De sollicitanten; Succesroman.
1.
De afwijzing is steevast verpakt in een omslag die bol staat van
de inhoud. Een formeel, schriftelijk bedankje inclusief het retour van
sollicitatiebrief en curriculum vitae. Volgens de regels van de arbeidsmarkt
ter bescherming van de privacy van de afzender, maar in werkelijkheid omdat
amper een instelling of bedrijf in het bezit is van een papierversnipperaar. En
de sollicitante is toch niet aangenomen, dus wat moet men verder met die
rotzooi.
'Voor het gekkenhuis zeker', had Carla eens op een helder moment geantwoord.
'Wel als je doorgaat met solliciteren. Solliciteren is zelfdestructie, let op m'n woorden', wist Diana zelfvoldaan.
Hierna was ze weer
apathisch onderuit gegaan voor episode nummer zoveel van reality t.v., terwijl
Carla haar hersens pijnigde voor een intelligent weerwoord. Ze zou eindelijk
bestand moeten zijn tegen Diana met haar psychologische wijsheden. Voorgebakken
levenslessen waar in de praktijk niemand mee uit de voeten kan. Diana nog het
minste van allemaal. Daar durft Carla, na bijna een decennium van noodgedwongen
samenleven met deze pseudo-psychologe, haar eigen titel om te verwedden. Hoewel
ze zelden of nooit tijdig de juiste woorden vindt om Diana passend op haar
nummer te zetten. Maar Carla is een doorzetster met het uithoudingsvermogen van
een topsportster en ze zei vlug maar plechtig:
'Alles is zelfdestructie. Elke start, elke constructie, is een
begin van een eind, dus deconstructie.'
Na deze wijze woorden was er een stilte opgetreden. Wat Carla
betreft het theatrale effect van een niet te omzeilen staaltje analytisch
vermogen van haar kant. Maar Diana, ook niet van gisteren, heeft de
onhebbelijke gewoonte om Carla's troeven te bagatelliseren. Ook toen had ze
gewoon helemaal niets meer gezegd, waardoor de veelbelovende stilte oploste in
een pijnlijke leegte. Het gaf Carla het bekende gevoel alsof ze onherroepelijk
teruggefloten werd naar een hopeloze toestand, waarin ze het veel te druk heeft
met achter de feiten aanlopen om het in te zien. Op zulke momenten wenst ze
Diana vurig uit haar leven. De rest van de tijd probeert ze haar te negeren wat
geen makkelijke opgave is bij iemand die de hele dag door bereid is om allerlei
zelf bedachte filosofieën te pas en te onpas ten beste te geven. En dat hangend
op de sofa met ongewassen haren, vergeeld T-shirt, grijs wollen vest, vale
spijkerbroek en blote voeten met rood gelakte teennagels. Die teennagels zo
netjes in kersenkleur in schil contrast met de rest van het plaatje vindt Carla
nog steeds frappant. Net als het feit dat Diana altijd stickies bij de hand schijnt
te hebben. En koffie die Carla niet gezet heeft, maar die ergens vandaan moet
komen. Zou Diana dan toch weleens langer dan hoogst noodzakelijk in beweging
zijn? Het is Carla nog nooit opgevallen. En Eric kan het niet geweest zijn,
want die ligt tot een uur of twee 's middags in bed.
'Een sfeer van dode dingen en de geur van uitwerpselen',
concludeert Carla emotieloos, terwijl ze ongewild een verdwaalde rookwolk
opsnuift.
Hasj ruikt naar urine. Zelfs door een gesloten huiskamerdeur heen.
Er is een tijd geweest dat ze zo naïef was om de muffe sfeer in huis aan het
toiletgedrag van de mannelijke bezoekers te wijten. In haar onwetendheid had ze
het toilet ontelbare keren verwoed schoon geschrobd met milde W.C. eend zonder
ammonia en chloor, vanwege het milieu, maar later met onverdund bleekmiddel,
omdat de stank maar bleef aanhouden. Haar fixatie op een frisse
toiletgelegenheid nam pas af toen ze de werkelijke oorzaak van de constante
onaangename atmosfeer achterhaalde en besefte dat deze bron niet te verdelgen
is. Ze heet Diana en ontspringt op de sofa.
'Bezoek', denkt ze met lichte paniek vanwege haar schaarse nachtkleding.
Een T-shirt
met het opschrift 'shop till you drop', rijkelijk versierd met flinterdunne
slijtplekjes, en een uitgelubberde polyester onderbroek van de Hema die in een
ver verleden nog als sexy kanten slipje dienst heeft moeten doen. Toen ze nog
bereid was om aan de wensen van Niels tegemoet te komen, maar het budget allang
alle flexibiliteit verloren had.
'Er is iemand aan de deur!', roept Diana.
Ze reageert vanuit de huiskamer op het geluid van de dingdong in
de gang. Liever was Carla naar boven gesneld, maar ze voelt zich betrapt. Ze
trekt haar T-shirt over haar blote knieën en bestudeert de schim achter de
glazen voordeur die als een Wajangpop in een schaduwspel voortdurend in
allerlei schakeringen van donker naar licht grijs verandert.
'De bel, Carla!',
Diana wordt ongeduldig samen met de schim die nu twee keer op de bel drukt.
Carla wil roepen dat ze half naakt is, maar bedenkt dan net op tijd dat Diana
meteen zou antwoorden dat het haar huis niet is en dus niet haar verantwoordelijkheid om gasten binnen te laten.
'Ik ga terug naar bed, dus je ziet maar', besluit ze, terwijl ze zich optrekt
aan de trapleuning en luid stommelend anderhalve trap terug naar zolder en de
beslapen twijfelaar snelt.
Het kussen van Niels ruikt naar aftershave en wasverzachter. Haar eigen kussen trekt ze over haar achterhoofd. Niet dat het helpt. Tegenwoordig is er heel wat meer nodig voor een vertrouwd gevoel van veiligheid dan wat overtrokken donzigheid met de cosmetische geur van haar levensgezel. Ze probeert regelmatig te ademen om weer in slaap te komen, maar wordt gehinderd door een heel leger verdwaalde, uitgevallen, grijze haren van Niels. Ze kriebelen aan haar lippen en neusgaten en steken, nerveus trillend, de draak met haar zuurstofbehoefte. Het zijn er zoveel dat het lijkt alsof ze met haar hoofd in een spinnenweb gevangen zit. Geërgerd werpt ze zich uit haar benauwde bescherming op haar zij, wrijft hardhandig haar gezicht schoon en rood en trekt het donsdek over zich heen, waaronder ze de foetushouding aanneemt. Zo tracht ze opnieuw de slaap te vatten. Hoe minder ze doet, hoe beter ze lijkt te kunnen slapen Soms wel veertien uur achtereen, doelloos, omdat ze niets nuttigs gedaan heeft waar ze voldaan en moe van zou kunnen worden, om daarna met een zeurende hoofdpijn wakker te worden. Zo'n hoofdpijn die haar uiteindelijk opnieuw in bed doet belanden. Niels begrijpt het wel.
'Je bent de hele dag bezig met solliciteren', sust hij als begrijpende vader,
die hij, gezien zijn leeftijd, eigenlijk makkelijk had kunnen zijn.
Van hem hoeft ze alleen maar te zorgen dat ze 'gelukkig' is. Een opdracht die
Diana maar al te graag van Carla voor Niels had willen overnemen. Ze vindt dat
Carla gezegend is met een partner die goed is voor meer dan een modaal inkomen
en de hele dag aan zichzelf. Dat Carla elke dag een warme maaltijd op tafel zet
voor alle bewoners, inclusief de chronische zoete inval, de hond uitlaat en de
ergste stank in huis met de meest milieuonvriendelijke poetsmiddelen probeert
te verdrijven, wordt gemakshalve maar even vergeten. Ook door Niels, die denkt
dat hij modern en geëmancipeerd is als hij huishoudelijke taken als overbodig
benadert. Voor hem hoeft het allemaal niet meer zo nodig. Geen gestreken
overhemden, geen verse groenten. Zodat hij altijd een verdedigingsmiddel in de
strijd om zijn gebrekkige aandeel in het huishouden kan gooien. Ergens heeft
hij gelijk. Wat maakt het uit als de afwas zich een week lang op het aanrecht
opstapelt? Wie maakt zich druk over een toilet dat ruikt naar een openbaar
mannenurinoir en vitrage die van jarenlang opgevangen stof en nicotine aan
elkaar hangt en spontaan uiteen valt bij de eerste aanraking met een fris
sopje? Het zal Niels, Diana en Eric een zorg zijn. En toch lukt het Carla niet
om zich te concentreren op het schrijven van sollicitatiebrieven als ze niet
eerst elke dag een vast patroon van wassen, koken en poetsen heeft afgewerkt.
Terwijl ze veel beter een goed boek had kunnen lezen, of de krant. Al die
nuttige zaken waarmee ze vroeger haar studentendagen sleet. Het frustreert
haar. Deze poetsdrift. Zoals ook het tevergeefs schrijven van
sollicitatiebrieven haar tot het uiterste drijft.
Volgens Diana is het een obsessie, die Carla beter zou kunnen uitleven op vrijwilligerswerk.
De zaterdageditie van de Volkskrant alleen al staat elke week vol met vacatures
voor vrijwilligers. Vrijwilligers gevraagd in; bejaardentehuizen, ziekenhuizen
en bibliotheken. Bij opvangcentra, culturele instanties, kerken, speeltuinen,
peuter- en kleuterspeelzalen en ga zo maar door. Zo zou Carla zich toch nog
nuttig kunnen maken in de maatschappij. Diana heeft het al verschillende keren
aan haar voorgesteld. Steeds met uiteenlopende voorbeelden, maar altijd met een
ironische ondertoon van een alwetende psychiater in wording, die een patiënt
denkt te moeten losweken van een vastgeroest leefpatroon met behulp van
bezigheidstherapie. Jammer alleen dat Diana de psyche van haar patiënt zo
makkelijk generaliseert tot een geval van dertien uit een dozijn. Alsof Carla
solliciteert uit verveling. Alsof de tijd haar niet met in totaal drie
werkloze, verloren jonge jaren dreigend om de oren slaat. Jaren die zijn
omgevlogen met het plannen en uitstellen van allerlei ideeën die Carla allang
had kunnen uitvoeren, als ze maar naleefbaar waren zonder redelijk inkomen. Een
taal- adviesbureau bijvoorbeeld. Dat had Carla echt wel in haar eentje
aangekund. Alleen niet zonder een lening van de bank; een startkapitaal dat ze
kon vergeten door een aanzienlijke studieschuld, die eerst afbetaald moest
worden. Desondanks had ze nog genoeg te doen met haar leven en daarom is
vrijwilligerswerk het laatste waar ze zich toe zou kunnen zetten. Carla moet er
niet aan denken. Vrijwilligerswerk als medicijn tegen dwangmatig handelen. Een
advies dat haar van de wal in de sloot helpt. Want wat is de enorme vraag naar
vrijwilligers anders dan een veeg teken van scheve verhoudingen op de
arbeidsmarkt? De straat vegen of bejaarden verschonen met behoud van uitkering.
Vrijwilligerswerk om de mythe van een gezonde arbeidsmarkt en daarmee de moraal
van de belastingbetalers hoog te houden. Gewoon verborgen werkloosheid. En
Carla ziet niet in waarom zij zich zou moeten conformeren aan de leugens van
een ander. Die heeft ze echt niet nodig om zichzelf een rad voor de ogen te
draaien met de utopische gedachte dat het haar, met de nodige inzet, op den
duur echt wel zal lukken om haar hobby om te zetten in betaalde arbeid of,
desnoods, andersom.
In de praktijk. In theorie is alles, zoals gebruikelijk, heel anders, want het personeel van het arbeidsbureau seint, in opdracht van de overheid, juist een tegengestelde boodschap uit waarin het vinden van betaalde arbeid niets te maken heeft met het arbeidsmarktklimaat, bij academici zelfs niet eens met een diploma, maar alles met een zelfverzekerde uitstraling en motivatie. Bij ongeschoolden telt een diploma opeens wel weer mee. Dit moet dan eerst gehaald worden met begeleiding van het personeel dat, bij wijze van voorbeeld, zelf uiteraard de perfecte arbeidsmoraal uitdraagt. Carla's 'voorbeeld' was een vrouw. Ze stelde zich voor met de naam 'Esmerelda', voor vrienden 'Esmee', en stond niet op vanachter haar computer toen Carla in een tweepersoons kamertje bij haar op bezoek kwam om zich voor de tweede keer in te laten schrijven bij het arbeidsbureau, omdat haar eerste registratie was verlopen tijdens haar baan bij het emancipatiebureau. Als het niet zo was geweest dat inschrijving noodzakelijk is voor het verkrijgen van een uitkering, had Carla er beslist van afgezien. Bij haar eerste bezoek had ze een formulier met een lijst algemene vragen moeten ophalen aan een balie, waarachter een man zat met een kop van een pitbull en een houding alsof hij op elke eventuele vraag van haar kant zou gaan blaffen of bijten. Schichtig had Carla het formulier naar zich toegetrokken. Achter één van de tafels in de ontvangstruimte maakte ze zich klein om niet op te vallen tussen ontelbare werkzoekenden in allerlei maten en kleuren. Allemaal mensen met een laag arbeidsmoraal. Vandaar dat de ondubbelzinnig geformuleerde meerkeuzevragen op de lijst ook maar weinig te antwoorden overlieten natuurlijk. Als je namelijk tot werkloze uitverkoren wordt, zie dan nog maar eens een respectabel lid van de samenleving te worden. Carla was zo klaar met het invullen van haar naam, nationaliteit, leeftijd, opleiding en werkervaring. Ze twijfelde even bij de vraag over welke functies ze bereid was te vervullen.
'Directrice van een bank', dacht ze nog om zichzelf op te vrolijken, maar ze kruiste toen toch braaf de beroepen aan die enigszins bij haar opleiding aansluiten.
Een computer deed de rest en Carla mocht gaan met een piepklein
formuliertje als dank voor haar komst. Ze stond ingeschreven met een
slagingskans van één op zevenhonderdduizend. Een getal in de groei. En hoe meer
mededingers naar de slinkende en verwelkte inhoud van de prijzenpot, hoe minder
kans op het winnende lot uit de loterij.
Diana moet tot in haar tenen aanvoelen dat Carla heimelijk, hoge
ambities koestert, want om één of andere reden stranden de zeldzame discussies
die Carla met Diana voert altijd op dit onderwerp. Carla vermoedt dat Diana het
er op aanstuurt. Via allerlei slinkse wegen. Bijvoorbeeld door te beginnen over
koetjes en kalfjes. Zo van 'ons kent ons'. Buitengewoon knap geacteerd met een
enorm arsenaal aan varianten. Zo psychologisch verantwoord uitgekiend dat het
voor Carla wel altijd onmogelijk zal blijven om Diana voor te zijn. Ze trapt er
uiteindelijk, hoe dan ook, toch in. Door met een nietszeggende opmerking te
reageren op wat steeds opnieuw, maar telkens weer anders, verdacht veel op het
begin van een onschuldige conversatie lijkt. Op zo'n onbewaakt moment ziet
Diana haar kans schoon. Ze is dan in staat om vergelijkingen te trekken tussen
de vuile was van Niels en Carla's zo genoemde ziekelijke behoefte om zich te
doen gelden. Het begint zo:
'Je hebt nog veel te wassen vandaag zie ik wel?'
Geen antwoord van Carla.
'Zal ik helpen met sorteren?'
Geen reactie van Carla.
'Gebruik je Robijn?' Want als je Robijn gebruikt dan wil ik graag wat van je lenen voor mijn trui?'
'Geef die trui maar, dan gooi ik hem bij de sokken van Niels. Dat kan makkelijk
samen in één wasbeurt.’
Carla is verloren.
'Dat je dat doet zeg!'
'Wat?'
'Ik bedoel, kan Niels z'n eigen sokken niet wassen? Ik dacht dat jij zo
geëmancipeerd was? Vrouwenstudies en zo? En waar blijf je nou? Overgeleverd aan
de wensen van een man die nog tweeëntwintig jaar ouder is ook.'
Carla gaat voor de bijl. Diana heeft haar opnieuw op het front van
zelfverwezenlijking, carrière maken en emancipatie gepraat. Een spanningsveld
tussen beiden dat om die reden bij Carla tot boute uitspraken leidt die Diana
dan weer, onder het mom van een deskundige, kan weerleggen met objectief
gewaande wetenswaardigheden uit de psychologie. Het is te zien hoe ze dan
groeit. Hoe ze geniet van de macht die Carla haar tijdens de discussie langzaam
maar zeker in handen geeft door kwaad te worden. Door zich persoonlijk geraakt
te voelen door Diana's nihilisme. Uit frustratie roept ze vervolgens
ondoordachte beledigingen aan het adres van de decadente levens van bekenden,
die ze in het echt heus niet zo veroordeeld als
ze Diana in haar woede wil doen geloven en ze beklaagt zichzelf, een vrouw van
de wereld in een maatschappij die haar geen kansen gunt, alsof ze liever dood
zou zijn.
'Gewoon een geval van ordinaire jaloezie', pleegt Diana vervolgens bijvoorbeeld tergend langzaam als diagnose te stellen.
'Je bent jaloers op
iedereen die wat van zijn of haar leven weet te maken. Je bent een mislukkeling
Carla...en een snob. Je voelt je te goed voor vrijwilligerswerk en
minderwaardig vanwege je status als werkloze academica.'
Eenmaal bij zulke kortzichtige diagnoses aangekomen, is Carla in de regel al zo
uitgeput van alle inspanningen om de lijn van de discussie te kunnen blijven
volgen in combinatie met het verwoorden van haar frustraties, dat ze meestal
alleen nog maar onbenullige reacties kan bedenken. Zoiets als:
'Dat is een pleonasme'.
'Wat is een pleonasme?'.
'Als je zegt 'gewoon een geval van ordinaire jaloezie'. Dat is dubbel op.'
'Ja, Carla, we weten dat je letteren gestudeerd hebt'.
En Carla laat het maar zo. Dan maar te boek staan als een
frustraat. Waarschijnlijk is het nog waar ook. Ze beseft zelf beter dan wie ook
dat ze niet meer functioneert zoals het eigenlijk zou moeten of kunnen. Maar
daar is dan een collectie van vijfhonderdvierentwintig schriftelijke
afwijzingen op iets meer sollicitatiebrieven mede debet aan. Ongeveer twintig
van de ruim vijfhonderd keren dat ze zichzelf op de arbeidsmarkt te koop heeft
aangeboden, werd ze overwogen, voor een gesprek uitgenodigd en na wikken en
wegen toch te licht bevonden; te onervaren, of te oud, te jong, te hoog
opgeleid, te laag opgeleid, te duur, te eigenwijs, te onzeker, te ambitieus, te
weinig carrière gericht, te zelfingenomen, te feministisch en nog veel meer van
dat soort uitvluchten voor wat in werkelijkheid natte vingerwerk is. Ze kan er
geen touw meer aan vast knopen. Helemaal niet meer nadat ze haar goede wil toch
ruimschoots heeft getoond door zich een jaar lang een nuttig lid van de
samenleving te bewijzen in de hoedanigheid van staflid bij een
emancipatiebureau. De getoonde goede wil zat niet zo zeer in het vervullen van
de functie, vanwege de hoge status en niet onaantrekkelijke inhoud, als wel in
de afstand van 120 km die Carla dagelijks moest afleggen om haar werkplek te
bereiken. Verhuizen was geen betaalbaar alternatief. Zeker niet voor een bij
voorbaat onzekere baan in het dure, dichtbevolkte, met woningnood kampende,
zuidwesten van Nederland. Vijf dagen in de week, met de trein heen en terug.
Het treinabonnement kostte haar een jaar lang een derde van haar salaris.
Daarna werd ze ontslagen want het emancipatiebureau werd opgeheven. Maar Carla
was rijker nu. Ze had werkervaring. Een verworvenheid waarvan de afwezigheid
haar in het verleden het enige terecht opgeworpen obstakel leek bij het vinden
van een redelijke baan. En nu ze dan eindelijk kant en klaar was gestoomd voor
de arbeidsmarkt, bleven de afwijzingen nog net zo makkelijk binnen stromen als
voor Carla's werkervaring. Met tientallen tegelijk. De één nog lomper dan de
andere. Carla begon zo zoetjes aan te geloven dat er wellicht zoiets als een
crisis aan de gang is, waarin een groeiend aantal werklozen letterlijk,
figuurlijk en te vaak tevergeefs moet vechten voor veel te weinig arbeidsplaatsen.
Een gevecht dat niemand van de werkende klasse wenst te zien uit angst voor het
eigen hachje. Hoe het ook zij, Carla geniet in elk geval nu weer ruim een jaar
van een luizenleventje met een uitkering bij de gratie van de
belastingbetalers. Met dit verschil dat ze nu niet langer wordt afgewezen
vanwege een gebrek aan werkervaring, maar nog steeds om alle andere mankementen
aan haar persoonlijkheid, die elke willekeurige personeelschef moeiteloos uit
de inhoud van haar sollicitatiebrieven schijnt te kunnen afleiden. Werkervaring
of niet, een diploma of niet, mobiel of niet en jong of niet, het maakt
allemaal maar weinig uit.
Geen wonder dat Carla zich voor haar tweede bezoek, uit voorzorg,
vast had ingesteld op 'quick service' in slaafse navolging van de Amerikaanse
levensstijl. Maar er was wat veranderd. De benadering was persoonlijker
geworden. Mogelijk dat tussen het groeiend aantal werkzoekenden, per abuis, en
zo op het eerste oog maar tijdelijk, wat mensen met algemeen erkende
persoonlijkheid en bewezen motivatie verdwaald waren geraakt. Nog maar net vers
van de arbeidsmarkt en in de naïeve veronderstelling dat ze in de toekomst wel
weer terecht zouden komen, was er nog ruimte en daarmee moed om te klagen over
de onkundige massabenadering van het personeel bij het arbeidsbureau. Nu is
onkunde niet te verdoezelen, maar een massamentaliteit is wel te verbergen
achter, bijvoorbeeld, een quasi persoonlijk in-take gesprek. Een privilege waar
overigens voor geen werkloze aan te ontkomen valt. En Carla kan er niets aan
doen, maar zolang ze zich kan heugen stijgt haar bloed in een mum van tijd naar
het kookpunt als ze gedwongen wordt om dankbaar te participeren aan de diensten
en gunsten die anderen haar ongevraagd verlenen. Ze ontwikkelde dan ook al bij
voorbaat een aversie tegen haar consulente die, tijdens de in-take, geen enkele
kans greep om dit vooroordeel bij haar weg te nemen. Waarschijnlijk had ze
helemaal geen notie van de irritante kleingeestige indruk die ze maakte. Ze had
zich om te beginnen ook neutraal aan Carla voor kunnen stellen. Wat kon het
haar schelen dat Esmee ook weleens Esmerelda heette? Carla's volle naam is eigenlijk
Maria-Carolina, maar ze zou er wel voor waken om deze beoordelingsfout van haar
ouders in het openbaar te benadrukken. Een dergelijke manier van voorstellen
vond Carla tekenend voor het type dat Esmerelda verpersoonlijkte. Zo te zien
was ze niet veel ouder dan Carla, maar ze gedroeg en kleedde zich alsof ze
niets anders hoefde te doen dan jong zijn en wachten tot het succes haar in de
schoot geworpen wordt. Carla zag haar al voor zich in de studentenclub. Met een
pilsje in haar hand en smachtend naar de aandacht van wie dan ook. De schijn
van leuke vakken, fijne vrienden en heel veel plezier in het leven hooghoudend
met make-up, pumps en korte leren rokjes. Intelligent, jong en knap met een
flinke dosis ondernemingsdrang en uitzendkracht. Als je tenminste de
boodschappen van de postbus 51 spotjes moet geloven.
Het intake-gesprek leidde ze op een schooljuffrouwachtige wijze
in, met een standaardlesje over het belang van een arbeidsmoraal en de noodzaak
van motivatie. Carla hoorde duidelijk hoe deze eigenschappen haar
hoogstwaarschijnlijk niet beschoren zouden zijn. Ze werd er niet warm of koud
van. Het creatieve gehalte van Esmerelda's inschattingsvermogen viel wel zo
ongeveer af te leiden uit haar foldertjestaalgebruik. Bij wijze van reactie
staarde Carla onbewogen uit het minutieuze raam en liet met haar zithouding en
wat ploppende lipgeluiden duidelijk merken dat ze niet bereid was om ook maar
iets van haar consulente aan te nemen. Esmerelda, op haar beurt, kon zich niets
voorstellen bij Carla's studie in de letteren die ze om te beginnen al niet op
haar voorbeeldlijst met invoerbare computergegevens kon terugvinden.
'Nederlands', besloot ze en tikte het in onder het kopje 'opleiding'.
'Ik heb geen Nederlands gestudeerd, maar letteren', zei Carla tam, terwijl ze op de lijst zocht naar een opleiding die er wat dichter bij in de buurt kwam dan Nederlands.
Esmerelda negeerde haar opmerking met een lege
ongeïnteresseerde uitdrukking op haar gezicht:
'Je kunt dus les geven?'
Nog voordat Carla kon vragen wie of wat Esmerelda zo blasé had gemaakt, veranderde
haar uitstraling in een dweperig lonken naar een lange jongen die het gesprek
even kwam storen met koffie en een chocoladebol. Wat Carla betreft had hij zich
te vers geschoren met veel te veel after shave. Zijn kleding was te netjes
gewassen en gesteven en te duidelijk gekopieerd van een jup uit een catalogus
van de Bijenkorf. Ze kon zich niet in de extase van Esmerelda inleven.
'Ik lust ook wel koffie', dacht Carla en ze bestudeerde een enorme smoezelig
roze strik, als een paaseiversiering in de étalage van een delicatessenzaak, in
het beetje roestbruine touwhaar van Esmerelda, die met een minuscuul vorkje
tevergeefs probeerde om een gat in de harde korst van de chocoladebol te
prikken.
'Mmmmm, lekker', kirde ze naar de jongen, die alweer bij de deur stond met een onbeholpen, quasi volwassen glimlach.
Alsof
hij gewend was om te gaan met zoveel offensief, vrouwelijk libido.
'Wacht maar tot hij straks wat over haar te zeggen krijgt', dacht Carla
onwillekeurig en ze probeerde met een dodelijke blik in de richting van de deur
de jongen weg te kijken.
Direct nadat dat gelukt was schoof Esmerelda de
ongeschonden chocoladebol van zich af en begon zwijgend in haar koffie te
roeren. Carla zei ook niets. Na een paar seconden gooide Esmee het weer over de
zakelijke boeg:
'Ja hoor eens, je moet wel willen'.
Ze keek
Carla niet aan, terwijl ze onverwacht fel vervolgde:
'Als je zo blijft opstellen zal het wel erg moeilijk zijn om een baan voor je te
vinden.'
Diana had deze opmerking niet gepikt, dat wist Carla op dat moment zeker. Die
zou direct hebben willen weten wat er dan 'verkeerd' zou zijn aan haar
arbeidsmoraal. Maar Carla hield er niet van om naar de bekende weg te vragen.
'Ik heb geen onderwijsbevoegdheid, dus hoe vreselijk graag ik ook voor een klas
zou willen staan, het zal weinig bijdragen tot mijn mogelijkheden op de
onderwijsmarkt. Wat dat betreft zal het dus inderdaad erg moeilijk zijn om een
baan voor mij te vinden. Zeker met de concurrentie van al die schoolverlatende
leerkrachten in spé, die jonger en dus goedkoper zijn dan ik en die bovendien
wel een bevoegdheid hebben.'
Carla peuterde aan het plastic hoesje over de voorbeeldlijst. Ze kon haar ogen
niet van de strik afhouden, die nu verward heen en weer schudde.
'Je hebt dus geen Nederlands gestudeerd?'
Esmerelda was de kluts kwijt. Ze had bovendien ook nog meer te doen.
Carla zweeg, terwijl ze de minzame blik op het gezicht van de consulente
probeerde te lezen. Het boeit haar nog altijd. Die arrogante levensinstelling
en die zogenaamde dynamiek, die door ouderen zo jaloers aan de onbezonnenheid
van jongeren wordt toegeschreven. De jeugd met de waarheid in pacht en de
illusie van grote wijde wereld. Carla ziet het inderdaad bij enkele van haar
leeftijdgenoten. Ze hebben altijd een baan. Toch gelooft ze niet dat zij zich
ooit zo zou kunnen opstellen. Zelfs niet in loondienst.
'Wat kun je eigenlijk doen met dat wat jij geleerd hebt?'
Het klonk gezellig opeens. Een onderonsje. Ter aanmoediging nipte Esmerelda aan
haar koffie, terwijl ze haar ogen in de richting van Carla tot aandachtige
spleetjes kneep. Carla ging er eens goed voor zitten.
'Ik kan werken als; beleidsmedewerkster, voorlichtster, uitgever,
bibliothecaresse, redactrice, verslaggeefster, boekenverkoopster,
baliemedewerkster, vakkenvulster en poetsvrouw. Trouwens, ik heb al eens bij
het arbeidsbureau ingeschreven gestaan. Kun je die gegevens niet opnieuw
oproepen of zoiets. Het scheelt jou en mij een hoop werk.'
'Ik kan je niet inschrijven als bibliothecaresse, want je hebt geen bibliotheektechnische opleiding', was het vinnige antwoord.
De vriendinnensfeer was opgelost in Carla's opsomming en ze kon het niet
nalaten:
'Oh, heb jij misschien de bibliotheekopleiding gevolgd?
'Nee, ik heb communicatiewetenschappen gedaan'.
In haar haast zich te doen gelden trapte Esmerelda vrolijk in de val. Carla knikte begrijpend.
'Een kennis van me heeft dat ook gedaan. Die is nou ook baliemedewerkster.
Alleen niet bij het arbeidsbureau, maar bij een bank.'
Esmerelda's eerste reactie was een twijfelend glimlachje. Het verdween snel in
een neutrale plooi toen ze begon te vermoeden waar Carla op doelde.
Uiteindelijk gaf ze haar nederlaag toe:
'Hoe moet ik je nou inschrijven?'
'Dat moet jij weten', zuchtte Carla. 'Jij bent hier deskundige. Als jij zeven
jaar ervaring als bibliotheekmedewerkster zonder meer wilt wegvlakken, dan kan
ik daar natuurlijk weinig tegen doen. Wel dan?'
‘Zeven jaar ervaring...? Hoe kan dat nou!? Je bent toch een twen?'
En ze dacht er natuurlijk achteraan: 'Net zo oud als ik'.
Ze liet zich behoorlijk kennen.
'En toch is het waar. Ik deed het erbij. Naast m'n studie. En bij het
emancipatiebureau heb ik zelfstandig een informatiecentrum gerund. Na m'n
studie. Verder schrijf ik weleens stukjes voor een regionale krant en zijn er
al verschillende artikelen van mijn hand in landelijke tijdschriften
verschenen. Ik ben nogal veelzijdig eigenlijk', zei Carla.
Ze was geïrriteerd, omdat ze inmiddels maar al te best begreep dat Esmerelda zichzelf
in deze kamer als de autoriteit op informatie- en communicatiegebied
beschouwde. Van overtuigen kon dus geen sprake zijn. Wel van intimidatie. En op
die manier wilde Carla per sé geen gelijk krijgen.
'Maar je bent ook bereid om als baliemedewerkster of secretaresse te werken?'
Esmerelda beet op haar onderlip. Haar vingers op het toetsenbord.
'Natuurlijk', antwoordde Carla. 'Ik denk alleen niet dat ze me hebben willen.
Met de kwalificaties die ik heb en de arbeidsmoraal die ik uitdraag. Dat zei je
net zelf'.
'Je bedoelt dat je niet weet wat je wilt?'
Esmerelda probeerde haar enigszins vertwijfeld te begrijpen en zich
tegelijkertijd te herinneren wanneer ze iets concreets beweerd had over de
arbeidsmoraal van Carla. Carla werd ongedurig. Een gevoel alsof ze met Diana in
discussie was. De gemoedstoestand die bij haar tot boute uitspraken leidt.
'Nee, ik bedoel dat ik niets te willen heb'.
'Nou ja, je hebt toch letteren gestudeerd, doe niet zo negatief zeg!', schoot
Esmerelda op een bestraffend toontje uit.
Geen bijster vakkundige reactie, maar op een gegeven moment werd het zelfs haar
te gortig. Het was alleen niet haar bedoeling geweest om Carla's
adrenalinetoevoer nog verder te stimuleren.
'Oh nee, natuurlijk! Ik heb letteren gestudeerd! Tjonge, jonge, nou is m'n
kostje gekocht! Kijk maar naar jou, jarenlang op communicatiewetenschappen
gebroed en nou al helemaal baliemedewerkster bij een plaatselijk arbeidsbureau!
Poeh, poeh, vroeger was een mulodiploma nog te hoog voor dit soort werk.'
Hier laste Carla een pauze in met de bedoeling om Esmerelda een doordringende
blik toe te zenden. Om de dramatische dimensie van haar woorden extra
nonverbale kracht bij te zetten. Maar ze keek weg van het brandpunt. Naar de
grond, of naar haar knieën. Dus zocht Carla de strik maar weer op. Wellicht was
ze iets te ver gegaan en ze wist nu al niet meer waarover ze zich zojuist zo
druk had gemaakt. Ze liet zich verder vermurwen door een paar bengelende
oorbellen in de vorm van twee identieke Mickies. Muizen in de val als kinderlijke
symbooltjes voor de zoetsappige jeugd van alle Esmerelda's, waarin ze zich
laten voorliegen. Net zolang totdat er niets anders meer overblijft dan een
paar waarden en normen gebaseerd op berusting en de eis dat anderen met net zo
veel of weinig genoegen moeten en zullen nemen als zij. Carla pompte haar
wangen op en probeerde de draad van haar repliek weer op te pakken. Samen met
de lucht uit haar mond liet ze de hamvraag tenslotte vrij:
'Dat weet je toch zelf ook wel hoop ik?'
Zichtbaar niet tegen een direct beroep op haar persoonlijke mening opgewassen,
kromp Esmerelda geschrokken ineen met al haar aandacht zogenaamd op het
beeldscherm gericht.
'Zullen we er dan maar redactrice van maken?', stelde ze na een korte
herstelpauze zo zakelijk mogelijk voor.
Laconiek stemde Carla met het voorstel in:
'Dat lijkt me wel het meest onlogische, ja'.
Carla draait zich op haar rug en vertaalt een verzameling vochtplekken op de zoldering in een groot gezicht dat haar misnoegd aanstaart. Wat had ze zich eigenlijk voorgesteld van een diploma in de letteren? Een universitaire studie zonder bètavakken, omdat iedereen liet merken dat ze geen wiskunde kon? Liever was ze naar de school voor journalistiek gegaan, maar ze werd twee keer achtereen uitgeloot. Toen rees de vraag of ze überhaupt wel een universitaire studie aankon. Niet alleen bij haarzelf, maar bij iedereen uit haar sociale omgeving die niet gestudeerd had. Zonder uitzondering als de dood voor doctoren, professoren en de rest van het slag mensen dat zich gewichtig gedraagt. Hoe haalde Carla het in haar verwaande hersens om zich even capabel te wanen? En die vraag bleef haar hele studententijd spelen. De rode draad door een periode die de mooiste van haar leven had moeten zijn. Des te groter was de schok toen het antwoord uiteindelijk kwam in de vorm van een titel, die ze de eerste paar maanden na haar afstuderen met een vervreemd gevoel voor haar naam in de afzender van haar brieven schreef. Later kreeg ze steeds sterker het idee dat iedereen op die bewuste donderdagmiddag voor haar eensgezind de koppen in het zand gestoken had. Niels voorop, die trots als een pauw met haar bul door de gangen van het universiteitsgebouw liep.
'Eindelijk erkenning voor Carla', zei hij tegen de afstudeerdocent
die dacht dat Niels haar vader was.
Erkenning waarvoor? Voor haar prestaties als één van de vele
dagstudenten? Semi-volwassenen die de hele dag niets anders te doen hebben dan
studeren en scoren; voor zichzelf en voor rijkelijk gehonoreerde docenten en hoogleraren. Voor de
meesten van hen is onderwijs maar een nevenzaak naast wetenschappelijk
onderzoek en het behalen van persoonlijke roem. Een student is een lastige
bijkomstigheid en Carla's bul eerder het bewijs van koppig uithoudingsvermogen
en een dikke olifantshuid dan een proeve van bekwaamheid op het gebied van de
letteren. Geen erkenning voor wat dan ook. Ook niet voor haar schrijftalent.
Een waanvoorstelling; geboren uit de uitbundige complimenten van die professor
die haar scriptie beoordeeld had. Carla had hem speciaal om begeleiding
gevraagd, omdat hij tevens een belangrijk literair recensent is. Hij zou het
toch moeten weten. Hij beweerde tenslotte dat ze in staat was om iets nuttigs
te creëren. En daar bleef het verder bij.
'Zo ben je er toch nog gekomen en je hebt nog een hogere opleiding
ook', meende Niels optimistisch.
Hij heeft een positieve binding met universiteiten en professoren. Uit nostalgische herinnering aan zijn eigen eeuwige studententijd die na veertien jaar eindigde met een aanbod voor een prima baan waarvoor een bul niet nodig was. Allicht dat hij er vanuit ging dat Carla's toekomst niet meer stuk kon. Hij was tien jaar ouder dan zij toen hij zijn eerste vaste inkomen verdiende en eindelijk zijn studieschulden begon af te lossen met twintig gulden per maand. Hij had niet eens een titel. Die heeft hij nou trouwens nog niet. En zijn studieschuld heeft hij ook pas recentelijk volledig voldaan.
Beneden klinkt gestommel op de trap naar de tweede verdieping, het iele stemgeluid van Diana en het gebrom van een man. Ze heeft de schim binnen gelaten en het lijkt wel alsof ze hem een rondleiding door het huis geeft. Loom vangt Carla geluiden op van voetstappen in de kamer van Eric beneden haar. Daarna het geklap van deuren en het wegkwijnen van de stemmen in de badkamer. Voor de vorm vraagt Carla zich af wie Diana toch bij zich kan hebben, maar ze blijft liggen en probeert zich te herinneren met welke gedachten ze zich net ook alweer in slaap heeft willen sussen. Het lukt niet. Ze weet niet meer wat haar zojuist zo intensief heeft beziggehouden. Beneden gaat weer een deur open.
'Boven is nog een soort slaapkamer annex zitkamer.'
Diana's stem is nu duidelijk hoorbaar. Ze staat onderaan de
zoldertrap.
'Zou ik dat dan ook even kunnen bekijken?'
Het klinkt meer als een bevel dan als een verzoek van een man die
duidelijk niet op de koffie komt. Carla gaat rechtop in bed zitten.
'Slaap je, Carla!', roept Diana nu naar boven.
De teneur van haar stem is onvast. Zo klinkt ze als ze zich met
een situatie geen raad weet.
'Er is hier een man van de
sociale dienst en die wil het huis bekijken!' verklaart ze luid, terwijl zij en
de man van de sociale dienst hoorbaar aanstalten maken om de trap op te komen.
'Wacht even!', gilt Carla, terwijl ze als een speer uit bed schiet
op zoek naar haar duster die ze zo snel niet kan vinden.
Als Diana's hoofd al boven het trapgat uitsteekt, springt ze van ellende terug in bed, kruipt in een zithouding met haar rug tegen de muur en trekt het donsdek ter verdediging tot haar kin over zich heen. Als ze opkijkt ziet ze achter Diana een man in haar kamer opduiken die ogenschijnlijk geen enkele moeite heeft met de ongemakkelijke enscenering. Vlak voor haar bed blijft hij staan.
'Een salonsocialist', zou Diana later zeggen vanwege zijn spijkerjack, dat veel te blauw is, op een geplooide zijdeglans bordeauxrode broek en bruin suède veterschoenen met spekzolen.
Gespeelde onverschilligheid. Met overleg samengestelde nonchalante. Natuurlijk door zijn vrouw bedacht die hem ook heeft aangeraden een snor te kweken om de aandacht van zijn kalende schedelhuid af te leiden, die nog niet voor een kwart verborgen wordt onder een stuk of wat strengen keurig gekamd zijhaar. Het geheel wordt afgemaakt met een zilverkleurige bril en een bruinleren aktetas die hij onder z'n linker oksel geklemd houdt. Uit heel zijn houding spreekt de jeugd van een gekwelde puber. Alles wat hij ervan geleerd heeft is dat zijn handen, niet in z'n broekzakken, maar in de zakken van z’n spijkerjack horen om serieus genomen te worden. En om zichzelf serieus te kunnen blijven nemen, heeft hij gesolliciteerd als inspecteur bij de sociale dienst. Ze hebben hem nog uitverkoren ook. Weliswaar niet uit driehonderd anderen, zoals het tegenwoordig zou gaan, maar een jaar of vijftien geleden uit een stuk of tien concurrenten van hetzelfde slag. Geluk is met de dommen en daarom wordt hij ook niet gehinderd door enig begrip voor anderen. Zijn kracht zit in een fikse dosis feitelijke kennis over rechtspraak, die hem in de ogen van niet gedupeerden een integere man maakt, maar die hem, verre van elke realiteitszin, doet groeien in de macht van zijn betaalde onvermogen om rechtvaardig en objectief onderscheid te maken tussen maatschappelijke oorzaken en gevolgen voor het individu. Wat goed is en wat slecht staat beschreven in de wet en voor gelijkgezinden ook nog in de bijbel. Voor het geval het vraagstuk minder tijdgebonden en meer universeel mocht zijn.
'Zo te zien heeft morgenstond bij u geen goud in de mond?', begint
hij.
De klank van zijn stem past precies bij zijn uiterlijk.
Fantasieloos en monotoon.
'Zegt u gerust jij', biedt Carla aan. Het klinkt sarcastisch.
Misschien is dat ook wel haar bedoeling. De situatie is absurd. Roept associaties bij haar op van een inval van de geheime politie in westerse films over de Oostbloklanden, waarin de slachtoffers ook altijd worden beperkt in hun vrije meningsuiting op de meest intieme momenten. Tijdens het vrijen, douchen of slapen. Maar zij krijgen, op het doek althans, nog altijd een minuut de tijd om zich aan te kleden. Carla ziet haar duster liggen. Over een barkruk, aan de andere kant van de zolderruimte. Ze zoekt steun in Diana's ogen, maar die probeert zich te verschuilen achter het schrale postuur van de man. Het lukt niet al te best, want de man is nogal beweeglijk en buigt zich voorover om op het voeteneind van de twijfelaar z'n aktetas uit te mesten. Aan het hoofd van het bed kijkt Carla verontwaardigd op zijn handelingen neer. Diana heeft inmiddels haar verdwijnpogingen gestaakt en bedenkt dat deze kwestie wel bijzonder pijnlijk voor Carla moet zijn. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Diana die zich in een ander inleeft. Het zal wel aan de omstandigheden liggen.
'Het is meneer Sanders, inspecteur van de Gemeentelijke Sociale
Dienst.'
'Meneer Sanders', herhaalt Carla.
Ze steekt haar hand uit, waardoor het donsdek van haar bovenlichaam afglijdt.
Sanders kijkt verstrooid op van zijn bezigheden. Hij worstelt net met een formulier, waarop het niet makkelijk schrijven is met een donsdek als ondergrond en zwaait haar begroeting met z'n vrije linkerhand in de wind. Carla laat haar arm slapjes vallen en probeert te analyseren wat ze voelt.
'Vooral verbijstering', concludeert ze net voordat hij op z’n
hurken voor het bed en z'n papieren gaat zitten en nogmaals probeert iets op papier
te krijgen.
'Kunt u niet beter achter het bureau, daar bij het raam, gaan
zitten?', stelt Diana voor.
Zo timide dat het Carla opvalt. Ondanks de overweldiging van haar ongeloof over wat er onder haar neus gaande is, is Diana's huidige houding haar zo vreemd, dat ze zich een paar seconden lang verbaasd afvraagt of ze zich al die jaren toch in Diana vergist zou kunnen hebben. Of Diana wel zo ongenaakbaar en assertief is als ze doet voorkomen en of Niels niet toch gelijk heeft. Volgens hem lijdt Diana aan een ongeneselijke ziekte. Een typisch geval van chronische zelfprojectie. Als Sanders opkijkt ziet hij het opschrift op Carla's t.h.-shirt. Hij neemt de tijd om het te lezen voordat hij inderdaad op Diana's idee - om met z'n hele handel naar het bureau te verhuizen - ingaat.
'Winkelen tot je erbij neervalt', vertaalt Carla en ze trekt het
donsdek weer tot haar kin.
Sanders drukt met een wijsvinger tegen het midden van z'n brilmontuur en kijkt Carla veelbetekenend aan. Ze haalt haar schouders op en vraagt woordeloos met opgetrokken wenkbrauwen een antwoord van Diana. Die zit inmiddels op een barkruk, naast die met de duster erop, en onderwerpt de nagellak op haar tenen aan een kritische blik. Ondertussen heeft Sanders zich luidruchtig en omslachtig achter het bureau tussen Carla en Diana in geïnstalleerd en concentreert zich, veel indrukwekkender nu, weer op de formulieren.
'U bent Maria-Carolina Langeweg, heb ik begrepen?'
'Dat weet ik niet.'
Carla vecht terug.
'Weet u niet wie u bent?'
Hij zit nu al op de kast.
'Nee, ik weet niet of jij het begrepen hebt. Zo diepgaand is het
contact tussen ons tot nu toe nog niet geweest.'
Carla onderdrukt een opkomende lachkriebel als reactie op Diana
die ingehouden zit te hinniken met een vreemd gromgeluid.
'Als ik u was, zou ik maar geen grapjes maken', waarschuwt Sanders
in z'n ego aangetast.
'De zaak is ernstig genoeg.'
'Welke zaak?.'
Carla valt oprecht onwetend uit haar rol.
'Mevrouw Langeweg’, begint Sanders;
‘Volgens mijn gegevens geniet u sinds een half jaar een
bijstandsuitkering. Daarvoor had u een werkloosheidsuitkering en daarvoor heeft
u een jaar in Den Haag gewerkt. Al die tijd hebt u op dit adres gewoond.’
'Ja...en?'
De intonatie valt verkeerd. Veel minder stoer dan Carla bedoeld
had. Diana gromt niet meer.
'Moet ik echt verder gaan?', vraagt Sanders op een toon die te kennen geeft dat hij niets liever wil dan dat. Bij Carla begint een lichtje te branden en ze trekt haar rug recht tegen de muur.
Sanders staat op en loopt naar de wastafel links van de twijfelaar. Hij praat tegen zijn spiegelbeeld als hij vervolgt:
'Ik heb zojuist kunnen concluderen dat u samenleeft met een
partner met inkomen.'
Ter illustratie licht hij een witte beker met twee tandenborstels op van het planchet en kijkt naar rechts in Carla’s open mond van verbazing. Ze voelt hoe het bloed naar haar kaken stijgt, haar slokdarm blokkeert en hoe haar hersens, voelbaar gedesoriënteerd, alle rationaliteit onmogelijk maken. Wat een cliché! Iedere bijstandstrekker die stiekem samenwoont met iemand uit de werkende klasse wordt immers uiteindelijk toch gepakt op die extra tandenborstel. Clichés hebben onmiskenbaar een kern van waarheid en die valt niet te achterhalen.
'Weet u wel, mevrouw Langeweg, dat u in dat geval geen recht hebt op een bijstandsuitkering? U hebt de boel een beetje lopen oplichten, of niet mevrouw Langeweg?'
Z'n ego is hersteld en hij kan nu zelfverzekerd terugkeren naar het bureau. Op zijn blauwe rug en bordeauxrode achterwerk prijken plukjes hondenhaar. Bobo heeft vannacht in de pluche zitstoel voor het bureau bij Carla en Niels geslapen. Hij is in de rui. Diana ziet het ook en wil er wat van zeggen, maar Carla werpt haar een vernietigende blik toe. En, om Diana uit te schakelen, zegt ze vlug:
'Ik woon niet samen.'
Een uitvlucht met de moed der wanhoop en erop vlassend dat het
kloppende vuur in haar wangen niet zichtbaar is. Soms is dat inderdaad niet zo,
weet ze van Niels. Ze tracht hem te overbluffen door hem zo recht en strak
mogelijk aan te staren. Hij geeft zich niet gewonnen. Dus waarschijnlijk is
haar gezicht dit keer wel knalrood van het liegen. Ze haat zichzelf om de macht
die hij over haar heeft. En ze haat Diana die vermanend nee zit te schudden,
waarmee ze maar wil aangeven dat liegen geen zin meer heeft. Sanders voelt het
ook en kijkt gelaten even naar opzij. Naar Diana op de barkruk. In het
morgenlicht door de gesloten gordijnen lijkt het of hij glimlacht als hij met
een trage hoofdbeweging weer op Carla inzoemt. Carla haat hem ook.
'Mevrouw Donkers', daar bedoelt hij Diana mee, 'heeft zojuist te
kennen gegeven dat in deze koopwoning vier bewoners woonachtig zijn, bestaande
uit een eigenaar en drie huurders. Maar ook zonder mevrouw Donkers, zou ik van
deze feiten op de hoogte zijn geweest, aangezien vier personen op dit adres
officieel ingeschreven staan.'
'Rund', scheldt Carla binnensmonds op zichzelf.
'Tijdens mijn inspectietocht door deze woning heb ik een
gemeenschappelijke woonkamer, keuken, badkamer en toiletgelegenheid geteld.
Daarnaast zie ik drie slaapkamers. Twee ervan worden bewoond door mevrouw hier
en door een jongeheer. Blijft er een slaapkamer over. De ruimte waarin ik mij
momenteel bevind. Eerder een étage, dan een slaapkamer, waar ook maar één bed
staat. De eigenaar slaapt zeker op het dak?'
Dat laatste is een kwinkslag in het kader van zijn overwinning. Hij moet er zelf om ginnegappen. Carla zegt niets. Intussen is ze wel weer enigszins tot zichzelf gekomen en heeft zojuist bedacht dat ze ook gewoon haar kaken op elkaar kan houden. Alles wat ze zegt kan en zou tegen haar gebruikt worden. Zwijgend kijkt ze naar de zoldering en vindt de verzameling vochtplekken als een vertrouwd rustpunt voor alle gevolgen die haar nu te wachten zouden staan en die nu nog niet te overzien zijn. Diana vult de stilte op. Met een rillerig stemmetje:
'Wat heeft dat nou voor gevolgen?'
Voor hij op haar vraag ingaat neemt Sanders eerst de tijd om uitgebreid opnieuw het een en ander te noteren. Dan staat hij op om z'n boeltje bijeen te rapen en netjes geordend terug in z'n tas te stoppen. De plukjes Bobo tieren welig van zijn rug tot aan zijn kuiten. Carla's beurt om te ginnegappen. Met haar hand voor haar mond. Als een proestende kleuter met de slappe lach in de strafhoek. Haar lucht het op, maar hem maakt het onzeker. Onvast, alsof hij elk moment in de rug geschoten kan worden, loopt hij met de aktetas weer onder z'n linker oksel naar het trapgat. Bij de balustrade blijft hij staan. Een leek zou hem gevoel voor dramatiek toeschrijven.
'Met ingang van vandaag wordt uw uitkering stopgezet. Hierover
zult u morgen of anders overmorgen een schriftelijke verklaring thuisgestuurd
krijgen. Na ontvangst kunt u dan, voor eventueel beroep, contact opnemen met uw
consulent bij de sociale dienst.'
Hij stopt even. Carla voelt dat ze geacht wordt te reageren. Maar
wat moet ze zeggen?
'Uiteraard kunt u ter zijner tijd ook rekenen op een boete voor de bedragen die u onterecht via de sociale dienst van de overheid op uw lopende rekening hebt ontvangen.'
'Op hoeveel moet ze dan rekenen?', wil Diana geschrokken en tot
Carla's grote ergernis weten.
'Dat weet mevrouw Langeweg zelf beter dan wie dan ook.'
En zoiets had Carla wel verwacht. Een beroep op haar geweten. Hoe lang nog? Want voor wat hoort wat. Dat geldt voor beide partijen.
2.
Blijkens een schriftelijke spijtbetuiging van een of andere personeelsfunctionaris is de vacature voor taaladviseur al vervuld. Carla wordt veel succes toegewenst bij het verdere verloop van haar carrière.
'Welk verdere verloop?' denkt ze nog, terwijl ze in een volgende
afwijzing leest hoe moeilijk de hoofdredacteur van de Paarse Hollander het
gehad heeft met een keuze uit vierhonderd aanmeldingen voor die ene vacante
functie van redacteur.
Het is een brief van twee kantjes, waarin hij de driehonderdnegenennegentig ongelukkigen indeelt in vier categorieën. Zij die geen ervaring hebben, zij die beperkte ervaring hebben, zij die ervaring hebben, maar niet bij een landelijk weekblad en zij die wel de nodige ervaring hebben, maar niet altijd kunnen winnen. Juist voor hen is nu het moment aangebroken om als een man te accepteren dat het leven nu een maal niet altijd rozengeur en maneschijn kan zijn. Carla weet niet zo goed in welke categorie ze thuishoort. Temeer daar ze een vrouw is. Ze heeft weleens een artikel aan de hoofdredactie van de Paarse Hollander opgestuurd. Het artikel was een aanklacht tegen de hypocrisie van het huidige feminisme met behulp van een pleidooi voor de ouderwetse, zuivere feministische theorie. Maar geen propaganda voor de praktijkuitvoering van die theorie, want die heeft, in de ogen van Carla, tot nu toe ook niet veel meer gebracht dan wat opgepoetste frustraties in het nieuwe jasje van de moderne emancipatiegedachte. En zo ze al tot het kamp van de geëmancipeerde vrouwen gerekend kan worden; dan toch zeker als een wazig exemplaar dat zich maar niet kan vereenzelvigen met de feministes van de derde golf, haar leeftijdgenoten. Tot in de patriarchale stand verheven jonge damesachtige controlefreaks die zich verzetten tegen het zogenaamde oude klaagfeminisme. Ten eerste heeft Carla nog nooit de eer gehad om, op welke manier dan ook, met zo'n ouderwetse klaagfeminste kennis te mogen maken en ten tweede zou ze niet weten wat er verkeerd is aan klagen. Maar goed, als die moderne meiden daar problemen mee hebben, dan moeten ze die beslist niet onder stoelen of banken steken, maar uitschreeuwen over heel intellectueel Nederland en dan zal Carla wel de laatste zijn om ze, bij het zeuren over het klaagfeminisme, een strobreed in de weg te leggen. Leven en laten leven is haar devies. Tenzij haar bestaansrecht in het geding komt. Dat dreigde nu te gebeuren. In kranten, tijdschriften en op de televisie en radio, waar bekeerde oude rotten uit de vrouwenbeweging, met hun aspiranten als ruggensteun, de simplistische gedachte achter het vroegere feminisme met misplaatste zelfspot in het belachelijke trekken. Dood aan de halfzachte tweede sekse van De Beauvoir en leve het deterministische seksuele masker van Paglia en haar gepantserde stoottroepen! Ruim baan voor de nieuwe eerlijkheid! Na vijftig jaar pionieren zijn, bij nader inzien, de mannen toch de grote creators. Cultuurwezens in hart en nieren. Vrouwen, daarentegen, zijn fantasieloze, recidiverende natuurelementen en al sinds mensenheugenis de passieve tegenpool van de man. Eeuwenlang hebben ze niets van zich laten zien en nu ze dan eindelijk de ruimte krijgen om vrijuit te kiezen, doen ze niets anders dan klagen. Het moet maar eens afgelopen zijn met het gezeik. Of ze houden voor eens en voor altijd hun mond, of ze gaan gewoon eindelijk eens wat creatiefs doen in navolging van de mannen. En van de stoottroepen: vrouwen noch mannen. De androgyne uitkomst van het emancipatieproces. Op papier. Want, naast een klaagfeministe, is Carla ook zo’n uitgebalanceerd manwijf nog niet op straat tegen het lijf gelopen. Wel hoopt ze het nog eens mee te maken. Ze heeft tenslotte net zo goedgelovig de neiging om uit te kijken naar ruimtewezens en vliegende schotels.
