Muze; Aanbevolen door de redactie van Brabant Cultureel.
MUZE
De spelregels van
het aantrekken en afstoten beheerst ze niet. Of liever gezegd; ze wil ze niet
kennen, omdat ze er haar hele zeventigerjaren jeugd mee geconfronteerd is
geweest. En Gea wil anderen niet gebruiken in navolging van haar moeder. Ergo,
nu ze haar tienerjaren achter de rug heeft, zo ongeveer halverwege de jaren
tachtig, wil ze nog steeds niet - niet eens bij benadering - op haar moeder
lijken. Alhoewel de slager gisteren nog opmerkte dat moeder en Gea net
tweelingzusjes zijn. Op het leeftijdsverschil na dan. Gelukkig wel! Als je Gea
ziet dan zie je moeder als het ware. Maar dat is uiterlijke schijn. Veel erger
is de harde kop van vader die ijzerenheinig blijft volhouden dat zijn vrouw en
dochter precies twee handen op één buik zijn. Maar Gea is thuis de studente in
de letteren en niet moeder. Moeder heeft m.o. Frans en een baan bij een
dochteronderneming van een van oorsprong Franse verzekeringsmaatschappij. Gea
heeft niks met francofielen. Haar vader is leraar Engels. Dat is beter, maar
het heeft nog steeds maar bitter weinig met een universitaire studie in de
taal- en literatuurwetenschappen van doen.
‘Vrouwenstudies
heeft ook niets met taal- en literatuurwetenschappen te maken’, wist Elsbeth op
de bank in de trein tegenover haar.
Elsbeth is een
medestudente en ze heet haar vriendin te zijn. Maar Gea kan nooit met haar
praten. Elsbeth praat meestal over seks en zo niet dan zwijmelt ze over
boybands. Doe Maar, Wham en Bolland en Bolland. Mannelijke popidolen die
suggestieve dansmoves maken op discosounds voor een grotendeels vrouwelijk –
hysterisch - publiek! Gea luistert en gooit af en toe een opmerking in de
monologen van haar zogeheten vriendin, omdat ze Elsbeth niet in verlegenheid
wil brengen. Ze interesseren haar niet; de boybands. Ook de seksuele escapades
van Elsbeth kunnen haar gestolen worden. Maar Gea mag niemand buitensluiten.
Dat kan niet! Dan zou ze op haar moeder lijken! Die moeder die zich
voornamelijk met de spelregels van het afstoten en aantrekken bezig houdt. En
die regels die beheerst ze niet. Of liever gezegd; Gea wil ze niet kennen.
Dat neemt niet
weg dat ze nooit heeft begrepen waarom uitgerekend Elsbeth haar medestudente
heeft moeten zijn. Uiteraard staat het iedereen vrij om een wetenschappelijke
studie in de letteren op te pakken, maar misschien zou een praktische opleiding
in de relationele sfeer beter aan Elsbeth besteed zijn geweest. Een
h.b.o.-opleiding met de titel ‘Seks in Werk en Uitvoering’, of zoiets. Want zij
wordt niet warm of koud van geseksualiseerde popidolen, terwijl Elsbeth iedere
collegedag weer zo goed als klaarkomt bij haar uitgesproken herinneringen aan
de suggestieve optredens van haar idolen. En dat twee keer per dag! ’s Morgens
in de trein van Eindhoven naar Tilburg en ’s avonds tijdens de retour.
En zo iemand als
Elsbeth overtreft haar op punten. Haar tentamens haalt ze op haar sloffen.
Alsof het een makkie is. Ze gaat gewoon achter haar bureau zitten en begint te
studeren. Tijdens de tentamenperioden wel acht uur per dag aan één stuk door.
Zonder; lunchpauze, tussendoortjes, alcohol, koffie, nicotine, black-outs of
vraagtekens. De tienen vliegen haar om de oren, maar in de trein naar de
universiteit en weer terug naar huis weet ze niks van taal en literatuur.
Helemaal niks! Alsof ze alleen een korte termijn geheugen heeft. Alsof bij haar
niets blijft hangen. Dat liegt ze natuurlijk! Dat kan niet anders! En daarom
houdt Gea ook haar mond. Daarom zwijgt ze in alle talen over haar seksuele
belevingswereld, die hoorbaar stukken interessanter is dan die van Elsbeth.
Zolang zij maar met moeite hertentamens haalt en zonder enige hulp van buitenaf
de zesjes bijeensprokkelt, mag Elsbeth op haar beurt blijven raden naar de
bedgeheimen van Gea.
Het verklaart wel
waarom Elsbeth, net als Gea, koos voor Vrouwenstudies. Letterenstudenten moeten
van alle markten thuis zijn en vandaar verplicht een pakket aan
buitenfacultaire cursussen afronden. Gea koos voor Vrouwenstudies, omdat ze dus
per sé niet op moeder wil lijken. En Vrouwenstudies gaan niet over de
spelregels van het afstoten en aantrekken. Vrouwenstudies gaan over vrouwen en
hun wezen en niet over hun streken! Althans als je het Gea vraagt. Volgens
Elsbeth gaan Vrouwenstudies juist wel over vrouwen en hun streken. En over
bedgeheimen. Tenminste dat hoopt Elsbeth nog steeds! Zoals ze ook nog altijd op de aandacht van
Berend zit te vlassen.
Berend is de
broer van Gea. Hij studeert bedrijfskunde. In principe is Berend een nerd, en
niet zo’n kleintje ook, maar zo nu en dan zingt hij in een rock and roll band
en kleedt zich in de stijl van Elvis Presley, zodat maar heel weinig mensen in
staat zijn om door zijn imago heen te prikken. Ten opzichte van Gea ontkent
Elsbeth haar gevoelens voor Berend, maar ze heeft zich verraden toen ze om een
bepaalde foto van Gea vroeg. Berend staat er ook op! Hij heeft zich uiterst
vakkundig in een vereeuwigde pelvisbeweging
gewurmd achter een microfoon, waarnaast Gea hem oorspronkelijk een bosje
bloemen – als dank voor zijn optreden – aanbiedt. Maar Elsbeth heeft het
plaatje in twee delen geknipt. Het gehalveerde stuk met Gea fungeert als
boekenlegger, terwijl de kiek van Berend
– met een zwevend bosje tulpen aan zijn rechterzijde – een ereplaats in haar
agenda kreeg. En toch maar stug blijven ontkennen, hè! Gea kan het ook niet
nalaten! In vergelijking tot het droombeeld van de boybands, is de ware Berend
in levende lijve tenminste tastbaar. Maar het is niet waar! Elsbeth vindt
Berend een eikel van de eerste orde. Pas toen hij stevige verkering met Marieke
kreeg, gaf Elsbeth het verknipte fotodeel met Berend zwijgend aan Gea terug.
Haar afgewende blik sprak boekdelen!
Want Berend was
verkocht en heel ver heen. Hij had Marieke al lang op het oog gehad, maar zij
zag hem niet staan. In het voorstellingsvermogen van Gea had de totebel
onderhand de gedaante van een filmster aangenomen. Dit had minder met Marieke
te maken als wel met het resultaat van het openlijke gezwijmel van Berend in
huiselijke kring. Maar op de katholieke universiteit Brabant lopen geen
filmsterren rond. Ook niet op de faculteit bedrijfskunde. En Gea wil best van
zichzelf toegeven dat ze een ietwat te nuchtere inslag heeft, maar Berend draafde
door. Juist omdat hij nu eenmaal een nerd is. Dus liet Gea hem maar dwepen.
Over Marieke met; haar lieve wangetjes, haar blonde, geurende haarpracht, haar
ronde billetjes, haar bewegelijke voorpartij, haar stevige kuiten en niet te
vergeten; met haar blauwe, onschuldige, grote kijkers omrand met gouden wimpers
badend in een weelde van; mascara, oogschaduw, eyeliner en contactlenzen! Dat
laatste had Berend na lang zijwaarts spieden ontdekt tijdens het college
marketing, toen hij naast haar mocht zitten, omdat hij – zogenaamd – haar
aantekeningen overschreef. Marieke droeg ook hele speciale kleding. Echt apart!
Kokerrokjes en mantelpakjes. En dan haar schoeisel! Naaldhakken! Heuse
naaldhakken! Gea moest maar eens naar
Marieke uitkijken! Gea zou nog heel wat van Marieke kunnen leren! En Gea probeerde om Berend haar slaapkamer
uit te werken, terwijl ze bijna niet meer kon wachten op de volgende dag en
haar onvermijdelijke dagelijkse treinritten met Elsbeth en haar seksuele
frustraties. Want seksuele frustraties zijn tenminste niet zo éénzijdig als de
uitgesproken romantische gevoelens van een nerd. Bij seksuele frustraties kun
je je nog wat voorstellen. Aan Marieke daarentegen had Gea bij voorbaat al een
gloeiende hekel. Wie dacht dat opgewaardeerde trutje eigenlijk dat ze was?
‘Zou je het
begrip ‘nerd’ voor mij kunnen definiëren?’ , vroeg Elsbeth, die elke
gelegenheid aangreep om over Berend te filosoferen zonder Marieke bij de
analyse te hoeven betrekken.
‘Een nerd is in
mijn ogen een persoon die niet in staat is om zich in de gevoelens van een
ander in te leven. Een nerd is per definitie asociaal.’
‘Of geniaal!’
‘Nee, Elsbeth,
niet geniaal. Berend is niet geniaal. Berend heeft een hele hoge rationele
intelligentie en daar is alles mee gezegd. O ja, egocentrisch is hij ook.’
‘Berend of een
nerd?, vroeg Elsbeth geamuseerd.
‘Berend de
nerd!’, antwoordde Gea stellig.
‘Is een nerd nou
asociaal of egocentrisch in jouw definitie!?’, merkte Elsbeth helder op.
Ze haalt niet
voor niets tienen bij de vleet.
‘Wat is het
verschil? Vergeet niet dat sommige nerds
heel vriendelijk en welwillend kunnen zijn. Je moet ze alleen constant
uitleggen wat je denkt, voelt of vindt. Berend interesseert zich helemaal niet
voor mij. In zijn ogen besta ik niet! Mijn gevoelens doen helemaal niet ter
zake. Het enige dat voor Berend telt is hijzelf en die moet hij constant ergens
kwijt. Omdat ik nou toevallig bij hem en zijn ouders in huis woon en omdat hij
mij al jaren kent – feitelijk al vanaf
m’n geboorte – heeft hij mij tot zijn vertrouwelinge uitverkoren. Ik ben niet
te benijden, dat kan ik je verzekeren!’
Bij wijze van
reactie sloeg Elsbeth beschaamd haar oogleden neer. Een teken dat zij in elk
geval geen nerd is!
De enige echte
Marieke nam de tijd voordat ze eindelijk toehapte in de avances van Berend.
Hierna duurde het nog een week of tien voordat Gea haar verblindende
verschijning ook waarachtig onder ogen kreeg. Ze kwam kennis maken met vader en
moeder. Beide gingen meteen overstag. Maar Gea wist niet zeker wie of wat ze
zag. Op een vreemde manier had Berend niet overdreven. Marieke was nog het
beste te omschrijven als een parodie op Marilyn Monroe en Gea begreep meteen
wat Berend in haar zag. Ze was de pijler van zijn image. Marilyn en Elvis. Zo
uit de tijdmachine gestapt. Of uit het wassenbeeldenmuseum. Moeder had begrepen
dat de aanwinst van haar zoon het gymnasium met goed gevolg had afgelegd. Dus
begon moeder meteen met allerlei Latijnse termen te gooien, die Marieke met
gelijke munt terugbetaalde.
‘Veni, vidi,
vici.’
Gea verstond geen
woord en ze stond op om koffie in te schenken. Ze voelde zich lelijk en
alledaags in haar spijkerbroek en ze haatte vader die Marieke zwijgend met z’n
ogen zat uit te kleden. Ze monsterde Berend, maar die bleef aan het uitwendige
hangen. Hij ging helemaal op in haar. In die vrouw die net als Gea amper
éénentwintig lentes telde; die net als Gea nog maar net kwam kijken op de
universiteit; die net als Gea nog niets of niemand was op deze aardbol; die
zich net als Gea nog helemaal moest bewijzen. Die vrouw, Marieke. Ze werd
binnengehaald als de verloren dochter!
‘Je bent
jaloers!’, concludeerde Elsbeth.
‘Spreek voor
jezelf!’, snauwde Gea.
Ze was niet
jaloers. Althans niet op Marieke. Ze is jaloers op Elsbeth. Soms. Omdat Elsbeth
zo makkelijk feitjes kan leren. Omdat Elsbeth geen; afspraak, naam, verjaardag,
college of tentamen vergeet. Omdat Elsbeth nooit stomme dingen zegt; omdat ze
niet in slaap valt tijdens de hoorcolleges; omdat heur haar in de regel
redelijk tot goed zit en haar blouses kreukvrij zijn; haar pennen niet lekken;
haar onbeschreven studieboeken ongeschonden blijven en omdat haar schoenen
steevast gepoetst zijn. Kortom; Elsbeth is een modelstudente. Geen wonder dat
Gea jaloers is. Soms. Want meestal sjokt
ze met haar ziel onder haar arm naast Elsbeth voort. Perfectie en accuratesse
zijn namelijk niet alleen benijdenswaardig maar ook saai en daarom vaak
irritant. Net als Gea lekker op dreef is, dan weet Elsbeth wel weer wat op haar
gedrag af te dingen. Gea is zus vergeten of ze heeft zo over het hoofd gezien.
Maar in het geval van Elsbeth wint de bewondering het meestal van de ergernis.
In de aanwezigheid van Elsbeth weet Gea zich in te houden. Bij Marieke was dat
een heel ander verhaal. Nee, ze was niet jaloers op Marieke. Ze was overdonderd
door het contrast tussen Marieke en zijzelf. Het was alsof ze haar absolute
tegenpool had ontmoet. Alsof Marieke alles verpersoonlijkte wat zij niet was of
nooit zou willen zijn. Het was alsof Marieke recht tegen haar geweten indruiste
en alsof andersom precies hetzelfde gold. Want in die korte tijd dat Gea met
Marieke moest leren leven, heeft geen van beiden ooit een serieuze toenaderingspoging
gedaan.
Als bij toverslag
beheerste Marieke haar thuishaven. Berend was geobsedeerd door haar en hij
probeerde Marieke aan zich te ketenen. Maar daar was zij het type niet na. Dat
had Gea al meteen in de gaten. Met een gekweld glimlachje op haar volle lippen
ging Marieke gebukt onder zijn verkleefdheid. Manmoedig doorstond ze de
handtastelijkheden van Berend die van God los was en haar desnoods uitkleedde
terwijl de hele familie toekeek. Gea zag Marieke vaak inwendig spartelen, maar
ze hield zich groot en wist Berend altijd heel vrouwelijk van zich af te slaan.
Behalve op de zolderslaapkamer van Berend. Daar liet ze alle remmen los en Gea
kon haar eigen gedachten niet eens meer verstaan als die twee bezig waren.
Vader en moeder deden er het zwijgen toe en geboden Gea dat ook te doen. Gea
mocht de eerste grote liefde van haar oudere broertje niet verpesten.
Vermoedelijk waren pa en ma zo opgelucht dat hun excentrieke zoontje van
drieëntwintig eindelijk onder de pannen was dat ze uit pure dankbaarheid bereid
waren om alles voor lief te nemen.
‘Kan het ook wat
minder?’
Het waren de
eerste woorden die Gea tegen Marieke sprak. Ze kon niet slapen en had honger.
In de keuken zat Marieke alleen aan de keukentafel. Op het eerste gezicht leek
ze poedelnaakt. Bij nadere inspectie bleek ze toch een huidkleurig slipje te
dragen. Ze deed zich tegoed aan een koude pizzapunt. Bij wijze van antwoord
kauwde ze schokschouderend verder. Haar borsten bewogen slapjes mee. Ze had
gigantische tieten.
‘En doe wat aan
die blote borsten. Zo meteen ziet vader je nog!’, gebood Gea.
Marieke had
alleen maar gereageerd door onaangedaan en stompzinnig te grijnzen. Op haar
voortanden prijkten groene stukjes broccoli. Voor het eerst twijfelde Gea aan
haar verstand. Het zou niet de laatste keer zijn. Alhoewel Marieke voor de
buitenwereld het toonbeeld van een brave studente bedrijfskunde leek te zijn.
Ze woonde nog bij haar moeder – een verbitterde weduwe – in een gehucht bij
Tilburg. Haar vrije tijd deelde ze met een tamelijk opdringerige, jongere zus die een stuk lelijker was dan
Marieke en die daarenboven ook bedrijfskunde studeerde. Marieke liep haar dus
niet alleen thuis tegen het lijf, maar werd ook op de universiteit en tijdens
de colleges met haar zusje geconfronteerd. Het onooglijke onderdeurtje was
echter wel een behoorlijke slimmerik en al sinds jaar en dag een serieuze
concurrente. Op studiegebied wel te verstaan. Maar Marieke wilde niet studeren!
Marieke wilde seks en drugs en rock and roll. Overigens buiten medeweten van
haar beschermende moeder als dat even kon! Het studiepikkerige zusje was dan
ook een blok aan Mariekes elegante been en hoe vaker ze zonder toezicht van
huis en universiteit was, hoe liever.
‘Hoe heb je haar
eigenlijk aan de haak geslagen?’, vroeg Gea onder vier ogen aan Berend zodra ze
de kans kreeg.
