Het Debuut


 

HET DEBUUT

 

 

 

 oftewel

 

 

DE TELOORGANG VAN LOTTE LELY

 

Haatgevoelens zijn diepgewortelde, energie-absorberende emoties. En Miriam weet waar ze over praat, want ze heeft Moon gehaat. Ze heeft Moon met dezelfde intensiteit verwenst als waarmee ze anderen liefheeft. Zelfs nu, bijna twintig jaar later, schrikt Miriam van de kracht waarmee de ingeslapen wrok jegens Moon wakker wordt geschud door een simpel nieuwsbericht. Moon is directrice geworden van één van Nederlands laatste, van oorsprong literaire uitgeverijen. Niet dat het kersverse directeurschap van Moon veel commotie veroorzaakt in de media. Haar benoeming is kennelijk geen wereldschokkend nieuws. Meer een vermelding van een onontkoombaar feit; een logisch gevolg. Zo zie je maar: Als je maar zorgt dat je lang genoeg blijft zitten waar je zit, word je vanzelf weggepromoveerd naar een veilige functie. Een positie waarmee geen schade meer berokkend kan worden. Want moderne schrijvers van eigen bodem zoeken hun heil sowieso allang niet meer bij traditionele uitgeverijen en haar directeuren of directrices. Zo geeft  Miriam haar werk bijvoorbeeld ook uit bij een internetuitgeverij. Lekker online en onpersoonlijk. Daar komt geen Moon aan te pas. Wat dat betreft heeft de nieuwe tijd het cliché van de eenzame schrijver goed gedaan. Soms ontvangt Miriam van haar Nederlandse internet uitgeverij in de mail een nieuwsbrief of een factuur voor promotionele activiteiten. Ook via de mail bereikt haar, ongeveer eens in de twee weken, de column van haar Amerikaanse uitgever. Want na jaren stofvangen op de boekenplank van Miriam is haar debuutroman van het ene op het andere moment – via haar Nederlandse internetuitgeverij - gratis in het  Engels vertaald bij American Star Books. Willem Meinders is de- in Nederland geboren en getogen -  geëmigreerde baas van deze Amerikaanse uitgeverij die haar voortbestaan mede dankt aan auteurs van over de hele wereld die bereid zijn om dik te betalen voor de promotie van hun gratis vertaalde boek. Nu het toch vertaald is in een wereldtaal, kun je net zo goed een paar centen neertellen voor een leuke aanbieding bij de Oprah Winfreyshow of bij Dr. Phil. Wie weet happen ze toe. Nee heb je, ja kun je krijgen en je weet nooit hoe raar een balletje kan rollen. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk en Miriam had nooit kunnen dromen dat haar boek in het Engels vertaald zou worden. Laat staan dat ze gedacht had te kunnen leven met het feit dat de vertaler of vertaalster van haar roman anoniem is en waarschijnlijk ook blijft. De schuldige; is moeilijk te achterhalen; kan van over de hele wereld afkomstig zijn; en heeft zijn of haar werkzaamheden eerlijk gedeeld met een computervertaling; aldus Willem Meinders in een van zijn columns. Fiftyfifty. Eerst is er de computervertaling en daarna de mens. Dit mens maakt de literaire tekst humaan en sociaal acceptabel. Vandaar dat hij of zij in regel wel een universitaire studie- of iets gelijkwaardigs - met goed gevolg heeft afgesloten. Proeve van vakkundigheid. Meestal betreft het hier een studie in een relevante taal. Gelukkig wel. De vertaler of vertaalster is niet al te duur; soms free-lance; soms in vaste dienst; flexibel dus; erg productief en gek genoeg vaker een vrouw dan een man. Trouwens die Willem Meinders kent Miriam ook niet persoonlijk.  Ze heeft hem nooit ontmoet of gesproken. Zelfs de directeur van haar Nederlandse internetuitgeverij heeft ze maar een enkele keer in levende lijve mogen aanschouwen. Weliswaar omringd door een mensenmassa van mede-auteurs tijdens een feestelijke bijeenkomst van de internetuitgeverij – zonder hapjes en drankjes -, maar ze heeft hem gezien. Ze heeft zelfs een keer telefonisch contact met hem gehad over een onbetaalde rekening. De rekening heeft Miriam inmiddels voldaan.

 

Te oordelen naar haar portretfoto op Facebook is Moon maar weinig veranderd.  Nog steeds is ze het evenbeeld van  wat een ongecensureerde uitgave van  actrice Julia Roberts zou kunnen voorstellen. Ze is wel zichtbaar ouder geworden met een diepe groef tussen haar wenkbrauwen. Ook verraden de kraaienpootjes rond haar ogen en lippen de vergane glorie van een oud-redactrice annex vertaalster die eigenlijk iets te mooi was voor haar beroep . Terecht dus dat deze misvatting van de natuur en cultuur vanaf heden verleden tijd genoemd kan worden. Na jaren van ploeteren door de literaire construcsels van creatieve mensen staat mooie Moon dan eindelijk aan het roer van een uitgeverij die, voor de komst van de automatisering, - en ook gedeeltelijk voor de komst van Moon zelf - het belangrijkste en bekendste boekenbedrijf van Nederland was. Van vlak na de oorlog tot en met pak weg begin jaren tachtig. Dit was de bloeiperiode van de uitgever. Eventuele directeurskwaliteiten deden toen nog niet ter zake. Nee, de toenmalige uitgevers waren van die rechtgeaarde, van de tongriem gesneden, intellectuelen. Dus kettingrokende, onverzorgde, flierefluiters. Mannen meestal. Bierende mannen met warrige kapsels in smoezelige, driedelige kostuums die , in de loop van de decennia,  bijna alle begaafde Nederlandse auteurs voor het fonds van de uitgeverij wisten te winnen. Uiteraard met alom geroemde charme, nonchalante overtuigingskracht en enorme voorschotten. Totdat de personal computer zich razendsnel wereldwijd ingeburgerde. De introductie van internet gaf het  prestige van de Nederlandse auteur de doorslaggevende klap.  De fictie uit romans staat natuurlijk in geen vergelijk tot het grenzeloze voorstellingsvermogen van de social media. En hoe kun je kunstenaars verheerlijken als een ieder zichzelf op Facebook op een voetstuk kan zetten? Waarom boeken kopen als je kunt downloaden? De uitgeverswereld schoot in een paniekstuip en veranderde in no time in een bijeengeraapt zooitje cultuurbarbaren. Het traditionele letterenlandschap droogde uit. Zelfs de grootste literaire uitgeverij van Nederland verwerd tot een niemendalletje; tot een soort gesubsidieerd, cultureel, doorgeefluik waar de knappe, uitgebloeide Moon dus tegenwoordig de directrice alias excuustruus mag spelen.

 

Maar twintig jaar geleden was Moon dus nog een fruitige, veelbelovende redactrice bij de belangrijkste uitgeverij van Nederland die toen dus eigenlijk al op haar retour was. Daarom was Moon ook een beetje blue. Ze liep achter de feiten aan. In tegenstelling tot Miriam die vanaf het prille begin van haar schrijverscarrière op de harde, ondefinieerbare , realiteit van de uitgeverswereld voorbereid is geweest. Toen Miriam haar debuut in 1995 probeerde te slijten, wist ze dat er in de moderne wereld van de letteren van haar verwacht werd dat ze door het slijk zou gaan. Er stonden geen ‘uitgevers in de nieuwe stijl ‘ op haar te wachten. Ze was maar een debutante. Ze was de zoveelste freak in een lange rij van excentriekelingen die een paar  eerste stapjes waagden te zetten in de maakbaarheid van de hedendaagse literatuur. Tijdgenoten van Miriam hingen ook daadwerkelijk in de bekende rokerige Amsterdamse kunstenaarskroegen rond in de hoop op een verdwaalde redacteur of hoofd van een uitgeverij. Performen moest je. Voordragen uit eigen werk voor een gratis pilsje, een handje vol kroeglopers en een verdwaalde toerist. Hielenlikken moest je. En smeken:

 ‘Pluk mij, pluk mij!’.

Je moest alles op alles zetten. Desnoods declameren op een zeepkist in het Vondelpark of een willekeurige uitgeverij met rotte eieren bekogelen. Alles in het belang van de literatuur, maar vooral van de promotie van je debuut. Je moest aandacht trekken!!!  Gezien de tijdsgeest;  haar geslacht en relatief jeugdige leeftijd – Miriam was toen dertig -  had ze  - in theorie - ook nog met een hele rij kopstukken uit de grachtengordel sadomasochistische seks moeten hebben alvorens haar debuut eerlijkheidshalve kon worden uitgegeven. Maar Miriam had geluk . Een enkel telefoongesprek met de toenmalige directeur van de huidige uitgeverij van Moon was genoeg. Achteraf bleek deze man veel meer overeenkomsten te vertonen met de uitgever uit vervlogen dagen dan met  de commercieel  directeur die hij volgens de literaire roddelbladen zou moeten zijn. Maar hoe dan ook; hij belde Miriam en bood haar, naar aanleiding van haar ingezonden,  volledig voltooide debuut,  een contract aan. Sommige mensen uit haar directe omgeving geloofden haar niet. Anderen om haar heen waren jaloers.  Alleen haar vriend vond het aanbod van de uitgever de normaalste zaak van de wereld:

'Kwaliteit laat zich niet verloochenen’, zei hij.

Dat zei de uitgever alias directeur aan de telefoon ook. Min of meer:

'Mevrouw’, wist  hij:

‘Van harte gefeliciteerd, u kunt schrijven! Wat heet: U bent een natuurtalent!’

En hoewel Miriam al zolang als ze zich kan herinneren vecht met een sprankelend creatief vermogen, had nog nooit iemand deze magische woorden zo expliciet voor haar uitgespeld. Alsof het een gegeven feit was. Zoals het winnen van een gouden medaille op de olympische spelen. Daar komt nog bij dat deze uitgever niet zomaar iemand was. Nee, hij was iemand die het weten kon.  Het telefoontje werd een memorabel  gesprek dat eigenlijk geen interactie, maar een lofzang van de uitgever was. Miriam had geen commentaar .Na deze complimentenregen heeft ze dagenlang – zo goed als onafgebroken - op de bank in haar huiskamer voor zich uit zitten staren. Ze probeerde te verwerken wat haar precies was medegedeeld. De monoloog van de uitgever bleef maar kringetjes draaien in haar hoofd:

‘We willen uw roman heel graag uitgeven. Er hoeft bijna niets aan veranderd te worden. Zo’n debuut heb ik nog nooit meegemaakt. U moet maar gauw naar Amsterdam komen om een contract te ondertekenen.  Onze redactrice ‘Moon Manders’  neemt binnenkort contact met u op.‘

Daarna bleef het twee weken akelig stil en de euforische, maar verdoofde stemming van Miriam sloeg om in een kriegelige vorm van daadkracht. Ze zou zelf wel naar de uitgeverij bellen om een afspraak te maken. Dat contract was haar beloofd en dat zou er komen ook. Met of zonder Moon Manders, want ze wist zeker dat de uitgever  - of iemand anders – haar niet voor de gek  gehouden had. De typerende klankkleur van de donkere, melodieuze stem van deze man  herkende ze onmiskenbaar van een eerdere ontmoeting.

 

In 1993 solliciteerde Miriam bij hem naar de functie van redacteur. Ze was in die tijd al net zo koortsachtig op zoek naar betaald werk als de jaren ervoor en erna. Miriam reageerde op  een vacature in de Volkskrant. Daar Miriam letteren gestudeerd had, leek een baan bij een uitgeverij haar helemaal niet verkeerd. Een willekeurige uitgeverij, want Miriam was een tikje te wereldwijs om in het culturele boekenbedrijfssprookje uit haar studie te geloven. In de echte uitgeverswereld van de jaren negentig lieten gerenommeerde schrijvers zich wegkopen door de hoogste bieders, alsof ze topvoetballers waren. Aandeelhouders krabbelden zich achter de oren en alle uitgeverijen trilden op hun grondvesten. Zelden nog brachten debutanten direct geld in het laatje. Meestal waren nieuwkomers  een flop en daarmee een kostenpost. Vandaar dus dat de uitgaves zich al gauw beperkten tot vertalingen, herdrukken, of non-fictie. Want er moest natuurlijk ook – of eigenlijk ‘juist’- geld verdiend worden. Daarom verscheen er al gauw nauwelijks nog nieuwe Nederlandse literatuur op de boekenmarkt.  De uitzonderingen die de regel bevestigden bleken vaak eendagsvliegen te zijn. Succesjes van korte duur die ontstonden op basis van interne subsidiëring en een enorme promotieheisa rondom de betreffende auteur. De totale vercommercialisering van het uitgeversvak was een feit. Uit het niets leek wel  doken theatrale, hoogbegaafde , lieflijke prototypen van schrijfstertjes met sensueel getinte bestsellers op. Niet zonder hippe kleding en ingenieuze kapsels in een gestijlde soort van  streetlook uiteraard. Of geposeerde,  klunzige, ondervoede, studentikoze jongensauteurs met  rastahaar en seksueel  gefrustreerde, literaire experimenten. Kennelijk moest een debuterend auteur,  zelfs nadat hij of zijn door een directeur of redacteur was uitverkoren, blijven acteren in de rol van wereldvreemd genie om nog een graantje mee te kunnen pikken in de vergaarbak van een literaire wereld die langzaam maar zeker werd vervangen door een digitaal uitgeversland. Want  in de negentiger jaren wisten de overgebleven literators uit de grachtengordel  met pijn en moeite nog een laatste beetje schijn van culturele status op te houden. Misschien dat  Miriam daarom niet werd  aangenomen als redactrice. Moon wel, maar dat bleek pas later.

 

In 1993 geloofde Miriam nog dat ze was afgewezen voor de vacature van redactrice omdat ze niet voldeed aan de functie-eisen. Vandaag weet ze wel beter. Terugdenkend aan die zonovergoten meiwandeling door de Amsterdamse grachtengordel met een gecharmeerde directeur alias uitgever, gelooft Miriam allang niet meer in de superioriteit van Moon. Haar huidige zelfkennis vertelt Miriam dat zij indertijd gewoon niet het kneedbare redactiemateriaal was geweest.  In tegenstelling tot Moon. Moon was plooibaar en welbeschouwd een gangbaar type. Want Moon mocht dan wel op actrice Julia Roberts lijken, de uitgever paradeerde toch evengoed met Miriam voor het oog van de hele letterenkliek door de kunstenaarswijken van Amsterdam. Onverstoord, maar duidelijk geamuseerd, door alle nieuwsgierige blikken liet hij Miriam, onder het genot van zijn sympathieke stemgeluid , het centrum van de hoofdstad zien. In de privacy van zijn ruime directiekamer op de eerste verdieping van een tot in de puntjes gerenoveerd Amsterdams grachtenpand, werd hij mogelijk nog innemender, terwijl hij  zijn liefde voor het uitgeversvak met Miriam deelde in vrolijke anekdotes, waarbij hij ook nog eens blijk gaf van welgemeende betrokkenheid bij de psyche van zijn schrijvers en dichters. Ondertussen schonk hij koffie in een glas voor Miriam die aan een grote, ruwhouten tafel zat en zijn persoon gefascineerd in zich opnam. De uitgever verontschuldigde zich voor eventuele wanorde, want zijn secretaresse had een dagje vrij. Heimelijk vroeg Miriam zich af welke gerenommeerde auteurs haar waren voorgegaan aan deze tafel en of ze ook koffie uit een glas hadden moeten drinken. Ze rookten samen. De balkondeuren stonden wagenwijd open. Zo nu en dan woei er een vluchtig briesje van buiten naar binnen in de witte ruimte vol zonnestralen. Op het glimmende parket stonden her en der stapeltjes boeken  en een drietal, nog niet opgehangen, kleurige, Hopperachtige schilderijen tegen blanco, hoge wanden. De stadse geluiden op de achtergrond in combinatie met de geur van lente, sterke koffie en sigaretten illustreerden de klik, want hij was en bleef consequent voorkomend en humoristisch en zij lachte veel met haar hele wezen en niet alleen vanuit de keel. Hij bood haar een middag lang de betoverende  illusie dat ze de belangrijkste persoon in het universum  was. Deze ontmoeting was op z’n zachtst gezegd een onorthodox sollicitatiegesprek .Vermoedelijk was de vacature allang vergeven en had de uitgever Miriam alleen maar uitgenodigd om een beetje te kunnen egotrippen.

‘Nodig je alle afgewezen 431 kandidaten op deze manier op je uitgeverij uit? Wat zul je het dan nog druk krijgen!’, wist  Miriam op een gegeven moment.

‘Uit de inhoud van je sollicitatiebrief kon ik afleiden hoe speciaal je bent. Maar je mag aan niemand vertellen dat ik je hier zo gastvrij ontvangen heb’, knipoogde hij raadselachtig , om vervolgens weer net zo makkelijk verder te gaan met zijn warme onthaal.

Misschien wilde hij juist het tegenovergestelde van dat wat hij haar vroeg. Mogelijk moest juist wel iedereen horen van de ontmoeting tussen hem en haar. Wat horen?  Maar waarom anders die opvallende optocht door het centrum van Amsterdam? Miriam kon het niet schelen, want ze vond hem sympathiek en ze zou niet weten aan wie en waarom ze deze ontmoeting in detail zou moeten doorvertellen. Alleen de herinnering zou Miriam blijven koesteren. Vanwege  de persoonlijkheid van de uitgever, de ontspannen, verliefde lentesfeer; maar ook vanwege het bestaansrecht dat Miriam aan deze ontmoeting had kunnen ontlenen. Een bestaansrecht als auteur en niet als redactrice.

