Sullig ongeluk


Trevor komt de keuken binnen met een rood hoofd;

‘Mam kom je even pruimen plukken’.

 Normaliter word ik niet emotioneel van zo’n huis-, tuin- en keukenvraag.

‘Ja, maar jongen, hoe moet ik dat doen dan?’, vraag ik huilerig. 

‘Simpel, gewoon plukken en dan de pruimen in een  emmer doen. Ze zijn zo rijp! Ze bungelen  sowieso al bijna van de boom af. Papa en ik maaien het gras en we kunnen niet alles tegelijk doen.’ 

 Ik staar mijn tienjarige zoon met waterige ogen aan: 

‘Hoe zie je dat voor je dan? Rijden jullie m’n rolstoel dan de tuin in of zo? Ik heb m’n enkel toch gebroken?’

Met vlakke rechterhand slaat Trevor zich op het voorhoofd: ‘Oh jaaaah’, herinnert hij zich en weg is hij. 

Ik blijf achter en staar beteuterd uit het keukenraam. Op gewone dagen staar ik nooit uit het keukenraam. We wonen weliswaar tegenover een lommerrijke  spoorkuil, maar veel meer dan wat  sukkelende, piepende  treinen met een tekort  aan remolie,  stoere, lawaaiige werkmannen in neongele  veiligheidsvestjes, mensen die hun hond uitlaten, bomen, onkruid en een  ijzeren omheining barstens vol wildgroei, valt er niet te bespeuren.  De spoorkuil loopt parallel aan een  binnenweg pal bij mijn keukenraam. Er fietsen wat fietsers voorbij. Een paar auto’s overschrijden de toegestane snelheidslimiet en een stuk of vijf elegante hardlopers  sprinten voorbij. De buurt die wij bewonen is erg gewild bij hardlopers.  Vandaag zijn juist die hardlopers interessant. Ik vraag me af of ik straks, na genezing, puur recreatief  elegant  zou kunnen hardlopen. Het zou wel mooi zijn , want dat heb ik nog nooit van m’n leven gekund.

 

Ik ben geen sportief type, hoewel ik wel veel beweeg gedurende de dag. Daar ben ik wel achter gekomen sinds ik mijn rechterbeen niet meer mag belasten. Aanvankelijk maakte ik me niet zo druk om een gebroken enkel. Ik heb een zittend thuisberoep achter de laptop dus wat kon er nou helemaal problematisch zijn gedurende mijn revalidatieperiode die, ongelogen waar, op vrijdag de dertiende, is ingegaan. Op de dag dat Nederland ’s avonds tegen Spanje voetbalde en overwon en waarop ik ‘s middags m’n enkel brak toen ik de hond van mijn dochter uitliet in het Goffertpark. De hond van mijn elfjarige dochter Robin  is natuurlijk ook een gezinshond. Maar toen we Kirby twee jaar geleden, na aanhoudende smeekbedes van Robin, als puppy van tien weken aanschaften, was het de bedoeling dat zij voornamelijk voor dit huisdier zou gaan zorgen en niet grotendeels  haar vader (Hans), Trevor en/of haar moeder. Toegegeven, Robin houdt onvoorwaardelijk veel van haar boxador; een  kruising tussen een boxer en een labrador . Ongetwijfeld net zoveel als ze om haar twee katten – Repen en Steeltje – geeft, maar dat uit zich bij Robin niet altijd in pure zorgzaamheid. Mijn dochter is buitengewoon goed gelukt – al zeg ik het zelf -, maar ze is nou eenmaal ook een geboren sloddervos. En ik kan het weten. Niet gespeeld nonchalant, niet gewild achteloos, nee, mijn dochter ziet elke dag opnieuw  wel weer kalmpjes aan waar het schip strandt. Ze is heus wel bereid om op stel en sprong  haar leven te verbeteren en  aan al haar verplichtingen in huis te voldoen. Zolang je Robin maar van a tot z uitlegt wat er, wanneer, hoe laat en met welke middelen van haar verwacht wordt. Vermoeiend is dat, want als ik uit m’n slof schiet, trekt Robin meteen het boetekleed aan en daar blijft het wel zo’n beetje bij. Het gevolg is onder meer dat ik, vaker dan me lief is, tegen Robin uitraas en dat ik – voor mijn enkelblessure - gemiddeld twee keer op een dag met onze gezinshond liep te sjouwen. Terwijl Hans ’s avonds, na thuiskomst van zijn werk - samen met een gedwongen Robin - de hond Kirby voor een derde keer op een dag op sleeptouw nam. Bij m’n vorige bastaardje zou dat overbodig geweest zijn. Met Ziggy kon ik moeiteloos en afdoende,  dagelijks,  een uur door de bossen dwalen. Met Kirby is dat onmogelijk, want Kirby heeft ADHD. Ze kan zich niet lang concentreren.  Ongeacht het aantal gehoorhoorzaamheidscursussen of nageleefde adviezen uit afleveringen van the dogwhisperer; bij de minste of geringste afleiding blijft Kirby reageren als een ongeleid projectiel. Dus ontelbare tempogingen en een tennisarm verder mag het onderhand wel duidelijk zijn dat Kirby volstrekt ongeschikt is voor lange boswandelingen. Wel is Kirby de allerliefste hond die je maar kunt wensen. Ze heeft altijd goede zin,  een gigantische aaibaarheidsfactor en is veel socialer dan Ziggy ooit geweest is. Ook is Kirby  - net als Robin eigenlijk - te allen tijde bereid om het boetekleed aan te trekken.  Anders dan Robin maar wel helemaal in Kirbystijl door zich met haar oren in de nek op haar rug te draaien. Vier poten slapjes in de lucht; staart tussen de achterpoten  En daar blijft het wel zo’n beetje bij.   

