, dat is mijn schuld!’
Pas weken later besefte Gea wat Elsbeth, de allesweter en bemoeial, bedoelde. Dat schuldgevoel sloeg natuurlijk nergens op, want Berend was hoe dan ook toch wel op het overlijden van Marieke gestuit, maar Elsbeth had voor de verandering weleens wat beter op de persoon van Gea kunnen reageren. Waar was dat jarenlange vriendinnetjesgedoe anders goed voor geweest? En met die ene suffe uitspraak had Elsbeth ook nog de illusie van een toekomstige studentikoze verbintenis verstoord:
‘Jeetje, Gea, dat is mijn schuld!’
Sindsdien had Elsbeth niets meer van zich laten horen. Nu staat ze naast Gea en zoekt met haar wijsvinger op de lijst aan het prikbord naar haar cijfer voor het essay ‘sekse, cultuur en pathologie’. Dan trekt ze wit weg en roept compleet over haar toeren uit:
‘Shit, ik heb een vijf! Shit, Godverdomme, kut, kut, kut!’
‘Je moet alles een keer meegemaakt hebben!’, merkt een voorbijganger ironisch op, terwijl hij knipoogt naar een geamuseerde Gea, die in de hysterische Elsbeth een bezienswaardigheid heeft gevonden..
‘Je lijkt Marieke wel’, zegt ze spottend.
‘Heb jij ook een onvoldoende!’, vraagt Elsbeth verhit.
‘Maar maak je geen zorgen over mij. Ik word niet warm of koud van een onvoldoende.’
Een medestudente die ook op zoek is naar haar cijfer schiet in de lach, maar Elsbeth negeert haar en zoekt opnieuw. Dit keer naar het cijfer van Gea. Ze kent het studentennummer van Gea uit haar hoofd. Hetzelfde nummer moet Gea nog altijd in haar agenda opzoeken, omdat ze het almaar vergeet.
‘Je hebt een negen, trut’, scheldt Elsbeth plotseling.
‘Wat heb ik?’, vraagt Gea blij verrast.
‘Stom wijf, gemene trut, achterbakse hoer!’, scheldt Elsbeth.
De tranen stromen over haar wangen. Beheerst vergelijkt Gea het studentennummer in haar agenda met dat op het prikbord. De medestudente kijkt mee:
‘Je hebt inderdaad een negen’, zegt ze vriendelijk alsof ze het effect van de reactie van Elsbeth wil verzachten voor Gea. Elsbeth zwaait driftig met haar boekentas en neemt afstand met de woorden:
‘Dit pik ik niet. Zeker niet van een klutje lesbo’s!’
Zowel Gea als de medestudente staan Elsbeth met open mond van verbijstering na te staren.
‘Is dat een vriendin van je?’, vraagt de medestudente uiteindelijk.
‘Nee, heb jij ook een negen?’
‘Ik heb een zes. Het was moeilijk. Zeker die vraag over de hysterie. Hysterische vrouwen zijn uiteraard heldinnen, maar ik kon die stelling maar moeilijk beargumenteren.’
‘Dat komt omdat hysterische vrouwen geen heldinnen, maar slachtoffers zijn. Hysterische vrouwen zijn ziek. Ze zitten muurvast.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Ik heb niet voor niets een negen’, antwoordt Gea niet zonder trots.
‘Hoe durf je zo bout te stellen dat hysterie een ziekte is?’
‘Ik heb het aan der lijve ondervonden.’
‘Door Elsbeth?’, vraagt de medestudente ongelovig.
‘Nee, dankzij mijn tegenpool’, zegt Gea.
Niet begrijpend trekt de medestudente haar wenkbrauwen op.
‘Marieke zou hier meteen een onbenullige opmerking paraat hebben gehad’, denkt Gea, terwijl ze een pijnscheut in haar keel probeert weg te slikken. Vervolgens antwoordt ze schor:
‘Mijn tegenpool heette Marieke.’
‘Een kennis van je?’, vraagt de medestudente op een toon die aangeeft dat ze niet meer geïnteresseerd is.
Ineens raakt Gea doordrongen van de plompverloren waarheid. Vader heeft geen gelijk. Dood is niet dood, want wat een drukte om niets. Zo meteen vallen we allemaal dood neer. Ja, of niet. En Gea besluit:
‘Nee, Marieke is mijn muze!’

Reacties
Een reactie posten