 

Twee jaar later zou het debuut van Miriam dus met een heus contract bij de toenmalige  grootste uitgeverij van Nederland, die toen dus allang geruisloos maar gestaag op haar retour was, bezegeld worden. Het moment van de waarheid viel voor Miriam op  6 juli 1995 en dat zou ze delen met uitgerekend die markante uitgever. Dit mooie mens. Juist daarom werd Miriam ook zo onaangenaam overvallen door de gespletenheid van deze man die op deze heugelijke dag tamelijk timide voor haar opdoemde in het kielzog van Moon Manders. Mooie Moon had een heerszuchtige trekje om haar dunne mond en een jaloerse blik in haar sluwe ogen. Miriam probeerde bij deze eerste ontmoeting de klinkende alarmbellen in haar lichaam te temperen. Uitwendig bedaard borg ze haar aantekeningen op in haar aktetas. De hele lange wachttijd had ze getracht te doden met nuttige bezigheden aan de glazen salontafel in de ontvangstruimte bij de receptie. Het slappe handje van Moon Manders drukte Miriam als eerste. De uitgever trok bijna ongemerkt een pruillipje. Zijn begroeting was ook niet veel meer dan een zwak aftreksel van dat wat twee jaar geleden een stevige handdruk was geweest. Miriam vond hem een watje. Waar was de welbespraakte, charmante man van de meiwandeling door het centrum van Amsterdam? Waar was de grote uitgever van het telefoongesprek van nog geen drie weken geleden? Miriam ziet zichzelf nog staan daar in de ontvangstruimte van die belangrijke uitgeverij in dat tot in de puntjes gerenoveerde, Amsterdamse grachtenpand. Ze herinnert zich de marmeren vloer; het Chesterfield bankstel; het trappenhuis met de kleurige, met glas in lood bewerkte ramen; de zelfingenomen dames en heren die druk doende  en mode bewust van boven naar beneden flaneerden en weer terug ; en ze weet nog precies dat die eerste seconden van pijnlijke stilte tussen de uitgever, Moon Manders en zijzelf wel een eeuwigheid leken te duren. Miriam besloot de verstandigste te zijn en opperde, met een schaapachtig lachje richting Moon:

‘Zullen we dan maar?’

‘Ja, laten we nu maar snel zorgen dat we de ondertekening van het contract achter de rug hebben’, antwoordde de uitgever in plaats van Moon op een hectische  toon alsof hij een illegale transactie voor de boeg had.

Alsof iemand zijn enthousiasme over Miriam had getemperd. Niet over het debuut, nee, echt persoonlijk over Miriam; de aanstaande debutante bij zijn grote, belangrijke uitgeverij. Zou Moon Manders de oorzaak zijn van deze achterdocht jegens haar eenvoudige persoontje? Maar wie was dat meiske nou helemaal meer dan Miriam zelf? Dat kon toch niet waar zijn?  Er waren hier toch zeker wel hogere machten aan het werk? Met groeiende tegenzin en loodzware benen hobbelde Miriam achter de uitgever en Moon aan de trappen op. Op naar de bekende directiekamer, alwaar het contract gelukkig wel al heel snel ter hardhouten tafel kwam.

‘Het is een doodgewoon auteurscontract hoor. Elke schrijver krijgt hier eenzelfde contract. Of het nou om Boudewijn Buch, Maarten het Hart, Joost Zwagerman, Tessa de Loo of , bij wijze van spreken, Miriam Muis gaat’, grapte de uitgever misplaatst, terwijl hij het schriftelijke contract met Miriam alvast voorzag van zijn handtekening.

Een gedienstige, vriendelijk secretaresse  schoof het getekende A-viertje onder de neus van Miriam die aan het hoofd van de tafel zat met Moon aan haar linkerzijde en de uitgever aan de rechterkant. Voor de vorm bladerde Miriam de stapel  papieren, die haar doodgewone auteurscontract bleek te zijn, even door, las hier en daar een regel om vervolgens zonder te aarzelen, op het laatste, losse A-viertje, eveneens haar handtekening te plaatsen. Ze had haar pen nog niet neergelegd of de uitgever griste het getekende A-viertje onder haar neus vandaan en voegde het bij het doodgewone auteurscontract dat hij aan de secretaresse overhandigde, alsof er spoed bij de onderhandelingen vereist was geweest.

 

Miriam probeerde de indruk te wekken alsof ze aan de lopende band doodgewone auteurscontracten ondertekende met belangrijke uitgevers en tegelijkertijd was ze zich heel goed bewust van haar eigen zelfverzekerde optreden. Ze wist van zichzelf dat ze een goede actrice was. Ze kon een pokerface opzetten, terwijl ze eigenlijk wilde janken van ellende. Ze kon zich consequent opstellen als een powervrouw. Met een klinkend stemgeluid en een vaste hand. In werkelijkheid spartelde ze inwendig hevig tegen verdrinking in de beladen sfeer in de ruimte.  Een bedompte, duistere ruimte die alle bekoring van twee jaar geleden verloren had en waarin een snerpende transpiratiegeur hing. De hoge witte muren van voorheen zagen geel van de nicotine en de balkondeuren met gesloten, smoezelige lamellen waren dicht, terwijl het toch juli was en prachtig zomerweer. Buiten. Na ondertekening werd de uitgever wel wat minder gespannen, maar hij wekte nog steeds de indruk alsof hij doodsbenauwd was voor Moon die de snelle actie minzaam had bijgewoond en zich nu pas echt begon op te spelen. Het was duidelijk dat Moon chronisch kampte met een flinke dosis tekort aan aandacht. Met tegenzin kwam Miriam haar tegemoet omdat ze , ondanks de paniekvlagen in haar maagstreek, ook de adrenaline door haar aderen voelden razen. Het besef dat ze zojuist een contract had ondertekend met een belangrijke uitgever liet haar niet onberoerd. Het was net echt. Als het goed was dan kwam er nu een droom uit. Als het goed was. Maar er klopte iets niet.

'Moon heeft maar liefst twee universitaire studies afgerond’, fleemde de uitgever.

‘Tsjonge, jonge, en welke twee universitaire studies waren dat dan wel niet?’, vroeg Miriam aan Moon die glazig voor zich uit zat te staren.

Ze zag een beetje pips.

'Misschien moet ze ongesteld worden’, dacht Miriam; ‘dan voel ik me ook altijd zo gammel en dan heb ik ook altijd zo’n futloos haar.

’Ik heb Engels en rechten gestudeerd’, antwoordde Moon niet onvriendelijk alsof het niets was..

‘O, je was zeker de eeuwige student. Of heb je dat in de voorgeschreven tijd van zes jaar gedaan, want anders kan ik het ook?’, lachte Miriam.

'Ik heb mijn twee studies tegelijkertijd in een tijdsbestek van vijf jaar afgerond’, verkondigde Moon plechtig.

'Ik heb maar een enkel studietje in de Letteren in een tijdsbestek van vijf jaar afgerond. Dus petje af’, wist Miriam uit beleefdheid, maar met tegenzin.

Ze kende het studietype  ‘meisje Moon  Manders’ wel. En als je een beetje een IQ hebt en geen leven dan kun je wat Miriam betreft wel twintig studies in vijf jaar afronden. Maar de uitgever fletste:

‘Zie je nou wel.’

Miriam kon hem wel wurgen. Ze had eigenlijk tegen hem willen zeggen:

'Ja, maar ik heb toch dat boek  - dat geweldige debuut - geschreven! Dat heb ik helemaal in mijn uppie gedaan. Niemand heeft me geholpen of begeleid. Nou, ja, m’n vriend gaf mentale ondersteuning natuurlijk, want schrijven is en blijft wel een eenzame en onzekere aangelegenheid. Maar dat is toch nog geen reden om mij vanaf vandaag op te schepen met deze Julia Robertswannebe ? Heb je geen betere redacteurs in de aanbieding? Wij hadden toch wat samen; jij en ik? Of heb je dat soms ook met deze parodie op Neerlands intellectuele dames? Misschien heb je wel veel meer met haar dan met mij? Ga jij dan in plaats van mij met haar samenwerken, want ik wil niet met dit wezen geassocieerd worden!’

Maar in plaats van het uitspreken van haar ongenoegens, monsterde Miriam de uitgever woordeloos. Hij antwoordde geluidloos met een onvermurwbare, afstandelijke blik. Moon Manders daarentegen glimlachte naar Miriam. Deze vriendelijke, onderdanige schrijfster viel haar achteraf reuze mee. Zo te zien was die toegeeflijke  Miriam wel naar haar grijpgrage redactricehand te zetten. En hoezeer Miriam haar kersverse steun en toeverlaat intuïtief ook uit de weg wilde gaan, de wens om uitgegeven te worden leek sterker en was in ieder geval stukken ouder dan de noodzaak om een bloedzuigster als  Moon Manders bij haar schrijverschap op de koop toe te nemen. Bovendien had ze zojuist een contract ondertekend waarin ze zich als auteur had verbonden aan het aanleveren van volledig persklare kopij op 1 november 1995. Die vier maanden van een lange-afstandsrelatie – Moon vanuit de uitgeverij in Amsterdam en Miriam vanuit haar woonhuis in Brabant – moesten toch te overbruggen zijn. De uitgever doorbrak de pijnlijke stilte:

‘Ik zal je een voorschot geven’, begon hij op een gekwelde toon, terwijl hij  aanstalten maakte om de daad bij zijn woord te voegen door een chequeboekje en een balpen uit het borstzakje van zijn overhemd tevoorschijn te toveren.

Moon veerde overeind en reikte inhalig de hals. De uitgever reageerde geïrriteerd op Moon met een sneer richting Miriam:

‘Je moet trouwens niet denken dat een schrijver veel verdient. En het is natuurlijk wel een voorschot.’

De uitgever had de nadruk op het woord ‘voorschot’ gelegd, alsof hij Miriam wilde behoeden  voor te hoge verwachtingen. Maar Miriam dacht niet begrijpend:

‘Ja dat is ook precies de reden waarom ik een boek geschreven heb! Omdat ik in acute geldnood verkeer en omdat schrijven snel veel geld in het laatje brengt! Dat weet toch iedereen!’, maar ze zei;

‘Nee, dank je, ik hoef geen voorschot!’

Onaangenaam verrast klikte de uitgever de punt van zijn balpen weg, borg haar weer op in zijn borstzakje en schoof het blanco chequeboekje langzaam van zich af naar het centrum van de hardhouten tafel. Moon volgde zijn handeling en wierp een dweperige blik op het verwaarloosde chequeboekje. Vervolgens staarde Moon naar Miriam. Haar ogen schoten vol met onbegrip.  Haar mond zakte open. Welke armoedzaaier – en wie in letterenland was dat niet – wilde er nou geen voorschot? De uitgever was minder verbaasd, eerder gelaten, want hij vermoedde waarschijnlijk valse trots. In werkelijkheid dacht Miriam gewoon even praktisch aan haar werkloosheidsuitkering in combinatie met het salaris van haar partner en het negatieve effect van eenmalige inkomsten – in de vorm van een voorschot – op de jaarlijkse inkomstenbelastingen. Veel zou ze niet aan een het geldbedrag overhouden en zo ja, dan nog bestond het risico dat haar debuut helemaal niet goed zou gaan verkopen en in dat rampzalige geval zou Miriam dat voorschot alsnog moeten terugbetalen. Hoe deprimerend wil je het hebben!

 

Na ondertekening van het doodgewone auteurscontract veranderde er helemaal niets aan het dagelijkse Brabantse leven van Miriam. De zomer van 1995 was net zo’n aaneenschakeling van productieve dagen en nachten achter de p.c. als in vervlogen jaren en nog te volgen seizoenen van dat jaar. En de daaropvolgende jaren. Volgens de regels van het doodgewone auteurscontract had Miriam niet alleen de plicht, maar ook het recht om haar debuut naar eigen inzicht persklaar te maken. Van dit recht maakte Miriam dankbaar gebruik tijdens zonovergoten dagen en heldere nachten gevuld met de schrijverij die nog altijd gefinancierd werd door de sociale dienst met een werkloosheidsuitkering. Met of zonder voorschot. Vrijwillig kreeg Miriam geen cent aangeboden van de grootste uitgeverij van Nederland. Geen bedrag voor het persklaar maken van de kopij, geen tegemoetkoming in de reiskosten, geen geld voor papier, printerlint, een droge boterham of een dak boven haar hoofd. Redactrice Moon Manders ontving wel elke maand een salaris van dezelfde uitgeverij. En Miriam taalde ook niet naar geld of morele steun. Het bezit van een doodgewoon auteurscontract op zichzelf was voor haar reden genoeg om zich gesterkt te voelen in haar bestaansrecht als schrijfster. Sinds ondertekening had ze zelfs het waanidee ontwikkeld dat ze onuitgesproken , maar officieel was toegetreden tot een geheime orde van Nederlandse auteurs. Daar was dan ook alles mee gezegd, want niemand van de uitgeverij nam in die tropisch hete periode contact met haar op. Met name Moon Manders hulde zich in stilzwijgen en in een achtbaan van gemengde gevoelens perfectioneerde Miriam, in twee maanden tijd, haar debuut. Wel nam ze zorgvuldig alle eerdere op- en aanmerkingen van de uitgever mee in het proces. Ondanks zijn ogenschijnlijke terughoudendheid tijdens de laatste ontmoeting had hij namelijk tussen de regels door wel veel nuttige tips ter verbetering van haar typoscript gegeven. Zijn waardering sprak uit zijn kritiek en Miriam voelde zich gestreeld en gemotiveerd. Sommige verbeterpunten had hij tijdens de laatste ontmoeting mondeling voor Miriam toegelicht, terwijl Moon afwezig, maar verwoed zat te schrijven. Misschien aan haar eigen debuut? Miriam schreef niet, maar ze luisterde naar de vurige bijdrage van de uitgever die zijn passie voor een paar minuten hervonden had. Zijn genuanceerde suggesties zaten bijna letterlijk opgeslagen in haar schrijvershoofd.  Andere gedetailleerde tips stonden vereeuwigd in de kantlijnen van haar tekst. Miriam herkende zijn woordkeus en handschrift. Niet het schoolmeisjesgekakel en -gekriebel van redactrice Moon. Moon had überhaupt weinig zinnigs mee te delen gehad over haar toekomstige werkzaamheden aan en/of rondom het debuut van Miriam. Ze leek niet erg onder de indruk of enthousiast en achteraf bezien kwam het Miriam voor alsof het schichtige gedrag van de uitgever tijdens de ondertekening van het doodgewone auteurscontract  alles te maken had met zijn plaatsvervangende schaamte voor de lompe, lethargische houding van Moon.

 

