Sullig ongeluk
Trevor komt de keuken binnen met een rood
hoofd;
‘Mam kom je even pruimen plukken’.
Normaliter word ik niet emotioneel
van zo’n huis-, tuin- en keukenvraag.
‘Ja, maar jongen, hoe moet ik dat doen
dan?’, vraag ik huilerig.
‘Simpel, gewoon plukken en dan de pruimen
in een emmer doen. Ze zijn zo rijp! Ze bungelen sowieso al bijna
van de boom af. Papa en ik maaien het gras en we kunnen niet alles tegelijk
doen.’
Ik staar mijn tienjarige zoon met
waterige ogen aan:
‘Hoe zie je dat voor je dan? Rijden jullie
m’n rolstoel dan de tuin in of zo? Ik heb m’n enkel toch gebroken?’
Met vlakke rechterhand slaat Trevor zich
op het voorhoofd: ‘Oh jaaaah’, herinnert hij zich en weg is hij.
Ik blijf achter en staar beteuterd uit het
keukenraam. Op gewone dagen staar ik nooit uit het keukenraam. We wonen
weliswaar tegenover een lommerrijke spoorkuil, maar veel meer dan wat
sukkelende, piepende treinen met een tekort aan remolie,
stoere, lawaaiige werkmannen in neongele veiligheidsvestjes, mensen
die hun hond uitlaten, bomen, onkruid en een ijzeren omheining barstens
vol wildgroei, valt er niet te bespeuren. De spoorkuil loopt parallel aan
een binnenweg pal bij mijn keukenraam. Er fietsen wat fietsers voorbij.
Een paar auto’s overschrijden de toegestane snelheidslimiet en een stuk of vijf
elegante hardlopers sprinten voorbij. De buurt die wij bewonen is erg
gewild bij hardlopers. Vandaag zijn juist die hardlopers interessant. Ik
vraag me af of ik straks, na genezing, puur recreatief elegant zou
kunnen hardlopen. Het zou wel mooi zijn , want dat heb ik nog nooit van m’n
leven gekund.
Ik ben geen sportief type, hoewel ik wel
veel beweeg gedurende de dag. Daar ben ik wel achter gekomen sinds ik mijn
rechterbeen niet meer mag belasten. Aanvankelijk maakte ik me niet zo druk om
een gebroken enkel. Ik heb een zittend thuisberoep achter de laptop dus wat kon
er nou helemaal problematisch zijn gedurende mijn revalidatieperiode die,
ongelogen waar, op vrijdag de dertiende, is ingegaan. Op de dag dat Nederland
’s avonds tegen Spanje voetbalde en overwon en waarop ik ‘s middags m’n enkel
brak toen ik de hond van mijn dochter uitliet in het Goffertpark. De hond van
mijn elfjarige dochter Robin is natuurlijk ook een gezinshond. Maar toen
we Kirby twee jaar geleden, na aanhoudende smeekbedes van Robin, als puppy van
tien weken aanschaften, was het de bedoeling dat zij voornamelijk voor dit
huisdier zou gaan zorgen en niet grotendeels haar vader (Hans), Trevor
en/of haar moeder. Toegegeven, Robin houdt onvoorwaardelijk veel van haar
boxador; een kruising tussen een boxer en een labrador . Ongetwijfeld net
zoveel als ze om haar twee katten – Repen en Steeltje – geeft, maar dat uit
zich bij Robin niet altijd in pure zorgzaamheid. Mijn dochter is buitengewoon
goed gelukt – al zeg ik het zelf -, maar ze is nou eenmaal ook een geboren
sloddervos. En ik kan het weten. Niet gespeeld nonchalant, niet gewild
achteloos, nee, mijn dochter ziet elke dag opnieuw wel weer kalmpjes aan
waar het schip strandt. Ze is heus wel bereid om op stel en sprong haar
leven te verbeteren en aan al haar verplichtingen in huis te voldoen.
Zolang je Robin maar van a tot z uitlegt wat er, wanneer, hoe laat en met welke
middelen van haar verwacht wordt. Vermoeiend is dat, want als ik uit m’n slof
schiet, trekt Robin meteen het boetekleed aan en daar blijft het wel zo’n
beetje bij. Het gevolg is onder meer dat ik, vaker dan me lief is, tegen Robin
uitraas en dat ik – voor mijn enkelblessure - gemiddeld twee keer op een dag
met onze gezinshond liep te sjouwen. Terwijl Hans ’s avonds, na thuiskomst van
zijn werk - samen met een gedwongen Robin - de hond Kirby voor een derde keer
op een dag op sleeptouw nam. Bij m’n vorige bastaardje zou dat overbodig
geweest zijn. Met Ziggy kon ik moeiteloos en afdoende, dagelijks,
een uur door de bossen dwalen. Met Kirby is dat onmogelijk, want Kirby
heeft ADHD. Ze kan zich niet lang concentreren. Ongeacht het aantal
gehoorhoorzaamheidscursussen of nageleefde adviezen uit afleveringen van the
dogwhisperer; bij de minste of geringste afleiding blijft Kirby reageren als
een ongeleid projectiel. Dus ontelbare tempogingen en een tennisarm verder mag
het onderhand wel duidelijk zijn dat Kirby volstrekt ongeschikt is voor lange
boswandelingen. Wel is Kirby de allerliefste hond die je maar kunt wensen. Ze
heeft altijd goede zin, een gigantische aaibaarheidsfactor en is veel
socialer dan Ziggy ooit geweest is. Ook is Kirby - net als Robin
eigenlijk - te allen tijde bereid om het boetekleed aan te trekken.
Anders dan Robin maar wel helemaal in Kirbystijl door zich met haar oren
in de nek op haar rug te draaien. Vier poten slapjes in de lucht; staart tussen
de achterpoten En daar blijft het wel zo’n beetje bij.
Op vrijdagmiddag dertien juni
jongstleden liep ik dus met Kirby aangelijnd door het Goffertpark in Nijmegen
op weg naar de vijver waar honden eigenlijk niet mogen zwemmen. Ik kon alleen
geen andere activiteit bedenken waarbij mijn hyperactieve hond even stoom zou
kunnen afblazen. Vanwege het benauwende weer was apporteren van een tennisbal
op een open veld geen optie. Kirby zou het afleggen in de felle zon. Aan het
begin van de vijver zat een man op een opklapbaar krukje te vissen. Zijn Duitse
herder lag gemoedelijk naast hem, kauwde op een tak en keurde Kirby geen blik
waardig. Gelukkig maar, want soortgenoten zijn het summum van afleiding voor
Kirby. Voor de zekerheid besloot ik dus toch een stukje verder te lopen. Op
veilige afstand van de Duitse herder, achter het bruggetje, liet ik Kirby
los en gooide een tennisbal in de vijver. Enthousiast sprong ze in het water en
legde de natte tennisbal voor mijn voeten. Uitzinnig schudde ze zich uit en nam
de speelhouding aan. Voorpoten in het gras en haar achterwerk met kwispelende
staart in de lucht. De druppels zwiepten in het rond en boden verfrissing aan
mijn half ontblote benen. Ik gooide nog een keer, maar iets te ver. De
tennisbal belandde in het struikgewas aan de overkant van het water. Zoals
gewoonlijk lette Kirby even niet op. Verward sprong ze voor de tweede keer die
dag in de vijver en zwom wat heen en weer op zoek naar de bal. Ze had er geen
idee van waar de bal gebleven was. Haastig, omdat ik bang was dat de aandacht van
Kirby al snel zou verslappen, vond ik wat takjes die ik in de
richting van de vindplaats van de bal in het struikgewas wierp. Kirby reageerde
alert op het plonsgeluid van de takjes, keek gedesoriënteerd een paar keer om
zich heen, maar snapte er duidelijk niks van. Mijn geduld raakte op.
