Kinderspel deel 1: Zwartwit.

HOOFDSTUK 1
De twee pubers van Thea zijn de deur nog niet uit of Melvin staat alweer voor haar neus. Hij wringt zich achter haar langs door de geopende poort de tuin in en glipt via de keukendeur naar binnen. Rustig sluit Thea de poort achter zich en volgt Melvin naar haar keuken waar hij een pak melk van de ontbijttafel aan zijn mond zet. Een seconde blijft Thea roerloos staan en staart gebiologeerd naar de adamsappel van Melvin die ritmisch met zijn gulzige slokken mee beweegt. Melvin laat de laatste druppel uit de kartonnen verpakking op zijn uitgestoken tong vallen en veegt vervolgens de lippen af met de rug van zijn hand. Aan de binnenkant van zijn pols doorkruist een verse, ingevette tatoeage zijn slagader in de vorm van een woord. Thea houdt het hoofd schuin en leest:
‘Enough’.
Melvin knipoogt naar Thea en strijkt met zijn vrije hand door zijn blonde kuif. Met de andere hand knijpt hij het melkpak tot een vormeloze hoop karton en gooit het terug op de ontbijttafel waarna hij zijn rechter duim aan een lusje van zijn gebleekte en modieus gehavende merkspijkerbroek haakt. Hij draagt een strak wit T-shirt dat de contouren van een sixpack onthult die ter hoogte van zijn navel ontspringt. Thea voelt haar neusharen reageren op zwemen after shave. Musk. Melvin doet haar denken aan die oogverblindende glazenwasser van de coca cola reclame, maar ook aan een uit de kluiten gewassen, jonge golden retriever. Melvin is nog zichtbaar buiten proportioneel in de groei, maar niet slecht geschapen en goed getraind. Desondanks kan Thea hem niet anders zien dan voor wat hij in haar ogen is. Een ventje van amper zeventien jaar. Hij ziet er pijnlijk schoon uit; alsof zijn moeder hem vanmorgen flink heeft schoongeboend met groene zeep in een wastobbe. Schone schijn natuurlijk, dat weet Thea ook wel. Zestien jaar geleden deed zij de kleine Melvin, haar stiefzoontje, nog regelmatig in een roze wastobbe. De zoete kleur had Melvin aan zijn 4 jaar oudere zus te danken; die hem was voorgegaan in het plastic babybadje op inklapbare pootjes.
‘Als hij nou maar geen homo wordt’, grapte Pim, haar toenmalige partner en de vader van Melvin.
Altijd dezelfde flauwe grap en net zo vaak als Thea het roze badje tevoorschijn haalde tijdens hun korte relatie en alle dagen van de oneven kalenderweken in het jaar waarin Pim zijn kinderen bij toerbeurt had. En Thea boende Melvin ook niet schoon, maar ze gebruikte een zijdezachte washandschoen die gratis bij de aankoop van drie flessen Zwitsal babyshampoo bij de kassa van het Kruidvat te verkrijgen was geweest. Voorzichtig kneedde ze met het washandje het vertederende mollige lijfje van de kleine Melvin met zijn olijke toet en glimmende, rode, bolle appelwangetjes. Kleine Melvin kon ontwapenend, grenzeloos genieten van het dagelijkse badderen door luidkeels kraaiend, kirrend en krachtig, repetitief met zijn kleine knuistjes in het geurige badwater te slaan. Hoewel de spetters bij Thea om de oren vlogen en ze regelmatig moest wegduiken om niet drijfnat te worden, lukte het haar toch om elke keer een rechtopstaand kuifje in de geshamponeerde blonde lokken van Melvin te draaien. Na verloop van tijd raakte de mop geen enkele lachspier meer, maar Melvin met zijn shampookuif bleef haar aan Betuwe Flipje van die vintage jamreclame doen denken. Eigenlijk is Melvin dat vleugje Betuwe Flipje nog steeds niet helemaal kwijt.
‘Ik ben zo weg’, belooft Melvin terwijl hij een pakje kipfiletbeleg uit de koelkast pakt.
Geconcentreerd vindt hij het openingshoekje van de plastic verpakking. Zwijgend en smakkend werkt hij de inhoud plakje voor plakje naar binnen.
‘Zo te zien en te ruiken hoef je niet meer te douchen?’
Met volle mond en verwoed kauwend, schudt Melvin het hoofd. Vaak komt Melvin ’s morgens niet alleen de koelkast plunderen, maar ook gebruik maken van de badkamer. Thuis mag hij in het kader van het zuinige energiebeleid van vader Pim en zijn zoveelste stiefmoeder maar 1 keer in de week een schamele 5 minuten doorbrengen onder het lauwe sijpelende water in de doucheruimte. De rest van de tijd moet hij maar energie verspillen op het fitnesscentrum. Figuurlijk natuurlijk en letterlijk onder de douche van de sportschool of desnoods bij Thea en haar man Bart, want die kijken kennelijk niet zo nauw.
‘Neem je voortaan het gebraden gehaktbeleg uit het vuistje, dat is een stuk goedkoper?’
Thea schenkt nog wat koffie voor zichzelf in.
‘Doe ik!’, smakt Melvin.
Nogmaals opent hij de koelkast, inspecteert de proviand en vindt een ongeopend pakje gebraden gehakt. Hij propt het in de kontzak van zijn prijzige designersjeans en kweelt;
‘Dag mooie vrouw’, waarna hij de deur achter zich sluit.
Je kunt niet voor het eerste kind wel naar een ouderavond gaan en voor het tweede niet. Ook al is het verloop van de bijeenkomst nagenoeg hetzelfde als vorig jaar. Toen ging Thea voor haar dochter Sabine.
‘Van mij hoef je niet te gaan’, beweerde Walter vorige week nog vanachter zijn gamecomputer.
Hij schoof de koptelefoon in zijn nek en vervolgde op gebiedende wijs:
‘Maar mijn mentoren vroegen naar jullie’.
‘Nee toch?’
Thea zag de bui alweer hangen.
‘Je had toch een goed rapport; wat is er nu weer?’
‘Er is niks’, suste Walter.
‘Ze willen je gewoon even zien, dat is alles’, vulde Bart aan zonder op te kijken van zijn laptop.
‘Alleen mij?’ , vroeg Thea aanmatigend.
Walter haalde zijn schouders op, terwijl hij de koptelefoon terug op zijn oren plaatste en zich weer verdiepte in zijn spel inclusief het bijbehorende gesprek met zijn skypevrienden. Bij het avondeten zou de inkeping in zijn krullenkapsel, zoals bijna elke dag, verraden dat hij opnieuw de hele middag had zitten skypen en nauwelijks aan huiswerk maken toegekomen was. Hij is pas 12.
‘Dat komt helemaal goed met Walter en met Sabine ook’, beloofde Bart die een universitaire opleiding genoten heeft, zonder ooit een studiehoofd geweest te zijn.
Toch scoort hij bij elke IQ test extreem hoog.
‘Oefening baart kunst; zulke scores zou jij ook halen als je zoveel IQ tests zou hebben gemaakt als ik’, lichtte Bart toe.
Thea gelooft er helemaal niets van. Och, ze moet er wel vanuit gaan dat ze niet één van de domste is. Anders zou ze haar afgeronde opleiding aan de kunstacademie tekort doen, maar ze merkt steeds opnieuw hoeveel slimmer Bart eigenlijk is. Ten eerste was hij pienter genoeg om een baan te bemachtigen bij een rekencentrum van een academisch ziekenhuis in een functie die hem maandelijks een bedrag oplevert waarvan het hele gezin kan rondkomen. Ten tweede heeft hij een indrukwekkende voorraad parate kennis. Dat blijkt des te meer tijdens scrabble, triviant, een potje schaken of uit de kant en klare antwoorden op de vragen van televisiekwissen zoals; ‘Twee voor twaalf‘, ‘De Slimste Mens’ en meer van dat soort diepgang. Weetjes. Thea kan hem er zelfs probleemloos ’s nachts voor wakker maken.
‘Nutteloze bagage’, noemt Bart zijn kennis.
Thea kent Bart lang en goed genoeg om te weten dat hij het meent. Hij is gewoon te intelligent om arrogant te zijn, maar hij kan moeiteloos en onbeperkt verbindingen tussen feiten leggen en theorieën snappen in een tijdsbestek waarin een normaal denkend mens de input pas aan het verwerken is. En op logische manieren die een creatieveling als Thea met haar associatieve denkpatronen meestal in de verste verte niet ziet aankomen. Jaloers is Thea nooit geweest. Integendeel; Bart blijft haar blij verrassen met zijn scherpe geest. Nee, tegenpolen trekken elkaar aan. Pim was bijvoorbeeld een partner geweest die net zo dromerig en chaotisch is als Thea en op hem was ze al na een paar jaar uitgekeken. Thea kent eigenlijk verder niemand uit haar directe omgeving die zo inzichtelijk is als haar Bart. De vader van haar twee kinderen.
‘Ik weet wel zeker dat alles goed komt met Sabine en Walter. Sterker nog; alles is allang in orde met ze. De vraag is alleen of ik moet komen opdagen op de ouderavond enkel en alleen omdat ik gesommeerd word door de mentoren’, resumeerde Thea hardop, terwijl ze op haar telefoon de online uitnodiging opzocht om de datum en tijd te achterhalen.
‘Je wordt niet gesommeerd; maar volgens mij vriendelijk gevraagd. Maar van mij hoef je niet te gaan. Ik blijf ook thuis. Waarom zou je?’
Vanwege het gelijkheidsprincipe dus. Thea wil niet over pak weg een jaar of tien door Walter verweten worden dat zij er ‘nooit’ voor hem geweest was, maar wel voor Sabine. En toen Sabine voor Walter vorig jaar het spits afbeet in de brugklas van de middelbare school stond Thea bovenaan de lijst van deelnemers aan de eerste ouderavond. Achteraf zonde van de tijd, maar ouders krijgen toch al overal de schuld van en die tendens moet je niet willen versterken door er serieus op in te spelen. Dus zorgt Thea dat ze ook op de ouderavond van Walter aanwezig is. Walter heeft twee mentoren en bij binnenkomst in het druk bevolkte klaslokaal stevent Thea direct op de jongste van het duo af, omdat zij toevallig net even niet bezet is door het zoveelste gevalletje van de typisch bezorgde ouder. Volgens Walter is er niks mis met deze mentor. Thea vindt haar er mogelijk nog naïever uitzien dan op het eerste gezicht tijdens de introductie-avond van voor de zomervakantie. Toen het grote middelbare schoolavontuur voor de eersteklassers en hun ouders nog moest beginnen. De jeugdige mentor geeft een slap handje dat Thea krachtig drukt onder begeleiding van de woorden;
‘Nou hier ben ik dan, de moeder van Walter, zeg het maar.’
Verontrustend genoeg schijnt het meisje meteen te weten waar Thea op doelt en ze doet een stapje terug om het podium te bieden aan de tweede mentor. Ook een vrouw waar niks op aan te merken valt volgens Walter. Thea herkent haar eveneens van de introductie-avond. Een generatiegenote van Thea, maar dan zonder poespas, die de hint van haar collega vanuit haar ooghoeken opvangt. Ze reageert alert door het contact met een concurrerende ouder kordaat knikkend af te breken en zich bij Thea te voegen. Walter heeft kennelijk prioriteit. Thea klemt haar kaken alvast op elkaar en zet zich schrap met haar rug tegen het digibord.
‘Ik vind dat het heel goed gaat met Walter’, begint de mentor.
Ze straalt ervaring uit. Opgelucht laat Thea de rem op haar lachspieren los en denkt ondertussen;
‘Waarom zou het niet goed met Walter gaan?’
Maar ze herademt en antwoordt;
‘Ja, dat vind ik ook. Hij heeft een goed rapport toch? Bijna alles op B niveau en de rest op C.’
Nu is het de beurt van de mentor om zich te ontspannen en ze gaat onverbloemd verder:
‘Jazeker, maar Walter zou gezien het advies van de basisschool misschien al volledig op C moeten scoren, maar er kan nog van alles gebeuren.’
‘Moest ik daarvoor komen?’, vraagt Thea zich heimelijk af.
Wat een open deur. Dat ligt natuurlijk weer aan de reputatie van De Wielewaal. De basisschool in een wijk met voornamelijk hoogopgeleide ouders met hun – logischerwijs- hoogbegaafde kinderen. Die sturen de uitblinkertjes normaliter niet naar een scholengemeenschap VMBO (A-niveau), HAVO(B-niveau), VWO (C-niveau), maar linea recta naar het stedelijk gymnasium.
‘Er komen hier toch wel meer leerlingen van De Wielewaal?’
Thea houdt zich bewust van de domme. De twee mentoren wisselen een blik van verstandhouding, waarna de jongste antwoordt;
‘Jawel hoor, maar Walter had een hoge citoscore en een VWO advies van zijn basisschool. Vandaar dat wij ons zorgen maakten. We dachten dat u misschien teleurgesteld zou zijn.’
‘In jullie of in Walter?’
‘In ons natuurlijk’, grapt de oudste mentor.
Thea vindt haar leuk en vervolgt naar waarheid:
‘Welnee, wij hebben hem niet voor niets naar een scholengemeenschap in plaats van naar het stedelijk gymnasium gestuurd!’
‘Ja, want feitelijk is het gymnasium gewoon VWO en dus C- niveau en dat hebben wij hier ook’, merkt het jonkie pienter op.
Hier heeft Thea niks aan toe te voegen, waardoor de oudste mentor zich kennelijk geroepen voelt om haar mening toe te lichten:
‘Ik heb zelf ook slimme kinderen en leerlingen kunnen wel intelligent zijn, maar dat betekent nog steeds niet dat ze ook direct goed door hebben hoe ze efficiënt moeten leren’.
‘Tijd genoeg toch? Een scholengemeenschap telt 2 brugjaren; 3 zelfs als je alleen van HAVO/VWO uitgaat?!, beaamt Thea op verifiërende toon.
Beide mentoren zijn zichtbaar gerustgesteld. De jongste wendt zich alweer tot de rest van het gezelschap, terwijl de oudste zich naar haar lessenaar voor de klas begeeft. Ze knipoogt nog even in de richting van Thea; alsof ze wil zeggen:
‘Fijn voor Walter’.
Thea vindt een willekeurige stoel in de klas en neemt plaats achter een schoolbank ergens in het lokaal. De verontwaardiging over de manier waarop de mentoren haar aanvankelijk hebben ingeschat ebt langzaam maar zeker weg. Je hoeft maar om je heen te kijken en de streberige houding van sommige ouders op je in te laten werken om te snappen op welke irreële verwachtingen deze mentoren hun reactiepatroon hebben gebaseerd. Nog maar te zwijgen over de wereldvreemde voorlichting van de meesters en juffen van de basisschool over het leven na groep 8. Zoveel is er in de praktijk helemaal niet veranderd in de ogen van Thea die de middelbare school al weer meer dan dertig jaar geleden verlaten heeft. De technologische ontwikkelingen en dan met name het belang van de iPhone en de geautomatiseerde schooladministratie (Magister) daargelaten natuurlijk. De ervaren mentor neemt het woord:
‘Vergeet de iPhone niet, vergeet Magister niet, maar gebruik ook een ouderwetse agenda. Dat is mijn devies’, begint ze staccatoachtig om haar overtuiging kracht bij te zetten. Ze is overduidelijk een kind van Thea’s tijd.
‘Ik kan het niet vaak genoeg herhalen.’
‘Waarom?’ vraagt Thea namens Walter.
‘Dat is dubbelop.’
‘Als een back-up’, licht de jongere mentor toe.
’Want wat als Magister uitvalt, of je bent je iPhone kwijt?’
‘En toch kun je het niet hard maken. Die kinderen weten niet eens hoe ze een ouderwetse agenda moeten gebruiken laat staan dat ze het doen.’
Thea krijgt onverwacht bijval van een vader achterin de klas:
‘No way’.
Vermoedelijk heeft de rest van de aanwezige ouders het punt van discussie niet helemaal meegekregen. Bij wijze van nadere toelichting begint de oudste mentor over de overgangsfase waarin kinderen zich zouden bevinden. Het onontgonnen gebied tussen schrijven met de hand en de tekstverwerker. Ze heeft groot gelijk, maar geen enkele twaalfjarige met een iPhone hoeft te wennen aan Magister. Huiswerk noteren met de hand en afspraken opschrijven in een agenda; dat is pas aanpassen en zal zeker niet zonder het nodige kunst- en vliegwerk in leven blijven. Misschien zou er extra aandacht aan besteed kunnen worden tijdens kunstvakken? Schoonschrijven; werk in uitvoering. Zoiets. Nou heeft Thea in de afgelopen basisschooljaren van haar kinderen echt wel geleerd om zich gedeisd te houden. Een afwijkende mening, of überhaupt een originele visie, wordt noch op prijs gesteld noch begrepen. Uit zelfbehoud en in het belang van de kinderen, kan een eigentijdse ouder zich maar het beste aan een arsenaal van ongeschreven stelregels houden. Bovenal dien je het eigenbelang te allen tijde in ere te houden. Eerst komen de mama en papa, dan een hele tijd niets en daarna komt het belang van de ouder in de verpersoonlijking van het kind. Het eigen kind wel te verstaan. Dit schuif je via allerlei zijwegen en met de meest schunnige caperiolen naar voren. Nooit direct en altijd onder het mom van de toegewijde verzorger. Een verzorger die overigens over het algemeen niet al te snugger is en die op ouderavonden eindeloos kan doorzagen over futiliteiten zoals; de tijdsduur van de lunchpauze, de overschrijding van de leeftijdsgrens van gezamenlijke films in de klas, een verbod op het verlaten van het schoolplein tijdens tussenuren, de hoogte van de boete op het te laat retourneren van bibliotheekboeken, de afwezigheid van zeep in de pompjes bij de schooltoiletten enzovoort en ga zo maar door. Door je kop in het zand te steken zijn deze ouderbeproevingen nog te beste te overleven. De klassikale opmerking van Thea over de onzin van het gebruik van een agenda naast Magister vormt dan ook een hoge uitzondering op deze regel. Een uitschieter, want Thea weet normaliter wel beter dan zich openlijk betrokken te tonen bij de belevingswereld van haar kinderen.
Een week of vier geleden zag ze de ex-juf van Walter uit groep 8 van de basisschool nog winkelen bij de Lidl. In eerste instantie was Thea niet zeker, maar bij de kassa, tijdens het laden van de band, voelde ze een paar ogen prikken. De signalen kwamen van de klant die voor Thea stond af te rekenen bij de kassa. Maar telkens als Thea op keek om dan maar in vredesnaam oogcontact te zoeken; bleek de ex-juf gepreoccupeerd met de muntjes op haar uitgestoken, vlakke hand. De caissière had graag gepast geld gezien. De ex-juf treuzelde net zolang met het wisselgeld totdat Thea al haar boodschappen op de band had staan. Nadat de ex-juf eindelijk betaald had, moest Thea wel regelrecht op haar af lopen om de spullen na het scannen weer in haar winkelkarretje te plaatsen. Lidl heeft geen inpakruimte aan het einde van de band. Bij eventuele kritiek rot je maar op naar de concurrentie. Quasi verrast keek de ex-juf op naar Thea om – zogenaamd – in een reflex na te gaan wie haar plaats innam. Ze had allang weg kunnen zijn.
‘Hay’, piepte de ex-juf.
Thea reageerde vertraagd, omdat ze een acute woede voelde opborrelen waar ze niet op voorbereid was. Haar toon was afgemeten:
‘Dag Marijke’.
‘Hoe is het met Walter?’
‘Goed; hij haalt alleen maar tienen’.
Thea had geen idee waarom ze dat zei. Ze reorganiseerde de eieren, tomaten en de zachte broodjes in haar karretje om verdrukking door de naderende pakken melk en yoghurt te voorkomen.
‘Nou dat lijkt me sterk’, schamperde de ex-juf.
Ze schrok er merkbaar zelf van.
‘Toch is het zo’, snibde Thea. Ondertussen bleef ze stug doorgaan met boodschappen in haar karretje laden. Verbeten dacht ze:
‘Net of jij niet allang weet dat Walter natuurlijk niet alleen maar tienen haalt’.
Later bedacht Thea dat ex-juf Marijke na de confrontatie bij de Lidl misschien wel uit beroepsdeformatie naar de mentoren op de huidige middelbare school van Walter had gebeld:
‘Paniek, paniek; de moeder van Walter denkt dat hij alleen maar tienen haalt. Kan iemand dat mens even wakker schudden?’
Daarom was ze misschien wel op persoonlijke titel uitgenodigd op de ouderavond van de middelbare school van haar twaalfjarige zoon.
‘Lieve mevrouwtje Thea de pushmoeder; uw zoon zit nog niet helemaal op C-niveau. Hopelijk bent u niet teleurgesteld!’
‘En Sabientje’, vroeg ex-juf Marijke.
‘Wat is er met Sabine?’
‘Gaat het ook goed met Sabine? Sabine zit nou in de…?’
Typisch onderwijzeressengedrag in de trant van vraag en antwoord spelletjes. Jij maakt de zin af. Nu haar kinderen de basisschooljaren definitief achter zich hadden gelaten voelde Thea zich niet langer meer geroepen om het spelletje mee te spelen. In plaats van de open plekken in de vraag voor ex-juf Marijke in te vullen stelde Thea dan ook droog:
‘Sabine heeft nooit bij jou in groep 8 gezeten.’
‘Nee bij Jan-Willem toch? Want Walter is de jongste? Walter en Sabine schelen een jaar?’
Weer van die schoolvragen naar de bekende weg. De caissière zei ook wat. Thea kon haar niet verstaan en trok vragend de wenkbrauwen op. Geagiteerd wees het kassameisje naar het eindbedrag op de display en herhaalde:
’72 euro 10’.
‘Met Sabine gaat het ook goed. Ze zit nou in de tweede.’
Thea vond haar pinpas.
Ex-juf Marijke talmde met haar karretje door het van zich af te duwen en weer naar zich toe te trekken. Ze was zich van geen kwaad bewust en vroeg:
‘In de tweede van…?’
Thea knipoogde naar de caissière, typte haar pincode in en antwoordde;
‘…de middelbare school.’
‘En dat was ook alweer?’
Ex-juf Marijke wist van geen ophouden, maar Thea was ook niet voor één gat te vangen:
‘Dezelfde middelbare school als van Walter.’
Ex- juf Marijke begon haar geduld te verliezen.
‘Ik had vorig jaar 30 kinderen in de klas en die zijn naar wel 6 verschillende middelbare scholen gegaan.’
Niet begrijpend richtte ze zich inmiddels maar tot de caissière, omdat Thea nog steeds druk doende was met haar boodschappen.
De caissière klikte met haar tong;
‘Veel te grote groepen toch tegenwoordig’, zei ze hoofdschuddend.
‘Sabine haalt ook alleen maar tienen.’
Thea kon het niet nalaten.
Blij te horen dat het zo goed gaat’.
Ex-juf Marijke gaf het op. Weliswaar op ongelovige, licht spottende toon.
Thea vroeg een bonnetje aan de caissière en overstemde de ex-juf Marijke. Voor haar gelukkig aanleiding om het pand te verlaten. Maar bij buitenkomst zag Thea haar met haar tassen staan dralen bij de fietsenstalling. De rust in haar hoofd, die Thea inmiddels hervonden dacht te hebben nu haar twee spruiten eindelijk van de basisschool verlost waren, was kennelijk niet van de ene op de andere dag een blijvertje. Na een omweg naar de parkeergarage moest ze in haar auto even bijkomen van de ontmoeting met de ex-juf van Walter, door een paar keer diep in en uit te ademen. Ze onderdrukte een vertrouwd verlangen naar een sigaret, dat normaliter sinds ze gestopt was met roken alleen in stresssituaties de kop opstak, en masseerde haar slapen. De palmen van haar handen werden nat van het traanvocht. Symptomen van onverwerkte emoties uit het verleden.
HOOFDSTUK 2
Thea moest de inhoud van de brief 2 keer lezen
voordat ze begreep wat er stond. Ze ging erbij zitten.
‘Walter is aangenomen op De Wielewaal!’ riep ze
vol verbazing uit naar Bart die een doehetzelf meubel in elkaar zette.
‘Help eens even’, commandeerde Bart.
Hij lag op zijn rug onder een lattenbodem op
pootjes van een IKEA meegroeibed en monteerde boven zijn hoofd. Omdat Thea niet
in actie kwam riep hij;
‘Hallo contact; je zoon moet vanavond ergens
slapen. We hebben zijn ledikantje net naar de ‘Het Goed’ gebracht’.
Afwezig vond Thea naast zich op de grond een
A-viertje met kleine lettertjes in zes verschillende talen.
‘Heb je de montagehandleiding weer niet
gelezen. Mannen!’
Met haar vrije hand reikte ze Bart de
handleiding aan en mijmerde:
‘Misschien moeten we Walter dan toch maar naar
De Wielewaal laten gaan, maar dan gaat Sabine ook van Het Kleurenpalet af.’
‘Ik zeg doen!’, wist Bart praktisch, terwijl
hij ruggelings onder de lattenbodem op pootjes uitschoof om de handleiding goed
te kunnen bekijken.
Eenmaal weer met twee voeten op de grond trok
hij zijn hoofd in zijn nek en masseerde een schouder. Hij bestudeerde het
resultaat:
‘Is het wat?’
‘Het lijkt op een bed’, antwoordde Thea melig.
Voor de zekerheid keek ze ook even op de
achterzijde van de brief en vervolgde:
‘Ik denk trouwens dat het een fout is.’
Bart was oprecht verbaasd:
‘Waarom nou weer? Je hebt dit meegroeibed nota bene zelf uitgezocht, omdat het zo
praktisch zou zijn?’
‘Ik heb het over de aannamebrief van Walter’.
‘Oh, ja natuurlijk is dat een fout, je hebt Sabine
vorig jaar toch aangemeld? Broers en zussen worden automatisch ook aangenomen.’
‘Ja, dat weet ik wel, maar toen we vorig jaar
voor Het Kleurenpalet hebben gekozen als basisschool voor onze kinderen, heb ik
Sabine ook weer netjes afgemeld bij De Wielewaal; want zo ben ik dan ook wel
weer.’
‘Fout of niet; ik zou net doen of ik gek was en
alsnog inspelen op het chaotische aannamebeleid van De Wielewaal. Ook al is het
kennelijk een administratief zooitje. Die uitnodiging komt als geroepen. Een
kant en klare oplossing voor al het gezanik bij Het Kleurenpalet.
Bart klapte zijn gereedschapskist dicht en
laveerde ermee door de rondslingerende restanten van het bouwmeubel oftewel
meegroeibed in de slaapkamer van Walter.
‘Wat een gedoe weer’, verzuchtte Thea.
‘Maar misschien heb je gelijk en moeten we de
kans grijpen nu Sabine ook nog een jaar moet kleuteren. Voor het te laat is.’
‘Doe niet zo dramatisch, het is nooit te laat
en ik heb altijd gelijk!’, riep Bart over zijn schouder, terwijl hij de trap af
stommelde.
Onoplettend bleef Thea voor zich uit zitten
staren en dacht:
‘Dit toeval is zo toevallig dat je er bijna aan
zou gaan twijfelen of het wel toeval is. Toevallig.’
Het Kleurenpalet was een zwarte basisschool in
de achterstandswijk waar Bart en Thea hun droomhuis hadden gevonden. De aankoop
ging vergezeld van een ‘routeboekje’ waarin de renovatie van de hele buurt over
een periode van 5 jaar gepland stond. Alleen het monumentale koophuis van Bart
en Thea zou in de wijk overeind blijven staan tussen de toenmalige
afbraakpanden. Voor de zekerheid had het echtpaar een schriftelijke bevestiging
van onschendbaarheid bij de gemeente aangevraagd alvorens het koopcontract bij de
notaris te ondertekenen. Binnen een dag lag het jawoord zwart op wit in de
brievenbus. Het ambtelijke apparaat van de gemeente wenste de nieuwkomers alle
geluk in hun unieke historische koophuis dat helaas voorlopig nog wel even zou
afsteken tegen de zogenaamde antikraakwoningen. Anders gezegd; tegen de
omringende, ééngezins arbeidershuurhuisjes uit het begin van de vorige eeuw die
al een jaar of tien niet meer door de woningstichting onderhouden werden en nu
stonden te rotten op hun grondvesten. De krakkemikkige woninkjes werden
overbelast door tijdelijke bewoners. De oorspronkelijke wijkpopulatie had de
buurt al verlaten naar huur- of koopwoningen elders in de stad. Sommige
oerbewoners met tegenzin en de optie om na de renovatie naar hun oude, vertrouwde
stadsdeel, maar dan in nieuwbouw, terug te keren. Maar vooralsnog moest de hele
boel plat alvorens de woonwijk weer opgebouwd kon worden. Op het zojuist
aangeschafte, beschermde koophuis van Bart en Thea na dus. Totdat de sloop ook
daadwerkelijk zou gaan beginnen konden zoveel mogelijk randfiguren, armlastigen
en allochtonen in de wijk hun intrek nemen in zo’n antikraak huurhuisje. Zij
het tijdelijk en slechts op voorwaarde dat ze de spot goedkope krotjes na het
startschot van de kaalslag, waarvan de precieze datum nog heel ver, vaag en
uitstelbaar bleef, ook onverlet zouden ontruimen. Desondanks had een groot deel
van deze groep antikraakhuurders een redelijk normaal leven en daarmee ook
kinderen en die kwamen allemaal op basisschool ‘Het Kleurenpalet’ in de buurt
terecht.
Omdat Bart en Thea echter niet voldeden aan het
profiel van de antikraakhuurder was het helemaal niet vanzelfsprekend dat hun
kinderen - Sabine en Walter - ook automatisch op Het Kleurenpalet terecht
zouden komen. Bevoorrechte peuters hadden andere opties. In het geval van
Sabine en Walter niet alleen vanwege het monumentale ouderlijk woonhuis, maar
ook door een relatief hoog opleidings- en inkomensniveau van hun verzorgers.
Maar Bart vond Het Kleurenpalet aanvankelijk een prima optie. De cito-eindtoets
in groep 8 was volgens hem sowieso allesbepalend voor de middelbare schoolkeuze
van elk kind. Hij geloofde niet in de positieve effecten op de leerprestaties
van welke leerling dan ook van kunstmatig, gekweekte, welgestelde zogeheten
‘gemengde’ scholen met zogenaamd
gelijkgestemde ouders. Dan liever de verschillen duidelijk op tafel. Baat het
niet dan schaadt het niet. Toch liet Bart de eindbeslissing met betrekking tot
de basisschoolkeuze van de kinderen aan Thea over. Zij loodste de kinderen
tenslotte iedere schooldag door het drukke verkeer naar school en terug naar
huis. Thea zou het meest geconfronteerd worden met de dagelijkse realiteit en
praktijk van haar sociale omgeving. Eerlijk is eerlijk. Maar ook Thea heeft een
sociaal hart en schreef Het Kleurenpalet
eveneens niet zonder meer af. Thea kon niet bedenken waarom haar
kinderen niet zouden kunnen floreren op een school waar 24 nationaliteiten met
elkaar moesten leren, spelen en integreren. Wat was een basisschool anders dan
een afspiegeling van de maatschappij en wat zou zo’n gemengde leeromgeving een
verrijking voor de socialisatie van haar twee kinderen kunnen betekenen. Los
van het feit dat ze natuurlijk ook in een ‘wijk in wording‘ zouden opgroeien;
omringd door leeftijdgenootjes van Het Kleurenpalet. Het zou vreemd zijn als
alleen de kinderen van Thea en Bart naar een andere basisschool gingen.
Alhoewel stadse Thea er ook niet bepaald op zat te wachten om met haar gezinnetje medeplichtig te worden aan
gettovorming.
Vandaar dat Thea zich voor de zekerheid
eveneens op andere basisscholen oriënteerde. Scholen die weliswaar buiten de
afbraakwijk, maar toch in de buurt lagen. De Wielewaal leek in eerste instantie
een goede kanshebber. De basisschool lag in een zogenaamde ‘witte’ wijk op
loopafstand van de afbraakbuurt van Thea en Bart. De koophuizen zijn evengoed
voormalige arbeiderswoningen, maar de panden in deze witte wijk zijn in de
jaren negentig van de vorige eeuw stuk voor stuk opgekocht, gerenoveerd en
grondig onderhouden door veelal oud-studenten van de stadsuniversiteit; de zogeheten young urban people, oftewel de
beruchte ‘yups’, die na het afstuderen in hun studentenhuis bleven hangen en
er, rond het begin van deze eeuw, carrière maakten en ook kinderen kregen. De
Wielewaal stond daardoor al snel bekend als een basisschool voor kinderen van
hoogopgeleide ouders met een prijzige levensstandaard. Na verloop van enkele
jaren bewees het schreeuwerige keurmerk van De Wielewaal zich weliswaar als
vuurvast, maar daarmee ook als onterecht onuitwisbaar, want steeds meer van de
oorspronkelijke bewoners verhuisden met al hun maatschappelijke aanzien naar
ruimere nieuwbouwwijken. De verbouwde arbeiderswoninkjes werden verkocht en
brachten dubbel zoveel op dan het aankoopbedrag. Met deze winst maakten de yups
langzaam maar zeker plaats voor voornamelijk gemiddeld opgeleide
huizenbezitters met modale inkomens en torenhoge hypotheken.
‘Middelmaat siert de straat’, hoonde Bart.
Hij dreef graag de spot met de ‘kouwe kak’ op
De Wielewaal; waarmee hij doelde op de politiek correcte ouders die hun
kinderen bewust naar een ‘gemengde’ basisschool stuurden. Met gemengd werd dan
een tweedeling van minimaal 70 procent wit tegen maximaal 30 procent zwart
bedoeld en gecreëerd door de hoofdmeester van De Wielewaal die daar op de
regionale buis schaamteloos voor uitkwam. Want een basisschool moest een
weerspiegeling zijn van de wijkpopulatie. Van het beloofde land dat op de
website pronkte met een Wielewaalfonds waar ouders en andere sponsoren hun
geldoverschot het hele jaar door vrijwillig konden storten. Oprecht hoogst
verbaasd vroeg Bart zich luid op af:
‘Welk normaal mens met een normaal inkomen
heeft er nou zoveel geld dat hij of zij dat vrijwillig in een basisschoolfonds
gaat storten? Ik stuur mijn kind toch niet naar een liefdadigheidsinstelling?
Waar betaal ik eigenlijk belasting voor? Krijgt de Wielewaal geen
overheidssteun in de vorm van subsidie?’
‘Minder dan Het Kleurenpalet’, grinnikte Thea
die het bekende gemopper van Bart altijd met een korreltje zout nam.
‘Dan moeten ze eindelijk eens eerlijk toegeven
dat de meeste kinderen van De Wielewaal helemaal niet zoveel beter af zijn dan
leerlingen van scholen in achterstandswijken. Hele slimme ouders kunnen hele
domme kinderen krijgen’, raasde Bart op zijn oude, vertrouwde manier door.
‘Dat zei mijn vader vroeger ook altijd en weet
je wat ik dan zei?’
‘Nee, vertel, vertel’, vroeg Bart gekalmeerd.
‘Dan zei ik, zijn dochter dus; Klopt pap, en
hele domme ouders kunnen ook hele slimme kinderen krijgen’.
Bart reageerde met een schalks lachje en vroeg:
‘En hoe voelde dat nou om ook eens een keer
gelijk te hebben?
‘Gelijk hebben en gelijk krijgen zijn twee
verschillende dingen’, gniffelde Thea.
Toch was Thea evenmin gecharmeerd van het
decadente ‘Wielewaalfonds’ op de hoegenaamd ‘gemengde’ basisschool in de witte
wijk voor beter gesitueerden. Ook het op de website uitgebreid beschreven
‘pestprotocol’ en de ‘plusgroepen’ voor het verschijnsel ‘meerbegaafdheid’ bij
veel kinderen uit de nette buurt stonden haar tegen. In hun kinderjaren
bezochten Bart en zij, los van elkaar, doorsnee basisscholen. Zonder franjes in
arbeiderswijken die krioelden van gezinnen met ouders zonder diploma’s en met
lage inkomens. Sommige klasgenootjes van vroeger waren goed terecht gekomen en
anderen niet. Een mens wordt primair gevormd door levenservaring. Slim dat ben
je of dat ben je niet. Ook op een basisschool zonder plusgroep en zo wel dan
misschien zelfs wel ondanks een voorkeursbehandeling. En wat was het effect van
de aanwezigheid van een pestprotocol op een basisschool? De bedoeling was zelfs
Thea duidelijk; het donderjagen van kinderen moest aan banden gelegd worden.
Maar het eerste kind dat voor, tijdens of na het jennen doordrongen is van de
gevolgen van de volwassen regeltjes van een protocol, oftewel een juridisch
onderbouwde gedragsovereenkomst, moet volgens Thea nog steeds gemaakt worden.
Wat was er gebeurd met de naleving van de simpele stelregel:
Goed voorbeeld doet goed volgen?
Bij een pestprotocol dacht Thea eerder aan
symptoombestrijding. Kennelijk broeide er stiekem een hoop wrok onderling bij
de welgestelde, hoogbegaafde kindertjes van De Wielewaal. Of werden hier
eigenlijk de papa’s en de mama’s gepamperd? Daartegenover werd er op de website
van Het Kleurenpalet met geen woord gerept over een plusgroep of een
stappenplan bij eventuele treiterijen onderling. En het woord ‘pestprotocol’ hoorde Thea de directrice van
Het Kleurenpalet dan ook niet uitspreken:
‘Pesten wordt niet getolereerd op Het
Kleurenpalet. Wij onderhandelen niet over onaangepast gedrag maar propageren
een ‘lik op stuk’ beleid dat we zelden tot nooit in praktijk hoeven te
brengen.’
De directrice van Het Kleurenpalet heette Sarah
en ze had niet alleen de instelling maar ook het voorkomen van een gouvernante
uit films die gesitueerd zijn in het midden van de negentiende eeuw. Ook bij
deze basisschool plaatste Thea haar twijfels. Niet vanwege de leerlingen van 24
verschillende nationaliteiten, of het gigantische, gedateerde schoolgebouw met
alle benodigde voorzieningen. Wel vanwege de extreem strenge, gecontroleerde
ouderwetse kostschoolsfeer en de fanatieke directrice die overduidelijk niet
alleen uit noodzaak met ijzeren hand regeerde. Sarah genoot zichtbaar van haar
macht, of zelfs van de schijn ervan, want later leerde Thea dat haar regime
veel minder ontzagwekkend was dan ze tijdens een eerste ontmoeting in haar
hoedanigheid van directrice graag deed voorkomen. Bijna direct wierp Sarah zich
op als een vertrouwelinge en beschermvrouwe van kinderen met een Nederlandse
nationaliteit in een wirwar van diversiteit en uiteenlopende culturen op haar
van oorsprong katholieke basisschool. Sinds de invoering van het routeboekje en
de bijbehorende volkswijkverhuizing was het groepje kinderen met maar één
thuisland op het Kleurenpalet beperkt tot een handjevol verdwaalde
inboorlingen. Sabine en Walter incluis. Tenminste als zij zich in de nabije
toekomst tot het brede spectrum van tinten binnen het Kleurenpalet zouden mogen
rekenen van hun ouders. Bart en Thea dus. Aan de gretige directrice zou het in
ieder geval niet gelegen hebben. Het was alsof Sarah hoopte dat dankzij haar
rol als patrone haar macht als vanzelf zou erotiseren in de buurt van Thea.
Maar Thea heeft zichzelf nog nooit op lesbische gevoelens kunnen betrappen en
voelde zich hoe langer hoe onbehaaglijker in het vizier van Sarah. Maar dit
terzijde, want ze ging uiteindelijk toch overstag. Echter pas na de terloopse
kennismaking met de directeur van De Wielewaal. Het eerste oogcontact met een
kleine gespierde, vriendelijke man van middelbare leeftijd gaf wat Thea betreft
al bijna de doorslag naar, toch maar, Het Kleurenpalet. Zijn gedienstige
uitstraling wekte haar achterdocht. Deze man, die zich had voorgesteld als
Peter, zou haar ogenblikkelijk naar de mond praten indien zij daar prijs op
stelde. En niet alleen haar; maar alle ouders van de kinderen van De Wielewaal.
Maar praatjes vullen geen gaatjes en de nederige houding van deze meneer Peter
deed een verholen egocentrisme vermoeden dat hij op den duur onverbiddelijk zou
laten prevaleren. Zoals ieder toeschietelijk mens met een gezonde dosis
overlevingsdrang.
Het kleine gebouw straalde dezelfde
twijfelachtige inschikkelijkheid uit. De locatie van De Wielewaal in het
stadscentrum was compacter en verstikkender dan de ruime ligging in een groene
spoorkuil van basisschool Het Kleurenpalet. Tijdens een korte rondleiding door
De Wielewaal werd Thea bovendien overvallen door de povere sfeer in de gangen.
Ze zag minder extra leermiddelen; zoals computers voor algemeen gebruik en
digiborden in de klaslokalen om zich heen dan op Het Kleurenpalet. In het
bijzijn van directeur Peter van De Wielewaal verbaasde Thea zich openlijk over
dit markante verschil tussen wit en zwart. Gedesillusioneerd mimede directeur
Peter het geldgebaar door ronddraaiende wrijfbewegingen met wijsvinger tegen
duim in de lucht. De schuld was het opgelegde positieve discriminatiebeleid van
overheidswege. Hierdoor konden basisscholen zoals Het Kleurenpalet in
achterstandswijken, zonder grotendeels geprivilegieerde kinderen zoals op De
Wielewaal, juist probleemloos over extra
ondersteuning in de vorm van additionele subsidie en aanvullende leerkrachten
rekenen. Directrice Sarah van Het Kleurenpalet ging er zelfs prat op. Ze blies
haar wit gebloesde en gebobbelde borstkas op en sprak honend over de jaloezie
van zogenaamde ‘witte’ scholen op het gemak waarmee ‘Het Kleurenpalet’ de
gemeentezaakjes regelde. Ze trok er een gezicht bij alsof ze eigenlijk wilde
zeggen:
‘En Het Kleurenpalet dat ben ik en ik ben Het
Kleurenpalet.’
‘Toch mooi meegenomen’, zei Thea die, ondanks
haar erotische ongenoegen richting Sarah, heel wat minder moeizaam met het
markante hoofd van Het Kleurenpalet van gedachten kon wisselen dan met de
plooibare directeur van De Wielewaal.
Het gesprek met Peter liep al snel spaak op
zijn anekdotes over de geweldige ouderhulp- en steun op De Wielewaal. Thea
kreeg het er benauwd van en een overhaastige, beleefd bedoelde, reactie,
leverde een Freudiaanse verspreking op;
‘Nou, een hoop kneuterigheid, eh, pardon
gezelligheid dus’, babbelde ze quasi geanimeerd.
Peter bleek Oost-Indisch doof voor haar weerzin
en antwoordde onverminderd, enthousiast:
‘Jazeker, ongekend. De Wielewaal is net een
dorp!’
Hij had haar ook naar de keel kunnen grijpen.
Het effect zou hetzelfde geweest zijn. Thea snakte naar frisse lucht en besloot
op dat moment ter plekke onvermurwbaar dat haar kinderen in geen geval naar De
Wielewaal zouden gaan.
Voor haar schuift een mede-ouder een formulier
onder haar neus. Hij heeft zich een halve slag omgedraaid in de schoolbank.
Zijn dubbele kin rust op zijn schouder terwijl hij haar onderzoekend blijft aankijken.
‘Even controleren’, verduidelijkt hij
uitnodigend.
De vrouw naast hem stoot hem berispend aan,
waarop de vader prompt weer in het gareel schiet. Loom kruipt Thea uit haar
onderuitgezakte houding en leest haar naam, emailadres en mobiele nummer.
Check.
‘Zijn er nog vragen?’, vraagt de ervaren
mentor.
Betrapt wappert Thea met de lijst in de lucht.
Achter haar zijn de schoolbanken leeg. Ze voelt zich weer 15 jaar. Ze heeft
niet opgelet. Uitdrukkingsloos neemt de jongste mentor het formulier van Thea
over. Omdat iedereen in beweging komt, maakt Thea ook aanstalten om het lokaal
te verlaten. Nu de ouderavond officieel ten einde is, worden de twee mentoren
belaagd. Thea moet zich door een afwachtende ouderrij wurmen om buiten te
komen. In het trappenhuis stuiven ouders van alle kanten aan haar voorbij en
echoën voetstappen en stemmen van lachende en pratende mensen. Thea zit nog
steeds in een tijdreis van meer dan 30 jaar geleden. De rommelige atmosfeer, de
kleverige leuningen, het vaalgele linoleum in de hal en de gangen, met de
versteende kauwgumvlekken. Ook op de granitotraptreden; oud, onverslijtbaar en
ontelbare keren met voeten getreden. De snerpende geur van cafeïne in de
atmosfeer vermengd met weeïge urinelucht uit de openbare toiletten. Hier heeft
de tijd stil gestaan. Ook al zat Thea pak weg 33 jaar terug niet op deze
middelbare school en woonde ze in een andere stad. Beneden gekomen staat ze
onverwacht oog in oog met Pim. De vader van Melvin. De man met wie Thea zo’n
zestien jaar geleden een kortstondige relatie heeft gehad. Ooit was ze intens
verliefd op hem geweest. Een zonde van weleer en de tijd. Helaas niet anoniem
genoeg om na een bondige groet verder te gaan. Door naar de uitgang. De
opengeslagen voordeuren van de school en de mistige belofte van een huiselijke
novemberavond lonken.
‘Kijk eens wie we hier hebben’, zegt Pim mat.
‘Ben je alleen?’, vraagt Thea haastig.
‘Nou jij windt er ook geen doekjes om’, lacht
Pim de grapjas.
‘Waar is je nieuwe vriendin? Dingetje, kom hoe
heet ze nou?’
‘Je bedoelt Femke?’
‘Ja’.
‘Ze is thuis bij haar puber. Waarom wil je dat
weten Thea?’
Pim klinkt nu al ongeduldig. Als vanouds.
‘Ga jij in je eentje naar een ouderavond voor
je stiefkind?’
Pim zucht.
‘Jij bent toch ook in je eentje?’
‘Ja, maar ik heb geen stiefkind’.
‘Grappig, dat we meteen weer in het oude
communicatiepatroon vervallen,’ grijnst Pim.
‘Doen we dat?’
‘Ja; ik stel een vraag en jij plaatst een bijdehandte
opmerking; weet je nog?’
‘Of ik stel een tegenvraag; meestal een
retorische’, smaalt Thea.
‘Trouwens, mijn stiefkind gaat niet naar deze
scholengemeenschap maar naar het stedelijk gymnasium. Daar heeft Jasmijntje,
mijn toppertje, ook haar diploma gehaald. Vier jaar gelden, weet je nog?’
‘Ja, ook dat weet ik nog. Ik weet wie Jasmijn
is Pim. Ik ben nog niet aan het dementeren.’
‘Mijn volwassen dochter ja; in tegenstelling
tot mijn veertienjarige stiefdochter.’
Zoals gewoonlijk twijfelt Pim aan de
oprechtheid van Thea.
Nou ik moet gaan’, zegt Thea, omdat ze zich
ineens realiseert dat het haar al met al totaal niet boeit wat Pim hier komt
doen.
‘Ik ben hier voor Melvin’, zegt Pim snel, alsof
hij toch nog iets op zijn lever heeft en wel even gauw, gauw zijn hart bij haar
wil luchten.
Nou zou Thea de kwetsbaarheid van haar ex maar
al te graag uit willen buiten, ware het niet dat het geciteerde verbeterpunt in
dit geval Melvin is. Haar Betuwe Flipje.
‘Melvin zit toch ook op stedelijk gymnasium, of
ben ik nou toch in de war?’
‘Melvin zat op het stedelijk. Na de
kerstvakantie komt hij naar deze scholengemeenschap’, antwoordt Pim
terneergeslagen.
Hij laat zijn schouders erbij afhangen
‘Kom op Pim, er is leven na het stedelijk
gymnasium’.
Melvin was nog geen 2 jaar geweest toen Thea de
lift naar beneden in de vrijgezellenflat van Pim voor de laatste keer nam.
Jasmijn was net 7 en bleef haar roerloos staan nakijken in de deuropening met
een half openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, die Thea
vanaf dat moment nooit meer op een onbewaakt ogenblik zou kunnen overweldigen.
Thea was niet alleen verlost van Pim maar ook van 2 kinderen die zij niet
gebaard had, maar waar ze wel mee zat opgescheept op alle oneven kalenderweken
van dat memorabele jaar waarin ze samen met Pim de vrijgezellenflat had
gedeeld. Soms. Pim was er bijna nooit. Zeker niet als zijn kinderen op zijn
slaapkamer sliepen en de zithoek bij de televisie onveilig maakten. Dan moest
hij invallen voor collega’s, heel veel boodschappen doen en vooral in
ploegendiensten werken, wat heel moeilijk te controleren was, want Pim was
toentertijd naast fulltime fysiotherapeut ook stand-by in het geval van
calamiteiten bij een vooraanstaande sportclub. Toen hij na een jaar ineens ook
niet langer de moeite nam om tenminste nog ’s nachts naast Thea en zijn dochter
Jasmijn in bed te kruipen, was zij haar opgelegde moederrol beu. Thea ziet
zichzelf nog staan in het holst van de nacht aan het hoofd van het ledikantje
dat op de centimeter nauwkeurig in de ruimte tussen het tweepersoonsbed en de
vensterbank geperst was. Melvin hing zwaar in haar armen; zijn koortsige, warme
lijfje nog naschokkend van zijn hartverscheurende smeekbedes om zijn mama die
in zijn dromen was verschenen. De heimwee en zijn tranen hadden hem uit zijn
slaap gerukt. Zijn bezwete kopje rustte op haar schouder, terwijl hij verwoed
op zijn fopspeen sabbelde. Het kuifje van Betuwe Flipje kriebelde aan haar
linkeroor. Ze rook de grote boodschap in de warme, zware luier die ze met haar
rechterhand omvatte. Jasmijn was ook wakker. Ze zat rechtop in bed en moest
plassen en wat drinken en huilen. Verwezen keek Thea om zich heen in de half
verduisterde kleine, klamme slaapruimte. De uitstraling van het nachtlampje in
de vorm van een grijnzende, grimmige Mickey Mouse in combinatie met de
straatlantaarnverlichting door de onbedekte streepjes van de luxaflex wekte de
illusie van een betonnen, kille gevangeniscel.
Abrupt nam Thea het besluit. Ze deed het grote licht in het slaapvertrek
aan, stuurde Jasmijn naar het toilet, verschoonde Melvin, kleedde hem aan en
liet hem rechtop staan in zijn babybedje. Fopspeen in zijn mond. Tevreden
mummelend bleef hij haar met zijn grote, blauwe, guitige kalverogen volgen,
terwijl Thea stug verder modderde door het piepkleine appartement. Jasmijn werd
aangetod met de prijzige, modieuze vodden waarin haar moeder haar placht te
verpakken. Aan het minikeukenblok kreeg ze een glas Karvan Cevitam. Jasmijn
protesteerde en jengelde zoals gewoonlijk, maar zij liet zich niet meer
vermurwen door dat treurige hoopje minimens dat zich terecht niet liet
afschepen met een surrogaatmoeder in de hoedanigheid van Thea die geagiteerd
haar weekendtas vulde met kleren en toiletspullen. De cd’s en boeken mocht Pim houden.
Om 5 uur in de morgen waren zo goed als alle sporen van 26 zorgzame weken van
de kant van Thea uitgewist en bleef ze in de zithoek op een fauteuil naast de
televisie zitten wachten. Jasmijn en Melvin sliepen alweer. Aangekleed en wel.
Ruim 4 uur later stak Pim de sleutel in het
slot van de voordeur. Melvin sliep rustig verder, maar Jasmijn was al langer
dan een uur geleden voor de tweede keer wakker geworden en had zich omringd met
verantwoorde kinderliteratuur. Ze bladerde ongeïnteresseerd in de lees- en
prentenboeken en riep herhaaldelijk vanuit de slaapkamer dat ze allang op
school had moeten zijn.
‘Komt goed Jasmijn’, herzei Thea wel 20 keer.
Onbeweeglijk. Uit angst dat anders de pas gemetselde muur, die ze in de
afgelopen honderden minuten zorgvuldig om zich heen had gebouwd, weer zou
afbrokkelen voor dat kleine, verdrietige meisje.
Bij de aanblik van haar vader schoot Jasmijn
uit bed; richting Pim en klampte zich aan zijn heupen vast. Ze ketste met haar
neus af op zijn getrainde spierbuik. Overdonderd ontdeed Pim moeizaam zijn
volprezen billen van de zuigende tentakeltjes van zijn dochter en staarde Thea
niet begrijpend aan. Hierop greep zij woordeloos haar boeltje en maakte dat ze
wegkwam.
‘Gaat Melvin naar 4 of 5 HAVO?’
‘We mogen in onze handjes knijpen als Melvin
dit jaar op deze school eindexamen VMBO theorie haalt. Hopelijk kan hij dan
volgend schooljaar doorstromen naar de Havo. Maar dat is koffiedik kijken.’
Thea haalt haar schouders op en kijkt Pim
veelzeggend aan. Pim wendt zijn hoofd af en murmelt:
‘Je weet hoe zijn moeder is.’
Het doet onveranderd zeer:
‘Houd toch op Pim. Gaat het jou nog steeds om
Beau? Vermoeiend hoor, na al die jaren. Moet ik je nou troosten of zo? Wat is
de nederlaag? Deze openbare middelbare school? Dezelfde gemengde middelbare
school als waar Bart en ik onze kinderen vrijwillig naar toe sturen? Trouwens
waar is Beau?’
‘Overzee’.
‘Typisch’.
Pim zucht een tweede keer
‘Beau heeft al jaren een bed and breakfast in
Oxford.’
‘The city of Morse’.
‘Wat?’
‘Och niks. Dat is iets tussen Bart en mij. Het
gaat toch niet om Beau, maar om Melvin?’
‘Dat is iets tussen Beau en mij’,
Pim blaat het toontje van Thea na alsof hij in
z’n ego is aangetast
‘Prima’, zegt Thea, terwijl ze tegelijkertijd
Pim haar rug toekeert en in de richting van de uitgang begint te lopen.
‘Het gaat niet goed met Melvin!’, roept hij
haar zorgelijk na.
‘Het is hem niet aan te zien’, antwoordt Thea
luid en duidelijk over haar schouder.
Pim haalt haar in en vraagt hijgend:
‘Hoe weet jij dat?’
‘Melvin komt regelmatig op bezoek; hij lijkt op
je.’
‘Is dat een compliment?’
‘Wat jij wilt’.
Thea blijft doorlopen en star voor zich
uitkijken. Pim volgt haar tot aan haar auto op de parkeerplaats bij de school.
‘Waarom komt Melvin bij jou op bezoek?’
‘Gewoon; weet ik veel; voor de gezelligheid
denk ik.’
Thea zoekt in haar schoudertas naar haar
autosleutels.
‘Bij jou thuis?’
‘Ja, Pim, bij mij thuis’, herhaalt Thea
nadrukkelijk, terwijl ze een verbaasde Pim recht in de grote ogen kijkt.
‘Wat doet Melvin bij jou thuis?’
‘Niets bijzonders ontbijten, douchen, chillen.’
‘En, dat vind jij normaal?, stamelt Pim.
Thea heeft haar autosleutels gevonden en met
een druk op de knop van haar afstandsbediening opent ze het portier met de
bekende plop.
‘Wat houdt dat ‘chillen’ in als ik vragen mag?’
‘Weet ik veel, hij gamed weleens met Walter of
Sabine; of hij bemoeit zich met klantjes van ‘Huiswerksterk’.’
‘Met wat?’
Thea gaat achter het stuur zitten. Ze start de
Renault. Pim houdt het portier tegen. Geërgerd schudt Thea een paar keer met
het hoofd alsof ze haar herseninhoud op moet schudden.
‘Is dit een sollicitatiegesprek? Ik geef nog
steeds huiswerkbegeleiding. Mijn bijverdiensten zijn niet opgehouden nadat jij
jouw kinderen niet meer goed genoeg vond voor mijn inspanningen.’
Waarom Thea zich in een beschamend verleden
ooit tot Pim aangetrokken heeft gevoeld wordt met het verstrijken van de jaren
een steeds groter vraagteken, want hij heeft nooit moeite gedaan om haar te
begrijpen. Niet tijdens hun ondefinieerbare relatie en niet na haar vertrek.
Maar Jasmijn en vooral Melvin hadden last van de roulerende volwassenen in hun
dagelijkse routine. De oppasmallemolen. Opa’s en oma’s, ooms en tantes,
vrienden en kennissen; mama en haar nieuwe liefde of papa en zijn scharreltjes
en allemaal op steeds wisselende locaties. Thea moest niet vergeten dat
kinderen wel behoefte hebben aan structuur, consequentie en stabiliteit. Het
liefst had Pim haar gewoon tot de orde geroepen. Maar dan in dienst als
kinderjuf; dat voelde Thea ook wel. Daar Pim zich echter nooit zou laten
kennen, verzon hij de noodzaak van bijlessen voor Jasmijn en Melvin tijdens hun
basisschooljaren. Driehonderd euro per maand voor een remedial teacher in de
vorm van een veredelde oppas. In het begin nog zwart en met de natte vinger.
Toen dat vruchten begon af te werpen en de twee kinderen hoe langer hoe beter
presteerden op school, wilde vooral moeder Beau, de enige echte ex-vrouw van
Pim, meer resultaten zien. De bijlessen werden stampwerk. Rekenen, taal en
wereldoriëntatie oftewel algemene ontwikkeling. Oefenen, oefenen en nog eens
oefenen. Sommen, ontleden, dictee, topografie, tekst verklaren, de tafeltjes
van buiten knallen en vooral ‘oefentoetsen maken’. Citotoetsen. De één na de
nader. Thea plukte ze kosteloos van het internet, downloadde en printte de
opdrachten om ze vervolgens te bundelden. Voor Jasmijn in een roze mapje. Voor
Melvin met een blauwe omslag. De antwoorden hield ze zelf, want die had ze
hoognodig bij het nakijken. In het huis van Thea en haar nieuwe partner Bart
golden de wetten van Thea en die strookten niet met het reguliere pedagogische
verantwoorde circuit. Net als de kilo’s roomvanille kabelspekken, Engelse drop,
Haribo gummieberen en chips die tijdens de jarenlange bijlessen verorberd
werden; weggespoeld met liters Coca Cola of Fanta onder het genot van de
laatste buurtnieuwtjes, sappige basisschoolroddels en de meest melige moppen en
raadsels die eigenlijk niet door de beugel konden. Bart, die Pim wat Thea
betreft in geen tijd overschaduwde, bleek voor een prikje IPads op de kop te
kunnen tikken. Hij werkte toen ook al in een rekencentrum en heeft altijd
makkelijk toegang tot en een zwak voor allerlei technische gadgets gehad. Daar maakten Thea en haar 2 thuisleerlingen
dankbaar gebruik van. Spelenderwijs. Thea achter haar laptop en Jasmijn en
Melvin met ieder een IPad. En hoewel
Thea het veel minder nauw nam met het stampwerk dan Pim en vooral zijn
ambitieuze vrouw Beau dat graag hadden gezien, scoorden zowel Jasmijn als -
vijf jaar later - Melvin belachelijk hoog bij de eindtoets van groep 8. Thea
had ze alle twee figuurlijk het stedelijk gymnasium in gestampt. Daarna was het
uit met de pretletters en de cijferkoekjes en moest Thea haar maandelijkse
extraatje ergens anders vandaan zien te halen. Gelukkig had ze in de loop van
haar lesjaren met Jasmijn en Melvin een reputatie op weten te bouwen als een
succesvol huiswerkbegeleidster bij minder klassenbewuste ouders. Zij waren wel
bereid om ook tijdens de middelbare schooltijd van hun kind 100 euro per maand neer te tellen voor de
ondersteuning van Thea. Wit deze keer. Thea was zeker van haar zaak. En nee, ze
was geen gediplomeerd onderwijzeres of lerares, maar had een H.B.O. opleiding
genoten en afgerond. Bovendien was ze, boven haar eigen verwachting, kennelijk in staat om twee kinderen met een
gangbaar intelligentie quotiënt het stedelijk gymnasium in te loodsen. Op
eenzelfde soort manier zou die middelbare schoolstof ook wel bij elkaar te
vegen zijn. Na een afgeronde bijscholingscursus was Thea nu alweer vijf jaar,
na aftrek van de belasting, verzekerd van zo’n 750 euro extra per maand.
Dankzij gemiddeld 10 kandidaten per schoolsemester die bij haar thuis aan de
keukentafel schoven en officieel door Thea ‘Huiswerksterk’ werden gemaakt.
‘Dus jij wilt beweren dat Melvin interesse
heeft in jouw onderneming in huiswerkbegeleiding, terwijl hij zijn eigen
huiswerk jarenlang compleet heeft verwaarloosd?’
‘Misschien is hij verliefd op Sabine of op de
één van de meisjes van Huiswerksterk?’, oppert Thea welwillend, omdat ze zich,
tot haar schaamte, nooit noemenswaardig verdiept heeft in de beweegredenen van
Melvin om bij haar op bezoek te komen.
Er komen dagelijks zoveel middelbare
schoolkinderen bij haar over de vloer dat Thea feitelijk gestopt is om te
differentiëren. Nou ze er noodgedwongen enigszins over nadenkt is de chronische
aanwezigheid van Melvin in haar leven inderdaad allerminst ‘normaal’ te noemen.
En Melvin en Sabine zien elkaar amper staan, dus van een eventuele extra
erotische dimensie, is al helemaal geen sprake. Dat ziet zelfs een blinde. Voor
de volledigheid gaat Thea in haar hoofd ook even het huidige bestand van
Huiswerksterk na. Twee meisjes maar dit semester. Eén Islamitisch meisje met een hoofddoek dat zoveel
plichtsbesef uitstraalt dat zelfs Thea er ongemakkelijk van wordt en een
kinderlijk typetje met strikjes in het haar en een boekentas van het merk
‘Hello Kitty’ met een troetelbeertje aan het handvat. Duidelijk geen van tweeën
potentiele kandidaatjes voor een toughie als Melvin.
‘Vanzelfsprekend’, spot Pim.
‘Of misschien is het m’n webshop’, oppert Thea
aarzelend.
‘Dat vindt hij ook wel interessant, mijn
webshop in retrospullen.’
Met zijn vrije hand slaat Pim tegen zijn
voorhoofd:
‘O ja, natuurlijk; de webshop van Thea met haar
besmettelijke passie voor de retrokunst.’
‘Ben je klaar?’
Beledigd zet Thea de pook in de eerste
versnelling en ontgrendelt bruusk de handrem.
‘Hey, kan Melvin misschien ook weer bij jou in
de leer? Als hij kennelijk toch al zo vaak bij je thuis rondhangt?’, stelt Pim
plompverloren voor.
Er klinkt zowaar een serieus ondertoontje door
zijn overheersende cynisme.
‘Weet je zeker dat Femke het geld voor
bijlessen aan Melvin wel kan missen?’
Pim leunt tegen het portier met zijn mond vlak
bij haar oren. Ze tuiten als hij uitroept:
‘Wat heb jij toch tegen Femke. Ik dacht dat jij
zo jaloersmakend gesetteld was met Bart en die huiselijke gezelligheid die mijn
zoon kennelijk ontbeert?!’
‘Ik begrijp van Melvin dat Femke erg zuinig
is’, antwoordt Thea stoïcijns.
‘Ze gooit geen geld over de balk Thea. Als je
dat suggereert. Trouwens zij hoeft de bijlessen van Melvin niet te betalen. Dat
doe ik. Melvin is mijn zoon. Wat gaat me dat kosten?’
‘Dat moet ik even nakijken. Thuis. Daarvoor
moet jij me naar huis laten gaan. Goed?’
Demonstratief drukt Thea het gaspedaal in. De
Renault loeit. Met tegenzin trekt Pim zich terug en slaat met een klap het
portier dicht. Hij gaat op zoek naar zijn eigen auto. Kort daarna hoort hij tot
zijn verbazing de Renault afslaan. Als hij omkijkt ziet hij dat Thea haastig
uit de auto stapt. Alsof ze nog iets aan hem kwijt wil. Achter haar klinkt het
autoslot. Verwachtingsvol gaat Pim alvast in de verdedigingshouding klaarstaan.
Ze komt recht op hem aflopen, terwijl ze haar sleutelbos met afstandsbediening
in haar schoudertas keilt. In volle vaart suist Thea geërgerd langs Pim af.
Terug naar school, onder begeleiding van de woorden:
‘Door jouw gedram zou ik glad vergeten dat ik
nog een tweede ouderavond voor de boeg heb.’
HOOFDSTUK 3
Huiswerkbegeleiding is vooral thuiswerk en ook
voor haar webshop in retrospullen hoefde Thea haar peuters niet naar een crèche
te sturen.
‘Noem het toch gewoon een webwinkel in tweede
hands spullen’, stelt Bart vaak voor, omdat hij maar niet wil snappen dat een
treffende benaming veel minder artistiek overkomt en dus niet zo lucratief zou
zijn.
Met het thuiswerk van Thea gaat natuurlijk wel
de nodige administratie gepaard en die deed ze vroeger tijdens de schaarse
ogenblikken die Sabine en Walter op de wijkpeuterspeelzaal doorbrachten. Thea
was overstag gegaan voor twee ochtenden in de week op dringend verzoek van het
hoofd van de speelzaal die de potentiële aanwinst van jonge kinderen als Sabine
en Walter in de buurt standaard doorkreeg via het consultatiebureau. Haar naam
was Merel en ze was een slecht
opgemaakte, opgewaardeerde ervaringsdeskundige met een diploma van een vage
h.b.o. opleiding in de hulpverlening en een volwassen dochter. Ze had een
zichtbaar eetprobleem, ondergewicht en een nonchalante knot grijzend haar die
losjes bungelde in een lange rimpelige nek. Haar gezicht was getekend met een
zure uitdrukking. Vastgeroest in zo’n zeemlederen bruingele, verschrompelde
huid die bij veel verjaarde meisjes opdoemt na jarenlange buitenissige
zonaanbidding. Haar suède jas met elleboogstukken was lang met smoezelige
vlakken in beigetinten. Ze droeg een versleten canvas schoudertas met
protestbuttons uit de vorige eeuw. Op de momenten waarop Merel aanvankelijk van
zich deed gelden, door onverwacht op huisbezoek te komen, parkeerde ze haar,
ludiek met roze verf bekladde en met plastic bloemenkransen opgeleukte,
omafiets tegen de vensterbank van het huiskamerraam. Geen ontkomen aan het
geluid van het klikkende fietsslot en het hitsige tikken met het sleuteltje
tegen het raam. De aankondiging van de komst van Merel werd afgemaakt met een
korte maar krachtige druk op de deurbel. Huiverend haalde Thea zich het beeld
van een knokige heksenwijsvinger voor de geest Tegen beter weten in, maar uit
plichtsbesef liet Thea ten einde raad, het zenuwslopende hoofd van de
wijkpeuterspeelzaal de ruime, sfeervolle woning binnen dringen. Haar vinnige
aanwezigheid kwam voortdurend ongelegen. Merel installeerde zich in een stoel
aan de keukentafel, zonder zich van haar jas en schoudertas te ontdoen en liet
steevast 4 klontjes suiker en een schepje Completa in haar koffiemok
verdwijnen. Daarna begon het roeren; het aanhoudende kleppen van het lepeltje
tegen de binnenkant van de mok, terwijl ze Thea monsterde met een
achterdochtige vooringenomenheid:
‘Nee, doe maar gewoon wat je altijd doet; let
maar niet op mij.’
Thea liep zich te verbijten in haar duster,
terwijl ze de tweejarige Walter in z’n geliefde loopstoeltje propte en de
driejarige Sabine uit gemak in de huiskamer in een boks voor de televisie
zette. Teletubbies was net begonnen.
‘Misschien kun je Sabine even niet in de boks
zetten?’, opperde Merel bedillerig.
Thea negeerde haar. Ze gaf Walter in zijn
loopstoeltje een dubbelgevouwen witte boterham met pindakaas in de hand. Die at
hij tenminste:
‘Loopstoeltjes zijn eigenlijk heel gevaarlijk;
dat wist je denk ik niet zo goed, of wel?’
Thea schokschouderde en ontweek Walter die als
hij de kans kreeg de hele benedenverdieping af sjeesde in zijn loopstoeltje van
het merk Cars. Een zitje in een knalrood autoframe op wieltjes met een
kikkergroen plastic stuur, een enorme gele toeter en witte neplichten in de
vorm van ogen aan weerszijden. Walter navigeerde het loopstoeltje met zijn
mollige, bezige beentjes. Per ongeluk sneed hij z’n moeder af en verloor zijn
boterham ergens onderweg. Gelukkig hing zijn speen aan een touwtje aan zijn
hansopje voor het toehappen.
‘En uit het vuistje eten kan ook niet altijd.
Ik weet dat het moeilijk is, maar probeer nou eens kritisch naar jezelf en je
moederrol te kijken.’
Thea viel haar in de rede:
‘Ik dacht dat ik gewoon moest doen wat ik
altijd doe en dat ik niet op je moest letten.’
‘Ja sorry, Thea, meestal filmen we dit soort
toestanden ook gewoon en die opnames kunnen we dan samen terug zien. Dan kun
jij als overbelaste moeder – want dat ben je, dat zie ik heus wel aan de
kringen onder je ogen - afstand nemen, snap je?
Dan heb je pas goed door dat jij je driejarige dochter Sabine
bijvoorbeeld in de boks, pal voor de televisie tekort doet. Niet expres. Je
bent gewoon oppelepop. Maar gaat zo’n ukkepuk spelen in de boks? Is er een uitdaging?
Ja, er ligt genoeg duur speelgoed. Overvloedig. En toch zijn die bewegende
beeldjes op het scherm natuurlijk veel te verleidelijk. Geen wonder. Het aanbod
blijft beperkt; want ja, een kind moet toch vrij kunnen rondlopen, ontdekken,
alle vijf de zintuigen gebruiken en spelenderwijs ontwikkelen en niet alleen
maar staren omdat het wordt opgesloten in een kooi.’
Thea liep gewoontegetrouw even de huiskamer in
om zich van de gemoedstoestand van Sabine te vergewissen. Haar kleine handjes
omknelden de houten boksrand. Ze wipte van het ene beentje op het andere en
zong zachtjes mee met de Teletubbies. Sabine keek graag televisie. Bart en Thea
hadden een ruime collectie kinderdvd’s voor haar aangelegd. Sommige films had
ze al wel 20 keer gezien. Zo kende ze het complete script van de Lollifanten
(Winnie de Poeh in Walt Disney uitvoering) uit haar hoofd en kon ze ook bij Bambi
met alle figuurtjes meepraten. Merel ging gewoon verder met preken:
‘En Walter moet zelf lopen. Niet in een
loopstoeltje. En hij moet aan tafel eten. Een bruine boterham en liefst niet
met pindakaas, want je weet helemaal niet zeker of hij allergisch is of niet.’
Bruusk opende Thea de keukendeur. De herfstwind
blies haar tegemoet en de deur wagenwijd open. In de zak van haar duster vond
Thea een pakje sigaretten en een aansteker. Ze leunde uitgeput van de
ingehouden woede met haar schouder tegen de deurpost en inhaleerde diep. Na zo’n zestal onaangekondigde
bliksembezoekjes van Merel was de weerstand van Thea dan ook volledig gebroken. Wat had het voor zin om zich te
verzetten tegen rekrutering van haar kinderen voor De Kleine Beer? Een
gesubsidieerde speelzaal op de hoek van de straat in haar achterstandswijk.
Maar dat niet alleen! Op deze peuterspeelzaal voelden de leidsters zich
geroepen om de binnen gehaalde peuters
stuk voor stuk klaar te stomen voor hun stokpaardje: de basisschool van de
achterstandswijk. Het Kleurenpalet.
Want Kleurenpaletwaardig werd een peuter zomaar
niet. Hiervoor moesten de ukjes van De Kleine Beer allereerst voor hun vierde
levensjaar uit de luiers en zindelijk zijn. Ten tweede moesten de Kleine
Beergangers langer dan vijf minuten op een stoel kunnen blijven zitten. En
omdat driemaal scheepsrecht is, werd het derde en tevens laatste leerdoel
toegespitst op het, zonder al te veel morsen en handen en voetenwerk, op een
redelijk geciviliseerde manier naar binnen
schuiven van een fruithapje, boterham en melkdrankje. Dat melkdrankje
mocht dan uiteraard niet langer meer uit een knoei vaste gesloten beker met
tuitje genuttigd worden.
Alsof Thea in haar thuissituatie helemaal
nergens toe in staat was. Maar dat zag ze toch verkeerd volgens Merel met het
oog op het maatschappelijke belang van de praatkring met leeftijdgenootjes en
de bijbehorende inloopochtenden voor mama’s. En niet te vergeten de
speltherapie in groepsverband die onder moeders rokken natuurlijk onmogelijke
ervaringen bleven. En uiteraard mocht er vijftien minuten vrij gespeeld worden.
Liefst buiten. Ook bij regenachtig weer in verband met de seizoensbeleving.
De ouders en verzorgers werden voornamelijk
geacht om zich kritiekloos te onderwerpen aan het pedagogische inzicht van
Merel met in haar kielzog een handje vol leidsters met wie zowel het voetvolk
als hun kroost maar net een klik moesten hebben. De Kleine Beer werd simpelweg
neergezet als een vereiste voor de hoognodige socialisatie van wijkkleintjes
die – te wijten aan hun asociale afkomst - kennelijk vanzelfsprekend, zonder
uitzondering, kampten met een taal, cultuur en/of andere achterstand. Van Thea
en Bart werd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage gevraagd die – gezien het
restant van de ouders dat verder niets anders dan uitkeringsgerechtigden telde
- bij De Kleine Beer alleen voor hen
gold.
De Kleine Beer was dan ook officieel een
peuterspeelzaal in een achterstandswijk. Te herkennen aan de ondersteuning in
de vorm van extra leidsters van een relatief kleine bende peuters. De
verhouding was ongeveer één op zes. Zowel Sabine als Walter bezochten De Kleine
Beer op verschillende tijdsstippen, maar ze werden wel alle twee bij Merel en
juf Maaike ingedeeld. Daarnaast stond een ongeschoolde kracht – in het geval
van Sabine en Walter – Ilem met de hoofddoek -
garant voor het verschonen van luiers en het schillen, pellen en snijden
van de fruithapjes die bij de prijs waren inbegrepen. Tijdens de vakantie en
feestdagen liep de teller ook gewoon door. In het geval van Sabine en Walter
gemiddeld 200 euro per kind per maand. Voor 4 schamele uurtjes speelplezier in
de werkweek en een hoop gezeur aan het hoofd van Thea.
Sabine liet zowel het regime van juf Merel als
de toegewijde surveillance van onderjuf Maaike veerkrachtig over zich heen
komen. Ze vond makkelijk aansluiting bij de 12 kinderen in haar groep. Merel
het peuterhoofd had uiteraard moeite met het ongecompliceerde optreden van de
dochter van Thea en Bart. Er kon namelijk ook een dieper liggende oorzaak ten
grondslag liggen aan de meegaandheid van Sabine. Merel het peuterhoofd dacht aan een emotionele
achterstand of een andere vorm van blokkade. Thea deed alsof ze gek was en juf
Maaike deed met haar mee. Ze mocht dan wel één van de ondergeschikten uit het
peuterjuffenbestand van Merel het peuterhoofd zijn, maar ze had zelf drie
jongens grootgebracht en je kon haar nog meer vertellen. Tijdens een
ouderochtend vanaf de mamatafel viel het Thea voor het eerst op dat juf Maaike
kleine Sabine in bescherming nam door haar onopvallend naar zich toe te trekken
uit het immer dreigende vonnis van Merel het peuterhoofd dat overal in De
Kleine Beer op de loer lag. Gelukkig liet de aandachtspanne van Merel het
peuterhoofd nogal eens te wensen over. Zeker ten aanzien van de kids die niet
tot de favo’s van het opperhoofd gerekend mochten worden. Kinderen zoals Sabine bijvoorbeeld.
Gedurende de pieken van het opperhoofd zat Sabine veilig op schoot bij juf
Maaike. Sabine vertelde later dat ze wel:
‘meer keertjes’
door juf Maaike werd opgetild:
‘knuffelpauze’.
Nooit lang:
‘Kleine keertjes.’
Thea kon wel raden waarom. Merel het
peuterhoofd was snel afgeleid door de aandachttrekkerij van de over gebleven
probleemgevalletjes om haar heen en ze had zo haar eigen voorkeuren.
‘Ik heb veertig jaar ADHD gehad zonder
diagnose’, beweerde Merel het peuterhoofd tijdens één van de vele ouderinloop
ochtenden bij wijze van verontschuldiging voor haar slordige betrokkenheid bij
Sabine.
Thea geloofde het graag, maar het viel haar wel
op dat Merel het peuterhoofd met sommige andere kleintjes wel langer dan 1
minuut kon haffelen, tutten, knuffelen en babbelen.
‘Heb je nou Ritalin dan Merel?’, knipoogde Thea
naar Maaike, die openlijk geen partij wilde of kon kiezen en haastig wegkeek .
Maar ze bleef zich koppig ontfermen over
peuters die de goedkeuring van Merel het peuterhoofd niet konden wegdragen.
Later leerde Thea precies waarom. Op een onbewaakt moment kon Merel het
opperhoofd onverbiddelijk en zelfs destructief optreden tegen iedereen die haar
pad kruiste en dus of juist ook tegen het merendeel van haar kleine gastjes,
waarvan de oudsten ocharm hooguit amper 4 jaar op deze aardbol rondliepen.
Zelfs haar lievelingetjes werden niet ontzien als Merel het peuterhoofd zo
ineens, onaangekondigd - ook tijdens ouderinloop ochtenden – haar
peuterspeelzaaldag niet had. Dan werd er gesnauwd en gedrild en overlapte de
ene afkoelingspauze de andere time-out in zo’n sneltreinvaart dat geen peuter
meer aan het speelkwartiertje toekwam. Sommige ukjes schoten na de eerste
uitbrander al, met ogen als pingpongballetjes en lam geschrokken, in een
paniekstuip. Anderen sprongen uit voorzorg automatisch in het gareel, omdat ze
stemmingswisselingen van het Merel peuterhoofdkaliber
van huis uit gewend waren. En een enkeling, zoals Sabine, haalde de
schoudertjes op en schuilde op haar hurken onder de hoge mamatafel in de hoek
van de peuterspeelzaal totdat de storm geluwd was. In die houding vond Thea
haar dochter meermaals terug tijdens het ophalen en dan wist moeder de vrouw
wel weer hoe laat het was.