In de laatste week van oktober 1995 was de kopij van het debuut van Miriam gereed. Om beschadiging te voorkomen kocht Miriam twee speciale verzendenveloppen in A-vierformaat die gevoerd waren met bolletjesplastic en stuurde twee kopieën van haar herschreven roman aangetekend naar de grachtengordel in Amsterdam. De totale verzendkosten bedroegen vijftig gulden; wat tegenwoordig gelijk staat aan ongeveer dertig euro. Dan is de huidige ‘mail’ toch wel wat goedkoper. De eerste kopie was voor Moon Manders en de tweede deed Miriam voor de zekerheid aan de uitgever toekomen. Ze had nog twintig gulden in haar portemonnee, waarvan ze zichzelf trakteerde op een Cappuccino met een broodje gezond bij de plaatselijke broodjesspeciaalzaak die naast het postkantoor annex de kantoorboekhandel zat. De broodjesspeciaalzaak heeft inmiddels plaatsgemaakt voor een Kruidvat, maar nog steeds kan Miriam moeiteloos dat intense geluksgevoel bij zichzelf oproepen wanneer ze in haar voormalige woonplaats door de Tongelresestraat loopt. Ze wordt dan meteen overvallen door de flashback naar die gewaarwording alsof ze een grandioze prestatie heeft neergezet . Alsof iedereen in de drukke winkelstraat voor haar zou gaan applaudisseren zodra ze zou opstaan van haar terrasstoeltje, wat ze overigens niet van plan was. Integendeel, ze zou juist voor eeuwig in volledige harmonie met zichzelf blijven zitten om zich te koesteren in de herfstzon. Een verkwikkend briesje en de symfonie van de kakelende, winkelende menigte om haar heen liet ze kalm op haar zintuigen inwerken als een melodieuze, rustgevende belevenis . Een bedwelming die traag absorbeerde in herfstachtige flarden van koraalrode, oudroze, okergele en smaragdgroene aardtinten. Nooit eerder was Miriam zo vervuld geweest van zichzelf in het hier en nu. Ze was volmaakt gelukkig op dat moment. En hoewel ze zich niet meer kan herinneren hoelang die hoogmoed nog heeft nagesudderd, weet ze wel precies dat er op 1 november 1995 een abrupt einde kwam aan haar euforie. Op de contractueel vastgelegde datum waarop de kopij van het debuut officieel  ingeleverd behoorde te zijn, ontving Miriam een brief van de uitgever. Op een joviaal toontje liet hij aan Miriam weten  dat de uitgave van haar roman werd uitgesteld. Een andere fantastische schrijfster had haar intrede gemaakt en wel een leeftijdgenote van Miriam met de naam; ‘Grietje Grijp’ en haar grandioze debuut  ‘Springtouw!’. Springtouw was een aangrijpende, maar ook humoristische thriller over een moord in een nieuwbouwwijk. Springtouw  stond onder de redactie van niemand minder dan de bruisende, maar vooral inspirerende redactrice ‘Moon Manders’.  Dit debuut ging dan ook probleemloos een verbijsterende bestseller worden! Of misschien ook niet, want aan de teneur van de brief kon Miriam opmaken dat de uitgever niet voor zichzelf had gesproken. Miriam herkende hem niet in de schrijfstijl; niet in de woordkeus; niet in de aard van berichtgeving. Toch stond ze machteloos. Ze kon hem niet met haar eigen waarheid om de oren slaan; of refereren aan haar mensenkennis die haar nog nooit in de steek gelaten had. Hij zou in zijn ego aangetast zijn. Natuurlijk liet hij – de grote uitgever – zich niet manipuleren door een Moon Manders. Miriam kon hem moeilijk vragen wie hem deze onzin anders had ingefluisterd? Misschien zijn hoofdredacteur die landelijke bekendheid genoot vanwege zijn vele breedsprakige boekenpresentaties op de televisie en radio? Maar tijdens de telefonische complimentenregen had de uitgever de goedkeuring van deze hoofdredacteur ook nog even laten doorschemeren. De hoofdredacteur had het debuut van Miriam, volgens de uitgever, zelfs ‘literatuur’ genoemd. En literatuur brengt geen geld in het laatje. Een schrale troost voor Miriam die niet wist waar ze haar woede laten moest. In elk geval niet bij stijve Moon en haar zuinige glimlach. Moon had wat de Engelsen een ‘meanstreak’ noemen. Letterlijk vertaald; een gemeen trekje. Maar in het Nederlands dekte ‘een gemeen trekje’ de lading niet. Moon had een onprettige, egocentrische persoonlijkheid en was, wat Miriam betreft, een wolf in schaapskleren. Dus verpakte Miriam haar woede in een schriftelijke repliek naar de uitgever, waarin ze hem op de man af vroeg waarom hij haar deze mededeling niet een paar maanden eerder had kunnen doen toekomen. Dan had Miriam het ook wat kalmer aan kunnen doen bij het herschrijven van haar debuut.  Ook stelde Miriam de prangende vraag waarom haar debuut niet tegelijk met Springtouw uitgegeven kon worden?  Haar debuut is geen thriller, maar een maatschappelijke intrige over werkloosheid.  Springtouw en het debuut van Miriam – dat overigens de werktitel:  ‘Honderd op een hoop’ droeg - beten elkaar toch niet? Nog geen twee dagen later lag zijn schriftelijke reactie in de brievenbus. Hij was niet gediend van stoomoverkokende reacties en hij vond dat Miriam de weerstand had van een ééndakstent. Op dat moment had Miriam op haar gevoel moeten afgaan.  Inwendig rinkelden geen alarmbellen meer, maar gingen sirenes af. Miriam luisterde niet.

 

In die dagen werkte de partner van Miriam, Jos genaamd, in de automatisering bij Philips. Mannen zoals Jos werden in de beginperiode van de automatisering in de volksmond ‘Golden Boys’ genoemd. Nou was Jos niet steenrijk, maar hij had een goed salaris. Zeker als dertigplusser. Bovendien bood zijn functie bij Philips andere voordelen zoals de voordelige aanschaf van een personal computer, die Miriam al snel in beslag nam. Voor Miriam was de p.c. toen nog een veredelde typemachine waarop ze juist druk doende was om een excuusbrief naar de uitgever te schrijven, toen de telefoon ging.

‘Dag Miriam, je spreekt met Moon’.

De hartslag van Miriam sloeg een paar klopjes over. Een excuusbrief schrijven is wat anders dan mondeling je verontschuldigingen aanbieden. En ‘sorry‘ zeggen tegen Moon was simpelweg onmogelijk. Eigenlijk vond Miriam dat ze helemaal niets verkeerd had gedaan, maar ze was bang dat de uitgever haar debuut niet meer op de markt zou willen brengen nadat ze hem een ‘stoomoverkokende’ reactie had gestuurd. En Miriam had al geen sadomasochistische seks met hem hoeven te hebben!

‘Hallo Moon’, antwoordde Miriam zo neutraal mogelijk. Ook om tijd te winnen. Ze was niet helemaal zeker van de gesprekstoon die gezet ging worden. Moon klonk amicaal, een beetje geamuseerd zelfs:

‘Je hebt helemaal gelijk hoor! We hadden je inderdaad eerder in kunnen lichten over Grietje. Ik werk heel nauw met haar samen en de uitkomst is een debuut dat zo fantastisch is, dat ‘Springtouw’ even voorrang krijgt op jouw roman. Die is ook best goed hoor, trouwens.’

‘Kijk eens aan’, mokte Miriam.

‘Van uitstel komt geen afstel, hoor’.

Moon vermaakte zich hoorbaar kostelijk en Miriam was op haar hoede;

‘Heb je de kopie van mijn herschreven versie al ontvangen?’

‘Eens even kijken.’

Een minuut of drie bleef het stil aan de andere kant van de lijn. Miriam drukte de hoorn van de telefoon vaster tegen haar oor in de hoop dat ze iets bruikbaars op kon vangen. Het was muisstil.

‘Nee, niks gehad’,  klonk het ineens blij.

Miriam probeerde tevergeefs om haar ingeslikte ergernis niet in haar repliek te laten doorklinken:

‘Geef je secretaresse dan maar even, want ik heb het typoscript aangetekend opgestuurd. Als jouw secretaresse niks ontvangen heeft dan klaag ik de PTT aan.

‘O, jemig, wacht even. Ik zie het hier opeens liggen op mijn bureau. Op een stapel ingezonden manuscripten.’

‘Goh’, wist Miriam: ‘En wanneer gaan we het uitgeven?’

‘Eerst is natuurlijk ‘Springtouw’ van Grietje Grijp aan de beurt.

‘Ja, dat zei je net al. Maar misschien kun je de redactie van ‘Honderd op een hoop’ overdragen aan iemand anders. Je hebt het zo ontzettend druk met Grietje Grijp en ’Springtouw’, merkte Miriam liefjes op.

‘Hoezo?!’

Moon klonk  plotseling verontwaardigd:

‘Ik ben toevallig wel de doorslaggevende factor geweest bij de beslissing om ‘Honderd op een hoop’ uit te geven!’

De vluchtdrang begon Miriam parten te spelen. Hoe meer ze met Moon sprak hoe tegennatuurlijker Miriam zich voelde. Geplastificeerd! Maar vergeet niet: ‘Alles in het belang van de literatuur!’ Moon had ondertussen de draad van het gesprek weer opgepakt:

‘Hoe noemde Ron je ook alweer? Een ééndakstent. Ik zou dat niet pikken joh’.

‘Nee, Ron noemde me geen ééndakstent. Hij zei dat ik de weerstand heb van een ééndakstent en daar zou hij nog weleens gelijk in kunnen hebben ook.’

‘Ach meid, je hebt gewoon een beetje last van de debutantenziekte. Dat hebben alle beginnende schrijvers. En je bent gevoelig. Niets bijzonders. Hebben alle debutanten, dus dat ben ik wel gewend van Grietje.’

‘Grijp’, vulde Miriam aan.

‘Wat zeg je?’

‘Grietje Grijp’.

‘Grietje Grijp , ja’

‘Ja, dat zeg ik en nou?’

‘Wat jij wilt.’

‘Uitgegeven worden.’

‘Ja, de kopij moet nou uiterlijk 15 februari ingeleverd worden, dus in het nieuwe jaar gaan we samen aan de slag. In januari 1996 kan ik tijd maken voor ‘Honderd op een hoop’. Dan heb ik ‘Springtouw’ ook afgerond.’

Miriam zweeg, ze vocht met kortsluiting tussen haar beide hersenhelften. Na een poosje probeerde Moon voorzichtig of ze al een reactie aan Miriam kon ontfutselen:

‘Vind je het handig dat ik je de geredigeerde tekst steeds per post doe toekomen? Ik bedoel , je kunt natuurlijk telkens naar Amsterdam komen, maar er hoeft bijna niets aan de tekst veranderd te worden.’

Miriam haalde diep adem. Om de verwarring in haar hoofd niet compleet te maken besloot ze dat het maar eens afgelopen moest zijn met haar eenkennigheid. De uitgave van haar debuut stond op een hoger plan dan haar aversie  jegens Moon. Een mens kan niet iedereen aardig vinden en nogmaals; vergeet niet: ‘Alles in het belang van de literatuur!’. Miriam kon maar beter dankbaar zijn, omdat ze kennelijk vrij was om haar persoonlijke ontmoetingen met Moon tot het minimum te beperken.  Na een lange pijnlijke stilte vroeg Miriam uiteindelijk knarsetandend:

‘Zegt Ron dat er bijna niets aan mijn tekst veranderd hoeft te worden?’

‘Nou…eigenlijk…wel’, antwoordde  Moon met tegenzin.

‘Mocht ik de behoefte voelen om naar Amsterdam te komen, krijg ik dan onbeperkt reiskostenvergoeding?

‘Ja’, antwoordde Moon wederom niet van harte.

‘Dan redigeren we gewoon via de post’, besloot Miriam opgelucht.

 

Miriam had haar kaarten veel handiger kunnen spelen. Ze had  elke week op de uitgeverij moeten verschijnen. Of nog beter; elke dag. Ze had het gevecht met Miriam gewoon aan moeten gaan! Oog om oog, tand om tand. Dat weet ze nu, maar dat was haar halverwege de jaren negentig ook welbekend. Maar Miriam vond, naast het perfectioneren van haar debuut, haar zelfrespect belangrijker dan het voeden van haar  x-factor, of die van Moon. Onbekende auteurs uit haar kennissenkring  die zich vooral met imagebuilding bezighielden, in plaats van met schrijven , zouden in het geval van Miriam wel  weten hoe ze het varkentje Moon konden wassen. Boy Pulp was zo’n kennis met wie Miriam – op zijn initiatief - regelmatig contact had. Hij had al een roman uitgegeven bij een kleine uitgeverij en hij was nu wel toe aan de overstap naar de grootste uitgeverij van Nederland. Hij wilde ook wel een intellectueel onderonsje – en een contract -  met Moon en Ron! Ron kende hij niet persoonlijk, maar Moon liep hij weleens tegen het aanbiddelijke lijf in de Amsterdamse literaire cafés, waar zij en hij – samen met nog een heleboel andere wannebees uit het literaire circuit - regelmatig hun dagen en nachten sleten. Soms sprak Boy Moon aan. Nooit andersom, dat kon Miriam wel opmaken uit de vele telefonische onderonsjes met Boy.

‘Jij liever dan ik’, grapte Miriam, want ze wist niet zo goed wat ze aanmoest met deze kwetsbare debutant, die eigenlijk gewoon Bob heette en oorspronkelijk uit een dorp bij Zeeland kwam.

Hij had een cultuurshock overgehouden aan zijn verhuizing naar Amsterdam. Al veel langer dan hem lief was kampte hij met een writersblock. Uit wanhoop dompelde hij zijn verkrampte emoties zo diep mogelijk onder in het Amsterdamse literaire circuit; waar hij zijn ogen uitkeek, maar zich ook liet bekijken. Boy was een mooie boerenjongen. Een twintiger in de bloei van zijn leven. Zijn gekaderde verschijning riep bij Miriam associaties op met een soortement ;  ‘Hitlerjugendstijl’; het Germaanse ras: pezig lichaam, blond, blauwe ogen. Constant onder supervisie: van God, Hitler of Big Brother. En hoewel zijn debuut; dat de dubieuze titel ‘Liefdessappen’ droeg, zeker niet slecht was, droop de inhoud van zijn verdrongen homoseksualiteit. Boy had dus nog wat obstakeltjes te overwinnen alvorens hij zich aan het pure schrijverschap zou kunnen overgeven.

‘Wat is puur schrijverschap?’

Boy kon erg pienter uit de hoek komen.

‘De waarheid.’

‘De waarheid bestaat niet’

‘Wel in het echte leven, maar niet in het literaire wereldje van Amsterdam.’

‘Daarom zoek ik ook via allerlei wegen contact met mensen zoals jij. Mensen uit de provincie die ook weleens schrijven’, antwoordde Boy doortrapt.

Boy was met Miriam in contact gekomen via zijn uitgever. Miriam had namelijk een kopie van haar debuut naar alle literaire uitgeverijen in Nederland – een stuk of dertig - gestuurd. Kansberekening. Na ondertekening van haar contract bij de grootste uitgeverij van Nederland had ze de resterende negenentwintig afschriften van haar debuut netjes teruggevraagd. Ze had inmiddels al een contract ondertekend en bij voorbaat dank voor de moeite  Eén voor één druppelden de typoscripten retour. Vaak voorzien van een begeleidend schrijven met een zogenaamde literaire analyse van haar werk, waar Miriam allerminst op zat te wachten. Haar perspectiefwisseling was ongewoon, Miriam werkte teveel met clichés en meer van dat soort vage nonsens.  Opbouwende kritiek is niet erg, maar van ‘geouwehoer  in de ruimte’ word je moedeloos.

‘Ga je lekker valse nicht. Ik mag dan uit de provincie komen, maar Eindhoven is wel de vijfde stad van Nederland’.

‘Miriam Muis uit de provincie; je toont je ware gezicht!  Heeft Moon mijn ‘Liefdessappen’ trouwens gelezen? Ik heb haar wel een exemplaar van de eerste druk gegeven.’

‘Dat moet je aan Moon vragen, maar ik denk het niet.’

‘Waarom denk je van niet?’, vroeg Boy gekrenkt.

‘Waarom wel? Trouwens, ik heb ‘Liefdessappen’ wel gelezen en ik vond het een goed boek’, antwoordde Miriam wijvig.

En ja, ze had aan Moon gevraagd of ze Boy kende en wat ze van zijn debuut vond met de bedoeling om een beetje een idee te krijgen van de intellectuele bagage van haar toekomstige redactrice. Alleen kon Miriam het niet over haar hart verkrijgen om de reactie van Moon aan Boy door te vertellen.

‘Zijn schrijfstijl is wel aardig, maar ‘Liefdessappen’ gaat nergens naartoe’, had Moon terloops opgemerkt.

En Miriam had het zwijgen ertoe gedaan, terwijl ze stiekem dacht:

‘Zo goed als Boy, moet jij nog zien te worden!  Opportunist.’

‘Hoe kom jij aan een exemplaar van Liefdessappen? Ligt het al in de boekhandel dan? Ik weet van niks.’

Boy klonk uit het veld geslagen.

‘Ik weet ook van niks, maar ik heb ‘Liefdessappen’ tijdens de uitreiking van je debuut gekocht. Weet je nog. Ik ben uit collegialiteit naar Amsterdam gekomen op jouw verzoek.’

‘Vind je ‘’Liefdessappen’  goed genoeg voor een contract bij Moon en Ron?’

‘Bel je me daarom zo vaak , slijmerd!

‘Hoe ben jij eigenlijk aan een contract gekomen?’

Waakzaam probeerde Miriam de waarheid met een grap te omzeilen:

‘Ik ben de beste schrijfster van het universum. Beetje Multatuli, een snufje Connie Palmen, enfin, je kent dat wel; Sartre, Proust, Derrida, Foucault, de Beauvoir . Vooral de Beauvoir. Die passie deel ik met mijn moeder. Mijn moeder heeft Frans gestudeerd.  En seks uiteraard. Nou ja, die passie deel ik niet met mijn moeder. Tenminste dat hoop ik. Ik moet er niet aan denken. Ha,ha, ha.  In mijn debuut heeft de protagoniste seks met een oudere man. Je herkent de knipoog naar de wereldliteratuur natuurlijk wel. Ik reken af met de perfect ogende buitenkant als het ware. Ik creëer chaos en zet mensen daarmee aan tot nadenken.

‘Dus je hebt het contract helemaal  niet via Moon?’, vroeg Boy confuus.

Miriam bleef nog even in haar rol van vooruitstrevende schrijfster:

‘Nee, via Ron. Een hele sympathieke man.’

‘Hoe vaak heb je met hem moeten neuken. Ha,ha,ha. Je neukt toch oude mannen?’

‘Ja, hoor heel leuk.’

‘Doe niet zo gevoelig zeg, je zegt net zelf dat je oude mannen neukt’.

‘Nee, ik zeg dat erover schrijf .’

‘Een vriendin van mij schrijft ook.’

‘Echt waar!’

‘Weet je en dan nodigt Moon haar uit op de uitgeverij  en dan heeft ze de hele middag vanalles op het geschreven werk van mijn vriendin aan te merken en vervolgens hoort ze helemaal niks meer van Moon.'

‘Ja, zo ziet Moon er wel uit!’

Miriam sprong bijna uit haar vel, maar ze wantrouwde Boy inmiddels net zo erg als Moon. Eerlijkheid zou funest zijn voor de redactie van haar debuut. Dus probeerde Miriam de aandacht af te leiden door zo naïef mogelijk op de persoon van Boy te reageren, terwijl dit zielige schrijvertje haar in werkelijkheid gestolen kon worden:

‘Misschien moet je vriendin wat beter leren neuken.’

Boy snoof verwijfd en gromde:

‘Ggggrrrrrr’.

‘Is er iets?’