‘Nou kom er maar uit dan’, riep ik, omdat
je ijzer moet smeden zolang het nog heet is.
Maar het was al te laat. Al
watertrappelend strekte Kirby de hals, spitste de flaporen en zwom van me af.
Naar de overkant van de vijver. Ik zag haar tussen het struikgewas door
wegglippen, totdat ze onzichtbaar was. Ik erachteraan..
'Wat een drama’, dacht ik nog, want de
ervaring had mij geleerd dat vanaf het moment van afleiding het hek voor Kirby
van de dam was.
De ADHD in mijn hond was gewekt. Mogelijk
had ik geluk bij een ongeluk en had Kirby geen soortgenoot opgemerkt,
maar slechts een afwijkend geluid gehoord .. Omdat ik niet gekleed was op
een zwempartij, moest ik om de vijver heenrennen om aan de overkant
terecht te komen. Tijdens mijn spurttocht over het natte gras passeerde ik de
visser en zijn gehoorzame Duitse herder weer. De hond knauwde nog steeds op
dezelfde tak. Ik meende dat de visser me hoofdschuddend nakeek. In
tegenstelling tot mijn onkunde had hij zijn hond wel onder controle ja. Dat was
duidelijk.
Toen ik hijgend, puffend en zwetend aan de
andere kant van de vijver was aangekomen, zag ik dat Kirby een meter of
tien verderop een golden retriever lastig viel. Dat wil zeggen; Kirby
wilde spelen. Nou wil Kirby altijd spelen en deze retriever was
niet aangelijnd. Desondanks was de retriever niet bereid om in te gaan op
de avances van mijn hond. Toch werd Kirby niet afgeblaft. Ze werd ook niet
weggejaagd door het baasje van de hond; een vrouw die wel twee meter lang was.
Ik zag alleen haar achterkant. Ze droeg een enorme bos grijze krullen,
stevige gezondheidsstappers en een beige regenjas. Een regenjas met dat warme
weer! Ze stiefelde onaangedaan het parkpad af. De retriever kuierde zoet
met haar mee. De pluisstaart halfstok.
‘Precies zoals het hoort volgens de
dogwhisperer’, dacht ik knarsetandend.
Kirby was inmiddels door het dolle heen.
In haar beruchte trance bleef ze de retriever springend en dansend
volgen. Verstand op nul en blik op oneindig. Tevergeefs riep ik Kirby en rende
nog een stukje achter het steeds kleiner wordende drietal aan. Maar het was
warm en ik was moe en uitgehold. Ineens nam het matte tweetal - met mijn
hyperactieve hond in het kielzog - een afslag en verdween uit mijn blikveld.
Laat ook maar gaan’, dacht ik even; ‘ Laat
Kirby maar sappelen. Verdwaal desnoods! Stomme hond.’
Maar al snel maakten mijn laffe gedachten
plaats voor het besef dat ik mijn dochter Robin nooit meer recht in de
ogen zou durven aankijken als ik gehoor zou geven aan
mijn vluchtneigingen. Dus gilde ik met overslaande stem:
‘Mevrouw met golden retriever! Kunt u even
stil blijven staan! Dan kan ik mijn hond vangen!’
Ik had de woorden nog niet uitgeroepen of
Kirby kwam op mijn stemgeluid af het hoekje omrennen. Tot mijn grote vreugde
stevende ze mijn richting op. Tot ongeveer twee meter afstand. Ik reikte naar
haar halsband, maar Kirby week uit naar rechts en sprong in de vijver. Uit het
veld geslagen begreep ik dat Kirby opeens weer op zoek ging naar de
tennisbal. Verwilderd kroop ze de vijver weer uit en snuffelde zoekend heen en
weer in het struikgewas aan de waterkant.
‘Hoe heet de hond dan probeer ik hem te
pakken!’, opperde een vriendelijke vrouwenstem achter mij.
Ik was inmiddels witheet van woede en
probeerde Kirby in de val te lokken door van een grashelling vlakbij de
waterkant te komen.
'Ze heet Kirby!’, riep ik, terwijl ik me
op Kirby focuste.
Bij het horen van haar naam bleef
Kirby even daas om zich heen staan kijken. Alsof ze zich ineens realiseerde dat
ze kleddernat was, schudde ze zich uit. Het regende druppels. Dat was het
heldere moment waarop ik dacht dat ik Kirby te slim af was. Ik nam een
aanloop en snelde de grashelling af. Maar mijn rechtervoet ging niet mee. Mijn
rechtervoet bleef gewoon staan. Misschien dat m’n voet vastzat in een kuiltje,
maar misschien ook niet. Ik schoof met m’n hele gewicht door over het natte
gras. Omdat ik van een helling afgleed, knalde ik met een noodgang schuin
over mijn vastzittende rechtervoet heen. Ik hoorde iets kraken en zag in een
flits het beeld van de visser en zijn hond die op een tak knauwde. Een verdoofd
gevoel volgde. Alsof het bloed ophield met stromen in mijn rechtervoet.
Ik wist meteen dat er iets helemaal mis was. Ik was op m’n rechterzij terecht
gekomen en langzaam kwam ik met m’n bovenlichaam overeind op zoek naar het
beeld dat bij dat vreemde, allesoverheersende, doffe gevoel hoorde. In een
spastische hoek van negentig graden stond mijn rechtervoet naast mijn
onderbeen. De pezen, spieren en de huid hielden de boel nog wel bij elkaar,
maar aan de linkerkant van mijn rechterbeen stak een stuk afgeknakt bot uit het
gareel. Onderhuids zag je de afgebroken punt in het bot zitten. Het was niet om
aan te zien en ik sloeg de handen voor m’n ogen. Ik verbood mezelf om een
tweede keer te spieken. Ik moest nadenken. Allereerst moest die
schoen uit, want die voet zou gaan zwellen natuurlijk. Voorzichtig friemelde ik
met m’n linkervoet de instapper van mijn getergde rechtervoet. Zonder te
kijken. Kirby was inmiddels heel gedwee naast mijn lamgeslagen been gaan
liggen. Haar lijf straalde onaangename, lauwe, harige, nattigheid uit.'
Heeft ze de hond nou te pakken?’,
vroeg een vreemde, bejaarde stem achter mij.
Er is hier iets niet in de haak’, riep ik
voor me uit.
Op goed geluk. Mijn stem klonk
onvast.
'Nee, dat ziet er zeker niet goed uit’,
zei iemand die vlak achter mij stond.