Om dezelfde reden stond ze natuurlijk zo in vuur en vlam voor het feminisme toen ze er pas mee geconfronteerd werd. Dat was in haar prille tienerjaren. En niet in een vrouwencafé, of bij een actiemeidenwerkgroep, maar gewoon in de bibliotheek, toen ze op zoek was naar wat bruikbaar leesmateriaal om haar vakantie mee door te brengen. Voor een gezonde en reële kijk op de wereld zou het, achteraf gezien, duizend maal beter geweest zijn als ze eerst eens om zich heen gekeken had, alvorens zich op allerlei ingewikkelde theorieën te storten, maar het kwaad was al geschied. Heel ver voordat iemand van Carla's zorgdragers het in de gaten had. Ze was verkocht voor een pubertijd vol met leesvoer van feministes van de eerste twee golven die haar deden geloven dat het feminisme een revolutionaire stroming is, die zich sterk maakt voor een afbreuk van de hokjesgeest en daarmee voor een meer rechtvaardige maatschappij waar ruimte is voor afwijking en eigenzinnigheid. En net als iedereen heeft Carla hart voor het abnormale en een grondige hekel aan een hokjesgeest. Dat komt doordat anderen haar of afdoen als iemand met een steekje los, of in hokjes plaatsen waar ze zich niet thuis voelt. Het klopt nooit. Bij Carla moet alles ergens toe dienen of iets bewerkstelligen. De vrije keuze om een eigen hokje te bouwen bijvoorbeeld. Feminiseren dus maar. Komt Carla even bedrogen uit. Want tegenwoordig wordt ze tegen haar zin in het hokje van moderne feministe geduwd. Alleen maar omdat ze op het eerste gezicht haar jeugd, ongehuwde status, kinderloosheid en carrièredrang met de gefeminiseerde controlefreaks gemeen lijkt te hebben. Als ze tenminste haar mond niet opentrekt. Bijvoorbeeld in een artikel voor de Paarse Hollander. Carla gruwelt bij de gedachte dat ze anders, door het establishment, automatisch op één hoop gegooid zal worden met die zelfbewuste, op lekkere heteroseks beluste generatiegenoten die hun hele leven prima op orde zeggen te hebben dankzij een razend knap organisatietalent en de intelligente, vrije keuze uit mogelijkheden te over. Carla zou het bijna geloven, ware het niet dat zij persoonlijk in het echte leven niet eens bij benadering aan het imago van de nieuwe feministes voldoet. Het beeld dat ze van zichzelf schetsen is net zo leugenachtig als dat van de Dolle Mina's. Die schijnbaar ludieke tuinbroekepidemie waarvoor heel Nederland in de jaren zeventig goedgezind platging. In werkelijkheid bestond de kern van Dolle Mina uit een stuk of zes vrouwen onder leiding van een man die na de roerige jaren zestig hun studententijd ook niet zonder demonstraties voorbij wilden laten gaan. Uiteraard heeft de gevestigde orde noch moeite met de Dolle Mina's, noch met de nieuwe feministes. Zij bevestigen het gezapige idee dat alles eigenlijk wel prima in orde is. Zij zijn het groene licht om andervrouws serieuze aangelegenheden weg te lachen. Het sporadische aantal jonge vrouwen dat, zoals Carla, niet zonder meer bereid is om het feminisme van het eerste uur klakkeloos af te vallen, kan dan gezien worden als een klutje lesbiennes of in elk geval als een minderheid aan seksuele frustraten die uit penisnijd niets met mannelijkheid van doen wil hebben. Maar voor Carla is mannelijkheid net zo'n vage, algemene term als vrouwelijkheid, dus ze zou niet weten waar ze een hekel aan zou kunnen hebben of jaloers op zou moeten zijn. Haar wereld bestaat uit een beperkt aantal mannen en jongens met pikken en piemeltjes waar ze net zoveel of weinig mee te maken heeft als met de schedes en vaginaatjes van de vrouwen en meisjes uit kaar kennissenkring. De problemen beginnen pas in de ogen van Jan, Jantine en Alleman, waarin zij altijd eerst een natuurverschijnsel, dan een vrouw met een bepaalde rol en dan pas Carla is. Zoals ze al op de middelbare school, voor alles, als een feministe gezien werd. Een geslachtsloze slobbertrui waar alle gevoelige jongens vrijelijk vriendschap mee konden sluiten. Als mannenhaatster in het algemeen, en allemansvriendinnetje in het bijzonder, wilde Carla toch geen seks met ze. Haar toenaderingen bleven veilige aanzetten tot een conversatie zonder complicaties en gevolgen. Zo ook voor haar seksegenoten, voor wie Carla dus geen bedreiging vormde. Integendeel, niet de jongens maar juist haar zusterlijke zielsverwanten plachten haar te kenschetsen als 'de denktank met het bomeffect'. 'Bomeffect' in de zin van 'het bewust onaantrekkelijke moordwijveneffect' naar vrije vertaling van de eigenlijke betekenis van de afkorting bom. Carla ging nogal prat op het bomeffect en het feit dat haar houding blijkbaar zoveel bij anderen los maakte. Het betekende wel dat ze de strijd om elk puberaal, essentieel geacht concurrentiebeding bij voorbaat kon vergeten. Juist daarom namen de meisjes haar probleemloos in vertrouwen over allerlei liefdesperikelen, waar zij dan haar visie op diende te geven. Haar oplossingen werden net zo vlot geloofd en geslikt als de raad op de ingezonden lezersellende van een boulevardbladrubriek. 'Tante Sjaan kan het allemaal aan'. Dat Carla ook weleens twijfelde over haar uiterlijk en vaak liever haar mond hield dan te ageren tegen het patriarchaat en seksistisch gedrag van leraren, scheen bij niemand uit haar sociale omgeving ook maar een moment te dagen. Alleen het feminisme had haar keer op keer, zwart op wit, beloofd om dit onrecht in de toekomst, met medewerking van alle zusters, uit de wereld te helpen. Het was zo aardig op weg. Tot de komst van de stoottroepen. Nu waait een bejaard restant van het oude, bezielende feminisme met elke modegril mee en zwijgt verder in alle talen. Carla voelt zich bekocht en sinds dat inzicht is ze, met een cultuurschok op de koop toe, op zichzelf aangewezen.
In de kamer klinkt op de televisie de begintune van de Oprah
Winfreyshow. Het is de melodie van een Amerikaanse hit.
'I am every woman', zingt Carla luidkeels en vals vanuit de keuken
mee.
'Kop houden!', schreeuwt Diana bijna hysterisch.
Volgens Carla heeft Diana een neurose. Ze raakt volledig van slag
zonder haar dagelijkse portie Oprah Winfrey, wiens goddelijke uitlatingen,
zoals elke werkdag, klokslag vier, onontkoombaar het universum bevruchten,
waaronder dus ook de hele benedenverdieping, tot in de bijkeuken toe. Haar
miljoenenstem wordt afgewisseld met hartverscheurende levensverhalen van haar
praatshowgasten. Vandaag gaat het over vrouwen die in hun leven van niets een
groot succes hebben weten te maken. Het grote succes is dan het grote geld.
Zoals voor Oprah Winfrey die zowat de rijkste vrouw van heel Amerika moet zijn.
'If you belief in yourself and your possibilities, you'll always
succeed. No matter what you do'.
Het klinkt overtuigend. Zeker uit de mond van een zwarte Amerikaanse. Carla vraagt zich af of ze toch niet ergens wat verkeerd doet. Ze zwaait naar buiten, naar mevrouw Maarsen die kordaat met een spons het keukenraam van schuimstrepen voorziet. Ze hoeft het niet te doen, maar haar zoon, Eric, ligt nog steeds in bed en naar eigen zeggen kan ze nou eenmaal niet stilzitten. Normaal gesproken zou Eric allang op zijn en zittend op zijn onopgemaakte bed eentonige noten produceren op een elektrische gitaar, aangesloten op enorme boksen die de experimentele muziek voor iedereen uit de buurt toegankelijk maken. Niemand in het huis weet zeker of de snaren nu bijgesteld moeten worden, Eric dringend muzieklessen behoeft of beiden. Zolang de buren niet klagen, wat zeer onwaarschijnlijk is in een buurt vol randfiguren, asocialen en andersoortige werklozen, verdragen zowel Diana als Carla de kwelling om verschillende redenen. Diana omdat ze zegt dat Eric waarschijnlijk geen andere manier meer valt aan te leren om zijn frustraties te lozen, maar eigenlijk omdat ze allang blij is dat hij haar niet onderbreekt met domme vragen tijdens haar Oprah Winfreytrip. Met het geluid van de t.v. op z'n sterkst en haar verstand op nul is de consequente achtergrondmuziek van valse gitaarnoten altijd nog beter te verdragen dan Eric zelf. Carla, op haar beurt, doorstaat de dagelijkse ellende omdat ze vindt niet het recht te hebben om anderen van hun pleziertjes te beroven alleen maar omdat zij ze niet verdragen kan. Wel heeft ze zich voorgenomen om op vijf december aan beiden een koptelefoon cadeau te doen. Als ze dan tenminste geld heeft. Ergens illustreert het de sfeer. Die snerpende, valse tonen, in combinatie met de stem van de geleerde massamening. Net als je denkt een melodie te herkennen gaat het mis. Toch is Carla het, bij wijze van uitzondering, met Diana eens over de onuitgesproken mening dat deze wanorde inderdaad vaak nog beter door te komen is dan de aanwezigheid van Eric zelf, die meestal gepaard gaat met een onophoudelijke woordenstroom en wilde, ongecontroleerde gebaren. Het ligt, volgens mevrouw Maarsen en een hele reeks doctoren, aan Eric's ontwikkelingsachterstand. Toen hij ergens tussen de acht en twaalf was, moet zijn hersencapaciteit gestopt zijn met het naar behoren verwerken van nieuwe indrukken. Hij is zwakbegaafd. Carla kan zich moeilijk voorstellen hoe het moet zijn om te leven in een volwassen lichaam met de belevingswereld van een kind. Een fascinerend gegeven. Maar of Eric daar nu zo'n treffend voorbeeld van is? De sleutel tot zijn zogenaamde achterstand heeft ze nog steeds niet gevonden. Hij is misschien een beetje ongedurig. Maar welke extroverte, jonge kerel van tweeëntwintig jaar, zonder werk en zonder al te veel fantasie is dat niet? Zoals heel veel volwassenen kan hij erg grappig zijn, zolang hij het zelf maar niet in de gaten heeft, want dan gaat hij zo drammerig door met leuk doen dat bij iedereen van groeiende verveling het lachen compleet vergaat. Ongeveer dezelfde reactie die de chef van Niels op personeelsfeestjes bij zijn onderdanen teweegbrengt. Eric is meegaand en makkelijk te beïnvloeden, mits hij duidelijke aanwijzingen krijgt over wat hij moet doen en zeggen. Geen uitleg. In hemelsnaam. Dat zou hem alleen maar verwarren. Zoals zovelen met de leeftijd van zijn lichaam. En over zijn mededeelzaamheid kan mevrouw Maarsen een woordje meepraten. De appel valt niet ver van de boom en als er iemand geen ontwikkelingsachterstand heeft, dan is het toch mevrouw Maarsen wel.
Mevrouw Maarsen is een kenau. Van een ander type dan het androgyne manwijf weliswaar, maar toch 'een man in een vrouwenlichaam' zoals Carla weleens schertsenderwijs tegen Niels opmerkt. Het is eerder als een compliment dan als een belediging bedoeld. Maar Niels begrijpt dat nooit en kan er niet om lachen. Hij vat het op als een degradatie van dat wat hij 'gewone mensen' noemt. En Niels heeft respect voor gewone mensen. Vooral mevrouw Maarsen is juist wel het prototype van een echte vrouw. Gezellige, dikke moeder van twee kinderen, huisvrouw en vertegenwoordigster van het officieuze leven achter de loopbaan van haar man. Hoe ontroerend eenvoudig die loopbaan achter de lopende band van een vrachtwagenfabriek dan ook is. Dat vindt Carla dan weer helemaal niet lollig. Ze kan zich niet verkneukelen in het tragikomische leven van mevrouw Maarsen. De moeder van de natuur in een veldbloemetjesschort en met Macroslippers op de keukentrap achter het raam als parodie op de Venus van Willendorf. Klaar voor bevruchting. Voor het passieve en geduldige broeden op dat wat de man voor haar gecreëerd heeft. Voor het baren en zogen. Als een door de natuur gestuurde wetmatige domper op haar persoonlijkheid en creativiteit. Pas als kinderen krijgen dezelfde prestige heeft als het leiden van een bedrijf of het opzetten van een bibliotheek, dan zou Carla zoiets als een kinderwens kunnen begrijpen. Nu daalt haar libido naar een bodemloos minimum als Niels over zijn kinderen zwijmelt en de momenten waarop ze ter wereld kwamen; de mooiste dagen uit zijn leven. Hij wil het nog een keer meemaken. Met Carla. Haar rest de eenzaamheid van een eigen inschatting van haar verantwoordelijkheden, wensen en plichten volgens de richtlijnen uit toch weer die feministische literatuur, die geen modernistisch mens meer schijnt te interesseren, maar die Carla zo moeilijk los kan laten. Gehersenspoeld als ze is door papieren vrouwen die haar op het hart drukken te bezinnen over kinderen voor ze eraan begint en om toch vooral financieel onafhankelijk te zijn, terwijl ze nergens aan de bak komt. Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid met economisch zelfstandigheid hoog in het vaandel. Van wie, waarvan en waarvoor eigenlijk? Ook in Carla's herziene, ideale wereld, zonder het praktische feminisme, blijft keuzevrijheid troef en zoiets als een kinderwens gewoon een vorm van carrièredrang of het huishouden in principe gelijk aan een baan buitenshuis. Waarom dus de cultuur en natuur niet gewoon laten voor wat ze zijn? Onlosmakelijk met elkaar verbonden. Want als Carla als natuurverschijnsel werkelijk zo dicht bij de aarde zou staan als iedereen over haar beweert, waarom heeft ze dan nog nooit de behoefte gevoeld om een kind te baren?
'Een vrouw voelt intuïtief aan of ze al dan niet aan kinderen toe
is', beloven overtuigde natuurelementen.
Ze spreken uit oermoederervaring. Zeggen ze. Nou voelt Carla inderdaad weleens iets rommelen in haar baarmoeder. Meestal blijft ze dan verwachtingsvol doodstil staan om het gevoel te analyseren, maar na een paar seconden blijkt het toch altijd weer niets anders dan het einde van haar cyclus en het begin van een bloederige ongesteldheid. Dezelfde ongesteldheid waarover een vrouwelijk type van de N.V.S.H., bij wie het vermoeden dat hij een man moest zijn pas ter hoogte van zijn opbollende, met jeansstof overtrokken kruis, werd bevestigd, in de brugklas zo lyrisch verteld had.
'Meisjes krijgen straks borstjes en hun eerste menstruatie', sprak
hij.
'Ze ontdekken zichzelf als een roos in de knop en betasten hun
maagdelijke lichaam in wording met een groeiende behoefte aan privacy en een
onbestemd verlangen naar aanraking van een jongen of een man'.
De twaalfjarige Carla had ademloos naar het smetteloze, babieroze sprookje geluisterd. 's Nachts in bed mijmerde ze door over dat schone, onschuldige prinsesje met pijnlijk mooie tepeltjes precies in het centrum van roomblanke volle welvingen. Hoe graag had Carla op haar willen lijken. Maar jammer genoeg was haar verlangen naar aanraking allang niet meer onbestemd. Ze wist precies met wie ze het wilde, op welke manier en hoe ze zichzelf daar, bij gebrek aan beter, vast op kon voorbereiden. Bovendien was ze al een jaar gewoon ongesteld met veel bloed, buikpijn, overgeven en diarree, terwijl ze maar wat aanknoeide met tampons, omdat ze de werking van de inbrenghuls niet onder de knie kreeg. Ze had ook niets gemerkt van de groei van haar borstjes. Op een dag waren ze er gewoon, omdat haar moeder vond dat een bakvis van bijna dertien toch een bh’tje nodig had. De gedistingeerde dame op leeftijd uit de lingeriezaak wees moeder er wel op dat het linker erwtje wat ruimer in de cup zat dan het rechter. Ze friemelde nog wat aan Carla's borstjes om het verschil zichtbaar te maken. Het ene borstje was ook iets spitser en bobbeliger dan het andere. Moeder wreef peinzend over haar kin. Kleinere maten waren echter niet in de handel. Dan maar een verkeerde bh. Ze moest er maar mee leren leven. En inderdaad; de oneffenheden zijn nooit meer verdwenen. Het liefst had Carla haar mening onomwonden weergegeven in een vurig betoog. Maar dan kon ze er donder op zeggen dat het niet gepubliceerd zou worden. Noch bij de Paarse Hollander, noch bij enig ander tijdschrift. Dat voorrecht is alleen erkende journalisten en columnisten gegund. En ze had zichzelf dan wel tot de freelance journalistieke stand verheven, maar erg veel feedback over dat besluit had ze nog niet tegemoet mogen zien. Dus dacht ze heel kien te zijn door eerst de nodige actuele literatuur over het onderwerp te verzamelen. Naar aanleiding hiervan schreef ze, op hete kolen omdat het hele gedoe haar nogal hoog zat, een literaire analyse waarbij ze tussen de regels haar gal spuide. Veel te laat bleek achteraf; want van geen enkele uitgever kreeg ze op aanvraag presentexemplaren van de geselecteerde literatuur opgestuurd, zodat ze, bij gebrek aan liquide middelen een maand moest wachten tot de hele handel in de bibliotheek te leen was. Daarna moest ze alles nog lezen, dus toen ze eenmaal aan schrijven toekwam, waren de door haar besproken boeken allang oud nieuws voor de landelijke tijdschriften. De hoofdredacteur van de Paarse Hollander vond het artikel echter alleszins honorabel, maar daar kocht Carla niets voor. Wel stuurde hij, bij wijze van succesvoorbeeld voor een volgende poging, een betoog van een andere freelancer mee wiens artikel wel in de Paarse verschenen was. Het ging over een actuele buitenlandse auteur en haar twijfelachtige sadomasochistische voorliefde voor zowel mannen als vrouwen. De kern van het artikel was een opsomming van haar sappige, seksuele relaties die veel smeuïge details opleverden. Dat was dat.
Ongeveer eender verliep het met de hoofdredacties van die drie andere aangeschreven, landelijke tijdschriften. Alle drie waren ze uitermate onder de indruk van Carla's scherpzinnige strijdlust. Zoiets wordt altijd op prijs gesteld, zeker gezien haar jeugdige leeftijd. Alleen vond men het bij het Tijdschrift voor de Vrouwenbeweging volstrekt onnodig om aandacht aan Carla's standpunt te besteden. Iedereen die in staat was na te denken zou zelf wel tot de conclusie kunnen komen dat elke discussie over het zogenaamde klaagfeminisme een farce was. Waarmee tevens gezegd was dat de meeste vooraanstaande vrouwelijke journalisten niet in staat zijn om zelf na te denken. Erger nog, het bedroevende aantal vrouwen dat door de vrouwenbeweging wordt uitverkoren om in het openbaar een vruchtbare discussie over het feminisme te mogen aanzwengelen,
staat onder strenge censuur van een stuk of wat kopstukken in de
overgang. De rest van de club volgt, kijkt, zwijgt en stemt toe. Carla
had het eigenlijk kunnen weten, want al tijdens vrouwenstudies mistte ze de vrijheid uit te dragen dat de praktijk van het feminisme haar een teleurstellend gevoel gaf. Ze zat opnieuw in een hokje, ingesnoerd in een korset. Dit keer het korset van regels waaraan ze moest voldoen om een rechtgeaarde studente vrouwenstudies te zijn. Zo iemand heeft het licht gezien, draagt in geen geval make-up of mantelpakjes, maar bij voorkeur teenslippers, binnenstebuiten gekeerde sweaters of desnoods hand geborduurde kaftans. Ze stelt boven alles de eigen leer niet ter discussie. Carla ziet zichzelf nog vol vertwijfeling zitten achter haar bureau met de literatuur van Cixous en Woolf voor haar neus. Alle andere cursisten konden zich zonder meer inleven in de écriture feminiene en de stream of consciousness. Dat was nog eens vrouwentaal. Alleen Carla begreep nooit waar het over ging, terwijl ze toch ook een vrouw was. Dat was zo ongeveer het enige waar ze met vrij grote stelligheid vanuit kon gaan. En terwijl de anderen eensgezind enorm poëtisch gewicht aan de teksten toekenden, bleef zij maar naar de betekenis vragen. Haar uitgesproken onbegrip werd eerst ongeduldig weggelachen en uiteindelijk kriegelig genegeerd. Daar had je Carla weer met haar domme vragen. Maar antwoorden kreeg ze niet. Ook geen domme. In die periode wist ze nog niet beter dan in feministische kringen eerlijk toe te geven dat ze niet zuiver genoeg van leer was om alles kritiekloos te kunnen absorberen. Later, toen ze haar artikel naar het Tijdschrift voor de Vrouwenbeweging stuurde, had ze wijzer moeten zijn. De hoofdredactrice van Zijkant zag af van publicatie omdat het betoog veel te elitair zou zijn. Niet bestemd voor haar lezers. In tegenstelling tot Carla's vorige artikel over werkloosheid dat wel in Zijkant verschenen was. Maar dat was human interest. Een verhaal met een hoge zieligheidgraad van een werkloze academica die zo dom was geweest om letteren te studeren in plaats van economie, wis- of bedrijfskunde. Had ze maar een vak moeten leren onder het motto van:
'Kies exact, kies een studie met perspectief!'
Geen wonder dat ze geen baan kon vinden. Eigen schuld, dikke bult en een waarschuwing voor alle andere jonge vrouwen die nog mochten leven in de veronderstelling dat het leven een pretpakket is. Een overtuiging die van harte onderschreven werd in ingezonden brieven met betuttelende betuigingen van medeleven. Zoals van die ene mevrouw die zo treffend samenvatte wat al die andere brievenschrijfsters wilden zeggen:
'Het winnende lot dat mevrouw Langeweg nog steeds niet heeft getrokken, heeft veel te maken met vooroordelen bij werkgevers, maar helaas ook een beetje met de 'luxe' keus die mevrouw Langeweg heeft gemaakt toen ze ging studeren. Haar 'papiertje' wekt bij de meeste werkgevers alleen maar argwaan; weer zo'n gestudeerde mevrouw die het allemaal beter weet, maar geen vak heeft geleerd. Dat is jammer genoeg de 'straf' die vrouwen krijgen omdat ze niet gericht kiezen voor een opleiding die uiteindelijk tot een goed betaalde baan leidt. Ze kiezen nog steeds in groten getale voor 'iets leuks met mensen of zo'. Daarmee zichzelf onbewust beperkingen opleggend: de arbeidsmarkt heeft maar in geringe mate behoefte aan laten we eens wat zeggen, literatuursociologen. Maar dat hebben 'ze' - haar ouders, de schooldecaan, de studiebegeleider aan de universiteit - haar kennelijk nooit verteld. Nu wil ze desnoods vakken gaan vullen in de supermarkt of anderszins onder haar niveau aan de slag proberen te komen. Mijn raad: niet doen. Het levert nog meer frustraties op.'
Met andere woorden: 'Val maar kapot, mevrouw Langeweg. Verkeerde keuze, verkeerde studie, verkeerde instelling, verkeerde sekse en ook nog een 'beetje' uw eigen schuld. Hier is de slachtofferrol. Doe er wat aan en gedraag u als een man. Of leer er anders maar mee leven of desnoods doodgaan.' Wat had ze nou aan zo'n advies? Alsof ze trouwens om raad gevraagd had. Ze had een kritisch artikel willen schrijven over haar beperkingen op de arbeidsmarkt. Beperkingen in de vorm van barrières die anderen voor haar opwerpen. Wat Carla betreft kunnen ze met haar nog alle kanten op. Voor de rest blijft ze vanaf nu voor haar leven lang getekend als gestudeerde mevrouw. Ook voor het vleesgeworden feminisme dat haar afvalt met stereotype aanmerkingen op haar vrouwelijke naïviteit op een manier waarvan de meest seksistische patriarch nog bij zou kunnen leren. Het is aan Carla, en aan Carla alleen, te wijten dat ze niet in staat is om haar eigen boterham te bekostigen. Terwijl ze zoveel beter had gekund als ze maar geluisterd had naar haar eigen achterban. De oudere vrouwen. De feministes van de eerste twee uren, die al zoveel zorgeloos plezier in het jonge leven van de onwetende dametjes van nu bevochten hebben met bloed, zweet, tranen en ontwrichte gezinnen. En wat doet Carla als stank voor dank? Ze gaat letteren studeren, omdat ze zo nodig alleen maar plezier wil. Wat een hoogmoed! Wat een gemakzucht! Waarbij een studie in de letteren een makkie is, die elke vrouw, tussen de soep en aardappelen, snel even tussendoor zou kunnen volgen. Als ze dat zou willen, tenminste. En werkloosheid is een tijdelijk lolletje dat in een mum van tijd weggelachen zou kunnen worden. Als Carla dat zou willen, tenminste.
Hoe het ook zij, met of zonder recht van spreken en met of zonder doelloze studie in de letteren, Carla's werkloosheidsperikelen werden zonder correctie of commentaar van de redactie in Zijkant opgenomen.
'Je schrijft namelijk wel aardig', verklaarde de hoofdredactrice benepen toen Carla haar opbelde, omdat ze maar niets hoorde op haar artikel over het nieuwe feminisme.
'Wel aardig.'
De opmerking echode in Carla's maagstreek. Ze verzachtte de pijn
in gedachten:
'Toch aardig genoeg om zonder redigeren gepubliceerd te worden.'
'Maar dat artikel over het nieuwe feminisme is een misser. Het is
duidelijk geschreven door een doctorandus', wist de hoofdredactrice gemeen.
Ze heeft zelf natuurlijk geen titel.
'En zo wel, dan heeft ze een minderwaardigheidscomplex', zou Diana
zeggen.
'Je moet het maar naar Sparrengroen sturen', opperde de hoofdredactrice verveeld.
'Daar staan wel vaker verhalen in waar ik bij in slaap val. Als
het ware.'
Aan het slot van zijn afwijzing raadt de hoofdredacteur van de Paarse Hollander alle driehonderdnegenennegentig werkloze redacteuren aan om te blijven proberen. Niet opgeven en ervaring opdoen met freelance werkzaamheden. Al met al geen onaardige brief. Het lijkt Carla een lieve man, die hoofdredacteur. Een romantische man ook, met speelse ideetjes over de mogelijkheden van de freelance journalist. En over de aanhouder die wint en kwaliteit die zich niet laat verloochenen en zeker niet kisten door alledaagse dingen zoals kosten van telefoon, printerlinten, kopieën, postzegels, de aanschaf van recente literatuur en nachten achter de p.c. met meestal nul op het rekest. Nog een zegen dat Carla zich met liefde vergeet achter haar tekstverwerker. Het spelletje van geconcentreerd en ineengedoken klungelen met woorden, zinnen en alinea's kan haar uren zoethouden. Het resultaat belandt vaak verfrommeld tot een papierprop of versnipperd in pak weg duizend stukjes in de prullenmand. Afgedankt, zoals de half uitgehaalde truien die Diana regelmatig hebberig uit de vuilnis vist, maar die Carla weigert voor haar af te maken, omdat ze in de spiegel stuk voor stuk lang niet zo mooi bleken te worden als Carla zich had voorgesteld toen ze nog zonder reëel beeld naarstig steek voor steek en naald naar naald vooruit ploeterde op haar fantasie. Had ze nou maar gewoon een wiskundeknobbel gehad. Tot nut van de arbeidsmarkt en in het belang van haar eigenwaarde. Hoewel, de buurjongen heeft er een, maar die is ook werkloos.
Om niet telkens stompzinnig naar de bolle toet van mevrouw Maarsen achter het ingezeepte keukenraam te moeten glimlachen, gaat Carla de stapel enveloppen nog eens na. Met maar twee afwijzingen is de post bij nader inzien minder onheilspellend dan zij vanmorgen op de kokosmat geleken had. Dat wil zeggen; aan Carla's adres, want de rest is aan Niels gericht. Rekeningen en drie brieven van verschillende bedrijven. Aan het gewicht merkt Carla dat het eveneens afwijzingen zijn. Het ergert haar dat Niels blijkbaar ook solliciteert naar moeilijkheden. Hij zou toch inmiddels van Diana, Eric en haarzelf begrepen kunnen hebben wat een lijdensweg het is om te moeten solliciteren. En Niels moet niet. Laatst nog riep hij zelf om het hardst dat hij zich geen zorgen hoeft te maken met twaalf vaste dienstjaren als werkvoorbereider bij een bedrijf waar heel wat mensen onder hem staan of na hem zijn aangenomen. Het was zijn reactie op het voorpaginanieuws van de laatste tijd in alle landelijke en regionale kranten en op de alarmerende berichten op de radio en televisie. Er zouden een aanzienlijk aantal banen op de tocht staan bij de bekende uitvinder van het moderne licht. In brons gegoten staat hij onopvallend afgebeeld tussen de bloemenperkjes op het stationsplein van de stad. Brabantse bescheidenheid die in de rest van het land niet wordt begrepen. Had hij in Amsterdam gestaan dan was zijn bronzen evenbeeld zonder twijfel veel schreeuweriger geweest. Maar dat neemt nog niet weg dat men hem in de regio dankbaar is voor het plaatselijk stichten van de bron van een multinational waar driekwart van de inwoners zich twee jaar geleden nog volkomen veilig waande tot aan het pensioen. Een biljardenbedrijf waar men nu, over de hele wereld, blijkt te kampen met overproductie, financieringstekorten en mismanagement. Carla helpt zijn ex-vrouw en kinderen hopen dat Niels gelijk heeft. Dat hij inderdaad niets te vrezen heeft.
In een walm van spiritus vermengd met buitenlucht schuift mevrouw Maarsen aan de keukentafel. Het ruikt koud. Ze wrijft haar rode handen.
'Zal ik thee zetten, of een bakje troost?'
Aan de wijze waarop ze het voorstelt, merkt Carla dat ze het al weet. Mevrouw Maarsen moet en zal zich overal mee bemoeien. Precies zoals het stereotype beeld van een buurtwijf het voorschrijft.
'Zij vertelde het', knikt mevrouw Maarsen naar de woonkamer.
Diana is voor mevrouw Maarsen altijd 'zij'. Maar met Carla heeft ze een verbond waar Carla niets van begrijpt. Carla mag dan ook 'Zus' zeggen, maar dat kan ze niet over haar lippen krijgen en om dat voor haar te verbloemen, vermijdt Carla zinsconstructies waarin ze mevrouw Maarsen direct moet aanspreken. In die gevallen waarin het absoluut onvermijdelijk is, lost ze het op met uhhh, hé, of dinges. Liever op deze manier onbeleefd dan mevrouw Maarsen te verheffen tot meer dan ze is.
'Koffie maar.'
Mevrouw Maarsen reddert verder. Ze weet dat Carla een koffieleut
is.
'Dat Eric maar blijft liggen hè?'
Carla zegt het uit medelijden. Om te troosten, want ze weten alletwee dat Eric op dit moment net zo goed op zolder zou kunnen zitten, waar hij Packman speelt achter de p.c. van Niels. Stilletjes, om de indruk te wekken dat hij nog slaapt. Deze week net zo lang tot zijn moeder verdwenen is, waarna hij zich weer kan gaan toeleggen op zijn gitaarspelambities. Meestal is hij wel te vermurwen en verdraagt hij haar zolang zijn wankele beetje zelfvertrouwen het aankan. Maar vandaag is Carla vergeten om hem, vlak voor het vaste aankomsttijdstip van mevrouw Maarsen, tot de orde te roepen.
'Die zie ik volgende week wel weer. Als ik maar weet dat alles
goed is, dan is het mij best. Eet ie goed?'
'Prima', knikt Carla, terwijl ze de post ophoopt.
'Spruitjes moet ie niet, hè? Dat weet je toch?'
Met haar wijsvinger strijkt mevrouw Maarsen zorgvuldig vier lepels
gemalen koffie voor acht koppen af.
'Slootwater', denkt Carla.
Ze ziet een moment Eric voor zich aan de keukentafel. Zijn magere verschijning, skinhead en getatoeëerde doodshoofd op de rechter bovenarm. Gisteren nog had hij zich tegoed gedaan aan een hele lading spruitjes, met aardappelen en verse worst. De spruitjes zijn de hele week in de aanbieding en daarom al vijf dagen de kern van Carla's kookimprovisaties. Eric heeft er nog het minste moeite mee.
'Jammer hè, dat Eric geen spruitjes moet?', babbelt mevrouw
Maarsen verder.
'Ze zijn nou in de aanbieding bij de Aldi.'
'Oh, ja?' Carla staat op om de koffiemelk uit de kelder te halen.
'Dat is ook wat hè, met de steun', durft mevrouw Maarsen van de
hak op de tak, zoals gewoonlijk, te vragen nu Carla even uit het zicht
verdwenen is.
Ze blijft de sociale dienst koppig de steun noemen. Naar ouderwets
gebruik. En Carla krijgt geen bijstandsuitkering, nee, Carla trekt steun. Maar
haar toon is nog medelevend. Geen spoor van sensatielust of genoegdoening en
Carla voelt een moment de behoefte om een potje te brullen. Mevrouw Maarsen zou
haar beschermend tegen haar ontzagwekkende borstkas drukken en zoiets zeggen
als:
'Laat het maar komen hoor meid.'
Het zou naar aardappelschillen ruiken, vermengd met zevenenveertig elf in een koesterende zachtheid van veilige vrouwelijkheid. Zoals die van oma. Die keer toen Carla onbedoeld een koprol maakte voorover het stuur van haar driewieler. Een obstakel; de plastic, oudroze scooter van haar broertje. Net op tijd stoppen. Een duikeling. Een schamper lachen van haar broertje op de achtergrond, bezegeld met een instemmende knipoog van opa in haar ooghoeken. Hij staat niet op uit de tuinstoel. De schrijnende pijn aan haar elleboog. De bloedende, roodzwarte, groezelige schaafwond in het felle schitterende licht van een middagzomerzon. Net naast het geurige groene gras, op het kiezelstenen pad naar de achterdeur. Branderige sporen op haar wangen, een verstopte neus, de smaak van zout op haar lippen. Een kusje van oma op de pijn. En daarna haar sussende omarming als een zwijgend protest tegen zoveel onrechtvaardigheid. Ze zoekt de koffiemelk tussen een waterige ratjetoe van levensmiddelen op de stoffige planken in een muffe kelder die nodig een schoonmaakbeurt behoeft.
'Wie zou jou nou verraden hebben?'
Dit keer is de toon wel sensatiebelust. Carla slikt haar tranen
in, haalt haar neus op en komt, zonder koffiemelk, weer de kelder uit. Mevrouw
Maarsen staat, met van nieuwsgierigheid twinkelende ogen, afwachtend met haar
rug tegen het aanrecht geleund. Armen voor zich over elkaar heengeslagen.
'Hoezo?' Carla had eigenlijk willen vragen: 'Wat bedoelt u?', maar
dan kwam ze weer met dat u in de knoop. De koffiemelk staat naast het
pruttelende koffiezetapparaat.
'Hoe denk je dat ze bij de steun weten dat jij illegaal
samenwoont?'
Carla vist twee vuile koffiebekers uit de vaat op het aanrecht.
'Ze weten het niet van mij', drukt mevrouw Maarsen Carla op het
hart, omdat er geen antwoord komt.
Het veroorzaakt een stilte waar mevrouw Maarsen niet mee om kan gaan. Onder vier of meer ogen moet er gecommuniceerd worden. Het maakt niet uit waarover, als mevrouw Maarsen maar de boventoon in de conversatie voert. Mogelijk heeft ze daarom moeite met Diana.
'En ook niet van Eric', voegt ze er, wat Carla betreft geheel
overbodig, aan toe.
'Hij mag dan wel een kale kop hebben en een tatoeage, maar het is een lieve jongen. Hij ziet er trouwens wel slecht uit de laatste tijd. Wallen onder z'n ogen en zo geel. Maar ik mag er niks van zeggen hè. Ik zeg laatst nog tegen hem, ik zeg, jongen wat zie je er slecht uit! En ga je wel op tijd onder de douche? Want hij stonk ook zeg! Zo vindt hij toch nooit een baan!?. Waar willen ze nou zo'n magere Hein, die nog stinkt ook!? En hij rookt ook nog hè!?. Dat heb ik hem gewoon gevraagd, laatst. Ik vroeg, rook je nog? Ja, zei ie, want eerlijk is ie wel. Goudeerlijk, als kind al. En ik zeg ook niet dat het jouw schuld is Carla. Ik ken hem echt wel. Maar die vrienden, hè. Nou vrienden zijn het eigenlijk niet, want ze gebruiken hem. Ik zeg, Eric je laat je gebruiken. Maar dat mag ik weer niet zeggen, hè. Je moet ze eigenlijk gewoon buiten laten staan, Carla. Niet binnen laten, naar jou luistert ie wel. Ik ben juist wel blij dat hij jou heeft en Niels. En het voetballen. Dat ie daardoor niet constant aan z'n vader en moeder vastzit. Want dat is ook erg voor zo'n jongen. Maar ik snap niet dat ie die baan bij de krant niet genomen heeft. Snap jij dat? Hij heeft toch niks geleerd, dat was toch mooi geweest voor em. Jo begrijpt er ook niks van. Die moet toch ook elke dag hard werken. Hij heeft het er soms wel moeilijk mee hoor. Hij elke dag naar de zaak en Eric op z'n luie gat. En dan nog een baan weigeren ook. Maar ik zeg ook tegen Jo, ik zeg, Jo de tijden zijn veranderd. En hoe vaak zit jij wel niet in de ziektewet. En of ie dan echt ziek is, dat weet niemand. Ja, hij doet wel zielig en zo, maar ik denk weleens dat Eric meer last heeft van z'n rug dan Jo. Maar dat weet je weer niet zeker, want rugpijn is ook weer zoiets vaags. Je kunt andermans pijn niet voelen. En de één voelt meer dan de ander. Maar ik ben weleens bang voor Eric. Dan kan ik niet slapen. Dat ie werk blijft weigeren en straks geen steun meer krijgt, net als jij. En Jo en ik kunnen het ook niet meer betalen. Zeker niet nou Jo weg moet op z'n werk. Daar heeft ie het ook niet makkelijk mee. Na veertig vaste dienstjaren. Achtenvijftig is ie, en vind dan nog maar eens ander werk. Jo heeft ook niet geleerd. Ik ook niet trouwens. Dat was vroeger niet voor ons soort mensen. En als ie straks een uitkering heeft, dan kan ik mijn werk ook wel vergeten. Dat beetje dat ik dan wit bijverdien moet dan toch naar de steun. Je mag maar vijfentwintig procent houwen, of zoiets hè? En voor dat restje van vijfenzeventig gulden in de maand, poets ik thuis nog een keer extra. Wat jij?
'Allicht', beaamt Carla, terwijl ze de bekers zorgvuldig afwast
onder een straal water die eigenlijk net iets te warm is.
De heldere, lichte, fysieke pijn doet haar een seconde lang
realiseren waar ze is en met wie. Ze is achtentwintig, doctorandus in de
letteren, met een specialisatie in de literatuursociologie en vrouwenstudies en
dit is niet waar ze tien jaar geleden op deze leeftijd hoopte te zijn. Dit is
niet wat ze wilde doen. Koffiedrinken met mevrouw Maarsen, met wie ze, tegen
wil en dank, een vertrouwensband blijkt te hebben, en samenwonen met een
zwakbegaafde, een gestoorde lotgenote en een partner die ruim twintig jaar
ouder is dan zij. Zonder geld en nu nog met schulden ook. De terugwerkende
kracht van zes maanden lang stiekem hokken. En wie bewijst dat het maar een
half jaar was? Dat ze daarvoor elke nacht zedig onder een eenpersoons
patchworksprei op haar vroegere studentenhok sliep en heimelijk, hevig gesteld
was op de privacy van een kleine slaapkamer met minigasfornuis en wastafel? Een
toevluchtsoord dat Niels haar goed bedoeld, maar ongevraagd, ontnam, door het
aan Eric te beloven. Zij verbracht toch al zoveel tijd naast hem door op de
zolderverdieping en betaalde sowieso al minstens een jaar of drie geen huur
meer. En Eric had zo nadrukkelijk zijn intrede gemaakt. Blij als het kind dat
hij is omdat hij nu eindelijk zelfstandig kon wonen. Niet in een
woongemeenschap met soortgenoten, zoals ze bij de woningbouwvereniging met
steun van een maatschappelijk werkster voor ogen hadden, maar bij mensen die
hem niet honderduit vroegen over zijn ziekte, om hem, na het aapjes kijken,
toch weer terug te werpen in moeders schoot.
Mevrouw Maarsen droogt de bekers af. Carla draait de kraan uit en wrijft met haar natte, warme handen over haar gezicht, van haar kin tot haar voorhoofd door naar haar haren, waar ze op haar achterhoofd met haar vingers in een stekelig knotje blijft hangen. Geërgerd rukt ze een haarspeld uit de klitten.
'Waarom neem je geen permanent, of een leuke boblijn?', stelt
mevrouw Maarsen voor, terwijl ze een beker karamelkleurige koffie voor haar
neerzet en aan de keukentafel plaatsneemt met haar eigen hoeveelheid slappe
drap.
Achter mevrouw Maarsens rug om gooit Diana de tussendeur tussen de
keuken en huiskamer dicht. Mevrouw Maarsen heeft een verdienstelijk
stemvermogen, dat, met de nodige inspanning, al een tijdje boven het geluid van
de Oprah Winfreyshow uitgalmt.
'Ik haat domheid', zegt Diana.
Zo vergoelijkt ze haar eigen lompheid ten opzichte van iedereen die erover valt en dat ook aan haar durft te laten merken. Mevrouw Maarsen maakt er in een eerste reactie weinig woorden aan vuil:
'Puh'.
'Ze is mensenschuw', merkt Carla schamper op .
'Wie? Mevrouw kakmadame?
Helemaal niet. Nooit wat van gemerkt anders. Ze heeft kapsones. En waarover? Omdat ze geleerd heeft zeker. Nou, nou, nou, wat ben ik onder de indruk. Ze hangt altijd op de bank als ik hier kom. Ja, als zij er zin in heeft kan er wel een praatje af. Maar anders, niks hoor, nog geen glimlachje. Ooooh wat is ze toch zielig. Zo geleerd, zo alleen. Ondertussen heeft ze wel mooi net zo goed geen werk, dus ze hoeft niet te doen of ze wat meer is. Wat zeg ik, ze is minder. Ik heb wel werk.'
Hier houdt mevrouw Maarsen een adempauze. Ze graait in de koekjestrommel. Haalt er een kletskop uit, bekijkt hem en gooit de flinterdunne, brossige lekkernij weer terug in een keur aan verschillende soorten en smaken koekjes. Carla trekt de trommel naar zich toe en vist de gehavende kletskop in stukjes uit de verder ongeschonden inhoud en puzzelt hem op de keukentafel in elkaar. Als ze opkijkt gooit mevrouw Maarsen wild haar kin over de rechterschouder richting tussendeur en herhaalt, nog harder dan ze gewoonlijk spreekt, speciaal voor Diana:
'Ik heb wel werk!'
Daarna roert ze woest in haar koffie. Haar ogen schieten vuur en staren kwaadwillend in het ongewisse, op zoek naar nog meer aantijgingen tegen Diana. Mevrouw Maarsen draaft door. Het duurt gelukkig nooit lang, maar Carla heeft een grote afkeer van het proces. Zeker als de driftbui haar hoogtepunt bereikt en mevrouw Maarsen zich verliest in roddelen en stoken. Het doet afbreuk aan haar geloofwaardigheid. Het is pijnlijk.
'Als ze wil zou ze best kunnen werken. Dat zou voor jou ook
weleens handig zijn. Jij moet toch alles alleen doen hier. Zo is het toch? Als
ze wil kan ze best wat bijverdienen. Als je maar echt wilt. Zo is het toch?’
Dit was het moment om een gevat antwoord te geven. Vanavond in bed zou ze er een weten. Nu kijkt Carla naar het opgeblazen gezicht van mevrouw Maarsen, kauwt op een stuk kletskop en protesteert zwakjes. Ze gebruikt Eric bij gebrek aan beter:
'Als er iemand graag wil werken dan is het Eric wel en hem lukt
het ook niet.'
'Hij had bij de krant kunnen werken.'
Mevrouw Maarsen suddert nog wat na.
'Kranten bezorgen, ja. Dat hebben Niels en ik hem afgeraden. Dat
is toch veel te zwaar voor hem!?. Elke morgen vroeg op, met een gigantische
lading kranten achterop de fiets!? Met zijn rug?'
'O...dus jullie hebben hem dat afgeraden...'. Mevrouw Maarsen
trekt een zuinig mondje, laat haar nek in de schouders zakken en schudt
haar hoofd enkele maken kort heen en weer. Het is een imitatie van
Carla voor een onzichtbaar publiek.
'Mooi is dat', mokt ze.
Op een doordeweekse morgen was er een roze kaartje door de brievenbus gevallen. Bij de krant werden 'Jonge Helden' gezocht, van 'zestien tot tachtig jaar', voor het bezorgen van kranten. Eric had meteen gebeld. Hij verveelt zich namelijk 'te pletter' zoals hij dat zelf zo treffend verwoord. Maar ze wilden hem niet hebben. Zelfs niet uitgedost in de sportieve vrijetijdskleding die hij van de buurjongen met de wiskundeknobbel had mogen lenen voor het sollicitatiegesprek. Op dezelfde plek waar mevrouw Maarsen nu de waarheid verdoezelde, had hij tranen met tuiten gehuild. Vijf minuten later was het over. Hij wilde eigenlijk toch liever met bejaarden werken. Koffie voor ze schenken en met ze wandelen. Vrijwillig. Carla was, ondanks zichzelf, nog met hem meegegaan naar de vrijwilligerscentrale, op dezelfde dag van zijn afwijzing. Hij moest onderaan op een lange lijst. En of hij bereid was een cursus 'logistiek' met specialisatie 'bejaardenverzorging voor beginners' te volgen? Daarna hebben ze samen nog een 'frietje oorlog, gelijk opeten' genuttigd in een frietzaak waar Carla in de Volkskrant de vacatures naging, terwijl Eric voor vijftig gulden in een gokkast verloor .
'Ik durf te wedden dat zij aangifte heeft gedaan bij de steun',
dramt mevrouw Maarsen door.
'Waarom moet iemand aangifte gedaan hebben? Het kan toch ook
gewoon controle geweest zijn?’
Carla spoelt de laatste hap van haar koekje weg met een slok slappe koffie van mevrouw Maarsen, die met een spottend hikgeluid laat merken dat haar driftbui nog niet helemaal is overgewaaid.
'Wie heeft er hier nou geleerd, jij of ik? Gewoon controle, niks
gewoon controle, alsof ze al niet genoeg te doen hebben bij de steun. Ze gaan
alleen af op tips. En zelfs dan hebben ze nog niet genoeg mensen om iedereen
aan te pakken. Alsof jij in je eentje de steun besodemietert. Nee, iemand moet
gebeld hebben. Zij, volgens mij.'
'Wat kan mij dat nou schelen!' Carla reageert onbedoeld fel.
Haar geduld raakt op. Zelfs mevrouw Maarsen kan te ver gaan.
Mevrouw Maarsen draait meteen, moeiteloos bij:
'Ach, nou ja, soms is het ook best een lieve meid. Vanmorgen heb ik nog best gezellig met haar gepraat. Raar eigenlijk dat een mens zo verschillend kan zijn.'
Ze neemt nog een koekje. Carla ziet door het keukenraam hoe Bobo
met een wild wapperende staart enthousiast de afrikaantjes één voor één uit een
door Niels zorgvuldig aangelegd bloembed graaft.
'Mijn God', verzucht ze in gedachte: 'Vergeef het ze, want ze
weten niet wat ze doen.'
'Nou ja, het kan iedereen geweest zijn. Als je ook ziet wat hier
woont. Ik heb niks tegen buitenlanders hoor, helemaal niet, ze moeten er ook
zijn.'
'Wie moeten er ook zijn?', vraagt Carla die maar half geluisterd
heeft.
Mevrouw Maarsen steekt net het koekje volledig in haar mond. Haar kunstgebit klappert tijdens het kauwen en vergt al haar concentratie. Na het slikken peutert ze met de wijsvinger van haar rechterhand wat nagebleven koekjesresten vanachter haar onderkiezen. Ze neemt de vinger uit haar mond, bekijkt het resultaat, en likt het op. Carla kokhalst en neemt snel een slok koffie om het niet te laten merken.
'Of het is die jongen van hiernaast, die Harold, die heeft toch
ook gestudeerd?'
Mevrouw Maarsen is weer bij de les.
'Informatica ja', beaamt Carla. 'Het beroep van de toekomst. Hij
heeft ook geen werk.'
'Jawel, hij werkt in een bibliotheek, dat heeft ie me zelf
verteld.'
'Vrijwilligerswerk, boeken opruimen aan de technische universiteit, met een stel collega-werklozen. Als ze zich vervelen vermaken ze zich met het zingen van oud Hollandse volksliedjes. Twee, drie of vierstemmig. Al naar gelang het aantal aanwezige vrijwilligers. Leve de lol!'
'Dat kan jij toch ook, in een bibliotheek werken?', merkt mevrouw
Maarsen pienter op.
Carla glimlacht. Ze was een moment vergeten wie ze voor zich had.
'Dat klopt.'
'Waarom doe je dat dan eigenlijk niet?'
Mevrouw Maarsen kijkt alsof ze het ei van Columbus gaat leggen.
'Ik zal er wel geen zin in hebben, lijkt me zo.'
Carla staat op om te beginnen aan het avondeten. Mevrouw Maarsen
moest maar eens gaan.
'Het staat je netjes. Zo zijn jullie allemaal. Maar van hard werken is nog nooit iemand dood gegaan, als je dat maar onthoudt', waarschuwt mevrouw Maarsen naar beste weten.
Ze staat op. Ze wenst inderdaad niet langer met de jeugd van tegenwoordig te toeven. Goed begrepen van Carla. Alweer! Een beetje minder inzicht in dit soort gevallen zou haar weerstand helemaal niet schaden. Diana zou er recht tegenin gegaan zijn. Zinloos opportunisme. Er zijn legio mensen doodgegaan aan hard werken. Hele katoenplantages en concentratiekampen vol, de halve bevolking van Tsjernobyl en twee paar opa's en oma's van Carla. Mogelijk was het ook gewoon het leven dat ze geveld heeft. Van leven ga je dood. Van een prettig leven ga je prettig dood. Een doodzonde.
Ze trekt haar vingertoppen wit bij het slordig openrukken van het netje om de spruitjes. De helft van de schubbige bolletjes is bruin in plaats van groen en zacht in plaats van hard. Die kan ze dus weggooien. Goedkoop is duurkoop en denk eraan; in de groenbak vanwege het milieu en de gescheiden afvalverwerking. Er blijven welgeteld negen spruitjes over. Dus terug naar de groenbak met Bobo vrolijk achter haar aan. Met moeite vindt ze zes rotte bolletjes terug tussen de etensresten van gisteren, eergisteren en een week geleden. Terug achter het aanrecht voelt ze iets kleven op haar voorhoofd. De groenbak is levensgroot en ze heeft er tot aan haar schouders ingehangen. Het is gelukkig aardappelpuree van gisteren. Nog niet beschimmeld. Het brengt haar meteen op een idee. Ze zal spruitjesschotel maken naar eigen recept. Veel aardappelen, nog meer uienringen voor de smaak, jus en vijftien groenbruine bolletjes door elkaar gehusseld met wat kaas in de oven. Haute cuisine, afgemaakt met gehaktballetjes. Voor ieder slechts één, en maar één reserve voor eventuele mee-eters, in het kader van de bezuinigingen. De praktische uitvoering van het idee blijkt een hels karwei, maar zuinigheid kent geen tijd.
'Ik ben nog niet verloren', denkt Carla terwijl ze de afzuigkap aanzet omdat spruitjes in kokend water zo stinken.
Zeker groenbruine spruitjes.
De afzuigkap is nog van de vorige bewoners en heeft haar beste tijd gehad wat
met name tot uitdrukking komt in de enorme herrie die het ding bij het zuigen
maakt. Niemand zal haar tijdens het koken aanspreken. Een genot.
'Ik kan hier niet blijven', zegt ze tegen Bobo die constant voor
haar voeten loopt in de hoop een extraatje op te vangen. Ze geeft hem een
aardappelschil in de vorm een sierlijke krul. Voorzichtig, met
teruggetrokken neus neemt hij het aan, kuiert met de staart halfstok van
teleurstelling naar zijn mand in de bijkeuken en begraaft de gift onder zijn
dekens. Meteen daarna staat hij weer kwispelend naast haar.
'Maar als ik weg kan, neem ik je mee', belooft ze vertederd en stopt hem een handvol rauw gemengd gehakt toe.
Het enige wat het artikel over
het nieuwe feminisme haar had opgeleverd was een telefoontje van een redactrice
van het tijdschrift Sparrengroen.
'Goh, wat een goed artikel, joh', vond ze.
'Dankuwel', zei Carla wat ongepast na zo'n vrolijke aanhef.
Maar ze kwam net onder de douche vandaan en stond in haar blootje
te druipen. Ze had zich niet eerst afgedroogd uit angst dat het
telefoongerinkel even abrupt zou verdwijnen als het gekomen was. Het kon een
reactie zijn op een sollicitatie. Het kon betaalde arbeid betekenen.
'Zou ik nog wat meer van je kunnen lezen? Wij bij Sparrengroen
zijn altijd geïnteresseerd in jonge meiden die wat te zeggen hebben. En ideeën
zijn altijd welkom. Stuur eens wat meer op, joh!'
'Dat doe ik eigenlijk liever niet', antwoordde Carla kortaf, omdat
ze het koud had en de druppels water uitgebeten plekken achterlieten op de
vloer rond haar blote voeten.
Die vloer die ze iedere week boende om hem nog enigszins op het dure parket te doen lijken dat het eens geweest moest zijn. Maar de voornaamste reden waarom ze zo kribbig reageerde was de herinnering aan die lange, hete zomer die ze binnenshuis achter haar bureautje besteed had aan het schrijven van proefcolumns voor de regionale krant. Zodat het hoofd opinie, een vrouw, zich een beeld zou kunnen vormen van haar capaciteiten. De functie van columniste had ze al bijna in haar zak, als ze het hoofd opinie moest geloven. Achteraf bezien had dit hoofd opinie echter veel minder in de journalistieke pap te brokkelen dan ze zelf dacht. De columniste werd een vijftigjarige, ervaren, oud-medewerkster van de Libelle of de Margriet. In ieder geval van één van die blaadjes waar haar oma haar vroeger uit leerde breien. De proefcolumns, of try-outs, zoals het hoofd opinie ze noemde, heeft Carla nooit teruggevraagd. Van de ongeveer vijfentwintig stukjes werden er een stuk of vijf geplaatst. Maar twee ervan kreeg Carla uitbetaald. Honderdvijfentwintig gulden per stuk. Tweehonderdvijftig gulden voor een zomer lang zwoegen. Tweehonderdvijftig gulden die Niels in eerste instantie nog aan de belasting had willen opgegeven ook. Carla snapte eerst niet waarom, want zij had die stukjes toch geschreven en niet hij. Daar had Niels niet van terug en dus zaagde hij nog een week of wat door over die proefcolumns, waarvan de originelen nu in het bezit waren van de regionale redactie, om Carla's aangelegenheden toch niet helemaal ongemoeid te laten. Hij waarschuwde herhaaldelijk voor het gevaar van plagiaat. Maar plagiaat werd toch wel gepleegd. Of Niels weleens van een kopieerapparaat had gehoord? Of van andere ingenieuze trucjes om een ander op een legale manier een idee afhandig te maken? Ook zonder proefcolumns.
Zo had Carla, vond ze zelf, een briljant idee voor een artikel over Madonna. Het symbool van de androgyne kenau, die natuurlijk net zo goed niet echt bestaat. Madonna is ook maar een mens, maar kennelijk toch in staat om perfect in te spelen op de levensinstelling en de beeldvorming van miljoenen pubers. Madonna als het zinnebeeld van een tienergedachte waarin seks de spil is waar alles om draait. Het tegenwicht van het maagdelijke prinsesje uit het sprookje van de N.V.S.H.. Wat moet dat een opluchting zijn voor al die tienermeisjes, die in Carla's tijd nog werden bezongen door Paul van Vliet als halfbakken, giechelende grietjes met sokjes in sandaaltjes en strikjes in het haar.
'Te groot voor de poppen, te klein voor de liefde', zong hij.
Dan zit Madonna met haar kameleonachtige, uitzinnige verschijningsvormen
en steeds wisselende, computergestuurde muziekstijlen en clips dichter bij de
waarheid. Zoals onbesuisde kleding op de catwalks van bekende couturiers
anticipeert op de te verwachten casual modelijn. Carla is niet speciaal op
Madonna gesteld, maar als er dan toch een koploopster van de derde
feministische golf aangewezen moet worden, dan ziet ze stukken liever een
fenomeen dat zo vaak verandert dat het niet te stereotyperen valt, dan zo'n
hypermoderne, voorspelbare control freak. Maar het hoofd opinie van het
regionale dagblad vond van niet. Ze was niet kapot van Madonna, snapte niet
waar Carla naartoe wilde en kon zich niet voorstellen dat het artikel erg aan
zou slaan. Carla reageerde verongelijkt:
'Ik schrijf het toch en als je het niet wilt hebben, stuur ik het
wel naar iemand anders', zei ze.
Twee dagen daarna bracht Madonna haar fotoboek 'Seks' op de
Nederlandse markt. Bij de boekhandels konden ze de exemplaren niet aangedragen
krijgen. En een dag daarna klonk de wat nerveus trillende stem van het hoofd
opinie op het tweedehands antwoord apparaat:
'Carla, je hoeft het artikel over Madonna niet meer te schrijven.
Een vaste medewerker van de redactie neemt het ter hand.'
Hij deed het goed verkeerd. Hoewel uit zijn stuk wel viel op te
maken hoe krampachtig hij naar het hoofd opinie had moeten luisteren, die Carla
inderdaad niet helemaal begrepen had. Weer een dag later verscheen er een
artikel Vrij Nederland over het onderwerp. Carla had het geschreven kunnen
hebben. Ze heeft het hoofd opinie nooit meer op ideeën gebracht. Omdat de
redactrice van Sparrengroen aan dit alles uiteraard geen schuld had, was Carla
wel bereid om haar uitspraken nader toe te lichten:
'Ik bedoel, ik heb wel ideeën genoeg, maar ik wil ze niet zomaar,
doelloos spuien. Kan dat artikel over het nieuwe feminisme niet gewoon
geplaatst worden?'
'Nou, ik reageer eigenlijk op het artikel dat al gepubliceerd is
in Zijkant. Dat had je als bijlage meegestuurd. Ik vind je boosheid over je
werkloosheid erg goed. Nou zijn we van plan om ons binnenkort, in ons
jubileumnummer, te richten op de jonge feministes van nu. De stand van zaken na
de feministische revolutie. En dan niet aan de hand van literatuur, zoals je in
dat artikel over het nieuwe feminisme hebt gedaan, maar meer in de trant van
dat wat je voor Zijkant hebt geschreven.'
'Human interest, dus.’
Carla zoog op een pluk nat haar.
'Ja, joh, precies. Tja, en wat dat artikel over het nieuwe
feminisme betreft', hier aarzelde ze een moment; 'tja, de literatuuranalyse is
in wezen iets te weinig diepgaand voor onze doelgroep. Dat zijn toch allemaal
mensen die al bijzonder goed in het onderwerp thuis zijn.'
'Waarom besteedt u er dan geen diepgaand artikel aan?!', vroeg
Carla verontwaardigd.
'Wie neemt anti-klaagfeministische lectuur nou serieus?'
Dit was een grapje.
'Bijna alle vrouwelijke journalisten met een riant salaris en met
hen de halve mannelijke bezetting van journalistiek Nederland.'
Dit was geen grapje, maar de redactrice liet toch een heldere
schaterlach horen. Carla wilde vragen wat er zo lollig was. Maar ze onderdrukte
de prikkel, om het bomeffect zoveel mogelijk binnen de perken te houden.
'Zullen we een afspraak maken om eens te brainstormen?'
Ze had er blijkbaar zin in.
'Wat verdien ik ermee?'
Ondanks de vele bochten waarin Carla zich in de regel wringt om
vreemden vriendelijk en open te benaderen, houdt ze het met het kruipen van
haar werkloze jaren steeds minder lang vol om om de hete brei heen te draaien.
'Al onze schrijfsters krijgen na publicatie een boekenbon.'
Ze meende het.
'Toe maar', spotte Carla en ze zwaaide naar de overbuurman die met een vette knipoog een paar maal hard op het raam bonsde vanwege haar blote lichaam in het zicht van elke voorbijganger.
Tijdens het eten zegt Harold, die werkloze buurjongen met een wiskundeknobbel, een opleiding in de informatica, een bijstandsuitkering en een vrijwilligersfunctie als bibliotheekmedewerker, dat Carla zich helemaal niet zo druk hoeft te maken over een eventuele boete die ze voor het illegaal samenwonen zou moeten betalen.