‘Ach, eigenlijk heb ik helemaal niet vaak contact met Moon. Soms dan begroet ze me alsof ik haar beste vriend ben en de dag erop ziet ze ineens niet meer staan. Ze is wel een mooie vrouw, vind ik. Ze lijkt een beetje op Julia Roberts.’

‘Smaken verschillen.’

‘Nou ja…Julia Roberts is een filmster’.

‘Dat zegt niks; Ronald Reagan is ook filmster geweest.’

Geaffecteerd klikte Boy met zijn tong en siste:

‘Wat ben jij een jaloers krengetje. Trouwens, Moon heeft mij wel een uitnodiging gestuurd voor de Nieuwjaarsborrel’.

‘Dolletjes.’

‘Heb je geen uitnodiging gehad? De Nieuwjaarsborrel wordt op 6 januari georganiseerd door jouw uitgeverij’.

‘Mijn uitgeverij’, herhaalde Miriam smalend.

‘Kom je ook?’

Boy klonk ineens opgewonden. Hij sprak met kleine ademstootjes; zoals een blij kind dat naar een verjaardagspartijtje mag.

‘Ik zie wel. De Borrel is pas over een maand ’, wist Miriam naar waarheid:

‘Weet je wat, ik beloof dat ik op kom dagen als jij mij vanaf vandaag  nooit meer belt, afgesproken?’

Boy reageerde niet meer. De verbinding met Amsterdam was verbroken.

 

Een dag voor de Nieuwjaarsborrel ontving Miriam per post het eerste geredigeerde gedeelte van haar debuut met een begeleidend handgeschreven krabbeltje van Moon:

Beste Miriam:

‘Je moet niet schrikken van alle doorhalingen. De meeste debutanten doen dat wel, maar ik weet dat de tekst echt beter wordt als je mijn instructies opvolgt. Ook kan het verhaal veel korter. We moeten ook nadenken over een andere titel. Ron is daar erg goed in. Een vriendelijke groet.’

Miriam schrok zich wild van de eerste aanblik van alle rode strepen en opmerkingen in haar boek. Moon kon haar nog meer vertellen over de debutantenziekte. De tekst was veranderd van een zwart-wit combinatie in een knalrode creatie afgemaakt met een beetje zwart-wit.  Miriam deinsde terug van het papier en greep op hete kolen naar de telefoon. Dit zou geen doen worden. Tot haar grote ergernis kwam Tooske in plaats Moon aan de telefoon. Het zou niet de laatste keer zijn. Tooske was de secretaresse  van de redactie van de grootste uitgeverij van Nederland. Tooske was een veilige dame op middelbare leeftijd. Tooske droeg gepermanente grijze krullen,  stijve hooggesloten bloemetjesblouses met keurige kokerrokken tot ver over de knie en wandelschoenen met veters. Maar dat niet alleen;  seksloze Tooske diende als geleider voor alle bedreigingen van schrijvers richting trendy Moon. Daar kwam Miriam al heel snel achter. Vanaf het begin intervenieerde Tooske geestdriftig  in het telefonische contact tussen Miriam en Moon. Miriam zou gezworen hebben dat Tooske een maandelijkse bonus kreeg voor haar rol als tussenpersoon. Ze had kennelijk de opdracht om tijd te winnen, zodat de betreffende , briesende beller wat af kon koelen alvorens Moon te belagen. En misschien was dat, in het licht van een redelijk beschaafde samenwerking, achteraf bezien maar goed ook. Zonder enig probleem schudde Tooske een ongeloofwaardig arsenaal afleidingsmanoeuvres uit haar mouw.  Bij het allereerste furieuze telefoontje van Miriam was Moon in vergadering. Pas tegen het vallen van de avond belde ze terug.

‘Ik had je toch gewaarschuwd’, begon ze op een minzaam toontje.

‘Nee, dan is het okay’, sneerde Miriam cynisch.

‘Je hebt gewoon last van de debutantenziekte. Ik moet zoveel over me heen laten komen van allerlei auteurs. Onderhand heb ik echt wel begrepen dat al dat rood niet makkelijk is.’

‘Misschien ben je wel gewoon een slechte redactrice’, dacht Miriam, maar ze zei:

‘Als al dat rood nou terecht was, dan zou je mij niet horen, maar jij streept geen taalfouten door, jij censureert complete alinea’s.  Zo blijft er toch geen spaan heel van de strekking  van mijn verhaal?’

‘Hoe bedoel  je?’

‘Op het moment dat ik ‘de retour’ in plaats van ‘het retour’ schrijf dan is dat inderdaad fout, maar als ik schrijf:

‘Zelfs Eric is behept met een veel beter sociaal inzicht’, dan bedoel ik ook ‘behept’ en niet ‘heeft’.

‘Ja, maar ‘behept’ is niet hetzelfde als ‘heeft’.

‘Ja, dat weet ik, daarom heb ik ook ‘behept’ in plaats van ‘heeft’ gebruikt.’

‘Ja, maar ‘behept’ is fout.

‘Waarom is ‘behept’ fout?’

‘Dat is een stijlfout?’

‘Hoezo is dat een stijlfout.’

‘Dat is academisch taalgebruik en daar je moet mee uitkijken, want dat beheers je niet echt. Jouw schrijfstijl is een hele rare mengelmoes van allerlei soorten taalgebruik.’

‘So  what?’

‘Na de uitgave van je debuut krijg je wel met literaire recensenten te maken, dame.’

Moon begon op gang te komen:

‘Bovendien praat je ook heel eenvoudig en dat zou ik graag wat meer in je roman terug zien.’

‘Mag ik daarom niet over ‘de ironie van de verzachtende omstandigheden’ schrijven?’

‘Verzachtende omstandigheden’, is een juridische term en die mag je niet zomaar gebruiken.

‘Jij kan het weten natuurlijk, want jij hebt rechten gestudeerd.’

‘Ook, maar hoe kunnen verzachtende omstandigheden nou ironisch zijn? Niemand hier op de uitgeverij snapt er een snars van.’

Miriam stelde zich een kantoorpark vol met peinzende redactieleden voor. Het beeld werkte op haar lachspieren en ze werd een beetje melig:

‘Nou, in dit geval ligt de ironie van de verzachtende omstandigheden in het feit dat ik gewoon zo graag wil dat mijn debuut uitgegeven wordt  dat ik bereid ben om jou op de koop toe te nemen.’

Moon zag de humor van deze uitleg niet in:

‘Nou zeg je hoeft niet zo vijandig te doen. Als ik niet uitkijk kost die roman van jou mij m’n kop.’

Inmiddels had Miriam de smaak van de conversatie ook te pakken:

‘Ja, want je ben als de dood voor journalisten toch?’

‘Helemaal niet.’

Waarom streep je de zin’; ‘Journalisten hebben een felle uitstraling van nieuwswaarde in de onuitgeslapen ogen.’, dan door?’

‘Omdat onuitgeslapen ogen geen felle uitstraling kunnen hebben.’

‘Wel van nieuwswaarde’.

‘Ja, maar nieuwswaarde zegt iets over journalisten en niet over de ogen.’

‘Daarom juist’.

Moon giechelde en een seconde lang kon Miriam haar verdragen.  En juist op het moment dat Miriam op het punt was aangekomen waarop ze dacht:

‘Vooruit maar, wat kan mij het schelen, dan schrijf ik het wel anders op’, zei Moon;

‘Weet je wat, zie maar wat je met de geredigeerde tekst doet .’

‘Wanneer moet de kopij dit keer klaar zijn?’, vroeg Miriam die graag enigszins volgens een

schema  werkte.  Dan had ze tenminste nog een strohalm waar ze zich aan vast kon klampen.

‘Ergens in februari’,  gaapte Moon.

‘Wanneer wordt het dan uitgegeven?’

‘In juni. We dachten eerst dat we ons met het boek op de markt van pas afgestudeerden konden richten,  dat zou dan in september zijn, maar daar is de roman toch niet zo geschikt voor.’

‘Waarom niet?’

Moon negeerde de vraag:

‘En we moeten nog een titel bedenken voor het boek. ‘Honderd op een hoop’ is helemaal niks. Ron dacht aan;

‘De perfecte sollicitante’.

‘Nee’, zei Miriam: ‘Ik had als alternatieve titel;

 ‘De Sollicitanten’

 in gedachten.’

‘Ja, maar Ron is erg goed in het bedenken van titels.’

‘Ja, maar het is mijn boek.’

‘Ja, maar in het contract staat dat de uitgever de vrijheid heeft om de titel te bepalen.’

‘Ja, maar ik vind ‘De perfecte sollicitante’ geen goede titel. Dan doet Ron toch gewoon alsof hij de titel; ‘De Sollicitanten’, bedacht heeft. Iedereen tevreden.’

Moon zuchtte:

‘Wat ben jij eigenwijs Miriam Muis.’

‘Nee, dat zeg je verkeerd, ik ben niet eigenwijs. Ik heb last van de debutantenziekte!’

Totaal onverwacht schoot Moon luidkeels in een ontwapenende schaterlach en Miriam wist ineens niet meer of ze haar redactrice wel zo onaardig moest vinden.

‘Kom je ook naar de Borrel morgen? ‘, vroeg Moon toen ze min of meer uitgelachen was;

‘Grietje Grijp komt ook!’

‘En Boy Pulp , niet te vergeten!’

‘Wie?’

 

Op 6 januari 1996 was het steenkoud. De onopgeruimde sneeuw op de trottoirs was bevroren en spiegelglad.  Op korte termijn zou het volgens de weersvoorspellingen  gaan ijzelen en Miriam was blij dat er überhaupt treinen richting Amsterdam reden.  Voor de zekerheid had ze extra geld bij zich voor een hotel. Voor het geval ze na de Borrel niet meer  met het openbaar vervoer terug zou kunnen naar Eindhoven. Code rood meldingen werden er in die dagen nog niet via de media vrijgegeven.

‘Misschien kan ik in geval van noodweer wel bij Moon overnachten’, had ze balancerend op de fiets op de nevelige, met rijsporen in verse sneeuw bezoedelde, gladde weg naar het station nog gedacht, omdat ze toen nog niet wist wat haar bij de Borrel  aan de grachtengordel te wachten stond.  Was dat wel het geval geweest dat had ze de moeite en de kosten  van de treintocht  beter kunnen besparen. Miriam had sowieso helemaal geen zin in een Borrel, maar Jos zei:

‘Je moet gewoon wel  gaan en jezelf laten zien. Je moet netwerken.  Dat moet iedereen. Wij in de automatisering  moeten ook allerlei wegen zoeken om ‘in the picture’ te blijven.’

‘Wij in de automatisering is iets heel anders dan wij in de letteren. Mensen in de automatisering zijn vriendelijk en ze gunnen elkaar het licht in de ogen.’

‘Dat komt omdat wij kunnen samenwerken. En omdat het bij ons nog ergens om gaat; om de vooruitgang’,  knipoogde Jos.

‘Ja, en om de keiharde contanten’, meesmuilde Miriam.

‘Beter dan niks, want bij uitgeverijen gaat het nergens meer over.’

‘Lekker dan, dus ik ga nergens over.’

‘Jij gaat toch niet over uitgeven. Jij gaat over schrijven.  En kunst en cultuur vallen niet te verenigen met cijfers.’

‘Goed geantwoord, u  mag door voor de honderd gulden vraag’.

‘Ga jij nou maar door naar Amsterdam’, zei Jos droog.

En hoewel Miriam dus veel liever bij Jos thuis op de bank was gebleven, zat ze tegen het vallen van de duisternis in haar donsgevoerde winterjas met tegenzin te zweten in een tweede klas treincoupe richting hoofdstad.  De ruiten waren beslagen, maar Miriam had toch geen puf om naar buiten te kijken. Ook kon ze niet de energie opbrengen om zich uit haar jas te pellen. Hoewel de ruimte oververhit was. Of juist vanwege de verstikkende warmte.  Miriam bleef roerloos voor zich uit staren naar de grijze rugleuning van de stoel tegenover haar in de felverlichte, overbevolkte coupé;  alwaar een oorverdovend geroezemoes en een penetrant, geurende compilatie van zweet en diverse merken deodorant, after shave, parfum en eau de toilette haar ervan weerhielden om de  gedachten af te leiden van de banaliteit van de dag.  Bovendien lukte het haar op deze manier maar moeilijk om toch vooral geen verstikkende aversie tegen de Borrel te ontwikkelen. Voor Miriam Muis geen dooddoener, maar ook geen rode loper. De gulden middenweg. Dat was duidelijk. Wel vond ze van zichzelf dat ze open moest staan voor nieuwe indrukken. Ze was schrijfster nota bene. Hoe erg kon zo’n  Borrel nou helemaal uitpakken? Toegegeven;  Miriam was nooit happig geweest op het uitgaansleven. Ze haatte het doorzichtige kippetjes en haantjes gedrag waarmee vrouwtjes en mannetjes elkaar probeerden te versieren in luidruchtige discotheken waarin een goed gesprek onmogelijk was. Ze was echter evenmin een voorstander van hangen en oeverloos zwammen aan de bar in smoezelige stamkroegen. Miriam hield er niet van om bekeken te worden en het kale uiterlijk van haar medemens liet haar, zonder nadere toelichting en/of opsmuk, ook tamelijk onberoerd.  En, hoewel toch genoeg gelijkgestemde huismussen uit de directe omgeving  niet gespaard bleven van stevige  kritiek, vonden de  vrienden en kennissen uitgerekend Miriam geen ‘saaie,  uitgedroogde pruim’. Waarschijnlijk werd Miriam gewoon niet op haar woord geloofd. In haar privéleven mocht Miriam misschien wel zelden of nooit op stap gaan, maar ze kleedde zich meestal wel als een diva op oorlogspad. Maar schijn bedriegt; zelfs zodanig dat Miriam gezien werd als een femme fatale, terwijl ze in werkelijkheid gewoon ‘mode’ als hobby had en dat uitdroeg in extravagante kleding,  opzichtige sieraden,  geraffineerde make-up en veel te hoge naaldhakken.

 

Dezelfde hoge naaldhakken voorkwamen dat Miriam uitgleed over de besneeuwde en bevroren trottoirs van de grachtengordel vol met Amsterdamse lichtjes. Tegelijkertijd brak ze door haar sexy schoeisel bijna haar enkels toen ze bij het oversteken bleef steken tussen de kinderkopjes.

‘Breekunekvoorsichtig, dame’,  riep een typische Amsterdamse taxichauffeur Miriam na.

Ze lachte en salueerde :

‘Geen probleem.’

‘Een meissie uit de provincie, met een zachte g.’

De chauffeur ging op zijn scherpe gehoor af. Uit behulpzaamheid was hij op Miriam afgelopen en greep naar haar bovenarm.

Miriam ontweek hem met een brede armzwaai.

‘Kunt u me even naar de Singel rijden?’, vroeg ze,  omdat ze hem niet zonder meer  wilde afwijzen.

‘Dame,  ik ga deze wereldreis met u aanvaarden, maar als u dit steegje hiero uitloopt,  dan bent u er ook!’

‘Nou, dan doe ik dat toch’, antwoordde Miriam met zo’n blik van;

‘Dat wist ik heus wel,  hoor!’

Maar ze kende Amsterdam niet zo goed. Die paar keer dat ze de hoofdstad bezocht had, voelde ze zich wel omarmd door de joviale uitstraling van de mensen en de tolerante sfeer op straat. Ze hield van Amsterdam. Althans van de buitenkant. Maar toen ze de grootste uitgeverij van Nederland binnenstapte, had ze het liefst stante pede rechtsomkeert gemaakt.  Aan de balie van de marmeren ontvangsthal was niemand te bekennen. Wel zag ze Ron de uitgever die in het trappenhuis in een geanimeerd gesprek verwikkeld was met een drie onbekende grijze mannen. De groep stond in een blauwe nicotinewolk op de plek waar voorheen het Chesterfieldbankstel had gestaan. Ontdaan bleef Miriam bij de balie staan wachten met haar winterjas in de arm. Het  ware spektakel vond op de eerste verdieping plaats. Tegen de balustrade hingen de mensen rug aan rug te ageren met een bezieling waar Miriam jaloers op was. Iedereen leek iedereen te kennen en iedereen wist kennelijk ook waar de garderobe was.  Miriam keek zoekend om zich heen. Haar blik viel op een ruimte door een open deur achter de balie. Ze zag geen jassen, maar wel een granitovloer bezaaid met een stuk of dertig, halfvolle plastic tassen van de Aldi en zo’n veertig  al dan niet aangebroken wijnflessen. Op een keukentafel slingerden kurkentrekkers en kurken tussen een kleine twintig torentjes van lege plastic bekertjes. Op een apart tafeltje pronkte een mollige bierton met een lekkend kraantje. De druppels plonsden ritmisch van de fust in een plasje bier op de grond.  Aan de geopende verpakkingen, de besmeurde messen en een dienblad met een handjevol  belegde toastjes op een aanrecht te zien, was iemand halverwege gestopt met het prepareren van hapjes .Het aroma van eiersalade kwam Miriam tegemoet. Onwillekeurig vergeleek ze deze ravage met de goed georganiseerde Borrels die ze via Jos in de automatisering had meegemaakt.  Bij Jos op het werk werd een ieder vriendelijk welkom geheten. Jassen werden in ontvangst genomen en de catering was een gestroomlijnde, onberispelijke oftewel een professionele aangelegenheid. Waarschijnlijk werden de hapjes en drankjes bij deze automatiseringsborrels niet bij de Aldi, maar bij een groothandel ingekocht, maar in het zeldzame uitzonderingsgeval dan kwam de gast deze uitglijder in ieder geval – gelukkig – nooit te weten.  Sowieso smaakte sterke drank hoe dan ook  – duur of niet – beter in een glas dan in een plastic bekertje.  Nooit besparen op glazen. Beter zuinig met de aanschaf van plastic Alditassen. Neem recyclebare boodschappentassen mee naar de supermarkt. Dat zou ook alweer een slok op een borrel hebben gescheeld.