Het was de vriendelijke vrouwenstem van de
persoon die mij zojuist nog had willen helpen met het vangen van Kirby. Ik
haalde de handen van mijn ogen en keek weg van mijn rechtervoet over mijn
schouder. Schuin achter mij stond een mevrouw die misschien een paar jaar ouder
was dan ik. Ze stak haar hand naar me uit:
‘Ik ben Petra.’
‘Katinka’, antwoordde ik
verbouwereerd, terwijl ik haar hand schudde.
Vervolgens deed ik m’n handen weer voor
m’n ogen:
‘Sorry, maar als ik kijk dan val ik
flauw’.
‘Ik maak je hond even vast’, zei Petra,
terwijl ze de rolriem ergens uit het gras viste.
Precies op dat moment kwam Kirby weer in
actie. In een reflex greep ik haar bij de halsriem. Mijn blik stug van mijn
rechtervoet afgewend. Naast mij dook de oorzaak van de onrust van Kirby op;
weer de golden retriever Ik hield Kirby tegen en gebood haar te gaan
zitten. Wonder boven wonder gaf Kirby gehoor aan mijn oproep, zodat Petra
mijn hond kon aanlijnen. Achter Petra dook ineens de rijzige gestalte van de
dame met de grijze krullen op. De golden retriever voegde zich probleemloos aan
haar zijde.
'Misschien kan ik maar beter gaan. Die
andere hond wordt zo wild van mijn Laika, maar ik lijn haar niet aan. Ze is
mijn blindengeleide hond en ze is op haar best als ze los naast me loopt.‘
Er ging een schok door me heen. Deze
mevrouw had niet op Kirby gereageerd omdat ze blind was! Ze had de aanwezigheid
van Kirby in eerste instantie misschien niet eens opgemerkt. En haar
afgetrainde Laika had in wezen een universitaire opleiding genoten in het
geleiden van blinden. Niet in het spelen met soortgenoten.
‘Mag ik u sterkte wensen mevrouw? Ik heb
begrepen dat er iets mis is met u voet. Ik kan niet veel voor u betekenen, want
ik ben blind ‘
‘Dankuwel’, piepte ik nederig in mijn
handpalmen, terwijl ik dacht; ‘De blinde probeert de kreupele te helpen!’
‘Heb je een telefoon in je tas, Katinka?’
vroeg Petra . Ik had nog steeds mijn handen voor mijn gezicht.
‘Nee, sorry. Ik ging maar even snel met de
hond weg en ik vergeet dat ding altijd. Tot grote ergernis van Hans. Er zitten
wel een portemonnee in mijn tas met daarin al m’n gegevens , een poepzakje en
sleutels.'
Ik wendde mijn blik van de plek des
onheils af. Mijn tas hangt altijd diagonaal over mijn bovenlichaam. Ik lichtte
de schouderband over mijn hoofd en gaf mijn tas aan Petra.
‘Heb je sleutels en een poepzakje in
je portemonnee?’ wilde Petra quasi onbegrijpend weten, terwijl ze de
handtas van mij overnam.
‘Nee’, lachte ik; ‘De inhoud van mijn tas
bestaat uit mijn sleutels, een poepzakje en mijn portemonnee. Het poepzakje is
voor Kirby bedoeld en is – nog – leeg uiteraard.’
‘Nee, dan moet je mijn telefoon maar even
lenen om je partner te bellen. De ambulance is al onderweg. Weet je het nummer
uit je hoofd?’
Terwijl ik het mobiele nummer van Hans
opdreunde, tastte ik met vlakke handen om mijn zitgebied heen op zoek
naar eventuele oneffenheden in het gras. Op welke plek was het zojuist fout
gegaan? Mijn ogen hield ik halsstarrig op Petra gericht.
‘Hans is onderweg’, zei ik tijdens het
telefoongesprek met Hans tegen Petra.
Zeg hem dat hij naar de kinderboerderij
moet komen, dan wacht ik hem daar op met Kirby’. Petra was erg praktisch.
‘Zou je dan wel wat langer kunnen wachten,
want hij moet uit Arnhem komen en dat duurt wel drie kwartier?,’ vroeg ik
namens Hans.
‘Natuurlijk, ik pak de sleutels ook uit je
tas en geef je de rest terug. Misschien kun je de tas ter verhoging onder
je voet leggen.’
‘Geef maar, maar ik doe het wel
blindelings’, antwoordde ik en voegde de daad bij het woord.’
Ik vind je erg moedig en er is geen enkele
reden om naar je voet te staren. Kijk maar niet. Mijn dochter kon de aanblik
ook niet verdragen. Ze staat aan het einde van het Goffertpark op
de uitkijk naar de ambulance.’
‘Bedankt dat je dit alles voor me regelt,
Petra’, hoorde ik mezelf zeggen voordat ik de handen weer op mijn gezicht
drukte.
‘Ik doe dit uit egoïsme hoor!’, grapte
Petra.
Ik vond Petra aardig:
‘Je bedoelt, wie goed doet, goed ontmoet.’
'Ja, en anders had je hier alleen met
Kirby gezeten.’
‘Wat is Kirby trouwens kalm ineens. Hoe
krijg je dat voor elkaar? Heb je zelf ook een hond?’
‘Welnee, joh, ik was met m’n dochter in
het Goffertpark om een puzzeltocht voor morgen uit te zetten, want dan hebben
we familiedag. Heb je pijn?’
‘Weet ik niet’, zei ik naar waarheid.
‘Zou je niet beter achterover gaan
liggen?’
‘Weet ik niet’, herhaalde ik.
In de verte klonk een sirene. Het schelle
geluid kwam snel dichterbij.
‘Daar zul je de ambulance hebben.’
Petra probeerde luchtig over te
komen.
‘Nee, toch, een ambulance met gillende
sirene kan toch niet voor mij bestemd zijn? Ik ben alleen maar
gestruikeld.'
Ik was oprecht verbaasd en Petra zweeg.
Een minuut was het windstil in het Goffertpark aan de waterkant bij die vijver
waarin eigenlijk geen hond mag zwemmen. Het bruggetje voorbij. Even dacht ik
dat ik gelijk had. Geen ambulance met gillende sirene voor mijn bescheiden
persoontje. Maar plotseling voelde ik Kirby alert opspringen. Bij
wijze van reactie nam ik mijn handen van mijn gezicht en werd overvallen
door de aanblik van een gigantische, gele ambulance die met knipperende
alarmlichten, maar met inmiddels gedempte sirene, de parkweg op
kwam rijden. Ik werd echter al snel verblind door de knipperlichten in
combinatie met flikkerende zonnestralen tussen de bladeren van de bomen in het
Goffertpark en vlug verborg ik mijn gezicht weer in mijn handen.
Links van mij hurkte een
ambulancevrouw die een jaar of tien jonger was dan ik. Ze heette Milly,
of Sandra of Peggy – nee Loes - of iets dergelijks en ik vind het
onuitstaanbaar van mezelf dat ik haar naam niet onthouden heb, want ze was
fantastisch. Haar gezicht ben ik niet vergeten, hoewel ik maar heel even
gespiekt heb door de kiertjes tussen mijn vingers. Zij doorbrak meteen mijn
façade . Ik had me onbewust groot gehouden en opeens was ik uitgeput en
gelaten. De ambulanceman die rechts van mij stond vroeg allerlei formaliteiten.