 

Op vrijdagmiddag  dertien juni jongstleden liep ik dus met Kirby aangelijnd door het Goffertpark in Nijmegen op weg naar de vijver waar honden eigenlijk niet mogen zwemmen. Ik kon alleen geen andere activiteit bedenken waarbij mijn hyperactieve hond even stoom zou kunnen afblazen. Vanwege het benauwende weer was apporteren van een tennisbal op een open veld geen optie. Kirby zou het afleggen in de felle zon. Aan het begin van de vijver zat een man op een opklapbaar krukje te vissen. Zijn Duitse herder lag gemoedelijk naast hem, kauwde op een tak en keurde Kirby geen blik waardig. Gelukkig maar, want soortgenoten zijn het summum van afleiding voor Kirby. Voor de zekerheid besloot ik dus toch een stukje verder te lopen. Op veilige afstand van de Duitse herder,  achter het bruggetje, liet ik Kirby los en gooide een tennisbal in de vijver. Enthousiast sprong ze in het water en legde de natte tennisbal voor mijn voeten. Uitzinnig schudde ze zich uit en nam de speelhouding aan. Voorpoten in het gras en haar achterwerk met kwispelende staart in de lucht. De druppels zwiepten in het rond en boden verfrissing aan mijn half ontblote benen. Ik gooide nog een keer, maar iets te ver. De tennisbal belandde in het struikgewas aan de overkant van het water. Zoals gewoonlijk lette Kirby even niet op. Verward sprong ze voor de tweede keer die dag in de vijver en zwom wat heen en weer op zoek naar de bal. Ze had er geen idee van waar de bal gebleven was. Haastig, omdat ik bang was dat de aandacht van Kirby al snel zou verslappen,  vond  ik wat takjes die ik in de richting van de vindplaats van de bal in het struikgewas wierp. Kirby reageerde alert op het plonsgeluid van de takjes, keek gedesoriënteerd een paar keer om zich heen, maar snapte er duidelijk niks van. Mijn geduld raakte op.

‘Nou kom er maar uit dan’, riep ik, omdat je ijzer moet smeden zolang het nog heet is.

 Maar het was al te laat. Al watertrappelend strekte Kirby de hals, spitste de flaporen en zwom van me af. Naar de overkant van de vijver. Ik zag haar tussen het struikgewas door wegglippen, totdat ze onzichtbaar was. Ik erachteraan.. 