 

Nog steeds met haar donsgevoerde, dikke winterjas als een deken in de arm liep Miriam een beetje verloren op het groepje oude mannen in het trappenhuis  af. Ron de uitgever zag haar op zich afkomen en sneed Miriam de pas af door zich pontificaal, wijdbeens voor haar op te stellen. Hij droeg een zwart driedeling pak, een wit overhemd met een vlinderstrikje en glimmende Italiaanse maffiaschoenen. Hij riep bij Miriam de neiging op meteen een grapje te maken. Zo van:

‘Aangenaam… My name is Bond, James Bond.  Ook  bekend als double 0 seven.’

Maar Miriam wist zich in te houden, nam abrupt pas op plaats en stak vriendschappelijk haar hand naar hem uit. Hij keek haar niet aan en aarzelde hautain voordat hij schijnbaar flegmatisch haar hand nam. Bedremmeld door zijn wrange benadering, probeerde Miriam nog een aanzet tot een conversatie te vinden. Normaliter een van haar specialiteiten. Maar er stond een onzichtbare, onneembare vesting om Ron de uitgever heen. Het leek wel alsof hij zichzelf geweld aan moest doen om recht op zijn benen te blijven staan en Miriam vroeg zich serieus af of hij zo vroeg op de avond al te veel gedronken had. In eerste instantie voelde Miriam dan ook een paniekvlaag door haar maagstreek gaan. Ze haatte pijnlijke stiltes en een paar seconde lang monsterde ze Ron de uitgever die langzaam rood aan begon te lopen. Misschien dat hij zijn vlinderstrikje te strak had aangetrokken? Tegelijk had Miriam schoon genoeg van de vreemde spelletjes van Ron de uitgever. Een driftbui dreigde de overhand op haar onzekerheden te krijgen en uit beleefdheid en zelfrespect besloot ze om hem in z’n vet gaar te laten stomen. Juist op het moment dat hij aanstalten maakte om iets zinnigs uit te brengen,  zijn lippen trilden, draaide Miriam zich toornig om en snelde de trap op. Haar geduld was op. Ze begreep helemaal niets van deze man die haar aanvankelijk zo innemend en intelligent had geleken. Hij was een paljas. En in haar opgeklopte emotie verdronk ze onvoorbereid in een enorme  mensenmassa die haar geen tijd gunde om lang te broeden op de grillen van Ron de uitgever.  In een flits schoten allerlei bekende Nederlanders aan haar blikveld voorbij. Wurmende, lachende, pratende, echte mensen. Allemaal met een plastic bekertje gevuld met sterke drank in de hand. Mensen die ze tot dan toe alleen maar had gezien op de televisie. Bij de ’Goed Nieuwsshow’ van Sonja Barend, de ‘Plantage’ van Hanneke Groenteman of ‘Televizier’ van Karel van de Graaf. Ze moest zich inhouden om de schrijvers, journalisten, literators en andere kunstenaars niet uitbundig te begroeten. Miriam mocht deze mensen  dan wel  herkennen van de beeldbuis, andersom wist nog geen mens wie Miriam Muis eigenlijk wel of niet was.  Hoewel sommige genodigden in haar buurt zich wel onrustig gedroegen. Mogelijk hadden ze iets gemist? Wie was Miriam Muis?  Miriam voelde zich uitvoerig bekeken en werd  al snel overvallen door een sensatie van roem en adoratie. Een gekunstelde beroering die Miriam behoorlijk van haar stuk bracht. In haar vervreemding stortte ze zich op de hoofdredacteur van de grootste uitgeverij van Nederland, meneer Marijn Bos, die ze eveneens herkende van de radio en televisie, maar die, volgens Ron de uitgever, ook vol lof was geweest over haar ingezonden debuut dat toen nog de werktitel  ‘Honderd op een hoop’ droeg.  Als een van de weinigen zou  Marijn Bos dus kunnen weten wie  Miriam Muis in werkelijkheid was.  En met haar jas als pantser vocht Miriam zich door de mensenmassa heen naar Marijn Bos die in het centrum van een cirkeltje van bekende gezichten stond te oreren met zijn beroemde, hoge stem. Bekend van de radio en televisie. Met haar vrije hand greep ze brutaal naar zijn hand. Marijn onderbrak zijn speech en keek haar verontwaardigd aan. Terwijl zijn geïrriteerde oogopslag lijzig in een  geamuseerde blik veranderde, stelde Miriam zich luidkeels voor:

‘Hallo, meneer Marijn Bos.  Ik ben Miriam Muis weet u wel, van het debuut ‘Honderd op een Hoop’.’

‘O ja, dat ken ik’, schreeuwde Marijn Bos lachend terug;

‘Dat gaat harstikke goed verkopen.’

‘Als dat zou kunnen!’, riep Miriam.

Ze liet zijn hand los en maakte aanstalten om de overvolle ruimte te verlaten. Genoeg genetwerkt voor vandaag.  Maar, als een duveltje uit een doosje, trok Marijn Bos haar bij haar middel naar zich toe. Zijn hoofd reikte ongeveer tot aan haar neus. Miriam kreeg het een beetje benauwd. Gelukkig zat de donsgevoerde winterjas tussen Marijn en Miriam in.

‘Je hebt een geweldig talent meid!,’ brulde hij.

Ter illustratie keek Marijn Bos veelbetekenend over de rand van zijn multifocale bril de kring van intimi rond:

‘Koester het, probeer dicht bij jezelf te blijven!’

Miriam wist niet of ze dankbaar of beledigd moest zijn. De toehoorders om haar heen bulkten en Marijn hief zijn plastic bekertje. Onderwijl ontdeed  Miriam zich van zijn arm die hij losjes om haar taille had laten rusten.  Ze draaide zich met moeite een halve slag om en keek recht in de ogen van Moon Manders.

‘Ze heeft veel  te veel  blauwe  oogschaduw gebruikt. Wat lelijk;  dat heeft ze helemaal  niet nodig’, dacht Miriam meteen.

Moon staarde Moon verwachtingsvol aan en zweeg.

‘Moet ik nou iets zeggen? Ik weet niks.’

Zenuwachtig pijnigde Miriam haar hersenen op zoek naar een diepzinnige opmerking. Ondertussen staarde ze naar de halsketting van Moon. Ze had alweer zo’n artistiekerig koord om haar bleke kippennekje. Moon droeg hele speciale sieraden. Niet van goud of zilver, maar ongetwijfeld van andersoortige, kostbare,  zeldzame edelmetalen. Ze kocht haar knotsringen, oor klokken en halsbanden met knoeperds van bedelstenen duidelijk niet in een warenhuis.  Nee, in het voorstellingsvermogen van Miriam was Moon tegen wil en dank onlosmakelijk verbonden met een armlastige, lelijke, boezem vriendin die ook nog eens edelsmid was. Dankzij de klandizie en ondersteuning van Moon kon de hartsvriendin blijven voortploeteren met haar edel smederij in het schuurtje van haar ouders

‘Grietje Grijp is er ook,’ loeide Moon.

Ten langen lesten kon ze voor het oog van de buitenwereld haast niet anders dan een teken van herkenning geven. Miriam Muis was tenslotte evengoed een auteur uit haar fonds.

‘Wat zeg je?’

Ter verduidelijking van haar bedoeling begon Moon plompverloren aan de arm van Miriam te trekken in een verwoede poging om haar rivale weg te loodsen van Marijn Bos, die sowieso allang niet meer geïnteresseerd was in het jonge volk. Moon probeerde  Miriam in de richting van Grietje Grijp te sturen. Weerbarstig rukte Miriam haar arm los uit de venijnige greep van Moon en trapte tegelijkertijd met haar naaldhak op de tenen van iemand die pal achter haar stond.

‘Au, hier sta ik!’

De uitroep van Boy Pulp overstemde de kolkende volume zee.

‘Het spijt me, maar als je alles gehad denkt te hebben!’, verzuchtte Miriam op spreektoon en dus onhoorbaar.

‘Ik versta je niet’, gilde Boy op een verwijtend toontje.

Met zijn ogen zocht hij steun bij Moon die direct begon te schokschouderen en weg te kijken, terwijl Miriam demonstratief haar hand hief en uitbundig zwaaide:

‘Het genoegen was geheel mijnerzijds, beste  mensen. Ik ga de terugreis naar Eindhoven aanvaarden.’

Niemand luisterde.

 

Een maand na dato was het eerste dat Moon vroeg;

‘Wat vond je van de Borrel?’

Miriam kon er kort over zijn:

‘Ik houd niet zo van Borrels’.

‘Wij vonden het een groot succes.’

‘De bedoeling van Borrels is toch dat je lobbyt? Er viel helaas niet veel te lobbyen. Ik zag alleen maar mediapersoonlijkheden, maar ja die herkenden mij weer niet.’

Voor de zekerheid vertelde Miriam er maar niet bij dat ze wel zo slim was geweest om een beleefd bedankkaartje naar Marijn Bos te sturen. Hij was misschien oubollig , maar de manier waarop hij haar benaderd had tijdens de Borrel had haar geen kwaad gedaan. Stiekem wenste Miriam dat ze hetzelfde van Ron de uitgever kon zeggen.

‘Misschien had ik je aan wat vrienden van mij voor kunnen stellen’, piepte Moon vals.

‘Weet ik veel. Ik ga jou niet vertellen wat je moet doen. Bovendien heb ik je twee dagen geleden niet gebeld over de Borrel. Heeft Tooske dat niet doorgegeven?’

‘Je was een beetje boos, zei Tooske’.

‘Dat is een eufemisme.’

Moon zuchtte.

Miriam zuchtte haar na en vervolgde:

‘Ik belde je omdat ik helemaal niets snap van je op- en aanmerkingen op mijn tekst.’

‘Dat is heel normaal. Dat heb ik je al uitgelegd. Dat is de debutantenziekte. Grietje Grijp heeft daar ook last van gehad!’

‘Ik ben Grietje Grijp niet en mijn boek draagt niet de titel Springtouw.’

‘Nee, dat snap ik ook best. Jouw debuut  is jouw boek. Jouw baby’tje. Jouw kindje.’

‘Als je dat maar weet’.

‘Ja, Miriam, dat weet ik’.

De toon van Moon was lamlendig, maar Miriam liet zich niet intimideren:

‘Waarom bel je me dan niet meteen terug, Moon?’

‘Wat wil je nou, Miriam? Je bent echt helemaal niets bijzonders, hoor. Weet je wel hoeveel schrijvers wij in het fonds hebben? We zijn de grootste uitgeverij van Nederland! Je mag blij zijn dat je regelmatig post met geredigeerde tekst van mij krijgt. Bovendien heb ik je eergisteren schriftelijk laten weten dat Ron instemt met de titel ‘De Sollicitanten’. Binnenkort is het Boekenweek. Ik heb duizend en een dingen aan m’n hoofd.’

‘Ik ook Moon, ik ook. En dankzij jou moet ik me de hele godganse dag met ondingen bezighouden.’

Het bleef dreigend stil aan de andere kant van de lijn, maar Miriam vervolgde:

‘Heb je tegen Ron gezegd dat de nieuwe titel voor mijn boek  van mij – en niet van jou -  afkomstig was? In de laatste brief van jou stond namelijk alleen maar; ’Ron vond ‘De sollicitanten’ een goede titel. Laten we die dus maar nemen.’ Meer niet!’

‘Ach, ik kan best vergeten zijn om te vertellen dat jij de titel verzonnen hebt, maar dat maakt toch ook helemaal niet uit. Dat heb je zelf gezegd,’

Moon bezigde een ironisch ondertoontje dat Miriam tot waanzin dreef. Ze kon haar woede maar met moeite onderdrukken.

‘Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat ik de titel ‘De Sollicitanten’ beter vind dan ‘De Perfecte Sollicitante’ en dat Ron-  de uitgever in dit geval - van mij best aan de rest van de wereld mag vertellen dat hij die titel verzonnen heeft. Niet jij!’

‘Je moet blij zijn dat ik niet gezegd heb dat je bepaalde personen uit je verhaal weg moet laten!’ probeerde Moon betrapt.

‘Wat zeg je nou?’

Miriam begon vlam te vatten.

Moon was er als de kippen bij om het vuurtje te doven:

‘Sorry, dat bedoelde ik niet zo, maar ik zit er een beetje doorheen. Al die drukte rond Grietje Grijp en Springtouw’.

‘Nou moet je eens goed luisteren Moon. Ik ben al vijf kilo afgevallen in een maand tijd. Ik werk me helemaal de vernieling in, omdat ik niet kan omgaan met jou redactiewerk. Ben je me bewust aan het traineren o zo? Wat is de reden van je inconsequente manier van redigeren? Je laat me complete alinea’s veranderen en zodra ik – met de grootst mogelijke capriolen – het klaarspeel om precies te doen wat jij van mij eist – en God weet dat de Mandersschrijfstijl  niet de mijne is – dan stuur je me vlak voor het weekend een briefje met daarin de boodschap dat je de boel weer terug wilt in de oorspronkelijke staat. Op die manier kan ik je niet eens lik op stuk geven – en dat weet jij ook heel goed-, want in het weekend werk jij niet natuurlijk! Heb jij eigenlijk wel verstand van redigeren?’

Er viel een stilte.

‘Contact’, toeterde Miriam , die tot op haar botten geërgerd was, door de hoorn.

‘Je moet gewoon meer duidelijk maken aan de hand van de personages.  Zoiets als Flaubert doet in Madame Bovary’, hakkelde Moon huilerig.

De ironie was ze kwijt en had plaatsgemaakt voor zelfmedelijden; een eigenschap die bij Miriam een allergische zenuwreactie opriep:

‘Oh God help me, dat meen je toch niet!’

Moedeloos liet Miriam de hoorn van de telefoon op haar bureaublad vallen. Zo’n dikke twee minuten lang masseerde ze haar slapen. Toen ze enigszins tot zichzelf was gekomen, nam ze de hoorn weer op en informeerde verslagen;

‘Wat is dit, Moon?’

‘Ik kan gewoon niet redigeren via de telefoon’,  hikte Moon.

De huilbui was nu compleet met kermende piepjes en zachte snikjes

‘Dan kom ik toch naar Amsterdam.’

Moon haalde haar neus op en kweelde:

‘Is dat niet teveel gedoe voor jou?’

‘Hoezo, ik heb in Den Haag bij de Nederlandse Vrouwen Raad gewerkt, terwijl ik in Eindhoven woonde. Dagelijks treinde ik op en neer. Ik ben wel wat gewend hoor!’

‘Ja, maar jij wilde niet naar Amsterdam komen. Toch?’

 Moon slikte hoorbaar de laatste paar tranen weg en Miriam voelde de vulkaan in haar buik weer opborrelen:

‘Je legt me weer woorden in m’n mond, Moon. Jij liet mij de keuze, weet je nog?’

‘Oh, ja, dat is waar ook. Nou,  trek je agenda dan maar even’, antwoordde Moon vrolijk.

‘Ze is echt compleet gestoord’, dacht Miriam zwijgend.

‘Dan moet je maar op vrijdag 23 februari komen, want ik wil geen half werk afleveren’, besloot Moon voldaan.

 

Miriam had de hoorn nog niet op de haak gelegd of de tranen van ellende sprongen spontaan in haar oververmoeide ogen. Ze was uitgeput.

‘Probeer eerst eens fatsoenlijk te eten!’, stelde Jos voor.

De dampende kom met maaltijd tomatensoep, die Jos haar liefdevol voorschotelde, werd genegeerd.  Voor de zoveelste keer in januari van dat jaar duwde  Miriam bij Jos een geredigeerde pagina onder de neus.  .

‘Hier staat; ‘Zij was de enige van de dames die nog geen eigen bijdrage had geleverd aan het potje bevrijdend janken dat op haar werk schering en inslag was’.

‘En wat is daarmee?’, vroeg Jos op een gekwelde toon die aangaf dat zijn geduld zo langzaamaan ook op dreigde te raken.

Hij maakte een prop van het A-viertje met de bewuste zin en mikte het in de hondenmand.  De hond lag plat op de bank en wendde ongeïnteresseerd de kop af. Jos reageerde zijn frustratie verder af op het stokbrood dat hij woest verscheurde.

Miriam liet zich door het humeur van Jos echter niet weerhouden om verder te zeuren:

‘Nou dan onderstreept Moon het verwijswoord ‘dat’ in de zin. Dan weet ze zogenaamd niet waar ‘dat’ naar verwijst. Maar op welke manier moet ik het dan opschrijven? ‘Dat’ verwijst toch gewoon naar ‘het potje bevrijdend janken’ in de zin. Of niet?’

‘Ja, Miriam. Je hebt gelijk. Doe alsjeblieft dat wat jou goeddunkt en niet dat wat Moon Manders je beveelt. Zoals ik de afgelopen weken al duizend keer heb uitgelegd; die Moon Manders is een wolf in schaapskleren. Bovendien is ze nogal dom. Dat blijkt wel uit haar manier van redigeren. Ze snapt echt veel minder dan jij je kunt voorstellen, Miriam.’

