Egotrip: De eindstreep
1. Valkuilen.
Het afgelopen
jaar ben ik in al mijn valkuilen gedonderd. Steeds opnieuw heb ik geprobeerd om
beren op de weg te omzeilen en tevergeefs gedane zaken te keren. Pas aan het
einde van dit cruciale jaar realiseer ik me dat wat jij me altijd al duidelijk
probeerde te maken:
‘Ik moet me door niemand iets wijs laten maken.’
De komende weken zal ik de levenslessen van
het afgelopen jaar opnieuw gaan ondervinden met als centrale thema jouw
overlijden. De herbeleving zal intensiever zijn dan in de vervlogen 11 maanden.
Nog heftiger. Omdat de tijd wel degelijk bestaat en vandaag bijna synchroon
loopt met de periode van 28 december 2018 tot 2 februari 2019. Het begin van
het einde dat zich sinds kort herhaalt in de lichtinval van de aankomende
jaarwisseling en het kwakkelweer van een typische winter in Nederland. Laatst
beleefde ik een deja vu in de aanblik van de vochtige, zilvergrijze,
glinstering van de stoeptegels op het trottoir in de avondschemering. Ik stond
weer op het punt om door de kerstproof voordeur, met nep dennenkrans aan een
spijker op ooghoogte, naar binnen te treden met het slechte nieuws aan de
kinderen.
‘Papa is
ongeneselijk ziek.’
Opeens overviel
mij in het hier en nu de schrale troost van vorig jaar december. Straks zou ik
jou opnieuw ontmoeten en vasthouden in de privacy van de één persoonskamer in
het CWZ. Ik zou je alvast even kunnen bellen om je stem te horen. Of toch niet,
want je bent er al maanden, weken, dagen, uren, minuten en seconden niet meer.
Sindsdien houd ik mijn adem in en herschik ik mijn zegeningen in de ijdele hoop
op controle over samenlopen van omstandigheden. Uit angst om ineen te storten
als ik los laat, terwijl de echo van jouw levenslange protest tegen mijn
demonen continu in mijn achterhoofd nagalmt:
‘Jij hebt niks
verkeerd gedaan!’
Behalve dan dat
ik tot nu toe altijd mezelf ben gebleven. Een eigenschap waar ik trots op kon
zijn zolang jij nog leefde, maar waarmee ik nu even geen kant meer mee op kan.
Het fiasco in september van dit jaar aangaande mijn poging tot het behalen van
een onderwijsbevoegdheid, maakt die desoriëntatie nog een graadje erger. Mijn
besluit om halsoverkop met de éénjarige docentenopleiding te stoppen, voordat
ik goed en wel begonnen was, heb ik aan mezelf toe te schrijven. Dat alles en
iedereen tegen leek te werken is geen excuus. Ik wist vantevoren dat onbevoegd
voor de klas staan geen optie is voor een 54jarige onervaren doctorandus in de
letteren Ondanks het tekort aan leraren
en in weerwil van het onderwijsbloed dat in mijn geval genetisch bepaald is. De
reden waarom ik nog steeds heilig overtuigd ben van mijn kwaliteiten als
lerares Nederlands.
Niet gehinderd
door de jeugdige onbezonnenheid van mijn medestudenten of door de theoretische
vakkundigheid van de hoogleraren op de docentenacademie van de
Radbouduniversiteit, zou ik mijn praktijkjaar in het keurslijf van de
stagewereld wel een jaartje uitzitten. Alsof dat niet genoeg was! Om tot de
beloning van een onderwijsbevoegdheid te komen, werd ik, naast onbetaald stage lopen op een middelbare
school en colleges volgen op de universiteit van Nijmegen, geacht om zoveel
randvoorwaarden te automatiseren, dat ik al snel begon te wanhopen. Ik
schakelde onze zoon van 16 regelmatig in om allerlei online lesprogramma’s op
mijn belegen personal computer en recentelijk aangeschafte laptop te
installeren. Trevor voorkwam dat ik verloren raakte in; de numerieke roosters, digitale
lesvoorbereidingsprogramma’s, de website van mijn stageschool en Brightspace
van de Radboud universiteit Nijmegen; om maar eens een paar modernistische
struikelblokjes op te noemen. Dochter Robin van inmiddels 17 hielp me bij het
maken van mijn eerste powerpoint presentatie en stelde me gerust over de
bediening van een digibord. Die nieuwerwetse variant op het vertrouwde
klassikale krijtbord mocht geen obstakel vormen bij het etaleren van mijn
natuurtalent. Een onderwijsbevoegdheid halen is immers gewoon een kwestie van
zo accuraat mogelijk in no-time beginnetjes maken.
Al na een dag of
wat op de docentenacademie begonnen al die jachtige, tijdrovende bruggetjes hun
psychosomatische tol te eisen. Zo meende
ik hopeloos achter te raken op de digitale snelweg van mijn jeugdige medestudenten.
Onterecht bleek bij nader inzien. Maar achteraf praten is makkelijk en die
algehele kritiekloze matheid van de huidige academische lichting, het monopolie
van de heren en dames van de docentenacademie, alsmede een ontzettend
vervelende stage-ervaring, maakten dat mijn ouderwetse trukendoos al na een
week of 5 helemaal leeg was. Zeker toen op 7 oktober van dit jaar, na een
kijkoperatie, bleek dat de dagen van mijn 84jarige moeder geteld zijn. Ik zag mezelf al op de
meest ongunstige momenten om zorgverlof smeken bij mijn docenten van de
academie en de stageschool.
‘Zou ik misschien
onbeperkt vrij kunnen krijgen om mijn doodzieke moeder bij te staan?’
Terwijl ik al
ruim 30 jaar van mijn leven gewend ben om mijn tijd zelf in te delen en om aan
niemand anders dan aan jou verantwoording voor mijn daden af te leggen. Toch
zou een fulltime opleiding voor hetzelfde geld een welkome afleiding van de
dreigende, palliatieve zorg voor mijn
moeder hebben kunnen zijn. Onder humanere omstandigheden en met minder egotisten
om me heen. Weliswaar met een oplopende studie-achterstand voor eigen rekening,
maar zo zit het leven nou eenmaal in elkaar (aldus een hoogleraar van de
docentenacademie).
Naar aanleiding
van mijn zelfgeschreven open brief aan alle betrokkenen over mijn besluit om de
opleiding de rug toe te keren, liep mijn online postvak bijna vast van de vele
steunbetuigingen. Ook van al mijn leermeesters en -meesteressen van zowel de docentenacademie
als de stageschool. Zonder uitzondering. De goede raad heb ik opgeslagen.
Misschien neem ik de wijze adviezen nog weleens ter harte. Tenminste als mijn
vertrouwen in de goedertierenheid van de mensheid nog ooit mocht herstellen.
Voorlopig vullen
praatjes geen gaatjes. Die zieke moeder is een uitvlucht om verdere discussie
te voorkomen. Ik zit niet dag en nacht aan haar bed om haar hand vast te
houden. Dat zou niet eens kunnen, want ze blijft stug in de weer met het
huishouden, af en toe een boodschap, haar soaps en de ontwikkelingen in de
wereldpolitiek. Zo zit ze thuis in Eindhoven op de bank met haar volle
verstand. Haar koppige weigering om in het hokje van terminaal, zielig omaatje
weggezet te worden als een schild om haar vermagerde gratie heen. Zo telt ze de
dagen onder invloed van toenemende pijnmedicatie.
‘Kind, ik wil
niet meer!’
Ze valt in
herhaling als ik bel en dan weet ik niet meer wat ik moet antwoorden.
Hartvochtig probeert ze haar verscheiden op mij af te schuiven
‘Ik ga gewoon
voor eeuwig slapen. Tot nu toe heb je het toch ook prima uitgehouden zonder al
te veel bemoeienis van je moeder? De wereld vergaat niet!’
Ik zwijg.
Misschien is dat fout. Wie weet moet ik haar tegenspreken, want mijn wereld is
jongstleden nog vergaan. En wel op 2 februari van dit jaar. Toen jij het leven
liet.
Om mezelf een
houding te geven spring ik op gezette tijden in de auto en bezoek mijn zieke
moeder samen met 1 van de 2 kinderen. Broer Hans is er ook altijd. Hij doet aan
mantelzorg. Binnen afzienbare tijd zal onze moeder sterven. Haar ongeduld
deprimeert mij. Was jou nog geen jaar geleden maar een paar maanden extra
gegund geweest.
Mijn grieven over
de gang van zaken op de docentenacademie heb ik nog wel op facebook gezet en
laten staan. Tot groot ongenoegen van de directie van de Radbouduniversiteit.
Jemig! Althans als ik een woordvoerster van de docentenacademie moet geloven.
Ik vraag me nog steeds af waar ze het recht vandaan dacht te halen om mij thuis
via de telefoon tot de orde te roepen over mijn post op facebook. Laat staan
om Trevor de wet voor te schrijven. Hij
sprong op de achtergrond van het
telefoongesprek luidkeels voor mij in de bres. Leer jou Trevor kennen!
Of ik zo vriendelijk wilde zijn om mijn zoon op zijn grote mond te wijzen!
Wijsneus tegen de docentenacademie. Wie zegt dat hij niet hoogbegaafd is?
Terwijl ouders zich ondertussen maar uitsloven om hun kinderen weerbaar te
maken. Wat een commotie toch allemaal om een epistel van iemand die zo
onbelangrijk is als ik.
‘Zie je wel dat
je er wel toe doet!’, lach jij triomfantelijk
Voor jou wel ja.
En jij voor mij. Voor wie anders trotseerde ik vorig jaar rond deze tijd de
verschillende overdrijvende zaalartsen en hun gevolg in overdonderende wolken
van onzekerheid en bluf? Met geblokkeerde chakra’s was ik stille getuige van de
mislukte darmendoscopie, omdat jouw tumor in de endeldarm tot een
ondoordringbare barricade was uitgegroeid. Ik kokhalsde van de liters troep die
ze je ter voorbereiding op die mislukte ingreep onterecht hadden laten drinken
en die jij de avond voor de endoscopie manmoedig tot je had genomen. In
navolging van jouw oneindige moed, nam ik de spoedstoma die hieruit
voortvloeide uiteraard meteen voor lief. De meelevende blik in de ogen van de
behandelende stomachirurg die jou na de operatie succes kwam wensen, maar
maakte dat hij weg kwam toen ik – jouw echtgenote – aan jouw ziekenhuisbed
arriveerde, zette mijn voelsprieten verder op scherp. Kennelijk viel ik niet te
benijden. Het medelijden van de dames van de stomasteun die mij leerden hoe ik
de poepzakjes moest knippen en plakken, wakkerde mijn wantrouwen nog meer aan
dan de inhoud van mijn nieuwe zorgtaak. Deze stomadeskundigen wisten merkbaar
uit ervaring wat mij te wachten stond. Anders kies en kun je deze stomazorg
niet. Ik was blij met de aanmoediging en ook weer niet, omdat het gat in jouw
lieve, bolle buik eigenlijk maar een boze droom was.
Hoe kwam zo’n
sterke, 56jarige vent, die tot kort voor de kerst van 2018 nog volop aan het
leven van alledag deelnam, aan zo’n megatumor in de endeldarm? Hoe was je in
staat om, ondanks de gediagnostiseerde uitzaaiingen in de lever, nog grapjes
met de verpleging en de artsen te maken? Alsof je onverwoestbaar was voor de
buitenwacht. Alleen ik zag, ik zag wat zij niet zagen. Ruim 2 weken lang sleet
ik het grootste deel van de eerste donkere dagen van het nieuwe jaar aan jouw
ziekenhuisbed en verbeet mijn groeiende radeloosheid. Dit was geen romantische
Hollywood film, maar de epiloog van de liefde van mijn leven. Een boom van een
kerel met normaliter meer charisma in zijn pink dan nu in zijn hele verzwakte
lichaam. En die flauwe grapjes waren een zwak aftreksel van de scherpe humor
waarmee jij mij voor deze tragedie nog geheid over elke hindernis wist te
trekken. Vanaf toen moet ik het doen met de herinnering. Niemand zag hoe
verloren we waren. Samen los van elkaar. Voor het eerst in 36 jaar .
In de laatste
weken van jouw leven heb ik permanent het gevoel gehad dat mijn wezen uit twee,
losse delen bestond. De ene helft was bij jou en woonde in jouw terminale lijf
en de andere helft navigeerde op routine. Na 2 weken kwam je thuis uit het
ziekenhuis. Overigens niet nadat we nog een try-out van een workshop over ‘seks
met een stoma’ van één van jouw favoriete verpleegsters met ambitie meekregen.
Even haar seksuologische inzichten op een doodzieke stomapatiënt en zijn
lamgeslagen vrouw uitproberen. Ik was op mijn ziel getrapt, maar dat wilde jij
niet weten na alles wat deze ongetwijfeld, goedbedoelende, ondernemende, jonge
zuster in de afgelopen 14 dagen voor jou – en dus in overdrachtelijke zin ook
voor mij - betekend had. Ik slikte mijn overgevoeligheid in en het snerpende
zeer van jouw nieuwbakken onverschilligheid ten aanzien van mijn pijngrens en
privacy, terwijl ik toch ietsjes langer dan de 2 weken van de grenzeloze
verpleegster in jouw leven rondhing. Thuis zouden we weer onder ons zijn en dat
was voor jou intiem genoeg.
De opluchting was
van korte duur. Want waar moet je thuis blijven met een stoma en een tumor in
de endeldarm? Op de driezitsbank? In de relaxstoel? De hele dag boven in ons
gezamenlijke bed met het bekuilde
matras? Je vond geen verlichting. Integendeel; jouw zoektocht naar soelaas
leidde tot naweeën in jouw onderrug. We bedachten dat je wel spierpijn moest
hebben Totdat er na verloop van 3 weken
in het nieuwe jaar ineens een oncoloog in ons leven kwam die zo jong was dat
hij onze zoon had kunnen zijn. Hij hielp ons uit de droom. De pijn in jouw
onderrug kwam niet van overbelastte spieren, maar van jouw aangetaste lever.
Precies op de plek in jouw onderrug die ik na jouw thuiskomst uit het
ziekenhuis net zo makkelijk uit onwetendheid – en weliswaar op jouw aandringen
-tweemaal daags met tijgerbalsem had gemasseerd.
De oncoloog
voerde jouw pijnmedicatie op, waarna de huisarts zich vervolgens lam schrok van
de voorgeschreven dosis oxycodon.
‘De oncoloog zegt
dat kankerpatiënten niet onnodig pijn moeten leiden’, probeerde ik de huisarts
te overtuigen tijdens haar wekelijkse thuisbezoek aan jou.
Het leek alsof ze
me negeerde. Traag wendde ze haar blik tot jou en vroeg droog:
‘Heb je pijn
dan?’
‘Valt wel mee’,
kermde jij tot mijn afschuw.
‘Hij ligt de hele
nacht naast mij te kreunen en dan maakt hij mij wakker’, gaf ik als weerwoord.
Niet om mijn
beklag te doen, maar om de ernst van de situatie te benadrukken.
De huisarts
fronste haar wenkbrauwen, richtte zich weer tot jou en wilde streng weten:
‘Waarom maak jij
je vrouw de hele nacht wakker, Hans?’
Dat is wat je
noemt de plank misslaan. Er komt vast een tijd dat ik de sociale onkunde van de
huisarts naast me neer kan leggen, maar of ik dat dan ook daadwerkelijk doe
valt nog te bezien. Als dan alleen uit piëteit met jouw eeuwige
vergevingsgezindheid jegens mensen die niet beter weten. Zoals de assistentes
bij de apotheek waar mijn persoonlijke gegevens bij elk nieuw bezoek wederom
doorgelicht moesten worden, voordat ik überhaupt een nieuwe voorraad oxycodon – op
doktersrecept - voor jou meekreeg. In mijn herinnering wacht ik opnieuw af op
dat bankje bij het raam van de apotheek op de Groenestraat en herlees de
passerende reclames voor geneesmiddelen op de display boven de toonbank. Ik
verlang terug naar de tijd van neusspray en oordruppels. Even jouw medicatie ophalen
tegen de hooikoorts.