Ook Walter had
maar weinig problemen met de andere peuters uit zijn speelgroep. Toen
hij gebeten werd op de peuterspeelzaal was het incident wat hem betreft na 2
minuten alweer vergeten. Thea had wat meer moeite met de oeruiting van het
bijtgrage vriendje. De tandafdrukken in de onderarm van Walter waren nog dagen
later getuigen geweest van losgeslagen agressie in de kinderschoenen. Daar kwam
nog bij dat het dadertje bij navraag een hartendiefje van Merel het peuterhoofd
bleek te zijn. Een half Marokkaans jongetje dat opgroeide in een éénoudergezin
met een Nederlandse moeder. Een potige, imposante volksvrouw in schaarse,
actuele kleding die Thea herkende van haar wekelijkse bezoekjes aan de markt in
het centrum van de stad. Ze had een lage, schorre stem en net niet genoeg
tattoos om haar ongeklede lading te dekken. Haar enige zoontje Arda was in de
ogen van de wereldvreemde Merel het peuterhoofd uiteraard het prototype van een
kansarm kereltje dat juist beschermd moest worden tegen een blaag als Walter. Hollands
welvaren dat tegen een stootje moest kunnen en dat overduidelijk niet op Merel
het peuterhoofd zat te wachten. Haar betuttelende aanpak werkte op de prille
zenuwtjes van Walter. Terwijl hij toch naar de peuterspeelzaal gestuurd werd om
spelenderwijs te leren socialiseren en niet om perfect te zijn. Misschien was
Merel het peuterhoofd met haar ‘peuterpubertijd’ als stokpaardje juist wel de
storende factor in plaats van Walter die de speelzaalperiode tussen zijn tweede
en vierde jaar echt heeft ‘overleefd’ in plaats van doorlopen. Maar achteraf
praten is makkelijker dan een situatie op het goede moment correct regisseren.
Niemand had openlijk wat op Merel het peuterhoofd aan durven merken. Niemand
behalve Thea en wie geloofde haar nou met haar apenliefde? Dus moest moeder
Thea op inloopochtenden vaak machteloos toezien hoe niet juf Maaike, zoals bij
haar dochter Sabine, maar Merel het peuterhoofd, haar zoontje tegen zijn wil
bij zich op schoot trok. Walter placht dan bij voorbaat de lippen strak opeen te
persen, zijn ogen te sluiten en kaarsrecht te blijven zitten. De handjes in
zijn schoot ineen geklemd. Want Merel het peuterhoofd begon in de nabijheid van
Walter steevast op hem in te praten op een tenenkrommende toon die ook bij Thea
het bloed deed koken. Maar Walter was te klein om zijn frustratie doelgericht
te stroomlijnen en zich in te houden. Walter reageerde vaak te luidruchtig,
ongedurig en boos in de buurt van Merel het peuterhoofd.
‘Je bent boos he? Dat snap ik best hoor!’,
toeterde Merel het peuterhoofd bijvoorbeeld met toenemende kracht in het oor
van Walter met die penetrante stem van haar.
‘Maar niet alles draait om Waltertje. Ik snap
best dat je dat zou willen. Ik wil ook best dat alles om Merel draait. Maar dat
is niet zo. Soms valt het mee en soms valt het tegen!’
Ze ramde de woorden stelselmatig via zijn
gehooringang in de kleine hersentjes, terwijl ze de greep om zijn lijfje
verstevigde. Walter kneep zijn kijkers nog vaster opeen tot gerimpelde
streepjes; stopte zijn wijsvingertjes in
de oortjes en begon te brullen. Steeds harder en wilder. Het snoetje werd eerst
roze, toen rood en vervolgens paars en bewoog mee op het ritme van zijn
protestuitingen. Oerkreten. Totdat Merel het peuterhoofd hem ten einde raad en
overschreeuwd uit haar klauwen en schoot verloste. Gekalmeerd distantieerde
Walter zich van de toestanden en zocht met een betrokken, behuild gezichtje, de
vuistjes gebald en nog na snikkend, een uitweg bij het spel van zijn
leeftijdgenootjes of soms bij een overdonderde Thea. Tenminste als Thea
toevallig op het juiste moment op de speelzaal aanwezig was om Merel het
peuterhoofd op haar onkunde te betrappen. Op navraag thuis liet Walter nooit
wat los over Merel de peuterjuf, maar juf Maaike vond hij aardig. Dus
waarschijnlijk fungeerde juf Maaike in noodgevallen ook voor Walter als
uitvalbasis voor de invasies van Merel het peuterhoofd op De Kleine Beer. Net
als bij Sabine die in een andere peuterploeg, voor gevorderden, nog steeds uit
de wind ging zitten. Maar Walter daarentegen liep juist tegen de wind van de
preken en valse intonatie in. De gespleten persoonlijkheid van Merel het
peuterhoofd werkte op hem als een rooie lap op een stier. Hij reageerde direct.
Woest, driftig, kont tegen de krib. Dat viel op en Merel het peuterhoofd was
diep in haar peuterjuffeneer aangetast. Ze had de knoet er bij al haar kleine
grut onder, behalve bij Walter. Wat Merel het peuterhoofd betreft zat Waltertje
dan ook helemaal fout. Altijd en overal. Waltertje was de gebeten hond. Zo ook
in het geval van het bijtincident met een medepeuter, waaraan Walter dus die
melktandafdrukken in zijn onderarm had overgehouden:
‘Ik heb het niet zien gebeuren, maar wat wil je
nou!? Arda is een jongetje. Mijn handen zijn gebonden, want alle echte
jongetjes bijten nou één maal’.
‘Walter niet’.
‘Dat zegt genoeg’.
‘Dat komt natuurlijk omdat jij weet wat echte
jongetjes zijn’, sneerde Thea.
Ze moest zich telkens weer geweld aandoen om
alert op de botheid van Merel het peuterhoofd te reageren, omdat ze steeds
opnieuw geneigd was om, met stomheid geslagen over het lompe gedrag van het peuterhoofd, in haar schulp te kruipen.
‘Nou ik ben er anders helemaal niet blij mee’,
zei de moeder van Arda die zich onverwacht in de conversatie mengde.
Ze richtte zich tot Thea, terwijl ze Merel het
peuterhoofd met haar houding nadrukkelijk buiten spel zette:
‘Sorry. Ik heb de tandafdrukken in de onderarm
van Walter gezien. Dat is niet normaal.’
Ze riep Arda en Walter, die allang weer samen
aan het spelen waren, bij zich. Het duurde even, maar na drie keer manen wisten
de ventjes zich van een houten trein los te maken en sjokten via omwegen
richting de moeder van Arda die aan de mamatafel troonde. Ze greep de onderarm
van Walter en hield de tandafdrukken, die na vier dagen in even zoveel blauw
gekleurde putjes getransformeerd waren, onder de ogen van haar zoon.
‘Heb jij gebeten Arda?’
‘Nee’.
‘Zeg maar sorry tegen Walter’.
‘Sorry’.
‘Goed’, antwoordde Walter, terwijl hij zijn
onderarm uit de greep van Arda’s moeder wurmde.
‘Lekkere ventjes’, riep ze Walter en Arda
vergenoegd na.
Twee speelochtenden later was Arda ook het
lieverdje van Merel het peuterhoofd af. Hij had haar op een onbewaakt moment
tegen de schenen geschopt. Letterlijk en figuurlijk.
‘Dat maakt veel goed’, concludeerde Bart
voldaan.
Op de dag van hun vierde verjaardag vertrokken
nagenoeg alle peuters van de Kleine Beer naar groep 1 van basisschool ‘Het
Kleurenpalet’. Niet zozeer de ouders, maar veel opa’s en oma’s plaatsten
vraagtekens bij een keuze voor het zwarte stempel van de wijk en de
bijbehorende basisschool, maar eindigden na een korte confrontatie met het
eigen onvermogen en een ondoordringbare maatschappelijke muur, als vanzelf toch
weer met hun (klein)kind bij Het Kleurenpalet. Behalve Thea en Bart.
Dochter Sabine zou als enige voormalig
misplaatste peuter van speelzaal ‘De Kleine Beer’ ook op ‘De Wielewaal’ in de witte wijk een
paar straten verder terecht hebben gekund. Thea en Bart golden immers als hoog
opgeleid en kredietwaardig. Zij lieten zich niet afschrikken door de poespas
van lastige probleemstellingen en een papierdoolhof van aanvraag- en
identiteitsformulieren, zoals hun wijkgenoten. De opgeblazen reputatie van
basisschool De Wielewaal voor kinderen van zogenaamde ‘welgestelde’ ouders, was
echter wel aanleiding genoeg voor Bart en Thea om toch maar voor Het
Kleurenpalet te gaan. Vooral Thea voelde zich niet thuis bij die
zelfverheerlijking. Wel was ze sociaal intelligent genoeg om haar lippen stijf
op elkaar te houden over haar aanvankelijke, weloverwogen voorkeur voor Het
Kleurenpalet ten opzichte van De Wielewaal. Ze zou haar verhaal trouwens ook
niet kwijt gekund hebben aan de wandelende hoofddoekjes of de heupwiegende
tienermoeders om haar heen op het schoolplein en in de wandelgangen van Het
Kleurenpalet. Sowieso bleef 80 procent van de mede-ouders permanent onzichtbaar
op afhaal- en wegbrengmomenten, schooluitjes of andere bijeenkomsten. Dat leek
verdacht veel op desinteresse. Toch had de fysieke afwezigheid van veel ouders
op Het Kleurenpalet eerder alles te maken met de kenmerkende schoonmaak- of
andere werkzaamheden in ploegendiensten voor laaggeschoolden uit een
achterstandswijk. Onregelmatige diensten betekende een beroep op de ‘normale’
dagindeling van de gepensioneerden of anderszins uitkeringsgerechtigden.
Derhalve werd zowat driekwart van de
papa’s en mama’s vervangen door de oppasgrootouders van de ukjes.
Vijftigplussers die peuterzaal De Kleine Beer en later Het Kleurenpalet slechts
vluchtig aandeden om het kleinkind snel te brengen en in haast op te halen. De
bijbehorende, veelbelovende, jolige, tijdrovende peuterspeelzaalrituelen
en/of buitenbasisschoolse activiteiten
voor en door ouders en verzorgers hadden deze ouden van dagen al een generatie
achter zich gelaten. Ongeacht het land van herkomst. Van de resterende 20
procent van de zichtbare verzorgers sprak het overgrote deel niet tot
nauwelijks Nederlands of Engels en het restant - een zuinig zwikkie inlandse papa’s en mama’s
- was niet ouder dan twintig jaar. Meestal voldeden ze prima aan het stereotype
beeld van het luidruchtige tatoostel. Johnny en Anita op Het Kleurenpalet en
Henk en Ingrid op De Wielewaal. Tenminste als ze niet al gescheiden of
simpelweg uit elkaar waren door een verbroken verkering. Zo nu en dan verscheen
Johnny op de peuterspeelzaal met een patroon in zijn opgeschoren kapsel. In
slim fit merk jeans, Ralph Lauren polo en Adidas trainers. Rechtstreeks van de
sportschool met een houding alsof hij op de doorreis was en zijn behoeftige
peuter een overgewaardeerde tussenstop. Anita dook zo vaak mogelijk bezitterig
naast Johnnie op met een rij piercings in oren en neus en met extensions in een
enorme bos opgestoken krullen. Ze liep danig naast haar originele Uggs. In haar
huispak. Bling, bling achter de buggy. Oppervlakkig en nooit om een praatje
verlegen. Lawaaierig en vol branie in de veiligheid van de veelkleurige kudde
die het ouderbestand van ‘De kleine Beer’ typeerde.
Veertigers, zoals Thea en de moeder van Arda,
vormden overduidelijk de minderheid en werden gedoogd. Met name Thea was vaak
ook een bron van onbegrip en grote hilariteit. Thea had geen tatoo’s,
piercings, extensions of opgestoken krullen en een mobiele telefoon van wel 3
jaar oud:
‘Wat heb jij nou voor een prehistorisch ding?’
Zelfs de aanwezige hoofddoekjes schaterden mee.
Om pijnlijke situaties te voorkomen reageerde Thea niet. Ze wist bij voorbaat
dat elke kolderieke reactie of rake tegenopmerking verkeerd zou vallen. Het was
niet kwaad bedoeld. Maar wel vermoeiend, omdat de onwennigheid bleef.
Wederzijds.
Het peuterspeelzaalhoofd was het bindmiddel.
Want zoals mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis wel vaker van het ene uiterste in het andere
schieten; kon Merel naast ultra-irritant ook opmerkelijk onderhoudend zijn en
bleef ze een interessant aanspreekpunt voor iedereen die met haar
geconfronteerd werd. Als Merel het peuterhoofd zin had dan declameerde ze
verhaaltjes voor de peutertjes. Al naar gelang de stand van de tooi van het
opperhoofd soms op elke peuterspeeldag van wel zeven weken achtereen. Dan weer twee maanden niet. Ze kon erg
beeldend voordragen en al had Merel het peuterhoofd zich overduidelijk laten
inspireren door televisiehelden als Ome Willem en meneer Kaktus; toch had ze
een zeldzaam functioneel acteertalent dat zeker niet zomaar iedere peuterjuf
gegeven is.
Reden te meer voor Merel het peuterhoofd
natuurlijk om alle ouders, te allen tijde, welkom te heten bij haar optredens
op de peuterspeelzaal. Thea werd zelfs steevast op persoonlijke titel mondeling
uitgenodigd. Op een onbewaakt moment zei ze zo nu en dan weleens toe. Dan liet
Merel het peuterhoofd niet meer los en werd Thea gegarandeerd aan de lopende
band aan haar belofte, om naar de kunstjes van Merel het peuterhoofd te komen kijken, herinnerd. Nodeloos te vermelden
dat Merel het peuterhoofd graag in het middelpunt van de publieke belangstelling stond. Ze had een broer die
bekend was van de radio en televisie waarover ze tot vervelends toe opschepte.
De enige bij wie de naam van de beste man echter in de verte een belletje deed
rinkelen was bij Thea. Gevolglijk liet Merel het peuterhoofd geen kans onbenut
om met Thea over haar bekende broer in plaats van over Sabine en/of Walter te
praten. Niet uit trots, maar veel meer om aan te geven dat acteren in haar
genen zat. Dus indirect om over zichzelf te kunnen zagen. Merel het peuterhoofd
had geen peuterhoofd maar eigenlijk actrice moeten zijn. Ze kon er niets aan
doen dat haar aangeboren kunstzinnigheid bij vlagen opspeelde.
En op die ongecontroleerde manier speelde er
wel meer waartegen Merel niet gewapend was. Sabine had bijvoorbeeld een hechte
peuterspeelzaalvriendschap ontwikkeld met Sandu; een driejarig jongetje van
Roemeense afkomst. ’s Morgens werd hij gebracht door zijn vader. Een nors,
barbaars bouwvakkerstype. Bij binnenkomst rende Sabine allang niet meer op haar
vriendje af, omdat ze dan een Roemeense grauw van senior kon verwachten. Hij
bekeek Sabine alsof ze ongedierte was dat eigenlijk maar beter vertrapt kon worden.
Hij maakte al aanstalten door met zijn bezoedelde werkschoen een reflexmatige
schop in de richting van het kleine meisje te geven. Thea protesteerde zwakjes.
Voorzichtig, omdat ze nog niet helemaal
zeker was van het schouwspel dat zich zojuist voor haar ogen had afgespeeld:
‘Hey, idioot doe je dat thuis ook?!’
Merel het peuterhoofd keek Thea vermanend aan,
maar de vader van Sandu deed alsof hij haar niet verstond. Zijn zoon hield hij
bij zich. Zijn enorme kolenschop van een poot omklemde de onderarm van het
ventje dat geen krimp gaf en leeg voor zich uit staarde. Totdat hij plotseling
door papalief in het midden van de peuterspeelzaal werd achtergelaten. Prompt
leefde Sandu op en vond zijn weg naar Sabine die hem hartelijk in haar
speelkringetje opnam. Maar Merel het peuterhoofd had eigenlijk liever niet dat Sandu met
meisjes in het algemeen en Sabine in het bijzonder speelde.
‘Ik vind Sabine soms erg dominant. Als Sandu
genoeg van Sabine krijgt, dan haal ik ze uit elkaar. Dat is in het belang van
beide kinderen’.
Thea stond paf. Ze was razend. Was Sabine soms
te min voor Sandu? Moest er weer naar de pijpen van een uitheemse ouder gedanst
worden? Zet dan niet twee geslachten samen op één peuterspeelzaal als jongens
en meisjes zo nodig gescheiden moeten spelen. In de onderbuik van Thea woedde
een orkaan van gekwetste emoties die zo stormachtig waren dat ze geen zinnig
woord kon uitbrengen. Haar kleine meisje, de helft van het mooiste, liefste en
meest onschuldige duo in haar moederhart, moest juist bevrijd worden van de
denkbeelden van zo’n sociopaat als de vader van Sandu. Wat Thea betreft mocht
hij met z’n gezin met het eerste het beste vliegtuig terug naar Roemenië.
‘Laat ze terug gaan naar hun eigen land’,
foeterde Thea, omdat ze vond dat ze toch iets van een protest aan de
buitenwacht moest laten horen.
‘Je weet niet wat je zegt’, suste Merel het
peuterhoofd minzaam.
Pas in groep 1 van Het Kleurenpalet werd
duidelijk dat Merel het peuterhoofd zich gewoon geen raad had geweten met de
vriendschap tussen de twee peutertjes. Sandu werd thuis misbruikt. Sabine
leefde in een stabiele gezinssituatie. Dus de positie van Sandu had hoe dan ook
prioriteit. Ondertussen verzon het kereltje een spelletje. Tijdens de
speelpauze moest Sabine in het openbaar plat op haar buik gaan liggen en dan
kroop Sandu bovenop haar en bleef minutenlang roerloos liggen. Hierna vonden
zijn grijpgrage handjes een weggetje via haar spijkerbroekje in haar rode
slipje met lieveheersbeestjesprint. Sabine herinnert zich tegenwoordig nog dat
Sandu dat jongetje was dat haar vaak kietelde. Ze had geen seksuele associaties
noch last van de lichamelijkheid van haar vriendje. Ze had wel al snel in de
gaten dat er iets niet pluis was met de handtastelijke spelletjes, omdat Sandu
en zij steeds vaker en langer door de kleuterjuf van groep 1 uit elkaar werden
gehaald. Tot op de dag waarop Sandu ineens voorgoed uit groep 1 verdween. Vlak
nadat een onervaren invalster compleet was geflipt in het bijzijn van alle
kleutertjes. De oorzaak van haar hysterische aanval was Sandu. De invalster had
hem stootbewegingen met zijn bekken zien maken tegen de bipsjes van andere
kleuters. Sabine kwam helemaal in de war uit school. Haar maatje deed zo vaak
van die rare dansjes. Waar was haar vriendje ineens gebleven? Door zijn
verdwijning werd ook Thea van de ene op de andere dag geconfronteerd met het
afwijkende gedrag van Sandu. Met terugwerkende kracht laaide haar woede over de
onkunde en arrogantie van Merel het peuterhoofd weer op. Hoe had ze de
socialisatie van haar Sabientje ondergeschikt durven maken aan één of ander
beschadigd jongetje? Op hoge poten stapte Thea op de kleuterjuffrouw van groep
1 af die Sandu meteen met tranen in de ogen in bescherming nam.
‘Denk jij niet dat wij er alles aan doen om de
situatie van Sandu te verbeteren?’
Giftig spuide Thea haar gal:
‘Wat kan mij die hele Sandu schelen. Mijn
dochter zit hier toch niet op school om blootgesteld te worden aan de
vergroeide neigingen van een gemolesteerd klasgenootje!’
‘Dat is
een spijtige bijkomstigheid, maar Sandu moet ook ergens blijven’.
‘Ja, uit de buurt van mijn dochter’, kermde
Thea.
Ontdaan hield de kleuterjuf zich in en beet
zwijgend op haar onderlip. Thea voelde zich onterecht op haar nummer gezet,
omdat haar intuïtie haar influisterde dat de kleuterjuf naar beste geweten
ageerde. Sabine heeft Sandu dan ook nooit meer teruggezien. Toch zag Thea heus
wel het dilemma. Ze was echt wel bereid geweest zijn om Sandu een tweede kans
met Sabine te gunnen zou die lugubere Roemeense vader niet aan hem vastgezeten
hebben. Sterker nog; Thea zou alle kinderen uit probleemgezinnen oneindig veel
kansen gunnen zonder hun achterban.
HOOFDSTUK 4
Eindelijk heeft Thea op de tweede verdieping lokaal
nummer 207 gevonden. Door het raam herkent ze de jonge en vlotte leraar Duits,
Jonas, voor de klas. Hij is één van de mentoren van haar dochter Sabine. Hij
ziet Thea op de gang door het raam van de gesloten deur besluiteloos staan
afwachten. Bij wijze van begroeting heft hij kort zijn vlakke hand en laat haar
binnen.
‘Ik ben de moeder van Sabine’, zegt Thea
verontschuldigend.
‘Dat zie ik’, antwoordt Jonas op gedempte toon.
Voor de overvolle klas met ouders voert een
wiskundelerares het woord. Zij schijnt de betere helft te zijn van het
mentorduo van deze brugklas in het tweede jaar. Net als vorig schooljaar draagt
de wiskundelerares, ook wel Kiral genoemd, nog steeds een hoofddoek. Kiral
fronst en stopt demonstratief met praten totdat Thea met moeite een plekje in
het lokaal gevonden heeft. Als ze na het nodige rumoer en geschuifel eindelijk
zit, werpt Thea een vernietigende blik in de richting van de arrogante
wiskundelerares met hoofddoek. Betrapt kijkt Kiral vlug weg, schraapt de keel
en vervolgt haar betoog. Thea heeft zich nooit zo intens verdiept in
hoofddoeken, leraressen of wiskunde en al helemaal niet in een combinatie van
die drie elementen, maar ze wordt nou wel spontaan met haar neus op de hautaine
uitstraling van deze mentor gedrukt, met wie ze gelukkig verder niet veel te
maken heeft. Bij dringende schoolse zaken doet Sabine namelijk liever een
beroep op Jonas. Tenminste dat maakt Thea op uit de kostelijke anekdotes van
Sabine tijdens het gezamenlijke avondeten, waarbij ze onder meer op
onderhoudende wijze verslag doet van de creatieve manieren waarop ze Kiral op
school weet te ontlopen. Sabine vindt Kiral irritant met haar wereldvreemde gepreek voor de klas en
haar stichtelijke kijk op frivole, quasi ongelovige meisjes van dertien.
Meisjes zoals Sabine dus; die zoveel mogelijk door Kiral genegeerd worden. En
zo niet dan wordt Sabine aangesproken op een afgebeten toon vol voelbare
tegenzin. En Sabine op haar beurt offert haar geëvolueerde katholisme en recht
op een beetje aangenaam intermenselijk contact met haar mentor Kiral met liefde
en plezier op voor de moslimmeisjes in de klas die in de cruciale
leeftijdsperiode van 10 tot 14 jaar vroeg of laat allemaal door het thuisfront
voor de keuze van het al dan niet dragen van een hoofddoek gesteld zullen
worden. Thea waagt de hoogte van het vrijwilligheidsgehalte van deze keuze te
betwijfelen, maar ze houdt zich verre van de discussie. Ze wil haar dochter
niet indoctrineren en/of belasten met eventuele vooroordelen ten opzichte van
haar klasgenoten. Maar Sabine accepteert de moslima’s met hoofddoek om haar
heen als een vanzelfsprekendheid in een uitzonderingspositie waarover zij
gelukkig helemaal geen mening hoeft te hebben. Zo heeft Sabine in haar
dagelijkse vriendenkliek naast meisjes met en zonder hoofddoek ook moslim
vrienden. Jongens. Altijd zonder hoofddoek. Opgeschoten pubers. Ook wel bekend
als babemagneten; waarvan sommigen alleen maar rondhangen met iedereen uit de
klas; anderen dagelijks na school op topniveau geïntegreerd sporten en een
drietal zelfs onderdeel is van een multiculturele muziek – en rapband. Er wordt
voluit geflirt zonder onderscheid van culturele achtergrond door en met de
moslim jongens. Op het eerste oog zo goed als volledig sociaal
geëngageerd. Nu al. Nauwelijks 13 jaar.
Sabine kan met ze lachen en gek doen, terwijl de gelovige moslimmeisjes uit de
klas zich gegeneerd afwenden.
‘Je moet je tieten eens wat beter bedekken’,
had een dertienjarige hoofddoek in de kleedkamer na de gym in het oor van
Sabine gesist.
‘Je hebt toch wel van je afgebeten?’
Thea was geschokt. Ook over de emotieloze
verslaggeving van Sabine.
‘Ja’.
‘Wat deed je dan?’
‘Ik deed niks. Ik riep wat.’
‘Wat riep je dan?’
‘Ik heb tenminste tieten. Dat riep ik’,
antwoordde Sabine droog.
Thea schoot in de lach. Sabine grinnikte
onbekommerd mee. Zonder uitleg snapte Thea wel waarom Sabine met dit akkefietje
niet naar haar mentoren was gestapt. Kiral kan overal zo’n immens probleem van
maken en de twintiger Jonas gaat uit jeugdige flexibiliteit automatisch met
haar mee. Sabine voelt zoiets feilloos aan:
‘Ze heeft namelijk net een kind gehad, met een
keizersnee en zo.’
‘O jee’, had Thea geantwoord.
‘Jij hebt toch ook een keizersnee gehad mam?’
‘Ja hoor’.
‘Nou dan, moet die Kiral daar dan zo moeilijk
over doen?’
‘Dat weet ik niet, misschien heeft ze er wel
last van?’
‘Die piept al; als er een scheet dwars zit,
maar voor mijn part, hoe minder wiskunde, hoe beter.’
En zolang Sabine geen moeite zegt te hebben met
het optreden van haar mentor, houdt Thea zich op de vlakte. Waarschijnlijk
liggen Sabine en Kiral elkaar gewoon niet en staat de hoofddoek van de
wiskundelerares en mentor helemaal niet symbool voor een onoverbrugbaar
cultuurverschil. Hopelijk; want op een themadag over homoseksualiteit meldde
Kiral zich ziek als begeleidster. Nou meldt Kiral zich wel vaker ziek, maar dit
keer was zelfs Sabine achterdochtig en op haar hoede door het voorschot aan
homofobische reacties en uitspraken van islamitische klasgenoten op de
aankondiging van de seksuele voorlichting. Alle leerlingen werden dan ook,
zonder uitzondering, door de schoolleiding verplicht gesteld om zich klassikaal
in het relaas van homo’s en lesbiennes te verdiepen. Zonder deze regeling zou
de klas van Sabine absoluut zorgwekkend ondervertegenwoordigd zijn geweest. De
puberale moslima’s namen stoïcijns aan de zitting deel. Het misprijzen
versluierd in de weerschijn van de ongenaakbare hoofddoek. De geprikkelde,
islamitische babemagneten waren regelrecht beledigend tegen de kwetsbare
bezoekers die zenuwachtig voor de klas kwamen vertellen over hun seksuele
geaardheid. Enkele loverboys in spé zaten met hun rug naar de sprekers toe,
draaiden met de ogen; sputterden:
‘homo’;
sisten bij wijze van commentaar en voor
iedereen verstaanbaar;
‘fuck an asswhole’;
en verzonnen ter plekke een pakkende
fluisterrap die bij alle toehoorders nog dagen in het hoofd bleef nagalmen;
‘vieze potten; kankerhoeren; motherfuckers’.
Dat riep reacties op van de rest. Natuurlijk.
Welke puber is nou niet wars van diepgang, nuance en wel vies van een
opstootje. Iemand galmde treiterend door de klas:
‘Kijk naar je eigen, Islamietje!’
Jonas kon de onrust in de groep nauwelijks
onder controle krijgen. Uit plaatsvervangende schaamte stak Sabine, ondanks de
groepsdruk, haar nek uit en trok haar mond open. Tot grote dankbaarheid van de
vier bloednerveuze sprekers en Jonas. Zij kwam ermee weg, maar voor hetzelfde
geld had ze met haar heldendaad een vonnis ondertekend. Eliminatie. Maar Sabine
zou Sabine niet zijn als zij ook daadwerkelijk werd weggehoond na haar
uitroep.
‘Kappen met die bullshit’.
Waar was Kiral op dit cruciale moment? De
klassenbegeleidster. De mentor bij uitstek?
Zou uitgerekend zij met haar uitgekiende hoofddoek niet meer
tegengewicht in de homofobische weegschaal hebben kunnen leggen? Wellicht was
ze juist ziek uit angst om naar de verkeerde kant door te slaan.
De klassikale bespreking van de
schooljaarplanning gaat volledig aan Thea voorbij. Ze kan zich moeilijk
concentreren op de schema’s op het digibord die uitvoerig worden toegelicht
door Kiral. Af en toe mag Jonas ook wat zeggen. Zijn stem is eveneens monotoon,
maar hij maakt in elk geval geen taalfouten zoals zijn collega. Hij zegt:
‘het boek’,
in plaats van:
‘de boek’,
en;
‘ze hebben het goed gedaan’,
niet;
‘hun hebben dat goed gedaan’;
of;
‘enige’,
in plaats van;
‘enigste’.
Veel ouders stellen praktische vragen.
Bijvoorbeeld over; de data van de proefwerkweken en of die nog verzet kunnen
worden; de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage en of daar nog een minimum
aan verbonden is; de mailadressen voor ziek- en betermelding; de invulling van
het mentoruitje, het open podium of de kerstviering.
Thea schrikt wakker. Haar hoofd tolt in de palm
van haar linkerhand. Haar elleboog schuift van tafel. Om haar heen staan ouders
op. De meesten groeperen zich om de
mentoren en bieden Kiral de gelegenheid om voor Thea onder te duiken in de
mensenmassa. Jonas ziet haar niet eens vertrekken, want Thea houdt het verder
voor gezien en laat al de niet gestelde kritische vragen voor wat ze zijn.
Omdat een ouder uit eigen belang nooit de mond
voorbij moet praten. Dat heeft Thea vanaf het voorzichtige begin van haar
kinderen op de peuterspeelzaal noodgedwongen heel erg goed begrepen. De
explosieve verhouding van Walter met zijn peuterjuf Merel werd van kwaad tot
erger. ’s Morgens bracht Thea eerst Sabine naar groep 1 in het gebouw van Het
Kleurenpalet bij juffrouw Dirkje en daarna moest Walter nog naar De Kleine
Beer. Bij de ingang op de stoeptegels die stuk voor stuk beschilderd waren met
reuze voetstapafdrukken in primaire kleuren, begon het verzet. Walter plantte
zijn reliëf spekschoenzolen schrap tegen de granito drempel en vond steun aan
weerszijden van de vrolijke gele deurpost. Aan een touwtje uit de mouwtjes van
zijn jas bengelden wantjes. Neon groen. Thea stond achter haar zoontje en
probeerde krampachtig om met haar vrije linkerhand te voorkomen dat de rode
voordeur zou dichtslaan en aldus de vingertjes van Walter zou amputeren. Haar
rechterhand drukte op zijn borst. Ze voelde zijn hartslag wild tekeer gaan.
Vastgeklemd in één arm probeerde Thea om Walter voor zich uit naar binnen te
dwingen. Toegeven was geen optie, want ze had geen overzicht op de gevolgen van
een eventuele capitulatie aan de drift van haar recalcitrante zoontje. Het
liefst nam ze hem gewoon mee naar huis, maar ze moest sterk zijn. Voor Walter,
voor zichzelf en de afrekencultuur van de peuterjuffen, pedagogen en andere
kinderverzorgers om haar heen. Walter was een stevig peutertje en hij dreigde
uit te groeien tot een boom van een vent. Als er iets was wat Walter sneller
moest leren dan andere peuters dan was het wel om op een minder expressieve
manier met zijn boosheid om te gaan dan met lijf en leden. In de privésfeer zou
hij dan uit mogen razen. Bart had zelfs een boksbal in de speelkamer aan een
haak aan het plafond bevestigd. Maar Walter was geen agressief mannetje thuis.
Ook niet gefrustreerd. Hij sloeg, beet of schopte niemand. Hij deed geen hond,
kat of vlieg kwaad. Ook niet stiekem, want de huisdieren volgden Walter trouw
op de voet door het hele huis, hetgeen ondenkbaar zou zijn als hij de kat in
het donker kneep. Het tegendeel was eerder waar. Gelaten verleende Walter de
mollige rooie kater toegang tot het voeteneind van zijn bed en de lobbes van
een labrador liet hij met een engelengeduld apporteren. Verder gaf hij af en
toe weleens een tikje tegen de boksbal in de speelkamer om zijn vader een
plezier te doen, maar meestal bouwde hij legoconstructies of speelde hij games
achter een kinderlaptop. Zo klein als hij met zijn 3 jaar ook was. Allicht was
hij weleens onredelijk of opstandig, maar de echte driftaanvallen, waarbij hij
niemand dreigde te ontzien, bewaarde Walter voor De Kleine Beer.
Zijn woede escaleerde steeds vaker in de buurt
van Merel het peuterhoofd dat naast Thea aan de mamatafel plaatsnam. Tot haar
ontsteltenis voelde Thea de hand van Merel het peuterhoofd plotseling op haar
schouder rusten:
‘Trek je het nog wel meid; je ziet er
afgepeigerd uit!’
‘Het gaat prima’, antwoordde Thea.
Vol afschuw schoof ze haar stoel een stukje
naar achteren en verloste zich zo uit de schoudergreep van Merel het
peuterhoofd.
‘Maaike en ik hebben zitten denken.’
Gealarmeerd zocht Thea met haar ogen naar steun
bij de andere mama’s aan tafel, maar ze kreeg alleen een vluchtige knipoog van
de moeder van Arda. Die ochtend leken zowel Arda als zijn moeder zich veel
gehoorzamer dan anders in de voorgeschreven ouderkind speltherapie te schikken
door zich met volledige overgave te concentreren op het leggen van een puzzel.
In opdracht van Merel het peuterhoofd en haar schaduw; peuterjuf Maaike van De
Kleine Beer, moesten de ouders namelijk elke morgen, na het brengen van het
kind, verplicht een kwartier lang onder toezicht van de peuterleidsters op een
pedagogisch verantwoorde wijze iets leuks doen met de peuter. Ongeschoolde Ilem
reageerde wel min of meer op de wanhoopsblikken van Thea. Ze knikte gedienstig
en lachte blijmoedig in de richting van de mamatafel. Gewoontegetrouw zat Ilem,
met haar hoofddoek bevallig om haar kapsel gedrapeerd, aan een bijzettafeltje,
waarop allerlei Tupperware stond uitgestald. Ze was doelgericht met een
aardappelschilmesje in de weer, terwijl ze haar ogen onafgebroken de kost gaf
door om zich heen te kijken in de peuterzaal. Blindelings schilde ze appels,
pelde sinaasappels en vilde kiwi’s voor het fruithapje van de dag. De andere
mama’s gaven niet thuis. Ze staken de koppen bij elkaar en wisselden driftig
ditjes en datjes uit in een eensgezinde euforische stemming. Wie weet omdat zij
vandaag voor de verandering niet onder handen werden genomen door het
peuterdragonder, waartegen geen enkele jonge moeder of hoofddoekmama direct
tegen in opstand durfde te komen. Hier kwamen de mannen dan weer eens van pas.
Nou liet windbuil Merel het peuterhoofd zich zogezegd niet wegzetten door de
opa’s, broers, papa’s of nieuwe vriendjes uit de achterstandswijk, maar ze nam
meestal wel op tijd afstand. Behalve bij Bart en Thea, want dat lag toch
anders. Merel het peuterhoofd zag wel potentie in een goed contact met Thea.
Een wereldvreemd type met tenminste een redelijke opleiding, waardoor ze
misschien wel enigszins in de luwte van haar; Merel het peuterspeelzaal
opperhoofd; in de buurt kon komen. Zo’n schaap als Thea kon niet anders dan
verward en verdwaald zijn hier tussen de coterie van achterstandswijkbewoners.
In plaats van Thea, met het opgegeven bruto jaarinkomen van haar man Bart en
het opleidingsniveau van het echtpaar, zou Merel het peuterspeelzaalhoofd het
wel geweten hebben en een huis in een achterstandswijk zou een no go geweest
zijn. Thea had de plank in de ogen van Merel volledig misgeslagen en moest haar
problemen bespreekbaar kunnen maken bij een ervaringsdeskundige zoals het
peuterhoofd in persoon. Zonder inmenging van dikdoener Bart die overduidelijk
van toeten noch blazen wist. Niemand met aanzien en een bloeiende carrière koos
vrijwillig voor een stimuleringswijk. Hoe vrijstaand en dicht bij het centrum
het betrokken pand dan ook wel wezen mocht.
Thea voelde de vijandige achterdocht van Merel
feilloos aan. In eerste instantie dacht ze de gedachtekronkels wel weg te
kunnen lachen als lekenkennis, maar ze bleek al snel nauwelijks verweer te
hebben tegen de persistentie van Merel het peuterhoofd dat in de ogen van Thea
alle symptomen vertoonde van een gesjeesde kinderverzorgster middenin een
midlifecrisis. Volkomen overdonderd liet ze zich te vaak op onbewaakte momenten
suf lullen door Merel het peuterhoofd met een missie. De koppen van Thea en
haar kinderen mochten niet langer boven het maaiveld uit. Derhalve meende Merel
het peuterhoofd wel ongestraft haar frustraties op Thea te kunnen botvieren. Ze
moest haar demonen tenslotte ergens bevechten. Beter met behulp van iemand van
wie Merel het peuterhoofd niets te vrezen dacht te hebben, dan over de ruggen
van het restant van De Kleine Beerpopulatie. Merel het peuterhoofd was bang
voor macho’s. Zeker voor de haatdragende
hersenloze blaaskaken met tattoos, de opgepompte sportschoolopa’s met een kort
lontje of hoogbejaarde eerste generatie moslimmannen met een misvormd ego aan
de tweede leg die Merel het peuterhoofd tijdens hun wegbreng- en
ophaalmomentjes op De Kleine Beer maar bedreigend hoefden aan te kijken om haar
terug in hun patriarchale gareel te krijgen. Nee, dan was het voor Merel het
peuterhoofd een stuk veiliger om een
kind van Thea en Bart – het bescheiden, witte, bevoorrechte stel - in het wilde weg en in het bijzijn van
iedereen op De Kleine Beer te labelen:
‘Waarschijnlijk heeft Walter een vorm van
autisme.’
Thea slaakte een diepe zucht van ongenoegen.
‘Ik zie dat je schrikt, maar dat hoeft niet.
Mijn neefjes zijn laatst ook onderzocht en autisme is maar een naampje voor een
spectrum aan aandoeningen. Je hebt allerlei vormen van autisme.’
‘Zijn die neefjes de kinderen van dinges?’
‘Dinges?’
‘Je beroemde broer?’
‘Nee, ik heb nog meer broers en zussen.’
‘Jammer.’
‘Waarom?’
‘Misschien was RTL Boulevard anders wel
geïnteresseerd geweest.’
‘Dat denk ik niet; het zijn maar
zogenaamdneefjes.’
’En, wat was de zogenaamde uitkomst?’
Thea verborg haar neus in de krullen van Walter
die op haar schoot zat en de blokken in verschillende vormen uit een houten
doos foutloos en routinematig liet verdwijnen in de bijbehorende geperforeerde
contouren in het deksel.
‘Toch een vorm van autisme’.
‘Vervelend voor je zogenaamdneefjes’, mompelde
Thea in het kapsel van Walter.
‘Ik herken veel van Walter in mijn neefjes. Dat
repetitieve bijvoorbeeld. Kijk hem nou met die vormendoos. Hup, daar gaat hij
weer opnieuw. Daar tuimelt hij de vormendoos weer om. Ja hoor, het deksel er
weer op. Hij blijft de handeling maar herhalen.’
Het triomfantelijke verslag over Walter en zijn
spel klonk als een uitlachsalvo. Vinnig schoof Thea de vormendoos van Walter af
en trok een houten legpuzzel van het centrum van de mamatafel naar zich toe.
Een boerderijpuzzel. Ostentatief kieperde ze de houten legpuzzelstukjes uit het
plankje en schoof Walter het probleem voor. Zonder aarzelen begon Walter de
veelvormige houten afbeeldingen van de boerderijbeesten weer in de juiste
contouren van het raamwerk te leggen. Merel het peuterhoofd was echter niet te
vermurwen:
‘Ja, maar het principe is eigenlijk hetzelfde.
Hij is goed met vormen. Maar kijk eens naar dat fanatisme en de herhaling van
dezelfde handeling.’
‘Hij is niet autistisch, maar gedreven Merel.
Ken je dat? Gedrevenheid? Of snap je alleen waanzinnigheid?’
Met ingehouden woede drukte Thea een dikke kus
op de kruin van Walter. Alsof Sabine een jaar geleden zoveel verder was
geweest. En dan liet Thea haar oppaskind -
Melvin - nog buiten beschouwing.
Op een gegeven opvangdag werd de vierjarige kleuter Melvin zo kriegelig van de
moeilijkheidsgraad van de vormendoos dat hij om te beginnen het deksel met
geperforeerde contouren in blinde drift door de kamer had gekeild. Daarna
volgden de bijpassende blokken in verschillende vormen. Ze zoefden één voor één
richting lapjeskat die angstig dekking zocht achter de krabpaal. Melvin bedaarde pas toen Thea uit solidariteit de lege houten doos erachteraan smeet
om de chaos compleet te maken. Desondanks merkte ze dat ze zich steeds meer
distantieerde van haar pleegkind Melvin naarmate zijn driftbuien in frequentie
toenamen. Wat Thea betreft wel een logisch gevolg van een gedwongen relatie met
een geleend kind. Melvin kon ontroeren, vertederen, maar ook vervreemden en
voelde nooit zo vertrouwd, onvoorwaardelijk aanwezig en eigen als Walter en
Sabine. Maar los daarvan; als ze haar biologische zoon van drie met de
toenmalige kleuter Melvin vergeleek dan zag ze op ontwikkelingsgebied niet zo
gek veel opzienbarende verschillen.
Peuterjuf Maaike was ook aan de mamatafel komen
zitten. Ongemerkt had ze op de lege stoel aan de andere kant van Thea
plaatsgenomen. Merel het peuterhoofd en Maaike haar schaduw belaagden hun
slachtoffers meestal met de doeltreffende; ‘good’ cop; ‘bad’ cop tactiek. Vaker
dan de bedoeling was viel Maaike echter door de mand. Ook vandaag straalde Maaike het tegendeel uit van dat wat ze
beweerde. Alsof ze in wezen niet helemaal overtuigd was van de amateur
psychologische aanpak van Merel het peuterhoofd. Ze wendde haar blik af,
terwijl ze klakkeloos reciteerde:
‘Je moet niet bij voorbaat een aandoening
uitsluiten’.
‘Nee, je moet bij voorbaat van een afwijking
uitgaan, daar worden we vrolijk van!’, sneerde Thea.
‘Nee, natuurlijk niet’, sputterde Maaike verontwaardigd tegen.
Thea verklaarde zich nader:
‘Ik hoef maar naar Sabine te kijken. Zij was
een jaar geleden net zo ver als Walter en zij lag op schema met haar
ontwikkelingspatroon.’
‘Waarom vergelijk je Sabine met Walter? Ieder
kind is anders.’
Het klonk als een oprechte vraag van Maaike. Ze
was niet één van de snuggerste, maar wel de betere peuterjuf. Ze had een beproefde intuïtie, die haar in de
omgang met peuters nooit, maar in haar relatie tot ouders en verzorgers wel regelmatig in de
steek liet.
Bijvoorbeeld tijdens de wekelijkse
ouderbijeenkomsten. Dat waren
koffie-uurtje op De Kleine Beer voor ouders en verzorgers, terwijl de
kinderen in de speelzaal zoet gehouden werden. Merel het peuterhoofd zat de
bijeenkomsten voor. Ze werd beurtelings afgewisseld door telkens één van de
vier andere peuterjuffen. Er viel voor Thea bijna niet onder de deelnamedruk
van Merel het peuterhoofd uit te komen zonder grof te worden of oeverloze
discussies aan te gaan. Dan maar liever even door de zure appel heen bijten en
de wekelijkse slappe bak leut doorstaan wat Thea betrof. Op één van die
koffie-uurtjes begon een mama met hoofddoek onbedaarlijk te huilen. Terwijl
iedereen haar zojuist nog uitbundig
gefeliciteerd had. Ze was vier maanden zwanger van haar zesde kind. Prompt
transformeerde de polonaise van opgetogen lotgenoten in een rouwstoet. Bij de
huilende hoofddoekmama aangekomen vormden ze een kring om het slachtoffer heen.
In het centrum van de aandacht veranderde het bescheiden snikken in geen tijd
in een gierende klaagzang. In gebrekkig Nederlands welteverstaan.
‘Hij wil alleen maar neuken. Altijd neuken.
Elke nacht neuken. Neuken, neuken, neuken!’
Op een kleine afstand van de groep zat Merel
het peuterhoofd achter een p.c.. Ze keek een beetje viezig naar het tafereel.
Thea was op één of andere manier ook in de kring terecht gekomen. Opgelaten
vond ze Merel het peuterhoofd met haar ogen. Merel zag Thea niet. Wel kon Thea
leedvermaak om de licht opgetrokken mondhoeken van Merel het peuterhoofd zien
spelen. Daarna werd Thea opzij geduwd en afgeleid door peuterjuf Maaike die
haastig kwam aandraven met een papieren boterhamzak. Terwijl ze de bruine zak
in de lucht zwaaide probeerde peuterjuf Maaike luidkeels aan iedereen in de
kring duidelijk te maken dat de hysterische hoofddoekmama eerst rustig met haar
neus en mond in de papieren buil in en uit moest ademen. Zonder reactie van de
lotgenoten. Kennelijk was niet iedereen doordrongen van de helende werking van
het opnieuw inademen van koolzuurgas en de meeste moeders bleven onverstoord
jeremiëren. Sindsdien liet Thea de koffie-uurtjes onbezocht en heeft ze de daaruit volgende protesten van Merel het
peuterhoofd aan zich voorbij laten gaan.
‘Misschien vergelijk ik Sabine wel met Walter
omdat ze zus en broer zijn en omdat ik niet alleen de moeder van Walter, maar
ook van Sabine ben!? Bovendien schelen ze amper
één jaar.’
‘Ieder kind is uniek’, herhaalde Merel het
peuterhoofd.
Ter illustratie stak ze haar kromme
heksenwijsvinger belerend in de lucht.
‘Jullie doen zelf niet anders dan vergelijken’,
beet Thea gelaten van zich af.
‘Het is geen kwestie van hullie en jullie.’
Merel benadrukte haar terechtwijzing met een
gezichtsuitdrukking die niet om haar minachting voor Thea loog, terwijl ze
vervolgde:
‘Ik snap dat het moeilijk is, maar je kunt
Walter toch gewoon laten onderzoeken? Baat het niet, dan schaadt het niet. De
verzekering betaalt, dus waar maak je je druk om, Thea? En je helpt niet alleen
Walter, maar je ontlast ook de leerkrachten van Het Kleurenpalet. Hij is bijna
4 jaar en dan kan ik hem niet langer
houden. Dan moet hij hier weg. Dan breekt de tijd van de basisschool aan en
daar moet een kind goed op voorbereid zijn.’
‘Wat zeur je nou Merel; Walter gaat helemaal
niet naar Het Kleurenpalet!’
Het was eruit voordat Thea wist wat ze zei. Een
Freudiaanse verspreking. Niet alleen Merel het peuterhoofd, maar ook het
keurslijf van De Kleine Beer en de eindbestemming van Het Kleurenpalet zaten
haar kennelijk dwars.
Toch had Sabine weinig te klagen in groep 1 van
basisschool Het Kleurenpalet. Niet in de laatste plaats dankzij juffrouw
Dirkje. Dirkje is een vrouw naar Thea’s hart. Ze is een generatiegenote en
precies zoals een kleuterjuf in het voorstellingsvermogen van Thea hoort te zijn. Hartelijk met een warme
uitstraling, maar streng en rechtvaardig op de achtergrond aanwezig. Ook op de
momenten waarop Thea geacht werd om naast de koffie-uurtjes op De Kleine Beer tevens op de thema-ochtenden op het
Kleurenpalet aanwezig te zijn. Die min of meer verplichte thema-ochtenden waren
een soort veredelde of doorontwikkelde Kleine Beerkoffie-uurtjes voor
gevorderden. Opnieuw onder schooltijd, terwijl de kinderen in een andere ruimte
onderwezen werden. In principe zou Thea dan ook Walter als een excuus voor haar
afwezigheid hebben kunnen gebruiken, want hij was nog te klein voor de
basisschool. Helaas ging die vlieger niet op, want Walter was tijdelijk van
harte welkom in de kleuterklas van juffrouw Dirkje, waar hij met zijn zusje kon
spelen, terwijl zijn moeder de dwingende ouderbijeenkomsten tegen haar zin
bezocht. Maar omdat Dirkje niet flauw deed over het aanstormend talent dat
Walter heet, was Thea het aan de organisatoren van de thema-ochtenden
verschuldigd om op haar beurt de achterstandsproblematiek van Het Kleurenpalet
te doorstaan. Mocht Walter ondanks de grootspraak van Thea, net als zijn zusje
Sabine, toch op Het Kleurenpalet terecht komen, dan zou hij echter na zijn
vierde verjaardag niet automatisch permanent in de kleuterklas van juf Dirkje
geplaatst worden. Sabine was immers al voor een periode van twee jaar bij juf
Dirkje ingedeeld en broers en zussen werden bij voorkeur niet bij elkaar in de
kleutergroep gezet. Nee, Walter zou op Het Kleurenpalet bij kleuterjuf Petra
geplaatst worden. Een mevrouw in of nabij de pensioengerechtigde leeftijd met
een pittig, kort kapsel en een broekrok. Zo’n stereotype schooljuffer van alle
tijden. Zo’n onderwijsdinosaurus die een ieder zich in één of andere vorm wel
van de eigen schooltijd kan herinneren. In een kringgesprek had de peutergroep
van Walter al kennis mogen maken hun toekomstige juffrouw
Petra. Uiteraard onder supervisie van Merel het peuterhoofd en verder met
begeleiding van beschikbare ouders en verzorgers. Zo had Thea kunnen
beluisteren hoe kleine Walter in de kring het hoogste woord voerde in zijn
onmiskenbare brabbeltaal. Koren op de molen van Merel het peuterhoofd. Zie je
wel dat ze gelijk had! Zijn taalgebruik was volgens haar onderontwikkeld en
zijn motoriek veel te grof. Walter forceerde inderdaad zijn hele mollige lijfje
om zijn overdadige woorden kracht bij te zetten en zich over iedereen te ontfermen. Juffrouw Petra rechtte
haar rug en deed er tevergeefs alles aan om haar ergernis over de
ongecontroleerde kleuter te verdoezelen. Thea kromp mogelijk nog verder ineen
tussen de hoofddoekmama’s en tienermoeders
op een veel te klein stoeltje. Thea miste bij Juf Petra de schijnbaar
kinderlijke eenvoud waarmee juffrouw Dirkje in de groep van Sabine haar
kleuters in het gareel hield. Ze voelde de zegevierende ogen van Merel het
peuterhoofd in haar rug prikken en zag de minzame blik op het gezicht van juf Petra.
‘Ach hij weet het allemaal al’, verzuchtte
juffrouw Petra vermoeid op een toon alsof ze Walter bij voorbaat al liever
kwijt was dan rijk.
Merel het peuterhoofd kon haar teleurstelling
over Thea’s mogelijke keuze voor een andere basisschool dan Het Kleurenpalet
voor Walter, maar moeilijk onderdrukken.
Er sprongen zelfs tranen in haar ogen.
‘Je zult Walter wel op Het Kleurenpalet moeten
inschrijven’, schamperde ze.
‘Ik moet helemaal niks’, snoof Thea.
‘En Bart, wat vindt Bart dan?’
‘Sinds wanneer ben jij geïnteresseerd in de
mening van Bart?’
De scherpe ondertoon ontging Merel het
peuterhoofd, terwijl ze voor haar beurt triomfantelijk uitriep:
‘Sabine zit al op Het Kleurenpalet. Je kunt
niet zomaar weg! Trouwens alle basisscholen hebben wachtlijsten!’
‘Moet jij eens opletten’, knikte Thea
zelfverzekerd.
Wakker geschud sloeg Merel het peuterhoofd haar
hand voor haar open mond en onderdrukte een kreet van ontzetting. Peuterjuf
Maaike rook onraad en ze klopte geruststellend op de onderarm van Merel het
peuterhoofd. Het zou ook zonder Thea en haar kroost wel goed komen met het
gewilde, publiekelijk gloriemoment van Merel het peuterhoofd in de rol van
moeder Theresa van een zwarte basisschool en het leerlingentekort van Het
Kleurenpalet.
‘Niet alle basisscholen hebben een wachtlijst’,
blufte Thea.
‘Noem er eens één dan’, vroeg Merel het
peuterhoofd uitdagend.
‘Het Kleurenrenpalet heeft bijvoorbeeld geen
wachtlijst.’,
‘Nee, maar dat heeft een reden.’
‘Je meent het’, spotte Thea.
Het was duidelijk dat Thea nog niet helemaal
zeker was van haar zaak, waardoor Merel het peuterhoofd snel aan zelfvertrouwen
won. Helemaal met volgelingen als peuterjuf Maaike aan haar zijde.
‘Luister Thea, Walter heeft structuur nodig.
Kleine groepen en duidelijkheid. Dat vind je niet op gewone basisscholen. Niet
meer. De groepen worden steeds groter en de druk op de leerkrachten almaar
zwaarder. Je blaast zelf constant de loftrompet over Dirkje. Hij krijgt de
beste leerkrachten op een basisschool met kleine groepen en alle faciliteiten.
Je zou wel gek zijn als je af zou haken. Sowieso, bij Het Kleurenpalet houd ik
ook het overzicht. Ik zie wat er met mijn kleintjes gebeurt. Ik zie hoe ze zich
ontwikkelen. Ik kan helpen. Ik sta niet alleen aan de zijlijn. Ik zal erbij
zijn. Acht lange basisschooljaren lang.’
Hoe overtuigd moest een mens van zichzelf zijn
voordat zij met een stalen gezicht durfde te beweren dat haar niet aflatende
invloed een zegen zou zijn voor de toekomst van Walter? Zwijgend voelde Thea
basisschool De Wielewaal in de witte wijk als een noodzakelijk kwaad naderen.
De zoetgevooisde stem van directeur Peter en zijn kleinburgerlijke gedienstigheid ten spijt.
‘De Wielewaal is net een dorp’, recapituleerde Thea
hardop in gedachten.
‘De Wielewaal?!’, herhaalde Merel vol
ongelovige afgunst.
‘De Wielewaal? Daar kom jij niet binnen.’
‘Sabine was anders ook aangenomen vorig
schooljaar.’
Merel en Maaike geloofden haar niet. Nogal
wiedes. Thea geloofde zichzelf niet eens meer.
‘En toen heb jij voor Het Kleurenpalet
gekozen?’, smaalde Merel het peuterhoofd.
Ook peuterjuf Maaike produceerde een
achterdochtig hikgeluid. Thea reageerde niet meer en woelde door de krullen van
Walter die op haar schoot op een houten puzzelstukje sabbelde. Merel het
peuterhoofd besloot haar manipulaties over een andere boeg te gooien:
‘Hoe ver ben je met het ontspenen van Walter?’
‘Met m’n wat?’
‘Hij speent nog thuis zeker? En helemaal
zindelijk is hij ook nog niet. Daar kun je niet mee aankomen op De Wielewaal.’
Thea dacht aan Sabine die ook relatief laat uit
de luiers was; om van Melvin maar niet te spreken. De overgang naar groep 1
deed wonderen voor het toiletgedrag van beide peuters. Waarom zou dat bij
Walter anders zijn?
‘Wil jij mij nou wijsmaken Merel dat de
kleutertjes op De Wielewaal allemaal perfect zijn en dat Walter nergens anders
dan alleen maar op basisschool Het Kleurenpalet terecht kan, omdat hij af en
toe nog een luier draagt en soms aan een speentje zuigt?’
Thea tilde Walter ziedend van haar schoot en
liet hem gaan. Hij rende naar de bouwhoek, terwijl Thea ging staan. Merel het
peuterhoofd volgde haar voorbeeld, zodat zij en Thea oog in oog stonden. Juf
Maaike bleef zitten en probeerde zich neutraal op te stellen door zich tot de
andere mama’s aan tafel te richten. De ogen van Merel het peuterhoofd schoten
vuur.
‘Op Het Kleurenpalet krijgt hij de speciale
aandacht en begeleiding die hij nodig heeft. Met name van mij’, verkondigde ze
dictatoriaal
‘En daar zit Walter op te wachten? Denk je dat?
Dat geloof je zelf toch niet Merel’, schamperde Thea.
Verafschuwd wendde ze haar blik af en zocht
haar tas. Dit soort onderonsjes met Merel het peuterhoofd viel niet met gezond
verstand te beredeneren. Na twee jaren had Thea nog steeds niet de juiste toon
te pakken om Merel het peuterhoofd afdoende op haar nummer te zetten. Ze
betwijfelde of dat haar zo vlak voor het vertrek van Walter nog ging lukken.
‘Lik op stuk geven’.
Dat was het devies van Bart die alles uit de
mond van Merel het peuterhoofd afdeed als wauwelkoek. Maar rake antwoorden
daagden bij Thea pas in ontspannen sfeer. Bijvoorbeeld als ze op veilige
afstand van Merel en De Kleine Beer naast Bart in bed lag. Dan voerde ze
complete conversaties met Merel het peuterhoofd in haar hoofd. Bekgevechten die
Thea won. In haar dromen. Ze vermoedde
wel dat Bart gelijk had en dat Merel het peuterhoofd onbetrouwbaar was, maar
helemaal vrij van twijfel was Thea ook niet. Ze kon zich nou een maal niet
voorstellen dat iemand als Merel het peuterhoofd ‘gewoon’ een onprettige
persoonlijkheid had? Misschien zat er toch een kern van waarheid in haar
oordeel over Walter? Zo werd Thea heen en weer geslingerd tussen waanideeën van
Merel het peuterhoofd en het feit dat Walter een normaal mannetje is met een
unieke persoonlijkheid zoals ieder mens.
Voor de zekerheid nam Bart televisie
documentaires over ADHD en autisme voor Thea op. Ook vond hij een
wetenschappelijke serie over de ontwikkeling van hedendaagse kinderen bij de
BBC: ‘Child of our Time’. Bij de plaatselijke bibliotheek leende Thea boeken
over pedagogiek, de gangbare ontwikkeling van ouders en kinderen en de
medicalisering van het onderwijs. Van het internet downloadde ze stapels
artikelen over dezelfde onderwerpen. En hoe meer Thea observeerde, las en
leerde; hoe beter ze het oordeel van Merel het peuterhoofd zag voor wat het
was.
Aandachttrekkerij. Voor Merel het peuterhoofd
was een psychische aandoening bij een peuter welhaast een zegen; een ingang tot
een mysterieuze, medische wereld van artsen en verpleegkundigen. Een cluster
van gestudeerde mensen dat zich dan met vereende krachten in het zogenaamde
weloverwogen, quasi intelligente oordeel van een peuterleidster met de naam
Merel zou willen verdiepen. Elke diagnose zou voor Merel het peuterhoofd hebben
volstaan. Walter hoefde niet autistisch te zijn. Er zijn zoveel aandoeningen.
Keuze genoeg. Zolang Merel het peuterhoofd zich maar met de behandeling mocht
bemoeien en haar inzichten de boventoon voerden. Ze vroeg zich niet af waar
Walter en zijn ouders in de tussentijd moesten blijven. Merel het peuterhoofd
had alleen visioenen van een nederige Thea die zich na de hervorming van haar
zoon Walter in dankbetuigingen jegens weldoenster Merel het peuterhoofd zou
uitputten. Eigenlijk zouden peuterleidsters van het kaliber van Merel het
peuterhoofd desnoods met geweld gedwongen moeten worden om naar het relaas van
reële ouders met echte, aantoonbare, autistische kinderen te luisteren. Of naar
ouders van kinderen met ADHD. Maar dan ADHD en autisme zoals ze bedoeld zijn;
als aangeboren hersenafwijkingen en niet mis te verstaan als stimuli voor het
syndroom van Munchhausen by Proxy; waarvan ziekteverwekkers a la Merel verdacht
veel symptomen lieten zien.
HOOFDSTUK 5.
Tijdens het rennen door de gang naar buiten
verloor Walter zijn goudkleurige verjaardagskroon. In het centrum van de
omheinde speelplaats van De Kleine Beer maakte hij pas op plaats. Hij spreidde
zijn armen, wierp het hoofd in de nek en bleef bewegingsloos naar de hemel
staren. Alsof het begin van een nieuw tijdperk in de lucht hing. Thea bleef
achter in de speelzaal met geopende deuren en uitzicht op de gang en
speelplaats. Ze bukte voor de kartonnen hoofdtooi, met een grote, fel rode vier
op de kruin, en miste op het nippertje het hoofd van peuterjuf Maaike die
hetzelfde deed. Tijdens het gelijktijdig verheffen keken ze elkaar recht in de
ogen. Schichtig wendde peuterjuf Maaike haar blik snel af op de plastic tas in
haar linkerhand en prevelde:
‘Z’n fröbelwerkjes en het seizoenenboek. Veel
succes op De Wielewaal.’
Thea slikte haar tranen weg en probeerde haar
abrupte emoties te overschreeuwen door luidkeels naar Walter te roepen door de open deuren naar de
speelplaats:
‘Kom je
even dag zeggen tegen juffrouw Maaike!’
Merel het peuterhoofd had zich achter Maaike
opgesteld. Ze duwde dwingend in de rug van haar werkneemster met een
traktatietaart van piepschuim in de vorm van een pastel getint stekelvarken. Zo
te zien was de smulpartij nog met dezelfde hoeveelheid kindervriendelijke
snoepprikkers uitgedost als aan het begin van de ochtend toen Walter zijn
traktatie vol trots De Kleine Beer had binnen gedragen.
‘Ze had fruitprikkers moeten nemen. Wij zijn
hier niet gediend van onnatuurlijke suikers’, siste Merel het peuterhoofd
duidelijk hoorbaar in het oor van juf Maaike die de traktatietaart woordeloos
van haar overnam.
Bedremmeld overhandigde juf Maaike het
onaangetaste stekelvarken aan Thea. Ineens dook Walter weer op:
‘Dag juffrouw Maaike; dag juffrouw Merel’,
groette hij onbekommerd.
Zonder toestemming trok hij een prikker met
marshmallows, Fruitella’s en Toffifees uit het stekelvarken en nam opnieuw de
benen.
‘Dus Walter wordt gestraft en heeft niet mogen
trakteren, omdat ik niet op de hoogte was van jullie anti-suikerbeleid en
waarom heb ik daar trouwens nooit wat van gemerkt tijdens de viering van Het
Suikerfeest hier op De Kleine Beer?’, wilde Thea gericht van peuterjuf Maaike
weten, terwijl ze door de knieën ging voor de overige smachtende peutertjes die
haar inmiddels omringd hadden.
Goed voorbeeld doet volgen. Hoe rebels ook.
Sommige ouders, oppassers en/of verzorgers pikten ook een graantje mee. Spoedig
stond Thea met alleen nog maar een zacht grijs getinte cirkel van piepschuim in
haar handen. Her en der ving juf Maaike de afgekloven prikkers zwijgend op in
een rieten prullenmand. Ze bleef Thea een antwoord schuldig.
‘Zal ik het piepschuim hier laten voor de
knutselronde?’, stelde Thea dan ook verslagen voor.
Ze stond in haar eentje bij de geopende deuren
van de speelzaal, nadat iedereen, behalve juf Maaike, de ruimte verlaten had.
‘Is goed!’
Juf Maaike moest haar stem verheffen om boven
de roerigheid in de gang uit te komen. Nu was ze weer met een bezem in de weer.
‘Nou dan ga ik maar. Bedankt nog en tot ziens’,
salueerde Thea.’
‘Ik zie je!’, groette juf Maaike ingetogen
terug zonder van haar veegwerk op te kijken.
Vanaf het moment waarop Walter voor het eerst
in zijn IKEA meegroeibed mocht slapen waren zijn uren op De Kleine Beer, met
Merel het peuterhoofd, geteld. Walter zou na zijn vierde verjaardag niet
vanzelfsprekend naar Het Kleurenpalet, maar moeizaam naar basisschool De
Wielewaal in de witte wijk gaan. Thea vond dat ze nu ook daad bij haar woord
moest voegen. Niet per se om Merel het peuterhoofd een hak te zetten, maar
voornamelijk uit machteloosheid. Want hoezeer Sabine ook op haar plekje leek in
groep 1 van de kleuterklas van juffrouw Dirkje op Het Kleurenpalet, toch voelde
Thea zich van het begin af aan compleet misplaatst als gestudeerde mama van een
kleuter op een achterstandsschool vol met regeltjes, beperkingen en
verworvenheden die waren afgestemd op vreemdelingen, andersdenkenden en
ontheemden. Kortom; op minderheden met vaak ook nog hoogmoedswaan verpakt in
een slachtofferrol die de directrice Sarah van zwarte basisschool Het
Kleurenpalet dan weer tot machtsmisbruik dreef. Geef de minderheden maar weer
de schuld.
Heel subtiel allemaal, maar het zijn de kleine
dingen die het doen. Zo moest Sabine tijdens het Suikerfeest vrijwel in haar
eentje een hele schooldag in het klaslokaal doorkomen. Het overgrote deel van
haar klasgenootjes was met bijzonder – officieus - verlof vanwege de
thuisviering van hun feestelijke
afsluiting van de Ramadan. Onvoorbereid op de lege ruimte hing Thea op
de feestdag, die ze van basisschool De Kleine Beer kende, het roze dons jackje
van Sabine aan de kapstok en kwam nog even een pakkerd met haar dochter delen
voordat de plicht riep. Op die ochtend van het Suikerfeest ziet Thea haar
kleine meid van vier jaar nog zitten in de kring met verder allemaal lege
stoeltjes. De exotische namen van de afwezige kleuters in felgekleurde
megaletters op elke leuning geknutseld. Thea probeerde enkele namen hardop uit
te spreken; Youssra, Alim, Fahad, Azza,
Hanane, Samir, Maher, Elif, Dider, Edin. Bij een verkeerde uitspraak, werd ze
verbeterd door Sabientje die haar paarse pluche Dorarugzakje omslachtig in haar
schoot plantte en verwachtingsvol om zich heen keek. met die grote onschuldige
ogen van haar. Na een poosje wierp ze een vragende blik, inclusief parmantig
hoog opgetrokken wenkbrauwen, richting juffrouw Dirkje die zoals elke
kleuterschooldag aan het hoofd van de kring zat. De kleuterjuf trok het hoofd
in de nek, spreidde haar handen en gebaarde dat ze zogenaamd ook niet wist waar
alle andere kindjes gebleven waren. Haar passieve houding drukte echter een
weerstand uit die Thea met Dirkje deelde. Kinderen onderling maken geen
onderscheid op basis van huidskleur of afkomst, maar bij afwijkende
cultuuruitingen vroeg Thea zich toch heimelijk af:
‘Waarom moet dit? Waarom zonder ik mijn kind af
van haar katholieke achterland en cultuur en maak ik haar ondergeschikt aan de
habitus van een minderheidsgroepering in dit land? Sabine is klein en
kwetsbaar. Ze is nog aan niemand dank verschuldigd. Kijk haar nou zitten met
haar Dora rugzakje. Vol van vertrouwen in de wereld om haar heen. Ze heeft het
recht om een kliek te vormen met gelijkgestemden. Wat heeft ze eraan om in deze
heterogene groep alleen te staan? Ik doe haar onrecht.
De dag na het verlof werd de afsluiting van de
islamitische vastenperiode dan weer wel uitbundig gevierd op Het Kleurenpalet,
met alle zoetigheid van dien. Sabientje wist niet beter van peuterspeelzaal De
Kleine Beer, maar Thea had als niet ingewijde
mooi het nakijken. Trouwens, toen puntje bij paaltje kwam, werd
Sinterklaas ook niet helemaal begrepen. De viering kreeg toch een niet
Nederlands tintje op Het Kleurenpalet.
Oorspronkelijk dacht Thea dat ze wel boven de
cultuurverschillen uit zou groeien met hulp van het onderwijsteam van Het
Kleurenpalet. Directrice Sarah deed het immers voorkomen alsof haar deur altijd
open stond. En directrice Sarah had ook best een luisterend oor. Alleen geen
voor de hand liggende oplossingen. Dus kwam Thea geen steek verder. Ook niet
met het uitgesproken begrip van directrice Sarah dat het dualisme van Thea
alleen nog maar deed toenemen.
‘Ik snap ook best dat het moeilijk is. Wij
zitten net zo goed met onze handen in het haar. Wij willen juist van Het
Kleurenpalet een gemengde school maken, maar als ik heel eerlijk ben dan zou ik
mijn kinderen ook niet op een zwarte school in een achterstandswijk zetten’,
beweerde directrice Sarah doodleuk tijdens één van haar onderonsjes met Thea.
Thea geloofde haar oren niet. Ze slikte de
opmerking van directrice Sarah in en probeerde tevergeefs om de woorden één
voor één te verteren. Ze landden als bakstenen in haar maag. Ze zal er wel
moeilijk bij gekeken hebben, want Sarah suste vergoelijkend:
‘Nou heb ik natuurlijk geen kinderen. Dus
eigenlijk weet ik gewoon niet waar ik over praat.’
Thea schraapte haar keel en ging verzitten. Wat
deed ze hier in het kantoor van Sarah; de directrice van Het Kleurenpalet? Wat
wilde ze eigenlijk horen? De opstelling van directrice Sarah frustreerde haar:
‘Lesbiennes kunnen ook gewoon kinderen krijgen
toch?’, haalde Thea uit.
Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Sarah
gaf geen krimp.
‘Bij de spermabank?’
Thea trok haar shagbuil uit het borstzakje van
haar spijkerjack en begon een shaggie te draaien:
‘Hier liever niet roken.’
Omslachtig propte Thea de vloeitjes weer terug
in de shag en vouwde de shagbuil dicht. Directrice Sarah betuttelde haar. Thea
kon niet anders dan in verzet komen:
‘Waarom heb je geen kinderen? Kun je ze niet
krijgen?’
‘Rook jij soms ook in het bijzijn van jouw
kinderen?’, wierp Sarah tegen.
Omdat Thea op scherp stond, schoot ze meteen in
de verdediging:
‘Soms’, provoceerde ze.
‘Tsss.’
Directrice Sarah glimlachte berustend en
minzaam en zakte hoofdschuddend onderuit in haar bureaustoel. Getergd besloot
Thea om te gaan staan.
‘Tsjee; wat een patstelling; ja, wat doen we
nou...? Een rokende moeder in een achterstandswijk! Naar de
kinderbescherming...? Of toch naar de spermabank…?’
‘Ik weet niet of dit jou wat aangaat!?’, siste
directrice Sarah uit haar tent gelokt.
Vanuit haar positie kon ze niet anders dan naar
Thea opkijken.
‘Waarom niet, mijn privéleven gaat jou toch ook
aan? Jij weet toch ook alles van mijn kinderen? Je weet het zelfs beter, want
jij zou jouw denkbeeldige kinderen nooit op een zwarte basisschool school in
een achterstandswijk zetten zeg je net. Maar je bent wel directrice van Het
Kleurenpalet. Een school waar jij in feite op neerkijkt dus.’
‘Nee, natuurlijk niet. We zijn hier juist
ontzettend blij met Sabine en met moeders zoals jij die de uitdaging durven
aangaan. Ik bedoel alleen te zeggen dat ik de moed niet zou hebben die jij laat
zien.’
Met een gemaakt glimlachje probeerde Sarah de
situatie te redden.
‘Dat kun je niet weten, want je hebt zelf dus
geen kinderen.’
‘Ga nog even zitten Thea.’
‘Het gaat niet over jou en mij’, sputterde Thea
tegen, hoewel ze in toenemende mate begon in te zien dat zij in deze tweestrijd
tussen moeder en sociaal wezen hoe dan ook aan het kortste eind trok.
Ze voelde zich alles behalve de moedige
gelijkheidsstrijdster die directrice Sarah in haar beweerde te zien. Was ze
niet veel eerder laf en kleinzielig, omdat de drang om toe te geven aan haar
nederlaag op de zwarte basisschool ´Het Kleurenpalet` alleen maar sterker werd
met het verstrijken van de peuter- en kleuterjaren van haar twee kinderen?
Sociale missie mislukt. Ook omdat Thea door alle uitwonenden van de
achterstandswijk bij voorbaat veroordeeld werd vanwege haar keuze. En niet één
keer, maar onophoudelijk. Als een
stempel op haar voorhoofd in de vorm van een tatoeage. Met name het
onderwijzend personeel op De Kleine Beer en Het Kleurenpalet zag Thea niet voor
vol aan, terwijl deze opvoedkundigen, gezien hun werkgebied, toch eigenlijk
beter hadden moeten weten en verder hadden kunnen kijken dan hun neus lang is.
Thea was geen aandachthoer die met haar witte, bevoorrechte koters op een
zwarte basisschool voor een dubbeltje op de eerste rang dacht te kunnen zitten.
In afwachting van luid gejuich van de schuldbewuste, witte buitenstaanders. Integendeel. Net als
directrice Sarah ging Thea van een voorbeeldfunctie uit. Het sneeuwbaleffect
met integratie als gevolg. Dat nam echter niet weg dat Thea in haar pioniersrol
wel wat steun had kunnen gebruiken. Hoe naïef kan een mens zijn? Niemand nam
haar bij de hand. Zelfs directrice Sarah sprak zichzelf tegen door Thea recht in
het gezicht voor gek te verklaren. Weliswaar met de plichtmatige
kanttekeningen, maar toch. Directrice Sarah zou haar denkbeeldige – witte -
kinderen nooit op een zwarte basisschool zoals Het Kleurenpalet in een
achterstandswijk hebben ingeschreven. En ze had gelijk ook. Wat deed Thea met
haar kroost vrijwillig op deze gekleurde basisschool tussen de vluchtelingen,
mislukkelingen, uitkeringstrekkers en andere asocialen? Leerkrachten en
peuterzaalleidsters kregen betaald en deden na sluitingstijd de deur van de
achterstandsschool op slot om vervolgens zo snel mogelijk naar hun veilige,
witte woonomgeving te vluchten. En de achter gebleven achterstandswijkbewoners
hadden geen keus. Maar voor begenadigde Thea lag het geluk binnen handbereik.
Onbegrijpelijk dat Thea desondanks verkoos om met haar gezin onder haar niveau
te leven.
Maar Thea was geen groentje. De status van een
witte wijk kon haar niet bekoren. De oer Hollandse gezelligheid van volbloed
Nederlanders; de steun en de opvang die ouders in een gelijkwaardige positie
automatisch met elkaar delen; de krachtmetingen onderling; de concurrentie; de
roddel, hebzucht en jaloezietjes. Kortom; de sfeer van witte basisschool De
Wielewaal die Thea op wijkafstand opsnoof vanaf het Kleurenpalet. Ze herkende
de symptomen uit de witte basisschooltijd van haar oppaskinderen: Jasmijn en Melvin.
Maar toen was ze een legitieme buitenstaander geweest die het reilen en zeilen
op een basisschool minzaam observeerde en die direct moeiteloos afstand van het
hele circus nam zodra haar oppaskinderen weer veilig op hun thuisbasis waren
geland. Thea ambieerde geen moederrol bij de oudermaffia op De Wielewaal; toch
was Het Kleurenpalet ook een aflopende zaak.
Tussen de montageresten van Walters meegroeibed
nam Thea daarom het besluit om nog diezelfde dag bij basisschool De Wielewaal
op bezoek te gaan om de inhoud van de onverwachte aannamebrief mondeling te
verifiëren. Voor de zekerheid. Omdat Bart die middag vrij genomen had om het
IKEA slaapmeubel in elkaar te zetten, kon ze meteen van de gelegenheid gebruik
maken door de driejarige Walter bij zijn vader achter te laten. De vierjarige
Sabine nam ze direct uit de kleuterklas van basisschool Het Kleurenpalet wel
mee naar De Wielewaal. Uit praktische overwegingen, want zo hoefde Thea niet
onnodig heen en weer en kon ze voor de schoolleiding op De Wielewaal meteen
aanschouwelijk maken wat voor een vlees ze ongeveer in de kuip zouden krijgen.
Of juist mis zouden lopen als Sabine niet – net als Walter- probleemloos zou worden aangenomen. Twee vliegen in één
klap dus.
Basisschool De Wielewaal stond niet zoals Het
Kleurenpalet verdekt opgesteld in de wijk tussen hoge bomen en achter een
ijzeren omheining begroeid met slingerplanten, maar prijkte pontificaal in het zicht tussen de rijtjeshuizen.
Terwijl op Het Kleurenpalet geen bezoeker de hoofd- of zij-ingang kon passeren
zonder te bellen en zich na lang wachten te identificeren aan een
ontoegankelijke conciërge van niet Nederlandse afkomst, stond op De Wielewaal
de poort naar de speelplaats permanent wagenwijd open.
Ook na schooltijd zo te zien. De conciërge van De Wielewaal was ook niet in
Nederland geboren – en zo wel dan was er wat mis gegaan met zijn taalverwerving
-, maar hij was een stuk levendiger en nadrukkelijker aanwezig dan zijn collega
op Het Kleurenpalet die bij nadere kennismaking helemaal niet onaardig bleek;
maar een eerste indruk is moeilijk uit te wissen.
‘Ja?’, vroeg de conciërge van De Wielewaal
vriendelijk toen Thea na aangebeld te hebben aarzelend in de voordeuropening
verscheen.
Het was overduidelijk niet gebruikelijk voor
bezoekers van De Wielewaal om zich aan de hoofdingang te melden. Het gebouw
stond compact en open en bloot als een oplichtende grijze betonnen blok zonder
schutkleuren en beplanting in het centrum van een woonerf. De kleurige, naïeve
afbeeldingen op de schuttingen van de speelplaats gaven net genoeg sfeer voor
Thea om niet meteen op haar beslissing en schreden terug te keren.
‘Goedemiddag, waar kan ik mijn kinderen
inschrijven?’
Ter illustratie wapperde Thea met de
aannamebrief van De Wielewaal in de lucht.
‘Jij bent ouder?’, knikte de conciërge.
‘Of ik ouder ben?’.
‘Jouw kind?’
Hij wees naar Sabine die braaf aan moeders hand
stond te wachten in haar roze dons jackje.
‘Ow, ja; mijn kind ja.’
‘Jullie omlopen.’
De conciërge maakte een half rondje met zijn
wijsvinger.
‘Okay.’
Thea twijfelde, maar omdat de conciërge de
voordeur al weer gesloten had, besloot ze tot blijdschap van Sabine toch maar
om via de verlaten speelplaats achterom naar binnen te gaan. Maar niet nadat
Sabine vier keer van de glijbaan was gegleden en tot vervelends toe een klimrek
had beklommen.
Binnen stuitte Thea bijna direct op een zekere
Jade. Haar naam sprak je uit met een langgerekte a; dus niet met een Engelse
tongval. Zoals de kleur; jade groen. Althans zo had Jade zich voorgesteld. En
tevens als de interne coördinatrice op De Wielewaal en woordvoerster van Peter.
Peter was de gedienstige directeur van De Wielewaal die Thea al eens had
ontmoet tijdens haar scholenoriëntatietocht en naar wie ze gevraagd had.
Volgens Jade zat directeur Peter echter in een uiterst belangrijke vergadering
op dat moment. Met andere woorden hij kon en mocht niet gestoord worden. Dus
bij gebrek aan beter stortte Thea haar hart uit bij Jade de interne
coördinatrice:
‘Sabine was begin dit schooljaar ook al in
groep 1 van De Wielewaal aangenomen; maar toen hebben mijn man en ik gekozen
voor Het Kleurenpalet. Nu Walter na zijn vierde verjaardag ook voor groep 1 van
De Wielewaal is aangenomen; willen we wat Sabine betreft op onze beslissing
terugkomen en haar toch naar De Wielewaal laten gaan. In het geval van Sabine
naar groep 2 uiteraard. Zij is bijna vijf jaar.’