Geagiteerd smeerde Jos kruidenboter op zijn homp stokbrood. Miriam probeerde met alle geweld om het stromen van haar misèretranen te stelpen. Verwoed bladerde ze door haar typoscript totdat ze op het volgende punt van frustratie stuitte:

‘En hier, op deze pagina, bij de cruciale scene; je weet wel waar de hoofdpersoon gewaagde seks heeft met een oudere man. Hier staat de zin: ‘Het droge besef van de enscenering maakt de situatie onverdraaglijk!’ Dan zet Moon een vraagteken bij ‘enscenering’. Ze snapt niet wat ik met ‘enscenering’ bedoel, maar ik bedoel toch gewoon dat die oudere man mijn hoofdpersoon oraal aan het bevredigen is en dat mijn hoofdpersoon zich ongemakkelijk voelt bij die orale bevrediging. En dan zegt Moon: ’Ja, schrijf dat dan ook op, dan snap ik het tenminste.’ Maar ik ben toch schrijfster. Ik ben toch geen verslaggeefster?’

Getergd masseerde Jos zijn hals:

‘Nogmaals; Moon Manders snapt veel minder dan jij je kunt voorstellen.’

‘Dus volgens jou heeft Moon zich nog nooit ongemakkelijk gevoeld tijdens seks?’

‘Misschien is ze nog maagd?’, vroeg Jos gekscherend.

Grinnikend  zette hij zijn tanden in zijn homp stokbrood,  werkte een hap naar binnen en kauwde zelfvoldaan.

En wat moet ik nou doen dan?’

‘Ophouden met huilen’, gebood Jos met volle mond. Terecht.

Miriam wreef over haar wangen. De kom met maaltijd tomatensoep schoof ze van zich af. Ze zou toch geen hap door haar keel krijgen. Halsstarrig plaatste Jos  de dampende kom soep weer terug op de oorspronkelijke plaats.  Hij drukte een lepel in haar hand en beval:

‘EET en vertrouw op Ron de uitgever!’

Miriam huilde niet meer en geprikkeld door het bazige gedrag van Jos, riep ze verontwaardigd uit:

‘Hoezo, Ron de uitgever is Big Brother niet. Alsof Ron de uitgever mij op m’n woord zal geloven! Ik ben altijd de oorzaak, de dwarsligster, de eigenwijsneus, de neuroot, het miskende genie. Vraag maar aan m’n moeder! Gisteren zei moeder; ‘Wat kun jij toch zeuren, miskend genie’ . Ze noemde me gewoon een miskend genie. O, ja en een kenau. En m’n vader voegde er nog vriendelijk aan toe dat hij wel vond dat ik haar op m’n tanden had. Haar op m’n tanden! Meelevende ouders heb ik , toch?! ’

‘Je weet toch hoe ze zijn’, zei Jos nuchter.

’O, ja en dan zijn kwetsbare vrouwen zoals moeder en Moon natuurlijk weer het slachtoffer van mijn lompe optreden.’

‘Daar gaan we weer. Je moeder is echt wel  trots op je, dat weet je en je vader ook.’

Miriam maakte een afwerend gebaar:

‘Man, houd toch op. Wat weet jij van mijn ouders?

‘Genoeg. Ze willen voornamelijk met rust gelaten worden. Dat is altijd zo geweest, dus doe nou niet alsof de afwijzende houding van je ouders nieuw voor je is. Het voordeel is wel dat je kunt doen en laten wat je wilt. Je ouders zul  je niet horen. Je kunt dus ook schrijven wat je wilt.’

‘Ieder nadeel heb z’n voordeel’, gaf  Miriam met een waterig lachje toe.

‘Verder zijn de meeste  mensen niet op een constructieve manier met anderen bezig . Zo’n Moon Manders is voornamelijk op zichzelf gericht. Ze vindt je waarschijnlijk nog aardig ook.’

‘Echt niet!’, griezelde Miriam ongelovig.

‘Wedden?! Dus het is niet waar dat iedereen je ziet als een kenau  Miriam.’

Jos gebaarde met zijn soeplepel tijdens het praten en verspreidde kleine speldenprikjes tomatensoep op zijn witte blouse.

‘Voor jou is het niet waar en voor mij wel’, concludeerde Miriam met droge ogen en enigszins gekalmeerd.

‘Je moet iets doen Miriam, want zelfs ik trek dit niet meer. Ik herken je niet Miriam. Waar is je zelfvertrouwen?’

Bedachtzaam lepelde Miriam in haar soep. Ze wist dat Jos gelijk had. Op deze manier hielp ze niet alleen haar schrijverstalent, maar ook haar relatie naar de knoppen. In het omgekeerde geval zou zij precies hetzelfde tegen Jos gezegd hebben.

‘Ik kan een brief schrijven naar Ron de uitgever, waarin ik kort uitleg dat de samenwerking tussen Moon en mij niet helemaal naar wens verloopt.’

‘Dat is in ieder geval beter dan niets doen’.

Jos klonk alvast opgelucht.

‘Vergeet niet:  Alles in het belang van de literatuur’, declameerde Miriam met een zuur gezicht.

Zonder aarzelen gaf Jos tegengas:

‘Vergeet niet:  Miriam Muis heeft zichzelf al bewezen en  pas  in Utopia komt het debuut van Moontje Manders op de markt.’

Maar misschien had Moon al meer schade aan het debutantensprookje berokkend dan Miriam aan Jos en zichzelf wilde toegeven.

 

Vrijdag 23 februari 1996 was een typische vlees noch vis dag. Sinds de dooi een paar weken geleden was ingetreden was het niet koud en ook niet warm. De lucht was grijs en de uitstraling van de grootste uitgeverij van Nederland boette wat Miriam betreft bij ieder opeenvolgend bezoek weer wat meer aan grandeur in. De sfeer van 23 februari paste moeiteloos in de keten van saaie dagen uit haar jaren op de middelbare school en aan de universiteit.  Eigenlijk deed de grootste uitgeverij van Nederland haar op haar allerlaatste bezoek aan niets anders meer dan aan school denken. En Moon Manders was de lerares. Fantasie – en seksloos, maar vooral inwisselbaar voor een leukere leraar. Tooske had weleens aan de telefoon gesuggereerd:

‘Misschien moet je een andere redactrice!?’

Angstig had Miriam deze optie van de hand gewezen. Ze was veel te bang dat een nieuwe redactrice haar de kop en haar reputatie zouden kosten.  Misschien dat ze na de uitgave van haar debuut voldoende krediet bij Ron de uitgever zou hebben opgebouwd om naar een andere redacteur te vragen. Tot dan zou de kenau, het miskende genie zich wijselijk op de achtergrond houden. Er zat niets anders op dan met Moon door te blijven tobben. Op die bewuste, doordeweekse dag in februari  wel vijf uur achtereen. De besprekingen gingen nergens over en al spoedig sloegen Miriam en Moon aan het bekvechten. Miriam vroeg bijvoorbeeld:

‘Waarom mag ik geen handdoek gebruiken?’

En dan zei Moon bij wijze van spreken:

‘Ik wil dat je ‘theedoek’ gebruikt’.

‘Wij gebruiken thuis nooit het woord ‘theedoek’.‘

‘En toch wil ik dat je het gebruikt.’

‘Aha, nou doe je het zelf.’

‘Wat?’

‘Je gebruikt een verwijswoord!’

‘Doe niet zo kinderachtig.’

‘Hoezo doe ik kinderachtig. Telkens als ik in mijn tekst een verwijswoord gebruik dan raak jij helemaal van de kaart en snap je prompt niets meer van het verhaal.’

‘Misschien kun je wel niet schrijven.’

‘Wat doen we hier dan, want jij kunt zeker niet redigeren.’

‘Ik maak maar een grapje. Trouwens, wanneer heb ik zojuist dan een verwijswoord gebruikt?’

‘Je zei, en toch wil ik dat je ‘het’ gebruikt.’

‘Wat snap je daar niet aan?’

‘Waar verwijst ‘het’ naar?’

‘Het verwijst in dit geval naar 'het woord' en wel; ‘theedoek’.

‘Handdoek’.

‘Doe niet zo vijandig. Je doet altijd zo vijandig tegen mij’.

‘O, ja, wat gek zeg, dat hoor ik nooit van mijn vrienden.’

‘Zullen we een broodje gaan eten, ik heb honger.’

‘Nee, door jou krijg ik al maanden geen hap meer door mijn keel. Ik heb niet het idee dat daar vandaag – als door een wonder – ineens verandering in gaat komen. Wanneer moet de kopij eigenlijk dit keer ingeleverd worden?’

Moon stond op van de hardhouten tafel en liep naar het lege bureau van Ron de uitgever. Hij was met vakantie. Heimelijk had Miriam zich al afgevraagd waarom ze uitgerekend tot 23 februari had moeten wachten, alvorens ze  - wat Moon aanging - überhaupt welkom was op de uitgeverij. Via  een  intercom bestelde Moon demonstratief,  in het algemeen,  een broodje filet American en een thee. Miriam nam aan dat haar bestelling tot in de redactiekamer te horen viel. Terwijl Moon met haar ogen het bureaublad van Ron de uitgever overzag, herhaalde Miriam haar vraag:

‘Wanneer moet de kopij dit keer ingeleverd worden?’

Zoekend bladerde Moon  door een stapel papieren op het bureau van Ron de uitgever en antwoordde afwezig:

‘Ergens, in mei.’

‘En wanneer wordt ‘De Sollicitanten’ ook weer uitgegeven?’

Een strikvraag die Moon ontging, terwijl ze inmiddels in de bureaulades van Ron de uitgever aan het struinen was.

‘Juni was toch het absolute uitgangspunt?’, vroeg  Moon onnozel naar de bekende weg.

Miriam herademde stiekem opgelucht,

‘Zoek je misschien iets, Moon?’

Onaangenaam verrast staakte Moon haar bezigheden. Miriam bleef vanuit haar zitplaats, over haar schouder naar Moon kijken en vroeg:

‘Hoeveel tijd heeft een persklaarmaker eigenlijk in de regel nodig voor de kopij?’

‘Weet ik veel, minstens vier maanden’, antwoordde Moon ondoordacht.

‘Maar dan redden we juni toch helemaal niet meer!’, riep Miriam radeloos uit.

Weg was de opluchting van korte duur. Tegelijk met het openen van de deur van de directiekamer door Tooske.  Ze kwam de lunch brengen. Een broodje filet  Americain en een thee.

 ‘Je moet zo weg, Moon,  je hebt een belangrijk afspraak’.

Door de chronische interventie van Tooske was Miriam inmiddels thuis in het ontcijferen van haar geheimtaal. Deze afspraak was duidelijk een vooropgezette leugen en Miriam voelde zich verraden.

‘Kan ik nog een glaasje koffie krijgen, alstublieft.’

‘Natuurlijk.’

‘Doe de deur achter je dicht, Tooske’, snauwde Moon.

Ze nam weer plaats aan de hardhouten tafel en herstelde zich. Ze ademde drie keer in en uit en hief plechtig aan:

‘Ik heb nog wat met je te bespreken.’

Geamuseerd zakte Miriam  onderuit in haar stoel. Ze dacht aan haar klaagbrief aan Ron de uitgever. De ballen in haar buik minderden vaart. Dat was de ommekeer. De ballen rolden uit totdat ze roerloos verdwenen, waardoor ze zich eindelijk onbekommerd durfde over te geven aan haar ware ik. Aan de mens Miriam Muis in plaats van aan de schrijfster; om het maar eens zweverig te benoemen.  Vanaf dat ogenblik was Miriam onaantastbaar.

‘Laat maak komen dan!’

‘Ik wil dat je weet dat ik je brief aan Ron de uitgever gelezen heb’, vervolgde Moon met een hete aardappel in haar mond.

Haar lunch stond nog onaangeroerd op de hardhouten tafel.

‘Dat dacht ik wel, nou en? Ik mag toch wel voor mezelf opkomen? Jij bent toch ook alleen maar met jezelf bezig?’

‘Ja, maar zo’n brief kan heel schadelijk voor mij zijn. Het is dat ik op zo’n goede voet sta met de directie, want er staan een paar dingen in die echt niet door de beugel  kunnen. Je beweert bijvoorbeeld dat ik manipuleer.’

‘Ja, dat vind ik ook. Met je onkunde en je gewauwel over de debutantenziekte. Je steken onder water. Om nog maar te zwijgen van Grietje Grijp en haar Springtouw.’

Moon keek heel beteuterd en sputterde:

‘Ik wil ook alleen maar dat je weet dat Ron de uitgever mij die brief heeft laten lezen en dat de inhoud hier heel hoog opgenomen is. Ik had daarvoor bewust niets tegen Ron de uitgever gezegd. Als er problemen zijn dan dien je naar mij te komen!’

Miriam ontplofte bijna. Deze keer echter zonder de verstikkende neiging om van haar hart een moordkuil te maken, wat heel bevrijdend werkte:

‘De inhoud van die brief heb ik heel  bewust overwogen. Samen met Jos. Mijn partner.  En ik heb geprobeerd om met je te communiceren. Maar jij en ik zitten niet op een golflengte, Moon. Het spijt me dat ik het zeggen moet! ‘

‘Nou,  jaaah’,  snoof  Moon.

‘Ik heb al die tijd met je aan de telefoon gezeten. Ik heb je opgevangen met je schrijfproblemen en zo.’

Miriam sprong op uit haar stoel en verhief doelbewust haar stem:

‘Schrijfproblemen? Ik heb geen schrijfproblemen. Ik heb problemen met jou!’

Precies nadat Miriam was uitgeschreeuwd kwam Tooske binnen met het bestelde glas met koffie.

‘Alsjeblieft’, zei ze gedwee.

‘Dankjewel’, antwoordde Miriam. Ze was alweer bekomen. Opnieuw nam ze plaats aan de hardhouten tafel achter haar glas met dampende koffie.

‘Zeg, Moon je moet zo weg, vergeet dat nou niet!’

Moon negeerde Tooske.

‘Jij lijkt me ook helemaal niet het type dat zo is!’, pamperde ze nog hoopvol .

‘Een type dat hoe niet is?’

Voor de verandering snapte Miriam dit keer de strekking zogenaamd eens niet.

‘Sorry, maar ik moet nu echt weg Miriam. Ik wil alleen dat je weet dat ik die brief dus gelezen heb en dat ik de inhoud niet op prijs stel.’

‘Ik heb een contract met Ron de uitgever en niet met jou, Moon’.

Miriam nipte aan haar koffie en knikte in de richting van het broodje filet American en de thee:

‘Je vergeet je lunch!’

Ineens werd Moon ook ongenaakbaar. Ze siste als een giftige slang

‘Laat ik je uit een droom helpen, meisje: Jij hebt een contract met de grootste uitgeverij van Nederland!  Heus niet alleen met Ron de uitgever.’

Moon wierp haar hoofd in de nek. Ze was nog niet klaar met schrik aanjagen:

‘En het heeft dus ook volstrekt geen zin om met een contract te dreigen.’

‘Ik dreig nooit’,  wist Miriam quasi mak. 

Aansluitend vroeg ze spottend;

‘Als ik het dus goed begrijp ben jij de belangrijkste schakel tussen mijn contract en de uitgave van mijn roman. Moon Manders:  de machtigste redactrice van Nederland.’

‘Ach Miriam toch.’

Minzaam schudde Moon haar hoofd.

‘Dat hele contract stelt helemaal niets voor!’

Miriam schrok toch nog even van het pedante ondertoontje.  Daaropvolgend deed Moon nog een uitspraak die alle perken te buiten ging:

‘En vergeet niet dat er ook in het contract staat dat het boek pas uitgegeven wordt als ‘de uitgever’ zich volledig in de kopij kan vinden!’

‘Nu onderga ik dus een bloedstollende ervaring’, dacht Miriam helder.

Ze was verstijfd van top tot teen en alleen in staat om klanken uit te brengen die met cynisme doorspekt waren. Heel nadrukkelijk en goed gearticuleerd.

‘En waar verwijst het zelfstandig naamwoord; ‘de uitgever’, in deze context naar als ik vragen mag?’  

‘Wat bedoel je?’, vroeg Moon argeloos.

‘Verwijst de uitgever naar Ron, of verwijst de uitgever naar Moon?

‘Ron en ik doen het samen’.

‘Wat?’

‘Houd op Miriam. Ik moet weg!’

‘Ik ook Moon, ik ook!’

 

‘Ik vind wel dat je een gevaarlijk spelletje speelt’, zei  Gompie.

Gompie was een sjofele kunstschilder uit de buurt. Gompie was een wereldburger. Hij kwam van overal en nergens. Hij had op straat geleefd en zelfs onder een brug over de Seine geslapen. Maar liefst vier keer was hij  getrouwd geweest om tegenwoordig, voorlopig, als vrijgezel op een  Eindhovens eenkamerappartement te eindigen. Gompie exposeerde in het van Abbemuseum en kon schilderen – en drinken - als geen ander. Miriam kende Gompie van haar dagelijkse wandelingen op de Leenderheide met haar bastaardje. Als vanzelfsprekend kwam ze Gompie bijna elke dag toevallig tegen. Steevast in gezelschap van zijn vuilnisbakkenras. Gompie was eigenlijk nooit in beschonken toestand,  maar er hing wel altijd een onmiskenbare alcoholgeur om hem heen.  Gompie was duidelijk niet op zijn achterhoofd gevallen en kon overal over meepraten met een taalgebruik waaruit Miriam kon opmaken dat hij in een hoogstaand milieu was opgegroeid. Maar Gompie was niet gemaakt. Gompie was echt. Zijn aanwezigheid was net zo natuurlijk en vertrouwd als de struiken, de bomen, de paden en de vennen op de heide. Praten met Gompie stond voor Miriam gelijk aan de wisselende weersgesteldheden en aan interactie met zichzelf.