'Dat moet geregeld worden voor de rechtbank', smakt hij met een
mond vol gehakt.
'Dat kan maanden duren. En dan kun je het nog altijd aanvechten.
Je hebt trouwens iets wits op je voorhoofd zitten, Carla.'
Het is lief bedoeld van Harold. Maar onder invloed van de
verdachtmakingen van mevrouw Maarsen, betwijfelt Carla of ze hem wel kan
geloven. Ze wrijft over haar voorhoofd, waar het korrelig en droog aanvoelt.
Dan herinnert ze het zich weer:
'O, dat is aardappelpuree.'
Niels vindt dat iedereen nou eens gewoon de mond moet houden en
dooreten. Waarop Eric opmerkt dat hij niet kan kauwen met z'n mond dicht.
Hierop heeft Diana weer te missen dat ze haar buik vol heeft van Eric's kinderachtige
gedrag. Daarop weet Eric weer dat dat handig en goedkoop is, omdat Diana met
een buik vol niet meer hoeft te eten.
'Christus, wat zal ik blij zijn als ik hier weg kan', kermt Diana.
'Wat let je?', stelt Niels voor.
Het is moeilijk op te maken of hij serieus is of niet. Diana denkt
van wel.
'Ik heb geen geld, meneer Verstappen.'
'Als je aan mij huur kunt betalen, kun je dat aan een ander ook.
Je hebt toch een uitkering?'
'Natuurlijk. Maar ik ga niet weg. Ik heb namelijk net zoveel
rechten als Carla, beste Niels. En ik ben net zo egocentrisch. Daar zul je nog
wel achter komen!'
Niels staakt zijn kauwbewegingen, plaatst zijn mes en vork quasi
kalmpjes aan weerszijden van zijn volle bord en daarna de handen onder de kin,
terwijl hij kweelt:
'Ach, leg dat eens uit, beste, egocentrische Diana?'
'Wat is egocentrische?', vraagt Eric.
'Narcisme', antwoordt Carla afgeleid.
'Carla laat zich onderhouden, dus ik ook. Of de sociale dienst ons
nou betaalt, of jij, dat is in principe lood om oud ijzer.'
Omdat hij Diana's redenatie niet kan volgen, schudt Niels zijn
hoofd kort een aantal keren heen en weer.
'Voor het geval je het nog niet gemerkt mocht hebben, lieve
vriendin, Carla en ik hebben een relatie.'
'Oooh, en daaraan ontleent zij het recht om op jouw kosten verder te vegeteren? Dan kan zelfs Eric nog wel een gegrondere reden verzinnen om van jou te profiteren.'
Niels neemt nog een hap van z'n eten, kauwt en slikt. Dan mompelt
hij:
'Diana, waar gaat dit over?'
'Over de huur', antwoordt ze meteen, alsof ze al bang was dat hij
het nooit zou vragen.
'Die moet omlaag. Het is kiezen of delen Niels. Je zult het geld,
hoe weinig ook, hard nodig hebben in de toekomst. En ik zou de huur voor mij
dus maar verlagen als ik jou was, want vind maar eens zo gauw een andere gek
voor deze rotzooi...'
'...die er nog voor wil betalen ook...', vult Carla blij aan.
'Wat een zegen', spot Niels: 'Dan heb ik jou voor het geld, Carla
voor de seks en Eric voor m'n geweten.'
'Mij heb je toch ook voor het geld?'.
Eric heeft de opmerking onschuldig in de groep gegooid, maar Diana
rekent het hem toch aan:
'Nee, Eric, jij bent onbetaalbaar'.
Dan richt ze zich weer tot Niels:
‘Trouwens, op mijn uitkering wordt gekort. Ik kan dus in het
vervolg sowieso minder huur betalen. Wil ik tenminste niet uithongeren of
uitdrogen. Ik zou er dus maar rekening mee houden.'
Na deze mededeling neemt Diana haar nog halfvolle bord op, laat
het kletterend in het aanrecht belanden en sloft naar de huiskamer, naar de
sofa. Niels kijkt haar na en vervolgens naar Carla die met een theedoek over
haar voorhoofd wrijft.
'Wist jij dit?'
'Wat?'
Carla haalt verstrooid de theedoek uit haar gezichtsveld. Niels
staat op, loopt achter Diana aan, maar blijft met z’n rechterschouder tegen de
deurpost naar de kamer geleund staan. Zijn gekromde rug in het zicht van Carla.
De blouse is uit de broek geschoten.
'Dus als ik het goed begrijp wordt de huur met ingang van vandaag,
speciaal en alleen voor jou, verlaagd?', vraagt hij cynisch.
'Zoiets', antwoordt Diana.
'Ooit gehoord van chantage, Diana?'
Alleen Carla weet hoe ze de ingehouden kwaadheid van Niels moet
inschatten. Machteloosheid en angst. Maar Diana is net zo bang van hem, als hij
van haar. Ze hoort haar protesteren met de gebruikelijke ademstootjes.
'Wat is narcisme?', vraagt Eric.
'Helemaal geen chantage'.
Diana begint langzaam, op de verveelde toer, maar tijdens het
praten voert ze de snelheid steeds hoger op:
'Man, ik heb gewoon verteld dat ik niet meer van plan ben om te solliciteren. Gewoon recht voor z'n raap tegen een of andere gast van de sociale dienst. Wat heeft het voor zin? Nou en daarom krijg ik een boeteheffing op m'n uitkering.'
Niels is nu bloedserieus:
'Heb je die gast misschien ook van Carla verteld?'
Carla hoeft zijn gezicht niet te zien om te weten hoe hij Diana aankijkt. Een slechte imitatie van Michael Corleone op dreef. Bij haar werken die voorspelbare gelaatsuitdrukkingen van hem inmiddels op de lachspieren. Diana snoeren ze nog de mond. Carla graaft met haar vork een kuiltje in haar lauwe prak.
'Wat is narcisme?', jengelt Eric weer.
'Eric', begint Niels, om zijn gezicht te redden nu Diana niet
reageert;
'Eric, Diana is narcistisch. Ze houdt zo innig van zichzelf dat ze
bereid is alles en iedereen voor haar liefde op te offeren.'
Hij praat nog altijd tegen Diana. 'Weet je nu wat het is?' vraagt
hij dubbelzinnig.
'Nou nee, niet echt', antwoordt Eric confuus.
'Denk toch wat je wilt!', besluit Diana en met de afstandsbediening laat ze de t.v. het laatste woord.
3.
Carla licht haar hoofd van het kussen. Over haar kleine blote borstjes heen, kijkt ze neer op een bos zilverzwartgestreept lang haar in een paardenstaart. Tussen haar benen. Hij is eigenlijk te oud voor een dergelijk kapsel. Ze voelt zich opgelaten en probeert hartstochtelijk om wat meer te voelen dan irritatie over het vrouwvriendelijke standje waarmee Niels een hoogtepunt bij haar tracht te bewerkstelligen. Het wordt spilletjes aan tijd voor een reactie van haar kant. Niels heeft al een paar keer van zijn bezigheden naar haar opgekeken. Met een zweem van gekwetste teleurstelling in de ogen. Ze zou kunnen kreunen of zuchten. Niet van genot, maar om haar kriegel te uiten. Het droge besef van de enscenering, maakt de situatie onverdraaglijk en ze strekt haar armen naar zijn hoofd. Wil hem naar zich toetrekken. Hij moet nu ophouden met dat sappige gezever dat meer het effect geeft van een behandeling met glijmiddel vlak voor een uitstrijkje dan van een seksuele daad. Maar Niels is in extase en weet precies wat hij doet. Als voormalig, enthousiast aanhanger en uitvoerder van de praktische regels van de seksuele revolutie uit de jaren zeventig heeft hij uiteraard veel meer verstand van seks dan Carla. Ze gelooft het graag en vindt het een geruststellende gedachte. Net als het geurige condoom, dat haar altijd doet denken aan rubberplantages in Brazilië en de dikke aardrijkskundeleraar met varkensoogjes en worstvingertjes die haar de stuipen op het lijf joeg met doemverhalen over de vernietigende kracht van de groeiende overbevolking in ontwikkelingslanden, met bidonvilles en jongeren zonder waarden en normen. Te beginnen in Brazilië. Brazilië en de rubberbomen. Rubber om in de welvarende landen meer kinderen en besmetting te voorkomen. Toch is Niels bang dat hij misschien HIV-geïnfecteerd is. Zo bang dat hij een onderzoek alsmaar uitstelt. Hoewel hij in zijn tijd met wel vijftig verschillende mannen en vrouwen de liefde bedreven heeft. Zonder condoom, omdat nog niemand ooit van Aids gehoord had. Bijna elke week had hij een ander, totdat de seksuele revolutie haar doel bereikt, of haar bekoring verloren, had en Niels tot de conclusie was gekomen dat hij achteraf gezien helemaal geen homoseksuele gevoelens koesterde. Zijn behoefte aan een monogame, heteroseksuele relatie, groeide gestaag met het aantal van zijn seksuele avontuurtjes. Niets te vroeg, want zijn toenmalige vrouw was op het cruciale moment van zijn ommekeer acht maanden zwanger van een tweede kind. Dat het ook van Niels is, was pas een jaar of dertien later met zekerheid te zeggen, nu het meisje overduidelijk een aardje naar haar vaartje blijkt te hebben. Ze bezit een indrukwekkende hoeveelheid theoretische kennis over de meest uiteenlopende seksuele aangelegenheden die ze, met aan elke hand wel tien aanbidders in leeftijd variërend van veertien tot dertig jaar, waarschijnlijk al voor een groot deel in praktijk brengt ook. Het verwondert Carla hoe ze samen met haar boezemvriendinnen als geen andere generatie kritiekloos in staat is om de seksualiteit van haar vader, moeder en de media te verduren. Net zo universeel en gewoon als een bezoek aan een openbaar toilet, of een tussendoortje op straat, uit de muur. Open en bloot. Als ze bij haar vader op bezoek komt zingt ze liedjes met zinnen als 'I am so horny', of 'I wanna suck your dick'. Dat zulke op erotiek gestoelde onomslachtige spitsvondigheden daadwerkelijk ontsproten zijn aan de breinen van heuse popsterren, weet Carla weer van Eric, die met dezelfde soort liederen de boksen van de radio in de huiskamer heeft opgeblazen. Maar uit de mond van een dertienjarige doen ze zelfs Carla een paar keer moeilijk slikken. Terwijl zij vroeger toch met Meatloaf placht te schermen. Voornamelijk om haar moeder te ergeren. Paradise by the dashboard light. Wat een vies lied! Had Carla weleens naar de tekst geluisterd? 'Baby, open up your eyes, I've got a big surprise, it will feel all right.' Waarom ging Carla niet meteen op de walletjes staan? Zestien jaar later neuriet haar moeder op de snelweg mee met Prince op de autoradio: 'Cream, get on top. Cream, you will come.' Dat is het treurige beetje wat er van die fanatiek beoefende taboedoorbreking van Niels voor zijn dochter is overgebleven, want tijdens een logeerpartij vond Carla, op zoek naar een rolletje plakband in haar tijdelijk geconfisqueerde bureaula, een barbiepop in bruidsjurk. Weggemoffeld achter de anticonceptiepil, een pakje O.B. tampons, een paar Libresse inlegkruisjes, het Groene Voorlichtingsboekje en een stapel studieboeken uit het brugjaar. Zorgvuldig gekaft met roze papier; bedrukt met een hele voorraad kleine, rooie hartjes. Van haar feministische achterban weet Carla dat ze nooit een orgasme mag veinzen. Slecht voor haar psyche en funest voor haar eigenwaarde. Als ze geen zin heeft, dan moet ze eenvoudigweg weigeren. Niels zou er trouwens toch niet intrappen. Niet met zijn schat aan ervaring. Ze sluit haar ogen en probeert hem en z'n vijftig partners te vergeten in een poging zich een prettig beeld voor de geest halen. Maar elk plaatje dat ze oproept verandert onwillekeurig in shots uit goedkope pornofilms die haar ongevraagd, jaren achtereen, ongeveer één keer per week via RTL 4 of Filmnet bereikt hebben. Omdat Diana vindt dat een seksfilm op z'n tijd moet kunnen. Door niet te kijken tracht ze zich niet plaatsvervangend te schamen. Maar soms galmt het gehijg, gekreun en gesteun zo alarmerend door de huiskamer en kijkt Diana zo gehypnotiseerd naar de acrobatische, naakte handelingen op de buis, dat ze bijna niet anders kan dan even gluren. Met als gevolg dat elke ingebeelde man die haar in haar seksuele fantasieën eventueel zou kunnen bekoren, naar een paar seconden het gezicht van zo'n dekhengst met een beangstigende paringsdrift krijgt. Eerst de schok en daarna die onverklaarbare opwinding bij de aanblik van zo'n stier en zijn onbedwingbare neiging om met zijn pronkende potentie al het vrouwelijk vlees dat hij tijdens zijn zegetocht over het filmdoek tegenkomt te doorgronden. Ze walgt van zichzelf; haar ratio in gevecht met die oncontroleerbare primitieve zinnenprikkeling. Efficiënter werkt de herinnering aan één of andere filmster uit de moderne Amerikaanse topfilms, waarin seks tegenwoordig mag, nee zelfs moet. Carla heeft een beter idee van de manier waarop Al Pacino klaarkomt, of van de geluiden die Jack Nicholson maakt als hij het doet, dan van de wijze waarop Niels geniet van hun samenzijn. Meestal is het bij haar al gebeurd voor ze aan hem toegekomen is. Een oerorgasme. Bij de beesten af. Zoals na zelfbevrediging. Een orgasme van vervreemding en eenzaamheid.
Niels is tevreden als Carla het is. Maar nog niet voldaan. Hij
glimlacht en zij lacht terug. Met een dekhengst of een filmster zou deze scène
onmogelijk zijn. In zijn la liggen de rubberen zakjes. Carla houdt er zich
nooit mee bezig. Ze ruikt wel wanneer het zover is. Ze wil ook niet weten wat
hij zich in het hoofd haalt als hij voorzichtig in haar onderkant verdwijnt,
haar borstjes plet en routinematig meepuft met het ritme van zijn stoten. Alsof
hij weeën opvangt. Over Carla heen. Ze is een stuk kleiner dan hij en zijn hart
klopt af en aan tegen haar kin. Als ze moeizaam naar hem omhoog kijkt zijn z'n
ogen dichtgeknepen streepjes. Van zijn voorhoofd en oksels straalt vochtige
warmte. Hij moet hard werken vandaag. Tevergeefs. Voor het eerst in hun relatie
gaat het mis. Carla merkt het aan een half verdoofd, klef gevoel bij haar
vagina. Niels heeft nog niets in de gaten en beweegt geconcentreerd verder.
Blik op zijn fantasie achter gesloten oogleden en verstand op nul. Carla maant
hem zo liefdevol mogelijk aan om op te houden uit angst dat zijn impotentie een
rubberen opstopping diep in haar binnenste zal achterlaten.
'Het gaat niet Niels, je moet ophouden, direct verlies je het
condoom.'
Hij verstaat haar niet en reageert veel te cru voor het moment:
'Zei je wat!'
Hij is gestoord in zijn dromen; plotseling beseffend dat er ook
nog iemand onder hem ligt. Hij stopt met stoten, kucht en grijpt naar zijn
geslachtsdeel. Carla voelt hem knijpen en trekken met een paniekblik in ogen
die geen contact met de hare maken.
'Het geeft toch niets', troost ze, terwijl ze over zijn haren
strijkt.
Omdat ze ook niet weet hoe ze anders zou moeten reageren. Niels is nu helemaal terug in de realiteit en rolt afkerig van Carla, de situatie en zichzelf van haar af. Met z'n rug naar haar toe blijft hij liggen op de linkerzijde. Armen gestrekt voor zijn lichaam langs en de handen plat opeengeslagen tussen zijn licht gebogen knieën. Carla kruipt in dezelfde houding achter hem en blaast in z'n nek. Zijn hammen met korte, harde, zwarte haartjes raken net niet Carla's magere, bleke bekken met in het midden een donkerblond bosje pluis met hier en daar vochtpareltjes. In het t.l.-buizenlicht doen ze haar aan dauw druppels in een pol verdord gras denken. Op het kleine stukje wit laken dat hun op deze lichaamshoogte scheidt, ligt het condoom. Uitgelubberd als een leeggelopen ballon in varkenskleur. Daarnaast die kwetsbare billetjes die een moment een intens gevoel van medelijden bij haar oproepen. Maar als ze hem wil aanraken, komt hij als een duiveltje uit een doosje overeind en trekt het donsdek tot over zijn hoofd.
'Misschien ligt hier een onderwerp om over te brainstormen met die olijke redactrice van Sparrengroen', bedenkt Carla, terwijl ze verstrooid het donsdek een stukje terugslaat en met haar linke wijsvinger de ruggengraat van Niels volgt.
Van boven naar beneden en weer terug.
'Mijn vriend komt niet klaar. Zie hier de problemen van een jonge meid die wat te zeggen heeft. Een feministische, jonge meid. Een aantrekkelijke, feministische, jonge meid. Nee, een academisch geschoolde, aantrekkelijke, feministische, jonge meid.'
Zo'n aanhef zou de oplossing meteen aangeven. Faalangst bij de
man. De vrouw moet zich dus minder actief opstellen.
'Zou je op willen houden met kietelen', mompelt Niels in zijn
kussen.
'Sorry.'
Haastig staakt Carla haar lichte, ondoordachte streling. Daarna is
het contact verbroken.
'Wie weet ligt het aan mij', zegt Carla om de leegte op te vullen.
'Wie weet', antwoordt Niels.
'Maar daarnet, toen het misging, toen dacht je niet aan mij?'
Ze hoort hoe zijn adem stokt en voor ze het beide goed en wel in
de gaten hebben is het hoge woord er bij Carla uit:
'Je vindt me niet meer aantrekkelijk', roept ze huilerig, terwijl ze tegelijkertijd een behoefte voelt om hardop te lachen om haar eigen wijvige gedrag.
Niels brengt met een diepe zucht zijn longen weer in beweging, stapt
rustig uit bed zonder Carla een blik waardig te keuren en kleedt zich zwijgend
aan. Zijn blouse knoopt hij scheef dicht. Carla ziet het meteen. Niels merkt
het pas als hij bij het laatste knoopje een knoopsgat mist. Beteuterd begint
hij opnieuw. Daarna wurmt hij zich in zijn veel te strakke spijkerboek, waarin
zijn onderbroek van achteren aftekent. Buitenshuis gaat het wel, maar in
ontspannen sfeer lijkt het net of hij een korset draagt. Met ingetrokken
onderbuik kuiert hij naar het bureau. Tijdens het lopen trekt hij de elastiek
van zijn linker onderbroekspijp door de spijkerbroek heen op z'n plaats. Naast
de p.c. vindt hij een pakje shag en vloeitjes, zodat hij zich een houding kan
geven. Carla kijkt naar de zoldering. Naar de verzameling vochtplekken. Ze
begint zacht te neuriën, met tussenpozen waarin ze zich de woorden bij de
melodie probeert te herinneren .
'Zeg eens gauw welk liedje dat ook weer is, Niels?', vraagt ze op
haar rug liggend aan het plafond.
Niels peutert het goudkleurige metalen knoopje van zijn broek weer
los en neemt een flinke heis van zijn shaggie.
'Wees wijs koop bij mij. Haal je dromen allemaal bij mij', zingt
Carla.
Het is een liedje van Robert Long. Niels zit op de stoel van Bobo.
Zijn blik is op zijn smeulende zelf gedraaide product gericht.
'Ik heb goeie dromen hoor meneer, ook seksuele als u wenst. Zodat
dat u droomt dat uw potentie aan het ongehoorde grenst. Dat u de grootste hebt,
waarmee u elke mooie vrouw verrukt. Ja, zelfs uw 'exvrouw' die komt klaar, wat
u in werkelijkheid niet lukt', zingt Carla zacht, maar met tergende verve
verder.
'Het heeft bij menige frustraat een ramp voorkomen, maar ja, het
blijven toch maar dromen.'
Vanuit haar ooghoeken ziet ze de buik van Niels. Terug in z’n
natuurlijke stand. Ze zwijgt, want ze ziet een oude man, wiens gehoor kennelijk
nog optimaal functioneert.
'Wat ben je toch een feeks.'
Het klinkt als een jaren oud, onderdrukt verwijt waaraan hij nu
eindelijk lucht kan geven. Carla wil wat zeggen, maar Niels is nog niet klaar:
'Met de sensualiteit van een kouwe kip.'
De beeldspraak van Niels heeft nog nooit bijster veel indruk
gemaakt op Carla.
'Dus volgens jou ben ik ook al niet goed in bed?', vraagt ze
liefjes.
Ze sluit haar ogen als hij uit Bobo's stoel opstaat. Hij loopt
naar het bed, ademt zwaar in de buurt van Carla's gezicht en keert weer terug
naar het bureau:
'Carla, schatje?'
'Ja, Niels.'
'Zullen we dan maar weer gezellig de hele nacht jouw minderwaardigheidsgevoelens evalueren?!'
De aanval schuurt een vlammend spoor van haar navel tot aan haar traanbuizen. Zijn hatelijkheden zijn bedreigend en stijgen ver uit boven zijn onschuldige symboliek. Ze spert haar ogen wijd open en richt zich op voor de verdediging:
'Ja, zeg, als ik ook al niet goed in bed ben! Waarom zou ik dan
blijven?
Ik bedoel, waar betaal je me dan nog voor?'
Ze meent het en zegt het tegelijkertijd met de bedoeling om hem
net zo goed te kwetsen.
'Ik wist dat je dat ging zeggen. Ik wist het', schreeuwt Niels
onnodig hard ineens.
Hij illustreert zijn woorden met wijs bewegingen in haar richting.
Recht aankijken durft hij haar nog steeds niet. Hij heeft een rood hoofd. Carla
moet acteren om rustig te blijven:
'Nou, ik vind dat je nogal ongecontroleerd reageert voor iemand
die voorbereid was.'
'Een beetje begrip. Een piepklein beetje begrip', jammert Niels
pathetisch.
Om de gewenste hoeveelheid voor Carla te visualiseren, houdt hij
haar een duim en wijsvinger op vijf centimeter afstand voor.
'Dat is alles wat ik vraag', legt hij verder aan het denkbeeldige,
piepkleine beetje begrip uit.
Dan laat hij het door de vingers glippen en slaat zijn handen
verslagen tegen de heupen:
'En zelfs dat kun je me nog niet geven.'
'Begrip waarvoor?'
Carla staat nu ook op uit bed. In haar evakostuum blijft ze voor Niels staan.
'Voor het feit dat jouw baan op de tocht staat? Voor het feit dat
niets je meer zo makkelijk afgaat als tien jaar geleden? Voor het feit dat je
afgewezen wordt bij sollicitaties?'
Ze schreeuwt nu ook. Harder nog dan Niels. Ze is tenslotte een
vrouw en dus hysterisch.
'Nou van harte gefeliciteerd Niels. Welkom aan de zelfkant van de
maatschappij. Alleen heb jij nog het geluk dat je afgedankt wordt. Ik ben bij
voorbaat al gedoemd te mislukken.'
Carla voelt dat ze haar zelfcontrole begint te verliezen. Als ze
driftig wordt is het net of ze zich in tweeën splitst. De één ageert, de ander
kijkt toe. Niels wrijft ondertussen in zijn gezicht.
'Je ruziet met consumptie', zegt hij hopeloos en duf geschreeuwd.
Hij friemelt het knoopje van z'n broek weer door het knoopsgat. Met
z'n kin op de borst. Een dubbele kin met rimpels.
'Ik kan het toch ook niet helpen dat jouw ego valt of staat met
betaalde arbeid', zegt Carla bekoeld.
Ze struikelt bijna over haar eigen benen bij het aantrekken van
haar slipje.
'Dat is niet waar'.
Het smeulende vuurtje is weer aangewakkerd.
'O nee?' Carla kijkt naar hem op, terwijl ze haar b.h. van het
nachtkastje vist.
'Wie had er zojuist problemen met seks? Ik niet!'
Zodra het eruit is, ziet Carla aan het van blauw tot paars
opzwellende gezicht van Niels dat ze dit beter niet had kunnen zeggen.
'Godverdomme, stelletje trutten zijn jullie, allemaal', krijst hij
gelijk een viswijf en loopt richting Carla.
Even lijkt het of hij wil slaan.
Carla wijkt naar achteren, houdt haar rechterarm beschermend voor
haar ogen. Maar hij verdwijnt op de trap achter de balustrade. Uit het zicht
verdwenen, hervindt hij de moed om haar nog vlug eventjes uit de tent te
lokken:
'Een normale vrouw wil kinderen Carla! Jij kunt altijd nog
kinderen krijgen!'
Witheet van woede dient Carla hem van repliek:
'Een normale man kan kinderen maken, Niels!' Ze worstelt met de
sluiting van haar b.h..
'Jij kunt ze niet eens meer maken!'
Zittend achter haar bureau, werpt Carla haar hoofd in haar armen.
De huilbui die ze al de hele dag onder de leden had, moest er nou maar eens
uit. Even doet ze haar best om te snotteren. Maar omdat ze wel begrijpt dat ze
niet zieliger is dan wie dan ook, wil het zwelgen niet al te best lukken.
'Je bent nu dertig en je schrikt, je leven heeft zich haast
voltrokken', schreef Robert Long al toen zij nog een kleuter was.
Hij zingt er nog over. 'Levenslang'. Ze moet die l.p. toch maar weer eens uit de rest van de grijsgedraaide massa opduikelen, want nu speelt alweer de melodie van een liedje van Robert Long door Carla's hoofd. Steeds doordringender, totdat het luid haar verdriet relativeert.
'Het leek zo mooi je was pas achttien en je had nog idealen, en aan conventies had je lak. Je kon je vrijheid en je toekomst zelf bepalen. Je had de wereld in je zak, die kon je aan met groot gemak.'
Ze glimlacht tegen Robert. Door haar waterlanders heen en ze haalt
haar neus op.
'Niet zo gelukkig als je wou, een held op sokken', declameert ze tegen haar spiegelbeeld in het lege scherm van de p.c..
Een gedicht op stemmige muziek. Hij vereeuwigde het met z'n eigen stem. Het toppunt van creativiteit. Sindsdien is er weinig verbeterd, maar toch is de herinnering aan het bestaan van die liedjes al voldoende als een pleister op de wond. Omdat het al eerder een invulling heeft gekregen. Een patroon en een naam. De compositie van dat gevoel van teleurstelling over het eigen voorstellingsvermogen. De fabelachtige belofte van de toekomst. De beeldvorming van de verwachting, de perspectieven en de hoop; door ouderen aan banden gelegd op basis van niets anders dan hun persoonlijke slagen en falen, terwijl maar weinigen de moed op kunnen brengen om echt eerlijk te zijn over de individuele offers voor het doel dat de middelen alleen maar dan heiligt als ze in het straatje van de algemeen gangbare normen vallen.
Zo las Carla een tijdje geleden een interview met een hoofdredacteur van een tijdschrift dat ze erg hoog had. Het ging onder meer over de manier waarop hij aan z'n functie gekomen was. Geen doctoraaldiploma in de letteren. Niet jarenlang als manusje van alles bij een regionale krant bewijzen dat je bereid was om van onder af aan te beginnen. Geen onbenullige stukjes schrijven voor de middelbare schoolkrant en die nog bewaren ook, om er jaren later mee te kunnen pronken tijdens sollicitatiegesprekken. Niets van dat alles. Hij was gewoon gevraagd door een studievriendje, halverwege z’n studie bedrijfseconomie, die hij maar liet voor wat het was, toen hij na een aantal weken dubben besloot dat redigeren misschien ook wel wat had. Hij had er tenslotte al een dikke zes jaren studentenervaring opzitten. Dat was genoeg voor hem en voor Niels en voor zoveel van zijn leeftijdgenoten met de luxebelofte van een rooskleurige toekomst; volop ontplooiingskansen en aandacht. De kracht van een bloem in de bloei van haar leven. Flower Power. En uitgerekend deze bloemenkinderen dachten nu - veilig in de macht waartegen zij vroeger zo succesvol in opstand kwamen - de kinderen van de rekening de ingrediënten voor een succesvol levensrecept voor te kunnen kauwen.
Het eerste bloemenkind waarmee Carla geconfronteerd werd was de hoofdredacteur van de regionale krant. Ze zal zo'n jaar of achttien geweest zijn en kon nog altijd het beste getypeerd worden als een naïeve middelbare scholiere. Ze droeg nog steeds slobbertruien, die ze sinds haar veertiende zelf breide, evenals de geijkte geitenwollen sokken. De geitenwol was in werkelijkheid schapenwol en die kreeg ze van oma, die nog eigenhandig kon spinnen, omdat het anders niet te betalen was. En de prijs van modegrillen verlaagt zich niet tot antikapitalistische principes. Verder was er in de loop van haar pubertijd nog een ziekenfondsbrilletje aan haar verschijning toegevoegd, terwijl ze het b.htje, volgens traditioneel feministisch gebruik, al een jaar na aanschaf voor de rest van haar tienerjaren aan de wilgen had gehangen. Ze dweepte met de leerkrachten die zich bij de voornaam lieten noemen. De socialisten van de jaren zeventig, die alle leerlingen zo overtuigend maanden om toch vooral alleen maar 'leuke' en 'fijne' 'dingetjes' te doen met het leven.
'Niets tegen je zin doen', was het devies.
Nou wilde het geval dat Carla, juist in de periode dat haar opgedragen werd om haar intuïtie te voeden in plaats van te verwaarlozen, een grondige hekel bij zichzelf gekweekt had tegen het dagelijks, in weer en wind, heen en weer fietsen van huis naar school, waar toch alleen maar huiswerk werd nagekeken dat ze sowieso niet gemaakt had. Naar school gaan betekende dus dat ze iets deed wat absoluut tegen haar principes indruiste. Ze ging dus niet meer. Totdat haar moeder op een doordeweekse dag totaal doorgedraaid aan haar bed stond en Carla uit een diepe middagdut hielp met onpedagogische reprimandes en een brief van de rector in haar bestraffend opgeheven, wapperende hand. Ze werd twee weken geschorst. Een straf waar Carla niet rouwig om was. Maar haar moeder was verdrietig en teleurgesteld. Haar vader wist maar beter van niets. En volgens het schoolbestuur zou van Carla geen sikkepit terecht komen als ze zomaar deed waar ze zin in had. Eventuele vragen uitgesloten. Vanaf dat moment traden bij Carla de eerste verschijnselen van verwarring in werking. Om het zekere voor het onzekere te nemen besloot ze om ook maar niet blindelings te vertrouwen op het vervolgopleidingadvies van de schooldecaan. Carla had zelf aangegeven dat ze 'voor haar part wel voor een krant zou willen werken, of zoiets' en toen vond hij al gauw dat ze het beste journalistiek kon gaan studeren. Zo snel, dat Carla vermoedde dat het advies meer met haar spijkerbroek met gaten en stekeltjeskapsel van doen had, dan met een uitzonderlijk capabele schooldecaan die, naast een fulltime baan als leraar, nog minstens tweehonderd tieners met haar op het rechte pad te adviseren had. Lopende band werk. Massaproductie met als resultaat; uitloting voor de school voor journalistiek. Dan maar een wanhoopsdaad, een brief aan de hoofdredacteur van de regionale krant. Met de vraag hoe ze, na zoveel pech, op een andere manier kans op een functie bij een krant zou kunnen maken. De man moest wel zeer vereerd zijn geweest met haar roep om hulp die in feite maar een simpel, eenduidig antwoord behoefde bestaande uit vijf woorden:
'Ik kan u niet helpen.'
De hoofdredacteur verkoos haar vraag echter uitgebreid te ontleden tijdens een persoonlijk gesprek waartoe hij Carla in een hoogdravend schrijven uitnodigde. Het was een teken aan de wand, want onder vier ogen liet hij al gauw doorschemeren dat een baan bij een krant geen lolletje was. Daar Carla met haar jeugdige frisheid niet direct overtuigd was van de ernst van de zaak werd hij, uit ongeduld over zoveel onverstand en gebrek aan respect, zeer expliciet over de mysterieuze, ongrijpbare, slopende, maar ook o, zo avontuurlijke zijde van het journalisten vak. Het betekende werken als anderen slapen. Altijd klaarstaan. Nieuwsgierig zijn. Een uitstekende conditie bezitten. Mobiliteit. Stressbestendigheid. Flexibiliteit. schattingsvermogen. Durf. Moed. Overwicht. Leven van en voor je werk. Geen privéleven. Een journalist dat werd je niet. Je kon er niet voor leren. Als journalist werd je geboren. Alles wat Carla te doen stond was bewijzen dat ze er één was. En aangezien ze dat met haar achttien levensjaren nog niet gedaan had, viel het te betwijfelen of ze wel voor de krant geschapen was. Maar mocht ze nou toch nog zo eigenzinnig zijn om te denken dat ze via één of andere studie ooit iets in de journalistiek zou kunnen bereiken, dan raadde de hoofdredacteur
haar aan om economie, recht of geschiedenis of iets in die trant te studeren. Een specialisatie kon nooit kwaad. Maar in geen geval de academie voor journalistiek. Die bracht alleen maar kneusjes voort. Would be journalisten. Kijk maar naar hem. Hij had slechts mavo en wat aanvullende cursussen gevolgd. En zie hem eens hoog zitten op zijn redactietroon. Applaus graag!
Carla wist niet hoe gauw ze het gebouw moest verlaten na het gesprek. In haar haast de uitgang te vinden verdwaalde ze nog in een gangendoolhof met bedompte kamertjes waarin achter de geopende deuren hippieachtige typetjes hectisch hun totale ik opofferden aan het regionale gebeuren met nieuws over overstromingen, griepgolven en rupsenplagen. Voor die regionale krant die de dag na verschijnen met de aardappelschillen bij het huisvuil belandt. Tot op de dag van vandaag vraagt Carla zich af wat de missie van die hoofdredacteur geweest kan zijn. Toch niet om alle nieuwkomers en geïnteresseerden voor zijn vak af te schrikken. Zou het mogelijk zijn dat hij gewoon niet wist waar hij over sprak? Had hij misschien zijn hele hebben en houden aan het toeval te danken? Aan de Flower Power en de vooruitgang? Nu pas is hij erachter. Achter de onbewuste gang van zaken van een onvoorziene levensloop, die wat hem betreft een heel andere richting was uitgegaan als hij op de essentiële momenten in zijn leven maar bij de les gebleven was. Deze veronachtzaamheid, dit verraad aan zichzelf tracht hij nu te rechtvaardigen, voor zichzelf te verzachten, met sprookjes over heldenbloed, riddermoed en drakenstrijd. Ze krijgen vorm in gesprekken met journalisten in spé. De mate waarin zij bereid zijn om het voortbestaan van de sprookjes te waarborgen bepaald het succes van hun loopbaan en het stereotype beeld van de journalist. En tussen alle koninkrijkjes in de journalistenwereld kan alleen een keizer oprecht zijn over zijn carrière. In een lacherig interview. Vol met anekdotes over een provojeugd. Over het gemak waarmee baantjes tussen vriendjes onderling vergeven werden. Ha, ha, ha. Laten we het gezellig houden jongens. Laten we het interview zo publiceren dat we het zelf kunnen verdragen. Laten we de keizer tegen zichzelf beschermen. Laten we het naast zijn zelfkritiek ook hebben over zijn vakmanschap. Over het journalistenhout waaruit hij gesneden is. Maar de initiële kans die hij kreeg, bleef Carla bij.
'Ik heb mijn kans gegrepen', zegt hij zelf in het interview.
Hoe verkrampt ook, zijn eerlijkheid geeft hoop. Hoop voor uitschot als Carla. Je hoeft zowaar geen supermens te zijn om journalist te worden. Het vak ligt binnen het menselijke bereik. Hoe graag de onderdanen van het keizerrijk dat ook anders zouden zien. Zodat ze luchtkastelen kunnen blijven bouwen, terwijl onderaan de ladder het aanbod de spuigaten uitloopt en er altijd wel iemand tussen de honderden sollicitanten bereid gevonden wordt om voor een hongerloontje met een desillusie genoegen te nemen.
Het kostte Carla ongeveer zes jaar om te bekomen van de eerste kennismaking met het bloemenkindschijnbewind. Ze was toen een doctoraaldiploma verder en trok dankzij deze kleine bijkomstigheid toch nog een aantal keren de stoute schoenen aan door bij verschillende regionale kranten te solliciteren. Maar telkens weer werd ze geconfronteerd met dezelfde hippieachtige, inmiddels weliswaar wat verwelkte, bloemenkinderen die van hun beroep een roeping maakten en die verwijtend haar ambities betwijfelden. Als ze zo vreselijk journaliste had willen worden als ze nu deed voorkomen, waarom had ze dan letteren gestudeerd? Ze had naar de academie voor journalistiek moeten gaan.
'Oh', zei Carla en eindelijk zag ze het in; dat de enige weg naar de krant de weg van de overtuiging is. Journalistiek is een levensstijl. Een geloof. Een sekte bijna, met fanatieke aanhangers van de vrije meningsuiting binnen de censuur van de politieke kleur van de krant. Journalisten zijn wezens met een permanente uitstraling van nieuwsgeilheid in onuitgeslapen ogen. Ze dragen bretels en oversized witte overhemden met mouwophouders en hebben ongekamde haren en ongewassen oren waarachter ze een potlood in startpositie hebben gestoken. Maar Carla zag het verkeerd, dacht verkeerd en was verkeerd. Het leek wel alsof ze er geen genoeg van kon krijgen. Van de afwijzingen. Van de arrogantie met heel in de verte die zielige trots, omdat zij zo graag wilde wat die anderen al zolang deden. Waarom ook weer? Carla moest het idealisme voor ze oprakelen uit haar motivatie in urenlange gesprekken, als bij een tribunaal, met nooit minder dan twee ondervragers, met lauwe koffie en assertiviteitstesten. Nooit was het goed genoeg. Ze solliciteerde als redacteur binnen- buitenland en werd uitgenodigd voor een gesprek dat, in de ogen van de ondervragers, verduveld aardig verliep. Helaas niet leuk genoeg voor de functie. Maar, niet getreurd, twintig medeslachtoffers was hetzelfde lot beschoren en bij wijze van troostprijs mocht iedereen als eerste opnieuw solliciteren op een volgende vacature bij dezelfde krant. Dit keer een regioredacteur. Misschien minder goed betaald en minder beduidend dan de binnen-buitenland redactie, maar daarom zagen ze het die talentvolle Carla juist wel regelen. Carla of één van die twintig talentvolle anderen. Wist Carla wat groeilampen waren? Dat moest ze wel weten, anders. Groeilampen, weet je wel? De bron van inkomsten in de regio. Nee, Carla wist niet wat groeilampen waren en wilde het ook niet meer weten. Zoals ze ook niet bereid was om bij een volgende krant, in een ander provinciestadje, te beginnen als leerling verslaggeefster, terwijl ze gereageerd had op een functie voor bureauredacteur. Jammer voor Carla, maar die was al vergeven. Maar daarom had het tribuun haar ook niet onthaald. Ze hoefde het jawoord maar te geven en dan kon ze zo onderaan beginnen. Zoals dat hoort. Ook al heeft ze gestudeerd. Ze mocht eens denken dat ze zomaar iets meer voorstelde dan het reguliere klootjesvolk. Daarom moest ze uiteraard ook verhuizen. Op basis van een jaarcontract met een minimum salaris. Terwijl ze de afstand makkelijk in een half uur met de trein kon afleggen. Volgens het tribunaal was op en neer reizen echter mentaal onhaalbaar. Als Carla niet op stel en sprong bereid was te verhuizen, ja, dan zou dit buitenkansje eveneens aan haar neus voorbijgaan. Thuisgekomen ging Carla, suf geluld door alle onzin en niet meer in staat om na alle aantijgingen op haar eigen oordeel te vertrouwen, in van Dale na of mentaal nog wel geestelijk betekende. Mogelijk was de betekenis in de loop van Carla’s sollicitatieavonturen veranderd. Was het een synoniem geworden voor lichamelijk, of dan toch tenminste voor een combinatie van beide betekenissen, want als reactie op het groeien van het aantal gesprekken bij de meest uiteenlopende redacties van; kranten, tijdschriften, bedrijfsuitgaven, nieuwsbulletins, buurtfolders en reclameblaadjes, sliep ze steeds grotere gaten in haar dierbare vrije tijd. Totaal uitgeput en slap als ze werd van al het geouwehoer in de ruimte, absurde secundaire arbeidsvoorwaarden, tijdelijke arbeidscontracten, minimum loonvoorstellen en het desondanks met een stalen gezicht blijven aanprijzen van zichzelf en al haar kwaliteiten, als een goedkoop cadeautje dat je mag betasten en besnuffelen om het daarna als vanzelfsprekend in te ruilen voor een beter hanteerbaar hebbedingetje. Deze keiharde botsing met de realiteit noemt Diana levenservaring, waar Carla niet blij mee is. Wat heeft ze aan een kundige inschatting en invulling van het mensbeeld van een ander? Als een alerte sollicitante heeft Carla inmiddels cum laude geleerd hoe haar kleding af te stemmen op de telefoonstem van een personeelschef of de teneur van een schriftelijke uitnodiging voor een sollicitatiegesprek. Ze lacht op de correcte momenten om flauwe grapjes van diverse types die momenteel allemaal als een blok voor haar vallen. Ze zegt de juiste dingen en stoot niemand meer voor het hoofd. Ook niet meer per ongeluk, want oefening baart kunst en inmiddels schat ze alle vragen precies goed in met voorzichtige antwoorden. Ze is guitig als het moet, humoristisch als het saai dreigt te worden, flitsend als de rest van het aanwezige vrouwelijke schoon het lijden kan en een beetje tuttig als de anderen van het zwakke geslacht ook niet veel om mee te pronken hebben. Een seksistische ondervrager, die zijn hormonenoverschot tevergeefs probeert te verbergen onder een soort vriendelijke zakelijkheid, maar wiens minachting voor vrouwelijke professionaliteit hinderlijk onthult wordt door opmerkingen over het uiterlijk van Carla en haar privéleven, krijgt op z'n tijd een stukje bovenbeen te zien door een geraffineerde split in haar rok. Speciaal aangeschaft voor de gelegenheid, net als het marineblauwe mantelpakje met klatergouden knoopjes voor de conservatieve personeelschef met thuis drie dochters van haar leeftijd. Ook hem weet ze voor zich te winnen, door de accurate wijze waarop ze haar zinnen articuleert en de keurige manier waarop ze aan haar thee nipt, de aangeboden sigaret weigert en hem als vanzelfsprekend kaarsrecht in de ogen kijkt als ze antwoordt. Een meid uit één stuk die zonder moeite een tikje baldadig wordt als het tribunaal uit vrouwen bestaat. Vrouwen aan de top zien graag recalcitrant gedrag. Net genoeg om niet bedreigend te zijn. En hoe beter het hoereren haar afgaat, hoe vaker Carla voor een tweede gesprek wordt uitgenodigd. Het oordeel. Het uur van de waarheid, waarin ze uiteindelijk toch nog door de mand valt ondanks de ijdele hoop dat het rollenspel een algemeen gedeeld geheim is, dat het tribunaal, onder ons gezegd en gezwegen, ook wel snapt dat ze zich anders heeft moeten voordoen om uitverkoren te worden. Zoals iedereen. Maar iedereen wordt desondanks kwaad. Haar openheid wordt gezien als verraad; en daarop staat verbanning uit de wereld van de betaalde arbeid. Opluchting aan Carla's zijde; met het eindoordeel is tevens het gevoel dat haar keel langzaam maar zeker werd dichtgeknepen verdreven. Ze zou gestikt zijn in de rol van een ander. Als regioredacteur bijvoorbeeld in weer een ander afgelegen gebied. Had ze deze functie bij dit regionaal dagblad geaccepteerd dan zou ze niet eens meer onder persoonlijke naam hebben kunnen publiceren. Als ze al helemaal alleen iets mocht schrijven dan onder de noemer van 'één van onze verslaggevers'. Alles moest onder supervisie van een weinig innemende hoofdredacteur die ook vond dat Carla direct moest ophouden met het op eigen initiatief artikelen produceren die niets met zijn krant van doen hadden. Ze had vriendelijk bedankt voor de eer.
Ineens schiet haar een opmerking te binnen van haar afstudeerdocent. Hij beweerde doodleuk dat er in Nederland geen censuur meer bestaat. Tijdens een werkcollege 'literaire journalistiek' nota bene. Een gastdocent van de school voor journalistiek zat knikkebollend naast hem. Uiteraard was Carla tegen hem in gegaan. Samen met een medestudente. De rest ergerde zich, zoals gebruikelijk, aan de tegenspraak. Het kwam erop neer dat je die man en eigenlijk de hele wereld gewoon moest laten lullen. En dat was wat Carla tenslotte ook maar deed, want midden in haar vurige betoog over ingekorte, ingezonden stukken naar de krant, het effect van reclame, selectieve berichtgeving en de theorieën van Chomsky, kwam ze tot het besef dat het weinig zin had om te ageren tegen een hoogleraar die ijskoud durfde te beweren dat in Nederland volledige vrijheid van meningsuiting heerst. Zo iemand was zo ongelofelijk dat Carla opeens tijd nodig had om uit te zoeken of het wel echt waar was. Of zij niet gek was. Of het niet de verwarring was die haar, al vanaf haar middelbareschooltijd, sluipend maar doelgericht tot waanzin drijft.
Het is ook mogelijk dat ze gewoon oliedom is en dat ze daarom niet alles oppikt uit dat wat haar voorgespiegeld wordt. Zoals ze maar niet wil snappen dat vrije meningsuiting nou eenmaal is uitgevonden door de bloemenkinderen. Zij en zij alleen bezitten de waarheid en het gelijk. Het zijn kenners op het gebied van seks, carrière en in tegenstelling tot de generatie voor hen de jeugd. Dat is het ergste. Vooral die jeugd zullen ze met man en macht zien te behouden tot de dood erop volgt en dat zou nog weleens lang kunnen gaan duren gezien de huidige stand van de medische wetenschap, die ze nu al bijna onsterfelijk heeft gemaakt met die starre, arrogante, ontoegankelijke houding op de arbeidsmarkt. En dan nog maar niet te spreken over de te verwachten ontwikkelingen. Rimpelloos zullen de oudjes handhaven; opgerekt en bijgelapt door plastische chirurgie en met het alleenrecht op steeds wisselende seksuele contacten. Zij spreken en handelen uit ervaring. Jongeren vlinderen van de één na de ander uit onbenul. De consequentie blijft hetzelfde. Ook bij het verschil tussen een straatbende en een politieke ouderenpartij. Er wordt altijd iemand buitengesloten. Jongeren worden geacht dat te doen. Een kortzichtig leerproces dat hoort bij het volwassen worden. Alleen de bloemenkinderen beginnen gewoon grimmig van voren af aan met bijvoorbeeld het oprichten van zo'n politieke ouderen partij. Intelligentie grenst heel nauw aan dementie. Waarom dus niet groepsgewijs terrein winnen van jongeren? Want samen staan ze pas echt sterk tegen dat halfzachte, hersenloze clubje aphaten van vandaag dat zo normen- en waardeloos, conservatief en volgzaam zou zijn. Geen betaalde arbeid waardig. Niet precies op die manier opstandig zoals zij vroeger waren. Niet precies de hippies die zij naar de defensieve maatstaven van de bloemenkinderen zouden moeten zijn. Maar waartegen kun je nog in opstand komen als alle plaatsen al bezet en veilig gesteld zijn door ouderen die hun sterfelijkheid blijven ontkennen? Net zo'n enge ziekte als AIDS. Een onrechtvaardig kwaad waarvoor allang een remedie in het verschiet had moeten liggen.
'Alsof het altijd zomer blijft', verzuchtte oma, toen het half
oktober nog twintig graden was.
'Terwijl de herfst zo mooi had kunnen zijn.'
Dat was alles wat ze erover zei. Ze was een cliché, maar ze had gelijk met haar berusting. Mogelijk dat juist apathie het enige afdoende medicijn is tegen de opmars van dit soort vijftig plussers. En dan heeft Diana ook gelijk als ze op de sofa gaat liggen wachten tot ze gehaald wordt.
Later leerde Carla dat ze niet alleen voor journaliste in de wieg gelegd moest zijn, maar dat elk vak elke keuze voor iedereen, behalve voor haar, een roeping is. Het gaf haar opnieuw het idee alsof ze als enige geen lid was van een immens grote, geheime sekte. Of ze nu als bibliothecaresse, lerares of als boekenverkoopster aan de slag probeerde te geraken, de gesprekken liepen altijd spaak op haar vermeende gebrek aan motivatie. Ook bij een zwaar bewaakte gevangenis, waar ze had gesolliciteerd als bibliothecaresse op een gelijknamige vacature in de krant. Al aan het begin van het eerste sollicitatiegesprek bekroop Carla het hinderlijke gevoel dat haar een oor werd aangenaaid, maar ze kreeg haar vinger niet precies op de zere plek. Ze had de inhoud van de vacature uit de krant ongetwijfeld niet zorgvuldig genoeg bestudeerd, maar toch niet zo slordig om nu niet te vermoeden dat de gevangenisleiding de advertentie bewust misleidend had opgesteld; om via een leugenachtig lokkertje een frisse, beïnvloedbare en vooral goedkope, bibliothecaresse op de jeugdafdeling van de zwaar bewaakte gevangenis vast te zetten. Een gewillig prooi voor een geleidelijke transformatie van plooibare bibliothecaresse naar gevangenisbewaakster annex bezigheidstherapeute. Het hele concept van die gevangenis bibliotheek heeft namelijk maar bar weinig met een gapende honger naar leesvoer te maken en des te meer met het feit dat de gevangenisleiding van het ministerie van Justitie geen subsidie ontvangt voor andere recreatiefaciliteiten dan een sporthal, wat voetbalvelden en een bibliotheek. Een echte bibliotheek met een boekencollectie en een bibliothecaresse. Sport als afleidingsmanoeuvre voor criminele lichaamstaal en leestherapie als hersengymnastiek. Niet eens zo'n gekke gedachte. Maar bij de praktische uitvoering van zo'n theoretische literaire topattractie in een zwaar bewaakte gevangenis dreigt logischerwijs constant het gevaar dat de gedetineerden, die in de regel geen al te gretige lezers zijn, weleens op eigen houtje een minder gezapige functie aan de bibliotheek zouden kunnen toekennen dan leestherapie. Het is aan de gevangenisleiding om deze delinquente creativiteit binnen de legale perken te houden. Om nu van de nood een deugd te maken, vindt bijna elke recreatieve uitspatting in de, door het ministerie, gegarandeerd geachte kuisheid van een verplichte bibliotheek plaats. Als het beestje maar een naam heeft. In zo'n therapieruimte kan zoiets als boekencollectiebeheer natuurlijk niet serieus genomen worden. Wel werd van Carla verwacht dat ze tussen het gevangenen bewaken door het handmatige uitleen- en opzoeksysteem even rap zou automatiseren. Voor het geval iemand van het ministerie een boek mocht willen lenen. Een peulenschilletje naast de eigenlijke taak. Nou zag Carla er gelukkig wel uit als iemand die haar mannetje kon staan. Dat zou ook wel moeten. Elke dag tussen de zwaar bewaakte delinquenten. Ze zou heer en meester zijn in haar eigen bibliotheek. Ze zou, in een veertigurige werkweek voor het minimumloon, helemaal alleen kunnen bepalen welke gevangene braaf genoeg was geweest om een videoband te mogen aanschouwen en wie er die dag een spelletje sjoelen, mens erger je niet, of blaasvoetbal verdiend had. Daarbij moest ze wel goed uitkijken welke gedetineerden vuistvrij met elkaar accordeerden. Dat was ook belangrijk voor vrijwillige deelname aan een gezellige groepsbabbel, onder Carla's psychoanalytische supervisie. Als er tussen de boekenkasten hasj gerookt of anderszins gesjoemeld werd, dan werd van Carla verwacht dat ze de daders op rapport zette. Deed ze dat niet dan zouden de jongens al gauw een loopje met haar nemen. Mocht dat onverhoopt toch gebeuren dan was er altijd nog de blieper. Hiermee kon ze sterke mannelijke bewakers opbliepen als een situatie uit de hand dreigde te lopen. Iets wat geen uitzondering is in de gevangenis. Dat moest dus niet onderschat worden. Maar binnen de grenzen van het redelijke kon Carla zich toch best beschermd voelen. Ze zag er - tussen twee haakjes - leuk genoeg uit om af en toe eens een fris japonnetje te dragen, zodat die jongens ook nog eens wat anders te zien kregen dan kogelvrij verpakte en bewapende beveiligingsambtenaren. In hun delinquente harten zijn het tenslotte nog maar kinderen die toevallig op het slechte pad zijn geraakt. Iemand moet ze toch helpen? Dat laatste vindt Carla ook. Het is alleen zo goed als zeker dat zij daartoe niet de aangewezen persoon kan zijn.
Uit schuldgevoel probeerde ze zich toch kort een arbeidsleven
tussen de gevangenismuren voor te stellen. Elke werkdag door die zware, stalen deuren, langs de drukbezette balie, de
monsterende ogen en daarna die metaaldetector die haar voor het
sollicitatiegesprek al helemaal had uitgekleed. Tot haar navelringetje toe.
Misschien had ze dit wel verdiend. Was dit haar kans op absolutie. Het
witwassen van al haar zonden. De hel op aarde in gezelschap van het laagste allooi:
De valse romantiek van de geletterden en de dagelijkse realiteit van Eric en
mevrouw Maarsen.
'Ik ambieer geen leven in de gevangenis', zei ze tegen de leider
van het sollicitatiegesprek, een sociaal-cultureel werker.
'De enige reden waarom ik nog geen moord begaan ben', dacht ze er
achteraan.
Maar de sociaal-cultureel werker had al bij haar binnenkomst
besloten dat hij Carla hebben wilde:
'Wij verwachten ook niet van je dat je dit jaar in, jaar uit, vol
zult houden', suste hij.
'Maar je bent geknipt voor de functie. Als ik jou met de rest van
het clubje sollicitanten vergelijk. Alsof we een blik Biepmiepen hadden
opengetrokken!'
Hij bedoelde typische boekenwurmen en alle moderne varianten op het thema van de negentiende-eeuwse gouvernante. Wereldvreemd. Geen van hen had het aantal allochtone gevangenen op tachtig procent durven schatten. Carla wel. Er werd tevreden geknikt. Geen van hen had gedacht dat er in een zwaar bewaakte gevangenis zoiets als drugs gebruikt zou kunnen worden. Carla wel. Subliem gewoon. Zelfs toen Carla kritiek had op de vacature in de krant was men niet meteen bereid om haar terughoudendheid te zien voor dat wat het in hun ogen uiteindelijk toch zou betekenen. Demotivatie.
'Ik moet toegeven dat ik uitzonderlijk ben', zei Carla.
'Maar al die Biepmiepen waar jullie zo over klagen zijn afgekomen
op de vacature voor bibliothecaresse. Een extra vacature voor nog een sociaal
cultureel werker of desnoods een bezigheidstherapeut en daarnaast een aparte
formatie voor een systeemanalist had beslist tot een ruimere keuze uit
kandidaten geleid.'
Wat ze eigenlijk bedoelde was dat ze zich serieus afvroeg welk gezond lid van de samenleving, met alle vijf de zintuigen op een rijtje, nou besluit om de bibliotheekacademie af te ronden, of letteren te studeren, met het einddoel om als een computerdeskundige gevangenisbewaker in een bibliotheek te gaan werken die feitelijk een recreatieruimte voor zwaarbewaakte jeugdige delinquenten is? Carla had uit de advertentie begrepen dat de functie te maken had met het bepalen van een aanschafbeleid. Met documenteren en literatuur. Evenals die Biepmiepen waarschijnlijk. Al zou die literatuur zich dan hoogstwaarschijnlijk wel beperken tot werken van auteurs als Roos, Prins, Terlouw of Baantjer en, niet te vergeten, tot studieboeken over het paranormale; de godsdienst van de criminelen. Niet uitgerekend Carla's specialisme, maar dat maakte ook al niet uit. Zolang het maar wat met lezen van doen heeft. Wat er tussen de boekenkasten gebeurt vindt ze alleen maar om literair sociologische redenen interessant. Hoe zou iemand als zij, met een hoofd dat tolt van de wanorde, de orde van anderen kunnen bewaken? Als het haar werkelijk beroerde of iemand een joint meer of minder blowt of niet dan was ze wel naar de politieacademie gegaan.
De sociaal cultureel werker was echter niet te vermurwen en maakte het Carla zo onmogelijk om aan een beslissend eindgesprek met de gevangenisleiding te ontkomen. Ze had zo lang op betaalde arbeid gevlast dat ze, nu het haar onderhand in haar schoot geworpen werd, niet meer kon weigeren. Met open ogen was ze in de val van haar eigen geweten gelopen. Want als deze functie haar roeping is, als anderen haar zien als gevangenenbewaakster bij uitstek, dan moest ze zich misschien maar willoos aan haar bestemming onderwerpen. Ook al droeg de gevangenisdirecteur een driedelig pak. Net als die andere drie meneren met onder- en vice-directeurstitels, die op waren komen draven om een onbenullig sollicitantje te ondervragen. Eén van de vier heren had achter Carla plaatsgenomen en zo nu en dan bestookte hij haar met een strikvraag in de nek. Dwars door de vragen van de andere drie heren, voor haar, heen. Om hem fatsoenlijk te kunnen antwoorden moest ze haar bovenlijf steeds een halve slag omdraaien. Zo kon die meneer beoordelen of Carla tegen stresssituaties was opgewassen. Carla moest maar eens uitleggen waarom ze in een gevangenis wilde werken.
'Ik wil helemaal niet in een gevangenis werken. Ik wil bibliotheek
beheren. Het kan me niet schelen waar.'
En welke invloed dacht Carla dan wel te hebben op de jeugdige
delinquenten?
'Geen.'
Waarom had Carla dan bij de zwaarbewaakte gevangenis
gesolliciteerd?
'Omdat jullie een misleidende advertentie in de krant hebben
gezet, daarom.'
Waarom stapte Carla dan niet nu op?
'Omdat de sociaal cultureel werker en zijn medewerkers mij
vreselijk nodig zeggen te hebben. Zo vaak ben ik niet gewenst, dus dat gevoel
zou ik graag even vasthouden. Bovendien is gevangeniswerk ook betaalde arbeid.
Weliswaar minimum betaalde arbeid, maar ik ben niet zo flauw. Daar zit ik veel
te krap voor in de slappe was.'