‘Ja, sorry dat je
zo lang moest wachten, maar wij zijn onderbezet, want één van onze
apothekersassistentes is ongeneselijk ziek’, luidde het zwakke excuus na mijn
beklag bij de derde en laatste keer dat ik de tijdrovende screening over mijn
kant zou laten gaan.
‘Ja, mijn man
ook!’, galmde mijn machteloze oerkreet in de klinische apotheek, terwijl ik
door de misprijzende blikken uit een ongedurige wachtrij naar buiten, de straat
op werd gedreven.
2. Harddrugs.
Als oxycodon nou
de enige harddrug was, die na de openbaring van jouw inwendige sluipmoordenaar
aan onze thuisapotheek werd toegevoegd, dan was de ramp misschien nog wel te
overzien geweest. Op het platte dak van de blauwe hangkastjes in de keuken
stond normaliter al een rijtje met onschuldige sprays en potjes met vitamines,
mineralen, andersoortige voedingssupplementen, pillen en poeders tegen de
hooikoorts en diabetes type 2, maar door de fatale diagnose werd over één nacht
ijs het arsenaal medicamenten zowel verdubbeld als ontmaagd. De in het
ziekenhuis geïntroduceerde injectienaalden tegen de suikerziekte confronteerden
ons meteen met de onvermijdelijke overstap op zwaardere medicatie. Wie had
kunnen denken dat jij op het randje van leven en dood toch nog aan het prikken
zou slaan, terwijl je er juist alles aan had gedaan om van de diabetes af te
komen?! Meer lichaamsbeweging door zo
vaak mogelijk met de fiets op en neer te gaan van Nijmegen naar de ING in
Arnhem. Een effectieve combinatie van sport en plichtsbesef. Zo hield jij de
arbeidsmoraal hoog in een ICT-wereld waar jij, in de loop van bijna 35 jaar
ervaring, naam hebt gemaakt en onvervangbaar bent geworden. Mede dankzij dat
stoïcijnse doorzettingsvermogen, waarmee je 7 jaar geleden ook gestopt was met
roken. De alcohol liet je sowieso al minstens 3 decennia lang staan – niet uit
principe, maar uit voorzorg - en naarmate onze jaren samen verstreken, begon
zelfs jouw Bourgondische eetpatroon hoe langer hoe meer op het volgen van een
weloverwogen dieet te lijken. Totdat je begin december 2018 last kreeg van de
stoelgang of van buikgriep, of wisten wij veel. Moesten jij en ik nou blij zijn
of niet met het razende tempo waarmee je ineens kilo’s kwijt raakte? Een
moeilijkheid die bij navraag bij de huisarts tot de bekende wedervragen leidde:
‘Mooi toch?’
En
‘Wat denk je
zelf?’
Wat niet weet,
want niet deert, want met een terminale ziekte onder de leden, had een crashdieet achteraf bezien uiteraard
onmogelijk aan de bron van de afvalrace kunnen liggen.
De verhevigde
medicijnvoorraad maakten we samen aan de keukentafel op jouw laptop overzichtelijk in een innameschema. Nooit
eerder had ik me in jouw dagelijkse
geneesmiddelenconsumptie verdiept. Ik was jouw echtgenote en niet je
moeder of jouw thuisverpleegster. Doorgaans ook jouw idee van rolverdeling,
maar na de fatale kanker revelatie - met
levermetastasen - op de eerste hulp,
hadden jij en ik niets meer te willen. Jij nog minder dan ik, zoals
achteraf zou blijken. De oncoloog dacht het woekerweefsel wel enigszins onder
controle te krijgen met chemokuren, waardoor jij weer voorzichtig op het
herwinnen van een restje levenskwaliteit durfde te hopen. Omdat we geen idee
hadden van de uitwerking van de geplande chemokuren op jouw gestel, moest ik
wel online voor jou bij de apotheek leren bestellen. Om de toevoer van
paardenmiddelen in de toekomst te kunnen blijven garanderen. Wie weet zou je
het komende half jaar wel om de haverklap voor pampus liggen. Tot niets in
staat. Laat staan tot het zelfstandig reguleren van jouw eigen
medicijnleverantie. Volgens de voorlichtster van de afdeling oncologie reageert
namelijk niet iedereen op een
voorspelbare manier op chemokuren. Dat beloofde wat in jouw onstuimige geval.
Voor de zekerheid kreeg je van de oncoloog nog wat extra verdovende middelen
tegen misselijkheid, braken, slapeloosheid en depressies voorgeschreven.
Sindsdien kon ik alle narcotica ophalen bij de ziekenhuisapotheek in plaats van
bij die vijandige wijktoko. De wachttijd was er niet minder lang op geworden,
maar ik werd tenminste niet meer als een potentiële drugsdealer benaderd.
Alhoewel de straatwaarde van de buit er niet om loog. Na jouw overlijden hebben
de kinderen en ik nog een moment overwogen om de papieren zak met uppers,
downers en andere overgebleven doping op marktplaats te verkopen. Zwarte humor.
Al was het maar om die heilloze apotheek op de Groenestraat een hak te zetten.
Een dag of 4 na jouw overlijden kwam ik tot inkeer en dus besloot ik, braaf als
ik ben, om de papieren zak gevuld met onaangebroken zware medicatie, waar
zoveel kostbare wachttijd van de laatste 5 weken van ons leven samen aan
verloren was gegaan, te retourneren aan de afzender
‘Is dat troep?’,
wilde de apothekersassistente luchtig weten.
Nee. Dit zijn de
medicijnen van Hans Barten. Ik kom ze terugbrengen, want Hans is afgelopen
zaterdag overleden.’
Ik was stellig,
maar fluisterde uit angst voor eventuele ongewenste toehoorders.
De
apothekersassistente monsterde me met een bevreemde blik en bralde joviaal:
‘Nou, kom maar
gauw hier met die troep dan. Van Hans Barten zei U? Ja, ik heb geloof ik wel
iets meegekregen van zijn overlijdensbericht. Het is wat. Ik kende hem alleen
van naam!’
‘Ik niet, ik ken
hem al 36 jaar’, stamelde ik door de
pijnscheuten heen.
Ze wist misschien
niet dat ik je vrouw was? Maar dan nog. Respect mensen. Enfin, ik was van die
godvergeten zak verlost. De inhoud was ook troep. Dat wil ik die lompe koe van
een apothekersassistente nog wel meegeven. Ik heb het je zelf horen zeggen:
‘Chemotherapie is
gif. Pure troep.’
Kaal zou je in
elk geval niet geworden zijn van de chemokuren. Gezond dus ook niet. Maar hey;
als je haar maar goed zit
Het sneeuwde op
de dag waarop jij begon aan jouw eerste chemokuur. We tekenen dinsdag 22
januari 2019. De kuur begon met een dagbehandeling in het ziekenhuis. Daarna
zou je 21 dagen thuis chemopillen slikken, om na een korte pauze van een week
het ritueel nog 5 keer te herhalen. Na pak weg een half jaar kon er dan min of
meer een balans opgemaakt worden over jouw levensverwachting
‘Ik heb er geen
fiducie meer in’, prevelde je regelmatig
in jezelf.
‘Je kunt niet
anders’, antwoordde ik paniekerig.
Je reageerde
niet, want je had mij niet aangesproken. En ik had geen tijd om te luisteren of
door te vragen, want ik had net als onze no nonsens oncoloog, haast om de
strijd met jouw agressieve kanker aan te gaan. Dat was ongeveer het enige dat
de oncoloog en wij gemeen hadden. Hij wilde de controle over de ziekte krijgen.
Dat vond ik zo treffend gezegd dat ik die woorden maar bleef citeren gedurende
jouw lijdensweg. Verder had ik je een vaderfiguur als arts toegewenst. Of
tenminste iemand naast mij die, zelfs na dat ene enkele consult dat we bij de
oncoloog hebben gehad, in staat was om wel direct in te schatten wie je was.
Op de heenweg
naar de polykliniek, mopperde je op mijn rijstijl en ik was op een punt
aanbeland dat ik nauwelijks nog begrip op kon brengen voor de wassende afstand
tussen ons.
‘Wat wil je dan
dat ik doe!’, schreeuwde ik machteloos.
‘Ik zie dat vaker
bij terminale patiënten’, beweerde de oncoloog toen hij mij 2 weken na jouw
overlijden aan de telefoon had.
‘Zodra ik ze
alleen spreek dan zeggen ze:
‘Ik ga dood’.’
Waarmee die
lummel van een oncoloog botweg insinueerde dat jij meer wist dan ik. Was dat
zo? Jij wilde toch ook nog vechten? Jij en ik hadden niets meer voor elkaar te
verbergen toch? Precies daarom schoot ik in de verdediging tegen de
meedogenloze arts aan de andere kant van de lijn:
‘Als Hans zo
zeker wist dat hij op korte termijn zou sterven, waarom is hij dan nog aan die
chemokuren begonnen?!’
Het antwoord ging
bij mij door merg en been:
‘Voor U’.
3. Verzet.
De dagbehandeling
aan het infuus op de polykliniek van de afdeling oncologie viel uiteindelijk
honderd procent mee. Terwijl je op de ochtend voor de inleiding van de eerste
chemokuur nog vol tegenstrijdig verzet had gezeten. We konden geen kant op. Een
eenduidig nee tegen de geplande celgroeiverdelgingstherapie, die misschien nog
een beetje kwaliteit van leven kon bieden, was vooralsnog geen optie.
‘Anders spuiten
ze me helemaal plat’, voorzag jij troosteloos.
Dat angstbeeld,
van vastgeklonken aan een sterfhuisbed niets anders kunnen dan in afwachting
van de dood apathisch naar het plafond staren, joeg jou vooruit. Moeizaam,
vertraagd en met afnemende kracht; want alles viel jou hoe langer hoe zwaarder
naarmate de dagen van januari 2019 voortjakkerden. Er was geen tijd om de schok
van de diagnose aangaande jouw terminale megatumor in de endeldarm met
metastasen in de lever; de onafgebroken bedwelming door de zware medicatie; het
trauma van een mislukte darmendoscopie en de kwetsuur van jouw spoedstoma te
verwerken. Er was geen ruimte voor bezinning meer.
‘Hoe sta je
tegenover euthanasie, Hans’, was de bindende vraag van de huisarts, waarop ze
van jou tijdens geen van haar 4 huisbezoekjes een bevredigend antwoord kreeg.
Ook niet van mij
trouwens, want wie zoekt vrijwillig de grenzen op van onnodig lijden? Jouw
inschattingsvermogen was vertroebeld en ik ben geen arts en niet neutraal, want
ik wilde niets liever dan jou voor eeuwig bij me houden hier op aarde. Als er
dan toch dood gegaan moest worden, dan had ik, allang voor de manifestatie van
onze tragiek, bedacht dat ik als eerste in mijn slaap zou vertrekken. Zodoende
zou ik jou in deze wereld nooit hoeven missen. Gedurende onze relatie deed jij
mijn fantoom gewoontegetrouw af met de dooddoener:
‘Als jij er niet
meer bent, dan hoef ik ook niet meer te leven.’
Tot zover het
oppervlakkige niveau van onze gesprekken over het hiernamaals. Ook over
euthanasie kon jij tegen de huisarts kort en krachtig zijn:
‘Katinka
bepaalt’.
Dit antwoord zou
jouw lijfspreuk worden in de komende sprint naar de finish, want ik kende jou
als geen ander en andersom. Ik zou niet geaarzeld hebben om je te helpen bij de
overgang en dat wist jij. Alhoewel ik achteraf het universum wel intens dankbaar
ben voor een speling van het lot in de vorm van een onvoorziene
bloedvergiftiging. De fatale gedaante van een zeldzame complicatie door
leverfalen, waardoor, in de vroege ochtend van 2 februari 2019, jou en mij een
onmenselijke besluit bespaard is gebleven.
‘Ik heb het niet
gezien’, verzekerde de huisarts mij op de namiddag van jouw verscheiden aan de
telefoon.
Ze doelde op de
urgentie van jouw afscheid. Ze had de noodzaak van haar spoedeisende hulp
onderschat. Ze had het niet gezien. Dat mocht duidelijk zijn.
De
begrafenisondernemer is op bezoek’, gaf ik haar naar waarheid te kennen bij
wijze van correctie.
Ik zat niet
langer op haar te wachten, maar de huisarts liet zich nu niet meer afwimpelen.
Haar tijd was ook geld en ze had voor haar gevoel nog een heleboel recht te
praten. Ze vroeg indirect om mijn vergeving van haar schuldgevoel. Alsof ze op
een vergoelijking zat te wachten. Zoiets als:
‘Ha, joh, geeft
niks. Volgende keer beter.’
Hoogmoed komt
voor de val en het verschil tussen een arts en God is dat God nooit denkt dat
hij God is. Hij weet het zeker.
‘Heb je wel
iemand met wie je kunt praten?’, wilde de huisarts eigenlijk liever niet weten
tegen het einde van het benarde telefoongesprek.
Haar vraag had
eerder hulpeloos dan bezorgd geklonken, waarmee de huisarts mijn vertwijfeling
nog een graadje verergerde. Totdat ik me in een helder ogenblik realiseerde dat
mijn antipathie voor onze huisarts, na jouw ontslapen van die ochtend, niet
langer verborgen hoefde te blijven achter mijn aloude gereserveerde houding en
beleefde gesprekstoon. Alleen voor jou had ik tot aan die noodlottige
zaterdagochtend van 2 februari 2019 steeds een stapje terug gedaan in haar
bijzijn. Op eigen initiatief zocht ik haar zo min mogelijk op, nadat ze me
ergens in 2009 weigerde te behandelen voor een giga keelontsteking vergezeld
van stemverlies. Pas als ik zou stoppen met roken, mocht ik op een herkansing
bij haar hopen. De keel-neus en oorarts die ik daarna uit ellende maar op eigen
houtje in het ziekenhuis bezocht, constateerde laryngitis en schreef medicijnen
voor ongeacht mijn toenmalige nicotineverslaving. Jij had onze huisarts nog op
haar animositeit jegens mij aangesproken en zij was je dankbaar geweest voor jouw
open vizier. Al discussiërend hadden de huisarts en jij op die manier elkaar
een stuk beter leren kennen en waarderen
in de loop van onze jaren in Nijmegen, waarin jij haar regelmatig bleef
consulteren. Met name voor de behandeling van jouw diabetes type 2. Ik
probeerde de goede verstandhouding tussen jullie te respecteren, maar vanaf het
moment dat ik op mezelf was aangewezen, voelde ik me eindelijk bevrijd van de
morele verplichting om haar toch maar steeds weer een kans te gunnen.
‘Nee, dat is nou juist het punt’, verzuchtte
ik met een cynische ondertoon die de huisarts dus niet van mij kende.
‘Ik heb niemand
om mee te praten, want laat uitgerekend mijn allerbeste maatje, met wie ik
alles kon bespreken, nou vanochtend overleden zijn’.
Aldus bracht de
huisarts mij voor het eerst in mijn leven in de verleiding om een denkbeeldige
beste vriendin te berde te brengen. Ze zou ook te pas komen om alle goede
bedoelingen van de begrafenisgasten te pareren. Ik heb nog nooit in mijn leven
in een keurslijf gepast en de enige die dat begreep en accepteerde dat was jij.
Een verworvenheid die me van het ene op het andere ogenblik werd ontnomen door
jouw collega’s, vrienden en kennissen, door wie ik me, op de meest ongelegen
momenten, omringd wist in ons heiligdom. Onuitgenodigd traden ze mijn privacy
met voeten om mij fijntjes te polsen over mijn geestestoestand. Iemand moest
zich nu toch met mij bezig houden? Dat hoort zo na het overlijden van een
dierbare. Die wet volgt uit de ongeschreven handleiding voor de ontferming over
nabestaanden. Hoe kon ik die weldoeners uit dat andere deel van jouw leven de
deur wijzen en tegelijkertijd jouw
nagedachtenis eren? Hoe kon ik ze aan het verstand brengen dat alleen niet hetzelfde
is als eenzaam?
‘Het is de
Nederlandse cultuur’, wist zo’n gemoedelijke volksvrouw van de catering in het
ziekenhuis.
Ze stond aan de
voet van jouw ziekenhuisbed. Ik had zojuist jouw bestelling op een dienblad van
haar overgenomen. Dampende tomatensoep zonder ballen, omdat jouw maag nog moest
wennen aan een ontregelde spijsvertering via de stoma. Rustig aan. Maar daarom
keek ik dat aanmatigende mens van de catering niet minder de deur uit, zodat
jij en ik weer samen konden zijn in de beslotenheid en de luxe van een
éénpersoons ziekenhuiskamer.