Ik beantwoordde al zijn vragen automatisch en moeiteloos.
‘Ik ben heus niet in shock hoor, volgens
mij dan. Heb je mijn voet gezien? Die is onderhuids verdwaald en staat
heel raar naast m’n been. Ik krijg m’n rechtervoet echt niet meer goed. Uit
mezelf. Dat toch foute boel?’.
'Je voet is uit de kom, die ga ik even
rechtzetten. Daarvoor geef ik je een roesje’, zei Millysandrapeggyloes.
‘Oh, mijn voet is alleen maar uit de kom’,
dacht ik. Dat is natuurlijk net zoiets als je arm uit de kom. Dat zetten
‘ze’ even terug.’
En ik zei:
‘Ik wist helemaal niet dat een voet ook
uit de kom kon raken.’
'Niet schrikken, maar er komt iemand tegen
je rug aanzitten.‘
Ik schrok wel degelijk, want naast mij
doken ineens ook twee agenten op. Op een wijze waarop alleen een politieman en
een politievrouw tegelijkertijd kunnen opduiken uit het niets. Zoals in een
actiefilm; cool, relaxed een beetje heupwiegend. De man zei:
'Ik kom even tegen je rug aanzitten zodat
je zometeen niet met een knal met je achterhoofd op het gras terecht komt
als je in slaap valt.’
‘Goed plan’, vond ik.
‘Denk maar aan iets leuks, want de
ervaring leert dat je straks dan ook prettig wakker wordt’, hoorde ik
Millysandrapeggyloes nog zeggen.
Ik werd wakker in de ambulance. Naast mij
zat Millysandrapeggyloes. Mijn oudste broer Ben was er ook. Begin van dit jaar
is hij overleden. Ik bespeurde zijn geest in de ambulance, niet zijn
fysieke aanwezigheid. Misschien had ik aan hem gedacht net voordat ik in mijn
roes terecht was gekomen. Staan de herinneringen aan mijn broer werkelijk
gelijk aan alleen maar prettige gedachten? Hoe ‘leuk’ was Ben eigenlijk in mijn
leven geweest?
‘Kijk eens naar je voet, dat heeft ze mooi
gefixed , of niet?’, wist Ben op die typische easygoing toon van hem.
God, wat was ik blij om zijn stem te horen
en om zijn wezen dichtbij te weten. Voorzichtig lichtte ik m’n hoofd een
centimeter of drie omhoog. Mijn kin op m’n borst. Ik lag plat op mijn rug,
armen stijf naast m’n lijf en had het gevoel alsof ik in een
schuimrubberen huls verpakt was. In mijn ooghoeken illustreerden psychedelische
vormen en kleuren mijn nevelige toestand. Mijn rechtervoet lag keurig
netjes op zijn plaats in een steun onder een beenbeschermer. Helemaal normaal.
Precies zoals ik dat van m’n rechtervoet gewend was. Ik werd overvallen door
een gigantisch geluksgevoel.
‘Wat heb je dat goed gedaan!’,
complimenteerde ik Millysandrapeggyloes. Ik praatte met dubbele tong en mijn
woorden echode in hoofd.
'So far, so good’, antwoordde
Millysandrapeggyloes kalmpjes. ‘Je enkel is gebroken, we gaan even een foto
maken in het Radboud. Je doet het hartstikke goed, Katinka.’
‘Ja, dat ben ik. Ik ben Katinka. Ben
zegt ook dat je mijn voet mooi gefixed hebt. Ben is dood hoor. Dit jaar
overleden. Jij kunt hem niet meer zien. Hij heeft veel gebroken in zijn leven.
Ben is ervaringsdeskundige. Hij kan me met een gerust hart achterlaten bij jou,
zegt hij’.
'Dag Ben’, zei Millysandrapeggyloes.
‘O, jee, nou denkt ze dat ik gek ben’,
dacht ik. Ik schudde mijn hoofd en probeerde helder te denken. ‘Hoe laat is
het?’ Door de ramen van de ambulance raasde het stadsgroen voorbij in de felle
gele schittering van de zon.
‘Het is half drie.'
‘Dan is Hans nog op tijd thuis om de
kinderen van school te halen.’
‘Waar is je hondje eigenlijk gebleven?’
‘Nou, hondje, zeg maar rustig ‘grote
hond’. Het is een kruising tussen een boxer en een labrador’.
Ik deed m’n best om zo goed mogelijk te
articuleren. Het ging me vrij redelijk af.
'Kirby is met Petra mee.’
‘Voorlopig zullen je kinderen Kirby
uit moeten laten’, grapte Millysandrapeggyloes.
Ik bespeurde een serieuze ondertoon.
‘Dat meen je niet?!’
‘Je bent op z’n minst een week of acht
zoet met een gebroken enkel’, antwoordde Millysandrapeggyloes voorzichtig.
‘Wat kan mij het schelen. Ik ben gewoon
hartstikke blij dat mijn rechtervoet weer gewoon in een normale stand staat!,
riep ik euforisch uit.
'Gelijk heb je en probeer er gewoon het
beste van te maken’, adviseerde Millysandrapeggyloes mij nog.
In het Radboud werd ik op de brancard naar een observatiekamer gereden.
Millysandrapeggyloes bleef nog even bij me, omdat ze graag de mening van een
expert over de kwaliteit van haar eerste hulp wilde horen. Ik merkte
dat het fixeren van een gebroken enkel voor Millysandrapeggyloes geen
dagelijkse kost was, maar ze zei niets. Ik voelde haar adem stokken, terwijl
een arts het zetwerk van de ambulancemevrouw inspecteerde. Hij keek op naar
Milliysandrapeggyloes. De spanning steeg.
‘Dat heb je geweldig gedaan’, concludeerde
de arts kort maar krachtig.
Millysandrapeggyloes groeide. Terecht. En
ik herademde opgelucht. Even verscheen de geest van Ben weer ten tonele:
‘Zei ik toch!’, snoefde hij.
‘Je bent een bikkel’, zei
Millysandrapeggyloes. Ze had tranen in haar ogen.
‘Dat komt door jou, jij bent een kei’,
wist ik droog en ik meende het.
Op diezelfde avond werd ik geopereerd
aan m’n enkel die p drie plaatsen gebroken bleek te zijn. Door een traumateam
onder leiding van Dr. Tan werd er een plaatje met schroeven in mijn enkel
geplaatst. Ik koos voor volledige narcose, want ik had genoeg afwijkende zaken
gezien op die bewuste vrijdag de dertiende. De verpleegsters die mij naar de
operatiekamer reden hadden roodwitblauwe strijdkleuren in het gezicht
geschilderd. Nederland ging op dat moment tekeer tegen Spanje in het WK. Aanvankelijk
hadden ze geen schijn van kans.
‘Mocht Nederland winnen dan gaat het
helemaal goed komen met mij’, zei ik in gedachten alvorens ik wegzonk in de
narcose.
'Niet te geloven het is 5-1', hoorde
ik een mannenstem zeggen op de uitslaapkamer. In de verte hoorde ik gejuich. De
operatie aan mijn enkel is meer dan geslaagd. Nu nog revalideren. Als Nederland
wereldkampioen wordt, dan loop ik straks mee met de Vierdaagse.