'Wat een drama’, dacht ik nog, want de ervaring had mij geleerd dat vanaf het moment van afleiding het hek voor Kirby van de dam was. 

De ADHD in mijn hond was gewekt. Mogelijk had ik geluk bij een ongeluk en had Kirby  geen soortgenoot opgemerkt, maar slechts een  afwijkend geluid gehoord .. Omdat ik niet gekleed was op een zwempartij, moest ik om de vijver heenrennen om  aan de overkant terecht te komen. Tijdens mijn spurttocht over het natte gras passeerde ik de visser en zijn gehoorzame Duitse herder weer. De hond knauwde nog steeds op dezelfde tak. Ik meende dat de visser  me hoofdschuddend nakeek. In tegenstelling tot mijn onkunde had hij zijn hond wel onder controle ja. Dat was duidelijk.

Toen ik hijgend, puffend en zwetend aan de andere kant van de vijver was aangekomen, zag ik dat  Kirby een meter of tien verderop een golden retriever lastig viel. Dat wil zeggen;  Kirby wilde spelen. Nou wil Kirby altijd spelen  en deze retriever  was niet aangelijnd. Desondanks was de retriever niet bereid  om in te gaan op de avances van mijn hond. Toch werd Kirby niet afgeblaft. Ze werd ook niet weggejaagd door het baasje van de hond; een vrouw die wel twee meter lang was. Ik zag alleen haar achterkant. Ze droeg  een enorme bos grijze krullen, stevige gezondheidsstappers en een beige regenjas. Een regenjas met dat warme weer!  Ze stiefelde onaangedaan het parkpad af. De retriever kuierde zoet met haar mee. De pluisstaart halfstok.

‘Precies zoals het hoort volgens de dogwhisperer’, dacht ik knarsetandend. 

Kirby was inmiddels door het dolle heen. In haar beruchte trance bleef ze  de retriever springend en dansend volgen. Verstand op nul en blik op oneindig. Tevergeefs riep ik Kirby en rende nog een stukje achter het steeds kleiner wordende drietal aan. Maar het was warm en ik was moe en uitgehold. Ineens nam het matte tweetal - met mijn hyperactieve hond in het kielzog - een afslag en verdween uit mijn blikveld. 

Laat ook maar gaan’, dacht ik even; ‘ Laat Kirby maar sappelen. Verdwaal desnoods! Stomme hond.’

Maar al snel maakten mijn laffe gedachten plaats voor het besef  dat ik mijn dochter Robin nooit meer recht in de ogen zou durven aankijken als ik gehoor zou geven aan mijn vluchtneigingen. Dus gilde ik met overslaande stem: 

‘Mevrouw met golden retriever! Kunt u even stil blijven staan! Dan kan ik mijn hond vangen!’

Ik had de woorden nog niet uitgeroepen of Kirby kwam op mijn stemgeluid af het hoekje omrennen. Tot mijn grote vreugde stevende ze mijn richting op. Tot ongeveer twee meter afstand. Ik reikte naar haar halsband, maar Kirby week uit naar rechts en sprong in de vijver. Uit het veld geslagen begreep  ik dat Kirby  opeens weer op zoek ging naar de tennisbal. Verwilderd kroop ze de vijver weer uit en snuffelde zoekend heen en weer in het struikgewas aan de waterkant.

‘Hoe heet de hond dan probeer ik hem te pakken!’, opperde een vriendelijke vrouwenstem achter mij. 

Ik was inmiddels witheet van woede en probeerde Kirby in de val te lokken door van een  grashelling vlakbij de waterkant te komen. 

'Ze heet Kirby!’, riep ik, terwijl ik me op Kirby focuste.