‘Kijk nou eens
naar Antilianen. Hun zitten met de hele familie om een sterfbed heen. Iedereen
is erbij. Kinderen, ouders, opa, oma, ooms, tantes, neefjes, nichtjes,
vrienden, kennissen, buren en nog veel meer. En kijk nou eens naar jullie.
Eenzaam met z’n tweeën ’, oordeelde de serveerster er vrijelijk op los.
‘Ik krijg
voortdurend vrienden, collega’s en kennissen op bezoek’, verzekerde jij haar.
‘Da’s toch nie
helemaal hetzelde’, vond ze.
‘Eenzaam is niet
hetzelfde als alleen met z’n tweeën en we zijn hier nou eenmaal niet op de
Antillen’, snauwde ik op de proef gesteld.
‘Waren we maar op
de Antillen!’
De serveerster
vond zichzelf heel lollig en jij lachte met haar mee. Je had geen moeite met de
olifantjes in de porseleinkast die de meeste madammekes van de catering in het
ziekenhuis toch wel waren. Hun alledaagsheid gaf je het idee dat je nog
meetelde als mens. Zelfs toen één van hen jou botweg doodvonniste:
‘Heb jij geen
brief gehad met een oproep voor een poeponderzoek? Ik wel. Al een jaar geleden
zowat. Dan moest je een uitstrijkje van je poep opsturen. Had dat maar wel
gedaan, dan had je hier nou niet gelegen. Nou ben je mooi te laat! ’
Jij
schokschouderde, terwijl ik de neiging om een moord te plegen met geweld zat te
onderdrukken. Eigen schuld, dikke bult. De onbehouwen serveerster liet een
beladen stilte achter. We zwegen in verbondenheid. Ieder in onze eigen wereld.
Niet eenzaam, maar wel alleen.
Vanuit die
positie kon die imaginaire boezemvriendin misschien ook te pas komen om alle
misplaatste handreikingen, van de door jou zeer gewaardeerde vrienden,
kennissen en collega’s te pareren? De geruststelling van een verzonnen
praatmaatje alias privépsychiater om zo jouw favo’s met een leugentje om
bestwil vriendelijk te bedanken. Ik zal doorgaan. Ook zonder hun interventie.
Vooral zonder hun bemiddeling. Ik heb mijn spook voor me gehouden. Waarom de
waarheid nog ingewikkelder maken? De kinderen hebben ook recht van spreken.
Vooral de kinderen die nu tenminste nog overeind staan na het doorleefde drama
met hun vader. Zelfs zonder psychische en/of professionele hulp, bemoeienis van
de buitenwacht of inmenging van mijn denkbeeldige, beste vriendin. Wel dankzij
jou en jouw nuchtere levensinstelling onder het motto:
‘Het is wat het
is en laten we nou maar proberen om er het beste van te maken.’
Hetgeen het
trauma van jouw doodstrijd overigens niet wegneemt. Een gapende wond waarover ik aanvankelijk tegen iedereen heel
open was en in details trad. Totdat de toehoorders om mij heen bij bosjes
afhaakten, zonder mij met rust te laten. Ik werd halverwege mijn verhaal
afgekapt met verslagen over ernstig zieke vrienden, familieleden of geliefden
die een kwaadaardige tumor in hun lichaam met jou gemeen hadden, maar die nog
middenin de strijd met kanker verwikkeld waren. Jouw afscheid is kennelijk te erg om in één keer aan te
horen en moest daarom overstemd worden met het verdriet van anderen. Leed dat
misschien nog wel erger is dan dat van mij, omdat jij en ik tenminste nog
zoveel jaren in goede gezondheid met elkaar hebben mogen delen. Ik kreeg voorgeschreven
waar ik precies dankbaar voor diende te zijn. Ik kon me maar beter focussen op
alle mooie herinneringen die ik nou alleen nog maar moest leren koesteren door
vooral niet bij de pakken neer te gaan zitten. Hapklare levenslessen waarna ik
ongemerkt tot doelwit van gesprekken over koetjes en kalfjes werd
gebombardeerd. Steeds weer zonder dat ik een eerlijke kans kreeg om mijn vage
relaas over jouw overlijden te kunnen nuanceren. Allemaal mensenwerk en
onvermogen, dat weet ik wel, maar daarom toch niet minder logisch dat ik
verstomde en in mijn schulp kroop. Daar zit ik meestentijds nog veilig
opgeborgen. Ik wil geen mens onnodig belasten en niemand is verplicht om mijn
proza te lezen. Ik schrijf omdat mijn verbale reportage nou eenmaal
terughoudendheid vergt uit consideratie met passanten die jou ook graag in hun
leven hadden. Ik ken ze alleen bij naam, van jouw verhalen, de begrafenis en
van hun welgemeende belangstelling die desondanks verwatert, omdat ze niet mij
maar jou overleefd hebben.
4. Milde start.
Jouw opluchting
over de milde start van de chemokuur, stelde me niet gerust. Ik had de
verpleegsters van de dagbehandeling van de afdeling oncologie in het ziekenhuis
namelijk wel bedenkelijk zien wegkijken van jouw krampachtige, slepende
reactievermogen. Met tegenzin hield ik mijn indrukken voor me, want
tegelijkertijd zag ik jou ook ontspannen opgaan in de warmte en zorgzaamheid
van de zusters om je heen. Ik zou geen spelbreker zijn en God wat gunde ik je
dat beetje respijt, terwijl ik op een opklapstoeltje naast jouw bed zat te
wachten op de vervolgmedicatie voor de voortzetting van de chemokuur thuis. Ik
kwam je ophalen nadat het inleidende infuus zijn 8-urige chemo-infiltratie erop
had zitten. De race tegen de onherroepelijke teloorgang was begonnen.
Die ochtend had
je me voor aanvang van de dagbehandeling naar huis gestuurd. Je keek niet op of
om toen ik je in een rolstoel - met je kin op je borst - achterliet aan een
ronde tafel met lotgenoten. Aan het hoofd stond een engel in
verpleegsterskleren. Zij ontfermde zich over je door meteen gehoor te geven aan
jouw smeekbede om een ziekenhuisbed in plaats van de gebruikelijke
behandelstoel. Ondertussen maakte ik dat ik weg kwam in de waan dat, in de
buitenlucht en los van het oncologisch centrum, op magische wijze alle sores
van de afgelopen 4 weken van mij af zouden waaien. In plaats daarvan moest ik
mij, op weg naar de parkeerplaats, schrap zetten tegen de ene paniekvlaag na de
andere. Vanaf nu dreigde de fysieke distantie tussen ons alleen maar groter te
worden. Onherroepelijk
In een vervormde
thuissituatie probeerde ik de tijd te doden door in de bijkeuken achter de
naaimachine te kruipen. Jij was veilig aan het chemo-infuus op de polikliniek
onder het wakend oog van deskundigen en de kinderen waren naar school. Even
geen; medicijnen en vloeibare voeding organiseren; stomazorg; mini
gourmetmaaltijden voorbereiden; wasjes draaien; op stel en sprong klaarstaan na
iedere kik die jij wel of juist niet gaf; en dreigende gezinsspanningen de kop
in drukken. Zonder na te hoeven denken stikte ik elastiek aan de taillebanden
van alle joggingbroeken die ik recentelijk nog op de grote maten herenafdeling
van de C&A voor je had aangeschaft voor ‘bij huis’. Normaliter schoot jij,
zodra je van je werk kwam, zo snel mogelijk uit jouw spijkerbroek en blouse in
jouw makkelijke, zogenaamde
‘bijhuiskleren’. Een joggingbroek met een shirt. Ik zorgde jarenlang voor de
aanvoer en de combinaties van zowel werk- als vrijetijdskleding. Naar verloop
van tijd leerde ik met mijn naaikunsten
inspelen op het jojo-effect op jouw omvang door uiteenlopende diëten.
Maar hoezeer jouw gewicht er ook op los geschommeld had gedurende onze relatie
van 36 jaar, nog nooit eerder was de weegschaal zo ver de verkeerde kant
uitgeslagen als in de laatste maand van jouw leven. Sinds de diagnose kon
ongeacht welke bijhuis joggingbroek uit jouw garderobe spontaan van jouw
achterwerk tot op je enkels zakken. Bij iedere beweging was je fatsoenshalve
wel genoodzaakt om de onderboel met beide
handen aan de tailleband hoog te houden. Dat werd vooral hinderlijk in de
penibele situaties waarin jij talmend voortploeterde naar het toilet - dat je
ondanks de stoma toch nodig had voor de kleine boodschap - of de badkamer en
weer terug naar de bank of de relaxstoel in de huiskamer. De acute, afmattende
vermagering belemmerde voorts ook de gang naar de slaapkamer ’s avonds. De
onderneming via de smalle trap naar boven, werd steeds neteliger en ’s ochtends
zag ik je opgelaten bekomen van jouw overlevingstocht terug naar beneden. Ik
stond erbij, keek erna, hield mijn hart vast en zocht mijn vertrouwde,
goelijke, stevige houvast, terwijl ons niets anders restte dan ons machteloos
bij jouw schamele, hulpbehoevende beetje reserves neer te leggen.
Jouw opleving
duurde niet langer dan tot vrijdag na het infuus op de polykliniek, waarop jouw
vrienden en collega’s hier thuis op ziekenbezoek kwamen. De kinderen en ik
zonderden ons vrijwillig af. Ze kwamen voor jou. Robin, Trevor en ik kenden die
mensen amper of niet en jouw terminale endeldarmkanker met uitzaaiingen in de
lever bood nou niet bepaald de ideale aanleiding tot een nadere kennismaking.
Tot mijn verlichting hoorde ik jou in de huiskamer vanuit de keuken honderduit
praten. Ondertussen warmde ik soep uit blik op voor de lunch. Chinese
tomatensoep deze keer, want de kippen-;
champignon-; bonen-; uien-; goulash-; en ‘gewone’ tomatensoep had je al
tegengegeten. Maar nadat jouw vrienden afscheid hadden genomen bliefde je ook
geen Chinese tomatensoep. Je wilde helemaal geen lunch meer.
‘Het was
gezellig’, zei je, terwijl je de rugleuning van de elektrische relaxstoel liet
zakken en je ogen sloot.
Ik deed nog een
vertwijfelde poging om je wakker te schudden:
‘Komop, je moet
wel iets eten. Ik wil dat je aansterkt voor de chemo!’
‘Ik neem straks
wel zo’n flesje’, hield je jezelf en mij
slaapdronken, maar onverzettelijk voor de gek.
Je doelde op een
flesje Nutricia oftewel vloeibare, medische voeding dat we van de diëtiste in
het ziekenhuis voorgeschreven hadden gekregen. De diëtiste was de enge uit het
hele geneeskundige circuit die mij aansprak. Ze was van onze leeftijd, stond
met haar beide benen op de grond, wist bij jou de juiste toon te zetten en gaf
mij niet het gevoel dat ik een figurante was in een uit de hand gelopen
sterfscene. Zij legde uit dat jij per direct, naast de gewone dagelijkse
maaltijden, 3 flesjes van 200 en 2 flesjes van 125 milliliter Nutricia per 24
uur tot je moest nemen. Hoe meer voedingsstoffen, hoe beter, teneinde jouw
verzwakte lichaam op kracht te krijgen en houden om de geplande chemokuren in
het komende half jaar te kunnen doorstaan. Nou heb ik jou nooit gekend als
iemand die het nauw nam met regeltjes, maar in dit geval kon ik jouw
vrijmoedigheid niet langer gedogen. Eenmaal ontslagen uit het ziekenhuis at je
namelijk met lange tanden en muizenhapjes van belachelijk kleine porties die ik
zo goed en zo kwaad als dat mogelijk is met kaboutervoer, versbereid en warm
voor je opdiende. Jouw gepits van al die spijzen die ik al duizenden keren
eerder voor je had klaargemaakt en die je zo kort geleden nog met zoveel smaak
had verorberd, kon ik nauwelijks verdragen. Een dessertlepel aardappelpuree,
met een stronkje bloemkoop waarop een druppel kerriesaus en een stukje kipfilet
van nog geen 50 gram, bijvoorbeeld, kreeg je met moeite weggewerkt. Meer mocht
ik niet serveren van jou. Meer kon je niet aanzien en jij liet je niet dwingen.
Terwijl je in het ziekenhuis nog zo gulzig aan een bord vol met gebakken
aardappeltjes met erwtjes en worteltjes en een flink stuk kipfilet was
begonnen, omdat je na 2 weken groen licht had gekregen om langzaamaan weer
‘normaal’ te eten. Voor het eerst in 14 dagen niet langer alleen maar vloeibare
drap. De vla, volle yoghurt, smoothies en de crémesoepen kwamen je de neus uit.
Eindelijk was jouw stoelgang met behulp van de operatief aangebrachte stoma
weer enigszins tot rust en op gang gekomen. Ondanks de megatumor die jouw
endeldarm nog steeds blokkeerde. Je gezicht vertrok van teleurstelling na de
eerste schrokkerige hap van de kipfilet.
‘Niet lekker?’,
wilde ik ongelovig weten van mijn voormalige alleseter.
‘Hele vieze
kipfilet. Het is een hap vet’, frazelde je met volle mond.
Je keek me
ontgoocheld aan, terwijl jouw prachtige blauwgrijze ogen zich vulden met
tranen. Mijn hart kromp ineen. Het liefst had ik mijn kookkunsten ter plekke
ten beste gegeven om voor jou in het ziekenhuis stante pede een smakelijke
maaltijd – met een heerlijk, sappig stukje kipfilet - zoals je dat met recht
uit eigen keuken van me gewend was, tevoorschijn te toveren.
‘O, maar dat is
geen magere kipfilet, maar kippendijfilet’, wist de dame van de catering
achteraf en toen het al te laat was.
‘Maakt niet uit’,
loog jij.
Toch zal ik voor
de rest van mijn leven geen kippendijfilet meer eten.
In jouw laatste
levensdagen nam jouw eetlust nog verder af. Iedere hap werd een gevecht met
jezelf en met mij. Toen je op donderdag 31 januari 2019 – 9 dagen na de start
van de eerste chemokuur – zelfs in opstand begon te komen tegen de opgelegde
850 milliliter vloeibare, medische voeding per dag, drong het tot me door dat
jij en ik verdwaald waren geraakt in een complete chaos van palliatieve zorg
aan huis. Ons samenzijn was een aaneenschakeling geworden van chronische
belletjes van een onvermijdelijke psychologe; lang verwachtte blitzbezoekjes
van de drukbezette huisarts; toevoer aan de voordeur op onvaste tijden van
urgente pakketjes met stomazakjes, toebehoren en flesjes medische voeding; en
een directe spoedlijn naar de afdeling oncologie van het ziekenhuis. Dat je
oververmoeid, onvoorspelbaar en niet altijd even aanwezig en helder was, snapte
zelfs ik dan ook nog wel. Ik hoefde maar bij mijn kerngezonde, maar compleet
vertwijfelde, zelf te rade te gaan om jouw wartaal te kunnen begrijpen.
’s Morgens nadat
ik de kinderen op weg naar school de deur uit had geholpen, kroop ik terug bij
je in bed en dan spraken we alles uit wat nog gezegd moest worden. Je
verzekerde me dat je een fijn leven had gehad.
‘Ik kon toch doen
en laten wat ik wilde’, zei jij.
Pas na jouw dood
zou ik dit antwoord op goede dagen naar waarde leren inschatten. Je had
hopelijk niet zomaar wat gezegd. De kwaliteit van jouw levensstandaard had
afgehangen van de mate van bewegingsvrijheid. Jouw relatie met mij had jouw
unieke aanspraak op het leven gewaarborgd. Jouw reactie was misschien wel de
ultieme liefdesverklaring aan mij geweest.