‘Ik ben op haar
afgestapt en heb haar uitgevraagd’, antwoordde Berend.
Hij raakte
opnieuw vervuld van zichzelf bij de
herinnering aan zijn koene daad.’
‘Wist ze
eigenlijk wel wie je was?’, wilde Gea vervolgens achterdochtig weten.
‘Half, half!’
Berend grimaste alsof Gea stomme vragen
stelde.
‘En desondanks
zei ze meteen ‘ja’?’
De verwarring van
Gea groeide.
‘Ze zei meteen
ja’, wist Berend zelfverzekerd.
‘En jij vindt dat
normaal? Ze zei meteen ‘ja’ zonder dat ze je naam kende en zonder dat ze wist waarheen de afspraak zou gaan? Bedenk wel dat Marieke uit een minuscuul
dorpje komt waar haar horizon tot voor kort niet verder reikte dan Tilburg. Ze
is acoliet nota bene. Acoliet!’
‘Ze is ook
studente bedrijfskunde en bovendien erg populair!’
‘Dat verklaart
natuurlijk waarom ze stante pede met jou op stap wilde!?’ spotte Gea.
‘Dat noemt men
‘liefde op het eerste gezicht’. Dat snap jij niet Gea. Daar ben jij veel te
nuchter voor.‘
Maar nuchtere
mensen hebben ook gevoelens. Ze kunnen alleen beter met hun emoties omgaan dan
bijvoorbeeld de romantici van deze wereld. Bovendien heeft het weinig nut om
een ander ongevraagd met jouw problemen op te zadelen. Toch deden Berend en
Marieke niet anders. Mochten ze elkaar niet aan het belebberen zijn, dan
vochten ze als kemphanen. Dit beurtelingse haatliefdespelletje repeteerden ze
uren achtereen. Het was niet om aan te zien en ook niet om aan te horen, maar
Gea kon – net zo min als Berend en Marieke – lang vluchten, want er moest
gestudeerd worden. Tentamens moesten geleerd en afgerond; er diende vooruitgang
geboekt te worden. En wat Gea betreft een beetje snel ook, zodat ze - na het
behalen van haar titel - als de wiedeweerga haar ouderlijk huis kon
ontvluchten. Haar vriend Geert stond al in de startblokken. Gea hoefde haar
jawoord maar te geven. En dat zou ze ook doen. Na haar afstuderen! Want Geert
is de moeite waard. Een man van stavast. Zonder poespas en met een betaalde
baan met perspectieven. Hij mag er wezen ook. Geert heeft het imago van Elvis
Presley niet nodig. Z’n muziek wel. Maar wie heeft dat niet? Over Marieke zei Geert niet veel. Hij vond
haar opzienbarend en dat was het wel zo’n beetje. In het weekend lag hij
zwijgend op het bed van Gea en luisterde met wijd opengesperde ogen en een
verdwaasde uitdrukking op z’n gezicht naar de luidruchtige haatliefdespelletjes
van Berend en Marieke. Gea probeerde te lezen en Geert voerde het geluid van de
stereo maar weer eens wat hogerop. Het hielp niet veel. Gea en Geert kwamen pas
weer aan hun relatie en een goed gesprek toe als Berend en Marieke een
weekendje uit waren. Naar de Ardennen, zeilen met vrienden of naar de Galerij.
De Galerij was een studentensociëteit in
Tilburg waar in de jaren tachtig geen allochtonen, kleurlingen en homoseksuelen
werden toegelaten!
‘Berend en
Marieke gaan regelmatig naar de Galerij’, bekende Gea met een rood hoofd,
terwijl ze de overige treinreizigers zo zacht mogelijk probeerde te
overstemmen.
‘Echt
waar!’, riep Elsbeth uit.
Ze klonk verrukt
niet geschokt. Gea zal Elsbeth wel nooit begrijpen. Vrouwenstudies of niet.
‘Ik vind het een
schande.’
Gea had het idee dat ze zich moest
verontschuldigen.
‘Tjeetje, Gea doe
niet zo benepen zeg. Dat is toch gaaf; de Galerij’, wist Elsbeth half
opgewonden over de gedachte aan de Galerij, half geërgerd over Gea.
‘Ik wist niet dat
jij zo dol was op de Galerij. Je komt er nooit’, merkte Gea droog op.
‘Gossie, doe niet
zo lullig, Gea zeg. Kan ik het helpen dat ik geen verkering heb.’
‘Ben maar blij
dat je geen kleurtje hebt of een voorliefde voor je eigen geslacht!’
‘Hè?’ vroeg
Elsbeth schaapachtig.
‘Of je worst
lust, dan kun je velletjes schijten’, antwoordde Gea.
En Elsbeth kwam
niet meer bij, want ere wie ere toekomt; Voor Elsbeth valt er altijd wat te
lachen met Gea!
‘Zonder jou had
ik allang de brui gegeven aan dat Vrouwenstudies. Ik vind er geen flikker aan’,
mekkerde Elsbeth tijdens de koffiepauze van het werkcollege: ‘sekse, cultuur en
pathologie’.
‘Wat heb ik ermee
te maken?’ vroeg Gea afkerig.
‘Jij brengt leven
in de brouwerij’, zei een andere jonge vrouw.
Ze studeerde
normaliter psychologie en was uit feministische overwegingen bij vrouwenstudies
terecht gekomen.
‘Wat doe ik dan?’
Gea was zich van
geen kwaad bewust. Het theekransje van geleerde dames gierden het uit.
‘Wat doe ik
dan!’, herhaalde Gea kwaad.
‘Je provoceert’,
legde Elsbeth welwillend uit.
Gea zag haar wel
knipogen naar de rest.
‘Ik provoceer
helemaal niet.’
Opnieuw een gezamenlijke lachbui.
‘Ik geloof dat ik
nogal komisch ben!’, pruilde Gea, die altijd bloedserieus is.
‘Je doet het
erom’, plaagde Elsbeth met een achterdochtig ondertoontje.
‘Ik probeer een
rode draad te ontdekken in Vrouwenstudies. Kan iemand mij de rode draad
aanreiken!’, riep Gea wanhopig uit.
De vrouwenclub
ging plat. De dames proestten en gierden. Ze verslikten zich in boterhammen,
koffie en thee en klopten elkaar op de rug en borst.
‘Er valt helemaal
niets te snappen druif’, bracht één van haar medestudentes na veel hikken en
hijgen eindelijk uit.
‘Jij gaat altijd
veel te diep op de zaken in Gea. Je moet niet zo moeilijk doen!’
Dat was Elsbeth
natuurlijk.
‘Ik moet niet zo
moeilijk doen over sekse, cultuur en pathologie. O.k. Ik wil best niet moeilijk
doen over sekse, cultuur en pathologie. Kan iemand mij dan even het geheim
verklappen?’
‘Scoren!’, merkte een rechtenstudente op.
‘Scoren?’, vroeg
Gea niet begrijpend.
‘Ja, het geheim
van Vrouwenstudies is scoren’, vulde weer iemand anders uit het klutje
gelijkgezinden moeiteloos aan. Iedereen stond instemmend te knikken.
‘Die tentamens
stellen natuurlijk net zo min wat voor als Vrouwenstudies op zich. Dat kun
je toch hopelijk wel op je vingers
natellen, Gea! Zo trek je zonder enige moeite het puntengemiddelde lekker
omhoog. Scoren dus!’
Dat was Elsbeth
weer.
‘Alsof jij dat
nodig hebt!’, sneerde Gea.
Viel dat even
tegen! Met het groeien van het aantal cursusuren Vrouwenstudies werd de
leerstof hoe langer hoe pittiger en almaar omvangrijker. Langzaam maar zeker
raakte Gea gefascineerd door de theorieën die door de eeuwen heen over, voor en
door vrouwen bedacht waren. Alle voorstelbare types werden onder de loep genomen;
Maria, de maagd, de non. Het natuurwezen;
de oermoeder. De verleidster;
hoer, heks, femme fatale. De mannenhaatser met haar penisnijd. De
passievelinge; het model, of de
geesteszieke. Kortom; de muze. Geen gangbare vrouw of iemand bleek er in het
verleden wel een stempel opgedrukt te hebben in de vorm van; een gedicht, een roman, een psychologische
analyse, een droombeeld, of een ander hokje met een slot. Gea kon zichzelf in
geen van de stereotypen helemaal terugvinden. Ze had van alles wat, behalve van
de geesteszieke vrouw. Deze vrouw intrigeerde haar, want Gea begreep haar niet.
Het was alsof deze vrouw tegen haar geweten indruiste; alsof ze alles
verpersoonlijkte wat Gea niet was of ooit zou willen zijn. Gea had haar
absolute tegenpool ontmoet.
In de echte
wereld van Gea maakte Marieke het ondertussen steeds bonter. Ze dreef Berend
tot waanzin met haar gedrag dat hem tegelijkertijd belust maakte. Berend
veranderde. Hij gaf de brui aan z’n rock and roll band, alwaar hij jarenlang de
leadzanger was geweest. Logisch dat zijn vrienden hem deze stap niet in dank
afnamen. Berend liet het volstrekt koud. In de drie jaar die hij met Marieke
verkeerde, keek hij zijn studieboeken nauwelijks tot niet meer in en als zij
niet tussen zijn lakens poseerde dan talmde hij verlaten in huis rond.
Tussentijds had Marieke sluipenderwijs een heel eisenpakket ontwikkeld waaraan
Berend moest zien te voldoen. Ze wilde meer tijd voor zichzelf en haar studie
en tegelijkertijd moest haar relatie met Berend als vanzelf aan diepte winnen.
Uiteraard kon en mocht Marieke daarbij haar moeder – de arme weduwe – niet
verwaarlozen. Marieke wilde zelfs zonder Berend - maar met vriendinnen - naar Spanje. Toen ze weer heelhuids terug in
Nederland was, vond ze ineens dat Berend zich anders moest kleden. Ze maakte
een afspraak voor Berend bij een moderne kapper, want z’n kuif ging eraf.
Berend mocht niet meer roken. Berend zou eens wat vlotter kunnen zijn. Berend
was zo saai. Berend moest het niet wagen om met andere vrouwen conversatie te
maken, laat staan dat het Berend toekwam om in de richting van het andere
geslacht te kijken. Zelfs een gesprek met Gea was taboe in het bijzijn van
Marieke, want zij was het centrum van het universum; overal en altijd.
‘Wat doet jouw
zusje?’, fleemde ze bijvoorbeeld.
‘Je ziet toch dat
ik zit te lezen!’, foeterde Gea in gedachte, maar ze zei geen woord.
Berend trouwens
ook niet. Hij liet het contact tussen Marieke en Gea op z’n beloop. Maar omdat
het gesprek van de dag, hoe dan ook, toch over Marieke moest gaan of op haar
zou eindigen, toonde Gea nooit enige interesse. Ze werd gehinderd door een
enorme weerstand tegen dit wezen dat overduidelijk met vergelijkbare bagage was
toegerust als zij, maar dat zich desondanks gedroeg als een juffertje met de
intelligentie van een verrotte verstandskies. Moeder daarentegen kon eindeloos
keuvelen met Marieke. Uit sociale overwegingen had Gea weleens getracht om zich
in de conversatie te mengen, maar ze kon nooit een inspringpunt vinden. Zo nu
en dan verzon ze maar wat prietpraat om ook iets te zeggen te hebben. Dat was
helemaal verkeerd! Gea moest wel weten waar ze over praatte.
‘Wat een
prachtige nagels’, zei moeder bijvoorbeeld.
Trots stak
Marieke haar juweeltjes met gespreide vingers op ooghoogte in de lucht.
‘Weet u aan wie
ik deze nagels te danken heb?’
‘Nou!’ Moeder
brandde van nieuwsgierigheid.
Tot haar ergernis
besloot uitgerekend Gea om een gokje te wagen:
‘Aan de
manicure?’, vroeg Gea vriendelijk
‘Nee, aan m’n
moeder’, verried Marieke koket.
Ze richtte zich specifiek niet tot Gea.
‘O, ja?’, vroeg
moeder.
‘Ja, ik moet van
m’n moeder ’s nachts handschoentjes dragen.’
Hier kwam Gea het
gesprek weer binnen:
‘Zeg dat nog
eens?!’
‘Wat slim’,
antwoordde moeder vol bewondering, terwijl ze Gea nadrukkelijk negeerde.
‘Zeg dat nog
eens?!’, herhaalde Gea.
‘Ja, mij zul je
geen nagels zien bijten!’, concludeerde Marieke innig tevreden.
‘Zo is dat!’
Moeder knikte
instemmend.
‘Draag je ook
handschoentjes als je bij Berend slaapt?’, vroeg Gea.
Ze wilde serieus
antwoord hebben.
‘Gea!’, gebood
moeder streng, terwijl Marieke zuchtte.
Dat deed ze te
pas en te onpas. Zuchten. Ze had een heel arsenaal van kreetjes, hikjes en
pufjes. Voor Gea had ze een speciaal zuchtje gereserveerd. Het vermoeide
blazen. Een blaaszuchtje als het ware.
‘Ja’,
protesteerde Gea.
Zij was de
onschuld zelve:
‘Als ik dat toch
wil weten!’
‘Nou als je het
dan zo graag wilt weten Gea’, begon Marieke terwijl ze zich met geaffecteerde
gebaartjes tot Gea richtte:
‘Nou, dan zal ik
het je wel vertellen hoor!’
‘Ik ben
benieuwd.’
Gea ging er eens
goed voor zitten.
‘Nee, Gea, ik
draag geen handschoentjes als ik bij Berend overnacht. Ben je nou tevreden?!’
De tranen
sprongen in de versierde blauwe stuiters van Marieke en moeder schudde haar
verdrietige hoofd.
‘Oh’, antwoordde
Gea onaangedaan.
Zij was Berend
niet. Zij liet zich niet manipuleren. Berend deed wat hem gevraagd werd. En
Berend moest zitten en pootjes geven. En dan te bedenken dat Gea hem
aanvankelijk nog beklaagd had ook. Alsof Berend z’n handen in onschuld waste!
Zodra Berend
namelijk aan z’n grieven was gekomen –
en dat was geen flauwekul – dan
kon Marieke wat hem betreft opdonderen. Berend draaide zich op één oor en
hoorde of zag niets of niemand meer. Berend sliep en Marieke werd bedankt! Soms
na zeven keer op één dag. Gea herinnert zich zelfs een regenachtige
herfstzondagmiddag waarop ze haar oordopjes negen keer in en uit heeft moeten
doen, maar dat was eerder een uitzondering. Normaal gesproken besprongen
Marieke en Berend elkaar vijf tot zes keer op een dag. Dat wil zeggen; een stuk
of tien keer verdeeld over het weekend. Van hun doordeweekse praktijken was Gea
Godzijdank niet ook nog eens oog en/of oorgetuige, want Marieke kwam op
vrijdagavond en vertrok op maandagmorgen in haar eigen auto. Een
opgekalefaterde groene Eend die ze voor haar verjaardag van haar toeziend voogd
had gekregen. Bijna drie jaar lang reed ze steevast met behuilde, rode ogen op maandagmorgen
in haar Eendje de straat uit. Ze vertrok nooit eerder. Want Marieke liet zich
niet bedanken. Desnoods verstoorde ze de nachtrust van de hele buurt waardoor
moeder en Gea zich in eerste instantie nog wel enigszins genoodzaakt voelden om
Marieke op haar fatsoen besef te wijzen. Al was het alleen maar uit
gemeenschapszin. Het was desondanks verspilde energie. Marieke krijste net
zolang totdat Berend zijn
verontschuldigingen aanbood en wel nu!
‘Ga toch naar
huis, meisje!’, stelde moeder voorzichtig aan het hysterisch huilende wicht
voor.
‘Nee doe dat maar
niet!’, riep Gea angstig, omdat ze al visioenen kreeg van krantenberichtjes
over een fataal verongelukte jonge vrouw in een groene Eend.
Een hele mooie
meid in de bloei van haar leven die in overspannen toestand haar vriend
verlaten had.
‘Wat moet ze
dan!?’, vroeg moeder die Marieke inmiddels liever kwijt was dan rijk.
Moeder wilde in
alle rust naar Franse chansons luisteren of
t.v. cinq kijken en wijn drinken. Moeder wilde allang geen Latijnse
termen meer met Marieke uitwisselen. Moeder wilde van haar welverdiende weekend
genieten. Moeder wilde geen gezeur aan haar kop. En wie niet naar moeder
luisteren wilde, die moest maar voelen. Zonder pardon duwde moeder haar
schoondochter in spé de huiskamer uit, de gang op. Gea volgde gedwee, omdat ze
haar ogen en oren niet kon geloven. Moeder sloot de huiskamerdeur en daarmee bande
ze zowel Marieke als Gea uit. Gea wist van verontwaardiging niet waar ze
blijven moest. Zeker niet toen Marieke schaamteloos begon te hyperventileren.
De echo van de holle gang gaf haar gehijg een onheilspellende teneur en hoewel
Gea absoluut niet aan de heftigheid van dit verdriet kon relateren, verfoeide
ze haar broer, de supernerd, vanwege zijn onvermogen. Machteloos liet Gea zich
door het aanhoudende gedram van Marieke verleiden tot een hartig woordje met
Berend.
‘Berend doe iets,
want ze drijft me tot wanhoop’, toeterde Gea in het oor van haar ronkende,
snurkende broer.
‘Ze is jouw
vriendin. Jij hebt haar aangehaald. Los het op, Berend. Los haar op!’