 Bij het horen van haar naam bleef Kirby even daas om zich heen staan kijken. Alsof ze zich ineens realiseerde dat ze kleddernat was, schudde ze zich uit. Het regende druppels.  Dat was het heldere moment waarop ik dacht dat ik Kirby te slim af was. Ik nam een  aanloop en snelde de grashelling af. Maar mijn rechtervoet ging niet mee. Mijn rechtervoet bleef gewoon staan. Misschien dat m’n voet vastzat in een kuiltje, maar misschien ook niet. Ik schoof met m’n hele gewicht door over het natte gras. Omdat ik van een helling afgleed,  knalde ik met een noodgang schuin over mijn vastzittende rechtervoet heen. Ik hoorde iets kraken en zag in een flits het beeld van de visser en zijn hond die op een tak knauwde. Een verdoofd gevoel volgde. Alsof het bloed ophield met stromen in mijn rechtervoet.  Ik wist meteen dat er iets helemaal mis was. Ik was op m’n rechterzij terecht gekomen en langzaam kwam ik met m’n bovenlichaam overeind op zoek naar het beeld dat bij dat vreemde, allesoverheersende, doffe gevoel hoorde. In een spastische hoek van negentig graden stond mijn rechtervoet naast mijn onderbeen. De pezen, spieren en de huid hielden de boel nog wel bij elkaar, maar aan de linkerkant van mijn rechterbeen stak een stuk afgeknakt bot uit het gareel. Onderhuids zag je de afgebroken punt in het bot zitten. Het was niet om aan te zien en ik sloeg de handen voor m’n ogen. Ik verbood mezelf om een tweede keer  te spieken. Ik moest nadenken.  Allereerst moest die schoen uit, want die voet zou gaan zwellen natuurlijk. Voorzichtig friemelde ik met m’n linkervoet de instapper van mijn getergde rechtervoet.  Zonder te kijken. Kirby was inmiddels heel gedwee naast mijn lamgeslagen been gaan liggen. Haar lijf straalde onaangename, lauwe, harige, nattigheid uit.'

 Heeft ze de hond nou te pakken?’, vroeg een vreemde, bejaarde stem achter mij.

Er is hier iets niet in de haak’, riep ik voor me uit. 

Op goed geluk. Mijn stem klonk onvast. 

'Nee, dat ziet er zeker niet goed uit’, zei iemand die vlak achter mij stond. 

Het was de vriendelijke vrouwenstem van de persoon die mij zojuist nog had willen helpen met het vangen van Kirby. Ik haalde de handen van mijn ogen en keek weg van mijn rechtervoet over mijn schouder. Schuin achter mij stond een mevrouw die misschien een paar jaar ouder was dan ik. Ze stak haar hand naar me  uit:

‘Ik ben Petra.’

‘Katinka’, antwoordde ik verbouwereerd,  terwijl ik haar hand schudde. 

Vervolgens deed ik m’n handen weer voor m’n ogen:

‘Sorry, maar als ik kijk dan val ik flauw’. 

‘Ik maak je hond even vast’, zei Petra, terwijl ze de rolriem  ergens uit het gras viste. 

Precies op dat moment kwam Kirby weer in actie. In een reflex greep ik haar bij de halsriem. Mijn blik stug van mijn rechtervoet afgewend. Naast mij dook de oorzaak van de onrust van Kirby op;  weer de golden retriever  Ik hield Kirby tegen en gebood haar te gaan zitten. Wonder boven wonder gaf Kirby gehoor aan mijn oproep,  zodat Petra mijn hond kon aanlijnen. Achter Petra dook ineens de rijzige gestalte van de dame met de grijze krullen op. De golden retriever voegde zich probleemloos aan haar zijde.

'Misschien kan ik maar beter gaan. Die andere hond wordt zo wild van mijn Laika, maar ik lijn haar niet aan. Ze is mijn blindengeleide hond en ze is op haar best als ze los naast me loopt.‘

Er ging een schok door me heen. Deze mevrouw had niet op Kirby gereageerd omdat ze blind was! Ze had de aanwezigheid van Kirby in eerste instantie misschien niet eens opgemerkt. En haar afgetrainde Laika had in wezen een universitaire opleiding genoten in het geleiden van blinden. Niet in het spelen met soortgenoten.

‘Mag ik u sterkte wensen mevrouw? Ik heb begrepen dat er iets mis is met u voet. Ik kan niet veel voor u betekenen, want ik ben blind ‘

‘Dankuwel’, piepte ik nederig in mijn handpalmen, terwijl ik dacht; ‘De blinde probeert de kreupele te helpen!’