Op het moment
suprême was ik door alle achtergrondherrie evenwel niet bevattelijk genoeg voor
feitelijkheden. Ik wist niet meer waar ik de waarheid zoeken moest. Zeker als
je bedenkt dat de oncoloog jouw pijnmedicatie na een telefonisch consult weer
verder had opgevoerd. Overigens op jouw verzoek. Hoewel je tegen de kinderen en
mij bleef ontkennen dat je pijn leed. Terwijl jouw gekreun bij vlagen het hele
huis op z’n grondvesten deed schudden. Vermoedelijk was jouw pijngrens volledig
vervaagd en kon je daarom niet meer over jezelf oordelen. Intussen bleef je
echter wel onbeperkt toegang houden tot langwerkende tabletten oxycodon, die je
om de 10 uur kon nemen, naast kortwerkende drugs voor om de 4 uur. Verder mocht
je gerust om het uur 2 paracetamolletjes slikken om de pijnmedicatie af te
maken. De preparaten waren geheid binnen jouw handbereik te vinden. Geforceerd
probeerde ik het innameschema te blijven volgen, zonder afbreuk te willen doen
aan jouw krachtige persoonlijkheid. Je was nooit de minste en ik kon je na al
die volwassen jaren samen moeilijk ineens gaan betuttelen. Dat wilde echter
niet zeggen dat ik niet het bange vermoeden had dat jij in jouw verwarring ook roekeloos op eigen
houtje aan het slikken was geslagen. Je was er eigenzinnig genoeg voor. Tel bij
die pillenchaos jouw dagelijkse portie chemotabletten op en het mag geen wonder
heten dat je gaandeweg behoorlijk gedesoriënteerd raakte en tenslotte niet meer
tot iets anders in staat was dan tot op de bank in de huiskamer op apegapen
liggen.
De diëtiste uit
het ziekenhuis was het volledig met mij eens dat leven zonder voeding
onmogelijk is en ze vroeg of jij ook aanspreekbaar was. Ze wist dat je in de
war was. Ik had haar al toevertrouwd dat je me midden in de nacht wakker maakte
en naar beneden stuurde met de vraag of er tussen de potjes met poeders en
pillen op het dak van het blauwe hangkastje in de keuken toevallig ook
medicijnen tegen de hik te vinden waren? Halverwege de trap naar benden keerde
ik terug op mijn schreden. Bij mijn weten bestaan er net zo min medicijnen
tegen de hik als middeltjes tegen niezen, lachen of knipperen met je ogen.
Normaal gesproken zou ik me zeker te laat gerealiseerd hebben dat je weer aan het flauwekullen was geslagen. Maar niets
was meer normaal, want jij was ongeneselijk ziek en ik wilde zo graag aan al je
laatste wensen tegemoet komen. Desnoods verzon ik pillen tegen de hik. Zo brak
ik me ook het hoofd over welk drankje je toch kon bedoelen, op dat moment
waarop je uit het niets ineens vroeg of ik ‘dat bittere drinken’ voor je mee
wilde nemen als ik toch op het punt stond om boodschappen te gaan doen? De
kinderen en ik hadden na een grondige navraag nog steeds geen idee van wat je
nou eigenlijk wilde. Bedoelde je; bitter lemon; radler; tonic; grapefruitsap?
Nee, nee, dat was het allemaal niet, je wilde ‘die blikjes’ hebben.
‘Welke blikjes,
pap?’, vroeg Trevor met ingehouden ongeduld.
‘Je weet wel die
blikjes. We konden ze van de zomer niet aangesleept krijgen’, grauwde jij
getergd.
‘Dat was radler,
pap’, wist Robin zich correct te herinneren.
‘Nee, dat was
geen radler!’, viel jij gefrustreerd en
onredelijk tegen ons drieën uit.
Ten slotte hakte
ik de knoop door en koos voor bitter lemon. Toen ik het frisdrankje in een glas
op de salontafel voor je neerzette, zei je innig tevreden:
‘Dankjewel
schat’.
‘Geef hem maar
even aan de lijn!’, gebood de diëtiste gealarmeerd.
Ik verbond haar
door met jou aan de telefoon in de huiskamer, terwijl ik aan de hoorn van het
tweede vaste toestel in de werkkamer bleef meeluisteren.
5. Sonde.
De diëtiste aan
de telefoon begon niet meteen tegen jou over sondevoeding, maar ze legde wel de
nadruk op de ernst van jouw belabberde eetlust. Via de tweede lijn in een
andere kamer, hoorde ik dat je met grote krachtinspanning tegensputterde:
‘Ik neem toch dat
astronautenvoer?!’
De in het
ziekenhuis voorgeschreven medische flesvoeding van het merk Nutricia, hadden
jij en ik omgedoopt tot ‘astronautenvoer’. Ten onrechte natuurlijk.
‘Die vloeibare
voeding moet je zien als een voedingssupplement op jouw normale driedaagse
maaltijden, Hans. Omdat je pas een week of 2 een stoma hebt en jouw
spijsvertering in de war is, heeft jouw lichaam die extra voedingsstoffen door
middel van Nutricia nodig om op kracht
te komen teneinde de geplande chemokuren te kunnen doorstaan. Zou het anders
geen goed idee zijn om tijdelijk aan de sondevoeding te gaan?’
Door de intonatie
van de diëtiste viel, ondanks haar diplomatieke aanpak, de urgentie van de
situatie niet mis te verstaan. Jij verkoos de dringende boodschap te negeren,
of je had echt niet meer in de gaten waar je mee bezig was. Hoe dan ook stelde
je een ontwijkende wedervraag:
‘Hoeveel van die
flesjes moet ik drinken om aan mijn quotum te komen?’
Je klonk alsof je
van heel ver weg kwam en je praatte lijzig, met een dubbele tong.
‘Voor iemand van
jouw postuur en met jouw BMI in gezonde toestand? Zonder normale vaste voeding,
minstens 10 flesjes per etmaal en ik hoor zojuist van Katinka dat je nog maar nauwelijks 1 flesje per dag
haalt, terwijl je de laatste tijd met behoorlijk veel tegenzin nog geen kwart
van een goed ontbijt, stevige lunch of een volwaardige, warme maaltijd tot je
neemt.’
Ik voelde me heel
klein worden. Een Judas van het zuiverste water. Door mijn onvermogen werd jij
voor het blok gezet, hetgeen – heel
begrijpelijk - een kinderlijk verzet opriep bij jou.
‘Ik wil geen
sondevoeding!’, gaf je met tranen in jouw stem, maar toch stellig te kennen.
Ik hoorde de
diëtiste moeilijk slikken, voordat ze het over haar hart kon verkrijgen om
confronterend te zijn:
‘Hoeveel weeg je
nu Hans?’
Na een aarzeling
volgde jouw ontstellende antwoord:
‘Kweenie; 80 kilo
ofzo.’
Hier stopte mijn
ratio. Ongeveer een maand na jouw overlijden vond ik de verloren gewaande
weegschaal uit de badkamer weggemoffeld tussen de stripboeken in een hoekje van
het slaapvertrek. Wat moet dat ondraaglijk geweest zijn om de kilo’s dag na dag
op de teller van de display te zien wegglijden als los zand tussen je vingers.
Je verloor weliswaar ook in mijn bijzijn zienderogen gewicht, maar ik heb nooit
geweten dat het überhaupt mogelijk is voor een levend wezen om zoveel als 40
kilo in 2 maanden te verliezen. Mogelijk zat je er een kilo of wat naast. Maar
dan nog.
‘Ja, maar Hans
dat kan zo toch niet!?
De diëtiste begon
nu hoorbaar te panikeren.
‘Waarom wil je
geen sondevoeding Hans!?’, drong ze met ingehouden ontsteltenis aan.
‘Hoe moet ik dan
slapen? Ik kan nou al bijna niet meer lekker liggen. Ik heb een stoma op mijn
buik en zo’n sonde loopt via mijn rug. Ik kan niet op mijn buik liggen en amper
op mijn zij en met zo’n sonde dus ook niet meer op mijn rug’, somberde jij heel
alert ineens.
Vanaf dat moment
zou de uitzichtloosheid van de gruwelijke situatie pas werkelijk bij mij
beklijven.
‘We doen het
samen Hans!’, riep ik vertwijfeld in de hoorn.
Een loze kreet.
Ik had achter de telefoon in de bijkeuken vandaan moeten komen en naar jou op
de bank in de huiskamer moeten snellen om je vast te pakken en te troosten. Als
dat een optie was geweest. Maar iedere aanraking was er één teveel voor jouw
afgezwakte, gekneusde, broze lichaam. Jij en ik waren niet meer onszelf.
Misschien kon de diëtiste jou nog bereiken? Ze deed er ondanks haar
ongerustheid alles aan om beheerst over te komen:
‘Je hebt een
trauma opgelopen door de mislukte endoscopie in het ziekenhuis Hans. Zo’n
keiharde buis die met geweld door je neus, via slokdarm en maag naar je darmen
wordt geleid; alwaar zo’n pijp dan stagneert, omdat jouw tumor de boel volledig
blokkeert. Maar ik beloof je dat zo’n sonde goed te doen is en dat je echt nog
wel op je rug kunt slapen met zo’n slangetje. Dat zijn hele zachte dingetjes.
Zullen we dus afspreken dat ik contact opneem met de huisarts en de oncoloog en
dat we dan zo snel mogelijk operatief een sonde bij je gaan plaatsen Hans?’
In afwachting van
jouw beslissing, hielden de diëtiste en ik onze adem in. Het verlossende
antwoord was het laatste teken van leven dat je aan de diëtiste gaf, voordat je
de verbinding verbrak:
‘Da’s goed meid’.
Die typische,
intieme toonzetting van jou, wierp me een seconde lang terug naar de lente van
1982, waarin jij en ik elkaar voor het eerst vonden. Pijnlijk genoeg was ik er
ruim 36 jaar later luistergetuige van
dat dezelfde, vertrouwelijke tederheid
niet mij, maar een relatief onbekende diëtiste gold. Een innemende vrouw, dat
wel, maar evengoed iemand die jij hooguit 4 keer in je leven had ontmoet. Mijn
infantiele jaloezie probeerde ik te verkroppen. Zij en ik waren niet
inwisselbaar. Dat had op het scherp van de snede alleen maar even zo geleken.
Toch?
Op dringend
verzoek van de diëtiste, kwam de huisarts de dag daarop - op de vroege
vrijdagochtend van 1 februari 2019 - poolshoogte nemen. Ze leek in haar eer
aangetast. Alsof een diëtiste beter in staat was om diagnoses te stellen dan
zij. Mevrouw de huisarts. Ik vreesde van wel, maar er was geen tijd om te
kissebissen over nevenzaken. Ik vond dat er een ziekenhuisbed moest komen in de
huiskamer. De bank en de relaxstoel boden geen soelaas meer. Zeker niet als je
op korte termijn ook nog sondevoeding toegediend ging krijgen. Daartoe vroeg ik
om thuishulp aan de huisarts. Iedere dag een check up voor de zekerheid.
Vreemde ogen dwingen en ik werd sowieso door niemand op mijn woord geloofd.
Hoewel de zuster
van de thuiszorg, die ons in de gauwigheid werd toegewezen, op het eerste
gezicht ook niet direct tegen haar zorgtaak opgewassen leek. Ik schatte haar
niet veel ouder dan onze toen 16jarige Robin. Tijdens het kennismakingsgesprek,
dat nog op dezelfde vrijdag plaatsvond, klampte ze zich aan mijn
beschikbaarheid vast als een bange kleuter aan moeders kuiten op de eerste
schooldag. Ik gaf haar thee en een rondleiding door het huis, omdat ik niet
wist wat ik met haar groene onbeholpenheid aan moest. Jij zat onderuitgezakt,
afwezig en met gesloten ogen op de bank en ik trok in het voorbijgaan beschaamd
jouw opgekropte shirt glad over jouw witte, blote buik.
‘Vanmiddag wordt
een ziekenhuisbed geleverd’, verontschuldigde ik me bij het meisje.
Ze knikte
ontlast. Het leek wel of ze haar toekomstige zorgtaak bij ons in huis in de
loop van mijn introductie steeds meer als een spannend avontuur ging
beschouwen. Ondertussen deed ik mezelf geweld aan om de koudwatervrees waarmee
ze jou vanuit haar ooghoeken monsterde, naast me neer te leggen. Ik troostte
mezelf met de gedachte dat ikzelf immers ook consequent bij jou in de buurt zou
zijn om nog wat liefde, warmte en gezond verstand te kunnen waarborgen.
Tegen het vallen
van de avond werd het ziekenhuisbed geleverd. Ik was net boodschappen doen,
zodat Trevor de zwijgende bezorger van de thuiszorgwinkel opving, met het doel
om het opklapbed op de juiste plek in de huiskamer in elkaar gezet te krijgen.
Het ergonomisch verantwoord kobaltblauwe matras viel me bij thuiskomst als
eerste op. Dat zag er stukken
comfortabeler uit dan de losse kussens van de bank of de verschillende ‘houten
Klaas’ standen van de elektrische relaxstoel. Het was me een raadsel waarom jij
tijdens mijn afwezigheid niet alvast van de bank was gekomen en in je nieuwe
bed was gekropen. Je reageerde niet op mijn uitgesproken verbazing en ik
verloor mijn geduld. Bedillerig eiste ik met klem dat jij terstond je nieuwe
positie innam. Die ochtend, voordat de huisarts kwam, had ik mijn frustraties
ook al op jou afgereageerd. Ik zat in de slaapkamer op de rand van ons
tweepersoonsbed met mijn rug naar je toe. Jij lag languit met de ogen gesloten
op je rug keurig aan jouw zijde van het bed en luisterde gelukkig niet naar
alle losse flodders die ik in het wilde weg op je afketste. Vermoedelijk was je
in de loop van onze jaren samen door schade en schande wijs geworden. Precies
zo kon ik jouw onuitgesproken reacties ook wel raden. Ik wilde duidelijkheid!
Jij niet zeker?! Er moest hulp van buitenaf komen! Alsof jij dat kon regelen!
En ik kon het niet alleen. Ik zou echter wel moeten. Net als jij overigens.
‘Kom nou naast me
liggen’, smeekte je alleen maar kort en verrassend krachtig .
Godzijdank heb ik
dat uiteindelijk ook gedaan, nadat ik uitgeraasd was.
‘Jij bent zo
rustgevend’, beweerde je, toen we een uurtje later samen wakker werden.
Als je niet zo
ziek en verward was geweest, dan zou ik je alsnog van cynisme beticht
hebben.
De rest van de
vrijdagavond dachten we als vanouds te kunnen vullen met het luisteren en
kijken naar ‘The Voice’. Een familiare guilty pleasure die voorheen gepaard
ging met intensief laptopgebruik van jou en de kinderen, afgewisseld met
ongezouten kritiek op de zangkunsten van de kandidaten van de talentenjacht op
het breedbeeldscherm. Ook wel door ons betiteld als schiettelevisiekijken. In
het gezin was ik de enige die normaliter, liggend op de bank, nog ouderwets ‘fulltime’
televisie keek. Echter niet aan de vooravond van jouw lotsbestemming, oftewel
op de drempel van jouw sterfdag, waarop niemand van ons – inclusief alle
betrokken artsen en andere vaklieden – bedacht was. Wel zat ik besluiteloos
rechtop in de relaxstoel aan de rechterkant van jouw ziekenhuisbed in de
huiskamer. Je werd steeds rustelozer, moeilijker aanspreekbaar en je kreunde
hoe langer hoe harder door de herrie van de Voice heen. Zodra ik met het rietje
uit de hals van een flesje Nutricia bij jouw droge lippen in de buurt kwam,
wendde jij getergd je hoofd af en kermde:
‘Morgen weer,
vandaag niet meer!’
Toch bleef ik
volhardend maar tevergeefs met dat rietje in dat flesje medische voeding in de
buurt van jouw onwillige mond in de weer in een wanhopige poging om jou in
redelijk constante gezondheidstoestand het weekend door te krijgen.
Tegelijkertijd probeerde ik in conclaaf met de kinderen de instructies van de
huisarts te recapituleren. In de namiddag van vrijdag 1 februari 2019 had de
huisarts in een evaluatief telefoongesprek met mij namelijk nog de nodige
beslissingen aangaande jouw leven mede gedeeld.
Pas na het
weekend – dus op maandag 4 februari 2019 - zou jij opgenomen kunnen worden in
het CWZ in Nijmegen alwaar eventueel een voedingssonde bij jou geplaatst zou
kunnen gaan worden. Deze operatie had de oncoloog na telefonisch overleg met de
huisarts gefiatteerd. Meteen na het weekend zou de oncoloog trouwens voor 14
dagen op wintersportvakantie gaan. Ik weet nog dat ik dacht:
‘Who cares?’