Het was volstrekt nutteloos om de mening van de sociaal cultureel
werker erbij te halen, want die had niets te vertellen. De eindbeslissing lag
nog altijd bij de leiding, of Carla dat in haar oren wilde knopen. Ze moest
eerst maar eens aangeven op welke manier ze begaan was met het lot van de
jeugdige delinquenten. Ze moest wel tegen een stootje kunnen. Wat zou Carla
ervan zeggen als ze een kapsoneswijf genoemd werd?
'Dat ligt eraan wie het zegt. Als jullie mij een kapsoneswijf
noemen, dan stap ik inderdaad nu meteen op.'
'Nou mevrouw Langeweg,' sprak de stem achter haar.
Neutraal en zakelijk. Hij wist precies wat hij deed.
'U neemt wel
grove bewoordingen in de mond. Als je het mij vraagt hebben we hier dus echt te
maken met een kapsoneswijf.'
Hij nam de tijd voor het woord kapsoneswijf en smeerde het in twee lange, morfologische delen voor haar uit over het hele audiobereik van de gespreksruimte. De overige drie heren bleven Carla stoïcijns aanstaren. Die zaten dus in het complot. Om haar oren te geloven bleef Carla nog twee tellen langer op het beklaagdenbankje zitten. Ondertussen wachtte de vierkoppige gevangenisleiding vol spanning af. Hoe sterk was Carla? Zou ze tegen gevangenistaal bestand zijn? Zou ze in gezelschap van de jeugdige delinquenten afdoende van zich af kunnen bijten? Met lood in haar benen stond Carla op. Als ze zich nu al een kapsoneswijf liet noemen door mensen die haar assertiviteit met exact dezelfde geestdrift veel beter op een geciviliseerde manier hadden kunnen testen, dan was het einde zoek. Ze was het aan zichzelf verplicht om op te stappen. Makkelijker gedacht dan gedaan. Haar buik- en bilspieren spanden samen. Even leek ze verlamd van angst. Angst waarvoor?
'Niet bang zijn', sprak ze zichzelf toe, terwijl ze de
gespreksruimte, met een onthutste leiding, ver achter zich liet.
Opgejaagd maar doelgericht baande ze zich een uitweg door de
heldere betonnen gangen. Breed en reukloos in de artificiële anonimiteit van
lichtbeige muren, hagelwitte vloeren en opzichtige, gesloten zwarte deuren met
reuzensloten. Gevangenispoorten met ronde minivergrootglazen op ooghoogte als
doorkijkgaatjes. Alles overzichtelijk. Zelfs het ijzeren trappenhuis met
maliënkolders als treden, zodat op de bovenste verdieping al te zien was wie
vanaf de parterre de trappen besteeg. Geen ontkomen aan het wakende oog van de,
verdekt opgestelde, maar alom aanwezige camera's. Ze was er zich zo
overheersend van bewust dat ze niet dorst te rennen; om zichzelf te beschermen
tegen haar zonden, want ze was schuldig genoeg om genekt te worden. Dus zo
bedaard als ze kon opbrengen stevende ze op de vrijheid af. Verstoord
nagestaard door bewakers die her en der, in groepjes of alleen, van verveling
uit hun neuzen liepen te eten. De holsters met inhoud losjes over de heupen.
Met het zweet in haar handen schreed ze door stalen deuren die zich abrupt voor
haar openden met een zoemende druk op de knop van een onzichtbare hand.
'Big brother is watching you.'
Bijna was ze over de streep toen hij bestraffend en luid haar naam
riep:
'Carla Langeweg!'
Ze huiverde en keek om in een onbekend gezicht. Eén van de
portieren drukte haar een papieren buil van bruin kringlooppapier in de hand.
Gevuld met haar bezittingen die ze bij aankomst van de metaaldetector had
moeten afgeven. Inclusief het navelringetje.
'Met mij'.
De stem van Niels aan de andere kant van de lijn klinkt bibberig.
Of hij heeft het koud, of hij heeft gehuild. Niels kennende, het laatste.
'Hallo, Mij', antwoordt Carla om niet te laten merken dat ze nog
kwaad is.
'Ben je alleen?'
'Natuurlijk niet. Diana ligt op de sofa. Ze heeft Henny Huisman het zwijgen opgelegd, zodat ze ons kan blijven volgen met de Playbackshow als illustratie. Voor haar is onze relatie namelijk een soort vervolgverhaal. Bijna net zo levensecht als de Oprah Winfreyshow. Als ik direct opleg, evalueer ik met haar de zwakke punten in ons telefoongesprek en...'
'Carla, doe alsjeblieft normaal'.
Hij valt haar op minder meelijwekkende toon in de rede.
'Kun je niet naar een telefooncel en me even terug bellen. Ik ben
bij m'n moeder.'
'Niet bij Ella?'
'Nee, bij m'n moeder, zoals ik al zei.'
'Ella begrijpt je toch altijd zo goed? Ze is even oud als jij en
jullie zijn samen opgegroeid. En dan de band vanwege de kinderen.'
'Het gaat er nu niet meer om dat ik begrepen wil worden, Carla.'
'O, nee?'
'Nee.'
'Zelfs niet een piepklein beetje?'
'Als ik nu opleg bel je me dan terug?'
'Nee.'
'Dat dacht ik wel.'
'Waarom vraag je het dan?'
'Luister eens meisje, zo gaat het niet. Het is beter als we even
afstand nemen. Als ik even bij moeder blijf. Ik heb rust nodig en jij hebt rust
nodig.'
Hij legt het uit op een manier waarop je normaal iemand de weg
wijst.
'Ik heb helemaal geen rust nodig. Ik rust al drie jaar.'
Carla doet vergeefse pogingen om weerbarstige krullen uit de
gedraaide, zacht plastic telefoondraad recht te trekken.
'Lieverd, geloof me nou, het is echt beter zo.'
Zo praat hij ook tegen zijn dochters als hij iets van ze gedaan
wil krijgen. De bijbehorende gelaatsuitdrukking kan Carla uittekenen.
'Wanneer kom je terug, ik heb geld nodig.'
Meteen nadat ze het gezegd heeft, reageert Diana met een keelklank van afgrijzen. Ze blijft met grote ogen naar de geluidloze beelden op de buis staren. Chips onbeweeglijk voor haar verstijfde mond. De lippen knaloranje van de paprikapoeder.
'Je kunt de huur innen', antwoordt Niels onaangedaan.
Alle vrouwen in zijn leven willen immers geld van hem.
'Je moet het me maar vergeven, Carla. Over twee weken ongeveer,
krijgen we op het werk bericht. Wie mag blijven en wie ontslag krijgt. Er gaan
massale ontslagen vallen.'
Het klinkt alsof hij een groot geheim prijsgeeft.
'Maar jij hoeft je niet druk te maken, toch.'
Ze slaat hem met zijn eigen, overbekende stokpaardje om de oren. Hij kan ook gewoon gelukkig zijn.
'Ik vrees dat ik de situatie niet helemaal goed ingeschat heb'.
Hij vindt het hoorbaar niet leuk om zijn ongelijk toe te geven.
'En wil het solliciteren een beetje lukken?'
Ze begint bijna lol in het
gesprek te krijgen.
'Voor mij is het een beetje moeilijker dan voor jou, Carla.'
'Zoooo...leg eens uit?'
'Nou niet boos worden, meisje. Je weet dat ik ouder ben. De jeugd
heeft nou eenmaal de toekomst.'
'Dus in feite zou ik best een baantje kunnen nemen nu jouw baan op
de tocht staat en ik geen uitkering meer heb?'
'Dat zeg ik niet.'
Een verontschuldiging. Hij vreest dat hij goed fout zit, maar weet niet helemaal zeker waar hij de mist in is gegaan."
'Nou, zeg het maar? Wat zal ik eens gaan doen? Redactrice,
Verslaggeefster, bibliothecaresse of uitleenhulp maar weer?'
Zeven jaar lang werkte Carla, naast haar studie, in de avonduren als uitleenhulp bij de plaatselijke bibliotheek. Niet eens in de hoop om hoger op te klimmen in het bibliotheekwezen. Maar al snel leerde ze de kneepjes van het vak. Simpele kneepjes. Routinewerk. Zelfs de collectievorming en het budgetbeheer. Het filiaalhoofd liet steeds meer aan Carla over. Haar was de sleur allang naar het hoofd gestegen. Toen ze eindelijk ontslag nam in de zekerheid van een andere baan die minder verdiende, maar tenminste weer wat leven in haar brouwerij bracht, solliciteerde Carla naar de vrijgekomen vacature van filiaalhoofd. Ze was inmiddels afgestudeerd en werkzoekende met al een flinke brok inzicht in allerlei functies waarvoor ze afgewezen was en die niet eens zo leuk hadden geleken als openbaar bibliotheekwerk in een filiaal. Ze solliciteerde omdat ze dacht juist deze functie wel een arbeidsleven lang vol te kunnen houden. Als het echt niet anders zou gaan.
'Waarom ben je niet naar de bibliotheekacademie gegaan?', vroeg de adjunct-directrice die nog gewoon baliemedewerkster was toen Carla bij de Openbare Bibliotheek begon.
'Tonnie', heette ze toen. Nu 'mevrouw Tervuren'. Een goedkopere uitvoering van het Maj-Weggen type. Een kort blond kapsel, een rimpelrok met collegeschoenen, een colbertje en een crèmekleurige blouse, hoog gesloten, met een witgouden sierspeld vlak onder haar kin, die zich nu al in aanzet verdubbelde.
'Je had naar de bibliotheekacademie moeten gaan.'
Ze staarde op Carla's netjes geprinte curriculum vitae. Ze had een droge hoest. Te wijten aan de luchtdicht verpakte, kille atmosfeer van intellect, accuratesse, respect voor boeken en thee met kaakjes in de pauze. Niet communiceren onderling. Alleen informatie verstrekken aan de klant. Fluisteren. Zeker in de leeszaal. Het kon Carla niet schelen. Ze werkte in een buurtbibliotheek, niet in de centrale. Uit de buurt van Tonnie die haar toen nog niets kon maken, omdat een intellectuele status Carla veel minder kon bekoren dan de democratische uitstraling van het enorme aanbod aan literatuur, lectuur en hobbyboeken. Ook in een filiaal geurt het naar papier en hangt de sfeer van echte vrije meningsuiting verpakt in de diversiteit van het leesvoer. En Carla mocht alles aanraken en inkijken samen met het leenpubliek. Bijna dagelijks dezelfde kliek. Vriendelijk. Niet om een praatje met Carla verlegen, die zelf ook graag wat flauw zeverde tussen het lezen door. De eensgezinde voorliefde voor of detective- of kasteelromans kon ze dan wel niet begrijpen maar ze snapte al gauw dat er weinig aan te veranderen viel. Dus handelden de gesprekken over vakanties, uitverkoop, kleding, tuinieren, sport, dieren en de jaarlijkse Kerstkruiswoordpuzzel uit de regionale krant. Eén keer won ze een wegwerppen, die ze nog moest delen ook. Met een harde kern van het leenpubliek; een gepensioneerd onderwijzer, een student van de TU, een leesmoeder en een huisvrouw met haar twee veel te vroegrijpe blagen. Gezamenlijk hadden ze de puzzel na weken van steggelen eindelijk volledig ingevuld. Dat was zo ongeveer het intellectuele gehalte van het bibliotheekwerk. Niets meer en eigenlijk nog minder door het opruimen van een oneindig aantal stripboeken die de kinderen in ongelofelijke getale letterlijk consumeerden en he consumeerden, totdat de gemiddeld tien keer gerenoveerde, aaneengeplakt gedrochten, vol onbestemde vlekken, vieze vingerafdrukken, verdwaalde lolly’s, gesmolten dropjes en afgesabbelde zuurtjes, werden afgeschreven. En weer her besteld. Terwijl de jeugd literatuur in werkelijk schitterende uitgaven ongeschonden bleef stralen in de kasten. Net als de literatuur met de grote L die nauwelijks werd versleten door met name middelbare scholieren. Voor de lijst.
'Oeroeg' van Hella Haasse was er relatief nog het slechtst aan
toe. Omdat het zo lekker dun is.
'Stel nou dat je een vraag krijgt van een klant over,
bijvoorbeeld, natuurkunde...?', vroeg Tonnie na een bedachtzame stilte.
Het antwoord had ze zelf al klaar:
'...dan kun je die niet beantwoorden. Literatuursociologie heb je
gestudeerd, hè? Dat is allemaal leuk en aardig, maar veel te beperkt.
Mensen die van de bibliotheekacademie afkomen weten van elk
onderwerp dat je maar kunt bedenken een heleboel af. Jij weet alleen maar wat
van literatuur af. Maar in de bibliotheek hebben we ook populair
wetenschappelijke boeken en hobby lectuur.
'Maar....' Carla was van haar stuk gebracht, want iedereen die ze kende van de bibliotheek had haar al gefeliciteerd met haar nieuwe baan.
Een sollicitatiegesprek met Tonnie hield namelijk, normaal gesproken, automatisch in dat een interne vacature aan de genodigde werd toegewezen. Ze had nog net geen feestje gegeven. Dat zou ze het komende weekend doen. Nu zat ze hier voor een ontmoeting die bij nader inzien een afwijzing met voorbedachte rade bleek te zijn. Het sloeg bij haar in als een bom. Het sektelidmaatschap. Wat een zinloze vertoning! Totaal overrompeld probeerde ze zich toch nog staande te houden met retorische vragen als:
'Als ik als uitleenhulp wel vragen over hobby en wetenschap kan
beantwoorden, waarom zou ik dat dan als filiaalhoofd ineens niet meer kunnen?'
'Ooooh....', talmde de personeelscheffin die er voor de vorm ook
bijzat.
'Ooooh, als uitleenhulp mag je hier altijd blijven werken.'
Ze grijnsde geniepig. Even blond als Tonnie. Dezelfde Biepmiep in dezelfde verkrampte poging om te voldoen aan het stereotype beeld van de perfecte, accurate leidinggevende carrièrevrouw met toevallig een h.b.o.-opleiding in bibliotheekwerkzaamheden. Geen academische titel zoals Carla. En ook niet meer zo jong. Laat die Carla dus maar sappelen.
Kennelijk waren al Carla's ambitieuze sollicitaties gedoemd te mislukken. En hoe vaak ze daarbij ook piekerde over de vorm van haar billen, cellulitis op haar bovenbenen, de grootte van haar borstjes, couperose, het aantal zichtbare puistjes en mee-eters in haar gezicht, het vetgehalte van haar weinig inspirerende kapsel, haar kledinggedrag, seksuele voorkeur voor Niels, wiskundige onkunde en taalgebruik met Brabantse tongval; het deed geen enkele afbreuk aan de onoverwinnelijkheid van de echte obstakels; de alom vertegenwoordigde babyboomers. Niet te ontvluchten. Zelfs niet toen Carla, ten einde raad, haar literaire ambities op sterk water zette en zich naar andere regionen van de arbeidsmarkt begaf. Ze dacht dat ze beslagen ten ijs ging dit keer. Ten onrechte. Ze was te min voor boekhandelaren, waarvan er haar één heel duidelijk de wacht aanzei:
'Je moet niet denken dat boeken verkopen veel verdient. En je lijkt me niet het type dat dag en nacht met boeken bezig is. Dat is anders wel een vereiste om hier te kunnen werken.'
Carla was achteraf blij dat hij na nog veel meer gezeur toch maar van haar afzag.
Ze werd afgewezen door een rector van een middelbare school:
'Je hebt geen onderwijsbevoegdheid. Vroeger was dat geen probleem.
Die bevoegdheid kon je halen in je vrije tijd. Op kosten van de werkgever. Nu
is het aanbod veel te groot. Ik kan zo een bevoegd iemand oproepen. Je zou een
bevoegdheid kunnen halen. Dat kost je wel een hoop geld en zo'n dikke vier
jaar. Veel succes.'
Ze was niet goed genoeg voor een meester in de rechten die
dringend om een secretaresse verlegen zat:
'Wat hebt u acht jaar lang gedaan, mevrouw?'
'Niets.' Het leek Carla beter om haar academische titel te verzwijgen.
'O, jawel, het huishouden.'
'Maar mevrouw, u loopt al tegen de dertig. Dan bent u toch veel te
duur. Weet u wel hoeveel jongere, vers opgeleide meisjes met u meedingen? U
hebt acht jaar lang uw behendigheid laten verslonzen. Nee, dank u wel.'
En als parel op de kroon van de babyboomers werd Carla zelfs te min gevonden voor caissière:
'Wat heb je twaalf jaar lang gedaan?', vroeg de manager van een
supermarkt
'Het huishouden.'
Ze probeerde het maar weer.
'Ooit achter de kassa gezeten?'
'Zeker,' loog Carla.
'Je hoort nog van ons.'
'Ik bel je nog.'
Niels is niet opgewassen tegen Carla's verkapte manier van
ruziemaken. Maar zij ziet haar kans schoon.
'Je kunt me ook het huis uitzetten. Het is jouw huis.'
'Zo harteloos ben ik niet, Carla, dat weet jij ook wel.'
Met de wijze waarop hij het zegt laat hij voorzichtig een
zorgvuldig geproportioneerd beetje zachte dwang van een wijze man
doorschemeren:
'Wees nou verstandig, meisje.'
'Verander je dat kapsel voordat je terug komt?'
'Wat?'
'Laat je je haar kort knippen?'
'Hè?'
'Laat maar', zucht ze en gooit zonder groet de hoorn op de haak.
'Hebben jullie ruzie?' wil Diana weten, terwijl ze eindelijk de
paprikachips in haar mond stopt.
Carla haalt Bobo aan. Hij kruipt kwispelend naast haar op de
grond.
'Wanneer hoepel jij eindelijk eens op?'
Dit tegen Diana.
'Zeg, je hoeft je frustraties niet op mij af te reageren, hoor.'
'Waarom niet? Dat doe jij toch ook bij mij? Ik krijg trouwens nog
huur van je.'
'Daar kan je dan lang op wachten. Ik heb strafkorting op m'n uitkering.
Een maand lang.'
'Ik heb helemaal geen uitkering meer', antwoordt Carla.
Ze heeft Diana in wezen weinig te verwijten.
'Wat een puinhoop, eigenlijk hè?'
Met veel herrie propt Diana de lege paprika chip buil ineen en gooit hem op tafel, waar het verfrommelde hoopje plastic eigenzinnig en traag weer z’n oorspronkelijke staat tracht aan te nemen. Het lukt gedeeltelijk. Carla bestudeert het proces. Stomme zak.
‘Waarom solliciteer jij eigenlijk niet meer? Waarom heb je dat
trouwens aan zo'n baliedoos van de sociale dienst toevertrouwd?', wil Carla van
Diana weten nu er een vertrouwelijke stemming hangt die, met een toevallig
tegelijkertijd beseffen van een gedeeld kruis, tijdelijk is komen aanwaaien.
'Ik moest bewijzen laten zien en die had ik niet. Zodoende'.
Diana gaat nog verder onderuit.
'Denk aan de kussens', waarschuwt Carla en ze vervolgt:
'Je kunt rustig solliciteren, hoor, je wordt toch nergens
aangenomen.
Die bewijzen hoeven geen probleem te zijn.'
'Jij wordt nergens aangenomen zul je bedoelen'.
Diana verpest de stemming weer:
'Wat mij betreft is dat helemaal niet zo zeker. Ik heb gewoon nog
nooit een vacature gevonden die bij me past.'
'Dat geloof je toch zelf niet, hè?', vraagt Carla hoogst verbaasd.
'Ik hou gewoon liever de eer aan mezelf.'
Ze spreekt zichzelf tegen:
'Solliciteer niet naar moeilijkheden.'
'Je bedoelt dat je bang bent om afgewezen te worden?', merkt Carla
helder op.
'Neem maar van mij aan dat het went.'
'Hangen ook, wat ben jij toch een martelares Carla. Volgens mij
vind je het lekker om je zo in het verderf te storten. Geen geld meer, geen
werk en een relatie met een ouwe vent die bijna op de klippen loopt. En maar
door solliciteren. Wat verwacht jij eigenlijk van een baan?'
'Economische zelfstandigheid en voldoening', aarzelt Carla.
Ze is uit het veld geslagen.
'Wat een hoogmoed', smaalt Diana.
Bobo likt Carla's vingers.
'Wat moet ik dan? Gelukkig zijn? Daar komt Niels ook altijd mee
aanzetten.'
'Hij heeft gelijk. Je moet jezelf goed vinden zoals je bent. Je
bent toch gezond en je hebt toch te eten?'
'Niet als jij niet zeer binnenkort met wat geld op de proppen
komt. Trouwens, zonder mijn eten zal het met jouw gezondheid ook wel snel
bergafwaarts gaan', zegt Carla met een suikerzoete glimlach.
'Je hebt Eric nog en ik kan altijd naar m'n moeder.'
'Fijn voor je moeder. Dacht ze eindelijk van je af te zijn...'
'Daar zijn moeders voor, ze doen niets liever dan zorgen.'
'Wie zegt dat?!', roept Carla verontwaardigd uit.
'Niemand, dat voel ik gewoon.'
Diana tracht de zaak met een verwend kinderstemmetje af te doen.
'En dat is jouw idee van gelukkig zijn? Parasiteren?'
Carla staat op en neemt een halfvolle fles Bordeaux van tafel. In
de keuken zet ze hem in de koelkast die eigenlijk een slot zou moeten hebben
waarvan zij alleen een sleutel heeft. Vanuit de kamer hoort ze Diana
antwoorden:
'Nee, mijn idee van gelukkig zijn betekent dat de mening van
anderen er niet toe doet. En over parasiteren gesproken...jij profiteert zeker
niet van Niels?'
Carla stopt Bobo het allerlaatste restje gehakt toe en loopt weer
naar de kamer.
'Daar zijn mannen voor, ze doen niets liever dan zorgen. Dat voel
ik gewoon.'
Het is bedoeld als haar laste woord. Mislukt.
'Je bedoelt geen mannen, je bedoelt 'vaders'. Je hebt een
vadercomplex, Carla.'
'Zijn vaders geen mannen?'
'Volgens mij geef je geen bal om Niels', concludeert de psychologe
in Diana en ze staat zowaar op.
Om de Bordeaux weer uit de koelkast te halen.
'Jij zegt het.'
Het is zover. Carla is als een vlieg gevangen in Diana’s redenatie
web.
'Denk je er weleens over na hoe moeilijk hij het heeft?'
Ze zet de hals van de fles rooie wijn aan haar lippen en neemt een
flinke teug.
'Rooie wijn, hoort niet in de koelkast', zegt ze na een flinke
boer.
'Nee, nooit', antwoordt Carla droog. 'Hij heeft het niet
moeilijker dan ik. Alle ellende heeft hij aan zichzelf te danken.'
Diana veegt haar mond af.
'Och, gut en jij bent het arme slachtoffer van een onrechtvaardige
maatschappij? Jij kunt toch net zo goed het lot in eigen handen nemen?'
'Precies. Ik kan zelfmoord plegen, parasiteren of in opstand komen.
Dan maar het laatste. Niels kwam in zijn tijd ook in opstand. Daarom kiest hij
voor mij en niet voor jou.'
Carla glimt vanwege haar eigen scherpzinnigheid. Jammer genoeg is
Diana er als de kippen bij om haar euforie te verstoren:
'Voor jou en zo'n vijftig anderen.'
Ze wil Bobo aaien die zich éénkennig van haar afkeert. Het maakt
het voor Carla weer goed. Diana neemt verslagen haar vertrouwde positie op de
sofa weer in en zoekt de afstandsbediening. Maar Carla op haar beurt wil deze
kans om nu eens Diana's afgang te benadrukken niet onbenut laten:
'Hij moet je niet, hè. Kennelijk doet de mening van anderen er
toch iets meer toe dan je wil toegeven.'
'Bobo is een beest, Carla', mompelt Diana waarna ze weer in haar
schulp kruipt.
Het gesprek is ten einde. Diana kijkt televisie. Zoals ze daar zit, is ze bijna doorzichtig. Voor Carla weer terug naar boven gaat, wil ze nog iets zeggen. Zomaar iets. Uit wroeging. Iets om de realiteitszin van dit verdrietige hoopje mens te herstellen. Maar alles wat in haar opkomt zou Diana direct weten te weerleggen. Geen beter bewijs voor Carla's overtuiging dat een gezond zelfbeeld bestaat bij de gratie van het oordeel van de rest. Hoe dan ook. Een mens is als een roedeldier. Bobo het voorbeeld van dat wat een beetje aandacht kan bewerkstelligen.
Haar nuchtere zelf hervond Carla toen ze de stalen hoofdpoort van de zwaar bewaakte gevangenis achter zich dicht hoorde vallen. Ze stond midden in het rustgevende groen van een prachtig landschap. Eén van Nederlands laatste stukjes puur natuur. Een zwaar bewaakte gevangenis hoort ver van de bewoonde wereld te liggen. Daar stond ze nu pas bij stil, want tijdens de heenweg in de treintaxi had ze geen kans gezien om de omgeving te verkennen. Deels door zenuwen over haar sollicitatiegesprek. Deels door schuld van de taxichauffeur, die haar maar bleef afleiden met levensvragen over waar het toch naar toe moest met de mensheid als een vlotte griet als zij al met het God verlaten idee speelde om met het los geslagen tuig van een zwaar bewaakte gevangenis op te trekken en daarin nog serieus genomen werd ook. Het was geen kattenpis aan de binnenkant van de muren, daar kon ze gif op innemen. Misschien moest ze dat ook maar meteen doen voor ze vroeg of laat gepakt werd door één van die mannen daar. Levenslang veroordeeld en verder nooit meer wat. Wat dacht Carla dan? Dat waren beesten daar binnen. Hij snapte trouwens toch niet waarom ze haar wel zouden willen hebben en hem niet. Deed zij soms aan krachtsport? Hij wel, en hij had al minstens drie keer gesolliciteerd als gevangenisbewaker. Of Carla wel besefte wat er haar daar te wachten stond? Nee, dat had ze zich duidelijk niet gerealiseerd. Net zoals ze nu niet wist waar ze zich bevond en hartstochtelijk wenste dat ze in de gevangenis haar gemak had gehouden. In ieder geval tot ze een taxi voor de terugweg had besteld. Voor geen goud ging ze terug naar de verdoemenis. Ze moest kalm blijven en nadenken. Feitelijk zijn begrippen als ongerept en onbewoond in de omgeving van Nederland maar betrekkelijk. Ze besloot om de benenwagen te nemen. Maar betrekkelijk of niet, als het zo'n dertig graden is, en er is in de verre omtrek van zo'n dertien kilometer geen telefooncel of bushalte te bekennen dan weegt een korte overweging niet op tegen de martelgang die de wandeling in werkelijkheid bleek te zijn. Een struintocht over rulle zandweggetjes en hobbelige bospaden die halverwege ineens doodliepen op omgevallen bomen, onschatbaar diepe kuilen en tot vennen uitgegroeide regenplassen. Gemoeid door miljoenen muggen. Tot overmaat van ramp droeg ze ook nog pumps, die op koele herfstdagen als gegoten zitten, maar die door de warmte twee maten te klein geworden waren, omdat ze onophoudelijk transpireerde van haar kruin tot aan haar voeten, waar het vocht samenvloeide tot enorme opgezwollen blazen. Carla had het idee had dat haar tenen bij iedere stap die ze zette een slome maar zekere en uitermate pijnlijke dood aan het sterven waren. Als ze nog lang zo doorging zouden de vochtblazen, als klap op de vuurpijl, ontploffen in haar schoenen. En haar frisse gele japonnetje voor de gelegenheid, in prijsbewust kunstzijde van warmte opslorpend viscose, trok, naast een overdreven hoeveelheid verstikkende hitte, ook hele zwermen wespen of bijen aan die in de geparfumeerde, helder uitgedoste Carla een enorme, oplichtende stuifmeelbron moesten zien. Het waren de waarschuwingsbordjes met het opschrift; militair oefenterrein, die haar op de been hielden. Tekenen van leven! Geïllustreerd door het geplof van losse flodders. Van het ene op het andere moment, zodat ze van schrik dekking zocht achter een dikke eik, waar ze zich na twee minuten behoorlijk belachelijk voelde, omdat militant geknal in vredestijd alleen maar kan duiden op de aanwezigheid van een kazerne ergens in de buurt. En in haar verwoede pogingen om die te vinden snelde ze zomaar aan een asielzoekerscentrum voorbij dat er sowieso niet bijzonder levendig en uitnodigend uit had gezien. Maar Carla zou ook binnen blijven als ze in een vreemd land, met gevaar voor eigen leven, illegaal moest bivakkeren in een houten kiet op een militair oefenterrein vlak bij een zwaar bewaakte gevangenis. De wachtcommandant stond Carla één telefoongesprek toe, tegen betaling. En dan stak hij z'n nek al uit voor haar, want burgers zijn niet toegestaan op het terrein van een kazerne. Een telefoonboek had hij ook niet. Nee, hij kende het telefoonnummer van de plaatselijke taxicentrale niet uit z'n hoofd en of ze voort wilde maken. Volkomen op haar ongemak belde Carla dus maar gauw naar het huis, naar Niels, die in het kader van de door z'n ex opgelegde jaarlijkse gezinshereniging, voor zeven dagen naar Fantasialand vertrokken was. De kinderen gaan al jaren niet meer mee, maar het gaat om een principe zo verheven dat Carla's mening er volledig bij in het niet valt. Mogelijk dat de afwezigheid van Niels haar daarom ontschoten was. Ze dacht er pas later weer aan, toen Harold, de buurjongen, in naam van het huis en in plaats van Niels, de telefoon al lang en breed beantwoord had. Hij zou haar meteen op komen halen, maar het duurde anderhalf uur voor ze zijn afgekeurde, groene Eend, met aan de linkerkant één zwarte portier, vanwege een onvoorziene omstandigheid bij het niet voorrang verlenen, zag opdoemen uit de stofwolken, die Harold met zijn karretje op de zandweg zelf had veroorzaakt. Carla zat met haar rug tegen de kazernemuur en was aan het einde van haar Latijn.
'Wat zie je eruit!', riep hij oprecht bezorgd toen ze niet opstond
en hij dus voor haar uit de Eend klom.
Hij nam naast haar plaats en legde een bezwete arm over haar
schouder waarmee hij haar, bij wijze van troost, naar zijn flanellen, geruite
borst toe wilde trekken. Alsof ze het nog niet warm genoeg had. Ze hield haar
adem in, vleide haar hoofd, uit dankbaarheid voor zijn komst, zo kort mogelijk
tegen zijn stinkende oksel aan en trok terug toen het beleefdheidshalve wel
leek te kunnen.
'Heb je wat te drinken?', vroeg ze moeilijk.
'Je hebt je dag vandaag gewoon niet. Dat heb ik ook weleens.'
'Weleens?'
'Toe nou, zeg, ging het zo beroerd?'
Opeens verlangde Carla zo heftig naar Niels dat ze naar haar borst moest grijpen om het plotseling pijnlijke bonzen van haar hart te dempen. Aan hem zou ze alles kunnen vertellen. Hij zou het kostelijk vinden en met die houding het hele gebeuren voor haar relativeren tot de slappe erop volgde. Met Harold zou het alleen nog maar erger worden.
'Ja, het ging beroerd', antwoordde ze schor.
'Zou jij soms in een zwaar bewaakte gevangenis willen werken?'
'Ik zou niet weten waarom niet!', stelde Harold onnozel.
Hij trok z'n arm terug, krabbelde overeind en klopte zand van zijn
bermuda. Carla bekeek één van z'n sandalen met in het voetbed aan de neus
grote, blote, behaarde jubeltenen met zwarte nagelrandjes. Alle vijf op een rijtje.
'Waarom stuur je dan geen open sollicitatie?'
'Waarom zou ik? Ze zoeken toch een bibliothecaresse?'
'Je hebt toch ervaring als vrijwilliger in een bibliotheek?'
'Jawel, maar ik ben informaticus.'
Dat is een feit. Carla had een onbeschrijfelijke dorst, pijn aan
haar voeten en een onvoorstelbaar opspelende aandrang om iemand deelgenoot te
maken van haar ongenoegen. Desnoods Harold. Een luisterend oor in de vorm van
een gevoelig betatype. Open voor alles en iedereen, maar met een onwrikbaar
mathematisch denkpatroon, waartegen niet te redeneren valt zonder een
beargumenteerd inzicht in de formule achter de relativiteitstheorie van
Einstein.
'Niets staat op zichzelf dus', begreep Carla.
'Nee, Carla, zo simpel is het niet. Je moet zeggen; E=MC2. Het
heeft met lichtsnelheid en massa te maken', legde Harold uit.
Zo iemand kon het maar het beste aan der lijve ondervinden. Het
zou op z'n minst een verkoelende genoegdoening geven aan haar onlogische manier
van denken.
'Volgens mij zoeken ze nog een automatiseringsdeskundige.'
'Dat meen je niet!', riep hij blij verrast.
'Dan niet’, antwoordde Carla vermoeid, terwijl ze ook opstond.
Weer achter de p.c. gezeten is het Carla opeens zonneklaar waarover haar artikel voor Sparrengroen moet gaan. Over de beeldvorming. Over de heersende vrouwenbeelden en de absolute onmogelijkheid om daar zonder kleerscheuren onderuit te kruipen. Ze kan beschrijven met welke stereotype beelden zij tot nu toe in haar jonge leven geconfronteerd is. Het zou een interessant stukje kunnen worden, waarmee ze net wil beginnen als Eric onaangekondigd boven aan de trap staat:
'Hebben jullie ruzie?', vraagt hij.
'Nee Eric, Diana en ik praten meestal zo samen. Dat is geen ruzie,
dat heet discussiëren. Onthoud dat nou!', antwoordt Carla zo kortaf mogelijk,
in de hoop dat Eric de hint oppikt.
'Nee, ik bedoel Niels en jij.'
Hij kijkt bezorgd.
'Welnee.'
'O...'
Hij zit al op het onopgemaakte bed.
'Heb je shag?'
Lusteloos zoekt Carla tussen de rotzooi op het bureau, vindt een
halfvol pakje Drum en werpt het hem toe met de woorden:
'Ophoepelen Eric.'
'Heb je condooms?'
'Heb ik wat?'
Ze weet zeker dat ze hem niet goed verstaan heeft.
'Condooms, heb je die?', herhaalt hij zonder blikken of blozen,
terwijl hij hele plukken shag morst op het onderlaken.
Hij trekt zijn benen op het bed. Vuile gymschoenen op een
verdwaald hoofdkussen.
'Poten van het bed', commandeert Carla.
'Waar heb jij condooms voor nodig!?'
Eigenlijk wil ze het helemaal niet weten.
'Voor te neuken, waar anders voor', pocht hij.
'Natuurlijk, machoman'.
Ze gelooft hem niet.
'Geef nou, Carla', zeurt Eric alsof het om zijn recht gaat.
'Aan ons mam ga ik het niet vragen.'
'Ik heb ze niet', liegt Carla.
'Vraag maar aan Diana.'
'O, nee! Wat is dit dan?'
Triomfantelijk houdt Eric een uitgelubberd stuk rubber in de lucht.
Tussen duim en wijsvinger. Hij heeft het zien liggen tussen het opgehoopte
dons.
'Laat liggen, Eric!', roept Carla met mengeling van afkeer en
schaamte in haar stem.
'Waarom?'
Eric propt het rubber in z'n broekzak.
'Omdat je nooit een gebruikt condoom moet hergebruiken.'
'Gatverdamme'.
Geschrokken trekt hij het rubber weer uit z’n broekzak en gooit
het van zich af, richting Carla.
'Idioot.'
Carla lacht om de citroenzure
uitdrukking op zijn gezicht. Ze gooit het rubber in de papiermand en
loopt in de richting van het nachtkastje van Niels. Naar de la met condooms en
andere privébezittingen. Normaliter afgesloten. Tegen Carla’s vermeende
nieuwsgierigheid. Nu staat ze half open. Vergeten in het vuur van de strijd.
'Ik heb een vriendin', legt Eric ongevraagd uit.
'Fijn voor je', zegt Carla.
Ze inspecteert de inhoud van de lade.
Foto's van de kinderen, brieven, vooral afwijzingen op sollicitaties herkent ze. Contant geld. Ze telt het niet. En condooms. Twee dozijn ongeveer. Hij bestelt ze bij een postorderbedrijf. Als Carla twee anticonceptiezakjes voor Eric uit de doos neemt, merkt ze tot haar verbazing dat de vacuüm verpakkingen van alle condooms geopend zijn.
'Komt er nog wat van.'
Eric kijkt over haar schouder mee.
Nerveus gaat Carla in gedachte na wanneer ze voor het laatst
gemenstrueerd heeft. Eric toetert in haar rechteroor:
'Geef nou!'
'Eric', begint Carla ingehouden.
Ze heeft behoefte om op hem in te
timmeren. In plaats daarvan klemt ze de kiezen op elkaar en sist
agressief:
'Ik wil dat je nu weggaat. Als je condooms wilt hebben, dan ga je
maar naar Het Kruidvat.'
Ze heeft hem beledigd:
'Mij best.'
Hij vecht tegen z'n tranen.
'Maar ik heb echt een vriendin.'
Hier stopt hij en denkt na. Een pijnlijke aanblik. Carla hoort
zijn hersens bijna kraken. Dan volgt een ontboezeming:
'Ze kan alleen geen Nederlands, maar ja.'
Een paar seconden is ze geamuseerd afgeleid:
'Waar haal je het vandaan?'
'Geloof je me niet?'
'Natuurlijk wel', antwoordt Carla snel.
Voor het geval hij, gedreven door haar ongeloof, zijn fantasieën
met man en macht in praktijk
mocht willen brengen.
'Maar ga toch maar naar Het Kruidvat, zoals elke volwassene.'
Dat laatste advies klinkt zo afwezig dat hij eindelijk vertrekt. Meteen daarna trekt ze een condoom uit één van de geopende verpakkingen. Bij de wasbak laat ze voorzichtig een straaltje water in de uitstulping lopen. Even gebeurt er niets. Maar dan sijpelt het water langzaam, druppeltje voor druppeltje uit het opgerolde rubber. Het lekt!
4.
Mevrouw Maarsen is buiten zichzelf van woede en weigert om verder te komen dan de drempel van de geopende voordeur. Ze draagt een verkeerd gestoomde winterjas, gebreide handschoenen met vingers in tien verschillende kleuren en een opzichtige valhelm. Het doorzichtige hardplastic windschermpje voor haar gezicht heeft ze omhoog geklapt. Dat wat ze te zeggen heeft klinkt dof. Net of Carla watjes in haar oren heeft.
'Hij zegt dat hij aan jou condooms gevraagd heeft en hij is niet
perfect, maar eerlijk is ie.' Met een agressief elan prikt ze een aantal malen
met een oranjewollen wijsvinger in op Carla's rechterschouder. Het doet zeer.
Carla weet niet wat ze moet antwoorden en fixeert haar blik op het gifgroen van
de helm. Een zichtbaar symbool voor de ondoorgrondelijke ijzeren plaat voor de
hersens van mevrouw Maarsen.
'Hij zegt dat jij ze niet gegeven hebt. Maar hij heeft wel met die
Turkse of Marokkaanse of weet ik veel liggen flikflooien. Een del van amper
veertien. Het huis uitgezet. Nou zit ik ermee. En weer met Eric. Hij durft niet
terug vanwege haar, zegt ie. Dat jij dat dan niet goed zou vinden, met het eten
en zo.'
Zo te horen is het allemaal weer de schuld van Carla.
'Wat mij betreft mag hij hier terugkomen. Samen met haar. Plaats
genoeg, zeker nou ik wegga.'
'Ga jij weg!?', briest mevrouw Maarsen zo overtuigend dat de omhoog geklapte gezichtsbeschermer beslagen raakt.
Carla haalt haar schouders op en loopt weg van mevrouw Maarsen.
Uit fatsoen laat ze de voordeur maar open staan en verdwijnt gelaten naar de
huiskamer.
'Nondedju', hoort ze mevrouw Maarsen machteloos vloeken.
Ze laat zich vallen op de sofa. Diana is niet aanwezig. Het is alsof de huiskamer gerenoveerd is. Zo anders. Zoveel lichter; alsof de luchtdeeltjes herademen van het eindeloos opeengepakt opdrijven van de atmosfeer. Ze zweven opgelucht uiteen en dansen als dartelende stofveertjes in een felle straal herfstzonnelicht. Door een wolkje nicotine-uitstoot maakt Carla ze zichtbaar terwijl ze met haar ogen de gele rookbundel volgt tot aan het raam, waarachter mevrouw Maarsen omslachtig bezig is om haar snorfiets met een gigantisch hangslot aan een lantaarnpaal voor het huis te bevestigen. Als ze eindelijk binnenkomt heeft ze haar helm afgezet. Haar kapsel is een zwak aftreksel van wat vanmorgen vermoedelijk haar vertrouwde krullenweelde geweest is. Ze zeult met een overvolle, geopende linnen tas met twee wiebelende bollen bovenop een berg onzichtbare boodschappen. Haar helm en een bloemkool.
'Wat moet ik nou?'
Even denkt Carla dat ze niet weet waarheen met de boodschappen.
Maar mevrouw Maarsen plaatst de tas onverschillig naast zich op de grond. De
aanblik van de helm en de bloemkool doen pijn in Carla's buik. Of het zijn de
vuilwitte snowboots met reflecterende sierstrepen in de neonkleuren; geel, roze
en groen waarin mevrouw Maarsen staat voor een mislukte poging om niet op te
vallen tussen vrouwen van haar leeftijd en milieu. Met de ene wollen hand woelt
ze door haar pieken en met de andere duwt ze Bobo van zich af, die vervolgens
hongerig zijn kop in de tas steekt. De bloemkool rolt op de grond.
'Is ze zwanger?',
Het is Carla nog nooit gelukt om sigarettenrookkringetjes te
blazen. Om een of andere reden lijkt nu het moment aangebroken om dit weer eens
te oefenen. Ze steekt haar kin in de
lucht en laat de rook met klokkende bewegingen van haar tong in kleine
wolkjes uit haar mond verdwijnen. Hoe doen anderen dat toch?
'Wie is zwanger?', wil mevrouw Maarsen weten, terwijl ze bukt om
de bloemkool op te rapen.
Haar jurk schuurt hoorbaar met de beweging mee tegen dikke steunpanties. Ze doet haar jas uit en drapeert hem zorgvuldig over de verveloze leuning van een stoel. Enig in z'n stijl tussen zes andersoortige bijeengeraapte zitgelegenheden rond een tafel in redelijke staat. Een afdankertje van de oudere zus van Niels. Zo'n jaren vijftig type tafel. Tegenwoordig alleen nog maar op rommelmarkten te koop. Net als de stoelen, waardoor de zithoek, in z'n totaliteit, maar het best op z'n mildst geïnterpreteerd kan worden als een speels alternatief voor stijlvol wonen.
'De vriendin van Eric'.
Carla inhaleert stevig van haar sigaret om het opnieuw te
proberen.
'Is de vriendin van Eric zwanger?' Mevrouw Maarsen griezelt
geschrokken, maar ongelovig.
'Nee, dat vraag ik'.
Carla staat bekend om haar engelengeduld, maar vandaag had ze voor zichzelf gereserveerd en die kans gaat nu aan haar neus voorbij. Zou mevrouw Maarsen echt dom zijn, zoals Diana beweert? Ze kan het niet beoordelen. Niet in haar staat van verwarring. Diana wel, die vindt zichzelf zo buitengemeen intelligent dat ze denkt als enige bij machte te zijn om de rest van de mensheid te kunnen indelen naar de hoogte van hun I.Q.. Carla heeft nooit begrepen waarom de één slim heet te zijn en de ander niet. Wat haar aangaat zijn Diana, Eric en mevrouw Maarsen onderling, op wat te verwaarlozen details na, bijna volledig inwisselbaar. Zo vermoeiend.
'Oh, ik was al bang dat jij meer wist dan ik'. Mevrouw Maarsen
herademt opgelucht. Ze schuift aan tafel en doet haar handschoenen uit, legt ze
keurig op elkaar, haalt ze weer van elkaar af en trekt aan de kleurige vingers.
'Hij moet condooms hebben', biecht ze verlegen op.
'Ik heb ze niet, Niels en ik zijn uit elkaar.'
Geërgerd staakt Carla het kringetjes draaien.
'En daarom laat je Eric ook maar meteen barsten. Van mij krijgt hij ze ook niet. Ik ben echt te oud voor zulke onzin. Moet hij dan een kind maken? Een kind van een kind, mooi is dat. En ik maar zorgen tot ik erbij neerval.'
De sluis van mevrouw Maarsen staat weer wagenwijd open. Carla duwt
de handen tegen haar oren.
'Ik ben z'n moeder niet!', roept ze in Dianastijl in een poging de
herrie te overstemmen.
'Nee, dat ben ik', zegt mevrouw Maarsen op strijdlustige toon.
Zulk soort antwoorden maken Carla net zo monddood als een
confrontatie met Diana's ingewikkelde hersenspinsels. Mevrouw Maarsen tekent
wel vaker op deze manier protest aan. Met het uiten van lege uitspraken op
beschuldigende toon. Volgens Carla niet expres, maar om tijd te winnen voor een
betere vondst. En inderdaad, de rake klap volgt geheid;
'Wacht maar tot je zelf kinderen hebt.'
Mevrouw Maarsen articuleert de woorden tot een nadrukkelijke vloek die ze kwaadwillend over Carla's toekomst uitspreekt. Carla voelt hoe de luchtdeeltjes om haar heen, de afwezigheid van Diana ten spijt, als vanouds weer samenspannen tegen de serene schijnleegte in haar hoofd. Ze probeert de ruzie voor zichzelf te recapituleren. Zou mevrouw Maarsen onder het juk van het moederschap vandaan willen? Denkelijk gaat er toch meer in haar om dan ze aan de wereld wil en kan toegeven. En juist daarom heeft niemand er wat aan. Het is allemaal op een dermate verdrongen en onbewust niveau dat ze soms vurig wenst zich nooit vrijwillig in Freud en zijn volgelingen verdiept te hebben. Wat moet het een gemoedsrust geven om te pas en te onpas de verantwoordelijkheid voor het oplossen van frustraties bij een ander neer te kunnen leggen.
'Ik zal zeker nooit een goede moeder worden. Goede moeders zijn
namelijk echte vrouwen en dus passieve natuurwezens.'
Carla kan net zo goed dubbelzinnig zijn. Ze hoopt mevrouw Maarsen ook op een dwaalspoor te zetten. Het moet toch te doen zijn. Al vindt Niels dat niemand meer 'down to earth' is dan juist onze Zus. 'Down to earth'. Zo'n typisch cosmopolitaire uitdrukking van Niels, omdat hij zo graag werelds wil lijken. En inderdaad weet de stem van de gewone mens van geen wijken met een standaard reactie. Te ver afgestomd:
'Je bent knettergek'.
Ze bedoelt dat Carla weer eens elitair is met altijd die ditjes en
datjes.
'Nee, echt, vraag maar aan Camille Paglia en een hele generatie
nieuwe feministen.'
'Aan wie?'
'Aan een beroemd schrijfster.'
'Nou die zal het wel weten dan.'
Mevrouw Maarsen klooft de nagel
van haar wijsvinger.
'Waar ga je eigenlijk naar toe? Je hebt toch helemaal geen geld?'
'Als ik verhuis, leef ik niet meer in zonde en kan ik opnieuw
bijstand aanvragen.'
Ze wordt al moedeloos bij de gedachte om weer bij de sociale
dienst aan te moeten kloppen. Weer een kruisverhoor en met zekerheid een
Sanders of Tonnie Tervuren. En dan de dreiging van een nog nader te berekenen
bedrag aan schuld boven haar hoofd, waarover ze overigens nu al een maand lang
niets gehoord heeft. Wel over het intrekken van haar wekelijkse bijstand. De
dag nadat Sanders haar op heterdaad betrapt had bij het illegaal leven.
'Sta je dan ingeschreven bij de woningbouw?'
Wat er ook gebeurt of speelt, mevrouw Maarsen blijft boven alles
praktisch.
'Ik kan de kamer van Harold krijgen, hiernaast. Hij heeft een baan en zorgt dus dat hij als de wiedeweerga uit deze buurt verdwenen is.'
'Je hebt beloofd dat je voor Eric zou zorgen.'
Mevrouw Maarsen weet van geen ophouden. Haar ogen staan verwijtend; vol vochtig zelfmedelijden.
'Ik heb niks beloofd, dat wordt maar algemeen aangenomen.'
Het klinkt vrij bot en onverzettelijk en zo is het ook bedoeld.
Maar Mevrouw Maarsen is niet zo overgevoelig:
'Leg jij me dan maar eens uit hoe ik dat dan anders op moet
lossen?'
Oplossingen. Daar heb je het woord weer. Deze maand heeft ze het minstens honderd keer in gedachten herhaald. Tijdens het herschrijven van haar artikel over de beeldvorming voor Sparrengroen. Het was opnieuw een aanval op de geloofwaardigheid van de praktische uitvoering van het feminisme. Ze kon het ook niet nalaten. Dit keer had ze echter geen literatuur gebruikt om haar mening te staven, maar voorbeelden uit de media en haar eigen dagelijkse leven. Stereotypen, waar volgens Carla geen mens aan kan voldoen. Toch blijft iedereen het hartstochtelijk proberen. Tot aan de bank van de psychiater toe, die het ook niet weet, omdat hij of zij net zo goed druk doende is om de eigen beeldvorming hoog te houden. Het zou zo mooi zijn als de vrouwenbeweging nu eens eindelijk zou worden wat ze al vanaf de oprichting pretendeerde te zijn. Een instituut dat, als voorloopster op alle andere instituties, openlijk de hand in eigen boezem durfde te steken.
'We hebben onszelf toch in het leven geroepen om juist tegen
vrouwenbeelden in opstand te komen?' schreef ze.
'Waarom is elke uitzondering dan een bevestiging van de regels met betrekking tot het vrouwendom? Van huisvrouw, naar alleenstaande vrouw, carrièrevrouw, ongeschoolde vrouw, bijstandsmoeder tot hoer. Met vrouwenblaadjes in vrouwencafés. Vrouwenstudies met vrouwenboeken en vrouwenbreinen. We zetten onszelf te kijk. We scheiden ons af en maken onszelf tot de ander. Tot de tweede sekse van Simone de Beauvoir. Waarom wordt vrouwentaal seksistisch als een man haar uitspreekt? Waarom hoor ik in zo'n geval automatisch bij jullie? Waar halen jullie het recht vandaan om mijn geweten te vormen? Hoe kan ik met zo'n instelling omgaan met m'n opa, m'n oom, m'n neef, m'n broer, m'n vader, m'n vriend en m'n minnaar? Elke dag van m'n leven kom ik ze tegen in mijn milieu. Moet ik ze dan soms buiten sluiten en alleen blijven? Want jullie zie ik nooit terug in het in het reilen en zeilen van alledag. Niet in m'n oma, m'n zusters, vriendinnen of moeder. Die zijn allemaal - nog - niet geëmancipeerd genoeg om ook feministes te mogen zijn. En ergens tussen hem, haar en m'n geweten blijf ik hangen in het luchtledige. Wil ik een beetje aangenaam kunnen leven dan ligt een keuze niet erg voor de hand. Waarom kijkt de vrouwenbeweging niet naar vrouwen van vlees en bloed in plaats van altijd en eeuwig te wijzen naar dat stereotype dat het beste aan jullie beeldvorming, of wensdenken, voldoet?’
In zekere zin was het betoog van Carla een slimme zet. Zo’n aantijging kon de redactie van Sparrengroen natuurlijk niet over haar kant laten gaan, waarmee een regelrechte afwijzing meteen van de baan was, want daarmee zou Carla's waanidee weleens voedingsbodem kunnen krijgen. De kritiek die volgde had ook minder te maken met de inhoud, dan met de schrijfstijl. ‘Semiwetenschappelijk'. Dat kon niet in een literair tijdschrift voor de vrouwenbeweging. Zelfs niet als experiment. Dus kreeg Carla twee freelance redactrices van haar leeftijd toegewezen die op vrijwillige - onbetaalde - basis voor Sparrengroen werkten. Zij hadden de taak te redden wat er nog te redden viel en zoals dat hoort vonden ze Carla's probeersel schokkend negatief. Het bood namelijk geen oplossing. Het betekende de ondergang voor de vrouwenbeweging. Het was zo helemaal niet hoopgevend voor een leuke jonge meid met zoveel in haar mars. Het jubileumnummer van Sparrengroen over, voor en door jonge feministes moest een jubelnummer worden. Een enorm feest. Geen begrafenis. Toch was dat precies wat Carla wilde zeggen. Dat een vraagstuk pas een eenduidig antwoord vindt in de begrafenis van een door discussie en deconstructie verkregen stoffelijk overschot. Niet door compromissen, generalisaties en sussende leugens rond elk probleem dat tot leven komt in de realiteit van het dagelijkse leven. Het heeft geen enkele zin om de werkelijkheid van het individu te negeren. Ze noemde het artikel dan ook: 'Stereotype of persoonlijkheid; de gespletenheid van een hedendaagse twen'. Dat was om te beginnen al fout. Het moest; 'Pleidooi voor een beeldenstorm' worden. Carla vond dit helemaal geen onaardige titel, die tenminste blijk gaf van een inzicht in de essentie van haar bedoelingen. Misschien dat ze daarom besloot om met de redactie van Sparrengroen verder in zee te gaan. Hoewel ze van het begin af aan nattigheid voelde. Al met al kwam de kritiek toch voornamelijk neer op de inhoud van haar betoog en niet op de schrijfstijl. Of toch niet?
Door haar eigen onzekerheden waren de grenzen vervaagd. En dat allemaal voor een boekenbon en heel veel redactieoverleg in Utrecht. Ergens in een rumoerig, artistiekerig café met ecosfeer, bewust armetierig geklede bezoekers, achttien verschillende smaken theemélange, tosti’s van oudbakken brood en smerige toiletten. In feite nog minder dan een studentensociëteit, maar de twee redactieleden deden alsof het een kroeg op Montmartre betrof. Vandaar ook dat ze voor het gedoe maar met moeite reiskostenvergoeding zag op te strijken. Wat voor elke andere debuterend, intellectueel geachte feministe een traktatie geweest zou zijn, waarvoor met graagte nog geld op werd toegelegd, was voor Carla in eerste aanzet net iets minder erg dan een sollicitatiegesprek. Omdat ze aanvankelijk nog met het idee-fixe speelde dat een begrip als redactiebijeenkomst de anarchistische belofte van vrije meningsuiting in zich draagt. Maar in werkelijkheid werd ze nu pas echt persoonlijk aangevallen op haar wezen en niet op dat wat ze probeerde te zijn in de onverschillige waan te voldoen aan het beeld van de perfecte sollicitante. Schrijven was voor Carla een serieuze aangelegenheid. Haar laatste hoop en strohalm. Te kostbaar om zo maar elke willekeurige zogenaamde kenner voor de voeten te gooien. Maar het was al te laat. Tot vier keer toe moest ze de herschreven versies van haar betoog laten verkrachten door twee schepsels wier professionaliteit ze, bij het aanhoren van hun uitermate welsprekend geformuleerde, maar volstrekt essentie loze kanttekeningen, ernstig in twijfel trok. Uiteindelijk liep het erop uit dat Carla, zoals gewoonlijk, helemaal niet meer begreep wat er van haar verwacht werd.
'Je moet oplossingen aandragen', verklaarde de meest geduldige van
de twee.
'Oplossingen waarvoor, dan?'
De redactrice keek haar wantrouwend aan en zweeg.
'Maar het is toch een literair experiment?'
Dit was de zoveelste poging van Carla om voorzichtig aan te geven
dat ze eigenlijk vond dat niemand wat over de strekking van haar artikel te
zeggen had. Dat is geen redigeren meer. Dat is censureren.
'Schrijf zelf een verhaal', dacht Carla meerdere malen tijdens vier redactiebijeenkomsten die een beproeving voor haar waren.
Maar ze zei het niet. Want publicatie gaf weer een beetje meer
inhoud aan haar naam en dus kans op meer vrijheden. De volgende keer.
'Hoe bedoel je?', vroeg de andere.
Zo'n onuitstaanbaar type met het soort ouders dat hun kroost al vanaf de toilettraining hoogbegaafdheid ziet aan te praten. Zo iemand met een blank eco-aura en een ondefinieerbare haardracht; een bosje takkenhout met een accentloos A.B.N., therapie via het RIAGG; vanwege boulimie, verlatingsangst, vaginisme of verplichte pianolessen in de jeugd, en een gratis aangeboden assistentschap in de opleiding bij een hoogleraar waar ze huizenhoog tegenop kijkt in combinatie met een bijbaantje als redactrice van een landelijk tijdschrift. Omdat het zo 'leerzaam' is.
'De essentie van mijn artikel is juist de schijnbare onoplosbaarheid van het probleem. Het feit dat ik erover schrijf is heel misschien pas het begin van een oplossing,' antwoordde Carla zo zakelijk mogelijk om haar afkeer van de takkenbos tegenover zich te verdoezelen. Iemand moet het toch begrijpen. Het kan toch niet zo zijn dat zij alleen zo onduidelijk en gek is? Wie accepteert dat nou van zichzelf zonder echt krankzinnig te worden?
En ondanks het rookverbod stak Carla een sigaret op. Zeer tot tegenzin van de redactrices achter hun glazen kopjes met lichtbruin water in respectievelijk; sinaasappel- en bosbessensmaak op onderzetters van kurk. Gebruikte theezakjes netjes op servetjes met plekjes geabsorbeerd vocht.
'Ja maar, er klopt gewoon niks van', zei het takkenbos.
'Jij denkt zelf toch ook in beelden en stereotypen? Iedereen doet
dat, dat is mensen eigen.'
Ze had een scherpe analytische schijn in haar ogen tevoorschijn
getoverd. Carla wist even niet wat ze zag en hoorde en wachtte welwillend af of
ze nog meer zinnigs zou zeggen. Toen dat uitbleef antwoordde ze:
'Ik beweer toch ook nergens dat het verkeerd is om in beelden te
denken.' Met de toon smeekte ze wanhopig om begrip.
'Ik schrijf alleen dat het bespreekbaar moet zijn en blijven vanuit het bewustzijn dat stereotyperingen altijd generalisaties zijn. Generalisaties werken onderdrukkend en verstikkend. Niet alleen voor mij. Neem ons nou, alle drie jonge feministes, maar we lijken niet op elkaar. Zouden jullie samen met mij op één hoop gegooid willen worden?'
'Daar heb ik nog niet zo over nagedacht', zei het takkenbos.