En zo wilde
Berend in het begin van zijn tumultueuze relatie na veel vijven en zessen en
voor de lieve vrede nog weleens uit zijn coma herrijzen. Eenvoudigweg ‘sorry’
zeggen was echter al snel niet meer goed genoeg. Berend moest boete doen. Hij moest door het slijk, op z’n knieën, eeuwige,
onvoorwaardelijke liefde aan Marieke betuigen, trouw, deugdzaamheid en spijt.
Diepe, grenzeloze spijt. Knikkebollend stond Berend in z’n onderbroek
halverwege de trap en krabde z’n verwarde hoofd. Marieke kromp kwijnend ineen.
Haar gezwollen gezicht was nat van de krokodillentranen. Haar wangen zagen
zwart van de uitgelopen mascara. Ze was een zielig restje mens. Ze was
erbarmelijk. Later zou Gea immuun worden voor deze aanstelleritis, maar in het
eerste jaar kon ze de ellende van Marieke niet verdragen:
‘Bied je
verontschuldigingen aan, nu!’, riep ze tegen Berend.
‘Waarvoor?’,
gaapte hij.
‘Waarvoor?’,
wilde Gea op haar beurt van Marieke weten.
‘Hij zegt dat ik
slechte adem heb!’, piepte Marieke.
‘Hoe kun je!’
Gea reageerde
meteen, omdat ze de zaak voor eens en altijd opgelost wilde hebben. Ze wilde
rustig slapen, zonder gemok en gedoe achteraf. Tegelijkertijd bedacht ze voor
de zoveelste keer dat haar broer toch wel een ongelofelijke nerd was. Wie zegt
nou zoiets?
‘Je hebt ook
slechte adem’, merkte Berend slaperig tegen Marieke op.
Hij maakte aanstalten om weer terug te keren
naar zijn bed.
‘Je blijft
hier!’, gebood Gea.
‘Ze kan toch
meekomen!’, stelde Berend kalmpjes voor.
‘Je kunt toch met
hem mee naar bed gaan?’, herhaalde Gea
tegen Marieke.
‘Berend houdt
niet meer van me!’, snikte Marieke.
‘Welja’, suste
Gea die zich een kleuterjuf voelde;
‘Iedereen heeft
weleens slechte adem. Dat geeft helemaal niets. Je poetst gewoon je tanden met
Macleans of zo en morgen is het leed geleden. Slaap er gezamenlijk een nachtje
over.’
En tegen Berend
zei ze berispend:
‘Iedereen heeft
weleens slechte adem Berend!’
Marieke leek te
herademen. Het snikken nam af. Marieke wachtte af.
‘Ja’, wist
Berend;
‘Dat is allemaal
best en ze mag ook graag naast me komen liggen, maar ze moet niet constant in m’n
gezicht blazen.’
Na deze woorden
maakte Berend rechtsomkeert en kreeg Marieke een soortement zenuwtoeval
waarover Gea weleens gelezen had. De reële versie joeg haar de stuipen op het
lijf. Bij gebrek aan kalmerende middelen haalde ze maar snel een glaasje water
en een rol toiletpapier voor de schuimbekkende, snotterende Marieke en ried
haar om de volgende dag voorgoed van Berend heen te gaan. Ze ging nooit.
‘Ze heeft haar
lichaam nou eenmaal aan Berend gegeven’, verzuchtte moeder en daar liet ze het
verder bij.
Gea kookte:
‘Nou, dan neemt
ze dat goddelijke lichaam toch gewoon weer mee naar huis. Laat ze iemand anders
een plezier doen met dat omhulsel van d’r!’
Vader zei;
‘Ach die jongen
is verliefd.’
Gea was met
stomheid geslagen:
‘Waarom ben je
nooit zo schappelijk ten opzichte van Geert en mij?’
‘Dat ligt
anders.’
‘Waarom ligt dat
anders?’
‘Ja, dat weet ik
even niet, Gea. Je moet die Marieke maar een beetje helpen. Berend is kennelijk
niet zo goed met vrouwen.’
Maar Gea kon
Marieke helemaal niet helpen. Alles aan deze vrouw stond haar tegen. De wijze
waarop ze zich presenteerde en altijd en eeuwig op de voorgrond trad. De manier
waarop ze praatte met zo’n geaffecteerd ministemmetje afgewisseld met hectische
adempauzes; alsof haar longcapaciteit permanent tekort kwam aan zuurstof. En
dan niet te vergeten dat typische rollen met haar ogen en dat consequente
negeren van haar medemens. Middenin een moeizaam gesprek met Marieke over –
pakweg – het weer kon ze een zakspiegeltje uit haar handtas tevoorschijn
toveren. Zonder enige gêne en in het bijzijn van een iegelijk begon ze
bijvoorbeeld koelzinnig haar lippen stiften. Of ze werkte haar kunstwimpers bij
met een smoezelige mascararoller tijdens het eten. Gea ergerde zich krankjorum
aan Marieke, maar omdat de rest van de wereld geen mening leek te hebben, wist
ze totaal niet waar te blijven met haar frustraties. Elsbeth bood geen uitweg,
want haar vriendin zou alleen maar smullen van het sappige relaas van Gea.
Stiekem zou Elsbeth bidden dat het alsnog maar snel uit mocht raken tussen
Berend en Marieke. En Gea wilde haar vriendin geen valse hoop bieden. Na
Marieke wist Gea helemaal zeker dat Berend haar nooit een blik waardig zou
gunnen.
‘Plain Elsbeth’,
noemde hij haar ooit gekscherend.
En Elsbeth mocht
dan wel ietwat gewoontjes zijn in de ogen van Berend; ze was in ieder geval in
staat om normaal te functioneren. Marieke daarentegen was niet helemaal honderd
procent bij haar verstand. Daar kon geen twijfel over bestaan en niemand sprak
Gea tegen. Ze kreeg echter evenmin bijval. Nou ja, af en toe, van Geert die
helaas zo weinig mogelijk van zijn vrije tijd aan Marieke wenste te besteden.
‘Wat vind je nou
van haar?’, wilde Gea weten.
‘Marieke is
nep!’, stelde Geert alsof het een voldongen feit was.
‘Vind je haar
niet mooi?’
‘Nee.’
‘Waarom niet.
Iedereen vindt haar mooi. Ik vind haar zelfs mooi.’‘
Neem verkering
met haar’, lachte Geert.
‘Ben nou eens
eerlijk, Geert.’
‘Ik ben eerlijk.’
‘Je mag haar best
mooi vinden, van mij!’
‘Ik vind haar
niet mooi Gea’, zuchtte Geert vermoeid.
‘Hoezo, is ze je
type niet?’
‘Nee, Gea, jij
bent m’n type voor het geval je dat nog niet gemerkt mocht hebben.’
‘Aan jou heb ik
ook niks.’
‘Sorry!’
‘Misschien ben
jij haar type ook wel niet. Misschien is Berend daadwerkelijk haar type. Ik kan
het me wel niet voorstellen, maar Elsbeth zwijmelt ook van al van Berend en wie
ben ik nou helemaal?’
‘Vrouwen als
Marieke worden niet verliefd.’
‘Hoe weet jij dat
nou weer?’
‘Neem dat nou
maar van me aan Gea.’
‘Ik neem nooit
iets zomaar aan, dat zou jij toch moeten weten Geert.’
‘Nou, laat ik het
dan zo stellen; als ik gewild had, dan zou ze Berend ingeruild hebben voor
mij.’
Geert spreekt
altijd de waarheid.
‘Heeft ze avances
gemaakt?
Gea werd niet
eens kwaad. Ze was perplex en werd tegelijkertijd overvallen door een korte
golf van allerlei meelijwekkende gevoelens voor Berend. De nerd.
‘Ja.’
‘Dus je vindt mij
mooier dan Marieke?’
‘Ja.’
‘Hoe bestaat
het.’
‘Beauty is in the eye of the beholder.’
‘De waarheid moet
gezegd worden’, antwoordde Gea fier.
Later vernam ze
van Elsbeth dat Marieke ook op de universiteit flirtte met alles wat los en
vast zat.
Berend wilde
niets weten van de ware aard van zijn geliefde en Gea drong niet langer aan. Ze
twijfelde aan zichzelf en haar afkeer van Marieke. Misschien was ze op één of
ander onbewust niveau wel verschrikkelijk verkeerd bezig. Wellicht had ze hier
te maken met een gebrek aan zelfkritiek. Denkelijk was Gea intolerant en
bevooroordeeld. Het intensief volgen van de cursussen bij vrouwenstudies deed
deze eigenschappen in elk geval geen goed. Met name het werkcollege over ‘de
waanzin’ bij de cursus ‘sekse, cultuur en pathologie’ zette een dikke streep
onder de antipathie van Gea voor Marieke. Dit gebeurde zomaar op een doodgewone
donderdagmiddag waarop een docente zich het hoofd brak over de theorieën van
anderen. Van de studentes werd verwacht dat ze hardop meedachten. Gea spitste
haar oren, want dit ging over Freud en andere heiligen op het gebied van de
psychoanalyse. Dit ging over hysterie, dus dit ging over Marieke. Haar ogen
vlogen over de bladzijdes van het nieuwe dictaat, terwijl ze met ingehouden adem
de anderen hoorde discussiëren over hysterie alsof het een geestaandoening uit
vervlogen dagen betrof. Tegenwoordig zijn vrouwen niet hysterisch. Ze krijgen
weliswaar eetproblemen, postnatale depressies of burn-outs, maar geen hysterie.
Hysterie was iets voor de onderdrukte vrouw in de negentiende en begin
twintigste eeuw. Hysterische vrouwen vielen flauw; de rughand tegen het
voorhoofd. Precies zoals beschreven in de literatuur uit die tijd waarin de
labiele vrouw uitgebreid geromantiseerd wordt. Onterecht, want deze dames zaten
juist gevangen in een keurslijf van sociale regeltjes, waarden en normen. Zij
waren geen heldinnen maar juist hysterische slachtoffers van een tijd. Zwakke
zieltjes. Enerzijds gedwongen om hun seksualiteit te onderdrukken met hyperaangepast,
zedenvol gedrag. Anderzijds geneigd om hun zinnelijkheid tentoon te spreiden
met aanstootgevende kleding, suggestieve gebaartjes en een smachtende manier
van praten. Alsof het verlangen om uit de ban te springen op het puntje van hun
tong lag, maar altijd weer werd ingeslikt op het cruciale moment. Deze vrouwen
werden als het ware waanzinnig van verlangen naar seks.
Achterdochtig
beluisterde Gea de zelfgenoegzame analyses van haar quasi-vrijgevochten
medestudentes. Het sensualiteitgehalte van deze feministes had ze al sinds
aanvang van het semester gewantrouwd. De eindconclusie liet zich raden.
Iedereen werd logischerwijs eensgezind regelrecht blasé van Freud die stug elke
geestaandoening op sekse en seksualiteit terugvoerde.
‘Freud is een
man’, zei iemand.
‘En zoals we
allemaal weten, willen mannen maar één ding’, grapte iemand anders.
‘Wat dan?’, vroeg
Gea onnozel.
Dit keer
provoceerde ze juist wel, maar het werd haar goedgeluimd vergeven door de
meidenkliek die met elkaar op een doodgewone donderdagmiddag toch maar mooi
buitensporig hoge sferen hadden weten te bereiken. De dag kon niet meer stuk.
Zelfs Elsbeth durfde met een schijnheilige uitdrukking op haar tronie te
beweren dat de huidige, ontwikkelde, geëmancipeerde vrouw heus niet dag en
nacht met seks gepreoccupeerd was. Gea twijfelde, maar ze hield haar lippen
stijf opeengedrukt. Wie zou haar, de opportuniste, serieus nemen? Verward keek
ze om zich heen naar het groepje geleerde dames. Over smaak valt niet te
twisten. Toch had elke vrouw van dit clubje zich met zorg opgemaakt. Een ieder
droeg redelijk modieuze kleding en een zekere verwachtingsvolle uitstraling was
geen van allen vreemd. Kennelijk ligt er voor deze dames nog heel wat in het
verschiet. Mogelijk bezitten ze nu al alles wat het moderne vrouwenhartje
begeert? Alhoewel Gea van Elsbeth weet dat dit niet zo is. Maar niet getreurd!
De vloek van de hysterie is bezworen!
Alsof de vrouwen vroeger achterlijk waren. Alsof de chronische toevallen
niet samen gingen met een uitgekiend en elegant onderuit gaan in de armen van
een dwepende charmeur. Alsof de liters ether die toen gebruikt werden om de
doorluchtige elfjes weer met beide benen op de grond te zetten tegenwoordig
niet vervangen zijn door valium, prozac of morfine. Alsof de heren heden ten
dagen niet net zo goed helemaal plat gaan voor zo’n kwelende kwijl. Zo’n quasi-diepe
dame met een hele riedel onuitgesproken roerselen van de ziel. De zinnelijke,
sensuele, mysterieuze ziel! Sla de wereldliteratuur er maar op na! Nee,
seksualiteit omvat heel wat meer dan de daad alleen. Wat Gea aangaat is Freud
nog lang niet passé.
Zoals verwacht
was moeder het oneens met Gea:
‘Een zinnelijke
vrouw is van nature bezig met schoonheid’, wist ze.
‘Met seks dus,
net als mannen’, concludeerde Gea droog.
Marieke – de
expert - snoof en moeder kneep haar ogen bedillerig tot spleetjes,
‘Seks heeft niets
met schoonheid te maken’, merkte Marieke vermoeid op.
Na een jaar of
twee bleek Marieke toch niet helemaal ongevoelig voor de wereld om haar heen.
De angel leek wel uit de nietsontziende romance met Berend. De interactie met
Marieke nodigde weliswaar over het algemeen nog steeds niet uit tot diepgang, maar in het geval van
Gea wilde ze in die getemperde tijd nog weleens een quasi-poging wagen. Gea
deed zo’n beetje mee. Ze bleven tenslotte ieder weekend tegen wil en dank met
elkaar opgescheept zitten. Het huis was niet groot genoeg om medebewoners te
ontlopen. Voor je het wist zat je wederom gezamenlijk te tafelen. Het constante
geruzie van voorheen begon z’n tol te eisen. De aantrekkingskracht tussen
Berend en Marieke was zoals gezegd verslapt en Gea raakte uitgeput van haar rol
als scheidsrechter. Ze leerde haar tegenpool in de loop van de jaren steeds
minder begrijpen; totdat ze niet eens meer medelijden met Marieke kon
opbrengen. De minachting, die zelfs zo nu en dan bij Gea de kop opstak,
probeerde ze te onderdrukken. Temeer daar ze er sinds het college over de
waanzin van overtuigd is dat Marieke hysterisch was. Ze had alle symptomen.
‘Als seks niets
met schoonheid te maken heeft, waarmee dan wel?’, vroeg Gea.
Marieke haalde
haar schouders op en schikte een plooi in het decolleté van haar zijden blouse.
Ze schudde haar blonde lokken uit haar gezicht en controleerde de sluiting van
één van haar oorbellen.
‘Hé, ik vraag je
wat!’
‘Zal ik een
boterhammetje voor je smeren?’ fleemde Berend.
‘Kan ze dat zelf
niet!’ riep Gea vol afschuw.
‘Ja graag,
Beertje. Met een plakje kaas manniemijn’.
‘Tuurlijk
vrouwtje. Voor jou doe ik alles, poesje.’
Marieke knipoogde
triomfantelijk naar Gea die met ingehouden woede haar slapen masseerde. Vader
kauwde en las de krant. Moeder declameerde:
‘De natuur is
schoonheid!’
‘Dus seks’,
herhaalde Gea.
Vader grinnikte
bijna onhoorbaar. Berend concentreerde zich volledig op de boterham voor
Marieke.
‘Jij met je
seks!’, verzuchtte Marieke.
‘Jij met je seks,
zul je bedoelen!’, riep Gea oprecht verontwaardigd uit.
‘Hoe kom je daar
nou bij?!’, vroeg moeder verwijtend. ‘Er is er hier maar één in huis die
constant over seks praat en dat ben jij!’
Vergenoegd hapte
Marieke in haar boterham met kaas.
Hoewel de ruzies
afnamen, werd de wanhoop van Marieke niet minder groot. Ze huilde nog steeds in
de gang naast de garderobespiegel op de kille betegeling. Ze hing meestal half
over de paraplubak. Soms luisterde Gea naar haar snikken die nergens meer toe dienden.
Het verdriet ging overal en nergens over. Vader was niet thuis, moeder deed of
haar neus bloedde en Berend lag in bed en sliep. Alleen Gea was overgeleverd
aan de gekte van een vrouw die ze niet begreep. Een vrouw die alles mee had in
dit leven. Een vrouw die in niets voor Gea onderdeed. Gea zou niet weten waarom
uitgerekend zij zich in dit wezen zou moeten verdiepen. Marieke had toch een
moeder, een zus en zelfs een toeziend voogd? Wat wilde Marieke toch van haar?