Fronsend nam Jade de aannamebrief van Thea
over. Thea benadrukte nog maar eens:
‘Deze brief gaat dus alleen over Walter.’
‘Dat is niet Walter, neem ik aan?’, vroeg Jade,
terwijl ze Sabine, die als een jonge hond de hele schoolhal in beslag nam, in
haar blikveld probeerde te vangen.
‘Nee, dat is Sabine.’
Het geduld van Thea begon nu al op te raken.
Jade, de interne coördinatrice, kwam over als een omslachtig type. Veel
geblaat, maar weinig wol. Gedoe. Moeizaam in de omgang en met haar hooghartige
optreden de absolute tegenpool van Peter; haar directeur.
‘En haar heb je niet hier op De Wielewaal
aangemeld?’
De interne coördinatrice knikte in de richting
van Sabine. Van de weeromstuit had Thea haar dochter niet bij zich geroepen om
haar oog in oog voor te stellen aan een nieuwe schooljuffrouw, wat natuurlijk
wel zo beleefd was geweest.’
‘Jawel, Sabine is hier vorig jaar zelfs
aangenomen, maar toen heb ik haar aanname dus afgezegd voor Het Kleurenpalet’,
herhaalde Thea geërgerd.
‘En nou zit ze in groep 1 van Het
Kleurenpalet?’, vroeg Jade de interne coördinatrice.
Niet alleen haar toon, maar haar hele houding
drukte misprijzen en reserve uit.
‘Hoe kan jouw zoon dan in vredesnaam bij ons op
De Wielewaal aangenomen zijn?’
‘Da’s voor mij een vraag, maar voor jou een
weet.’
‘Misschien was jouw dochter hier helemaal niet
goed uitgeschreven aan het begin van dit schooljaar en is jouw zoontje per
ongeluk aangenomen, omdat broers en zussen van inzittenden altijd automatisch
aangenomen worden. Maar daar kan ik niks aan doen, want ik ben net herstellende
van een ernstige griep. Ik ben de afgelopen twee maanden niet op school
geweest.’
‘Nou die fout en jouw griep komen mij dan goed
uit’, grapte Thea en ze dacht:
‘Wat kan mij dat nou schelen dat je de
aanstelleritis griep helemaal tot de bodem hebt uit gepeurd met behoud van
salaris.’
‘En wat wil je nou?’
Jade de interne coördinatrice stond nog steeds
met de aannamebrief van Walter in haar rechterhand. Met haar linkerhand greep
ze naar de klink van de vergaderzaaldeur. Kennelijk was ze het meer dan zat om
dag in dag uit voor vanalles en nog wat ter verantwoording te worden geroepen.
Maar ja; dan had ze maar geen interne coördinatrice moeten worden. Thea wees
naar de brief:
‘Walter is toch aangenomen?’
‘Ja en?’
Ongeduldig gaf Jade de aannamebrief weer aan
Thea terug.
‘En Sabine dan?’
‘O, je wilt je dochter ook hier hebben?’
‘Ben ik nou zo slim of ben jij nou zo dom’,
dacht Thea.
Sabine was inmiddels stokstijf tussen Jade en
Thea in komen staan. Ze speelde waarschijnlijk standbeeldje of zoiets en liet
zich probleemloos van dichtbij keuren door de kritische blik van de interne
coördinatrice. Sabine zag er niet bepaald uit als een getormenteerd zorgenkind
met haar verwarde krullenkopje, rode wangen en glinsterende pretogen en Jade
knipperde verward. Ze liet de klink van de vergaderzaal weer los en zei
twijfelend, maar half overstag:
‘We hebben wel een wachtlijst.’
‘Niet voor iedereen’, smaalde Thea.
‘De Wielewaal staat anders heel hoog
aangeschreven in de stad’, beweerde Jade de interne coördinatrice ontwijkend.
‘Wat heeft dat met een wachtlijst te maken?’
‘We kunnen niet iedereen aannemen.’
‘Jullie willen niet iedereen aannemen. Dat is
wat anders.’
‘Dat is niet waar’, loog de interne
coördinatrice met een uitgestreken gezicht.
‘Walter is aangenomen.’
Illustratief zwaaide Thea met de aannamebrief.
‘Per ongeluk.’
‘Pardon? Ik kan mijn kinderen anders ook alle twee
op een derde school aanmelden. Maar dat zal dan niet zonder slag of stoot en de
nodige openbare ophef gaan’, blufte Thea provocatief.
Zij kon net als Jade ook net doen alsof ze
achterlijk was. Bovendien voelde ze intuïtief aan dat zij aan de winnende hand
was en plopte nadrukkelijk met haar lippen. De interne coördinatrice blies haar
wangen vol met lucht en liet ze weer leeglopen. Thea gaf de interne
coördinatrice de indruk wel een chantabel type te zijn. Bruikbaar
manipulatiemateriaal. Overstag gaf Jade lucht aan haar overweging:
‘Het zal misschien wel lukken. We hebben
tenslotte nog twee maanden voor de zomervakantie voor de boeg.’
Ter afsluiting stak Jade haar hand uit naar
Sabine; die de groet een beetje onwennig, maar netjes volgens de beleefde
omgangsvormen in ontvangst nam.
‘Dan zien wij elkaar na de zomervakantie’,
besloot Jade de interne coördinatrice met klem richting Thea, waarna ze abrupt
in de vergaderruimte verdween.
Met de ogen in haar rug merkte Thea dat Merel
het peuterhoofd haar nakeek toen ze voor de laatste keer het met groen
overwoekerde ijzeren hek van de buitenspeelplaats in het slot liet vallen. Ze
greep Walter bij de hand om te voorkomen dat hij zomaar de straat op zou
rennen. Zo aan de finish van het peutertijdperk van haar kinderen werd Thea
overspoeld door een megagolf van opluchting. Alsof met het dichtklikken van het
ijzeren slot de vloek van Merel het peuterhoofd voorgoed bezworen was. Als Thea
de verstrekkende gevolgen van het gedrag van Merel het opperhoofd met haar
sfeerbepalende egocentrisme, haar onpeilbare stemmingswisselingen en haar kant
-en klare medische antwoorden op elk peutervraagstuk toen naar schade zou hebben ingeschat, dan zou ze veel vaker
en feller direct tegen het beleid van peuterzaal De Kleine Beer van leer
getrokken zijn. Maar hoewel Thea door de betuttelende ongein van het
peuterhoofd regelmatig naar het randje van een uitbarsting was gedreven, was de
bom pas zo’n twee maanden geleden ontploft. Op de ochtend van het onheil was
Thea onstuimig De Kleine Beer binnen komen vallen met de mededeling dat de
onderhandelingen met basisschool De Wielewaal nu rond waren. Maar dan anders
gezegd.
‘Hoera, Sabine en Walter zijn aangenomen op De
Wielewaal!’, had Thea triomfantelijk door de ruimte van De Kleine Beer
geroepen.
In de gang hielp ze Walter uit zijn jasje en
volgde hem door de opengeslagen tussendeuren naar binnen waar ze uitgelaten op
een stoel aan de mamatafel plofte. De andere mama’s; in een gezusterlijk
samenzijn met hier en daar een verdwaalde papa, opa, of oma; knikten haar bemoedigend toe. Niet dat ze
wisten wat Thea bewoog, maar dat deed er ook niet toe, want in de loop van de
jaren waren de ouders en verzorgers van De Kleine Beer nou een maal solidair
met elkaar geworden. Uit gewoonte. Iedereen leefde volgens een ongeschreven wet
naar beste vermogen met een ander mee. Punt uit. De moeder van Arda schoof Thea
een bakkie leut toe. Zwart, zonder suiker. Zulke banale dingen wist je dan weer
wel precies van elkaar.
‘Walter gaat naar een andere basisschool. Je
weet wel; De Wielewaal, in het centrum van de stad’, legde Thea uit.
‘Dat is ook beter zo’, antwoordde de moeder van
Arda onomwonden.
Thea viel even stil omdat ze dit inzicht niet
had verwacht van de moeder van Arda.
‘Arda gaat wel naar Het Kleurenpalet.’
‘Ze zullen elkaar wel missen.’
De moeder van Arda wreef door haar ogen en
zuchtte diep. Zo te zien had Thea
onbedoeld een emotionele snaar bij de moeder van Arda geraakt. Ineens had ze
ook zin om te janken, maar in plaats daarvan beweerde ze schor:
‘Ach, ze zijn nog jong. Kinderen passen zich
snel aan nieuwe situaties aan hoor.’
Merel het peuterhoofd kwam schoorvoetend
tussenbeide. Het viel Thea meteen op dat ze nogal pips zag. Bovenop haar
normaliter toch al bleke uitstraling. Het leek wel alsof het peuterhoofd ergens behoorlijk over in de
piepzak zat.
‘Kan ik je even onder vier ogen spreken Thea’,
begon ze op een dusdanig kruiperig toontje dat iedereen aan de mamatafel
verdwaasd opkeek.
Wat een onderdanigheid van het anders zo
arrogante opperhoofd!
In de koffiekamer stond een aangebroken
slagroomtaart op het kruispunt van vier bijeen geschoven tafels.
‘Je mag de rest straks wel mee naar huis
nemen’, bood Merel het peuterhoofd aan, terwijl ze nerveus met de koffiekan aan
het hannesen was.
Wat moest Thea met een aangevreten
slagroomtaart? Alsof zij en haar gezin thuis wat tekort kwamen.
‘Dat is vriendelijk aangeboden, maar dat hoeft
niet en ik blief ook geen koffie’, zei Thea niet op haar gemak.
Merel het peuterhoofd hapte naar lucht en
woelde door haar pittige korte gebleekte pieken, waarna ze er nog warriger
uitzag dan ze zich gedroeg. Ze maakte geen oogcontact met Thea die op haar
hoede aan tafel plaatsnam.
‘Ik kan thee maken?’ opperde Merel het
peuterhoofd ontwijkend.
‘Wat is er aan de hand, Merel?’, wilde Thea
ongeduldig en met klem weten.
Merel het peuterhoofd fluisterde iets, terwijl
ze een blik met suikerklontjes tegen haar borstjes aandrukte om zich een
houding te geven. Ze was nauwelijks hoorbaar:
‘Ik heb dus gebeld naar De Wielewaal’.
‘Winnie de Poeh’, dacht Thea naar aanleiding
van de opdruk op het suikerklontjesblik.
Niet begrijpend vond ze de ogen van Merel het
peuterhoofd die zich vulden met vocht en dramatisch naar de grond draaiden.
Zelfmedelijden. Haar kromme heksenvingers pulkten aan het deksel van het Winnie
de Poehblik.
‘Je hebt gebeld naar De Wielewaal?’, herhaalde
Thea.
‘Waarom?’
‘Je kondigde laatst toch aan dat je met Walter
naar De Wielewaal zou gaan? Nou; Maaike en ik dachten dus dat je een uitvlucht
zocht en dat je een beetje blufte. Toen heb ik voor de zekerheid gebeld met de
interne coördinatrice van De Wielewaal; een zekere Jade’, bekende Merel het
peuterhoofd in een woordenstroom zonder te struikelen.
Hoe eerder ze haar biecht achter de rug had,
hoe beter. Waarom was Thea niet verbaasd? De paniekblik van Merel het
peuterhoofd vervulde haar met een ijzige kalmte. Hoe pathetisch ben je als
hoofd van een speelzaal dat niet tegen een markant driejarig mannetje is
opgewassen en dat zich niet over een persoonlijke afkeer van een peutertje heen
kan zetten?
‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Thea op snijdende
toon.
‘Zij en ik hebben het erover gehad,’ stamelde
Merel het peuterhoofd verdwaasd.
‘Waarover heb je het gehad?’
‘Dat jij bang was dat Walter autistisch was en
dat we daar iets mee moesten’.
‘We zijn we?’
‘Jade en ik’.
Merel het peuterhoofd leek iets zekerder van
haar zaak. Om te voorkomen dat ze terrein zou winnen blies Thea haar borstkas
op en verhief haar stem.
‘Wat bezielt jou Merel? Ik heb nooit gezegd dat
ik bang ben dat Walter autistisch is. Dat zijn jouw waanideeën. Hoe durf jij
mijn kind met jouw, geesteszieke stempel naar een basisschool te sturen? We
hebben juist voor De Wielewaal gekozen om onder jouw juk uit te raken.’
‘Huh?’
Merel het peuterhoofd krabde zich letterlijk
achter de flaporen. Haar gebaar deed Thea beseffen dat ze al die tijd op De
Kleine Beer duidelijker had moeten zijn. Thea was nooit op haar strepen gaan
staan. Ze had Merel het peuterhoofd laten lullen en haar zodoende te veel vrij
spel gegeven.
‘Begrijp dat dan Merel! Walter is geen
monster.’
‘Ik heb nooit gezegd dat Walter een monster
is!’, riep Merel ferm, terwijl ze met haar kromme heksenwijsvinger bedreigend
naar Thea wees.
Ze probeerde zich in te dekken voor God mag
weten wie:
‘Dat ga je me niet ook nog in de schoenen
schuiven!’
‘Alsof ik je ooit een strobreed in de weg heb
gelegd! Je bent niet te stoppen Merel! Niemand kan jou stoppen! Jij bent de
storende factor Merel; niet Walter; niet mijn kind. Geen enkele peuter van
amper vier jaar!’
Nu stroomden de tranen in straaltjes over de
wangen van Merel. Wat een dramatisch talent:
‘Ow, nou snap ik het; je voelt je in de steek
gelaten. Sorry, sorry, sorry’, snikte ze.
‘Ik voel me niet in de steek gelaten, want ik
verwacht niks van jou of van wie dan ook van De Kleine Beer. Deze messteek in
de rug had ik dus ook niet verwacht, maar je zorgt maar dat het in orde komt.
Je belt maar met de schoolleiding van De Wielewaal en je legt jouw aandeel in
dit drama maar uit. En dan nog wat: ik dien een klacht in bij het hoofdkantoor
van De Kleine Beer. Ik betaal verdorie 200 euro per maand voor die lekenkennis
hier. Ik wil niet meer dat jij je nog langer met Walter bemoeit. Walter heeft
überhaupt nog maar 2 maanden in dit gekkenhuis te gaan en Maaike is sowieso
veel beter geschikt als peuterleidster voor Walter dan jij.’
Wat er daarna gebeurd was kan Thea zich vaag
herinneren. Ze weet nog dat ze niet veel later alleen in haar huiskamer op de
bank zat en de ene sigaret met de andere aanstak. Het speet haar dat ze Walter
niet meteen mee naar huis had gesleurd. Weg bij die heks. Ze belde Bart uit een
vergadering. Hij deelde haar verontwaardiging, maar niet haar opwelling om
Water alsnog stante pede van De Kleine Beer af te halen.
‘Die peuterleidsters zijn professioneel genoeg
om een kind te ontzien in de directe omgang. Ze ouwehoeren dat het een lieve
lust is en dat doen ze goed verkeerd, maar daar zijn ze ook eigenlijk niet voor
opgeleid, denk ik dan maar.’
Bart probeerde Thea tevergeefs te kalmeren. Ze
raasde onverminderd voort:
‘Die Jade; die interne coördinatrice van De
Wielewaal bedoel ik, is anders ook niet
helemaal zuiver op de graat. Zij ouwehoert ook gewoon mee met de eerste de
beste peuterjuf die haar belt met een mond vol medische onzin over een
willekeurig kind. Volgens mij is dat hartstikke strafbaar.’
‘Is het ook, maar we moeten ook vooruit. Laten
we nou maar voor de minst kwade kiezen. Maak het jezelf toch niet zo moeilijk,
Thea! Trouwens, je weet zelf hoe overtuigend Merel kan wauwelen en hoe mager
jij je kon verweren tegen haar lekenkennis.’
Het bloed van Thea kookte nog steeds bijna
over, terwijl ze tegensputterde:
‘Nou vooruit dan laat ik die Jade gaan. Uit
eigen belang. Maar ik dien dus wel degelijk een klacht tegen Merel in bij het
hoofdkantoor van De Kleine Beer en ik eis Maaike als enige peuterjuf voor
Walter gedurende die laatste twee maanden.’
‘Je kunt hem ook rustig thuis houden tot aan de
zomervakantie. Een kind van vier jaar is nog niet leerplichtig. Dan gaat Walter
daarna gewoon linea recta naar groep 1 van de Wielewaal’, verzon Bart,
praktisch als hij is.
‘Dat is plan B. We hebben ons niet twee jaar
aan deze dure ellende onderworpen om vlak voor de eindstreep zonder protest de
handdoek in de ring te gooien. Ik wil er in eerste instantie alles aan doen om
Walter van de hele heisa over zijn persoontje in het ongewisse te laten. Alles
moet voor hem zo normaal mogelijk lijken’, besloot Thea, ondanks alle
roerigheid, toch nog bedachtzaam.
HOOFDSTUK 6
Directrice Sarah van Het Kleurenpalet herhaalde
haar verzoek:
‘Ga nog even zitten Thea.’
‘Waarom?’
‘Ik wil je nog wat vragen en draai er anders
een sigaretje bij als je daar gelukkig van wordt.’
‘Mag ik hem ook aansteken?’, ginnegapte Thea.
De vijandige lucht klaarde wat op. Net als de
gezichtsuitdrukking van directrice Sarah. Ze herademde opgelucht.
‘Zoals ik al aangaf; Bart en jij verrichten
pionierswerk hier in de wijk. Daar hebben wij respect voor.’
‘Heb je ook een asbak?’
Thea bleef zich op het kneden van haar shaggie
richten en maakte bewust geen oogcontact met directrice Sarah. Als directrice
Sarah namelijk oprecht zoveel waardering voor een stel witte ouders op een
overwegend zwarte school zou hebben als ze beweerde; waarom werd dezelfde
gerespecteerde pioniersmoeder dan straal genegeerd op de ochtenden waarop Thea
in een langzame stoet van veelal ongelijk gestemde ouders haar dochter Sabine
naar het lokaal van groep 1 en juffrouw Dirkje bracht? Thea had directrice Sarah
al ontelbare keren goedemorgen gewenst zonder tegengroet. Respect moet wel van
twee kanten komen. Thea zag Sarah wel staan. Zoals de directrice van Het
Kleurenpalet elke werkdag van de week boven de meute herrees. Alsof ze op wacht
stond in haar kreukelvrije mantelpakje. Een zilverkleurig ensemble afgemaakt
met een verblindend witte blouse waarvan de knoopjes elk moment onder de
spanning leken te kunnen bezwijken en dat bijna naadloos leek over te gaan in
haar tijdloze kapsel met de opgestoken pieken in wel vijftig tinten grijs. Elke
ochtend van alle schooldagen weer blokkeerde directrice Sarah wijdbeens in haar
collegeschoenen de doorgang op de brede trap naar de eerste verdieping, Geen
leerling, begeleidende ouder of
verzorger passeerde directrice Sarah zonder zwijgend gezien te worden. Met haar
armen ineen geslagen voor haar c-cups inspecteerde ze de stroom mensen die op
haar af kwam met een imponerende, verheven blik achter een strenge bril die de
helft van haar snuitje bedekte met een zwaar, donker montuur. Wat was de
bedoeling van deze façade? Geen mens was onder de indruk van de pose van
directrice Sarah. Na herhaaldelijke confrontaties met het beeld dat de
directrice van zichzelf op het Kleurenpalet hooghield begon Thea zich dan ook
serieus af te vragen of Sarah nooit de moeite genomen had om eens stiekem op
een pornosite te gluren. Al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid. Ze zou
zichzelf herkennen in het archetype van de seksgodin. Dat kon nooit haar
bedoeling zijn. Geschokt zou ze zich zo snel mogelijk in een wat meer gangbaar
ensemble hullen. Een make-over. Een roze bril. Een kostuum met een
krijtstreepje bijvoorbeeld. Sneakers eronder. Een opgeknipt kort kapsel met
kastanje rode kleuring. Niks meer aan doen.
‘Er heeft zich alweer een hoogopgeleid stel
gemeld dat bereid is om hun kinderen eventueel op Het Kleurenpalet in te
schrijven’, verzuchtte Sarah gelukzalig.
Van het ene op het andere moment was ze in een
dweperig soort extase geschoten. Haar ademhaling trilde van opwinding, terwijl
ze een geboetseerde asbak, in allerlei overgelopen waterverfkleurtjes, van de
vensterbank naar het bureau verplaatste. Thea inhaleerde diep van haar sigaret.
Ze gunde het teer, de nicotine en andere chemische troep de tijd om haar
bloedstroom te infiltreren alvorens ze de rook tegelijkertijd met haar repliek
uitblies.
‘Hebben ze zich ook voorgesteld als meneer en
mevrouw Hoogopgeleid?’
‘Een hbo-opleiding is heel hoog’, wist Sarah
frikkerig.
‘Bart en ik zijn bij mijn weten het enige
erkende hoogopgeleide stel in deze wijk’, spotte Thea die van sommige ouders
wist dat ze in hun thuisland een universitaire opleiding hadden genoten.
‘Dit stel woont ook niet in deze wijk’,
antwoordde Sarah onnozel.
‘Ze hebben een huis gekocht aan de rand van de
wijk in de Overgangsstraat en kunnen in wezen vrij kiezen tussen De Wielewaal
en Het Kleurenpalet. Ze kwamen zich vanochtend oriënteren net als jij een paar
maanden terug.’
Thea viel Sarah in de rede:
‘En nou wil jij van mij weten wat mij over de
streep heeft getrokken; zodat je die ouders ook kunt overtuigen om met hun
kinderen de oversteek naar Het
Kleurenpalet te maken?’
‘Nou ze hadden in principe best zin om samen
met andere ouders een integratiebrug op Het Kleurenpalet te bouwen.’
‘Maar…?’
‘Dat kunnen ze niet alleen natuurlijk’.
Thea onderdrukte een cynisch hikgeluid.
‘Nee, ik ook niet.’
Sarah was te ver heen in haar euforie over de
potentie van weer een eventuele nieuwe aanwinst voor Het Kleurenpalet en
daarmee voor haar reputatie als witte weldoenster, om het sarcasme van Thea tot
zich door te laten dringen:
‘Mag ik jouw telefoonnummer doorgeven?’
Hoe kon Thea anderen wegwijs maken als ze zelf
volledig vastliep? Dat was juist de reden waarom ze hier, tegen beter weten in,
weer met Sarah aan tafel geschoven was.
‘Dat mag altijd, maar wat wil je dat ik zeg?’
‘De waarheid.’
Achteraf beschouwd was het misschien maar goed
ook dat Thea in de weken die volgden niet telefonisch geraadpleegd werd door
een hoogopgeleid stel met geveinsde interesse in het Kleurenpalet voor hun
witte, bevoorrechte kinderen. Wist Thea veel! Met het verstrijken van het
eerste basisschooljaar van Sabine werd haar vervreemding met het wel en wee op
Het Kleurenpalet zo onoverbrugbaar dat ze uiteindelijk niet eens meer een
comfortzone had om in terug te kruipen. Zo raakte ze bijvoorbeeld uit het veld
geslagen door de reactie van een tattoolijer van een vader op het schoolplein.
Hij wachtte zijn vijfjarige dochter Kimberly op met een peuk in zijn muil en
een aangelijnde pitbull aan zijn zijde. Hij had al een keer zijn neus opgehaald
en een fluim opgehoest slijm pal naast de schoenen van Thea doen landen. Hij
stond geen moment stil, maar hinkte zenuwachtig van het linker op het rechter
been alsof hij zijn spieren aan het opwarmen was. Hij verspreidde een
alcoholwalm doordrenkt van nicotine vermengd met een loodzwaar meurend
mannenparfum. Thea was blij dat ze juffrouw Dirkje uit het schoolgebouw van Het
Kleurenpalet zag komen; gevolgd door een optocht van duokleutertjes die hand in
hand in de richting van de naschoolse opvang liepen. Bij de rode lijn
blokkeerde juffrouw Dirkje wijdbeens de doorgang en stopte de stoet met een
handgebaar in de lucht. Het tweetal voorin de rij stond zo abrupt stil dat ze
een achter zich een kettingbotsing veroorzaakten. Juffrouw Dirkje wachtte kalm
tot de boel bedaard was. Daarna gaf ze het startteken. Sabine kwam naast
Kimberly op Thea afrennen. Ze nam pas op plaats voor de Pitbull die de iele
Kimberly bijna omver sprong.
‘Mag ik hem ook aaien?’, vroeg Sabine
onbevangen aan Kimberly die zich vrijmoedig door de hond liet overweldigen.
De vader rukte tevergeefs aan de hondenriem.
‘Aai hem maar’, moedigde Thea haar dochter aan.
De Pitbull was alweer tot rust gekomen en liet
zich over zijn hele lijf betasten door vier begerige handjes. De vader bleef
stug voor zich uitkijken, maar gromde dreigend binnensmonds richting Sabine:
‘Kijk maar uit; direct vat ie oe.’
‘Wat is vat ie oe?’, vroeg Sabine aangeslagen
en niet begrijpend nog vlak voordat Thea haar kleine meisje haastig in
veiligheid bracht door haar op te tillen en dicht tegen zich aan te drukken.
‘Dat versta jij niet kind, dat is
Neanderthaal’, riep ze verontwaardigd tegen dovemans oren en met haar hart in
haar keel.
Juffrouw Dirkje stond vlak bij. Ze kneep Sabine
in de wang en zei op die relativerende toon van haar:
‘Weet je wat ‘vat ie oe’ betekent Sabine? Het
betekent; ‘direct grijpt hij je’. Maar dat gebeurt niet. Daar is Rocky veel te
lief voor. Toch Kimberly?’
‘Huh?’
Kimberly was alweer afgeleid. Juffrouw Dirkje
voorkwam dat ze ertussenuit zou knijpen door haar voor de grap in de houtgreep
te nemen en sprak vervolgens in één adem de vader van Kimberly berispend toe:
‘Ga nou eens gewoon met die Pitbull van het
schoolplein af Mario. En roken doen je ook maar buiten het hek.’
‘Ja, ja’, mompelde Mario schuldbewust.
Dit soort voorvalletjes was dagelijkse kost op
Het Kleurenpalet. De hoge frequentie ervan in combinatie met de indolente
meegaandheid van de zwijgende meerderheid maakte dat Thea zich in het begin nog
geroepen voelde om te solliciteren naar een vacante plaats voor een
vertegenwoordig(st)er van de ouders van de kinderen van Het Kleurenpalet in de
medezeggenschapsraad. Tot grote vreugde van juffrouw Dirkje die het ingevulde
inschrijvingsformulier gretig van Thea aannam en haar vol vertrouwen en goede
moed naar de verantwoordelijke leerkracht doorverwees. De aangewezen
tussenpersoon voor doorstroming naar de medezeggenschapsraad was die andere
kleuterjuf - Petra - die Thea al had mogen ontmoeten tijdens het
kennismakingsbezoek dat georganiseerd was door de leiding van De Kleine Beer.
Walter was toen nog zo goed als voorbestemd om na zijn vierde verjaardag een
kleutertje in groep 1 van juffrouw Petra op Het Kleurenpalet te worden, want
juffrouw Dirkje was al bezet door Sabine. En Walter was er bijna, maar nog niet
helemaal, want Thea twijfelde. Net als juffrouw Petra die - in tegenstelling
tot Thea - niet eens het fatsoen op kon brengen om haar achterdocht jegens een
atypisch medemens onder stoelen of banken te steken. Ze richtte haar volle
aandacht liever op een prototype in de vorm van een tweede moeder die, naar het
zich liet aanzien, ook interesse in de vacature voor de medezeggenschapsraad
had getoond. Thea’s concurrente was een uitgedijde versie van een verpieterd
dom blondje met grijze uitgroei in de scheiding van haar coupe soleil. Terwijl
ze in de deuropening van het kleuterlokaal met juffrouw Petra in een innig
gesprek verwikkeld was, keek ze heersend om zich heen alsof een onbetaalde
functie in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet haar lotsbestemming
was. Zo nu en dan probeerde ze Thea onopgemerkt te monsteren vanuit haar
ooghoeken. Thea stond op een afstand op een reactie van juffrouw Petra te
wachten en vergaapte zich van haar kant aan de onthullende leggings in
knalroze, hoerige lakkaplaarzen en een kalfslederen paarse parka met bontkraag
waarin de concurrentie zich uitgedost had.
‘Aan dat portret krijg ik nog een zware
dobber’, dacht Thea , omdat ze er logischerwijs vanuit ging dat de vacature bij
de medezeggenschapsraad nu als vanzelfsprekend door twee vrijwilligsters
vervuld zou worden.
Ze zou dus moeten samenwerken. Toen ze na tien
minuten nog steeds onzichtbaar leek voor de twee dikke vriendinnen die nog
altijd geanimeerd in conclaaf met elkaar waren, besloot Thea in te grijpen:
‘Ik kom voor de vacature bij de
medezeggenschapsraad’, aarzelde Thea, terwijl ze stapvoets dichterbij kwam.
‘Ze komt voor de vacature bij de
medezeggenschapsraad’, echode het portret in hoog Nederlands richting juffrouw
Petra die zich stond te verbijten, maar quasi vermanend proestte:
‘Ingrid!’
Zoals een baas haar grommende hond voor de
postbode in het gareel houdt.
‘Ik kom ook voor de medezeggenschapsraad!’
blafte de hond, die kennelijk naar de
naam ‘Ingrid’ luisterde, dreigend.
Met een tergende blik zocht Ingrid oogcontact
met Thea die haar aandachttrekkerij ontweek door vragend naar juffrouw Petra te
staren. Thea was er de persoon niet naar om medeplichtigen ongemoeid te laten.
Onverschrokken plaatste Thea haar handen
in de zij en zakte door één heup.
‘Dus?’
‘Zeg maar nee, want dan krijg je er geen 2’,
mompelde Ingrid binnensmonds, maar goed verstaanbaar.
‘Een sollicitatieprocedure’, opperde juffrouw
Petra lacherig.
‘Laat maar.’
Gedesillusioneerd keerde Thea het tweetal de
rug toe. Ze had geen zin om zich te begeven in de arena van overbekende,
primitieve machtspelletjes tussen ‘sterke’ wijven of zogenaamde
‘alfavrouwtjes’. Thea wist dat ze moeiteloos kon winnen door zich voor het oog
te conformeren aan de regels van het moment en door op de lange termijn haar
zin door te drijven met manipuleren. Ze kon er eenvoudigweg de energie niet
voor opbrengen met twee kleutertjes in haar kielzog, een voltijds huishouden,
een webwinkel in retrospullen en Huiswerksterk.
‘Gewoon even checken wie het beste geschikt
is!’, riep juffrouw Petra haar pesterig na.
Thea draaide zich een halve slag om op haar as:
‘Ik ga onderga echt geen
sollicitatieprocedure voor een
vrijwilligersfunctie.’
‘Bang dat je verliest; zeikwijf?’, tartte
Ingrid.
‘Ik weet wel zeker dat ik verlies’, smaalde
Thea.
‘Jullie kunnen ook proberen om er samen uit te
komen’, fleemde juffrouw Petra.
Haar plotselinge inschikkelijkheid vloeide
waarschijnlijk niet zozeer voort uit een vertraagd inzicht in ernst van haar
partijdigheid, maar eerder uit angst voor represailles.
‘Dat had gekund, maar niet met miss Piggy
daar’, zei Thea met een hoofdbeweging richting Ingrid.
‘Duhuh, stomme kut!’, schold Ingrid.
Een zwaktebod. Ingrid had niet met de
assertiviteit van Thea gerekend. Juffrouw Petra voorkwam een voortzetting van
de scheldpartij, al dan niet expres, door alleen Ingrid luidkeels te
verwelkomen als nieuw lid van de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet.
‘Nou dat is dan geregeld; welkom Ingrid’, riep
ze door de gangen van Het Kleurenpalet.
Overduidelijk opgelucht dat Thea uitgerangeerd
was. Kleuterjuf Petra zat niet te wachten op de bemoeienis van een nuffige
mevrouw in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet die zich te goed voelde
voor een sollicitatiegesprek. Thea op haar beurt zou wel gek zijn als ze haar
zoontje Walter in de toekomst zou overleveren aan deze kleuterleidster uit de
hel.
‘Je denkt toch niet serieus dat ik mijn zoon
bij zo’n dragonder in de klas laat zetten!’, liet Thea tijdens haar afgang het
innige tweetal dan ook nog wel even over haar schouder weten.
Ze besefte te laat dat ze zich volslagen
belachelijk maakte met haar geëvolueerde taalgebruik.
‘Wat? Wie z’n moeder?!’, schaterde het paar
tweestemmig.
Het hoongelach galmde na in het nagenoeg lege
schoolgebouw, terwijl Thea het schofterige tweetal en Het Kleurenpalet in
tranen van vernedering ontvluchtte. De dag daarop botste ze tijdens het naar de
klas brengen van Sabine expres tegen het tengere lijfje van directrice Sarah op
die zoals gewoonlijk op wacht stond bovenin het gangpad van het trappengat:
‘Je zou mijn telefoonnummer toch doorgeven aan
meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’ siste Thea vijandig.
‘Hebben ze nog geen contact met je opgenomen
dan?’, stamelde Sarah betrapt.
‘Je bouwt je integratiebrug voortaan maar in je
eentje,’ decideerde Thea woest.
Vervolgens passeerde ze de directrice in een
zodanige razernij dat ze pijnlijk hard met haar schouder tegen de bovenarm van
Sarah aan knalde. Het was het laatste contact tussen Thea en directrice Sarah.
Het rinkelen van de huistelefoon rukte Thea uit
een powernap die haar had overvallen nadat ze – zo goed, zo kwaad als mogelijk
- bekomen was van de meest recente, beslissende interventie van Merel het
peuterhoofd. Thea nam de hoorn van de haak achter een gordijn van sigarettenrook.
‘Dag Thea; je spreekt met Peter Langveld. Ik
ben directeur van De Wielewaal.’
‘Ja, dat weet ik’, gaapte Thea.
‘Ik ben zojuist gebeld door mevrouw Merel van
Vreugdekom in verband met Walter?’
Thea schraapte haar keel en kraste:
‘Merel heeft dingen over Walter gezegd die niet
kloppen.’
‘Dat heb ik begrepen’, zei Peter.
Hij klonk neutraal, waardoor Thea direct de
neiging voelde om zich te moeten verdedigen.
‘Ze heeft met Jade gepraat. Merel heeft gezegd
dat mijn Walter autistisch is en dat hij veel meer ondersteuning nodig heeft
dan wij, de ouders, hem willen geven. Maar hij is niet autistisch. Echt niet.’
‘Je weet dat Merel strafbaar bezig is geweest?’
Thea was onder de indruk van de formele
opstelling van Peter. En zo helemaal niet onderdanig. Thea smeerde haar keel
door een vergeten bodempje rode wijn uit een verdwaald wijnglas op de
salontafel achterover te slaan.
‘Jade ook!’
Er viel een stilte die Thea na een seconde of 4
maar besloot op te vullen om verdere complicaties te voorkomen:
‘Maar ik heb een klacht tegen Merel ingediend
bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en de begeleiding van Walter op de
peuterspeelzaal zal voor de resterende acht weken verder volledig aan juffrouw
Maaike worden over gelaten.’
‘En daar heb jij vrede mee?’, vroeg Peter
monter.
‘Ach, wat heet vrede; over acht weken is het
zomervakantie en dan wordt Walter 4 jaar.’
‘En dan komt hij na de zomervakantie gewoon
naar De Wielewaal samen met zijn zusje Sabine, heb ik begrepen van Jade’,
besloot Peter de directeur alsof de hele ommezwaai van Het Kleurenpalet naar De
Wielewaal een fluitje van een cent was geweest.
HOOFDSTUK 7
Vlak nadat Bart en de kinderen de hielen
gelicht hebben verschijnt Melvin, zoals wel vaker, ook op de ochtend na de
ouderavond in de keuken. Heel toevallig ziet Thea echter voor het eerst in al
die tijd dat Melvin het gangetje naast het huis van de overbuurman verlaat,
voordat hij de straat oversteekt en even uit het zicht verdwijnt om vervolgens
in haar huis op te duiken. Doorgaans heeft Thea geen oog voor het huis van de
overbuurman. Laat staan voor zijn achterom. Ze kijkt normaliter alleen door de
huiskamer- en keukenramen om de tijd te doden als ze de plantjes op de
vensterbank water geeft. Maar vandaag staat Thea op de uitkijk omdat nog geen
minuut geleden een politiewagen met piepende banden pal voor haar voordeur
parkeerde. Thea kreeg een jachtig visioen van één of meer verongelukte
gezinsleden en nog net geen hartverzakking, want nadat de geüniformeerde mannen
pontificaal waren uitgestapt en zich terloops profileerden door gezaghebbend de
open lucht te inhaleren, begaven zij zich beiden linea recta naar het huis van
de overbuurman die de agenten te slim af was. Nog voordat één van de
gezagdragers op de bel had kunnen drukken, verscheen de overbuurman breed
lachend in zijn voordeuropening en verwelkomde de politie in zijn huis met een
diepe buiging en een weidse armzwaai.
In de keuken maakt Melvin plaats voor zijn
pukkel op de tafel door de ontbijtboel naar achteren te schuiven. Gewoonlijk laat hij tijdens zijn
bliksembezoeken zijn schooltas achteloos ergens neervallen. Hij is bezweet en
bij binnenkomst in de ruimte raakt Thea bijna bedwelmd door zijn penetrante
transpiratiegeur.
‘Ik ga douchen’, deelt hij mee.
‘Ik dacht het niet’, reageert Thea
verongelijkt.
Pim, de vader van Melvin, heeft haar gisteren aan het denken gezet over
de talloze aanloopjes van haar oppaskind waarin ze vanaf vandaag haar Betuwe
Flipje niet meer herkent.
‘Moet jij niet naar school?’
‘Eerste uur uitval.’
Ontnuchterd zakt Melvin op een keukenstoel. Met
een gebruikt en beboterd mes van de ontbijttafel roert hij in de inhoud van een
pot pindakaas. Daarna strijkt hij de smeuïge pindakaasmassa langzaam over zijn
uitgestoken, slappe toon. De hardnekkige, kleverige restjes reinigt hij door
het mes zorgvuldig en toegespitst te tongen met een scheef gehouden hoofd,
alsof hij het koekje van een smeltend softijsje aan het aflikken is.
‘Ik heb gisterenavond je vader gesproken.’
Met één hand schenkt Thea koffie voor zichzelf
in, terwijl ze tegelijkertijd met haar andere hand een kartonnen melkpak uit de
handen van Melvin grist.
‘Ik wil niet dat je aan dat pak lurkt; je kunt
een beker gevuld met melk krijgen.’
‘Zeg, wat is er met jou aan de hand?’, roept
Melvin verontwaardigd.
‘Ik ben je moeder niet.’
‘Nee, gelukkig niet?’
‘Wat doe je hier dan nog; waarom ga je niet
lekker naar je moeder?’
‘Mijn moeder woont in Engeland.’
‘Wat is er mis met England?’
Thea leunt ruggelings tegen het aanrecht en
roert verwoed in haar koffie.
‘Haar vriend; dat is wat er mis is met
Engeland’, antwoordt Melvin onweerlegbaar.
Het ontvreemde pak melk vindt hij terug tussen
het brood en hagelslag en zet het alsnog aan zijn lippen. Hij boert als hij
klaar is.
‘Grote jongen’, badineert Thea:
‘Wat deed jij trouwens bij de overbuurman?’
‘Zo meteen roer je een gat in de bodem van je
mok’, grapt Melvin ontwijkend.
‘Ik dacht trouwens dat jij je koffie zwart
dronk; zonder suiker?’
‘Ik dacht dat jij op het stedelijk gymnasium
zat?’
Thea gooit het lepeltje in de gootsteen. Dat
zinloze geroer zal wel een vers zenuwtrekje van haar zijn.
‘Mag ik alstublieft douchen?’, bidt Melvin,
terwijl hij zijn handen vouwt en haar snel knipperend probeert te vermurwen.
Thea slaakt een diepe zucht:
‘Waarom ga je niet gewoon thuis bij Femke
douchen of op de sportschool?’
‘Ik vond je gisteren leuker’, haalt de
postpuber Melvin ineens uit.
‘Je vader wil dat ik je huiswerkbegeleiding
geef. Zoals je weet doe ik dat aan huis. Ik kan niet al mijn bijlesleerlingen
een douchebeurt aanbieden.’
‘Waarom heb je er dan nooit eerder een probleem
van gemaakt?’, wil Melvin – terecht – weten
‘Omdat ik je vader gisterenavond gesproken
heb’, bekent Thea nogmaals.
‘Daarvoor heb ik nooit zo diep over jou en je
zus Jasmijn nagedacht. Jullie waren gewoon mijn oppaskinderen, maar Jasmijn is
al 22 en jij bent 17. Bovendien hebben jullie ieder twee vaders en moeders.
Waarom zou je dan uitgerekend bij mij douchen.’
Melvin kijkt beteuterd:
‘Wist jij dat de vriend van mama de ex van
Jasmijn is?’
‘Valt Jasmijn op oudere mannen dan?’, vraagt
Thea zonder het antwoord te willen weten.
‘Jij bent zo normaal Thea’, verzucht Melvin uit
de grond van zijn hart.
Thea weet niet of ze zich nou gestreeld moet
voelen of niet.
‘Dank je, denk ik.’
‘Mijn stiefvader is 24 jaar en mijn stiefmoeder
is 50. Snap je nou waarom ik van het stedelijk gymnasium getrapt ben?’
‘Nee, maar loop even mee naar de huiskamer en
mijn laptop dan plan ik je in voor huiswerkbegeleiding.’
De ervaring leert Thea dat het wel zal loslopen
met de slechte schoolprestaties van Melvin. Hij is geen hoogvlieger, maar laat
zich makkelijk sturen. Hoe anders dan haar eigen vlees en bloed dat ze niet
eens de tafeltjes aan het verstand kan brengen. Vanaf de luiertraining wordt er
door veel ouders dagelijks al wat afgetobd met het huiswerk van hun bloedeigen
studiebolletjes, maar Thea verkoos een ongedwongen thuissituatie boven schoolse
zaken. Juist omdat ze zoveel weerstand van haar kinderen tegen haar moederlijke
bemoeienis met de toegepaste lesmethodiek van de leerkrachten op De Wielewaal
ondervond. Dankzij de eerdere huiswerkbegeleiding van Jasmijn en Melvin was
Thea heus wel vertrouwd met de leerstof op de basisschool, maar uit
machteloosheid gokte ze voor haar eigen kinderen op de didactisch kwaliteiten van de meesters en
juffen met hun spreekwoordelijke vreemde ogen die dwingen. Ze kwam bedrogen uit
met haar twee kinderen in de gemedicaliseerde hokjeswereld van basisschool De
Wielewaal. In de onderbouw leek de
ontwikkeling van Sabine nog wel probleemloos haar gangetje te gaan. Dat had
alles te maken met de karakteristieke behoefte van Sabine om het zichzelf
overal en altijd zo makkelijk mogelijk te maken. Anders dan Walter had Sabine
zo klein als ze was al heel snel in de smiezen dat ze zich op De Wielewaal maar
het beste in de groep gedeisd kon houden op cruciale momenten. Walter niet.
Walter struikelde in het eerste semester van groep 3 als een olifant in de
porseleinkast faliekant over een vervanger van zijn eigenlijke juf. Juf was al
twee weken na de zomervakantie overspannen. Meester Gijsbert kwam voor juf in
de plaats. Hij was zo’n fijne vent. Zo’n ongetrouwde, veertigplusser op
sneakers, met vettige pieken tot over zijn oren en een T-shirt van Amnesty
International zodat hij bijna niet anders kon dan bij iedereen in de smaak
vallen. De meeste ouders vonden meester Gijsbert dan ook vanzelfsprekend een
toffe peer. Daar kwamen ze luidruchtig en openlijk voor uit op de speelplaats
en in de gangen van de school tijdens het escorteren van hun smurfjes naar de
aangewezen lokalen van De Wielewaal. Meestal spraken zij ook meteen hulde over
meester Gijsbert namens hun kinderen die persoonlijk geen zeggenschap hadden
en/of kregen. Meester Gijsbert liet het dagelijkse eerbetoon als
vanzelfsprekend over zich heenkomen en na een korte acclimatiseringsperiode
speelde er zelfs chronisch een pedant glimlachje om zijn lippen. Desondanks
bleven zowel Thea als haar zoon, los van elkaar en buiten de gangbare waarden en
normen, in eerste instantie neutraal ten opzichte van het optreden van meester
Gijsbert in groep 3 in het algemeen en ten opzichte van Walter in het
bijzonder. Walter vond schrijven en rekenen makkelijk en naar eigen zeggen was
hij de beste van de klas. Thea besloot het eerste rapport af te wachten
alvorens ze deze stellige zelfkennis van haar lievelingszoon bij meester
Gijsbert zou verifiëren. Zo heel erg zou Walter zichzelf toch niet
overschatten, want hij had zich in zijn voorafgaande, twee kleuterjaren op De
Wielewaal immers al als een pienter mannetje bewezen bij juffrouw Elsje.
Kleuterjuffrouw Elsje van De Wielewaal was een
vrouw van halverwege de vijftig die al meer dan dertig jaar voor de
allerkleinste leerplichtigen stond. Ze wist Walter te kalmeren. Ze nam hem
nooit tegen zijn zin op schoot, dwong hem niet om naar haar te luisteren en
verhief nimmer haar stem. Ze was ook elke dag dezelfde kleine, juffrouw
Elsje en veranderde niet van stemming
bij elke keer dat ze een beer op haar weg tegen kwam zoals Merel het
peuterhoofd. Ze deed Thea voortdurend aan kabouter Kwebbel uit Plopsaland
denken. De fysiotherapeut, die Thea op aanraden van Elsje met Walter bezocht,
zei eens tijdens een consult:
‘Elsje is de beste die je voor je kleuter kunt
hebben.’
‘Dan ken je juffrouw Dirkje van Het
Kleurenpalet zeker niet’, protesteerde
Thea uit loyaliteit met haar wijkbewoners, hoewel ze ergens wist dat de
fysiotherapeut wel gelijk had. Wat het
begeleiden van kleuters betreft won Elsje heel misschien, niet onbetwistbaar
nipt van Dirkje. Wat de interactie met ouders en/ of verzorgers aanging kon
Elsje echter nog wat van de straatwijsheid van Dirkje leren. Elsje liet zich
permanent beïnvloeden door de sjiek op De Wielewaal. In het bijzijn van de
ouders werd de oogst van de uiterlijke schijn bejubeld. Achter gesloten deuren
bleek Elsje gelukkig heel neutraal. De maatschappelijke ladder kon haar in
wezen gestolen worden, maar tegen poenige opdringerigheid was Elsje niet
bestand. Zo had ze ook geen verweer tegen Jade – de interne coördinatrice - die
het op Walter voorzien had na het incident met Merel het peuterhoofd van De
Kleine Beer. Alsof Jade aan de directeur Peter wilde bewijzen dat Merel het
peuterhoofd en zij toch gelijk hadden gekregen met hun illegale, telefonische
onderonsje over Walter. Kennelijk wilde ze koste wat het kost haar reputatie
zuiveren door hard te maken dat Walter een spraakmakend, ongewoon jongetje was
en wel degelijk een autist. Of wat dan ook. Walter was volgens Jade gewoon
‘iets’ waaraan ongetwijfeld een medische oorzaak ten grondslag te verzinnen zou
zijn. Wist Jade veel; zij was geen arts. In ieder geval moest luid en duidelijk
geopenbaard worden dat Jade – de interne coördinatrice - naar eer en geweten
gehandeld had door een vierjarig kind - buiten medeweten van de ouders – in telefonisch overleg met een geestverwant
te becommentariëren en te veroordelen. Ze was nooit nieuwsgierig geweest;
roddelzuchtig of sensatiebelust. Hoe durfde Peter, de directeur van De
Wielewaal, partij te trekken voor de ouders van Walter door ze serieus te nemen
over haar?! Wie waren Bart en Thea nou helemaal anders dan een onbenullig stel
uit een achterstandswijk?
Maar al vrij snel na de komst van Sabine en
Walter ging de schoolcarrière van wie dan ook op De Wielewaal nauwelijks tot
niet meer aan het hart van directeur Peter. Na zeven, vette jaren trouwe dienst
werd hij gepromoveerd naar een basisschool met wel 2000 kinderen. Dat was nog
eens wat anders dan de luttele 188 leerlingen op De Wielewaal. Thea voelde zich
bijna persoonlijk aangevallen. In de loop van de twee jaar dat haar spruiten
inmiddels De Wielewaal bezochten was Thea lid geworden van de ouderraad met de
bedoeling om pijnlijke situaties zoals de platte ruzie om de
medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet voor zichzelf in de toekomst te
voorkomen. Na een half jaar begon Thea zich echter serieus af te vragen wat
erger was; het ‘oog om oog, tand om tand’ principe van Het Kleurenpalet of de
‘dolksteek in de rug’ mentaliteit van De Wielewaal. De 6 vergaderingen van de
ouderraad in het schooljaar waren stuk voor stuk krachtmetingen tussen getapte
ouders. Thea was eigenlijk het enige lid dat gewoon was aan komen waaien, omdat
in de Nieuwsbrief had gestaan dat iedere ouder welkom was bij de ouderraad.
Wist Thea veel dat de inhoud van de Nieuwbrief niet serieus genomen diende te
worden volgens de rest van de ouders die elkaar al langer kenden dan vandaag
van ons kent ons uit de wijk en van peuterspeelzaal ‘Het Grote Begin’ die bij
De Wielewaal en de buurt hoorde. Een groot begin klinkt heel wat ambitieuzer
dan De Kleine Beer.
Er werd veel gemaakt gelachen tijdens de
vergaderingen van de ouderraad. De dames wierpen alsmaar gierend het hoofd in
de nek en de heren sloegen zich continueel knorrend op de knieën. Thea was wel
blij dat ze vrijuit en probleemloos Nederlands kon praten. Op Het Kleurenpalet
was de taalbarrière een algemeen gedeeld probleem geweest. Wel jammer dat
iedereen de overstap van Thea van De Wielewaal naar Het Kleurenpalet
wantrouwde. Haar motieven werden naar harte lust ingevuld door buitenshuis
werkende moeders die zienderogen minder te besteden hadden dan Bart en Thea,
maar die zich in hun versleten haute couture kennelijk toch verheven voelden
boven het restant van de mensheid en dus zeker boven een moederkloek als Thea.
Ze was niet onder de indruk. Ook niet van de eigentijdse papa’s met hun
gecultiveerde baardgroei en hun bejubelde, geslachtsloze voorliefde voor
geëmancipeerde mensen. Na een korte snuffelperiode liet iedereen Thea gewoon
links liggen tijdens de bijeenkomsten waar niets anders dan dezelfde kwesties
uitentreuren frequenteerden. Te weten; overblijfperikelen, de aanschaf van een
mega kerstboom of toch liever weer Glühwein dit jaar, de vrijwillige
ouderbijdrage oftewel hoe kunnen we wanbetalers dwingen, het schoolreisje en
hoe schuif ik mijn eigen kind (eren) zo onopvallend mogelijk in een zo gunstig
mogelijk licht. Gelukkig was directeur Peter bestendig aanwezig. Hij wist met
zijn lankmoedigheid de bijeenkomsten naar een hebbelijk niveau te verheffen,
maar hij koos geen partij. Hij woei met alle winden mee, precies zoals Thea bij
hun allereerste ontmoeting al voorzien had, maar ze voelde intuïtief aan dat
haar uitgesproken aanwezigheid in de ouderraad op één of andere manier een luis
in de pels van Peter was. Haar uitgewerkte idee om onder begeleiding van de
ouders voorleessessies door en voor kinderen in de verschillende groepen te
organiseren werd genegeerd. Ook door Peter, terwijl hij aanvankelijk wel oren
zei te hebben naar een interne, kosteloze leesclub voor de kinderen. Ten langen
leste liet de ouderraad onder leiding van Peter toch liever unaniem – met
uitzondering van Thea dus - een
kinderboekenschrijver een middag signeren in en voorlezen uit eigen werk op
school tegen een vergoeding 500 euro. Pas toen Peter zijn overstap naar een
grotere basisschool algemeen bekend maakte, kon Thea haar vinger op de zere
plek leggen. De ouderraad spaarde liever kosten noch moeite dan de gratis
ondernemingslust van Thea bij te benen en Peter zag haar creativiteit als een
bedreiging voor zijn conformisme en daarmee voor de stijgende lijn van zijn
loopbaan. Maar op persoonlijk vlak kon hij het enthousiasme en de originele
ideeën van Thea echter bijzonder waarderen. Althans dat liet hij weten in een
privé berichtje in de mail.
Beste Thea,
Blijf vooral jouw ideeën spuien. Ik waardeer
jouw enthousiasme en originaliteit.
Met vriendelijke groet,
Peter Langveld.
Directeur van De Wielewaal.
Blij verrast typte Thea een virtuele dankbrief
waarin ze meteen maar haar belevenissen en ervaringen rond de overstap van De
Wielewaal naar Het Kleurenpalet samenvatte en terloops haar lidmaatschap van de
ouderraad opzei. Na anderhalf jaar egotripjes der kouwe kak en directeur Peter
met zijn dociele gelaveer tussen twee kwaden met als sluitstuk de dumping van
haar tot in de details uitgedachte voorleesplan was Thea opeens helemaal klaar
met de ouderraad. Het sop was de kool niet waard. Thea was toen nog niet op de
hoogte van directeur Peters plan om De Wielewaal in te ruilen voor een veel
grotere basisschool.
Toevallig viel haar afscheid van de ouderraad
samen met de bekendmaking van het vertrek van Peter als directeur van De
Wielewaal. Een baardman uit de ouderraad benaderde Thea op de speelplaats;
‘Ik heb gehoord dat je ons gaat verlaten?’
Thea was verbaasd dat hij überhaupt scheen te
weten wie zij was. De baardman kwam meteen ter zake:
‘Heb je dat besloten voordat je op de hoogte
was van het vertrek van Peter of nadat je wist dat Peter naar een grotere
school zou gaan?’
‘Wat doet dat er nou toe?’
‘Nee, ik ben gewoon nieuwsgierig of je nu ook
met je kinderen meegaat naar de nieuwe school van Peter?’
De baardman kneep zijn oogjes tot geniepige
streepjes.
‘Waarom zou ik?’
Thea zocht tevergeefs om zich heen naar steun
van de aanwezige ouders die onaangedaan en Oost-Indisch doof ook op hun
kinderen stonden te wachten.
‘Jij komt toch van Het Kleurenpalet?’
‘Ja en?’
Baardman kromp ietwat ineen door de defensieve
reactie van Thea. Met het oog op de aanwezige ouders herstelde hij zich
manmoedig door zijn rug te rechten. Hij stond niet alleen.
‘Jouw kinderen zijn toch op deze school gekomen
dankzij Peter?’
Thea liet de opmerking even bezinken en
schamperde vervolgens:
‘O, je bedoelt net als alle andere kinderen van
De Wielewaal?’
‘Wij wonen in deze wijk. Jij niet toch?!’
‘Dat is jouw fout’, schamperde Thea.
‘Kende jij Peter niet ergens anders van?’
‘Volgens mij weet jij meer dan ik’, antwoordde
Thea berustend.
Baardman liet zich niet meer van de wijs
brengen.
‘Dus het is waar?’
Hij was serieus.
Thea tastte in het duister en keek schichtig om
zich heen. De spanning was te snijden. Ineens viel het kwartje. Haar
nervositeit maakte meteen plaats voor noodweer:
‘Ow, je vraagt of ik hem ken van het milieu?’
‘Je woont wel in de hoerenbuurt’, knipoogde de
baardman olijk.
Thea vond het nog nodig om hem te verbeteren
ook:
‘Voormalige hoerenbuurt.’
‘Ja, ja,’ meesmuilde de baardman.
Hij kreeg wat lachers op zijn hand en Thea
begon te stuiteren:
‘Ga bij jezelf te rade!’, tierde ze ferm.
‘Jij bent waarschijnlijk beter in het
hoerenmilieu thuis dan ik’.
Ergens achter op de speelplaats klonk een iel,
snel wegebbend applausje. Daarna volgde een pijnlijke stilte waarin Thea de
baardman in het zicht van het compleet bescheten canaille in z’n hemd liet
staan.
HOOFDSTUK 8.
Bart vond het allereerste rapport van Walter
uit groep 3 een lachertje, maar Thea had moeite met het in toom houden van haar oerdriften. Meester Gijsbert had het
volgende over de eerste 10 leerweken van Walter – een zesjarig kereltje zonder
strafblad – te melden:
Walter heeft een flinke achterstand met
mondelinge en schriftelijke taal. Hij heeft veel ondersteuning nodig bij de
opdrachten. De ontwikkeling van spelling en de woordenschat blijft nog achter.
Walter heeft moeite met een goede omgang met
zijn klasgenootjes. Hij reageert heel direct op andere kinderen. Het kost hem
zichtbaar moeite om geconcentreerd, zelfstandig en netjes te werken. Daar moet
nog veel aan verbeterd worden. Hij heeft het niet makkelijk met de leerstof van
met name taal.
‘Een goed begin is het halve werk’, schamperde
Bart.
Thea nam zich direct voor om haar beklag te
doen bij de schoolleiding over het belabberde beoordelingsvermogen van Gijsbert
mede namens de vader van Walter, omdat Bart geneigd was om in een gesprekje met
de schoolleiding de didactische anticipatie uit de weg te gaan. Wel zou hij
Thea op de achtergrond blijven steunen.
‘Al dat geleuter in de ruimte. Ik ga geen half
uur zitten luisteren naar de rechtvaardiging van een nitwit als zo’n Gijsbert.
Desnoods stappen we opnieuw over op andere basisschool.’
‘Niet weer’, wanhoopte Thea.
‘Het gaat hier niet om jou, maar om de
kinderen’, vond Bart.
Soms kon Thea de redenaties van Bart maar
moeilijk verdragen. Ook al was ze reddeloos gevallen voor de ruwe bolster,
blanke pit met wie ze meestal een ijzersterke twee-eenheid vormde. Toch werd ze
bij tijd en wijlen overvallen door een irreële behoefte aan voortkabbelende
vanzelfsprekendheid. Zoals in haar kraamtijd waarin de kinderen en zij
vegeteerden in een paralyserende cocon van slapen en eten, die Bart ’s ochtends
geruisloos achter zich liet en ’s avonds, na zijn werk op het rekencentrum,
weer behoedzaam bekroop. Het welzijn van de kinderen was een wisselwerking
tussen de kracht van Bart en de motivatie van Thea. En andersom. Ze hadden
elkaar nooit een rozentuin beloofd.
‘Dit keer ga ik nog liever de strijd aan dan de
kinderen en mezelf weer te moeten onderwerpen aan de eerste indruk van een
derde basisschool Voorlopig blijven we zitten waar we zitten’, besloot Thea.
‘Gelijk heb je; wij krijgen toch overal
gezeur’, bedacht Bart zich knarsetandend.
Het dichtgeslagen schoolrapport van Walter
belandde met een klap op de salontafel.
‘Waarom; omdat we slechte ouders zijn?’
‘Of we nou wel of geen slechte ouders zijn; we
hebben een mening; we laten ons niet suflullen; dat is het probleem.’
Thea had nog het meeste moeite met de
terughoudendheid van meester Gijsbert jegens haar. Ze voelde zich door hem
genegeerd en niet gerespecteerd als moeder van Walter. In de eerste acht weken
dat meester Gijsbert de depressieve juf van groep 3 verving had hij Thea nog nooit aangesproken.
Terwijl hij wel elke morgen in allerlei herderlijke discussies verwikkeld was
met andere ouders die vlak voor aanvang van de les, als groupies om een idool,
om meester Gijsbert heen zwermden. Meester Gijsbert had over elk kind wel iets
geschikts te missen, behalve over Walter. En Thea voelde niet de behoefte om
zich bij het ouderclubje voor de deur van het lokaal van groep 3 te scharen. Ze
liep mee met Walter en Sabine omdat het overgrote deel van de kinderen op De
Wielewaal – ook in de bovenbouw - naar
hun plaats in de klas begeleid werd door volwassenen. Betrokkenheid van ouders
en verzorgers was het paradepaardje waarmee de school op de website klantjes
wierf. Het krioelde in de gangen van De Wielewaal dan ook elke morgen van de
kakelende wijkbewoners. Het was een hysterische, ontoegankelijke wanorde
waaraan Thea haar kinderen telkens weer, jaar in jaar uit, noodgedwongen geacht
werd bloot te stellen. Omdat het dus echt niet anders kon moest de intocht van
Walter en Sabine op De Wielewaal - met als einddoel hun kinderstoeltjes in
respectievelijk de groepen 3 en 4 - dan maar in vredesnaam onder het ingetogen
toezicht van moeder gebeuren. Thea kon maar moeilijk geloven dat meester
Gijsbert geen enkele van de 40 kansen om haar in de afgelopen 8 weken aan te
spreken over de leerprestaties of het
wangedrag van Walter benut had. Ze vond het niet normaal dat een
invaller, zonder waarschuwing vooraf, haar zoontje van amper zes jaar in een schoolrapport
veroordeeld had tot 8 basisschooljaren lang in de schopstoel van allerlei
peuten, juffen en andere frikken.
De interne coördinatrice Jade regelde een
‘gesprekje’ met de nieuwe directrice die onopvallend haar intrek had genomen in
het schoolhoofdkantoor nadat directeur Peter met een hoop afscheidsgedoe De
Wielewaal verlaten had. Op het eerste gezicht leek de directrice, die de naam
Willy droeg, geen vrouw waar Thea makkelijk mee uit de voeten kon. Jade was ook
bij de bijeenkomst aanwezig als een soort intermediair. Nog zo’n dame waar geen
land mee te bezeilen was. Behalve een ongeschreven gebruiksaanwijzing leken ook
directrice Willy en de interne coördinatrice Jade onderling niet veel met
elkaar gemeen te hebben. Directrice
Willy was het type mens met een smoezelige uitstraling. Waarschijnlijk was haar
kleding schoon en haar kapsel verzorgd, maar zo zag Willy er niet uit. Ook had
ze de modeterm ‘mix en match’ nogal ruim geïnterpreteerd. Sommige prints,
kleuren en stoffen passen echt niet bij elkaar en dat soort combinaties
schreeuwt om het kledinglabel; smakeloos. Jade daarentegen had wel naar de
adviezen van een winkel juf uit een modezaak geluisterd. Ze leek een zwaar
geparfumeerde etalagepop in een stijlvol mantelpakje met modieuze details, wat
heel ongebruikelijk was voor Jade die – als ze tenminste niet ziek, zwak of
misselijk was – meestal door de schoolgangen flaneerde in ‘casual’ kleding. Een
zwarte polyester stretch broek met daarop een gelig te heet gewassen lamswollen
truitje. Heel wat minder op de heersende modemores afgestemd. De uiterlijke
transformatie van Jade tijdens het gesprekje met Willy en Thea had natuurlijk alles te maken met een nieuw begin
met verse kansen bij een vrouwelijke, zichtbaar ietwat naïeve, directrice in
plaats van dienstbare Peter waar geen eer aan viel te behalen, omdat hij
stiekem toch een patriarch was geweest die zijn Pappenheimers op De Wielewaal
door en door in de smiezen had gehad.
‘We hebben even met juf Elsje over Walter
gepraat. Ze heeft hem 2 jaar in de kleutergroepen gehad. Ze zegt dat Walter een
heel speciaal jongetje is.’
Directrice Willy had een timide oogopslag.
Alsof ze tegen je opzag. De lady Di look. Later zou Thea leren hoe vertekend
deze indruk was. Ze sprak heel snel met een zachte stem. Thea dacht aan
kleuterjuf Elsje en haar bemoedigende werkervaring in verwoestende combinatie
met de giftige consideratie met Jade de interne coördinatrice en consorten.
Tijdens de tien minuten gesprekken was Elsje aldoor alleen maar vriendelijk
over Walter geweest. Ze vond hem een uitgesproken karaktertje:
‘In zijn bovenkamer is niks mis’, placht Elsje
herhaaldelijk over Walter te benadrukken.
Tijdens het eerste jaar in de kleuterklas dacht
Thea dan kriegelig:
‘Nee, waarom zou er wat mis zijn in zijn
bovenkamer?’
Pas in het tweede kleuterjaar leerde Thea de
geheimtaal van Elsje lezen. Walter was zijn groepsgenootjes mentaal ver
vooruit, maar omdat Bart en Thea niet tot de gevestigde orde van De Wielewaal
behoorden, kon en mocht een kind van buiten de wijk natuurlijk geen bolleboos
zijn. Thea kon het niet zoveel schelen. Alhoewel ze zich wel al begon te
ergeren aan de kleintjes die ten koste van Walter – en Sabine - wel naar voren
geschoven werden vanwege zogenaamde topprestaties. Verworvenheden, die niet zo
heel veel met intelligentie te maken hadden, maar wel aldus gepresenteerd
werden door de betreffende ouders en hun volgelingen. Gesteund door Jade. De
interne coördinatrice. Zo was er een vijfjarig
kind dat op commando uit Harry Potter kon voorlezen. Fantastisch. Maar
dan wel alleen bladzijde 104. Ra, ra. Op dezelfde manier kende Sabine het hele
scenario van de Lollifanten uit het koppie. Ze was amper 4 jaar, maar brabbelde
synchroon met de tekenfilmfiguurtjes mee. Ze had de film dan ook pas 50 keer
gezien. Walter keek zelden mee. Hij toerde meestal in de huiskamer rond in zijn
loopstoeltje. Na een ontdekkingstocht van een minuut of dertig parkeerde Walter
zijn vervoerstuig in een mega kamerplant in de serre en viel in slaap. Zodra
het tijd was voor zijn fruithapje kon Thea hem standaard terugvinden in de
varen. Een kusje op zijn gekrulde kruintje verstoorde zijn dagdromen. Met
geloken ogen opende hij mechanisch zijn volle lippen. Tussen het welige groen
liet hij de fruitmoes van het plastic haplepeltje probleemloos in zijn mondje
glijden. Hij verroerde zich niet uit zijn slaaphouding en bleef gerieflijk
onderuitgezakt in zijn loopstoeltje hangen. Zijn kuiltjes kin rustte op de
borst. Walter was en is een geboren Bourgondiër. Dat wil echter niet zeggen dat
hij niet bereid is om ergens moeite voor te doen. Alleen staat Walter zichzelf
ook vandaag de dag nog weleens in de weg met zijn koppige motivatie die alleen
in werking treedt als uitsluitend hijzelf – en niet iemand anders; ook niet van
horen zeggen - ergens het nut van inziet. Toen het loopstoeltje verboden werd
door de arts van het consultatiebureau ter stimulatie van de motoriek van
Walter, leerde hij dan ook in een dag lopen. Hij moest wel, want zijn
loopstoeltje was hem ontnomen. Maar het praten vlotte niet, wat overigens niet
betekende dat hij niet communiceerde. Kleine Walter was een inventief ventje
dat op heel veel verschillende manieren zijn zinnetje wist door te drijven. Op
de zeldzame momenten dat hij sprak deed hij dat in prachtige volzinnen. Maar hij
articuleerde beroerd en daarom bezocht hij al vanaf zijn derde levensjaar een
logopediste. Juf Elsje was Godzijdank de goede verstaanster die maar een half
woord nodig heeft, maar de onwetende ouders op De Wielewaal verstonden Walter
niet en dachten dat hij wellicht niet helemaal in orde zou zijn. Feitelijk werd
Walter door buitenstaanders nooit begrepen en wel twintig keer op een
kleuterschooldag werd er door grote mensen aan hem gevraagd:
‘Wat zeg je? Praat eens wat duidelijker. Ik
versta je niet?’
Het kind werd er moedeloos van en uit
frustratie begon hij zijn woorden te roepen, hetgeen zijn uitspraak ook niet
verbeterde natuurlijk. Elsje vroeg zelfs een keer aan Thea in het bijzijn van
Walter:
‘Misschien is hij doof?’
Waarop Walter heel duidelijk articuleerde:
‘Ik ben niet doof!’
Elsje kleurde tot in haar nek en sloot Walter
in haar armen:
‘Dat weet ik toch gekke vent; dat was maar een
grapje hoor.’
Dat was juf Elsje ten voeten uit. Ze was
constant in tweestrijd tussen haar oprechte liefde voor de kleuters en haar
sluimerende behoefte om bij de incrowd van De Wielewaal te horen. Want aan de
sfeer tijdens het brengen en halen van Walter voelde Thea dat het wezen van
haar kind over de tongen van de wijkbewoners ging. Dat was koren op de molen
van de interne coördinatrice Jade natuurlijk die nog een rekening met Bart en
Thea te vereffenen had. Omdat Walter erg snel groeide was hij tamelijk groot
voor zijn kleuterleeftijd en motorisch was hij iets minder verfijnd dan de
gemiddelde vier tot zesjarige uit zijn groep. Op deze oneffenheid haakte Jade
de interne coördinatrice van De Wielewaal in door de ontwikkeling van Walter
zogenaamd te wantrouwen, teneinde zich te kunnen wreken op de reputatiemoord
die Bart en Thea op haar positie in de onderwijswereld gepleegd hadden. Zo
misbruikte ze haar functie als interne coördinatrice door kleuterjuf Elsje met
de regelmaat van de klok met anonieme klachten van ouders over Walter te
confronteren. Aan de reacties van juf Elsje kon Thea opmaken dat ze tot
vervelends toe bestookt werd door Jade de interne coördinatrice over Walter. Op
een rustig moment met Jade uit de buurt was juf Elsje namelijk één en al oor
over de vorderingen van Walter en vol lof over zijn gedrag in de groep.
‘Walter is een lief kereltje; echt een fijne
vent met een hart van goud’, beweerde juf Elsje onder vier ogen met Thea zo
stellig dat het wel leek alsof ze een cordon onzichtbare ouders aan het
overtuigen was. Mocht Jade de interne coördinatrice evenwel op ontelbare andere momenten wel
indringend op de achtergrond aanwezig zijn, dan kon juf Elsje nauwelijks een
vriendelijk woord over Walter over haar lippen krijgen.
‘Walter heeft gisteren voor het eerst
gefietst’, riep Thea bijvoorbeeld vol trots over de hoofden van andere ouders
naar Elsje.
‘Dus?’, wist juf Elsje tam onder toezicht van
de incrowd.
‘Da’s heel normaal hoor voor een kleuter van
vijf jaar.’
Door Thea – de bron van alle ellende - publieke belachelijk te maken, probeerde juf
Elsje de ergernis over het gezeur over Walter van zich af te schudden. Het
mannetje zelf trof geen blaam. Daar was Elsje teveel kleuterjuf voor. Maar ze
liet zich wel opstoken door vooraanstaande ouders die met man en macht wilden
voorkomen dat hun kinderen besmet werden met het denkbeeldige Waltervirus.
Helaas voor de criticasters lag Walter gunstig in de groep. Hij had de vriendjes
en vriendinnetjes voor het uitzoeken. En zoals een wijs gezegde al meer dan
eens voorspeld heeft:
‘Kinderen en dronkaards verpersoonlijken de
waarheid.’
Juf Elsje stond officieel in dienst van de
kleuters. Niet van de ouders. Van alle kleuters; dus ook van Walter. Maar nu
Walter kleuter af was in groep 3 had juffrouw Elsje Fiederelsje op De Wielewaal
haar handen kennelijk helemaal van haar voormalige hartendief en diens moeder
afgetrokken. Anders zou ze wel in opstand gekomen zijn tegen de aantijgingen
aan het adres van Walter door zijn invalmeester Gijsbert. Maar ze liet dat
lieve kereltje, die fijne vent uit haar groepen 1 en 2 na 10 weken in groep 3 gewoon afschilderen als een contactgestoorde,
hersenloze agressieveling door een invaller. Juf Elsje wist net zo goed als
Bart en Thea dat Walter geen crimineeltje in de dop was. Ook niet als
zesjarige. Of zoals de directrice Willy zo eufemistisch weergaf:
‘Elsje vindt Walter een speciaal jongetje.’
Hierop verzuchtte Thea:
‘Walter is wel speciaal, maar niet op de manier
waarop jullie bedoelen!’
Directrice Willy schoot in een lachstuip, maar
Jade de interne coördinatrice zei geschrokken:
‘Ik merk wel dat je heel boos bent.’
Willy en Thea keken tegelijkertijd naar haar op
met zo’n blik van:
‘Zou je denken?’
Ineens leek directrice Willy zich te realiseren
dat zij hier de leiding had. Ze trok haar gezicht in plooi en ze zei
plichtsgetrouw:
‘Ik ben vandaag even in groep 3 gaan kijken bij
meester Gijsbert en ik vind dat Walter er erg ongeïnteresseerd bijzit.’
Als Willy nou rectrice van een middelbare
school in plaats van hoofd van De Wielewaal was en ze Thea over haar
dertienjarige puber en niet over haar zesjarige zoontje had aangesproken, dan
zou haar inschatting van een gebrandmerkte leerling misschien overtuigend
geweest zijn. Maar nog steeds niet erg kies. Met het beeld van haar
nieuwsgierige, vrolijke ventje voor ogen liet Thea dan ook gekwetst haar
verontwaardiging de vrije loop:
‘Hij wil net zo graag leren als ieder ander
kind!’
Een spottend glimlachje speelde om de mond van
directrice Willy.
‘Nou ik heb dertig jaar voor de klas gestaan
voordat ik directrice op De Wielewaal werd en wij merken hier niets van die
zogenaamde motivatie van Walter’, verkondigde ze triomfantelijk.
Zelfs Jade de interne coördinatrice schrok van directrice Willy en keek haar
nieuwe baas een paar seconde onderzoekend aan. Zulke dingen zou zelfs Jade de
interne coördinatrice niet openlijk over een kind durven te beweren. Niet op
die botte manier. Thea voelde zich dan ook nog verder in een hoek en dus in de
verdediging gedreven. Ze werd vals.
‘Dan zorg je maar dat Walter het leuk gaat
vinden om te leren. Daar zijn jullie tenslotte voor.’
‘Niet per sé’, vond directrice Willy
onvermurwbaar.
‘O nee, misschien moeten we dan eens kijken of
de onderwijsinspectie dat ook niet vindt.’
Aan de reactie van directrice Willy viel niet
meteen op te maken wat de impact van het dreigement van Thea op haar was, want
ze opperde in eerste instantie kalmpjes:
‘We kunnen kijken of Wilma nog een plekje vrij
heeft. Wilma is de remedial teacher. Wij hebben namelijk een remedial teacher.
Zelfs op De Wielewaal.’
Thea boog zich over de tafel naar de directrice
toe. Haar vuurspuwende ogen op een te verwaarlozen afstand van de beduusde
gezichtsuitdrukking van Willy troffen doel. Met haar rechterwijsvinger
klopboorde Thea in op het tafelblad om haar woorden kracht bij te zetten. Ze
leraarde luid en duidelijk:
‘Ik weet wel zeker dat Wilma van De Wielewaal
een plekje vrij heeft. Jullie hebben mijn zoon voor de leeuwen gegooid en nou
zorgen jullie er ook maar voor dat Walter voor de arena uitgerust wordt.’
Het overmatige knipperen met haar oogleden bij
wijze van reactie zou in de loop van de komende jaren een typisch zenuwtrekje
van de directrice blijken te zijn. Maar op dat eerste kennismakingsmoment vroeg
Thea zich een seconde af of directrice Willy misschien plotseling last van
eventuele contactlenzen gekregen had!? Het angstige gepiep dat voor een
antwoord door moest gaan gaf Thea op dat moment wel enige genoegdoening. Haar
assertieve opstelling liet directrice Willy bij nader inzien dus toch niet
onberoerd:
‘De meeste ouders willen liever niet dat hun
kind remedial teaching krijgt’, lispelde ze.
‘Ik ben niet iedere ouder’, benadrukte Thea alert, terwijl ze weer normaal ging
zitten.
‘Trouwens, Walter heeft ook logopedie gehad.
Da’s ook een soort van remedial teaching toch?’
‘Ja, dat las ik in zijn gegevens’, zei Jade de
interne coördinatrice blij dat het gesprekje eindelijk in haar comfortzone
terecht was gekomen.
‘De naam van zijn behandelende logopediste kwam me bekend voor. Zij is toch
een moeder van een kind van De Wielewaal?’
Jade glunderde.
‘Ja, had ik dat maar eerder geweten’,
meesmuilde Thea.
Toen Walter drie jaar was had Thea haar peuter
aangemeld voor logopedie. Onder het motto ‘baat het niet dan schaadt het niet’
en in de ijdele hoop om de constante druk van Merel het peuterhoofd (van De
Kleine Beer) en de hulpverlening van het consultatiebureau van de ketel te
halen. Met Bart had ze afgesproken dat de sessies direct door haar afgeblazen
zouden worden als Walter hinder van de extra aandacht mocht ondervinden. Eerst
maar eens een logopedist(e) voor Walter zien te regelen. Bij de gerenommeerde logopedistenpost
die Thea op aanraden van Merel het peuterhoofd had gebeld bleek uit het niets
een wachtlijst op te duiken nadat bekend werd dat Walter naar De Kleine Beer in
een achterstandswijk ging. Desondanks was Thea niet van plan om braaf af te wachten
en daarmee de hulp aan haar zoontje op de lange baan te schuiven. Als de
taalontwikkeling van Walter werkelijk op staande voet verbetering nodig had;
waarop Merel het peuterhoofd tot gekwordens toe bleef hameren, dan was enige
‘urgentie’ van de hulpverleningsinstanties geen overbodige luxe. Met een
engelengeduld belde Thea de ene na de andere logopedist(e) van de lijst van het
consultatiebureau op. Bij iedere hernieuwde poging gold uit voorzienigheid haar
eerste vraag het bestaan van een eventuele wachtlijst. Kon daar tenminste niet
meer op teruggekomen worden, want geen enkele logopedistenpost had op voorhand
een wachtlijst. Pas als uiteindelijk onherroepelijk het adres van Walter of De
Kleine Beer ter sprake kwam, dan kon het al gauw drie tot vier maanden duren
voordat er een agendagaatje geprikt was voor een intakegesprek. Nummertje tien
was de enige van de lijst die zonder aarzeling toehapte. Ene Marloes. Ze was
een freelance logopediste die ad hoc op verschillende basisscholen actief was
en die Walter zonder meer in haar patiëntenbestand wilde opnemen. Al was het
alleen maar uit chronisch gebrek aan
basisinkomsten en beter. Bofte Marloes even toen bleek dat Walter top
fit verzekerd was; hetgeen garant stond voor vergoeding van een eindeloze reeks
logopedistensessies in plaats van het vaste bedrag voor 13 consulten uit het
basispakket.
In het eerste jaar huisde Marloes in een
activiteitencentrum aan de andere kant van de stad aan een drukke straat. Elke
donderdag van het derde levensjaar van Walter vocht Thea voor een parkeerplaats
in de buurt van de logopedistenpraktijk. Daarna de tocht naar de taaljuf met
het kleine knuistje onrustig in haar hand.
‘Ik kan heus wel praten mama.’
‘Alsof ik dat niet weet, kleine man! Laat het
ook maar horen aan Marloes. Het geeft niet, of wel?’
‘Mij kan het niet schelen’, pochte Walter
jongensachtig.
En Walter deed zijn best om zijn uitspraak te
verbeteren met begeleiding van de taaljuf en in het bijzijn van zijn moeder.