‘Heb je een telefoon in je tas, Katinka?’ vroeg Petra . Ik had nog steeds mijn handen voor mijn gezicht. 

‘Nee, sorry. Ik ging maar even snel met de hond weg en ik vergeet dat ding altijd. Tot grote ergernis van Hans. Er zitten wel een portemonnee in mijn tas met daarin al m’n gegevens , een poepzakje en sleutels.' 

Ik wendde mijn blik van de plek des onheils af. Mijn tas hangt altijd diagonaal over mijn bovenlichaam. Ik lichtte de schouderband over mijn hoofd en gaf mijn tas aan Petra.

‘Heb je  sleutels en een poepzakje in je portemonnee?’  wilde Petra quasi onbegrijpend weten, terwijl ze de handtas van mij overnam.

‘Nee’, lachte ik; ‘De inhoud van mijn tas bestaat uit mijn sleutels, een poepzakje en mijn portemonnee. Het poepzakje is voor Kirby bedoeld en is – nog – leeg uiteraard.’

‘Nee, dan moet je mijn telefoon maar even lenen om je partner te bellen. De ambulance is al onderweg. Weet je het nummer uit je hoofd?’

Terwijl ik het mobiele nummer van Hans opdreunde, tastte ik  met vlakke handen om mijn zitgebied heen op zoek naar eventuele oneffenheden in het gras. Op welke plek was het zojuist fout gegaan? Mijn ogen hield ik halsstarrig op Petra gericht. 

‘Hans is onderweg’, zei ik tijdens het telefoongesprek met Hans tegen Petra.

Zeg hem dat hij naar de kinderboerderij moet komen, dan wacht ik hem daar op met Kirby’. Petra was erg praktisch. 

‘Zou je dan wel wat langer kunnen wachten, want hij moet uit Arnhem komen en dat duurt wel drie kwartier?,’ vroeg ik namens Hans.

‘Natuurlijk, ik pak de sleutels ook uit je tas en geef je de rest terug. Misschien kun je de tas ter verhoging onder je voet leggen.’

‘Geef maar, maar ik doe het wel blindelings’, antwoordde ik en voegde de daad bij het woord.’

Ik vind je erg moedig en er is geen enkele reden om naar je voet te staren. Kijk maar niet. Mijn dochter kon de aanblik ook niet verdragen.  Ze staat aan het einde van het Goffertpark  op de uitkijk naar de ambulance.’

‘Bedankt dat je dit alles voor me regelt, Petra’, hoorde ik mezelf zeggen voordat ik de handen weer op mijn gezicht drukte.

‘Ik doe dit uit egoïsme hoor!’, grapte Petra.

 Ik vond Petra aardig:

‘Je bedoelt, wie goed doet, goed ontmoet.’

'Ja, en anders had je hier alleen met Kirby gezeten.’

‘Wat is Kirby trouwens kalm ineens. Hoe krijg je dat voor elkaar? Heb je zelf ook een hond?’

‘Welnee, joh, ik was met m’n dochter in het Goffertpark om een puzzeltocht voor morgen uit te zetten, want dan hebben we familiedag. Heb je pijn?’

‘Weet ik niet’, zei ik naar waarheid.

‘Zou je niet beter achterover gaan liggen?’ 

‘Weet ik niet’, herhaalde ik. 

In de verte klonk een sirene. Het schelle geluid kwam snel dichterbij.

‘Daar zul  je de ambulance hebben.’

Petra probeerde luchtig  over te komen.

‘Nee, toch, een ambulance met gillende sirene kan toch niet voor mij bestemd zijn? Ik ben alleen maar gestruikeld.' 

Ik was oprecht verbaasd en Petra zweeg. Een minuut was het windstil in het Goffertpark aan de waterkant bij die vijver waarin eigenlijk geen hond mag zwemmen. Het bruggetje voorbij. Even dacht ik dat ik gelijk had. Geen ambulance met gillende sirene voor mijn bescheiden persoontje. Maar plotseling voelde ik Kirby  alert opspringen.  Bij wijze van reactie nam ik  mijn handen van mijn gezicht en werd overvallen door de aanblik van een gigantische, gele ambulance die met knipperende alarmlichten,  maar met inmiddels gedempte sirene,  de parkweg op kwam rijden. Ik werd echter al snel verblind door de knipperlichten in combinatie met flikkerende zonnestralen tussen de bladeren van de bomen in het Goffertpark en vlug verborg ik mijn gezicht weer in mijn handen.