Voordat hij naar
de sneeuw was vetrokken, had hij tenminste de tegenwoordigheid van geest gehad
om, op aandringen van de diëtiste en huisarts, de pijnmedicatie ietwat beter af
te stemmen op jouw aangetaste lever. Net dat beetje extra aandacht op basis van
jouw persoonlijke, medische gegevens! Daar gaat het kankerpatiënten toch maar
om. Wel jammer dat de oncoloog zonder bemoeienis van buitenaf niet zelfstandig
al veel eerder eigen initiatief had getoond. Enfin, die maatwerktabletten had
ik nog net voor sluitingstijd via de ziekenhuisapotheek weten te bemachtigen.
Zonder overigens het riedeltje chemokuurpillen en oxycodon te vergeten dat ook
onveranderd op vaste tijden doorgeslikt moest worden. Eigenlijk helemaal niet
zo vreemd dus dat de kinderen en ik troost vonden bij het waanidee dat jij
welhaast high moest zijn. In elk geval was jouw atypische gedrag in onze
oververmoeide ogen niet iets wat; met een diepe nachtrust; in een behaaglijk
bed; op een ergonomisch verantwoord matras; niet verholpen zou kunnen worden.
Daarbij had de huisarts een aantekening over jou bij het CWZ achtergelaten voor
het geval ik toch een noodoproep moest
doen. De weekendarts zou dan zo snel mogelijk een ambulance kunnen sturen.
Ik stond in
dubio. Moest ik nou naar het ziekenhuis bellen of niet? In een brochure die
onze kersverse huiszuster die ochtend had achtergelaten, beloofden de mensen
van de thuiszorg dat ook zij dag en
nacht beschikbaar zouden zijn bij dringende kwesties. Mogelijk boden zij een
zinnig alternatief voor de directe dreiging van een sonde en een spoedopname?
Van het begin af aan liet ik me aan jouw ziekbed bij mijn beslissingen en
acties leiden door jouw merkbare panische angst om willoos naar het ziekenhuis
afgevoerd worden, waarna ze jou dit keer met zekerheid ‘helemaal plat zouden spuiten’, om de woorden van jouw
vooruitziende blik te gebruiken. Na een rustig weekend thuis, in jouw nieuwe
ziekenhuisbed en met de nodige voedingsstoffen in jouw systeem, zou alles er op
maandag 4 februari veel rooskleuriger uitzien. Eerst die hectische eerste
vrijdag van februari 2019 maar eens verwerken. Vond ik. Ondertussen joeg jij in je verwarring en met
je bizarre gedrag de kinderen vrijwillig de huiskamer uit, naar boven, naar hun
slaapkamers.
‘Moet ik een
dokter bellen, Hans!’, schreeuwde ik door jouw gekkenwerk heen bij wijze van
symbolische wakkerklap in het gezicht
Je zat rechtop op
bed. In een T-shirt en een TENAman. Je blote benen bungelend over de rand. Een
verwilderde blik in grote ogen en je haren door de war. Die geweldige donker
bruingrijze krullenbos.
‘Jaha!’, riep je
tot op het bot geërgerd terug met gefronste wenkbrauwen, alsof ik nu pas
reageerde op iets dat je al duizend keer eerder aan me gevraagd had.
Bij de vaste
telefoon in de bijkeuken lonkte het alarmnummer op de voorpagina van de
brochure van de thuiszorg. Daarnaast prijkte het genoteerde spoednummer van het
ziekenhuis op een sticky note. Voor geen goud zou ik je willens en wetens een
tweede keer verraden.
6. Doodvonnis.
In de namiddag
van jouw overlijden refereerde de huisarts aan de telefoon nog expliciet aan
jouw zogeheten wens om in een thuisomgeving afscheid van het leven te kunnen
nemen. Het klonk als een verwijt achteraf dat ongetwijfeld wel weer niet als
zodanig bedoeld zal zijn geweest. Maar ik schijn al van kindsbeen af aan
overgevoelig geweest te zijn.
‘Hij wilde wél
thuis sterven’, vond de huisarts het nodig om te benadrukken met de klemtoon op
wel.
Alsof ik daarvan
niet op de hoogte was. Ik stond achter je toen jij in het bijzijn van de
huisarts jouw eigen doodvonnis tekende. Nog geen 3 weken voor jouw laatste
adem, was ze meteen met de deur in huis gevallen tijdens haar eerste bezoek na
de fatale diagnose. De chemokuren moesten nog beginnen, maar als jouw tijd
gekomen was, wilde je niet naar een sterfhuis. Daar lag jouw grens en je had
mij tot jouw douanier uitgeroepen. Wie anders? Maar als dezelfde huisarts al
niet bij machte geweest was om, tijdens haar laatste huisbezoek van die
ochtend, tijdig te constateren dat jouw
einde veel dichter bij was dan wie dan ook op dat moment vermoedde, hoe had ik
dan wel in mijn uppie moeten aanvoelen dat jouw laatste uren geslagen hadden !?
Met andere woorden; ik had jou zonder enige voorkennis in het holst van de
nacht van 1 op 2 februari 2019 met rust moeten laten sterven in het pontificale
bed in het centrum van onze gezamenlijke huiskamer. Regelmatig struikel ik nog
over het zwakke excuus voor het eigen falen dat de huisarts in haar
telefonische condoleance verpakte. Ze had het ‘ook’ niet gezien. Hoezo ook? Zij
was toch de sleutelfiguur in jouw palliatieve geval?
Niet dat er geen
aanhoudende alarmsignalen in mijn achterhoofd om aandacht jengelden, maar ik
stond al vanaf de bekendmaking van jouw endeldarmkanker met uitzaaiingen in de
lever, in tweestrijd. Een deel van mij hing samen met jou aan een zijden
draadje en het resterende brokstuk werd geleefd door de context. Vandaar dat ik
in eerste instantie niet naar het ziekenhuis belde voor opname, maar dat ik het
crisisnummer van de thuiszorg verkoos. Ik nam aan dat onze groene huiszuster
van die ochtend geen extra ploegen draaide en ik hoopte deze keer op een
ziekenzorger met de juiste uitrusting. Iemand in de nachtdienst die ervaring
had met het gangbare verloop van de levensverlengende chemokuren van
ongeneselijke endeldarmkankerpatiënten. Een thuishulp die namens mij kon
inschatten of jij niet alsnog – dan maar vroegtijdig en niet bij zinnen – in het ziekenhuis zou moeten worden
opgenomen.
In plaats van één
ziekenzorger doken er twee welzijnswerkers aan jouw bed in de huiskamer op. Een
man en een vrouw van middelbare leeftijd in burger. De aftastende,
achterdochtige houding waarmee zij onze woning hadden betreden, deed de
atmosferische ongewisheid geen goed. Daarbij leek het wel alsof jij uitgerekend
het aankomstmoment van het thuiszorgtweetal had verkozen om voor het eerst die
nacht muisstil een hazenslaapje te doen. De beladen stilte die daaruit volgde
werd al snel ingevuld door Robin en Trevor die elkaar overschreeuwden in hun
motivatie om de ware aard van jouw wankele evenwicht aan de orde te stellen.
Voor de komst van de ziekenzorgers had ik onze kinderen uit bed geroepen en
ondubbelzinnig om hun steun gesmeekt. Ik was net iets te vaak in mijn hokje van
overspannen weduwe in wording teruggezet. Mijn geslonken eigendunk lag dan ook
aan de basis van de vurige hartstocht waarmee Robin en Trevor jouw afwijkende
gedrag van voorheen schilderden voor de argwanende ogen van de buitenwacht. Vertwijfeld
merkte ik echter aan de initiële, relativerende reactie van de thuisverzorgers
dat zij evenmin zonder meer bereid waren om onze geagiteerde pubers serieus te
nemen. Totdat jij opeens rechtop in bed kwam zitten, het donsdek van je afwierp
en aanstalten begon te maken om op te staan. De mannelijke welzijnswerker
voorkwam ternauwernood dat je door je slappe, knotsknieën zakte, door je
behoedzaam onder je oksels tegen te houden en terug op de rand van het bed te
loodsen. Verslagen kwam je op jouw achterwerk in zithouding terecht en staarde
de vreemdeling, die nog steeds op ooghoogte voor je stond, verwezen aan.
‘Waar gaan we
heen Hans?’ grapte hij vriendelijk.
Het antwoord dat
volgde rukte mijn versufte kop in één klap uit het zand:
‘Kan ik niet
dood? Ik wil dood!’
Uit eigen belang
en vanwege de nog lopende chemokuren haastte Trevor zich om jou tegen te
spreken:
‘Hij wil helemaal
niet dood’.
Ik was echter
ineens niet meer zo zeker van onze zaak.
Na jouw pertinent uitgesproken doodswens, kreeg jouw lijfspreuk of mantra van
de laatste vijf weken, op slag en ter plekke, inhoud:
‘Katinka
bepaalt’.
Ik weet niet
precies wat me bezielde, maar er was iets buiten mij om dat hamerde op de
urgentie van mijn toestemming aan jou.
‘Wat een onzin’,
dacht ik nog, terwijl ik bijna automatisch met stemverheffing mijn akkoord
publiek maakte:
‘Hans, als jij
dood wil, dan mag jij dood!’
Overigens met in
mijn achterhoofd het uitstel van executie dat het regelen van de euthanasie van
onze doodzieke broer Ben in 2014 met zich meegebracht had. Naar mijn idee-fixe
lag er nog tijd genoeg voor ons in het verschiet om liefdevol, uitgebreid en rustig
afscheid van jou te kunnen nemen. Vandaag lieten we de emoties oplopen. Morgen
mochten we weer vrijuit liefhebben.
Maar de belofte
om jou ooit te laten gaan stond nu vast door mijn openbare toezegging en
veroorzaakte een omwenteling in de talmende daadkracht van de ziekenzorgers.
Plotseling hadden ze haast. Na een onderlinge blik van verstandhouding,
zonderde de vrouw zich af om de dienstdoende nachtdokter te bellen, die dan
eventueel een ambulance kon laten voorrijden. Welzijnswerkers zijn daartoe niet
gecertificeerd. Met een hoofdgebaar verzocht ze de kinderen om haar naar de
keuken te volgen. Ik probeerde de gemoederen nog te bedaren door de vrouw van
de thuiszorg mijn plan b na te roepen:
‘Ik kan ook
rechtstreeks naar het CWZ bellen, want bij complicaties zou Hans meteen in het
ziekenhuis kunnen worden opgenomen. Dat is ons vandaag in de namiddag nog door
de huisarts toegezegd. Ze heeft een bericht bij het CWZ achtergelaten voor het
noodgeval!’
Voor
dovemansoren. Ook van de mannelijke ziekenzorger, die Oost-Indisch doof bij jou
en mij in de huiskamer was achtergebleven en jou terug in de lighouding hielp
en vaderlijk toedekte. Daarna bleef hij je monsteren, van top tot teen en weer
terug, terwijl jij rustig in de foetushouding lag. Mij negeerde hij volkomen.
Ik denk expres, maar dat zal wel weer aan mijn lange tenen gelegen hebben. Dus
bleef ik maar zo’n beetje overtollig staan dralen aan het voeteneinde van het
ziekenhuisbed. Naderhand hoorde ik van Robin en Trevor dat de vrouw van de
thuiszorg onze beide kinderen in de keuken nog eens extra op de harten gedrukt
had om de nachtdokter bij aankomst niet te sparen en om niks van hun
oorspronkelijke relaas over de fluctuaties van jouw ongewone gedragingen weg te
laten.
Robin en Trevor
zijn in de nacht van jouw overlijden dus zowel door mij als door een
welzijnswerkster uitgelokt om te getuigen van jouw ongedurige optreden. Niet
dat onze kinderen gewoonlijk zoveel aanmoediging nodig hebben om van zich te
laten horen, maar de uitlokking door derden, tot twee keer toe, maakte de acute aanval van de nachtdokter
direct bij binnenkomst des te pijnlijker. Van het ene op het andere moment
wrong een spichtige dame met een dokterstas zich in de gang, langs het
inrukkende tweetal van de thuiszorg af, door de openstaande deur, de huiskamer
binnen. Ze werd voorafgegaan door een potige tante in een geel hesje, die
gezien haar getrainde postuur en defensieve uitstraling welhaast een soortement
van lijfwacht moest zijn. Tegenwoordig ben je als hulpverlener je leven immers
niet meer zeker Al helemaal niet na een nachtelijke oproep uit een vooroorlogs
pand in een, voormalige, gerenoveerde, achterstandswijk. Hoe alert moet je zijn
in een hachelijke situatie? Vandaar dat
Robin en Trevor, volgens afspraak dus, meteen tegen de gesecureerde
nachtdokter van wal staken over de stand van zaken aangaande de nood van hun
intens geliefde vader. Ondertussen nam de lijfwacht, content met de veilig
geachte enscenering, breeduit plaats op de bank naast het ziekenhuisbed.
Middenin haar
ratelende woordenstroom over de wartaal die ze niet van je gewend was en dat
jij nauwelijks nog kon lopen en steeds harder lag te kreunen, werd Robin door
de nachtdokter onderbroken.
‘Tututut;
jongedame; deze meneer is ernstig ziek.’
Verbouwereerd
drukte Robin met een rooddoorlopen hoofd haar lippen op elkaar en als ik die
dag überhaupt iets door mijn keel had gekregen, dan zou de inhoud van mijn maag
op dat moment ongeremd naar boven gekomen zijn. Het laatste waar je bij een
hulproep op zit te wachten is op een terechtwijzing van een nachtdokter die
mensenwerk merkbaar niet als roeping ziet. Jij voorkwam dat ik de medische
kantoorklerk in haar vuurbestendige, kogelvrije dienstoutfit en disignersbril
ongezouten van repliek diende, door precies op het cruciale ogenblik te gaan
verliggen op je rug, terwijl je klagelijk, maar luid en duidelijk aan de
noodarts vroeg of je niet naar een sterfhuis gebracht kon worden.
‘Hij moet
helemaal niet naar een sterfhuis. Hij moet naar het ziekenhuis voor een
voedingssonde’, merkte Trevor vervolgens, misschien wat fel, maar geheel in de
lijn van de meest recente ontwikkelingen, op.
Opnieuw liet de
twistzieke nachtdokter zich kennen door Trevor agressief toe te bijten dat zij
hier de arts was. Ik zie de bedremmelde smoeltjes van onze pubers nog voor me
en hoewel ik me ernstig stond af te vragen of de betreffende nachtdokter wel
tegen haar zorgverlenende taak opgewassen was, werd ik overvallen door een
vreemde maar onloochenbare gewaarwording. Alsof jij uit je lichaam getreden was
en naast me stond. Zonder woorden zette jij telepathisch het oude liedje in;
van houd je van de domme. Immers als de domme meent dat zij de verstandigste
is, dan ben jij de echte diplomate. Alleen voel ik nooit de behoefte om
diplomatiek te zijn. Toch stuurde jij mij naar de weg van de minste weerstand,
waardoor ik mezelf buiten mij om gedwee aan jouw ziekbed hoorde onderhandelen.
‘Kom, kom,
dokter, de kinderen weten ook wel dat Hans ernstig ziek is. Hans is tenslotte
hun vader en mijn man. Het lijkt me
logisch dat we allemaal wat heftiger reageren dan normaal.’
De nachtdokter
gaf een zuinig knikje in mijn richting ten teken dat ze bereid was om zich neer
te leggen bij mijn verzoenende woorden. Ik wilde haar slaan, maar hield me in,
omdat ze haar aandacht eindelijk volledig op jou richtte.
‘Kan ik niet
slapen? Ik wil zo graag slapen?!’, kermde jij.
Met dat verzoek
kon de nachtdokter tenminste aan de slag en ze stelde jou een injectie met een
slaapmiddel voor waarop, naar haar zeggen, alle terminale patiënten zalig
sliepen.
‘Kan ik dan echt
lekker slapen?’, wilde jij hoopvol zeker weten.