Wat moest Carla daar nou op zeggen? De eerste redactrice bleef sprakeloos in haar thee roeren met een hogelijk verbaasde uitdrukking op haar gezicht. Een gezicht waar Carla nog wel al haar troeven op had gezet, omdat het er aanvankelijk zo uitgeslapen had uitgezien. Toch was ze was vastbesloten om haar overtuiging hoog te houden. Voor het gewillige oor uit haar rotsvaste, positieve mensbeeld. Het slordige oordeel van een ander zou er haar niet van weerhouden in opstand te komen; om haar eigen ideeën koppig betekenis te blijven geven door ze af te zetten tegen de tegenwerpingen van iedereen die niet de moeite neemt of in staat is om ze nader voor haar te beargumenteren.
'Iedereen moet de kans krijgen om onder stereotypen uit te
kruipen. Alleen zoiets als oog voor detail, subjectvering en individualisering
brengen verandering en vernieuwing teweeg.'
Aan de redactrices te zien ging Carla nu wel erg ver. De één
bestelde verse meloenthee bij een voorbijganger, die Jonas heette en kennelijk
bij het café hoorde, en de ander wilde er een tosti bij, met ananas, achterham
en die overheerlijke extra belegen schimmelkaas uit de Provence. Carla hield
haar verdediging in en wachtte af. Ja, voor haar koffie, sterke koffie. Van die
overheerlijke echte koffie, met cafeïne, uit Brazilië of Indonesië. En in
dezelfde adem vervolgde ze:
'Kijk dan naar de kunst. Kunst wordt gemaakt door individuen en pas daarna verwordt het tot een visie, een kijk op of een beeld van een gezamenlijke cultuur. Daarvoor bestond het niet, omdat het geen naam had. Zien jullie dat dan niet?'
'Maar daar hebben we het nou niet over', antwoordde de eerste
redactrice.
'Oh, sorry', zei Carla en ze wilde al vragen waar het gesprek dan
volgens de redactrice wel over ging, maar ze was haar voor.
Uit de hoogte en stellig:
'Wij willen dat je probeert om iets positiever te zijn. Dat je het
feminisme een zonnige toekomst biedt'.
'Punt', zei Carla.
Ze was al te zeer verleid door eventuele publicatie, om nog langer ad rem te kunnen zijn. In haar achterhoofd galmde die nieuwe titel;
'Pleidooi voor een beeldenstorm'.
De klok hadden ze toch moeten horen luiden. Wat wilde Carla eigenlijk nog meer? Was zo'n titel op zichzelf al niet aanmoediging voldoende om, tegen beter weten in, op zoek te gaan naar de klepel? Om de taak naar het verzinnen van een of andere flutoplossing op zich te nemen? Iets wat in feite helemaal niet mogelijk is, omdat Carla weigert te accepteren dat zij alleen het probleem vormt. Hoe kon ze dan in haar eentje een oplossing aandragen? Het zou haar creatie tot een wegwerpartikel maken. Daar stond tegenover dat Carla niets te verliezen had, op een boekenbon en wat tijd na dan. Dus toch maar onderwerpen aan dat vernederende herschrijven. Tot vijf keer toe in drie weken tijd. Toen had de voltallige staf van Sparrengroen unaniem de redactionele buik vol van Carla's zogeheten literaire productiviteit. De laatste versie was niet strijdbaar genoeg. En dat terwijl het alsmaar milder, vriendelijker, positiever en 'wolliger' had gemoeten, totdat er met het groeien van het aantal versies nauwelijks nog iets te raden overbleef tussen de bijna maagdelijk witte woorden in helder blauwe zinnen die als zwakjes me mekkerende lammetjes op sussende zomerwolkjes als vanzelf zouden oplossen in het heelal. In het niets dus. Geen wonder dat Carla het nog met de redactie eens kon zijn ook. De laatste versie was inderdaad niet strijdbaar genoeg. Strijdbaar voor wie eigenlijk?
Het hele proces van schrijven, veroordeeld worden en opnieuw, zo goed zo kwaad als het ging, halsstarrig smeken om met een aangepaste schrijfstijl mee te mogen doen, werd officieel een halt toegeroepen door één van de twee redactrices. Toen Carla de boodschap achterop een kunstzinnige ansichtkaart doorlas, wist ze niet eens zeker wie van de twee literaire kenners de mare overbracht. Ze is slecht in het onthouden van namen. De ansichtkaart toonde een rood kartonnen rechthoek met een vuilgele stip in het midden. De ironie van de verzachtende omstandigheden; een afwijzing verhuld in de waarheid van de kunst. Een afkeuring in zo'n typisch vrouwenhandschrift met veel rondingen, krullen en bolletjes in plaats van puntjes op de i. Voor iedereen te lezen. Voor de postbode, en erger nog, voor Diana. Het speet de redactrice geweldig, maar het artikel zou helaas niet geplaatst worden. De reden waarom was niemand meer duidelijk. Dat schreef ze niet letterlijk, maar het viel op te maken uit haar aanmoediging om toch vooral door te gaan met schrijven, want Carla had wel talent. Misschien had ze zin om ooit eens columns voor Sparrengroen te schrijven? Ze moest maar een paar 'try-outs' opsturen. En verder had de redactrice zelf ook wel eens, hoe was het eigenlijk mogelijk, een keertje een epistel teruggestuurd gekregen. Zo zag je maar weer, het overkomt niet alleen Carla, maar zelfs de allerbesten onder ons.
Diana vond dat Carla zich onterecht opwond. Op haar verzoek had ze de laatste versie gelezen. Niet omdat Carla zoveel vertrouwen in Diana heeft, maar omdat zij die ansichtkaart als eerste in handen had gekregen. Daarom voelde Carla zich bijna verplicht om haar verder in te lichten. Als ze Diana met de redactrices van Sparrengroen vergelijkt, dan vallen ze alle drie wel zo ongeveer in dezelfde categorie van betweters. En aangezien ze met Diana zo nu en dan op een soortement van familiaire voet staat, kon zij hopelijk wel aan Carla kunnen uitleggen wat er zo afwijkend is aan haar manier van redeneren. Diana las het betoog eerst vluchtig voor zichzelf door en daarna begon ze zogenaamd aandachtig te stillezen. Met gefronste wenkbrauwen. De t.v. liet een testbeeld zien met op de achtergrond het oproerkraaiende gekakel van de radionieuwszender. Voor hetzelfde geld zat ze met een half oor heimelijk een rampenreportage met veel leed, tranen en routinematig opgedragen medeleven te volgen en deed het ondertussen voorkomen of ze zich volkomen geconcentreerd al analyserend lezend, een oordeel over Carla’s schrijftalent aan het aanmeten was. Haar hoofd op professionele informatie- absorptiestand. In de houding van een laveloze diva op de sofa. Om aan haar superioriteit, minachting of onbegrip lucht te geven, las ze af en toe fragmenten voor. Technisch foutloos, maar op valse toon. Carla zat op de parketvloer bij de verwarming, stak haar gezicht in het zachte, warme plekje tussen de oren van Bobo en kwam, met de rustgevende combinatiegeur van hondenhaar, aarde, gras en afrikaantjes in haar neusgaten, tot de relativerende gedachte dat ze, te horen aan de manier waarop Diana sommige stukken voorlas, ondanks een studie in de letteren, dus ook al niet begrepen had hoe een literair experiment volgens allerlei ongrijpbare regels geschreven moest en zou worden. Toen Diana klaar was met lezen zocht ze op de blanco achterzijde van het laatste A-viertje naar nog meer tekst. Vast niet uit interesse, anders had ze na twee keer doorlezen onderhand wel gemerkt waar het geschrevene ophield.
'Wat een drama', vond ze, terwijl ze het artikel richting Carla
frisbiede.
Ze ving net voor Bobo op die het al op zijn manier wilde lezen
door het voor Carla aan stukken te scheuren:
'Ja, daar kan ik niets aan doen. Ik moest oplossingen aandragen.
De eerste versie is veel beter. Zal ik die even gaan halen?'
Carla was al opgestaan om naar boven te snellen toen Harold in de
deuropening verscheen. Met een gebaksdoos in de handen. Hij zag eruit alsof hij
heel hard en heel lang tegen de wind in gefietst had. Diana schoot direct in
een charmante zithouding.
'Doe me een lol, zeg, ik heb voorlopig wel weer genoeg van jou
gelezen'.
Vinnig hield Diana de boot af om haar onverdeelde aandacht op Harold
te kunnen richten. Ze knipoogde koddig naar hem.
'Zo vreemdeling, kom jij weer eens toevallig door de achterdeur
aanzetten?'
'Zoals gewoonlijk, zoals verwacht, zo toevallig', meesmuilde
Carla, omdat ze het weer zag gebeuren.
Met z'n grote voeten trapte Harold middenin Diana's genadeloze foefjes om hem te imponeren. De enige bij wie dat te doen is. Zelfs Eric is behept met een beter sociaal inzicht. Hij zou zich nooit zo door Diana laten ringeloren. Harold wel en het gaf Carla een verslagen gevoel van heimwee naar haar kindertijd toen ze nog gewoon vriendjes had. Maar als Carla het waagt om zich over Harold te ontfermen, deinst hij wit weggetrokken terug voor haar directe aanpak. Hij houdt niet van improviseren. Reik hem vaste omgangsvormen aan en hij weet wat hem te doen staat. Smeer hem stroop om de mond, zoals Diana dat doet, en hij weet dat het flirten is. Een formule die hij feilloos heeft leren toepassen. Carla zocht haar plaats bij de verwarming weer op. In de kleermakerszit, met Bobo in het midden tussen haar uitgestoken knotsknieën. Harold zette de gebaksdoos op tafel:
'We gaan taartjes eten en koffie leuten', beloofde hij.
Handenwrijvend bleef hij voor Diana op de sofa staan.
'Je raadt nooit waarom.'
'Mag ik drie keer raden?', vroeg Diana.
'Of je hebt een baan, of je hebt werk, of je hebt betaalde
arbeid', antwoordde Carla voor haar beurt vanaf de grond.
Ze vermoedde het al een tijdje, want hij ging verhuizen naar een vrijgezellenappartement en zij zou zijn kamer krijgen. Zonder voorbehoud, dus dan moest hij wel werk hebben gevonden, want op basis van een uitkering is verhuizen naar een betere leefomgeving geen reële optie. Ze had niet verder geïnformeerd naar de inhoud van z'n nieuwe baan. Functies als programmeur, analist of systeembeheerder staan zo ver van haar bed, dat ze bij een eventuele uitweiding van zijn kant van onwetendheid toch niets anders zou hebben kunnen uitbrengen als 'oh', 'tjeemp' en 'ach, nee'. Als ze er al de tijd en ruimte voor had gekregen, want voor ze überhaupt haar mond had kunnen openen had Harold het, naar eigen zeggen: 'druk, druk, druk, druk, druk.' Als ze hem niet beter had gekend, zou ze bijna gedacht hebben dat hij haar uit z'n buurt wilde hebben. Hetzelfde gevoel van vervreemding stak ook nu weer de kop op. Harold moest Diana iets onder vier ogen vertellen. Maar omdat Carla al lang niet meer op haar intuïtie af durfde te gaan, besloot ze dus maar dat haar neus bloedde. Zelfs toen Harold maar twee appelbeignets bleek te hebben meegebracht, bleef ze stug zitten waar ze zat en nam zonder pardon het stuurse aanbod voor het tweede, en tevens laatste, gebakje aan. Kriegelig koos Harold eieren voor z'n geld. Het hoge woord kwam eruit; hij had een baan als systeembeheerder in een bibliotheek van een penitentiaire instelling. Diana zette drie keer achter elkaar haar tanden in de appelbeignet, sloeg de afgebeten stukken op in haar wangen, propte de overgebleven homp, na kort overleg met zichzelf over de resterende ruimte in haar mond, ook nog naar binnen en begon kalmpjes en onaangedaan te herkauwen, zodat Harold niet wist waar hij kijken moest. Hij koos voor allerlei richtingen in de huiskamer, behalve voor de kant waar Carla zat, die juist met de lepel uit de suikerpot in haar stuk gebak wroette. Het had eerder het uiterlijk en de geur van een Hemakoeksel bestaande uit bakkersgelei met conserveringsmiddelen dan van verse appel omgeven door knapperig bladerdeeg. Van de weeromstuit staakte ze het geworstel met de taaie zooi, zette Bobo de rommel voor, die het met moeite in één keer wegwerkte, en vroeg koeltjes:
'Nee maar, heb jij een baan bij de zwaar bewaakte gevangenis?'
'Penitentiaire instelling', verbeterde Harold met een zuinig
mondje.
'So what, get a life, Carla!' zei Diana in slecht uitgesproken
Engels en maar net te verstaan, omdat ze nog niet uitgegeten was. Maar er mocht
geen gelegenheid blijven liggen om Carla buiten te sluiten.
'Spreek je moerstaal!', snauwde Carla in een poging haar brandende
nieuwsgierigheid te onderdrukken.
Pas daarna richtte ze zich zo nonchalant mogelijk tot Harold:
'Heb jij ook een gesprek gehad met de gevangenisleiding?'
'Jawel, en het spijt me dat ze je afgewezen hebben, Carla, maar
mij zien ze graag komen.'
'En, vonden ze je een kapsonesvent?'
Diana had net haar laatste beetje appelbrij ingeslikt en sprong
voor Harold in de bres:
'We weten allemaal dat Carla Langeweg niet tegen haar verlies kan,
maar hou je een beetje in, zeg. Moeten appelbeignets trouwens niet warm gegeten
worden, jongens?'
'Hoe verliep het gesprek dan?'
Carla lette niet op Diana. Ze moest en zou het weten.
'Uitstekend', loog Harold.
Hij was nu al veranderd. Nog niet eens begonnen met zijn eerste betaalde functie en nu al een waardig sektelid dat weigert om de gevangenis bij de naam te noemen door met zorg en liefde over de 'penitentiaire instelling' te praten. Mevrouw Maarsen verheft zichzelf bij praktisch elke gelegenheid, passend of niet, tot 'hoofd huishoudelijke dienst', terwijl ze in werkelijkheid gewoon kantoren en schoolgebouwen in het sop zet. Zo kan Carla zich ook niet voorstellen dat Harolds nieuwe functie zoveel interessanter is dan zijn voormalige, vrijwillige bibliotheekwerkzaamheden. Een domper op de feestvreugde rond de appelbeignets. Hoewel het Carla een ego opdoffer opleverde. Indirect had haar opstelling een zodanig effect gehad op de gevangenisleiding dat ze Harold hadden uitverkoren voor de automatisering van het documentatiesysteem in de bibliotheek en, als ze Harold moest geloven, nu alleen nog op zoek waren naar een bezigheidstherapeut voor in de ruimte zelf.
'Een systeembeheerder en een bezigheidstherapeut, in plaats van
een Biepmiep', recapituleerde Carla.
Harold durfde zich weer tot haar te richten. Verlegen. Hij vond het zo sneu voor haar, maar ja, hij had toch meteen aan Diana gedacht, vanwege haar doctoraal in de psychologie. Vandaar die twee synthetische appelbeignets.
'Je vindt het toch niet erg, hè?' vroeg hij voor de zekerheid nog
wel even na.
'Jij kunt mijn kamer toch overnemen? Zonder problemen. Het is al geregeld met de huisbaas. Maar aan een baan kan ik jou niet helpen, want ze hebben je tenslotte al een keer afgewezen. Dat komt denk ik omdat ze op mijn werk iemand zoeken die echt met mensen om kan gaan. Geen boekenwurm, of een documentaliste. Het gaat niet om het bibliotheekwerk, maar om de praktijk van het echte leven, snap je wel?'
Carla had kil gereageerd:
'Natuurlijk. En ik ben blij dat ik nu ook meteen begrijp waarom ze jou bij de zwaar bewaakte gevangenis wel kunnen vast pinnen en mij niet.'
Hierop had Harold instemmend geknikt. Opgewonden met een rode
kleur op zijn jongensachtige papwangetjes. Zie je wel? Hij had alweer goed
geschoten, had Diana buiten haar medeweten om al aangeprezen, om haar nog
dezelfde dag te verblijden met het vooruitzicht op een redelijk betaalde
functie die ze, volgens hem, zo goed als zeker op haar naam kon zetten. Op een
sollicitatiegesprek na. Het leek wel of Harold haar ten huwelijk gevraagd had,
zo jubelend had Diana gereageerd. Ze vloog zo van de sofa om Harolds nek, die
haar vaderlijk op haar grijs gebreide rug klopte. Carla zag het tafereeltje van
een afstand aan en vroeg zich even af of de irritatie die ze bij zichzelf
bespeurde misschien op afgunst zou kunnen duiden. Maar het was toch ergernis in
de ware zin van het woord. Dat werd hinderlijk helder in het verdere verloop
van de week, waarin Diana alle boodschappen deed, onvermoeid koffie zette en
Bobo tot tien keer toe uitliet en Carla haar desondanks of juist daarom bleef
verwensen. Op één van de avonden van die verstikkende zeven dagen wilde ze
opeens Carla's mantelpakje lenen. Om de juiste indruk te maken op de
sollicitatiecommissie. Toen begreep Carla ook meteen die keurig onderhouden,
roodgelakte teennagels. Het was niet te verdragen. Kritiekloze overgave, geen
passief verzet. Al die tijd.
De kokerrok van het mantelpakje paste precies om Diana's heupen, maar het colbertje spande om haar borsten. Met een sip getrokken onderlipje rukte ze aan het jakje en daarmee sprong een knoop uit een knoopsgat dat toch al op spanning stond. Carla dook het rollende, goudkleurige bolletje achterna en hield het tegen net voordat het onder de twijfelaar kon verdwijnen.
'Kan ik die rok met split dan van je lenen?', slijmde Diana op die
manisch opgefokte melodie, die Carla pas sinds die dag van haar had leren
kennen en die haar deed verlangen naar de slome, eentonige composities uit het
oude, cynische repertoire.
'Je kunt beter in spijkerbroek gaan, Diana', raadde Carla haar.
Het kostte moeite om geluid uit te brengen. Om te converseren met
deze parodie op een protagoniste uit een verhaal van Cissy van Marxveld.
'Zou je denken?', fleemde ze.
Ze draaide halve, wiegende rondjes met haar bovenlijf voor de garderobespiegel aan de binnenkant van de kastdeur. Haar armen liet ze dromerig meewaaien. Er hing een gelukzalig aura om haar heen. De ogen verwilderd. De gesloten lippen in een grijnzende, opwaartse plooi.
'Dat overleeft ze nooit', dacht Carla nog en zei:
'Je moet als jezelf gaan, Diana, neem dat maar van mij aan.'
'Ik weet niet of dat wel zo verstandig is.'
Ze was nog steeds in trance, maar haar zweverige bewegingen had ze
gelukkig gestaakt.
'Jij gaat altijd zo dom tegen de mensen in, Carla. Go with the
flow!'
Ze zong het bijna, verliefd starend naar haar spiegelbeeld. Een
scheef gehouden blond hoofd. Bleek, maar mooi naar de huidige maatstaven. Met
wat make-up was er best zo'n lifestyle trut van te maken. Misschien zaten ze
daadwerkelijk op zo iemand te wachten bij een zwaar bewaakte gevangenis. Wist
Carla veel.
'Waar slaat dat nou weer op?', vroeg ze, terwijl ze naast Diana in
de kast naar de rok met split zocht.
Het kledingstuk hing, gekreukeld en geurend naar verschaalde musk,
aan een kleerhanger onder een vergeten jasje van Niels.
'Hier', zei ze: ‘Je mag hem houden'.
'Dankjewel, zeg!'
'Ja, ja, je blijft me dankbaar tot aan de dood.' Het cynisme in haar stem was een vergeefse poging om de onwerkelijke sfeer te ontnuchteren. Diana's gedrag begon angstaanjagend te worden. Carla moest dringend naar het toilet. Maar Diana was op gang:
'Ik heb je heus niet aangegeven bij de sociale dienst als je dat
soms nog mocht denken.'
Deze verontschuldiging was dermate uit de context getrokken dat ze Carla op haar schreden naar de badkamer terug deed keren; kien genoeg om uit deze hint een tegemoetkoming op te maken. Het zou niet makkelijk zijn om er ongecompliceerd op in te gaan, maar Carla is niet de beroerdste, ondanks haar boekenwijsheid en ondanks Diana die volgens Harold, en het beeld van de geleerde doctorandus in de psychologie, zoveel beter met mensen kan omgaan. Zo goed dat Carla maar moest zien dat ze uit een onhandige uitroep in haar richting, op weg naar de w.c., een dankbetuiging opmaakte, waarop ze nog geacht werd menselijk te reageren ook. Het schuldgevoel, vanwege de rok, en met zekerheid de overtuiging dat Carla ongetwijfeld misselijk van jaloezie moest zijn, dienden bij de doorgeseinde boodschap verhuld te blijven. Ze voelde zich tijdens die korte periode van egotriompf voor de garderobespiegel in de voormalige slaapkamer van Carla en Niels, waarschijnlijk voor het eerst in haar leven, werkelijk boven de rest van de wereld verheven. Carla wist niet of ze nou blij of bezorgd moest zijn. Mogelijk dat er met deze vreemde, nieuwe Diana wel te praten viel:
'Wat vond je nou echt van mijn artikel over de beeldvorming?'
'Niet onaardig'
'Ik wist wel dat het niet zo onduidelijk is als iedereen
beweert!?'
De opluchting was toch nog verpakt in een smeekbede om extra
bevestiging.
'Wie valt er nou het feminisme aan in een feministisch tijdschrift?
Daar is over nagedacht Carla, echt, dat moet ik je nageven.'
‘Daar is inderdaad over nagedacht".
'Zoals ik al zei, Carla; drijf met de stroom mee.'
Haar gezicht gaf alweer een uitdrukking te zien die Carla niet van
haar kende. Het was fascinerend. Zo iemand was of schizofreen of inderdaad
geniaal. Onbereikbaar voor simpele zielen.
'Dat kan ik niet.'
Carla sprak uit ervaring.
'Koketterie', snoof de oude Diana.
'Hoe moet dat dan; met de stroom meedrijven?
Ze vroeg het gretig en wachtte gespannen op het verlossende
antwoord.
'Je had je achterban niet mogen afvallen. Je hebt je eigen graf gegraven; door zo openlijk af te geven op het feminisme heb je indirect ook je functie bij het emancipatiebureau belachelijk gemaakt. Moest dat nou zo nodig?'
Ja, dat moest. Dat moet nog steeds. Er klopt niets van. Op zich niet zo erg, mits iemand maar kan uitleggen wat Carla verkeerd begrepen heeft. Maar ze mag niet eens constateren, laat staan vragen. Niet in artikelen naar de krant of naar zogenaamde feministische tijdschriften. En niet in gesprekken met haar voormalige collega's bij het, inmiddels opgeheven, emancipatie bureau in Den Haag. Het centrum van het Nederlandse feminisme. In Carla's beeldvorming de tempel van de vooruitgang; de bron van haar inspiratie; het resultaat van twee golven feministisch revolteren; het hoogste doel; het einde van de hokjesgeest en het begin van de integratie van het verschil. Tussen mannen en vrouwen en als dat goed ging, alleen nog maar tussen mensen onderling. Hoe was ze toch aan die idiote denkbeelden gekomen? En waarom was het telkens weer zo vreselijk deprimerend om ze, beeldje voor beeldje, los te moeten laten? Een afbraakproces dat al direct in gang werd gezet bij een eerste confrontatie met het bestuur van het bureau. Ze zochten een bibliothecaresse. Iemand met inhoud en niveau. Een goedbetaalde functie op h.b.o.-niveau, waarvoor Carla pas na drie gesprekken, lang en nadrukkelijk vergaderen en vier weken beslissingstijd, voor een jaar werd uitverkoren. Als tweede keus. Want de eerste uitverkorene, een gediplomeerd bibliothecaresse, had bedankt voor de eer. Ze lag wakker van de zenuwen. Wat had ze zich nu weer op de hals gehaald met haar grote bluf en zonder diploma van de bibliotheekacademie? Hoelang zou het duren voor ze tegen de lamp liep? Maar de praktijk pakte anders uit. De werkzaamheden stonden op vergelijkbaar niveau met haar taken als uitleenhulp bij de openbare bibliotheek. Met dit verschil dat ze nu niet langer te kampen had met het wankele gezag van allerlei hoofden en het stempel van uitleenhulp alias voetveeg, maar met het feit dat ze nu zelf de verantwoordelijkheden van een bibliotheekhoofd op haar schouders droeg. Weliswaar zonder personeel onder zich, maar in naam was ze toch maar mooi staflid. Al na twee weken achtte iedereen haar onmisbaar op haar stekje en in het hokje van bibliothecaresse. Dankzij Carla kon je tegenwoordig zowaar relevante informatie vinden en zelfs nog ter inzage lenen ook uit de bibliotheek die al vijftien jaar bestond bij de gratie van heel veel financiële input en, voor de komst van Carla, zonder enige materiële output. Carla vroeg zich in het bijzijn van haar collega's herhaaldelijk, duidelijk en luid af wat haar voorgangsters hadden uitgevoerd. Ze kreeg geen antwoord. Waarschijnlijk hadden ze vergaderd, want dat werd van haar ook verwacht. Wederom stelde ze vragen. Vroeg om een verklaring. Wilde weten waarom zij, aangenomen om een bibliotheek draaiende te houden, tijdrovende bijeenkomsten over zaken die haar niet direct aangingen, diende uit te zitten. Opnieuw kreeg ze geen bevredigend antwoord. Wel ontketende ze een golf van verontwaardiging. Natuurlijk moest Carla de stafvergaderingen bijwonen. Ze was onderdeel van een team. Behoorde te weten waarmee de overige stafleden, oftewel beleidsmedewerksters, zich bezighielden. Maar dat wist Carla ook wel zonder de dagelijkse groepsgesprekken met oeverloze ja/nee-spelletjes inclusief ongevraagde uitleg rond beslissingen die uiteindelijk toch maar weer uitgesteld werden tot een volgende vergadering in een nieuwe formulering die weer motivatie behoefde en daarmee opnieuw een hele reeks verse vragen opwierp. En als Carla eindelijk ruimte dacht te hebben om het één en ander over haar bibliotheekwerkzaamheden mede te delen, werd ze vriendelijk doch dringend verzocht om haar bijdrage te bewaren voor een volgend groepsgesprek. Maar bij een hernieuwde poging om de aandacht ook eens op haar bibliotheekje te vestigen werd haar met klem aangeraden om eventuele op- en aanmerkingen ver vantevoren bij het hoofd van het secretariaat aan te melden, zodat deze haar bijdrage op de vergaderagenda in zou kunnen plannen. Zo hoorde dat! Toen ze dit nog deed ook, in de hoop dat praten de vergadertijd eerder zou doden dan luisteren, kreeg ze in augustus te horen dat haar agendapunt denkelijk medio oktober aan de orde zou komen. Vanaf dat moment benutte ze de rondvraag als een kans om haar zegje te doen. Maar aangezien de rondvraag volgens de bestuursregels slechts een standaardreactie van de algemeen secretaris verdiende, lokten haar kanttekeningen nooit de commotie uit die haar collega's wisten te bewerkstelligen. Die zaten de loze, korte antwoorden op haar vragen meestal verveeld uit, totdat het vrouwelijke hoogtepunt van de dag eindelijk weer was aangebroken. Koffietijd.
Na de pauze dienden de beleidsmedewerksters zich bezig te houden met emancipatie door middel van het opzetten van voorlichtingsdagen over bijvoorbeeld de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Ze behoorden cursussen te creëren en themamappen samen te stellen, afgestemd op de behoeftes van vrouwengroeperingen door het hele land. In de jaarverslagen en tijdens de vergaderingen bleven deze doelen wat ze waren; een verzameling woorden. De subsidie werd in werkelijkheid grotendeels gebruikt voor persoonlijke vorming; lunchen met politieke kopstukken, lobbyen heet dat, en hier en daar een themadagje, waarvoor Carla de benen onder haar gat vandaan moest lopen om op het nippertje nog wat informatie bij elkaar te schrapen. Op het laatste moment, omdat haar hulp pas bij uiterste nood werd ingeroepen. Ze was tenslotte maar bibliothecaresse; handig als de opkomst voor de themadag wat lager bleek dan verwacht en de inhoud wat magerder dan gehoopt. Carla kon dus voor iedere themadag uiteindelijk toch weer op komen draven met een keur aan boeken, folders en posters over bijvoorbeeld 'vrouwen uit minderheidsgroeperingen' of 'oudere vrouwen en herintreding op de arbeidsmarkt'. Aan het einde van de themadag was iedereen opgelucht en in een hilarische stemming. Iedereen, behalve Carla, die zelden of nooit nog iets van haar tentoongestelde informatiemateriaal kon terugvinden en hectisch door het gebouw liep op zoek naar resten, om toch nog een redelijke collectie te kunnen waarborgen binnen een schromelijk overdreven budget dat op deze manier toch nog veel te weinig bedroeg. Alles was meegenomen, gejat dus, door de leden van een of andere verenigde vrouwenkneuterclub. Dure boeken, kostbaar cursusmateriaal, videobanden, dia's, jaargangen van tijdschriften en alle van de lunch overgebleven kadetjes met rijkelijk beleg voor de terugweg naar Trutjestijn. In ruil voor hun kneuterproducten, want die lieten ze achter. Plakboeken geurend naar Pritt en overvol met creatieve konstruksels bestaande uit collages van foto's uit allerlei tijdschriften, zoals de Libelle, Margriet, Viva en soms zelfs de Opzij; afgewisseld met gekopieerde damesspreuken in ongelijke letters op aaneen getapete uitklapbare A-viertjes geschilderd.
'Een vrouw zonder man, is als een vis zonder fiets'.
Of: 'Alles went behalve een vent.'
Melige, geplagieerde humor in uitgelopen uitvoering met zo nu en dan een verdwaalde kwasthaar in de kitscherige verfuitspattingen vol grove strepen en treurige opgedroogde druppels. Posters met wereldbollen van vetkrijt, gebreide Nederlandse vlaggen en voor de themadag 'Europa 1992'; koningin Beatrix in ministek. Bij het verzamelen van deze aanwinsten kon Carla er de stalmeesterhumor nog wel van inzien. Maar als ze in de stilte van een nog maar halfvolle bibliotheek naging wat dit werkelijk betekende, dat dit de realiteit was van een landelijk emancipatiebureau als overkoepelend orgaan en representante voor vrouwengroeperingen door het hele land, stond het huilen haar nader dan het lachen.
Ze had het rustig kunnen doen. Huilen. Ze was zo ongeveer de enige die nog geen eigen bijdrage geleverd had aan het portie bevrijdend janken dat bij het emancipatiebureau schering en inslag was. Als een beleidsmedewerkster bijvoorbeeld geen geld toegewezen kreeg om een cursus te volgen ter meerdere eer en glorie van het eigen ego. Of als de één iets onaardigs zei, of dreigde te zeggen over of tegen de ander. In het begin stond ze erbij en keek ernaar. Vol vertwijfeling over wat er zich voor haar ogen afspeelde. Sommige collega’s konden letterlijk stampvoeten als ze niet precies dat gedaan kregen wat ze graag gehad hadden willen hebben. Met gebalde vuisten en knalrode hoofden. Papa's kleine prinsesjes, wier trucjes op mama niet het gewenste, wonderbaarlijke effect hebben. Daarna het geijkte stilzwijgen van de beledigde onschuldigen, met rood omrande ogen. Gesmiespel op de gang, een week of zes in de ziektewet en daarna praten met elkaar over de gekwetste gevoelens, met uitzondering van Carla, die er, na een periode van gewenning, voor zichzelf een sport van gemaakt had om elke werkdag opnieuw zoveel mogelijk dames tegen zich in het harnas te jagen met zo min mogelijk woorden. Een goed verstaander heeft tenslotte maar een half woord nodig en wie de schoen past trekke hem aan. Om de aandacht op haar manier toch zo rigoureus mogelijk naar zich toe te trekken, schreef ze de toespelingen op, vergrootte ze uit met behulp van het kopieerapparaat en hing ze op het prikbord in de ontvangsthal, zodat alle medewerksters direct bij binnenkomst aan haar ongenoegen herinnerd werden. Alleen Trea sloeg de spijker op de kop. Ze was het koffiemeisje.
'Als je niets beters kunt verzinnen voor dat salaris van jou, mag
je een arme sloeber, als ik, weleens een handje helpen', zei ze plagerig.
In de ogen van het hogere personeel leek ze echter wel een vent in een vrouwenlichaam. Met Carla viel niet te praten. Die kon soms van die keiharde uitspraken doen! Daar zakte je broekrok van af! En het was goed zo. Beter dan tot deze karikatuur van wat een landelijke vrouwenvertegenwoordiging heette te zijn, gerekend te worden. Een klitterige, quasi kameraadschappelijke bedoening die in een regelrechte, hysterische heksenketel veranderde toen de ontslagen vielen. Nog een half jaar en dan moest iedereen eruit. Voor het eerst in haar diensttijd bij het emancipatiebureau was Carla verheugd over de overspannen reacties, omdat ze dit keer weleens van nut zouden kunnen zijn als krachtige dynamiek tegen de bezuinigingen van het ministerie van W.V.C.. Niets te vroeg, want de ontslagen hadden al ruim een jaar op het plan gestaan, maar beter laat dan nooit. Na vijftien jaar van emanciperen achtte het ministerie het emancipatiebeleid namelijk zo goed als voltooid. Carla hoorde het goed en interpreteerde het naar behoren. Het geld is op. Bij een economische crisis en bezuinigingen moeten de vrouwen er weer als eerste aan geloven. Ze vond het vanzelfsprekend dat alle beleidsmedewerksters de behoefte voelden om luidkeels tegen een dergelijke motivatie te revolteren. Het freubelniveau van veel vrouwenorganisaties zei toch genoeg over de actuele noodzaak van emanciperen; over de dreigende teloorgang van het feminisme. Een dreiging die met zekerheid een feit zou worden zonder emancipatiebureau. Hoe weinig bij de tijd ook. Daar was in de toekomst wel een mouw aan te passen. En bijna had Carla zich op haar plaats gevoeld. Eindelijk. Bijna had ze mee staan janken met de wolven in het bos. Maar net toen ze een keel op wilde zetten, kwam het werkelijke breekpunt aan het licht. Om niet langer alleen de gewone vrouw, maar ook Jan met de pet te kunnen dienen, was het bestuur van zins om, in plaats van het emancipatiebureau, een overheidsinformatiebureau in het leven te roepen. Een groter bereik - om de illusie van een democratie hoog te houden voor minder geld van W.V.C., maar desondanks met de stille hoop op nog meer macht. Alle idealen opzij voor het eigen belang, onder het mom van een nobel streven. Laten we nou maar dankbaar zijn dat we nog een beetje geld krijgen van het ministerie. Laten we nou maar meegaan met de tijd. Ook al is dat dan met een informatiebureau.
'Een informatiebureau?', herhaalde Carla. 'Wat heeft dat nou met de vrouwenbeweging te maken? In Den Haag alleen al zijn minstens twintig informatiebureaus te vinden.'
'Nou en?', vond de meerderheid.
‘En hoezo had een informatiebureau niets met de vrouwenbeweging te
maken? Hoezo ongelijk? Wat heeft het gelijk er nou mee te maken?’
En Carla was niet gewapend tegen deze typische gedachtekronkels van het feminisme in werk en uitvoering, waar de meeste stafleden als vanzelfsprekend wel in mee konden gaan. Ze heeft nog met hart en ziel geprobeerd om weerstand te bieden aan de komst van een dergelijk bureau, door zich tijdens de rondvraag van de laatste vergaderingen over te geven aan lange, bezielde monologen over het belang van positieve actie en het feit dat Nederland wel degelijk wat te verliezen had met het verdwijnen van een landelijk emancipatiebureau. En echt niet om begrippen als masculinum en femininum per sé geslachtsgebonden gescheiden te houden. Dus helemaal niet om Jan met de pet buiten te sluiten, maar omdat tot vrouwelijk gedegradeerde waarden en normen als zorg, intuïtie en welzijn zonder regulering van de overheid gedoemd zijn te verdrinken in de mannelijke zakelijkheid van materiële vooruitgang en de snelle duit. En als dat gebeurt, ga dan maar terug staan, want vrouwen kunnen heel mannelijk en zakelijk zijn. Hoe werd Carla ook weer genoemd? O ja, een vent in een vrouwenlichaam. Daar kwam het dus niet door dat zij de taak van een emancipatiebureau zo helder zag liggen in het opwaarderen, hooghouden en vieren van vrouwelijke waarden en normen. Juist omdat ze niet direct geld in het laatje brengen. In tegenstelling tot de mannelijke waarden, die, in de ban van economische
onzekerheid in samenhang met de dictatoriale bestedingsmacht van
de koopkracht, echt wel vanzelf, met zelfwerkende kracht, aan belang zullen
winnen. Is het dan de bedoeling dat de ouden van dagen binnenkort op straat
kunnen verrekken, omdat niemand meer brood ziet in verzorgingstaken? Dat
daklozen, illegalen of anderszins werklozen in de toekomst zullen sterven aan
een blindedarmontsteking, omdat de ziektekostenpremie niet meer op te brengen
zal zijn voor mensen zonder betaalde arbeid? Wie neemt de wind uit de zeilen
van de totale veramerikanisering, als zoiets als een landelijk
emancipatiebureau al zonder noemenswaardig verzet kan worden opgeheven? Is dat
soms de voltooiing van het emancipatieproces die het ministerie van W.V.C. in
gedachte had bij de bezuinigingen? Of betreft het hier een hele grote stap
terug naar af?
Carla oreerde tot het donker werd in de vergaderzaal. Sommige beleidsmedewerksters hadden de bijeenkomst al verontschuldigend knikkend verlaten. Sluipend op de tenen als dieven in de nacht met de jas alvast aan, in de hoop de vijfuur trein naar huis nog op tijd te behalen. Anderen tekenden poppetjes of abstracte figuurtjes in de kantlijnen van de uitgewerkte notulen van de vorige vergadering. De aaneengeschoven tafels waren bezaaid met gebruikte plastic koffiebekertjes. Midden op het kruispunt van tafels prijkten kartonnen doosjes met; suikerklontjes, poedermelk en plastic steeltjes waarmee de smaakmakers, naar believen, met het zwarte nat vermengd konden worden. De algemeen secretaris gebruikte zo'n roersteeltje voor een ander doel. Ze boog het flexibele staafje voorzichtig tegen haar vooruitstekende voortanden en liet het net niet breken. Totdat het op haar gebit afketste als een gespannen elastiekje dat plotseling wegschiet. Het belandde op Carla's schoot. Iemand keek naar buiten, waar een oktoberregen dikke druppels wanhoop tranen schreide tegen de dubbele beglazing van de vergaderzaal. Op dat moment van zwakte zag Carla zichzelf zitten tussen al die knowhow. Tussen alle emancipatiekracht. Feministes van het eerste en het tweede uur en misschien wel van de toekomst. Het leek op iets wat paranormalen als een 'uittreding' zouden omschrijven. De essentie van haar persoonlijkheid was als een met drijfgas gevulde luchtballon naar het gerenoveerde negentiende -eeuwse plafond gedreven. Daar beneden zat het omhulsel, haar buitenkant, een beeld, waar ze, uit een gevoel van noodzaak dat veel weg had van dat wat Carla over 'overlevingsdrang' had gelezen, hernieuwd mee in contact moest zien te treden. Ze wist alleen niet hoe. Iets hield haar tegen. De gemorste suiker vlak voor haar neus, de regen tegen de ruiten of gewoon de ontwenningsverschijnselen, omdat - op democratisch geformuleerd, schriftelijk verzoek - tijdens vergaderingen een rookverbod van kracht was.
De dag daarop had de algemeen secretaris een 'verrassing' voor
Carla. Ze was al gewend geraakt aan deze bakvisachtige benaderingswijze. Hoewel ze het zich
aanvankelijk behoorlijk persoonlijk had aangetrokken. Het was moeilijk om
jezelf en anderen serieus te nemen in dat lievige rollenspel. Dat praten in
termen van 'leuk', 'gezellig' en 'toe nou, joh'. Dat aanraken en kussen. Dat
oppervlakkige keuvelen tijdens de pauze en dat overdreven taalgebruik voor
alles wat net zo goed of zelfs beter in een zin en een punt gezegd kon worden.
Nu nam ze maar aan dat het academisch was. Omdat iedereen met een titel bij
emancipatiebureau op een dergelijke manier sociaal leek te verkeren; op een
niveau dat je normaal zou verwachten in een schoonheidssalon. Kirrend,
huichelend, achterdochtig en gemeen:
'Wat zie je er totaal belabberd uit, joh. Je hebt toch niet te hard gewerkt? Nee, toch, hè? Toe, maar, neem maar een mon cherie. Wat kan jou je figuur schelen, joh. Dan sprint je vanavond gewoon een kilometertje meer. Of ga gezellig met ons mee 'slender me-en'. Laat dat werk toch gezellig liggen. Wij doen hier niet aan overwerk. Of ben je soms aan een speciale, geheime missie bezig? Toe nou, joh. Zo belangrijk kan het niet zijn. Het emancipatiebureau draait ook zonder jou. Ging het functioneringsgesprek een beetje leuk?. Ach, nee, slecht zeker? Tja, alle begin is moeilijk, hè. Hoewel de algemeen secretaris en ik elkaar van het begin af aan al liggen. Raar, eigenlijk, hè?’
Het riep bij Carla de neiging op om zich als een randmoroon te
gedragen, om te gaan staan stuiptrekken. Maar ze was net iets te keurig
opgevoed om eraan te kunnen toegeven. Daarom bracht ze haar frustraties
impliciet tot uiting met die ambivalente gezegdes op het prikbord en door
hardop te fluiten tijdens het documenteren. Of door uitspraken als 'ik ben er
weg van', in plaats van 'doeij' aan het einde van haar werkdag.
'Niet zo negatief, Carla', zei de algemeen secretaris voorzichtig.
Ze durfde Carla niet zo goed af te bekken. Het was net of ze dan
met de billen bloot moest.
'Dat is Brabantse humor, chef', grapte Carla.
Het werd niet op prijs gesteld. Net zo min als haar meest recente bijdragen aan de vergadering. Als ze geen woorden liet horen maar daden liet zien, was er wat mis met haar 'teamspirit'. Nu ze dan uiteindelijk haar mond open trok, hoefde ze de beslissende vergadering rondes in het vervolg niet meer bij te wonen. De overige stafleden hadden zich namelijk bereid verklaard om fulltime mee te werken aan een beleidsplan voor het nieuwe overheidsinformatiebureau. Hele dagen vergaderen dus. Iets wat Carla beslist niet aan zou staan. Ook gezien het feit dat ze kennelijk niet met de komst van een informatiebureau wilde instemmen. Nu kon Carla dus eindelijk ongestoord bibliotheek beheren, zoals ze zich dat van het begin af aan had gewenst. Dat was de verrassing. Carla had het nakijken, want niemand van de staf had de puf om na hele dagen echt werken nog een boek in te kijken, of om zich na alle rapporten, verslagen en beleidsadviezen nog meer gedrukte informatie op de hals te halen. Laat staan om de bibliotheek te bezoeken. In die laatste twee maanden van het bestaan van het emancipatiebureau en de bibliotheek, las Carla gemiddeld per dag meer dan ooit tevoren, onverstoord door alle plotselinge ijver om zich heen; tot stand gekomen door een valse belofte. Medewerking aan een beleidsplan zou mogelijk automatisch een nieuwe werkplek garanderen. Carla liet haar collega's niet ongemoeid van haar mening:
'Vlak dat 'mogelijk' niet uit', fluisterde ze in de gangen van het kantoor, op het toilet en tijdens de verplichte gezamenlijke lunchpauzes, zodat en totdat het ook de algemeen secretaris ter oren kwam.
Ze gaf op haar gebruikelijke, gezag suggestieve, manager manier, met een doelgerichte hoofdbeweging naar haar stafkamer, te kennen dat ze Carla onder vier ogen onder handen wenste te nemen. Haar getoupeerde hoofdtooi wankelde gevaarlijk mee. Het liet Carla koud. Het ging toch alleen maar om het grote gelijk. Het grote gelijk in een maisgeel mantelpakje. Maatje zesendertig. Het grote gelijk dat Carla nogal fel en ongeduldig aanviel, toen ze dacht eindelijk een aanleiding te hebben:
'Ik had gehoopt dat je hier zou leren je aan te passen Carla. Je
stelt je opzettelijk buiten het team.'
Het was al veel minder goed bedoeld dan aan het begin van Carla's contractperiode, toen de algemeen secretaris meende dat ze Carla wel naar haar hand zou kunnen zetten. Nu ze terug kijkt naar dat ogenblik, naar die momentopname in de kamer van de algemeen secretaris, leunend tegen een kast van Jan de Bouvrie, ziet ze opeens het verband met Niels. Het was moeilijk om een diepgewortelde haat te kweken jegens deze bloemenkinderen. Ze bedoelen het zo goed. Carla zou ook niet weten hoe ze zo iemand als zijzelf een constructieve instelling kon aanpraten. Hoe je leiding moest geven aan de Carla's van deze wereld. Misschien moesten de bloemenkinderen wel beschermd worden tegen zichzelf in plaats van tegen Carla met haar jonge levenservaring; een modern, onontgonnen gebied van persoonlijkheidsdegeneratie en vruchteloze levenslessen, waarvan een bloemenkind als de algemeen secretaris pas wat zou willen weten als ze zelf in Carla's situatie terecht gekomen was. En dan nog zou ze het wijten aan haar middelbare leeftijd. Carla was jong. Een gouden tijd in het wereldbeeld van Niels en de algemeen secretaris. Wat zou het ontstellend pijn doen, straks, als de levensvervulling verdwijnt in ontslag met geen enkele kans op een andere baan. Dan zal Carla eindelijk eens degene zijn met ervaring op een terrein dat door de huidige economische sterren vers betreden zal moeten worden. Nu pas begrijpt ze het beschermende gevoel van medelijden voor de algemeen secretaris dat ze toen voelde opkomen en ook zo snel mogelijk van zich af hoopte te kunnen schudden. Haar wraak zal niet zoet zijn. Ze ging braaf zitten op een stoel voor het bureau van haar bazin.
'Ik snap jou niet Carla', vervolgde de algemeen secretaris,
terwijl ze haar zijden benen; met Yves Saint Laurent schoeisel aan het einde,
op tafel plaatste.
Ze had Carla leren kennen als een opportunistisch type. Het verschil was dat zij het zich kon veroorloven. Althans, tussen de veilige vier muren van haar kantoor en in het bijzijn van een afgeschreven werkneemster. Zolang de algemeen secretaris maar vorstelijk doorbetaald werd.
'Als ik jou zie, dan zie ik iemand met mogelijkheden. Het bestuur is tevreden over jouw bibliotheek. Je bent een vakvrouw. Je hebt managerskwaliteiten. Maar om één of andere reden werk je jezelf consequent tegen.'
Berouwvol vouwde Carla haar handen in haar schoot en zocht een vast fixatiepunt op het bureau van de algemeen secretaris. Ze vond een rechtopstaand bosje gedroogde korenpalmen, bijeengehouden met een wit lint. Maar de algemeen secretaris geloofde er niets van:
'Meid', begon ze.
Altijd als de algemeen secretaris aan wilde geven dat ze niet boos was, maar verdrietig, sprak ze haar voetvolk aan met 'meid' of 'meiden'.
'Meid,
zo kom je er toch nooit!'
Om haar een plezier te doen, had Carla nu schuldbewust kunnen bekennen hoe fout ze dacht en voelde. Zo zou ze precies dat verwoorden wat de algemeen secretaris niet onder ogen wilde zien en met een hele lading gemeenplaatsen aan Carla's adres voor zichzelf uit de wereld dacht te kunnen redeneren volgens het scenario van een gangbare discussie. Het gesprek zou in een impasse geraakt zijn, want de algemeen secretaris zou het allemaal best begrijpen. Zij was ook jong geweest. Ze kon de algemeen secretaris ook met open vizier bestrijden. Carla hoefde dan niemand te ontzien en voor het resultaat zou het bitter weinig uitmaken. En medelijden of niet, Carla zag eigenlijk niet in waarom uitgerekend zij de algemeen secretaris zou moeten matsen. Ze was niet vergeten hoe de algemeen secretaris op Carla's eerste werkdag zegepralend aan iedereen meedeelde dat de nieuwe bibliothecaresse 'maar' tweede keus was. De echte bibliothecaresse had andere verplichtingen gehad.
'De enige echte bibliothecaresse heeft bedankt, zul je bedoelen',
zei Carla nog.
Het zette meteen de toon voor het verdere stroeve verloop van de
samenwerking.
'Waar wil je me hebben dan?'
Carla vroeg het aan het bosje droogbloemen.
'Je hebt erg veel capaciteiten Carla', herhaalde de algemeen secretaris.
'Maar je zult moeten leren om je aan te passen'.
Ze schoof Carla een pakje filtersigaretten toe.
'Waarom?'
Carla negeerde het aanbod.
'Je moet jezelf presenteren. Compromissen sluiten.'
'En als ik het niet doe?'
'Dan zul je het erg moeilijk krijgen in de toekomst, Carla.'
Ze leek haar moeder wel.
'Je lijkt m'n moeder wel', zei Carla.
Ze keek langs de algemeen secretaris heen, door een raam naar
buiten. Wat een prachtig weer. Wat een zonde om hier binnen haar superieur af
te moeten troeven.
'Hoezo?'
Een neutrale vraag. Ze snapte het echt niet.
'Mijn moeder zegt ook nooit wat ze werkelijk denkt, maar altijd
wat ze denkt dat ze moet zeggen, uit angst en zogenaamd voor mijn bestwil. Haar
houding drukt steeds het tegendeel uit van dat wat ze beweert.'
'Wat denk jij dan wat ik nu denk en niet zeg?', wilde de algemeen
secretaris gekrenkt, maar verlangend van Carla weten.
'Weet ik veel. Weet je zelf niet wat je denkt?'
De algemeen secretaris antwoordde niet. Ze brak haar net aangestoken sigaret in een kristallen asbak. Niels wist op zulk soort vragen ook nooit iets anders te bedenken dan een goedgunstig zwijgen. En daardoor voelde Carla zich dan weer in een gesteldheid van verlate pubertijd gemanoeuvreerd. Een bloedstollende gewaarwording met effect:
'Zie je wel', sneerde ze schel en een octaaf hoger dan normaal.
'Jij kent je eigen waarheid niet eens meer en ik verkeer nu
eenmaal niet in de luxe positie om ongestraft mijn ogen te kunnen sluiten voor
de realiteit om mij heen. Of ik nou compromissen sluit of niet, me aanpas of
niet, aan het einde van het gebed lig ik eruit. Samen met jou en de rest van de
bezetting hier, trouwens. Dan hou ik liever vast aan mijn idealen. Idealen,
weet je wel.'
'Dan moet je het zelf maar weten.'
De algemeen secretaris treurde zichtbaar om het lot van Carla, maar was toch nog net iets te vol van zelfverloochening om het rouwproces langer dan nodig voor het werknemersoog vol te houden. Haar zelfbeeld was met het groeiend aantal succesjaren te rotsvast gecultiveerd tot een grove zelfoverschatting om het door wat tegenslag en zo'n stronteigenwijze snotneus als Carla aan het wankelen te laten brengen. Ze schonk met gepaste verve twee glazen port in.
'Als je niet meewerkt aan het beleidsplan word je er straks zeker uitgeschopt', concludeerde ze redelijk tevreden gesteld. Die Carla scheen helemaal niet te weten wat ze zei. Natuurlijk niet. Welbeschouwd komt ze net kijken.
'Santé!'.
In één teug werkte ze de inhoud van het eerste glas naar binnen.
'Heb je dat ook op je managers cursus geleerd?', vroeg Carla.
Ze verfoeide zichzelf om haar zwakheid. Ze had de algemeen secretaris ongewild toch nog carte blanche gegeven door zich te verliezen in idealen. Idealen zijn voor kinderen. Ten koste van de jeugd, in het voordeel van de algemeen secretaris, die met een Chanelmouw over haar mond, bloedrode lippenstift uitstreek over haar rechterwang. Ze onderdrukte een oprisping en trok het tweede glas naar zich toe.
'Trouwens, by the way, weet jij een andere functieomschrijving voor bibliotheekbeheerder?'
'Informatieanalist', mokte Carla voor de vuist weg.
De algemeen secretaris had er toen nog beroepsmatig om moeten
lachen. Een managerslach. Hard en bestudeerd. Vanuit de keel niet uit de
borstkas. Met haar Cosmohoofd in de nek gegooid, benen op tafel en glas port in
de hand. Ze had net zo goed een man kunnen zijn. Dat lachen zal haar later wel
vergaan zijn. Toen ze, ondanks haar teamgeest, niet werd teruggevraagd voor het
nieuwe overheidsinformatiebureau. Zoals niemand van het voormalige
emancipatiebureau. Het stond iedereen natuurlijk wel vrij om te reageren op een
opzichtige vacature in de Volkskrant, waarin het bestuur echter wel te kennen
gaf alleen interesse te hebben in een stuk of wat 'informatieanalisten' voor
een riant salaris.
'Stelletje geiten', dacht Carla.
In hun haast om voor het beleidsplan misleidende compromissen op te graven, was de kuil wel erg diep geworden. Weer een vervaagd beeld met dit keer een aardig bijkomstigheidje: De enige die met reden kon solliciteren was Carla. Waren haar werkzaamheden bij nader inzien toch belangrijker dan iedereen, zijzelf niet uitgesloten, gedacht had. Of toch niet, want ze werd afgewezen wegens gebrek aan ervaring en inzicht. Op het eerste gezicht misschien nog terecht ook, want aan het einde van haar contractperiode en het emancipatiebureau was de bibliotheek nagenoeg leeg. Het leek er dus verdacht veel op dat Carla's resultaten net zo weinig tastbaar waren als die van haar voorgangsters. In werkelijkheid had iedere beleidsmedewerkster op de valreep nog het één en ander naar gading in de bibliotheek uitgezocht en gestolen. Alleen 'De Tweede Sekse' lag als enig overgebleven boek, ruim veertig jaar na dato van de eerste druk, vergeten te verschimmelen op een lege plank van een stoffige boekenkast. Op haar laatste werkdag nam Carla het op, blies de stof van de kaft naar een stapel afgedankte jaarverslagen en streek eerbiedig over de brede rug. In de gang bij de voordeur van het kantoor bleef ze een moment staan bij een poster van Simone de Beauvoir. Ze had een kloof dwars door haar schedel. Ooit had iemand nog de moeite genomen om de scheur met plakband te renoveren. Carla salueerde, hakken klikkend tegen elkaar en vlakke rechterhand tegen haar slaap. Nu staat 'De Tweede Sekse' op een doorgezakt plankje van haar eigen kleine, onstabiele boekenkast. Later kwam daar 'Het Seksuele Masker' bij. Zusterlijk naast elkaar. Actie en reactie. Oftewel het begin van een documentatie over historisch voorspelbare golfbewegingen van ongeacht welke geloofsovertuiging.
'Gaat Diana soms ook weg?'
Tegen haar zin voelt Carla haar medeleven voor mevrouw Maarsen
toenemen. Meestal ebt het gevoel wel weg na wat rationele overwegingen
versterkt met de nodige, ongevoelige uitspraken van de kant van mevrouw
Maarsen. Carla probeert de ergste vermoedens voor haar te verzwakken:
'Ik denk het niet.'
'Ze is toch aangenomen door Harold? Zal ik koffie zetten?'
Ze buigt voorover in haar tas, rommelt wat en duikelt een
familiepak speculaasjes op uit de rest van de boodschappen.
'Ben je niet kwaad meer dan?' Speculaasjes, herfstzon en mevrouw
Maarsen aan tafel. Herfstvakantie bij oma in de keuken. Zoete broodjes bakken.
Ze leert het Carla van A tot Z. Met onze lieve heer aan het kruis genageld
boven het gasfornuis, bezoedeld met bakvet. Opa is buiten en verzet
bladerbergen met de jongens. Zij doet niet mee, maar bestudeert de paarsblauwe
opgezette aders op oma’s bezige handen. Kromme vingers van de reuma. Opa denkt
dat het zo hoort, oma vermoedt dat het anders had gekund. Maar als Carla het
uitspreekt krijgt zij de schuld. Zo heeft ze oma in de steek gelaten zoals ze
ook haar eigen achterban laat stikken. Opa ving haar niet op toen ze van haar
driewieler viel. Niels begrijpt er ook niets van.
'Als je geld nodig hebt kun je best voor mij komen werken.'
Mevrouw Maarsen zegt het, terwijl ze naar buiten staart. Alsof ze
het al veel eerder heeft willen voorstellen.
Het is wel zwart', bekent ze.
En op dit moment, in deze stemming, heeft Carla geen verweer. Geen
reden om geen ja te zeggen.
Die avond schrijft ze een berichtje terug aan de redactie van
Sparrengroen. Op de achterzijde van een ansichtkaart met regenachtig zicht op
het van Abbemuseum.
'Wat een nodeloos advies om door te blijven gaan! Wat moet ik
anders? Oplossen in het luchtledige? Mocht dat ooit gebeuren dan zal dat met
zekerheid niet uit vrije wil zijn. Tot zolang beloof ik jullie hierbij plechtig
de wereld van mijn aanwezigheid kont te zullen blijven doen.'
En zo ze nog ergens op gehoopt had, kon ze met dit tegenbericht
die boekenbon ook meteen vergeten.
5.
Diana ligt op de intensive care van één van de vier plaatselijke ziekenhuizen. Familie en kennissen zijn onder de indruk. Hadden nooit kunnen weten dat Diana regelmatig heroïne gebruikte, maar nemen het direct voor waar aan. En vrienden om het tegendeel te beweren, heeft Diana net zo min als Carla. Moeder Donkers had haar gevonden, vlak voor het avondeten, op de logeerkamer, met de spuit nog in haar arm. Als Carla haar, met toestemming van Diana's ouders, voor het eerst bezoekt, is ze niet aanspreekbaar. Men zegt vanwege allerlei beademingstoestanden die via haar mond de longen op gang dienen te houden. Maar volgens Carla ligt ze gewoon in coma. Niets lijkt meer uit zichzelf te werken. Alle essentiële, inwendige organen zijn, via uiteenlopende buisjes, draden en slangetjes, aangesloten op een indrukwekkend, medisch apparaat dat van zich laat horen met piepgeluiden van steeds afwisselende geluidssterktes. Het deert Carla niet. Ze komt niet uit medeleven maar uit nieuwsgierigheid en ongeloof. Pas als ze voorzichtig het laken van Diana’s bovenlichaam heeft gelicht en kans heeft gezien om beide magere, bleke armen te bestuderen, is ze tevreden gesteld. Ze wist wel dat Diana niet verslaafd is aan heroïne. Diana is net moedig genoeg om zo nu en dan een stickie te roken en zich één keer per week te buiten te gaan aan goedkope koppijnwijn uit de supermarkt. Het is wel karakteristiek voor Diana, om zich op deze manier overal vanaf te maken. De lafheid zelve. En dan ook nog bij haar ouders op de logeerkamer. Had ze het op haar kamertje in het huis van Niels gedaan, dan was haar zelfmoordpoging succes verzekerd geweest. Niemand zou haar de eerste dagen gezocht hebben. Dat moet ze maar al te goed beseft hebben, want daarom heeft Diana zich ongetwijfeld bewust liever in haar geboorteplaats een grammetje te veel aangeschaft. Het kan nooit duur geweest zijn. Zo'n overdosis voor een beginnelinge.