Radeloos drukte Gea haar vlakke handpalmen tegen haar oorschelpen en ijsbeerde
door haar slaapkamer. Ze deed de deur dicht en plaatste de koptelefoon op haar
hoofd. Bij tijden hielpen de luisterliedjes van Robert Long of de muziek van
Sting haar door de ergste twijfels heen. Af en toe viel ze zelfs in slaap. Ook
bracht een studie- of leesboek weleens wat afleiding, maar in de regel zat ze
op haar bed, met haar rug tegen de muur, te wachten totdat Marieke uitgeraasd
was en zachtjes de traptreden kwam opgeslopen om stilletjes in de zolderslaapkamer
van Berend te verdwijnen. Op een keer moest Gea tijdens één van deze
weekendrituelen dringend naar het toilet. Bovenaan de trap keek ze neer op een
naakt lichaam. Uit razernij had Marieke zich van al haar kleding ontdaan en lag
languit op haar buik in de gang. Van bovenaf bezien leek ze een gelatinepudding. Vanillesmaak! De mollige armen lagen loom naast haar
welgevormde blanke rug die onregelmatig kromde op de muziek van haar gesmoorde
kreten. Haar roomblanke billen kwabden. Het vlees om haar bovenbenen trilde.
Gea meende haar te horen lallen en neuriën. Haastig stapte ze over Marieke en
snelde naar het toilet in de bijkeuken. Daarna belde ze Geert in paniek uit bed:
‘Het is gebeurd!
Ze is totaal doorgedraaid! Ze ligt hier naakt in de gang! Ik kan er niet weer
langs. Ik wil er niet weer langs. Maar ik moest zo dringend plassen, Geert. Nou
wil ik weer terug naar bed! Ik wil slapen! Ik heb morgen een tentamen! Help!’
'Gewoon over het
wicht heenstappen en niets van aantrekken. Ze is niet gek Gea. Ze speelt een
spel. Ze weet precies wat ze doet! Wees maar niet bang!’
‘Ik ben wel bang,
zo meteen klampt ze zich aan me vast, dan grijpt ze naar m’n kuiten! Of ze
berooft zich van het leven! Wat moet ik doen, Geert? Ik moet iets doen!’, huilde Gea.
‘Vrouwen als
Marieke plegen geen zelfmoord, Gea, neem dat maar van me aan!’
En omdat Geert dus altijd de waarheid spreekt, begaf
Gea zich trillend van vervreemding opnieuw naar de overloop. Daar botste ze net
niet tegen Berend op. Vol mededogen droeg hij Marieke in zijn armen. Hij in
boxershorts en zij poedelnaakt. Het haar kroesde en piekte alle kanten op, haar
borsten wiebelden, haar wangen glommen van de tranen, maar haar behuilde ogen
straalden en om de lippen speelde een gelukzalige glimlach. Als dit geen
waanzin was, wat had dat dan te betekenen?
‘Hartstocht’, zei
Elsbeth.
‘Passie’, volgens
vader.
‘Verloren
onschuld’, antwoordde moeder.
‘Bezitsdrang’,
wist Geert.
‘Geen van allen’,
dacht Gea, want de pijn was bekend.
De tranen
vloeiden op momenten die ook Gea melancholiek maakten. Het verdriet had te
maken met de dingen die voorbij gaan, met teleurstelling in jezelf en
ontnuchtering over de liefde in een meisjesdroom. En dromen die bepaal je
helemaal zelf. Na het ontwaken volgt onwillekeurig de klap van de realiteit.
Van een vriend die blijkt te snurken; van de man van je dromen die onbeschaamd
boeren laat na een romantisch dineetje; van de prins op het witte paard die
vloekt als hij struikelt; van sterke, brede schouders die vanuit de oksels
rieken naar transpiratie juist op het moment van uithuilen; van ongeschoren
wangen en stekelige zoenen, van saaie sportuitzendingen en sprakeloze
thuiszittingen; van duffe discussies en van zieke zielenpietjes,
moederskindjes, centenneukers, viezeriken en
muggenzifters; kortom, van de hebbelijkheden van de man van je keuze. En
ziedaar een mens! Om de ware Berend kon dus zelfs Marieke niet langer heen. Dat
hevige, hysterische verzet kwam voort uit elke botsing tussen Berend en haar adonis.
Waarbij Marieke wel eventjes vergat om zelf als een normaal, feilbaar mens uit
haar dagdromen te ontwaken. In de ogen van Gea ben je dan pas goed gek. Zeker
in de hoedanigheid van heilige maagd Maria met een hoer als alter ego. Berend
bood geen enkele uitweg.
Nee, dan is Geert
heel wat makkelijker in de omgang. Hij heeft Gea nooit op een voetstuk gezet.
Uit voorzienigheid. Opdat ze nooit van haar sokkel zou vallen. Hij is een man
van de tussenweg en duizend mogelijkheden. Gea herinnert zich de bos rozen die
Geert voor haar drieëntwintigste verjaardag kocht.
‘Wat origineel,
drieëntwintig rozen’, merkte moeder vinnig op.
Zij vindt al
jaren dat Geert zijn aanstaande schoonmoeder weleens in de bloemetjes mag
zetten.
‘Het zijn
vierentwintig rozen’, antwoordde Geert op cynische toon.
Geert
distantieert zich van moeder zodra hij de kans krijgt. Gea kan zich niet beter
wensen.
‘In de bos zitten
ook twee theaterkaartjes verstopt’, knipoogde hij naar Gea die stond te stralen
van plezier.
Ze had zich nog
nooit zo jarig gevoeld.
‘Voor Toon
Hermans!’, vulde moeder verveeld aan.
Alsof zij
wekelijks op uitnodiging van anderen het theater bezocht. Gea probeerde haar
enthousiasme ietwat te temperen voor moeder, vader en Berend. Zij hadden niets
te maken met het geluk dat voortvloeide uit een liefdesbetuiging in optima
forma.
‘Doe maar duur’,
murmelde vader kinderachtig jaloers.
‘Wat kost nou
zo’n bos als ik vragen mag?’, vroeg Berend prozaïsch.
‘Gea is jarig’,
wist Geert ontwijkend.
‘Man, vertel nou
even wat die bos gekost heeft. Binnenkort hebben Marieke en ik twee jaar
verkering en dan kan ik mooi ook vierentwintig rozen voor haar kopen.’
‘Zullen we gaan?’
Geert negeerde
Berend. Berend keek beduusd, alsof hij op z’n nummer gezet was, terwijl Gea
haar tranen wegslikte:
‘Zelfs als dat stomme wijf niet lijfelijk
aanwezig is, draait alles om Marieke’, foeterde ze in de gang bij de
paraplubak.
‘Probeer haar te
vergeten’, stelde Geert voor.
Dat was
makkelijker gezegd dan gedaan. Vergeten, negeren, ontwijken, begrijpen,
opvangen, ondersteunen. Allemaal ondoenlijk. Gea had geen leven meer. De
uitbarsting kwam toen ze een spijkerbroek miste.
‘Ik mis een
spijkerbroek’, merkte ze confuus op, voordat ze achter een bord met dampende
zuurkoolstamppot kroop.
‘O ja, die heb ik
geleend’, wist Berend terloops.
‘Wat?’,
schreeuwde Gea.
Ze stond naast
vader, links van de keukentafel, en keek neer op een etend en smakkend viertal.
‘Schreeuw niet
zo!’ gebood vader.
Hij las een
tijdschrift. Gea kan zich niet anders heugen dan een lezende vader tijdens het
eten. Moeder en hij hebben er al ontelbare keren over gekibbeld en dat zullen
ze waarschijnlijk tot in het einde der dagen onbeslist blijven volhouden.
Marieke
glimlachte onnozel en moeder sneed kalm een rookworst in plakjes.
Heb jij mijn
spijkerbroek aangehad?’, vroeg ze met een vies gezicht aan Marieke.
‘Ik niet’,
ontkende Marieke met volle mond.
‘Pas jij in een
maatje veertig met dat achterwerk van jou?!’, riep Gea ongelovig uit.
‘Er is niks
verkeerd aan het achterwerk van Marieke’, gniffelde vader.
‘Ga zitten en
eet!’
Dat was moeder.
Marieke had haar
mond inmiddels leeggegeten:
‘Ik draag geen
spijkerbroeken, maar kokerrokken en mantelpakjes, Gea. Berend heeft jouw
spijkerbroek gedragen.’
Berend probeerde
om zich achter zijn bord met zuurkoolstamppot te verstoppen. Gea kon hem alleen
maar daas blijven aanstaren. Met hele grote ogen en een open mond.
‘Je hebt zelf
toch spijkerbroeken’, stamelde ze uiteindelijk.
‘Ben je nou nog
bezig over die spijkerbroek.’
Driftig schraapte
moeder met haar mes een lading zuurkoolstamppot op haar vork.
‘Ja, maar ik heb
alleen maar spijkerbroeken in de rock and roll stijl’, antwoordde Berend min of
meer verontschuldigend.
‘Ja en?’, vroeg
Gea op een toon die aangaf dat ze op exploderen stond.
‘Geen regular of
disco dus’, verklaarde Marieke.
‘Ja en?’, herhaalde Gea op dezelfde toon.
‘Zeg, maak jij
eens niet zo’n heisa over een spijkerbroek’, zei vader, terwijl hij met een
ruim armgebaar een bladzijde van zijn tijdschrift omsloeg.
Moeder kon net op
tijd voorkomen dat hij met de ommezwaai de jus van tafel maaide.
‘Ik maak geen
heisa over zomaar een spijkerbroek, pap. Ik maak heisa over een regular
spijkerbroek’, zei Gea hatelijk.
‘Whatever’, wist
vader.
‘Stond hem anders
uitzinnig; die regular spijkerbroek’, giebelde Marieke.
‘O ja?’, vroeg
moeder vriendelijk.
‘Nou ja, hij
kreeg alleen de tailleband niet dicht en de rits ging ook wat moeilijk, maar
dat hebben we opgelost met een lamswollen spencer van mijn zusje. Mijn zusje
draagt altijd lamswollen spencers op van die geruite collegerokken, weet u
wel?’
Moeder glimlachte
bemoedigend en Marieke vervolgde vurig:
‘Deze spencer was
zachtgeel en viel erg ruim over de tailleband en rits van die regular
spijkerbroek van Gea heen. Berend zag eruit om van te smullen. Voor het eerst
viel hij helemaal niet op tussen de andere gasten van de Galerij.’
Op dat moment
brak er schakel in het redelijke denkvermogen van Gea. Woedend greep ze naar
het onaangeroerde bord vol met zuurkoolstamppot voor haar en zwiepte het in de
richting van Berend en Marieke. Berend reageerde direct door van Marieke weg te
duiken. Marieke schoof haar stoel naar achteren en bleef zitten gillen, terwijl
ze ongecoördineerd om zich heen sloeg. Slierten zuurkool lagen her en der
tussen de aardappelpuree over haar borsten gedrapeerd. Toevallig was haar
bovenkant luchtdicht verpakt in de mohair look. Een geluk bij een ongeluk. Van
brandwonden kon dus geen sprake zijn. Desondanks schoot moeder uit haar
zithouding en haalde met haar beruchte vlakke rechtse uit naar Gea. De klap
sloeg in als een vlam in de pan. Weer terug op aarde wreef Gea beduusd haar
schrijnende wang.
‘Je had haar beter kunnen slaan’, piepte ze
met een hoofdbeweging naar de krijsende Marieke.
Vader bracht zijn
tijdschrift in veiligheid
De
spijkerbroekkwestie bleek een onverwacht staartje te hebben. Berend begon heel
handig de mening van Gea te gebruiken om voor zichzelf op te komen. Uit
politieke correctheid weigerde hij om zich nog langer naar de Galerij te
begeven. Zoetjes aan wilde hij weer een kuif laten staan. Hij zocht enkele oude
bekenden op. Hij kocht een nieuwe spijkerbroek. Geen regular maar een originele
501. Uit verzet ging Marieke zich steeds hoeriger gedragen. Ze toupeerde het
haar in een stijl die de Amerikanen typeren als; ‘big hair’. De make-up werd
heftiger. Haar gezicht werd een geschetste farce. Een spotprent van verdwaalde
schoonheidspukkels, felle oogschaduw en duimendik opgebrachte foundation. Elk
weekend verbruikte ze een lippenstift die ze meestal nog brak ook tijdens het
opbrengen van het kersenrood. Haar kleding liet hoe langer hoe minder te raden
over. De rokjes waren nog wel in kokerstijl, maar ze werden zienderogen korter
en konden voor hetzelfde geld bij een escortservice besteld zijn als door haar
zedige moeder ontworpen en genaaid.
‘Ik dacht dat
jouw moeder zo streng was?‘, vroeg Gea eens, terwijl ze veelbetekenend de
lengte van Mariekes stelten inspecteerde.
Vermoedelijk
benaderde ze Marieke op een onbewaakt moment, want ze antwoordde ongekunsteld:
‘Jawel, maar ze
is ook heel dom. Ze maakt alles wat ik vraag. Ik zeg gewoon dat het mode is!’
‘Maar het is geen
mode, toch?’
‘Nou en?’
‘Vind je jezelf
niet een beetje frivool, Marieke?’
‘Ik wist niet dat
jij ook al ouderwets was, Gea.’
‘Ik weet niet of
ik al dan niet ouderwets ben. Ik weet wel dat een vrouw geen slapende honden
wakker moet maken. De buitenwacht is al hitsig genoeg. Als je begrijpt wat ik
bedoel.’
‘Misschien kick
ik daar wel op!’, besloot Marieke raadselachtig.
Hierna gaf ze Gea
een vette knipoog en heupwiegde heen. Gea had het argwanende nakijken. Met
naïveteit had dit weinig meer van doen. Zelfs Berend voelde nattigheid:
‘Ik voel
hoorntjes groeien!
‘Ik heb je
gewaarschuwd!’
‘Ik kan er niets
aan doen.’
‘Waar twee
vechten hebben anders twee schuld.’
‘Ik dacht dat jij
m’n zus was?!’
‘Ik dacht dat jij
m’n broer was?!’
‘Ik dacht dat jij
een hekel aan Marieke had?’
‘Ik dacht dat jij
van Marieke hield?’
‘Ik houd ook van
haar.’
‘Dan heb jij een
probleem Berend en niet ik’, besloot Gea.
De hoorcolleges
bij vrouwenstudies werden steeds minder druk bezocht naarmate het semester op
z’n einde liep en de tentamens naderden.
‘Klotetyphuszooi,
heb je die vragen gezien voor het tentamen ‘sekse, cultuur en pathologie’? Zijn die wijven wel helemaal goed bij hun
verstand. Ik volg ook nog een echte studie’, vloekte Elsbeth op een morgen in
de trein op weg naar Tilburg.
‘Je wilde toch
scoren?’, vroeg Gea onschuldig.
Zij verheugde
zich op het beantwoorden van de vragen en had leedvermaak over Elsbeth en haar
feitenkennis. Haar ogen twinkelden, terwijl ze de situatie nog wat verder
uitbuitte:
‘Wat zit je nou
te zeiken!? Je mag de vragen mee naar
huis nemen nota bene?!’
‘Ja, daar heb ik
toch geen bal aan’, zeurde Elsbeth. ‘Ik kan sowieso niets opzoeken. Het is de
bedoeling dat de antwoorden tezamen een soort essay vormen. Dat kan ik helemaal
niet.’
‘Je kunt toch wel
zelfstandig nadenken, mag ik hopen?’ vroeg Gea spottend.
‘Hoezo, nee, ik
geloof niet dat ik daar erg goed in ben, nee. Moet dat dan?’
De humoristische
kant van Elsbeth doet Gea telkens weer overstag gaan. Grinnikend diepte ze het
A-viertje met de vragen van het tentamen ‘sekse, cultuur en pathologie’ uit
haar pukkel die ze eerst uit een hoop andere tassen in het bagagerek boven het
raam van de trein had moeten vissen. De trein hobbelde en schudde en Gea moest
zich overeind houden aan vanalles en nog wat en dus ook aan een vreemde oude
mannenjas aan een haakje. De jas liet los, maakte een zijwaartse buiging en
bedekte het kale hoofd van de eigenaar die tevens de medepassagier en treinbuur
van Gea was. Hij kuchte nadrukkelijk vanonder zijn jas. Gea negeerde de man
omdat ze vond dat hij tot nu toe veel te breeduit en asociaal in hun
tweezitsbank de krant zat te lezen. Het hele eind vanaf Best tot Boxtel –
minstens een kwartier - had hij Gea
zowat fijngeperst tussen zijn brede zithouding en de armleuning zonder een
spier te vertrekken. Hij was een zwaar irritante bejaarde en had dus geen enkel
recht van spreken. Moeizaam ontdeed de oude man zich van zijn wollen belager.
Bibberig en met heel veel boze blikken richting Gea hervond hij het lusje van
zijn jas en hing het weer terug aan het haakje. Hiervoor moest hij zich echter
een seconde van zijn zitplaats oprichten, waarmee hij Gea onbedoeld de kans gaf
om er op haar beurt eens goed voor te gaan zitten. Gea zou geen millimeter meer
wijken en met haar knieën zo ver mogelijk uiteen en het A-viertje in het vizier
van haar opgehouden armen, waarvan de linker elleboog in de rechterzij van de
oude man priemde, zakte ze voluit achterover en richtte zich weer tot Elsbeth
die ondertussen zichtbaar had zitten genieten van het tafereeltje.
‘Neem nou de
eerste vraag. Dat is toch een makkie?’, begon Gea.
‘Leg uit!’, beval
Elsbeth onnodig gretig en hard. Zij dacht dat Gea nog een spelletje speelde.
‘De eerste vraag
gaat over de hysterie.’
‘Ja?’
‘Je moet gewoon
uitleggen wat jij vindt’.
‘Waarvan?’
‘Van hysterische
vrouwen. Ben ik nou zo dom of ben jij nou zo slim?’
‘Wat vind ik dan
van hysterische vrouwen?’