Trevor komt de keuken binnen met een rood
hoofd;
‘Mam kom je even pruimen plukken’.
Normaliter word ik niet emotioneel
van zo’n huis-, tuin- en keukenvraag.
‘Ja, maar jongen, hoe moet ik dat doen
dan?’, vraag ik huilerig.
‘Simpel, gewoon plukken en dan de pruimen
in een emmer doen. Ze zijn zo rijp! Ze bungelen sowieso al bijna
van de boom af. Papa en ik maaien het gras en we kunnen niet alles tegelijk
doen.’
Ik staar mijn tienjarige zoon met
waterige ogen aan:
‘Hoe zie je dat voor je dan? Rijden jullie
m’n rolstoel dan de tuin in of zo? Ik heb m’n enkel toch gebroken?’
Met vlakke rechterhand slaat Trevor zich
op het voorhoofd: ‘Oh jaaaah’, herinnert hij zich en weg is hij.
Ik blijf achter en staar beteuterd uit het
keukenraam. Op gewone dagen staar ik nooit uit het keukenraam. We wonen
weliswaar tegenover een lommerrijke spoorkuil, maar veel meer dan wat
sukkelende, piepende treinen met een tekort aan remolie,
stoere, lawaaiige werkmannen in neongele veiligheidsvestjes, mensen
die hun hond uitlaten, bomen, onkruid en een ijzeren omheining barstens
vol wildgroei, valt er niet te bespeuren. De spoorkuil loopt parallel aan
een binnenweg pal bij mijn keukenraam. Er fietsen wat fietsers voorbij.
Een paar auto’s overschrijden de toegestane snelheidslimiet en een stuk of vijf
elegante hardlopers sprinten voorbij. De buurt die wij bewonen is erg
gewild bij hardlopers. Vandaag zijn juist die hardlopers interessant. Ik
vraag me af of ik straks, na genezing, puur recreatief elegant zou
kunnen hardlopen. Het zou wel mooi zijn , want dat heb ik nog nooit van m’n
leven gekund.
Ik ben geen sportief type, hoewel ik wel
veel beweeg gedurende de dag. Daar ben ik wel achter gekomen sinds ik mijn
rechterbeen niet meer mag belasten. Aanvankelijk maakte ik me niet zo druk om
een gebroken enkel. Ik heb een zittend thuisberoep achter de laptop dus wat kon
er nou helemaal problematisch zijn gedurende mijn revalidatieperiode die,
ongelogen waar, op vrijdag de dertiende, is ingegaan. Op de dag dat Nederland
’s avonds tegen Spanje voetbalde en overwon en waarop ik ‘s middags m’n enkel
brak toen ik de hond van mijn dochter uitliet in het Goffertpark. De hond van
mijn elfjarige dochter Robin is natuurlijk ook een gezinshond. Maar toen
we Kirby twee jaar geleden, na aanhoudende smeekbedes van Robin, als puppy van
tien weken aanschaften, was het de bedoeling dat zij voornamelijk voor dit
huisdier zou gaan zorgen en niet grotendeels haar vader (Hans), Trevor
en/of haar moeder. Toegegeven, Robin houdt onvoorwaardelijk veel van haar
boxador; een kruising tussen een boxer en een labrador . Ongetwijfeld net
zoveel als ze om haar twee katten – Repen en Steeltje – geeft, maar dat uit
zich bij Robin niet altijd in pure zorgzaamheid. Mijn dochter is buitengewoon
goed gelukt – al zeg ik het zelf -, maar ze is nou eenmaal ook een geboren
sloddervos. En ik kan het weten. Niet gespeeld nonchalant, niet gewild
achteloos, nee, mijn dochter ziet elke dag opnieuw wel weer kalmpjes aan
waar het schip strandt. Ze is heus wel bereid om op stel en sprong haar
leven te verbeteren en aan al haar verplichtingen in huis te voldoen.
Zolang je Robin maar van a tot z uitlegt wat er, wanneer, hoe laat en met welke
middelen van haar verwacht wordt. Vermoeiend is dat, want als ik uit m’n slof
schiet, trekt Robin meteen het boetekleed aan en daar blijft het wel zo’n
beetje bij. Het gevolg is onder meer dat ik, vaker dan me lief is, tegen Robin
uitraas en dat ik – voor mijn enkelblessure - gemiddeld twee keer op een dag
met onze gezinshond liep te sjouwen. Terwijl Hans ’s avonds, na thuiskomst van
zijn werk - samen met een gedwongen Robin - de hond Kirby voor een derde keer
op een dag op sleeptouw nam. Bij m’n vorige bastaardje zou dat overbodig
geweest zijn. Met Ziggy kon ik moeiteloos en afdoende, dagelijks,
een uur door de bossen dwalen. Met Kirby is dat onmogelijk, want Kirby
heeft ADHD. Ze kan zich niet lang concentreren. Ongeacht het aantal
gehoorhoorzaamheidscursussen of nageleefde adviezen uit afleveringen van the
dogwhisperer; bij de minste of geringste afleiding blijft Kirby reageren als
een ongeleid projectiel. Dus ontelbare tempogingen en een tennisarm verder mag
het onderhand wel duidelijk zijn dat Kirby volstrekt ongeschikt is voor lange
boswandelingen. Wel is Kirby de allerliefste hond die je maar kunt wensen. Ze
heeft altijd goede zin, een gigantische aaibaarheidsfactor en is veel
socialer dan Ziggy ooit geweest is. Ook is Kirby - net als Robin
eigenlijk - te allen tijde bereid om het boetekleed aan te trekken.
Anders dan Robin maar wel helemaal in Kirbystijl door zich met haar oren
in de nek op haar rug te draaien. Vier poten slapjes in de lucht; staart tussen
de achterpoten En daar blijft het wel zo’n beetje bij.
Op vrijdagmiddag dertien juni
jongstleden liep ik dus met Kirby aangelijnd door het Goffertpark in Nijmegen
op weg naar de vijver waar honden eigenlijk niet mogen zwemmen. Ik kon alleen
geen andere activiteit bedenken waarbij mijn hyperactieve hond even stoom zou
kunnen afblazen. Vanwege het benauwende weer was apporteren van een tennisbal
op een open veld geen optie. Kirby zou het afleggen in de felle zon. Aan het
begin van de vijver zat een man op een opklapbaar krukje te vissen. Zijn Duitse
herder lag gemoedelijk naast hem, kauwde op een tak en keurde Kirby geen blik
waardig. Gelukkig maar, want soortgenoten zijn het summum van afleiding voor
Kirby. Voor de zekerheid besloot ik dus toch een stukje verder te lopen. Op
veilige afstand van de Duitse herder, achter het bruggetje, liet ik Kirby
los en gooide een tennisbal in de vijver. Enthousiast sprong ze in het water en
legde de natte tennisbal voor mijn voeten. Uitzinnig schudde ze zich uit en nam
de speelhouding aan. Voorpoten in het gras en haar achterwerk met kwispelende
staart in de lucht. De druppels zwiepten in het rond en boden verfrissing aan
mijn half ontblote benen. Ik gooide nog een keer, maar iets te ver. De
tennisbal belandde in het struikgewas aan de overkant van het water. Zoals
gewoonlijk lette Kirby even niet op. Verward sprong ze voor de tweede keer die
dag in de vijver en zwom wat heen en weer op zoek naar de bal. Ze had er geen
idee van waar de bal gebleven was. Haastig, omdat ik bang was dat de aandacht van
Kirby al snel zou verslappen, vond ik wat takjes die ik in de
richting van de vindplaats van de bal in het struikgewas wierp. Kirby reageerde
alert op het plonsgeluid van de takjes, keek gedesoriënteerd een paar keer om
zich heen, maar snapte er duidelijk niks van. Mijn geduld raakte op.