'Waarom ben je niet frontaal tegen een boom op gereden of voor de trein gesprongen als je jezelf zo graag van kant wilt maken?' Waarom moet je weer zo'n psychologisch verantwoorde, vage manier verzinnen om jezelf in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen?', fluistert Carla hatelijk tegen het levenloze lichaam voor haar, op het ziekenhuisbed, net voordat een zwak aftreksel van de anders zo opgeruimde moeder van Diana terneergeslagen de futuristische ruimte vol technische vernuft binnen schuifelt.
Ze is precies zo’n pop van rond de eeuwwisseling met een glimmende porseleinen uitstraling. Zo'n verzamelaarsitem met pijpenkrullen in een opgewerkt kapsel en een stijve, mechanische bewegingsbeperking door kaarsrechte armen en benen aan een met stro gevulde ronde romp in de klederdracht van de traditionele moeder. Een rechte jurk van viscose in visgraat motief met een rode ceintuur die precies haar bolle taille omspant en geen frivool kreukeltje of plooitje aan de stof toestaat. Een rood sjaaltje accentueert een bleek gezicht, met grote, ronde, verbaasde ogen als likeurbonbons, die, sedert het moment dat Carla mevrouw Donkers na het zogenoemde 'ongeluk' ontmoet heeft, permanent lekken. Iemand zou die kraan moeten dichtdraaien. Iemand moet een halt toeroepen aan deze verwatering van dat wat werkelijk speelt. Bijvoorbeeld dat Diana eigenlijk best dood zou willen. Niets nieuws onder de zon. Uiteindelijk zal Diana toch zelf moeten beslissen. Het staat Carla opeens zo duidelijk voor ogen. Die preoccupatie met de dood; met eindeloos slapen als een vlucht voor de realiteit; als een vlucht voor de angst voor de dood en het leven. De angst begrijpt ze, maar die preoccupatie is haar net zo vreemd als Diana zelf. Zelfs eenzaamheid doet haar niet talen naar een einde dat te zijner tijd echt wel vanzelf één of ander intrede zal doen. Misschien morgen al, als ze niet uitkijkt bij het oversteken, of als Niels het op z'n heupen krijgt. Crime passionel. Hij mist haar zo. Carla glimlacht nietszeggend naar mevrouw Donkers en herinnert zich de gedachte achter de relativeitstheorie van Einstein. Diana had die gedachte kunnen toepassen om te overleven. Waar blijft ze nou met haar genialiteit?
Mevrouw Donkers vindt ongevraagd steun aan Carla's arm. De
imposante verschijning van meneer Donkers wacht in de gang met in zijn kielzog
de rest van het kroost. Een wat rossige mannelijke editie van Diana en een
jeugdige uitgave van moeder Donkers. Beide veel ouder dan Diana. Ze is een
nakomertje. Vandaar die verslaving misschien? De aanhang kijkt zorgelijk als
Carla met mevrouw Donkers de intensive care verlaat. Ze moet haar bijna dragen,
wil ze voorkomen dat het proestende, hyperventilerende mensje een lelijke smak
maakt. Gelukkig is ze gewillig, volgzaam en vederlicht van verdrietig
vochtverlies.
'Jij bent de beste vriendin van Diana', begint meneer Donkers
plechtig.
Carla weet van niets en komt van nergens. Hij neemt mevrouw
Donkers woordeloos van haar over, drukt haar gezicht tegen zijn
rechterschouder, vervormt haar geplastificeerde permanent en richt zich over
het ongecontroleerd, tollende hoofd weer tot Carla. Hij moet bijna roepen om
zich boven de snikkende uithalen van mevrouw Donkers uit verstaanbaar te maken:
'Zou jij op haar kamer wat persoonlijke papieren willen zoeken? Er
moet het één en ander geregeld worden.'
Deze man heeft de zaak onder controle voor zijn vrouw en kinderen.
Uit een dergelijk stabiel gezin komt Diana dus. De hoeksteen van de
samenleving. Wie of wat wil ze eigenlijk nog meer? De moeder van
Carla? Een vrouw van zesenvijftig die overal rondbazuint dat ze
veertig is? Net zo vaak en al zolang dat ze het onderhand zelf gelooft? Of de
vader van Carla? Een man die met z'n nieuwe aanwinst de binnenlanden van Afrika
verkent onder het mom van ontwikkelingswerk, maar met het motto; leve de
westerse welvaart en het goedkope inheemse leven? Luieren in een kast van een
huis met een keur aan bedienden voor een prikkie. En bij eventuele
burgeroorlogen, opstanden en volkerenmoorden is verhuizen of even een tijdje
terug naar Nederland nog minder dan niks. Carla is nou eens benieuwd wat er met
zulke ouders van Diana terecht zou zijn gekomen. Als het goed gaat met Carla
zijn haar ouders de eersten die het weten en zich daarover op de borst slaan.
Gaat het maar zo, zo - zoals meestal - dan zijn haar vader en moeder nergens te
vinden. Problemen? Geef je ouders maar weer de schuld. Een klap voor je smoel
kun je krijgen. Wie hebben Carla eigenlijk op de wereld gezet? Wees dus maar
dankbaar. Dankbaar voor het geld dat we in je geïnvesteerd hebben; voor de
kleding, het eten, de medische zorg en het onderwijs. Uitgesproken ondankbaar
is Carla ook nooit geweest, maar ze heeft al wel heel jong begrepen dat ze het
van haar familie niet moet hebben. Het steekt haar dat voor Diana wel een heel
gezin op komt draven. Het zou meer dan genoeg moeten zijn. Carla kan zich niet
voorstellen op welke manier zij nog van enigerlei toegevoegde waarde zou kunnen
zijn.
'Ik weet niet of Diana het prettig vindt als ik in haar
persoonlijke papieren rondsnuffel', verzint ze dus maar gauw, in een
egoïstische poging om deze dreigende last van zich af te schudden.
Ze weet het wel. Diana heeft maar al te graag dat de hele wereld
zich met haar privéleven bezig houdt. Waarom heeft ze het anders altijd en
eeuwig over zichzelf? Direct of indirect. Meestal het laatste, omdat het eerste
zo voor de hand ligt. En het is niet netjes om constant over jezelf te praten,
dat snapt zelfs Diana, dus doet ze het verhuld in haar fantastische
hersenspinsels. Nog geen half jaar geleden, bijvoorbeeld, had ze nog een hele
theorie over de dood. Ze wilde niet dood, legde ze aan Niels uit. Maar ze
hoopte op een soort van monstercomputer tegen de tijd dat haar jaren geteld
zouden zijn. Een superbrein waarmee de neurosystemen van haar hersenen exact
gekopieerd zouden kunnen worden. Haar hele arsenaal van ervaringen, kennis,
potentie, talent en de rest van haar genetische structuur zou dan opgeslagen
kunnen worden in een chip, waarmee ze oneindig gekloond zou kunnen worden. Op
die manier zou ze voor altijd voortleven. Zou dat niet fantastisch zijn? En of
Niels dat fantastisch had gevonden! Wie zou het kunnen zeggen? De wetenschap
staat voor niets. Niels wilde ook wel onsterfelijk zijn.
'Willen jullie mij waarschuwen als het zover is?’, had Carla
gezegd.
Dan pleeg ik zelfmoord, tegen die tijd!'
'Wil jij niet onsterfelijk zijn?', vroeg Niels op een dermate verwijtende manier dat Carla het idee had dat ze iets onvergefelijks had uitgesproken.
'Nee, ik probeer de dagen te plukken tot m'n leven vol is. Ik zou
er acuut mee ophouden zonder bevredigend einde in zicht. Als ik non stop zou
moeten door ploeteren, als een machine zonder creativiteit, dan zou ik mezelf
verliezen in de domme repetitie van de dingen. En al helemaal in een wereld vol
Dianaklonen.'
'Ja, maar, stel je eens voor', fantaseerde Diana verder.
Ze was al zo ver boven de realiteit uitgevlogen dat Carla's pointe
totaal aan haar voorbijging. 'Een computer die een volledige kopie van de mens
zou zijn. Dat zou nog eens vooruitgang zijn.'
'Nou!', schamperde Carla.
'Wat een vooruitgang!. Al sinds de oertijd worden er iedere dag ik
weet niet hoeveel menselijke kopieën gemaakt, geboren en geperfectioneerd.
Waarom baar je geen kind? Dan heb je een kopie van de mens.'
'Maar dat zou ikzelf dan toch niet meer zijn?', had Diana,
teleurgesteld en ontnuchterd, geantwoord.
En zo iemand had zou zichzelf van het leven willen beroven? Wat Carla betreft zat er een luchtje aan, dat ze absoluut niet wenste te ruiken.
'Maar Diana mag je erg graag. Ze vertrouwt je', stelt meneer
Donkers haar gerust.
Zo overtuigd van de waarheid dat Carla hem wel moet geloven. Ze zou er bijna week van zijn geworden als ze niet allang had begrepen hoe weinig zo'n vriendschap feitelijk meer inhoudt dan dat verdomde, gedeelde, beangstigende noodlot. Maar altijd met de keuze tussen het slachtofferschap of de vrijheid. Het is maar hoe je de dood of het leven wenst te concretiseren.
Carla heeft geen vrije toegang meer tot het huis dat ze niet meer bewoont. Om in Diana's papieren te kunnen neuzen heeft ze toestemming van Niels nodig die nog steeds bij zijn moeder schuilt. Hij komt pas terug als Carla het idiote plan om in Harolds voormalige kamertje te huizen heeft laten varen. Carla kan niet anders dan grote minachting voelen voor dat aanhankelijke, kleine jongetje in hem. Bang voor het zwarte gat, dat Carla voor hem op moet vullen, omdat hij niet alleen durft te zijn. Maar wat moet ze met een kind? Een last die ze nooit veel meer zal kunnen geven dan ze zelf ontvangen heeft. In Niels had Carla een gelijke gezien. Niet zomaar iemand waarmee ze samen eindelijk onafhankelijk zou zijn tot aan een tevreden dood. Aan de existentialist in hart en nieren, die Niels vroeger in haar ogen was, zou ze nooit dank of verantwoording verschuldigd zijn. Hij nam het leven, zoals het kwam; nam Carla zoals ze kwam; klein, weinig opwindend geproportioneerd en met geen andere materiële bezittingen dan wat kleding, een fiets, een beurs en een plastic tas met studieboeken. Hij was de eerste die naar haar luisterde en ook wat terugzei. Hij had oog voor haar authenticiteit. Dacht Carla. Als dank bleef ze halsstarrig zoeken naar de zijne. Nu nog kan een oogopslag, een gebaar met zijn hand door z'n haar, een toevallige aanraking, een zithouding of een trefzekere zegswijze van zijn kant, haar verlammend scherp ontroeren, als bij een plotselinge confrontatie met een uit hartstocht gekerfde boomgravering in een luisterrijk maar verlaten bos, waarmee het ongelukkige verloop van een liefdesgeschiedenis zich laat raden. Beelden van Niels in een verwrongen aaneenschakeling van misvormde herinneringen, veelkleurige feiten en wensdromen. Verduisterd door bedekte leugens. Hij had iemand en niet Carla gevonden. Tot Carla's grote schande is zelfs dat, op zulke ogenblikken, bijna genoeg om toch weer toe te geven aan zijn verleidelijke eigenliefde, die ze nu dan eindelijk ervaart voor wat ze is. Een afgebakend domein; een aftandse woning met op elke plek en in elk hoekje de sporen van haar jarenlange poetsdrift. Zoveel nutteloze arbeidskracht. Zo vaak het kleed uit de woonkamer uitgeklopt en uitgerosd met een borstel vol Boboharen, stukjes shag en broodkruimels. Het parket in de achterkamer. Bleek geboend. Zoals de afzuigkap met witte strepen in gele aanslag; ammonia in hardnekkig vuil, elke zaterdag met tranen in de ogen. De muffe geur uit de kelder. Hoe ze ook met geursprays aan de gang bleef. Dennengeur of Lavendel. Vooral in de donkere ruimte achter de trap naar beneden, waar Niels nooit durfde te kijken of voelen, maar waar Carla een opbergruimte vond voor de kerstversiering die daar ook prompt permanent verborgen bleef. Het getrippel van muizen of misschien wel ratten in de kruipruimte. De lichtval van de verschillende seizoenen door de gebarsten ruit van de bemoste, verrotte tuindeur. De belofte van twee mensenlevens, boven in de nok van het dak. Hun tortelduiventil in een eerlijk, oud huis met een verstrooide tuin. Hier onderhouden door Niels en soms door Eric en daar weer ongedaan gemaakt door Bobo. Het hardplastic, slordig opeengestapelde tuinameublement onder het afdak van de schuur, in de sneeuw. De dorre plekken op het grasveld van het leuteren in het groen tijdens drukkend warme, slome, lange, doelloze zomeravonden in de tuin. En de herrie; Oprah Winfrey, het muzikale talent van Eric en de beladen ruzies tussen alle bewoners onderling. Met als antwoord een gure stilte die Carla sinds kort kan voelen, zien en horen vanuit de vensterbank aan het straatraam van haar nieuwe kot. Ondergedoken in een identiek huis met eenzelfde soort mensen. Een studente 'vrijetijdswetenschappen', een illegale Spanjaard van in de veertig, die de hele achtertuin vol Hennaplanten heeft gezet, en nog een miskende, alcoholistische kunstenaar. Uit de tochtkieren van zijn gesloten, met mysterieuze versieringen beschilderde, slaapkamerdeur walmen permanent olieverf- en terpetineluchtjes. Carla is razend benieuwd naar wat er zich achter slot en grendel bevindt, maar ze durft er niet verder op in te gaan, vanwege het enorme schilderij van zijn hand aan de witte muur in de gezamenlijke huiskamer. Een oerwoud van felle kleurperspectieven; knap gemanipuleerd in de traditie van Hopper en Wilmink. Dat is alles wat Carla erover kan zeggen en misschien vindt hij het wel een belediging. In het oude huis zou ze het toch uitgesproken hebben, maar de sfeer hier is anders. Geëvolueerd. Deze mensen zitten elkaar niet eens meer in de weg. Kennelijk hebben ze het allemaal al gehad. Zelfmoordpogingen, afwijzingen, eenzaamheid en machtsvertoon. Geleefd overleefd, en nu leven ze langs elkaar heen. Zonder inwonende huisbaas en met kakkerlakken.
'Het zijn geen torren hoor', zei de alcoholist.
Carla dacht dat hij hallucineerde, dat hij zoiets als roze olifantjes op het behang dacht te zien. Maar de studente heeft er het meeste last van op haar kamer, van kakkerlakken. Onbegrijpelijk. Ze is de meest hygiënische van het stel. Schoonmaken is voor haar geen huishoudelijke arbeid maar een onderdeel van haar studiebereik in de vrijetijdswetenschappen. En als de studente het avondmaal met veel poeha - alleen voor zichzelf - bereidt, dan doet ze in feite haar huiswerk. Bij Niels stond Carla elke avond ongeveer een uur voor gemiddeld zo'n man of vijf gewoon te koken. Dus steekt ze in dit vreemde huis geen vinger meer uit. Ook niet naar de kakkerlakken. Als Carla het licht aandoet in een ruimte die door moet gaan voor badkamer, ziet ze ze bij bosjes wegschieten. Hard, glanzend ongedierte, waar zelfs Bobo op uitgekeken raakt. Carla meet zich de gewoonte aan om hard en vals te zingen onder de douche. Smeekbedes aan het adres van de kakkerlakken om alstublieft uit haar buurt te blijven. Zij is schoon. Ter illustratie blijft ze net zolang onder het iele massagestraaltje uit de met kalk besmeurde douchekop staan tot het warme water uit de boiler op is. Rillerig klopt ze daarna haar handdoek voorzichtig uit. Nooit vindt ze zo nog een achtergebleven, verdwaalde vriend. Ook niet in dat kille bed, waarin ze droomt van zeep klisma's, breinaalden in hompen rauw biefstuk, fietsen op velgen over een weg vol met klinkers of gewoon abortus in een steriele kliniek. Wie zou er nou van de denktank met het bomeffect geloven dat ze ongewenst zwanger was geraakt van de huisbaas? Als ze de kans krijgt ontloopt ze hem. Het lukt altijd op die ene keer na, toen ze nog thuis woonde en Niels haar voor de eerste keer sinds zijn vertrek aanhoudend wakker bleef bellen. Net zolang tot Carla de telefoon vanaf Diana’s sofa toch maar slaperig opnam met de bedoeling om hem met een korte sneer terecht te wijzen. Het lukte niet. Niels was haar voor:
'Luister eens meisje, ik weet dat je me niet wilt spreken of zien,
en God mag weten waarom, maar dit is een zaak van levensbelang.'
Hij klonk zo gejaagd dat Carla visioenen kreeg over rouwdiensten
en begrafenissen van één of van beide van zijn dochters en in de ban van haar
fantasie vergat ze om de hoorn op de haak te gooien.
'De post, Carla, je moet de post nagaan', jakkerde Niels door:
‘Er is een brief bij van mijn werkgever. Vandaag is de grote dag.
Heb je de krant nog niet gelezen? Iedereen heeft bericht gehad. Wie ontslag
heeft gehad en wie niet. Ik heb nog niets gehad. Niet op dit adres, dus moet
jij het hebben.'
'Wat moet ik hebben?', vroeg Carla daas.
'Een brief Carla, een brief van mijn werkgever!', schreeuwde
Niels.
'Ik heb geen brief van jouw werkgever', snauwde Carla op een toon
waarmee ze met overgave probeerde te laten overkomen hoe ver Niels in haar
achting gedaald was.
'Kijk dan bij de post, kalf', schold Niels.
'Kijk zelf bij de post', sputterde Carla beledigd tegen.
Ze verbrak de verbinding nog niet. Ze wilde nog iets zeggen. Iets
in en in gemeens.
'Lieve schat, wil je alstublieft even voor mij tussen de post
kijken of er een brief is van mijn werkgever.'
Niels had zich maar met moeite hersteld. En omdat Carla op dat
moment niet zo gauw een rottige opmerking kon bedenken, richtte ze zich lamlendig
langzaam op en slenterde maar naar de gang, op zoek naar een brief met een
inhoud van levensbelang.
'Nou, ik heb hem in m'n hand hoor, moet ik hem open maken of
zo!?', gaf ze op terloopse wijze aan Niels te kennen, toen ze na tien minuten,
en een kop verse koffie verder, weer terug aan de hoorn verscheen.
Niels produceerde een jankgeluid. Carla genoot.
'Zit er iets hards in?', piepte Niels.
'Iets hards?'
'Ja, een pasje! Een werknemerspasje! Als dat erin zit ben ik
gered!'.
Hij huilde. Zijn stem was een trillend, minderwaardig restje van
zijn vroegere bariton. Carla hield de enveloppe tegen het morgenlicht. In de
rechterhoek was een zwart rechthoekje ter grootte van een bankpasje zichtbaar.
Ze zoog op het puntje van haar duim:
'Ik zie of voel niks', loog ze.
's Avonds is het op de televisie. Opnamen van huilende, pruilende mannen van stavast in hun huiskamers met de schriftelijke afwijzing op de schoot. Vrouw en kinderen in de buurt en nog net in beeld; beteuterd bijeen geklit op van die zwaar eiken, met leer afgewerkte bankstellen op afbetaling tegen steenstrippen huiskamermuren met in het midden een levensgroot anker. Daarnaast een schilderij van een huilend zigeunerkind of een schip in woelige baren omlijst met goudkleurige krullen, toeters en bellen. Vierentwintighonderd ontslagen door het hele land. Niet in een persoonlijk contact, nee, in een standaardbrief, maar met een redelijke afvloeiings- of overgangsregeling van één van Nederlands grootste werkgevers in economische nood. Niels is niet ontslagen. Net niet oud genoeg om af te vloeien, niet jong genoeg om nog ander werk te vinden en te ervaren om zomaar af te danken. Alweer door het oog van de naald. Bloemenkind. Carla's hart klopt in haar keel. Als ze het ziet. Die gewone jongens van haar leeftijd met een gezin en de opgepoetste jonge managers, die, ondanks alle ellende, toch nog een nieuwe loopbaan denken te kunnen trekken met de hulp van headhunters. Hoewel ze allemaal 'best wel' geschrokken van zo'n ‘toch wel' botte, schriftelijke afwijzing. Plotsklaps hard op zoek naar ander werk. Dus desnoods zolang de plantsoenendienst, of voor korte tijd ander werk beneden het niveau. Van dat werk dat voor het oprapen ligt in het simpele wereldbeeld van de werkende klasse. Werkloos zouden ze, naar eigen inschatting, zeker niet lang blijven, want dat overkomt alleen outcast. Randgroepjongeren, gehandicapten en ongeschoolden. Dat laatste spreken ze natuurlijk niet zo uit op t.v.. Ze hebben het over 'willen werken'.
'Als je maar wilt dan kan alles'.
Waar heeft Carla dat vaker gehoord? De reportage eindigt met een laatste vraag van een neutrale voice-over van een onaangeslagen interviewer. Of ze niet allang op de hoogte waren van de dreigende ontslagen? Of deze terugslag niet in de lijn van de verwachtingen lag? Natuurlijk wel, maar niemand is ervan uit gegaan dat het lot hen persoonlijk zou raken. Zo'n onrecht. Ze hebben altijd zo keurig opgepast; gesolliciteerd en geleefd naar een veilige, vaste baan voor het leven. Wat een paniek opeens dus! Bij het regionale arbeidsbureau loopt het geen storm meer, zoals gebruikelijk, maar woedt van het ene op het andere moment een lawine.
'Arme Esmee', vindt Carla toch even.
Dat kan ze helemaal niet bolwerken. Wat een malaise. Carla's malaise.
Maar Niels heeft geen kopzorgen meer en zoekt steeds vaker en agressiever contact met Carla. Ze gaat het uit de weg zoals ze ook probeert niet te voelen hoe de realiteit in haar maagstreek langzaam maar zeker dreigt op te bollen tot een onontkoombaar feit. De dreiging en verleiding van de overgave. Het einde van haar bestaan als individu; mevrouw Maarsen ten opzichte van Eric; Diana ten opzichte van zichzelf en Niels weer veilig onder moeders rokken. Zijn brieven leest ze en legt ze naast zich neer. Licht geamuseerd en tegelijkertijd misselijk door zijn goedkope, achterhaalde, fantasieloze pogingen om indruk op haar te maken met een quasi-doordachte schrijfstijl. Wat Carla betreft is hij zonder meer geslaagd in het klankdichten zonder essentie. Het komt er steeds weer op neer dat hij verschrikkelijk naar haar verlangt. In het ene gedicht als hij 'badend in bedrevenheid blijft bukken over haar beeld' en in het volgende rijmsel tijdens 'het hartstochtelijk hunkeren naar heftig hijgen'.
'En omdat er met vijftig niets jongers meer valt te krijgen',
maakt ze het rijmsel in gedachten voor hem af.
Ze neemt geen telefoon aan en toen ze nog in zijn huis woonde
sloot ze zich op in het toilet als ze zijn sleutel in het voordeurslot hoorde
kraken.
'Ik hou van je Carla', legde hij op verschillende momenten, in diverse varianten, van rustig tot bedaard naar wanhopig en intens zielig en weer terug, aan de toiletdeur uit. Op het laatst had Carla, bij wijze van antwoord, haar huissleutel via de plint onder de deur door naar hem toe geschoven. Praten was eenvoudigweg onmogelijk. Elke klank die Carla richting Niels trachtte te produceren smolt door een brandend zuur in haar strottenhoofd. Maar Niels is terug. Sterker dan ooit tevoren. In zijn vrije tijd helpt hij jonge ex-collega's bij het vinden van een andere baan. Erg succesvol of doeltreffend is hij niet, maar hij houdt de gemoederen verhit tijdens rokerige sessies in zijn moeders nette achterkamer, waarin werkloze jongeren onder zijn leiding hun problemen mogen spuien.
Ze verwacht zijn moeder aan de deur. Zo langzaam en zo eeuwenoud
en mijlenver van Carla verwijderd jong geweest, dat haar niets valt te
verwijten. Niet meer. Ze krijgt sowieso niet veel mee van de wereld, laat staan
dat ze snapt wie Carla eigenlijk is. Misschien één van haar kleinkinderen. Maar
het geluid van de voetstappen in de gang als reactie op haar bellen, is te luid
en rap om van zijn moeder te zijn. Zijn aanwezigheid op dat moment van de dag
heeft ze niet ingecalculeerd.
'Ik kom de huissleutel halen', zegt ze meteen als ze hem voor zich
ziet staan.
De eerste zin valt mee. Het praten gaat makkelijker dan verwacht. Mogelijk ook omdat zijn paardenstaart verdwenen is. Hij ziet er zowaar uit alsof hij gewoon en niet gefrustreerd vijftig is.
'Kom binnen', stelt hij bezorgd voor. 'Dat is me ook wat zeg, met
Diana. Ik wist helemaal niet dat ze een junk was?'
'Je hebt je haar laten knippen', antwoordt Carla, terwijl ze hem volgt naar een huiskamer, waarin bij haar altijd een laconiek soort kalmte optreedt te midden van zoveel, opeengepakte vergeelde, vergane glorie.
Niels verdwijnt in een gigantische, grauwgroene club met zo'n
verschoten, gehaakt kleedje over het hoofdeinde van de rugleuning. Zijn moeder
strompelt naar de keuken, om koffie of thee te zetten. Carla kijkt naar haar
voeten gehuld in kaboutersloffen;
grijze, halfhoge, bontgevoerde, wollen laarsjes. Stapje voor stapje. Onderweg
wordt de beperkte loopruimte haar een paar keer bijna fataal. Mocht ze vallen,
dan klapt ze ongetwijfeld ergens tegenaan. Maar wie weet vindt ze, omringd door
zoveel erfstukken in spé, ten langen leste toch nog voldoende houvast tijdens
het balanceren. Als ze eindelijk de kamer is uitgewankeld vraagt Carla:
'Wat zei je moeder ervan?'
'Je denkt toch niet dat ik haar zulke dingen vertel?!'
Zijn bariton is terug.
'Ik heb het over je kapsel'.
'Oh, ik dacht dat je het over Diana had".
'Diana wil gewoon gehoord worden.' Carla hoort zelf dat het niet
waar is.
Gewoon is niet de juiste omschrijving. Maar Niels zegt niets en bekijkt zijn linker onderbeen over de rechterknie. Zijn ellebogen rusten op de brede armleuningen van de stoel en de vingers van beide handen haken voor zijn borst ineen. Hij weet het dus ook. Een jaar geleden zou Carla daar nog vanalles aan hebben opgehangen. Gelijke zielen. Dat soort nonsens.
'Ik vind het moedig', zegt hij uiteindelijk.
'Zo vind jij dat moedig'.
Carla zit tegenover hem in starthouding in een hoekje van een afzichtelijk vuilbruine, ribfluwelen driezitsbank. Wat zou zo'n ding nou nog gekost hebben in de jaren zeventig?
'Een dure bank geweest zeker?' vraagt ze.
Nu kijkt hij haar aan. Met die onderzoekende ogen van onbestemde
kleur. Vroeger vond ze ze groenbruin. Nu zijn ze koperkleurig koud.
'Is eigenlijk alles wel goed met je', begint hij. 'Soms lijkt het
net of je wegvalt, of je er even niet meer bij bent.'
Hij is eerder op zijn teentjes getrapt dan bezorgd.
'Misschien ben ik wel HIV-geïnfecteerd', oppert ze luchtig.
'Nou ja!'
Even is hij van z'n stuk gebracht. Dan besluit hij dat hij
beledigd is:
'Maar dan toch zeker niet door mij?!'
'Hoe weet jij dat?'
Ze zet haar rug af tegen de leuning van de bank. Wiebelt heen en
terug, heen en terug.
'Carla, lieverd, ik weet toch niet met wie jij allemaal in bed
kruipt?'
Hij bedoeld het niet eens zo kwaad. Elk vogeltje zingt zoals het gebekt
is.
'Bedankt voor de credit, zeg, maar ik moet je teleurstellen, je
bent m'n eerste en voorlopig m'n laatste.'
'Oh, nou, dat is prettig om te horen. Dan ben je dus niet HIV
geïnfecteerd.'
'Hoe weet je dat zo zeker?'
'Condooms.'
'Met gaten', vult Carla aan.
Ineens zit ze stil en grijpt een pakje shag van tafel. Een
marmeren salontafel met ingelegde Delftsblauwe tegeltjes.
'Oh, dat'.
Carla steekt haar sigaret aan, inhaleert en slaat haar benen over
elkaar.
'Je bent een elk geval niet zwanger of zo'.
Hij knikt veelbetekenend naar haar sigaret. Een zwangere vrouw
rookt niet; uit plichtsbesef. Voor het gewicht van de vrucht. Niels staat op en
loopt naar een secretaire vlak bij de keuken:
'Lukt het mama!', roept hij.
Als hij terugkomt, gaat hij naast haar zitten en overhandigt haar een brief. De negatieve uitslag van een aidstest. Recentelijk uitgevoerd. Hij ruikt vertrouwd, naar een mengelmoes van cafeïne, muf gedragen kleding, nicotine en de aftershave die hij vorig jaar Kerst van zijn ex cadeau heeft gekregen. Hij licht de inhoud van de brief verder toe:
'Over drie maanden moet het weer, voor de zekerheid.'
Zekerheid. Hij kan niet zonder zijn eigen zekerheid. Zou dat
egoïsme zijn? Of een gezonde aspect aan zelfliefde? En wat viel daaruit te
leren voor Carla die weinig meer zekerheid heeft te verliezen dan onzekerheid?
Had hij uit onduidelijkheid over zijn baan dan eindelijk die test laten doen?
Om dan maar desnoods met een negatieve uitslag op een aidstest een onwennig
doemgevoel enigszins te kunnen compenseren?
'Waarom heb je het gedaan?'
Ze hakkelt, had net zo goed naakt kunnen zijn.
'Het was niet erg geweest als je zwanger was geraakt', praat hij
voor zich uit.
‘Een kind is zo'n rijkdom.'
'Hoe minder financiële middelen, hoe meer gratis kinderen gefokt',
declameert Carla alsof ze hardop een titel voor een artikel bedenkt. Ze zet de
woorden met twee handen voor zich uit in de lucht. 'Oudedagsvoorziening',
verzint ze nog als ondertitel; voor dovemansoren, want Niels bazelt gewoon
door:
'Het moederschap is het moeilijkste vak ter wereld. En ik zou het
je zo toevertrouwen.'
Als ze het goed begrijpt, moet ze hem dus eigenlijk dankbaar zijn.
'Passief, onbetaald en onpersoonlijk.'
Ze staat op en neemt plaats in de groene club tegenover hem.
'Je zou niet weggegaan zijn.'
Hij is zeker van zijn zaak.
'Je zou het hebben kunnen vragen', stelt Carla er cynisch tegenover.
'M'n zelfvertrouwen stond op losse schroeven.' Het is met nadruk
te horen hoe die gemoedstoestand vanaf nu weer absoluut tot het verleden
gerekend dient te worden.
'Niet je zelfvertrouwen, je baan. Je moet geen appels met peren
vergelijken.'
'Ik merk aan onze jongens hoe die twee termen praktisch synoniem
zijn aan elkaar.'
Kijk eens aan! Zie hem eens gedijen in de rol van hulpverlener!
Waarom heeft ze hem dat nooit eerder bij hem herkent? Geen edeleven maar machtsvertoon. Hier ten
opzichte van de jongens. Onze jongens.
'Ze hebben het heel moeilijk, Carla! Heel moeilijk!'.
'Veel moeilijker dan ik, bedoel je? Geef die sleutel nou maar.'
Ze trekt het zich toch nog aan. De waarden en normen uit zijn wereld. Wat je aldaar als zielig of erg behoort te ervaren. Als hij echt zou leven, dan zou hij weten dat werkloosheid geen gemoedstoestand, maar een modern feit is. Zoals je vroeger nu eenmaal plichtsgetrouw zwoegde, naar de kerk ging, kinderen maakte en weer wat later demonstreerde, vreemdging en abortus pleegde. Geen weg terug. Vooruit, naar de eeuw van de vrijetijdswetenschappen. Op weg naar de toekomst over elektronische snelwegen, waarop ledigheid, uitkeringen, aids, passiviteit en zelfmoord continu de snelheidslimiet zullen blijven overschrijden. Alsof zoiets met wat achterhaalde methodes als ludiek revolteren of seksueel shockeren van de aardbodem zal verdwijnen.
'Ik ben behoorlijk gestoord, Niels. Ik val inderdaad nogal eens
weg. Te vaak eigenlijk.'
Een loze bekentenis om een einde aan het gesprek te maken.
'Met Ella was je beter af geweest. Je had bij haar moeten
blijven', zegt ze nog, voor ze, door op te staan te kennen geeft dat wat haar
betreft het genoegen weliswaar kort, maar krachtig en daardoor toch nog veel te
lang is geweest.
'Nee, Ella is allesbehalve gestoord.'
Het is een ironisch bedoelde uithaal naar zijn ex. Hij kijkt naar
haar op
'Ella is zo gewiekst dat ze pas is opgestapt, nadat haar toekomst
verzekerd was. Financieel. Ze heeft me godverdomme nagenoeg opgebruikt en daarna
ingeruild voor de centen.'
De woorden zijn doorspekt van verbitterd zelfmedelijden. Carla
kent ze van buiten en om het bekende vervolg te voorkomen onderbreekt ze hem:
'En die allesoverheersende kinderen van jullie dan? Waarom was die
rijkdom geen doorslaggevende factor om bij elkaar te blijven?'
Hij grijpt haar hand in een klamme wanhoop grip:
'Tussen ons gaat het lukken Carla, nu wel. Ik hou van je. Je
begrijpt niet hoe het voelt als langzaam de grond onder je voeten verdwijnt. Ik
kan dat niet nog een keer meemaken. Zo aan de rand van de afgrond.
Je moet er voor me zijn, Carla!'
'Als oudedagsvoorziening', concludeert ze opnieuw.
Ijskoud, uit voorzienigheid, omdat hij dreigt te gaan huilen.
'Nee, omdat ik van je hou.'
'Wat is dat, volgens jou, houden van?'
Het zou wel alweer zoiets clichématigs zijn als de optelsom van
geven en nemen. Ze verwacht geen antwoord en vervolgt meteen:
'Neem je Eric terug?'
'Eric? Natuurlijk neem ik Eric terug.'
'En Diana?'
'Als ze het overleeft, moet ze eerst eens een tijdje opgenomen
worden op een psychiatrische afdeling, denk je niet?'
'Ik denk niet meer.'
'Kom op, Carla, geef me een kans, dan kun je meteen ophouden met
dat tweederangs baantje als poetsvrouw.'
Betaald poetsen is inderdaad anders dan thuis de boel aan kant maken. Het is minder neurotisch. Meer met de Franse slag. De voldoening, voor zover die optreedt, volgt uit dat tientje per uur, niet uit het uitroeien van bacteriën. Niet uit het scheppen van orde in de chaos. In de kantoren en scholen waar Carla in de ploegendienst van mevrouw Maarsen poetst, heerst geen wanorde, maar een georganiseerde puinhoop van arbeidsresten in de benauwende geur van centraal verwarmde transpiratie, uitgedroogde nicotine, karton en uitgebannen buitenlucht. Spreuken op de muur, urinedruppels op toiletbrillen, lege w.c. rolletjes, natte handdoeken bij beslagen wasbakken, linoleum vloeren vol vegen en voetafdrukken, vieze of beschreven tafelbladen, koffiekringen, aangekoekte bruine prut in de pot van menig koffiezetapparaat, stapels afwas, broodkruimels, aanslag op de schermen van p.c. ‘s, as in toetsenborden, volle prullenmanden en verdwaalde, gebruikte, klamme theezakjes, inkt op een vloerkleed van een directeurskantoor en soms een vergeten workaholic in een afgelegen kamertje die beschroomd met gebaren smeekt met rust gelaten te mogen worden. De anderen uit de ploegendienst, wat allochtonen en een handje vol bijbeunende huismoeders, accepteren mevrouw Maarsen in de rol van gemoedelijke tante Zus, die ze zichzelf zo ruimborstig toebedeelt. Alleen Carla is de tante Zus van mevrouw Maarsen altijd met de nodige achterdocht blijven benaderen en nu pas, in deze banale werksituatie, begrijpt ze van zichzelf waar haar scepsis op gebaseerd is geweest. Mevrouw Maarsen is een mens, een vrouw, een individu met een flink portie machtswellust verpakt in misleidend, familiair veldbloemetjes cadeaupapier, slecht gepermanent haar en modieuze slobbersokken in praktische werkkistjes. Tot nu toe heeft Carla uit gemakzucht tante Zus maar gelaten voor wat ze was. Nu is het te laat, want nu heeft zij de touwtjes in handen en is Carla in haar klauwen gevangen. Iets wat ze al een hele tijd in zin gehad moet hebben en wat haar zichtbaar veel voldoening schenkt. Zij verdeeld het geld, nauwkeurig en rechtvaardig dat staat buiten kijf, dus tante Zus duldt verder geen tegenspraak. Niet van haar voetvolk, maar ook niet van een onzichtbare koppelbaas. Volgens mevrouw Maarsen een monsterlijke supergluiperd; een rotzak eerste klas, waartegen zij en zij alleen is opgewassen en die, dankzij haar harde optreden, een busje heeft moeten regelen en bekostigen, waarin elke werknemer aan huis wordt opgehaald en weer afgezet. Ook Carla. Juist Carla. Omdat het niet veilig meer is op straat na de nachtdienst en al helemaal niet voor zo'n Hollewaai die vergeet dat ze in het donker ook nog steeds maar een meid is. Mevrouw Maarsen zorgt goed voor haar kinderen. Niels zou verrukt zijn, maar Carla voelt zich beklemd. Ze zoekt heel voorzichtig contact met de allochtonen in het Engels, Duits of Frans. Maar verder dan wat fonetisch stuntelen komt ze meestal niet, omdat mevrouw Maarsen haar dan al overtroefd heeft. Als de nood aan de man komt, blijkt ze namelijk, met het nodige handen-en voetenwerk, nog een aardig woordje over de Turkse- en Marokkaanse grenzen te kunnen spreken ook. Het werk op zich valt nog wel mee; nutteloos, maar in elk geval lichamelijk heel vermoeiend. Carla vergelijkt het maar met sporten. Ze had haar tijd ook kunnen verdoen in een fitnesscentrum. Als poetsvrouw voert ze haar conditie ook steeds verder op en krijgt nog geld toe. En als het werk eenmaal verdeeld is, is Carla alleen. Weliswaar met een zwabber in de weer, of met haar reukorgaan boven de ondoorgrondelijk, geurende diepte van een overbelaste toiletpot, maar ze hoeft tenminste niet meer te praten over niets. Niets wezenlijks in haar hoofd en niets abstracts om haar heen. Ze heeft trouwens net zo min wat te zeggen als die anderen, die zich daar echter niet naar gedragen. Er wordt wat afgelachen en geouwehoerd door de rest die zich, beter dan zij, heeft weten te schikken in hun rol van tweede- of derderangsburgers. Deprimerend; die vijandige saamhorigheid; eensgezind in een minderwaardigheidscomplexiteit. Buitenstaanders zijn altijd meer, beter en van een hogere orde en worden daarom zonder uitzondering uitgebreid doorgelicht en afgekraakt. Het zijn 'zakken' of 'stijfkutten'. Maar bij een directe confrontatie met zo'n 'stijfkut', wordt er gebogen en gebroken, gedweept en gekwijld. Een één voor allen, allen voor zichzelf collegialiteit. Als een verachtelijk overblijfsel van dat wat ze in feite zouden kunnen zijn. Carla is bang voor besmetting, bang om te verdrinken in deze slopende verdoving van stompzinnigheid, routine en spierpijn in de ledematen. Elke dag zestig gulden. Sokkengeld. Handje contantje. Laat je niet pakken! Zwart geld. Het bestaat helemaal niet en toch kunnen Bobo en zij ervan eten en de huur betalen. Ze kan ervan onder de douche. Daarna met een zak zoutjes op de met kurktegels bedekte, koude grond en met Bobo als gratis voetverwarming voor de draagbare zwartwit-t.v. Het leven zonder de kleuren van de regenboog.
'We bestaan niet', zegt Carla tegen Bobo, die zijn oren spitst.
Ze is te moe om op te staan. Te moe om de bladzijden van een boek
om te slaan. Te moe om haar geest te bevredigen. Een leegte die om een inhoud
smeekt in een uitgeput lichaam. Geen wonder dat futiliteiten in de ploeg worden
opgeblazen tot onoplosbare conflicten. Alles is belangrijk en moet bespreekbaar
zijn. En alles wordt bepaald door dat waar de ploeg zich toevallig mee
bezighoudt. Alles is bijvoorbeeld het waanidee dat Carla van mevrouw Maarsen de
lichtere klusjes toebedeeld zou krijgen.
'Maar Carla heeft gestudeerd!', snoert mevrouw Maarsen telkens
weer iedereen tijdelijk de mond.
Maar de jaloezie blijft spelen. Een combinatie van respect voor
haar zogenaamde lef en onbegrip over haar vermeende keuze. Ook bij mevrouw
Maarsen.
'Ik voel me te goed', denkt Carla in het busje van het werk naar
huis.
‘Niet om te poetsen, niet vanwege het werk, maar voor deze
onderdanigheid.’
Naast haar pelt mevrouw Maarsen een mandarijntje. De frisse geur
vermengt zich met beschimmelde transpiratielucht en een zweem van Diesel. Carla
bekijkt de handen van mevrouw Maarsen. Paarsblauw, zoals die van oma. Ze
scheuren het mandarijntje meedogenloos in twee delen. Het eerste stuk verdwijnt
omhoog, de mond van mevrouw Maarsen in. Dan stoot ze Carla aan en schuift haar
het tweede partje in de hand.
'Ik denk niet dat ik het lang blijf doen', fluistert Carla zo zacht mogelijk, vanwege de anderen. Tussen verhemelte en tong perst mevrouw Maarsen haar mandarijntje tot moes. Slikt, kauwt op het resterende vruchtvlees en kijkt opzij door het portierraam naar buiten.
'Je zult wel moeten', zegt ze.
Een paniekvlaag suist als een korte wervelwind door Carla's buik.
'Nee hoor, ik heb nog een sollicitatie lopen', stelt ze zichzelf
gerust.
'En je boete dan?'
Ze vraagt het veel te hard en kijkt Carla hooghartig aan met grote
ogen en hoge wenkbrauwen.
'Nee, zwartwerken!', bekt Carla nog veel harder terug:
'Dat is gunstig voor mijn uitkering!'
Mevrouw Maarsen wendt haar hoofd af, gaat verzitten en duwt Carla
bijna plat tegen haar buurvrouw, een huismoeder die zich prompt nog kleiner
tracht te maken dan ze al is. Een Marokkaan, tegenover Carla, slaat een pagina
van Playboy om en schopt Carla in z'n concentratie, met de beweging mee, tegen
het been.
'Wanneer ga je dan?'
'Au!', roept Carla.
Een andere huismoeder haalt een rolletje boterbabbelaars uit haar
jaszak, neemt een snoepje en bergt de rest zuinig weer op. Het busje hobbelt.
Iedereen zwijgt en iedereen, behalve de Marokkaan, luistert en wacht af. Carla
peutert een half maantje van haar mandarijntje.
'Wanneer ga je dan!', dreint mevrouw Maarsen weer.
'Als ik aangenomen word.'
'Waar?'
'Bij mijn vroegere school.'
'Als wat?'
'Hulpje.'
'Lukt toch niet.'
'Nou, dan ga ik wel, als ik weer een uitkering heb.'
'Wanneer vraag je die aan dan?'
Stilte.
'Wanneer vraag je die aan dan?'
'Morgen, morgen, okay!. En houd er nou alsjeblieft over op.'
Precies op het goede ogenblik stopt het busje bij de woning van
mevrouw Maarsen. Carla dankt het toeval op haar knietjes. Het had er even om
gespannen of mevrouw Maarsen haar gezicht als hooggeplaatst tussenpersoon voor
de ploeg met de nodige heisa zou gaan bewaren. Ze mochten eens denken dat zij
zich door Carla een bevel tot zwijgen laat opleggen! Gelukkig stapt de
chauffeur uit. Geamuseerd en met veel kabaal schuift hij een rolportier voor
haar open. Tijdens haar klimtocht naar buiten houdt mevrouw Maarsen toch nog
een moment halt. Over haar schouder vraagt ze poezelig richting Carla:
'Neem je Eric morgen dan mee?'
'Waarom?'
'Werkweigering.'
Ze zou er echt niet meer van staan te kijken als mevrouw Maarsen ook nog paranormale krachten zou bezitten. Helderziendheid. Want ze heeft natuurlijk gelijk als ze voorspelt dat ook deze sollicitatie kant nog wal zal raken. Ergens is Carla echter onlosmakelijk vergroeid met solliciteren; een omslachtige vorm van zelfkastijding. Zoals sommige mishandelde kinderen zichzelf wat aandoen, omdat ze te klein en afhankelijk zijn om de daders terug te pakken. Vermoedelijk meent ze het niet eens meer. Mogelijk kan ze helemaal niet normaal functioneren. Zoiets als op een christelijke tijd uit bed komen, vormt bij de gedachte alleen al een onoverkomelijke barrière. Laat staan het vervolg. In het ergste geval achtendertig uur per week op eenzelfde kantoor in eenzelfde stoel, achter eenzelfde bureau. Toch is er wel een tijd geweest dat ze ertoe in staat is gebleken. Op een of andere manier heeft ze het volgehouden in de schoolbanken. Kleuterschool, lagere school, V.W.O., universiteit. Daarna de bibliotheek. En al die tijd geloofde ze nog in het nut van alles in het algemeen. Het nut van emanciperen, een betaalde baan, kinderen en zelfs een huwelijk. Toen is het nut, ergens op weg naar nu, zomaar opgelost in het totale niets. Zo totaal dat het niet eens nut heeft om depressief te zijn. De enige levenswijze die geen naweeën geeft, die overblijft, is berusting in simpele geneugten; warme voeten in bed, met Bobo alle weersgesteldheden trotseren, stevige Hollandse kost. Hoe simpeler, hoe veiliger. Blijft echter het keiharde feit bestaan dat zelfs voor deze eenvoudige overlevingsstrategie geld nodig is. Hiervoor kan ze teruggaan naar Niels, doorgaan met solliciteren, of een uitkering aanvragen. Ongeacht welke van de drie opties ze zou prefereren, elke keuze zou de tol van een beroep op haar aanwezigheid eisen. Niet op haar wezen, maar op haar beeld. Een tol die ze niet veel langer meer zou kunnen putten uit die gekte binnenin haar, die niet legitiem is en die ze maar niet in banen kan leiden. Was het hersenmalen maar een halt toe te roepen. Desnoods door de ingrediënten uit te kotsen zoals de maaginhoud van salmonella besmette kipfilet in de verstopte toiletpot. De voedselvergiftiging deed haar in bed belanden, met buikkrampen die zo hevig waren dat ze een moment hoopte dat ze bezig was een miskraam op te wekken. Voor de goede zaak probeerde ze nog rechtop te staan. Het zou het einde kunnen bespoedigen. Aan het boekenplankje boven haar bed hees ze zich in zithouding, slikte een opkomende golf van misselijkheid in, sloeg de dekens van zich af, richtte zich op, probeerde te lopen, maar werd verhinderd door Bobo die, nu ze rechtop stond, tegen haar opsprong, omdat hij al minstens tien uur ongeduldig op een wandeling had liggen wachten. Hij moest zichzelf maar uitlaten. Kruipend en met veel pauzes, lukte het haar net om Bobo door de achterdeur de vrijheid in te jagen. Daarna bleef ze met haar rug tegen de keukendeur op de grond op Bobo zitten wachten, de armen over haar ineengekrompen buik en de knieën tegen haar kin, tegen de snerpende steken en het gierende schuren in haar darmen. Zo moet ze geslapen hebben, want toen ze Bobo eindelijk hoorde piepen en krabben aan de keukendeur, was het schemerdonker en had de tocht onder de plint door een verdoofde, bevroren streep op het gebied rond haar stuitje achtergelaten. Maar de pijn in haar darmstreek was minder. Voorzichtig richtte ze zich op, om samen met Bobo de terugtocht naar haar kamer te aanvaarden, waar ze samen, bij gebrek aan anders, hondenkoekjes deelden. Het smaakte naar kroepoek. Het was goed te eten. Een gemoedelijke roes. Totdat mevrouw Maarsen haar weer met beide benen op de grond zette met crackers en instant tomatengroentesoep. Opgelost in kokend water in een grote witte beker die mevrouw Maarsen, met haar praktische, vooruitziende blik, eveneens van thuis had meegebracht en waar in schreeuwerig, roodoranje ingebrand handschrift op stond te lezen:
'Voor mama.'
En Carla probeerde zo min mogelijk te praten, zo licht mogelijk te ademen en zo klein mogelijk te leven, zodat niemand het zou merken. Dat ze toch nog dommer is dan een ezel. Dat ze niet twee, maar al meer dan vijfhonderd keer tegen dezelfde steen aan was gelopen. Desondanks stak het droombeeld groezelig, vervaagd maar hardnekkig uiteindelijk toch weer de kop op. Bij de gratie van Bobo, een verfrissende herfstnacht en het gegeven dat ook die buikkrampen wegkwijnden en ze zich een dag later al niet meer kon herinneren hoe het geweest was om die pijn te verduren. Het gevoel was gebagatelliseerd; de darmklachten waren verdwenen. Afdoende reden om opnieuw zondig genoeg te zijn door zich boven al die andere vijftigduizend werkloze academici verheven te wanen. Om zich, tegen elk gezond verstand in, toch weer te laten misleiden door die latent aanwezige, smeulende geldingsdrang; langzamerhand gereduceerd tot een bescheiden wens om mee te mogen doen aan iets wat haar kennelijk ontbeert. Dat nutteloze iets dat lang geleden was opgehouden haar recht te zijn en wat dit keer weer nieuw leven in werd geblazen door een vacature in de Volkskrant. Een functie als assistente in de opleiding bij haar afstudeerdocent; hoogleraar in de letteren en vooraanstaand literair criticus. Het onderwerp waarop de toekomstige assistent, man of vrouw, dient te promoveren, sluit precies aan bij Carla's afstudeerproject.
Carla is afgestudeerd met een project over verschillende interpretatietechnieken. Als ze tijdens deze onverkwikkelijke afstudeerperiode al had geweten hoe schamel ze vier jaar laten in het leven zou staan dan was ze beslist anders omgegaan met de begeleiding van haar hoogleraar. Ze benaderde hem met terughoudende vijandigheid vanwege zijn hoge titel. Een reactie op haar opvoeding waarbij respect voor van alles en nog wat de boventoon voerde. Het was er bij Carla op een onnatuurlijke wijze, stelselmatig ingeramd. Logisch dat het er nu behoorlijk gedeformeerd uitkwam ten opzichte van een professor die geen enkele gedragscode aangaf maar gemakshalve uitging van zijn persoonlijke, natuurlijke overwicht, die Carla geen millimeter op weg hielp. Ze werd in het diepe gegooid en rommelde dus maar wat in de marge. Zo vermoedde ze dat ze niet geacht werd hem te belasten met dezelfde dringende, domme vragen die allang door minder heiligen onbeantwoord waren afgedaan als overbodig. Kennelijk moest ze keurig afwachten en geloven dat hier de antwoorden vanzelf wel zouden komen, door een klein achterdeurtje in het kantoor van de professor, dat zich bevond in een bijgebouw van de universiteit. Een muisgrijs kamertje met een boekenkast, een tafel en maar één stoel. Elke bespreking begon dan ook met een struinen van de professor door de hele dependance naar een stoel voor Carla, die toch ook moest kunnen zitten. Hoewel ze best had kunnen blijven staan, want de besprekingen duurden nooit langer dan een uur. Carla stond alweer, even verward als altijd, aan de verkeerde kant van zijn hardboard deur, voor ze goed en wel in de gaten had dat haar project aan de orde geweest was. Waar bleven de levenslessen, liefdesverklaringen, complimenten, kortom; de wetten van Connie Palmen? Waarom hielden die besprekingen zo weinig in? Of waren ze van een dermate hoog niveau dat Carla het weer eens niet kon bevatten? Ze hadden haar niets anders opgeleverd dan de lauwwarme, zoetzure smaak van ongenoegen en teleurstelling. Dat wat ze inleverde was altijd goed, met hier en daar een kleine kanttekening. Ook alleen maar omdat hij de hoogleraar was en zij de studente. Zijn kritiek was nooit te plaatsen. Het leek net of hij haar en bepaalde literaire theorieën niet begreep. Maar dat durfde Carla niet echt te geloven, want hij was toch de professor, intelligent genoeg om zo nu en dan zelf in te zien hoe ad hoc hij bekritiseerde om dan met veel bombarie en lucht op een ander onderwerp over te gaan. Carla kon dan weleens per ongeluk op het vorige terugkomen, omdat zij wel nederig genoeg was om voor haar onbegrip uit te komen. Hij zweeg verstoord, bladerde kriegelig in haar manuscript, schudde zijn hoofd en verwees naar een ander probleem, op een andere pagina. En Carla vergaf het hem. Ze was het wel agressiever gewend, van andere professoren die machtig, groots en patriarchaal de scepter zwaaiden en geen enkele tegenspraak dulden, door studenten gewoon dood te zwijgen of door ze te overstemmen met een overstelpende hoeveelheid aan feitenkennis, waar een jurk als Carla niets tegenover kon stellen. Behalve een wegkwijnend nasputteren achter in de bovenste rij van de college-arena, met alle gezichten van de studenten in de rijen onder haar naar boven gericht, haar kant op; misnoegd. Zoals het effect van de verzameling vochtplekken op de zoldering. Deze hoogleraar was milder. Zijn manier van regeren bestond uit een schijnbare bereidwilligheid om haar serieus te nemen, afgezwakt met een verontschuldigend soort, beleefde autoritaire houding, waarmee hij ongezegd trachtte uit te stralen waarom hij vanuit zijn positie uiteraard niet volledig met haar mee kon gaan. Zijn zwakheid liet zich met name verraden door zijn persoonlijke benadering, die vier keer verschillend was. Vriendschappelijk, verstrooid, flirterig en lacherig. En zo leerde Carla hem accepteren als een mens, met wie ze begaan had kunnen zijn in een andere machtsverhouding.
Zijn gezag had ze liever niet bestreden. Het was zo schattig instabiel. De verleiding om te bezwijken was zo groot. Hij; in outfit van de Society Shop, een gouden zegelring om de pink en een Bigpen in de verzorgde, gemanicuurde, pianospeler handen, had maar weinig meer hoeven doen om Carla voor zich te winnen. Een onbenullig studentje in haar spijkerbroek met gaten en een herenblouse van haar partner, met een zilveren Parkerpen in de startblokken. De afgekloven, eeltige vingertoppen van een kritische, maar bevlogen kameraad voor het leven in spé. Voor een klein stapje terug; een teken van herkenning. Het bleef uit. Daar in dat bescheiden kantoortje van die afgelegen universiteit. Veel minder prestigieus dan de universiteiten van Amsterdam, Utrecht, Leiden of Groningen. Gebouwen waar hij merkbaar liever een stoel had gehad. Een trouwe fan van zijn werk zou ze nooit geworden zijn. Maar als hij gewild had, dan zou ze een heel eind met hem meegegaan zijn. Alles wat hij nu had bereikt heeft, is dat ze hem met ongedurige desinteresse volgt in literaire discussieprogramma's op de televisie en radio, waar hij op dezelfde timide manier, als met Carla onder vier ogen, zijn mening verkondigt. Een intolerante mening, eigenlijk. Als je goed luistert. In wezen veel moeilijker te weerleggen dan de opvattingen van de meer branieachtige hoogleraren, die Carla tijdens haar studiejaren zo verfoeid had maar die achteraf veel oprechter lijken in de brutale wijze waarop ze zich het literaire gelijk openlijk, ten opzichte van die domme studentjes, zonder meer toe-eigenen. Bij die hoogleraren had ze tenminste geweten waar ze aan toe was. Waar ze zich precies druk om moest maken. Ze kan zichzelf wel wat doen vanwege dat trage inzicht. Ze heeft zich wel heel makkelijk laten misleiden door een vriendelijk woord en een aangeboden vinger met een gouden zegelring. Uit wraak leest ze zijn wekelijks gepubliceerde boekbesprekingen al jaren niet meer. Niets verloren en tijd gewonnen, want toen ze bij hem afstudeerde las ze de kritieken alleen uit plichtsbesef. Zijn boekenvoorkeur is niet de hare en zijn analyses doen haar nog minder dan de strekking van zijn colleges. Hij wil terug naar af. Terug naar het lyrische, literaire salonleven uit de romantiek. Er moet veel meer gelezen worden. Dat draagt hij in alles uit. Zelfs met zijn uiterlijk, waar Carla eerst nog zo onnadenkend voor overstag was gegaan; voor 'de Byronische held' nota bene; de belezen edelman die de ouderwetse leescultuur zal hoeden voor de ondergang door de moderne mensheid te betichten van luiheid omtrent het lezen. Omdat hij het nou toevallig een uiterst serieuze aangelegenheid vindt en dat ook als zodanig in zijn theorieën verwerkt, die Carla daarom regelrecht belachelijk vindt. Ze kan zich niet voorstellen dat zijn puriteinse invulling van de literatuurwetenschap erg veel potentiële lezers zal stimuleren om vaker een boek ter hand te nemen. Ervan uitgaande dat iets in die trant ook zijn bedoeling is, want zijn hele optreden heeft meer weg van een cultureel paradefestijn, waarbij buitenstaanders mogen toezien hoe literair en kunstzinnig deze deskundige uit het boekenvak wel naar voren treedt dan van poging om meer mensen aan te zetten tot lezen. Een beetje meer uitnodigende flair zou wonderen doen voor eventuele liefhebbers, die nu liever een bioscoopje pikken of desnoods de marathon lopen dan zich aan zoiets hoogstaands als literatuur te wagen. Zwaarmoedige verhalen bij de centrale verwarming. Wat is daar nou de lol van, na een hele werkweek van zwoegen, zweten en echte problemen? Maak dat maar duidelijk aan de mensheid. Een knappe man die dat kan. Naar mening van Carla. Maar boks maar eens op tegen het gezag van een hoogleraar, die stekeblind voor de eigen tekortkomingen, zonder blikken of blozen anderhalf college-uur lang op slaapliedjesmelodie kan doorzagen over bijvoorbeeld de kunst van de voordracht. Carla is nooit echt tegen hem ingegaan en is ook niet van plan om dat in de toekomst wel te doen. Op geen enkele manier. Volstrekt tegen haar natuur in. Voor één keer in haar leven. Om het af te leren. Met de stroom meedrijven. Roeien met de riemen die je hebt en nog veel meer van die onzin om haar eigen capitulatie te vergoelijken. Wat kan ze anders dan zijn gebreken door de vingers zien ten opzichte van het belang van zijn positie en stem? Dezelfde stem die vier jaar geleden, op de dag van de buluitreiking zo over haar te spreken was geweest. Dezelfde stem die straks doorslaggevend zal zijn bij de eindbeslissing over de aan te stellen, toekomstige assistent in de opleiding. Ze leest de advertentie een kleine tien keer door en vraagt zich twintig maal zo vaak af of ze nou wel of niet moet solliciteren? Of ze zich nou wel of niet zal onderscheiden van de te verwachten enorme concurrentie als 'één van zijn beste studentes', zoals hij haar toen, tot Carla's zoveelste en grotendeels verontwaardigde verwarring, roemde. Verontwaardiging omdat ze er tot dan toe nooit wat van gemerkt had, dat ze zo goed was. Maar ze hield het in haar achterhoofd. Als een kostbaar kleinood. Eén van de weinige illusies die ze zichzelf nog toestond te koesteren en zelfs op afstand in stand hoopte te kunnen houden door hem in de loop van de jaren schriftelijke kennisgevingen toe te zenden van zowel haar gepubliceerde als afgewezen literaire probeersels. Nooit kreeg ze een reactie, maar hij bleef haar imaginaire kruiwagen. Die moest je toch hebben? Iemand die in je geloofde en voor wie je bestond? Voor hem zelfs als 'één van zijn beste studentes'. Het liefst had ze het zo gelaten. Maar na vier verstreken jaren was het nergens meer tussen te voegen. Het stond los van alles. Van de verwarring, de realiteit, van de rechtvaardiging van Carla's huidige wereldbeeld. Het moest sneuvelen of overleven. Het moest worden afgemaakt.