 

Links van mij hurkte een ambulancevrouw  die een jaar of tien jonger was dan ik. Ze heette Milly, of Sandra of Peggy – nee Loes -  of iets dergelijks en ik vind het onuitstaanbaar van mezelf dat ik haar naam niet onthouden heb, want ze was fantastisch. Haar gezicht ben ik niet vergeten, hoewel ik maar heel even gespiekt heb door de kiertjes tussen mijn vingers. Zij doorbrak meteen mijn façade . Ik had me onbewust groot gehouden en opeens was ik uitgeput en gelaten. De ambulanceman die rechts van mij stond vroeg allerlei formaliteiten. Ik beantwoordde al zijn vragen automatisch en moeiteloos.

‘Ik ben heus niet in shock hoor, volgens mij dan. Heb je mijn voet gezien? Die is onderhuids  verdwaald en staat heel raar naast m’n been. Ik krijg m’n rechtervoet echt niet meer goed. Uit mezelf. Dat toch foute boel?’. 

'Je voet is uit de kom, die ga ik even rechtzetten. Daarvoor geef ik je een roesje’, zei Millysandrapeggyloes.

‘Oh, mijn voet is alleen maar uit de kom’, dacht ik. Dat is natuurlijk net  zoiets als je arm uit de kom. Dat zetten ‘ze’ even terug.’

En ik zei:

‘Ik wist helemaal niet dat een voet ook uit de kom kon raken.’ 

'Niet schrikken, maar er komt iemand tegen je rug aanzitten.‘

Ik schrok wel degelijk, want naast mij doken ineens ook twee agenten op. Op een wijze waarop alleen een politieman en een politievrouw tegelijkertijd kunnen opduiken uit het niets. Zoals in een actiefilm; cool, relaxed een beetje heupwiegend. De man zei:

'Ik kom even tegen je rug aanzitten zodat je zometeen niet met een knal met je achterhoofd  op het gras terecht komt als je in slaap valt.’

‘Goed plan’, vond ik.

‘Denk maar aan iets leuks, want de ervaring leert dat je straks dan ook prettig wakker wordt’, hoorde ik Millysandrapeggyloes nog zeggen.

 

Ik werd wakker in de ambulance. Naast mij zat Millysandrapeggyloes. Mijn oudste broer Ben was er ook. Begin van dit jaar is hij overleden.  Ik bespeurde zijn geest in de ambulance, niet zijn fysieke aanwezigheid. Misschien had ik aan hem gedacht net voordat ik in mijn roes terecht was gekomen. Staan de herinneringen aan mijn broer werkelijk gelijk aan alleen maar prettige gedachten? Hoe ‘leuk’ was Ben eigenlijk in mijn leven geweest? 

‘Kijk eens naar je voet, dat heeft ze mooi gefixed , of niet?’, wist Ben op die typische easygoing toon van hem. 

God, wat was ik blij om zijn stem te horen en om zijn wezen dichtbij te weten. Voorzichtig lichtte ik m’n hoofd een centimeter of drie omhoog. Mijn kin op m’n borst. Ik lag plat op mijn rug, armen stijf naast m’n lijf en had het gevoel  alsof ik in een schuimrubberen huls verpakt was. In mijn ooghoeken illustreerden psychedelische vormen en  kleuren mijn nevelige toestand. Mijn rechtervoet lag keurig netjes op zijn plaats in een steun onder een beenbeschermer. Helemaal normaal. Precies zoals ik dat van m’n rechtervoet gewend was. Ik werd overvallen door een gigantisch geluksgevoel.

‘Wat heb je dat goed gedaan!’, complimenteerde ik Millysandrapeggyloes. Ik praatte met dubbele tong en mijn woorden echode in hoofd.