Ik wilde dat ik
je in een gezegende slaap kon toveren, maar mij werd niets gevraagd. Hoewel? Op
de dag nadat jij vertrokken was, wilde de huisarts aan de telefoon voor de
zekerheid nog van wel van me weten of ik de betreffende nachtdokter misschien
toch onterecht verdacht van onheuse praktijken. Weer zo’n spreekwoordelijke
klap in mijn gezicht. Ik ging er heus niet vanuit dat de nachtdokter de liefde
van mijn leven expres met een fatale dosis slaapmiddel om het leven had
gebracht. Ze wist weliswaar absoluut niet waar ze mee bezig was, maar die
injectie met dat wondermedicijn bleek achteraf totaal geen verschil gemaakt te
hebben voor jouw stervensproces.
‘Wat ligt hij nu
lekker te slapen!’, besloot de nachtdokter zelfvoldaan.
Ze maakte
aanstalten om te vertrekken en stak haar hand uit naar Robin:
‘Ik hoop dat
alles nou ook naar jouw zin is?’, fleemde ze oogluikend.
Robin beet op
haar onderlip, maar hield zich groot. Zoveel groter dan de frêle nachtdokter
die mij in het voorbijgaan in de gang zomaar toch nog een blik waardig gunde.
Ik was niet overtuigd en liet me niet afschepen:
‘Moet ik hem nou
morgen wel of niet de pillen van de chemokuur toedienen?’
De nachtdokter
keek me peizend aan en nam de tijd voor haar antwoord:
‘U moet hem
morgen als hij wakker wordt gewoon de normale dosis pillen van de chemokuur
volgens het innameschema dat u van de apotheek hebt gekregen toedienen.’
Ze had ook gewoon
‘ja’ kunnen zeggen. De lijfwacht volgde haar op de voet, maar op de drempel van
de geopende voordeur draaide ze zich naar mij om en keek me doordringend aan:
‘Bellen als er
wat is!’,
Het waren de
enige woorden die de lijfwacht in het gele hesje tegen me uitgesproken heeft,
maar ik heb er meer aan gehad dan alle bedrijvigheid van de ziekenzorgers en de
nachtdokter bij elkaar. Het duurde dan ook niet lang voordat ik in die nacht
van 1 op 2 februari 2019 weer aan de telefoon hing. De kinderen herpakten boven
in hun eigen bedden opnieuw de slaap en ik was op de bank in de huiskamer
weggedoezeld. Om een uur of weet ik veel schrok ik wakker van het misbaar dat
jij naast me in het ziekenhuisbed maakte. Zelfs het paardenmiddel dat alle
terminale patiënten volgens de nachtdokter aan een zalvende nachtrust hielp,
had bij jou niet lang baat gehad. Je ademde zwaar en sloeg kreunend op handen
en knieën een onzichtbare aanvaller van je af. De stoma op je buik stond op
knappen en had hier en daar al gelekt. Ik probeerde tevergeefs je polsen te
pakken. Je schrok me af met een onbekende, verwilderde, afstandelijke blik in
dat anders zo intens vertrouwde gelaat van jou. Toen ik je vervolgens probeerde
te helpen om met je linker onderbeen los te komen uit de bedstijlen. wriemelde
je mijn handen los en weerde me zo resoluut af, dat ik dit keer geen andere keuze meer had dan om direct naar
de huisartsenpost van het CWZ te bellen. Aldaar zou, als het goed was, een
aantekening van onze huisarts over jouw toestand binnen handbereik van de
receptionisten van de helpdesk aanwezig moeten zijn. Zij moesten meteen een
ambulance sturen.
7. Bingo.
Op aandringen van
jouw kinderen grijp ik tegenwoordig wel wat vaker naar dat hightech mobieltje
dat ik met Moederdag 2017 van je kreeg. Tenminste als ik onthoud waar ik het
ding telkens laat. Zoals ik dat ook vergeten was in de vroege ochtend van 2
februari 2019. Vandaar dat ik vanuit het vaste toestel in het kantoortje naast
de keuken naar het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis belde. Het crisisnummer had
ik zo’n 10 uur eerder nog van onze huisarts doorgesluisd gekregen en
ondoordacht op een sticky note gekrabbeld. Aan het begin van vrijdagavond 1
februari 2019 leefde ik nog in de waan dat we het weekend redelijk door zouden
komen zonder een beroep te hoeven doen op steun van buitenaf. Een noodoproep
zou vast niet nodig zijn. Wel dus.
Hopelijk klopte
de ontcijfering van mijn slordige handschrift. Waarschijnlijk was ik niet
verkeerd verbonden, want ik had meteen beet en het zal zo’n 3 uur in de vroege
zaterdagochtend van 2 februari 2019 geweest zijn. Een tijdstip waarop de hele
wereld sliep, met uitzondering van de hulpverleners van het CWZ en jij en ik
uiteraard. De vrouwenstem die ik aan de andere kant van de lijn gewaar werd,
had niet uitnodigend geklonken. Desondanks brandde ik zonder pardon los over de
penibele situatie waarin wij ons bevonden. Jij was doodziek vanwege terminale
endeldarmkanker met metastasen in de lever. Je ontving nu vijf weken
palliatieve zorg van het medische team van de afdeling oncologie van het CWZ.
Tijdens jouw verblijf in het ziekenhuis in de eerste twee weken van de
openbaring van jouw ziekte, was er met spoed een stoma bij jou geplaatst.
Sindsdien slikte jij zware pijnmedicatie en chemokuurtabletten in de hoop jouw
levensduur zo lang en prettig mogelijk te kunnen verlengen. Na het weekend zou
je sowieso wederom in het CWZ opgenomen worden. Deze keer voor een operatie ter
plaatsing van een voedingssonde, omdat je uit eigen beweging hoe langer hoe
moeizamer eten tot je nam. Het was echter van levensbelang om goed aan te
sterken om de geplande chemokuren in het komende half jaar te kunnen doorstaan.
Sinds een week werd je steeds hangeriger en na de komst van een ziekenhuisbed
in de huiskamer, op die middag van 1 februari 2019, ging jouw mobiliteit ook
nog eens met sprongen achteruit. Tevens reageerde je allengs minder alert.
Vandaar dat ik eerder die avond al de hulp van de thuiszorg had ingeroepen. Na
een kort thuisbezoek schakelden de welzijnswerkers een nachtdokter in die een
slaapmiddel bij jou injecteerde. Het had een soortement paardenmiddel moeten
zijn dat een lange nachtrust zou opleveren. Na het vertrek van de nachtdokter
en ondanks de slaapdrugs was je niettemin al gauw weer wakker geschrokken.
Van toen af aan
was je compleet van slag. Als een razende zwiepte je om je heen en je was niet
aanspreekbaar. Wel respireerde je als een dolle stier en probeerde je met alle
macht om iets of iemand te bevechten. Ondertussen kwam je af en aan met je
schenen vast te zitten in de spijlen van de bedrand en duidde een penetrante
geur van ontlasting op een lekkende stoma. De huisarts had mij tegen het vallen
van de avond dit crisisnummer nog doorgegeven. Bovendien had ze een aantekening
over jouw medische toestand bij het CWZ achtergelaten, zodat jij in een
noodgeval met spoed en zonder vraagtekens of uitstel naar het ziekenhuis zou
kunnen worden gebracht. Jouw uithuisplaatsing had ik echter zo lang mogelijk
willen rekken, teneinde jouw
uitdrukkelijke wens, om pas na het weekend in het CWZ te worden opgenomen voor
een voedingssonde, te respecteren. De welzijnswerkers van de thuiszorg hadden
echter, net zo min als de nachtdokter, kunnen voorkomen dat jij inmiddels
onhandelbaar voor mij was geworden. Ik kon geen kant meer op en had dringend
ondersteuning en een ambulance nodig.
De vrouw aan de
andere kant van de telefoonlijn
probeerde mijn update te versnellen door tijdens mijn relaas veelvuldig
met haar tong te klakken. Tegen het einde van mijn actualisatie zag ze
eindelijk kans om mij ongeduldig in de rede te vallen:
‘Mevrouw, ik heb
u zojuist uitstekend geholpen!’
Het kostte een
paar seconden om me te realiseren met wie ik hier opnieuw te maken had. Het was
de nachtdokter met de designerbril en haar vuurbestendige, kogelvrije
dienstkloffie. Dezelfde nachtdokter die jou hier thuis amper 2 uur geleden dat
zoethoudertje had toegediend dat voor elke terminale kankerpatiënt een
verrukkelijke nachtrust garandeerde.
Behalve voor jou dus. Die onachtzame nachtdokter die mij, vlak voor haar
aftocht uit onze woning, nog vol goede moed had afgeraden om met jouw chemokuur
te stoppen.
‘Gewoon stug
doorgaan mevrouw! Luistert u vooral niet naar uw gevoel, maar naar mij, de
enige echte weldoenster en arts in uw huishouden van Jan Steen.’
Die aanmatigende
nachtdokter die zich in onze huiskamer aan jouw ziekbed had doen gelden door
onze kinderen te schofferen. Twee vertwijfelde, intens verdrietige pubers met
de focus op hun wegkwijnende vader.
‘Zo te horen heb
je nog het meeste moeite met de manier waarop de nachtdokter jouw kinderen
benaderde?’, vergewiste de huisarts zich naderhand nog in dat beruchte
telefoongesprek, in de namiddag van 2 februari, verpakt in een condoleance.
Krap een halve dag na jouw dood.
Natuurlijk had ik
niet het meeste moeite met de aanpak van de nachtdokter. De ellende werd
hoofdzakelijk gevoed door de wrede wijze waarop ik in die nacht onvoorbereid
genoodzaakt was om mijn huwelijkspartner en beste vriend los te laten. Een
onnodig inhumaan afscheid van de liefde van mijn leven dat met deskundige
begeleiding en een vriendelijk woord een stuk waardiger en minder traumatisch
zou zijn geweest. Normaal gesproken zou ik dan ook echt wel van me af
gebeten hebben, maar jouw uw alter ego
weerhield mij van zinloos geweld tijdens de kritieke toestand. Geen verwijten
voor onze lankmoedige huisarts, die achteraf makkelijk praten had, en al
helemaal geen verzet tegen de onverteerbare nachtdokter op het moment suprême.
Geen sinecure,
want welke normale crisisarts reageert de onmiskenbare gevolgen van een
burn-out nou herhaaldelijk op hulpbehoevenden af? Eerst zette ze onze kinderen aan het ziekbed
van hun vader onterecht op hun nummer en daarna maakte ze mij, jouw echtgenote,
monddood na mijn telefonische noodkreet. Mevrouw Belangrijk zat niet in de
nachtdienst om door patiënten geëvalueerd te worden. Stel je voor! Ze had mij
zojuist uitstekend aan huis geholpen. Einde consult en stoomt u verder maar
vadsig in uw dierlijke vet gaar volksvrouw. Ik had geen tijd om mijn oren te
geloven. Het zou een kwestie van uitzitten zijn, voordat je in verwarde
toestand uit het ziekenhuisbed op de houten vloer in de huiskamer terecht zou
komen. Ik zag je al liggen spartelen op de grond in je mannenluier en verder
alleen een T-shirt aan met daaronder een stoma die op knappen stond. In mijn
eentje zou ik je niet meer overeind kunnen helpen. Je mocht dan wel tachtig
pond kwijt zijn, maar tachtig kilo is nog steeds niet niks.
Zonder me verder
nog met het opgeblazen ikje van de nachtdokter bezig te houden, keilde ik de
hoorn op de haak om daarna rechtstreeks naar de afdeling oncologie van het CWZ
te bellen. Het betreffende alarmnummer, waarmee dag en nacht contact kon worden
opgenomen door kankerpatiënten, vond ik na een gejaagde zoektocht in een
verdwaalde voorlichtingsfolder - over het gangbare verloop van terminale
endeldarmkanker - tussen een stapel papieren naast de telefoon. Na één keer
overgaan had ik al gehoor. Bingo. Voor de tweede keer die nacht begon ik
haastig aan mijn verslaggeving van het drama dat zich in het hier en nu in ons
leven afspeelde. Wederom werd ik echter overstemd. Opnieuw door een resolute
vrouwenstem. Ze kwam me niet bekend voor, dus de nachtdokter had ik Godzijdank
af weten te schudden. Maar deze keer kreeg ik niet eens de kans om mijn verhaal
te doen. Al aan het begin van mijn noodkreet werd mij de mond gesnoerd.
‘Mevrouw, telt u
eerst eens rustig tot 10. Adem in, adem uit.’
Alsof er nog
zeeën van tijd resteerden om ons te redden. Om mijn ergernis over de
betutteling te kunnen onderdrukken, lastte ik een spreekpauze van 10 tellen in,
terwijl jij me ontlastte:
‘Het heeft geen
zin om je op te winden.’
Want je was bij
me in het kantoortje naast de keuken. Niet in lijf en leden. Je lag immers
koortsachtig te donderen in het bed in de huiskamer. Je was bij me in de geest.
Zoals je sindsdien altijd bij me bent en vanuit de geestelijke wereld mijn
gevoel aanraakt, waardoor ik mijn verstand kan laten prevaleren als de
omstandigheden daarom smeken. Gevolglijk blies ik na tien seconden luidruchtig
wat lucht door mijn lippen ten teken dat ik keurig aan het rustpunt van de
telefoniste tegemoet gekomen was. Voor het oor. Toen ik net voor de derde keer
aan mijn uitleg van de reden voor mijn noodroep wilde beginnen, werd ik aan
andere kant van de lijn nogmaals onderbroken. Niet weer door een aanval.
Integendeel; uit het niets leek het wel. klonken de verlossende woorden:
‘Mevrouw, er is
een ambulance naar u onderweg!’
Bleek achteraf
dat de crisislijn van de huisartsenpost en het alarmnummer van de afdeling
oncologie gewoon één pot nat waren. Dat had ik kunnen raden. Althans in een
alledaagse context, maar niet in de overlevingsmodes. Het drong niet tot me
door dat de telefoniste van de afdeling oncologie dus allang van onze
schreeuwende verschrikking op de hoogte was geweest, voordat ze mij niet langer
in spanning kon houden. Onbewogen had ze meegeluisterd aan de telefoon met mijn
initiële uitgebreide medische update aan de nachtdokter. Aangemoedigd door de
aantekening die onze huisarts op de ziekenhuispost over de urgentie van jouw
situatie had achtergelaten, had ze vervolgens de arrogantie van de nachtdokter
genegeerd en per direct op eigen initiatief een ambulance richting het
genoteerde adres gestuurd.
Een paar uur
later stond ze naast me aan jouw sterfbed in het ziekenhuis. Ik herkende haar
stem van de telefoon. Ze had een zuster, telefoniste of arts kunnen zijn. Of
alle drie tegelijkertijd. Hoe dan ook ontroerde ze me met haar troostrijke
inlevingsvermogen:
‘Je hebt het goed
gedaan’, fluisterde ze in mijn oor, terwijl ze mijn elleboog, die slap langs
mijn lichaam afhing, vond en kneep.
Toen had de
dienstdoende chirurg al aan de kinderen en mij medegedeeld dat jouw laatste
minuten ingegaan waren. Zijn onderzoekende, empathische blik na de
hartverscheurende aankondiging, zie ik nog voor me. Ik had gehoord wat hij zei,
maar reageerde vertraagd:
‘En de
nachtdokter wilde ons niet helpen!’, riep ik verloren uit.
‘Ik weet
het, ik zat naast haar toen u belde’,
bekende de vrouw aan mijn zijde op een geruststellende toon.