Hij herkende haar direct:
'Dag Carla'
Aan de andere kant van de lijn vocht Carla met de toon die ze nu moest zetten. Ze was stellig van plan om flink te slijmen, maar ze kon geen enkele vraag of opmerking bedenken waarmee ze hem naar de mond zou kunnen praten. Ze had wel van anderen begrepen dat opbellen, alvorens schriftelijk te solliciteren, altijd zinnig is. Waarvoor is nooit helemaal duidelijk geworden. Het was toch ja of nee. Nee, eigenlijk. Dus vroeg ze maar of het nut had om te solliciteren. In hoog beschaafd Nederlands, wat nogal gemaakt over moest komen. Hij reageerde namelijk helemaal niet. Misschien moest de benadering amicaler. Ze vervolgde in haar dagelijkse Brabantse dialect met de vraag of ze niet al iemand anders op het oog hadden. Zo leuk was het niet om weer gekeurd te moeten worden. Dat laatste was misschien niet erg kies in het kader van de geplande stroopsmeerderij maar het was ook meer bedoeld om zichzelf te overwinnen dan om de hoogleraar te overtuigen.
'Niet geschoten is altijd mis', merkte hij diepzinnig en charmant
op; weinig uitnodigend gearticuleerd.
Hij was zich absoluut onbewust van Carla's positie en zat met z'n gedachten overal, behalve bij het telefoongesprek met deze voormalige studente. Waarschijnlijk dacht hij aan de te verwachten spritsen bij de koffie of aan iets anders. Met een beetje mazzel waren het vandaag krakelingen. Of nog beter: negerzoenen. In ieder geval was de reden van zijn geestelijke afwezigheid aanzienlijk belangrijker dan Carla. Zo wist ze nog niets. Ze wou dat ze eindelijk eens gewoon kon janken. In plaats daarvan typte ze weer een intelligente brief. Nummer vijfhonderdvijfentwintg. Het moest maar eens de laatste zijn.
In huis hangt een geur die Carla nog het beste in een mortuarium
kan plaatsten. Het soort lucht dat om Bobo heen hangt als hij dringend gewassen
moet worden. Het ligt ook inderdaad aan Bobo en zijn afwezigheid. Dat blijkt
wel als ze midden in de huiskamer staat en zwarte kriebelende, bewegende
puntjes uit het vloerkleed naar omhoog, op haar met stretchspijkerstof bedekte
onderbenen springen. Vlooien. Honderden. Verstrooid veegt ze met elke schoen
een keer haar beide kuiten af en neemt de rest van het stelletje mee naar
boven, de trap met de koningsblauwe loper op, naar Diana's kamer. Toen Diana
zomaar wegbleef en het er naar uitzag dat ze voorlopig niet terug zou komen,
heeft Carla haar vertrek tot werkkamer gebombardeerd, om niet meer op de
zolderverdieping te hoeven toeven. En de p.c. van Niels was net iets te zwaar
om helemaal van de duiventil naar de huiskamer te vervoeren. Diana's kamer was
het dichtstbijzijnde alternatief, hoewel weinig aantrekkelijk en nog minder
praktisch door de uitbundige inrichting. Daarom verkoos ze ook te slapen in de
huiskamer, op de sofa, totdat ze kon verhuizen naar de buren, samen met haar
vlooienbaal, die hier zijn sporen dus nadrukkelijk heeft nagelaten. Dankzij
Carla nu ook in Diana's hoogpolige taupe getinte tapijt. Het kriebelt. Voor
vlooien moet Diana's kamer wel haast een paradijs zijn, met al die
Xenosprullen, exotisch bedoelde kleden aan de muur en met die stoffige
aquamarijnkleurige geweven sprei uit Mexico.
'Een grote meisjeskamer', noemde Niels het ontroerd.
Wat Carla betreft voldoet het precies aan haar voorstelling van een peesruimte uit een hoerenkast voor intellectuelen. Het zoeken naar Diana's papieren wordt, zoals verwacht, een oninteressante strooptocht door een keur van persoonlijke bezittingen, waarbij Carla allerlei wetenswaardigheden zwart op wit over, van en door haar lotgenote te verteren krijgt, waarvan ze allang op de hoogte is of die ze anders wel vermoedde. Haar doctoraaldiploma en de puntenlijst. Absurd hoge cijfers. Een foto van Diana en Niels van voor Carla's komst. Een innige omhelzing. Niels heeft de jas van Diana aan. Niels gehuld in Beertjeswol. Lachen, joh. 'Dat waren nog eens tijden, mooie meiden', placht Niels altijd nostalgisch te kwelen bij de herinnering aan de tijd dat Diana en hij elkaar nog konden verdragen. Totdat Niels Diana zag voor wie ze is. Een leeg omhulsel. Zegt Niels. Carla weet niet wat ze moet geloven. Hoewel Diana bekend staat om haar voorkeur voor kleurlingen. Eénmaal per jaar zoekt ze ze uit in haar lievelingsvakantieland. Daarvoor heeft ze heel lang een zinderende, langeafstandsliefde voor een Hindoestaanse jongen uit de hoogste kaste van de Surinaamse gemeenschap gekoesterd. Als hij voor een paar weken naar Nederland kwam en Diana met hem uitging, moest ze vier meter achter hem blijven lopen, omdat hij al uitgehuwelijkt was en hier weleens een geïmmigreerd familielid tegen het begeerlijke lijf zou kunnen lopen. Ze heeft nog wel zo'n twintig foto's van hem netjes gebundeld met een rood strikje. Op het bovenste kiekje prijkt hij naakt met de trotse pracht van een penis erectus.
'Mjammie', denkt Carla, terwijl ze de overige blote plaatjes
bekijkt.
Totdat ze eng wordt van die fotografisch vastgelegde tragedies.
'Geluk creëer je zelf', zei Diana duizend en één maal hardop tegen Carla, omdat voor haarzelf het tegenovergestelde geldt en ze niet weet hoe ze die hang naar dramatiek van zich af moet schudden. Carla zoekt haastig naar een jute zak, of een andersoortige tas in Dianastijl om de vergaarde rotzooi in te keilen als ze plotseling een uitgeprinte brief met haar eigen naam boven in de afzender in handen krijgt. Het is haar meest recente sollicitatiebrief naar de vacature van assistente in de opleiding. Ze moest hem nog maar eens lezen om tot rust te komen. Om zich los te maken van Diana's astraallichaam en van deze gewilde zorgeloosheid. Dit teken van wanhoop in de vorm van een inrichting met een persoonlijk tintje, zoals dat hoort in de ogen van het onbegrepen intellect en Diana's zwarte prins op het witte paard. Een orkestleider, rechter, psychiater of een kunstenaar. Niet zo één als bij Carla in huis maar een echte. Zonder alcohol, met succes en veel pigment. Hij zou hier binnenkomen en zich direct thuis voelen. Alles is op hem voorbereid en daarom zal hij haar in een mum van tijd tot zich nemen op die schijnheilige aquamarijnkleurige sprei. Aquamarijn; de edelsteen met bijzondere natuurlijke kracht van vriendschap. Deze sprei is een leugen. Zo ook de inhoud van Carla's sollicitatiebrief, waar ze dan ook niet ontevreden over kan zijn. Het geheel is zakelijk met een gematigd enthousiaste ondertoon en een uiterst wetenschappelijk verantwoorde motivatie. De brief 'loopt'. Op één zin na dan, die Carla twee keer moet overlezen voor ze zelf begrijpt wat ze eigenlijk wil zeggen:
‘Zoals u weet biedt een specialisatie in de literatuursociologie
een dermate uitgebreid pakket aan mogelijkheden, dat een keuze voor cursussen
die grotendeels verband houden met uw onderzoeksproject, in mijn geval een zeer
gedegen overzicht in het functioneren van een literaire institutie hebben
opgeleverd.'
Vol afgrijzen gooit Carla de brief van zich af, neemt het
A-viertje weer op, en gooit het weer weg, verfrommelt het en strijkt het weer
glad. Ze leest de gekunstelde zin ontelbare malen over; analyseert het
geschrevene, probeert er iets van te maken, maar het blijft een nonenszin. Een
gevoel van grenzeloze schaamte overweldigt haar. Ze wil huilen en lachen
tegelijk. Ze grijpt in haar kapsel, blijft een paar seconden roerloos voor zich
uit staren, bijt op haar nagels, staat op van de bureaustoel, struikelt over
een houten nep Nefertiti, die door Diana ter ere van de Egyptische oudheid
precies in de loopgang is geplaatst, en gaat weer zitten. Onder haar borsten
woedt een oorlog van over geactiveerde ingewanden. Haar hart verplaatst zich
van haar hoofd tot naar haar kleine tenen en laat in haar hele lichaam een
zeurderig, pijnlijk kloppen na. Totdat de paniek heel langzaam wegebt en een
verslagen, bibberig, slap bewustzijn bij Carla achterlaat. En een enorme jeuk,
geconcentreerd op haar blote hielen. Met een verbeten blik en doelgericht slaat
ze met vlakke hand op de plek des onheils en vermoordt een vlo, waarna ze het
lijkje tussen de nagels van duim en wijsvinger kapot knapt. Een rood pikkeltje
van haar eigen bloed raakt de aanhef van de verfomfaaide brief:
'Een verloren zaak', zegt ze en zet de p.c. aan.
'Weledelzeergeleerde heer'
'In de veronderstelling dat ik, als oud-studente, bij u tot nu toe een zeer goede indruk heb achtergelaten, hoop ik nu een beroep op uw integriteit te kunnen doen. U bent gewend aan onberispelijk taalgebruik en van mij hebt u nooit anders tegemoet mogen zien. Helaas is echter in mijn sollicitatiebrief naar assistent in de opleiding een zinsconstructiefoutje geslopen. Aangezien ik weet dat u niet de enige bent die mijn schrijven onder ogen zult krijgen, zoudt u mij enorm verplichten als u bereid bent om een nieuw, dit keer feilloos schrijven, dat als bijlage aan deze brief is toegevoegd, voor de oude, foutieve, schriftelijke sollicitatie te vervangen. Het zou voor mij onverdraaglijk zijn als ik vanwege een dergelijke slordigheid al bij voorbaat zou worden afgewezen. Zelfs voordat andere letterkundigen zichzelf de kans hebben gegund om mij en mijn capaciteiten van dichtbij te beoordelen.
En de nonenszin wordt:
'Zoals u weet biedt een specialisatie in de literatuursociologie
een uitgebreid pakket aan mogelijkheden. In mijn geval heeft dat geleid tot een
keuze voor het volgen en afronden van cursussen die grotendeels verband houden
met uw onderzoeksproject.'
Ze leest het niet meer over, liever zo min mogelijk geconfronteerd
met zo'n expliciet geuite, totale vernedering. Dat gaat zelfs voor een
masochiste als Carla een beetje ver. Ook de gedachte dat het de laatste keer
zal zijn is niet bepaald een troost bij deze gewaarwording van ontwaarding in
terminale fase. Hierna is er niets meer te ontbinden. Zelfs het beeld dat
anderen van haar zouden kunnen hebben staat niet meer overeind. Ze zoekt een postzegel
en een envelop, onwaarschijnlijk, maar misschien toch in één van de onoverzichtelijke,
overvolle bureaulades van Diana. Willekeurig grabbelt ze in de papiermassa en
vindt zowaar een envelop. Met inhoud. Zo'n overbekende dikke brief. Een
afwijzing. Gericht aan Diana. Zij bewaart ze dus niet op datum, zoals Carla dat
doet. Alle vijfhonderdvierentwintig in van die grote blauwe ringmappen;
gestolen uit de bibliotheek van het emancipatiebureau. Dit is er maar één aan
het adres van Diana. Ongetwijfeld heeft ze er meer. Kapot gescheurd, weggegooid, verbrand desnoods,
maar onuitwisbaar opgeslagen in dat blonde hoofd.
'Geen leeghoofd', denkt Carla met de briefomslag in haar hand.
De afzender is de directie van de penitentiaire instelling.
'Zo goed als aangenomen', beloofde Harold.
Ze hoeft de inhoud niet te zien om te weten hoe kort aangebonden Diana de wacht wordt aangezegd. Toch steekt ze behoedzaam haar rechterhand in de losgescheurde omslag en vouwt de inhoud voor zich op het bureau open.
'Geachte mevrouw Donkers'
'Zoals reeds telefonisch aan u is medegedeeld, moeten wij u, naar
aanleiding van het gesprek op vrijdag 7 oktober j.l. voor de functie van
Referent Bibliotheekactiviteiten, helaas mededelen dat onze voorkeur uitgaat
naar één van uw mede kandidaten.’
‘Uw sollicitatiebescheiden zenden wij hierbij retour'.
Haar neus loopt vol. Eindelijk. Met het puntje van haar tong vangt
ze zoute druppels in haar mondhoek op. Natte sporen via haar ogen over de
wangen. Geen vechtersmentaliteit. Diana;
het schoolvoorbeeld van pure overaanpassing.
6.
De wachttijd voor een afspraak bij de sociale dienst is zo lang dat er voor een snelle afhandeling van dringende zaken niets anders opzit dan het gebouw op goed geluk, op een doordeweekse morgen, een bezoek te brengen. Het moet voor potentiële bezoekers die, naar publieke opinie, toch niets nuttigers te doen hebben dan rond te hangen bij overheidsinstanties, toch een fluitje van een cent zijn om even op de bonnefooi aan te komen. Te voet, op de fiets, met de auto, de bus of de taxi, al naar gelang het betreffende slag mensen; tijdelijk, langdurig of vrijwillig werkloos, al dan niet uitkeringsgerechtigd. Bij de receptie van de sociale dienst aangemeld, krijgen de bezoekers vervolgens een nummer; persoonlijk overhandigd door een baliemedewerker - man / vrouw - , of door de portier, maar in geen geval uit zo'n apparaat. Dat zou het sociale image van de dienst niet ten goede komen en daar is dan met zekerheid niemand mee geholpen. Met zo'n nummer wordt iedere werkloze ingedeeld in een afdeling en een sectie. Carla is nummer acht van de sectie; 'langdurig werkloze academici', afdeling zes; bijzondere gevallen met de specificatie; frauduleus. Een frauduleuze, werkloze academica. Altijd nog beter dan een 'ongeschoolde, langdurig werkloze werkweigeraar', het hokje van Eric. Vier afdelingen onder haar, met nog negentien wachtenden voor hem, wat nogal wat trappen lopen van hem vergt, want hij blijft maar op en neer rennen om te controleren of Carla misschien niet toch eerder aan de beurt zal zijn dan hij. En hij durft niet alleen. Bij wijze van grap vraagt Carla nog of hij, met het oog op zijn zwakke rug, niet beter de lift kan gebruiken. Tien minuten later staat hij weer voor haar. Minder buiten adem. Hij heeft haar advies opgevolgd.
'Blijf nou maar bij me', raadt Carla hem.
'Ik ga straks wel met je mee naar beneden.'
'En als m'n nummer dan al aan de beurt geweest is?', vraagt hij
gejaagd.
Zwaar ademend met zweetparels op het voorhoofd.
'Je zou eens wat minder moeten roken en ga alsjeblieft zitten,
direct krijg je een hartaanval.'
Ze meent wat ze zegt. Hij is zo mager, zo blauwbleek en breekbaar.
Hij lijkt eerder een dwangarbeider dan een skinhead; kaalgeschoren onder een
LA-Raiders pet met de klep naar achteren. Dus de verkeerde muts en ook geen
slobber streepjespyjama maar in een straatmode van veel te groot, over elkaar
heen en ongewassen. Toch mag het maar een saillant detail heten. Eén van de
vele kleine afwijkingen in het beeld dat hij oproept en die waarschijnlijk
voorkomen dat iedere buitenstaander daadwerkelijk overtuigd raakt van het
vermoeden dat hij welhaast zojuist ontsnapt moet zijn uit een werkkamp in
Siberië. Hij draagt versleten, grauwe Nike Airmax gympen; blikkentrekkers; half
dichtgeknoopt met hele grote, uitstekende schoentongen, waarvan het doel en de functie
Carla te enen male ontgaan. De broek, waar hij drie keer in past, draagt hij
omgekeerd, met de gulp van achteren en een touw om de taille om te voorkomen
dat het kruis nog verder dan tot z'n knieholtes naar beneden zakt. Eric zelf
beweert dat hij geen skinhead is, maar een 'Gabber'.
'Een soort combinatie van een skinhead en een 'headbanger', dus',
vroeg Carla nog, omdat ze zich meende te herinneren dat headbanging iets met
satanisme van doen heeft.
En Eric is altijd op één of andere manier met doodshoofden en hakenkruizen in de weer. Maar hij verwerpt die omschrijving. Eric is de Gabber onder de gabbers. Niet iets om trots op te zijn, want gabbers hebben bij de gewone mensen van Niels over het algemeen een mogelijk nog slechtere reputatie dan skinheads. Dat vindt Eric wel weer een probleem. Of, om het met z'n eigen woorden te omschrijven; hij vindt het kut. Maar fuck you, want hij is nou een maal in technotrance. Een ware liefhebber van housemuziek en XTC; het bewustzijn veranderende middel bij uitstek. Zonder motivatie, geen idealisme, geen achtergrondgedachten. En voor deze negatieve bijwerking van het snelle modernisme, voor deze microbios, deinzen de overige wachtenden werklozen nauwelijks merkbaar, maar voor gevoelsmensen als Carla en Eric desondanks bespeurbaar genoeg, terug. De algemeen heersende blik in het oneindige wordt star, minder bereidwillig om beleefd voort te borduren op een mogelijke ingang van deze of gene tot een intellectueel gesprek. Men is niet langer onder elkaar als homogeen groepje 'werkloze academici', weliswaar ingedeeld in de sectie 'bijzondere gevallen', maar daarom nog niet minder democratisch bevooroordeeld ten aanzien van zo'n skinhead. Maar Eric heeft zijn kop geschoren, of laten scheren, om niet langer alleen, maar in conclaaf in extase te kunnen raken.
'Eric rookt', zegt mevrouw Maarsen, maar op ongeveer de helft van
de momenten waarop Carla hem meemaakt, verkeert Eric in een soort nevelige
toestand die nicotine - of hasj - alleen nooit teweeg kan brengen. Carla kan
het weten.
Ze is een heuse kettingrookster, zoals dat een eenzame, onbegrepen intellectueel betaamt. En als een zichtbaar lid van de klasse van geletterde dames, houdt ze haar steile pieken al jaren met een goedkope, imitatieleren haarspeld en een houten stokje bij elkaar in een Simone de Beauvoirknotje. Omdat academici nou eenmaal ook uiterlijk herkenbaar wat beters te doen willen hebben dan kostbare uren verslijten in een dure kapsalon. Zo is Eric dus kaal om met overgave op te kunnen gaan in zijn vriendenkring van hersenloze gabbers. Simpele zielen die even goed en met evenveel overgave en onverstand lid van één of andere geloofsgemeenschap of de regionale amateurvoetbalvereniging hadden kunnen zijn. Als men ze daar had willen hebben. Nu bestaat hun onderlinge verbintenis uit de gezamenlijke behoefte aan wraak met een houding die op de televisie wordt afgekeurd en dus zeer waarschijnlijk eveneens door negenennegentig procent van buiskijkend Nederland, waaronder ook hun ouders. Skinheads, headbangers en gabbers worden ernstig serieus genomen. Ze zijn beangstigend en bedreigend. Kicken toch? Eindelijk vulling voor de leegte van de werkloosheid. Dus hitsen ze elkaar op straat nog verder op, slopen autospiegels, schelden of slaan voorbijgangers verrot en uiten luidkeels lijfspreuken als:
'I am glad, Elvis is dead', uiteraard met de Elvisbende in de
directe nabijheid.
Carla heeft Eric in feite maar één keer een werkelijk
opportunistische uitspraak horen doen. En tot op de dag van vandaag betwijfelt
ze of hij wel wist wat hij zei. Of hij überhaupt echt begrijpt dat provoceren
ook gevolgen heeft en dat het meer inhoudt dan alleen maar schoppen.
'Heil Hitler', schreeuwde hij onnozel toen zijn moeder hem op haar gebruikelijke bazige manier dringend verzocht haar bevelen op te volgen.
Meteen daarna had hij een stomp in het gezicht te pakken. Van Niels, die toevallig net voor hem stond en die zelf schrok van z'n eigen snelle, felle reactie. Temeer daar de uithaalmanoeuvre meer weg had van een uppercut in een bokswedstrijd dan van een waarschuwingsklap, die overigens buitengewoon effectief bleek te zijn en zo lang naklonk dat Eric, nu nog, ieder jaar tijdens de twee minuten stilte voor de dodenherdenking opnieuw, overtuigend snottert en snuit om voor Niels te bewijzen dat hij het zo nooit en te nimmer bedoeld heeft en het in de toekomst ook niet meer op die manier zal laten overkomen. Toch heeft hij nog geprobeerd om een hakenkruis in zwarte graffiti op het verkleurde reliëfbehang boven zijn bed te spuiten. Hij is alleen verkeerd begonnen met een horizontale streep links onder, in plaats van een schuine lijn van het centrum naar boven. De aanzet eindigt abrupt naar omhoog, in een vreemde hoek van dertig graden, vlak onder een spiegelschilderij van een zilveren doodshoofd dat hij op de kermis gewonnen heeft, met Carla's geld, bij het bulldozerspel. Het eindproduct doet heel in de verte aan een aanzet tot een hakenkruis denken, maar is eerder een typische creatie van Eric, die tijdens de fabricage ongetwijfeld ergens gemerkt moet hebben dat er iets niet klopte en halverwege het kliederen de moed maar heeft laten zakken. Tot grote opluchting van Carla die het in deze mislukte vorm met een gerust hart voor zoiets als een copy van 'modern street- of popart' aan Niels, nog net een oorlogsbaby, maar met hetzelfde gemak een pragmatische babyboomer, heeft kunnen verkopen Eric grijpt vol in zijn laaghangende kruis om aan zijn genitaliën te krabben en neemt daarna plaats in een plastic kuipje naast Carla, die meteen wil gaan verzitten. Het lukt niet, omdat alle stoeltjes in een rijtje zwevend van de grond, met stalen buizen in een gelijke afstand tot elkaar, vastgemaakt zijn en ze dus niet anders kan dan in de riekende nabijheid van Eric verder staren naar de rode, verlichte nummeraftelling boven drie grenen kantoordeurtjes. Achter één ervan zal zij binnen afzienbare tijd de goden verzoeken. Ze heeft er zelf voor gekozen. Heus niet omdat mevrouw Maarsen zo nodig een escorte voor Eric in haar meende te zien. Ook niet omdat ze eindelijk een schrijven over haar schuld heeft mogen ontvangen van de heer W.P.C.M. Sanders - hij zou eens geen Wilburt of Williebrord heten - beleidsmedewerker van de afdeling 'Vorderingenbeheer en Betalingsverkeer' van de sociale dienst. Tienduizend gulden, met het recht om binnen een maand na dato van de terugvordering in beroep te gaan. Een vervelende bijkomstigheid is dan weer wel dat de terugvordering aan het begin van november gedateerd staat, terwijl ze pas tegen het einde van de maand bij haar in de bus viel. Maar een kniesoor die daar op let. Nee, de werkelijke reden van haar beslissing om toch maar weer haar hand op te houden, is een brief waar de kunstenaar gisteren mee kwam aanzetten. Hij verzamelt, selecteert en verdeelt alle post aan het huis. Voor hem een gelegenheid om contacten te leggen. Zeker met Carla, die altijd wel bereid is om een alcoholistische samenzwering voor haar rekening te nemen. Tijdens één van deze onderonsjes heeft ze hem zelfs haar geheim opgebiecht.
'Ik word moeder, kun je het je voorstellen?’
Ze gierde van het lachen, klopte hem lang, sloom en
vriendschappelijk op de schouders en wendde zich vervolgens weer tot haar glas.
Haar schatertranen plengden in het rooie nat. Dit schaamteloze gedrag in de
roes van de drank leverde de dag daarna een flinke genekater op. Sindsdien
heeft ze een onbedwingbare behoefte om de extroverte kunstenaar op alle
denkbare manieren te ontlopen. Dus toen Carla de envelop zag had ze hem maar
meteen haar hele weekvoorraad Bavaria meegegeven om netjes en snel van hem af
te zijn.
'Ja, geef alles maar', vond hij, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat Carla degene was die hem die morgen in zijn vloeibare, basisbehoeften voorzag.
Een mengeling van angst en afkeer over de uit ervaring
te verwachten inhoud van de brief moet op haar gezicht te lezen hebben gestaan.
Maar in beschonken toestand kon de kunstenaar niet anders dan het op zichzelf
betrekken. Hij meende zich naar aanleiding van haar gelaatsuitdrukking nog gauw
aarzelend te moeten verontschuldigen over zijn inhaligheid:
'Jij moet in jouw toestand ook helemaal niet drinken en roken.'
Voor het geval ze zich na deze wijze raad alsnog zou kunnen
bedenken, maakte hij zich daarna, zo snel als de halfvolle krat bier, die hij
zwaar voor zich uitdroeg, dat toeliet, uit de voeten en verdween over de overloop
naar zijn kamer. Carla keek hem na, vond hem beklagenswaardig en sloot met haar
ene hand de deur terwijl ze met de andere hand het gewicht van de envelop
probeerde te schatten. Zo licht.
'Hoe is het met je vriendin?' vraagt Carla uit verveling.
'Goed, hé, zal ik beneden even kijken of ik al aan de beurt ben?'
Handig probeert Eric haar te ontwijken. Het doet er niet toe. Ze wil alleen de tijd doden en misschien heeft Eric nog iets te liegen. Ze begrijpt niet waarom hij uitgerekend vandaag zo weinig spraakzaam is.
'Wat is er Eric?'
'Hoezo, wat is er Eric? Zeik niet zo.'
'Normaal lul je me de oren van m'n kop.'
'Zal ik even naar beneden gaan?'
'Mij best, maar je bent toch nog lang niet aan de beurt.'
'Hoe weet jij dat nou?'
'Omdat ik nummer acht ben en jij nummer negentien.'
'Oh.'
'Ze is Turks, hè.'
'Ja.'
'Hoe oud?'
'Vijftien, of zo.'
'Dus jij bent zeven jaar ouder?'
'Ja, hè, hè, ik ben geen oetlul.'
'Dat is nog maar de vraag.'
Een geijkte reactie. Hij vroeg er ook om.
'Wat?'
'Oh niks.'
'Ik weet wel dat ik achterlijk ben.'
'Het was een grapje Eric, een grapje. Je bent niet achterlijk.
Misschien een beetje overgevoelig, dat wel.'
'Hoezo?'
'Laat maar. Wanneer ga jij weer terug naar je kamer?'
'Weet ik het. Niels komt terug en dan krijgt mijn vriendin mijn oude
kamer.'
Carla schrikt ervan:
'Hoe kom je daar nou bij?!'
'Weet ik het. Moet je aan ons moeder vragen.'
Carla staat er perplex van. De hoop op haar terugkomst heeft Niels
dus gewoon opgegeven. Carla is er niet echt blij mee. De wetenschap dat er
iemand op haar zei te wachten, heeft niet veel opgeleverd, maar het heeft haar
ego ook geen schade berokkend. Mogelijk is er al een ander. Nog jonger dan zij
en met nog minder verstand. Zo eenvoudig is dat. Niemand is onvervangbaar. Ze
richt haar aandacht weer op Eric naast haar. Wat en hoe zou hij denken? Zou hij
wel denken?
'En wat vind jij?'
Eric diept uit één van zijn broekzakken een multifunctioneel keukenzakmes. Met een klik tovert hij uit de zijkant van het ding een vijltje tevoorschijn en begint zijn nagels te reinigen. Hij haalt z'n schouders op.
'Hoe heet ze?'
'Wie?'
'Je vriendin?'
'Demet.'
'Wat is het voor iemand?'
'Hoezo?'
'Wat vinden je vrienden van haar, ze is toch Turks'"
'Weet ik het. Nou, en?'
'Nee, niks.' Carla kijkt om zich heen. De meeste van haar collega
werklozen staren gefixeerd naar het gebruiksvoorwerp in Eric’s handen. Een
wapen. Eric reinigt rustig door. Onderuitgezakt met zijn kin op de borst.
'Moet je shag?', vraagt hij.
Hij grijpt naar een borstzakje.
'Je mag hier niet roken'.
Ze zou even goed willen dat het niet zo was en vist een bedrukt A-viertje van de tafel voor haar. 'Nieuwsbrief' belooft de titel. Voordat Carla besluit om verder te lezen gaat ze eerst de overige lectuur op tafel na op zoek naar een Flair, een Viva of desnoods een Elle. Iets banaals dus, om te lachen, want vruchtbaar leesvoer valt in een openbare gelegenheid niet te verwachten. Met uitzondering van een bibliotheek natuurlijk; een verblijfplaats waar Carla momenteel mogelijk nog heviger naar verlangt dan op normale dagen, als ze met mevrouw Maarsen en consorten andermans binnenboel op orde brengt. Alles wat er verder op tafel te lezen valt zijn wat voorlichtingsfoldertjes over arbeidsongeschiktheid, de gevolgen van zwartwerken, aidspreventie, bijstand, herintredende mavo-moeders en Nederlandse les voor allochtonen. Fast food voor de doelgroep. Vet, ongezond en zonder nuttige ingrediënten. Zo ook de Nieuwsbrief.
'Zou ik al aan de beurt zijn?' vraagt Eric als hij klaar is met
peuteren en het keukengerei weer heeft weggestopt.
'Nee.'
'Oh.'
'Moet ik met je mee naar binnen, zo meteen?'
'Ja, doe dat maar in godsnaam', zucht Carla.
'Waarom kom jij ook niet weer bij Niels wonen?'
'Voor jou zeker?' Ze geen zin meer in een gesprek.
'Ik blijf bij ons moeder. Kut, man.'
Carla gooit de Nieuwsbrief van zich af op tafel en buigt voorover.
Haar hoofd tussen haar knieën. De armen lamlendig langs zich af bungelend. De
vloer is grijs. Ze voelt Eric's warme adem tegen haar achterhoofd als hij
eindelijk genegen is om wat meer over zijn privéleven bloot te geven.
'Niet vergeten vanavond mijn haren te wassen', denkt ze nog,
terwijl Eric praat:
'Weet je. Ik heb Demet gedumpt. Ons mam was wel kwaad of zo, want
ze kan ook niet meer naar huis. Gefuck met d'r vader en een hele sleep broers,
man. Als ze de kans krijgen meppen ze mij of haar gewoon in elkaar, of zo. Weet
ik het. Als ze weten waar ze is, nou jongen, bont en blauw. Ik heb het weleens
gezien. Joekels van blauwe plekken op d'r kont en in der zij man. Niet te
filmen. Gewoon Turkse maffia, man. Grijze Wolf en zo. Nou en ons moeder meteen
Niels gebeld natuurlijk.'
Carla is blij dat ze met haar hoofd tussen haar knieën zit, zodat noch voor Eric, noch voor iemand anders om haar heen het schaamrood op haar kaken te aanschouwen is. Ze heeft dat wel vaker. Een aanval van plaatsvervangende schaamte. Is zij geen getuige geweest van de opheffing van het emancipatiebureau? Ze heeft niets wereldschokkends gedaan om het te voorkomen; geen hongerstaking, éénvrouwsprotest op het Binnenhof, geen stukje naar de krant; niets tegen de officiële negatie van de positie van vrouwen. De gewone vrouwen van Niels, niet de carrièredames van het voormalige emancipatiebureau of de verguisde, denkbeeldige klaagfeministes. Nee, Moslimmeisjes van vijftien bijvoorbeeld die hier in het westen gevangen zitten tussen twee culturen. Misschien was die Demet wel een kind met honderdduizend talenten, weggestopt en onderdrukt. Omdat haar vader haar mishandelt als ze zich af en toe en per ongeluk, maar onoverkomelijk, gedraagt zoals de meisjes op de t.v. of bij haar op de huishoudschool. Zo'n meisje spreekt niet zo één, twee drie Nederlands. Mocht ze dat trouwens wel doen, wat heeft ze dan te klagen in de ogen van de dames die het emancipatieproces voltooid hebben? In Nederland heerst nu volledige keuzevrijheid. Toch? Zo is ze bij Eric beland. Een stoere, joviale jongen met een rappe tong en een vriendelijke lach. Hoe kon ze weten dat hij simpel is? Ze denkt en voelt overwegend in de Turkse taal. Mogelijk weet ze het nog steeds niet. In ieder geval niet van Mevrouw Maarsen. Dit keer in de rol van westerse mama die Demet misleidt in die ambivalente persoonlijkheidscrisis, door haar, zodra de mogelijkheid zich voordoet, met Niels af te schepen. Uiteraard kan Demet bij Niels terecht. Iedereen kan bij hem terecht voor een oppervlakkige verbintenis van huishoudelijke arbeid, eten, slapen en slap lullen over de wereldproblematiek en het egoïsme van het leven, met Niels in het middelpunt. Sommige vormen van egoïsme zijn onveranderlijk. Zoals het leven van Niels, waarin Carla 'alleen maar gelukkig' hoeft te zijn. En dat is niet te doen zonder bescheiden berusting in een of ander persoonlijk lot. Waarbij Niels en de zijnen bij nacht en ontij bereid zijn om haar erop te wijzen dat miljoenen mensen veel slechter bedeeld zijn dan zij. Zoals haar moeder vroeger hard- en eigenhandig stukken boterham met zult in Carla's onwillige mond - en in de vuur van het gevecht tevens in haar neusgaten - stouwde, omdat de halve wereldbevolking niets fatsoenlijks te eten heeft. Met frisse tegenzin saboteerde kleine Carla iedere hap, door de massa op het keukenzeil weer uit te spuwen. Grijs keukenzeil. Hetzelfde grijs als het linoleum onder haar volwassen voeten, hier bij de sociale dienst. Carla is het zo eindeloos zat om na elke stemverheffing harerzijds verder te verschrompelen onder de overweldigende ellende van anderen. Wat overblijft is een ondankbare parasiet of een passief vrouwspersoon. Zo komt ze nooit aan zichzelf toe, want van uitstel komt afstel. Zij mocht helegaar niet mopperen of zeuren maar er komt een tijd dat het wel mag en dan staat zij voorop.
'Waarom heb je het uitgemaakt?', vraagt ze uiteindelijk maar aan
Eric aan wie ze nog een reactie schuldig is. Hij springt op uit zijn kuipje:
'Zal ik even naar beneden gaan, om te zien of ik al aan de beurt
ben?'
Carla had zichzelf nog zo beloofd om zich niet weer tot wanhoop te laten drijven. Ze wil Eric bij zijn magere schoudertjes door elkaar te schudden. Maar als ze ooit nog eens moeder mocht worden, wat er akelig dik inzit, dan was dit een goede training. Tot tien tellen en opnieuw proberen. Op naar een niveau van nul. Alle schade en schande, opleiding, ingewikkelde denkprocessen en vooruitgang van achtentwintig jaren ten spijt. Wat een leven!
'Ga zitten Eric!', commandeert ze naar voorbeeld van mevrouw
Maarsen. Het werkt. Hij zit weer.
'Straks heb ik, godnondekloten, ook geen uitkering meer', wanhoopt
hij nu.
Hij heeft geen ongelijk. Zijn situatie is net zo uitzichtloos als
die van haar. Hoe kan hij, met een rug die op breken staat, kiezen tussen;
kratten, vuilniszakken of stenen sjouwen? Meer wordt hem niet geboden en de
vrijheid om nee te zeggen, heet werkweigering bij straffe van uitkeringskorting
of ontzegging. Nou had hij zich uiteraard gewoon arbeidsongeschikt kunnen laten
verklaren, ware het niet dat zijn laatste beetje zelfrespect bestaat bij de
gratie van het feit dat hij dat nog net niet is. Zelfs een kind kan begrijpen
hoe een ieder met de stempel arbeidsongeschikt wordt afgeschreven voor het
leven. Dat moet voor de eenvoudige inborst van Eric, met z’n zwakke gestel, nog
moeilijker te verkroppen zijn dan voor Carla die slechts haar karakter,
geslacht en opleiding als handicap met zich meedraagt. Als er dan helemaal
niets meer te kiezen valt, kan ze, om een hongerdood te voorkomen en zolang als
haar gezondheid dat blijft toestaan, poetsen tot ze erbij neervalt. Alleen ze
wil niet. Eric wil wel, maar hij kan niet. En met alleen maar een wil of maar
één rechte weg, is nog steeds geen juiste route uitgestippeld in dit sociale
doolhof van willekeur, onbegrip, onvermogen en bureaucratie.
'Dus je komt niet terug?' vraagt Eric opnieuw, nu retorisch.
Het lijkt wel of hij zowaar zelfstandig nadenkt. Dat zou weleens
verhelderend kunnen werken en dus is voorzichtigheid geboden:
'Nee, Eric, ik kom niet terug. Denk ik.'
'En jij kunt zorgen dat ik mijn uitkering houd?'
Hij staart haar peinzend aan. Voor zover hij daartoe in staat is.
Zou hij een oplossing gevonden hebben?
'We doen ons best', antwoordt Carla vaag, in de hoop met een
gedoceerde reactie de uiting van zijn vrije gedachtegang niet te blokkeren.
'Nou', slikt hij, zo gulzig dat zijn adamsappel geschrokken tegen
zijn halshuid in opstand komt.
Even neemt hij de tijd om de toestand in de slokdarm te normaliseren.
Carla bestudeert het proces gebiologeerd. Eric heeft een adamsappel zo puntig
als haar beide borstjes. De aanblik doet haar een aantal malen moeilijk
slikken, terwijl Eric vervolgt met:
'Nou, dan neem ik gewoon Diana's kamer. Als ze tenminste ook doodgaat.'
Maar ze gaat niet dood.
'Onkruid vergaat niet', grapte haar vader in euforische stemming, toen Diana na twee weken intensive care eindelijk naar de afdeling psychiatrie van het ziekenhuis werd overgeplaatst. Stukje bij beetje hadden haar organen het werk van het apparaat overgenomen tot uiteindelijk ook de kunstmatige beademing gestopt kon worden. Dat was tevens het moment waarop Diana weer bij haar positieve kwam. Tot dan toe had men haar onder de sedatieven gespoten. Van buitenaf geleefd worden is en blijft nu eenmaal een bijzonder onplezierige, pijnlijke ervaring. De reden waarom Diana twee weken lang 'geestelijk afwezig' werd gemaakt, zoals een broeder van de intensive care dat zo netjes wist uit te drukken. En het mocht dan wel zo zijn dat deze afwezigheid Diana veel pijn had bespaard, haar geestelijke gesteldheid had het beslist geen goed gedaan. De eerste tien dagen op de afdeling psychiatrie, kwam er geen samenhangende zin over haar lippen, hoewel ze wel probeerde om wat duidelijk te maken. Zonder iemand te herkennen, met een woeste blik in de ogen die van het ene op het andere moment kon wegebben in een tranenzee of achter gesloten oogleden, als ze in een lichte, onrustige slaap was gevallen. Na twee dagen al werd ze 's nachts in bed vastgebonden, omdat ze een medepatiënte, een onheldere, oude vrouw met een onduidelijke geestesaandoening, wakker hield met slaapwandelen, terwijl ze zichzelf allerlei kneuzingen en blauwe plekken toediende met vallen en opstaan.
'Ontwenningsverschijnselen', had Diana's moeder bedacht.
Ze kon er niet mee omgaan.
'Heel normaal na twee weken op de intensive care', verklaarde een verpleegster aan Carla. Dat zou natuurlijk ook kunnen. De waarheid blijft in het midden. Zoals gewoonlijk.
Al die tijd had Harold niets van zich laten horen. Het viel Carla pas op toen bijna tegen hem opbotste in de cadeauwinkel van het ziekenhuis. Hij bloosde als vanouds. Dat was zowat het enige aan hem wat haar deed herinneren aan zijn vanzelfsprekende, toevallige aanwezigheid van krap drie maanden geleden, die nu niets meer te raden overliet. Hij heeft het gemaakt. Zo zag hij net niet uit. Keurig gekapt en fijntjes gekleed in een oudroze colbertje op een aubergine bandplooibroek. Dat was nog eens wat anders dan z’n vroegere houthakkersplunje. Hij droeg ook een bril. Een licht paars montuur met aluminium spiegelafwerking van zijn slapen tot achter de oren. Carla kon door de kraakheldere, flinterdunne glazen zo gauw niet achterhalen of hij nou bij- of verziend is. Zijn ogen leken niet kleiner of groter dan voorheen. Toch geeft zo'n bril een finishing touch aan Yups. Of, in Harolds hilarische geval, aan 'would be yups'. Naast hem dook een superslank, wulps vrouwelijk typetje op. Ze had een pluche beest in haar hand.
'Toch niet voor Diana?', schamperde Carla.
Het typetje blies beledigd:
'Vind je het geen pluisje, Harrie?'
Harold kuchte over de koosnaam heen:
'Laten we maar gaan.'
Carla liep onuitgenodigd met hen op, richting psychiatrie en drong
zich aan Harold op:
'Is dat je vriendin?'
'O, ja, sorry.'
Harold bleef staan om zich van het meisje los te wurmen. Ze had
zich tijdens het lopen bezitterig aan hem vastgeklampt. Het benauwde hem en het
was zichtbaar geen makkelijke opgave om zich van haar los te maken.
'Suzanne dit is Carla. Carla dit is Suzanne.'
Suzanne lachte zuur, trok een - voor de spiegel ingestudeerd -
pruillipje en prutste aan haar oorlelletje, waarin een mini groeidiamantje in
het primaire beginstadium prijkte. Het pluchebeest, het pluisje van daarnet,
zwiepte verlaten en ondersteboven aan z'n staart heen en weer in haar
rechterheksenhand met pikzwart gelakte spitse nagels van wel drie centimeter
lengte. Hoe kon je typen met zulke nagels? Of de afwas doen? Of planten
overpotten? Zwarte Boboklauwen als symbool voor de moderne vrouw. Het ware
feminisme. Wat anders? Haar voorkomen was alles behalve passief te noemen. Het
pluche beest ketste herhaaldelijk af tegen een knokige achterpartij. Een
fuchsia olifant. Precies wat Diana nog ontbeerde.
'Waar woon je nou?'
Carla vroeg het aan Harold, maar Suzanne gaf antwoord. Ze hing
alweer aan Harolds rechterarm en wierp zich al lopend met lijf en leden in de
strijd voor hem langs, om zich tot Carla te kunnen richten die zich aan de
andere kant van Harold, los van zijn rechterarm, voortbewoog.
'We hebben zo'n leuk appartementje op het oog. Waarom geef je haar
eigenlijk geen visitekaartje, Harrie?'
'Een visitekaartje? Dat meen je niet!' Visitekaartjes horen bij vlugge zakenlieden met zo weinig persoonlijkheid dat ze na een snelle deal met memosteuntjes moeten schermen om niet in vergetelheid te raken. En visitekaartjes doen het verder goed bij corpsballen. Met honderd stuks voor vijfentwintig gulden in een voordeelaanbieding bij een drukkerij in het centrum van de stad, maken ze de blits. Een niet terug te draaien begin voor een strakke houding ten aanzien van de buitenwacht en het eigen onbenul. Zwart op wit; zogenaamd voor de studentengein maar in werkelijkheid; oefening voor later, voor het echte leven. Harold wist wat Carla dacht en hield wijselijk z'n mond. Carla was haar verbazing nog niet te boven:
'Waarvoor heb jij visitekaartjes? Je verkoopt toch niets? Of wel?
Toch geen computerprogramma's in de gevangenis? Heb je nou al een
vaste aanstelling dan?'
Carla vroeg het dwingend en expliciet aan Harold. Hij gaf geen
antwoord, maar fatsoeneerde de platte knoop van z'n paarse stropdas en schoof
die zo strak tegen de sluiting van z'n lichtroze boord dat Carla hem bijna
waarschuwde voor verstikkingsgevaar.
'Of ben je voor jezelf begonnen?', moedigde ze hem aan.
'Wat staat er eigenlijk op dat kaartje? Laat eens zien?'
'Harrie heeft een jaarcontract, met goede perspectieven bij de
penitentiaire instelling', antwoordde Suzanne weer voor hem.
Ongevoelig voor de spot in Carla's stem. Harold scheen het al gewend te zijn. Hij kuierde quasi-bedaard voort. Carla beet op haar onderlip. Er zat iets klem tussen haar borstjes; de slappe lach om Harolds goede perspectieven bij de penitentiaire instelling en om de sensuele manier waarop Suzanne het woord 'penitentiaire' foutief had beklemtoond. Tegelijkertijd voelde ze hoe ze even goed net iets te hard zou kunnen schateren van teleurstelling over het visitekaartje en deze blamage voor het restant van Neerlands huwbare vrouwen. Er moest voor een Joris Goedbloed als Harold toch wel een humaner subject te krijgen zijn?
'Mooie kamer heb je me toegespeeld', zei ze op de ironische manier
waarop ze vroeger met Harold placht te praten.
Suzanne had Carla maar met moeite verstaan en ze begreep het niet.
Net als Carla keek ze naar omhoog, naar Harold, in afwachting van een antwoord.
Het volgde niet, want hij stopte Oost-Indisch doof voor de half openstaande
gigantische deur van Diana's zaal. Suzanne sloop nieuwsgierig in de kier en
gluurde naar binnen. Carla marcheerde haar voorbij, zwaaide de poort
hemelsbreed open en liep een zaal voor vier personen, waarvan dus maar twee
bedden bezet waren, verder binnen. Diana lag in het eerste bed.
'Nou, een mooie klotezooi', schold ze, nauwelijks verstaanbaar.
'Ook, goeiedag', groette Carla terug.
Diana hing half overeind tegen een stapel kussens. Haar dikke strohaar stond deels rechtovereind en vanachteren was het geplet door het liggen. Uit haar blik viel niet op te maken of ze al iemand herkende of niet. De ogen rolden vuurspuwend, als gloeiende, half verkoolde steenkoolrotsjes onafgebroken op en neer en heen en weer in diepe kassen, omrandt met zwarte cirkels in een gezicht zo wit als dat van een pierrot. Met haar rechterhand hees ze in het tempo van een hoogbejaarde vrouw, herhaaldelijk haar aquablauwe pyjama aan een open, ronde kraag een paar millimeter omhoog. Weinig effectief, want het stugge katoen van de ziekenhuisblouse liet zich niet vormen en maakte telkens, tegendraads pas op de plaats, zo ver over haar linkerschouder dat één van haar grote, b.h.-loze hangborsten maar net niet bloot viel. Carla was in de loop van haar bezoekjes aan het ziekenhuis vertrouwd geraakt met dit dramatische effect van Diana's uiteindelijke verzet. Het was wat rigoureus maar toch kon ze niet anders dan zich thuis voelen bij deze uiting van haar eigen onderdrukte aandrang om gekke gezichten te trekken, te vloeken, schelden en tieren. Er hing een doorzichtige, plastic klapstoel aan een haak aan de muur naast Diana's bed. Met de nodige moeite wrikte ze hem los en schoof in volle verwachting aan bij het voeteneind. In haar schoot opende ze een papieren zak met druiven die ze eigenlijk voor Diana in de cadeauwinkel had gekocht. Achter haar wekte een sissende, onderdrukte, korte woordenwisseling tussen de twee romantische geliefden het vermoeden dat Suzanne zich een ziekenhuisbezoekje aan één van Harries voormalige vriendinnen een klein beetje anders had voorgesteld.
'Toe nou Suusje.'
Het is nooit Harolds stijl geweest om zich als een man te
gedragen. Vandaar dat zijn berisping ook niet het beoogde resultaat had.
'Ik wacht beneden op je', viel Suzanne hem luid in de reden.
'En niet te lang hè! Je weet hoe slecht ik tegen ziekenhuizen
kan.'
'Ze is nogal verward, hè', merkte Harold snugger op toen hij, door Suzanne uitgerangeerd, maar naast Carla aan het voeteneinde kwam staan met de fuchsia olifant als een pantser voor zich in zijn handen, om zijn gezichtsverlies te verdoezelen. Daar wilde Carla hem wel bij helpen:
'Wie? Je vriendin?'
'God, wat leuk, je bent nog niets veranderd Carla.'
Hij was weer de oude Harold; half over stag, half verontwaardigd.
'Nee. Jij wel hè?'
Diana kreunde hard en gebaarde zo wild als haar toestand dat
toeliet.
'Je moet niet tegen het bed aanleunen', vertaalde Carla voor
Harold.
Ze denkt dat ze op zee zit. Het bed is de boot. Als jij tegen de
boot aanvaart, dan kiepert ze in het water.'
Harold deed een stapje terug.
'Erg, hè?' constateerde hij, terwijl hij met zijn ogen onbeschaamd
trachtte om in dat halfnaakte lijf de gangbare Diana op te sporen.
Alsof ze nu een virus in een
computerprogramma was.
'Het komt ook nooit meer goed', verzuchtte Carla.
'Jammer, ik heb altijd gedacht dat er nog eens iets moois tussen
jullie zou groeien.'
Harold bloosde weer en drukte zijn paarse bril hoger op zijn neus.
'Welnee', ontkende hij, terwijl hij Diana bleef inspecteren, met
een niet te plaatsen afstandelijkheid.
Kerelachtig gedrag. Met Susanne in
de buurt zou hij nooit meer aan mannelijkheid in kunnen boeten.
'Het is net of ze me aankijkt.
Wacht', schrok hij: 'Ze gaat wat zeggen.'
'Ja, dat doet ze nog weleens'. stelde Carla hem gerust.
'Ik ben niemand!'
De ultieme levenswijsheid; een oproep aan de wereld, traag,
zachtjes en met dikke tong door Diana gearticuleerd.
'Geeft niks, ik ook niet!’
Carla schreeuwde alsof ze tegen een demente bejaarde sprak. Met
een gehoorapparaat.
'Je moet niet alle klinkers inslikken, Diana! Ik kan je niet goed
verstaan!'
Harold ging op z'n tenen staan en loerde zogenaamd deskundig naar
Diana's mond:
'Heeft ze nog tampons in haar mond, of zo?'
Carla wilde antwoorden, hief alvast haar hand voor eventuele, illustratieve gebaren, maar precies op dat moment greep Harold haar elleboog en drukte zijn wijsvinger tegen de lippen. Carla schudde zich bruusk met een geërgerde armzwaai los uit zijn greep. Toch hield ze haar mond want Diana zei weer wat:
'Ik ben niet feministisch.'
'Wat zegt ze?', vroeg Harold.
'Dat ze niet feministisch is', verduidelijkte de patiënte in het
bed naast dat van Diana, om zich daarna weer tot haar eigen bezoek te richten.
Carla knikte Diana vriendelijk toe:
'Wees maar blij', riep ze, waarna ze een stuk of vijf druiven in
haar mond propte.
'Niet materialistisch', snauwde Diana kattig richting Harold.
'Je kunt wel merken dat je psychologie gestudeerd hebt', lachte
Carla met haar mond vol.
Het druivensap droop langs haar kin.
'Ze is gek', concludeerde Harold. 'Doorgedraaid.'
'Niet communistisch.'
Dat was Diana weer. Wat gekalmeerd nu.
'Ook niet racistisch, natuurlijk', vulde Carla aan.
Ze nam nog een druif. Diana richtte zich met een abrupte
hoofdbeweging woedend tot Carla:
'Niet mishandeld, niet zwart, niet getrouwd.'
'Nou, nou, dat klinkt al een stuk duidelijker', antwoordde Carla
toegeeflijk.
Vanuit haar klapstoel prikte ze Harold in z'n zij:
'Ze is wel bijzonder mededeelzaam vandaag.'
De vrouw naast Diana bemoeide zich er weer mee:
'Nou zeg, de hele dag ligt ze al vanalles te roepen.'
'Vervelend voor u', verontschuldigde Carla zich voor Diana bij de
oude mevrouw en het bezoek aan haar bed.
Kennelijk een weinig onderhoudend jong stel. Hand in hand zaten
ze, eveneens op plastic klapstoeltjes, dicht bij elkaar geschoven, sullig een
verplicht nummertje uit
'Nou, zeg maar rustig niet te houwen', zeurde de vrouw in het
algemeen.
'Waarom schreeuwt iedereen toch zo?'
Harold vroeg geïrriteerd om steun aan de mannelijke helft van het
bezoek. De man schokschouderde een paar maal en liet het daarbij. Zijn naam was
Haas en hij lette expres niet op Diana, die heel langzaam haar witte gezicht
naar opzij bewoog. Naar de oude mevrouw, die nog steeds mokkend voor zich uit
lag te kijken.
'Ik heb geen geld, geen carrière, geen honger, geen pijn', riep ze
in het linkeroor van haar medepatiënte.
Dit keer verdacht helder uitgesproken, vond Carla.
'Mooie medeklinkers, Diana', prees ze spottend.
De vrouw bleef verstard rechtop in bed zitten, terwijl ze alleen
haar handen even licht van het laken optilde in een wanhoopsgebaar van:
'Kijk dat bedoel ik nou.'
Carla had het met haar te doen. Diana's nihilisme was ook om
tureluurs van te worden. Als je het tenminste niet gewend was. Alleen Carla had
tijdens haar jarenlange omgang met Diana genoeg weerstand op weten te bouwen.
Dat bleek des te meer uit Harolds optreden, waar net zo goed geen mens een
vruchtbare kant mee op kon.
'Geen toekomst', vervolgde Diana haar tirade.
Weer in een andere stemming. Moedeloos.
'Wel een graad in de psychologie', merkte Harold op.
Blij dat hij ook wat te missen had. Hij meende het nog ook.
'Geen doel', zei Diana tegelijkertijd.
Harold wendde zich tot Carla. Diana dramde op de achtergrond
obstinaat door.
'Snap jij nou, waarom ze die baan bij ons geweigerd heeft?'
'Bij de penitentiaire instelling, bedoel je?'
Ze sprak het woord penitentiaire op dezelfde manier uit als
Susanne dat voorheen gedaan had. Met de klemtoon op de penetratie.
'Ja', zei Harold, die de verstandigste wilde zijn.
'Heeft ze dat gezegd?'
'Ja, wist je het niet dan?'
Harold was hogelijk verbaasd. Carla twijfelde. Het werd stil om
haar heen. Diana’s leverkleurige kloofjeslippen trilden onder het gewicht van
haar zware adem, maar ze openden zich niet meer. Haar borsten bewogen
onverminderd op en neer in een rochelend, ongelijkmatig ademen. Het was bijna
alsof ze lag te luisteren en Carla besloot om Diana's reactie nauwlettend in de
gaten te houden, terwijl ze Harold een tegenvraag toespeelde:
'Ben jij soms zo gelukkig tussen de gevangenismuren?'
'Wat is dat nou voor een vraag? Werk is werk.'
Hij antwoordde vanuit zijn nieuwe hoedanigheid. Onwennig en te
snel om geloofwaardig te zijn. Licht beschaamd over deze verse leugen die over
een jaar belegen genoeg zou zijn om voor een waarheid door te gaan. Hij trok
felroze pluisjes uit de olifant, zocht een uitweg en viel, voor zijn doen vrij
krachtig, dus maar over Carla heen:
'Wat zie jij er trouwens raar uit, zo opgeblazen.'
Het was geen bijzonder moedige daad. Carla hield zich
overduidelijk niet met hem bezig. Diana bewoog. Geniepig rechtte ze haar rug en
strekte haar benen op dermate doelgerichte maar stiekeme en bijna onzichtbare
wijze, dat Carla meende te kunnen zweren dat hersens weer redelijk normaal
coördineerden met haar lichaamsfuncties. De klap kwam toch nog onverwacht:
'Ik ben niet aangenomen bij de gevangenis", legde ze kalmpjes
uit.
Ze keek Carla aan, die vanwege het pure verrassingseffect een
hartslag oversloeg. De patiënte in het bed naast dat van Diana tuurde met
gefronste wenkbrauwen vanuit haar ooghoeken naar Carla. Alsof ze wilde zeggen:
'Wat flik ze ons nou weer?'