Marloes was een leuke logopediste. Ze verzon toegepaste spelletjes en testjes
om Walter te stimuleren beter te articuleren. Hij moest bijvoorbeeld voor een
spiegel proberen om – met de handen op de rug - een nep snor met zijn bovenlip
onder de neus te houden, terwijl hij klinkers produceerde. Dit ter beheersing
van zijn fijne motoriek en daarmee van de plooibaarheid van zijn lippen en de
lenigheid van zijn tong. Tijdens zijn hilarische pogingen gierde Walter van de
pret over zijn spiegelbeeld en trok Marloes, Thea en de nep snor mee de afgrond
van de slappe lach in. Thea herkende veel van haar persoonlijke aanpak in de
werkwijze van Marloes. Met dit verschil dat de pubers van Thea’s Huiswerksterk
allang geen peuters of basisschoolkinderen meer zijn natuurlijk. De uitspraak
van Walter verbeterde dan ook wel enigszins door de logopedie, hoewel zijn
woorden erg nasaal bleven klinken. Alsof hij constant neusverkouden was. Toch
wist Walter Marloes keer op keer te verbazen.
‘Hij begrijpt alles’, riep Marloes meermaals
spontaan uit op een toon alsof ze iets nieuws vertelde.
Na iedere herconstatering hield Thea wijselijk
haar mond, want Marloes had een zoontje dat maar één jaar ouder was dan Walter
en misschien maar half zo slim. Als het tenminste op meten en weten aankwam. Ze
herinnerde zich nog de gevoeligheid van ouders over de mentale kwaliteiten van
hun kroost uit de kinderjaren van Melvin en Jasmijn. Gelukkig neemt die
sensitiviteit vanzelf af als op de middelbare school de jongens en meisjes aan
zichzelf en het reële verstand worden overgelaten, maar tot die tijd blijft het
toch pappen en nathouden. Voorlopig zag taaljuf Marloes in Walter echter geen
bedreiging voor haar zoontje Lennart. Want Walter mocht dan misschien wel
pienter zijn, maar die slimheid stelde niks voor in het licht van de beroerde
reputatie van de peuterspeelzaal die hij bezocht. De Kleine Beer was immers
onlosmakelijk verbonden met Het Kleurenpalet. Een zwarte, kansloze basisschool.
Walter zou uitgroeien tot het product van de achterstandswijk waar hij
opgroeide. Lennart, de 6 jarige zoon van taaljuf Marloes daarentegen, ging naar
groep 1 van de veelbelovende basisschool De Wielewaal in de bijbehorende,
voortvarende, witte wijk.
Het IQ van Walter begon voor taaljuf Marloes
pas een bedreiging te worden toen Thea en Bart met hun kinderen onverwacht van
Het Kleurenpalet naar De Wielewaal overliepen. Walter dook ineens in de eerste
van de combinatiegroep 1 en 2 bij juffrouw Elsje op. Op dat moment was Lennart,
het zoontje van taaljuf Marloes, net overgegaan naar het tweede jaar in
hetzelfde lokaal van juf Elsje.
‘De wereld hangt van toevalligheden aan
elkaar’, was alles wat taaljuf Marloes
onaangenaam verrast kon uitbrengen bij haar onverwachte confrontatie met de
moeder van haar patiëntje in het kleuterlokaal van juffrouw Elsje.
Thea was net zo verbaasd geweest:
‘Jij hier?’
Marloes de taaljuf reageerde woordeloos met
zo’n blik van:
‘Jij wist allang dat mijn zoon op De Wielewaal
zat!’
Alsof Thea bewust met Walter in de voetsporen
van Marloes de taaljuf en haar zoon Lennart was getreden. Hoe boeiend denk je
dat je bent?!
Trouwens, Lennart was een sportieveling. Een
ander type kind dan Walter en de twee jongens lagen elkaar niet. Walter sloot
een onstuimige vriendschap met Tim die tot op de dag van vandaag voortduurt.
Ondanks de weerstand van de alleenstaande moeder van Tim die zijn
vanzelfsprekende vriendschap met Walter vanaf het prille begin in groep 1 heeft
proberen te saboteren. Timmetje moest met de kinderen van de zogeheten jetset
optrekken. Een ontgoocheld groepje kinderen dat eigenlijk niets liever deed dan
de opgekropte woede over hun bedilzieke ouders afreageren door te vechten,
oproer te kraaien en relletjes te
schoppen. Op het verjaardagsfeestje van Tim raakte Walter onbedoeld voor het
eerst bij zo’n kindergevecht betrokken. Walter was niet lenig of vlug, maar hij
was groot, sterk en niet bang. Na die eerste keer werd Walter nooit meer op de
verjaardagsfeestjes van zijn maatje Tim gevraagd. Tim ontkwam eenvoudigweg niet
aan de eisen van zijn moeder en als dat keurslijf begon te knellen dan moest
Walter het ontgelden. Tim schopte, stompte en liet zijn beste vriend struikelen
uit pure frustratie, omdat hij van zijn moeder niet mocht zijn wie hij was en
zelf zijn vriendjes niet kon kiezen. Tot grote teleurstelling van Tim gooide
Walter al na de eerste vergeldingsklappen de handdoek in de ring en vond naast
zijn vriend de vechtersbaas andere, meer vredelievende, kameraadjes.
Walter sloeg nooit uit zichzelf, maar hij mepte
wel altijd terug. Hij deelde in de loop van 8 basisschooljaren heel wat rake
klappen uit. In het bijzonder aan vier, kleine, boze excuus Marokkaantjes en
twee meeloop klasgenootjes van Turkse afkomst. Want omdat de wijk ook sociale
huurwoningen telde, ontkwam zelfs De witte Wielewaal niet aan niet-Nederlandse
invloeden. Voor 20 procent. De landelijke limiet. Niet voor 99,9 procent zoals
op de zwarte basisschool Het Kleurenpalet. Op De Wielewaal zouden de kinderen
met een niet Nederlandse achtergrond 8
basisschooljaren lang onbeperkt en publiekelijk in het wilde weg schelden,
tieren en vechten. Recht tegen de politiek correcte wind die door het gebouw
woei in. Met dat ettergedrag waren ze op Het Kleurenpalet niet ongestraft
weggekomen. Op De Wielewaal kneep men echter een oogje toe. De allochtone
agressie werd gedoogd als een rechtvaardiging voor de vele gevechten op het
schoolplein, waarvan de oorzaak natuurlijk nooit bij de eigen witte kroost lag.
Alleen Walter deed niet onder voor de underdog op De Wielewaal. Net zo
makkelijk als de agressievelingen met een niet Nederlandse achtergrond, beukte
hij er openlijk op los, zonder aanzien des persoons, hetgeen hem bij de jongens
uit zijn klas in aanzien deed stijgen. Zonder uitzonderingen. Dus ook bij zijn
klasgenootjes met een niet-Nederlandse achtergrond met wie hij even goed de
grootste lol trapte, nadat ze elkaar alle hoeken van het schoolplein hadden
laten zien.
Ondertussen was Lennart, de zoon van de
taaljuf, aan het voetballen. Lennart was het visitekaartje van zijn moeder. Hij
sprak feilloos en vloeiend algemeen beschaafd Nederlands. Hij vocht niet en
schold niet. Althans niet voor het oog en oor van zijn moeder Marloes de
taaljuf. Soms liet Lennart tijdens het speelkwartiertje het voetbalspel een
momentje voor wat het was om Walter of één van zijn vriendjes op te stoken:
‘Jij durft geen kankerhoer naar de juf te
roepen.’
‘Dat durven wij wel!’, riepen de ezelachtigen.
Hoofdschuddend nam Walter afstand, terwijl zijn
klasgenootjes zich lieten ophitsen door inheems schorriemorrie met een dun
laagje klatergoudvernis dat op De Wielewaal welig tierde en dat in dit geval
Lennart heette. Walter verried de intrigant vlak voor het slapen gaan aan Thea.
Ze streek door zijn krullen en drukte hem op het hart:
‘Schud het van je af Walter, altijd van je af.’
Kleuterjuf Elsje drukte de handpalmen tegen de
oren. Horen, zien, zwijgen en dat straalde ze stilletjes, maar op haar hoede
uit op moeder Marloes de logopediste.
Teneinde haar zoon tegen het derde oog van zijn
kleuterjuf en zichzelf te beschermen begon Marloes andere kinderen in het
bijzijn van juf Elsje te bekritiseren. Met name Walter was in haar ogen een
veilig doelwit. Zijn moeder was sowieso een buitenstaanster en het was niet
alsof de logopedistes voor Walter in de rij hadden gestaan. Om de aandacht nog
meer van het asociale gedrag van haar zoon Lennart af te leiden, klaagde moeder
Marloes de logopediste bij Jade de interne coördinatrice over de gevechten op de
speelplaats waarvan Walter de aanvoerder zou zijn. Jade had wel oren naar de
aard van deze beschuldigingen uiteraard. Van de ene op de andere dag begon
Marloes ook de taalontwikkeling van Walter met juf Elsje te bespreken. Thea was
woedend:
‘Ik bespreek de leerprestaties van Lennart toch
ook niet met Elsje.’
‘Oh, dat mag best hoor, maar ik ben de
logopediste van Walter en jij bent niks van mijn Lennart’, wist Marloes
zelfingenomen.
‘Luister eens Marloes ik ben de moeder van
Walter. Hij heeft ook nog een vader en Bart en ik willen dat je stopt met over
onze zoon beslissen.’
‘Nou ja zeg! Elsje en ik hebben alleen maar
opbouwende kritiek op jouw zoon’, smaalde Marloes.
Ontdaan vocht Thea terug:
‘Ik wil het gewoon niet hebben Marloes; voed
jij eerst je eigen kleuter maar eens op. Volgens mij kan Lennart die hoge dosis
opbouwende kritiek van jou op Walter heel goed zelf gebruiken.’
Hierop hield moeder Marloes de logopediste
wijselijk haar mond en beëindigde de confrontatie met Thea op het speelplein
abrupt door vinnig haar kin in de lucht te steken en weg te lopen. Ook juf
Elsje werd door Thea over de kwestie aangesproken:
‘Marloes is inwisselbaar. Ik heb thuis een
lijst met wel twintig logopedisten, dus als er problemen zijn dan hoor ik het
graag. De gang naar een ander is zo
gemaakt. Wel met opgave van reden van de overstap uiteraard.’
Juf Elsje trok een quasi geschrokken gezicht om
aan te geven dat ze niet onder de indruk was van de hoogdravendheid van Thea.
Thea gaf echter geen krimp, waarop juf Elsje zich gewonnen gaf door in de
poppenhoek onder te duiken, terwijl ze schertsend:
‘No problemos’, riep.
De dag na de interventie van Thea kwam moeder
Marloes de logopediste met het voorstel om tijdelijk te stoppen met logopedie.
Zij en juf Elsje hadden besloten dat het in het geval van Walter beter was om
voor een time-out over te gaan op wekelijkse fysiotherapie voor kinderen. Door
stimulatie van de fijne motoriek van Walter zou zijn oog-mond coördinatie als
vanzelf ook verbeteren.
‘Sinds wanneer?’
Heimelijk vroeg Thea zich af:
‘En waarom zijn we dan niet meteen met
fysiotherapie begonnen?’
Maar haar mening hield ze voor zich. Of ze nou
wekelijks een kleine vijftig minuten met haar zoon in de praktijk van een
logopediste of bij een fysiotherapeute moest doorbrengen; de ziekenkostenpremie
moest toch iedere maand betaald worden. Sterker nog; door marginale toetreding
in de zorgsector werd Walter een hoop gesoebat met extra aandacht, waarvoor
geen tijd en geld was, op basisschool De Wielewaal bespaard. Maar Pleuni, de
fysiotherapeute, zag al na vier consulten geen heil meer in fysiotherapie voor Walter.
‘Hij kan gewoon alles. Hij zal nooit een
topsporter worden; maar wat dat betreft is hij één van de velen.’
Thea geloofde Pleuni direct. Ze
verontschuldigde zich zelfs voor de verspilde energie. Tijdens de fysiotherapie
met Walter – waarbij blokkentorens
gebouwd, bootjes gevouwen en kleurplaten binnen de lijntjes verfraaid moesten
worden – was het niet ongewoon dat Pleuni naar haar mobiel greep en zich in een
zijkamertje terugtrok om luidkeels andere patiënten te woord te staan. Dat deze
patiënten er heel wat erger aan toe waren dan Walter viel uit de context op de
maken. Hulphonden, rolstoelen, nekbanden, protheses en andere termen uit de
gehandicaptenzorg passeerden de revue. Als fysiotherapeute Pleuni dan weer aan
de werktafel met Walter en een schuldbewuste Thea verscheen dan was ze afwezig
en bezig met echte problemen. Dat snapte zelfs de vijfjarige Walter die sowieso
een pesthekel aan bouwen, vouwen en kleuren had.
Fysiotherapeute Pleuni drukte Thea op het hart
dat Walter toch het beste gebaat was bij gerichte therapie. Bij logopedie om
precies te zijn.
‘Ik zit hier op advies van zijn logopediste’,
protesteerde Thea nog verontwaardigd, omdat ze vond dat haar zoon en zij van
het kastje naar de muur gestuurd werden.
‘Ga jij nou mijn expertise in twijfel
trekken?’, stelde fysiotherapeute Pleuni getriggerd.
Thea nam niet eens de moeite om fysiotherapeute
Pleuni tegen te spreken. Stiekem zat ze er hard aan te denken om helemaal van
alle therapieën voor Walter af te zien, maar Marloes de logopediste nam al snel
na de laatste keer fysiotherapie telefonisch contact met Thea op om een datum
te prikken. Moeder Marloes de logopediste had het besluit om te stoppen met
Walter van fysiotherapeute Pleuni doorgekregen, maar geen paniek, want
inmiddels was zij weer helemaal klaar om met Walter aan de slag te gaan. Het was
voor Thea en Walter zoveel makkelijker om met de stroom mee te drijven, dan te rebelleren.
Marloes resideerde niet meer in het
activiteitencentrum aan de drukke weg. Haar tijdelijke huurcontract was om
onduidelijke redenen niet verlengd. Walter zou voortaan taalles in het
appartement van Marloes in de wijk van De Wielewaal krijgen. Net als bij het
rigoureuze beluit van fysiotherapeute Pleuni om te stoppen met hulp aan Walter
had Thea wederom geen commentaar. Zij gaf net zo goed huiswerkbegeleiding bij
haar thuis. Ter kostenbesparing. Geen reis- en extra stookkosten en geen huur
voor een speciaal bedrijfspand. Tel uit je winst! Marloes zou wel dezelfde beweegredenen gehad
hebben. Zelfs toen Marloes meldde dat ze voortaan liever met Walter alleen
werkte, dus niet langer meer in het bijzijn van zijn moeder, ging Thea ten
langen leste akkoord.
‘Want misschien beïnvloed je hem wel op een
verkeerde manier’, verklaarde Marloes de logopediste zich fijntjes nader.
‘Maar ik blijf wel in de buurt’, waarschuwde
Thea.
‘Tuurlijk, je kunt wachten in de bijkeuken. Ik
zet wel thee voor je klaar’, zuchtte Marloes de logopediste weinig uitnodigend.
Als een mak lammetje nam Thea enkele weken
plaats in de mini bijkeuken van Marloes de logopediste op een campingstoel
naast een pompende, loeiende en boerende wasmachine die soms – mocht Marloes de
thee tenminste niet vergeten zijn - diende als een onstabiele tafel voor een
dansende beker gevuld met heet water waarin een zompig zakje dreef. Thea dronk
nooit, maar goot het modderkleurige vocht altijd in een bed met onkruid dat
grensde aan de bijkeukendeur naar een mini stadstuintje. Daarna drapeerde ze het
touwtje van het theezakje over de rand van de lege mok die alweer op het deksel
van de wasmachine wipte. Bij gelegenheid hield ze best van groene thee maar
stirred. Not shaken. Ze herkende geen namen op de verjaardagskalender boven een
plank met wasmiddelen; viste de ereader uit haar schoudertas; en dook telkens
zo’n vijfenveertig minuten lang al lezend en rillend – vanwege de vochtige
lucht - in haar overjas, terwijl Walter met de taaljuf in de huiskamer aan
logopedie deed.
‘Kun je geen vaste stek krijgen in De
Wielewaal?’, vroeg Thea eens na weer zo’n sessie in de bijkeuken van Marloes de
logopediste te hebben uitgezeten.
De ogen van de taaljuf verrieden dat ze niets
liever zou wensen, maar ze beweerde:
‘Zo’n directe confrontatie ligt gevoelig. De
meeste ouders van de Wielewaal hebben toch al moeite om de stap naar logopedie
te wagen. Ze mogen zich op geen enkele wijze in een bepaalde richting geduwd
voelen.’
‘Je bedoelt dat ze je niet als vaste
logopediste willen hebben op De Wielewaal?’, vertaalde Thea in de war.
Bijna direct had de taaljuf haar weerwoord
klaar:
‘Dat is geen kwestie van willen. Ze mogen zich
op De Wielewaal niet vastpinnen op maar één logopediste. De keuzevrijheid van
de patiënten is een groot goed’.
‘Zo kun je het ook formuleren’, smaalde Thea
bij wie het kwartje was gevallen.
Marloes de logopediste was natuurlijk
teruggefloten door haar werkgever – in haar geval de ziekenkostenverzekeraar -
in haar ambities om huislogopediste van De Wielewaal te worden. Een goudmijntje
dat elke vakidioot wel zou willen plunderen. Wie dacht Marloes de logopediste
wel niet dat ze was?
Toch waren er wel één of twee meer ouderparen
van De Wielewaal bereid om de hulp van Marloes de logopediste in te roepen voor
hun kind. Zo werd Gerben een nieuw patiëntje van Marloes. Gerben was een
klasgenootje van Lennart en Walter. Er was niets mis met hem, maar wel met zijn
moeder. Ze was zo’n Wielewaalmama met veel te veel noten op haar zang. De
tegenpool van Thea als het ware en Marloes de logopediste danste naar de pijpen
van de Wielewaalmama als een aapje voor de orgelman. In het stadspark op weg naar
een zoveelste sessie logopedie met Walter zag Thea ze samen vooruit lopen. De
taaljuf keek gestadig naar opzij in betovering op naar de moeder van Gerben.
Thea meende zich later zelfs te herinneren dat er kwijl uit haar mondhoek
droop.
‘Hoi Marloes!’, riep Walter spontaan op zijn
beruchte, Wielewaalonwaardige wijze.
Ontsteld keek de taaljuf achterom. Ze zag
Walter, maar ze groette niet terug. De moeder van Gerben versnelde haar pas en
trok Marloes de logopediste aan de arm mee.
Meteen bij aanvang van wat zijn eerstvolgende
taalles had moeten zijn, haalde Walter de ongemakkelijke ontmoeting met zijn
taaljuf aan:
‘Ik zag je net in het park. Ik riep je en toen
liep je weg. Je was met de mama van Gerben.’
‘O ja, dan heb ik je niet gezien’, loog Marloes
koeltjes en tegen Thea zei ze betrapt:
‘Kom je even mee de huiskamer in. Ik wil je
even spreken.’
‘Commandeer de hond en blaf zelf’, dacht Thea,
terwijl ze zich schrap zette.
Met een verbolgen blik, kruiste Thea haar
onderarmen voor haar borst. Ze voelde de boosheid ongecontroleerd door haar
lijf gieren. Ze hoefde zich niet als oud vuil te laten behandelen. Ze moest
zich verweren. Al was het maar om een voorbeeld voor Walter te stellen:
‘Je kunt hier in de hal met me praten. Daarna
kun je fatsoenlijk afscheid nemen van mijn zoon. Walter zal hier niet meer
komen.’
Thea schrok van zichzelf; maar de assertiviteit
voelde goed. Walter glipte langs haar af vanuit de hal via de gang de huiskamer
in.
‘Hee, kom jij eens terug meneertje’, sommeerde
Marloes de logopediste tot op het bot geërgerd, terwijl ze Walter op de voet
volgde en hem aan zijn bovenarm terug naar zijn moeder dreef.
Tot onredelijke woede van taaljuf Marloes was
Walter alvast op een stoel aan de eiken eettafel in de juiste oefenhouding gaan
zitten.
‘Hoe durft hij’, spotte Thea.
Ze kon wel janken. Toch bleef ze koppig en
wijdbeens in het halletje staan afwachten. Onaangedaan trok Walter zijn jas van
de kapstok weer aan. Alsof hij wilde zeggen:
‘Nou, dan volg ik vandaag toch geen taalles.
Ook goed!’
Marloes was nu aan zet:
‘Ja, ik vind ook dat we beter kunnen stoppen
met logopedie. Ik ben eigenlijk wel uitbehandeld.’
‘Hoezo uitbehandeld? Zomaar ineens? Of moet
Walter plaats maken voor Gerben? Dat zal je nog duur komen te staan Marloes,
want ik durf te wedden dat de ouders van Gerben niet bereid zijn om 3 jaar lang
met jou in zee te gaan. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn.’
Thea stond in gevecht met zichzelf. Een mooie
gelegenheid voor Marloes de logopediste om de aandacht van haar vreemde
paktijken af te leiden:
‘Misschien moet je eens met Walter naar een
keel, neus en oorarts gaan. Ik kan wel een afspraak voor je regelen?!’
Het pedante toontje dreef Thea bijna tot
lichamelijk geweld. In gedachten telde ze tot tien voordat ze alsnog tegen
Marloes uitvoer:
‘Jij regelt helemaal niks meer voor mij mevrouw
de logopediste. Ik ga zelf wel naar de huisarts. Ik beloof je dat je vanaf
vandaag de titel ‘huislogopediste van De Wielewaal’ in ieder geval op je buik
kunt schrijven. Dat is geen dreigement maar een belofte waar ik persoonlijk
voor in sta. Kom je Walter?’
De adrenaline pompte door haar lichaam. In een
waas van fustratietranen probeerde ze de rits van de jas van Walter te sluiten.
Ondertussen overviel Marloes haar met een pijnlijke tegenaanval:
‘Pfff, hoe wil jij voorkomen dat ik
huislogopediste van De Wielewaal word? Alleen maar omdat ik adviseer om met
Walter naar een KNO arts te gaan? Je hoort toch zelf dat hij een spraakgebrek
heeft!’
‘Hij heeft geen spraakgebrek. Hij praat nasaal.
Dat is geen spraakgebrek’, praatte Thea op zichzelf in.
Alsof niet iedere gek z’n gebrek heeft. In zijn
drafje naar buiten struikelde Walter over de voordeurdrempel. Hij lag languit
op zijn buik tussen de herfstbladeren op de trottoirtegels voor de voordeur.
Marloes de logopediste keek toe in het halletje en produceerde een sarcastisch
hikgeluid, terwijl ze in het zicht van Thea veelbetekenend naar Walter knikte
die alweer overeind krabbelde en haar voormalige patiëntje een flinke trap
nagaf door een rotopmerking te plaatsen:
‘Noem het dan geen spraakgebrek, maar een
afwijking!’
Thea schoot Walter te hulp en veegde straatvuil
van zijn ongedeerde lijfje. Zijn typisch kleuterachtige, warme, zoetzilte,
aardse nabijheid bood EHBO troost. Walter klemde zijn stevige armpjes om haar
nek en verkondigde goed verstaanbaar en onomwonden:
‘Geef niks hoor mama; komp vanzelf wel goed met
mij. Daar hebben we de taaljuf niet voor nodig zegt papa’.
HOOFDSTUK 9
‘Kijk even mee’, gebiedt Thea.
Ze scrolt met haar roze muis door de online
huiswerkhulpagenda op de pc in de huiskamer.
‘Nou, even dan’, belooft Melvin.
Twee seconde blijft hij achter haar staan. Dan
raakt hij afgeleid door de modeaccessoires die Thea op de salontafel heeft
uitgestald met de bedoeling om ze te fotograferen voor de verkoop op haar
webshop in retrospullen. Melvin plaatst een fluwelen sieradendoosje op de palm
van zijn hand. Omzichtig opent hij het kleinood.
‘Wauw vette klokjes!’
Zijn ogen rollen bijna uit de kassen.
‘Dan zijn manchetknopen’, legt Thea afgeleid uit.
‘Wat zijn dat dan manchetknopen?’
‘Manchetknopen draag je door de gaten in
polsboorden van een herenblouse.’
Nu focust Thea zich helemaal op Melvin door met
de zitting van haar bureaustoel in zijn richting te draaien. Eigenlijk heeft ze
net zo min als Melvin zin om zich met Huiswerksterk bezig te houden. Ze had
zich net zo verheugd op het verkoop klaar maken van haar nieuwe koopwaar.
‘Dat heb ik weleens gezien bij een tuxedo’,
roept Melvin blij als een kind op het feest van herkenning.
‘Een kostuum bedoel je’, verbetert de schooljuf
in Thea.
‘Als eyecatchers dan, maar nooit als kleine
horloges. Werken die ieniemienie klokjes?’
‘Dat denk ik wel; er moeten van die minuscule
batterijtjes in.’
‘Hoe kom je eraan’, vraagt Melvin op een
samenzweerdige toon.
‘Hoe bedoel je; hoe kom ik eraan?’
‘Het inkoopadres?’
‘Ik heb contacten, maar niet in het criminele
milieu; eerder met de milieustraat.’
‘Good for you.’
Melvin meent wat hij zegt. Zijn ogen strelen de
manchetknopen in het geopende sieradendoosje op zijn opgehouden handpalm. Thea
veinst dat ze zich niet ongemakkelijk voelt
met de vreemde opstelling van haar voormalige oppaskind. Ze kan een niet
gerelateerde tiener van bijna achttien moeilijk op zijn gedrag aanspreken. Wel
normaliseert ze haar spreektoon en verklaart zich nader:
‘Ik word gebeld als er nieuwe
tweedehandsspullen binnengekomen zijn. Of soms wordt er gratis een complete
inboedel achtergelaten. Mensen gaan naar een bejaardentehuis of komen te
overlijden. Die manchetknopen zullen wel van een bejaarde man afkomen.’
‘Nee, dan is het goed. Niet dat ik die dingen
straks voor vijf euro ook bij de Action kan kopen.’
‘Ja, dat is het risico van het vak. Al zie ik
dat met deze arbeidsintensieve luxe knopen niet zo snel gebeuren. Wat moet een
jonge gast als jij überhaupt met manchetknopen?
Melvin negeert de bemoeizucht van Thea:
‘Is het goud denk je?’
‘Verguld.’
‘Mooi met dat blauw en dat analoge uurwerk’.
‘En dan die Romeinse tijdsaanduiding’, dikt
Thea de admiratie van Melvin plagerig aan.
‘Wat moet je ervoor hebben?’
‘Ja, wel meer dan jij kunt betalen.’
Melvin trekt zijn wenkbrauwen nadrukkelijk
omhoog en vraagt:
‘Kun jij soms in m’n poeplap kijken?’
‘Liever niet’.
Thea trekt een vies gezicht.
‘Luister Melvin ik zal eerlijk tegen je zijn;
de inkoopprijs was al dertig euro.’
Het sieradendoosje wordt met een klik
dichtgeklapt en verdwijnt in de jaszak van Melvin. Aansluitend peutert Melvin
moeizaam een bankbiljet uit een opeengeperst pakketje van wel tien
gelijksoortige briefjes in een platvink uit de achterzak van altijd weer
dezelfde designersjeans waarin Thea hem
inmiddels kan uittekenen.
‘Is vijftig euro genoeg? Da’s veertig procent
winst en geen overheadskosten!’
‘Zo zakenheertje’, smaalt Thea, terwijl ze het
geld aarzelend in ontvangst neemt.
‘Krantenwijkje?’
‘Doe normaal Thea’, grauwt Melvin heetgebakerd.
Voor Thea reden genoeg om pregnant met het
briefje van vijftig te wapperen:
‘Hoe kom je aan al die flappen in je poeplap
Melvin?’, sart Thea met de nadruk op ‘poeplap’.
‘Zakgeld’, antwoordt Melvin gekalmeerd.
‘Van Pim en Femke?’, hoont Thea?
‘Kan toch’, schokschoudert Melvin.
‘Nee, dat kan niet’, weet Thea stellig.
‘Waarom niet?’, vraagt Melvin op een dermate
onnozele toon dat het wel lijkt alsof hij wil weten waarom zijn leugen niet
voor de waarheid kan doorgaan.
‘Je mag van Femke niet eens elke dag douchen,
omdat ze de maandelijkse lasten van gas, water en elektriciteit probeert te
minimaliseren.’
Melvin meesmuilt instemmend:
‘Dan heb ik het van Beau’, liegt hij.
‘Van Beau? Van je moeder? Dus jouw moeder
stuurt een pakketje van zo’n tien briefjes van 50 euro vanuit Engeland? Nog
geen vijf minuten geleden zit je aan de keukentafel te verkondigen dat je niets
met je moeder te maken wil hebben, omdat ze samenwoont met iemand die dertig
jaar jonger is dan zij.’
‘Minstens’, knarsetandt Melvin.
‘Ik wist niet dat een bed en breakfast zo
lucratief was tegenwoordig.’
Thea is duidelijk niet van plan op te geven,
maar Melvin is minder standvastig. Hij slaakt een diepe zucht, begraaft
onrustige handen in de steekzakken van zijn jack en bekent gelaten:
‘Ik doe weleens wat voor iemand en die persoon
die betaalt goed.’
‘De overbuurman?’
‘Je zit op het randje Thea.’
‘Dus je geeft het toe?’
‘Alleen als ik zijn laptop zolang hier mag
laten.’
‘Vanwege de politie?’
‘Mag het?’
‘Waar is die laptop nu?’
‘In de pukkel op de keukentafel.’
De politiewagen is weg. Het huis van de
overbuurman ziet er verlaten uit. Waar haalt die man de financiën vandaan om
een jongen van zeventien dusdanig met contanten te overladen dat het ventje van
pure overdaad met geld gaat lopen strooien? Thea heeft haar valsgeldpen al op
het bankbiljet losgelaten. Melvin heeft betaald met een briefje van vijftig
echte euro’s. Misschien is het niet eens zijn eigen geld en heeft de
overbuurman de bankbiljetten gewoon aan Melvin in bewaring gegeven. Om de
politie voor te zijn. Net als de zilverkleurige laptop die nu gesloten op de
salontafel ligt te schitteren in de verblindende, penetrante herfstzon door het
huiskamerraam.
‘Zo, nieuwe laptop’, merkt Walter meteen bij
binnenkomst op.
Sabine kijkt over zijn schouder mee. Thea werkt
nog steeds aan de promotie van de artikelen uit haar webshop op de pc. Ze wacht
even met antwoorden totdat Sabine haar oortjes losgepeuterd heeft en net zo
makkelijk haar broertje napraat zonder het zelf in de gaten te hebben:
‘Zo, nieuwe laptop?’
‘Dat is een laptop van de overbuurman.’
‘Issie kapot?’, vraagt Walter in de
veronderstelling dat zijn vader of hij dan wel weer geacht wordt om tegen een
kleine vergoeding in actie te komen.
Sabine ploft op de bank en richt zich op haar
mobiel:
‘Ik heb honger’, deelt ze mee.
‘Melvin vroeg of we de laptop zolang voor de
overbuurman wilden bewaken’, legt Thea uit.
‘En dat willen wij omdat?’, vraagt Walter
bijdehand.
Hij loopt naar de salontafel, gaat door de
knieën, licht de laptop op en
inspecteert de buitenkant van onder tot boven en weer terug.
‘De politie was aan de overkant.’
‘Nice’, becommentarieert Sabine.
Ze kijkt even op van haar mobiel. Haar
rechterduim appt onafgebroken verder. In een duizelingwekkend tempo.
‘Sinds wanneer heulen wij met de vijand?’,
lacht Walter schalks.
Voorzichtig legt hij de laptop terug te rusten
op de salontafel.
‘Dat is een Sony. Een duur ding. Een VAIO.’
‘Zou de overbuurman geld hebben?’, peinst Thea.
‘Met een BMW voor de deur? Neuh, echt wel’,
schampert Sabine al append.
‘Heeft hij een BMW dan? Wat zou de politie
eigenlijk bij hem gezocht hebben?’
‘Ik denk een laptop’, merkt Walter droog op.
Thea laat haar fantasie de vrije loop en draaft
meteen door:
‘Ik hoop niets met kinderporno, want daaraan
wil ik nooit van m’n leven medeplichtig zijn.’
‘Te laat; je hebt al bewijsmateriaal
verdonkeremaand’, overdrijft Sabine en ze herhaalt:
‘Mam, ik heb honger.’
‘Je bent toch hopelijk nog steeds wel in staat
om een boterham voor jezelf smeren!’
Thea vraagt naar de bekende weg.
‘Ik hoopte op zo’n lekkere tosti van jou’,
paait Sabine.
Ze glimlacht er beminnelijk bij.
‘Ik ook’, vult Walter aan.
Zuchtend maakt Thea aanstalten om zich naar de
keuken te begeven. Onderweg richt ze zich voor de flauwekul tot Walter en schertst:
‘Dan kun jij ondertussen mooi inbreken op zijn
laptop. Kunnen we die viezerik van de overkant voor de lunch toch nog even
ontmaskeren. Want die politiepet past ons allemaal.’
‘Easypeasie’, bekent Walter,
‘Echt?’
Thea is van haar stuk gebracht. De jeugd van
tegenwoordig is toch ook tot alles in staat.
‘Consider it done’, belooft Walter en voegt de
daad bij het woord.
De huisarts leek kleine Walter zowaar te mogen,
hetgeen Thea wel begreep, maar verbaasde na alle kritiek die haar zoon met zijn
schamele 5 jaren levenservaring al te verduren had gehad. Voorzichtig liet Thea
haar strijdvaardigheid enigszins varen.
‘Hoe is het met jou Walter?’, vroeg de huisarts
op een ongekunstelde toon die als welgemeende interesse klonk.
Het kleine jongetje in de enorme stoel naast
Thea, met de mollige beentjes recht voor zich uitgestrekt op de zitting en de
potige vingertjes aaneengehaakt voor zijn bolle buikje reageerde intuïtief:
‘Nou, ik ben wel gelukkig.’
‘Hoor je dat nasale in zijn uitspraak?’
Dat was Thea, terwijl ze de vloeibare
ontroering in haar ogen over de levensvreugde van haar zoon hoopte weg te
slikken door zich te concentreren op haar verslag van haar avontuur met moeder
Marloes de logopediste. De huisarts knikte vertederd, terwijl Thea begon te
ratelen.
‘Ik wil best met Walter naar de KNO-arts, maar
dan wel met een doorverwijzing van een huisarts en niet gestuurd door het natte
vingerwerk van een geflipte logopediste.’
Hier bracht de huisarts met een stopteken - een
vlakke hand in de lucht - Thea tot een abrupte spreekpauze. Thea zweeg
gepikeerd, hetgeen de huisarts min of meer op haar fatsoen trok:
‘Sorry dat ik je onderbreek, maar ik ken het
verhaal al een beetje van de andere kant. De logopediste – die Marloes - heeft
mij een brief gestuurd.’
‘O ja, een verhaal heeft altijd twee kanten.
Dat was ik even vergeten’, schamperde Thea.
Ter verduidelijking van haar punt draaide de huisarts het beeldscherm in het zicht van Thea.
‘Ik ben als huisarts verplicht om jou – als
patiënt - van de aanwezigheid van de
brief als ook van de inhoud op de hoogte stellen. De logopediste heeft met het
versturen van deze brief buiten medeweten van jullie – de ouders - in feite een strafbaar feit begaan. Het staat
Bart en jou vrij om een klacht tegen haar in te dienen.’
‘Alweer een schending van onze privacy! Bart en
ik hebben het er maar druk mee’, hoonde Thea.
In gedachte ging ze weer even kort terug naar
Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer en haar illegale onderonsje met Jade
de coördinatrice van De Wielewaal, waar de huisarts uiteraard geen weet van
had. De huisarts op haar beurt besloot om niet verder te graven op basis van
vage verwijzingen. De ogen van Thea vlogen ondertussen over de brief van moeder
Marloes de logopediste op het beeldscherm.
Ze las zelfbeklag, maar Godzijdank geen valse
beschuldigingen aan het adres van Walter. Geen woord over zijn zogeheten
afwijking. Geen vermelding van een vermeende abnormaliteit. Niets over een
ongeneselijk spraakgebrek. Geen wildwest diagnose. Uit de compromisloze
strekking van de brief viel wel duidelijk op te maken dat moeder Marloes de
logopediste voornamelijk haar eigen straatje trachtte schoon te vegen. Zo te
lezen had de logopediste wel het één en ander te verdedigen en zelfs te
verbergen. Thea begon zelfs te vermoeden dat Marloes de ziekenkostenverzekeraar
getild had. Het feit dat de logopediesessies van Walter voor de volle honderd
procent en onbeperkt vergoed werden door de verzekeraar was vrij uitzonderlijk.
Bart en Thea betaalden zich maandelijks niet voor niks in het rood aan premies
voor allerlei eventuele, aanvullende behandelingen. Temeer daar het basispakket
standaard 10 taallessen uitkeerde. Meer zat er kennelijk dan ook niet in voor
Gerben, het klasgenootje van Lennart en Walter, dat exact na 10 keer was
uitbehandeld bij de taaljuf. Dat had Thea nog op een doordeweekse morgen
tijdens het naar school brengen van Walter bij de gewichtige moeder van Gerben
nagevraagd. Thea sprak haar expres aan in het bijzijn van bijna alle ouders en
verzorgers van de kleuters van groep 1 en 2 van juffrouw Elsje. Op die manier
konden alle aanwezige volwassenen tenminste meekrijgen dat niet alleen Walter
weleens over een woordje struikelde en dat meerdere kleuters extra
ondersteuning nodig hebben.
‘Nou ‘nodig hebben’; Gerben is al klaar hoor’,
fluisterde zijn moeder gekrenkt.
Ze voelde zich merkbaar geschoffeerd door de
impulsiviteit van Thea. Alsof logopedie een schande was! De moeder van Gerben
keek weg van Thea en verwijtend in de richting van moeder Marloes de
logopediste die net op dat moment niet toevallig volledig in haar zoontje
Lennart opging.
‘Ik ben 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10 keer naar Marloes
geweest’, telde Gerben uit volle borst.
Hij hief twee handen met gespreide vingers in
de lucht. Ter illustratie. Hij sloot af met een dansje. Een soort moonwalk in
het centrum van de kring. Juffrouw Elsje was onder de indruk en klapte
enthousiast in haar handen. Een deel van de ouders volgden uit piëteit met de
moeder van Gerben die een kind had met een logopedieverleden. Een
gedoogapplausje vulde het kleuterlokaal.
Gerben was dus al na 10 keer taalvaardig,
terwijl Walter al wel 10 keer zoveel taallessen achter de rug had. Zoveel
verschil in spreekvaardigheid was er echter niet tussen Walter en Gerben. Op
het eerste gehoor dan ook vreemd dat voor Gerben wel en Walter niet een einde
aan de taalsessies was gekomen. Of toch niet. Moeder Marloes de logopediste had
immers bij Walter en niet bij Gerben vrij spel om voor onbepaalde tijd allerlei
toeters en bellen uit de kast te kunnen trekken en bij de ziekenkostenverzekeraar
op naam van zijn ouders - Bart en Thea - te kunnen claimen. Zeker nadat Walter
niet langer het activiteitencentrum – waar de logopediste nog enigszins door
collega’s gecontroleerd werd -, maar de comfortzone van haar huis binnentrad.
Verachtelijk, maar niet de energie van een klacht waard. Murw schoof Thea het
beeldscherm weer in de originele stand.
‘Wat is de reden van deze brief?’
De huisarts antwoordde niet. Beroepshalve kon
en mocht ze geen partij trekken, maar ze bleef Thea over de rand van haar bril
veelzeggend aankijken. Aanleiding voor Thea om het vuurtje nog een beetje aan
te wakkeren:
‘Het lijkt wel of Marloes zichzelf al goed wil
praten voordat iemand haar überhaupt ter sprake heeft gebracht.’
‘Dat zou je bijna denken.’
Uit de weloverwogen teneur van deze bevestiging
viel wel op te maken dat dit alle steun was die Thea uit de hoek van de
huisarts te verwachten had. En dat was al heel wat gezien de kwetsbare positie waarin de huisarts zich
als tussenpersoon in de driehoeksverhouding tussen moeder Marloes de
logopediste, Walter en Thea bevond.
‘Zwakke hap’, vond Thea stiekem en ze zei:
‘Maar goed dat we weg zijn bij mevrouw de
logopediste. Bart en ik dienen geen klacht in. Wij gaan voor onze kinderen.
Laat die Marloes maar sappelen.’
‘Dan maken we er geen woorden meer aan vuil’,
besloot de huisarts gerustgesteld, opgelucht en nadrukkelijk.
De zaak moeder Marloes de logopediste was
hiermee afgesloten. En nou maar hopen op de vloek van de beladen stilte. Geen
reactie van de huisarts van Thea is ook een antwoord op de illegale brief van
moeder Marloes de logopediste. Een negatie die moeder Marloes de logopediste
naar verloop van tijd weleens onzeker en paranoïde zou kunnen maken. Als ze dat
al niet was.
Walter werd door de huisarts doorverwezen naar
een taalpraktijk van het academische ziekenhuis in de stad. De taalpraktijk
staat landelijk hoog aangeschreven en is gespecialiseerd in de verbale
ontwikkeling van kinderen. In het voorlichtingsformulier werd, wat Bart en Thea
betreft, onnodig ingewikkeld gedaan over het intakegesprek en de eventueel
problematische scheiding tussen ouders en kleuter tijdens een tweetal
toetsuurtjes. De fysieke afstand van de ouders tot hun kind was helaas wel een
noodzakelijk kwaad voor de onderzoekers teneinde een zo objectief mogelijk
beeld van de testkleuter te krijgen. De begeleidster van Walter was wederom een
logopediste, maar ze leek in de verste verte niet op Marloes. Ze was veel
minder schools en probeerde op Walter in te spelen in plaats van zijn woorden
gedachteloos in een uitspraakmal te gieten. Thea mocht op een afstandje in een
open wachtruimte toekijken hoe Walter getest werd. Het tweetal was niet te
verstaan, maar Thea kon uit de levendige interactie opmaken dat Walter prima op
zijn gemak was. Op het eerste oog leek de logopediste ook gewoon haar werk te
doen, maar in de loop van de toetsduur werd ze onrustiger. Ze stond steeds
vaker op, ijsbeerde door de testruimte, nam weer plaats aan de tafel, waaraan
Walter onverstoord verder werkte en alwaar de logopediste meer dan eens en hoe
langer hoe gejaagder de resultaten van een afgerond cluster op de computer naging.
Haar hoofd bewoog tenslotte zo snel heen en weer van het beeldscherm naar de
ingeleverde A-viertjes en weer terug, dat ze een toeschouwster in het publiek
van Wimbledon leek. Tijdens de laatste test, waarbij Walter geacht werd om een
zo hoog mogelijke houten blokkentoren te bouwen, sloop ze op haar tenen, om de
testkleuter niet te storen, naar de wachtruimte van Thea toe. Ze hield een
computeruitdraai in haar hand.
‘Tijdens de intake gaf je aan dat Walter nooit
een IQ test heeft gedaan?’
Het hart van Thea klopte in haar keel:
‘Wat nu weer?’
Thea knikte alleen maar en zocht figuurlijk
dekking voor de te verwachten bom.
‘Weet u wat het is?
Taaltestjes zijn automatisch ook cognitieve testjes.’
‘Dus?’, vroeg Thea ongeduldig en gedesoriënteerd.
‘Dit hoeft niks te betekenen’, talmde de logopediste.
Ze hield Thea de computeruitdraai voor. Het
duizelde Thea van de schema’s. De logopediste wees naar een cijfer. Het topje
van de wijsvinger was gemanicuurd en de halflange nagel gepolijst. Niet gelakt.
‘Ja en? Zeg het nou maar’, zuchtte Thea
opgelaten.
‘Walter scoort extreem hoog.’
Het hart van Thea maakte nu vreugdesprongetjes
door haar hele lichaam. Ze hoorde het juffrouw Elsje weer zeggen:
‘In zijn bovenkamer is niks mis.’
Maar dan nog vroeg Thea zich af in hoeverre
intelligentie en taalvaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden konden
worden. Net of slimme mensen een vlottere babbel hebben dan de middelmaat,
Juist niet. Misschien dat deze logopediste het antwoord op deze prangende vraag
had:
‘Wat heeft de hoogte van het IQ van Walter
eigenlijk met zijn nasale uitspraak te maken? Ik bedoel; fijn dat we nu weten
dat hij slim is, maar daarmee is het spraakprobleem nog niet van de wereld.’
Vervreemd staarde de logopediste naar de schema’s en cijfertjes op haar
uitdraai die haar vooringenomenheid over
Walter zo faliekant hadden weerlegd en ze realiseerde zich hardop:
‘Niets waarschijnlijk; dat kunnen we op basis
van de uitslag van de cognitieve testjes in ieder geval wel vaststellen.’
‘Dat had ik je van tevoren ook wel kunnen
vertellen. Niemand praat nasaal of binnensmonds uit stupiditeit’, dacht Thea,
maar ze lachte gelukzalig naar de logopediste en zweeg tevreden, omdat ze
zojuist een zegen had gekregen.
Later zou Bart haar apetrots gewoon weglachen
en goedmoedig beweren:
‘Dat wist ik toch allang.’
Maar voor Thea was deze Mickey Mouse-uitslag
van een kleutertest een proeve van bekwaamheid voor Walter. Een bewijs waarvoor
het merendeel van de bezetting van De Wielewaal in het geval van hun kinderen
een moord zou doen.
De verwrongen uitspraak van Walter lag dus bij
nader onderzoek in het academisch ziekenhuis niet aan een mentale
ontwikkelingsachterstand, terwijl men dat eigenlijk wel verwacht had van een
kleutertje met een spraakgebrek uit een achterstandswijk. Ook psychosomatische
oorzaken konden vooralsnog uitgesloten worden aangezien noch Walter, noch zijn
moeder Thea een overspannen indruk maakten op de logopediste van het
taalcentrum. Aan het taalprobleem van Walter moest dus zo goed als zeker een
lichamelijke oorzaak ten grondslag liggen. Vandaar dat Walter nog dezelfde dag
werd doorgestuurd naar een zekere professor doctor Spek. Deze man was een
autoriteit op het gebied van keel-, neus, en ooraandoeningen en Walter en zijn
moeder mochten wel in hun handjes knijpen, omdat ze niet op een wachtlijst
moesten, maar in één ruk naar professor doctor Spek door konden. De
spoeddoorverwijzing door de logopediste maakte de wachttijd in het ziekenhuis
er niet minder langdradig om.
‘Houd nog even vol, straks krijg je een ijsje’,
beloofde Thea wel twintig keer in de hoop Walter in de stemming te houden, want
hij begon onhandelbaar te worden.
Walter hing ondersteboven op een bank in de
wachtkamer en liep rood aan. Zijn beentjes fietsten in de lucht.
‘Kijk een prentenboek. Kom even naast me zitten
dan lees ik voor en dan kan jij plaatjes kijken’ , gebood Thea ingehouden met
het oog op de medepatiënten in de wachtkamer.
‘Ik moet denk ik plassen’, dreigde Walter.
Net toen hij in z’n uppie goed en wel na veel
getalm het ziekenhuistoilet had betreden werd Walter opgeroepen. Zoals Thea al
voorzien had. Maar het daaropvolgende fotomodel in de doktersjas zou geen mens
hebben kunnen voorspellen. De status van Walter droeg ze als een zuigeling in
de ronding van haar arm. Ze keek erbij alsof ze zelf eigenlijk ook op de
baby-afdeling thuishoorde.
‘Ik haal hem even’, zei Thea de onnozele stoot
haastig toe, waarna ze het herentoilet inschoot om haar vijfjarige zoon in zijn
spijkerbroek te helpen.
De knock-out in de doktersjas was niet
professor doctor Spek zelf, maar zijn assistente in de opleiding. Professor
doctor Spek was een KNO-arts van om en nabij de pensioengerechtigde leeftijd.
Hij bleef achterover geleund zitten in de draaistoel waarin hij zat en klopte
meermaals met een speculum in de palm van zijn gerimpelde linkerhand terwijl
hij Walter lukraak vragen over het plaatselijke voetbalelftal stelde.
‘Ik vind voetbal niks aan’, mompelde Walter.
Hij was bleek en uitgeput. De voetbalvragen van
de professor maakte hem ook nog weerbarstig op de koop toe.
‘Ik vind voetbal niks aan’, echode de professor
op precies dezelfde nasale manier als Walter.
Thea voelde de vernedering bij Walter op haar
overslaan en ze probeerde de professor in haar genadeloze blikveld te vangen.
Hij negeerde haar volkomen. Zijn einddoel was de oogverblindende assistente die
zich plaatsvervangend zat te schamen en wulps op haar onderlip sabbelde.
‘Zo slimmerik kom jij maar eens hier op de
schietstoel zitten’, vervolgde de professor, terwijl hij onheilspellend met
zijn geaderde hand op de zitting van een lederen patiënten stoel klopte.
‘Doet het pijn’, wilde Walter huiverend en
huilerig weten.
‘Je bent toch zo’n slimme vent’, grapte de
professor.
‘Wat heeft er dat nou weer mee te maken?’,
hikte Walter, terwijl hij door zijn betraande ogen wreef.
‘Ga nou maar, het doet geen pijn’, suste Thea,
omdat ze ook niet wist wat ze met de situatie aan moest.
Op dat moment had ze op moeten staan en samen
met haar zoon weg moeten lopen. Maar ze bleef zitten. Verlamd en misleid door
de illusie dat vandaag de dag van de waarheid zou zijn. En zo niet dan nog kon
professor Spek niet echt de klootzak zijn die hij verpersoonlijkte. Opnieuw
blaatte de professor Walter na en imiteerde het bepalende nasale spraakgebrek:
‘Wat heeft er dat nou weer mee te maken?’
Hij deed ook net of hij huilde, trok een
pruillipje en wreef door zijn ogen.
Ontdaan raapte Thea al haar moed bijeen en
hoewel haar bonzende hart in haar keel kroop, kwam ze luid en duidelijk in
opstand:
‘Kunt u ook normaal doen? U hebt hier wel met
een vijfjarig kind te maken!’
De professor gunde Thea nog steeds geen blik
waardig en antwoordde spottend.
‘Niet zomaar een kind, maar een héél slim kind,
heb ik begrepen!’
De assistente in de opleiding stond op en nam
Walter bij de hand.
‘Kom maar’, zei ze lief.
‘Waar is dat slimme kind dan?’, vroeg Walter om
zich heen zoekend.
‘Jij bent een slim kind’, antwoordde de assistente in de opleiding, terwijl ze zijn mollige lijfje in de patiënten stoel
hielp.
‘O, dat wist ik niet.’
Walter keek beduusd voor zich uit en de
professor was even van zijn stuk gebracht toen hij het onschuldige snoetje in
zijn vizier kreeg. Even maar, want voordat Walter tot zichzelf had kunnen komen
ramde de professor het speculum in zijn mond. Direct daarna produceerde Walter
een monotone klaagzang die pas stopte toen de professor de eendenbek weer met
een ruk tussen zijn gespannen lipjes uittrok.
‘Jezus, idioot’, protesteerde Thea.
Ze was alleen nog maar in staat om
taalhandelingen te verrichten. Haar daadkracht was versteend.
Manmoedig klauterde Walter uit de patiënten
stoel en nam weer naast zijn moeder aan tafel plaats. Hij likte de
bloeddruppeltjes van zijn gebarsten, droge lippen. Thea streek door zijn
krullen en droogde de tranen van zijn rechterwang:
‘Sorry vent.’
‘Geef niks.’
Walter zei maar wat. Zijn blauwe kijkers waren
veranderd in inktzwarte, gloeiende hout kooltjes. Hij bleef woedend in het
niets staren.
‘Ik heb het al gezien’, beweerde de professor
over het hoofd van Walter heen.
Thea vond haar schoudertas naast haar stoel op
de grond.
‘Hij heeft teveel ruimte bij zijn
neusamandelen.’
‘Is er iets aan te doen?’, vroeg Thea
plichtmatig.
Ze wachtte niet op antwoord en maakte
aanstalten om op te staan. Haar tas hing ze alvast om haar schouder. Voor het
eerst tijdens het consult keek de professor haar recht in de ogen. Thea zag dat
hij schrok van haar uitstraling. Hij begreep eindelijk dat hij veel te ver was
gegaan:
‘Ik kan hem opereren, maar dat beslis ik pas
over een jaar.’
‘Waarom pas over een jaar?’
Thea sloeg een toon aan die duidelijk te kennen
gaf dat zijn grootspraak op haar in ieder geval geen indruk meer zou maken.
‘Er kan nog vanalles veranderen.’
‘Dus ook verbeteren.’
‘Natuurlijk, maar daar ga ik niet vanuit.’
‘Wat ga je over een jaar doen dan?’
‘Ik ga zijn neusschot verkleinen.’
‘Groeit dat niet vanzelf dicht dan?’
‘Dat kan, dat weet ik niet. Daarom beslis ik
ook pas over een jaar.’
‘En daarmee is zijn nasale uitspraak uit de
wereld geholpen?’
‘Nou ja, hij zal na een neusschotverkleining
wel logopedie moeten volgen.’
‘Hoe zit dat dan met mensen die hun
neusamandelen hebben laten knippen?’
‘Wat is er met mensen die hun neusamandelen
hebben laten knippen?’
‘Praten al die mensen zonder neusamandelen
voorgoed nasaal?’
‘Nee.’
De professor was nou helemaal in de ban van het
gesprek met Thea. Hij was de assistente in de opleiding aan zijn zijde zelfs
vergeten. En de assistente op haar beurt werd op een niet mis te verstane wijze
gaandeweg almaar achterdochtiger jegens de bejubelde professor naast haar aan
tafel. Na de laatste vraag van Thea keek ze dusdanig vijandig naar hem op dat
je haar bijna kon horen heulen met de vijand. Zo van:
‘Ja, dat zou ik eigenlijk ook weleens willen
weten, vleesknuppel.’
‘Waarom zou uitgerekend mijn Walter dan wel geholpen zijn met een
neusschotverkleining?’
Thea schoof haar stoel naar achteren en stond
op. Ze gebaarde naar Walter:
‘Kom op vent, genoeg getest voor vandaag.’
‘Ik zie u over een jaar’, riep de professor het
tweetal na.
Zijn stem brak.
‘Ik dacht het niet’, beloofde Thea aan Walter
en zichzelf.
Desondanks viel een jaar later een oproep voor
een herhalingsconsult in de brievenbus. Voor Walter bij professor doctor Spek.
Natuurlijk lieten Bart en Thea verstek gaan. Toen ze voor deze nalatigheid
telefonisch ter verantwoording werden geroepen door een medewerkster van het
academisch ziekenhuis, gaf Bart op zijn unieke manier de eindconclusie.
‘De keel-, neus- en oorarts professor doctor
Spek lult uit zijn nek’, brieste hij.
In de ziekenhuisrestauratie genoot Walter van
zijn ijscoup:
‘Doe mij maar een Dame Blanche’, bestelde hij
bij de juffrouw achter de toonbank.
‘Doe mij dan ook maar een Dame Blanche’,
herhaalde Thea gelaten.
Ze betaalde vooraf. Een rib uit haar lijf.
‘Dat hebben we wel verdiend na vandaag’,
verzuchtte Thea.
‘Heb je keelpijn?’
‘Een beetje’,
‘IJs helpt tegen keelpijn en wie weet ook tegen die onaardige professor.’
‘De nieuwe taaljuf was niet zo erg.’
Walter groef in zijn ijs en werkte de massa aan
de andere kant bijna uit de roestvrijstalen coup.
‘Je vond de testjes niet moeilijk toch?’ vroeg
Thea niet zonder trots.
‘Ik heb het al zo vaak gedaan’, murmelde
Walter.
Zijn mond was gevuld met ijslepel. Thea kon hem
niet goed verstaan. Zeker niet met al dat geroezemoes van ziekenhuisgasten in
en om de restauratie.
‘Wat zeg je? Je hebt nooit eerder intelligentie
testjes gedaan Walter. Je vergist je.’
Walter schudde verwoed met zijn krullenbol.
Nadat hij de hap had weggewerkt, zwaaide hij illustratief met de lepel in de
lucht en beweerde ijskoud:
‘Nee, ik vergis me niet.’
‘Ik ruik zwets’, knipoogde Thea.
‘Wel waar. Bij Marloes. Elke week dezelfde
toetsjes als vandaag. In de huiskamer.’
Dus vandaag was wel een dag van de waarheid.
Confuus schoof Thea haar Dame Blanche van zich af. Voor Walter een reden om de
ijscoup meteen naar zich toe te trekken en van twee walletjes te eten. Dus
daarom had moeder Marloes de logopediste op een gegeven moment liever gehad dat
Thea niet meer bij haar sessies met Walter aanwezig was. Zo kon Thea geen
storende factor zijn bij haar geëxperimenteer met intelligentietoetsjes. In
eerste instantie waarschijnlijk niet eens uit kwaad opzet. Maar Walter was steeds
te slim voor zijn doen. Slimmer dan haar zoon Lennart. Dat frustreerde. Dus
daarom moest Walter weg van Marloes de taaljuf. Weg van haar zoon Lennart en
liefst weg van De Wielewaal.
HOOFDSTUK 10
Het ‘gesprekje’ met de schoolleiding van De
Wielewaal naar aanleiding van de aanmatigende toon in het eerste rapport van
Walter in groep 3, leverde een zoethoudertje op. De belofte van remedial
teaching. Met de ongecultiveerde formulering van meester Gijsbert van groep 3
over de leerprestaties van hun zesjarige zoon
moesten Thea en Bart maar leren leven. Meester Gijsbert was per slot van
rekening een onderwijzer en geen poëet.
‘Het enigste waar ik wel mijn
verontschuldigingen voor wil aanbieden is dat ik niet eerder bij jou of de
vader van Walter aan de bel heb getrokken’, bekende meester Gijsbert in een
vervolggesprek dat Jade, de interne coördinatrice van De Wielewaal, voor Thea
met hem geregeld had.
‘Het enige’, verbeterde Thea automatisch.
Macht der gewoonte door het alom gebezigde
Nederlands van haar huiswerkpubers.
‘Wat zei ik dan?’, vroeg meester Gijsbert bête.
Het was de bedoeling dat Thea met hulp van
meester Gijsbert uit een impasse met de leiding van De Wielewaal zou geraken.
Willy de directrice beweerde in de loop van haar schoolcarrière een erg goede
band met meester Gijsbert te hebben opgebouwd. Willy was waarachtig niet altijd
schoolhoofd geweest, maar in de dertig jaar hiervoor ook gewoon juffrouw op een
basisschool. Ergens in de loop van haar schooljuffen carrière had ze meester
Gijsbert leren kennen als een vakman. Hij was jarenlang directeur geweest op
een school voor Leer- en Opvoedingsmoeilijkheden. Toen dit soort speciaal
onderwijs, onder de noemer LOM scholing, in 1998 werd opgeheven, had meester
Gijsbert bovendien nog eens bijna 10 jaar met zwakbegaafden gewerkt. Dus als er
iemand kon oordelen over leerproblemen dan was het meester Gijsbert wel.
Momenteel zat hij in een tussenjaar in de hoop op een benoeming tot directeur
op een openbare basisschool in een andere stad. Invallen voor de depressieve
juf van groep 3 op De Wielewaal was voor meester Gijsbert dan ook een geschenk
uit de hemel. Lekker terug naar de oorsprong. Met een beetje geluk en steun van
directrice en vriendin Willy bleef de echte juf van groep 3 best wel een
schooljaar lang bezig met het cultiveren van haar burn-out. Dat zou dan een
tussenjaar lang chillen worden voor meester Gijsbert. De ouders van de kindjes
van groep 3 mochten zich wel extreem gelukkig prijzen met zoveel doordeweekse
vakkennis en ervaring binnen handbereik. Hoe durfde Thea het
beoordelingsvermogen van meester Gijsbert eigenlijk in twijfel te trekken?
Alsof directrice Willy met haar recentelijk ontpopte leiderscapaciteiten zomaar
iedereen liet invallen op De Wielewaal? Jade de interne coördinatrice kon met
haar verstand ook niet bij de brutaliteit van Thea. Jade de i.c. was juist diep, echt heel intens, onder de
indruk van meester Gijsbert. Maar ja, de i.c. was niet serieus te nemen nadat
Thea haar met meester Gijsbert had zien fietsen. Zij zat in haar geparkeerde
Renault voor het gebouw van De Wielewaal en wachtte op haar kleintjes. Door de
voorruit van haar occasion zag Thea het tweetal zwenkend op zich afkomen. Ze
hadden ieder maar één hand aan het stuur. De andere handjes bengelden
ineengestrengeld in prille verliefdheid en onwennig in de ruimte tussen de
fietsen. Meester Gijsbert was zoals gewoonlijk te zelfgenoegzaam om alert te
zijn en Jade de i.c. ging in opperste vervoering, vertaald in bakvisachtige
blosjes op haar wangen, helemaal op in het zeer gewaardeerde mannelijke
gezelschap naast haar op de fiets. Dichterbij De Wielewaal werd het paartje
zich pas bewust van de omgeving. Bangelijk ontdeed het liefdeskoppeltje zich
van hun onthullende handgreep voordat ze met klagende achteruittrapremmen
tegelijkertijd tot stilstand kwamen. Thea deed alsof ze iets zocht in haar
auto. Jade de i.c. en meester Gijsbert zagen haar en elkaar niet meer.
‘Ik zit niet te wachten op verontschuldigingen.
Je hebt de toon gezet bij een kind dat een blanco kans verdient om zichzelf te
bewijzen in een periode die iets langer bestrijkt dan amper 10 weken’,
antwoordde Thea onvermurwbaar.
Bedachtzaam kneedde meester Gijsbert zijn
stoppelige kin en corrigeerde Thea minzaam:
‘Er is nog geen toon gezet. Ik heb mijn
observaties heel neutraal gerapporteerd. Wilma is nu aan zet heb ik begrepen.
Laten we eerst eens haar oordeel afwachten, voordat we vooruit lopen op de
feiten.’
Wilma was de vaste remedial teacher van De
Wielewaal. Vanwege haar toverkunsten op onderwijsgebied en haar helende invloed
op beschadigde kinderen, stond ze bekend onder de bijnaam Wonderwilma.
Wonderwilma liep tegen de zestig. Dus met leeftijd had haar populariteit onder
de basisschoolpopulatie niets uit te staan. In haar onwetendheid meende Thea
het zich in het begin weleens te kunnen permitteren om zich aan Wonderwilma te
meten. Ze dacht overeenkomsten te zien met haar thuiswerkzaamheden als huiswerkbegeleidster
bij Huiswerksterk. Maar al gauw kwam Thea bedrogen uit en was ze blij dat ze
niet hardop lucht had gegeven aan haar illusies. Ze zou uitgejouwd zijn. Het
grote verschil tussen Wonderwilma en Thea zat in hun positie. Wonderwilma was
een ingewijde en niemand anders dan een insider kwam de rol van troubleshooter
van De Wielewaal toe. De buurtgenoten droegen er met hun roddel, achterklap,
grootspraak en bombarie wel zorg voor dat niemand van buitenaf bij Wonderwilma
in de buurt kwam. Wie anders dan Wonderwilma kwam naar behoren op voor de
zwakkeren onder de hoogstaanders? Wonderwilma was nou eenmaal de aangewezen
persoon om op De Wielewaal discreet te vechten voor kinderen met een taal-,
reken-, of andere leerachterstand. Want wonderlijk genoeg komen kneusjes ook in
de beste families voor. Eigenlijk net zo vaak als in welke familie uit welke
wijk dan ook; maar op De Wielewaal werden de mislukkelingen onder de hoge hoed
gehouden en – indien niet weg te toveren – zo snel mogelijk onder toezicht van
Wonderwilma geplaatst. Het sierde
Wonderwilma dat het vermeende leerprobleem van Walter voor haar reden genoeg
was om hem zonder meer in haar kringetje van verschoppelingen op te nemen, maar
met moeder Thea kon ze niets beginnen. Eigenlijk was Wonderwilma dan ook
bedoeld voor kinderen van ouders die; en/óf te dom waren om voor de duivel te
dansen; en/óf te arm waren om hulp van buitenaf te betalen; en/óf de weg niet
wisten in de bureaucratie van onderwijs en gezondheidszorg. Thea voldeed aan
geen van de eisen en gedroeg zich niet als een slachtoffer. Thea kwam nooit bij
Wonderwilma uithuilen en Thea had heus wel bewondering en respect voor de
remedial teacher van De Wielewaal, maar dan als extraatje. Als kers op de taart
als het ware. Wonderwilma deed niets meer dan haar werk. In haar geval remedial
teaching dus. Werk waar ze voor betaald kreeg en waar Walter, net als ieder
andere leerling, volgens het Nederlandse onderwijsstelsel en de grondwet,
gewoon recht op had.
Walter zou bij Wonderwilma voornamelijk extra leeslessen gaan volgen met
een groepje lotgenoten van dezelfde leeftijd. Op voorhand sloot Wonderwilma de
mogelijkheid van dyslectie niet uit.
‘Ik weet wel zeker dat hij niet dyslectisch
is’, protesteerde Thea alvast uit voorzorg.
‘Hoe weet je dat zo zeker?’, vroeg Wonderwilma
bedenkelijk.
‘Vorig jaar was zijn zus net zo ver met lezen
als Walter, maar op de taalvaardigheid van Sabine had niemand wat aan te
merken. Volgens de juf uit groep 3 deed ze het prima een jaar geleden.’
‘Ja, maar Walter is Sabine niet. Waarom
vergelijk je die twee met elkaar? Walter heeft net zo goed het recht om
zichzelf te zijn.’
Wonderwilma mocht Thea op het eerste gezicht al
niet. Dat kan, maar Wonderwilma kende Thea amper. Hoogstwaarschijnlijk had Jade
de i.c. haar wat gif over Thea ingefluisterd. Waar kwam de passief-agressieve
benadering van Wonderwilma jegens Thea anders vandaan? Alsof Thea haar kleine
Walter zijn hele leven al tekort had gedaan en die hele remedial teaching
gewoon uit ledigheid van moeder de vrouw voortvloeide. Gewoon te beroerd om
externe professionele hulp in te roepen. En dat terwijl ouders zoals Bart en Thea
dat best konden betalen. Weer zo’n stel ouders dat niet onder ogen wilde zien
dat zij niet het perfecte kind op de wereld hadden gezet. En dan kon zij –
Wonderwilma – de rotzooi weer opruimen. Dat deed ze met liefde en plezier, daar
niet van. Voor Walter en al die andere stumperds die van hun ouders zo nodig
moesten voldoen aan de strenge eisen van De Wielewaal. Maar niet voor zo’n
streberige moeder. En Thea wekte bij Wonderwilma wel de indruk zo’n type te
zijn.
‘Ik ken genoeg ouders met één slim en één dom
kind. Dus vergelijken is oneerlijk en je verandert er ook niets mee. Walter is
en blijft wie hij is’, beet Wonderwilma Thea toe.
‘Misschien vergelijk ik Sabine en Walter alleen
maar met elkaar omdat ze maar 11 maanden
schelen?’, sputterde Thea overdonderd tegen.
Hadden Merel het peuterhoofd en juf Maaike van
De Kleine Beer haar in het verleden niet ook al eens eenzelfde soort verwijt
voor de voeten gegooid? Alsof vergelijkingen trekken en verschillen onderkennen
tussen kinderen onderling een misdaad is in plaats van de essentie van eerlijk
ouderschap en goed onderwijs. Ieder mens is anders toch? Kinderen zijn net
mensen!
De stilte die Thea liet vallen benutte
Wonderwilma om enigszins tot inzicht te komen.
‘Ja, okay, daar kan ik dan ook wel weer
inkomen. Kinderen die zo dicht op elkaar zitten; dan ga je onwillekeurig
vergelijken.’
Wonderwilma mocht dan wel onder invloed van
Jade de i.c. staan, ze was ook een open
boek met een goedmoedige natuur. Jammer dat de gevoelens van sympathie van Thea
voor haar niet wederzijds waren, maar ze kon Wonderwilma moeilijk op de
pijnbank leggen om aardig gevonden te worden. Dat nam niet weg dat Thea bereid
was om een stapje terug en haar best te doen voor Walter door het contact met
Wonderwilma zo vriendelijk mogelijk te onderhouden.
‘Ik geef al een tijdje huiswerkbegeleiding aan
middelbare scholieren bij mij thuis, mijn onderneming draagt de naam
‘Huiswerksterk’, misschien heb je er weleens van gehoord?’
Wonderwilma schrok van zoveel openhartigheid en
hield huiverig de boot af.
‘Nee, nog nooit. Maar nu we het toch over
pingpongen hebben’, zuchtte ze vermoeid.
Thea liet zich echter niet zomaar aan de kant
zetten en herstelde zich door Wonderwilma te overstemmen:
‘Ik wil mezelf niet op enige vakkennis voor
laten staan, alleen maar omdat ik huiswerkbegeleiding geef aan pubers. Waar ik wel
naartoe wilde met mijn verwijzing naar Huiswerksterk, is dat ik tijdens mijn
werk nog nooit een leesprobleem tegen gekomen ben dat niet oplosbaar was. Ook
niet bij tieners die al vanaf de basisschool een officiële dyslectieverklaring
hebben.’
‘Pfffff.’
Wonderwilma rolde met haar ogen en verzuchtte:
‘Dyslectie is niet alleen leesblindheid, maar
ook problematiek rond de automatisering van taal; dat hoef ik een
huiswerkbegeleidster van Huiswerksterk toch hopelijk niet uit te leggen?’
Thea was niet te vermurwen:
‘Soit. Maar is problematiek rond de
automatisering niet juist exact de definitie van leesblindheid of dyslectie?
Dus het onvermogen om een woord in de zin te herkennen. Geen automatisme in het
lezen ontwikkelen en iedere keer van a tot z spellen?! Of wil je soms beweren
dat dyslectici ook moeite hebben om in gesproken taal woorden te herkennen,
eigen te maken en te automatiseren, dus met praten?’
‘Integendeel’, haastte Wonderwilma zich om
misverstanden te voorkomen.
‘Dat dacht ik al; want in het geval van
spraakverwarring bedoelen we afasie in
plaats van dyslectie.’
Wonderwilma fronste geërgerd over Thea’s
betweterigheid.
‘Waarom zou je het zo erg vinden als Walter
dyslectisch zou blijken te zijn?’, wilde ze op verwijtende toon weten.
Thea had haar antwoord direct klaar.
‘Omdat hij dan een stempel – in de vorm van een
dyslectieverklaring - krijgt waar hij zijn leven lang niet meer vanaf komt.’
‘Nou en. Als het beestje maar een naam
heeft!?’, vond Wonderwilma halsstarrig.
‘Kom op Wilma, Walter is 6 jaar. Zo’n
dyslectiestempel kan ook tegen een leerling werken. De extra tijd bij toetsen
en examens die Walter met een dyslectieverklaring in de toekomst zou winnen is
niet altijd goed. Het kan ook een heleboel onzekerheid, twijfel en gebrek aan
zelfvertrouwen in de hand werken. En wat als het leesprobleem van Walter nou
eens echt niet aan zijn kleine hersentjes, maar aan het belabberde
taalonderwijs van meester Gijsbert ligt. Stel nou eens? Wat dan?’
Wonderwilma gnuifde kort naar aanleiding van de
sneer naar meester Gijsbert, maar pareerde de opmerking van Thea naar behoren:
‘Ik mag niet eens dyslectieverklaringen
uitdelen. Dus wees maar niet bang. Ik kan alleen doorverwijzen en adviseren.
Maar alle kinderen uit mijn groep zijn uiteindelijk opgelucht met het stempel
dyslectie.’
Hier zag Thea haar kans schoon en nam wraak
door Wonderwilma te bestrijden met haar eigen wapens:
‘Waarom vergelijk je mijn zoon met alle andere
kinderen? Wie zegt dat Walter hetzelfde reageert als alle andere kinderen uit
jouw groep? Misschien is uitgerekend Walter wel helemaal niet opgelucht over
een dyslectieverklaring. Walter heeft toch, net zo goed als alle andere
kinderen, het recht om zichzelf te zijn?!’
‘Ik zit erin hoor!’, roept Walter blij vanuit
de huiskamer.
Thea is met het tosti-ijzer in de weer en hoort
Sabine dubbelzinnig reageren:
‘Dat wil ik helemaal niet weten’.
Walter is wel wat gewend van zijn zus en bijt
in het voorbijgaan naar de keuken van zich af:
‘A dirty mind is a joy
forever’.
De open geklapte en gehackte laptop van de overbuurman stelt hij tentoon
op de keukentafel. Thea ontvet haar handen en vraagt nieuwgierig:
‘Wat staat er op?’
‘Foto’s van blote kerels’, zegt Walter langs
zijn neus weg.
Hij versiert een tosti met curryslierten.
Thea buigt zich over de laptop en wordt
getroffen door de sensuele blik van een zonnebank gebruinde, pronte jongeman
die niets meer dan een lendendoekje draagt. Zijn hele gespierde lijf is bedekt
met tattoos en glimt van de olie of van het hete nat uit de waterval op de
tropische achtergrond van de geshopte foto. Zijn ranke handen met lange vingers
rusten suggestief rond de contouren van het soepele lendendoekje. Bovenin het
scherm van de laptop staat: Toyboyjoy.
‘Godzijdank geen kinderporno’, merkt Thea
opgelucht op.
Ze skipt naar het volgende kiekje van een verse
toyboy. Ze volgen elkaar in een rap tempo op en doen – op smaakverschillen na -
niet voor elkaar onder. Niet alle toyboys staan of liggen voor dezelfde
achtergrond van een waterval. Er is ook een achtergrondversie met een haardvuur
in werking; een schapenvel fungeert dan als lendendoekje. Een uitvoering voor
een smaragdgroene Chevrolet uit de jaren 50; met een lederen jack dat
nonchalant voor het kruis van de naakte toyboy aan zijn gekromde wijsvinger
bungelt. Een editie op het strand; waarin de jonge heer in een goedgevulde
tangaslip beachbal speelt en een bewerking in de sauna met de herkenbare
badhanddoek losjes om de bezwete, strakke heupen. Bij nader inzien ontdekt Thea
ook foto’s van poedelnaakte toyboys compleet met penis erectus in alle denkbare
maten en kleuren. Maar de gemeenschappelijke deler die het meest in het oog
springt is toch het logo in de hoek van de afbeeldingen. Het is een tekening
van een zojuist ontkurkte champagnefles. De bubbels bruisen de fles uit en
spatten uiteen in het logo. In een splitsing van de krachtige straal wit vocht
staat met rode letters ‘Toyboyjoy’ geschreven. Achter dit logo staat op ieder
plaatje een andere code ingeleid door de afkorting GSG. Walter kijkt mee over
de schouder van Thea en verorbert zijn tosti. Hij irriteert haar met zijn
gesmikkel en gesmak vlakbij haar gehooringang.
‘Sabine wat is Toyboyjoy?!’, schreeuwt Walter
van de keuken naar de huiskamer.
Thea twijfelt even of haar trommelvliezen deze
verbale klap zullen overleven en Walter verkneukelt zich over zijn
dertienjarige zusje dat overrompeld verhaal komt halen:
‘What the fuck!’
‘Zeg dat wel.’
‘Hij lijkt me gewoon hartstikke gay die overbuurman’, concludeert Sabine nadat ze
ook enkele toyboys bewonderd heeft.
‘Dat is toch niet strafbaar’, vindt Thea die
maar niet uitgekeken raakt en er lustig op los scrolt.
‘Tik eens zo’n code in’, beveelt Walter.
Achter de codes bevinden zich de personalia van
de heren. Hun pseudoniem en aangepaste leeftijd; zogenaamd tussen de 20 en 30
jaar; hun borstomvang en de lengte en omtrek van de penis in opgewonden stand.
Verder staat er bij elke hunk vermeld waar hij goed in is. Zijn specialiteiten
op seksueel gebied welteverstaan. De heren kosten gemiddeld 100 euro per uur,
maar dat is zonder berekening van meerwerk. Sommige mannen zijn beperkt
beschikbaar; andere lookers gaan zelfs mee op reis. De laatstgenoemde zijn de ‘royal
exclusives’.
Verbluft hakkelt Thea:
‘De overbuurman runt ijskoud een escortbureau’.
‘Nou, ik krijgt het er anders best warm van’,
zinspeelt Sabine, waarna ze meteen puberaal paars kleurt tot in haar nek.
‘Bestaan er hoeren voor vrouwen?’ En waarom is
dat voor mannen niet en voor vrouwen wel strafbaar dan?’’, vraagt Walter
aarzelend.
‘Prostitutie is gewoon legaal in Nederland
hoor’, antwoordt Sabine op een toon alsof Walter naar de bekende weg vraagt.
‘Waarom staat de politie dan bij de overbuurman
voor de deur? En waarom brengt Melvin de laptop van de overbuurman dan bij ons
in veiligheid?’
’Weet ik niet, zo’n escortbureau trekt
natuurlijk allerlei louche zaken en types aan’, schokschoudert Thea.
‘Een toyboy is niet alleen voor vrouwen’, weet
Sabine die net op haar IPhone de betekenis van toyboy heeft gegoogeld.
Ze citeert:
‘Een toyboy is een veel jongere partner van een
man of vrouw’.
Walter neust nog even door de online gegevens.
‘Het escortbureau heet G-spotgigolo; vandaar
GSG bij elke toyboycode.’
‘Je bent en blijft een Whizzkid’, plaagt Sabine
hoofdschuddend.
Maar ze spiedt nieuwsgierig mee.
‘Hey, dat lijkt Melvin wel’, merkt Walter
terloops op.
Hij wijst naar de foto die juist op het
beeldscherm opdoemt. Een blonde, jonge God met een zweem van Betuwe Flipje
leunt spiernaakt wijdbeens achterover in
een met roze pluche overtrokken massagestoel. Zijn gespierde armen rusten
losjes op de leuning. De polsen in het zicht van de gluurder. De duimen en
wijsvingers maken een cirkelvorm alsof de toyboy mediteert. Aan de binnenkant
van zijn rechterpols staat een tatoeage. Een woord dat Thea gisterenmorgen nog
live bij Melvin heeft mogen aanschouwen. Er staat:
‘Enough.’
‘Sterker nog; dat is Melvin’, beweert Sabine.
En dat terwijl zij nog het verst van alle drie
van het beeldscherm verwijderd staat.
‘In volle glorie’, beaamt Thea als door de
bliksem getroffen.
HOOFDSTUK 11
Bart moet eerst moeite doen om zich Melvin voor
de geest te halen voordat hij überhaupt in staat is om een oordeel te vellen
over het nieuws dat de beste jongen zijn ravissante lichaam op het Internet te
koop aanbiedt.
‘Ik heb Melvin voor het laatst in levende lijve
gezien toen hij 12 was. Ik weet nog dat hij hier aan de keukentafel zat met een
IPad. Hij is toch het kleine broertje van je aller- eerste huiswerkklantje? Dat
meisje kan ik me nog heel goed herinneren. Treurwilgje toch?’
‘Nee, ze
heet Jasmijn’, antwoordt Thea verstrooid.