‘Nou kom er maar uit dan’, riep ik, omdat
je ijzer moet smeden zolang het nog heet is.
Maar het was al te laat. Al
watertrappelend strekte Kirby de hals, spitste de flaporen en zwom van me af.
Naar de overkant van de vijver. Ik zag haar tussen het struikgewas door
wegglippen, totdat ze onzichtbaar was. Ik erachteraan..
'Wat een drama’, dacht ik nog, want de
ervaring had mij geleerd dat vanaf het moment van afleiding het hek voor Kirby
van de dam was.
De ADHD in mijn hond was gewekt. Mogelijk
had ik geluk bij een ongeluk en had Kirby geen soortgenoot opgemerkt,
maar slechts een afwijkend geluid gehoord .. Omdat ik niet gekleed was op
een zwempartij, moest ik om de vijver heenrennen om aan de overkant
terecht te komen. Tijdens mijn spurttocht over het natte gras passeerde ik de
visser en zijn gehoorzame Duitse herder weer. De hond knauwde nog steeds op
dezelfde tak. Ik meende dat de visser me hoofdschuddend nakeek. In
tegenstelling tot mijn onkunde had hij zijn hond wel onder controle ja. Dat was
duidelijk.
Toen ik hijgend, puffend en zwetend aan de
andere kant van de vijver was aangekomen, zag ik dat Kirby een meter of
tien verderop een golden retriever lastig viel. Dat wil zeggen; Kirby
wilde spelen. Nou wil Kirby altijd spelen en deze retriever was
niet aangelijnd. Desondanks was de retriever niet bereid om in te gaan op
de avances van mijn hond. Toch werd Kirby niet afgeblaft. Ze werd ook niet
weggejaagd door het baasje van de hond; een vrouw die wel twee meter lang was.
Ik zag alleen haar achterkant. Ze droeg een enorme bos grijze krullen,
stevige gezondheidsstappers en een beige regenjas. Een regenjas met dat warme
weer! Ze stiefelde onaangedaan het parkpad af. De retriever kuierde zoet
met haar mee. De pluisstaart halfstok.
‘Precies zoals het hoort volgens de
dogwhisperer’, dacht ik knarsetandend.
Kirby was inmiddels door het dolle heen.
In haar beruchte trance bleef ze de retriever springend en dansend
volgen. Verstand op nul en blik op oneindig. Tevergeefs riep ik Kirby en rende
nog een stukje achter het steeds kleiner wordende drietal aan. Maar het was
warm en ik was moe en uitgehold. Ineens nam het matte tweetal - met mijn
hyperactieve hond in het kielzog - een afslag en verdween uit mijn blikveld.
Laat ook maar gaan’, dacht ik even; ‘ Laat
Kirby maar sappelen. Verdwaal desnoods! Stomme hond.’
Maar al snel maakten mijn laffe gedachten
plaats voor het besef dat ik mijn dochter Robin nooit meer recht in de
ogen zou durven aankijken als ik gehoor zou geven aan
mijn vluchtneigingen. Dus gilde ik met overslaande stem:
‘Mevrouw met golden retriever! Kunt u even
stil blijven staan! Dan kan ik mijn hond vangen!’
Ik had de woorden nog niet uitgeroepen of
Kirby kwam op mijn stemgeluid af het hoekje omrennen. Tot mijn grote vreugde
stevende ze mijn richting op. Tot ongeveer twee meter afstand. Ik reikte naar
haar halsband, maar Kirby week uit naar rechts en sprong in de vijver. Uit het
veld geslagen begreep ik dat Kirby opeens weer op zoek ging naar de
tennisbal. Verwilderd kroop ze de vijver weer uit en snuffelde zoekend heen en
weer in het struikgewas aan de waterkant.
‘Hoe heet de hond dan probeer ik hem te
pakken!’, opperde een vriendelijke vrouwenstem achter mij.
Ik was inmiddels witheet van woede en
probeerde Kirby in de val te lokken door van een grashelling vlakbij de
waterkant te komen.
'Ze heet Kirby!’, riep ik, terwijl ik me
op Kirby focuste.
Bij het horen van haar naam bleef
Kirby even daas om zich heen staan kijken. Alsof ze zich ineens realiseerde dat
ze kleddernat was, schudde ze zich uit. Het regende druppels. Dat was het
heldere moment waarop ik dacht dat ik Kirby te slim af was. Ik nam een
aanloop en snelde de grashelling af. Maar mijn rechtervoet ging niet mee. Mijn
rechtervoet bleef gewoon staan. Misschien dat m’n voet vastzat in een kuiltje,
maar misschien ook niet. Ik schoof met m’n hele gewicht door over het natte
gras. Omdat ik van een helling afgleed, knalde ik met een noodgang schuin
over mijn vastzittende rechtervoet heen. Ik hoorde iets kraken en zag in een
flits het beeld van de visser en zijn hond die op een tak knauwde. Een verdoofd
gevoel volgde. Alsof het bloed ophield met stromen in mijn rechtervoet.
Ik wist meteen dat er iets helemaal mis was. Ik was op m’n rechterzij terecht
gekomen en langzaam kwam ik met m’n bovenlichaam overeind op zoek naar het
beeld dat bij dat vreemde, allesoverheersende, doffe gevoel hoorde. In een
spastische hoek van negentig graden stond mijn rechtervoet naast mijn
onderbeen. De pezen, spieren en de huid hielden de boel nog wel bij elkaar,
maar aan de linkerkant van mijn rechterbeen stak een stuk afgeknakt bot uit het
gareel. Onderhuids zag je de afgebroken punt in het bot zitten. Het was niet om
aan te zien en ik sloeg de handen voor m’n ogen. Ik verbood mezelf om een
tweede keer te spieken. Ik moest nadenken. Allereerst moest die
schoen uit, want die voet zou gaan zwellen natuurlijk. Voorzichtig friemelde ik
met m’n linkervoet de instapper van mijn getergde rechtervoet. Zonder te
kijken. Kirby was inmiddels heel gedwee naast mijn lamgeslagen been gaan
liggen. Haar lijf straalde onaangename, lauwe, harige, nattigheid uit.'
Heeft ze de hond nou te pakken?’,
vroeg een vreemde, bejaarde stem achter mij.
Er is hier iets niet in de haak’, riep ik
voor me uit.
Op goed geluk. Mijn stem klonk
onvast.
'Nee, dat ziet er zeker niet goed uit’,
zei iemand die vlak achter mij stond.
Het was de vriendelijke vrouwenstem van de
persoon die mij zojuist nog had willen helpen met het vangen van Kirby. Ik
haalde de handen van mijn ogen en keek weg van mijn rechtervoet over mijn
schouder. Schuin achter mij stond een mevrouw die misschien een paar jaar ouder
was dan ik. Ze stak haar hand naar me uit:
‘Ik ben Petra.’