'So far, so good’, antwoordde Millysandrapeggyloes kalmpjes. ‘Je enkel is gebroken, we gaan even een foto maken in het Radboud. Je doet het hartstikke goed, Katinka.’

‘Ja, dat ben ik. Ik ben Katinka.  Ben zegt ook dat je mijn voet mooi gefixed hebt. Ben is dood hoor. Dit jaar overleden. Jij kunt hem niet meer zien. Hij heeft veel gebroken in zijn leven. Ben is ervaringsdeskundige. Hij kan me met een gerust hart achterlaten bij jou, zegt hij’.

'Dag Ben’, zei Millysandrapeggyloes.

‘O, jee, nou denkt ze dat ik gek ben’, dacht ik. Ik schudde mijn hoofd en probeerde helder te denken. ‘Hoe laat is het?’ Door de ramen van de ambulance raasde het stadsgroen voorbij in de felle gele schittering van de zon. 

‘Het is half drie.' 

‘Dan is Hans nog op tijd thuis om de kinderen van school te halen.’

‘Waar is je hondje eigenlijk gebleven?’

‘Nou, hondje, zeg maar rustig ‘grote hond’. Het is een kruising tussen een boxer en een labrador’.

Ik deed m’n best om zo goed mogelijk te articuleren. Het ging me vrij redelijk af.

'Kirby is met Petra mee.’

‘Voorlopig zullen je kinderen Kirby  uit moeten laten’, grapte Millysandrapeggyloes.

Ik bespeurde een serieuze ondertoon.

‘Dat meen je niet?!’

‘Je bent op z’n minst een week of acht zoet met een gebroken enkel’, antwoordde Millysandrapeggyloes voorzichtig.

‘Wat kan mij het schelen. Ik ben gewoon hartstikke blij dat mijn rechtervoet weer gewoon in een normale stand staat!, riep ik euforisch uit.

'Gelijk heb je en probeer er gewoon het beste van te maken’, adviseerde Millysandrapeggyloes mij nog.

 In het Radboud werd ik op de brancard naar een observatiekamer gereden. Millysandrapeggyloes bleef nog even bij me, omdat ze graag de mening van een expert over de kwaliteit van haar eerste hulp wilde horen.  Ik merkte dat het fixeren van een gebroken enkel voor Millysandrapeggyloes geen dagelijkse kost was, maar ze zei niets. Ik voelde haar adem stokken, terwijl een arts het zetwerk van de ambulancemevrouw inspecteerde. Hij keek op naar Milliysandrapeggyloes. De spanning steeg.

‘Dat heb je geweldig gedaan’, concludeerde de arts kort maar krachtig. 

Millysandrapeggyloes groeide. Terecht. En ik herademde opgelucht. Even verscheen de geest van Ben weer ten tonele: 
‘Zei ik toch!’, snoefde hij. 

‘Je bent een bikkel’, zei Millysandrapeggyloes. Ze had tranen in haar ogen.

‘Dat komt door jou, jij bent een kei’, wist ik droog en ik meende het. 

 

Op diezelfde avond werd ik geopereerd aan m’n enkel die p drie plaatsen gebroken bleek te zijn. Door een traumateam onder leiding van Dr. Tan werd er een plaatje met schroeven in mijn enkel geplaatst. Ik koos voor volledige narcose, want ik had genoeg afwijkende zaken gezien op die bewuste vrijdag de dertiende. De verpleegsters die mij naar de operatiekamer reden hadden roodwitblauwe strijdkleuren in het gezicht geschilderd. Nederland ging op dat moment tekeer tegen Spanje in het WK.  Aanvankelijk hadden ze geen schijn van kans.

‘Mocht Nederland winnen dan gaat het helemaal goed komen met mij’, zei ik in gedachten alvorens ik wegzonk in de narcose. 

'Niet te geloven het is 5-1', hoorde ik een mannenstem zeggen op de uitslaapkamer. In de verte hoorde ik gejuich. De operatie aan mijn enkel is meer dan geslaagd. Nu nog revalideren. Als Nederland wereldkampioen wordt, dan loop ik straks mee met de Vierdaagse. 

 


    




Reacties