‘Ik speel geen spel. Ik moet het contract wel nietig laten verklaren, want anders kan ik nooit meer creëren.’

Miriam vond een stevige tak die ze zo ver mogelijk van zich afwierp. Beide honden kwamen in actie. Gompie draaide een shaggie en nam plaats op de stam van een omgevallen boom.

‘Je hebt grote kans dat ze je laten gaan, dat besef je toch wel?’

‘Ze moeten me laten gaan.’

Gompie stak zijn sigaret aan, inhaleerde en plukte een stukje shag van zijn tong.

‘Je hebt gelijk. Ik zal niet zeggen dat ik in jouw geval hetzelfde gedaan zou hebben, maar je hebt wel gelijk.’

De honden brachten de tak terug. Ze dropen af nadat Miriam het commando ‘over’ gaf.

‘Waarom zou je in mijn geval niet hetzelfde gedaan hebben?’

‘Omdat ik schilder en niet schrijf. Ik heb  niks te maken met redacteurs. Stel je voor dat ze in m’n schilderijen gingen strepen. Ik zou een moord begaan.’

‘Welnee, je zou luisteren en proberen om de opbouwende kritiek naar behoren in je kunstwerk te verwerken.’

‘Nee, Miriam, ze vinden altijd wel een stok om een hond te slaan. Ik bepaal wanneer mijn werk af is, want dit is mijn lichaam dat mij door God gegeven is. Laat ze zelf een schilderij maken of een boek schrijven.’

‘Amen’

’Jij bent een heel eind gekomen, Miriam. Je bent een voorbeeld voor ons allemaal. Je hebt je best gedaan en meer kun je niet doen. Je bent moedig.’

Achteloos wroette Miriam met de tak in de zandgrond. Ze prevelde:

‘Ik ben niet moedig. Ik ben wanhopig. Ik kan niet anders. Ze drijven me nog tot waanzin!’

‘Zodra je het contract terugstuurt kun je niet meer terug,’ waarschuwde Gompie.

‘En elders geloven ze je niet op je woord. Ze zullen je als klokkenluider behandelen en dan kun je het verder schudden. Je zult door alle overige uitgevers en redacteurs geboycot worden.’

De wind bemoeide zich met de ongekamde lange haren van Gompie. Hij zag er lief, betrokken en onverzorgd uit.

‘Doemdenker! Ik doe het toch. Vanmiddag stuur ik het originele contract terug naar Amsterdam. Ondertekend door Ron de uitgever en door mij. Het is voorbij.’

‘Voeg je er nog een persoonlijk briefje aan toe?’

‘Nou wat dacht je van een toelichting van 14 kantjes?’

‘Zul je zien dat die redactrice dat niet eens leest. Die begint meteen te redigeren. Beroepsdeformatie’, meesmuilde Gompie.

‘Was het maar zo simpel. Nee, ik stuur mijn opzegging zeker niet naar de doortrapte Moon Manders, maar naar Marijn Bos.’

‘Dat is die presentator van dat boekenprogramma?’

‘Hij is ook hoofdredacteur bij de grootste uitgeverij van Nederland.’

'Je zou toch denken dat zo’n hoofdredacteur wel tegen  zo’n onderkruipsel van een redactrice zou optreden?’

‘Welnee die is volledig in de ban van de trucjes en de schoonheid van Moon Manders.’

‘Heeft hij jou nog nooit gezien dan?’

‘Je bent een lieverd, Gompie’.

‘Dat weet ik, maar jij bent echt een stoot Miriam, dat vertelt Jos je toch weleens, mag ik hopen.’

‘Elke dag, maar Jos is mijn partner en jij hebt een kunstenaarsoog’

‘Eentje maar; het andere is een gewoon mannenoog’, knipoogde Gompie.

‘Maar serieus Miriam zou je het contract niet veiliger naar die Ron de uitgever terugsturen?’

‘Ron de uitgever is met vakantie en ik wil de zaak nu zo snel mogelijk afgerond hebben.’

 

Amsterdam, 28 februari 1996

Dag mevrouw Muis,

Dank voor uw lange schrijven van 24 februari dat me zeer verraste. Het heeft geen enkele zin als ik ga treden noch in directionele noch in redactionele details tussen u en de grootste uitgeverij van Nederland, want dat zou het raadsel van de breuk die u thans voorstelt maar vergroten. En ik wil die het liefst uit de wereld. Ik vraag u, met respect voor uw uiteenzetting, toch tenminste nog eenmaal een gesprek te hebben met mijn collega Ron de uitgever.

Tot zolang leg ik de zaak zoals dit heet, even af na uiteraard Moon Manders van uw schrijven op de hoogte te hebben gesteld. Er moet op de uitgeverij nu eenmaal een en ander verdeeld en toebedeeld worden, vandaar dat ik a titre personnel geen woord hoefde nemen inzake uw manuscript dat me bij de zeer gewaardeerde Moon Manders trouwens in uitstekende eindredactionele of  editoriale handen leek.

Zelf schrijf ik altijd te lange stukken – voor kranten en zo – die dan moeten worden ingekort en men pakt dan meestal de gelegenheid om in de hele tekst in te grijpen. Ik ben altijd alleen maar content daarmee, zoals ik zeer content was met de reeks veranderingen die me werd voorgesteld in het manuscript van mijn ‘Jakhalzen’(van het derde rijk). Het is in zulke gevallen altijd geven en nemen en misschien geef ik nogal graag. Ik weet alleen dat Moon Manders zich enthousiast en serieus met uw manuscript bezig hield en daarvan in die zin verslag deed.

Ik vind het jammer, u eenmaal vluchtig ontmoet hebbende en in het bezit van een onverdiend aardig memo uwerzijds; na die flits tussen ons, dat het tot die brief van 24 februari moest komen en ik zit er erg mee dat u een en ander nu naar mij doseert terwijl het toch werkelijk heel onverstandig zou zijn – en zulks komt me ook niet toe – er in te gaan treden.

Nogmaals, ik hoop dat u contact opneemt met Ron de uitgever die binnen tien dagen weer op de veste is en niet voor niets wel enige reputatie geniet als competente roerganger. Inmiddels verblijf ik met persoonlijk warme groet, hartelijk uw dw,

M.Bos

Hoofdredacteur

 

‘Nou met die man ga je de oorlog ook niet winnen’, zei de moeder van Miriam.

‘Wat een slapjanus. En waarom slijmt hij zo?’

De moeder van Miriam is een superintelligente vrouw. Op latere leeftijd  heeft ze verschillende studies op universitair niveau afgerond. Voor de lol, omdat ze in haar jeugd niet mocht studeren. Dat was net na de oorlog niet voor ‘ons soort mensen’. Dus belandde ze al heel jong op kantoor. Als jonge godin probeerde ze in de jaren vijftig van de vorige eeuw  een stoffig, voorspelbaar leven nog te ontvluchten met een beginnende modellen carrière , maar ze raakte uitgerangeerd, want zwanger.  Dat laatste deed moeder er ook nog even bij. Vier kinderen krijgen. Voor haar het niet gehoeven, maar, zoals ze zelf altijd zegt:

‘Je gaat vanzelf van die wezentjes houden!’

Miriam vindt haar moeder dan ook een geweldig mens waar ze in een ander leven graag bevriend mee zou zijn, maar daarmee was het probleem van de dochter met de grootste uitgeverij van Nederland nog niet verholpen.

‘Ik snap het wel. Er is over jouw grenzen gegaan, maar je hebt ook wel een enorm ego Miriam. Samenwerken is niet jouw sterkste punt.  Dat heb je niet van mij.’

‘Het gaat niet om jou mam.’

Miriam werd bevangen door een bekend gevoel van verlatenheid. Veel te vaak voelde ze zich door het thuisfront aan haar lot overgelaten. Geveld zocht ze steun bij Jos die er altijd voor haar was. Desnoods om haar tegen te spreken en om eenvoudigweg in de nabijheid van Miriam door te gaan met zijn leven. Gewoon: eten, drinken,  slapen, douchen, aankleden en werken. Zijn vrije tijd moest hij voorlopig zonder zijn Miriam doorbrengen. Ze was te heftig lamgeslagen om iets anders te ondernemen dan piekeren, maar ook dat vond Jos prima.

‘Je bent niet depressief. Je zit in een dipje en dat overleef je wel. Ik herken je weer en daar gaat het mij maar om’, wist de mathematicus in Jos.

Zijn zogenaamde autistische manier van redeneren was haar redding. Zonder Jos was Miriam vlak na de breuk met de grootste uitgeverij van Nederland zeker in een psychose beland.

‘En daar was je zonder mij waarschijnlijk ook uit gekomen’, zei Jos dan.

Dit waagde Miriam te betwijfelen, want bijvoorbeeld pas ruim tien jaar later – toen haar boek eindelijk werd uitgegeven en voor een ieder toegankelijk werd - zou uitgerekend haar moeder haar grootste fan worden.

‘Mijn God kind, waar komt dat talent vandaan? Dat heb je niet van mij. Wat heb jij indertijd moeten doormaken met die redactrice, weet je nog wel?’

Ja, dat wist Miriam nog wel. Hoe zou ze die tranenzee van de eerste twee weken kunnen vergeten? Haar slapeloosheid en de gekmakende repetitie van de interactie met Moon in haar hersenen. En toen zei Moon dit en ik zei dat en Moon antwoordde zus en ik reageerde zo.  Of haar gevecht met de  paranoia die haar onder haar donsdek aanviel. De gedachte dat ze werd afgeluisterd door de geheime dienst hield haar dagen en nachten aan een stuk in bed.  Ze was niet in staat om een zinnig woord uit te brengen en om het minste of geringste barstte Miriam in huilen uit. Er was maar een emotie die haar in die tijd voortdreef en dat was de haat die ze had ontwikkeld jegens Moon. Miriam haatte Moon.  Ze had nog nooit eerder in haar leven gehaat. De intensiteit van het gevoel intrigeerde haar, maar de begeleidende  fantasieën veroorzaakten ook paniekaanvallen. Gealarmeerd ging ze bij zichzelf na of ze daadwerkelijk in staat zou zijn;  om Moon letterlijk een doodsteek te geven; om haar lichaam te vierendelen; om gas te geven zodra ze Moon voor haar wielen kreeg of om haar te trakteren op een verjaardagstaart met rattengif. Het antwoord was een volmondig ‘ja’. De keuzevrijheid die Miriam had om niet te bezwijken voor deze negatieve krachten,  leverde genoeg energie om uit bed te stappen. Miriam nam een douche, dofte zich op en begaf zich naar de supermarkt voor de dagelijkse boodschappen. Bij het tijdschriftenrek zocht ze gewoontegetrouw naar het opinieweekblad HP/De tijd om te kijken of er al nieuws was over het aangrijpende debuut ‘Springtouw’ van Grietje Grijp.  Het zou tijd worden. In plaats daarvan stuitte Miriam op het volgende artikel:

 

HP/De tijd/ 15 MAART 1996/ BOEKENWEEK- NUMMER.

ZE IS BLOND, ZE IS TWINTIG EN ZE SCHRIJFT ALS MULTATULI.

LOTTE LELY IN LUILETTERLAND.

DOOR: STIJN AERDEN

Het meisje dat is binnen komen hollen detoneert met alles in het statige Amstelhotel, met de knikkebollende vrouwtjes achter hun kopjes thee en de keurig gestreken zakenlieden. Het is alsof ze net van het hockeyveld komt, de wangen rood, de haren in de war. ‘Van het fietsen’, hijgt ze, ‘sorry dat ik zo laat ben.’

De rugzak gaat in de hoek. De jas over de stoel.  ‘Als ik maar niks hoef te eten,’ zegt ze. En daarna, met een lach:  ‘Ik heb net met Anthony Mertens geluncht, ik zit hartstikke vol.’ Ze steekt haar hand uit,

‘Lotte Lely’.

Anthony Mertens – de redacteur van uitgeverij Querido?

Ze knikt. ‘Hartstikke lieve man, vol goede raad.’ En als ze aanschuift, gniffelt ze: ‘Hij doet me een beetje aan mijn vader denken.’ Ze wil een spa rood. Nee, een jus. Doe maar een cappuccino. Ik kan er nog steeds niet aan wennen’, zegt ze, ‘dat uitgebreide gelunch  ’s middags.’

Lotte lely (1975, Overveen) is op het moment waarschijnlijk de meest geliefde en achtervolgde auteur in Letterenland.  Haar naam zingt rond op de uitgeverijen; de titel van haar boek – nog niet meer dan een manuscript – opent alle deuren en er is geen kopstuk met wie ze niet heeft gegeten.

Ze lacht; ‘Dat is ontzettend overdreven. Voor een groot deel gaat alles buiten mij om. Zeker als het om de onderhandelingen gaat, daar bemoei ik me niet mee. Maar die aandacht is wel leuk, dat kan ik niet ontkennen.’

 

Alleen de buitenkant, zo luidt de titel van het manuscript waar zij afgelopen zomer de laatste hand aan legde. ‘Het ligt qua lengte een beetje tussen een novelle en een roman in’,  vertelt ze.  ‘Ik ben eraan begonnen toen ik Frans studeerde aan de  Sorbonne’.

Ik ben door mijn ouders echt wat je noemt in het diepe gegooid. Mijn twee zussen waren al lang en breed het huis uit toen ik in de pubertijd kwam. En omdat ik (ze glimlacht) nou ja, behoorlijk lastig was en niet wist wat ik wilde, hebben mijn ouders mij naar Parijs gestuurd. Mijn moeder is Francoise en een collega van mijn vader was daar hoogleraar. Bij hem en zijn vrouw woonde ik ook in. Hoewel ik Parijs een fantastische stad vind – ik ga er nog elk jaar een paar keer heen om vrienden op te zoeken- heb ik daar een behoorlijke eenzame tijd gehad.’

Een eenzame tijd? Je bent er opgeklommen tot fotomodel in Elle en de Marie-Claire.

‘Twee keer in Elle. Maar maak er in je verhaal nou niet het argeloze Hollandse meisje van dat op de Boulevard Saint-Michel wordt aangehouden door een topfotograaf die gelijk op zijn knieën valt óf ze alstublieft voor hem wil poseren’. Ik heb alle modellenbureaus afgelopen en heb er hard voor moeten werken. Daarnaast begon ik met het bijhouden van een soort uitgebreid dagboek. Ik schreef vooral in cafés. Het gekke is; dat is daar veel normaler dan hier. Als ik hier heel af en toe in het openbaar met een blocnote zit, en uit het raam tuur, word ik meteen aangekeken met zo’n blik van ‘doe maar gewoon’. Dat vind ik weleens jammer aan Nederland’.

Toen ze in ’94 in Amsterdam filosofie ging studeren, op aanraden van een jongen die ze in Parijs had ontmoet, pakte ze de draad weer op.  ‘Ik ben een mooi weer schrijfster’, zegt ze. ‘Ik moet goeie zin hebben en inspiratie. Anders lukt het niet. Ik kan niet achter een computer gaan zitten van ‘komt u maar’. ‘Ik schrijf alles met de hand, en alleen op momenten dat het zich aandient. Ik kan het niet afdwingen, helaas.’  Ze haalt elegant, met een vinger, een plukje haar achter haar oor.

Ben je zelf met je boek naar buiten getreden?

‘Nee, mijn vader heeft de aantekeningen ontdekt. Wat nogal embarrassing was. Hij had een passage gelezen waarin ik een kortstondige affaire beschreef die ik in Parijs met een oudere man had. Een man aan wie ik trouwens ontzettend veel te danken had. Door hem ben ik George Bataille gaan lezen,  die op zijn beurt weer schrijvers en filosofen heeft beïnvloed die ik bewonder, zoals Sartre, Derrida, Foucault…’

Het klinkt haast verontschuldigend: ‘De Franse taal- en letterkunde behoren tot mijn tweede natuur’, zegt ze. ‘Wij spraken thuis aan tafel Frans- dan moest je vertellen wat je die dag op school had meegemaakt. En tussen het hoofdgerecht en het dessert las mijn moeder voor. Proust bijvoorbeeld. Simone de Beauvoir – mijn lievelingsschrijfster – is me met de paplepel ingegoten …Letterlijk.’

Maar hoe zat het nou met die schaamtevolle passage?

‘O jee’. Ze legt de hand op haar gezicht – de vingers gespreid. ‘In die passage ligt de hoofdpersoon met Pierre, zoals ie in mijn boek heet, in bed en beschrijft zij hoe hij met zijn borstelige baard over haar blote rug gaat, terwijl zij kirrend Voltaire citeert: ‘Verheven denkbeelden zijn als baarden: mannen krijgen ze pas als ze wat ouder worden.’

En hoe reageerde vader Lely  toen hij dit las?

‘Die fronste een wenkbrauw.’ Ze lacht. ‘Nee, op die passage is hij niet ingegaan. Maar hij vroeg wel of hij het manuscript aan iemand mocht laten lezen.’

Aan Harry Mulisch?