‘Ja, dat weet ik
toch niet!? Snap je dat nou echt niet Elsbeth?’
‘Nee’, beweerde
Elsbeth zonder schaamte.
Gea herlas de
eerste vraag van de lijst en probeerde de vakterminologie voor Elsbeth in
gewoon Nederlands te vertalen.
‘Je moet in een
kort betoog uitleggen of jij vind dat hysterische vrouwen het slachtoffer van
hun tijd zijn of juist heldinnen.’
‘Heldinnen?’
Hoezo heldinnen. Hysterische vrouwen zijn toch ziek. Ze zijn toch waanzinnig.
Dat zegt Freud toch?’
Paniekerig begon
Elsbeth in haar boekentas, die naast haar in het gangpad stond, te graaien op zoek naar haar
collegedictaat. Ze wilde haar gelijk, zoals gewoonlijk, zwart op wit voor zich
zien. Ze nam haar geopende boekentas op schoot.
‘Nee, dat zegt
Freud niet. Freud is die man van het onderbewuste, weet je wel. En hij had een
patiënte, ene Dora, en die was dus hysterisch. Dat is alles.’
Beduusd staakte
Elsbeth haar zoekactie. Met haar boekentas op de knieën bleef ze Gea sprakeloos
aankijken. Na een denkpauze zei ze beslist:
‘Die Dora was
hartstikke gek!’
‘Nou, mooi, dan
weet je dus hierbij het antwoord op de eerste vraag. Hysterische vrouwen zijn
in jouw ogen slachtoffers van de tijd waarin zij leven. Nou moet je alleen nog
even uitleggen waarom je dat vind.’
De oude man ging
zuchtend verzitten, maar Gea hield stand, terwijl Elsbeth haar achterdochtig
monsterde.
‘Vind jij van
niet dan?’, wilde ze weten.
‘Ik weet het nog
niet’, antwoordde Gea naar waarheid.
‘Kom op Gea, hoe
kunnen waanzinnige vrouwen nou heldinnen zijn?’
Elsbeth was
moeilijk te verstaan door het kabaal van een naderende treinserveerster met een
minisnackbar op wieltjes. Gea moest schreeuwen om boven de herrie uit te komen.
‘Omdat je waanzin
ook kunt zien als een verzet tegen heersende waarden en normen.’
‘Ach, de
hysterische vrouw als de Don Quichote van de seksualiteit!’, riep Elsbeth
leukweg.
Gea vouwde het
A-viertje met de vragen tot een koker, hield hem voor haar mond en toeterde:
‘Elsbeth,
Elsbeth, soms doe je me versteld staan! In jou schuilt ware dichteres.’
De oude man
stopte zijn wijsvingers in z’n oren, terwijl Elsbeth terugblèrde:
‘Ja, ja, er
schuilt wel meer in mij waar ik geen kant mee op kan. Wil je koffie of thee?’
‘Graag’, zei Gea die ook gevoel voor humor
heeft.
Misschien werd
Marieke onderschat?! Wie weet was zij daadwerkelijk een heldin en gedroeg Gea
zich als een benepen trutje dat het licht niet in andermans ogen kon zien
schijnen?! Mogelijk had moeder gelijk?! Toch vond Gea zichzelf al een hele Piet
omdat ze ten langen leste in staat bleek om dit vreemde wezen te respecteren
als mens. Een uiterst zeldzaam individu weliswaar, maar wat zou de wereld een
afgezaagd zooitje worden als iedereen zich eender gedraagt. Wat overigens niet
inhoudt dat je ook maar meteen op elkaars lip moet gaan zitten. Enfin, van een
afstand kon ze Marieke inmiddels in ieder geval tolereren. En juist die afstand
werkte averechts. Midden in de nacht kreeg Marieke ineens last van droge,
luidruchtige, langdurige hoestbuien op de overloop voor de slaapkamerdeur van
Gea. Gea schrok wakker uit een diepe slaap en lag zich te verbijten. Maar ze
liet zich niet meer vermurwen. Plotseling moest Marieke ook vanalles lenen. Op
het laatst ontbrak er iedere week opnieuw wel een typisch meisjesdingetje uit
de weekendtas van Marieke. Panty’s, slipjes, tampons, inlegkruisjes, bodymilk,
eau de toilette, condooms, glijmiddel of ontharing crème. Op een gegeven moment
vroeg ze zelfs ‘echte Gea-oorbellen’ te leen, waarmee ze Berend de stuipen op
het lijf wilde jagen. Berend hield van decente oorknopjes en hij schrok zich
inderdaad wild van de kolossale Gea-oorbellen. Marieke glunderde en Gea hield
haar mond. Zoals ze ook had gezwegen over de stilettohakken in het rulle zand
bij het natuurwater waar ze Marieke en Berend door een fout in de regie van
haar dagindeling niet langer had kunnen ontlopen. Getroffen was ze stokstijf
blijven turen. Ze werd tijdelijk verlamd door het beeld van Berend en een
vreemde vrouw. Een luchtspiegeling die in het felle zonlicht als bij toverslag
voor Gea was opgedoemd. De vreemde vrouw deed heel in de verte aan Marieke
denken, maar ze had prachtige blonde, sluike haren. Vol en glanzend. Haar
gezicht was een rossig schaduwspel van natuurlijke trekken, vrolijke sproetjes
verdeeld over een ferme neus en open, blauwe ogen met bleke lange wimpers en
borstelige, witte wenkbrauwen. Pas toen ze zich oprichtte van het badlaken om
ijsjes te gaan kopen, of zoiets, herkende Gea de pose en daarmee Marieke. Op
haar belachelijk hoge hakken ploeterde ze voort tussen de losse zandkorrels. Ze
wankelende, struikelde, fladderde met haar armen maar raakte desondanks uit
balans. Mannelijke zonaanbidders maakten obscene gebaren. Vrouwelijke badgasten
snoven. De glanzende, dunne stof van haar disignersbikinibroekje had zich
tijdens de strandgymnastiek in haar bilspleet opgehoopt. De spierwitte cadetten
staken pijnlijk af bij de rest van haar roodverbrande houding. Marieke was een
zielige vertoning. Berend kon haar afgang niet langer verdragen en van het ene
op het andere moment sprong hij op. Als een speer schoot hij op Marieke af.
Lenig laveerde hij tussen de badgasten door. Hij greep haar arm en hield haar
staande. Zij schrok. Een paar tellen stond Berend in tweestrijd. Daarna sloeg
hij beschermend zijn armen om haar heen en drukte het kwetsbare, welgevormde
lijf strak tegen zich aan. Zijn vertwijfelde gezichtsuitdrukking verborg hij in
haar halslijn. Marieke wierp het hoofd in de nek en lachte luidkeels. Haar
sneeuwwitte tanden schitterden in de zomerzon. Marieke schaterde! Minzaam,
onwetend, gecharmeerd en koket. Deze scène zou Gea nooit meer kwijtraken. Ze
kon wel huilen. Wat deed Marieke zichzelf tekort! Daar liep geen heldin! Daar
strompelde een slachtoffer.
En toen was het
uit! Na tweeëneenhalf jaar van haatliefdespelletjes kwam er een einde aan de
relatie. Marieke had een ander. Een rechtenstudent. Ene Maurice. Volgens
Elsbeth was Maurice een rijkeluiszoontje. Voor de vorm liep hij stage bij een
notarissenkantoor, maar zijn kostje was allang gekocht.
‘Maurice is een
papventje’, oordeelde Berend.
Hij kon niet in
zijn verlies geloven en Marieke liet hem spartelen.
‘Misschien wel,
misschien niet’, schijnt Marieke geantwoord te hebben.
‘Ze komt wel
terug’, concludeerde Berend.
‘Ik hoop het
niet!’, zei Gea, die zich aan de kant gezet voelde.
Tweeëneenhalf
jaar was ze geconfronteerd geweest met een drama. Zij had niet om Marieke
gevraagd. Marieke was haar ongewild in de schoot geworpen. Marieke met haar
geneuzel en geneuk. Marieke met haar flauwekul en haar acteertalent. Marieke
met haar pijntjes, pilletjes en poedertjes. En dan, van de ene op de andere
dag, trok ze zich terug uit het leven van alledag. Ze zei geen:
‘Dankjewel’,
‘tot ziens’,
‘ik zie je nog
weleens’, of zelfs maar
‘hoi, hè!’
Ze ging gewoon
weg met haar neus in de wind en haar hoofd in de wolken. Ze liet Gea achter.
Beurs, overschaduwd, uitgeluld en gefrustreerd. Al de energie van dertig jonge
maanden waren verspild aan een heks. En dan nog maar niet te spreken van het
aantal weekenden dat Geert en zij maar van de praktische liefde afzagen. De
overbekende melodie van het gekissebis tussen Marieke en Berend had vaak meer
dan genoeg tot hun verbeelding gesproken.
‘Het is zo
schaduwstil’, zei Gea.
Ze zat op haar
bed naast Geert. Zijn arm rustte onverrichter zake op haar schouders, terwijl
hij antwoordde:
Als kind woonde
ik vlak bij een spoorwegovergang. Pas toen we verhuisde naar een dorp heb ik nachtenlang wakkergelegen. Ik was
verslaafd aan het gerinkel van de belletjes, het geroezemoes van het verkeer en
het gedonder van de voorbijrazende treinen. Ik had de herrie nodig om in te
doezelen. De stilte hield me uit m’n slaap. Ik moest afkicken van de
stadsgeluiden!’
Geert begrijpt
altijd precies wat Gea bedoelt.
Berend begon aan
zijn lijdensweg. Open en bloot, zodat de hele omgeving van zijn liefdesverdriet
kon meegenieten. Moeder klaagde vergeefs over de hoogte van de maandelijkse
telefoonrekening. Het geweeklaag van moeder weerhield Berend in elk geval niet
van zijn terreur aan het adres van Marieke. Hij belde haar niet alleen om de
haverklap, maar hij achtervolgde haar ook. Hij regelde toevallige ontmoetingen
en confrontaties met Maurice die totaal niet onder de indruk was van Berend.
Kalmpjes ging hij Berend uit de weg. In tegenstelling tot Marieke die haar
complete moeder Theresa act opvoerde om Berend tot rust te manen. Althans
zolang Maurice in de buurt was. Zo niet dan dook ze net zo makkelijk weer in de
rol van prijzige escortdame aan de zijde van Berend op. Zo had Elsbeth ze samen
als vanouds zien ‘kleffen’ in een Tilburgse ijssalon.
‘Ik dacht dat het
uit was?!’, pruilde ze.
Gea en Geert
dachten dat ook. Totdat ze het stel tegen het lijf liepen in een Eindhovense
bioscoop. Tijdens de pauze van ‘Back to the future’. Gea meende al dat ze
Marieke had horen schateren met die typische gierende uithalen van haar, zodat
je nooit met zekerheid wist of ze nou huilde of lachte of dat ze nou huilde van
het lachen. Gea fluisterde in het oor van Geert:
‘Ik hallucineer.
Nou hoor ik haar buitenshuis ook al gieren!’
‘Kijk eens wie we
daar hebben!’, riep Geert dan ook quasi-verrast uit toen Berend en Marieke uit
een massa consumenten opdoemden bij de bioscoopbar.
‘Long time no
see. Wil je wat van me drinken, schoonheid?’, vroeg hij aan Marieke, terwijl
hij haar kameraadschappelijk op haar schouder klopte.
Prompt keerde
Marieke hem de rug toe. Haar ogen schoten vuur. Berend groette nog wel.
Verlegen, beschaamd en met een onderhands wappergebaar waarmee hij zijn
capitulatie pas goed inluidde. In de loop van deze alarmfase kocht hij ook nog
een ‘regular’ spijkerbroek, een lamswollen, mosgroene spencer en donkerbruine
loafers. Gea kon wel raden waarom! De dubieuze Galerij gloorde ook alweer aan
de horizon!
Van de
weeromstuit probeerde Gea zich maar te concentreren op haar tentamenstof. Omdat
ze de afgelopen maanden niet bepaald de rust had kunnen vinden om op gezette
tijden te studeren, vielen haar ogen echter telkens dicht. Steeds was er wel
weer een akkefietje geweest, waar zij noodgedwongen bij betrokken werd. Vader
en moeder hadden hun handen namelijk officieus van Berend en Marieke
afgetrokken. Overigens met de allerbeste bedoelingen. Zoals altijd! Alsof ze
zich ooit serieus in de relatie van hun zoon verdiept hadden! Lekker makkelijk.
Berend gedroeg zich als een complete randmoroon, maar zijn ouders troffen geen
blaam. Ook toen Berend op een winteravond in januari door de gemeentepolitie
voor de deur werd afgezet. Zwijgend liet moeder Berend binnen. Ze knikte kort
naar de begeleider in uniform en smeet de voordeur voor zijn neus dicht. Ze
vroeg niets en keerde terug naar tv cinq waar ze één of andere Franse soap
volgde die uiterst intellectueel oogde, maar die ook heel veilig was omdat
niemand anders van het gezin een Franstalige serie zonder ondertiteling kon
volgen. Onderwijl stond Berend bij de paraplubak in de gang te janken van
schaamte. En Gea kan veel verkroppen, maar een huilende vent van zesentwintig
viel niet eenvoudig te verhapstukken.
‘Wat is er
gebeurd, Berend?’, vroeg ze, terwijl ze de trap af naar beneden stormde.
‘Ach!’, snikte
hij hartverscheurend. Hij wendde zijn wijnrode hoofd af en begaf zich naar de
keuken. Gea er achteraan.
‘Berend, je bent
zojuist thuisgebracht door de politie?!’
Met zijn mouw
veegde Berend zijn tranen weg. Hij trok zijn neus op en haalde een paar keer
flink adem. Zijn handen omvatten de theepot.
‘Is de thee nog
warm?’
Gea vond twee
mokken en duwde Berend van de theepot weg om vrijuit in te kunnen schenken.
Woordeloos kropen beide met ieder een mok dampende thee achter de keukentafel.
Ze zaten tegenover elkaar. Berend snoot zijn neus en herademde opnieuw. Gea
herinnerde zich een doos mellow cakes en begaf zich naar de kelder. Berend
staarde wezenloos voor zich uit. Zijn lippen trilden en zijn ogen waterden. Hij
zag lijkbleek nu. Opnieuw nam Gea tegenover hem plaats. Ze opende de paarse
verpakking, vond een mellow cake en begon hem te verorberen op een wijze die ze
zich als kleuter al had aangewend. Eerst met haar voortanden een gaatje maken
in de knapperige. flinterdunne cacao laag. Het luchtige schuim opzuigen, de
chocolade in één keer naar binnen slurpen en de hartige koekbodem tot het
laatst bewaren. Zien eten, doet eten. Berend nam ook een mellow cake. Hij begon
bij het koekje en lepelde vervolgens het schuim met zijn trillende wijsvinger
uit het chocolade jasje. Gea had niet anders verwacht. Hij is weer dat jongetje
van vroeger. De overgevoelige, tegendraadse nerd met zijn vingers in de mond.
Het huilebalkje dat niet tegen zijn verlies kan; dat beter; groter; sterker en
slimmer wil zijn dan zijn kleine zusje en met wie zelfs het eten van mellow
cake in een competitie ontaardt.
‘Ik heb een deuk
in het portier van haar groene Eend geschopt. Dat had ik niet moeten doen.’
Berend praatte huilerig voor zich uit. Gea had net zo goed een muur kunnen
zijn.
‘Ze zal het er
wel weer naar gemaakt hebben!’, antwoordde ze.
‘Ze wilde me niet
binnen laten. Ze deed gewoon haar balkondeur niet open.’
‘Waarom probeer
je niet via een ordinaire voordeur bij haar op bezoek te gaan?’, vroeg Gea,
praktisch als ze is.
‘Normaal
gesproken ga ik ’s nachts bij haar naar binnen via het balkon.’
Afgeleid schudde
Berend een paar keer met zijn hoofd als wilde hij zijn gedachten rangschikken.
‘Waarom?’
Gea nam nog een
mellow cake.
‘Haar moeder wil
het niet weten voor de buurt.’
‘Wat?’
‘Dat Marieke meer
om mij geeft dan om dat rijkeluiszoontje.’
‘Oh, maar dan kan
ze je toch nog wel normaal via de voordeur binnen laten?’
‘Nee, want
Waaghorst is maar een klein dorp.’
‘Misschien moet
Marieke maar eens een keuze maken. Ze is tenslotte een volwassen vrouw. Ze
hoeft niet naar haar moeder te luisteren.’
‘Dat heeft ze dus vanavond gedaan’.
Zijn woorden
klonken nasaal. Zijn neus liep weer vol. Berend snotterde, maar hij vermande
zich.
‘Ik stond daar op
dat balkon te roepen, maar niks’.
Hij slikte,
terwijl hij vervolgde:
‘Ondertussen had
haar moeder de politie gebeld. Dat zei ze nog wel. Ze stond sissend vanachter
de vitrage van haar gesloten balkondeuren op mij in te praten: ‘Moeder heeft de
politie gebeld, moeder heeft de politie gebeld, moeder heeft de politie gebeld!’
Ik werd gek van dat gedrein. Terwijl ze hier in Eindhoven jarenlang de hele
buurt heeft wakker gegild. Dan had ze toch in Waaghorst ook weleens een keertje
een keel op kunnen zetten?! En de politie kwam echt. Ik zag ze de oprijlaan
opkomen. Dus ik wegwezen natuurlijk. Maar ik heb wel eerst een flinke deuk in
het portier van haar groene Eend geschopt. Dat had ik niet moeten doen.