Pas na maanden
rekenen, lukte het me om één en één bij elkaar op te tellen. Ik was niet de
storende factor hier, maar de nachtdokter. Ze kon niet anders dan knettergek
zijn. Temeer daar ze mij als sluitstuk, middenin jouw doodsstrijd, nog een
afrondend belletje gaf. Een trap na als het ware. Niet opzettelijk, want
vermoedelijk was het haar intentie om haar gezicht te redden. Weliswaar over
jouw rug, maar de nachtdokter was en bleef nou eenmaal geen mensenmens. Het
schelle telefoongerinkel, waarmee ze de woordeloze nachtgeluiden verstoorde,
deed mijn hart een slag overslaan. Ik spitste mijn oren in de geopende
voordeur, alwaar ik op de uitkijk stond naar de ambulance. In de huiskamer kon
ik je niet meer bereiken. Onberekenbaar sloeg je uit en willekeurig weer aan in een onverstaanbare
klaagzang. Via telepathie dirigeerde je me de frisse lucht in met zicht op een
slapende wijk in een inktblauwe nacht met flauwe straatverlichting. Je liet me
inzien dat een ambulance zich niet met gillende sirenes zou aankondigen op zo’n
onmogelijk tijdstip en in een dicht bevolkte woonwijk. Het plotselinge
telefoongerinkel belemmerde het continuüm van jouw gedachtenoverdracht en
navigeerde mij vanuit mijn wachtpositie in de voordeur naar het vaste toestel
in het kantoortje achter de keuken. De vinnige intonatie van de nachtdokter kon ik inmiddels
moeiteloos plaatsen. Haar aanhef daarentegen sloeg wat mij betreft alles wat
een arts in een crisissituatie eventueel nog vergeven zou kunnen worden:
‘Nou moet u eens
goed luisteren mevrouw; u kunt toch niet van mij verwachten dat ik zomaar een
ambulance naar uw adres stuur, als u zo’n toon aanslaat en als u zomaar de
hoorn op de haak gooit en zo de telefoonverbinding tussen ons verbreekt!’
Ik had zin om die
gestoorde bitch de huid vol te schelden, zoals dat een buurtwijf betaamt, maar
onder jouw invloed besloot ik in plaats daarvan boven mezelf uit te stijgen:
‘Ik verwacht
totaal niets van u dokter; er is al een ambulance naar hier onderweg!’
Ik had de hoorn
nog niet op de haak gegooid of twee ambulancebroeders in neon
dienstuitrusting betraden via de
geopende voordeur onze vooroorlogse, gezamenlijke droomwoning van honderdtwintig jaar oud. Het doortastende
tweetal ontfermde zich zonder aarzelen over jou met luchtige opmerkingen,
waarover je in het gewone leven gegrinnikt zou hebben. Ik stond in een hoekje
van de huiskamer naast de bench van de hond. Ik heb Kirby niet gezien of
gehoord die nacht, maar ze kan niet anders dan in haar kooi gezeten of gelegen
hebben. Een enkele keer reageerde je op de ambulancebroeders en lalde een
onbegrijpelijke klankenreeks, maar voor het overgrote deel bleef je maar om je
heen maaien en schoppen, waardoor ook zij je amper konden bedwingen.
‘En dan hebben we
nog een probleem’, kondigde de langste van de twee schielijk aan.
Pas toen hij
doorvroeg, realiseerde ik me dat hij zich tot mij gericht had:
‘Hans kan niet
meer op zijn benen staan. Is er hier nog een andere uitgang? Zo te zien is dit
een oud huis met allemaal hoekjes en inhammetjes en aparte kamers. Ludiek hoor,
maar zo kunnen wij met de brancard de scherpe bocht naar de gang en naar buiten
niet maken.’
‘Misschien
achterom of via het raam?’, opperde ik schaapachtig.
Zoiets moet je
ook niet aan mij vragen. De lange ambulancebroeder schudde zijn hoofd, terwijl
de kleinste van de twee een injectienaald in jouw bovenbeen plaatste.
‘Ja, dat is
lekker’, zwijmelde je tot mijn verrassing
hardop en vrij helder.
Ik wilde terug
reageren, maar ik moest noodgedwongen plaats maken voor de lange broeder die
langs mij af naar buiten, richting ambulance, wilde. De kleine broeder riep
mijn hulp in:
‘Kun je zijn
stoma even vervangen?’
Nou even niet. In
de afgelopen 3 weken hadden jij en ik een intiem ochtendritueel ontwikkeld
rondom het verversen van jouw stoma. Door mijn bijdrage, was je niet
afhankelijk van stomazorg van vreemden aan huis. Je bleef me maar bedanken,
terwijl ik niets liever deed dan er voor jou zijn. Daarbij had je mijn
toewijding zelf eerlijk verdiend na 36 jaar van onvoorwaardelijke vriendschap.
Ongeveer twintig ochtenden op een rij verwijderde ik in ons tweepersoonsbed
eerst de oude, gevulde stoma, terwijl jij languit op je rug lag. We kletsten alsof alles bij het oude
was. Je maakte me aan het lachen, totdat ik mijn adem niet langer kon inhouden
tegen de misselijk makende geur van lauwe poep. Voorzichtig reinigde ik de
licht ontstoken uitgang in je buik. Precies zoals de dames van de stomazorg mij
dat in het ziekenhuis geleerd hadden. Nadat ik het gat in een nieuwe stoma op
de maat van de opening in jouw buik had geknipt, bracht ik het schone zakje, onder een uitschuiflamp met vergrootglas,
zorgvuldig bij jou aan. Alles moest kalmpjes aan, want alles deed pijn. Ook het legen van de bevestigde stoma ging
zomaar niet. Ontlasting moest met overleg gebeuren, maar nood breekt wetten. Ik
weet niet meer hoe ik het klaargespeeld heb, maar ik herinner me wel dat de
kleine broeder van een afstandje toekeek en zijn hoofd op een gegeven moment
afwendde om voor mij zijn weerzin te verbergen. Toen de nieuwe stoma goed en
wel zat, gaf de kleine ambulancebroeder mij bijna onmerkbaar een eerbiedig
hoofdknikje, dat ik negeerde. Ik wilde geen respect; ik wilde jou.
Je was wel iets
rustiger geworden. Vast niet door de stomazorg, maar waarschijnlijk door de
inwerking van het goedje dat eerder door de kleine ambulancebroeder in je
bovenbeen was geïnjecteerd. De kleine broeder deed zijn best om jouw T-shirt
met poepvlekken zo steriel mogelijk over je tollende hoofd te trekken en ik
verving jouw met urine doordrenkte luierbroek zo goed zo kwaad als jouw
stuiptrekkingen dat toelieten. Daarna stonden we daar. De ambulancebroeder aan
het hoofd en ik aan het voeteneind van het ziekenhuisbed met jouw geschonden
lijf tussen ons in. Je ijlde nog wel, maar je werkte moe gestreden.
‘Dan brengen we
hem naar het ziekenhuis en dan is hij morgen weer aanspreekbaar’, zei de kleine
ambulancebroeder om wat te zeggen te hebben.
Hij keek erbij
alsof hij zichzelf niet geloofde en kwam op een beter idee om mij af te
leiden:.
Kun je schone
kleren voor hem halen en wat logeerspulletjes voor in het ziekenhuis?’
Ik kon alles die
nacht, behalve jou terughalen zoals ik je 36 jaar lang heb liefgehad. Ik vloog
de trap op naar de slaapkamer. De aanblik van het onbeslapen, lege
tweepersoonsbed greep me naar de keel. Werktuigelijk propte ik een weekendtas
vol met; T-shirts, sokken en die joggingbroeken met door mij aangebrachte
elastiek aan de tailleband. Jouw scheerapparaat was ook in de badkamer
onvindbaar en moest Trevor morgen maar naleveren. Op mijn terugweg naar de
huiskamer botste ik net niet tegen de lange ambulancebroeder op die zojuist
weer door de open voordeur naar binnen gelopen kwam. Hij droeg een megapakket
in zijn armen.
‘Zo meteen komt
de brandweer even helpen om Hans in een draagdoek naar de ambulance te dragen.
Het zijn best veel brandweermannen, dus niet schrikken’, legde hij uit zonder
mij aan te kijken.
Alsof ik voor de
rest van mijn tijd op aarde nog niet
genoeg geschrokken was. Murw was ik er getuige van hoe beide mannen druk doende
waren om het draagdoek om jouw lichaam te wikkelen. Je droeg inmiddels schone
kleding en liet onverhoeds met je sollen. Jou ledematen bewogen losjes met het
gehannes van de ambulancebroeders mee. En toen, totaal onverwachts, hadden jij
en ik oogcontact. Op slag herkende ik je
opnieuw door en door en jij zag mij zomaar weer staan. Je sprak met je ogen.
Die onbeschrijfelijk veelzeggende blauwgrijze
ogen waarvan ik levenslang in de ban zal blijven. Ik las herkenning,
begrip en liefde. Oneindige liefde.
‘Ik hou van
jou!’, antwoordde ik als vanzelfsprekend.
‘Dat weet ik
toch’, was het allerlaatste dat je tegen me zei.
8. Alles verdwijnt, behalve het
verleden.
Zes gelaarsde
brandweermannen vonden hun weg door de open voordeur via de hal en de gang naar
jouw ziekenhuisbed in de woonkamer. Ik stond in de gang ter hoogte van de
kattenvoerbakjes en liet me intimideren door de imposante optocht. Ondanks de
dieptrieste situatie onderdrukte ik een lachstuip, want het rijtje
opeenvolgende brandweermannen deed me denken aan Montey Python en The Meaning
of Life met die scene waarin een oneindige stoet katholieke kinderen uit een
minuscuul arbeiderskotje blijft stromen. Zo waren de geüniformeerde
brandweerlieden ook buiten proportioneel aanwezig. Jij hing horizontaal slap en
roerloos in het draagdoek verstopt en je gaf geen kik toen de zes
brandweermannen jouw lichaam gezamenlijk ophijsend aan het zwarte foedraal naar
buiten loodsten. De brancard stond aan de ingang van het tuinpad. Het
achtergebleven stilleven in de huiskamer maakte de nasleep van jouw afreis nog
troostelozer dan gewoon verlaten. Tussen het verschoven meubilair in de keuken
vond ik de weekendtas die ik in opdracht van de kleine ambulancebroeder
volgepropt had met jouw logeerspullen. Morgen zouden de kinderen en ik je op
komen zoeken in het ziekenhuis. Morgen zou je weer aanspreekbaar zijn.
‘Komt u maar even
tot rust, mevrouw’, adviseerde de kleine
ambulancebroeder nog voordat hij zijn weg naar buiten, achter de stoet aan,
vervolgde..
De brancard met
daarop de verpakte contouren van jouw lieve, vertrouwde lijf kon ik vanuit de
voordeuropening nog net in de laadruimte van de ambulance zien verdwijnen.
Daarna klonk het resolute dichtklappen van de deuren en was ik stomme getuige
van het geluidloze zwaaien van de ambulancebroeders naar hun collega’s in de
wijkende brandweerwagen. De weekendtas drukte ik tegen de borst van de lange
ambulancebroeder die mij op het tuinpad terug tegemoet kwam. Behoudend nam hij
jouw bagage van mij over, terwijl hij een pregnante blik op zijn collega bij de
ambulance afvuurde. De kleine ambulancebroeder maakte van een afstand een
gebaar van niet begrijpen. Naderhand vulde onze genadeloze huisarts het
ontbrekende puzzelstukje in.
‘Ja. Ik hoorde
van de ambulancebroeders dat Hans in de ambulance al een keer was weggevallen,
ja!’
De huisarts sprak
als in een werkoverleg, terwijl ze in werkelijkheid geen gedeformeerde
vakgenoot, maar jouw kersverse, levensechte weduwe van vlees en bloed aan de
lijn had. Met haar tactloosheid liet
onze huisarts me spijkerhard al de hoeken van de ongecensureerde realiteit
zien. Nog geen halve dag geleden waren jij en ik voorgoed onzichtbaar voor elkaar geraakt. Ik
was al ruim 34 uur onafgebroken op de been en ik had tijdens het condoleancebelletje
van de huisarts niet helemaal toevallig de begrafenisondernemer op bezoek. Los
daarvan was er nog geen klap bezonken. Laat staan dat ik kon verkroppen dat de
ambulancebroeders op het moment van jouw aangrijpende uittocht kennelijk iets
te verbergen hadden. Ik had het kunnen weten, want de voordeur was amper een
seconde achter me gesloten of ik werd in de rug aangevallen door indringend
nachtelijk bel gerinkel dat oorverdovend klonk in de stilte na de storm. In de
weerschijn van lantaarnlicht verscheen wederom het gezicht van de kleine
ambulancebroeder. Er was geen ontkomen aan de achterhaalde leugen die er mij
ongetwijfeld van weerhouden zal hebben om te vluchten voor de nieuwe inzichten
van de beste man:
‘Mevrouw, rijdt u
toch maar achter ons aan naar het ziekenhuis en neemt u de kinderen mee! Ik heb
een slecht onderbuikgevoel.’
Is een
onderbuikgevoel geen synoniem voor een instinctieve reactie? Ook wel intuïtie
genoemd? Van die dreinende emoties dus, die ik na vijf weken van worsteling
eindelijk had weten te negeren? Om te voorkomen dat ik met mijn gevoel constant
in de clinch lag met de ratio van anderen. De onvermijdelijke confrontaties met
de beweegredenen van; de zaalartsen en de verpleegsters in het ziekenhuis, de
oncoloog, de psycholoog, de zusters en broeders van de thuiszorg, de dames van
de stomazorg, de diëtiste, de assistentes bij de apotheker, de huisarts, hare
hoogheid de nachtdokter, jouw vrienden
en collega’s, mijn zieke, alleen gaande
oude moeder en niet in de laatste plaats; onze kinderen. Al die betrokkenen schreeuwden om mijn
gezonde verstand. Er was te weinig tijd voor jou en mij in deze onberekenbare,
beroerde toestand en ik wilde je niet opeisen, want anderen hielden ook van
jou. Vandaar mijn gedoogbeleid Een overlevingsstrategie die overigens
nauwelijks gerespecteerd werd, want na jouw dood hoefde ik maar te piepen en de
hulp zou klaar staan. Kant en klaar.
‘Jij hebt niets
aan die standaardhulp’, hoor ik jou hoofdschuddend tegen het aanbod van de
mensen van goede wil inbrengen.
Wat ‘die
standaardhulp’ in de praktijk dan ook mag inhouden. Ik ben heus niet te koppig om een reikende hand aan te grijpen.
Graag zelfs. Maar als precies in een moment van zwakte de bijstand een strohalm
blijkt te zijn, waar blijf je dan met al die
goede bedoelingen?
Ook de huisarts
sloofde zich, ondanks de prozaïsche tendens tijdens dat onaangename
condoleancebelletje van haar, uit om zichzelf ervan te vergewissen dat zij mij
nergens mee van dienst kon zijn. Toch onverwacht gewetensvol van onze huisarts.
Uit respect voor jou wilde ik niet kleinzielig zijn, hoewel ik haar liever
beleefd op een afstand had gehouden met behulp van de verzonnen assistentie van
mijn denkbeeldige vriendin. Maar iedere leugen kost geheugen en op dit moment
van de waarheid gunde ik onze huisarts een tweede kans. Dit was haar
mogelijkheid om iets voor mij te betekenen en haar status te gebruiken om met
een simpel belletje naar de GGD een regeling te treffen ter rappe verwijdering
van jouw ziekenhuisbed uit het centrum van onze
woonkamer. Liever gisteren dan vandaag. Zoveel was dat nou ook weer niet
gevraagd, meende ik. Na de heftige gebeurtenissen van de nacht van 1 op 2
februari 2019 kon ik de pijnlijke aanblik van het lege bed als de spil in onze
gezamenlijk leefruimte geen seconde langer meer verdragen. Ik was al niet
bijster stabiel meer zo kort na het trauma van jouw plotselinge heengaan en de
onontkoombare confrontatie met de metafoor van jouw lijdensweg in mijn
persoonlijke space dreigde mij tot uitersten te drijven. Het kobaltblauwe ergonomische
matras had ik al van het bed uit de woonkamer naar de bijkeuken gesleept. De
bovenkant stond uit het zicht tegen de muur vanwege een onuitwisbare.
ingetrokken poepvlek bovenop de hagelnieuwe matrashoes .
De huisarts deed
alsof mijn verzoek geen probleem was. Zowel het ziekenhuisbed als het
bezoedelde matras zouden zo snel mogelijk
opgehaald worden. Zo snel mogelijk liep echter uit op een halve week in
het hart van de rouwtijd die door de voorzienigheid van niemand minder dan onze
toen 15jarige zoon nog enigszins draaglijk werd gemaakt. In de namiddag van de
helse zaterdag na jouw verscheiden, sleutelde hij op eigen initiatief het ziekenhuisbed uit elkaar. Hij had geen
gedetailleerde hulpaanvraag nodig. Het resultaat verzamelde hij in een hoek van
de woonkamer, alwaar de harde bewijzen van jouw recentelijke afreis in
afwachting van de volgende patiënt tenminste iets minder schrijnend tegen een
troosteloze stemming aan schuurde.