‘Katinka’, antwoordde ik
verbouwereerd, terwijl ik haar hand schudde.
Vervolgens deed ik m’n handen weer voor
m’n ogen:
‘Sorry, maar als ik kijk dan val ik
flauw’.
‘Ik maak je hond even vast’, zei Petra,
terwijl ze de rolriem ergens uit het gras viste.
Precies op dat moment kwam Kirby weer in
actie. In een reflex greep ik haar bij de halsriem. Mijn blik stug van mijn
rechtervoet afgewend. Naast mij dook de oorzaak van de onrust van Kirby op;
weer de golden retriever Ik hield Kirby tegen en gebood haar te gaan
zitten. Wonder boven wonder gaf Kirby gehoor aan mijn oproep, zodat Petra
mijn hond kon aanlijnen. Achter Petra dook ineens de rijzige gestalte van de
dame met de grijze krullen op. De golden retriever voegde zich probleemloos aan
haar zijde.
'Misschien kan ik maar beter gaan. Die
andere hond wordt zo wild van mijn Laika, maar ik lijn haar niet aan. Ze is
mijn blindengeleide hond en ze is op haar best als ze los naast me loopt.‘
Er ging een schok door me heen. Deze
mevrouw had niet op Kirby gereageerd omdat ze blind was! Ze had de aanwezigheid
van Kirby in eerste instantie misschien niet eens opgemerkt. En haar
afgetrainde Laika had in wezen een universitaire opleiding genoten in het
geleiden van blinden. Niet in het spelen met soortgenoten.
‘Mag ik u sterkte wensen mevrouw? Ik heb
begrepen dat er iets mis is met u voet. Ik kan niet veel voor u betekenen, want
ik ben blind ‘
‘Dankuwel’, piepte ik nederig in mijn
handpalmen, terwijl ik dacht; ‘De blinde probeert de kreupele te helpen!’
‘Heb je een telefoon in je tas, Katinka?’
vroeg Petra . Ik had nog steeds mijn handen voor mijn gezicht.
‘Nee, sorry. Ik ging maar even snel met de
hond weg en ik vergeet dat ding altijd. Tot grote ergernis van Hans. Er zitten
wel een portemonnee in mijn tas met daarin al m’n gegevens , een poepzakje en
sleutels.'
Ik wendde mijn blik van de plek des
onheils af. Mijn tas hangt altijd diagonaal over mijn bovenlichaam. Ik lichtte
de schouderband over mijn hoofd en gaf mijn tas aan Petra.
‘Heb je sleutels en een poepzakje in
je portemonnee?’ wilde Petra quasi onbegrijpend weten, terwijl ze de
handtas van mij overnam.
‘Nee’, lachte ik; ‘De inhoud van mijn tas
bestaat uit mijn sleutels, een poepzakje en mijn portemonnee. Het poepzakje is
voor Kirby bedoeld en is – nog – leeg uiteraard.’
‘Nee, dan moet je mijn telefoon maar even
lenen om je partner te bellen. De ambulance is al onderweg. Weet je het nummer
uit je hoofd?’
Terwijl ik het mobiele nummer van Hans
opdreunde, tastte ik met vlakke handen om mijn zitgebied heen op zoek
naar eventuele oneffenheden in het gras. Op welke plek was het zojuist fout
gegaan? Mijn ogen hield ik halsstarrig op Petra gericht.
‘Hans is onderweg’, zei ik tijdens het
telefoongesprek met Hans tegen Petra.
Zeg hem dat hij naar de kinderboerderij
moet komen, dan wacht ik hem daar op met Kirby’. Petra was erg praktisch.
‘Zou je dan wel wat langer kunnen wachten,
want hij moet uit Arnhem komen en dat duurt wel drie kwartier?,’ vroeg ik
namens Hans.
‘Natuurlijk, ik pak de sleutels ook uit je
tas en geef je de rest terug. Misschien kun je de tas ter verhoging onder
je voet leggen.’
‘Geef maar, maar ik doe het wel
blindelings’, antwoordde ik en voegde de daad bij het woord.’
Ik vind je erg moedig en er is geen enkele
reden om naar je voet te staren. Kijk maar niet. Mijn dochter kon de aanblik
ook niet verdragen. Ze staat aan het einde van het Goffertpark op
de uitkijk naar de ambulance.’
‘Bedankt dat je dit alles voor me regelt,
Petra’, hoorde ik mezelf zeggen voordat ik de handen weer op mijn gezicht
drukte.
‘Ik doe dit uit egoïsme hoor!’, grapte
Petra.
Ik vond Petra aardig:
‘Je bedoelt, wie goed doet, goed ontmoet.’
'Ja, en anders had je hier alleen met
Kirby gezeten.’
‘Wat is Kirby trouwens kalm ineens. Hoe
krijg je dat voor elkaar? Heb je zelf ook een hond?’
‘Welnee, joh, ik was met m’n dochter in
het Goffertpark om een puzzeltocht voor morgen uit te zetten, want dan hebben
we familiedag. Heb je pijn?’
‘Weet ik niet’, zei ik naar waarheid.
‘Zou je niet beter achterover gaan
liggen?’
‘Weet ik niet’, herhaalde ik.
In de verte klonk een sirene. Het schelle
geluid kwam snel dichterbij.
‘Daar zul je de ambulance hebben.’
Petra probeerde luchtig over te
komen.
‘Nee, toch, een ambulance met gillende
sirene kan toch niet voor mij bestemd zijn? Ik ben alleen maar
gestruikeld.'
Ik was oprecht verbaasd en Petra zweeg.
Een minuut was het windstil in het Goffertpark aan de waterkant bij die vijver
waarin eigenlijk geen hond mag zwemmen. Het bruggetje voorbij. Even dacht ik
dat ik gelijk had. Geen ambulance met gillende sirene voor mijn bescheiden
persoontje. Maar plotseling voelde ik Kirby alert opspringen. Bij
wijze van reactie nam ik mijn handen van mijn gezicht en werd overvallen
door de aanblik van een gigantische, gele ambulance die met knipperende
alarmlichten, maar met inmiddels gedempte sirene, de parkweg op
kwam rijden. Ik werd echter al snel verblind door de knipperlichten in
combinatie met flikkerende zonnestralen tussen de bladeren van de bomen in het
Goffertpark en vlug verborg ik mijn gezicht weer in mijn handen.
Links van mij hurkte een
ambulancevrouw die een jaar of tien jonger was dan ik. Ze heette Milly,
of Sandra of Peggy – nee Loes - of iets dergelijks en ik vind het
onuitstaanbaar van mezelf dat ik haar naam niet onthouden heb, want ze was
fantastisch. Haar gezicht ben ik niet vergeten, hoewel ik maar heel even
gespiekt heb door de kiertjes tussen mijn vingers. Zij doorbrak meteen mijn
façade . Ik had me onbewust groot gehouden en opeens was ik uitgeput en
gelaten. De ambulanceman die rechts van mij stond vroeg allerlei formaliteiten.
Ik beantwoordde al zijn vragen automatisch en moeiteloos.