Ze is op de zilverkleurige laptop in het
bestand van de overbuurman naarstig op zoek naar de illustrerende kiek van
toyboy Melvin. Er is haast geboden, want Bart kan zijn aandacht nooit lang op
klanten van Huiswerksterk, of ongeacht welke andere puber die hij niet zelf
gemaakt heeft, houden. Hij is immuun geworden door de constante in- en uitloop
van jonge mensen in zijn heiligdom. Hij groet ingetogen, maar ziet niemand
anders dan zijn eigen kinderen met hier en daar en zo nu en dan een vriend of
vriendin die niet via Huiswerksterk ingeroosterd is. Bovendien komt Melvin
meestal ’s morgens op bezoek en dan is Bart óf al naar zijn werk óf hij herkent
gewoon de hele verschijning niet.
Thea vindt de naaktfoto.
‘Kijk’, roept ze triomfantelijk uit.
‘Hoe kom jij aan die laptop?’
‘Dat leg ik toch net uit, maar daar gaat het
nou even niet om. Kijk nou!’
‘En wie heeft de boel geopenbaard?’
‘Wie denk je?’, stelt Thea ongedurig.
‘Nee, dan is het goed. Walter weet wat hij
doet.’
Bart heeft een ongebreideld vertrouwen in de
capaciteiten van zijn kinderen. Al vanaf hun eerste ademstoot. Thea is wat
minder zeker van haar zaak, maar dat zit in de aard van het beestje. Behalve
onvoorwaardelijke liefde staat voor Thea niets vast totdat het tegendeel
bewezen is. Eerst als haar kinderen laten zien wat ze kunnen dan pas zijn ze
capabel. Misschien dat Thea daarom bereid was om het vervolg van de zogenaamde
goede bedoelingen van meester Gijsbert van groep 3 toch nog aan te horen nadat
haar woedestorm enigszins was gaan liggen. Meester Gijsbert opperde dat Walter
misschien in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje. In eerste instantie
dacht Thea letterlijk aan een canvas buidel die ruggelings gedragen wordt en ze
zag eigenlijk niet zo goed in op wat voor een manier Walter per sé met zo’n
rugzakje geholpen zou zijn. Nadat meester Gijsbert haarfijn uit de doeken had
gedaan dat de term ‘rugzakje’ een metafoor was voor persoonsgebonden subsidie
aan, in dit geval, De Wielewaal van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschappen voor kinderen met een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke
handicap of psychische stoornis met gedrags- en opvoedingsproblemen die niet op
het speciale onderwijs terecht kunnen en derhalve met hulp van noodgedwongen
gefinancierde, persoonlijke begeleiding het armlastige reguliere basisonderwijs
toch nog kunnen doorlopen, snapte Thea nog steeds niet waarom uitgerekend haar
Walter met deze extra ondersteuning geholpen zou zijn. Gelukkig voegde meester
Gijsbert wel aan zijn uitleg toe dat een kind nooit een rugzakje toegewezen kan
krijgen zonder goedkeuring van een ‘Regionaal Expertisecentrum’ en dan nog lag
de eindbeslissing over de acceptatie van extra begeleiding bij de ouders.
Enigszins gerustgesteld sprak Thea haar bedenkingen uit:
‘Volgens mij is niet Walter, maar De Wielewaal
eerder geholpen met een rugzakje; want iedere uitzondering is er één te veel.
Lastenverlichting met geld van buitenaf is natuurlijk altijd welkom hier op
school. Even los van het leervermogen van betreffende kind!?’
‘Nou, nou’, schuddebuikte meester Gijsbert.
Hij betwijfelde of Thea wel de bedreiging was waarvoor Jade, de interne
coördinatrice van de Wielewaal, hem in eerste instantie gewaarschuwd had.
‘Dat wijf is gevaarlijk gek’, wist Jade de
i.c..
Meester Gijsbert was Thea in de eerste 10 weken
voor het debuutrapport van Walter dan ook niet voor niks zogenaamd per ongeluk
uit de weg gegaan. Er lag een toekomstige directeurschap op een basisschool in
het verschiet en meester Gijsbert kon zich geen reputatieschade veroorloven. En
in de buurt van hypergevoelige mama’s die over zijn schouder stonden mee te
hijgen was een cruciale fout snel gemaakt. Toch viel Thea hem honderd procent
mee. Hij had de dames wel moeilijker meegemaakt. Dit exemplaar was tegen
verwachting in kostelijk en stond open voor discussie. En discussiëren was zijn
stokpaardje. Als het erop aankwam dan lulde hij werkelijk overal een punt aan.
Maar Jade de i.c., met wie hij onbedoeld toch al veel intiemer omging dan goed
voor zijn carrière was, zou hij niet wijzer maken dan ze is. Welbeschouwd viel
er wel het nodige persoonlijke voordeel voor meester Gijsbert te behalen bij
een openlijke reddingsoperatie van een zesjarige leerling uit zijn groep 3. Aan
de ene kant zou hij zich, dankzij zijn ervaring in onderwijs met moeilijk
lerende kinderen, als kenner op het gebied van leerstoornissen kunnen
profileren. Hij zou vooral goede sier maken bij Willy Bakbruin. De directrice
van De Wielewaal. Niet onbelangrijk, want na zijn benoeming als directeur op
zijn aanstaande basisschool, zou Bakbruin een naaste collega worden. En een
loyale collega is belangrijker dan een verloren leerling uit een
achterstandswijk. Aan de andere kant hoopte meester Gijsbert zich met hulp aan
Walter pijnloos van Jade de i.c. te kunnen losweken. Hij kon haar Walter alias
‘de probleem leerling’ uit handen nemen.
Hij zou de vijand verslaan en al doende Jade de i.c. overtroeven. De
aanlokkelijkheid van vooral dit vooruitzicht deed meester Gijsbert ter plekke
besluiten om zich over Walter te ontfermen.
Thea vond echter dat ze meester Gijsbert tegen
zichzelf in bescherming moest nemen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee en ze
vermeldde plichtmatig:
‘Walter is laatst nog getest door een team van
een taalpracticum van het regionale academische ziekenhuis, omdat hij nasaal
praat. Uit de IQ test kwam naar voren dat hij alle potentie in huis heeft die
een intelligent mens benodigd om een normale basisschool te kunnen volgen.
Zonder rugzakje. Als hij al een taal- en leerachterstand mocht hebben, zoals
jij in zijn eerste rapport hebt genoteerd, dan is er nog geen man overboord.
Sterker nog; de score van de IQ test van Walter lag ver boven het gemiddelde.’
Ondanks de stelligheid waarmee Thea oreerde,
luisterde Meester Gijsbert niet naar wat er gezegd werd en beweerde voorbarig:
‘Ja, maar dat zegt niks.’
‘Wat zegt dan wel wat? Waarop baseer jij dan je
onverbiddelijke oordeel over een zesjarig jongetje?’
‘Ik weet wat ik zie’, antwoordde meester
Gijsbert vaag.
‘Misschien moet je dan nog een keer kijken,
want uitgaande van de bewezen intelligentie van Walter mag hij toch wel in
staat mogen worden geacht om een lagere school zonder rugzakje te kunnen
doorlopen!’, voer Thea uit.
Meester Gijsbert zat op een krukje aan een lage
lessenaar in het lokaal van groep 3 tegenover Thea. Ze was al minstens 10 keer
van zithouding veranderd, want een veel te klein kinderstoeltje gaf haar
ongemak en de prognose van een gruwelijke spierpijn morgen. Meester Gijsbert
dacht na over een verdediging tegen de aanval van Thea. Zijn stoppelkin rustte
in de handpalmen. Uit de mouwtjes van
zijn slobberige korte T-shirt staken witte, slappe behaarde driekwart armen
waarvan de ellenbogen op het kunststof tafelblad steunden. Hij masseerde zijn
jukbeenderen en leek op een knaagdier.
‘Meten is weten.’
‘Ja, dat zeg ik net. Walter heeft al een IQ
test achter de rug’, herhaalde Thea bekoeld.
Het leek erop alsof meester Gijsbert zijn harde
vonnis van Walter al enigszins begon af te zwakken.
‘Het gaat al stukken beter hoor in de klas moet
ik zeggen.’
‘Gelukkig maar’, antwoordde Thea vermoeid.
Dit was water naar de zee dragen. Het
reactiepatroon van meester Gijsbert was te absurd voor woorden. Er zat geen kop
en staart aan. Nogmaals legde Thea uit waarom Walter volgens haar in geen geval
in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje of wat voor een andere vorm
van gesubsidieerde hulp van buitenaf dan ook. Ze sprak langzaam en duidelijk en
spelde haar woordkeuze nog net niet, zodat ze zich achteraf niet kon verwijten
dat zij meester Gijsbert niet ter wille was geweest.
‘Mocht Walter getest worden door professionals
van het ‘Regionale Expertisecentrum’ dan komt er dus waarschijnlijk uit naar
voren dat hij een hoog IQ heeft.’
Meester Gijsbert staarde wezenloos voor zich
uit. Zijn mond stond half open. En wie niet horen wil, die moest, wat Thea
betreft, maar voelen:
‘Je weet toch wat een IQ is?’
Meester Gijsbert ontwaakte uit zijn trance:
‘Ja, ja, zeker wel; een IQ is Intelligentie
Quotiënt; een cijfer op een schaal. Maar je vindt het wel goed dat ik een
aanvraag indien voor een rugzakje?’
Zwijgend bleef Thea meester Gijsbert een
seconde of 10 star aankijken en dacht:
‘Zou hij hardleers of Oost-Indisch doof zijn?’
‘Je doet je best maar’, zei ze uiteindelijk
toe.
Blij verrast gaf meester Gijsbert Thea een
vriendschappelijke schouderklop, waarmee hij haar bijna uit het kinderstoeltje
maaide. Ontsteld hervond Thea haar evenwicht en wreef haar pijnlijke schouder.
Meester Gijsbert zag de toekomstige samenwerking al helemaal voor zich en
trachtte Thea gerust te stellen:
‘Ik weet wat ik doe hoor, ik ben jarenlang
directeur geweest op een school voor moeilijk lerende kinderen.’
‘Laat hem toch lekker hobbyen’, stelde Bart
voor.
‘Hij komt er vanzelf achter dat hij zichzelf
compleet voor gek zet met een aanvraag voor een rugzakje. Zoveel vertrouwen heb
ik dan nog wel in zo’n Expertisecentrum.’
Maar tot een aanvraag bij het Regionale
Expertisecentrum is het nooit gekomen. Wonderwilma stak een stokje voor de
plannen van meester Gijsbert. Alles wat meester Gijsbert, na weken van
onzekerheid, uiteindelijk nog nurks over
het eventuele rugzakje te missen had was een miezerige conclusie.
‘Wilma vindt het niet nodig.’
‘Hoera voor Wonderwilma’, triomfeerde Thea.
Niet begrijpend hief meester Gijsbert één
wenkbrauw. Hij liet zich in zijn plan van Walteraanpak heus niet tegenhouden
door zo’n fossiel als Wonderwilma, maar hij had zijn tactiek aangepast aan de
omstandigheden, daar de meeste vooraanstaande ouders hem nog steeds – ook
- buitenschools belaagden. Teneinde te
voorkomen dat Thea aldus niet weer cruciale wetenwaardigheden over het
leerproces van haar zoon zou mislopen, regelde meester Gijsbert na elke
schooldag in principe crisisoverleg over Walter in het klaslokaal van groep 3.
Alleen als Walter zich de betreffende schooldag perfect had getoond dan zou een
onderonsje niet nodig zijn geweest en dat was dus nooit. Met moeite maakte
meester Gijsbert zich dagelijks na de les los van zijn bewonderaars en wendde zich
in het bijzijn van de jaloerse buitenwacht met veel spreekwoordelijk
tromgeroffel tot Thea:
‘Ah, even de neus laten zien en even
bijkletsen; want een goede communicatie is de basis voor een goede relatie’,
bralde meester Gijsbert vergenoegd.
Hij bedoelde natuurlijk dat hij hoe dan ook in
geen geval opnieuw gedoe over Walter wilde hebben met het oog op zijn reputatie
in de onderwijswereld. Hij wilde moeder Thea in het gareel houden. Ze mocht
niet weer haar ongenoegen over hem bij directrice Willy Bakbruin, Wonderwilma
of wie dan ook spuien. Maar zijn beweegredenen waren Thea om het even. Ze moest
sowieso elke doordeweekse dag op De Wielewaal zijn om de kinderen van te school
halen en dan nam ze dat crisisoverleg met meester Gijsbert wel op de koop toe.
Haar doel was bereikt. Walter was eindelijk bijgeschreven op de kaart van groep
3.
Desondanks begon de stijfkoppigheid van Walter
hem weer parten te spelen. In de loop van zijn kleuterjaren had juffrouw Elsje
het hevige verzet, dat Walter voornamelijk op De Kleine Beer had tentoon
gespreid, weten te reduceren tot een beetje kleutergemok in de marge. Maar aan
de start van de basisschool stak zijn beruchte drift weer de kop op. In alle
hevigheid. En dat terwijl de kleuter Walter moeiteloos opstond uit bed.
Probleemloos poetste hij twee maal daags zijn tanden. Hij waste en kleedde zich
als dat van hem gevraagd werd. Weliswaar met wat hulp van Bart of Thea, maar
daar was Walter kleuter voor. Ook liet hij zich als een mak lammetje in één
vloeiende beweging door naar school begeleiden. Aan het eind van de
kleuterperiode bij juf Elsje van De Wielewaal blaakte Walter van
zelfvertrouwen.
Maar in groep 3 kwam zijn getemde geestdrift
weer tot leven. Walter transformeerde opnieuw steeds vaker van een huiselijke
brombeer in een driftkikkertje op school. Hij werd hoe langer hoe bozer op
meester Gijsbert, terwijl Thea juist het tegengestelde had hopen te
bewerkstelligen met haar protestactie tegen de destructieve beoordeling in het eerste rapport van haar
zoontje van zes in groep 3. Een rapport dat meer weg had van een strafblad dan
van een evaluatie. Uiteraard had Walter het nodige meegekregen over de commotie
rond zijn schoolprestaties. Kleine potjes hebben grote oren. Bart deed er met
zijn doordachte, besmettelijke kalmte en zelfvertrouwen dan ook alles aan om
ervoor te zorgen dat zijn beer van een zoon niet aan zichzelf zou gaan
twijfelen. Geen eenvoudige opgave tegenover de oogkleppen van meester Gijsbert.
Walter wilde zijn vader wel geloven, maar hij kon zijn draai maar niet vinden
in groep 3.
‘Mama, meester Gijsbert zegt dat ik een
sterretje ben’, deelde Walter in het wilde weg mee.
Hij streelde de fluweelzachte, rimpelige vacht
tussen de flaporen van de labrador die naast hem op de bank lag. Haar trouwe
grijs gespikkelde snuit rustte op zijn schoot.
‘Nou, proficiat, vent’, vond Thea.
Het klonk ook veelbelovend:
‘Een sterretje’.
‘Da’s helemaal niet leuk hoor.’
De hondenoren liet Walter voor de lol een paar
seconden recht overeind staan. De labrador liet zich al het gehannes gelaten
welgevallen tot in de berusting van een monotoon, ronkend gesnurk.
‘O, niet?’
Thea verdeelde de aandacht tussen Walter en
haar pogingen om duo paren samen te stellen uit een bonte diversiteit aan
sokken in een wasmand.
‘De sterretjes zijn de slechtsten van de klas,
daarna komen de maantjes en de zonnetjes zijn het beste.’
Verrast door deze beeldende fantasie was Thea
meteen één en al oor. Walter was er het
jongetje niet naar om in metaforen te praten. Walter dacht en communiceerde in
heldere problemen en kant en klare oplossingen.
‘Denk je dat echt?’
Toch kon Thea zich gewoon niet voostellen dat
Walter geen onzin zat te verkondigen.
‘Meester Gijsbert heeft vandaag drie lijstjes
op het prikbord naast het digibord in de klas gehangen. Mijn naam staat onder
de sterretjes.’
‘Ow, help, volgens mij is het echt waar’,
wanhoopte Thea in gedachten.
Snel probeerde ze zo waarachtig mogelijk in te
spelen op de belevingswereld van Walter:
‘Ja, maar schat dat betekent toch niet dat je
de slechtste van de klas bent?’
‘Wel hoor’, hield Walter stug vol.
‘Wie staan er dan nog meer bij de sterretjes?’,
vroeg Thea voor de zekerheid.
Haar latent aanwezige onderdrukte kwaadheid
over het beleid op De Wielewaal begon de
gemoedstoestand van Thea alweer te beïnvloeden. Het zou niet de eerste
keer zijn dat ze in het bijzijn van Walter haar woede ventileerde. Deze keer
haar furiositeit over het eventuele bestaan van een kwalificatiesysteem in
groep 3 van de basisschool. Sterretjes, maantjes en zonnetjes. De Über- en
Untermenschen. De sterretjes zijn voor altijd gebrandmerkt. Walter had zijn
vuur niet van een vreemde.
‘Jamille staat erop en Jabir, Basum Anton,
Amir, Emir en Ketifa en verder weet ik het niet’.
Hoezo eigenaardig dat zo’n beetje alle kinderen
met een migratie-achtergrond uit groep 3 van De Wielewaal bij de sterretjes
waren ingedeeld?!
‘En gaat er nog iets met de sterretjes
gebeuren?’
Thea zou bijna weer in sprookjes gaan geloven.
‘De sterretjes gaan allemaal naar juffrouw
Wilma. Elke maandagmiddag en woensdagmorgen’
‘Is dat erg dan?’
‘Neuh, leuker als meester Gijsbert.’
‘Dan’, verbeterde Thea automatisch.
‘Wat?’, vroeg Walter verward.
‘Wat zegt u mevrouw mama?!’
Belerend stak Thea een vingertje in de lucht,
maar Walter ontweek haar handig:
‘Wat jij zegt!’
Walter lachte gelukkig weer.
‘Als je juffrouw Wilma niet meer leuk vindt dan
waarschuw je papa of mij. Dan hoef je niet meer naar de sterretjesgroep.’
‘Ik vind meester Gijsbert niet leuk.’
‘Waarom niet?’
‘Ik krijg altijd de schuld.’
‘Jij vindt altijd dat je altijd de schuld
krijgt; papa en ik noemen dat ‘het syndroom van Calimero’.
‘Wat is Calimero?’
‘Calimero is een kuikentje uit een tekenfilm
met veel zelfmedelijden. Zo van: Zij zijn groot en ik ben klein en dat is niet
eerlijk.’
Zorgvuldig bracht Walter de hondenoren van Yolo
weer in de juiste positie.
‘Ik had taal weer niet af.’
‘Nou en, ik krijg m’n sokkenselectie niet af.’
‘Ik kon het best, maar ik zat alleen en toen
kon ik mijn punt niet slijpen.’
‘Hoezo, waarom schrijf je niet met een pen?’
‘We moeten met potlood schrijven.’
‘Waarom?’
‘We moeten gummen niet strepen.’
‘Nee, ik bedoel; waarom zat je alleen?’
‘Ik zat op de gang.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik altijd de schuld krijg.’
Wie zondert een kind van 6 nou af van de groep
tijdens de les?
‘Maar hij had geen straf’, verzekerde meester
Gijsbert Thea tijdens het schooldagelijkse crisisoverleg onder vier ogen in het
lokaal van groep 3.
‘Waarom zet je hem dan op de gang?’
Meester Gijsbert gaf altijd een pasklaar
antwoord. Thea werd er zo moe van.
‘Omdat de groep onrustig was.’
‘Nou dan is het toch logisch dat Walter vindt
dat hij altijd de schuld krijgt?’
‘Ja, maar dat is niet zo.’
‘Ja, maar dat weet Walter toch niet?’
‘Ja, maar ik dacht dat hij zich beter kon
concentreren op de taaltoets als hij apart op de gang zou zitten.’
‘Ja maar hij zag allerlei dingen, zei hij. Die
dingen moest hij eerst bekijken. Tekeningen aan de muur die hij nog nooit
gezien had. De directrice – Willy Bakbruin – kwam voorbij lopen. Zij vroeg nog
aan hem waarom hij zo alleen op de gang zat. Daarna brak de punt van zijn
potlood af en toen was de tijd om en had hij de taaltaak niet af.’
‘Het was geen taaltaak, maar een citotoets voor groep 3.’
‘Nog erger; daar reken jij hem in zijn rapport
weer op af. Dat hij zijn werk niet op tijd afheeft.’
‘Hij kan juist hartstikke goed rekenen.’
‘Was het een rekentoets dan?’
‘Nee, het was een taaltoets en hij had hem weer
niet af.’
Thea verkneep zich. Ze strekte haar
bovenlichaam en maakte de nekspieren los door met haar hoofd te tollen. Ze
stokte toen haar blik op 3 lijsten naast het digibord viel:
‘Wat betekent dat?’
Ze knikte naar de besproken lijsten met
afzonderlijk sterretjes, maantjes en zonnetjes. Meester Gijsbert leefde op:
‘Dat is een indelingssysteem dat wij hier op De
Wielewaal hanteren. De zonnetjes zijn de hoogbegaafde kinderen. De maantjes
behoeven af en toe weleens een steuntje in de rug en de sterretjes zijn de
leerlingen die het meeste zorg eisen.’
Thea stond op en begaf zich naar de lijst om de
indeling goed te kunnen bestuderen. Tim, het klasgenootje met wie Walter een
knipperlicht vriendschap deelde, was een zonnetje. Thea had inmiddels met haar
werk bij Huiswerksterk al wel zoveel ervaring opgedaan om in te kunnen schatten
dat Walter mentaal in geen geval onderdeed voor Tim. Bovendien had de
vechtscheiding van de ouders van Tim hem een onvoorspelbare moeder en een
depressieve vader opgeleverd. Thea wist uit ervaring dat kinderen met een
onstabiele thuisbasis wel degelijk extra zorg en aandacht nodig hadden op
school. Juist op school. Weg van de spanningen thuis. Hoe hoogbegaafd ook. Ze
hoefde maar naar haar oppaskinderen uit de begintijd van Huiswerksterk te
kijken. Jasmijn en Melvin. Zodoende
durfde Thea die begeerlijke hoogbegaafdheid in de meeste gevallen ook
ernstig te betwijfelde. Maar ja; de gesubsidieerde, roemruchte plusgroep van De
Wielewaal moest ook jaarlijks doorstroming vinden met een vers gekweekte
toevoer uiteraard.
‘Wist jij dat Walter denkt dat hij de slechtste
van de klas is, omdat jij hem bij de sterretjes hebt ingedeeld?’, vroeg Thea
afgemeten aan meester Gijsbert.
‘Dat is natuurlijk onzin’, grijnsde meester
Gijsbert ongemakkelijk.
Zijn zichtbare leedvermaak dreef Thea tot razernij en een rigoureuze actie.
Met drie korte rukken trok ze de lijsten achter elkaar van de muur en scheurde
de A-viertjes op ooghoogte van meester Gijsbert in stukken. De snippers liet ze
demonstratief in de prullenbak onder het digibord verdwijnen. Meester Gijsbert
vond haar sensationeel. Hij liep rood aan en sidderde over zijn hele lichaam
alsof hij in vuur en vlam stond. Het scheelde niet veel of hij had Thea op locatie
besprongen. Haar mondelinge toelichting vormde evenwel een probaat
voorbehoedsmiddel:
‘Hoe jullie in de lerarenkamer over de kinderen
denken is niet mijn zaak. Maar in het openbaar wens ik dat zowel de privacy van
mijn kind als die van anderen gerespecteerd wordt. Ik wil niet van andere
kinderen weten of ze zonnetjes, maantjes of sterretjes zijn en ik wil zeker
niet dat andere ouders weten dat mijn kind door jou – meester Gijsbert de grote
- als een sterretje bestempeld wordt.’
‘En wat dan als Walter een zonnetje was
geweest?’, waagde meester Gijsbert toch nog te provoceren.
Hij zat gewoon te treiteren. Zijn afgang bij
Thea kon hij maar moeilijk verkroppen. En Thea kon zich opeens helemaal voorstellen
waarom hij aan Jade de interne coördinatrice was blijven plakken. Soort zoekt
soort.
‘Als Walter een zonnetje was geweest dan zou ik
de lijsten uiteraard hebben laten hangen’, loog Thea op een dusdanig
indringende wijze dat meester Gijsbert niet anders kon dan haar parodie op z’n
fatsoen trekken en haar tegemoet te komen.
‘Bij mijn weten zijn er geen klachten van
andere ouders, maar misschien heeft Walter mijn klassikale uitleg niet begrepen
en moet ik hem apart nog een keer extra uitleggen wat een sterretje precies
inhoudt?’, stelde hij overdreven gedienstig voor.
De giga aandrang om - bij wijze van respons –
met haar vuisten op het borstkastje van meester Gijsbert in te timmeren, kon
Thea maar ternauwernood onderdrukken. In plaats daarvan zuchtte ze
gefrustreerd.
‘Ja doe dat maar. Maar niet op de gang graag.’
HOOFDSTUK 12
Kinderen onderling vergelijken mag dus niet.
Althans niet vanuit didactisch perspectief. Steeds als Thea op haar ervaringen
bij Huiswerksterk dacht te kunnen bogen, werd haar door een leerkracht,
pedagoog, of andere deskundige een halt toegeroepen. Maar verbieden werkt juist
averechts. Alles welbeschouwd rezen er trouwens amper noemenswaardige verschillen
tussen het leerproces van Jasmijn en Sabine, of Melvin en Walter. Behalve dan
dat een buitenstaander minder weerstand uitlokt bij de opvoeding dan een vader
of moeder in de rol van leerkracht. De huiswerk begeleiding van de kinderen van
haar ex is Thea altijd stukken makkelijker afgegaan dan de thuishulp aan Sabine
en Walter. Walter heeft nu nog de neiging om overal over in discussie te gaan.
Maar de aarde is rond totdat het tegendeel bewezen is en feitjes zijn feitjes.
Sabine heeft er nog altijd een handje van om weg te dromen boven haar huiswerk
en ‘keurig netjes’ komt niet voor in haar vocabulaire. Niet zo vreemd dat
Sabine als zesjarig meisje in groep 3 begon met een abominabel handschrift.
Geen reden voor de tactloze juffrouw Dorien van groep 3 - en later ook groep 4
– om Sabine op weg te helpen. Integendeel, juffrouw Dorien besloot om het
gestuntel van Sabine onverbloemd aan de schandpaal te nagelen. Aan een lijntje
dat hoog en horizontaal gespannen was over de breedte van het hele klaslokaal
werden de allereerste pogingen tot een leesbaar handschrift van de 6-tot
7jarigen voor alle ouders en andere bezoekers aan groep 3 van juf Dorien
tentoon gespreid. Niet te missen hingen de eerste probeersels van de kleintjes
op uitgescheurde schriftblaadjes naast elkaar te bungelen aan wasknijpers. Het
aandoenlijke gekrabbel en geklieder van Sabine stak halverwege de slinger
vloekend af tegen de schoolvoorbeelden van schoonschrift van alle andere
meisjes uit de klas. Zelfs de jongetjes, die meestal alleen onder dwang bereid
zijn om het werk te verzorgen, bakten er op het eerste gezicht meer van dan
Sabine. Thea was dan ook ziedend. Ze zag de andere moeders wel kijken. Het
leedvermaak in de ogen; het minachtende grimassen; het spastische bewegen van
de benepen lippen. Ten overstaan van bijna alle ouders van de kinderen van
groep 3 nam de moeder van Mathilde namens de meerderheid het voortouw. Niemand
zou haar tegenspreken. Haar dochter stond bekend als de beste van de klas.
Mathilde was een typisch Wielewaalkind en daarmee voorgeprogrammeerd plusgroep
materiaal.
‘Tjeemp Thea, die Sabine van jou heeft nog een
lange weg te gaan. Zo te zien moet ze nog wel even wat oefenen voordat ze mee
kan komen!’
Thea wachtte niet totdat het paars voor haar
ogen was verdwenen, maar voer meteen uit.
‘Oefening baart kunst, maar daarom stuur ik
mijn dochter ook naar school. Ik ga haar niet prematuur drillen zoals jij wel
bij Mathilde gedaan hebt. Kijk maar naar haar gepolijste schrijfstijl. De
invloed van mammie dearest straalt ervan af!’
‘Nou ja, lange tenen. Als jij ook wat meer met
Sabine thuis zou oefenen zou dat het niveau in de klas alleen maar te goede
komen’, sneerde de moeder van Mathilde onder meerstemmige bijval van de
omstanders.
Juffrouw Dorien schaarde zich letterlijk bij de
mening van de meerderheid door fysiek naast de moeder van Mathilde te gaan
staan. Het koord met schrijfsels bleef dan ook onveranderd nog een maand of
twee in de gevarenzone van groep 3, gespannen over het plafond, hangen.
Achteraf had Thea gewoon ter plekke moeten eisen dat de onthullende
schrijfslinger verwijderd werd.
Uiteindelijk kwam juffrouw Dorien de moeder van
Sabine wel enigszins tegemoet. Onder vier ogen met Thea beloofde ze met de hand
op het hart dat ze in de toekomst de ontwikkeling van het handschrift van
Sabine nauwlettend in de gaten zou houden. Ook beloofde juffrouw Dorien dat ze
Sabine in het vervolg een beetje tegen de kritiek van andere ouders in
bescherming zou nemen op een toon waarop
een demente bejaarde een zoethoudertje wordt toebedeeld. Het enige dat juffrouw
Dorien in werkelijkheid ondernam om het handschrift van Sabine te verbeteren
was het inschakelen van de remedial teacher. Wonderwilma. Alweer!
Wonderwilma kwam wederom, zag en overwon. Het
handschrift van Sabine zou in de loop van de basisschooljaren vanzelf wel recht
trekken. Volgens Wonderwilma. Maar die loopbaan ging Thea niet snel genoeg
meer. Niet na de tentoonstelling in de klas. Om herhaling en een
minderwaardigheidscomplex bij Sabine te voorkomen, moest Thea wel zelf met het
handschrift van haar dochter aan de slag. Maar leer je bloedeigen kind eens
binnen de lijntjes te schrijven, zonder zelf het goede voorbeeld te geven! Thea
was geen kalligrafe. Juffrouw Dorien ook
niet waarschijnlijk, maar dat zullen we nooit zeker weten, daar ze helemaal
niet actief aan het verbeteren van het handschrift van Sabine toegekomen is.
Juffrouw Dorien had het veel te druk met de zonnetjes. Dus met de bolleboosjes
uit groep 3 waarvoor kosten noch moeite op De Wielewaal bespaard werden. Eén
voor allen en allen voor de plusgroep. De blessuretijd werd besteed aan de
achterblijvers. Oftewel aan de sterretjes die zo dringend bij de les betrokken
moesten worden dat juffrouw Dorien chronisch overbelast raakte. Aldus vielen de
maantjes in groep 3 van juffrouw Dorien tussen de wal en het schip. Sabine was
zo’n middelmaantje dat in de klas grotendeels aan haar lot werd overgelaten.
Dat ging best, maar zonder vingerwijzingen van juffrouw Dorien bleef ze over de
gebreken aan haar handschrift in het duister tasten.
Thea geloofde niet dat er sprake was van
kwaadwil bij juffrouw Dorien van Sabine in groep 3 en 4. Ze was geen slechte leerkracht, maar net als kleuterjuf
Elsje en meester Gijsbert, overgevoelig voor het klatergoud dat op De Wielewaal
blonk. In vertrouwen met Thea deed juffrouw Dorien het voorkomen alsof de
driedeling zonnetjes, maantjes en sterretjes in groep 3 maar een tijdelijke
status was, die zeker geen garantie bood voor de toekomst. De leerprestaties
van kinderen zijn over het algemeen net zo veranderlijk als het weer. Als Thea
juffrouw Dorien in de wandelgangen moest
geloven dan had Sabine in groep 3 en 4 nog alle kans om een zonnetje te worden.
Theoretisch gezien dan, want in de praktijk bleven alle topposities in groep 3
en 4 bezet door de kinderen van vooraanstaande ouders uit De Wielewaalwijk. In
hun gesprekken thuis verwezen Bart en Thea inmiddels naar deze insiders als
‘opperouders’.
Juffrouw Dorien had een zwak voor de
opperouders met de bijbehorende kids. Ze hoefde tijdens breng- en haalmomenten
maar een paar guitige anekdotes over hun weergaloze kroost ten beste te geven
en juffrouw Dorien had alle vooraanstaande. lachende papa’s, mama’s en
verzorgers uit De Wielewaalwijk op haar hand. Een zelfde geestigheid met Sabine
uit de achterstandswijk in de hoofdrol zou nog niet bij benadering hetzelfde
effect bewerkstelligd hebben en wie is er nou niet liever getapt? Vandaar dat
juffrouw Dorien ook tijdens een ouderavond maar niet uitgepraat raakte over de
schelmse streken van een bosje schitterende zonnetjes in groep 3. Alsof alleen de besten goed genoeg waren om
besproken te mogen worden. De opperouders van de uitverkoren kleintjes
grijnsden alsof ze niet anders verwacht hadden, maar Thea stoorde zich aan het
meeloopgedrag van juffrouw Dorien.
‘Je hebt toch 25 kinderen in de klas?’, vroeg
Thea veelbetekenend na afloop van de ouderavond aan juffrouw Dorien.
Een populaire moeder uit het groepje van
opperouders voegde zich belangstellend bij Thea en juffrouw Dorien. Uit fatsoen
probeerde Thea haar weerstand tegen deze groenmoeder te onderdrukken. Ze was
zo’n drammerig ecomens dat overal een ‘biologische’ sticker op plakte. Zelfs op
haar eigen dieselauto. Ze ging zichtbaar nooit naar de kapper, maar droeg het
haar in zo’n warrig knotje halverwege het achterhoofd. Ze liet haar haren naar
eigen zeggen de vrije loop. Zelfs onder haar oksels en op haar scheenbenen en
bovenlip. Kortom over haar hele lichaam. Figuurlijk ook op haar tanden. In het
bijzijn van het ecomens stond juffrouw Dorien eigenlijk liever niet stil bij de
opmerking van Thea, maar ze kon niet anders. Uit plichtsbesef. Volgens de
onderwijswet had Thea ten slotte ook recht van spreken. Juffrouw Dorien nam
even de tijd om over een gepast antwoord bij zichzelf te rade te gaan. Tot
agitatie van het ecomens dat ongeduldig voor haar beurt sprak.
‘Weet je Thea, sommige kinderen springen er
gewoon uit en andere kinderen drijven gewoon met de stroom mee en vallen niet
op.’
Thea negeerde haar zo hard mogelijk. Ze was al
eens eerder in een woordenwisseling met het ecomens verstrikt geraakt. Thea zou
zich geen tweede keer laten verleiden om zich tot haar bekrompen denkniveau te
verlagen. Het ecomens leefde in haar eigen wereldje waarin geen plaats was voor
inclusiviteit. Zo was ze heilig overtuigd van een elementair verschil tussen de
psyche van jongens en meisjes.
‘Meisjes zijn onderling veel gemener onder
elkaar dan jongens’, beweerde ze stellig tijdens een brengmoment in het
klaslokaal van groep 3.
Thea voelde zich aangesproken en vond dat ze in
de bres moest springen voor Walter en Sabine.
‘Dat heeft dan alles met socialisatie, maar
niets met geslacht te maken’, wierp ze het ecomens voor de voeten.
Met een spottende blik zocht het ecomens
succesvol naar woordeloze steunbetuigingen van mede opperouders, terwijl ze
Thea op haar plaats zette.
‘Dat is geen mening Thea, maar een feit.’
Het klonk als een bedreiging. Het ecomens sprak
uit ervaring. Ze was de volwassen uitvoering van een gemeen meisje. Juffrouw
Dorien kreeg een rood hoofd.
‘Ik was me er helemaal niet van bewust dat ik
kinderen naar voren schoof. Kun je het aan me zien?’, hakkelde ze schuldbewust
richting Thea.
Maar als het erop aankwam dan had juffrouw
Dorien geen ruggengraat, of een eigen mening. Wel gevoel, want in de loop van 2
jaar werd ze steeds doller op Sabine. Andersom wilde Sabine ook geen kwaad
woord over juffrouw Dorien horen. Maar het leek wel alsof die twee
geheimhouding over hun wederzijdse sympathie hadden beklonken. Uit gemakzucht.
Om gedoe met de buitenwacht te voorkomen. Zelfs de schijn van een
voorkeurspositie moest voorkomen worden, hetgeen Thea onnodig vond. Waarom
mocht Sabine niet eens in de schijnwerpers worden gezet? Alleen tijdens de 10 minutengesprekken was
juffrouw Dorien tegen Thea lyrisch over Sabine die de sfeer in de hele klas
scheen te kunnen verlichten en die iedere dag met een opgeruimd humeur op
school verscheen. Hoe anders dan sommige zonnetjes die elke ochtend in tranen
en met pruilende lipjes het klaslokaal van groep 3 binnenslopen in de schaduw
van hun veeleisende opperouders.
Met een bewonderenswaardige berusting loosde
juffrouw Dorien de verdrietige hoopjes naar hun stoeltjes in de kring, terwijl
ze de tranen met tuiten van de huilebalkjes aanhoudend verdedigde tegen het
groeiende onbegrip van normale ouders:
‘Beetje
faalangst.’
De dominerende opperouders van de treurwilgjes
lieten zich voor aanvang van de les niet wegjagen. Thea moest telkens weer
moeite doen om zich van commentaar te onthouden. Misschien moesten deze
zonnetjes een paar maandjes tot maantjes gedegradeerd worden om een beetje tot
zichzelf te kunnen komen?
In het centrum van de kring stond een boekenbak
die de grienende grietjes in opdracht
van hun toezichthouders deugdzaam doorploegden. De opperouders dicteerden de
geschikte kinderliteratuur. Er werd hardop naast en door elkaar voorgelezen en
tegen elkaar opgeboden. Elke morgen van iedere schooldag weer opnieuw, terwijl
Thea zwaaiend door het gangraam de aandacht van Sabine probeerde te trekken.
Soms scoorde Thea een luchtkusje, maar meestal zag Sabine haar niet eens meer
zag staan, omdat ze opging in een geanimeerd gesprek met bevriende
klasgenootjes. Allemaal medemaantjes die in de vroege ochtend ook liever
kletsten dan een prentenboek aan hun ouders voorlazen.
In de tijd dat Jasmijn en Melvin de basisschool
bezochten werden, bij Thea’s weten, de kinderen nog niet ingedeeld in een classificatiesysteem van
zonnetjes, maantjes dan wel sterretjes. En zo ja dan waren zowel Jasmijn als
Melvin overduidelijk geen hoogvliegers geweest, maar wel gemaakt. Want ook voor
omhooggevallen jongens en meisjes geldt nog altijd de aloude zinssnede:
‘Middelmaat siert de straat.’
Desondanks hoorden beide kinderen vanaf hun
eerste stapjes logischerwijs bij de top van hun leerjaar op school. Of ze nou
op de crèche, peuterspeelzaal of basisschool toefden, moeder Beau droeg zorg
voor de status. Beau wist precies wat bon ton was; ze kende de juiste mensen
met de goede connecties en wist steeds de pré te krijgen. Beau behoorde tot de
incrowd. Overal en altijd. Beau kende de ongeschreven regels. Ze wist wie in en
uit was en ze kon mensen naar de mond praten. Ze kon gewetenloos vleien, roddelen
en liegen met het gewenste effect en precies de goede bewoording. Beau viel
niet in de kuil die ze groef voor een ander. Haar dochter Jasmijn was in
vergelijking met Sabine dan ook het perfecte meisjemeisje. Als Jasmijn ’s
ochtends het huis verliet in een witte blouse op een oudroze pantalon en met
boterbloemetjes in haar ingevlochten blonde pieken dan keerde ze in de namiddag
weer in exact dezelfde, smetteloze staat van de basisschool terug. Zelfs haar
bewerkelijke kapsel zat nog onberispelijk in model. En je zou gezworen hebben
dat de pastel geel getinte kindermuiltjes, waar ze al bijna uitgegroeid was,
amper gedragen waren. Zo proper zagen de spiksplinternieuwe stappers van Sabine
er na een uur lopen al niet meer uit. Zoals ook haar kleding aan het eind van
een doodgewone dag geheid onder de onbestemde vlekken zat. Haar goed gekapte,
praktische kapsel was uit model en haar bewegelijke vingertjes zagen blauw van
de inkt. En met al zijn eigenaardigheden kwam ook Walter niet eens bij het
aangepaste gedrag van Melvin in de buurt. Toch had Thea gedurende de beginjaren
van Huiswerksterk zoveel bewijslast jegens haar oppaskinderen weten te
verzamelen dat ze sterk vermoedde dat Jasmijn ook zo haar verborgen gebreken
had. Van Melvin wist ze het nu wel zeker. Jasmijn was altijd een zorgelijk kind
geweest. Bleek, kopschuw, huilerig. Haar
introverte persoonlijkheid stoorde Thea. Jasmijn was van kleins af aan
berekenend en voelde zich bij het minste of geringste achtergesteld door de
hele wereld. Zover als Thea het kon beoordelen had Jasmijn geen sterke band met
haar moeder Beau, maar zeker weten deed ze het niet, want ze had het tweetal
nooit samen gezien. Toen Jasmijn 7 jaar was en Thea een tijdje bij haar vader
Pim woonde, kroop het afstandelijke meisje weleens onverwacht heel dicht tegen
haar nepmoeder aan. Bij gebrek aan beter waarschijnlijk. Ongemakkelijk sloeg
Thea dan een arm om de schouder van Jasmijn zonder haar te willen aanmoedigen.
De idee-fixe dat haar antipathie voor Jasmijn zou doorlekken - en bij iedere
volgende aanraking het kleine meisje meer en meer zou bezoedelen - nam op den
duur onhoudbare proporties aan. Thea verkrampte over haar hele lichaam als
Jasmijn in de buurt kwam. Het kind kon er niets aan veranderen. Het was diep
treurig dat Jasmijn genoegen moest nemen met wat krampachtige genegenheid van
een surrogaatmoeder, want vader Pim sprong niet in voor Jasmijn, maar ook niet
voor de tweejarige Melvin die soms opeens om zich heen en begon te slaan en
schoppen. In plaats van proberen hem tot bedaren te brengen zag Pim de
tweestrijd van zijn zoon met zichzelf een tijdje afstandelijk aan, om
vervolgens de deur van het vrijgezellenappartement achter zich dicht te
trekken. Thea bleef weer eens in haar eentje over met een op hol geslagen
peuter en een emotioneel geremd 7 jarig meisje. Om van de nood een deugd te
maken leerde ze de twee tot rust komen met puzzels, prentenboeken of een
bordspelletje ‘Mens Erger Je Niet.’ Deze bezigheidstherapie werd na haar
scheiding van partner Pim verder uitgebreid met het oefenen van schoolwerk en
het maken huiswerkopdrachten. Zeven
dagen in de week, twee uur per dag na schooltijd en in de weekenden, met
begeleiding van Thea. Voor Jasmijn een dikke 4 jaar lang en voor Melvin iets
meer dan 8 jaar. Die topprestaties op de basisschool kwamen dus niet uit de
lucht vallen. Er was geen alternatief.
Tegenwoordig woont moeder Beau dus al weer een
tijdje in Engeland met haar veel jongere minnaar. Alias de 25jarige ex-vriend
van Jasmijn. En vader Pim is hertrouwd
met ene Femke; de 50jarige stiefmoeder van Melvin. Ze bracht ook een zelf
gemaakt meisje van een andere man in de relatie mee dat vermoedelijk de
summiere aandacht die Pim te vergeven heeft van Melvin afsnoept. Thea zou geen
andere reden kunnen verzinnen waarom Melvin in de heren prostitutie zit.
‘Bemoei je er niet mee’, waarschuwt Bart.
‘Waarom niet?’, vraagt Thea onnozel.
‘Omdat je niet weet wat voor een beerput je
opentrekt.’
Maar zelfs al zou Thea haar neus in de
stinkende affaires van Melvin willen steken, dan zal hij toch eerst weer eens
onverwacht op bezoek moeten komen. Ze heeft hem al twee weken niet gezien en de
laptop van de overbuurman is ook nog niet geretourneerd aan de rechtmatige
eigenaar. Ze zou Melvin natuurlijk kunnen bellen, maar ze heeft zijn mobiele
nummer niet en Pim durft ze niet aan te spreken met het laatste pikante nieuws
over zijn zoon in haar achterhoofd. Ze durft te zweren dat Pim geen flauw benul
heeft van het erotische bijbaantje van Melvin. Pim leeft in de naïeve
veronderstelling dat zijn zoon keurig
het vmbo volgt en weer zoals vroeger huiswerkbegeleiding van Thea krijgt. Of
zoiets.
Ze heeft de afgelopen veertien dagen al wel een
paar keer op het punt gestaan om met de laptop onder haar arm de straat over te
steken en boudweg aan te bellen bij de overbuurman. Ze weet dat het
politiebezoek van twee weken geleden niet tot een arrestatie van de beste man
heeft geleid, want Thea ziet hem dagelijks gewoon komen en gaan vanachter haar
huiskamerraam. Van een afstand lijkt hij
niet onvriendelijk, maar hij is en blijft een pooier natuurlijk en dus een gladjanus.
Hij is klein van stuk; hartstikke kaal; maar dan ook echt helemaal haarloos en
zijn blote hoofd is egaal zonnebankbruin.
Thea houdt het huis aan de overkant ook
nauwlettend in de gaten omdat ze hoopt Melvin te zien opduiken. Ze begint zich
ongerust te maken. Niet dat Melvin normaliter elke dag op de stoep staat, maar
haar onderbuik schreeuwt om een teken van leven. Het is net als met de kat. Pas
als zij niet op komt dagen rond etenstijd is elk tijdsbesef irrelevant.
Onverhoeds zwaait de voordeur van het huis aan de overkant open. Galant doet de
overbuurman een dame uitgeleide. Hij volgt haar op de voet. Zijn skinhead weerkaatst
het novemberzonlicht terwijl hij de voordeur achter zich afsluit. De vrouw komt
Thea bekend voor, maar het is een gangbaar type. Zo’n geplastificeerde
vijftiger met een pittige, geflambeerde coupe. Zo aan haar houding te zien is
ze niet zijn geliefde. Er springen geen vonken over en weer; maar eerder
blikken van verstandhouding. Ze zal wel een oude bekende zijn en ze wacht
geduldig totdat de overbuurman de voordeur afgesloten heeft. Ineens herkent
Thea de stiefmoeder van Melvin. Femke. Uitgerekend Femke heeft Thea totaal niet
zien aankomen. Zou zij inmiddels ingewijd zijn in het geheime dubbelleven van
Melvin? De overbuurman zeult een mega herfstboeket met zich mee. Tot stomme
verbazing van Thea steekt het tweetal de straat over en stopt bij haar woning.
Femke buigt zich licht voorover en zwaait vrolijk naar Thea die versteend van
ontsteltenis opzichtig achter het huiskamerraam staat. De voordeurbel gaat.
‘Dag overbuurvrouw.’
De overbuurman lacht breeduit. Sprakeloos
schudt Thea de uitgestoken hand.
‘Ha, die Thea’, zegt Femke alsof ze haar beste
vriendin een bezoekje brengt.
‘Dit is Bink, mijn broer. Mogen we even binnen
komen?’
Stom doet Thea een stapje achteruit.
Schoorvoetend komt het span tot stilstand in de hal, waarna Thea zwijgend voor gaat naar de huiskamer. Bij
binnenkomst ziet Bink meteen zijn zilverkleurige laptop op het bureau van Thea
liggen.
‘Kijk eens daar issie, mijn laptop’, roept hij
verheugd.
Het grote herfstboeket duwt hij van zich af
tegen de borsten van Thea die de bloemen in een reflex omarmt. Zijn laptop
neemt hij meteen in beslag.
‘Koffie?’, vraagt Thea vanachter het
herfstboeket.
‘Doe geen moeite’.
Onbehaaglijk kijkt Femke om zich heen.
‘Ik krijg zo leerlingen’, meldt Thea naar
waarheid.
‘Dan gaan we toch’, stelt Bink voor. Hij lijkt
zich van geen kwaad bewust.
‘Dat boeket is voor jou. Als dank voor de
opslag van mijn laptop. Het moest even. Er staan dingetjes op. Niets illegaals,
maar toch, ik heb liever niet dat de informatie in handen van de verkeerde
mensen valt.’
‘Mijn zoon zegt dat je gevoelige informatie
veel beter van de harde schijf af kunt halen en op een usbstick kunt zetten.’
Het is eruit voordat Thea het goed en wel in de
gaten heeft.
‘Daar was geen tijd meer voor.’
Thea vlijt de bos bloemen op de salontafel,
verzamelt al haar moed en kijkt Bink doordringend aan:
‘Gelukkig dat Melvin toevallig op bezoek was
tijdens die abrupte inval van de politie 2 weken terug.’
De mondhoeken van Bink zakken prompt naar
beneden:
‘Gelukkig wel ja’, bevestigt hij met klem.
‘De boekhouder van Bink heeft hem een loer
gedraaid’, legt Femke uit op een toon waarmee ze Thea tot consideratie hoopt
aan te zetten.
‘Heeft hij je dat wijsgemaakt?’
Thea knikt naar Bink. Femke is echter niet te
vermurwen:
‘Er zitten belastinggegevens in die laptop die
justitie heus nog wel onder ogen krijgt. Zodra ze weer rechtgetrokken zijn.’
‘En die foto’s dan?’
Thea weet dat ze zich met deze vraag op
verboden terrein begeeft, maar ze brandt
van nieuwsgierigheid.
‘Welke foto’s?’
Of Femke is een enorm miskend acteertalent, óf
ze weet echt van niks.
‘Foto’s van toyboys!’
‘Ow, kom nou toch Thea. Sinds wanneer is het
downloaden van homo-erotiek strafbaar?’, blaast Femke.
‘Kan je broer ook voor zichzelf praten?’
Thea stelt de vraag aan Bink die haar dreigend
aanstaart:
‘Ja, sorry, natuurlijk kan Bink voor zichzelf
praten’, verontschuldigt Femke zich gekalmeerd.
Thea moet met tegenzin aan zichzelf toegeven
dat Femke geen verkeerd persoon is. Nu lacht ze zelfs ontwapenend en vervolgt:
‘Ik ben het gewoon gewend om mijn kleine
broertje tegen zichzelf in bescherming te nemen. Terwijl Pim en ik juist zoveel
aan Bink te danken hebben sinds Melvin ook uit de kast gekomen is.’
‘Ja, dat helpt enorm natuurlijk’, raaskalt
Thea.
Ze weet niet wat ze hoort. Opnieuw klinkt de
voordeurbel.
‘Je leerling is gearriveerd’, duidt Femke over
haar schouder, terwijl ze de huiskamer uitloopt. Thea blijft alleen met Bink
achter:
‘Ik hoop dat jouw whizzkid die jongens niet op
usbstick gezet heeft’, gromt hij.
‘Laat mijn zoon erbuiten’, walgt Thea.
‘En jij Melvin’, dreigt Bink in het
voorbijgaan.
‘En als ik het niet doe?’
Bink staat oog in oog met Thea. Ze ruikt zijn
muffe adem als hij haar fluisterend terecht wijst:
‘Wat voert toyboy Melvin eigenlijk zo vaak in
het huis van cougar Thea uit?’
Thea snakt en hapt naar adem voordat ze
kinderlijk verontwaardigd uitroept:
‘Niks.’
‘Maak dat je poesje wijs’, finisht Bink
suggestief.
HOOFDSTUK 13
Bink heeft Thea met succes monddood gemaakt. In
het verleden is ze al voor vanalles en nog wat uitgemaakt, dus Thea zou niet
raar staan te kijken als de buitenwacht ook in het geval van Melvin niet al te
veel aanmoediging behoeft om haar voor een cougar aan te zien. Dat woord alleen
al. Voordat je de betekenis goed en wel in de smiezen hebt, treft de insinuatie
meteen doel. Je raakt besmet met dat wat er over je gefluisterd wordt.
Maar bij een cougar ging die vlieger niet op. Daar was de pedofiele implicatie te
vunzig voor. Alleen een geesteszieke kan zich iets voorstellen bij seks met een
kind, puber of jong volwassene. De verhoudingen kloppen niet. Ze zijn
tegennatuurlijk in hun ontwikkelingsproces; statisch in ongelijkwaardigheid.
Pedofilie is machtswellust en Thea is
een democrate. Zelfs in de verbeelding. De wens is immers de verwekker van de
gedachte.
Op die manier gaf meester Gijsbert zijn
wensdenken ook vleugels. Iedereen die het maar horen wilde maakte hij op De
Wielewaal wijs dat Walter met sprongen vooruit ging dankzij het doordeweekse,
dagelijkse crisisoverleg met moeder Thea na schooltijd in het klaslokaal van
groep 3. De openhartigheid van meester Gijsbert leverde Thea aardig wat scheve
ogen op. Veel gescheiden moeders zouden maar al te graag met Thea ruilen.
Crisisoverleg kon ook buiten in het stadspark met een picknickmand erbij. Alsof
meester Gijsbert de laatste man op aarde was en dan nog zou Thea bedanken voor
de eer. Met het verstrijken van de schooldagen moest ze steeds langer wachten
voordat meester Gijsbert vrij was. Eerst liet hij alle alleenstaande, hitsige
mama’s tegen zich aanrijden en dan waren er nog de vaders van ouwe jongens
krentenbrood die een schouderklopje kwamen geven of halen of alle twee. Toen na
3 weken de wachttijd was opgelopen tot een half uur, hield Thea het
gezamenlijke crisisoverleg voor gezien. Ze riep over de hoofden van de fanclub
heen:
‘Ik geef wel een gil als ik je nodig heb.’
Toen Thea was uitgesproken kon ze het niet
nalaten om, tot ergernis van veel toeschouwers, een Duck face te trekken.
Meester Gijsbert zag haar niet, maar hoorde haar wel.
‘Graag, dank je wel voor je begrip’, hijgde hij
opgewonden en niet mis te verstaan.
‘Geen dank, graag gedaan’, grijnsde Thea.
Thea lachte wel, maar stiekem vond ze meester Gijsbert niet sporen. Hij miste
een belangrijke schakel in de ketting van sociale omgangsnormen en als
kinderverzorgers dan toch om de haverklap spectrumautisme – of een andere vorm
van geestelijke afwijking – in hun omgeving in overweging dienden te nemen dan
was meester Gijsbert eigenlijk een kandidaat met de meeste potentie. Thea
geloofde namelijk allang niet meer dat meester Gijsbert expres onaangenaam
tegen Walter was. Hij werd ertoe gedreven door invloeden van buitenaf. Door
prikkels van vrouwen zoals Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal en
bijvoorbeeld de moeder van Tim. Jenny heette ze en ze vond zichzelf
onweerstaanbaar. Ze leefde gescheiden van de vader van haar 3 kinderen. Haar had Thea in de eerste jaren van haar kinderen op De Wielewaal nog het beste kunnen verdragen van het complete pakket van ouders en verzorgers. Ze was zo’n omslachtig type, iets ouder dan Thea. De liefde van haar leven was laat op haar pad gekomen en wat haar betreft niet snel genoeg weer opgerot. Hij liet haar alleen achter in een herenhuis dat hij van te voren nog wel even eigenhandig van onder tot boven volledig naar haar exclusieve smaak had verbouwd. Verder hield Jenny nog een omgangsregeling, kinderoppas en een flinke
alimentatie aan de scheiding over. Haar ex restte een sociale huurwoning en een
depressie. Hij raakte zijn baan in de advocatuur kwijt en moest op een houtje
bijten om zijn schuld aan Jenny en de kinderen af te betalen. Jenny daarentegen
wist naast haar alimentatie ook nog één of andere vage, aanvullende uitkering
bij de gemeente los te peuteren, omdat ze uiteraard niet in staat was te werken
als alleenstaande moeder met 3 kinderen in een bewerkelijk herenhuis. Daarom
nam de gemeentekas ook nog eens de financiering van de kinderoppas van het
gescheiden stel over. Daarenboven stond het Jenny dag en nacht vrij om een
beroep te doen op een hele sleep mannelijke aanbidders en vrouwelijke
wannabees. Zij hoefde echt niet te smeken om meester Gijsbert. Zijn volledige
aandacht vloeide voort uit haar extravagante verschijning waar meester Gijsbert
geen verweer tegen had. Thea wel. Hoe graag ze Jenny ook mocht vanwege haar
authenticiteit en onverbloemd narcisme; overschaduwen liet ze zich niet door de
moeder van Tim. Want dat was wel wat Jenny bewust of onbewust constant
bewerkstelligde door zichzelf en haar kinderen naar de voorgrond te schuiven
ten koste van iedereen die ze op haar losgeslagen padje tegenkwam. Zoals die
keer dat Walter compleet onthutst uit het schoolgebouw op Thea af kwam rennen.
De vader van Tim was dood. Walter wist wie de vader van Tim was van de
naschoolse speeluurtjes bij zijn vriendje. Thea kende de vader van Tim ook. Hij
kwam zijn oudste zoontje Tim vaak ophalen bij Thea thuis en dan maakte hij een
babbeltje. Een zachtaardige, getormenteerde man. Achteraf had hij natuurlijk
geen zelfmoord gepleegd. Hij was van de trap gevallen toen hij ’s nachts in de
keuken een glaasje water wilde drinken. Een ongelukje.
‘Heeft hij geen kraan vlak bij zijn bed of een
wastafel in de badkamer? Waarom moet hij naar beneden om een glaasje water te
drinken?’ vroeg Walter oprecht verbaasd.
Thea wist niet wat ze zeggen moest. Bij de
poort van de speelplaats kwam ze juffrouw Elsje tegen:
‘Is de vader van Tim van de trap gevallen?’,
hakkelde ze.
‘Nee’, begon Elsje.
Ze vervolgde:
‘Ik heb begrepen dat hij een overdosis heeft
genomen.’
Onverwachts duikelde Walter tussen Thea en
juffrouw Elsje op. Het hoofd vleide hij tegen de buik van Thea. Geschokt drukte
ze haar zoontje dichter tegen zich aan.
‘Hij is nog steeds niet doof en ook niet dom
Elsje’, waarschuwde Thea.
‘En toen is hij van de trap gevallen’, ratelde
juffrouw Elsje in één moeite door.
Ze ging door de knieën en draaide Walter aan
zijn schoudertjes naar zich toe. Met een rustgevende blik zoemde juf Elsje in
op de kinderogen van Walter in de hoop hem te kalmeren. Hij lachte verlegen.
‘Wat is een overdosis?’, vroeg Walter diezelfde
avond nog nadat Thea de laatste zin van een verhaaltje voor het slapen gaan
voorgelezen had.
Thea moest er eens goed voor gaan zitten op de
rand van het IKEA meegroeibed van haar zoon.
‘Een overdosis; dat is zoiets als teveel van
het goede. Snap je?’
Maar Walter sliep al.
De dag daarop wilde Tim bij Walter spelen.
Jenny, de moeder van Tim, had er wel oren naar. Zij had nog zoveel te regelen
in verband met de begrafenis. En zo. Alle hulp en extra aandacht dirigeerde ze
extatisch naar zich toe. Thea had alvast medelijden met haar. Voor straks als
Jenny uiteindelijk alleen achter bleef met haar 3 kinderen in de eeuwige stilte
na het open einde. Toch voelde Thea zich helemaal niet geroepen om toekomstige
open plekken alvast voor Jenny in te vullen. Walter stond ook niet te trappelen om een verdrietig
vriendje op te vangen. Tim was voor Walter sowieso maar een bepekte tijd
achtereen te verdragen. Gelukkig is een kind niet in staat tot lange termijn
planning en zonder bedenktijd had het hart van Thea al voor haar beurt
gesproken en toegezegd om Tim na school op te vangen gedurende de periode voor
de begrafenis:
‘Gecondoleerd met Joop’, zei Thea nog.
‘Hij was niet goed hoor’, verklaarde Jenny in
de gauwigheid alsof daarmee het plotselinge overlijden van Joop te bevatten zou
zijn.
Aan Tim had Thea geen kind. Bart had Walter op
het hart gedrukt dat hij moest klikken als zijn verknipte vriendje hem te
gortig werd. In het verleden had Tim zijn frustraties regelmatig op Walter
afgereageerd op de momenten waarop hij de nachten bij zijn moeder in het
herenhuis doorbracht. Tijdens die bewuste periodes bij zijn moeder was Tim op
schooldagen ook zonderling. Zodra Tim echter met zijn kleine broertje en zusje
in de sociale huurwoning van zijn vader Joop logeerde transformeerde hij weer
in een normaal jongetje en het vriendje van Walter.
Er bestaat een filmopname van de zesde
verjaardag van Walter. Bij de voordeur neemt Tim afscheid. Walter komt aanlopen
met het sluitstuk van zijn partijtje; een snoepzak. Het is hartje zomer en de
atmosfeer kleurt iedereen in de film wat frisser en lichter, maar Joop staat
desondanks klein, uitgemergeld, grauwgrijs en onbeduidend naast de twee
jongetjes in de zonovergoten hal. Met zachte dwang maant hij zijn zoon om de
jarige job netjes te bedanken.
‘Ja, natuurlijk; dag Walter; het was leuk; jij
bent mijn beste vriend.’
Het iele jongensstemmetje spreekt uit de grond
van zijn hart. Tim neemt de snoepzak van Walter over. Vervolgens omarmen de
jongetjes elkaar. Spontaan. Bart filmt en zoemt in op het getekende gezicht van
Joop. Zijn ogen zijn vochtig. Hij lacht zijn gele nicotinetanden bloot. Een
close-up van de ontroering. Zelfs nu, 7 jaar later, schieten zowel Bart als
Thea nog vol bij het zien van het filmfragment. En dan te bedenken dat Tim het
verjaardagsfeestje van Walter bijna gemist had. Op navraag bij Jenny bleek ze de
uitnodiging kwijtgeraakt. Maar wat een gezeik ook. Want sowieso had haar ex
Joop, en niet zij, de kinderen in de week van het fuifje van Walter. Niet zo
gek dus dat Thea al zo’n voorgevoel had. Op de dag van het verjaardagsfeestje
van Walter gaf ze Joop voor de zekerheid een herinneringsbelletje.
‘We zijn onderweg’, zei Joop meteen toe.
Hij was hoorbaar overdonderd, maar hij voelde,
in tegenstelling tot Jenny, wel aan dat niet altijd alles van één kant kon
komen. Zelfs zo goed dat hij tot besluit maar helemaal definitief stopte met
meeleven.
Op de begrafenis van Joop zong groep 3 een
afscheidsliedje. De 25 heldere stemmetjes van het kinderkoor op het altaar
klaterden als een verfrissende waterval over de beladen sfeer in de kerk. Het
louterende effect in combinatie met de gewijde akoestiek in de heilige ruimte
bracht iedereen in de ban van het kinderliedje waaraan ook Walter uit volle
borst meezong:
Ik voel je heus wel stralen.
Al is je sterretje nog zo klein.
Ik zal niet meer verdwalen.
Jij zult mijn lichtpuntje aan de hemel zijn.
Na de laatste pianoklanken volgde een
oorverdovend applaus. En terecht. Ook vanwege de lange mis van bijna 2 uur die
de kleintjes op de hard houten kerkbanken hadden moeten uitzitten om
uiteindelijk een optreden van jewelste te kunnen geven.
Wel bleef Thea zich - al vanaf de bekendmaking
van de datum van de ter aarde bestelling van de vader van Tim – afvragen wat de
geplande, complete bezetting van groep 3 eigenlijk op een begrafenis van een
papa van één van hun klasgenootjes te zoeken had. Ze vermoedde dat Jenny achter de gedachte van
een kinderrijk afscheid voor haar ex-man zat. Uit onvermogen. Ook van Willy
Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Anders ga je toch niet mee met die
ongein?! Wie verzint zoiets? Nou was Thea welhaast verplicht om ook aan de
begrafenisdienst deel te nemen. Voor je het wist had Walter zich weer
misdragen. Maar al die tijd voor de apotheose van de engelachtige kinderzang
had Walter braaf en stokstijf naast Thea op de smalle zitting van de kerkbank
afgewacht. Er was geen onvertogen woord over zijn lippen gekomen en hij was nog
net niet in slaap gevallen tijdens de toespraken van allerlei vreemde
volwassenen. Het liet Walter ook volstrekt koud dat andere jongetjes uit groep
3 gedichten voordroegen voor Tim en kaarsjes mochten aansteken voor Joop. De
zesjarige Jonas werd zelfs nog eens extra, apart naar het altaar geroepen,
omdat hij de steun en toeverlaat en het allerbeste vriendje van Tim zou zijn.
Thea wist niet waar ze het zoeken moest met haar ingehouden verontwaardiging. Miskend keek ze een paar
keer woedend in de richting van Jenny die in de voorste kerkbank stug voor zich
uit bleef staren met haar jongste zoon op schoot. Tim gaf ook geen teken van
leven. Hij keek niet één keer de kant van Thea of Walter op, hoewel hij de
afgelopen dagen praktisch bij hen gewoond had. Maar terwijl Thea zich bedwong,
maakte Walter een bevrijde indruk. Alsof hij door de negatie van zijn
aanwezigheid verlost was van een zware druk. Voor zijn gevoel kon hij vanaf nu
afstand nemen van Tim. Zo klein als hij was had hij aan zijn plicht als
vriendje voldaan. Vanaf vandaag stond Walter zichzelf weer toe om zijn eigen
gangetje te gaan. Tim zou vanzelf wel weer zijn kant opkomen. Zoals zo vaak.
Want zo gaan die dingen. Of Thea dat nou leuk vond of niet.
Een maand later kreeg Walter tussen de middag
abrupt een driftbui thuis. Hij wilde niet meer naar school Basta.
‘Je kunt ook gewoon zeggen wat er loos is
Walter.’
Thea was ongeduldig. Ze waren al laat.
‘Hij zegt dat hij van meester Gijsbert naast
Tim moet zitten’, legde Sabine snel uit en tegen Walter zei ze:
‘Schiet op Walter; straks kom ik te laat op
school, omdat jij niet mee wilt komen. Dan moet ik nablijven. En hoe erg is het
nou om naast je vriend in de klas te zitten?!’
‘Tim maakt steeds ruzie en dan krijg ik de
schuld’, raasde Walter.
Thea voelde de machteloze woedevulkaan alweer
opborrelen in haar buik. Hoe kon meester Gijsbert zo ondoordacht acteren?
Tijdens één van de vele crisisbijeenkomsten na school had meester Gijsbert van
Thea vrij spel gekregen bij de disciplinering van haar zoon in de klas.
Indirect ook van Bart. Niet omdat Bart en Thea vonden dat er zoveel mankeerde
aan het gedrag of de persoonlijkheid van Walter, maar omdat zij geen controle
hadden op de gang van zaken in groep 3. Walter moest op eigen houtje weerbaar
worden. Tegen bloedzuigers zoals Tim. Meelopers, die zich uit eigen belang aan
de ander vastklampten; maar die een maatje lieten vallen als een baksteen als
de wind de andere kant uitwoei. Maar zelfs met de wind in de rug, voelde Walter
zich, naast aangetrokken, ook vaak geclaimd door Tim. Het was alles of niets;
water en vuur; yin en yang; haat en liefde tussen die twee en Walter zou zich
gevangen voelen als hij op school ook nog eens gedwongen werd om de hele dag
naast zijn wispelturige vriendje te zitten. Zeker omdat Tim niet de enige was
met wie Walter moest leren leven. Ook meester Gijsbert had een
gebruiksaanwijzing en was naast een asociale hork helaas geen unicum.
Knarsetandend strekte Thea haar hand.
‘Ik beloof je dat je niet meer naast Tim hoeft
te zitten’, zwoor ze, terwijl Walter
aarzelend en huilerig inhaakte.
Sabine rende de trappen in de Wielewaal op om
nog net op tijd in het klaslokaal van groep 4 bij juffrouw Dorien te zijn, maar
Walter zette zich schrap bij de eerste trede. Thea kreeg een flashback naar de
ingang van De Kleine Beer. Toen was Walter de helft jonger dan nu; ze kon hem
fysiek niet meer een richting op dwingen.
‘Ga nou mee Walter’, smeekte ze.
‘Nee!’, gilde hij.
‘Ik praat met meester Gijsbert, echt’, beloofde
Thea met de moed der wanhoop, want ze wist natuurlijk niet zeker of meester
Gijsbert wel direct aanspreekbaar was.
‘Nee, nee, nee, nee!’, krijste Walter.
Hij zakte door zijn benen en kwam plompverloren
met zijn achterste op de trap terecht. Hij rukte de plukken haren figuurlijk en
bijna letterlijk uit zijn kop. Met een paranoïde blik in die prachtige, blauwe
ogen vol tranen keek hij Thea radeloos aan. Zijn gezicht was behuild en rood
gevlekt. De lessen waren begonnen. De gangen waren leeg. Het gegil en
hartverscheurende snikken van Walter echode door het schoolgebouw. Het leek
Thea sterk dat niemand iets meekreeg. Maar ineens gaf Walter mee. Alsof hij zich
met een schok realiseerde dat hij het zelf was die de stilte verstoorde. Bedaard en nog wat nasnikkend draaide hij
zijn bovenlichaam een halve slag, trok zich op aan de trapleuning en sjokte
verslagen langs Thea af naar boven. In het voorbijgaan greep Thea zijn klamme
handje. Meester Gijsbert zag Walter staan door het raam in de deur van het
klaslokaal. Thea dook achter haar zoon op en wenkte meester Gijsbert.
Welwillend verscheen hij in de deuropening.
‘Hij wilde niet naar school en nou schaamt hij
zich’, verklaarde Thea op gedempte toon,
‘Och, jongen dat hoeft toch niet’, riep meester
Gijsbert tot verbazing van Thea welgemeend uit.
‘Hij wil namelijk niet naast Tim zitten’, ging
Thea onverbloemd verder.
Walter kneep haar hand fijn.
‘Ja, ik dacht vanmorgen al; heb ik daar wel
goed aan gedaan door die twee naast elkaar te zetten’, bekende meester Gijsbert
alsof iemand anders hem op het verkeerde been had gezet.
Wie zou dat nou toch geweest kunnen zijn?
Jenny, de moeder van Tim natuurlijk.
‘Ach, had Timmetje weer een time-out nodig en
is Walter dan weer goed genoeg?’, verifieerde Thea fijntjes.
‘Nou, nou, Walter kan anders ook erg bezitterig
zijn’, stamelde meester Gijsbert uit zelfverdediging.
‘Reden temeer om ze niet ook nog op een vaste
plaats in de klas naast elkaar te zetten.’
Thea had meester Gijsbert duidelijk in
verlegenheid gebracht. Hij koos eieren voor zijn geld, want zelfs hij zag wel
in dat Thea op dit moment een grotere bedreiging voor zijn toekomstige carrière als basisschooldirecteur vormde dan
Jenny, de moeder van Tim.
‘Ik ben het met je eens dat die twee inderdaad
maar beter niet naast elkaar moeten zitten’, verklaarde hij plechtig en tegen
Walter zei hij:
‘Ga maar naar binnen jongen; dan leg ik wel aan
Tim uit dat jij liever alleen zit.’
De dag daarop moest en zou Walter zo snel
mogelijk naar school. Vol enthousiasme rende hij ’s morgens de trap op naar de
eerste verdieping en het klaslokaal van groep 3. Uit pure dankbaarheid droeg
hij zijn vriendenboekje bij zich. Thea ziet de zesjarige Walter tijdens het
wegbrengen in haar herinnering nog deemoedig staan opkijken naar het banale,
uitdrukkingsloze smoelwerk van meester Gijsbert. Wijdbeens stond hij voor de
klas en staarde leeg over de krullenbol van Walter heen. Het aandenken is een
gestold minidrama als in een tableau vivant. De kleine Walter in zijn kingsize
spijkerbroek en kanariegele megasweater – voordelig en op de groei aangeschaft
- en meester Gijsbert op z’n beduimelde sneakers en in z’n afgewassen T-shirt
van Amnesty International. Na een paar seconde haalde Walter dralend zijn
vriendenboekje omhoog. Kort sloeg meester Gijsbert de ogen neer. Hij wist wel
degelijk wat de bedoeling van een vriendenboekje was, want hij had bijna alle
andere kinderen uit groep 3 al met handgeschreven weetjes over zichzelf wijzer
gemaakt. Schielijk keek hij weer voor zich uit met de handen op de rug. Hij zag
Walter zogenaamd niet staan. Ook achteraf bezien kan Thea met de beste wil nog
niet beoordelen of hij opzettelijk bot was, of dat het poreuze brein van
meester Gijsbert af en toe gewoon de normale omgangsvormen even niet meer kon
verwerken. Terneergeslagen wendde Walter zich van meester Gijsbert af en botste
tegen Tim op die naar het vriendenboekje greep:
‘Zal ik in je vriendenboekje schrijven?’
‘Doe, maar’, vond Walter op een toon die aangaf
dat hij alweer herstellende was van zijn depressie.
‘Jij hebt al in het vriendenboekje van Walter
geschreven’, riep een ander kind dat zojuist door een ouder in het klaslokaal
van groep 3 afgeleverd werd.
Hierop griste meester Gijsbert het
vriendenboekje uit de handen van Tim en reikte Thea het schriftje zijwaarts
aan. Zonder oogcontact te maken. Ze had de hele tijd vanuit het hoekje naast de
geopende deur in het lokaal staan toekijken en zou gezworen hebben dat hij haar
niet had opgemerkt.
‘Ga zitten Tim’, commandeerde hij en tegen
Walter riep hij:
‘Jij wilde toch geen vrienden meer met Tim
zijn?’
Walter haalde zijn schouders op. Na school kwam
Tim spelen. Als vanouds. Vandaag de dag, jaren later, hebben die twee nog
steeds contact. Ze gaan niet eens naar dezelfde middelbare school maar vinden
elkaar wel via Skype of ze zoeken elkaar sporadisch op. Vrienden voor het
leven. Ondanks meester Gijsbert en moeder Jenny.
Walter liet zich nooit uit over meester
Gijsbert. Niet in positieve of negatieve zin. Hij hield zich niet langer dan
noodzakelijk met volwassenen bezig en richtte zich op zijn leeftijdgenootjes.
Tot blijdschap van Thea. Zo’n reactiepatroon is toch een teken van een gezonde
kindergeest. Wel werd er dus behoorlijk gevochten door de kleine mannen van de
generatie van Walter. Groep 3 telde 6 moslim jongens. Vier Marokkanen en twee
Turken. Hun ouders waren geen hoogopgeleide immigranten; maar eerste generatie
gastarbeiders. De wijk van De Wielewaal was aan het verpauperen. De sociale
woningbouw en studentenhuizen rukten op. Meneer en mevrouw Hoogopgeleid hielden
het voor gezien in het voormalige elysium en verkochten hun panden aan
huisjesmelkers. Vandaar dat het mogelijk was dat op de befaamde Wielewaal iets
meer dan 25 procent van 25 kinderen niet voldeed aan het keurmerk. De 5 meisjes
met een islamitische achtergrond uit groep 3 telde Thea voor de goede orde niet
mee. Zesjarige moslima’s zijn geen agressors. Hun mannelijke equivalenten
echter vaak wel. Bovendien dragen moslima’s voor hun pubertijd nog geen
hoofddoek en bleven er dus weinig kenmerken over waarmee zij zich van de
gemiddelde basisschoolleerling zouden kunnen onderscheiden.
In eerste instantie had Walter een gruwelijke
hekel aan al die gevechten om niks. Pootje haken, stompen, met stenen gooien.
En altijd waren de Marokkaantjes de initiators. De Turkse jongens vochten
lukraak en volgden dus niet blindelings hun geloofsgenoten. Dan vochten ze met
de Marokkaanse krachtpatsertjes mee en dan weer met de van oorsprong
Nederlandse blaaskaakjes. Wel moet gezegd worden dat zowel de Marokkaantjes als
de Turkjes standaard onderling één front vormden, terwijl het zooitje
ongeregeld met een Nederlanders achtergrond onder elkaar ook nogal eens in de
clinch lag. Het was een complete chaos op de speelplaats in de pauze. Een
puinhoop waarvoor de kiem al tijdens de kleuterjaren bij juffrouw Elsje gelegd
was. Omdat De Wielewaal een pestprotocol had, dat ook aan de kleintjes was
uitgelegd in Jip en Janneketaal, dacht Walter dat hij er goed aan deed om
melding te doen van de geweldpleging van zijn klasgenootjes. Hij kreeg geen
gehoor. Bij geen enkele leerkracht van De Wielewaal. Zelfs niet bij de directrice
Willy Bakbruin. Onbevreesd was Walter op haar
afgestapt. De directrice Van De Wielewaal alias Willy Bakbruin had
hartelijk moeten lachen om die malle wijsneus en wuifde zijn bezwaren in de
wind:
‘Waar twee vechten, zijn twee schuld jonge man.’
Ondertussen werd een klasgenootje getackeld
door een zesjarige jongetje van ouders
met ieder 2 paspoorten. Het gevloerde kereltje kwam zodanig gehorig met zijn
achterhoofd op de stenen terecht dat alle andere kinderen op de speelplaats
stil vielen. Hij werd afgevoerd met een ambulance. Het viel wel mee. Achteraf.
Een geluk bij een ongeluk en het keerpunt voor Walter. Vanaf dat moment besloot
hij terug te slaan. Mede namens de jongetjes die van huis uit wat minder testosteron
aanmaakten en zich elk speelkwartier opnieuw bibberend in de zandbak onder de
glijbaan verzamelden. Melvin, Thea’s Betuwefilpje, was vroeger bijvoorbeeld ook zo’n jongetje
geweest dat liever voetbalde of skateboardde dan oproer kraaide en dat altijd
bakzeil trok na elke directe confrontatie met gewelddadigheid. Zelfs het
onderwijzend personeel liet zich intimideren. Niet zozeer door een stelletje
opgefokte vechtersbaasjes, als wel door de feedback van de islamitische
achterban. Een aanklacht tot discriminatie bij het schoolbestuur of de
onderwijsinspectie lag elke dag opnieuw weer op de loer en kon een ieder op
allerlei manieren de kop kosten. Toch was Walter gewoon niet bang en hij liet
zich door Bart aanmoedigen om voor zichzelf op te komen. In wezen had hij ook
geen andere keuze nadat hij net niet van de schooltrap geduwd was door Amir en
Emir; twee Marokkaanse neefjes. Hetzelfde tweetal speelde het wel klaar om
Walter op een onbewaakt moment met zijn hoofd tussen de spijlen van de reling
te klemmen. Met frisse tegenzin kwam
Walter in opstand. Al die voorziene moeite stond hem tegen. Waarom kregen de
raddraaiers niet gewoon straf? Volgens de regels van het pestprotocol zou dat
wel moeten! Een beetje onwennig begon hij licht tegen te strubbelen en
klungelig terug te slaan en vechten. De eerste keer nog met veel lachers aan de
zijlijn. Dat lachen is de omstanders naar verloop van tijd wel vergaan. Al
durfde zelden of nooit iemand openlijk op de hand van Walter te zijn. Angst was
hier echter naast een slechte raadgever ook de reden dat de hilariteit al na
twee keer meppen in puur respect omsloeg, want Walter won steeds weer. Juist
vanwege zijn grove bouw, forse postuur en logge motoriek bleek hij
angstaanjagend sterk te zijn. En tot verrassing van iedereen, Walter incluis,
ook nog eens trefzeker. Alle Marokkaantjes en Turkjes waren sowieso kleiner dan
hij. Hij hoefde de opgewonden standjes maar met één gestrekte arm van zich af
te houden en de vijand was uitgeschakeld. Bart probeerde zijn zoon wel bewust
te maken van zijn eigen kracht. Er hing nog steeds een boksbal in de
speelkamer.