‘Wat goed dat die
ambulancebroeders naar hun onderbuikgevoel hebben geluisterd’, vond een oude
rot uit de thuiszorg toen ze mij eerder op jouw stervensdag ook aan de
rouwtelefoon had.
Ze belde vanuit
haar functie als coördinatrice van de thuiszorg. Allereerst om de kinderen en
mij te condoleren. Dat sprak voor zich. Ten tweede had ze een prangende vraag
en wel of ik bereid was om de thuisverpleegster, die gisteren aan jou was
toegewezen, op korte termijn nog een keer te spreken. Ze doelde op dat jonge
meisje waarmee wij in onze privésfeer en vlak voor jouw overlijden voor het
eerst kennis hadden gemaakt. Dat kind dat niet veel ouder leek dan onze Robin
die toen 16 was. Na een ongemakkelijk kennismakingsgesprek, in jouw
pretentieloze bijzijn, was ik haar liever kwijt dan rijk. Denkelijk was het
hulpje vooralsnog toch beter geschikt als gezelschapsdame voor eenzame
bejaarden in plaats van als palliatieve thuisverzorgster van een 56jarige endeldarm
kankerpatiënt met metastasen in de lever. Achter dat weekend was ik dan ook van
willens om een stokje voor haar vaste aanstelling hier aan huis te steken. Maar
die inspanning mocht ik mezelf na jouw inslapen besparen. Een geluk bij een
ongeluk. Dus als ik ergens niet op zat te wachten dan was het wel om
uitgerekend dat onschuldige, lieve zustertje vlak na jouw verscheiden wederom
te woord moeten staan. De ouwe rot uit de thuiszorg had echter niet de hele dag
de tijd om mijn instemming af te dwingen en besloot om haar telefonische verzoek nader toe te lichten:
‘Anders komt de
dood van een nieuwe patiënt ook zo koud op haar dak vallen’.
Ja, want het gaat
om iedereen behalve om mij. Daarvan zou ik na jouw sterven geleidelijk alleen
maar intenser doordrongen raken. Een groeiend besef dat van het begin af aan
stelselmatig gepaard gaat met jouw spreekwoordelijke hand op mijn schouder.
Dankzij jouw onvoorwaardelijke steun, hoef ik het gevecht met de goede
bedoelingen niet steeds opnieuw aan te gaan. Mijn reserves kan ik beter bewaren
voor de kinderen en mezelf. Aldus gaf ik toe. Logisch immers dat ik gevraagd
werd om voor een wildvreemde beginnelinge de kou uit de lucht te halen?! Over
het nog warme stoffelijk overschot van de vader van mijn twee kinderen en mijn
innig, geliefde echtgenoot heen, welteverstaan. Kleine moeite toch om die
debutante van de thuiszorg over het verloop van jouw abrupte einde in te
lichten?! Al het begin is moeilijk en de ene hand wast de andere. Dus kweet ik
me van mijn taak met zoveel openheid en passie dat de sidderende, nieuwbakken
thuisverzorgster, aan de ontvangstkant van de telefoonlijn, geen verstandigere
optie had dan om ademloos toe te luisteren. Geen detail bleef onderbelicht.
Zelftherapie door herbeleving, want wie zichzelf niet kietelt die lacht
kennelijk nooit!
Desondanks waagde
ik het bij voorbaat om een wederdienst te vragen voor mijn bereidwilligheid om
een rekruut op te vangen. Of de ervaren dame van de thuiszorg mij van mijn
voorraad medische voeding kon afhelpen? Jij was er niet meer om de boel te
nuttigen en ik had via de ziekenkostenverzekering begrepen dat die flesjes
krachtvoeding niet goedkoop waren. Gisteren, op de laatste dag van jouw leven,
waren nog 48 flesjes van een nieuwe bestelling aan de voordeur afgeleverd. Dat
was nou zonde, want helaas kon de dame van de thuiszorg mij niet lichter maken.
De oplossing van mijn problemen oversteeg de grenzen van de gangbare
hulpverlening. De dame van de thuiszorg stelde voor om op korte termijn maar
even contact op te nemen met de leverancier van de medische voeding, die de
afgeschreven flesjes Nutricia ook niet terug wilde hebben. Wat moest ik nu met
die bocht?
‘Misschien wil de
huisarts ze wel hebben’, opperde de telefoniste van de leverancier.
‘Ja, ik ga een
beetje met 48 flesjes medische voeding lopen sjouwen! Dan flikker ik ze net zo
lief weg!’, gilde ik hysterisch door de hoorn.
‘Als u dan maar
weet dat de kosten dan wel van uw man zijn eigen risico afgaan’, waarschuwde de
telefoniste vinnig.
‘Mijn man is
dood!’, wilde ik van de daken krijsen.
In plaats daarvan
distantieerde ik me maar weer wijselijk van zoveel hulpeloosheid zonder
afscheid te nemen van mijn gesprekspartner. Weggooien van al die luchtdicht
verpakte, loeizware flesjes vol met vloeibare medische voeding, was bij nader
inzien onbegonnen werk. Daarom lieten de
kinderen en ik, na een autorit van 2 straten verder, drie dozen met ongeopende
flesjes Nutricia achter in de regen voor de gesloten deur van de
huisartsenpraktijk in onze wijk.
Vanuit hetzelfde
zelfbeschermingsprincipe kon dat slechte onderbuikgevoel van die gasten in hun
neon geelgroene uitrusting me nog meer vertellen. Ik liet de cryptische
voorspelling van de ambulancebroeders, over jouw afwezige levensverwachting,
niet bepaald tot me doordringen. Tenminste dat dacht ik. Maanden later hielp
Robin me verontwaardigd herinneren:
‘Je maakte me om
5 uur in de vroege morgen van 2
februari letterlijk wakker met de
opmerking dat ik op moest schieten, omdat papa die nacht zou gaan overlijden!’
Ik zal de
waarheid wel verdrongen hebben, maar ik
weet nog wel dat we geen idee hadden waar we konden parkeren toen we
eenmaal bij het ziekenhuis gearriveerd waren. De hoofdingang was gesloten.
Sindsdien leef ik niet meer in de veronderstelling dat ziekenhuizen dag en
nacht geopend zijn voor publiek. Trevor bedacht dat we waarschijnlijk op de
spoedeisende hulp verwacht werden.
‘Waar is de
spoedeisende hulp!?’, panikeerde ik, omdat ik hartstikke nachtblind ben en me
ook in het schemerdonker van een ochtendgloren in de maand februari van 2019 voor geen meter kon
oriënteren.
‘Mam, doe effe
rustig; de spoedeisende hulp is bij de huisartsenpost. Kijk daar staat een
bord’, probeerde Trevor mij nuchter tot bedaren te brengen.
Te laat kwam ik
erachter dat ik stil stond in een parkeervak voor huisartsen. Een eventuele
bekeuring was voor later zorg. Met de kinderen achter me aan beende ik het
gebouw van de huisartsenpost annex spoedeisende hulp binnen met een air alsof
ik niet compleet de weg kwijt was. Ik zwaaide met mijn rijbewijs ter
identificatie, maar de baliemedewerker van de spoedeisende hulp negeerde mijn
gebaar. Hij wist wie we waren. En ik dacht:
‘Hoe weet hij wie
we zijn?’
Ik volgde zijn
wijsvinger naar een ruimte achter gesloten, lichtgele gordijnen waarop hectisch
bewegende schimmen als in een schaduwspel. De ruimte vulde zich met geroezemoes
waarin jouw opstandige, maar broze keelklanken de boventoon voerden. De kinderen
flankeerden me toen een verpleegster ons gewaar werd en in een flits de
gordijnen opentrok. En daar kwam jij weer in beeld. Je lag opnieuw onrustig te
wezen met een drietal bezige zusters om jouw ziekenhuisbed heen. Een verslagen
dienstdoende arts stond met zijn handen in het haar bij een monitor met ruis.
Je vocht met een zuurstofkapje en tegen een verpleegster die jou desondanks
lucht probeerde te geven.
‘Laat maar gaan’,
gebood de arts merkbaar opgelucht dat de kinderen en ik gearriveerd waren.
Ogenschijnlijk
hadden we niet veel later moeten komen. Behoedzaam stelde de arts zich op in
het blikveld van ons drieën om zijn aankondiging te doen:
‘Hans gaat zo
meteen overlijden.’
Robin en Trevor
wilden direct weten hoezo dan, maar ik kon die stervensverwittiging bijna niet
behapstukken. Eerst had ik mijn frustraties over de aanmatigende nachtdokter te
veteren. Er moest ontgoocheling weggeslikt worden, omdat mevrouw de dokter, tijdens
haar huisbezoek eerder die nacht, over het oververhitte hoofd gezien had dat
jij aan het stervensproces was begonnen. Ze had wel de tijd en toon gevonden om
onze kinderen tot de orde te roepen. Tevens zat de ontsteltenis vanwege haar
afwijzende reactie op mijn telefonische hulproep, later in dezelfde nacht, een
normale verwerking in de weg. De aandoenlijke verpleegster die mij dacht te
troosten door aan te geven dat ze begreep waar ik op doelde, bracht mij niet
tot rust, maar wel bij mezelf, waardoor mijn gevoelssprieten weer op scherp
gingen. Zoveel doet een vriendelijk woord, terwijl een verkeerde toonzetting
elke verbinding kan verbreken. Zoals de aanhef van jouw oncoloog die mij twee
weken na jouw overlijden uit bed belde.
‘U spreekt met
Katinka Sliepenbeek’, leidde ik het telefoongesprek gewoontegetrouw en
slaapdronken in.
‘Ik ben op zoek
naar de echtgenote van meneer Barten’, liet een onvaste stem mij kriegelig
weten.
‘Dat ben ik’,
antwoordde ik.
‘Ja, dat weet ik
toch niet!’, snauwde de stem, die achteraf van jouw oncoloog bleek te zijn,
getergd.
Wat mij betreft
was hier het gesprek opgehouden voor het begonnen was, maar na jouw dood heeft
niemand meer een boodschap aan mijn mening. Uit zelfbehoud begon ik daarom aan
een terugtocht naar mijn wanhoop , totdat ik tussen mijn oren op een blokkade,
in de vorm van een onuitgesproken zinsnede, stuitte die alleen van jou
afkomstig kon zijn:
‘Doet er niet
toe.’
Die ongezegde
essentie brengt mij telkens linea recta terug in het hier en nu en maakte dat
ik me aan jouw sterfbed wist te herpakken. Alles verdwijnt, behalve het
verleden. Een verleden met jou.
Bijvoorbeeld op het ziekenhuisbed in strandstoelstand waarin jij slap
achterover hing. Je sloeg niet meer om je heen. Denkelijk had het geluid van de
stemmen van de kinderen en mij verlichting gebracht. Daarbij kon je niet anders
dan gesloopt zijn na, God mag weten hoeveel, uren van zieltoging. Je ademde
zwaar en luidruchtig door je neus. Heel gulzig en diep in en uit; alsof je de
zuurstof uit een trechter moest halen waarvan het tuitje na iedere ademstoot
nauwer werd.
Robin en Trevor
hadden inmiddels naast elkaar aan de rechterzijde van jouw bed plaatsgenomen.
Op advies van een verpleegster zochten ze
lichaamscontact door jouw bovenarm te strelen en je hand te pakken.
Vanaf de overkant van het bed maakte ik me zorgen over hun overwonnen
smoeltjes, terwijl ik over jouw wang streek. Hoewel je met lege, ijsblauwe ogen
naar het plafond staarde, was je toch present. De atmosfeer was doordrongen van
jouw persoon. Van hoe de kinderen en ik jou kennen. Jouw humor, scherpzinnigheid
en de relaxte zweem van de Rat Pack muzikanten die jij levenslang beluisterd en
bewonderd had.
I’ve loved, I’ve laughed and cried.
I’ve had my fill, my share of losing.
And now, as tears subside,
I find it all so amusing.
To think I did all that.
And may I say not in a shy way;
Oh no, oh no, not me,
I did it my way.
In de nasleep van
de begrafenis hebben de kinderen en ik éénmalig aan elkaar toegegeven dat we op
dat moment ieder op onze eigen manier merkten dat je op jouw sterfbed naast ons
stond. Ofschoon je voor het oog al zo goed als vertrokken was. Je mond stond
half open. Een draadje spuug maakte een bruggetje tussen jouw gekloofde,
bloedeloze onder- en bovenlip. Hoewel je naar adem lag te snakken, ging jouw
borstkas nog nauwelijks op en neer. Jouw ware zelf herkende ik toen al niet
meer in jouw stoffelijke overschot. Sindsdien voel ik je steeds in mijn buurt;
hetgeen de ontbering van jouw lijfelijke bijzijn permanent kenbaar maakt. Alles
went, maar in die nacht van 1 op 2 februari was ik zeker weten onherstelbaar
beschadigd geraakt als jij niet op de grens van leven en dood uit jouw lichaam
was getreden om de kinderen en mij ongezegd te verzekeren van jouw
onvoorwaardelijke tegenwoordigheid.
‘Hans heeft veel
te hoge zuurgraad in het bloed. Dat is
een zeldzame complicatie van het ziektebeeld van jullie vader’, hoorde ik de
arts over mijn hoofd aan de kinderen uitleggen.
De voortgang van
de rampspoed kon er bij mij niet meer in. Desondanks ving ik met een half oor
flarden op van het vervolggesprek tussen de arts en Robin en Trevor.
Bloedvergiftiging door leverfalen. Daar is geen medicijn tegen opgewassen. Jij
had bij aankomst in het ziekenhuis dan ook alleen wat vocht toegediend
gekregen. Het was moeilijk in te schatten of je veel pijn had. De arts dacht
van niet. Hij klonk oprecht. Hopelijk sprak hij de waarheid.
‘Wat nou als ik
niet voor hulp gebeld had?’, hoorde ik mezelf vragen.
‘Uw man was hoe
dan ook vannacht komen te overlijden’,
antwoordde de arts indirect, maar zonder aarzelen.
‘O mijn God’,
prevelde ik als in een dankgebed.
Niet omdat ik
bang zou zijn geweest om met je alleen te zijn bij jouw afscheid van het leven.
Integendeel. Maar niet in onwetendheid.
‘Praat maar wat
tegen hem’, stelde een verpleegster voor.
Heb je gehoord
dat ik zei dat je een mooi mens was? Zelfs nu je dood lag te gaan?! Geen grote
taalvondsten van mijn kant geef ik toe, maar toen het erop aankwam schoten
woorden gewoonweg tekort. Op de afsluitende liefdesverklaring van de kinderen
na dan. En daar ging je. Plaatsmakend voor een bestendig gemis. Een verlammend
serum dat als het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Vandaag ben je overal en
nergens. Het zeer zit in jouw onaantastbaarheid als in de kern van het
verdriet. Alleen in pufjes lukt het me allengs om los te komen van mijn
ingehouden adem sinds de fatale diagnose van 28 december 2018. Ruim 36 jaar heb
ik geweten wie en wat ik aan je had. Je bent voor eeuwig onvervangbaar. Uniek
en er is zoveel van je gehouden. Er is geen sprake van spijt, want we hebben
elkaar nooit voor lief genomen. Zoals jij tijdens de openbaring van jouw
sluipmoordenaar al voorzag, is mijn hunkering naar een hereniging in het
hiernamaals gaandeweg minder urgent geworden.
Niet omdat de tijd alle wonden heelt, maar omdat ik geleidelijk steeds
beter met chronische pijn leer leven. Vijftien maanden geleden achtte ik
mezelf nooit meer in staat om een letter
op het beeldscherm te zetten. Jij sprak mij toen nog bij leven, licht geïrriteerd
tegen:
‘Wat een onzin;
jij gaat hier wat mee doen!’
Bij deze dus.
Epiloog
De zeer oude zingt
er is niet meer
bij weinig
noch is er minder
nog is onzeker
wat er was
wat wordt wordt
willoos
eerst als het is
is het ernst
het herinnert
zich heilloos
en blijft ijlings
alles van waarde
is weerloos
wordt van
aanraakbaarheid rijk
en aan alles
gelijk
als het hart van
de tijd
als het hart van
de tijd
Lucebert

Reacties
Een reactie posten