Achteraf bezien!’
Gea had intens
medelijden met Berend, de nerd, haar kleine broertje.
‘En heeft de
politie van Waaghorst je opgepikt?’
‘Nee, ik had me
in de bosjes verstopt. Later heb ik m’n auto opgehaald. Die stond een paar
straten verder.’
‘En waar is jouw
auto dan nu?’
‘In beslag
genomen door de politie. Op de snelweg bij Best.’
‘Waarom?’
‘Ik reed te hard.
En, o ja; ik had m’n rijbewijs niet bij me, m’n auto is laatst afgekeurd en de
belasting is niet betaald.’
Stomme eend’.
‘Groene Eend’,
wist Berend. Ze namen ieder nog een mellow cake.
De volgende dag
kwam Marieke achterom via de keuken binnen. Gea was bezig met de afwas. Ze werd
overvallen door de kasjmieroverjas van Marieke. De hoog opstaande kraag en het
imitatiebonte witte baretje deden een aanval op de lachspieren van Gea. Op de neus
van Marieke prijkte een verfijnd brilletje in een goudkleurig, hoekig montuur
dat ze bij weten van Gea nooit eerder gedragen had. Ze leek een stewardess of
een secretaresse die haar eerste maandsalaris volledig aan een te dure jas had
verkwist. Maar de doorslag gaf de air van een gedecideerde mevrouw die Marieke
zich had aangemeten en die Gea eveneens niet van haar kende. Gea stond Marieke
in een mum van tijd finaal uit te lachen.
‘Ik kom geen
ruzie maken, Gea!’, zei ze met een zwoele Sarah Leanderstem die ook nieuw was.
‘Dat is je
geraden ook!’
Gea had eindelijk
partij gekozen en wel voor Berend. Vrouwen onder elkaar zijn wereldwijd misschien
best solidair, maar geen geslacht overstijgt een gezamenlijk klassenbewustzijn.
‘Nou, dan loop ik
meteen door. Berend is boven neem ik aan?’
‘Zul je wel eerst
netjes kloppen voordat je zijn domein binnentreedt’, riep Gea haar bekoeld na.
Nog geen half uur
later werden zowel Gea als vader door een inhumaan geluid uit hun bezigheden
gestoord.
‘Er is brand!’,
zei vader, terwijl hij verstrooid van zijn schoolwerk opkeek.
‘Hij heeft m’n
dure bril van m’n neus geslagen. Hij heeft m’n dure bril van m’n neus
geslagen. Hij heeft m’n dure bril van
m’n neus geslagen!’, gilde Marieke vanaf de bovenverdieping.
De repetitie van
haar hysterische uitroep was een verbouwereerde mengeling van gekwetste trots
en pure triomf.
Hij heeft haar
geslagen’, recapituleerde Gea verdwaasd.
Inmiddels was
vader al naar de gang gesneld, alwaar hij een gillende, half ontklede Marieke
opving. Vanaf de trap viel ze regelrecht in de gespreide armen van vader. Ze
droeg alleen haar bodysuit. Vader nam haar betraande, verhitte gezicht tussen
zijn handen en suste:
‘Er is niets aan
de hand kindje. Hij heeft helemaal niet hard geslagen. Toe maar, huil maar eens
uit meisje!’
Tot stomme
verbazing van Gea sloeg vader zijn armen om Marieke heen. Zij vleide dankbaar
haar hoofd tegen het kippenborstje van vader aan. Haar armen had ze om zijn nek
geklemd. Berend verscheen bovenaan de trap en hij was mogelijk nog meer uit het
veld geslagen door de omhelzing dan Gea. Vader schrok zichtbaar van de reactie
van zijn zoon:
‘Hoer! Vuile
hoer!’, schreeuwde Berend.
Hij stond alweer
te janken. Zo zoetjes aan begon Gea te twijfelen aan de status van haar
afkomst. Wie weet was de middenmoot zelfs te hoog gegrepen en kwam ze
regelrecht uit een asociaal gezin?! Toch
begon vader langzaam maar zeker de verstrikking met Marieke te ontwarren. Maar
zij gaf niet echt mee.
‘Ik heb nooit een
vader gehad’, dweepte ze met getuite lippen.
Ze huilde niet
meer en hing loom tegen vader aan die niet meer wist waar hij zijn armen moest
laten. Marieke stak net niet haar duim in de mond. Plotseling besefte Gea het
aandeel van vader in deze vertoning en een intense walging doorstroomde haar
hele wezen. In een momentopname zag ze zijn bekken weer tegen het kronkelende
lichaam van Marieke aangedrukt. Haar vader was een oude viezerik.
‘Mag ik een
teiltje?!’, piepte Gea.
Ze wilde ter
plekke sterven
‘Ben je
jaloers!?’
Marieke kon
opeens weer op eigen benen staan.
‘Laat Gea
erbuiten!’, waarschuwde Berend van boven.
Hij meende het.
‘Waarom sla je
dat kind ook?’, vroeg vader, omdat hij vond dat hij ook wat moest zeggen.
‘Dat hysterische
wijf heeft godverdomme m’n halve inboedel uit het raam gegooid. Kijk maar in de voortuin, kun je ook eens lachen, pa!’
Hoofdschuddend
wrong vader zich tussen Marieke en Gea door en verdween in de huiskamer. Hij
deed de deur achter zich dicht. Gea wendde zich tot Marieke. Ze zou nog één
volwassen poging wagen:
‘Zet de eerste
stap Marieke! Laat Berend met rust! Lok hem in vredesnaam niet constant
uit! Je hebt nou toch voor Maurice
gekozen?!’
Marieke maakte
zich groot. Er kwam iets van een domina over haar. De lichtflitsen uit haar
ogen zou Gea nooit meer vergeten. Evenals haar repliek. Vinnig, neerbuigend,
superieur en extra benadrukt door die spiksplinternieuwe, zwoele Sarah
Leanderintonatie.
‘Jij snapt
helemaal niets van mannen, Gea. Een echte vrouw laat zich verleiden. Ik kan
helemaal niet kiezen. Mannen moeten, zullen en willen vechten voor een echte
vrouw! Voor mij dus en helaas niet voor jou!’
‘Ik haat dat
verwende trutje. Waarom dump je dat kadaver niet? Als jij haar niet vermoordt
dan doe ik het’, raasde Gea, nadat ze naar haar slaapkamer was gerend en ze de
deur hermetisch achter zich had afgesloten.
Berend zat
uitgeteld op haar bed. Marieke stond misschien nog in de gang. Mogelijk was ze
alweer op weg naar huis of wie weet zat ze wel gezellig in de huiskamer bij
vader op schoot en las hij haar een verhaaltje voor uit één van z’n
schoolboeken.
‘Ik heb haar niet
geslagen, Gea. Nou ja, een klapje op haar wang. Maar ook alleen maar omdat ik
dat op de televisie heb gezien. Hysterische mensen moet je toch slaan zodra ze
in paniek raken? Bovendien had ze al vanalles uit m’n raam geflikkerd’, stamelde
Berend.
Gea stond te
knarsetanden.
‘Weet jij hoeveel
klapjes op m’n wang ik in m’n leven van moeder te verduren heb gehad? En ik
heb nooit iets uit het raam gegooid. Noppes. Dat wijf moet zich niet zo
opspelen. Wat kwam ze eigenlijk doen?’
‘Ze wil de schade
vergoed hebben’, murmelde Berend verslagen.
‘Welke schade?’,
schamperde Gea die anders ook nog wel wat schade te claimen had.
Emotionele
schade!
‘Ik heb toch een
deuk in het portier van haar groene Eend geschopt?’, zei Berend sloom.
‘En dat heb je
natuurlijk ook nog eerlijk toegegeven? Wat ben je toch een nerd, Berend, echt!’
‘Had ik het dan
moeten ontkennen?’
‘Allicht Berend,
want aan wie denk jij nou dat je deze schadeclaim te danken hebt?’
‘Aan haar
moeder?‘
‘Nee, Berend.’
‘Aan haar
toeziend voogd?’
‘Driemaal is
scheepsrecht, Berend.’
‘Aan dinges, uh,
Mouwrits?’, vroeg Berend zich eindelijk hardop af.
‘Maurice.’
‘Ja, die bedoel
ik.’
‘Goed zo,
Berend.’
‘Hoezo?’
‘Onze Maurice is
praktisch meester in de rechten, Berend’, zuchtte Gea, terwijl ze vermoeid in
haar lederen poef neerviel.
Ze vond een leeg
sigarettenpakje op de vensterbank dat ze geërgerd tot een propje kneep.
‘Nou, de moeder
van Marieke moet je anders ook niet onderschatten, Gea. Dat mens is gek.’
‘Mooi, dan lijkt
Marieke dus op haar moeder. Opgelost. En nou moven, Berend.’
‘Hoe kom je daar
nou bij? Marieke lijkt helemaal niet op haar moeder!’
‘Whatever’,
antwoordde Gea in navolging van vader.
‘En nou wegwezen,
Berend. Ik moet studeren. Ik heb geen rijke ouders. Ik zal m’n kostje zelf moeten kopen. En aangezien jij mijn broer
bent, geldt voor jou hetzelfde. Als ik jou was dan zou ik dus maar eens op zoek gaan naar een
vriendin die beter bij jouw positie past. Mogelijk is Marieke een paar standjes
te hoog gegrepen.’
‘Helemaal niet,
we hebben juist prima seks!’, antwoordde de nerd.
Vertwijfeld
besloot Gea om in haar bureaulades op zoek te gaan naar een vol pakje Camel.
‘Bespaar me de
details’, wanhoopte ze.
‘Maar haar moeder
heeft een dubbele moraal’, vervolgde Berend.
Zoals verwacht
bleef hij compleet ongevoelig voor de belevingswereld van zijn zus.
‘Zo mag Marieke
zogenaamd niet meer met mij omgaan. Vanwege het papventje. Haar moeder is
helemaal weg van dat papventje.’
‘Je bedoelt
Maurice?’, vroeg Gea uitgeput.
‘Ja die. Nou
eergisteren nog lag ik met Marieke in bed.’
‘Je ijlt Berend,
want eergisteren was een zondag en toen was jij niet thuis.’
‘Ik was bij
Marieke.’
‘Via de
voordeur?’
‘Via het balkon
aan de slaapkamer van Marieke.’
Berend deed het
onverstoord voorkomen alsof een huisbezoek via de balkondeuren de gewoonste
zaak van de wereld was.
‘Zeg, hoe kom jij
trouwens op dat balkon?‘, vroeg Gea terloops.
‘Klimmen.’
‘Oh.’
‘Maar luister nou
naar wat ik wil vertellen, Gea. Ik lag dus bij Marieke in bed en zij zat op
mijn gezicht.’
‘Hoebedoelu?’
‘Ja, ze zat op
mijn gezicht. Dat ken je toch wel? Ik lag languit en zij zat op m’n gezicht met
haar rug naar mij toe zeg maar, hè.’
Berend praatte op
een technische verteltoon, maar Gea moest drie keer slikken.
‘Enfin, op een
gegeven moment komt haar moeder binnen. Marieke ziet haar moeder en haar moeder
ziet Marieke. Ze staan oog in oog als het ware. Nou, haar moeder doet zachtjes
de deur achter zich dicht en Marieke gaat weer verder. Niks aan de hand, alles
als vanouds. Dat is toch niet normaal Gea?’
Gea zat weer in
haar poef en verborg haar gezicht in de handen.
‘Misschien dacht
haar moeder wel dat jij Maurice was, Berend?’, opperde ze guasi-begaand.
‘Hoezo?’
‘Je zegt net zelf
dat Marieke op jouw gezicht zat, Berend. Haar moeder kon je dus helemaal niet zien. Ze zal wel gedacht hebben dat jij
Maurice was.’
Gea wreef haar
wangen. Waar had ze deze stupiditeit aan
verdiend?
‘Ja, maar dan
nog, Gea.’
‘Wat dan nog!’
‘Ze heeft er
Marieke helemaal niet op aangesproken.’
‘En wie is er
hier dan gek, Berend?’
Nog dezelfde
avond zat moeder met de toeziend voogd van Marieke aan de telefoon. Er werden
drastische maatregelen getroffen. Berend moest beloven dat hij Marieke een
tijdje met rust zou laten. Marieke op haar beurt werd vrijgepleit. Ze was een
jonge, levenslustige vrouw die haar wilde haren nog niet helemaal kwijt was.
Marieke had nog een prachtig leven voor zich. De ernst en de diepe dalen van
het zwaarwichtige grote mensenleven zouden nog vroeg genoeg op deze bloeiende
bloem; dit prachtige vrouwspersoon; deze spring in het veld afkomen. Laat haar
dus maar genieten van vrije seks en los-vaste relaties. Van dure vakanties en
mooie merkkleding. Van kostbare sieraden en sport en spel. Aan de instemmende
teneur van het telefoongesprek viel op te maken dat de toeziend voogd
persoonlijk helemaal geen florissante jeugd had gehad. Nou moeder ook niet! Dat
was bij Gea al sinds jaar en dag bekend. Ze zat op de bank met haar armen om
haar knieën geslagen en waande zich twintig jaar terug in de tijd. In de
herinnering van Gea was zijzelf ongeveer vier jaar toen moeder voor het laatst
in haar leven op die zorgelijke manier over haar eigen dochter had gepraat. In
de daaropvolgende twintig jaar zal moeder wel vergeten zijn dat ze überhaupt
een dochter had. Gea is meer haar huissloofje; een luisterend oor; een vriendin
op de achtergrond! Overigens wel een vriendin die niet al te veel noten op haar
zang moet hebben, want moeder heeft wel meer aan haar hoofd dan zich met de
probleempjes van Gea bezig te houden. De probleempjes van Marieke daarentegen
voerden al bijna drie jaar de boventoon. Het betreurenswaardige kind had dan
ook geen vader. Gea heeft wel een vader, maar of ze daar nou zoveel voordeel
van heeft? Toch wilde Gea voor geen miljoen ruilen met Marieke en Berend. Zij
zou de schande niet kunnen verdragen. De schaamte over het controleverlies en
het onvolwassen gedrag. En niet één keer, maar consequent en meedogenloos.
Bovendien raakte Gea niet meer verlost van het beeld van Marieke die op het
gezicht van Berend zat. Het bekken wiebelend van voor naar achteren en van
links naar rechts. Een genotsgrijns op haar smoelwerk als van een geestelijk
gestoorde in een zitmobiel. Zo’n kwartjes kermisattractie op een springveer
bestemd voor kleuters.
Gea schrok wakker
uit een vervelende zithouding. Haar nek was stijf. Ze had kramp in haar
linkerbeen en haar rug kraakte. Ze was met haar hoofd in de armen boven haar
tentamenstof in slaap gevallen. De tijdsaanduiding op haar wekkerradio verried
een verloren middag en nog steeds was ze niet uitgerust. Doezelig tastte ze
naar de wekkerradio. Ze zou nog een uurtje slapen, om het luieren af te leren.
Dit keer zou ze in bed gaan liggen. Huiverend programmeerde ze de wekkerradio.
Haar ogen zaten nog half dicht en per ongeluk raakte ze het knopje van de radio
in plaats van het alarm. Een onwezenlijk nieuwsbericht bereikte haar maar
nauwelijks via omroep Brabant. De stem van de nieuwslezer kwam uit dromenland.
Heel ver weg en onecht. Hij raaskalde. Gea ving iets op over een ongeluk in
Waaghorst – het dorp van Marieke - nota bene. De nieuwslezer formuleerde het
bericht als volgt:
‘De oorzaak van
het ongeluk is niet bekend. De onveilige bosweg richting Waaghorst is
echter al sinds jaar en dag in doorn in
het oog van de dorpsbewoners.’
‘Ik slaap
natuurlijk en dan droom ik dat ik droom’, dacht Gea, terwijl ze het alarm
alsnog instelde en onder het donsdek kroop.
Onwillekeurig
dwaalden haar gedachten af naar Marieke en haar rijstijl. Meer dan eens had Gea
zich heimelijk ongerust gemaakt over Marieke en haar permanente overspannen
toestand die geen moeilijke verkeerssituatie toeliet. Haar verjaarde groene
Eend maakte Gea er ook niet geruster op. Ze was weleens meegereden van
Eindhoven naar de Tilburgse universiteit. Marieke reed roekeloos en Gea kon
zich bijna niet voorstellen dat deze snelheidsduivel in één keer voor haar
rijexamen geslaagd was. Gea was al vijf keer gezakt, maar desondanks had ze
toch nog meer vertrouwen in haar eigen kunnen achter het stuur dan in de
tienertouren van deze blamage voor vrouwen met een rijbewijs. Zelfs Berend had
liever niet dat Gea meereed, maar Marieke stond erop en zo niet dan dreigde ze
weer een inzinking te krijgen.
‘Je rijdt wel
voorzichtig, hè!’, waarschuwde hij uiteindelijk verslagen.
Bij wijze van
antwoord zond Marieke hem een vernietigende blik toe.
‘Ze kan voor geen
meter autorijden, maar dat wil ze niet weten’, verklaarde Berend later.
‘Och wat lief dat
hij zich zorgen maakt over mij’, dacht Gea ontroerd.
En hardop vroeg ze zich af:
‘Hoe kan zo
iemand in één keer slagen voor het rijexamen?’
‘Puur geluk!
Marieke heeft altijd geluk!’, wist Berend.