Ondanks alle oneffenheden in groep 3 bleef
meester Gijsbert onverminderd favoriet van de volwassenen. Dat nam echter niet
weg dat hij moeite had met het werven van hulpouders. Op De Wielewaal mochten
ouders zich inschrijven als ‘helpende handjes’ bij activiteiten op school. Dat
kon op intekenlijsten die enkele dagen voor aanvang van de nopende
bedrijvigheid naast het klaslokaal van het betreffende kind gehangen werden.
Meester Gijsbert vergat evenwel het hele schooljaar door om die intekenlijsten
bijtijds op te hangen. Maar zelfs al zou dat niet zo geweest zijn, dan nog had
het animo geen opzien gebaard. Dat was namelijk bij geen enkele leerkracht het
geval. Ja, misschien bij Jan-Willem van groep 8, maar die man was net een
windvaantje; een ware onpersoonlijkheid. Voorts had hij een streepje voor op
meester Gijsbert omdat hij een vaste aanstelling had. In Jan-Willem kon
geïnvesteerd worden voor de toekomst van de illustere blaagjes van de
opgewaardeerde wijkwijven. Daartegenover zou die invalgozer na een jaar weer
vertrekken als het goed was. Hoe dan ook, meester Gijsbert kwam handen tekort
tijdens het kerstdiner dat op De Wielewaal op de avond van de laatste schooldag
voor de kerstvakantie in het klaslokaal gebruikt werd. Traditiegetrouw werd de
catering door de ouders verzorgd. Op een lekkernijenlijst naast de intekenlijst
moest wel elke ouder de voedselbijdrage specificeren, zodat men zich op De
Wielewaal een beeld kon vormen van het menu van het kinderkerstdiner per
afzonderlijke klas. De middag voor het kerstdiner van De Wielewaal had Thea dan
ook 5 uur aan één stuk door 100 flensjes met spek en 100 flensjes met krentjes
staan bakken. Juffrouw Dorien vond de 100 krenten- en spekflensjes van Thea die
bij Sabine in groep 4 terecht kwamen ‘veel te excessief’. Toch had Thea zich
strikt aan haar vooraankondiging op de lekkernijenlijst gehouden.
‘Waarom zijn mijn flensjes nou weer excessief
en de minipizza’s, croissants of donuts van andere ouders niet?’, vroeg Thea
gepikeerd.
‘In jouw spekpannenkoekjes zit spek’,
antwoordde juffrouw Dorien nurks.
‘Nou en?’
‘Nou en? Nou en? Er zitten ook moslims in groep
4 en zij mogen geen spek.’
Thea probeerde nog om een grappige draai te
geven aan de conversatie:
‘Van wie niet?’
Een vader met een uitgestreken gezicht kwam ook
bij de lekkernijenlijst staan en scheen licht op de zaak:
‘Van Allah’.
Op De Wielewaal wist je nooit zeker of iemand
leuk wilde zijn of gewoon geen gevoel voor humor had. Voor de zekerheid ging
Thea altijd van het laatste uit:
‘Nou dan eten die moslims toch
krentenflensjes.’
‘Wat over is neem je weer mee naar huis’,
waarschuwde juffrouw Dorien.
‘Wat ben je toch een schappelijk mens’,
overdreef Thea op haar beurt.
’s Avonds na het kerstdiner waren alle 100
flensjes in groep 4, van de pietluttige juffrouw Dorien, schoon op. In groep 3
van meester Gijsbert was ook niet veel meer over. Hier had Thea met eigen ogen
kunnen aanschouwen hoe de kleintjes zich te goed hadden gedaan aan – onder meer
– haar 100 flensjes. Meester Gijsbert had Thea namelijk gesmeekt om hem bij te
staan tijdens het kerstdiner in groep 3. Alsof Thea niet al uitgeput genoeg
was. Ze had de hele middag daarvoor in de keuken gestaan. Ze kon geen flensjes
meer zien. Nee zeggen tegen meester Gijsbert lukte evenwel ook niet omdat ze in
eerste instantie dacht dat hij echt omhoog zat. Thea was de beroerdste niet.
Naderhand bleek meester Gijsbert iets te paniekerig aan de noodbel getrokken te
hebben, want wel een dozijn helpende handjes maakten van het kerstdiner licht
werk. Vandaar dat Thea op een krukje achter het buffet zat uit te rusten onder
het genot van een heleboel groenvoer waarvan de kinderen geen van allen zelfs
nog maar een rauw worteltje, radijsje of bloemkool roosje hadden verorberd.
Walter had zijn bord beladen met 1 donut, 2 zoute stengels, een gevuld ei en 2
schuimkransjes. Meester Gijsbert zat constant op de vingers van Walter te
kijken en stuurde hem terug naar het buffet. Hij moest een schuimkransje terug
leggen. Nou is Walter – nog steeds – dol op schuimkransjes. Ook omdat Thea ze
nooit kocht of koopt. Ze kan er namelijk niet vanaf blijven en voor ze het weet
heeft ze de inhoud van een kilozak gebunkerd. Thea weet ook zeker dat haar schuimkransjesverslaving
erfelijk is. Ze wil Walter behoeden voor een eetprobleem. Maar tijdens een
kerstdiner van groep 3 mocht Walter van haar best 2 schuimkransjes eten. Temeer
omdat hij niet eens een flensje genomen had. Flensjes kon Walter altijd thuis
nog eten. Andere kinderen hadden wel flensjes gekozen. Sommigen wel 3 flensjes
tegelijk. Een hoofddoekmoeder had de islamitische kinderen zelfs nog op de
mogelijkheid van krentenflensjes in plaats van de geloof gebonden, verboden,
vruchten, in de vorm van spekflensjes, gewezen. Gedwee nam Walter één van de
twee roze schuimkransjes van zijn bord en plaatste het behoedzaam terug in de
grote mand met wel 20 soortgenoten op het buffet.
‘Toe maar jongen’, moedigde Thea hem aan,
terwijl ze aan een worteltje knaagde.
Ongevraagd schonk de hoofddoekmoeder nog wat
chocomel in de beker van Walter bij. Ontlast nam hij weer tegenover meester
Gijsbert aan de lange rij aaneen geschoven tafeltjes plaats. Net als de helft
van de klas zat Walter met de rug naar het buffet en Thea toe.
‘Niet zo inhalig, Walter’, zeurde meester
Gijsbert na.
De verlichting van de kerstboom gaf zijn
gezichtsuitdrukking een lugubere uitstraling.
‘Andere kindjes lusten ook schuimkransjes.’
Walter kromde zijn rug en Thea schoot haar zoon
te hulp:
‘Hij krijgt thuis wel te eten hoor!’, riep ze
door de klas.
De hoofddoekmoeder knikte;
‘Ik zie het’, glunderde ze.
Ondertussen pakte Tim, die een paar plaatsen in
de rij van Walter verwijderd zat, een schuimkransje van zijn bord. Met zijn
elleboog stootte hij zijn buurman aan en overhandigde hem onderhands het
schuimkransje. Het jongetje naast Tim keek even scheef naar wat precies onder
de tafel aan hem doorgegeven was. De intentie had hij al snel in de smiezen.
Ruggelings ging het schuimkransje verder van kinderhand naar kinderhand totdat
het bij Walter op het bord terecht kwam. Alsof het de gewoonste zaak van de
wereld was dat de heerlijkheden uit het niets op zijn bord opdoken, zette
Walter zonder aarzelen gretig zijn tanden in het zojuist gearriveerde
schuimkransje. Meester Gijsbert had niets door. Of hij deed alsof; want binnen
de kortste keren kon Walter de aanvoer niet meer behapstukken en had hij wel 10
schuimkransjes op en naast zijn bord liggen. Ook van Amir en Emir. Kinderen
blijven kinderen en het zooitje ongeregeld, ook wel bekend als de
basisschoolgroep 3 van De Wielewaal, was nog niet verloren.
Maar aan alles komt een eind en zo was ook de
zomervakantie in zicht. Ondanks alle
hindernissen, bezwaren en kritiek was Walter onvoorwaardelijk over naar groep 4
en Sabine onherroepelijk naar groep 5. In de laatste schoolweek heerste dat
jaar onrust op het schoolplein vanwege een bericht in de schoolkrant oftewel de
nieuwsbrief van De Wielewaal. Met name de ouders van de kinderen van de klas
van Sabine klampten zich aan elkaar, en zelfs aan Thea, vast met een paniekblik
in de ogen. Vanaf het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie, zou de Wielewaal
niet langer 2 groepen 5 en 2 groepen 6 tellen. In plaats daarvan zou er, naast
nog maar 1 ‘reguliere’ groep 5 en 6, ook een combinatieklas 5 en 6 komen. De
reden voor deze samenvoeging waren bezuinigingen. De officiële lezing was dat
de zwakkere kinderen van De Wielewaal niet de dupe mochten worden van die
gemene aanstaande overheidsbeknibbelingen op onderwijs. Zonder extra
maatregelen zou de remedial teacher – Wonderwilma – naar huis gestuurd moeten
worden. Vandaar dat directrice Willy op het idee van die combinatieklas was
gekomen. Op die manier kon Wonderwilma gewoon doorbetaald worden en bleef de
remedial teaching op De Wielewaal
floreren ondanks de geplande bezuinigingen. In werkelijkheid was er
overduidelijk geen geld meer voor 2 groepen 5 en 2 groepen 6. Met of zonder
Wonderwilma en met of zonder haar klandizie. Althans niet voor de 4
leerkrachten die nodig zouden zijn voor 4 groepen verdeeld over een kleine 72
kinderen. En geen enkele zichzelf respecterende basisschool kan zich klassen
van maar 18 kinderen per aangestelde leerkracht permitteren zonder van
decadentie verdacht te worden. In minder eufemistische bewoordingen; het
leerlingenaantal van De Wielewaal begon terug te lopen. Misschien was de wijk
aan verjonging toe? Links- of rechtsom. Sabine werd ook uitverkoren voor de
combinatieklas en ze zou Jan-Willem als
meester krijgen.
Thea werd niet warm of koud van de plaatsing
van Sabine in de combinatieklas 5/6 na de zomervakantie, maar de betroffen
opperouders – dus de insiders – waren in rep en roer. Dit besluit van
directrice Willy Bakbruin was buiten hun medeweten om gemaakt. Dat ging zomaar
niet. Daar moest overheen geplast worden! Wel begreep Thea van de
opperouders dat Jan-Willem een geluk bij
een ongeluk was. Hij was een oude rot uit groep 8 van De Wielewaal en een
hartstikke leuke vent aldus een grote groep vooraanstaande, hitsige wijkwijven. Ook de heersende papakliek zag in
de doorsnee Jan-Willem unaniem een klasbak en waarschijnlijk een
onuitputtelijke bron van herkenning. Thea was weleens per ongeluk naast
Jan-Willem terecht gekomen toen ze een plekje zocht om ongestoord op haar
kinderen te wachten op de speelplaats. Hurkend strikte hij een veter van een
schoentje aan een kleutervoet. Thea wist toen nog niet dat hij een onderwijzer
van De Wielewaal was. Ze dacht dat hij ook op zijn kinderen stond te wachten.
Toen Jan-Willem klaar was met strikken en overeind kwam zag hij Thea naast zich
staan. Hij mimede dat hij schrok van haar aanblik. Vervolgens begon hij
plagerig zomaar zachtjes het ‘Theo en Thea’ liedje in de buurt van haar
gehooringang te slissen alsof hij hazentandjes had:
‘Hallo, wij zijn Theo en Thea.
Is dat niet leuk.
Hiep, piep, hoera.
Wij zingen een vrolijk liedje.
Klap in je handen.
hopsasa.
Tsjonge, jonge, jonge.
Is het al begonnen?
Heb je ook weleens een leverworst gewonnen?
Hiep, piep, hoera.
Theo, Thea.
Ahaha, aaaaaaaaaaaaaaah.’
Thea grimaste. Omdat ze vond dat ze uit
beleefdheid moest reageren zei ze opgelaten:
‘Ik heet toevallig Thea’.
Olijk stak Jan-Willem zijn hand naar haar uit:
‘Aangenaam ik ben Jan-Willem.’
De dames die op de speelplaats in de buurt van
Thea stonden werden onrustig. Sommige begonnen de aandacht van Jan-Willem naar
zich toe te trekken.
‘Willempie!’
‘JeeWee!’
Betrapt waggelde Jan-Willem vervolgens met een
gênant Charlie Chaplin loopje het schoolgebouw in.
‘Leuke vent; gewoon zonde dat hij niet langer
in groep 8 staat’, zwijmelde een moeder in een kokerrok, netkousen en op
naaldhakken.
‘Hoezo, gaat hij weg!’, schrok een andere
moeder zo heftig dat het plamuur op haar gezicht scheurend protesteerde.
‘Nee, nou ja, hij gaat naar die combinatieklas.’
‘Ow, dat méén je niet. Nou gáát Jomanda
eindelijk naar groep 8 en nou krijgt ze wéér geen meester.’
In de ijdele hoop de uitloop van mascara en
eyeliner te voorkomen, wapperde de gedupeerde moeder hevig teleurgesteld en
driftig met haar gelakte, lange nagels in de buurt van haar betraande ogen.
‘Ik lijk zeker wel een pierrot?’, snoof ze.
‘Nee hoor’, jokten de vriendinnen om haar heen.
Thea stond erbij en stond versteld van de
vertoning. Voor ze het wist had ze haar mond weer voorbijgepraat:
‘Wat is er zo speciaal aan die Jan-Willem?’’,
vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
‘Alsof jij dat niet weet!’, riep iemand
verontwaardigd.
Thea was zich van geen kwaad bewust en zocht
met opgetrokken wenkbrauwen om zich heen naar een antwoord. Misschien omdat
Jan-Willem een leerkracht van het mannelijk geslacht was? Maar dan wel een
gangbaar type in een spijkerbroek en een T-shirt net als meester Gijsbert. Met
dit verschil dat er bij meester Jan-Willem zelfs niet eens op borsthoogte een
politiek correcte opdruk op zijn hemdje stond.
HOOFDSTUK 14
Pas een week voor de zomervakantie wist meester
Gijsbert van groep 3 zeker dat hij de benoeming tot directeur van een
basisschool in een andere provincie van het land in de pocket had. Hij liep op
wolkjes door de gangen van de school, voor zover een houten Klaas kan zwieren
natuurlijk. In zijn vlucht over de traptreden schoot hij Thea aan die zich in
tegengestelde richting naar beneden begaf.
‘Jou, wil ik nog even spreken’, deelde hij
uitgelaten mede.
Thea voelde zich direct aangevallen.
‘Mevrouw Jou, als ik u niet ontrief’,
meesmuilde ze schaapachtig.
Voor het eerst sinds de pakweg 20 onderonsjes
produceerde meester Gijsbert een ongecontroleerde schaterlach die Thea aan een
zeehond deed denken.
‘Waarom?’, vroeg ze afstandelijk en met grote
ogen.
‘Alle kinderen krijgen deze week hun
eindrapport. Dat van Walter wil ik graag persoonlijk aan jou overhandigen nadat
we samen een praatje gemaakt hebben. Om misverstanden te voorkomen.’
Alsof blunders niet het hele schooljaar lang in
groep 3 van meester Gijsbert aan de orde van de dag waren geweest. In navolging
van de ergste dwaling van de valse beschuldigingen op het eerste rapport, had
Meester Gijsbert zich nog zo vaak vergaloppeerd met Walter, dat Thea niet eens
meer de moeite nam om hem erop aan te spreken. Het meest recente incident ging
over een traktatie van meester Gijsbert een week geleden. Zijn vijftigste
verjaardag moest groots gevierd worden in de klas met een pinata en aardbeienijs.
Het schepijs stond in 2 stapels van 8 gesloten literverpakkingen op een tafel
voorin de klas. Klaar om verdeeld te worden
over ongeveer 25 kuipjes van koek. De 2 paar helpende handjes met ieder
een ijsschep stonden klaar in de startblokken. Alles gebruiksgereed en in
afwachting van het groene licht van meester Gijsbert. Eerst kregen alle
kleintjes een feestelijke puntmuts met een elastiekje onder de kin en daarna
moest iedereen stil zijn. Op het nippertje nam Walter het laatste woord.
Helemaal fout natuurlijk.
‘Ha, lekker, wit!’, riep hij spontaan.
Thuis at hij vaak schepijs als toetje.
‘Dat is geen wit, Walter, dat is aardbeienijs;
dat is rood’, onderwees meester Gijsbert geërgerd.
‘Wit’, sprak Walter zachtjes tegen.
Eén van de helpende handjes was Jenny; de
moeder van Tim. Achteraf zou ze uitgebreid verslag doen van het gebeuren aan
Thea. Nu zei ze belerend:
‘Aardbeien zijn rood Walter, dus dan zal het
schepijs ook wel rood zijn, denk je niet?’
‘Ijs is wit’, antwoordde Walter koppig.
Sommige kinderen begonnen te gniffelen.
‘Normaal gesproken is ijs inderdaad wit. Maar
deze keer niet. Dit is rood ijs. Of roze. Maar niet wit. Het is namelijk
aardbeienijs. En aardbeien zijn rood. Dus dan is aardbeienijs ook rood’, tierde
meester Gijsbert.
Hij dreigde buiten zichzelf te raken van
razernij over dit kleine ettertje. Stijfkoppig schudde Walter het hoofd – het
feesthoedje wipte vrolijk mee - onder
begeleiding van een kort maar krachtig:
‘Nee, het ijs is wit.’
Met ingehouden razernij greep meester Gijsbert
een literpakijs van de stapel op zijn bureau en stoof richting Walter die in
zijn schoolbank verschrikt achteruit week. Uitzinnig duwde meester Gijsbert de
aanduiding op het deksel onder de neus van Walter. Oorverdovend hard spelde hij
de woorden; ’s c h e p i j s m e t
a a r d b e i e n s m a a k’. Zijn rechtervinger fungeerde als aanwijsstok.
‘Het is wit’, herhaalde Walter onderkoeld.
Meester Gijsbert ontplofte. Als Jenny niet zo
contentieus in haar weergave van de feitelijke gebeurtenissen geweest was, dan
zou ze beweerd hebben dat zijn hersenpan explodeerde. Hij wees naar de deur:
‘Eruit wijsneus’! Ga jij maar op de gang feest
vieren! In je eentje! Ga uit m’n ogen!’
In een drafje verdween Walter naar de gang. Na
2 minuten vond Jenny hem in de ruimte achter de trap. Hij zat samen gedoken;
met zijn knieën tegen zijn neus en zijn armen ineengeslagen om zijn opgetrokken
onderbenen. Het feesthoedje stond nog recht op zijn krullenbol.
‘Kom je een ijsje eten, Walter’, smeekte Jenny.
Ze kon dus best hartelijk zijn als ze wilde.
Smeuïg deed Jenny verslag van de woedende wijze waarop meester Gijsbert het
deksel van de eerste literverpakking schepijs rukte nadat Walter het klaslokaal
verlaten had. De mond van meester Gijsbert zakte open. Stomverbaasd keek hij
van de inhoud van de verpakking; naar het etiket op het deksel; naar de
helpende handjes. Want wat bleek? Het schepijs was spierwit. Meester Gijsbert
had het kunnen weten, want ‘schepijs met aardbeiensmaak’ is niet hetzelfde als
‘aardbeienijs’. Tim stak zijn nek uit en riep voorbarig door de klas:
‘Ik wil Walter wel even gaan halen!’
‘Niks ervan, ik ga wel’, had Jenny gezegd.
‘Ja dat ijs dat ken ik. Da’s van de
Euroshopper. Goedkoop, maar wel zonder kunstmatige kleurstoffen. Dat hebben wij
thuis ook altijd. Geen wonder dat Walter van wit aardbeienijs sprak. Hij
herkende de verpakking natuurlijk’, verklaarde Thea.
Een klaagzang van medeleven speelde op in haar
hartstreek. Met moeite betoomde Thea een luidkeelse aanklacht. In plaats
daarvan forceerde ze een quasi terloopse opmerking:
‘Wat is het toch een eikel die Gijsbert.’
‘Nou ja, ik vind het gewoon niks voor hem om zo
onredelijk boos te worden, maar ik vind hem wel een heel geschikte
onderwijzer’, beweerde Jenny ijskoud.
Haar ogen verrieden het tegendeel. Ze
schitterden van sensatielust, maar weerhielden Thea er niet van om een diepe
hartenkreet te slaken:
‘En, heeft Walter nog een aardbeienijsje
gegeten?’
Jenny begon te gniffelen: ‘Hij wilde niet meer
binnenkomen.’
‘Ach, en dan laten jullie een kind van 6 gewoon
lekker in de kou staan?’
‘Het is buiten anders al dagen 30 graden.’
‘Figuurlijk gesproken Jenny’, steunde Thea.
Nee natuurlijk niet, hij wilde niet meekomen, maar naar huis lopen’, lachte Jenny in haar vuistje.
‘Wat zeg je, Jenny, dat meen je niet, hij moet
de rondweg oversteken!’
Thea was in shock. Bij wijze van geruststelling
sloeg Jenny hoofdschuddend een stuk of 10 keer zachtjes met een
gemanicuurde hand op haar schouder.
‘Wind je niet zo op meid. Toos heeft Walter
tegengehouden. Hij is verder de hele middag op de speelplaats bij groep 4
gebleven.’
Geërgerd nam Thea een paar passen afstand van
Jenny en kwam zo ook onder haar resterende, misplaatste schouderklopjes uit.
‘En wie mag Toos dan wel wezen als ik vragen
mag?’
‘Je weet wel ouwe Toos van groep 4’, lichtte
Jenny welwillend toe.
Thea wist het beter.
‘Dorien is van groep 4’.
Jenny besloot er bij te gaan zitten op de rand
van een stenen plantenbak op het schoolplein. Geduldig legde ze aan Thea uit
hoe de vork nu precies in de steel zat.
‘Ja van die andere groep 4; Toos staat al jaren
voor de klas. Volgens mij is ze de pensioengerechtigde leeftijd allang
gepasseerd. Ze schijnt geen afstand te kunnen nemen van het lesgeven op De
Wielewaal. Tim en Walter komen volgend schooljaar bij haar in groep 4 terecht.
Wist je dat niet? Groep 4 van Juffrouw Toos en groep 4 van juffrouw Dorien gaan
fuseren. Er bestaat dan nog maar één groep 4 op De Wielewaal, met Toos aan het
hoofd dus. Dorien gaat freewheelen.’
Thea herademde opgelucht. Juffrouw Toos had
kleine Walter tenminste niet aan zijn lot overgelaten. Kennelijk kende De
Wielewaal ook onderwijzend personeel met gezond verstand.
‘Lang leve Toos’, jubelde Thea vol frisse moed.
Niet verwonderlijk dus dat Thea het einde van
groep 3 met ongeduld tegemoet zag en dat ze min of meer verslagen in de stoel
tegenover meester Gijsbert plaatsnam. Voor de twintigste en nog wat keer en het
allerlaatst samen in een verlaten klaslokaal. De jaloezieën voor de hoge ramen
aan de straatkant filterden het felle zomerzonlicht tot een fletskleurige,
betrokken sfeer. Morgen na school werd de jaarafsluiting in de speeltuin
gevierd. In de gang stond een wachtrij ouders die ook nog het één en ander met
meester Gijsbert te bespreken had. Thea zag de papa’s en mama’s staan dralen en
gluren door de raamwerk in de binnenmuren en ze vervloekte het merkbare
verlangen van meester Gijsbert om zich te omringen met zijn aanbidders in
plaats van zich omringd te weten met het veelzeggende zwijgen van Thea. Hij
kuchte en wees, met een behaarde wijsvinger, op een alinea in het eindrapport
van Walter. Er stond:
‘Walter heeft deze keer de toets voor de
woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve taalontwikkeling is nu op
niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ja, dat heb ik gelezen’, bevestigde Thea mat.
Deze alinea interesseerde haar niet. Ze had het
hele rapport in een flits ingezien. Alleen de handgeschreven conclusie op de
laatste bladzijde was ingeslagen als de
bliksem.
‘Da’s toch goed nieuws?’, vond meester Gijsbert
gemaakt opgewekt. Zijn adem stokte.
‘Wat bedoel je?’, vroeg Thea afwezig.
Haar hersenen waren nog steeds bezig met het
verwerken van het slotoordeel.
Resoluut draaide meester Gijsbert het rapport
van Walter naar zich toe en las met onvaste stem voor:
‘Walter heeft deze keer de toets voor de
woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve taalontwikkeling is nu op
niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ik kan wel lezen hoor’, wist Thea stoïcijns.
‘Nou dan?’
Meester Gijsbert begon geïrriteerd te raken.
Hij had al een paar keer onbedwingbaar naar de gang en de verlossing gelonkt.
‘Wat is het verschil tussen passieve en actieve
taalontwikkeling als ik vragen mag?’, wilde Thea weleens weten.
‘Nou uh, Walter heeft zichzelf overtroffen in
het laatste semester.’
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag’, vond Thea
vermoeid.
‘Hij kan het allemaal wel’.
Zijn antwoord klonk als een gokje. Maar Thea
was er nou toch en beet zich vast in haar ongenoegen:
‘Dus als ik het goed begrijp dan is het
verschil tussen passieve en actieve taalontwikkeling het leerproces?’
‘Dat volg ik niet helemaal’.
Onrustig schoof meester Gijsbert over de
zitting van zijn kinderstoeltje. Zijn knieën ketsten af en aan tegen de vlakke
handen in de tussenruimte van zijn wiebelende benen. Thea bleef onverzettelijk.
‘Laat ik het anders formuleren. Hoeveel andere
kinderen uit de klas hebben de woordenschattoets verder nog uitmuntend
gemaakt?’
‘Niemand. Alleen Walter!’
Meester Gijsbert was er ineens als de kippen
bij om Walter de hemel in te prijzen in de hoop dat dit nog een kans op
vrijspraak bood.
‘Maar Walter blijft gewoon een sterretje. We
maken geen zonnetje van hem of zo?’, wilde Thea nadrukkelijk weten, terwijl ze
tegelijkertijd het hoofd schudde om haar ergste vermoedens kracht bij te
zetten.
Prompt schoot meester Gijsbert in de
zelfverdediging:
‘Ja, dat is het beleid van De Wielewaal. Ik ben
hier straks weg. Ik aanvaard het directeurschap van een middelgrote basisschool
buiten de provincie. Ik kan hier niks meer aan doen.’
‘Natuurlijk niet, jij kunt nergens iets aan
doen’, zei Thea met klem.
‘Ik heb m’n best gedaan. Voor de zekerheid heb
ik alle rapporten ook nog met Jade doorgenomen. Jade is de interne
coördinatrice’, pruilde meester Gijsbert.
‘Ach ja, die Jade, smaalde Thea.
Demonstratief bladerde ze in het rapport van
Walter naar de laatste bladzijde en wees meester Gijsbert op zijn eindoordeel
nadat ze hem het geschrevene recht onder zijn neus geduwd had. Meester Gijsbert
trok wit weg en schoot in de leeshouding met zijn handen nog steeds tussen de
knieën. Er stond te lezen:
‘Vaak is Walter te snel geïrriteerd en dan
deelt hij een tik uit aan andere kinderen. Verder maakt hij het goed in de
klas. Veel succes in groep 4.’
Er viel een stilte die lang genoeg was om het
vonnis wel 10 keer door te lezen. Meester Gijsbert bleef leeg in het rapport
van Walter staren. Resoluut trok Thea het rapport naar zich toe en las voor:
‘Vaak is Walter te snel geïrriteerd en dan
deelt hij een tik uit aan andere kinderen.’
‘Ja, het is toch waar!’, mokte meester
Gijsbert.
‘Daar heb je me wederom niet op aangesproken.’
‘Dat kan; ik heb nogal veel aan m’n hoofd de
laatste tijd.’
Het dedain waarmee hij zich zogenaamd
verontschuldigde raakte Thea niet eens meer. Woester dan ze was kon ze niet
meer worden.
‘Ja net zoals je mij niet op de vermeende
taalachterstand van Walter hebt aangesproken aan het begin van zijn eerste
leerjaar’.
‘Dat hadden we toch uitgepraat’, wanhoopte
meester Gijsbert.
‘Nee hoor, want als dat zo zou zijn dan had ik je haarfijn uit de doeken kunnen
doen hoe een koe een haas vangt.’
‘Je hoeft mij niet uit te leggen hoe ik les
moet geven, dankjewel.’
Op dat punt zag meester Gijsbert groen. Het zag
ernaar uit dat hij zou gaan overgeven. Als Thea tijd over had dan zou ze bijna
medelijden met hem krijgen.
‘Weet je het zeker? Ik heb anders nog wel wat
tips en tops voor je’.
‘Ik zou niet weten waarom je nou weer zo boos
bent?’, stamelde meester Gijsbert daas.
‘Omdat ik zeker weet dat je in de rapporten van
al die andere vechtersbaasjes uit groep 3 niet eerlijk aangegeven hebt dat ze
uitlokken, intrigeren, laten struikelen en vechten. Walter krijgt weer alleen
de schuld!’
‘Waarom zou ik dat doen?’, vroeg meester
Gijsbert meer aan zichzelf dan aan Thea.
‘Omdat je bang bent voor de zogenaamde
vriendjes en vriendinnetjes van Jade!’
Thea verhief haar stem. De ouders in de gang
gluurden nieuwsgierig door de ramen in de binnenmuur. Thea moest haar
middelvinger in bedwang houden. Meester Gijsbert probeerde de boel nog
enigszins de baas te zijn door op te staan en wankelend de deur van het
klaslokaal wagenwijd open te gooien. Hij verdween in de massa.
Net als haar klasgenootjes kwam Sabine het
schoolgebouw uit gehuppeld met een enorme zonnebloem in haar hand. Het effect
van de uitgelaten zonnebloemen op het zonovergoten speelplein was een luchtig
en kunstzinnig schouwspel van kleuren en licht a la Vincent van Gogh. De
zonnebloemen waren een afscheidscadeautje van juffrouw Dorien. De kinderen uit
groep 3 van meester Gijsbert daarentegen droegen allemaal een blanco gesloten
envelop bij zich. Briefgeheim. Naar strenge instructies van meester Gijsbert mocht
de envelop pas thuis geopend worden. Op de achterbank van de auto verbrak
Walter de betovering en scheurde de omslag open. De inhoud was een portretfoto
van meester Gijsbert. Hoe narcistisch kan een mens zijn?! Op de achterkant van
de foto stond in de hanenpoten van meester Gijsbert geschreven:
‘Ik vond het leuk om je in de klas te hebben.’
Walter werd niet eens onder persoonlijke titel
aangesproken. ’s Avonds na het speeltuinfeest mocht hij de foto van meester
Gijsbert ritueel verbranden in de vuurkorf uit de achtertuin onder het toeziend
oog van Sabine, Bart en Thea.
Wie zou er eigenlijk in het turbulente dubbelleven van Melvin een oogje in het zeil
houden? Hij is ook nog maar een net uit het ei gebarsten kind. Een tiener.
Achttien jaar. Hoe langer de periode waarin Melvin niets van zich laat horen;
hoe moeilijker Thea zichzelf kan wijsmaken dat ze zich niet ongerust maakt. Dat
ze geen moederlijke gevoelens koestert voor haar voormalige pleegzoon. Ze kijkt
anders naar haar eigen kinderen. Het contact met hen hangt als een permanente
zender in de lucht. Soms is het windstil, maar de verbinding blijft constant in
beweging; vloeiend of drupsgewijs en steeds over en weer. Van Melvin ontvangt
Thea als een soort matriarchaal opvangstation slechts sporadisch noodsignalen.
Ze heeft hem op één arm gedragen en getroost toen hij nog liever naar zijn
moeder wilde. Als peuter heeft ze hem wakker geschud uit zijn koortsdromen. Op
de basisschool kweekte ze bij hem het gevoel dat hij de wereld aankon. Zo
ontkiemde de tijdloze basis waarop Melvin met tussenpozen terug valt. Haar Betuwe
Flipje. Het is slopend om incidenteel nodig te zijn en te blijven door het gros
van de tijd afstand te houden en overbodigheid te aanvaarden. De kinderen lopen
hem op school ook niet toevallig tegen het begeerlijke lijf en zijn vader Pim
kan ze ook niet zomaar bellen. Wat moet ze zeggen?
‘Hay Pim. Wist je al dat jouw zoon zijn lichaam verkoopt? Aan mannen en vrouwen.
Oudere mannen en vrouwen. Hij is een gigolo, een toyboy. Hoe ik dat weet? Heb
je even? Want het gaat ook jouw zwager aan. De broer van Femke. O, jullie zijn
niet getrouwd? Een samenlevingscontract? Ja, ja, nou in ieder geval woont de
broer van Femke tegenover mij in de straat. Toevallig toch? Welke broer? Femke
heeft meerdere broers? Hij heet Bink. Ja. Dat is haar jongste broer? Die homoseksueel
ja, dat vertelde hij. Trouwens was Melvin niet onlangs uit de kast gekomen.
Niet? Femke zei van wel toen ze laatst bij mij op bezoek was. Wat Femke bij mij
deed? Nou, ja, da’s een lang verhaal. Maar om het kort te houden; heb jij
recentelijk nog iets van Melvin vernomen? Oh, je dacht dat hij bij mij bij
Huiswerksterk zat? Niet dus. Hij is nooit geweest ook. Ergo; ik heb Melvin al
meer dan 2 weken niet gezien of gesproken. Of ik zijn mobiele nummer heb? Nee.
Waarom ik jou dan niet eerder gebeld heb? Ik heb zelf ook een gezin Pim. Weet
je wat; dag Pim.’
De enige die Thea kan aanspreken over Melvin
zonder zichzelf verdacht te maken, is Jasmijn. De grote zus van Melvin. Ze weet
van Melvin dat Jasmijn een peperduur appartement heeft gehuurd boven de Albert
Heijn vlakbij het centrum van de stad. Melvin was enthousiast over het nieuwe
huisadres van zijn zus, omdat hij sindsdien in de weekends na het stappen
vrijuit bij haar mag neerstrijken. Toch weer sympathiek van Jasmijn. Misschien
kent Thea haar toch niet zo goed als ze denkt. Ineens realiseert ze zich dat ze
al een dik decennium geleden voor het laatst oog in oog heeft gestaan met haar
voormalige stiefdochter die nu al weer meer dan zes maanden 22 jaar moet zijn.
De laatste keer dat Thea telefonisch contact had met Jasmijn was korter
geleden. Zo’n 5 jaar. Jasmijn zal 17 geweest zijn. Thea las op het
facebookaccount van het stedelijk gymnasium dat Jasmijn cum laude geslaagd was.
Ze voelde zich min of meer aangesproken. Op haar manier had ze in de
basisschooljaren van Jasmijn toch bij mogen dragen aan dit succesverhaal. Daar
kwam nog bij dat deze episode in haar leven samenviel met het einde van haar
basisschoolhuiswerk met Melvin. Hij mocht zich na die zomervakantie van 5 jaar
terug ook op het stedelijk gymnasium gaan bewijzen. Thea herinnert zich die
periode nog zo goed omdat toen de eerste ideeën voor Huiswerksterk voor
middelbare scholieren door haar hoofd begonnen te spoken. Thea had in de
tussenliggende tijdsspanne van het vertrek van Melvin en het begin van
Huiswerksterk helemaal geen inkomsten meer. Maar omdat Bart gelukkig niet
slecht verdiende liet ze toch een bos ‘duizend schonen’ en een heliumballon in
hartvorm op het thuisadres van Pim, ook de vader van Jasmijn, bezorgen. Om haar tevens mondeling
te feliciteren, belde Thea een dag later naar het vaste telefoonnummer van Pim.
Volgens hem was Jasmijn net terug van de diploma-uitreiking. Op de achtergrond
klonk een geroezemoes van stemmen, muziek, voetstappen en rinkelen van
serviesgoed, terwijl Pim probeerde om Jasmijn aan de telefoon te krijgen:
‘Thea voor je, Jasmijn!’
‘Wie?’
‘Thea, die ken je toch nog wel van de
huiswerkbegeleiding?’
Thea hoorde een vraagteken en vervolgens de
overdracht van de telefoon.
‘Dag, u spreekt met Jasmijn!?’
‘Hey studiebol; ik ben wel trots op je hoor. Je
bent het allereerste eindproduct van Huiswerksterk’, tetterde Thea roekeloos in
haar mobiel, hoewel de moed eigenlijk al in haar schoenen gezonken was.
Zo te horen was Jasmijntje haar oude
huiswerkbegeleidster glad vergeten.
‘Ik heb alleen huiswerkbegeleiding van u gehad
op de basisschool toch?!’, antwoordde de zuinige stem van Jasmijn behoudend.
Aan de klankleur viel wel duidelijk te merken
dat ze rekening hield met toehoorders om haar heen.
‘Jaah, ik dol ook maar een beetje’.
‘Haha.’
‘Nou meid, ik zie je.’
‘Dankuwel.’
En omdat pijnlijke misstappen niet uitnodigen tot herhaling had Thea sindsdien
niets meer van zich laten horen.
Thea kan niets anders bedenken dan vanaf nu
maar dagelijks bij de bewuste AH onder de flat van Jasmijn te shoppen. Zodoende
hoopt ze dat ze Jasmijn vandaag of morgen toevallig expres tegen komt. Daarna
zou Thea terug kunnen vallen op haar eventuele improvisatietalent. Liever vindt
Thea aanknopingspunten met Melvin via de sociale media, maar dat blijkt zoeken
naar een speld in een hooiberg. In tegenstelling tot de naam van het
escortbureau van de overbuurman. De service van Bink is 24 uur per dag, 7 dagen
in de week online en opereert onder de naam G-spotgigolo; afgekort GSG. Maar
daar houdt het voor Thea dan ook weer meteen bij op, want ze komt niet verder
dan de homepage op de website. Voor meer informatie en toegang tot het echte
leven moet ze eerst inloggen met haar emailaccount en daarna waarschijnlijk
allerlei persoonlijke gegevens invullen en/of online betalen. Dat is hetzelfde
als een vingerafdruk op een plaats delict achterlaten. Hierdoor zou Bink niet
alleen een tastbaar bewijs hebben waarmee hij zijn vijftigjarige overbuurvrouw
kan chanteren en de mond snoeren, maar zou Thea ook worden gedwongen om aan
Bart te bekennen dat ze zich, ondanks zijn afrader om haar neus in een
wespennest te steken, toch op glad ijs begeven heeft. Niet dat Bart zijn vrouw
na al die jaren zonder meer voor een potentiële cougar zou aanzien, maar Thea
wil hem niet op ideeën brengen. Ze zit niet op een huwelijkscrisis te wachten.
Trouwens, als ze met haar IP-adres en tegen betaling zou inloggen op de website
van G-spotgigolo’s, hoe verklaart ze dat dan aan haar kinderen? Zeker Walter
zou zich vertwijfeld achter de oren krabben. Hij wil met recht dat zijn moeder
in hem en niet in twijfelachtige toyboys investeert. Temeer daar hij dat GSG
account natuurlijk in een handomdraai en gratis en voor niks, hartstikke
anoniem en met liefde en plezier voor haar zou hebben gehackt. Reden te meer
voor Thea om een omweg te nemen. Ze wil haar bloedjes van pubertjes niet
aanzetten tot criminele praktijken.
Maar als ongeluk in een klein hoekje zit; dan
zit het geluk in de rest van het universum en al op de allereerste dag waarop
Thea met haar Renault de parkeerplaats van de Albert Heijn vlakbij het centrum
oprijdt, ziet ze in haar achteruitkijkspiegel een lange, blonde Lijs lopen met
een fiets aan haar hand. Een volgroeide versie van de Jasmijn van 10 jaar
geleden als het ware. Nog dezelfde lijzige manier van bewegen, nog altijd
hyperslank, natuurlijk blond met steile pieken tot over de schouders en even smetteloos
als de sierpop van toen. Alsof ze net uit de verpakking is gehaald. Thea heeft
tijd nodig om haar auto te parkeren. Maar juist voordat Jasmijn het terrein van
een fietsenstalling dreigt te betreden, lukt het Thea om de aandacht op zich te
vestigen door tamelijk geëxalteerd te joelen:
‘Ben jij dat Jasmijn!?’
‘Wat, leuk Thea!’, roept Jasmijn tot grote
verrassing van Thea spontaan uit.
De enscenering van de ontmoeting alsmede het
beroerde acteertalent van Thea ontgaan haar blijkbaar totaal.
‘Hoe is het met jou?’ wil Thea eigenlijk
helemaal niet weten nadat ze zich door Jasmijn heeft laten begroeten met drie
luchtkusjes.
‘Goed. Ik woon hierboven.’
‘Echt?’
‘Je bent nog niets veranderd’, zegt Thea, omdat
ze niet meteen over Melvin wil beginnen.
‘Kom anders even een bakkie doen?’
Tijdens het praten heeft Jasmijn kans gezien om
haar fiets in de stalling achter te laten en ze gunt Thea geen ruimte om haar
uitnodiging af te slaan.
‘Ik heb niet zoveel tijd’, sputtert Thea tegen, terwijl ze achter Jasmijn aan
over de galerij naar de voordeur van
haar appartement loopt.
‘Tijd kun je zelf maken!’, lacht Jasmijn over
haar schouder.
Ze opent de voordeur, laat Thea voorgaan en
vervolgt:
‘Dat zei je vroeger altijd tegen ons als we in
tijdnood zaten met het huiswerk.’
‘Écht? Wat een onzin kraamde ik vroeger uit
dan!’
Plichtmatig kijkt Thea om zich heen in het
sobere appartement. Een open keuken; een sofa, een rotan stoel, flat screen en
een bijzettafeltrio.
‘Waar zit meneer Jasmijn?’
‘Je bent ook nog niks veranderd’, glundert
Jasmijn.
‘Hoezo?’
Als kind leek Jasmijn alleen doordrongen te
zijn van de fysieke aanwezigheid van Thea. Een menselijke metafoor voor een
rots in de branding. Alsof het wezen van Thea er niet toe deed en de
persoonlijkheid van haar nepmoeder en later huiswerkbegeleidster op een ander
plan stond, waarin Jasmijn zich weigerde te verdiepen. Er was geen interactie
tussen hen. Thea had de moed opgegeven en Jasmijn had nooit de moeite durven
nemen uit loyaliteit met een moeder die er niet voor haar was. Begrijpelijk
daar niet van. Maar in het hier en nu, zoveel jaren later, blijkt ze evenwel
niet zo inwisselbaar voor Jasmijn te zijn geweest als Thea zichzelf toentertijd, misschien wel uit gemakzucht en
bindingsangst, wijsmaakte. Klaarblijkelijk had ze Jasmijn toch niet volledig
onverschillig gelaten.
‘Je bent nog steeds even direct’, plaagt
Jasmijn.
Ze reddert in de open keuken. Niet zonder de
nodige weerstand wringt Thea zich
ondertussen in de rotanstoel. Het vederlichte rieten kuipje zucht, puft, steunt
en kraakt onder de bewegingen en het gewicht van Thea. Het hinderlijke,
kobaltblauwe kussen dat ze vanachter haar stuitje uit de rugleuning van de
stoel tevoorschijn tovert, plaatst ze beleefdheidshalve op haar bovenbenen.
‘Mijn meneer Jasmijn is nu mijn ex. Hij is bij
mijn moeder ingetrokken!’, zegt Jasmijn die een mok met koffie op een
bijzettafeltje naast Thea in de rotanstoel neerzet.
‘Ja, dat vertelde Melvin laatst!’
Thea zit op hete kolen. Ze zoekt een
aanknopingspunt om naar Melvin te vragen. Jasmijn hapt niet toe. Ze neemt
plaats op de sofa tegenover Thea en nipt dromerig van haar koffie. De rood,
wit, blauw, geel geblokte Mondriaan mok houdt ze met beide handen tegen haar
kin. Genoeglijk knijpt ze met haar ogen:
‘Ik heb er een scheutje whisky in gedaan.’
‘Ik ruik het’.
‘Wat studeer je?’, hervat Thea de conversatie
snel om een pijnlijke stilte te voorkomen.
‘Ik heb een sabbatical’.
‘Waarvan?’
Jasmijn grinnikt ontwijkend.
‘Je geeft geen antwoord op mijn vraag!’,
verklaart Thea ongedurig.
‘Ik studeer geneeskunde’, geeft Jasmijn met een
verveelde blik toe.
‘Indrukwekkend.’
‘Saai.’
‘Als je iets niet snapt, of hulp nodig hebt met
huiswerk; dan weet je me te vinden’, grimast Thea.
‘Binnenkort ga ik een half jaartje naar mama in
Oxford. Ze heeft een bed and breakfast in Oxford.’
Thea kijkt Jasmijn onderzoekend aan.
‘Je moeder runt die tent samen met jouw
ex-vriendje, begreep ik van Melvin?’
‘Ja, dat is wel moeilijk’, bekent Jasmijn
dociel.
Ze neemt een flinke teug van haar whiskykoffie.
Aanleiding voor Thea om eindelijk de prangende vraag te stellen:
‘Hoe is het eigenlijk met Melvin?’
Jasmijn slikt:
‘Ja, dat gaat gelukkig beter nu.’
‘Hoezo, ging het niet goed met hem dan?’,
hapert Thea.
‘Hij ligt al een week in het ziekenhuis, wist
je dat niet?’
Nu is het de beurt van Thea om een slok van
haar koffie met een vleugje alcohol te nemen alvorens ze zo en passant mogelijk
vraagt:
‘Heeft hij een ongeluk gehad?’
‘Nee, hij is vorige week in de nacht van
zaterdag op zondag bij een gevecht betrokken geweest.’
‘Bij een gevecht betrokken geweest?’, papegaait
Thea ontzet.
De zinsbegoocheling van Bink als scheidsrechter
aan de kant van een bende woedende toyboys in een bloederig gevecht met Melvin,
probeert Thea van zich af te zetten door met haar hoofd te schudden. Jasmijn
merkt dat Thea overrompeld is door het nieuws en verkondigt met een quasi
opbeurende ondertoon:
‘Mama zou eerst uit Oxford naar Nederland
komen, maar dat hoeft niet meer. Het gaat echt goed met Melvin nu.’
‘Weet jij dat hij…’
De stem van Thea trilt.
Ze wil zeggen:
‘Weet jij dat Melvin een toyboy is?’
Maar Jasmijn valt haar in de rede:
‘Ja, ik weet dat Melvin homoseksueel is. Je
ziet het niet aan hem. Hij is niet gaygay.’
‘Ging het gevecht daarover?’
‘Zou kunnen’, schokschoudert Jasmijn.
‘Wat is er dan precies gebeurt?’
Jasmijn kreunt, omdat ze natuurlijk al
ontelbare keren verslag heeft moeten doen, maar vervult voor de zoveelste keer
haar zusterlijke plicht:
‘Melvin is kort bewusteloos geweest, maar lang
genoeg voor de daders om te kunnen ontsnappen. Een anonieme voorbijganger heeft
alarm geslagen en zich daarna uit de voeten gemaakt. De daders heeft Melvin
niet kunnen identificeren. Toen de politie kwam hebben ze hem afgaande op zijn
gekerm en dus op het gehoor op moeten sporen. Hij hield zich verscholen in de
bosjes achter het gazon bij de houten banken in het stadspark. Meteen na een
eerste inspectie van zijn verwondingen heeft de politie een ambulance gebeld.’
‘Was hij dan zo ernstig toegetakeld?’
Jasmijn maakt haar handen vrij om de opsomming
op haar vingers af te tellen:
‘Hij heeft een zware hersenschudding; een
gebroken oogkas, neus en kaak, gekneusde ribben en een maagbloeding. Is dat
ernstig genoeg voor je?!’
‘Me dunkt’, bekrachtigt Thea.
‘Was hij alleen of met een vriendje?’
‘Hij heeft geen vriendje; is dit een verhoor of
zo?
De plotselinge prikkelbaarheid van Jasmijn
herkent Thea van vroeger. Ze laat zich er niet door van de wijs brengen:
‘Waren er verder geen getuigen?’
Gepikeerd besluit Jasmijn om een einde aan de
ondervraging te maken en stelt vinnig voor:
‘Weet je wat; vraag het hem lekker zelf.
Overmorgen komt hij hier bij mij in het appartement uitzieken en dan kun je hem
zo lang overhoren als je wilt’.
HOOFDSTUK 15
Het gesprek met Jasmijn wil niet meer vlotten
en Thea is blij dat haar mobiel van zich laat horen. Ze graaft in haar
schoudertas en voorspelt:
‘Dit is het belletje waarop ik zat te wachten.
Dit moet ik even afhandelen.’
Krakend en piepend protesteert het rotankuipje
tegen het vertrek van Thea inclusief
mobiel naar de open keuken. De urgentie van het telefoontje is een smoesje
natuurlijk. Nieuwsgierig bekijkt Thea de nummermelding. Ze identificeert de
afzender. Het is Elco van de Stichting Huiswerk Begeleiding (SHB).
Huiswerksterk is aangesloten bij de SHB waar Elco tussenpersoon is. Hij leidt
zowel de geldstromen in banen als de verdeling van de middelbare scholieren.
Zonder hem helpt Thea studenten die hulp nodig hebben in de bètavakken
razendsnel van de wal in de sloot. Ongehinderd door enig inzicht in de wis- en
natuurkunde. Juist daarom zorgt een man als Elco ervoor dat vooral de Whizzkids
de kant van Thea op komen. Uitgerekend de wiskundeknobbeltjes hebben meestal weer
wel een duwtje in de rug nodig bij de alfavakken. Voor wat betreft; woordjes
leren; grammatica en ontleden bij de talen; inzicht in geschiedenis en
aardrijkskunde; definities uit de kop knallen; samenvattingen maken en betogen
schrijven ben je bij Thea aan het juiste adres. Zodra er in het verleden echter
een formule bij het huiswerk in zicht kwam dan haakte Thea af en rende ze –
ongeacht het niveau A,B, of C - op Bart af en bestookte hem met vragen die hij
wel kon beantwoorden, maar niet één, twee, drie. En dat moet wel als je
huiswerkbegeleiding geeft. Omdat Bart er naast zijn fulltime baan bij het
rekencentrum dus nog een dagtaak als huiswerksterkbegeleider bij dreigde te krijgen, schakelde Thea de SHB
in tegen een maandelijkse vergoeding van 100 euro. Zo kwam ze in contact met
bemiddelaar Elco in de rol van werkvoorbereider, maar ook in de hoedanigheid
van boekhouder die zijn schuldeisers nooit teleurstelt. Sommige ouders betalen
- zelfs met volledige financiële dekking van de overheid - alleen onder dwang
en een effectief incassobureau is geen
overbodige luxe. In verband met Jasmijn die vanuit de keuken kan meeluisteren,
begroet Thea haar beller uitbundig en luidruchtig. De jongere versie van Jasmijn mag dan niet veel
indruk op haar gemaakt hebben, maar de ongezonde nieuwsgierigheid van haar
vroegere oppaskind is Thea niet vergeten.
‘Hey, Elcootje, hoe issie!?’
‘Hey Thee, alles kits; moeje luisteren.’
‘Ik luister’.
‘De vader van Moona Tahiri heeft een andere
huiswerkbegeleidster voor zijn dochter geëist.’
De adem van Thea stokt en ze pruttelt verbluft:
‘Okay, waarom? Moona gaat juist hartstikke goed
vooruit op school sinds ze huiswerkbegeleiding krijgt. Wat heb ik nou weer
verkeerd gedaan?’
‘Ik denk niet zo veel; Moona en haar familie
zijn Syrische immigranten van de eerste lichting. Ze wonen al vijf jaar in
Nederland. Maar die vader is streng islamitisch en hij was niet erg te spreken
over jou. En dan druk ik me nog voorzichtig uit.’
‘Pardon?’
Thea is stupéfait.
‘Laat gaan Thea; ik handel de achterstallige
betaling af en jij krijgt vanaf volgende week iemand anders in plaats van
Moona.’
Thea keert zich voor een paar seconden in
zichzelf en haar herinneringen aan de huiswerkbegeleiding met Moona. Een
plichtsgetrouw, ingetogen, niet onbeleefd 13jarig meisje met een hoofddoek. Bij
Thea’s weten is er in al die tijd van huiswerkbegeleiding geen onvertogen woord
gevallen tussen Moona en haar.
‘Hoezo nu ineens? Ze komt al meer dan een jaar
bij mij over de vloer. Dat hoef ik toch niet te pikken Elco?’
‘Natuurlijk niet, maar ik zou het wel doen. Waarom
moeilijk doen als het ook makkelijk kan?’
‘Wat zei hij dan over mij? Ik bedoel; ik heb
natuurlijk weleens met Moona over haar thuisland gepraat en haar geloof. Ze
heeft me uitgelegd wat het verschil is tussen de soenitische en de sjiitische
islam in Syrië. Misschien had ze dat niet mogen doen van haar vader?’
Beklemd gaat Elco overstag:
‘Was het maar waar. De waarheid is veel
platter. De vader van Moona noemde jou een hoer en je zou omgaan met
hoerenlopers.’
‘Wat? En zoiets moet ik gewoon naast me
neerleggen?’
‘Graag’, gelast Elco:
‘En Thea, als je het niet voor jezelf doet; doe
het dan voor de SHB en voor mijn gemoedsrust.’
‘Natuurlijk Elco; alles voor jouw gemoedsrust’,
bitst Thea beledigd voordat ze de verbinding verbreekt en meteen naar het
nummer van Moona Tahiri belt.
Moona neemt niet op. Thea spreekt een bericht
in:
‘Ik kom nu naar je toe Moona. Wat is er aan de
hand? Kun je me ook in mijn gezicht zeggen wat ik verkeerd heb gedaan? Je kunt
toch eerlijk tegen me zijn?’
Een afsluitend piepgeluid maakt een einde aan
de monoloog van Thea. Onbevredigd stuurt ze voor de zekerheid nog een sms’je
achter haar voicemailbericht aan. Ze ijsbeert door de mini open keuken en botst
bijna tegen Jasmijn op die ineens recht voor haar neus opduikt. Lang, blond en
marginaal:
‘Alles in orde?’
Stroef wurmt Thea zich langs het ontwijkende
voorkomen van Jasmijn en murmelt
verontschuldigend:
‘Ik moet gaan!’
De familie Tahiri woont in een Vinex wijk. Het
adres heeft Thea nog in haar tomtom staan, daar ze Moona weleens naar huis
heeft gebracht, omdat ze toch toevallig die kant uit moest. De woonerven zijn
netjes, verlaten en allemaal eender. Op de straatnaambordjes leest Thea
modieuze vondsten als; het Tokkeltje; de Wijksoep; Kruidenberg en Wigwam. De
huisartsenpraktijk wordt aangeduid als de Hulpstulp. Bij het ‘Vindersdal’,
heeft Thea haar bestemming bereikt. Het huis van Moona zit potdicht en geeft
een weinig uitnodigende indruk, maar Thea heeft nog niet gebeld of de voordeur
opent op een kier. Moona steekt haar gebloemde hoofdoekhoofd door de opening en
begroet Thea woordeloos met een schuldbewuste oogopslag.
‘Kunnen we praten?’
De toon van Thea is afstandelijk. Schelden doet
geen pijn, maar wat je zegt ben je zelf. Of iets in die trant, want de vader
van Moona zal wel geen hoer zijn. Misschien een hoerenloper? Moona trekt haar
gesluierde kapsel terug en de voordeur valt in het slot. Van de weeromstuit
schiet het hart van Thea in haar keel en ze krijgt het niet meer weggeslikt. Ze
wordt licht in haar hoofd en overvallen door het verlangen om op te stijgen; of
door de grond te zakken; of op te lossen in het luchtledige. Als dat zou kunnen!
Hoewel ze zich niet echt kan herinneren wat ze precies verkeerd heeft gedaan.
Ze wil opheldering. Of eigenlijk ook niet. Thea maakt aanstalten om de
terugreis over het tuinpad naar haar Renault te aanvaarden. Maar precies op dat
moment komt er weer beweging in de voordeur. Pal voor de neus van Thea
verschijnt een broekie van zo op het eerste oog amper 12 jaar. Hij ziet Thea
niet staan en marcheert naar buiten met Moona volgend in zijn schaduw. In het
voorbij gaan murmelt ze nauwelijks verstaanbaar vanuit haar mondhoek richting
Thea:
‘We gaan naar het plantsoentje. Daar staat een
bankje.’
Ze trekt Thea aan haar arm mee in haar
volgroute.
‘Wie is dat?’
Thea knikt voor zich uit naar het kleine
ventje.
‘Mijn broertje.’
‘Nou gezellig’, spot Thea.
Moona inspecteert de geperforeerde ijzeren
zitting van het plantsoenbankje voordat ze plaatsneemt. Thea denkt aan de
houten bankjes uit haar jeugdjaren en dat je altijd op je hoede moest zijn voor
afdrukken van geïmpregneerde vogeluitwerpselen in de natte planken. Zo’n
moderne, ijzeren zitting met allemaal gaatjes laat tenminste geen onuitwisbare
fecaliënsporen na. Aandachtig speelt Moona met haar armbanden en creëert
onbewust het geluid van een tamboerijn. Het broertje van Moona leunt drie meter
van het bankje verwijderd tegen een boom en verdiept zich in het schermpje van
zijn IPhone.
‘Vangt hij Pokémons?’
Thea weet ook wel dat het jongetje door het
ouderlijk gezag is opgedragen om op zijn oudere zus te passen, maar ze wil
uitleg van Moona.
‘Zeg het dan!’
Moona laat haar armbanden rinkelen. Het jochie
diept een pakje sigaretten en een aansteker uit zijn jaszak en steekt er één op
uit het vuistje tegen de wind. Dit heeft hij vaker gedaan. Hij lijkt op een
dwerg met een Big Mac of op een kind van twaalf met een sigaret. Af en toe
kijkt hij scheef naar zijn zusje samen met de vrouw van middelbare leeftijd op
het bankje in het plantsoen. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes ter bescherming
tegen de uitgeblazen wolken sigarettenrook uit zijn eigen mummelmondje. Thea
houdt de behoefte om deze blaag over haar knie te leggen bijna niet meer
verborgen.
‘Je komt niet meer bij me voor huiswerkhulp heb
ik begrepen?’
‘Nee’, antwoordt Moona.
‘Je bent helemaal klaar voor het eindexamen
VMBO dus?’
‘Nee, natuurlijk niet’, lacht Moona schalks.
Thea vangt een glimp van de vertrouwde Moona op
en ontspant een beetje.
‘Er zijn woorden thuis; ik kan het niet
uitleggen’, smiespelt Moona met het oog op haar broertje.
‘Dus alleen omdat jullie thuis woorden hebben
neemt jouw vader het recht om mij een hoer te noemen?’, roept Thea
verontwaardigd uit.
Ze verheft haar stem expres. Net zo goed met
het oog op het broertje van Moona. Nerveus gaat Moona verzitten. Het broertje
lurkt ongemoeid van zijn sigaret en appt.
‘Hij bedoelt niet jou. Hij bedoelt een lange,
blonde man die ik bij jou in de keuken heb gezien. Weet je nog dat ik op
woensdag het eerste uur uitval had en dan naar Huiswerksterk kwam? Hij was er
altijd.’
Moona dempt haar stem nog steeds.
‘Melvin?’, vraagt Thea op normale gesprekstoon.
‘Ja, hij kwam mijn broer tegen op de
sportschool.’
‘En dat is een misdaad omdat?’
‘Uh ja, ze raakten bevriend.’
‘Is Melvin een bekende van dat kaboutertje
daar!?’
Dreigend richt Thea met haar rechterhand een
denkbeeldig pistool op het hoofd van het broertje van Moona. Uit effectbejag
knijpt ze één oog dicht. Niet langer dan een seconde laat het ventje zich van
zijn IPhone afleiden. Moona kijkt
angstig weg en richt zich weer op haar armbandenconcert.
‘Ik heb 4 broers.’
‘Ja en toen? Ik bedoel wat heeft Melvin met jouw huiswerk te maken?’
‘Melvin is een alkalb alkafir.’
‘En dat is?’
Thea heeft wel zo’n donkerbruin vermoeden. Maar
iedereen is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is. Moona aarzelt.
‘Ik weet niet zo goed hoe ik het netjes moet
vertalen.’
‘Tell it like it is!’
Thea weet dat Moona redelijk Engels kan
verstaan.
‘Een ongelovige hond’, zegt Moona toch wel
enigszins beschaamd.
‘Tis maar hoe je het bekijkt. Neem mij nou; ik
ben bijvoorbeeld katholiek. Melvin oorspronkelijk ook. Volgens mij. Maar jouw
vader heeft wel in zoverre gelijk dat noch Melvin, noch ik vijf keer per dag op
de knieën in de richting van Mekka zit te bidden.’
‘Melvin is een man.’
‘Nou, nou, overdrijven is ook een vak. Hoe weet
jouw vader trouwens dat ik Melvin ken?’
‘Van mij.’
‘Hoe dan ook; je wordt bedankt.’
‘Ik deed het voor mijn broer. Ik hoopte mijn
vader milder te stemmen. Ik dacht dat het goed was om jouw naam te noemen.’
Thea luistert niet meer. Ze tuurt onwillekeurig
naar het armbandenspel van Moona en opeens herkent ze een manchetknoop in de
vorm van een klokje. Het is als een knoeperd van een sieraad bevestigd tussen
de veel kleinere bedeltjes aan een goudkleurige schakelarmband van Moona.
‘Waarom heb je een manchetknoop aan een armband
gehangen?’
Thea wijst naar het blauwe uurwerkje in de
vergulde omlijsting aan één van de bedelarmbanden van Moona. Niet begrijpend
neemt Moona de manchetknoop tussen duim en wijsvinger.
‘Dat is een miniklokje; een cadeautje van mijn
broer.’
‘Welke broer. De vriend van Melvin zeker?’
‘Aadam’, mijmert Moona liefdevol.
Ze staart wazig voor zich uit.
‘Dat is een mannensieraad’, waarschuwt Thea.
‘Nee’, schudt Moona zelfingenomen.
De onverbeterlijke huiswerkbegeleidster in Thea
speelt op.
‘Moet ik je uitleggen wat een manchetknoop is?’
Thea heeft een Aha-erlebnis. Ze heeft iets
dergelijks al een keer meegemaakt.
‘Nee hoor’, weet Moona zeker.
Thea kan zich niet langer beheersen en ze
snauwt:
‘Manchetknopen zijn mannensieraden. Ik weet
niet hoe dat in jullie cultuur geregeld is, maar hier in het westen is dat nou
eenmaal zo. Wen er maar aan. En als je het niet gelooft vergelijk het dan maar
met een hoofddoek. Islamitische mannen gaan toch ook niet met een hidjab op hun
kop over straat?’
Met een neerbuigende blik op haar gezicht zoekt
Moona de ogen van Thea en verklaart ongenaakbaar:
‘Het is niet sunnah voor mannen om goud te
dragen.’
‘Kun je ook gewoon Nederlands met me praten
Moona? Zo niet dan bid ik zo meteen hardop een Rozenkransje voor je met een
hele hoop Weesgegroetjes en als je daarna nog niet genezen bent nog dozijntje
Onze Vaders erachteraan ook!’
Moona giechelt zenuwachtig; maar de bewoording
die ze kiest voor de uitleg van geloofsrituelen is doordacht en doorspekt van
onherroepelijke eerbied:
‘Sunnah betekent het juiste pad van de profeet.
Goud voor mannen is niet sunnah. Wij vrouwen mogen wel goud dragen.’
‘Die manchetknoop is niet van goud. Het ding is
verguld. In feite nep goud, Mag dat ook niet? En waar is de andere helft van
het tweetal? Manchetknopen komen het best tot hun recht in een relatie. Ze
komen in tweeën. In paartjes snap je wel?’
Thea vraagt naar de bekende weg. Ze heeft een
week of 3 geleden inderdaad al eerder het imago van de manchetknoop moeten
oppoetsen herinnert ze zich nu. Voor Melvin. Daarna kocht hij een setje
manchetknopen. Voor 50 euro. Handje contantje in ruil voor blauwe mini klokjes
in vergulde kleine kastjes. Moona draagt één van die manchetknopen aan haar
goudkleurige bedelarmband. Meer kan Thea voorlopig nog niet maken van de brij
aan onsamenhangende informatie die momenteel met een noodgang haar overwerkte
hersenen ingepompt worden.
‘Ik mis Aadam’, fluistert Moona.
Ze pinkt een traantje weg.
‘Drama Queen’, wil Thea zeggen omdat ze weinig
opheeft met irrationele emotiegolven, maar ze slikt haar schimpscheut in, omdat
Moona er echt verdrietig uitziet met dat bleke snoetje omrandt door de hidjab
met print.
‘Waar is Aadam dan?’
Thea praat nu wel zacht. Uit medeleven.
‘Sanadhhab’, commandeert het broertje.
Thea was hem helemaal vergeten. Hij wordt door
Moona op zijn wenken bediend en daarmee is ook meteen een non verbale vertaling
van zijn vreemde spraakgebruik voor Thea aanschouwelijk gemaakt. Moona zegt
tijdens het opstaan zonder schroom en op normale gesprekstoon:
‘Hij is bij zijn geloofsbroeders en bereidt zich overzee voor op de heilige
oorlog.’
Een geradicaliseerde moslim hoort thuis in het
wereldnieuws; niet in haar achtertuin. Thea kent Aadam niet, maar aan Moona is
ze toch gewend geraakt in de afgelopen maanden. De eeuwige hoofddoek of hidjab
werd onzichtbaar naar verloop van de huiswerkbegeleiding. Uiterlijkheden
vervagen sneller dan uitstraling. En Moona had een onweerlegbaar streng
islamitische opvoeding genoten. Onomstotelijk omdat de religie vanuit de
islamitische geloofsgemeenschap niet ter discussie mag staan. Kortom een moslim
mag niet kritisch naar de islam kijken en al helemaal niet naar de op- en
aanmerkingen van buitenstaanders luisteren. Thea weet uit eerdere gesprekken
met Moona dat zij wel degelijk in staat is om buiten de islamitische institutie
te treden en van een afstand naar zichzelf te kijken. Thea is er zich echter
ook constant van bewust dat Moona dit vermogen zelden tot nooit gebruikt en nog
minder laat zien. En zo wel dan is de begeleidende schaamte groot; alsof Moona
een doodzonde begaat door hardop over haar geloof na te denken. Toch heeft
Moona voor Thea zelfs de verschillen tussen uiteenlopende stromingen binnen de
islam uit de doeken gedaan. Maar tijdens de uitleg was er geen sprake van een
gelijkwaardige interactie tussen het jonge meisje met de hidjab en de westerse
vrouw van middelbare leeftijd. Moona klapte uit de school of dicht. Ongezegd,
maar onherroepelijk afhankelijk van het vermogen van Thea om mee te liften op
de overtuigingen van Moona zonder vragen, of commentaar. Wat Thea betreft is
een dergelijke, hautaine uitstraling een gevolg van een bepaalde opvoeding en
geen geloofskwestie. Zo’n houding is symptomatisch voor alle moslims die ooit
met Huiswerksterk te maken hebben gehad en dan hoopt een begeleidster als Thea
toch dat de hoogmoed geen epidemische vormen gaat aannemen onder de jongeren.
De mentaliteit en niet de religie zorgt hier voor de aanpassingsprobleempjes en
het superioriteitsgevoel van jongens en meisjes als Moona. Een hinderlijk, tot
een taboe verworden, cultuurverschil,
waarbij de moslimleerlingen nog een heleboel zouden kunnen leren van
andersdenkende klanten van Huiswerksterk. Zo niet dan blijft dit sociale onderscheid tussen wel of niet
islamitisch latent aanwezig en een bron van ergernis voor beide partijen. De
Tweede Wereldoorlog is bijvoorbeeld een penibel, maar onoverkomelijk onderdeel
van het geschiedenishuiswerk. Met name de holocaust. De meeste niet
islamitische leerlingen lezen niet
emotieloos over de hoofdstukken over Hitler Duitsland en de
Jodenvervolging in de geschiedenisboeken heen. Thea voelt de betrokkenheid,
verbijstering en de afschuw bij bijna alle kinderen groeien met de toename van
hun kennis over de gebeurtenissen in de wereld in de jaren 30 en 40 van de
vorige eeuw. Bij bijna alle kinderen. Niet bij allemaal. En nooit bij de
islamitische klantjes van Huiswerksterk. Sommigen blijven flegmatisch
aantekeningen maken en anderen durven zelfs aanvankelijk de Jodenvervolging te
betwijfelen. Maar in dat geval heeft Thea de week erop wel een paar historische
beelden over de concentratiekampen gedownload van utube. Het aanzien van het
voorportaal van de hel; de afslachting van 6 miljoen mensen. Thea hoopt dat het
helpt; alhoewel ze merkt dat ze afgestompt raakt. Dat ze steeds vaker geen puf
meer heeft om moslims wegwijs te maken in haar achterland dat vanuit de
Nederlandse islam hoe dan ook toch in een niemandsland vol ongelovige honden en
hoeren blijkt uit te monden.
Thea gelooft niet in inburgering. Empathie kun
je niet leren. Medeleven dat voel je voor de mensen om je heen. Voor hen die de
zender en de ontvanger na staan. De holocaust is de geschiedenis van Europa en
niet van het Midden-Oosten. De overgroot opa van Moona en Aadam heeft niet in
het verzet tegen de Duitsers gezeten, geen Joden opgevangen, gedwongen voor de
bezetters moeten werken of een concentratiekamp overleefd. Hij is misschien
onderdeel geweest van andere culturele mijlpalen elders in de wereld. Historische
gebeurtenissen waar Walter of Sabine dan weer geen benul van hebben. Zaken
waarvan haar kinderen wat Thea betreft pas notitie hoeven en kunnen nemen
vanuit een eigen identiteit. Een basis. Zelfvertrouwen. Dat hoeft niet op een
religie gebaseerd te zijn. Walter en Sabine dienen echter wel kennis te nemen
van hun herkomst alvorens zij in staat kunnen worden geacht om op gelijke voet
met medelanders met een andere culturele achtergrond te integreren. En zowel Bart als Thea en dus ook
hun kinderen hebben nou een maal een katholieke achtergrond.
Zo’n katholiek fundament staat voor een
geloofsbeleving in progressie. Zo zong Bart begin jaren 70 als kleine man in
een katholiek, kerkelijk jongenskoor. Automatisch woonde hij hierdoor alle
missen op zon- en feestdagen in de plaatselijke kerk bij. Gaandeweg is hij
hierdoor uitgegroeid tot een liefhebber van de rooms-katholieke liturgie. Heel
anders dan zijn familie die met de komst van de flowerpower en de vrije
gedachte steeds minder plichtsgetrouw de kerk bezocht. Tot diep in de vijftiger
jaren waren de gematigden rooms-katholieke papa’s, mama’s, opa’s, oma’s, ooms,
tantes en andere oudere familieleden gebonden aan 7 dagen kerkbezoek in de
week. Naarmate de jaren verstreken nam het bezoek aan het huis van God steeds
verder af tot een periode waarin alleen de zondag nog een sociale must was. Die
geloofsdruk gold ook nog in de zestiger jaren. De kleutertijd van Bart en Thea.
Maar niet lang daarna ging het gestaag bergafwaarts met het aantal hoedjes,
sjaaltjes en petjes in de rooms-katholieke kerk op zondag. Hoe meer economische
welvaart; hoe minder katholieken in de kerk. De paaseucharistie en de nachtmis
daargelaten die nog tot halverwege de jaren tachtig volle roomse kerken hebben
weten te trekken. Maar de kleine Bart liet zich niet temperen in zijn hartstocht
voor de pracht en praal van het katholisme. Met uitzondering van die ene keer
dan toen hij aan zijn moeder liet weten dat hij graag ook nog misdienaar wilde
worden en later misschien wel priester als hij groot was. De schoonmoeder van
Thea zag haar recht op kleinkinderen al ontnomen door het celibaat en uit eigen
belang verzekerde ze haar zoon dat hij met een dergelijke beroepskeuze zijn
grote hobby wel voorgoed op zijn buik zou kunnen schrijven. Als je uitslapen
tenminste een hobby noemen kunt. Hoe dan ook: Bart hield en houdt boven alles
van uitslapen.
‘Een priester moet elke ochtend om 6 uur uit
bed; en een misdienaar trouwens ook’, loog de moeder van Bart er zondig op los.
Dat was voor Bart reden genoeg om zich niet
kandidaat te stellen tot misdienaar en
toch maar af te zien van zijn roeping tot het priesterschap. Het kerkelijke
jongenskoor is hij wel trouw gebleven
totdat hij de baard in de keel kreeg.
Nochtans zag Bart zijn kinderen graag gedoopt.
Thea had geen bezwaar tot ontsteltenis van haar moeder. Zoals zoveel
huisvrouwen in het katholieke zuiden van de jaren 50 en 60, dacht zij dat ze na
haar pensioen voorgoed afstand had kunnen nemen van het geloof. Ze vergat even
dat haar hele leven van het begin tot op heden doorspekt is geweest van
rooms-katholieke gebruiken, gewoonten, waarden, normen en regels. Zelfs het
verzet in de Goddeloze jaren stond niet los van religie. Hoe kan een mens een
levensstijl van de ene op de andere dag van zich af schudden? Juist daarom
wilde ze niets weten van de motivatie van Thea en Bart om zowel Sabine als
Walter een kijkje in de keuken van een geloof te gunnen. In dit geval het
rooms-katholieke geloof; want wat je van ver haalt is niet per definitie beter.
‘Je hebt mij toch ook laten dopen? Ik heb mijn
communie en het vormsel gedaan en je hebt me naar katholieke scholen gestuurd’,
hielp Thea haar moeder herinneren.
‘Dacht je dat ik een keus had? Dacht je dat er
ook maar één enkele rooms-katholieke vrouw een keus had?’, verzuchtte de moeder
van Thea met gevoel voor dramatiek.
‘Je had kunnen weigeren’.
Eigenlijk wist Thea wel beter natuurlijk.
‘Dat heb ik later toch ook gedaan’, pochte haar
moeder met opgeheven kin.
‘Te laat’, pestte Thea.
‘Ooit gehoord van sociale controle? Daar is
geen enkel kind tegen opgewassen.’
‘Ow, eng; wat was de straf? Met blote voeten
naar bed?’
‘Zalig zijn de simpelen van ziel’, schamperde
moeder.
‘Je had ook non kunnen worden’, vond Thea
praktisch.
‘Ja, spot er maar mee, maar nonnen dat waren de
meest gedreven onderwijzeressen aller tijden’, overdreef de moeder van Thea.
Zoiets lijkt verdacht veel op een haat-liefde
verhouding met het rooms katholieke geloof. Die gespletenheid is typerend voor
vrouwen van de generatie van de moeder en schoonmoeder van Thea. Hoewel sommige
gewezen huisvrouwen het woord van God iets ruimer interpreteerden dan anderen.
De schoonmoeder van Thea was het rooms-katholicisme overkomen. Ze deed het
grootste deel van haar leven wat er van haar gevraagd werd en toen de
geloofsmentaliteit vervaagde; hield ze zomaar op met het voldoen aan de ouderwetse
norm. Zoals het merendeel van de kudde. Op een gegeven moment ging schoonmoeder
niet eens meer regelmatig naar de kerk; maar volgde de paus vanaf de bank op
haar breedbeeld t.v. Net als die andere oma van haar kleinkinderen. Met dit
verschil dat de moeder van Thea chronisch verbitterd is over de beperkingen die
haar in het verleden door pastoors en Godvrezende geloofsgenoten werden
opgelegd. Haar grootste struikelblok vormde de verplichtingen van het huwelijk
en het moederschap. Alsof een onzichtbare hand permanent de loop van een
geladen pistool in haar rug drukte. Zonder die pressie zou ze zeker weten nooit
4 kinderen gebaard en gezoogd hebben om na de vierde worp, naar eigen zeggen,
de rest van haar leven als een ‘uitgemolken koe’ te moeten slijten. Bovendien
wordt ze nog dagelijks achtervolgd door het advies van een non nadat haar
oudere broer op 16jarige leeftijd, vlak na de tweede wereldoorlog, aan
hersenvliesontsteking was overleden.
‘Bid maar tot God mijn kind; bid voor
vergeving.’
De 81jarige moeder van Thea kan er zich bijna
70 jaar later nog kwaad over maken. Ze valt in herhaling tegen dovemansoren:
‘Zo’n smeekbede is toch mosterd na de
maaltijd!’.
Waarschijnlijk is Thea de enige die zich
realiseert dat haar moeder tot op de dag van vandaag niet begrijpt waarom God uit zichzelf niet wat
vergevingsgezinder had kunnen zijn ten aanzien van haar enige broer.
Het dualisme van de moeder van Thea ten aanzien
van het katholicisme kwam eens te meer uit de verf gedurende het doopsel van
haar kleinkinderen. Sabine en Walter zijn om praktische redenen op dezelfde dag
gedoopt. De moeder van Thea kwam weliswaar opdagen in de kerk en op het
doopfeest, maar ze sprak de hele dag geen stom woord tegen niemand. Zodra de
andere bezoekers aanstalten maakten om haar aan te spreken dan dook ze weg
achter de vader van Thea die zich in allerlei sociaal acceptabele bochten wrong
om de caperiolen van zijn vrouw te compenseren. Thea werd overvallen door de
kinderachtige opstelling van haar moeder, maar ze was niet onder de indruk.
Bart en zij hadden haar niet willen belasten, maar ook niet negeren. Alleen
daarom hadden zij de moeder van Thea gevraagd of ze de peetmoeder van Walter
wilde zijn. Ze had nee kunnen zeggen en wegblijven van het doopfeest van haar
kleinkinderen. Niemand zou haar dat kwalijk genomen hebben. Maar na al die
jaren was eigen initiatief in geloofszaken nog steeds een brug te ver. Had oma
echter werkelijk zo rigoureus gebroken met het religieuze verleden als ze
beweerde, dan had ze veel beter letterlijk en figuurlijk afstand kunnen nemen
van het sacrament van de christelijke initiatie van haar kleinkinderen. Nu dreigde
ze voor de rest van haar leven niet meer serieus te worden genomen door de
buitenwacht. Vooral tijdens de after party wist de moeder van Thea alle
negatieve aandacht op zich te vestigen door tartend, stilzwijgend in een hoekje
te gaan zitten bouderen.
‘Gaat het wel goed met jouw moeder?’, vroeg de
broer van Bart.
‘Toch geen Alzheimer?’
‘Gevalletje kont tegen de krib’, prevelde vader
in het oor van Thea die in de keuken hapjes prepareerde.
‘Ze denken dat je aan het dementeren bent mam’,
verwittigde Thea haar moeder later toen
het doopfeest al lang en breed achter de rug was.
Alles wat moeder daarop te zeggen had was:
’Puh.’
Toch nam ze de waarschuwing van Thea ter harte
en tegen de tijd dat Sabine zo’n zes jaar later haar communie deed had ze haar
afkeer in banen weten te leiden. De moeder van Thea was niet van plan om
er meer woorden aan vuil te maken dan
noodzakelijk, maar niemand hoefde haar uit te leggen dat de erfenis van een
religieus verleden niet hetzelfde is als inzicht in de tijdloze symboliek van
de geloofsrituelen. Zo kende Thea haar moeder tenminste weer.