Ze kon dan geestesziek zijn, die oude mevrouw, maar mensenkennis moest Carla haar zonder meer toeschrijven. Zelf behoefde ze een ademstokpauze van een seconde of tien om min of meer van de schok te bekomen. Het lukte redelijk en ze slaagde erin haar lippen krampachtig naar omhoog te trekken in een stand die onder normale omstandigheden en met wat fantasie best voor glimlach door had kunnen gaan. Diana staarde een ogenblik leeg terug maar deed vervolgens hetzelfde, op een manier waarop een peuter een gekke bekken trekkende volwassene imiteert. Harold zou Harold niet zijn als hij weer eens niets in de gaten had.
'Zeg.'
Hij stootte hij Carla's schouder aan met z'n fuchsia olifant.
'Is dat waar?'
Carla negeerde hem:
'Breng me niet van m'n a propos.'
Ze bleef in Diana's gezicht naar een verklaring zoeken.
'Ben je haar aan het hypnotiseren, of zo?', wilde de oude vrouw
van Carla weten.
Harold voelde zich buitengesloten en blikte van Diana naar Carla
en van Carla naar Diana.
'Ze is niet gek.' Carla zinspeelde luid en duidelijk.
Diana reageerde heel direct. Met klinkers:
'Ik ben niet gek.'
Triomfantelijk zakte Carla met haar rug tegen de leuning van de
klapstoel onderuit. De zak druiven schoof van haar schoot op de grond.
'Ik ben niet gek', herhaalde Diana voor Harold.
Ze leek na te denken. Hield het hoofd een centimeter verder naar
opzij, de pupillen naar het plafond gericht en vervolgens in een lugubere draai
weer terug naar Harold.
'Roze olifantjes.'
Het spelletje met de vervlogen klinkers had ze
weer opgepakt.
'Nee, eentje maar', verbeterde Harold enthousiast en gretig hield
hij het pluche beest voor zijn roze borst uit.
'Twee', steunde Diana vermoeid, maar koppig.
Schichtig keek Harold om zich heen. Op zoek naar olifant nummer
twee. Carla grijnsde voluit. Met twinkelende pretoogjes hielp ze
Harold uit de droom:
'Ze ziet een kleine en een levensgrote olifant.'
Harold stapte diep geraakt een paar passen achteruit:
'Bedoelt ze mij?'
Vanuit haar stoel raapte Carla trosjes druiven van de grond op. Ze
voelde bloed naar haar hersens stijgen:
'Je bent wel roze, ja.'
'Maar toch geen olifant? Ze is gek, gewoon knettergek', troostte
Harold zichzelf.
'Gestoord', beaamde de oude vrouw.
Carla kwam met een draaierig gevoel in haar hoofd overeind:
'Laten we het daar nou maar op houden', zei ze tegen Diana.
De grimas die Diana vervolgens liet zien, deed Carla denken aan de
grijns van het zilverkleurige doodshoofd boven het bed van Eric, maar de
intentie was overgekomen. Diana blijft zich inbeelden dat ze iedereen te slim
af kan zijn. Zelfs tijdens een flirt met de dood. Dit was geen humor meer. Het
grote gelijk. Wat moest je ermee en waar kon je het laten? Carla zond haar een
knipoog toe. Diana tuitte haar lippen alsof ze proefde van het twijfelachtige
genoegen dat Carla haar, vanwege de zotte situatie, niet dorst te ontnemen.
Tevreden sloot ze de ogen, leunde het hoofd traag achterover tegen de kussens
en viel in slaap.
Bobo sprong op en zette zijn harige voorpoten tegen haar buik af. Met zijn nagels vond hij steun achter de elastische tailleband van haar joggingbroek en stak zijn snuit nieuwsgierig trillend uit naar de lichtgewicht envelop in Carla's handen. Op dat moment had ze Bobo de brief moeten geven, zodat hij de inhoud had kunnen molesteren, zoals hij dat doet met alles wat hij van Carla krijgt. Het lijkt op spelen, maar achter de fanatieke repetitie van zijn gewoonte schuilt, in Carla's ogen, eerder een dwangneurose dan een plezierig tijdverdrijf. Zijn voorouders scheurden wild aan stukken uit noodzaak. Grommend van victorie. De prooi triomferend in de bek heen en weer schuddend tot die, dood geslagen en aan flarden gereten, in de roedel verdeeld kon worden naar hiërarchie van de leider eerst. Bobo doet hetzelfde met een tennisbal, een oude schoen of een afgedankt knuffelbeest. Als de bui voorbij is, legt hij de overblijfselen voor Carla's voeten. Net zo min als Carla weet hij wat hij met z'n werklust heeft willen bewerkstelligen en blijft onvoldaan zitten kijken naar het resultaat. Om de zaak bevredigend voor hem af te ronden geeft Carla hem dan een pluimpje of een hondenkoekje. Bij hem weet ze waar ze aan toe is. Eerlijke, dierlijke instincten. Nooit onderdrukt. Ze had zelf ook gewoon haar tanden kunnen laten zien. Die envelop, inhoud incluis, tot onleesbare natte flarden papierpap moeten kauwen en scheuren. Dan had ze niet onder ogen gekregen wat ze nu las. Om te beginnen een korte, kribbige afwijzing op haar sollicitatie naar assistente in de opleiding bij die beroemde hoogleraar van wie ze nog zo verschrikkelijk veel te verwachten had:
Geachte mevrouw Donkers,
Hierbij berichten wij u dat u niet in aanmerking komt voor de
vervulling
van de door ons aangeboden functie. Aangezien 289 mensen
solliciteerden, vallen er helaas velen, waaronder ook u, buiten de
boot.
Hoogachtend
Drs. J.H.V. van der Plomp
Hoofd Bureau Personeelszaken
Daarna volgde de bijlage. Daar de inhoud van de afwijzing niet uitblonk in originaliteit, zou een kenner als Carla ook de gangbare bijlagen mogen verwachten; retour van haar curriculum vitae en overige papieren. Alleen was daarvoor de brief in gesloten toestand te dun en te licht geweest. Met de afwijzing in haar hand, zocht ze dus toch maar naast zich naar de envelop, voor de bijlage, die haar in wezen nog maar weinig interesseerde. Maar de vensteradressering op de voorkant van de envelop, die nu doorzichtig gaapte, verried alleen de donkerblauwe crêpepapieren voering van het omslag. De resterende inhoud was vlak voor Bobo's poten gedwarreld. Drie her gevouwen, dunne A-viertjes. Bobo zat al kwispelend in starthouding. Zulke paranormale vingerwijzingen zouden niet genegeerd mogen worden. Carla deed het toch. De eerste brief was een kopie van haar smeekbede aan de professor, waarin ze zich zeer vertrouwelijk, zwart op wit, aan hem onderwerpt om niet uit de gratie te geraken vanwege de stijlfout in haar sollicitatiebrief. Op de kopie stond rechtsboven met pen een nummer genoteerd. Honderdvierentachtig. Hetzelfde nummer als op de overige twee A-viertjes, een kopie van haar foutieve sollicitatiebrief en een afschrift van de tweede, verbeterde versie. Hij had niet eens het fatsoen op kunnen brengen om haar onder persoonlijke titel af te wijzen. Haar laatste beetje zelfrespect; samengevat, opgeborgen en achtergebleven onder file honderdvierentachtig van een p.c. op de afdeling personeelszaken van de universiteit. Hoe had ze zo naïef kunnen zijn om te denken dat ze haar eigen, totale vernedering zelf in de hand zou kunnen houden? Preventieve introspectie? Onmogelijk. Zodra je alles op een rijtje meent te hebben, gooit een onverwachte ander de knuppel onberekenbaar veel harder in het hoenderhok van zelfkritiek.
Vlak voor winkelsluitingstijd trapte Carla op haar fiets zonder licht naar het centrum van de stad. Met nog zeshonderd gulden voor de huur en het gas, water en de elektriciteit op zak. Voorbij kantoren met verlichte ramen en étalages versierd met sinterklazen en lege dozen omwikkeld met vijf december cadeaupapier. Voorbij de spits met allerhande, vastgelopen, dampende, hoestende auto's. Achter verwoed tegen de wind in fietsende, afgewerkte mannen en vrouwen met lege broodtrommeltjes achterop de pakkendragers, onder de snelbinders, in parka's met puntmutsen tegen de motregen. Bij de Hema broeide de hitte en de koopzucht van de lagere inkomensklasse die zojuist het salaris had mogen ontvangen. Carla kocht een hapklare rookworst, twee flessen wijn van het huismerk, een zak pepernoten, een pennenhouder in de vorm van een Gremlin, een videoband met een Walt-Disney uitvoering van Sneeuwwitje, een T-shirt met Madonnaopdruk en geurkaarsen. Bij V&D rook het opdringerig naar Belgische wafels, wel twintig uiteenlopende proefgeuren parfum, eau de toilette en aftershave en naar een natte massa, iets beter gesitueerden, koopzieke mensen. De drukte weerhield haar er niet van om grimmig twee koptelefoons, één voor Diana en één voor Eric, aan te schaffen. In een overlevingstocht naar buiten vond ze in de gauwigheid nog een zwartzijden b.h. met bijbehorend slipje, een verstelbare positiebroek, een fiep, mergpijpjes voor de hond en de kerst cd. van de maand. Het resterende geld spendeerde ze tot op de laatste vijftig gulden bij de Bijenkorf. Een winkel voor snobs, die desondanks zijn naam eer aandeed. De koopkracht krioelde, minstens dubbel zoveel in aantal dan bij de Hema en V&D bij elkaar opgeteld, als hongerige bijen om gratis stuifmeel, om de hoog geprijsde statusartikelen heen.
'Het lijkt wel alsof het goed gaat met de economie', dacht Carla, terwijl ze zich met een lang en bekakt verkooppraatje een peperduur babyhandsopje, van zalmkleurige beertjes wol met bruine pompoentjes op de slofjes, aan liet smeren.
Bij Jamin tenslotte, viste ze een marsepeinen zwarte piet en een oranje netje met, in goudpapier verpakte, chocolademunten uit een bak vol met afgeprijsde sinterklaasversnaperingen en rekende daarbij ook nog tien potten Fluff; Amerikaanse marshmallow, af. Na trouwens in een rij gestaan te hebben die begon bij de kassa en eindigde bij de nooduitgang, achterin de winkel. Daarna fietste ze dezelfde weg weer terug. Opnieuw langs de kantoren. Donker nu. Over verlaten, zwartglinsterend asfalt. Wankelend op haar fiets door de zware, slappe plastic tassen aan het stuur en onvast achterop gepropt, nauwelijks bijeengehouden onder een opgebruikte, uitgeplozen spin. Thuisgekomen zeulde ze de overdaad door het huis. Langs de verbaasde kunstenaar en de studente, die zich als bijzonder tolerant voordeed, maar bij wie Carla al veel eerder het laatste beetje vrije denkruimte had opgebruikt. Ze zaten samen in de keuken. De studente en de kunstenaar. Zo in het voorbijsnellen van Carla te zien, voor een alcoholistisch voorafje - of twintig - op alles wat de toekomst nog te bieden had. Vlug de trappen op naar haar kamer, waar ze de hele handel in één zwaai op haar bed deed belanden. Bobo sprong er direct middenin en Carla liet hem z'n gang gaan, maar niet nadat ze eerst de tien potten Fluff voor zich op een tafeltje, dat voor bureau door moest gaan, uitgestald had. Als in een ritueel draaide ze geduldig tien, rode plastic deksels van de potten en stapelde een keurig torentje dat ze eerbiedig en behoedzaam van het bureau in de prullenmand schoof. Bedaard nam ze plaats achter de geopende potten Fluff en snoof genietend het rijtje langs. Bezinning voor een denkbeeldig startschot, waarna ze, met haar jas nog aan, als de wiedeweerga, pot voor pot slordig leeg begon te werken. De vingers van beide handen gulzig en voluit in het luchtige, plakkerige, mierzoete goedje graaiend en om beurten naar haar, inmiddels behoorlijk, besmeurde mond bewegend. Het moest snel. Alsof er een eindstreep in zicht was. Alsof ze meedong naar een eervolle vermelding in het Guinness Book of Records. Bobo had z'n jachtinstincten inmiddels bevredigd, had het één en ander geschonden naast Carla's stoel gelegd en lag nu jaloers, met bedelende jankgeluiden in de meest meelijwekkende toonaarden, haar aandacht te trekken. Ze zag of hoorde hem niet, totdat ze bij de tiende pot even abrupt ophield met schranzen als ze begonnen was. Voldaan stak ze Bobo haar handen toe, die hij dankbaar en grondig aflikte. Carla keek uit het raam naar buiten. Een inktblauwe ruimte. Op de vensterbank stond naast een plantenspuit en een thermoskan ook een halve fles Edahwijn. Die nam ze mee naar de badkamer, waar ze zich stilletjes terugtrok. Vandaag geen valse liederen voor de kakkerlakken. Vanwege de verstopte toiletpot, knielde ze neer voor de doucheruimte, dronk in een lange, klokkende teug de wijnfles leeg, liet de vloeistof een moment de tijd om zich met de Fluff in haar maag te verenigen en stak daarna tot twintig keer toe haar vinger in de keel. Ze liet zich leeglopen. Schuim kolkte lichtbruin uit haar buikholte naar boven en gutste uit haar mond en neus. Haar slokdarm kraste en schrijnde van het meekomend maagzuur. Het water meanderde over haar wangen. Haar oren suisden. Een opkomende, stekende, gemene hoofdpijn maakte het proces af. Ze had ook met haar kop tegen de muur kunnen bonken. Dit was minder beheerst, schaamtelozer, dus beter. Met het kleine straaltje uit de douchekop liet ze na proestend de ergste troep uit de ruimte verdwijnen. In de luwte van de nawerking waste ze haar handen, snoot haar neus in het laatste beetje toiletpapier, bedacht dat ze, op honderd gulden in een potje voor noodgevallen na, geen cent meer te makken had en binnenkort maar weer eens bij de sociale dienst aan moest kloppen, strompelde terug naar haar kamer, maaide de boodschappen van haar bed en kroop onder de dekens. Met haar jas nog steeds aan. Op haar zij, in foetushouding, met Bobo aan het voeteneinde.
Als Carla eindelijk aan de beurt is, blijkt er in het kleine kamertje geen zitplaats voor Eric. Hij moet in een hoek blijven staan omdat hij in dit geval niet ter zake doet. Straks als Eric aan de orde is, nummer twintig op de afdeling ongeschoolde, langdurig werklozen, dan mag hij zitten en moet Carla blijven staan. Eerlijk is eerlijk. Carla's consulent is een man die zich niet voorstelt. Dus ook geen voornaam. Gelukkig. De man zit achter een langwerpige lege tafel, die de hele breedte van de kamer bestrijkt. Mocht Carla amok maken, dan is er altijd eerst nog het obstakel van een heuphoge tafel, tussen de agressor en het slachtoffer in, te overbruggen. Kostbare tijdwinst waarin de man kan vluchten via de nooduitgang achter hem; een witte deur met een naamplaatje.
'Privé', staat erop.
Carla is blij dat ze de betekenis van het woord hier toch nog kennen,
misschien zelfs in ere houden. Al is het dan enkel en alleen in het
eigenbelang. Naast de man staat een ouderwetse kartonnen kaartenbak met
uitstekende naamkaartjes. Nummer acht is al door de baliemedewerkster aan Carla
gekoppeld en de man heeft haar naamkaart met bijbehorende papieren voor zich
liggen.
'Mevrouw Langeweg!', appelleert hij, terwijl hij haar gebaart om
voor haar plaats te nemen.
'Present!', roept Carla automatisch.
De man glimlacht kort. Hoera, hij heeft gevoel voor humor.
'U komt in verband met de terugvordering, neem ik aan?', vraagt
hij.
Hij bladert verwoed in Carla's papieren en leest hier en daar een
zin:
'U winkelt tot u erbij neervalt?'
'Hè?'
'Ja, dat staat hier', zegt de man op een vragende toon, waaruit
blijkt dat hij er ook niets van snapt.
Hij houdt Carla de bladzijde met de
betreffende alinea voor met een geel gearceerde zin:
'Mevrouw Langeweg winkelt tot ze erbij neervalt.'
'Oh', roept Carla opgelucht uit omdat ze al bang was dat Sanders
haar had laten schaduwen:
'Dat staat op m'n pyjama. Nou ja, pyjama; een T-shirt; dat ik als
nachthemd gebruik.'
'Wat?'
'Shop till you drop.'
'Dat staat op uw pyjama?'
'Ja, dat is Engels en het betekent; 'winkelen tot je erbij
neervalt. Dat heb ik ook aan Sanders
uitgelegd. Is dat verboden of zo?'
'Ik denk het wel, waarom hebben ze het anders in uw rapport
vermeld?', peinst de consulent.
'U werkt hier zeker nog niet zolang? Dat is een karakterschets.'
Carla is verheugd over het feit dat ze ook eens wat zeker weet.
'Goed.'
Hij is maar half overtuigd. 'Terug naar de terugvordering. U wilt
beroep aantekenen?'
'Ben ik dan niet te laat?'
Opnieuw gewapper met papieren.
'Ja.'
'Nou dan. Ik wil ook helemaal geen beroep aantekenen. Wel een
uitkering aanvragen. Ik heb recht op bijstand want ik woon niet
meer samen. En hoe kan ik nou schulden terugbetalen als ik geen
werk en geen inkomen heb?'
De consulent knikt begrijpend, krabbelt over zijn hoofd, zucht en
staat op.
'Momentje, even navragen.'
Voor hij vertrekt bergt hij, vol plichtsbesef,
Carla's geheime formulieren weer op achter haar naamkaartje in de
kaartenbak en zeult de hele handel vervolgens met zich mee het kamertje uit.
Hij blijft vijf minuten weg. Vijf lange zwijgzame minuten, ergens halverwege
kort onderbroken door een vraag van Eric.
'Zal ik even gaan kijken of m'n nummer al aan de beurt is
geweest?'
Carla reageert niet. Eric zakt door zijn knieën en blijft gehurkt in het hoekje tegen de muur geleund zitten, haalt z'n shag en vloeitjes uit een borstzakje tevoorschijn en begint tussen z'n benen te draaien; sigaretten in de vorm van frietzakjes - windbestendige zeemansshaggies; smal bij het mondstuk en breed op het einde - de ene naar de andere. Hij stalt ze voor zich uit. In groepjes van drie. Carla trommelt met haar vingers op de witte tafel.
'Hier ben ik weer', zegt de man, als hij, beladen met de
kaartenbak, een syllabus en een stapel papieren, weer terug komt.
'Met een nieuw formulier. Ik heb het even nagevraagd en je kunt
inderdaad opnieuw een uitkering aanvragen. De schuld die je nog moet betalen
kan eventueel met, laten we zeggen, tweehonderd gulden per maand worden
afbetaald. Dat betekent dat je in de toekomst tweehonderd gulden per maand
minder zult ontvangen op de reguliere bijstandsuitkering.'
Carla rekent snel.
'Dan ben ik dus dik vier jaar de klos?'
'Tenzij u in de tussentijd een betaalde baan vindt', oppert de
man.
‘Afhankelijk van uw inkomen kunt u dan meer of minder
terugbetalen.'
'Nou, daar hoeven we het dus niet over te hebben, want dat gebeurt
toch niet', voorspelt Carla.
'Wat niet?'
'Ik vind geen werk.'
'Waarom niet? Is er iets mis met u?'
'Absoluut.'
'Gut.'
'Zeg dat wel. Nou, zeg maar wat ik moet ondertekenen voor die
bijstandsuitkering.'
'Ho, ho, ho.'
De man remt haar af.
'Eerst komt er een heronderzoek. Geloof ik.'
Geblader in een syllabus en een korte leespauze.
'Ja. Eerst komt er een heronderzoek.'
'Waarnaar?'
'Naar uw nieuwe leefsituatie.'
'Oh. Nou, dat moet dan maar. Wanneer?'
'Nadat we dit formulier samen hebben ingevuld. En naar waarheid
dit keer, als dat zou kunnen!'
'Is dat een aanvraag voor een heronderzoek?'
'Nee, dat is een aanvraag voor een... momentje. Ja, voor een
vooronderzoek.'
'Een vooronderzoek waarnaar?'
'Een vooronderzoek naar de reden waarom u eventueel in aanmerking
zou moeten kunnen komen voor een heronderzoek?'
'Wie bepaalt dat?'
'Een commissie.'
'Wat voor een commissie?'
'De commissie vooronderzoek. Zij dragen ook iemand voor het
heronderzoek voor. Zullen we dan maar. Bent u een man of een vrouw?'
'Doe eens een gok', vraagt Carla droog.
'Carla is een vrouw', antwoordt Eric.
Hij verveelt zich stierlijk. De man denkt dat Eric ironisch is.
'Weet u wat? De rest van de overige benodigde, algemene,
persoonlijke
gegevens schrijf ik wel even over van uw oude formulier uit de
kaartenbak. Kijkt u even of alles nog klopt?'
Onmiddellijk stemt Carla met hem in:
'Wat een uitstekende ingeving.'
De cynische ondertoon, hier zeer welgemeend, gaat aan hem voorbij.
'U weet dat zwartwerken, dus een inkomen verwerven naast uw
bijstandsuitkering, zonder dat u sociale premies afstaat of zonder dat u de
sociale dienst van uw activiteiten op de hoogte stelt, ten strengste verboden
is?', vervolgt de man naar wet en gezag.
De vraag is een formaliteit. Eric heeft een sigaret aangestoken.
Carla laat de uitgeblazen rook op zich inwerken:
'Jawel.'
'Verricht u op het moment betaalde arbeid?'
'Nee, anders zat ik hier niet.'
'Jawel toch?!'
De waarheid dondert venijnig uit een onverwachte hoek. De man
kijkt langs Carla heen in de richting van Eric. Carla voelt het bloed in haar
slapen kloppen. Haar maag krimpt ineen. Hierdoor volgt een pijnlijke stilte,
die Carla verraderlijk laat tracht te overstemmen, door vrij hard en
nadrukkelijk te reageren:
'Schrijf maar op, nee!'
Ze dicteert schel.
'Je werkt voor m'n moeder!', roept Eric verontwaardigd uit.
En daarna, iets minder fel en meer hulpvaardig bereid om Carla’s eventuele
poreuze geheugen wat in te dichten:
'Je weet het toch nog wel Carla? Denk eens goed na!'
'Welnee', liegt Carla met haar hoofd zo ver mogelijk van Eric's eerlijke gezicht afgekeerd.
Het hare zal inmiddels wel bordeauxrood zijn. Eric stelt ondertussen
de consulent gerust:
'Jawel hoor.'
Op Carla begint hij weer kwaad te worden:
'Weet je het soms echt niet meer? Ik ben toch zeker niet
achterlijk! Net zit je zelf nog te zeggen dat ik niet achterlijk ben!'
'Kop houwen, Eric!', sist ze met haar kaken op elkaar.
Daarna commandeert ze haastig, en baziger dan de bedoeling is,
tegen de consulent:
'Schrijf nou nee op.'
'Ja, is het nou ja of nee.'
De man maakt een geplaagde indruk. Hij heeft geen zin in gehakketak. Hem gaat het ook alleen maar om het beleg op z'n boterham en allerminst om extra formulieren aangaande de executie van één of andere frauduleuze bijstandsvrouw en wie weet wat voor een gehannes verder nog aan z'n lijf; in een functie die hij nooit, zelfs niet in z'n stoutste nachtmerries, voor zichzelf geambieerd heeft. Tot nu toe is hij, wat Carla aangaat, dan ook een gelukstreffer want voor een grijze muis als Sanders zou deze situatie kaasje zijn geweest. In de hoop dat het geluk haar voorlopig nog niet in de steek zal laten, besluit Carla de gok te wagen:
'Het is nee', herhaalt ze dus.
Tegelijkertijd antwoordt Eric, vanuit z'n beste geweten, met een
halsstarrig:
'Ja.'
Ongeduldig gooit de man z'n pen voor zich op de tafel en heft z'n
handen naar de hemel. Met z'n ogen roept hij Onze Lieve Heer aan:
'Die jongen in de hoek zegt ja. Hij is nogal volhardend en ik kan
hem moeilijk blijven negeren.'
Het lijkt wel een verontschuldiging aan Carla.
'Ja, maar hem kunt u niet serieus nemen!' Ze moet het zeggen; voor
zichzelf, het geld en de toekomst.
'Waarom niet?'
'Iedereen kan toch zo zien dat hij achterlijk is!'
Eric is opgesprongen en de ruimte uitgestormd.
De deur klappert na in de post op het ritme van de tocht. Nu hij weg is dorst Carla pas links achter zich te kijken naar de leegte in het hoekje, opgevuld met restjes shag en een stuk of twintig zelf gedraaide sigaretten; sommigen vertrapt. Carla is woedend op Eric, om zijn minderwaardigheidscomplex en om zijn behoefte aan vriendschap en liefde. Ze vervloekt zichzelf om dezelfde redenen. Ze hoeft er niet aan toe te geven, aan de angst voor de ondergang; trouw aan zichzelf; aan Eric en Diana; aan dood en verderf; zelfdestructie. Ze moet zich vermannen. Maar ze kan het niet, misschien is dat spijt. Het had niet mogen gebeuren. Het is toch gebeurd. Op een onbewaakt ogenblik en het kan niet meer ongedaan gemaakt worden. Ook niet met een excuus. Principes verexcuseer je niet, die leef je na. Het is bijna te laat. Carla vraagt zich af wanneer ze is opgehouden alert te zijn en of dat alleen maar haar schuld is. Of het er wat toe doet dat het niet alleen haar schuld is.
'Als u de deur even dichtdoet, dan kunnen we verder gaan', stelt
een neutrale mannenstem voor.
Jawel, zo gaat dat. Achter gesloten deuren, gaan we gewoon verder.
'Sorry', zegt ze. 'Ik geloof dat ik toch maar beter achter hem aan
kan gaan.'
Hij zit weggedoken in z'n gewatteerde winterjack op een houten
bankje voor de dichtstbijzijnde frietzaak. Als ze hem ziet zitten overvalt haar
een gigantisch gevoel van dankbaarheid. Een hevige emotie die, zonder
klankbord, net zo snel weer wegebt als ze is komen opzetten en die Carla daarom
in verlegenheid brengt. Ze gaat voor hem staan.
'Kun je niet beter naar binnen gaan, gabber.'
Haar stembanden trillen.
'Heb jij soms geld?'
'Genoeg. Zou je wat lusten dan?'
'Sodeflikkerstraal godnondejuu op', haalt hij scherp naar haar
uit.
Dan wendt hij z'n blik af en veegt met een mouw over z'n ogen.
Carla is in tweestrijd. Ze hoeft dit niet te pikken.
'Eric, ik heb het ijskoud. Kom ga mee naar binnen, dan krijg je
een frietje oorlog.'
'Ik moet geen frietje oorlog.'
'Doe niet zo zielig zeg, ik ben toch achter je aangekomen of niet
dan?'
'Krijg ik pillen van je?'
Carla slaakt een paar zuchten van moedeloosheid:
'Wat voor een soort pillen? XTC? Wat kost dat?'
'Zeventig gulden voor ons samen. Of LSD. Trippen is goedkoper.'
Carla zakt naast hem op de bank neer en telt drie voorbijrazende
auto's en twee passerende fietsers.
'Je kunt je pillen krijgen, maar zou je mij er alsjeblieft buiten
willen laten?'
'Ik moet altijd alles alleen doen', klaagt Eric, terwijl hij met
z'n hoofd tussen z'n benen speekselhoopjes maakt op de stoeptegels.
'Als je het niet had uitgemaakt met Demet, dan zou je nou met haar
in plaats van met mij kunnen flippen.'
'Trippen.'
'Waarom heb je het eigenlijk uitgemaakt met Demet?', vraagt ze
voor de tweede keer die dag.
'Ja, dat is ook zoiets'.
Eric gaat rechtop zitten en snuift kwaad in de opstaande kraag van
zijn jack.
'Ze is zogenaamd zwanger van mij. Nou, volgens ons mam kan dat dus
mooi niet.'
'Waarom niet, is er iets mis met je viriliteit?'
'Met m'n wat?'
'Met je pik!'
'Nee, maar ik heb een condoom gebruikt.'
Carla doet twee filtersigaretten tegelijk in haar mond en steekt
ze inhalerend aan. Ze geeft één van de twee smeulende sigaretten aan Eric.
Samen ademen ze een poosje nietszeggend een schadelijke dosis nicotine in en
uit.
'Eric, condooms zijn niet honderd procent veilig. Ik vind het
schandalig dat ze je niet eerst hebben voorgelicht. Bij welke drogist ben je
eigenlijk geweest?'
Eric bekijkt de sigaret tussen zijn gele vingertoppen en schuift
een aantal malen ongemakkelijk op de houten bank heen en weer.
'Zeik toch niet zo Carla, krijg ik nou pillen of niet?'
7.
Op de stoep voor het huis van Niels versperren twee memorabele vloerkleden de doorgang voor voetgangers. De huiskamerkleden die Carla in het verleden met zoveel klop- en zuigdrift gekoesterd heeft. Half opgerold en omringd met een zooi minder belangrijke huisraad. In het armetierige voortuintje, met een mosveld in plaats van een grasperk, staat de stoffen, gebloemde sofa van Diana. Op de plek waar Diana altijd gehangen heeft, is de stof gerafeld en vuil en puilt de schuimrubberen voering. De voordeur staat open. Carla steekt de handen in de zakken van haar overjas en blijft afwachtend staan kijken aan de rand van de rol tapijt uit de voorkamer. Ze speelt met de stofpluisjes in het hoekje van haar rechter zak en voelt een hard, rond bolletje. Ze zal Eric toch hopelijk wel alle vier de gekochte pillen gegeven hebben?
'Microdots', noemde die kerel uit de coffeeshop ze gewichtig.
'Oh, je bedoelt microdots, zeg dat dan. De eerste keer zeker? En
meteen maar vier. Rustig aan ermee, hè! Het kan vriezen en het kan dooien met die
trips. Denk eraan!'
Kleine, grijze, ronde pilletjes. Los uit de hand. Carla mocht ze
kopen en betalen van haar allerlaatste centen uit het potje voor noodgevallen
terwijl Eric buiten wachtte. Ze had tenslotte wat goed te maken. Zestig gulden
voor vier microdots. Eric nam ze onderhands en haastig aan en verdween
geheimzinnig naar niemandsland zoals dat kennelijk hoort bij een illegale
transactie tussen een junk en een dealer. Carla stond voor paal, net als nu. Ze
haalt haar hand uit haar zak en beweegt het dingetje tussen haar duim en
wijsvinger. Dan komt Niels door de gang naar buiten. Hij heeft het koraalrode
zeil uit de keuken in een rol op z'n schouder en bedelft net niet onder het
gewicht. Het pilletje verstopt ze in de ruimte onder haar tong. Een verdovend
middel tegen Niels en het gerommel in haar darmen. De laatste paar dagen speelt
de realiteit weer behoorlijk op. Ze zou eens wat minder kipfilet moeten eten.
Op het moment dat Niels haar ziet, blijft hij als door de bliksem getroffen
staan met het keukenzeil nog altijd op z'n schouder.
'Is dat niet zwaar?', vraagt Carla. Ze gebaart naar de rol.
Niels blikt viezig naar obstakel op zijn schouder alsof het een
steekgraag insect is, waarvan aanwezigheid hem nu pas opvalt en schudt het
abrupt van zich af. Met een enorme klap keldert de rol op het looppad naast het
mosveldje vlakbij Niels. Hij wijkt op het nippertje uit, steunt met z'n handen
in de rug en lacht betrapt.
'Ben je aan het verhuizen?'
'Nee.'
Hij kijkt om zich heen alsof hij tussen de rotzooi een verklaring
denkt te vinden. 'Morgen komt de gemeentelijke ontsmettingsdienst. Vandaar.'
Carla zegt niets.
'Een vlooienplaag', licht hij gewillig nader toe.
Carla doet drie passen in de richting van haar eigen voordeur.
'Zo heb je er twee en een maand later heb je er twintigduizend',
grapt hij zenuwachtig.
'Ga maar gauw', zegt hij eigenlijk met de toonzetting.
Schuldbewust. Daarom blijft Carla opnieuw staan, om te achterhalen
wat hem eigenlijk direct te verwijten valt. Het kruipt achter hem uit de gang
tevoorschijn. Een kind met een exotisch uiterlijk en Diana’s aquamarijnkleurige sprei, als een pasgeboren
baby in haar armen. Ze gunt Carla een vijandige blik, gooit nonchalant de sprei
over de sofa en ze verdwijnt weer naar binnen. Carla voelt het pilletje onder
haar tong. Niels blijft aan de grond genageld staan. Hij kan niet voor of
achteruit.
'Dat is Demet', zegt hij en maakt een opgezadelde indruk.
Bij Carla begint iets te dagen. Vanuit haar onderlichaam, waar
de waarheid een vuurbal wordt die genadeloos
pijn doet.
'Demet is vijftien en ze krijgt een kind van jou', vist Carla.
Ze moet het zeker weten.
'Niet zo hard!'
Niels kijkt angstig om zich heen. Carla zoekt haar sleutelbos in haar schoudertas. Impotentie als protest tegen actieve vrouwelijkheid. Ook al blijft het kwakkie hinderlijk opspelen. Dat kan zonder al te veel moeite gedumpt worden in behoeftige kinderen van vijftien. Voor nog minder moeite had hij zich beter een opblaaspop aan kunnen schaffen. Nu trapt hij met krachtige aanzet, figuurlijk, keihard in haar onderbuik waar de vuurbal onderhuids, derde graads weefselbrandsporen nalaat. Ze mag dit niet langer toelaten en zoekt onzichtbaar dekking. Maar voor ze kan vluchten zal ze, vanwege de pijn, eerst op neutraal gebied star moeten staan wachten tot de ergste naweeën gezakt zijn.
'Hoe weet jij dat?'
Hij komt op haar af, maar stopt twijfelend, achter het
voortuinpoortje, op veilige hoorafstand:
'Wat kan ik zeggen Carla. Eric had het uitgemaakt. Ze was het huis
uit gezet. Ze was eenzaam. Je kunt me geloven of niet maar zij heeft mij
versierd. Ze is een ongelukje.'
Nog tien passen over straat, om de huisraad op de stoep heen.
'Demet is een ongelukje', denkt ze.
'Wat een opluchting!'
'Ongelukje, ongelukje, ongelukje', repeteert ze verder op de
melodie van haar stappen.
Vijf keer over het pad naar de deur. Ze is bij het slot. Sleutel
in het gat. Kinderverkrachter. Dat wil ze van de daken schreeuwen. Dat en nog
veel meer. Zaait en gij zult oogsten. Demet is een ongelukje; jong en
onschuldig, onmondig en passief; maar verleidelijk en gehaaid. Creatieve
vrouwelijkheid; slimmer dan actieve Carla. Dat moet. Ze hoopt zo intens dat het
waar is. Dat Niels nu eindelijk ook eens de bittere vruchten van zijn eigen
ego-oogst zal mogen nuttigen. Dat het kind van Eric is.
'Nou moet ik zeker alleen terug naar de sociale dienst', zeurde
Eric op weg naar de coffeeshop.
Hij heeft een hoop tekortkomingen, maar aan zelfmedelijden geen
gebrek. Carla had hem in de steek gelaten en dat zou ze voelen ook. Maar niet zonder
zelfverdediging:
'Ik moet net zo goed altijd alles alleen doen, Eric.'
'Niels belt toch zeker weer even naar de sociale dienst op voor
jou. Dat heb ik hem zo vaak horen doen.'
'Vaak', herhaalde Carla voor zich uit.
Ze begreep het niet.
'Nou ja, vaak, een stuk of vier keer.'
Met korte sprongetjes ontweek Carla de zwarte strepen op het
zebrapad. Bruine laarzen op het witte nat. Oplichtend in de gure, okergele
decembersfeer. Met haar tenen tipte ze onbedoeld de donkere grens aan. Dat
betekende rampspoed.
'Wat zei Niels zoal als je hem voor mij hoorde bellen?', vroeg ze,
terwijl ze voor de volgende streep foutloos op het geverfde asfalt probeerde te
springen. Ze gaf zichzelf nog één kans.
'Dat ie voor jou belde, voor Carla Langeweg. Dat je samenwoont,
een uitkering hebt en werk zoekt. Nou, voor mij zal mooi nooit niemand dat
doen.'
'Dus altijd iemand.'
Carla sprong voluit op het laatste, zwarte gedeelte van het zebrapad. Daarna op de stoep en in een plas. Eric maakte zwijgend een boog om haar heen. En ze dacht aan Niels op de vuilbruine, ribfluwelen driezitsbank tegenover haar. Hij was niet H.I.V.-geïnfecteerd, maar Ella had hem, godverdomme, opgebruikt en hem daarna ingeruild voor de centen. Het vervolg kende Carla van buiten. Ze had alleen nooit goed naar de inleiding geluisterd. Nu zit hij muurvast in z'n eigen val. Ze had genoegdoening kunnen voelen. Maar in eerste instantie bespeurde ze helemaal niets. Pas toen ze zich omringd merkte door de nevelige, donkerbruine, dompige warmte van Eric's coffeeshop, met zo'n typische baardmans achter de bar, kwam er een vorm van gelatenheid over haar heen. Alles is sowieso al gebeurd, uitgesproken en opgeschreven, buiten haar om, zonder haar medeweten. Ze zag het terug in de introverte houding van de enige klant in de zaak. Een vrouw van haar leeftijd met piekharen en motorlaarzen. Ze zat aan een tafeltje bij het raam met een pilsje voor haar neus en boetseerde een joint met de snelheid van een luiaard. Dezelfde passieve uitstraling als Carla, Diana, Eric of Harold. Fantasieloos slapen, zonder dromen, zonder de persoonlijkheid of de kracht van een bloemenkind als Niels. Verzet in de vorm van een grote bek, of juist instemming met behulp van pillen of alcohol, niets zou ooit meer zo wereldschokkend zijn als de daden van weleer. Zo aan het einde van een eeuw, waarin de Westerse beschaving in techno trance haar hoogtepunt voorbij is gestreefd. De kern van de moderne tijdgeest graaft haar eigen graf. Ze is de val van het Romeinse rijk; de realiteitszin kwijt; onaanvechtbaar en statisch. Elk eigen initiatief wordt uit de context getrokken en meedogenloos afgezet tegen de vervlogen, gelogen of verbogen prestaties van vervreemde generaties uit gouden tijden. Uit de kluiten gewassen nostalgie. Kan Carla het helpen dat ze te laat geboren is.
Ze is nu kwaad genoeg om de wereld en daarmee de hoogleraar eens goed de waarheid te schrijven. Ze heeft zelf geen p.c. meer tot haar beschikking, maar ze kan de computer van de studente gebruiken. Hij staat pontificaal op een keukentafel midden in de gezamenlijke zitkamer. Carla is alleen gerechtigd tot gebruik als de studente zelf niet aanwezig is. Mocht ze onverhoopt arriveren en een dringende aanval van computerproductiviteit op voelen komen, dan wordt Carla geacht om de keukentafel onmiddellijk te verlaten, haar werkzaamheden met directe ingang van het bevel van de studente te laten voor wat ze zijn en plaats te maken voor hare majesteit de studente herself. Een gunst die Carla uiteraard niet voor niets verworven heeft. Een week gratis computeren met restricties heeft Carla af moeten kopen met een zak pepernoten, een pennenhouder in de vorm van een Gremlin, een videoband met een Walt-Disney uitvoering van sneeuwwitje - hoewel de studente net zo min een videorecorder bezit als Carla -, een T-shirt met Madonnaopdruk, geurkaarsen, sommigen met smaak aangevreten door Bobo, een zwartzijden bh met bijbehorend slipje en de kerst-cd. van de maand. Nodeloos te vermelden dat noch de studente, noch de kunstenaar, noch de illegale Spanjaard, noch Carla een cd.-speler bezitten, maar enfin, de studente was voor zeven dagen over de streep gehaald en tijdens haar verloren uurtjes had Carla de veredelde schrijfmachine voor zichzelf:
Joop,
Inmiddels heb ik leren leven met m'n status van werkloze academicus. De werkende klasse geniet net zo min de vrijheid en zelfstandigheid, die zij zo huichelachtig prediken in de arbeidsmythe, als ik. Er is altijd wel weer een baas boven baas die het beter weet, die het leven van z'n onderdanen danig bepaalt en z'n slaafjes doet vergeten dat iedereen alleen dood gaat en dat we allemaal maar één keer leven. In die zin ben ik blij dat ik niet mee mag doen in de gekte en drukte om en rond futiliteiten, die anderen nog voor je bepalen ook. De andere kant van de medaille is echter een chronisch gebrek aan geld. En als er dan toch gewerkt moet worden om brood op de plank te krijgen, dan maar liever met werkzaamheden die een beetje bij mijn capaciteiten en interesses aansluiten. Vandaar dat ik hoopte op een eerlijke kans als aio bij jouw werkverband. Een kans die ik niet gekregen heb. Het was de vijfhonderd vijfentwintigste en tevens laatste keer dat ik geschoten heb. Geloof me, de afwijzing op zichzelf was noch een probleem, noch een onverwachte schok. Ik ben me zeer wel bewust van mijn zogenaamde tekortkomingen in de ogen van anderen. Veel erger is de absolute negatie van de realiteit van veertigduizend werkloze academici. Geregistreerde werklozen. Ik schat dat even zoveel afgestudeerden de tering naar de nering hebben gezet door anderszins door het leven te gaan. Als huisvrouw met kinderen, als onderbetaalde kantoorklerk in een functie ver beneden het, met een diploma bezegelde, niveau, of, zoals in mijn geval, als gefrustreerde freelance journaliste. Met de nadruk op free. En dat het allemaal mijn eigen schuld is, dat beseft niemand beter dan ik. Ik probeer ook echt wel onderdanig door het leven te gaan. Maar soms zijn er uitschieters. Sollicitatiebrieven bijvoorbeeld. Fouten maken is menselijk. Maar de wereld is niet menselijk. Legio professoren zullen dat, samen met jou, voor mij bevestigen. En dan word ik geacht me te richten naar de meest fantastische theoretische verhandelingen over postmodernisme, technoterror en maatschappelijke verharding. Maar vanuit welke wetenschappelijke hoek deze en andere ontwikkelingen ook bekeken worden, in jouw geval; literair verantwoord of niet, zij zijn en blijven een realiteit waarvan voornamelijk gewone mensen zoals ik, en niet jullie, dagelijks last ondervinden. Om daar dan nog een schepje bovenop te doen krijg ik van jou de meest zakelijke en onsympathieke afwijzing uit mijn hele collectie. Jij neemt niet eens de moeite om een oud-studente, die nota bene met zoveel tam, tam bij je is afgestudeerd, een persoonlijk schrijven te sturen met daarin de reden waarom ze zelfs niet eens voor een gesprek is uitgenodigd. Waarbij ik me echt wel kan voorstellen dat je niet speciaal op mij zit te wachten en dat degene die wel is aangenomen perfect zal voldoen. Dat is echter nog geen reden om mij als een onmens aan de kant te zetten. Bijna alles went. Zelfs hangen zegt men, maar vreemd genoeg leer ik het nooit af om van slag te raken als ik onheus bejegend word door mensen aan wie ik mijn vertrouwen geschonken heb. Vandaar deze haatdragende brief. Om je te dwingen tot een inzicht - hoe kort ook - in dat klagende gevoel van vernedering. Van dat leuren met jezelf en daarop onherroepelijk die quasi beleefde afwijzing. De Übermenschen hebben beslist. Legt u zich er maar nederig bij neder in het stof mevrouw. Dit gevoel, deze frustratie, deze ontwaarding had je kunnen verlichten, nee kunnen voorkomen, door simpelweg een persoonlijk briefje te sturen. Misschien een suggestie voor andere oud-studenten die ook gesolliciteerd hebben en op eenzelfde manier een bedankje tegemoet hebben mogen zien? Hoe zou je jezelf anders nog langer op de buis met recht en geloofwaardig met Jezus kunnen identificeren? Hoewel, als een heilige heb ik je nooit gezien. Maar in het verleden heb ik wel een beetje loyaliteit proberen aan te bieden. Achteraf gezien was respect en bewondering misschien toch beter geweest. Hoe onecht ook. Altijd nog nuttiger dan mijn onbeduidende verschijning. Nog het beste in te zetten als ego bevredigende butsbal of boemerang. Aanhalen en weggooien naar eigen behoefte. Het komt vanzelf wel weer terug. Tot aan het afstuderen. De laatste keer met de kop tegen de muur. Vogelvrij verklaard en nou niet meer terugkaatsen alstublieft, want vanaf dit ogenblik is de hoogleraar behept met een fatal attraction-fobie. Nu begrijp ik ook pas hoe mijn brievenschrijverij je de stuipen op het lijf moet hebben gejaagd. Arme gekwelde geest. Laat de weetgierigen tot hem komen, maar verwacht niet zomaar iets terug. Alles is ijdelheid. Wees wijs en berust. Berust jij dan ook maar in je onvermogen om mij van de aardbodem weg te denken. Hoeveel vernederingen en machtsvertoon ik ook nog te verduren krijg, voor mij zit er net zo min als voor jou, iets anders op dan te overleven. Jij bent de baas. Het feit dat je me niet hebt willen helpen, of tegemoet komen, is dus jouw zaak. Je had een kloof kunnen overbruggen door mij bijvoorbeeld tegen mezelf te beschermen toen ik je opbelde voor meer informatie. Je koos voor de afstand. Prima, maar onthoud wel dat ik de jeugd, de toekomst en de tijd alvast van je gewonnen heb. Het laatste woord is bij lange na nog niet geschreven.
Verzendklaar is de brief pas als Carla het geschrevene nog een keer heeft herlezen en waar nodig gecorrigeerd. Maar nog voor ze de woorden kan spellen brokkelen ze één voor één van het grijze scherm op het keukentafelblad uit elkaar en glijden in losse letters uit op het grauwe formica. Sommige stukjes ontsnappen naar de grond of blijven hangen aan de plint van de beige muur. Carla heeft gelukkig snel genoeg door wat er met de inhoud haar brief gebeurt. Niels loopt heen en weer over het tuinpad. Van buiten naar binnen en van binnen naar buiten. Hij zet de hele inboedel op z'n kop. Zo terroriseert hij haar gedachten. Hij steelt de zinnen, woord voor woord en plakt ze aan de muur en op de grond met Pattex. Voor het te laat is, moet Carla ze lospeuteren en afkrabben. Het is een zaak van leven of dood. Een precisie werkje. Als ze enkele letters eenmaal los heeft gekregen dan voelen ze nergens naar en vervliegen in het geluid van de p.c. die tomeloos loeit bij wijze van protest. Zo doordringend dat het Carla de oren dicht doet drukken. Haar vingertoppen gloeien. Ze houdt de handen met uitgespreide vingers dicht bij haar ogen. Over de palmen kronkelen knalrode adders. Sommigen ervan probeert Carla op de vangen met het puntje van haar tong. In haar mond smelten ze als pastel getinte schuimpjes, maar ze smaken naar spinazie. Naar het groen van het schilderij van de kunstenaar. Oerwoud in Nederland. Kleurrijke olieverfstrepen vanuit het eenzame Hopper perspectief. Knappe lichtinval. Wuivend op housemuziek.
Enigma.
'Raadsel', denkt Carla en ze vlijt zich neer in het verkoelende
groen.
Op haar rug met haar hoofd op haar gekruiste armen komt ze tot
rust met een warme, felle, gele zonnestraal op haar gesloten oogleden. Een
oogverblindende, kristallen bol aan een latex lucht. Iedereen zit om haar heen
in de tuin van Niels. Hij voert het hoogste woord. Ze hoort hem wel praten,
maar ze wil niet luisteren naar wat hij zegt. De muziek is ongewoon. Een vluchtige
aaneenschakeling van diverse muziekstijlen met op de achtergrond de consequente
repetitie van basnoten. Geen duidelijke partituren. Geestvervoering door
repitietonen:
'The principles of lust,
are burned in your mind,
do what you feel,
feel until you find,
love...'
Het geluid belet een chronologische gedachtegang.
'Waar ben ik', denkt ze.
Boven haar voorhoofd zweemt de warme aanwezigheid van een harig
wezen. Het ruikt naar aarde, gras en afrikaantjes. Een koud, nat, snuivend,
rubberen dopje schuift heen en weer over haar wang. Carla huivert. Een beest.
Haar alter ego beveelt:
'Bobo, ga weg!'
Onder haar verhardt de bodem zich tot een kleurloze, kille beton laag. De angst giert door haar luchtpijp. Het transpiratievocht spuit met de kracht van een brandblusser uit haar poriën. Ze knijpt de ogen stijf dicht. Zwarte bloed spetters vliegen zich bevend te barsten op het zalmen, zanderige achterland van haar dicht geperste oogleden. Als in een klankgedicht van Niels. Het harige object is de zwarte panter. De zwarte panter uit het oerwoud. De kunstenaar is hem vergeten te schilderen en nu zint hij op wraak. Carla ontsnapt ternauwernood aan zijn bloeddorstige bek. Ze moet weg uit de gevangenis. Rennen voor haar leven door een lange gang met overal camera's. Hij achtervolgt haar. In een vlucht door het oerwoud, in een ruïne van vuile vaat en etensresten, probeert ze snel en krachtig een deur achter zich dicht te trekken. Het lukt niet. Er zit iets in de weg. Het maakt een snerpend jankgeluid. Het gaat door merg en been. De schrille klaagzang in samenhang met het angstzweet en het bloed op haar handen doen haar greep om de klink verslappen. De deur ketst twee keer af en aan op het obstakel. Het beest is los en het schiet langs haar benen af. Engelenharen. Carla griezelt. Paniekerig verlaat ze razendsnel de ruïne, knalt de deur achter zich in het slot en kruipt op handen en voeten zo ver mogelijk weg in een hoekje van de achterkamer. Daar overvalt haar een eigenaardig soort kalme duizeligheid. Ze wrijft door haar ogen en creëert zo een fantastische caleidoscoop met allerlei prachtige kleuren. Ze kijkt ademloos. In de verte kermt Bobo.
'De salmonellabacterie', denkt Carla.
'Bobo heeft mij besmet met
een virusziekte. Daarom doe ik zo raar.'
Moeilijk krabbelt ze overeind en strompelt naar de keuken. Bobo hangt zittend tegen het aanrechtkastje. De spitse oren slap in de nek. Rillend over z'n hele lijf. De achterpoten rusten in een onnatuurlijke houding, links van z'n bast, op de tegels. De lange staart sleurt slap van links naar rechts over de grond als Carla zich over hem heen buigt. Ze wil hem tegen zich aandrukken, maar hij geeft niet mee en zij heeft ook geen kracht meer. Voorzichtig gaat ze naast hem op de grond zitten. Hij verroert zich nauwelijks, maar rust wel heel licht met z'n kop op haar schouder. Zo begint Carla's bloed te koken. Een gewaarwording alsof ze zojuist twee kilo zoute drop verorberd heeft. Haar onderbuik borrelt en bruist. Een bekend, latent gevoel van de laatste tijd. Op het tintelen na. De tinteling is nieuw. Carla blijft doodstil zitten om de pijn te doorgronden. Een draaierige misselijkheid, met pieken en dalen.
De kunstenaar gaat met z'n tijd mee en is dus een kenner op het
gebied van de stimuli. Dat wil zeggen op het gebied van nicotine en alcohol.
Wat LSD en andere tripmiddelen betreft is hij wat minder op de hoogte, maar God
zij dank is hij helder genoeg om in te zien dat met Carla de komende
vierentwintig bitter weinig te beginnen zal vallen.
'Jij blijft hier zitten', draagt hij daadkrachtig aan Carla op.
'Ik ga een dierenarts bellen. Ik weet niet wat je met dat beest
hebt uitgevoerd, maar hij is er beroerd aan toe.'
Carla kan amper antwoorden. De pijn in haar onderbuik is verdwenen
en heeft plaats gemaakt voor een verlamd gevoel in haar bekken. De koude
uitstraling van de tegels bezorgt haar rillingen over haar hele bezwete
lichaam. Dampige walmen proesten uit haar lijf. Ze zoekt verkoeling tussen
Bobo's oren. Maar hij verspreid een vreemde, afstandelijke geur. Niet de
bekende odeur van trouw en levenslust. Zachtjes begint Carla te snikken. Met
bescheiden, trieste, bijna neuriënde in- en uithalen. Ze veegt haar verdriet af
aan Bobo's vacht. Zijn zwarte knikkers glinsteren berustend. Carla drukt z’n
kop tegen haar neus en zuigt haar lippen vast aan de zijkant van z’n lauwe
snuit. Het heeft een ontnuchterend effect. Bobo is er slecht aan toe, maar zij
niet minder. Met zachte dwang schuift ze een onwillige, met angstige piepjes
tegen sputterende, Bobo van zich af en verplaatst zich in een stabielere zithouding.
Steunend op haar linkerarm licht ze haar billen een centimeter van de tegels.
Met haar rechterhand trekt ze haar trainingsbroek met elastieken tailleband
tegelijk met haar slipje tot aan haar knieën. In het korrelige badstof kruis
van het witte nep kant prijkt een eivormige terracotta bloedvlek .
'De telefoon is niet aangesloten', foetert de kunstenaar
machteloos.
'En bij de buren hoeven we ook niet aan te kloppen voor hulp, want
als je het mij vraagt heeft die ex van jou dat zelf veel te dringend nodig. Wat
mij betreft gaan we dus maar met de bus. En jij gaat mee.'
Carla's jas hangt over de leuning van een keukenstoel. Hij zoekt
iets in de overjaszakken. Hoogst waarschijnlijk een buskaart. Hij praat zoekend
verder zonder haar te zien.
'Jij gaat mee, voordat je denkt dat je kunt vliegen en uit het
raam springt.'
Nu komt hij voor haar staan om Bobo van haar af te pakken.
'Een ei van bloed', raaskalt Carla.
Ze staart beduusd naar het uitgerekte slipje tussen haar
opgetrokken knieën. De kunstenaar heeft tijd nodig om de situatie correct in te
schatten. Hij twijfelt tussen twee tegenstrijdige emoties. Intens medelijden of
achterdocht:
'Zei jij niet dat je zwanger was toen je hier introk?'
'De toekomst is dood!' zegt Carla met lege stem.
Ze steekt twee geschaafde vingertoppen in haar mond. De kunstenaar
gaat voor haar door de knieën en zoekt haar ogen.
'Het zijn maar schaafwonden', troost hij in een afwogen poging
haar te peilen.
Tegelijk met een stuiptrekking van haar kaakspieren schiet Carla,
met haar vingers nog steeds tussen haar vertrokken lippen, weer vol. Een geschonden
snotneus vol huis, tuin en keuken verdriet.
'Er is niets aan de hand, je hallucineert, dat is alles.'
Teder strijkt hij een streng haar uit haar gezicht.
'Er is niets meer.'
Carla huilt. Geluidloos.
'Niets is de dood, je bent niet dood Carla', fluistert de
alcoholist in de kunstenaar meelevend in Carla's oor.
'Niets is de dood', blaat Carla hem als een krankzinnige na. Diana
snelt haar te hulp. Ze heeft zich in een magnetisch veld aan het plafond vast
genageld. In een Aha-erlebnis komt haar glimlach overeen met de grijns van
Eric's zilverkleurige doodshoofd. De grimas overheerst in een donkerrood
aureool.
'Niets staat op zichzelf', zegt ze.
'Niets staat op zichzelf', herhaalt de kunstenaar niet begrijpend.
'Ja, en? Wat bedoel je nou, Carla?'
'E=MC2.'
Carla ziet Harold voor zich in een hittegolf van dertig graden. Ze
wrijft het droge stof uit haar ogen en schraapt haar keel.
'Gaan we natuurkunde doen?', wil de kunstenaar ondertussen weten.
'Daar moet je bij mij niet mee aankomen. Dat gaat me te ver.'
Ongeduldig schudt Carla haar hoofd.
'Niets staat op zichzelf.
Niets is de dood.
Ik sta op mezelf.
Ik ben niets
Ik ben dood.'
De kunstenaar reageert alert. Haastig schudt hij Carla aan haar
schouders wakker.
'Carla!', schreeuwt hij.
Hij moet iets zinnigs zeggen.
'E=MC2 ? Is dat niet de relativiteitstheorie van Einstein?!
Relativiteit. Dus; alles is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zie je wel, ik
snap het ook. Doe niet zo griezelig Carla.'
'De duivel legt eieren van bloed', antwoordt ze.
De doodsangst staat van haar gezicht af te lezen. Koortsachtig
gaat de kunstenaar bij zichzelf te rade hoe hij Carla met haar, door
chemicaliën opgewekte, onnatuurlijke gedachtegang, het beste tegen zichzelf kan
beschermen. Het enige wat hij kan verzinnen is om maar in haar verwarring mee
te gaan.
'Duivelsuitdrijving, is dat wat je wil?', vraagt hij geheimzinnig.
Carla hikt giechelend door haar tranen heen. De kunstenaar lacht
met haar mee, maar plaatst desondanks quasi charismatisch een vlakke linkerhand
op haar hoofd, sluit eerbiedig de ogen en bezweert zoekend naar woorden en in
het wilde weg:
'Dwaalspoor in het oneindige niets, verdwijn in het
onvermijdelijke verloop van de toekomst.'
Na deze woorden opent hij voldaan over zijn eigen creativiteit de ogen weer. Verwonderd staart Carla hem aan. Diana is verdwenen in de stille nasleep van de verbroken betovering die pas daadwerkelijk wordt bekrachtigd als Bobo hoorbaar in actie komt. Als een pasgeboren veulentje doet hij z'n best om op vier poten tegelijk te staan. De kunstenaar en Carla kijken gespannen toe. Tot zeven keer toe glijdt hij op de meest ongelukkige manieren met z’n achterpootjes uit op de tegels, daarna kruipt hij, langzaam maar zeker, recht op z'n doel af en nestelt zich uitgeput maar tevreden, veilig tegen Carla aan.
'Zeven mensenjaren staan gelijk aan één hondenjaar. Bobo is bijna
elf jaar.'
Carla praat op een toon alsof ze met mevrouw Maarsen over koetjes
en kalfjes bezig is.
'Hij is een kras oud mannetje dus. Vijfenzeventig jaar, ongeveer',
glimlacht de kunstenaar.
Hij gaat op de grond naast Carla zitten en kroelt Bobo opgelucht
achter de oren. Met een beschermend gebaar drukt Carla Bobo dichter tegen zich
aan.
'Zeven maal vijfenzeventig is vijfhonderdvijfentwintig', zegt ze
sussend.
Precies op dat moment flikkert er een sprankje hoop door de
keuken. Carla volgt het op de voet, tot ze opnieuw de troebele blik van de
kunstenaar ontmoet.
'Zag je dat! Dat was het gelijk!'
'Zo is dat', beaamt de kunstenaar.
'En alles wat we verder nog meekrijgen is mooi meegenomen.'
Reacties
Een reactie posten