Ter illustratie
wees hij naar zichzelf.
‘Noem het maar
geluk. Vandaag of morgen rijdt ze zich dood!’, zei Gea nog.
Zij was in ieder
geval blij dat ze de tocht naar Tilburg overleefd had. Ze was ternauwernood
ontkomen aan een auto van rechts die gevaarlijk dicht bij haar portier
halthield. Een paar tellen keek ze de chauffeur recht in de ogen die zo groot
waren als schoteltjes. Hij zag lijkbleek.
‘Oeps, wat een
stoute meneer’, kirde Marieke, terwijl ze geen millimeter gas terugnam.
‘Die stoute
meneer kwam anders wel van rechts’, kuchte Gea.
Haar pepermuntje
tegen wagenziekte was van de schrik ergens halverwege haar slokdarm vast
geschoten. Op de parkeerplaats van de Tilburgse universiteit aangekomen, – waar
Marieke haar groene Eend dubbel parkeerde - werd Gea afgewimpeld:
‘Je zult een
enkeltje terug naar Eindhoven moeten nemen, want na de colleges ga ik direct
door naar Waaghorst.’
‘Thank you God’,
bad Gea in gedachten, maar ze zei opgelucht:
‘Hartstikke
bedankt voor het meerijden. Moet ik nog wat bijdragen voor de benzine?’
‘Welnee en geen
dank hoor!’, riep ze luchtig, want zoals gewoonlijk was Marieke zich weer eens
van geen kwaad bewust.
Berend leek woord
te houden. Marieke verdween naar de achtergrond en Berend lummelde alleen nog
maar thuis en zo nu en dan op de universiteit rond. De zomervakantie was
officieel aangebroken, maar noch Berend noch Gea had daar erg veel baat bij. Ze
moesten alle twee tentamens inhalen of opnieuw maken tijdens de
hertentamenperiode aan het einde van het seizoen. Dat betekende dus voor beide
een zomer lang studeren. Moeder vertrok voor een maand naar Zuid-Frankrijk met
een clubje zielsverwanten van de Alliance Francaise en vader zat al lang en
breed in een vakantiehuisje van een bevriend echtpaar ergens in Engeland. Vader
en moeder hadden voordat ze vertrokken nog wel al de schulden van Berend
voldaan. In plaats van een uitbrander kreeg Berend heel veel medeleven en
bovendien een andere occasion. Nou alleen nog een nieuwe vriendin! Aan Gea de
opdracht om een beetje op Berend te letten. Maar Gea had wel wat beters te
doen. Berend is geen baby! Alhoewel zijn gedrag misschien weleens anders doet
vermoeden. Op een zonovergoten middag lag hij in de tuin op een strandstoel.
Hij lag niet zozeer te zonnebaden alswel te studeren, maar dan ondersteboven.
Z’n hoofd bengelde aan het voeteneinde en zijn benen lagen tegen de rugleuning.
Z’n studieboek hield hij vlakbij zijn ogen bij wijze van zonneklep. Hij droeg
alleen een zwembroek en was al aardig bijgekleurd. Zijn hoofd was zelfs
donkerrood, maar dat was te wijten aan z’n houding. Vanuit haar slaapkamerraam
keek Gea vanachter haar bureau op zijn caperiolen neer. Ze vroeg zich af welk
bedrijfsmanagement in de toekomst een man als Berend serieus zou kunnen nemen.
Alhoewel hij in staat is om niet slecht te presteren met een minimum aan input.
Gea daarentegen moet alle leerstof van het begin tot het einde uitpluizen wil
ze in de buurt van een zesje komen en ze kon zich maar met moeite concentreren.
Zelfs op de tentamenstof die haar aansprak en die ze goed beheerste. Niet in de
laatste plaats omdat ze zowat om het uur gestoord werd door telefoongerinkel in
de huiskamer, waardoor ze steeds de trap af en weer op moest hollen. Elsbeth
belde geheid zo’n zeven keer per dag. Ze baalde van vrouwenstudies omdat de
naderende hertentamens haar strandvakantie om zeep hadden geholpen. Elsbeth had
nog nooit eerder gebruik gemaakt van de herkansingen aan het einde van de
zomervakantie. Daar was het haantje de voorste door de bank genomen veel te
ijverig voor. Maar deze zomer benodigde ze alsnog duidelijke taal over
vrouwenstudies. Elsbeth had niet veel begrepen van de verschillende theorieën en
raakte in paniek door de afwezigheid van de gebruikelijke wetenswaardigheden
die ze tenminste nog van buiten kon leren. Ze bakte niet veel van haar essay
voor ‘sekse, cultuur en pathologie’ en bleef maar hameren op een kant en klare
oplossing van Gea.
‘Je moet gewoon
je eigen mening weergeven, Elsbeth. Ik kan jou toch niet jouw mening
geven? Dat moet je toch zelf doen?’,
legde Gea voor de zoveelste keer aan Elsbeth uit.
‘Je kunt toch
zeggen wat jij hebt opgeschreven?’
‘Dat heb ik al
honderd keer gedaan, maar dat snap jij niet, zeg jij.’
‘Ik snap er ook
niets van.’
‘Hoe kun je nou
je eigen mening niet snappen! Je hebt toch wel een mening, mag ik hopen?’
‘Kan ik die van
jou niet overschrijven?’
‘Ja, maar
Elsbeth, je bent het helemaal niet met me eens.’
‘Hoezo niet?’
‘Omdat je mijn
mening niet snapt.’
‘Ja, maar die kan
je mij toch uitleggen?’
En zo ging dat
maar door in slepende telefoongesprekken waarbij Gea zich verloor in oeverloze
monologen en Elsbeth herhaaldelijk gaapte en voor de vorm af en toe een quasi
instemmende keelklank liet horen.
Regelmatig verloor Elsbeth echter haar geduld en begon middenin een
telefonische lezing van Gea over koetjes en kalfjes. Zo ook tijdens die
beruchte bloedhete zomermiddag. Zonder enige aanleiding vroeg Elsbeth ineens:
‘Zeg dat zusje
van Marieke hè?’
‘Ja, wat is
daarmee?’, vroeg Gea uit beleefdheid.
Ze was al gewend
geraakt aan de roddelmanie van Elsbeth. Ze weet altijd vanalles van iedereen,
‘Ken je haar?’
‘Nou, kennen is
een groot woord’.
‘Ze is een
soortement boerinnetje. Klein en lelijk.’
‘Ja, ik heb haar
weleens gezien, ja. Ze scoort heel hoog. Ze is geloof ik nog beter dan jij,
Elsbeth!’
‘Oh, dat kan wel.
Maar dat zusje dus, dat zusje van Marieke heeft een heel zwaar ongeluk gehad
met de groene Eend van Marieke. Dat heb ik in de menza opgevangen. Ze schijnt
heel slecht te liggen.’
Juist op dat
moment kwam een zwetende Berend in zwembroek en met een glas fris in zijn hand
de huiskamer binnen om af te koelen. Hij had een badlaken om z’n nek en plofte
puffend en zo rood als een kreeft op de bank neer. Gea liet de hoorn van de
telefoon rusten in haar nek en vroeg aan Berend:
‘Weet jij iets
van een ongeluk?’
Huiveringwekkend
genoeg schoof net op dat moment een wolkendek voor de felle zon die de hele dag
onafgebroken had geschenen. Een onheilspellende schaduw viel over de huiskamer
en over het gezicht van Berend. Hij werd grauwer dan Pierlala en staarde Gea angstig
aan.
‘Een ongeluk?’,
vroeg hij paniekerig.
‘Ja, het zusje
van Marieke heeft een auto-ongeluk gehad’, zei Gea ongeduldig.
Ze heeft een
broertje dood aan mysteries, maar er klopte iets niet. Het zat in het weer, het
hing in de radiofrequenties en het stond op het gezicht van Berend te lezen.
‘Dat is niet het
zusje van Marieke!’, wist Berend op een toon die aangaf dat hij nu pas
doordrongen raakte een akelig vermoeden.
‘Dat is niet het
zusje van Marieke’, herhaalde hij. Alsof hij zichzelf wilde overtuigen.
‘Dat is Marieke!’
riep hij uit.
Gea was er als de
kippen bij om hem van het tegendeel te overtuigen, omdat ze wist dat hij de
waarheid sprak. Ze voelde het in haar buik en merkte zich aan de dreiging van
een onafwendbare, zware depressie. De zon brak door het wolkendek en deed door
de openstaande tuindeuren een inbreuk op het duister in de huiskamer. Berend
werd er niet minder bleek en bibberig van. In de verte lachte een kind. Ergens
tjilpte een mus. Een opgevoerde snorfiets raasde voorbij. De bimbam boven de
schouw liet weer eens van zich horen. Onzeker trachtte Gea om Berend te
kalmeren:
‘Welja, Berend,
doe maar dramatisch. Natuurlijk heeft Marieke geen ongeluk gehad. Hoe kom je
daar nou bij!’
Gea stond nog
steeds met de hoorn van de telefoon in haar hals. Elsbeth kon aan de andere
kant van de lijn ongestoord meeluisteren. Berend maakte een wanhoopsgebaar en
keek Gea smekend aan:
‘Drie weken lang
heb ik haar gezocht! Ik kon haar groene Eend niet vinden, maar haar ook niet!
Ik heb alle ziekenhuizen in Tilburg, Eindhoven en omstreken gebeld, maar ze
staat nergens geregistreerd! Nergens! En toch is ze verdwenen! Onvindbaar! Haar
zusje niet! Haar zusje ben ik eergisteren nog op de universiteit tegengekomen!
Ze had haar vinger in het verband! Gebroken zei ze!’
‘Zie je wel dat
je geen gelijk hebt! Want stel nou dat Marieke een ernstig ongeluk gehad zou
hebben, dan zou haar zusje dat toch wel tegen jou verteld hebben!’, bedacht Gea
snel.
Haar twijfel
probeerde ze voor Berend verborgen te houden
‘Het zusje van
Marieke is gek! Zo egocentrisch als ik weet niet wat! Ze is nog gekker dan
Marieke! Gekker dan die hele rijke herenboerenkakkluit bij elkaar!’, foeterde
Berend machteloos.
Hij wilde Maurice
bellen.
‘Doe dat nou
niet’, smeekte Gea , terwijl ze de hoorn boven haar hoofd buiten bereik van
Berend probeerde te houden.
Hij was echter
onverzettelijk en nam Gea in de houdgreep. Zij begreep ook wel dat deze aanval
van Berend niet als stoeipartijtje bedoeld was. Wel wilde ze eerst nog netjes
afscheid nemen van Elsbeth. Maar om geheimzinnige redenen bleek Elsbeth de
verbinding allang te hebben verbroken. Zonder gedag te zeggen!
Gea schilde
aardappelen in de keuken en luisterde onwillekeurig met Berend mee. Hij zat in
de huiskamer te telefoneren met Maurice. Gea was niet verbaasd over het feit
dat Berend – de stalker – het telefoonnummer van Maurice in zijn agenda had
staan. De aardappels waren klein en rijkelijk voorzien van uitstulpingen. Gea
moest haar aandacht dus voornamelijk bij het ontvellen van zo’n dertig
bolletjes voor twee personen aan het avondeten houden. Ze was op de helft toen
een uitroep van Berend haar de adem benam.
‘Dood!’
Dat riep hij.
Berend riep:
‘Dood!’
Gea werd
overvallen door een raar soort kalmte. Het leek op een alarmerende rustpauze
voor een storm die onherroepelijk op uitbarsten stond. Gea voelde haar
adrenalinegehalte letterlijk door haar hele lichaam ophogen via een kloppende
bron in haar onderbuik. De gewaarwording was identiek met de misselijkmakende
tinteling tijdens haar allereerste sigaret of de duizeligheid na een eenmalig
ritje in de achtbaan met een joelende Berend aan haar zijde. Rustig pelde Gea
de vijftiende aardappel af. Ze liet hem met een plons in een pan met water
belanden. Daarna plaatste ze het aardappelschilmesje behoedzaam op het aanrecht
en begaf zich naar de woonkamer. Berend stond middenin de kamer te brullen. Ze
had hem wel vaker zien huilen, maar nooit eerder was ze getuige geweest van een
volwassen man die stond te bulken van verdriet, onmacht en woede. Zijn hele
houding was vertrokken van de pijn en zijn gelaatstrekken verkrampten in
spastische huilbewegingen. Hij stond aan z’n kapsel te rukken. Zijn gedrag leek
op zelfkastijding.
‘Het is niet jouw
schuld!
‘Het is wel mijn
schuld’, brulde Berend.
Zijn neus
stroomde leeg en hij bleef aan zijn haren trekken alsof ze pluksgewijs uit zijn
hersenpan moesten. Gea greep naar haar mond om een denkbeeldige oprisping te
onderdrukken.
‘Is Marieke
dood?’, vroeg ze nauwelijks verstaanbaar vanachter haar hand.
Ineens staakte
Berend het pijnigen van zijn hersens en antwoordde opmerkelijk bedaard:
‘Ze heeft zich
drie weken geleden doodgereden tegen een boom aan de Bosweg bij Waaghorst!’
Na deze uitspraak
verloor Berend de controle over zijn onderkaak en slaakte een oerkreet van
ontzetting.
‘Waarom heeft
niemand dat tegen je verteld?! Waarom heeft niemand je gewaarschuwd?!’, riep
Gea ongelovig en vol afschuw uit.
Maar Berend was
niet meer voor rede vatbaar. Voordat Gea überhaupt iets had kunnen ondernemen
om hem tegen te houden, zat hij al in zijn auto op weg naar Waaghorst. Hij
droeg alleen een badlaken en een zwembroek.
‘Ze niet gek Gea.
Ze speelt een spel. Ze weet precies wat ze doet. Wees maar niet bang!’
De woorden van
Geert hamerden in haar hersens, terwijl hij naast haar zat. Zijn handen strak
om het stuur, de knokkels wit en de ogen star op de Bosweg naar Waaghorst
gericht. Gea vocht met de zonneklep
tegen de vooruit. De laagstaande avondzon deed haar barstende hoofdpijn geen
goed. Geert overschreed de maximum snelheid. Alles was al gezegd.
‘Vrouwen als
Marieke plegen geen zelfmoord, neem dat maar van me aan’, beweerde Geert ooit.
‘Zou het
zelfmoord zijn?’
‘Dus op deze weg
zou het gebeurd moeten zijn?’
‘Zelfmoord?’
‘Ik geloof er
niets van!’
‘Waar gaan we
heen?’
In de woonplaats
van Marieke werd de snelle auto van Geert achterdochtig bespied door
dorpsbewoners die een avondwandeling maakten. Het kwam Gea voor alsof ze in een
tijdmachine zat waarin bij elke afgelegde meter de jaren afnamen. Het dorp
telde meer bomen dan lantaarnpalen en nauwelijks reclameborden. Een bescheiden
kerkje vormde het centrum van een pleintje met nog een café, een snackbar en
een plaatselijke supermarkt. Er kon de afgelopen vijftig jaar niet veel
veranderd zijn. Aan het begin van een rotonde in het dorp stond een grijs bord
met een helder wit opschrift:
‘Welkom in
Waaghorst’.
Na vijf minuten
passeerden ze eenzelfde soort bord, maar dit keer met een afscheidsgroet: ‘Tot
ziens in Waaghorst.’
Nadat Gea beide
borden zo’n drie keer aan haar ogen voorbij had zien gaan opperde ze:
‘Misschien kunnen
we beter naar het kerkhof gaan in plaats van naar haar huis. De kerk zijn we al
tien keer voorbijgeraasd, dus dat graf hoeft geen probleem te zijn!’
‘Dat zeg jij!’,
zei Geert afgemeten.
‘Wat bedoel je?’,
vroeg Gea die niet helemaal met haar gedachten bij de realiteit was.
‘Ik sta niet
graag voor gek.’
‘Bedoel je dat je
me niet gelooft?’, probeerde Gea in het wilde weg.
‘Vind je het geen
vreemd verhaal?’
‘Geert, iedereen
kan een dodelijk ongeluk krijgen. Zelfs Marieke.’
‘Ik weet het niet
Gea, volgens mij heeft ze ons dit keer alle drie bij de neus genomen.
Geert is
uiteraard ook maar een mens. Een betrouwbaar mens weliswaar, maar desondanks
een eenvoudige sterveling die net zo min als Gea het plotselinge overlijden van
een medemens zomaar kan bevatten. En als Marieke nou nog maar gewoon een
gangbare burger was geweest dan zou haar dood mettertijd nog wel kunnen
bezinken in zoiets als melancholie of ontzetting. Maar Marieke was niks. Geen
zus, vriendin, geliefde, buurmeisje, vage bekende, klasgenoot of collega. Geert
wist zich dus net zo min als Gea een houding te geven.
‘Ik zoek de auto
van Berend’, vervolgde hij.
‘Dat heeft geen
zin.’
‘Waarom niet, hij
zal toch wel naar haar woonadres gereden zijn?’
‘Jawel, maar hij
parkeert zijn auto sowieso altijd een paar straten van haar huis vandaan.’
‘Waarom?’
‘Officieel is
Marieke nou toch met Maurice!?’
‘Marieke is dood,
Gea.’
‘O, ja.’
De occasion van
Berend stond op het erf van een landhuis iets voorbij Waaghorst. Het balkon
boven de voordeur viel niet te missen. Het was een huis uit een doktersroman.
Zo’n huis van een eenzame weduwe met twee huwbare schone dochters. Het balkon
grensde aan een kersenboom. De vitrage voor twee halfgeopende balkondeuren
danste op een avondbriesje.