‘Ja, dat bleek later. Maar dat wist ik niet. Mijn vader kent Mulisch nog van vroeger, toen hij zelf een jong studentje was en ook schrijver wilde worden. Hij zat toen met Mulisch in sociëteit Teisterbant- een Herenclub op de Grote markt in Haarlem. Daar werden literaire voordrachten gehouden, lang gediscussieerd over kunst en wetenschap, sigaren gerookt, cognac gedronken, gebiljart…fantastisch. Mijn vader heeft daar nog met Lodewijk van Deyssel geschaakt.’

‘Een paar weken later,’ zegt ze, ‘lag er een dikke envelop op de mat met mijn manuscript: uitgetypt – dat bleek mijn moeder te hebben gedaan. Er zat een heel vriendelijk briefje bij van meneer Mulisch. Hij zei dat mijn werk een hoge mate van authenticiteit bevatte, dat het sprankelde, maar dat het nog wel wat moest rijpen. Ik was daar dolgelukkig mee. Maar mijn vader niet, die leek een beetje teleurgesteld.’

Hoe daarna het gerucht van ‘de schrijvende Lely’ zich verspreidde weet ze zelf niet eens. ‘Mulisch zou het op de Herenclub aan Henk Hofland hebben doorverteld en zo is het begonnen. Althans, dat denkt mijn vader.’

Ineens begonnen uitgevers te bellen?

Lotte trekt rimpels in haar voorhoofd :

‘Ja, ik geloof dat Mai Spijkers van uitgeverij Prometheus de eerste was. Of ik eens langskwam. Een heel aardige man trouwens. Ik had veel negatieve verhalen over hem gehoord, maar dat is echt allemaal onzin. Hij vertelde dat het niet bon ton is om debutanten voorschotten te bieden, maar dat hij in het geval van Alleen de buitenkant wel een uitzondering wilde maken. Tweeduizend gulden bood ie- ik was helemaal overdonderd. Het idee alleen al dat een echte uitgeverij geïnteresseerd in mij was.  Maar mijn vader zei: ‘geduld. Dat manuscript loopt niet weg. De waarde ervan kan alleen maar oplopen.

Dat had vader Lely niet slecht ingeschat. De weken daarop meldde zich de ene belangstellende naar de andere. ‘Wie ik heel leuk vond’, zegt Lotte, ‘was Thoms Verbogt. Ik geloof dat ie van uitgeverij Veen was. Daar kreeg ik een heel aardig briefje van: of we samen eens wat gingen drinken. Hij schreef zelf ook vertelde hij. En dat merkte je ook wel aan hoe hij erover sprak. Hij hoorde al aan de manier waarop ik over de wereld nadacht en tegen dingen aankeek, dat er een schrijver in mij school. Dat zijn natuurlijk heel leuke dingen om te horen.’

Waren alle uitgevers zo enthousiast?

‘Ach, het zijn allemaal ontzettend lieve, overbezorgde mannen’, zegt ze. ‘Martin Ros ook. Die legde een arm om mijn middel. ‘je hebt een geweldig talent meid’, zei hij met dat leuke, hoge stemmetje van hem, ‘koester  het, probeer dicht bij jezelf te blijven.’

‘Zo bemoedigend allemaal.  Hoewel,’ zegt ze, en roert peinzend in haar koffie, ‘het is ook wel eens verwarrend. Met Ronald Dietz – ik geloof dat die van Nijgh en Van Ditmar was – heb ik Japans gegeten, en die zei juist weer dat ik me heel goed moest laten begeleiden. Coachen noemde die dat en we konden nog diezelfde avond beginnen, bij hem thuis. Eigenlijk snap ik er helemaal niks van’, verzucht ze, ‘het gaat allemaal zo snel.’

Om haar mond speelt het begin van een binnenpretje. ‘weet je wat gek is…’Ze buigt zich vertrouwelijk over de tafel.  ‘Uitgevers zijn altijd een beetje schoolmeesterachtige types – een beetje slonzig, in een scheef pak, je kent dat wel. En dan zit ik daar ineens mee in een Frans restaurant, waar ik met mijn ouders al duizend keer gegeten heb, en dan gaan ze mij de Franse woorden op de kaart uitleggen. ‘Aile de raie, ken je dat?’ vroeg meneer Asscher bijvoorbeeld, ‘heb je dat wel eens geproefd? ’En ik zeg dan keurig: ‘Nee, meneer Asscher, wat is dat dan?’ Ze slaat zichzelf op de knieen van het lachen. ‘En hoe eet je dat?’

Iedereen schijnt Alleen de buitenkant en fantastisch boek te vinden. Oscar van Gelderen van uitgeverij Vassallucci vindt dat het in een eenvoudige, dappere Multatuli-achtige stijl geschreven is. Lely lacht. ‘Ja, en ik hoorde dat Vic van de Reijt er in café ’t Molentje al uit heeft voorgedragen. Maar dat is echt onzin. Dat kan helemaal niet, Niemand heeft het gelezen. En hij al helemaal niet.’

Als we het goed begrijpen ben je dus aan het ‘schotsenspringen’van uitgever naar uitgever, van lunch naar lunch, zonder dat iemand nog maar een letter gelezen heeft?

‘Uitgevers zijn stuk voor stuk hartstikke interessante mensen En dat niemand een letter heeft gelezen is niet helemaal waar. Na Harry Mulisch heeft mijn vader een hoofdstuk opgestuurd naar De Bezige Bij, als amuse-gueule zeg maar. Maar hij wil eerst het een en ander bij een advocaat hebben vastgelegd, voor hij het hele manuscript uit handen geeft. Dat begrijp ik ook wel.

De titel Alleen de buitenkant is geïnspireerd op Simone de Beauvoir’s Le belle image. ‘Een boek dat ik geweldig vind,’ zegt Lely, ‘ik vind trouwens al haar boeken geweldig.

Alleen de buitenkant – het klinkt een beetje als een meisje dat zich over haar onberispelijke uiterlijk beklaagt.

‘Je kunt last van een goed uiterlijk hebben. Natuurlijk kan dat. Het staat je ten dienste, maar tegelijkertijd staat het je in de weg. George Bataille zegt dat schoonheid zo hartstochtelijk begeerd wordt, niet omwille van haarzelf – om ervan te genieten – maar met het verlangen om haar te bezoedelen en te ontwijden. Dat is wel eens lastig.

‘De hoofdpersoon in mijn boek, Simone, lijkt in zoverrre op me, dat zij ook steeds geconfronteerd wordt met die verwachtingen van een buitenwereld die niet geïnteresseerd is in je zijn, maar in je maatje 36. En dat is allemaal ruis. Dat houdt je af van de zaken die er werkelijk toe doen.’

‘Net als Simone ben ik ook iemand die het achterste van mijn tong laat zien. Veel mensen denken mij te kennen, maar eigenlijk kennen ze alleen de buitenkant.’

En dat geldt ook voor je manuscript, zo te horen?

‘Ach,’ zegt ze, ‘het boekenvak heeft in essentie ook veel met ‘de buitenkant’ te maken. Het lijkt soms net zo oppervlakkig als wat ik in de modewereld heb meegemaakt. Ik vind literatuur heel leuk, echt waar, maar daarin speelt hoe je je presenteert natuurlijk ook een grote rol.’

‘Veel  beginnende schrijvers, zei  Joost  Nijssen, maken de fout om achterover te gaan zitten zodra het manuscript af is. Maar eigenlijk begint het dan pas. Je hebt pas gedebuteerd als je bij Sonja of Karel bent geweest, zo werkt dat. En dan is het belangrijk dat je je  kunt presenteren.’

‘Ik ga niet zeggen dat schrijvers lelijk zijn’, zegt ze, maar ze zijn vaak wel heel onverzorgd-als je die foto’s op de achterflap ziet, de belichting is vaak slecht. Het straalt iets uit van: nog even een kiekje en klaar. Dat vind ik doodzonde.’

Een achterflap is iets anders dan een tandpastareclame.

‘Natuurlijk, maar daar gaat het niet om. Iedereen vindt het toch leuk om goed op de foto te staan?! Hermine landvreugd trekt haar vlotste spijkerbroek uit de kast. Hendrickje Spoor slaat een bontstola om. Connie palmen neemt een frisse duik in de gelpot en ik trek een mooi rokje aan. Ik vind het belangrijk om er verzorgd uit te zien, wat is daar nou mis mee?’

Hoe is het met de Nederlandse mannelijke schrijvers gestald?’

‘Beroerd. Op een paar uitzonderingen na. Adriaan van Dis en meneer Mulisch, Jean Pierre Rawie, die nog met bolhoed en wandelstok met zilveren knop door de stad loopt. Daar ben ik dol op.’  

Schrijvers wordt dikwijls naar hun drijfveren gevraagd.

‘Ik schrijf omdat ik het leuk vind,’ zegt Lotte Lely. ‘Dat is het belangrijkste. Maar ik schrijf ook omdat ik iets wil betekenen voor mensen. Ik wil verwarring stichten, vragen oproepen.’

Doe eens zo’n vraag.

‘Eigenlijk ben ik altijd bezig met het verschil tussen mannen en vrouwen. Op de lagere school al, in mijn eerste opstel. Toen wist ik het verschil trouwens echt niet. Maar nu snap ik er nog weinig van…Mannen zijn zo eenzaam.’

Pardon?

‘Ik houd van mannen omdat ze zo eenzaam zijn,’ zegt ze en lacht verontschuldigend. ‘Dat bedacht ik me op de fiets hierheen. Vrouwen zijn ook eenzaam, omdat ze kinderen kunnen krijgen, maar  mannen zijn het door hun ambities, door hun onafhankelijkheidsdrang.’

Als Lotte Lely begint te filosoferen krijgt ze een verticale denkrimpel, precies boven haar neus. ‘Maar ik heb niet het gevoel dat mensen echt zullen veranderen door mijn boeken. Ik geloof sowieso niet dat mensen kunnen veranderen.’

Ook over zaken als ‘wie schrijft die blijft’ en ‘eeuwige roem’ maakt ze zich weinig illusies- op voorhand al niet.

‘Je kunt niet tien  weken achter elkaar op de cover van hetzelfde blad staan’, zegt ze. ‘Op een gegeven moment zijn mensen je gezicht zat. Dan moet er weer iemand anders komen. Zo werkt het in de modellenwereld en in de literatuur werkt het niet anders. Zeg nou eens eerlijk; wie is er nou geïnteresseerd in het tachtigste boek van Willem Brakman?! Die man staat ook altijd zo verkrampt op de achterflap.’

Haar naam: Lotte Lely?

‘Eigenlijk Lette’, zegt ze , ‘van Aletta. Ik ben vernoemd naar Aletta Jacobs. Stijf he? Toen ik twaalf was wilde ik ‘Kim’ genoemd worden. Toen ik veertien was moest het weer  ‘Mickey’ zijn,  maar omdat toch niemand zich daaraan hield, ben ik uiteindelijk op ‘Lotte’ uitgekomen. Een  soort compromis: Lotte Lely. En het is ook wel een goeie schrijversnaam toch? Een beetje ‘Josien Laurier’, met het verschil dat dit mijn echte achternaam is.

Ondertussen gaat de uitgeversslag om lely voort. De geboden voorschotten zijn, las de geruchten kloppen, opgelopen tot een halve ton, wat voor een Nederlands debuut astronomisch hoog is.

‘Daar wil ik me niet over uitlaten,’ zegt ze. ‘Begin april hakt mijn vader de knoop door. En dat moet ook, want ik hou dit zo niet langer vol. Neem nou vanmiddag met meneer Mertens; krabsalade, zalmmousse, witte wijn…dat is zo ontzettend zwaar allemaal. Ze schijnen te vergeten dat ik ook nog fotomodel  ben.’

Een garçon in uniform tikt haar op de schouder. ‘Er wacht iemand op u in de lobby’, vraagt hij, úw vader. Lotte Lely knikt. En als de man zich weer op zijn tenen heeft verwijderd zegt ze: ‘Die heeft de kleren bij zich voor dadelijk, voor de foto.’

Laatste vraag: wat was nou eigenlijk aile de raie?

De schrijfster kijkt verbaasd op. ‘Vleugels van de rog,’ zegt ze. ‘Heb je daar nog nooit van gehoord?! Dan moeten we nodig eens samen lunchen.’

 

‘Lotte lely bestaat niet’, verklaarde een nieuwslezer van het 8uur journaal.

Lotte Lely was een fictieve dame. Ze was geboren uit het creatieve brein van Stijn Aerden in het kader van de Boeken week van 1996. Het fotogenieke blondje dat het artikel in HP/De Tijd opfleurde,  kon in werkelijkheid dus niet Lotte Lely zijn. In het echt was zij de dochter van de hoofdredacteur. De ware Lotte Lely was een parodie op de heersende kijk op vrouwelijke auteurs en veiligheidshalve met name op vrouwelijke debutanten.  Normaliter verliest een grap haar charme na een nadere uitleg, maar Harry Mulisch had erop gestaan dat Lotte Lely landelijk ontmanteld werd. Mulisch was een wereld beroemd auteur en hij kon het zich voor zijn vriendjes van de herensociëteit uiteraard  niet permitteren om met een meid van de straat – en al helemaal niet met ene Lotte Lely -   geassocieerd te worden. Vandaar die ongewone nieuwsflits op de nationale televisie.

‘Waar rook is, is vuur’,  ginnegapte Jos.

‘Dat snapt geen mens!’, hikte Miriam die tijdelijk van Lotje getikt was.

 Ze kon niets anders meer dan afwisselend lachen en huilen.

‘Dit is te groot om te bevatten.’

‘Welnee, een paar mensen hebben hun mond voorbij gepraat en die journalist heeft gewoon de juiste vibraties opgepikt.’

‘Het is een harstikke goed artikel’, giebelde Miriam.

Daarna vloeiden de tranen weer.

‘Ze hebben me gewoon voor gek gezet en ik kan er met niemand over praten. Misschien gaat het wel niet over mij?’, bedacht ze ineens hoopvol.

‘Geloof je het zelf, Miriam?’

‘En Grietje Grijp dan?’

‘The girl next door.’

‘Geen mens gaat toegeven dat ik Lotte Lely ben. Hoe moet ik dat uitleggen aan iedereen? Ik kan geen kant meer op!’, concludeerde Miriam helder en snikkend.

‘Doe dan net of je gek bent en bel Ron de uitgever voor een gesprek!’

‘Ik heb allang gebeld’, piepte Miriam schaamtevol.

Ze snoot haar neus.

‘Ik ben trots op je, wanneer heb je een afspraak?’

‘Ik kreeg Tooske aan de telefoon en die zei dat ik eerst een brief van Ron de uitgever moest afwachten.  Mocht ik daarna nog een afspraak willen maken dan zou dat kunnen!’

‘Nou  weet Ik  zeker dat het goed komt! ‘, garandeerde Jos.

 

Amsterdam, 18 maart 1996

Beste Miriam,

Om te voorkomen dat het dossier op jouw naam als een wilde wingerd doorwoekert, houd ik het kort. Dit voornemen moet je niet interpreteren als onverschilligheid of achteloosheid maar het gevolg van een conclusie die ik getrokken heb bij het aanschouwen van de tegen wil en dank slaags geraakte partijen in de arena. Schrijnende vaststelling is – en ik stel hem met ongenoegen vast – dat de begeleiding van het manuscript tot een onherstelbare betrekking heeft geleid tussen jou en de uitgeverij.

Allemaal mensenwerk, zoveel is klaar en duidelijk. Ik heb overigens vertrouwen in de persoon en de vakkundigheid van Moon, die in jouw buitengewoon lange brief van 24 februari aan mijn collega Bos vastgenageld is onder het etiket ‘mevrouw Manders’. Ik heb echter niet voorzien dat de interactie  tussen jou en voornoemde medewerkster de spuigaten uit zou lopen en uiteindelijk tot opheffing van de overeenkomst zou leiden. Had ik dat kunnen bevroeden? Ik zou op deze plek nu misschien wat kalmerende en van groot psychologisch inzicht getuigende uitspraken moeten doen maar ik leg me nu maar neer bij het moeilijk in mij te verwrikken idee dat er nu eenmaal gemoederen zijn die je niet tot bedaren kunt brengen. God of zijn vervanger zal  weten waar het aan ligt, maar ik begeef me daar niet in. Het is misgegaan, jammer, jammer, kan niet de bedoeling zijn maar op het snijvlak van schade en schande buig ik me maar liever over het laatste. En dat houdt in dat er geen energie gestoken moet worden in een zaak waarin op principiële punten voor jou en voor ons zoveel deining is ontstaan. Zoals je verzoekt in je brief van 24 februari ontbind ik dus het contract m.b.t. ‘De Sollicitanten.’ Jij moet verder en wij ook. Onze wegen gaan daarmee uiteen. Ik hoop dat je bij verdere stappen in de richting van publicatie de juiste mensen op je pad vindt. Klaarblijkelijk waren onze processors niet krachtig genoeg maar elders wenkt altijd een Eldorado. Ik hoop voor jou dat je megabytes van goud delft.  Met vriendelijke groet,

Ron de uitgever.

Reacties

  1. Stilistisch mooi,fijnzinnig autobiografisch verhaal.
    Waarin ook de top van de uitgeverswereld op zijn plaats wordt gezet.
    Mvg,
    Streignart Johan.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Vriendelijk bedankt voor het mooie compliment Johan Streignart. Helpt mij weer wat vaster in het schrijverszadel.

    BeantwoordenVerwijderen

Een reactie posten