HOOFDSTUK 16
Tegenwoordig kijkt men op katholieke
basisscholen zoals De Wielewaal – en ook Het Kleurenpalet trouwens – niet op
een religie meer of minder. Het merendeel van de ouders van groep 4 van Sabine
werd dan ook niet warm of koud van de schriftelijke oproep tot de communie van
de geestelijke leiding van de parochiekerk. Ze legden de brief onverschillig
naast zich neer. Daartegenover raakten sommige islamitische ouders wel van slag
van het traditionele rooms-katholieke inschrijfformulier waarmee hun kinderen kwamen
aanzetten. Enkele moslims waren zelfs in hun eer aangetast. Wat had dit te
betekenen? Dalila, de moeder van een Marokkaans vriendinnetje van Sabine,
propte zelfs op de speelplaats het, zojuist van haar dochtertje ontvangen,
A-viertje ten overstaan van Thea demonstratief tot een balletje en mikte het in
de buitenafvalbak. Toen droeg Dalila nog geen hoofddoek. Ze is een dochter van
eerste generatie Marokkanen; en naar eigen zeggen in Nederland geboren en
getogen. Sterker nog: ze is in de witte wijk opgegroeid en schijnt zelfs haar
basisschooljaren op De Wielewaal gesleten te hebben. Haar dochter Zarah zat
vanaf het begin op De Wielewaal en in groep 4 bij Sabine in de klas. Zodra de
gelegenheid zich voordeed dan zochten de 2 meisjes elkaar op. Nou schiep Thea er niet bepaald
genoegen in om welke ontluikende vriendschap dan ook in de kiem te smoren, maar
als dat betekende dat ze consequent haar mening voor zich moest houden ten
opzichte van de islamitische medelander, dan maar geen Marokkaans beste
vriendinnetje voor Sabine. Thea was niet van willens om van haar hart een
moordkuil te maken en ze ventileerde luidkeels:
‘Wat dit te betekenen heeft? Heb je er
eigenlijk wel bij stilgestaan dat De Wielewaal nog steeds een roomse school
is?’
‘Een wat voor school!?’, hikte Dalila spottend.
Ze had meteen lachers op haar hand.
‘Rooms-Katholiek’, verduidelijkte Thea minzaam.
‘Geloof doet niet ter zake’.
Deze insteek in de conversatie was afkomstig
van een vader die zich al herhaaldelijk aan iedereen had voorgesteld als Gerrit
Pronken. Hij was professor én hoogleraar
in de geschiedenis. Dat wist inmiddels dus iedereen. Hij was voor de tweede
keer getrouwd met een katholieke, veel jongere vrouw. Ze kwam uit één van de
Balkan landen. Wat je ver haalt is lekker. Zijn zoontje zat bij Walter in de
klas. Professor G. Pronken had er een handje van om zich bij voorkeur te mengen
in zaken waar hij alleen indirect iets mee te maken had.
‘Dat moet uitgerekend jij vertellen’, smaalde
Thea.
‘Wat moet uitgerekend ik vertellen?’
De professor koos voor defensieve actie alsof
hij eigenlijk wilde zeggen:
‘Doe niet net of je me kent; jij minkukel van
een vrouwspersoon.’
‘Jij als oude rot in het vak moet toch weten
dat religie door de eeuwen heen wel degelijk ter zake heeft gedaan.’
Thea was niet van plan om zich zomaar aan de
kant te laten zetten door een geleerde opa en wat geamuseerde, simpele zielen
op het schoolplein.
‘Iedere ouder bepaalt zelf of hij of zij een
kind ter communie laat gaan’, bestemde de geleerde opa.
‘Ja’, vond Dalila olijk en zogenaamd eensgezind
met die bemoeizuchtige oude man.
Geëxalteerd vervolgde ze met een schalkse
knipoog:
‘Dat moet iedereen toch zelf weten Thea.’
Met tegenzin wist Thea voor de lieve vrede een
zuur grimlachje op haar lippen te toveren. Stiekem had ze steeds meer moeite
met de moeder van Zarah. Dalila was zichtbaar stukken jonger dan Thea en dat
liet ze merken ook. Maar dat was niet de reden van de antipathie die ze bij
Thea opriep. Thea vocht een verloren strijd tegen de grillige verborgen agenda
van Dalila die aan ongrijpbare veranderingen en onpeilbare stemmingswisselingen
onderhevig was. Het soort pretenties dat door sociaal debiele mannen ook wel
uitgelegd wordt als ‘het fascinerende gedragspatroon van de ondoorgrondelijke
vrouw’. Een eufemistische manier om te verbloemen dat niemand ooit wist waar
hij of zij bij de typische, exotische Dalila aan toe was. Ook Zarah en haar 2
oudere zusjes niet. Nog een zegen dat de kinderen konden terugvallen op hun
Marokkaanse oma die vaak in plaats van de moderne Dalila in donkere gewaden en
hijab aan de poort van De Wielewaal opdook om haar kleinkinderen van school op
te halen. Op het speelplein herenigde de oma van Zarah zich meestal met
thuislandgenoten die elkaar in de bescherming van hun wapperende lappen
onderling luidkeels begroetten met een onverstaanbare Arabische tongval die
geen buitenstaander duldde. Herkenbaar, éénkennig groepsgedrag van De Kleine Beer
en Het Kleurenpalet. Ook islamitische medelanders doen dus niet voor elkaar
onder. Zelden stond de oma van Zarah ook weleens alleen op het speelplein in
klederdracht op haar 3 kleindochters te wachten tussen de casual geklede
ouders. Ze leek op een ingeklapte, zwarte parasol op een druk bevolkt, zonnig
terras. Zarah schaamde zich dan altijd een beetje voor haar afwijkende oma ten
opzichte van Sabine en Thea. Maar de grootmoeder van Zarah deed Thea juist
nostalgisch aan haar eigen oma terugdenken die op een gelijksoortige manier, in
een lange astrakan – uit vervlogen, betere tijden – en een hoedje, tot haar
92ste in weer en wind de straten onveilig maakte. Heel soms, als de grootmoeder
van Zarah niet vergezeld ging van één van haar vriendinnen, placht ze de
ongesluierde ouders om haar heen wel te groeten door vriendelijk knikkend te
glimlachen. Thea kon zich bij dit markante wezen juist heel goed een verwante
huiselijke kneuterigheid als vroeger bij haar
oma voorstellen. Bij zo’n flagrante sfeertekening doet de klederdracht
of het land van herkomst er helemaal niet toe.
Onder invloed van het thuisfront was Zarah niet in staat om de minachting van haar
moeder Dalila voor de aanstaande communie van Sabine te verdoezelen. Op
dwingend verzoek van de zevenjarige Sabine nam Thea in de middagpauze
regelmatig klasgenootjes van school mee naar huis voor de lunch en Zarah was
meestentijds de gelukkige. Zarah was een charmant kind, met een rappe tong. Ze
was prachtig om te zien. Met een exuberante bos pikzwart haar en een gezellige
bolle toet met vurige hout kooltjes als mysterieuze blikvangers. Bij nadere
kennismaking ontpopte Zarah zich wel een beetje te lethargisch naar de smaak
van Thea. Zarah zou dan ook niet haar keuze geweest zijn, maar Thea was Sabine
niet. Sabine liet zich meestal geamuseerd overspoelen door de non-stop woordenstroom
van haar vriendinnetje. Het feit dat Zarah een moslima van Marokkaanse afkomst
is, begon pas een rol te spelen toen de communie van Sabine in aantocht was.
‘Ik ga morgen ook met Sabine afpreken.’
Tijdens een lunch op een dinsdag bij Thea aan
de keukentafel probeerde Zarah de woensdagmiddag alvast te reserveren.
‘Ja, maar morgen heeft Sabine een afspraak’,
sprak Thea namens haar dochter die net haar tandjes in een kadetje met
hagelslag had gezet.
‘Bij de dokter?’
Zarah draaide aan het deksel van de pot met
aardbeienjam.
‘Nee, nieuwsgierig aagje’, lachte Thea.
‘Ze moet oefenen voor haar communie’, lichtte
Walter namens zijn zusje toe.
‘Wat is dat?’
‘Dan krijg je veel cadeautjes’, antwoordde
Sabine, terwijl ze een paar achtergebleven, kleverige hagelslagkorreltjes om
haar mond een handje na hielp op weg naar binnen.
‘Ik doe ook mijn communie als ik in groep 4
zit’, deelde Walter mee.
‘Waarom?’
Thea vond Zarah schattig met haar donkere,
peilloze, sprankelende kijkers op scherp in dat onschuldige snoetje. Wat wist
zo’n kind nou van verschillende religies; laat staan van het verschil tussen de
islam en het katholicisme? Krampachtig probeerde Thea een zo eenvoudig mogelijk
beeld van het traject van een gemiddelde 7jarige communicant voor Zarah te
verduidelijken:
‘Sabine gaat vanaf morgen 12 weken lang elke
woensdagmiddag naar de katholieke moskee.’
Niet alleen de zevenjarige Zarah keek Thea aan
alsof ze Koeterwaals sprak.
’Ik dacht dat ik naar de kerk moest’, riep
Sabine verontwaardigd uit.
‘Klopt, de katholieke kerk.’
‘Dat is toch geen moskee’, vond Zarah.
‘Nee, dat is ook zo’, gaf Thea toe.
‘Zarah gaat iedere zondag naar een school bij
de moskee’, liet Sabine haar moeder voor de goede orde even weten.
Tot voel- en zichtbaar ongenoegen van Zarah.
‘O ja? Nou daar leer je zeker over de koran?
Morgen begint Sabine met eenzelfde soort lessen. Maar dan over de bijbel. Samen
met andere leeftijdgenootjes die straks ook de communie doen.’
‘Dan mag ik tosti’s eten’, vulde Sabine vrolijk
aan.
‘Dat mag ik allang’, pochte Zarah.
‘Nee, Sabine je bedoelt hosties’, lachte Thea.
‘Wat zijn hosties?’
Het gezicht van Walter betrok.
‘Een hostie is een klein stukje deeg dat in de
kerk aan de katholieken wordt uitgedeeld tijdens de dienst.’
‘Waarom?’, wilde Walter vervolgens natuurlijk
weten.
Ook namens Zarah en Sabine die Thea
nietszeggend aan zaten te kijken. Ondertussen pijnigde Thea haar hersens over
een kindvriendelijke uitleg van de katholieke geloofsbelijdenis.
‘Mensen kunnen niet zonder eten. Dus niet
zonder brood. Maar ook niet zonder God. Dus eten de mensen een hostie in de
kerk omdat alleen maar hardop dankjewel zeggen zo karig is.’
‘Is een hostie niet vies?’, wilde Sabine zeker
weten.
‘Het smaakt naar snoeppapier’, realiseerde Thea
zich ineens.
Tegelijkertijd viel haar plotseling op dat
Zarah zo in zichzelf gekeerd van haar jamboterham pitste. Thea wilde Zarah niet
buitensluiten en vroeg:
‘Hebben jullie in de islam geen communie?’
‘Weet ik niet’, fluisterde Zarah gereserveerd.
Voor Thea reden genoeg om door te draven in
haar poging om Zarah bij het gesprek te betrekken:
‘Hoe heet dat ook alweer in de islam; shahada
toch? De geloofsbelijdenis? Krijg je daarom elke zondag les van een imam? In
het katholieke geloof noemden wij dat vroeger de zondagsschool’.
Met die opmerking hoopte Thea de aandacht van
het pijnpunt af te leiden. Al begreep ze ook niet precies waar de schoen wrong.
‘Er is maar één God’, kondigde Zarah verward
aan.
‘Je kunt de islam en het katholicisme toch met elkaar vergelijken’, probeerde
Thea.
Ofschoon ze vreesde dat ze veel te moeilijk
deed voor drie kinderen uit de onderbouw van de basisschool.
‘Sabine gaat samen met een priester en andere
kinderen verhalen uit de kinderbijbel lezen. De bijbel is net zoiets als de
koran.’
Zarah zat heftig met haar hoofd te schudden en
Thea begon zich te ergeren aan het taaie kind. Walter pikte haar irritatie op
en gooide nog wat olie op het vuur:
‘De katholieken; dat zijn toch de beste mam?’
Om niet in lachen uit te barsten nam Thea een
slok van haar koffie. Walter had haar weer met beide benen op de grond gezet.
‘Welnee’, beweerde ze ginnegappend.
‘Ik wil niet in de kinderbijbel lezen; ik wil
met Zarah spelen!’, meldde Sabine onverwacht.
‘Ach joh; je gaat het best leuk vinden.’
Thea moest toch iets zeggen.
‘Koranlessen zijn zo erg.’
Dat was Zarah.
‘Je moet Arabisch lezen. Da’s andersom. Van
bladzijde 2 naar bladzijde 1 en beneden beginnen tot naar boven.’
‘Echt?’
Walter geloofde er niks van en Sabine hing aan
de lippen van Zarah.
‘Niet waar toch mama?’, vond Walter.
‘Ik geloof Zarah wel hoor’, antwoordde Thea
diplomatiek.
‘Moet ik ook abracadabra lezen?’
Door toedoen van Zarah gedroeg Sabine zich
alsof ze door haar moeder in een val gelokt was.
‘Je hoorde toch wat Zarah net zei?’
‘Wat dan?’, vroeg Walter bedremmeld.
Met kinderen over religie praten is onbegonnen
werk. Ergo; over het geloof praten met wie dan ook is sowieso geen beginnen
aan. Thea gaf zich gewonnen.
‘Zarah zei net dat de koran en de bijbel niet
hetzelfde boek zijn. Dus de communie zal ook wel totaal anders zijn dan de
shahada.’
Niet zo gek dus dat Thea compleet werd
overvallen door de reactie van Zarah die prompt na het laatste islamitische
woord, als een muis met een kat in het vizier, van tafel schoot en in het
gangtoilet te verdween. Met een klik liet ze het ludieke, vooroorlogse deurslot
in de bezetstand vallen. Een half uur later zat Zarah nog op de w.c.. Aan de
piepgeluiden te horen speelde ze het spelletje ‘blokken’ ook wel bekend als
‘tetris’ op een préhistorisch gamecomputertje van Bart dat hij in een
ladekastje in de hoek van het toilet bewaarde. Het was bedoeld voor algemeen
gebruik. Laat zo’n niet religieus spelletje nou verslavend zijn zonder
aanschijns des persoons.
In groep 4 van 25 kinderen deden naast Sabine
och arme twee andere kinderen de communie. Een jaar later was de oogst nog
kariger. Walter ontpopte zich als de enige vertegenwoordiger van De Wielewaal
in het kerkclubje met geloofsgenootjes. De rest werd geworven op andere
basisscholen verdeeld over de hele stad. In het katholieke achterland van Bart
en Thea in de jaren 60 en 70 werd het volledige communicantenbestand in de
parochie zonder uitzondering door hun toenmalige ‘tweede klas’ bezet. Daar
ontkwam pak weg veertig jaar geleden
geen katholieke basisschool aan. Dan had Pater Ward het in de 21ste
eeuw een stuk moeilijker. Godzijdank was hij echter voor geen kleintje vervaard
en wist zowel voor de communieronde van Sabine als, het jaar daarop, van
Walter, her en der 12 kinderen bijeen te sprokkelen voor de katholieke
geloofsbelijdenis. Zonder zich verder af te laten leiden door de sociale media
kweet pater Ward zich vervolgens geestdriftig aan zijn taak. Tot op de dag van
de communie bleef pater Ward het woord van God verkondigen aan de gerekruteerde
7 tot 8jarigen. Tijdloos en universeel. Met de nodige terughoudendheid stond
Thea dan ook met Sabine aan haar hand voor de open poorten van de kerk. Mocht
er pure devotie van haar verwacht worden dan kon ze de communie van haar
kinderen wel vergeten. Thea was gedoopt. Ze had haar communie gedaan en ze was
gevormd. Hier hield haar conformisme aan het uiterlijke geloofsvertoon op. Bart
en zij waren niet voor de kerk getrouwd, maar gaven elkaar het jawoord in het
plaatselijke stadhuis op een doordeweekse, druilerige werkdag in september. Bij
de keuze van de huwelijksdatum speelde de slogan ‘donderdag gratis trouwdag’
van de gemeente een vermeldenswaardige rol. Ondertussen verschoonde
schoonmoeder thuis de piepkleine Sabine die toen net 4 weken en 6 dagen op de
wereld was. Thea had geen maagdelijk, witte trouwjurk en Bart foeterde in de
file op weg naar de plechtigheid dat hij het weer, verkeer en het hele gedoe ‘3
keer niks’ vond. Zodra er evenwel een kind of meer in het spel is dan blijkt
een huwelijk gewoon op alle fronten praktischer dan een samenlevingscontract.
Met of zonder kerkelijke inzegening. Maar Sabine en Walter moesten wel gedoopt
worden en de communie zou er bij beiden ook komen. Ondanks de scepsis van bijna
alle familieleden. Vanalles hadden ze van Bart en Thea kunnen verwachten, maar
geen zedig doopsel of de heilige communie van hun kroost. Zeker niet na die
sobere trouwerij. Eén van de zussen van de vader van Thea was het meest begaan
met het religieuze lot van Sabine en Walter. In haar jonge jaren was tante
Agnes non geweest. Haar habijt had ze al decennia terug ingeruild voor een
huwelijk met oom Vincent. Toen echter het massale seksuele misbruik van
minderjarige parochianen door geestelijken binnen de katholieke kerk
publiekelijk aan het licht kwam, had tante Agnes het naar eigen zeggen voorgoed
gehad met het katholicisme. En eigenlijk ook wel met iedereen die haar rigide
opvattingen niet terstond deelde. Desondanks hielden Thea en Bart vast aan hun
overtuiging dat kinderen gebaat zijn bij inzicht in het concept van een geloof.
Zij waren niet meer opgegroeid met hel en verdoemenis zoals tante Agnes.
Bart had zich als koorknaap voor eeuwig
laten inpalmen door de pracht en praal van de katholieke kerk. Ook roomse
geloofsrituelen blijven hem fascineren en rangschikken de memorabele
geluksmomenten uit zijn kindertijd. En Thea koestert zoveel warme herinneringen
aan haar oma met haar devotie voor ‘ons lief heertje’ en haar levenslange vrije
interpretatie van de catechese dat ze haar kinderen een kijkje in de
vindingrijke keuken van het katholicisme niet wilde onthouden. Opdat ze opgroeien met het besef dat religie
niet als machtsverklaring van een God bedoeld is, maar dat geloof voortvloeit
uit een gemeenschappelijk onderbuikgevoel, waarvan jong volwassenen op eigen
initiatief al dan geen afstand kunnen nemen.
Pater Ward vroeg om ouderhulp tijdens de
bijeenkomsten op woensdagmiddag in de weken tot aan de datum van de communie.
Hoewel hij al tijdens de eerste ontmoeting met de groep communicanten blijk gaf
van het soort natuurlijke overwicht op kinderen waar menig leerkracht jaloers
op mocht zijn. En alsof dat nog niet genoeg was, werd hij permanent bijgestaan
en op de voet gevolgd door ene Ingrid. Ingrid was een onwrikbaar, kerkelijk in
de echt verbonden moeder van 3 kinderen. Ingrid straalde ouderwetse deugd, gemeenschapszin
en vroomheid uit. Wat overigens niet per definitie volgzaam gedrag impliceert.
Ingrid aanbad God. Uit naastenliefde betuttelde ze pater Ward, zijn
communicanten en andere betrokkenen. Kortom: haar medemensen. En dat allemaal
op vrijwillige basis. Pater Ward liet de bedillerige Ingrid tot op zekere
hoogte tegen zich aanleunen, maar hij was duidelijk de gezagdrager. Hij was er
het type niet na om aanbeden te willen worden en je zag dat hij de bemoedering
van Ingrid moeiteloos in banen wist te leiden. Prijzenswaardig voor een man die
nog nooit een seksuele relatie met een ander heeft gehad. En zo wel dan toch
héééél lang geleden. Als het goed is. Thea vermoedde dat pater Ward met Ingrid
aan zijn zijde onder meer de slechte reputatie van de katholieke kerk wenste op
te krikken. Ingrid gold als een
geloofwaardige toezichthoudster op het transparante optreden van pater
Ward. Door ouders zoveel mogelijk bij de religieuze kinderkransjes te betrekken
hoopte hij ze over de achterdochtige streep te helpen. Thea was dan ook vaak
van de partij. Maar niet omdat ze bang was voor seksueel misbruik van Sabine of
Walter door pater Ward. Nee, Thea was eerder huiverig voor uitsluiting door
onaangepast gedrag van haar kant. Mede door de aanwezigheid van de karakteristieke,
moederkloekerige huishoudster alias gouvernante in een modern jasje, oftewel
Ingrid, zag ze de welbekende kritische bui van Het Kleurenpalet en De Wielewaal
over Sabine en Walter al weer hangen. Het hele riedeltje van steken onder water
zou de revue uiteraard opnieuw kunnen passeren. De mankerende taalontwikkeling
zou het voorlezen in de kerk door Sabine of Walter wel weer in de weg staan. En
je zou zien dat de kinderen van Bart en Thea natuurlijk niet stil konden zitten
in de kerk omdat Sabine en Walter algemeen bekend voor galg en rad opgroeiden
in die achterstandswijk en dat ze dan van Ingrid een voorbeeld moesten
nemen aan de andere, voorbeeldige communicanten uit de betere buurten van de
stad. Wie weet begon Walter wel ineens te slaan, omdat hij te snel geïrriteerd
raakte van alle voorbeeldige kindjes om hem heen. Dus was Thea op haar hoede,
in de buurt en te allen tijde bereid om zich als bastion van vrijzinnigheid
voor Sabine en Walter op te werpen.
Onterecht. De tweewekelijkse kerkbezoekjes op
woensdagmiddag werden net zo vertrouwd voor de 2 kinderen van Bart en Thea als
de visites aan de 2 alleenstaande oma’s om de 14 dagen. Verplichte nummertjes,
maar niet vervelend en bij de oma’s meestal bezegeld met speelgoedcadeautjes en
andere verwennerijen voor Sabine en Walter. De oma’s waren lief en zorgzaam.
Ieder op hun eigen manier. Zo ook pater Ward en zelfs Ingrid. Pater Ward kon
inspirerend prachtige verhalen uit de kinderbijbel vertellen en Ingrid zorgde
tijdens elke bijeenkomst voor snoep, koeken en limonade. Als vanzelf hervonden
Sabine en Walter zichzelf in een tolerante, kleine gemeenschap van
communicanten waarin de kinderen onderling net zo van elkaar verschilden als in
de groepen van De Wielewaal. Zelfs Bruce uit de klas van Sabine die ook deelnam
aan de voorbereidingen op de eerste heilige communie viel niet buiten de boot.
En dat terwijl het doopsel er na zijn geboorte vanwege vechtscheidingsperikelen
bij was ingeschoten. Met plaatsvervangende schaamte hoorde Thea op de
speelplaats het verloop van de huwelijksbreuk uit de gedetailleerde bron van de
hoogblonde moeder van Bruce aan. Janet was 4 maal getrouwd geweest en even
zoveel keer gescheiden van 4 verschillende Antilliaanse mannen van wie ze elk
een kind had. Haar eerste zoon kwam ernstig geestelijk gehandicapt ter wereld;
gevolgd door haar 2 mooie meiden en tenslotte het perfecte wenskindje; Bruce.
Een knap, getint jongetje dat precies even oud is als Sabine. Op 7 jarige
leeftijd schept een gedeelde verjaardag een band en Bruce speelde dan ook
weleens bij Bart en Thea thuis, omdat Sabine als klein meisje nou een maal
iedereen en alles mee naar huis sleepte. Uit zichzelf ging Bruce nooit weg en
Janet was slecht ter been, omdat ze naar eigen zeggen leed aan allerlei
onduidelijke, ongeneselijke aandoeningen en het chronisch
vermoeidheidssyndroom. Daarom was Thea genoodzaakt om vriendje Bruce bij iedere
voorgenomen speelgelegenheid te halen en brengen. Omdat Thea echter zelf ook
nog een leven heeft, probeerde ze de speelmomenten tussen Bruce en Sabine tot
het minimum te beperken. Tot onbegrip van Janet. Als reactie op de
terughoudendheid van Thea verspreidde zij de roddel op De Wielewaal dat de
ouders van Sabine met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid racisten
waren. Bruce was immers een halfbloedje en ook nog eens hoogbegaafd. Dat kon
gajes als Bart en Thea natuurlijk niet uitstaan. Vieze uitkeringstrekkers met
die vechtmachine als zoon. Die Walter dus die ze op een kwaliteitsschool als De
Wielewaal openlijk van Wonderwilma lieten profiteren. Die Tokkiefamilie die
huisden in die verpauperde gelukszoekersbuurt; vol met Turken en Marokkanen en
andere minderwaardige buitenlanders.
Op een dag zag Thea geen kans om Bruce rond
etenstijd naar huis te brengen en ze had ook geen zin om hem weer aan de
eettafel aan te laten schuiven. Bruce at voor 10. Desondanks had hij altijd
kritiek op wat hij van Thea voorgeschoteld kreeg. Hij hield niet van ‘Hollands’
eten.
‘Dan breng ik je wel even naar huis. Dan eet je
daar lekker Antilliaans’, sneerde Bart.
‘Sabine; jij rijdt even met papa en Bruce mee’,
gebood Thea.
Bij Bart was de maat duidelijk vol en dan kon
hij nogal kort door de bocht reageren. De directe aanwezigheid van Sabine zou
hem afremmen. Bruce kon zijn schoenen niet vinden. Afgeleid kroop hij terug
naast Walter achter de gamecomputer.
‘Trek je schoenen eens aan Bruce’, beval Thea
vanachter het fornuis.
‘Ik blijf hier eten’, talmde Bruce.
‘Ik dacht het niet!’, donderde Bart.
Gealarmeerd begon Sabine aan de arm van Bruce
te sjorren:
‘Kom nou Bruce.’
Bruce verroerde zich pas toen Walter vanaf zijn
gamecomputer reageerde:
‘Ga naar huis Bruce; je kunt toch niet van mij
winnen!’
Bruce sloeg liever op de vlucht dan zijn
nederlaag te erkennen en Thea zou Thea niet zijn als ze weer eens geen
medelijden had.
‘Hij is pas 7 jaar. Hij kan er niets aan
doen!’, riep ze Bart op weg naar zijn auto nog na.
Bart smakte het portier van zijn Citroen
onnodig hard dicht. Sabine en Bruce kropen naast elkaar op de achterbank. In
woonwijk van Bruce aangekomen realiseerde Bart zich ineens dat hij geen idee
had van het huisadres van het vriendje van zijn dochter.
‘Waar woon je precies Bruce?’, vroeg hij zo
neutraal mogelijk.
‘Weet ik niet’, grijnsde Bruce in de
achteruitkijkspiegel.
‘Dat weet je wel!’, beweerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Mama en ik hebben jou al zo vaak naar huis
gebracht. Ik weet het zelfs’, vervolgde Sabine bestraffend.
‘Is het nog ver? Welke kant moet ik op? Het
lijkt hier wel een doolhof’, wilde Bart met groeiend ongeduld weten.
‘Nog maar 3 straten of zo; je moet hier
afslaan, toch Bruce?’, probeerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Hallo, Sabine vraagt je wat Bruce!’, daverde
Bart vanachter het stuur.
‘Ik ben het vergeten’, bokte Bruce plagerig.
Met een harde knal raakte de uitlaat van de
Citroen de rand van een verkeersdrempel. Onbesuisd ging Bart vol op de rem.
‘Eruit’, beval hij.
Bruce bleef zitten waar hij zat en keek star
voor zich uit. Sabine besloot haar vader behulpzaam te zijn, omdat ze ook niet
snapte wat Bruce bezielde. Hij was vlak bij zijn woonhuis. Dat wist ze wel.
‘Je moet hier uitstappen en zelf naar huis
lopen Bruce. Het is niet ver. Weet je nog?’, probeerde Sabine voorzichtig.
Haar rustige aanpak had succes. Terecht gewezen
vond Bruce zijn weg uit de auto en maakte dat hij weg kwam. Hij liet een
donkere, natte vlek achter op zijn voormalige zitplaats naast Sabine op de
gestoffeerde licht blauwe achterbank van de Citroen. Bruce had in zijn broek
geplast.
‘Waarom doet hij dan ook zo vervelend’,
pruttelde Bart schuldbewust na, terwijl hij met een plantenspuit gevuld met
verdunde spiritus en een duizend dingen doekje in de weer ging.
‘Je moet hem maar niet meer te spelen vragen’,
vond Thea.
Berustend had Sabine gegiecheld:
‘Na vandaag durft hij vast niet eens meer’.
Het ongelukje van Bruce wierp Thea in gedachten
terug naar de herfstvakantie uit die
periode. Sabine was net 7 en Walter 6. Ze mochten alle twee een vriendje of
vriendinnetje uitnodigen voor een hele dag plezier in Monkeytown; een
indoorspeeltuin. Sabine koos voor Ronnie en Walter voor Tim. Dat Tim op het
laatste moment verhinderd was, zal wel weer aan mama Jenny gelegen hebben. Het
leven is echter te kort om overal heisa van te maken en dus belde Thea in de
gauwigheid alle klasgenootjes van Walter net zolang totdat ze een
plaatsvervanger voor Tim bereid had gevonden om met Walter mee te gaan naar
Monkeytown. Elfie werd de gelukkige. Haar vader was psychiater en haar moeder
psycholoog. Het prototype van een vlot koppel dat zich voordeed als een
ruimdenkend stel. Thea vond het wel meevallen. Zo sprak het feit dat het
echtpaar openlijk wegliep met meester Gijsbert wat haar betreft niet in hun
voordeel. De moeder van Elfie had eens langs haar neus weg tegen Thea
opgemerkt:
‘Ik zou me niet zo druk maken over Walter.
Gijsbert is erg goed met onhandelbare kinderen.’
Thea hapte meteen:
‘Ik weet niet wie jij onhandelbaar vindt; maar
Walter is in ieder geval niet onhandelbaar.’
Met een minzaam knikje onthield de moeder van
Elfie zich van verder commentaar, maar de grote psychiater en vader van Elfie
vond het nodig om het hardnekkige vooroordeel, dat over Walter op De Wielewaal
de rondte deed, er bij Thea nog eens extra in te wrijven.
‘Goed visweer vandaag!’
Zijn leuke opmerking was eigenlijk gewoon een
verkapte instemming met de kromme mening van zijn vrouw de psychologe. Enfin
Elfie had haar ouders niet uitgezocht. Het was een grappig meisje en ze kon
prima met Walter opschieten. Zo had Walter ook een introducee voor Monkeytown.
Bart had een vrije dag thuis voor zichzelf en Thea nestelde zich met haar
ereader en een thermoskan aan een tafeltje in de indoorspeeltuin in de buurt
van het uitgelaten grut. Monkeytown bood een grote apenkooi met spring- en luchtkussens;
klimtouwen, schommels, een ballenbak, raceautootjes; kortom prima toeven op een
lange, druilerige herfstvakantiedag voor 4 energiebommetjes. De kinderen zagen
rood van de pret en opwinding. Wel fluisterde Sabine al na een uur in het oor
van Thea:
‘Volgens mij heeft Elfie in haar broek
geplast.’
‘Vast niet.’
Thea stelde vooral zichzelf gerust, want ze had
geen schone broek bij zich. Sabine en Walter waren misschien niet de snelsten
van hun generatie, maar op de leeftijd van 6 en 7 jaar waren ze toch echt
zindelijk. Voor de zekerheid besloot Thea de eerst volgende keer om Elfie toch
maar even aan haar tengere bovenarmpje tegen te houden tijdens haar oeverloze
stormgangetjes van en naar de ballenbak. Op het bipsgebied van het
spijkerbroekje prijkte een donkere, zichtbaar doorweekte vlek.
‘Je hebt in je broek geplast Elfie’,
constateerde Thea nuchter.
‘Weet ik’, antwoordde Elfie diffuus en weg was
ze weer.
Op dringend, telefonisch verzoek van Thea moest
Bart zijn vrije tijd opofferen om op te komen draven met een droge onderbroek
en een jeans van Sabine die hij echt niet zonder een zoektocht door de
kledingkast van zijn dochter en de nodige instructies van zijn vrouw gevonden
had. Daar kwam nog bij dat een ritje naar en van Monkeytown bij elkaar een uur
rijden in beslag nam.
‘Sorry’, zei Thea toen Bart eindelijk
gearriveerd was.
Bij de ingang van Monkeytown had Bart ook nog
eens gelazer gehad, omdat hij geen toegangsbewijs kon laten zien.
‘Ik baal hier dus van’, mopperde goedzak Bart.
De jeans van Sabine was Elfie veel te groot.
Niemand had een riem voorhanden. Een inventieve receptioniste van Monkeytown
kwam met het idee om een grijze vuilniszak in reepjes te knippen.
Gezamenlijk vlochten en knoopten de
dames een plastic ceintuur die ervoor zorgde dat de schone jeans van Elfie niet
steeds op half elf hing tijdens het ravotten.
‘Waar is je Eager Beaver!’, gruwelde de moeder
van Elfie meteen nadat ze de voordeur opende.
‘Ik kan niet bij de bel’, had Elfie gejammerd,
omdat Thea haar eigenlijk alleen maar voor haar huis had willen afzetten.
Het was leuk geweest in Mokeytown. Naarmate het
einde naderde was Elfie wel steeds meer in zichzelf gekeerd geraakt. Ze was moe
gespeeld natuurlijk en begon spontaan te huilen toen ze haar moeder in de
deuropening vol afschuw de handen voor de mond zag slaan.
‘Ze heeft in haar broek geplast’, suste Thea op
een toontje waarmee ze eigenlijk wilde zeggen:
‘Stel je niet zo aan mens.’
Tegelijkertijd reikte ze de moeder van Elfie
een plastic zak aan:
‘Hier is je Eager Beaver.’
Anders had ze de natte spijkerbroek echt wel
aan Elfie meegegeven. Ze was niet van plan om ook nog de was te doen voor
mevrouw. Psychologe of niet.
‘Naar boven jij, douchen’, grauwde de moeder
van Elfie.
Met een klaaglijk jankgeluid als van een gewond
diertje stormde Elfie de trap achter haar moeder, die nog in de hal bij de
voordeur stond, op. Wat een domper op het eind van een leuke herfstvakantiedag.
‘Ze heeft toch niet expres in haar broek
geplast’, getuigde Thea verbouwereerd.
‘Natuurlijk heeft ze dat wel expres gedaan’,
gilde de moeder van Elfie hysterisch.
Inhalig griste ze de plastic tas uit de hand
van Thea waarna ze de voordeur met een klap dichtsmeet. Pal voor de neus van
Thea die zich voor de zoveelste keer overvallen wist door haar eigen naïviteit.
Om Indianenverhalen te voorkomen probeerde Thea
de valse sanitaire stop van Bruce in de Citroën van Bart wat tactvoller aan te pakken dan het
plasincident van Elfie in het speelparadijs. Bart bedoelde het niet zo kwaad.
Al zou hij dat zelf nooit toegeven. Thea kon zich niet voorstellen dat Bruce
zijn natte broek thuis voor zijn moeder verborgen had weten te houden. Voordat de
opstelling van Bart publiekelijk aan de kaak gesteld zou worden, had Thea graag
haar kant van het verhaal uit de doeken gedaan. Toch ontweek Janet een
eventuele evaluatie van het plasincident
op alle mogelijke manieren. Misschien was ze
bang voor een schadeclaim vanwege de urinevlek die Bruce op de zitting van de
achterbank van de Citroën van Bart wel moest hebben achtergelaten. Ontmoedigd
door het ontwijkgedrag van Janet, gaf Thea uiteindelijk haar pogingen om het
roddelletsel voor Bart te beperken maar op.
‘Laat ze toch denken en zeggen over mij wat ze
willen’, vond Bart en hij meende wat hij zei.
Maar Thea werd er pas wat geruster op toen
duidelijk werd dat Janet deze keer eens niet gebruik maakte van de mogelijkheid
om de papa en mama van Sabine bij de ouders van De Wielewaal nog zwarter te
maken dan ze figuurlijk gezien al waren. Janet had het ineens veel te druk met
belangrijkere zaken om zich met roddel en achterklap bezig te houden. Pater
Ward van de communicantenbegeleiding gaf
hiertoe de aanzet. Bruce zou op korte termijn namelijk gedoopt worden. Bruce
moest gedoopt worden, want anders kon hij zijn communie niet doen. Precies
hetzelfde gold voor Miranda; dat andere kind uit groep 4 van De Wielewaal dat
samen met Bruce onder toeziend oog van, onder meer, alle aanstaande
communicanten en hun aanhang tijdens een officiële, zondagse kerkdienst gedoopt
zou worden.
De 7jarige Miranda droeg een witte jurk ter
gelegenheid van haar doopfeest. Een lang voluptueus, strapless gewaad dat werd
opgevuld met een petticoat en een voorgevormde b.h. met kanten schouderbandjes.
Net als Bruce heeft Miranda een donkere vader en een blanke moeder. Ook haar
ouders zijn gescheiden. Toch schiepen deze overeenkomsten geen band tussen de
moeders van Bruce en Miranda. Ten eerste bestond er een aanzienlijk
leeftijdsverschil tussen de 45 jarige Janet en de 25 jarige moeder van Miranda;
Dolly genaamd. Ten tweede fluisterde Miranda in elk luisterend oor dat haar
echte vader een moslim is en in Marokko woont. Nou zoog Miranda wel meer uit
haar duimpje. Zowat iedereen die haar ontmoette ontkwam niet aan haar levendige
fantasie en andere symptomen van vermoedelijke ADHD, maar Thea zou niet weten
waarom dit specifieke, fabelachtige verhaal niet op waarheid zou kunnen
berusten. Waarom was Miranda anders nog niet gedoopt, terwijl moeder Dolly wel
serieus van plan was om haar dochter de communie te laten doen? Moeder Dolly
leek wel verdacht veel op zo’n hypermoderne twen die haar neus echt niet
ophaalde voor een multiculturele oriëntatie op liefdesgebied zonder zich het
hoofd te breken over futiliteiten zoals verschillende religieuze achtergronden.
En dat Miranda niet al te vaak op de bijeenkomsten ter voorbereiding van de
communie verscheen was nog tot daar aan toe. Maar toen Dolly en haar dochter
het op een gegeven moment zelfs lieten afweten op een speciale bijeenkomst in
de kerk, waarbij aanwezigheid van betrokkenen toch een vereiste van Ward
geweest was, greep de pater in het bijzijn van alle aanwezigen ongevraagd naar
de mobiel van zijn rechterhand Ingrid. Met een verbeten blik hield hij de
telefoon aan zijn oor. Hij kreeg de voicemail. Thea zat toevallig tegenover
pater Ward aan tafel. Lacherig en merkbaar opgelaten praatte hij de ingesproken
boodschap na:
‘We zijn er niet en als we er wel zijn dan
nemen we de telefoon lekker toch niet aan.’
Toch kon de moeder Dolly niet anders dan van
huis uit katholiek zijn. Dat werd wel duidelijk uit de stoet verwanten die
routinematig achter het sprookjesprinsesje - dochter Miranda - de kerk in
hobbelden. Twee kleinere uitvoeringen van Miranda droegen de voile sleep die
als een vitragegordijn uit haar kunstig gekapte kroeshaar ontsproot. Sabine
wist niet wat ze zag en ook niet wat ze moest vinden. Ze stond naast Thea in de
kerkbank en fluisterde:
‘Okay?’
‘Wil je ook zo’n prinsessenjurk; straks met je
communie?’, grapte Thea binnensmonds.
‘Hoeft niet’, twijfelde Sabine.
Bart stond 2 plaatsen verwijderd van Sabine in
de kerkbank. Voor Walter langs wendde hij zich tot zijn dochter en fluisterde
plagerig:
‘Je weet in ieder geval zeker dat je te kijk
loopt in zo’n jurk.’
Sabine schrok er van:
‘Doe dan maar niet.’
Walter besloot zich ook in de conversatie te
mengen:
‘Moet ik nou weer net zo lang stilzitten in de
kerk als laatst bij de vader van Tim?’
‘Je kunt anders ook doopsuikerzakjes vullen bij
Ingrid en de kleutertjes in de refter?’, stelde Bart bevallig voor.
‘Misschien moet ik dat maar doen’, zei Walter
ook nog.
Maar hij bleef braaf in de kerkbank staan. Met
rechts van hem in het rijtje zijn vader opgesteld en links van hem zijn moeder
en zusje. Totdat hij in navolging van de andere bezoekers eindelijk kon gaan
zitten. Net als Sabine hield hij de doopviering ternauwernood vol. Hij werd er
merkbaar niet vrolijker van. Het uitzicht van de uitzinnig uitgedoste Miranda
maakte de bezoeking voor jonge kinderen nog enigszins draaglijk. Ook Bruce was
een bezienswaardigheid. Hij droeg een driedelig glanzend grijs kostuum met
alles erop en eraan.
‘Miranda en Bruce gaan trouwen’, zwijmelde
Sabine.
‘Ze worden gedoopt toch?’, aarzelde Walter.
Die sjieke outfit van Bruce had Janet met hulp van het halve ouderbestand van De
Wielewaal op de kop kunnen tikken voor 750 euro. Op een zeker moment stond
bijna iedereen in hilarische stemming op het speelplein met de mobiel in de
hand te googelen onder luid gelamenteer van Janet omdat ze almaar niets naar
haar gading voor de doop van Bruce kon vinden. Janet had totaal niet in de
gaten dat ze zichzelf belachelijk maakte met haar pretentieuze zoektocht naar
passende communiekleding.
‘Ik zoek ook even gezellig mee. Het mag wat
kosten, heb ik begrepen’, ginnegapte een vader.
‘Geef je ook een afterparty, lieve schat?’,
riep een tweede lolbroek uit het groepje ouders naar Janet.
Op een afstandje van het kliekje koesterde
Janet de gefingeerde betrokkenheid om zich heen. Zomaar ineens leefde ze in de
waan dat ze in het middelpunt van de belangstelling mocht staan. Thea probeerde
Janet af te leiden van de pesterijtjes
door haar een paar goedbedoelde, serieuze zoeksleutels aan te bieden. Ze drong
zich op de voorgrond en verwees Janet via haar mobiel door naar enkele van haar
online contacten die ze had weten op te doen dankzij haar webshop in vintage
spullen. Janet nam niet eens de moeite om interesse te veinzen. Ze gaapte
verveeld en lonkte naar andere moeders en vaders op wie ze zo nodig indruk
moest maken. Ze koos ervoor om Thea verder te negeren en zodoende een gebaar te
maken naar de kudde.
‘Kom gerust langs.’
Vol branie had Janet iedereen op de speelplaats
uitgenodigd op het doopfeest van haar zoon.
‘Horen jullie dat? Iedereen is uitgenodigd.
Gratis eten en drinken; Janet betaalt’, joelde de nar van het gezelschap.
‘Hier. Ik heb iets gevonden!’, gilde een
moeder.
Hysterisch zwaaide ze met haar mobiel in de
lucht:
‘Een glitterpak; bij een herenmodezaak; maat
176.’
‘Laat zien’, commandeerde Janet opgewonden.
‘Wat kost het?’, vroeg weer iemand anders.
‘750 eurootjes’, proestte de grappige moeder.
‘Mijn trouwpak kostte nog niet eens 750 euro’,
voegde iemand ongevraagd aan de conversatie toe’
‘Wij katholieken kijken niet op een paar
eurootjes, toch Janet?!’, spotte de nar van de speelplaats op misleidende toon,
terwijl hij Janet quasi vriendschappelijk porde.
‘Wat een gaaf pak’, kirde Janet.
Ze was stekeblind voor de ironie. Janet werd
uitgelachen en niet toegelachen en Thea stond machteloos.
‘Laat mij een kostuum voor je regelen, Janet.
Ik kan je veel geld besparen’, probeerde Thea nog tevergeefs.
‘Goedkoop is duurkoop’, snoof Janet.
Ze haalde haar neus op voor Thea. Letterlijk en
figuurlijk. En de andere moeders moesten Janet hierin toch wel gemeend gelijk
geven. Helaas. Pindakaas Thea! Het doopkostuum van Bruce waarvoor Janet dus
uiteindelijk 750 euro betaalde, kon immers ook dienen als communiepak. Ter
kostenbesparing. Het gevolg was wel dat Bruce werd overtroffen door Miranda,
want zij droeg op haar communie niet hetzelfde als tijdens haar doop. Voor de
tweede keer in zijn haute couture gehuld,
stak Bruce bijna jammerlijk af naast Miranda in een communiejurk die nog
uitzinniger en extravaganter was dan haar doopjurk. Roze getint dit keer met
een popeline lange ballonrok bezaaid met honderden kleine handmatig bevestigde
satijnen roosjes; een strak met veters dichtgeknoopt fluwelen corset als
bovenlijfje met baleinen en pofmouwtjes. Sabine vond de jurk van Miranda
ontzaglijk mooi, maar voelde zich toch veiliger in een comfortabele streetlook
van Supertrash. Sabine leek op zichzelf, maar dan pas gewassen en gestreken.
Maar juffrouw Dorien van De Wielewaal was duidelijk teleurgesteld.
‘Dit is toch zeker niet jouw communiejurk,
Sabine?’, vroeg ze tam naar de bekende weg in de ontluistering van een schoolse
maandag na het weekend van de communie.
Juffrouw Dorien had natuurlijk gehoopt op een
tweede spektakel a la Miranda. Eerder die morgen was Miranda al met veel
bombarie in haar roze communiegewaad op school verschenen. Aangemoedigd door de
meesmuilende opperouders in de gangen van De Wielewaal, was het onderwijzend
personeel net pas bijgekomen van het schouwspel. Miranda hing nu in afwachting
van aanvang van de lessen, bedolven onder het popeline van haar sprookjesjurk,
ondersteboven aan het klimrek op de speelplaats. Ze droeg een kanten onderbroek
met lange pijpjes. Het onderwijsteam van de Wielewaal had zich graag een tweede
keer op een maandagmorgen willen verkneukelen over en vergapen aan een heuse
communicant. Niet verkeerd oppakken hoor! Maar Sabine was geen toetje op de
sluimerende exaltatie. Ze viel alleen maar op omdat ze hippe, frisse, nieuwe
kleding droeg, waarvan de herkomst duidelijk niet uit een confectiezaak was.
Een outfit die Thea uiteraard voor een kwart van de vraagprijs via haar
slinkse, online wegen op de kop had weten te tikken. Op dezelfde manier vond
Thea een jaar later ook een praktisch identiek kostuum aan het communiepak van
Bruce voor 25 euro. Naast dit enorme prijs onderscheid was het enige andere
verschil tussen de communiepakken de kleur. Het kostuum van Walter was glanzend
zwart in plaats van glanzend grijs. Niemand van De Wielewaal geloofde Thea.
Niemand van De Wielewaal nam dan ook de moeite om de outfit van Walter tijdens
zijn communie in de kerk een jaar later te vergelijken met het kostuum dat
Bruce twaalf maanden eerder had gedragen. Walter voelde ook geen behoefte om
zijn communiekleren op school te showen. Nauwelijks een half jaar verder was
Walter nog net niet ver genoeg uit zijn communiepak gegroeid om niet te kunnen
stralen op het kerstdiner van groep 5. Drie maanden later legde Thea de boel
nog een keer uit. Voor carnaval. Zodat Walter als gangster of maffiabaas
verkleed kon gaan. Tot zover het communiepak van Walter ter waarde van 25 euro.
Op de avond van de kerstviering van groep 5
beklom Walter dus in het volle ornaat van zijn communiepak naast Sabine en
achter Thea de trappen van De Wielewaal. Zij wisten toen nog niet dat zij op
dat moment op de voet gevolgd werden door moeder Janet en zoon Bruce die ook op
weg waren naar het kerstdiner. Alsof de duivel ermee speelde. Bruce droeg geen
kostuum, maar een spijkerbroek op een wit overhemd met een vlinderstrikje en
een jacquet. Janet was nog niet goed en wel op de eerste verdieping gearriveerd
of ze schoot Thea aan:
‘Dat kostuum van Walter!’
Janet hapte naar adem. Thea deed alsof ze van
gisteren was:
‘Jeetje Janet, denk aan je hart’.
Janet zocht met één hand steun aan het uiteinde
van de trapleuning. Met haar andere hand drukte ze op haar sleutelbeen. Ze
hijgde en pufte.
‘Dat kostuum van Walter lijkt wel hetzelfde als
het communiepak van Bruce.’
‘Dat kan kloppen’, antwoordde Thea droog.
‘Hoe kom jij eraan?’
‘Dat heb ik toch verteld? Ben je het
vergeten?’, vroeg Thea zogenaamd
verbaasd.
‘O ja? Dat weet ik dan zeker niet meer. Vond je
het geen duur pak? Ik heb er 750 euro voor betaald en Bruce heeft het maar 2
keer aangehad. Nou hangt het maar te hangen in de kast. Gestoomd en wel. Bruce
is er nou al helemaal uitgegroeid.’
‘Ach Janet, wat kan ik zeggen of wat wil je
horen?’
‘Het is wel hetzelfde pak, he?’, vreesde Janet.
‘Tsja, wat wil je ook Janet; als je van mij
niet wilt aannemen dat goedkoop niet altijd duurkoop is’, grijnsde Thea.
HOOFDSTUK 17
Niet lang na de communie van Walter kreeg pater
Ward van hogerhand een andere bestemming toegewezen en hij verdween uit het
stadsbeeld. Thea volgt hem op facebook. Hij verricht zendingswerk in het
buitenland. Een inspirerend mens. Niet eens zozeer vanwege zijn religieuze
bezieling; maar omdat hij de zeldzame gave bezit om te differentiëren tussen
mensen zonder te discrimineren. Hij kreeg Walter zover dat hij, weliswaar onder
protest, zonder te haperen voorlas in de kerk tijdens zijn communie en Sabine mocht
solo zingen. Op voorspraak van pater Ward speelden de kinderen van Thea zelfs
de rollen van Jozef en Maria in het kerstspel tijdens de kindermis.
Onvergetelijk blijft de ontwapenende schaterlach van Walter alias Jozef tijdens
de kerstvoorstelling. Eén van de mede communicanten was verkleed als herdertje
en had de opdracht om een kartonnen ster op een steeltje in de lucht te houden
bij wijze van uithangbord voor de alom bekende bezoekers aan het stalletje. Je
zag het kleine herdertje op het altaar vechten om de boel stabiel in de lucht
te houden; maar de zwaartekracht liet de metafoor voor de heilige nacht met een
klap op de kruin van Jozef terecht komen. Een seconde lang hield het publiek in
de kerkbanken de adem in; niemand zou die arme Jozef na die optater een huilbui
verweten hebben. Langzaam begon Walter geluid te maken. Steeds krachtiger
lachgaste zijn aanstekelijke bulderbulk als een aangeslagen crossmotortje door
de kerk. Opgelucht lachten de kerkgangers met Walter mee.
Ondertussen werd Sabine digitaal vereeuwigd
terwijl ze opging in haar rol als poppenmoeder Maria met het kindje Jezus. Voor
de gelegenheid had Sabine haar babyborn in bruikleen gegeven en op advies van
Ingrid zonder poppenkleertjes in een witte lap gewikkeld. Toen het moment was
aangebroken dat de 3 wijzen uit het Oosten een blik op het kindje Jezus kwamen
werpen; rukte Maria welwillend haar pasgeborene aan het plastic linkerbeen uit
de kribbe teneinde haar gasten een goed beeld te kunnen geven van de baby.
Naakt en wel bungelde het kindje Jezus langer dan nodig aan één poppenbeen aan
de hand van Maria in de gewijde kerklucht. Als Sabine op dat moment niet uit
haar rol was gevallen dan was de cruciale fout nog wel gauw, gauw te
verdoezelen geweest. Maar Sabine bleef verstijfd, in haar respectloze houding,
met het naakte kindje Jezus op zijn kop, niet begrijpend turen in de richting
van regisseuse Ingrid die in de
sfeerverlichting stond opgesteld in een hoekje van de kerk achter het altaar.
Ingrid gesticuleerde als een malle en haar witte reflecterende blousemouwen,
als noodsignalen voor een rampscenario, trokken niet alleen de aandacht van
Maria, maar van iedereen in de kerk. Het duurde even alvorens een beschaamde
Maria zich aangesproken voelde en ze haar babyborn betrapt terug in de witte
lap rolde. Een tweede lachsalvo galmde door de kerk. De kinderen van Bart en
Thea vielen in de smaak bij het grote publiek. Tot ongenoegen van Ingrid aan de
zijlijn. In tegenstelling tot pater Ward had zij wel specifieke voorkeuren
ontwikkeld en die golden niet voor Walter en Sabine. Dat liet ze merken ook.
Met name aan Thea, die niet veel meer aanmoediging nodig had om zich direct na
de communie van Walter terug te trekken uit het kerkleven. Als de wiedeweerga
weer ondergaan in de echte wereld. Haar doel was bereikt. Een pregnante
geloofsbeleving voor en met haar kinderen.
‘Moet je nou ook elke zondag verplicht naar de
kerk?’, vroeg een wereldvreemde moeder op een onbewaakt moment op de
speelplaats.
‘Zeker’, loog Thea met een uitgestreken
gezicht.
De moeder van Zarah stond er ook bij met zo’n
houding alsof ze ver boven de ongelovigen om haar heen verheven was. Ook boven
Thea. Maar dat had Thea helemaal aan zichzelf te danken. Vond Dalila, want Thea
was zich van geen kwaad bewust. Ze had gewoon gevraagd waarom Zarah zoveel
moeite leek te hebben met de communie van Sabine en nou was Dalila in haar eer
aangetast. Waar haalde Thea überhaupt het gore lef vandaan om kritiek te uiten
op de geloofsbeleving van een klein, islamitisch meisje dat zich bij vreemden
zogenaamd tijdens de hele middagpauze in de toiletgelegenheid zou hebben
opgesloten uit frustratie. Dalila kon hier heel kort over zijn; in de eerste
plaats kende zij maar één geloof; de Islam, maar één profeet, Mohammed en maar
één Allah en dat gold uiteraard ook voor haar kroost.
‘Tsja en wat een boerin niet kent dat vreet zij
niet’, wierp Thea er tegen beter weten fluks tussenin.
Ten tweede vond Dalila het niet normaal en niet
erg hygiënisch om pocketgames open en bloot op het toilet te laten
rondslingeren. Op die toer moest Thea er ook niet raar van staan te kijken dat
toiletbezoekers in de verleiding kwamen om dan maar zo lang mogelijk de w.c. te bezetten.
‘Heb jij dat verteld? Nou krijgt Zarah vet
straf’, riep Sabine, nadat Thea haar hart gelucht had bij Bart tijdens het
avondeten.
‘Hoe kom je daar nou bij?, vroeg Thea afgeleid.
‘Zarah mag vast niet de hele middag op de w.c.
zitten van haar moeder.’
‘Het w.c.’, verbeterde Walter.
‘De w.c., toch mama?’, vroeg Sabine
verontwaardigd. Zij was meestal iets vlugger op taalgebied dan Walter. Thea
deed haar best om geslachtsneutraal te blijven.
‘Het is wel ‘het water closet’ en niet ‘de
water closet’, peinsde Thea.
‘Zie je wel’, triomfeerde Walter.
Maar Thea was nog niet uitgepraat:
‘Maar in de volksmond gebruiken we toch ‘de
w.c.’.’
Nu was het de beurt van Sabine om te
zegepralen:
‘Dissed jonguh!’
‘Waarom zou Zarah trouwens straf krijgen?
Alleen maar omdat ik verteld heb dat ze hier de hele middagpauze op het toilet
heeft gezeten? Da’s toch niet de moraal van mijn anekdote? Van mij mag Zarah
hier best de hele middagpauze op de w.c. zitten. De reden waarom is alleen een
ander verhaal.’
Thea zocht steun van Bart, maar ze kreeg het niet voor elkaar om oogcontact met
hem te maken. Hij prakte zijn eten met zoveel overgave dat zijn volledige
aandacht opgesoupeerd werd. Sabine verklaarde zich nader:
‘De moeder van Zarah is super schoon.’
Thea voelde zich aangesproken:
‘Oh, en ik niet?’
Bart besloot om zich ook eens met de lopende
zaken te gaan bemoeien:
‘Niet zoals die moeder van Zarah.’
‘En dat kan jij beoordelen; omdat?’
‘Dat is een gevoel.’
‘Waarom? Omdat ze Marokkaanse is? Is ze daarom
een betere huisvrouw?’
‘Nee, niet omdat ze een Marokkaanse is!’
Nou keek Bart zijn vrouw wel aan. Zijn ogen
spoten vuur. Acuut begonnen bij Thea tranen van kwaadheid en vernedering
gevaarlijk te branden, maar ze verbeet zich. Wat dacht Bart wel niet.
‘Wat ‘voel’ jij dan wat ik niet voel als je in
de buurt van Dalila komt?’, wilde ze in een niet mis te verstane aanloop naar
razernij weten
‘Als ik in de buurt van Dalila kom dan voel ik
een bekrompen dame; een control freak met smetvrees. En ik weet trouwens niet
waarom jij en ik nou ineens weer ruzie hebben met elkaar’, gromde Bart
heetgebakerd.
‘Nou je het zegt. Dalila komt niet erg relaxed
over, nee!’, bond Thea in.
Op stel en sprong zakte haar bloeddruk weer
naar een normaal niveau. Gekalmeerd richtte ze zich tot Sabine en vroeg
zogenaamd langs haar neus weg:
‘Is het dan zo schoon bij Zarah thuis?’
‘Gewoon’, schokschouderde Sabine, terwijl ze de
groente over haar bord verspreidde zodat het net leek alsof ze een paar hapjes
gezond gegeten had.
‘Schoner dan bij ons?’
Sabine zette een glas water aan haar lippen en
schudde het hoofd. Na de laatste slok zei ze:
‘We moeten altijd stil zijn bij Zarah thuis.’
‘Waarom?’
‘Dan slaapt haar moeder.’
‘Toch niet altijd? De moeder van Zarah heeft
toch een baan?’
‘De moeder van Zarah denkt dat ze een prinsesje
op de erwt uit duizend en één nacht is.’
Dat was Bart weer. Thea vond hem
bevooroordeeld:
‘Hoezo? Ze heeft een baan als
gemeentefunctionaris en ze zit in de gemeenteraad voor de PvdA.’
Bart zweeg en bestookte Thea met zo’n blik van:
‘Ik zeg niks meer.’
‘Op een keer sliep ze niet en toen werd ze boos
op me’, bekende Sabine.
‘Waarom. Omdat je haar wakker had gemaakt?’
Opnieuw was Thea op haar teentjes getrapt. Als
zij Dalila niet kon aanspreken over Zarah zonder een gratis cultuurcursus; dan
mocht miss moslima haar Sabientje ook niet vrijuit bekritiseren.
‘Nee; we aten boterhammen aan tafel en ik deed
dit.’
Ter illustratie begon Sabine uitvoerig haar mes
schoon te likken.
‘Maar dan zat er Nutella aan’.
‘En toen?’, vroeg Walter gefascineerd.
‘Toen begon haar moeder te gillen’, antwoordde
Sabine gemoedereerd.
‘Ze zei dat ik een vies varken was.’
‘Nou, da’s in ieder geval een heel slim dier’,
grinnikte Bart.
Thea was alleen maar verbouwereerd. Met een
liefdevol gebaar vlijde ze een haarlok, die net niet in de appelmoes hing,
achter het oor van haar dochter en vroeg vol empathie:
‘Waarom heb je dat niet eerder verteld?’
‘Vergeten.’
‘Zie je nou wel dat de moeder van Zarah
gestoord is’, stelde Bart voor eens en altijd vast.
‘Wat heb je toen gedaan?’
Thea had intens medelijden met haar kleine
meisje. Sabine was pas 7 jaar. Zevenjarige kinderen worden geacht om te leren
van ondoordachte foutjes zoals; veel te
lang met een gamecomputertje bij een gastgezin op het toilet zitten; of tijdens
het uit eten bij een ander een keukenmes besmeurd met chocoladepasta
schoonlikken.
‘Ik heb niets gedaan’, antwoordde Sabine
onaangedaan en ze vervolgde droog:
‘Zarah zei dat haar moeder wel vaker zomaar
boos werd. Dus.’
Walter keek Sabine niet begrijpend aan:
‘Dus?’
‘Boeien!’, verduidelijkte Sabine.
‘Ik ben trots op je meid’, schaterde Bart.
Ondanks de wederzijdse antipathie tussen Thea
en Dalila, bleef de vriendschap tussen hun dochters in de loop van de
basisschooljaren op De Wielewaal voortkabbelen. De twee meisjes werden
chronisch en vaak tegen hun zin op elkaar teruggeworpen door de exclusieve
omstandigheden op een witte school. Zowel Zarah als Sabine kwamen na groep 4
van juffrouw Dorien in een combinatieklas van 5 en 6 van meester Jan Willem
terecht en in deze groep werd de denkbeeldige driedeling tussen geniale
zonnetjes, middelmatige maantjes en afgeschreven sterretjes pas echt nageleefd.
Uiteraard onder supervisie van de opperouders ter verzekering van een
voorkeursbehandeling voor hun kroost. Naar verluid zou het in de combinatieklas
van meester Jan-Willem wemelen van de plusgroep kandidaatjes. Allemaal
zonnetjes dus die op een wachtlijst voor de plusgroep terecht kwamen daar de
club voor intelligente kinderen op De Wielewaal een plafond van 30 genieën
kende. Dit bij gebrek aan leerkrachten. Alleen maantje Sabine en maantje Zarah
uit groep 5 van de combiklas 5 en 6 stonden samen met een stuk of 4 misplaatste
sterretjes niet op de beruchte wachtlijst voor hoogbegaafden. Aldus raakten
Zarah en Sabine noodgedwongen op elkaars steun aangewezen in de competitieve
sfeer die de combiklas 5 en 6 van meester Jan-Willem kenmerkte. Het werd maar
niet gezellig in de groep. Meester Jan-Willem scheen echter niet te doorzien
dat hij de situatie niet verbeterde door steeds beter naar de pijpen van de
opperouders te dansen.
Er werd onophoudelijk gepusht en gepromoot door
de opperouders. ’s Morgens tijdens het wegbrengen, in de middagpauze, ‘ s
middags bij het ophalen, aan de telefoon, in de mail; de opperouders doken
overal op om Jan-Willem hun wil en wet op te leggen. Je zou bijna medelijden
met hem gekregen hebben ware het niet dat normale ouders vonden dat een
schoolmeester toch in staat mocht worden geacht om zijn eigen boontjes te
doppen. Wie nam trouwens opperouders serieus? Achteraf een cruciale fout, want
je kunt wel openlijk anti-plusgroep zijn, zoals de ouders van Sabine, maar
daarmee was het sprookje van de maakbare geniale basisschoolleerling de wereld
nog niet uit. Volgens de gangbare roddels was hier bij Bart en Thea
overduidelijk sprake van de kift. Natuurlijk. En de ouders van Zarah hadden al
helemaal geen recht van spreken.
De papa van Zarah woonde sinds zijn scheiding
weer terug in Marokko. Hij was hertrouwd met een inheemse dame met wie hij
eindelijk een lang verwachte, zeer begeerde zoon en stamhouder had weten te
produceren. Hij keek nauwelijks nog naar zijn dochters in Nederland om. Daar
kwam nog bij dat de mama van Zarah heel druk was met de ontplooiing van haar
eigen ik. Zodoende schoot de opvoeding van Zarah - haar jongste telg - er
weleens bij in. Laat staan dat Dalila tijd had om zich bij de opperouders van
De Wielewaal in te werken. Zarah zat nog geen maand bij meester Jan-Willem in
de klas of haar moeder kreeg een relatie met een generatiegenoot van Bart en
Thea. Sindsdien investeerde de jeugdige Dalila al haar vrije tijd baatzuchtig
in haar tandarts met een Nederlandse, gereformeerde achtergrond, een ex-vrouw,
twee volwassen zonen en een bloeiende praktijk. Haar tweede huwelijk en haar
vierde kindje waren op komst. Twee geloven op één kussen en dan sliep daar
straks ook nog eens een handenbinder tussen. Dus moesten de andere twee
tienerdochters van de zwangere Dalila zolang maar een beetje zorgzaam zijn voor
de kleine Zarah. Geen basis voor een toekomstige plusgroepleerlinge op De
Wielewaal dus.
Al na een week in het nieuwe schooljaar van de
combigroep 5 en 6 vonden de ouders het leuk om meester Jan-Willem om te
dopen tot Jeewee. Meester Jan-Willem had
geen bezwaar, want hij was in de voorafgaande jaren op De Wielewaal al lang aan
de bijnaam gewend geraakt. De kinderen van het nieuwe schooljaar uit de
combigroep 5 en 6 moesten nog wel even overtuigd worden van de traditie, maar
de ouders hielden voet bij stuk en na een week of 3 sprak niemand op De Wielewaal
meester Jan-Willem nog fatsoenlijk op zijn roepnaam aan. Zelfs de collega’s van
Jeewee en directrice Willy hielden de traditionele bijnaam van Jan-Willem in
ere om terreur van heerszuchtige ouders te beletten. Jeewee kwam sowieso over
als een man die zich dag in, dag uit in allerlei bochten wrong om ellende te
voorkomen. In zijn vergeefse pogingen om overal onderuit te komen werd hij in
geen tijd volledig in beslag genomen door een stuk of wat tirannieke ouders en
hun volgelingen. In plaats van dat de interne coördinatrice deze horrorouders
terugfloot, was Jade juist de spil van het plusgroep complot, want niemand
anders dan zij kon hoogbegaafdheid kweken. Tot dan toe zou een normaal denkend
mens toch gezworen hebben dat intelligentie en domheid persoonsgebonden eigenschappen zijn. Zoals
de kleur van iemands ogen, lichaamsbouw, een vingerafdruk of zoiets als aanleg.
Alleen omkeerbaar door kunstgrepen. Denkelijk was Jade te ver heen om haar
leugen los te laten voor de banaliteiten des levens. En met haar een heleboel
wanhopige ouders met een vervormd, maakbaar wereldbeeld waarin hun schatten van
ongecompliceerde, gewone kinderen niet speciaal genoeg waren. Jade wierp zich
vol overgave en overtuiging op als; de redster in nood; de reïncarnatie van
Florence Nightingale; de moeder aller moeders; het middelpunt van de
belangstelling en De Wielewaal. Jade zou de uitverkoren kinderen geniaal maken
in de plusgroep. Jeewee zou het voorwerk doen. Jade had de touwtjes strak in
handen en Jeewee speelde het spelletje mee. Hij was de populaire gast. Niet te
oud en niet te jong. De verdrietige clown. De gekke bekkenman. Het naïeve kind
onder de kinderen, maar stiekem het stereotype van een verdomd goede
onderwijzer. Dat was een algemeen gedeeld geheim, want Jeewee wist hoegenaamd van niks en kwam van
nergens. Zolang hij maar geen heisa kreeg en elke schooldag na de laatste bel
de deur achteloos en zelfvoldaan achter zich kon sluiten.
Na het wegbrengen ’s morgens had Thea haar rug
nog niet gekeerd of Sabine lichtte haar hielen vanaf het allereerste moment dat
ze in de combiklas zat. Vanuit haar ooghoeken zag Thea haar dochter wegschieten
in het buurtlokaal van de andere groep 5. Jeewee was nooit getuige van de
dagelijkse vlucht van Sabine, want hij was altijd omringd door ouders. Door
precies op de lestijd weer op haar plekje in het lokaal van de combiklas 5 en 6
terug te keren, zorgde Sabine er kennelijk voor dat ze onopgemerkt bleef door
Jeewee. Zo klein als ze was maakte
Sabine zich pas zichtbaar als het erop aankwam. Zo kon ze ongestoord
haar gang blijven gaan. Juist bij Jeewee die elke ochtend vlak voor aanvang van
de lessen verdronk in de aandacht van ouders. Bijna net zoals meester Gijsbert
uit groep 3 van Walter zich in het verleden in de dubieuze belangstelling van
het merendeel van de verzorgers van De Wielewaal had mogen onderdompelen. Het
verschil was dat Jeewee zich geen passende houding wist aan te meten. De
verkrampte uitdrukking van zijn pose verried het schoolverleden van een eenzame
jongeling. Jeewee was nooit de populaire durfal geweest die hij zo graag had
willen zijn. Tenminste dat was zijn uitstraling. Hij zag eruit als een
opgewaardeerde antiheld met een minderwaardigheidscomplex. Jeewee vond zichzelf
ontegenzeglijk een onbeduidend mannetje tot aan het kantelpunt van zijn intrede
als onderwijzer op De Wielewaal. Sindsdien moest hij van de ene op de andere
dag wel leren omgaan met opdringerige ouders als een vervelende bijkomstigheid
van het onderwijswerk met kinderen in een leeftijdscategorie waaraan hij
tenminste kon relateren. En hoewel hij de vermeende eensgezindheid van de
verzorgers zichtbaar op een kinderlijke manier wantrouwde, deed hij er alles
aan om te voorkomen dat hij de mist in kon gaan. Hij voelde zich niet thuis bij
grote mensen, maar hij doorstond hun aanwezigheid, want zodra hij de deur van
het klaslokaal achter zich dicht trok was hij als een vis in het water. Op zijn
leerlingen kwam hij dan ook allesbehalve onwetend, onbetrouwbaar of
onprofessioneel over.
‘Jeewee is raar’, merkte Sabine wel regelmatig
op.
En dan zei Walter geheid:
‘Hij heet eigenlijk Jan-Willem toch?’
Volgens Thea was Jeewee gewoon nooit volwassen
geworden. Daar besloot ze het maar bij te laten, want Sabine had geen problemen met haar
schoolmeester. Integendeel. Hij maakte haar verblijf in de combiklas juist draaglijk,
want veel van de kinderen waarmee Sabine vanaf groep 2 intensief had
opgetrokken waren niet bij haar in de combiklas 5 en 6 terecht gekomen, maar in
de complete groep 5. Vandaar dat ze ’s ochtends op school stug naar de buurtjes
bleef lonken zonder het vooruitzicht om onder haar vaste stekje bij Jeewee uit
te komen. Jade de interne coördinatrice was niet te vermurwen. Sabine was nou
een maal in groep 5 van de combinatieklas neergezet en afspraak is afspraak.
Zarah was er toch ook nog? En zo’n combiklas zou juist stimulerend werken op
het leervermogen van Sabine. In de combiklas was ze immers maar een maantje
tussen voornamelijk zonnetjes? Het kleine maantje zou kunnen opgaan in de
overweldigende straling van het zonnelicht en uiteindelijk verdwijnen! Want dat
voornamelijk zonnetjes in de combiklas geplaatst zouden zijn, was inmiddels een
algemeen gedeeld geheim dat veel scheve ogen van buitenstaanders opriep. Daarom
mocht Sabine zich wel gelukkig prijzen tussen het puikje. Alleen pientere kinds
konden de uitdaging aan van een combiklas met een leerkracht - Jeewee in dit
geval – die de aandacht consequent over twee verschillende leeftijdsgroepen
verdelen moest. De maantjes en sterretjes in de combiklas waren niet voor niks
op de vingers van één hand te tellen. Niet zo gek dus dat Thea er tijdens het
wegbrengen, elke schooldag opnieuw, de klok op gelijk kon zetten dat Sabine bij
de buren binnen wipte. Even een praatje maken met haar vroegere klasgenootjes
in de complete groep 5, of - zo men wil
in de lijn van de interne coördinatrice Jade
- met haar gelijkgestemde
medemaantjes.
Al het begin is moeilijk en daar kwam nog bij
dat Sabine in de eerste week van groep 5 haar 8ste verjaardag vierde. Omdat Bart en Thea niet
langer machteloos wilden toezien op de ontwenningsverschijnselen van de
overgang van groep 4 naar 5 van hun dochter, mocht Sabine zoveel kinderen op
haar verjaardagsfeestje uitnodigen als ze maar wilde. Allemans vriendinnetje
Sabine nodigde in totaal 20 kinderen van De Wielewaal uit die allemaal naar
speelparadijs de Dolle Dries mochten komen voor een woensdagmiddagje zwemmen en
spelen in de open lucht met een frietje, limonade, een kinderijsje en een
snoepzak toe. De 8 meisjes uit de nieuwe combinatieklas kregen een uitnodiging
en de overige 12 van de 20 feestgangers kwamen uit de complete groep 5. Die 12
dat waren de oude bekenden van Sabine, waaronder haar beste vriendje Ronnie.
Hij was een van die oude klasgenootjes uit de andere. complete groep 5, waarvan
ze zo moeilijk afstand kon doen en die ze elke morgen op school nog even
persoonlijk in het lokaal van de buren kwam begroeten. Er was maar één meisje
niet op komen dagen. Mathilde; een gedoodverfd zonnetje uit de combinatieklas.
Zo’n huilmeisje dat elke ochtend voor het klaslokaal stond te janken, omdat ze
geen idee had hoe ze een zonnetje moest zijn en blijven.
‘Jeewee is zo begripvol’, fleemde haar moeder
elke ochtend geëxalteerd.
‘Hij ziet er anders helemaal niet begripvol
uit’, vond Thea oprecht.
Jeewee nam elke morgen voor aanvang van de lessen middenin het
oudergewoel plichtsgetrouw en volgens de regeltjes naast de pruilende Mathilde
– en nog een stuk of wat treurwilgjes die per dag in aantal fluctueerden - aan
de leestafel plaats met een gezichtsuitdrukking alsof hij liever overal elders
wilde zijn dan in de buurt van een stuk of wat, over het paard getilde,
middelmatige schoolkinderen. Hij liet zich ook bij de minste of geringste
flauwe op- of aanmerking van een geinige papa of een flirterige mama afleiden.
‘Hij is toevallig heel begripvol naar Mathilde
toe’, beklemtoonde de moeder van Mathilde nogmaals.
‘Ik wist niet dat je kwaad werd’, grapte Thea.
Maar de moeder van Mathilde was dus wel kwaad
en wel zo erg dat ze haar dochter weghield van het verjaarspartijtje van
Sabine. Niet dat Mathilde gemist werd. Alle andere genodigden waren namelijk
wel op komen dagen. Er zijn maar weinig ouders niet te porren voor een
hele woensdagmiddag vrijuit.
Ondertussen kwamen Bart en Thea in de Dolle
Dries oren en ogen tekort.
‘Dit is topsport’, hijgde Bart.
Hij was nauwelijks klaar met het aanduwen van
de bootschommels of hij werd alweer door gillende kinderstemmetjes naar het
springkussen gesommeerd.
‘Dit was eens en nooit weer!’, beloofde Thea
hem, terwijl ze het blote ruggetje van Zarah insmeerde met zonnebrandcrème.
‘Moet ik een bovenstukje aan in het zwembad?’,
vroeg Zarah.
Ze hield met beide handen haar zwarte
krullenbos in een staart omhoog in de lucht.
‘Nee, hoor, je hebt toch nog geen borstjes’,
vond Thea.
‘Maar ik bind wel even je haar vast. Blijf even
zo staan.’
‘Goed’, zei Zarah afwachtend.
Thea zocht in haar strandtas op de hoek van een
houten picknicktafel naar een borstel en een elastiekje. Intussen was een
bejaard stel in badkleding tegenover elkaar aan dezelfde tafel aangeschoven. Ze
deelden frietjes met mayonaise uit een plastic bakje dat de man tussen hen
ingezet had. Hij was min of meer kaal afgewerkt met een grijze dons krans. Hij
had een driedubbele kin en een bleke bierbuik die uit zijn neon gele shorts
bubbelde. Zij torste een enorme boezem in een voorgevormd bloemetjesprint badpak
geperst. Ze was behangen met sieraden en zat vol in de make-up. Het zilver
paarse haar in een strak permanent.
‘Kijk een Turk zonder jurk!’ deelde hij
luidkeels met zijn metgezel.
Hij knikte naar de rug van Zarah.
‘Kijk dan!’, beaamde zij.
Met een opgerolde Story in haar linkerhand
waaierde oma zichzelf koelte toe. Tegelijkertijd tuitte ze haar oudroze
rimpellippen en blies gebakken lucht naar een dampend frietje tussen de duim en
wijsvinger van haar rechterhand. De lengte en de knalrode kleur van haar nagels
waren indrukwekkend. Al herkauwend bestudeerden opa en oma het ranke lijfje van
Zarah die met haar rug naar hen toestond. Nadat ze haar hap eindelijk
weggewerkt had, merkte oma doodleuk ook:
‘Of het is een Marokkaantje. Je ziet het niet.
Het verschil.’
‘Is er verschil dan?’
De aandacht van opa verplaatste zich weer naar
het bakje friet in het midden van de picknicktafel.
Zarah stond onbewogen in alleen maar haar
bikinibroekje. Toen Thea haar benaderde met de borstel en het elastiekje werd
ze van dichtbij op een paranormale manier de gespitste oren en de ogen in de
rug bij Zarah gewaar. Zarah stond op
scherp. In de nabijheid van Thea liet Zarah in een verlossende reflex haar
krullenbos los. Het zwarte lange haar viel als een defensieve boerka over haar
slanke ruggetje. Thea bespeurde gefriemel in de buurt van haar vrije hand.
Zarah zocht steun. Thea schoot vol. Aangeslagen drukte ze de kleine vingertjes.
Daarna wrong ze haar hand vastberaden los en vlocht de weelderige haardos zorgvuldig in een
compacte knot. Haar tranen slikte Thea in. Tussendoor zond ze woeste blikken
naar het zure koppel.
‘Konden blikken maar doden!’, wenste ze de
oudjes hardop toe.
Betrapt keek het duo weg. Zarah kwam steeds
dichter tegen Thea aan staan. Het gracieuze lijfje trilde in een toenemende
mate ondanks de broeierige hitte. Thea voelde zich totaal lamlendig.
‘Kom je nog, Zarah!’ kirde Sabine monter vanuit
de verte boven alle schelle kindergeluiden in de zinderende atmosfeer van de
Dolle Dries uit.
Ze rees bruin, bruisend en nat op uit het
kikkerbadje en hield uitnodigend een strandbal aan de onbewolkte zomerhemel. De
rood met witte stippen schitterden in de zon. Gelouterd ontwaakte Zarah uit
haar trance:
‘Ik kom eraan’, beloofde ze.
Doe jij maar eerst effe lekker een bovenstukje
aan’, troostte Thea verlost.
Een week na de verjaardag van Sabine was de
schitterende afwezigheid op haar feestje met de naam Mathilde aan de beurt.
Mathilde werd ook 8 jaar, maar om één of andere reden werd er meer notitie van
deze verjaardag genomen dan van de geboortedag van Sabine. ’s Ochtends tijdens
het wegbrengen zag Thea in het lokaal van de gloednieuwe combiklas 5 en 6 de
naam van het allerbeste huilmeisje alias Mathilde in veelkleurige letters,
omringd met foto’s van ballonen, groot op het digibord staan. De moeder van Mathilde
had ook een aankondiging aan de afbeelding op het digibord toegevoegd. Het was
het adres van een dierenpark. Verder stond er te lezen:
‘Aan de mama’s en papa’s van alle meisjes van
de combinatieklas 5 en 6. Uw dochter is vanmiddag vanaf 13.00 uur van harte
welkom in dierenpark ‘De Groene Heuvels’ ter gelegenheid van de 8ste
verjaardag van onze dochter Mathilde. Een mooie gelegenheid om alle meisjes aan
elkaar en de nieuwe samenstelling van groep 5 en 6 te laten wennen. Daarom zal
Jeewee ook tot 18.00 van de partij zijn.’