‘Hier woonde
ze’, zei Gea. Haar maag was een
luchtballon.
‘Weet je het
zeker?’
Geert vertrouwde
niets of niemand meer.
‘Ja’, wist Gea
stellig.
‘Hoezo dan?’,
vroeg Geert ongeduldig en met hoorbare tegenzin om de bewoners van dit landhuis
te ontmoeten.
‘Het balkon.
Berend klom altijd op het balkon. Marieke liet hem dan door de
balkondeuren haar slaapkamer binnen. Nou
snap ik ook op welke manier hij op het balkon klom. Via de kersenboom
natuurlijk.’
Gea kon zelf
merken dat ze tamelijk moeilijk te volgen was. Maar Geert zou zijn droge zelf
niet zijn indien hij niet eenvoudigweg vroeg:
‘Waarom belde hij
niet gewoon aan de voordeur?’
Gea giebelde
ondanks haar ballonbuik.
‘Haar moeder
wilde het niet weten. De moeder van Marieke ging voor Maurice en niet voor
Berend.’
Grimmig startte
Geert de auto.
‘Waar gaan we
heen?’
‘Naar het kerkhof
maar.’
‘Waarom bellen we
niet aan?’
‘Dat snapt zelfs
Berend !’
‘Je bedoelt dat
we te min zijn voor deze mensen?’
‘Precies.’
‘Ik ben te min
voor zoveel mensen, Geert. Als ik daar wakker van zou moeten liggen dan
zou ik nooit meer slapen.’
Geert grinnikte
niet, terwijl Gea dat wel van hem verwacht had. Heimelijk keek ze naar opzij en
schrok vervolgens van zijn verbeten blik. Alsof de hele wereld hem naar het
leven stond. Met die instelling verkende hij ook het kerkhof.
‘Zie jij een
grafsteen met haar naam erop of zie ik een grafsteen met haar naam erop!’,
bulderde hij tenslotte oneerbiedig.
Zijn stem galmde
over het kerkhof. Gea ziet hem nog in zijn verslagen toestand tussen de graven
staan.
‘Laten we terug
naar Eindhoven gaan, dan kunnen we thuis op Berend wachten’, zei ze kalm.
Ze stond wel
vijftien meter van Geert af en ze hoefde hem dus niet op het relatief verse
bloemenperkje vlak naast haar voeten te wijzen. Het recent geprepareerde graf
met verpieterde bloemenkransen droeg nog geen steen. De bijbehorende linten
waren hier en daar verkleurd door de zon, maar toch nog goed leesbaar. Op één
purperen lint viel zelfs duidelijk in gouden letters te ontcijferen:
‘Een laatste
groet, lieve Marieke. Je Maurice!’
Marieke was al
ruim drie weken dood en begraven en al die tijd had Berend van niets geweten.
Vandaag had hij de bevestiging in Waaghorst gekregen in de vorm van een
bidprentje. In dat bidprentje stond Maurice vermeld als de grote liefde van
Marieke. Niet Berend. Geen letter over Berend. Toch had Berend kans gezien om
zijn geboortehuis te hervinden na zijn bezoek aan Waaghorst. Het traject
Eindhoven, Waaghorst en andersom kende hij inmiddels dan ook op z’n duimpje.
Geert en Gea vingen hem op en schrokken van zijn euforische stemming. Hij
verscheen in het holst van een indigoblauwe zomernacht. Hij doemde op in de
voordeuropening. Op blote voeten, in zwembroek en nog altijd met dat badlaken
om z’n nek. Zijn optreden deed niet onder voor dat van de eerste de beste
dronkaard. Hij lalde over een bevrijding uit de klauwen van een vet varken
waarmee hij op de moeder van Marieke doelde, terwijl Geert hem de trap ophielp.
Ook het papventje en het zusje van Marieke moesten aan zijn scheldkannonades
geloven. Berend gedroeg zich alsof hij gewonnen had. Hij had Marieke dan wel
niet mogen houden, maar de rest van de wereld had eveneens verloren. Victorie!
‘Ze moesten wel
met me praten! Ze moesten wel! Ze konden me niet langer meer negeren!’, pochte
hij trots, terwijl hij brallerig met het bidprentje in de lucht zwaaide.
Gea hielp hem
zijn bed in alsof hij een peuter was. Zijn verdriet moest onverdraaglijk zijn.
Berend verkeerde in een aard van shocktoestand waarin hij niemand uit zijn
directe omgeving ontzag. Gea vond geen rust. Zelfs niet nadat een paar oud rock
and roll bandleden – na telefonische smeekbedes van Geert - bij tourbeurt Berend opzochten. Ook de
huisarts kwam en ging. Bij zijn vertrek zei hij tegen Gea:
‘Een rouwproces
is een kwestie van tijd niet van medicatie. Het moet slijten. Houdt u hem
wel in de gaten! Voor de zekerheid zal
ik u een valiumtablet in bewaring geven. Maar dient u het hem alleen toe in een uiterste crisistoestand.
U lijkt mij een verstandig type. Ik vertrouw op u!’
Maar het
verstandige type was volkomen uitgeput van Berend en Marieke.
Ondanks de hulp
van Geert en een paar oud rock and roll bandleden bij het zorgen en troosten
begon Gea, uit zelfbehoud, steeds meer in clichés te denken en praten. Ze
flapte bijvoorbeeld nonsens uit in de trant van:
‘Misschien is het
maar beter zo; anders was hij nooit van haar losgekomen!’
‘Je haalt me de
woorden uit m’n mond Gea’, zei Geert gelaten.
‘Heeft ze nou wel
of geen zelfmoord gepleegd?’, wilde de basgitarist weten.
‘Geen zelfmoord’,
antwoordde Gea.
‘Hoezo niet, dat
wijf was anders zo gek als een deurklink?!’, zei de drummer.
‘Geen hand vol,
maar een land vol, zegt m’n moeder altijd. Berend moet maar weer gaan zingen.
Wij zoeken nog een zanger, by the way. Van mij kan hij terugkomen.’
Dat was de
basgitarist weer.
‘Toch is het niet
niks! Je moet het maar durven! Frontaal tegen een boom aanrijden met de dood in
de ogen! Chapeau Marieke!’
Bij wijze van
illustratie nam de drummer zijn petje op en af.
‘Ze heeft geen
zelfmoord gepleegd’, zei Gea nog maar eens.
‘Dat weet je
natuurlijk nooit zeker’, stelde Geert vaag.
‘Jawel, want in
het politierapport staat te lezen dat Marieke met haar slaap tegen de deurpost
is aan geknald. Ze lag erbij als de schone slaapster. Ongeschonden. Alleen had
ze geen stukje van een vergiftigde appel in haar mond, maar wel een half
uitgekauwde hap van een boterham met
kaas. En niemand, zelfs Marieke niet, eet een boterham met kaas vlak voor,
tijdens of na een zelfmoordpoging.’
‘Niemand’,
bevestigde Geert.
‘Geen mens’, zei
de drummer.
‘Uitgeluld en
uitgekakt’, besloot de basgitarist.
Het waren dit
soort zinloze gesprekken die Gea door de eerste nachten hielpen. Terwijl Berend
aan de andere kant van de muur – in het grote bed van haar afwezige ouders -
hardop tegen zijn waanbeelden over Marieke lag te vechten, probeerde Gea zich
het gesprek van die middag of avond weer voor de geest te halen. De conversatie
raakte meestal kant nog wal, maar steeds weer had Geert of iemand van de band
wel een banaal, grappig of grof zegje te missen, waarmee de aandacht van de
ernst van de zaak voor een moment was afgeleid. Zonder die bijeenkomsten in de
keuken, de huiskamer, hal of gang; die liters koffie; die tientallen
afhaalmenu’s en de honderden filtersigaretten, zou Gea, net als Berend,
ongetwijfeld zijn doorgedraaid. Berend haalde zich vanalles in het hoofd.
Marieke was een hoer geweest die heimelijk voor een escortservice had gewerkt.
Marieke had zelfmoord gepleegd om Berend te pesten. De hele familie van Marieke
zat in een complot. Maurice had Marieke vermoord door met de remmen van haar
groene Eend te knoeien. Ten einde raad greep Gea toch naar het valiumtablet om
Berend rustig in slaap te krijgen. Hij begon volslagen wartaal uit te slaan.
‘Gea, ze wist
het!’, ijlde hij.
Hij zat rechtop
in bed.
Gea sprak hem
tegen:
‘Natuurlijk
niet.’
Ze klopte zijn
kussen op en propte het weer achter zijn rug. Ze duwde hem het pilletje en een
glas water onder de neus.
‘Jawel ze heeft
me eens verteld dat ze achtervolgd werd in een droom. Ze stond op het
strand en ze voelde dat ze achtervolgd
werd, maar ze kon niet wegkomen. Ze probeerde wel om vooruit te komen, maar
haar blote voeten in het rulle zand gaven niet mee. Ze werd stervensmoe in haar
kuiten en ze kwam telkens op haar knieën terecht alsof ze in drijfzand vooruit
wilde ploeteren. Het was een nachtmerrie. Levensecht.’
Met een flinke
slok water nam Berend het pilletje in.
‘Het was een
doodgewone droom, Berend. Ik heb ook weleens zoiets dergelijks gedroomd en zo’n droom is inderdaad doodeng en het lijkt
net een reële belevenis, maar het is en blijft een droom. Zoiets betekent
helemaal niet dat ik binnenkort zal gaan sterven, dat kun je toch zelf ook wel
op je vingers natellen, mag ik hopen!
‘Dromen zijn geen
bedrog, Gea’, antwoordde hij al wat bedaarder.
‘Maak jezelf niet
gek, Berend.’
‘Dat doe ik niet,
dat doet zij. Ze vindt geen rust in vrede! Ze is vannacht in mijn dromen
verschenen. Ze wilde niet begraven, maar gecremeerd worden en al helemaal niet
in Waaghorst. Ze heeft een hekel aan dat bekrompen dorp!’
En hoe meer Gea
haar keel schor redeneerde om Berend van zijn ongelijk te overtuigen, hoe
dieper ze doordrongen raakte van het belang van de kale waarheid. Marieke was
niet meer.
‘Uitgeluld en
uitgekakt’, besloot de basgitarist.
Misschien wat cru
gesteld, maar daarom nog niet minder waar. Zo makkelijk ging dat dus. Marieke
was gezond, mooi, succesvol, populair en ze had haar studie bijna afgerond. Op
een dag stapte ze in haar groene Eend en nam een hap uit haar dubbelgeklapte boterham
belegd met een plakje kaas. Zo reed ze op het ene moment nog op de Bosweg
richting Waaghorst en ze dacht aan Maurice of met een klein kansje aan Berend.
Op het volgende moment was ze dood en dat is niet eerlijk!
‘Het was toch
uit?!’, wist moeder tam bij wijze van reactie op de dood van Marieke en het
verdriet van Berend.
Ze was net terug
was van vakantie en niet in een rouwstemming.
‘Jammer van zo’n
mooie meid’, zei vader oprecht spijtig, waarna hij zijn medeleven weer teniet
deed met de opmerking:
‘Maar een mens
kan niet bij elk sterfgeval stil blijven staan. Een mens kan veel hebben en een
mens kan niks hebben. Dood is dood!’
En hoezeer
Marieke ook op de zenuwen van Gea had gewerkt. Hoezeer Gea haar uit haar
persoonlijke leven had verwenst en Marieke misschien zelfs wel had gehaat, de
dood had ze niet verdiend. Niet op haar leeftijd en niet met haar aardse
foutjes.
Waarom zij wel en
ik niet?’ vroeg Gea zich duizendmaal in gedachte af, terwijl ze het
astraallichaam van Marieke zag oplichten in giechelende blonde meisjes in de
stadsbus; in de posturen van hooggehakte dames in de winkelstraten van het
centrum; in de étalagepoppen van dure modezaken; in de parfumwalm in
warenhuizen en in de teneur van de liedjes van Wham en George Michael. Marieke
werd lyrisch van George Michael. Tot ergernis van Berend wat haar adoratie
uiteraard alleen nog maar deed toenemen.
‘Wake me up before you gogo, en I want your sex.’
‘Wat een drukte
om niets! Zo meteen vallen we allemaal
dood neer’, zei Gea.
‘Ja, of niet!’,
antwoordde Geert naar waarheid; zoals verwacht.
Op het prikbord
in de ontvangsthal van de universiteit hangen lijsten met tentamenuitslagen.
Elsbeth valt niet meer te negeren, want ze komt schuchter naast Gea staan.
‘Heb je een
tien?’, vraagt Gea koel.
‘Ik heb nog niet
gekeken’, antwoordt ze verlegen.
‘Wil je niet
weten hoe het met Berend is?’
Gea is cynisch en
Elsbeth kijkt naar de grond. De symbolische afstand tussen beide wordt groter.
De kiem voor de kloof is door Elsbeth gelegd, want het enige wat ze zei op het
bericht over de dood van Marieke en de crisis van Berend was:
‘Jeetje, Gea, dat
is mijn schuld!’
Pas weken later
besefte Gea wat Elsbeth, de allesweter en bemoeial, bedoelde. Dat schuldgevoel
sloeg natuurlijk nergens op, want Berend was hoe dan ook toch wel op het
overlijden van Marieke gestuit, maar Elsbeth had voor de verandering weleens
wat beter op de persoon van Gea kunnen reageren. Waar was dat jarenlange
vriendinnetjesgedoe anders goed voor geweest? En met die ene suffe uitspraak
had Elsbeth ook nog de illusie van een toekomstige studentikoze verbintenis
verstoord:
‘Jeetje, Gea, dat
is mijn schuld!’
Sindsdien had
Elsbeth niets meer van zich laten horen. Nu staat ze naast Gea en zoekt met
haar wijsvinger op de lijst aan het prikbord naar haar cijfer voor het essay
‘sekse, cultuur en pathologie’. Dan trekt ze wit weg en roept compleet over
haar toeren uit:
‘Shit, ik heb een
vijf! Shit, Godverdomme, kut, kut, kut!’
‘Je moet alles
een keer meegemaakt hebben!’, merkt een voorbijganger ironisch op, terwijl
hij knipoogt naar een geamuseerde Gea,
die in de hysterische Elsbeth een bezienswaardigheid heeft gevonden..
‘Je lijkt Marieke
wel’, zegt ze spottend.
‘Heb jij ook een
onvoldoende!’, vraagt Elsbeth verhit, maar toch nog hoopvol.
‘Maar maak je
geen zorgen over mij. Ik word niet warm of koud van een onvoldoende.’
Een medestudente
die ook op zoek is naar haar cijfer schiet in de lach, maar Elsbeth negeert
haar en zoekt opnieuw. Dit keer naar het cijfer van Gea. Ze kent het
studentennummer van Gea uit haar hoofd. Hetzelfde nummer moet Gea nog altijd in
haar agenda opzoeken, omdat ze het almaar vergeet.
‘Je hebt een
negen, trut’, scheldt Elsbeth plotseling.
‘Wat heb ik?’,
vraagt Gea blij verrast.
‘Stom wijf,
gemene trut, achterbakse hoer!’, scheldt Elsbeth.
De tranen stromen
over haar wangen. Beheerst vergelijkt Gea het studentennummer in haar agenda
met dat op het prikbord. De medestudente kijkt mee:
‘Je hebt
inderdaad een negen’, zegt ze vriendelijk alsof ze het effect van de reactie
van Elsbeth wil verzachten voor Gea. Elsbeth zwaait driftig met haar boekentas
en neemt afstand met de woorden:
‘Dit pik ik niet.
Zeker niet van een klutje lesbo’s!’
Zowel Gea als de
medestudente staan Elsbeth met open mond van verbijstering na te staren.
‘Is dat een
vriendin van je?’, vraagt de medestudente uiteindelijk.
‘Nee, heb jij ook
een negen?’
‘Ik heb een zes.
Het was moeilijk. Zeker die vraag over de hysterie. Hysterische vrouwen zijn
uiteraard heldinnen, maar ik kon die stelling maar moeilijk beargumenteren.’
‘Dat komt omdat
hysterische vrouwen geen heldinnen, maar slachtoffers zijn. Hysterische vrouwen
zijn ziek. Ze zitten muurvast.’
‘Dat geloof ik
niet.’
‘Ik heb niet voor
niets een negen’, antwoordt Gea niet zonder trots.
‘Hoe durf je zo
bout te stellen dat hysterie een ziekte is?’
‘Ik heb het aan
der lijve ondervonden.’
‘Door Elsbeth?’,
vraagt de medestudente ongelovig.
‘Nee, dankzij
mijn tegenpool’, zegt Gea.
Niet begrijpend trekt de medestudente haar
wenkbrauwen op.
‘Marieke zou hier
meteen een onbenullige opmerking paraat hebben gehad’, denkt Gea, terwijl ze
een pijnscheut in haar keel probeert weg te slikken. Vervolgens antwoordt ze
schor:
‘Mijn tegenpool
heette Marieke.’
‘Een kennis van
je?’, vraagt de medestudente op een toon die aangeeft dat ze niet meer
geïnteresseerd is.
Ineens raakt Gea
doordrongen van de plompverloren waarheid. Vader heeft geen gelijk. Dood is
niet dood, want wat een drukte om niets. Zo meteen vallen we allemaal dood
neer. Ja, of niet. En Gea besluit:
‘Nee, Marieke is mijn
muze!’

Reacties
Een reactie posten