‘Ik ben heus niet in shock hoor, volgens
mij dan. Heb je mijn voet gezien? Die is onderhuids verdwaald en staat
heel raar naast m’n been. Ik krijg m’n rechtervoet echt niet meer goed. Uit
mezelf. Dat toch foute boel?’.
'Je voet is uit de kom, die ga ik even
rechtzetten. Daarvoor geef ik je een roesje’, zei Millysandrapeggyloes.
‘Oh, mijn voet is alleen maar uit de kom’,
dacht ik. Dat is natuurlijk net zoiets als je arm uit de kom. Dat zetten
‘ze’ even terug.’
En ik zei:
‘Ik wist helemaal niet dat een voet ook
uit de kom kon raken.’
'Niet schrikken, maar er komt iemand tegen
je rug aanzitten.‘
Ik schrok wel degelijk, want naast mij
doken ineens ook twee agenten op. Op een wijze waarop alleen een politieman en
een politievrouw tegelijkertijd kunnen opduiken uit het niets. Zoals in een
actiefilm; cool, relaxed een beetje heupwiegend. De man zei:
'Ik kom even tegen je rug aanzitten zodat
je zometeen niet met een knal met je achterhoofd op het gras terecht komt
als je in slaap valt.’
‘Goed plan’, vond ik.
‘Denk maar aan iets leuks, want de
ervaring leert dat je straks dan ook prettig wakker wordt’, hoorde ik
Millysandrapeggyloes nog zeggen.
Ik werd wakker in de ambulance. Naast mij
zat Millysandrapeggyloes. Mijn oudste broer Ben was er ook. Begin van dit jaar
is hij overleden. Ik bespeurde zijn geest in de ambulance, niet zijn
fysieke aanwezigheid. Misschien had ik aan hem gedacht net voordat ik in mijn
roes terecht was gekomen. Staan de herinneringen aan mijn broer werkelijk
gelijk aan alleen maar prettige gedachten? Hoe ‘leuk’ was Ben eigenlijk in mijn
leven geweest?
‘Kijk eens naar je voet, dat heeft ze mooi
gefixed , of niet?’, wist Ben op die typische easygoing toon van hem.
God, wat was ik blij om zijn stem te horen
en om zijn wezen dichtbij te weten. Voorzichtig lichtte ik m’n hoofd een
centimeter of drie omhoog. Mijn kin op m’n borst. Ik lag plat op mijn rug,
armen stijf naast m’n lijf en had het gevoel alsof ik in een
schuimrubberen huls verpakt was. In mijn ooghoeken illustreerden psychedelische
vormen en kleuren mijn nevelige toestand. Mijn rechtervoet lag keurig
netjes op zijn plaats in een steun onder een beenbeschermer. Helemaal normaal.
Precies zoals ik dat van m’n rechtervoet gewend was. Ik werd overvallen door
een gigantisch geluksgevoel.
‘Wat heb je dat goed gedaan!’,
complimenteerde ik Millysandrapeggyloes. Ik praatte met dubbele tong en mijn
woorden echode in hoofd.
'So far, so good’, antwoordde
Millysandrapeggyloes kalmpjes. ‘Je enkel is gebroken, we gaan even een foto
maken in het Radboud. Je doet het hartstikke goed, Katinka.’
‘Ja, dat ben ik. Ik ben Katinka. Ben
zegt ook dat je mijn voet mooi gefixed hebt. Ben is dood hoor. Dit jaar
overleden. Jij kunt hem niet meer zien. Hij heeft veel gebroken in zijn leven.
Ben is ervaringsdeskundige. Hij kan me met een gerust hart achterlaten bij jou,
zegt hij’.
'Dag Ben’, zei Millysandrapeggyloes.
‘O, jee, nou denkt ze dat ik gek ben’,
dacht ik. Ik schudde mijn hoofd en probeerde helder te denken. ‘Hoe laat is
het?’ Door de ramen van de ambulance raasde het stadsgroen voorbij in de felle
gele schittering van de zon.
‘Het is half drie.'
‘Dan is Hans nog op tijd thuis om de
kinderen van school te halen.’
‘Waar is je hondje eigenlijk gebleven?’
‘Nou, hondje, zeg maar rustig ‘grote
hond’. Het is een kruising tussen een boxer en een labrador’.
Ik deed m’n best om zo goed mogelijk te
articuleren. Het ging me vrij redelijk af.
'Kirby is met Petra mee.’
‘Voorlopig zullen je kinderen Kirby
uit moeten laten’, grapte Millysandrapeggyloes.
Ik bespeurde een serieuze ondertoon.
‘Dat meen je niet?!’
‘Je bent op z’n minst een week of acht
zoet met een gebroken enkel’, antwoordde Millysandrapeggyloes voorzichtig.
‘Wat kan mij het schelen. Ik ben gewoon
hartstikke blij dat mijn rechtervoet weer gewoon in een normale stand staat!,
riep ik euforisch uit.
'Gelijk heb je en probeer er gewoon het
beste van te maken’, adviseerde Millysandrapeggyloes mij nog.
In het Radboud werd ik op de brancard naar een observatiekamer gereden.
Millysandrapeggyloes bleef nog even bij me, omdat ze graag de mening van een
expert over de kwaliteit van haar eerste hulp wilde horen. Ik merkte
dat het fixeren van een gebroken enkel voor Millysandrapeggyloes geen
dagelijkse kost was, maar ze zei niets. Ik voelde haar adem stokken, terwijl
een arts het zetwerk van de ambulancemevrouw inspecteerde. Hij keek op naar
Milliysandrapeggyloes. De spanning steeg.
‘Dat heb je geweldig gedaan’, concludeerde
de arts kort maar krachtig.
Millysandrapeggyloes groeide. Terecht. En
ik herademde opgelucht. Even verscheen de geest van Ben weer ten tonele:
‘Zei ik toch!’, snoefde hij.
‘Je bent een bikkel’, zei
Millysandrapeggyloes. Ze had tranen in haar ogen.
‘Dat komt door jou, jij bent een kei’,
wist ik droog en ik meende het.
Op diezelfde avond werd ik geopereerd
aan m’n enkel die p drie plaatsen gebroken bleek te zijn. Door een traumateam
onder leiding van Dr. Tan werd er een plaatje met schroeven in mijn enkel
geplaatst. Ik koos voor volledige narcose, want ik had genoeg afwijkende zaken
gezien op die bewuste vrijdag de dertiende. De verpleegsters die mij naar de
operatiekamer reden hadden roodwitblauwe strijdkleuren in het gezicht
geschilderd. Nederland ging op dat moment tekeer tegen Spanje in het WK. Aanvankelijk
hadden ze geen schijn van kans.
‘Mocht Nederland winnen dan gaat het
helemaal goed komen met mij’, zei ik in gedachten alvorens ik wegzonk in de
narcose.
'Niet te geloven het is 5-1', hoorde
ik een mannenstem zeggen op de uitslaapkamer. In de verte hoorde ik gejuich. De
operatie aan mijn enkel is meer dan geslaagd. Nu nog revalideren. Als Nederland
wereldkampioen wordt, dan loop ik straks mee met de Vierdaagse.

Reacties
Een reactie posten