Overrompeld snelde Thea nog vlugger dan normaal
het gebouw van De Wielewaal uit. Er zou tussen alle verplichtingen van die
betreffende woensdagmorgen ook nog een cadeautje voor Mathilde gekocht moeten
worden. Daarbij zou in de gauwigheid nog een huiswerkbezoek van een leerling
die middag om 13.00 uur verzet moeten worden. Thea kon de kleine Sabine
moeilijk in haar eentje met een retourtje op de trein naar De Groene Heuvels
zetten. Tot aan het middaguur rende Thea van hot naar her om geen tijd te
verliezen en om 12 uur stond ze bezweet maar voldaan klaar om Walter en Sabine
op te vangen voor de lunch. Daarna was Thea vrij om Sabine naar ‘De Groene
Heuvels’ te brengen. Het kleinigheidje voor Mathilde – een vriendinnenboekje
van Hello Kitty, waarvan Thea eerst zo naïef was om te denken dat het getal op
het prijskaartje het artikelnummer in plaats van de absurd hoge prijs was – lag
ook al ingepakt en wel te wachten om weggegeven te worden. Zoals gewoonlijk was
Walter veel eerder buiten dan Sabine en hij zat al in de auto. Hutjemutje
blokkeerden de meisjes van de combinatieklas 5 en 6 de uitgang van de
speelplaats. Opgewonden kakelend en kwetterend uit voorpret over het feestje bij De Groene Heuvels vergaten ze de
tijd en hun ouders en verzorgers die vertederd stonden mee te genieten.
Breeduit lachend kwam Dalila naast Thea staan:
‘Gekke grieten. Zeg, Thea, kun jij Zarah anders
ook even meenemen naar De Groene Heuvels? Ik heb vanmiddag een vergadering van
de gemeenteraad.’
Bij wijze van antwoord woelde Thea in haar
schoudertas. Ze was haar kattebelletje met het adres van het dierenpark kwijt.
‘Als ik het adres kan vinden wel ja’, zei ze
gejaagd toe.
‘Dat adres staat ook op de uitnodiging’, zei
een andere moeder.
‘Welke uitnodiging? Die op het digibord?’,
vroeg Thea verdwaasd.
‘Nee, die aparte uitnodiging van het Wereld
Natuur Fonds’, wist een hippievader met teenslippers en een paardenstaart.
‘Ik heb geen uitnodiging gehad van het Wereld
Natuur Fonds!’
Thea begon de kluts kwijt te raken.
‘Het is ook geen uitnodiging van het Wereld
Natuur Fonds; het is een kaart van het Wereld Natuur Fonds. Kijk!’
Dalila drukte een briefkaart onder de neus van
Thea. Op de voorkant stond een baby-olifantje en in het hoekje het logo met de
panda van Het Wereld Natuurfonds. Op de achterkant werd Zarah in het
schoonschrift van Mathilde op persoonlijke titel uitgenodigd voor een partijtje
in dierenpark De Groene Heuvels ter gelegenheid van haar 8ste verjaardag. Thea
draaide de kaart om en om en probeerde zichzelf te kalmeren:
‘Volgens mij heeft Sabine zo’n uitnodiging
nooit gehad.’
Desondanks vond de hippievader het nodig om
zich verder met de zaken van Thea te bemoeien:
‘Sabine heeft die uitnodiging wel gehad. Dat
moet wel, want alle meisjes van de nieuwe combinatieklas zijn uitgenodigd.’
‘Alle meisjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.
‘Alle meisjes van groep 5 sowieso en zelfs van
groep 6’, beweerde de hippievader overtuigend.
Opgehitst hief Thea de uitnodiging van Zarah in
de lucht en riep naar Sabine:
‘Sabine heb jij ooit zo’n uitnodiging gehad!?’
Gealarmeerd kwam Sabine dichterbij om de
uitnodiging van Zarah goed te kunnen bekijken.
‘Nee’, besloot ze; ‘Nooit gehad.’
Grimmig baande Thea zich een weg naar de moeder
van Mathilde die met een groepje ouders stond te ginnegappen.
‘Zeg Greet; Sabine heeft deze uitnodiging nooit
gehad?’
‘Nee,
dat kan kloppen’, antwoordde de moeder van Mathilde met een afgeknepen
stemmetje en net iets te snel.
Ineens waren alle ogen op het speelplein op
Thea gericht. Iedereen was gestopt met keuvelen en Thea voelde zich draaierig
worden. Ze had een gewaarwording waarbij het leek alsof ze in een bubbel
terecht gekomen was. Een luchtbel waarin de druk steeds sneller steeg en het
zuurstofgehalte afnam. Het geklop in haar slapen nam hinderlijke vormen aan en
ze kreeg het benauwd. De bubbel dreigde per seconde krachtiger uiteen te
barsten en Thea hield zich ternauwernood staande tussen de zwijgende
meerderheid. De tijd om haar oren te geloven en de realiteit te bevatten
ontglipte haar. Geluid maken lukte vreemd genoeg wel min of meer. Thea
recapituleerde. Ze scherpte haar stem aan de holle leegte om haar heen:
‘Dus Sabine is het enige meisje uit de nieuwe
combinatieklas 5 en 6 dat niet op de verjaardag van Mathilde is uitgenodigd?’
De vader van Mathilde stond er ook bij. Hij
hield zich meestal afzijdig. Soms als hij zich veilig waande dan gluurde hij
met zijn röntgenblik de moeders om zich heen uit de kleren. Ook Thea voelde
zich vaak onheus door hem bejegend. Non verbaal wel te verstaan. Voor de
verandering trok hij vandaag zijn mond open:
‘Mathilde was vorige week ook niet op de
verjaardag van Sabine.’
Bam! De bubbel barstte uiteen. Thea hapte naar
adem en beet gesterkt door een lading verse zuurstof van zich af:
‘Mathilde was wél uitgenodigd bij Sabine. Zij -
maar ik denk eerder haar lieve mama -
koos er zelf voor om te schitteren door afwezigheid. Nou kan Sabine de
dienst niet terugbetalen, want Sabine kan niet uit zichzelf wegblijven, want
Sabine is niet uitgenodigd door Mathilde of ik denk eerder door haar lieve
mama!’
De röntgenogen van de vader van Mathilde verwerden
tot spleetjes en hij tuitte zijn lippen. Langzaam maar zeker veranderde zijn
gezichtspunt van Thea naar de moeder van zijn dochter Mathilde. Hij was
duidelijk om de speeltuin geleid. Maar de moeder van Mathilde zou zich niet
laten kennen. Met tegenzin richtte ze zich tot Sabine en ging voor het oog van
alle aanwezigen in het centrum van de speelplaats door de knieën:
‘Volgende keer beter, Sabientje; je moet maar
zo denken; het kan niet elke week feest zijn!’
Na deze bevoogdende woorden richtte de moeder
van Mathilde zich op, draaide een halve slag op haar gezondheidsstappers en
blies over haar knokige schoudertje richting Thea:
‘Misverstandje.’
Bekoeld gingen de ouders met hun kinderen
uiteen. Op weg naar De Groene Heuvels. Thea bleef staan wortelschieten op de
stenen tegels met het zicht op Sabine die een paar meter verderop vereenzaamd
op het speelplein verslagen om zich heen keek. De gebruinde armpjes hingen slap
langs het lieve lijfje van dat vertrouwde, kleine meisje in haar zomerse outfit
in felle kleurtjes. De uitgeplozen donkerblonde vlecht hing op half elf. Zo ook
haar rugzakje in de vorm van een zacht groene troetelbeer. De mollige, stevige
beentjes leken verstard in haar smoezelige, afgetrapte roze K3 sneakers. Op dat
moment begon er een melodietje door de op hol geslagen hersens van Thea te
spelen. De tekst was van Annie M.G. Schmidt:
‘Ik zou je het liefste in een doosje willen
doen.’
Thea zou haar dochter het liefste in een doosje
willen doen. Of een andere mama voor haar willen zoeken. Zo eentje die nooit
ruzie zoekt of stomme opmerkingen maakt. Een normale mama die probleemloos
overal bij hoort. Een matchmama.
‘Ik heb nog een verrassing voor je’, beloofde
Thea terwijl ze kalmpjes op haar dochter afliep.
Hoewel ze eigenlijk veel liever op Sabine af
zou stormen en haar hartstochtelijk tegen het hart wilde drukken.
‘Toppie’, antwoordde Sabine automatisch.
‘Een heel duur vriendinnenboekje van Hello
Kitty. Dat heeft niemand anders hier.’
‘Toppie’, herhaalde Sabine.
Met haar ogen volgde ze Zarah die als laatste
het speelplein verliet. Zarah kon gelukkig nog op het nippertje met de papa van
Lotte uit groep 6 meerijden naar De Groene Heuvels.
‘Dag Zarah, dag Lotte’, groette Sabine
binnensmonds en daardoor veel te zacht.
Maar dat gaf niet, want Zarah en Lotte zagen
Sabine toch al niet meer staan.
HOOFDSTUK 18
Op hoge poten verscheen Thea de volgende morgen
aan de leestafel van Jeewee. Hij zou eens niet gepreoccupeerd zijn met
opperouders en treurwilges. Het huilmeisje Mathilde voorop. Maar Thea liet zich
door niets of niemand meer tegenhouden.
‘Kan ik je even spreken?’
Jeewee had de neiging om weg te duiken zodra
hij Thea in zijn nabijheid wist. Als het onvermijdelijke dan toch zijn pad
sporadisch kruiste dan keek hij haar bij voorkeur niet recht in de ogen. Het
vluchtgedrag van Jeewee herleidde Thea naar hun allereerste kennismaking op het
speelplein. Jeewee zong een liedje van het beroemde theater en televisie duo
voor kinderen: ‘Theo en Thea’. Tamelijk onorthodox danste hij er publiekelijk
een paar zwoele pasjes bij. Naar eigen choreografe. Wel grappig eigenlijk. In
elk geval te verwachten van een onderwijzer en zeker niet pijnlijk genoeg om er
een maand of 3 later nog steeds een rood hoofd over te krijgen. Toch kleurde
Jeewee gegarandeerd in oneindig veel tinten rood afhankelijk van de intensiteit
van zijn contacten met Thea. Zijn instinctieve gedragspatroon werkte op
haar zenuwen. Over zijn aanstellerige
introductie op het speelplein kon een hele berg zand. Vervolgens zou ze graag
op normale voet met de meester van haar dochter willen omgaan.
‘Hij gaat helemaal voor je’, beweerde Bart
vermaakt.
‘Wat een onzin’, stelde Thea vast.
‘Waarom is dat onzin? Ik ben toch ook voor je
gegaan?’
‘Dat was wederzijds. Als ik niet gereageerd
had, dan zou je gestopt zijn.’
‘Dan zou ik je nog leuk gevonden hebben.’
‘Jij hebt nog nooit een rood hoofd gekregen
door mijn aanwezigheid. Ook niet bij de eerste keer. Ik was er toch zelf bij!!’
‘En wat wil je daarmee zeggen?’
‘Dat Jeewee zijn zogenaamde romantische
gevoelens ook gewoon voor zich kan houden. Met of zonder rooie kop. Laat hij
zijn verliefdheden op een ander projecteren. Iemand die er gevoelig voor is.’
‘Wat ben je toch prozaïsch. Trouwens jij bent
er toch gevoelig voor?’, betoonde Bart gelaten.
‘Ik bedoel natuurlijk dat hij zijn gevoelens op
iemand moet projecteren die zijn verliefdheid beantwoordt.’
‘Dat kun jij helemaal niet bepalen, Thea’,
verkondigde Bart plagerig.
‘Wat verwacht jij dan? Dat ik me inlaat met
Jeewee. Nou sorry hoor, maar als je op me uitgekeken bent dan zoek ik wel even
naar een ander type dan Jeewee als je het niet erg vindt, maar ook als je het
wel erg vindt.’
‘Ik ben niet op je uitgekeken’, antwoordde Bart
droog.
‘Waarom drijf je me dan in de armen van
Jeewee?’
‘Ik drijf je niet in de armen van Jeewee. Je
moet je alleen niet zo druk maken. Volgens mij is die Jeewee helemaal niet op
zoek naar een minnares. Jij bent zijn muze. Hij aanbidt je! Jij kunt er niets
aan doen dat hij jou heeft uitverkoren.’
‘Ik kan zorgen dat hij me leert kennen, dan
heeft hij na 5 minuten door dat er niets te aanbidden valt.’
‘Werkt niet’, voorspelde Bart.
Thea werd ongedurig.
‘Wat werkt dan wel?’
‘Niets. Je moet gewoon jezelf zijn en als die
Jeewee daar niet mee om kan gaan dan is dat zijn probleem.’
Maar die redenatie bood geen harnas tegen de
ondefinieerbare betovering die Jeewee beving in de buurt van Thea. Weerloos
voerde hij stukje bij beetje tijdens iedere ontmoeting de spanning doelloos verder op. Zonder woorden
smeekte hij Thea om zijn stopcontact te zijn. Serieus op hem ingaan was geen
optie voor Thea. Ze zou zich belachelijk kunnen maken. Wat haalde ze zich in
haar hoofd? Overgangsperikelen. Waanbeelden. Ze was toch zeker geen 18jarige
stoeipoes meer of wel? Ze had al opgelet of hij andere vrouwen ook zo
dubbelhartig benaderde. De meeste moeders vielen als een blok voor zijn
clowneske optreden. Over het algemeen werd Jeewee er nog joliger van. De
geinporem. Ook Thea was best bereid om mee te werken aan een versoepeling van
de omgangsvormen door automatisch in een deuk te liggen om de slapstick van
Jeewee. Ze wilde heus weleens uit haar dak gaan. Of net doen alsof. Ze kreeg
echter de kans niet, want Jeewee zag Thea zogenaamd nauwelijks staan, terwijl
zelfs de grootste sociale onbenul kon getuigen dat het tegendeel waar was.
Jeewee stond gewoon tijd te winnen. Hij was een strategie aan het bepalen. Thea
mocht in geen geval iets van zijn adoratie merken. Of juist wel. Jeewee kwam er
nooit uit. Met Thea in het vizier stond hij
geheid in dubio. Dat maakte het niet minder irritant dat zij hem daarom
nooit direct te spreken kreeg. Er was altijd nog wel een wachtende, dwepende of
veeleisende ouder voor haar. Meestal hield Thea haar spreekbeurt voor gezien;
maar soms bleef ze ongedurig staan wachten zonder ooit het gevoel kwijt te
raken dat ze van een soort geheime orde van eenzame moeders dankbaar moest zijn
dat ze überhaupt bij Jeewee op audiëntie mocht. Zo’n leuke man! En Jeewee deed
alsof zijn neus bloedde. Hij had Thea niet nodig! Kijk maar. Telkens waren er
honderd en één lopende bijzaken belangrijker dan die ene vraag of die korte
opmerking van Thea en steeds weer liet Jeewee een andere kant van zichzelf
zien. Dan weer verstrooid, af en toe grappig, zenuwachtig, neurotisch,
afstandelijk, toegankelijk, gedienstig, of kortaf. Allemaal invalshoeken tot
een interactie waar geen neutrale gesprekspartner ook maar een kant mee op kan.
Niet eens kwaad worden. Waarom zou een moeder
met goed fatsoen boos worden op iemand die verliefd op haar zou kunnen
zijn? Moest ze een gesprek aangaan met Jeewee over wat hij voor haar voelde?
Over wat zij dacht dat hij voor haar voelde? Hij zou zijn adoratie liefjes
ontkennen en zich heimelijk gestreeld weten door haar aandacht. Dan zou dat
macabere lachje weer om zijn lippen spelen net als die keer toen haar dochter
en zij met tweeën achterbleven bij Jeewee in het klaslokaal van de combigroep 5
en 6. Basisschool De Wielewaal was uit. Sabine liet Thea na haar klassentaak
een handwerkcreatie zien. Het hing aan de muur. Sabine en Thea stonden met de
ruggen naar Jeewee toe die aan zijn lessenaar zat. Bij binnenkomst van Thea had
hij zich zoals verwacht onzichtbaar gemaakt achter zijn leesbril en een
nakijkschriftje. Slaggelings vulde zijn anders zo getemperde stem moeiteloos de
holle ruimte van het lege lokaal. De nekharen van Thea rezen ten berde.
‘Ja, ja Thea; jouw dochter is me toch een
creabea, maar ik denk toch dat ik voor jou ga; mooie Thea.’
‘Je bent echt raar, Jeewee’, meesmuilde Sabine
terwijl ze haar moeder het lokaal begon uit te loodsen.
‘Ik lach wel, maar ik vind het niet leuk’,
bekende Thea naar waarheid.
Bij wijze van reactie zond Jeewee haar een
korte blik toe die vergezeld ging van een onheilspellend lachje. Grimmig.
‘Silence of the lambs’, huiverde Thea in
gedachte.
Ze besloot haar make-up voortaan pas aan te
brengen nadat ze de kinderen ’s morgens in de lokalen van De Wielewaal had
afgezet. Haar bovenkleding droeg ze hoog gesloten. Tevergeefs. Mocht Thea
onverwacht passeren dan bleef Jeewee en plein publiek verstijven. Bij wat meer
diepgang in de vorm van een dialoogje in de schoolgangen of gedurende andere
openbare ontmoetinkjes in De Wielewaal veranderde er ook niets. Jeewee
reageerde onveranderlijk spastisch en onvoorspelbaar op de aanwezigheid van
Thea. Het zou een kwestie van een paar roddels over en weer worden, voordat
Thea zich officieel de woede en jaloezie van wel 20 moeders van De Wielewaal op
de hals had gehaald alleen maar vanwege haar quasi onweerstaanbare
verschijning. Thea keek in de spiegel en ze zag niets bijzonders. In ieder
geval geen reden voor een puberale verliefdheid van een man van bijna 50. Een
vlam die ook niet geblust werd in de resterende jaren van Sabine en Walter op
De Wielewaal. En Bart en Thea konden moeilijk hun kinderen van school halen
alleen maar omdat moeder de vrouw geen trek zei te hebben in een dagelijkse
confrontatie met het ideaalbeeld van Jeewee. In het uitgaansleven zou ze met
een grote boog om hem heengelopen zijn.
‘Misschien lijk ik op zijn moeder’, peinsde
Thea.
‘Ja of op zijn vrouw’, vulde Bart aan.
‘Nee, niet op zijn vrouw’, vond Thea.
‘Waarom wel op zijn moeder, maar niet op zijn
vrouw?’
Bart begon er een sport in te zien om Thea wat
Jeewee betreft op een dwaalspoor te zetten.
‘Hij heeft zijn vrouw toch al? Als ik op haar
zou lijken dan hoeft hij niet meer verliefd op mij te worden.’
‘Ja, ja, maar zijn moeder heeft hij toch ook
al? Zelfs nog langer dan zijn vrouw.’
‘Misschien heeft hij een oedipuscomplex’.
‘Misschien is hij gewoon verliefd op je.’
‘Vervelend hoor!’, gaf Thea eindelijk aan
zichzelf toe.
Jeewee wist dan ook niet waar hij het zoeken
moest toen Thea aankondigde dat ze hem even wilde spreken.
‘Dat kan zeker’, stamelde hij, terwijl hij
bewegingsloos bleef zitten tussen de treurwilgjes en opperouders aan de
leestafel.
‘Onder vier ogen’, had Thea aan haar verzoek
toe willen voegen.
Maar naar zijn zwijmelstaat te oordelen zou hij
bij nader inzien tijdens een onderonsje met Thea weleens in katzwijm kunnen
vallen. De facto was niemand in dit geval gebaat bij privacy. De goegemeente
mocht best weten dat Thea niet meer voor zichzelf in kon staan in de buurt van
de moeder van Mathilde.
‘Gisteren was Sabine het enige meisje dat niet
op het verjaarspartijtje van Mathilde was uitgenodigd’, begon Thea dus maar te
spuien waar iedereen bij was.
De opperouders waren zogenaamd met elkaar in
gesprek. Ze deden alsof ze niet meeluisterden. Huilmeisje Mathilde wilde wat
zeggen, maar Jeewee voorkwam net op tijd dat ze haar mond voorbij zou praten:
‘Even niet, Mathilde.’
Om oogcontact te vermijden staarde Jeewee
vanuit zijn zithouding glazig over de rand van zijn leesbril naar omhoog langs
de schouder van Thea af die naast hem stond en verklaarde met gedempte stem:
‘Een verjaardagsfeestje is een buitenschoolse
activiteit. Een leerkracht gaat niet over de uitnodigingen.’
‘Jij was wel uitgenodigd heb ik begrepen’,
provoceerde Thea.
Alhoewel ze onwillekeurig veel minder gas gaf
dan ze oorspronkelijk van plan was geweest. Ze kon Jeewee moeilijk verbieden om
naar verjaardagsfeestjes te gaan in zijn eigen tijd. Getroffen trok Jeewee de
wenkbrauwen omhoog en zweeg gekweld. Thea besloot om hem uit zijn droom te
helpen:
‘Maar het gaat hier niet om jou, maar om
Sabine. Ik vind dat ze het recht heeft om boos te zijn.’
Jeewee had zich hersteld door weer absent voor
zich uit te turen. Hij knikte wel begripvol.
‘Wat wil je dat ik doe?’
‘Ik wil dat jij je als een onderwijzer
gedraagt’, dacht Thea.
Tegen beter weten in had ze gehoopt een stichtelijk sulletje van het kaliber
buigrietje toch nog op ideeën te kunnen brengen. Jeewee had zijn kans gehad en
Thea was voorbereid op zijn onvermogen tot kleur bekennen.
‘Momenteel zit Sabine in het groepje bij
Mathilde. Ik wil dat je die 2 uit elkaar haalt en houdt. Dan maar geen eenheid
in de nieuwe combigroep 5 en 6. Ik ben niet begonnen met roet in het eten
gooien.’
De moeder van Mathilde wrong zich tussen de
andere opperouders naar het hoofd van de leestafel en klampte Jeewee aan.
‘Ik heb een vraagje’.
‘Ik ben even in gesprek’, antwoordde Jeewee
licht geïrriteerd.
‘Nou zeg, Jeewee, je hoeft niet zo te doen hoor
na gisteren in De Groene Heuvels’, jeremieerde de moeder van Mathilde
luidkeels.
Jeewee werd pimpelpaars. Tot grote hilariteit
van de omringende opperouders.
‘Wat hebben jullie gisteren uitgevoerd in De
Groene Heuvels?’, wilde een grappige papa weleens weten.
‘Of moet ik soms zeggen ‘op’ De Groene
Heuvels?’
‘Helemaal niets hoor!’, antwoordde de moeder
van Mathilde op zo’n toontje van:
‘Ga door, ga door; want ik vind het zo leuk.’
‘Ik heb jullie anders wel een tijdje gemist’,
grapte een bakfietspapa.
Een moeder met touwhaar zette ineens uit volle
borst een kinderliedje in:
‘In een groen, groen, groen, groen knollenland;
daar zaten 2 haasjes heel parmant’.
De vader van Mathilde; de gluurder met de
röntgenogen welteverstaan; vulde de
moeder met het touwhaar spoedig met nadruk aan:
‘En de één die blies de fluitefluitefluit.
Daarna eindigden bijna alle aanwezigen
gezamenlijk met:
‘En de ander sloeg de trommel!’
Nou moest Jeewee toch ook wel lachen ondanks
Thea die haar perceptievermogen ernstig in twijfel stond te trekken. Dit kon
niet waar zijn.
‘Geloof het nou maar’, zei haar realiteitszin.
‘Ik geef het op en ga naar huis’, besloot haar
overlevingsdrang.
Intussen leek Walter bij juffrouw Toos in groep
4 in rustiger vaarwater terecht gekomen. Juffrouw Toos was een onderwijzeres
van weinig volwassen woorden die volgens de optekeningen al meer dan 30 jaar op
De Wielewaal voor groep 4 stond. Ze had de uitstraling van een goede fee en het
voorkomen van een rockchick uit vervlogen tijden. Ze liep in ongebleekte indigo
spijkerbroeken. Steevast in plooi gestreken. De
soepele jackjes waarin je haar kon uittekenen waren zienderogen van
nappaleer; in plaats van het moderne neppa. Juffrouw Toos droeg het lange
natuurlijk blonde haar met zilvergrijze strepen hoog opgestoken met behulp van
een Indiase haarklem op een manier waarop ze de suggestie wekte dat ze haar
lokken elk moment los zou kunnen schudden. Een angstwekkende gedachte daar
juffrouw Toos broodmager was en breekbaar leek.
Ze gaf van buiten altoos de indruk dat ze op het punt stond om op te
geven en aldus vroegtijdig met pensioen te gaan. Maar schijn bedriegt. Juffrouw
Toos woelde haar onvaste bos nooit los en ze brak ook niet. Het oude zooitje
ongeregeld van meester Gijsbert was onder de pannen. De gevechten op het
speelplein tussen de beruchte felle ventjes uit de klas van Walter stopten per
direct onder supervisie van juffrouw Toos. En Walter met zijn gecompliceerde
aanwezigheid veroverde vanaf dag 1 in groep 4 een gepokt en gemazeld
onderwijzeressenhart. Maar juffrouw Toos was veel te veel schooljuf om haar
voorkeuren te laten prevaleren. Integendeel. Walter moest aan de slag. Hij deed
niets liever. De eerste twee maanden van het nieuwe schooljaar in groep 4
verliepen dan ook nagenoeg probleemloos voor Walter. Sporadisch deed juffrouw
Toos enthousiast, maar zakelijk verslag van zijn schoolprestaties en met een
gerust hart kon Thea wat Walter betreft eindelijk een beetje achterover leunen.
Mede dankzij de terughoudendheid van juffrouw Toos ten aanzien van alle ouders
en niet alleen van Thea. Alhoewel het er in het begin wel de schijn van had dat
juffrouw Toos zich extra gewapend had tegen de bemoeienis van juist moeder
Thea. Met het oog op de vele onderonsjes in het leslokaal van groep 3 vorig
schooljaar tussen meester Gijsbert en Thea natuurlijk. Juffrouw Toos had haar
borst als het ware al nat gemaakt. De gemanifesteerde gereserveerdheid van Thea
moest dan welhaast net zo’n prettige verrassing voor juffrouw Toos geweest zijn
als vice versa. Vandaar dat Thea zich deze keer voor de verandering eens geen
enkele kopzorgen maakte over de eerste oudergesprekken van dat schooljaar.
Ontspannen zat ze op een krukje in de
schoolgang vlak bij de dichte deur van het klaslokaal van Jeewee en wachtte op
haar beurt voor het 10 minutengesprek over Sabine. Daarna zou Walter in het
lokaal van groep 4 bij juffrouw Toos besproken worden. Thea liet de afspraken
ieder schooljaar zonder tussentijd te verliezen op elkaar aansluiten door zich
bijtijds in te schrijven voor de 10 minutengesprekken op de intekenlijsten
naast de betreffende klaslokalen. Ze was 5 minuten te vroeg en speelde met haar
mobiel. Het liefst zou ze even door de gangramen gluren ter identificatie van
de ouders die haar voor waren gegaan. Het gonzen van gedempte stemmen
prikkelden haar nieuwsgierigheid. Ze zou haar oor rustig en ongegeneerd aan de
deur van het lokaal te luisteren hebben gelegd als ze niet constant gegroet
werd door ouderparen die haar op de gang passeerden.
‘Goede avond’, knikte Thea telkens kort terug.
De meeste passanten kende ze niet eens van
dichtbij. Het viel haar wel op dat heel veel papa’s en mama’s gezamenlijk het
10 minutengesprek van hun kind bezochten. Ook de ouders van wie algemeen bekend
was dat ze gescheiden leefden. Maar Thea was alleen, want Bart had een hekel
aan 10 minutengesprekken en dat mocht van zijn vrouw. Op haar beurt liet Thea
zoveel vervelende huis- tuin en keukenklusjes aan Bart over dat zo’n ouder
gesprek in haar uppie in geen vergelijk stond. Onaangekondigd doemde de interne
coördinatrice, onze oude vertrouwde Jade, achter een voorbijgaand ouderpaar in
de schoolgang pal voor Thea op.
‘Ben je er nu al?’, vroeg ze gejaagd.
‘Wat een vreemde vraag’, dacht Thea terwijl ze
zittend vanaf haar krukje opkeek naar Jade die nerveus voor haar oprees.
‘Ik heb zo een 10 minutengesprek met Jeewee en nee ik ben niet te vroeg. Dus.’
Jade luisterde niet naar het antwoord.
‘Je bent veel te vroeg hoor. Je hoeft toch pas
over een kwartier bij Toos te zijn?’
‘Ja, maar ik zeg nogmaals dat ik zo meteen
eerst een afspraak bij Jeewee heb’, echode Thea verdwaald.
‘Nou moet je hier al die tijd gaan zitten
wachten.’
Verward keek Jade om zich heen. Ze deed eerst
een stap naar links en besloot toen toch naar rechts te gaan. Ze verdween in
het lokaal van groep 4 een paar deuren verder in de schoolgang. Prompt overtrof
het geroezemoes in deze gesloten ruimte de geluidsbarrières rond de avondklok
van De Wielewaal. Thea kon duidelijk drie stemmen onderscheiden; de afgemeten
stem van Jade; het kalmerende geluid van Toos en het schorre doorrookte gekras
van Wonderwilma. Aan de fluctuaties in de intonatie te oordelen waren de drie
dames in een heftige discussie verwikkeld, maar Thea kon niet woordelijk
verstaan wat er gezegd werd. Globaal begreep Thea dat Jade iets van plan was
dat Wonderwilma faliekant tegen de borst stuitte. Juffrouw Toos probeerde de
kwestie in der minne te schikken. Veel tijd om het mysterie te ontrafelen werd
Thea echter niet geboden, want de deur van het lokaal van de combiklas 5 en 6
vloog open door toedoen van Jeewee die voorop liep om professor G. Pronken en
zijn jonge buitenlandse vrouw uitgeleide te doen. Thea geloofde haar ogen niet.
Ze kende de professor en zijn vrouw alleen van hun zoontje, Marcus, in de groep
van Walter. Walter en Marcus lagen elkaar wel, maar met de professor had Thea
al verschillende keren op de speelplaats publiekelijk in de clinch gelegen.
Thea vond Geert Pronken een blaaskaak. Hoogleraar in de geschiedenis aan de
lokale universiteit of niet. Tot dan toe had ze er geen sjoege van gehad dat
het weledel geleerde echtpaar tevens een dochter – Allagonda – in groep 6 van
de combiklas met Jeewee te bespreken had. Ze begon zich minder relaxed te
voelen. De avond mocht dan nog maar amper begonnen zijn; de merkwaardige
wendingen als in een absurdistische droom logen er nu al niet om. De professor
deed alsof Thea niet bestond en stak zijn neus in de lucht, terwijl hij met een
neerbuigend wegwerpgebaar afscheid van Jeewee nam. Achter zijn rug om probeerde
zijn vrouw stiekem oogcontact met Thea te maken. Ze had het niet makkelijk
natuurlijk als geïmporteerde bruid tussen de opperouders van De Wielewaal. Thea
lachte breeduit naar haar. De professor snoof en Jeewee nam overduidelijk
aanstoot aan het opgeblazen optreden van Gerrit Pronken. Overigens niet uit
hoffelijkheid jegens Thea; want hij verwelkomde haar onnodig geërgerd.
Professor Pronken was nou een maal een irritant individu dat bij niemand in de
koude kleren ging zitten en Jeewee projecteerde zijn emoties zoals gewoonlijk
maar weer eens op zijn favoriete muze Thea. En zij dacht onwillekeurig aan Bart
en dat hij haar zoiets nooit zou flikken.
Het 10 minuten gesprek van Jeewee met Thea over
Sabine leek op een langzame dans om de hete brij. Een trage Weense wals die
continu haperde, omdat Jeewee aldoor vergat om de leiding te nemen die Thea hem
steeds terug gaf. Hij zat op een uitbrander te wachten of een handleiding voor
Sabine of in ieder geval op iets anders dan Thea hem te bieden had. Naarmate de
10 minuten vorderden werd Jeewee steeds losser. Alsof hij de dans ontsprongen
was, terwijl Thea bijna overliep van frustratie. Ze werd over één kam geschoren
met de heersende opperouders. Jeewee zag geen frictie of verschil tussen Thea
en de rest. En zo wel dan deed Thea er niet toe, want haar dochter kwam best
mee in de combinatieklas 5 en 6. Fijn toch? Standaard procedure dus maar? Op
die toer begreep Thea tevens steeds minder van de heersende, onuitgesproken
liefdestaal in het verlaten lokaal van de combiklas 5 en 6. Thea raakte
dusdanig gedesoriënteerd van de rondzwevende onderhuidse dubbele signalen in de
beklemmende ruimte, dat ze dichtklapte en zichzelf niet meer kon zijn. In zo’n
gemoedstoestand was Thea niet eens meer in staat om Jeewee welverdiend lik op
stuk te geven vanwege zijn terloopse bewering over Sabine:
‘Sabine is een leuk kind om erbij te hebben.’
Zei hij dat echt? Thea schudde het hoofd.
Herstel! Hoezo was haar dochter een leuk kind om erbij te hebben? Waar bij te
hebben? Alleen maar leuk? Toen Sabine geboren werd draaide de hele wereld van
Bart en Thea ondersteboven. Alles veranderde nadat dat kleine wezentje het
eerste ademstootje had geproduceerd. Los van de navelstreng. Onherroepelijk en
duurzaam in het hier en nu. Nog nooit eerder waren de nachten zo kort en de
dagen zo roerig geweest. Sabine is en was de hoofdzaak van het hedendaagse
bestaan; de essentie van de existentie; de spil van het allerbeste; het neusje
van de zalm; de kwintessens van het dagelijkse reilen en zeilen; zonder Sabine
geen leven. Zo’n wensmeisje wordt ernstig tekort gedaan als ze alleen maar goed
genoeg is om leuk ‘erbij’ te hebben. Deze negatie was zo bot dat Thea zich
bijna geroepen voelde om Jeewee naar de keel te vliegen. Figuurlijk: door hem
letterlijk in ieder geval met een snerende reactie monddood te maken. In het
geval van meester Gijsbert was zo’n wraakactie zonder problemen in geen tijd
afgevinkt geweest, maar bij Jeewee schoten woorden tekort. Het gesprek wilde
niet vlotten met als gevolg dat Thea 5 minuten te laat bij haar afspraak met
Toos in het lokaal van groep 4 arriveerde.
‘Je bent te laat’, zei Toos waardoor ze meteen
verried dat ze zichzelf niet was.
‘Dat is mijn schuld niet’, sputterde Thea
tegen.
Ze voelde zich heel klein worden. Niet
kinderachtig, maar minderwaardig. Jade was ook aanwezig. Ze zat naast juffrouw
Toos achter twee aaneen geschoven lessenaars. Haar nieuwe carrière look - het
stijlvolle mantelpakje met modieuze details - had het al een maand na de komst
van directrice Willy verloren van haar oude, vertrouwde gele te heet gewassen
lamswollen truitje en zwarte polyester stretchbroek.
‘Ik zit er even bij’, zei ze.
‘Ik zie het’, zuchtte Thea.
Ze had geen verweer.
‘Op dat moment had je weg moeten gaan aan’,
wist Bart achteraf.
Thea voelde zich alleen maar heel slap worden.
De ontspannen toestand aan het begin van de avond was getransformeerd in
vertwijfeling en onbegrip.
‘Wij maken ons zorgen om Walter’, begon Jade.
Thea merkte dat ze ergens onderweg terrein
verloren was aan Jade. Ze was te vroeg achterover gaan zitten met het gevolg
dat ze tegen haar zin in een sneltrein terecht gekomen was, waarvan ze de
handrem niet kon vinden. Ze had geen overzicht meer op de dingen om haar heen.
De controle op haar kind was op hol geslagen. Het geruis in haar hoofd werd
gekmakend. Ze klampte zich vast aan een denkbeeldige strohalm. Een mantra.
‘Rustig blijven, rustig blijven, rustig
blijven.’
Teneinde wat stoom af te blazen blaatte Thea de
stelling van Jade na:
‘Wij maken ons zorgen om Walter.’
Na een korte, pijnlijke stilte met de
gevoelslengte van een uur vroeg ze:
‘Wie zijn wij?’
‘Wij van De Wielewaal’, antwoordde Jade
eigenmachtig.
Juffrouw Toos snakte naar adem en drukte een
zakdoekbolletje onder haar neusgaten. Ze ontweek de vragende ogen van Thea.
‘Wilma heeft het druk’, vervolgde Jade
gemelijk.
‘Hou op Jade’, riep Thea.
Het eeuwige gemanipuleer van Jade lag zo dik op
haar geslijm, gelieg, getrek en gedraai dat het resultaat sidderde door haar
zintuigen en het laatste beetje flexibiliteit uit haar geduld trok. Thea had een sterk vermoeden dat
de verborgen motieven van Jade alles behalve zuiver waren. Ze besloot de gok te
wagen.
‘Ik heb Wilma allang te kennen gegeven dat ik
Walter niet laat testen op dyslexie.’
Bingo. Jade had haar repliek meteen klaar.
Opgeklopt en uit het hoofd geleerd.
‘Waarom niet? Dyslexie is geen schande hoor.’
‘Dyslexie bestaat niet. Althans niet in de wijze en de groten getale waarop jullie
het doen voorkomen. En ik ga mijn zoon geen dyslexieverklaring laten aansmeren
alleen omdat jullie te beroerd zijn om mijn kind fatsoenlijk taalonderwijs te
bieden.’
Thea had zich tot juffrouw Toos gericht die
zich hierdoor gedwongen voelde om ook iets te zeggen:
‘Ik heb vertrouwen in Jade.’
Ze klonk zo majestueus dat Thea er alleen maar
opstandiger van werd.
‘Fijn voor je Toos. Ik niet.’
Jade liet zich niet van de wijs brengen door
nevenzaken en ging stug door met haar propaganda:
‘Heel veel kinderen zijn heel blij met een
dyslexieverklaring. De opluchting is vaak groot.’
‘De opluchting?’, herkauwde Thea terwijl ze
zich achter de oren krabbelde.
‘Opluchting over het feit dat de kinderen
eindelijk een reden hebben waarom ze moeilijk mee kunnen komen in de klas’,
beweerde Jade zonder te blikken of blozen.
‘Ja maar, Walter kan prima meekomen in de klas.
Tenminste als ik juffrouw Toos moet geloven.’
‘Ik heb vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos
nogmaals bij wijze van reactie.
Hierop keek Jade even geïrriteerd naar opzij
alsof ze wilde zeggen:
‘Kop houwe, ouwe’.
Vervolgens beet ze Thea toe:
‘Walter gaat niets voor niks naar de remedial
teacher; laten we wel wezen Thea. En als de vader van Walter en jij niet bereid
zijn om jullie zoon te laten testen, dan moeten we de begeleiding nog eens goed
evalueren.’
‘Is dat een dreigement?’, vroeg Thea nog
tamelijk beheerst gezien de gemoedstoestand waarin ze zich bevond.
Die vraag trok Jade meteen op haar fatsoen:
‘Nee natuurlijk niet. Maar Walter zou echt
weleens geholpen kunnen zijn met een dyslexieverklaring.’
‘Je bedoelt met een proeve van onbekwaamheid?’
‘Je beledigt hier heel veel leerlingen en
ouders mee Thea’, waarschuwde Jade bestraffend.
Theatraal keek Thea zoekend om zich heen.
‘Zie jij ouders of leerlingen die mij kunnen
horen?’
‘Heel veel kinderen zijn heel erg blij met een dyslexieverklaring en daarmee uit.’
Het leek er even op dat Jade met de vuist op
tafel zou slaan. Maar Thea liet zich niet intimideren. De adrenaline spoot door
haar aderen.
‘Niet de kinderen maar hun ouders zijn blij.
Blij dat hun kinderen onder de pannen zijn bij mensen die wel bereid zijn om
hun kroost tenminste gewoon lezen en
schrijven te leren. Net zoals wij vroeger allemaal hebben leren lezen en schrijven van docenten
die nog nooit van dyslexie gehoord hadden. Waar komt al die dyslectici
überhaupt ineens vandaan?’
Hier liet Jade zich kort door Thea uit de tent
lokken om haar eigen straatje schoon te vegen.
‘Walter krijgt meer dan deugdelijk
taalonderwijs op De Wielewaal van Toos en Wilma.’
‘Je suggereert net nog dat Wilma het te druk
heeft voor Walter. Daar komt nog bij dat ik me geen buitensporige zorgen maak
om Walter. Zijn vader trouwens ook niet. Jullie zijn de zorgenpietjes op De
Wielewaal. Jullie maken je zorgen om Walter. Daarom zit jij nu op mij in te
praten Jade. Waar is Wilma trouwens? Ik heb jullie eerder op de avond ruzie
horen maken? Ging dat misschien over mijn kind? Over mijn Walter?’
Ik heb vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos
voor de derde keer.
Driemaal is scheepsrecht. Tot op het bot
getergd sprong Thea op van haar stoel:
‘Wat willen jullie toch van mij!’
Jade stond ook op en liep met open armen op
Thea af. Alle registers trok Jade open om haar zin door te drijven.
Terugdeinzend probeerde Thea haar tevergeefs te ontwijken. Door haar
afweermechanisme wist ze de omarming gelukkig wel tot een minimale aanraking te
beperken. Jade liet zich echter niet weg zetten en bloedzuigerig fleemde ze:
‘Stel nou dat je Walter laat testen en hij
krijgt een dyslexieverklaring. Zo’n dyslexieverklaring is essentieel; want
alleen met een dyslexieverklaring kan hij hulp krijgen van buitenaf. Hulp van
een echte expert.’
‘Een echte expert’ werd regelrechte woordpornografie door de uitspraak van Jade.
Ze kwam bijna klaar met een echte expert in haar mond. Het avondeten van Thea
begon in haar maag op te spelen.
‘Wilma is toch ook een echte expert?’,
kokhalsde ze.
‘Ik heb vertrouwen in Jade’, herhaalde juffrouw
Toos alweer.
Thea gaf zelf maar het antwoord op haar
vraag:
‘Maar jij bedoelt natuurlijk een echte expert
die niet op de loonlijst van De Wielewaal staat?! Een echte expert die daarom
niet door De Wielewaal betaald hoeft te worden, maar wel door mijn ziekenkosten
verzekering?’
Jade vertoonde geen schijn van schaamte. Ze
deed niet eens moeite om de keiharde berekening te ontkennen.
‘Zoals ik al zei; Wilma heeft het druk. En wat
maakt het jullie nou uit? Het is niet alsof de maandelijkse premie er meer of
minder om wordt.’
‘Ik heb vertrouwen in Jade.’
Dat was juffrouw Toos voor de vijfde keer.
Misschien was het toch de leeftijd.
‘Ik wil graag zelf bepalen wat mij wel of niet
iets uitmaakt en een dyslexieverklaring maakt mij wel degelijk wat uit. En
Walter ook als hij straks op de middelbare school zit.’
Jade viel Thea in de rede:
‘Zover zijn we nog niet.’
Thea negeerde haar en oreerde ongegeneerd
verder;
‘Walter zou door een eventuele
dyslexieverklaring onnodig een minderwaardigheidscomplex kunnen ontwikkelen. Onterecht; want hij kan gewoon
leren lezen en schrijven. Net als iedereen, want hij heeft geen dyslexie.’
‘O nee? Dat valt nog te bezien’, weersprak Jade
op provocerende toon.
‘Weet je wat ook nog te bezien valt Jade? De
mening van de onderwijsinspectie over de prestaties van Walter. En dan nog wat!
Mocht Walter niet voldoen aan de gemiddelde eisen van groep 4 dan laten jullie
hem maar een jaartje doubleren. Hij is verdorie net 7 jaar geworden. Dan maar
geen vroege vogel meer. Met of zonder Wilma. En wat die overbelasting van Wilma
betreft; misschien moeten jullie als team nóg beter jullie best doen. Allemaal
nóg een extra tandje bijzetten. Of neem nóg een tweede remedial teacher aan?
Want wie heeft het tegenwoordig tenslotte niet druk, druk, druk? Ik heb het ook
razend druk. Toch komt niemand van het onderwijsteam bij mij de ramen lappen of
zorgt voor een vervangende glazenwasser die door een vrijgevige weldoener
bekostigd wordt. Dus ik bedoel maar.’
Het wachten was nu op een zesde motie van
vertrouwen aan Jade, maar juffrouw Toos was uitgepraat. Ze was de enige van het
trio die nog niet was opgesprongen. Teneer geslagen zat ze op haar plek en
peuterde aan haar zakdoekbolletje. Ook
Jade zag er verward uit; alsof ze de uitkomst van het 10 minuten gesprek nog
even in alle rust moest verwerken. Voor de goede orde onderging de wolf in
schaapskleren nog gauw een
gedaanteverwisseling
‘Ik moet je helaas laten gaan lieve schat, want
de tijd dringt’, fleemde Jade en met een poezelig lachje gaf ze nog een laatste
draai aan haar slijmerige goedmakertje.
‘Kun je er met iemand over praten? Praat erover
met je mannetje of met een ‘dinnetjes’, maar zorg in elk geval dat je er een onderonsje
over maakt met iemand.’
Jade pinkte een denkbeeldig pluisje van Thea’s
schouder.
‘Reken maar van yes. Breek jij je schattige
hoofdje maar vast over mijn eerst volgende aanspreekpunt lievige Jade’,
verkondigde Thea met verontrustende stelligheid.
HOOFDSTUK 19
De onverwachte aanval van de interne
coördinatrice Jade voelde als een dolk in de rug van Thea. Haar complete
emotionele huishouding was van slag. Allerlei onlogische gevoelens passeerden
de revue in de nachten dat Thea na de confrontatie op bed naar de zwarte
binnenkant van haar oogleden lag te
staren. Het grootste deel van de tijd was ze des duivels met een vleugje
schaamte over haar ongeremde reacties. Ze had zichzelf laten kennen door
ongecontroleerde uitspraken te doen die haar kwetsbaar maakten. Alsof ze op
medelijden van Jade of juffrouw Toos zat te wachten. Ze voelde zich juist
verraden door juffrouw Toos die tot aan de avond van het 10 minutengesprek
alleen maar vol lof over Walter was geweest. Ze haatte Jade om haar sluwheid of
om haar domheid. Thea was niet zeker meer van haar eigen mensenkennis. De
conversatie tijdens het 10 minutengesprek bleef zich als een oorwurm in haar
hoofd afspelen. Letterlijk; zin voor zin; woord voor woord.
‘En toen zei Jade: ‘Wij maken ons zorgen om
Walter!’
En ik vroeg ik: ‘Wie zijn we?’
Ondertussen bleef juffrouw Toos maar
benadrukken dat ze zoveel vertrouwen had in Jade.
‘Ik heb vertrouwen in Jade’, zei ze tot
vervelends toe.
Daarop meldde ik: ‘Fijn voor je Toos, ik niet.’
‘Waarom niet? Dyslectie is geen schande hoor.’
‘Dat was Jade. Misschien bedoelde ze het goed?
Maar als ik toch zeker weet dat Walter niet dyslectisch is? Was ik soms niet
duidelijk genoeg?’
Thea werd tureluurs van zichzelf en het
permanente gemaal in haar hoofd. Het dagelijkse reilen en zeilen en de kinderen
bestierde ze in die dagen op de automatische piloot. Bart probeerde naar Thea
te luisteren zoveel hij kon; maar ook hij was gedupeerd als vader van Walter.
Bovendien dreef Thea hem tot uitersten met haar recidiverende reacties.
‘Hoe wil je een oplossing vinden als een
cirkelredenering juist het probleem is?!’, brulde hij meer dan eens in de vele
woordenwisselingen uit die tijd.
Bart was al bezig met oplossingen; maar Thea
zat vast in de oorzaak van het probleem.
Bart was zeker van zijn zaak:
‘Walter is niet het probleem’.
Nee, dat wist Thea ook wel. In ieder geval niet
haar probleem. Wel haar zoon. Ze herkende hem niet in de verslagen van Jade.
Jade sprak over Walter in relatie tot statistieken, gemiddeldes, cijfertjes en
grafieken die ze zelf ongetwijfeld maar half doorzag, maar die ze te berde
bracht, omdat ze door haar werkgever geacht werd te besparen zoals zo ongeveer
elke basisschoolleiding door de overheid opgedragen was om te economiseren. Dus
ook de staf van De Wielewaal. Jade zag
nauwgezet op de besparingen toe, zodat er in ieder geval niet beknibbeld zou
worden op haar en haar werkuren van een interne coördinatrice die haar tijd
verdeed met het op stang jagen van onschuldige ouders zoals Bart en Thea. Laat
anderen maar de dupe zijn van de bezuinigingen in het basisonderwijs. Desnoods
een 7jarige jongetje – Walter bijvoorbeeld - dat de termijnen van een ander
kind bij de remedial teacher in vaste dienst -
Wonderwilma in dit geval - opsnoepte, terwijl hij door zijn ouders toch
top fit verzekerd was. Bij Walter thuis konden ze net zo goed via de
ziekenkostenverzekeraar een externe dyslectie expert – of verder wat voor een
therapie of specialist dan ook – inhuren en bekostigen.
Thea was en blijft er echter 100 procent van
overtuigd dat Walter geen leerbeperking in de vorm van dyslexie had en heeft.
Waarom zou ze dan op kosten van de ziekenkostenverzekeraar een dyslectie expert
of anderszins hulp van buitenaf moeten inhuren? Voor wie? Voor het personeel
van De Wielewaal? Ter ontlasting? Vanuit dat principe had Thea beter überhaupt
geen kinderen kunnen baren. Ter kostenbesparing? Voor dat veel besproken hongerloontje van het
onderwijzend personeel maakte de aanwezigheid van een lastpak met de naam
‘Walter’ meer of minder ook niet noemenswaardig veel meer uit. Slechter kon het
met het onderwijs in Nederland toch niet meer gesteld zijn als je de
nieuwsberichten in de media moest geloven. Als je het Thea vroeg dan gold dat
ook voor de expertise van veel docenten. Kennis wordt duur betaald! Haar
zekerheden over de leercapaciteiten van Walter en Sabine baseert Thea nu nog
bijna volledig op haar ervaringen bij Huiswerksterk. De taalfouten die Walter
als groentje in zijn schoolwerk maakte leken bovendien sprekend op de missers
van Melvin in zijn tijd. Zelfs Jasmijn, die nou toch medicijnen studeert,
schreef weleens een au in plaats van een ou of verwarde de sch met een g. Zulke
taalfoutjes zijn een vaak voorkomend gevolg van een leerproces. Meestal bij
kinderen die logisch ingesteld zijn. Het principe van 1 en 1 is 2 hoef je
Walter niet uit te leggen bij wijze van spreken. Maar het verschil in
schrijfwijze tussen leiden en lijden, bijvoorbeeld, ligt iets minder voor de
hand. Intuïtieve kinderen zoals Sabine daarentegen breken zich het hoofd niet
over de vraag of het onderscheid tussen leiden en lijden wel steekhoudend is.
De leerstof is wat het is. Sabine hoeft niet te snappen dat ze moet leren te
accepteren wat ze niet veranderen kan. Walter is daar wat minder flexibel in,
maar daarom is hij nog niet leesblind. Daarom heeft hij wel extra goed
taalonderwijs nodig. Net als elk kind eigenlijk. Te beginnen op een basisschool
en niet onder de paraplu van een ziekenkosten verzekeraar. Kinderen hebben
recht op onderwijs zonder pressie. De druk op ouders om hun kinderen ‘ziek’ te
laten verklaren zo gauw ze niet voldoen aan de eis van middelmatigheid en te
veel geld gaan kosten kan iedereen wel missen als kiespijn.
Tot aan de dag van de uitbarsting met Jade en
juffrouw Toos leefde Thea dan ook in de heilige overtuiging dat haar
opvattingen over het onderwijs bij mensen die zelf na kunnen denken toch
onderhuids gemeengoed waren. Hier en daar vertoonde haar ideaalbeeld door
schade en schande al wel de nodige blauwe plekken; maar van onherstelbaar
letsel was nog geen sprake geweest. Thea hield haar Huiswerksterkvisie juist
overeind dankzij de onuitgesproken
invloed van de volhardende dinosaurussen om haar heen. Onder meer uit de
onderwijswereld. Vrouwen als Wonderwilma en juffrouw Toos. Op de beruchte avond van de 10 minutengesprekken
in groep 4 en 5 van Walter en Sabine had Thea echter flinke schade opgelopen in
de vorm van een zinsbegoocheling. Een onuitwisbaar drogbeeld waarin ze
letterlijk en figuurlijk tegen muren stond te praten. De waangedachte vrat aan
haar illusies als de zwerende wond door de gewortelde lemmet van het mes in
haar rug en niets is zo funest voor een goede relatie als
zelfverloochening.
Thea deed haar best om vooruit te denken en
gebeurtenissen uit het verleden niet onophoudelijk te herkauwen om haar man
tegemoet te komen. Op zijn beurt probeerde Bart om de boel voor zijn vrouw min
of meer te analyseren. Compromissen bieden evenwel een puike paraplu, maar
resulteren in een armzalig dak. Het huwelijk van Bart en Thea dreigde zich
verre van ideaal te ontwikkelingen. Enerzijds daar Thea dus niet kon loslaten,
maar anderzijds ook omdat Bart nogal fel van leer kon trekken bij de minste of
geringste zweem van een zogenaamde terugval van zijn vrouw. Beide partners
zaten muurvast in hun eigen verwerkingsproces. Daar kwam nog bij dat Bart stug
volhield dat hij helemaal nergens problemen mee had. Hij beweerde nog net niet
dat Thea zich aanstelde, maar hij vond wel dat ze gewoon zijn instructies moest
opvolgen teneinde de opvoeding van hun kinderen zonder emotionele schade te
kunnen overleven. Intuïtief wist Thea dat Bart gelijk had, maar wat kon ze
anders doen dan haar eigen ritme volgen? Ze voelde zich in de steek gelaten in
die periode van haar huwelijk. Om haar zelfmedelijden enigszins in banen te
leiden vroeg Thea op korte termijn een tweede oudergesprek met juffrouw Toos
aan. Ze eiste met klem een tête-à-tête zonder de interne coördinatrice Jade.
Het werd een fiasco. Juffrouw Toos acteerde dusdanig overdreven zakelijk en
afstandelijk dat haar optreden op het botte af rauw op Thea’s dak viel. Thea
kon aan alles merken dat juffrouw Toos onder druk van Jade stond. En
intimidatie was Jade naar inschatting van Thea op het lijf geschreven. Het
breekbare figuurtje van juffrouw Toos zag eruit als een dankbaar slachtoffer.
Om haar zelfvertrouwen buiten de muren van het klaslokaal van groep 4 aan het
wankelen te brengen waren een paar steken onder water vermoedelijk al genoeg
geweest. Iets in de trant van:
‘Voor jouw salaris 10 anderen’.
En hoeveel zou zo’n salaris van een
doorgewinterde onderwijzeres nou meer zijn dan de inkomsten van een beginnende
jonge hond voor de klas? Dat zal op jaarbasis ook geen verschil van een ton
maken. Verder sloeg een dergelijke hint als een tang op een varken natuurlijk.
Er was maar één juffrouw Toos. Zij had een roeping. Dat stond buiten kijf en in
combinatie met haar inzicht en ervaring is zo’n bijdrage onbetaalbaar. Haar
onderwijzeressenhart bonkte als het ware door haar maskerade heen.
‘Laat Walter toch aan mij over’, zei haar aura.
Haar woorden spraken de intentie tegen:
‘Jade bedoelt het goed.’
Ook deze uitspraak repeteerde juffrouw Toos net iets te vaak om nog
geloofwaardig te zijn op dezelfde manier waarop ze eerder tijdens het 10
minutengesprek lukraak was blijven volhouden dat ze zoveel vertrouwen in Jade
had. En hoeveel respect Thea ook spontaan kon opbrengen voor de
professionaliteit, de respectabele leeftijd en zelfs de rubberen ruggengraat
van juffrouw Toos, ze had tijdelijk geen reserves meer voor mededogen. Uit
piëteit zou ze juffrouw Toos een klacht bij de onderwijsinspectie, of het algemene
bestuur bij de stichting waaronder De Wielewaal valt, besparen, maar Thea moest
onderhand wel haar ei kwijt bij een neutraal persoon die haar precaire kwestie
ook niet direct aan de grote klok zou hangen. De vertrouwensarts die namens de
GGD aan De Wielewaal verbonden was zou een optie kunnen zijn.
Jojanneke van de GGD beweerde dat ze een
luisterend oor had, maar niet via de telefoon en dat het misschien handiger was
dat Thea even bij haar op kantoor aanwipte. Dat praatte wat makkelijker. Thea
liep zowat over van de jarenlang opgekropte emoties en al haar zintuigen waren
geladen. Jojanneke, of wie dan ook, hoefde het startschot maar te geven en ze
zou weg schieten. Van het begin tot het einde. Zonder de dingen los van elkaar
te zien die volgens Bart niets met elkaar van doen hadden. Er was in de ogen van
de vader van haar kinderen geen verbinding tussen het oude zeer van De Kleine
Beer of Het Kleurenpalet en de onverwerkte ontwikkelingen op De Wielewaal. Als
Thea niet in staat was om de slachtofferrol van zich af te schudden dan zou ze
niet alleen zichzelf, maar ook Bart en, erger, de kinderen gek maken.
‘Dat doet iedereen’, suste Jojanneke.
Alhoewel ze een vertrouwensarts was en geen
psychiater. Ze was ook niet meer de jongste. Desondanks had de vertrouwensarts
een langere adem dan wie Thea verder ook kende. Het zag er namelijk naar uit
dat ze bestand was tegen de ratjetoe aan feiten, fictie, gebeurtenissen en
muizenissen die Thea haar in korte tijd voorschotelde. Tussendoor hanteerde
Jojanneke haar mobiel omdat haar oude moeder heel slecht lag en ze bereikbaar
moest zijn in geval van overlijden. Jojanneke was tussen de regels door sowieso
erg mededeelzaam over haar privéleven. Haar vertrouwelijkheden nam Thea op als
aanmoediging om haar ontgoocheling verder uit te diepen. Geen onderwijskracht
hoefde haar kinderen op handen te dragen. Haar bescheidenheid was evenwel geen
vrij briefje om Sabine en Walter dus maar ondergeschikt te maken aan leerlingen
van ouders die wel het onderste uit de kan van leerkrachten eisten. Want bij opvoeden is een onsje
voorbeeld uit de praktijk van het echte leven beter dan een kilo mooie woorden
van de wereldvreemde, interne
coördinatrice Jade. En Bart en Thea mochten in die periode dan de nodige
strubbelingen hebben gehad samen, over één ding waren ze het nog wel eens; met Jade wilde geen van tweeën nog iets
te maken hebben. Jojanneke stelde haar gerust.
‘Jij kunt er niets aan doen dat je
hypersensitief bent.’
‘Dat is nou juist waarom ik hier zit en niet
bij een psychiater. Ik geloof niet dat ik hypersensitief ben alleen maar omdat
ik kritiek heb op het beleid van de basisschool van mijn kinderen. In zoverre
er sprake is van een beleid natuurlijk.’
‘Maar je hebt wel het recht om boos te zijn.’
Doordat Jojanneke naarstig haar best deed om
oprecht te klinken, werd de licht ontvlambare achterdocht van Thea weer
aangewakkerd.
‘Waarom? Omdat ik het recht heb om boos te zijn
of omdat ik met recht boos ben?’
‘Ik heb zelf 3 dochters grootgebracht en ik kan
nou nog boos worden over sommige akkefietjes op de basisschool. Dan werd 1 van
mijn dochters bijvoorbeeld steeds naast een meisje in de klas neergezet dat
niemand aardig vond. Alleen maar omdat mijn dochter een sociaal kind is. Op
zo’n moment stapte ik ook met lood in mijn schoenen op de juf af en dan werd ik
heus net zo goed niet altijd even aardig benaderd. Zo zijn er misschien wel 10
van dat soort akkefietjes met een optelsom van een megaprobleem. Ik herinner me
ook nog de uitspraak van de juf uit groep 3 van mijn jongste. Mijn dochter zou
het buskruit niet uitgevonden hebben. Ik word er nou nog emo van. Dus ja; je
bent met recht boos.’
In de oren van Thea weerklonk geringschatting
uit het verhaal van Jojanneke. Minimalisatie van haar knelpunten. Onbedoeld;
dus recht in de roos. Jojanneke werd ook weleens ‘emo’. Nee, dan is het goed.
‘Ben je boos. Pluk een roos. Zet haar op je
hoed. Dan ben je morgen weer goed’, rijmde Thea monotoon, terwijl ze naast zich
uit het raam keek.
‘Waar ben je bang voor?’, vroeg Jojanneke
ineens heel gericht.
‘Dat mijn kinderen op de basisschool het
mikpunt van de ontlading van leerkrachten worden als gevolg van mijn kritische
opstelling. Het zou niet de eerste keer zijn.’
‘Dat is een reële angst denk ik. Het probleem
is alleen dat mensen zoals de interne coördinatrice overal rondlopen. Op een
nieuwe basisschool kom je haar weer tegen, maar dan is haar naam geen Jade maar
Mies of Jopie. Denk je dat het elders zoveel beter is?’
‘Slechter kan het niet worden’, schamperde
Thea.
De mobiel van Jojanneke liet weer van zich
horen. Thea ratelde verder:
‘Ze willen bij De Wielewaal niets liever dan
dat ik met mijn kinderen vertrek naar – alweer – een andere basisschool. En
mocht onverhoopt de nood aan de man komen dan zeker niet met de stille trom.
Waarom denk je dat ik hier zit? Juist om escalatie te voorkomen.’
‘Ik denk dat je er verstandig aan gedaan hebt
om hier te komen. Niemand kan jou verplichten om Walter – of Sabine – te
onderwerpen aan wat voor een soort medische toetsen of testjes dan ook. Zelfs
een arts niet. Er staat nergens, in geen enkel schoolreglement, geschreven dat
ouders de plicht hebben om in dyslectie te geloven’, legde Jojanneke uit
terwijl ze een berichtje op haar mobiel ontcijferde en iets in begon te
toetsen.
‘Vrijheid van meningsuiting’, declameerde Thea.
Het lijkt zo vanzelfsprekend. Nu hield
Jojanneke haar mobiel tegen haar oor en kneep bemoedigend met haar oogleden
naar Thea onder begeleiding van de woorden:
‘Houd je gedachten even vast.’
Thea doorstond deze onderbreking - en de vele
telefonische interrupties die nog zouden volgen op haar relaas - stoïcijns en zonder commentaar. Maar
het was belachelijk: Jojanneke in een schizofrene spagaat tussen haar
dochterrol als stervensbegeleidster en haar arbeidsplicht als vertrouwensarts.
Het was Thea een raadsel waarom Jojanneke zich vandaag niet had laten
vervangen. Haar reactiepatroon verried dat ze doorgaans, onder normale
omstandigheden, een kundige vertrouwensarts was. Onder voorwaarde van volledige
inzet. Een vervanger voor Jojanneke op de sterfdag van haar moeder was wel zo
normaal geweest. Hoe het ook zij; de tijd was linksom of rechtsom rijp voor de
kroniek van Thea. Desnoods op facebook.
‘Laten we even het verstand erbij houden’,
lachte Jojanneke zenuwachtig.
‘Denk aan de kinderen. Het belang van de
kinderen staat voorop.’
‘Ach ja, de kinderen.’
Thea veinsde vergeetachtigheid en sloeg met de
handpalm op haar voorhoofd.
Jojanneke stelde een gesprek voor als sluitstuk.
Een gesprek tussen directrice Willy en de interne coördinatrice Jade van De
Wielewaal.
‘Ik zit je net uit te leggen dat Bart en ik
niets meer met Jade te maken willen hebben. Praat ik Chinees of zo?’
‘Je zult wel moeten Thea, want Jade is nou een
maal de interne coördinatrice van De Wielewaal. Of je wilt of niet.’
Thea woelde door haar kapsel en masseerde haar
hoofdhuid. Ze had jeuk onder haar schedelpan.
‘Wat heb ik hier nou aan? Al dat geblaat. Heb
jij je schaapjes al op het droge? Blah, blah, blah?’
‘Vanaf vandaag sta je niet meer alleen. Ik sta
achter je, Je kunt me altijd bellen of mailen’, beloofde Jojanneke theatraal.
‘Ook ’s nachts?’, spotte Thea en ze dacht:
‘Wat als jouw moeder vandaag of morgen ook echt
komt te overlijden?’
Wie van de twee was er ook weer psychisch crisisgeval?
‘Ik meen het Thea! Bij mij kun je in ieder
geval jezelf zijn!’, antwoordde Jojanneke niet gehinderd door enige
introspectie. Ze vervolgde:
‘Ik kan ook het woord voor je doen bij de
directie van De Wielewaal als je wilt, maar zo te horen kun je dat prima zelf.’
Zo was de cirkel weer rond. Een vertrouwensarts
bood dus ook al geen soelaas aan de groeiende weerzin tegen de moeizame
gesprekken op De Wielewaal. Elk wissewasje ontwikkelde zich tot enorme bergen
waar een schappelijk mens geen schot in leek te krijgen. Een specifieke geur,
bepaalde uitspraak, stemgeluid of andere aanleiding kan Thea nog steeds even
tomeloos in de contramine werpen als toen, tijdens de reeks beproevingen op de
basisschool van haar kinderen. Moedeloos ervoer Thea de bijeenkomsten hoe vaker
hoe heftiger als oeverloos. Uitgezogen werd ze door de leerkrachten van haar
kinderen die altijd open meenden te moeten staan voor nieuwe, hippe invloeden.
Terwijl Thea totaal niet bezig was met indruk maken of discussiëren alleen maar
om het praten tot aan sokken met gaten. Ze werd niet high van een goed gesprek.
Want ook onderwijspraatjes vullen geen gaatjes. Niemand kon haar zelfs bij
benadering uitleggen wat in de onderwijswereld ongeveer met dyslectie of wat
dan ook bedoeld werd. Om maar eens een pijnpuntje te noemen. Dyslectie was
persoonsgebonden. Voor iedereen anders. Net als een mening of de waarheid.
Relatief noemde Einstein dat toch? Wel leerde Thea zich schikken in de
onderwijsretoriek. Ze kreeg inzicht in vergadertechnieken. Ze maakte zich het
deduceren van een constante informatiestroom tot een paar kernpunten eigen. Zo
ontstond als vanzelf een automatisme. Ondanks de aversie tegen de babbeltjes in
de ruimte. Toch dat warme bed uit. In weer en wind voor de kinderen. De
sluimerende sleur van de trage, grillige buitenwereld overwonnen. Het ene been
voor het andere en de routine komt vanzelf. De ogen sluitend voor een mogelijke
vlucht in de alcohol of verdovende middelen. Wetende dat er morgen weer een dag
is. Opnieuw met een kop en een staart als gegeven. Volg het voorgeschreven
stramien en dan zal alles ooit misschien vanzelf beter gaan. Op de nuchtere
maag 2 stapjes vooruit en 3 stapjes terug. Precies zo; vanuit dat inzicht gaat
Thea vandaag met frisse tegenzin bij Melvin op ziekenbezoek in het appartement
van Jasmijn.
Het luxe, hoge opblaasbare matras van Melvin
beslaat bijna de complete woonkamer in het appartement van Jasmijn boven de
Albert Heijn. Melvin blijft roerloos op zijn rug boven op het dons dek zonder
overtrek liggen. Thea heeft de neiging om Melvin te bestoken met vragen, maar
de sfeer in huize Jasmijn is niet erg uitnodigend. Misschien wil Jasmijn zolang
wat donsdek overtrekken van haar lenen? Waarom ligt Melvin eigenlijk niet in
een verstelbaar ziekenhuisbed en waarom niet thuis bij zijn vader en stiefmoeder?
In plaats daarvan opent Thea het gesprek met de woorden:
‘Ik heb laatst Femke nog gesproken.’
‘Ik ook’, antwoordt Melvin droog en zwaar.
Hij verroert zich nauwelijks en als hij beweegt
dan in slow motion. Om zijn linker onderarm draagt hij een brace. Melvin ziet
er weliswaar minder gehavend uit dan Thea verwacht had, toch heeft zijn 17jarige gelaat de lome
trekken van een oude man, maar dan zonder rimpels, door de gelige plekken en
andere sporen van herstel van de verwondingen en breuken in zijn gezicht. Zijn
vroegere Betuwe Flipje glans is spoorloos.
‘Samen met Bink.’
Voor de fruitmand die Thea voor Melvin heeft
opgemaakt vindt ze een plekje op de vensterbank. Vanuit haar ooghoeken probeert
ze een soortement reactie uit de logge mimiek van Melvin op te maken. Sloom
plaatst hij de rug van zijn gezonde hand op zijn voorhoofd. In zijn slagader
staat nog steeds dezelfde uitroep gekerfd;
‘Enough.’
Melvin heeft er nog altijd genoeg van. Geen
plakplaatje, maar een echte tattoo. Hij sluit zijn ogen. Bij zijn slapen
glinstert vocht. Transpiratie of tranen? Hij huilt mogelijk of hij ademt met
horten en kleine stootjes vanwege het strakke verband om zijn borstkas dat zich
onder zijn doorzichtige witte T-shirt aftekent.
‘Hoe was het met Bink?’, wil Jasmijn vanuit de
open keuken weten.
Ze schikt de bos duizend schonen die Thea voor
haar meebracht.
De koffie pruttelt in een ouderwets
filterapparaat. Hun samenzijn is vanzelfsprekend en ongemakkelijk. Zoals
vanouds. Alsof Thea nooit weggeweest is en de huiswerkagenda elke minuut
getrokken kan worden.
‘Hij kwam voor zijn laptop.’
Melvin verslikt zich en verkrampt over zijn
hele lichaam omdat hij moet hoesten. Paniekerig komt Jasmijn vanuit de keuken
aanrennen en blijft onverrichter zaken met haar armen in de lucht zwaaiend bij
het hoge luchtbed van Melvin staan. Ook Thea springt op uit het rotan
kuipstoeltje. Kermend krimpt Melvin ineen en hapt naar adem. Na 2 keer flink
inhaleren tussen het piepen en proesten door, neemt de paniek af. In de
foetushouding komt hij tot rust. De zweetdruppels parelen op zijn donkerrode
voorhoofd. Thea kijkt om zich heen en grijpt naar een aangebroken pakje
appelsap met een rietje op de vensterbank naast haar fruitmand.
‘Wil je wat drinken?’, vraagt ze onhandig.
‘Hij heeft zijn ribben gebroken. Weet je wel
hoe pijn dat doet’, snauwt Jasmijn.
‘Een mens moet toch drinken!’, sputtert Thea
ontmoedigd tegen, terwijl ze in haar kuipje terug kruipt.
‘Wil je wat drinken Melvin?’, vraagt Jasmijn nu
op haar beurt.
De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.
‘Nee’, krast Melvin schor.
Jasmijn buigt zich voorover tot op een
millimeter afstand van het gezicht van Melvin.
‘Gaat het wel?’
Prompt wendt Melvin zijn hoofd af en draait
zich krampachtig op zijn andere zij.
‘Jaha’, steunt hij geërgerd.
Jasmijn geeft het op. Ze loopt om het luxe
matras in het midden van de woonkamer heen en neemt plaats op het puntje van de
bank. Met gebogen hoofd en een blik vol
medelijden strijkt ze door de blonde kuif van haar broer. Liefkozend prevelt
ze:
‘Wat hebben ze je toch toegetakeld broertje.’
‘Ze?’
Heeft Thea iets gemist? Over de rug van Melvin
probeert Jasmijn onbeholpen om conversatie met Thea te maken.
‘Waar ken jij Bink eigenlijk van, Thea?’
Thea komt, buitengesloten als ze zich voelt,
meteen met een wedervraag op de proppen:
‘Waar ken jij Bink eigenlijk van Jasmijn?’
‘Hij is haar overbuurman’, murmelt Melvin zo
snel als hij in zijn toestand kan, in de hoop de zinspeling van Thea bijtijds
voor Jasmijn te ondervangen.
Te laat.
‘Bink is mijn stiefoom en ik wist niet dat hij
bij je in de straat woonde’, antwoordt Jasmijn argeloos en tegelijkertijd
aangebrand.
‘Ik kende hem eerst ook niet, totdat Melvin zijn laptop bij mij in bewaring gaf,
omdat de politie een inval bij Bink in huis deed.’
Bewust slaat Thea een toon aan alsof ze verslag
doet over koetjes en kalfjes. Zij kan ook mooi weer spelen, maar dan wel
vanwege haar eigen, unieke
beweegredenen. Jasmijn acteert dat ze Thea niet goed verstaan heeft.
‘Wat zeg je nou?’
‘Je hebt me wel gehoord.’
Traagzaam rolt Melvin weer op zijn rug.
‘Walter heeft ingebroken neem ik aan?’,
informeert hij hakkelend.
‘Walter? Dat is een kind. Heeft Walter bij Bink
ingebroken?’, vraagt Jasmijn onnozel.
‘Op de laptop van Bink’, verbetert Melvin
geïrriteerd.
Hij schudt zijn achterhoofd dieper in het
kussen en slikt benard. Zijn ademsappel lijkt op een onderhuidse speerpunt. Melvin is niet slank
meer, maar mager. Thea bedenkt dat ze beter een stuk of 10 pakjes gebraden gehakt
in plaats van een mand met ingewikkeld fruit voor hem mee had kunnen brengen.
‘Walter is geen kind meer. Hij is 12 en een
puber; of op z’n minst een tiener. Zal ik een kiwi voor je pellen Melvin?’
‘Dat doe ik wel’, zegt Jasmijn en zonder het
groene licht van Melvin af te wachten vist ze 3 kiwi’s uit de fruitmand op de
vensterbank en begeeft zich weer naar de keuken.
‘Zeg het maar!’
Melvin tracht rechtop te gaan zitten.
Halverwege stopt hij met proberen en steunt op zijn gezonde onderarm.
Afwachtend kijkt hij Thea aan. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en troebel.
‘Wat wil je dat ik zeg?’
‘Wat dacht je toen je me zag zitten tussen de
toyboys van G-spotgigolo?’
De uitspraak van deze prangende vraag kost
Melvin teveel energie om zijn bovenlijf nog langer overeind te houden. Hij
strekt de ongedeerde arm en laat zijn bovenlichaam achterover terug in het
veerkrachtige luchtbed terecht komen.
‘Nou, gewoon; ik dacht: Heey kijk eens wie we
daar hebben.’
Melvin trekt een scheve mond en balkt. Thea
begrijpt dat hij lacht. De rij met kaarsrechte, witte voortanden is Godzijdank
nog intact.
‘Prostitutie is niet strafbaar’, deelt Jasmijn
laconiek mee.
Met een schaaltje gevuld met stukjes geschilde
kiwi neemt ze weer terug plaats op de bank.
‘Weet jij ervan?’
Zo neutraal mogelijk probeert Thea hoogte te
krijgen van de morele mores van Melvin en Jasmijn.
‘Dat Bink een escortservice leidt? Jazeker.’
Jasmijn brengt een partje kiwi naar de
gezwollen lippen van Melvin. Kregel heft Melvin zijn gewonde arm in de brace en
slaat met het effect van een knuppel in een slagbalspel het aangeboden fruit
van zich af. Haastig vindt Jasmijn het uitgevlogen restje kiwi aan het
voeteneind van het luchtbed. Uit de achterzak van haar spijkerbroek diept ze
een stuk keukenrol om de vochtige kiwisporen om haar heen te deppen.
‘Thea bedoelt de naaktfoto van mij op de
website van G-spotgigolo’, beklemtoont Melvin.
‘Ik ben alleen geïnteresseerd in een
platonische relatie met mijn broer. Ik ga echt geen naaktfoto’s van hem zitten
bekijken’, exponeert Jasmijn met het vredesgebaar richting Thea.
‘Wat vind je dan van de herenliefde tegen
betaling?’
Als dan toch alles moet kunnen dan ook de
taboes ter tafel wat Thea betreft.
‘Seks is geen liefde’, smaalt Jasmijn.
Melvin produceert een hikkend spotgeluid en
richt vervolgens het woord tot Thea:
‘Seks betaalt de rekeningen. En de huur van dit
appartement.’
‘Werk jij ook voor Bink?’, vraagt Thea vol
ongeloof aan Jasmijn.
‘Ik ben geen jonge God’, bijt Jasmijn
rancuneus.
‘Ze is niet hoerig genoeg’, verduidelijkt
Melvin nichterig.
‘Homo’, scheldt Jasmijn schaamteloos.
Nuffig distantieert ze zich van haar broer door
zo ver mogelijk in het hoekje van de bank te verdwijnen met het fruitschaaltje
in haar schoot.
‘Wat zeggen jullie ouders hiervan?’
Thea hoort zelf hoe belachelijk ze klinkt.
‘Ze zijn trots op ons’, monkelt Melvin.
Jasmijn grijnslacht eensgezind met Melvin en
tegelijkertijd haatdragend. Thea moet ineens aan moeder Beau en haar 25 jaar
jongere vriend denken. De ex-vriend van Jasmijn.
‘En Femke dan, de zus van Bink en jullie
stiefmoeder; mijn opvolgster en generatiegenote; de 2de echtgenote
van Pim.’
‘Wat is er met Femke?’
Jasmijn en Melvin wisselen een blik van
verstandhouding. Thea zwijgt. In wat voor een wereld is ze beland? Zonder
inzicht. Dit zal dan wel het wespennest zijn waar Bart voor waarschuwde. Ze
besluit eerst zoveel mogelijk feiten te verzamelen om ze daarna in de
afwezigheid van mensen om haar heen te verwerken en op een rijtje te zetten.
Oordelen kan altijd nog.
‘Misschien kan Femke helpen?’, oppert ze
voorzichtig.
‘Femke helpt al door te zwijgen tegen papa.’
Jasmijn is in een meisjesachtige rol geschoten
waarin ze niet langer in staat is om een geheimpje niet te verklappen.
‘Waarom zou Femke zwijgen tegen Pim? Alleen
maar om haar broer in bescherming te nemen?’
Ondanks haar voornemen om vooralsnog neutraal
te blijven klinkt Thea toch verontwaardigd. Jasmijn kijkt Thea uitdagend aan.
Zo vurig heeft Thea haar nog nooit gezien. Melvin probeert vanuit zijn liggende
positie de drift van zijn zus met een vlakke hand in de lucht te dirigeren.
Haar ontlading valt nochtans niet meer te temperen en ze raast uit tegen
Thea:
‘Nee, uit eigen belang. Jullie vieze, oude
wijven zijn toch allemaal één pot nat!’
HOOFDSTUK 20
Thea kan Jasmijn geen ongelijk geven. De
voorbeeldvrouwen om haar heen gedragen zich werkelijk onsmakelijk gezien hun
leeftijd. Als het waar is dat stiefmoeder Femke in het verleden weleens gebruik
heeft gemaakt van de diensten die Bink haar met zijn escortservice in de vorm
van toyboys aanbiedt; dan zou Thea in de schoenen van Jasmijn ook gaan
twijfelen aan de ethiek van de grote mensen om haar heen. Zelfs al zou Femke
misschien alleen maar die ene keer gezwicht zijn voor de verleiding van het
jonge, sappige vlees; dan is dat naar mening van Thea toch nog één keer te
veel. Maar misschien heeft zij makkelijk praten. Zij voelt zich nooit alleen
maar aangetrokken tot een perfect lijf. Tot de daad op zich. Perfectie is
stagnatie. Primitief. Want dat is toch alles wat seks met een toyboy moet zijn.
De geslachtsdaad op basis van lust. En dan ook nog eens onevenredig gericht op
de goesting van een dame op leeftijd en haar bankrekening. Niemand krijgt Thea
namelijk aan haar verstand gebracht dat een jonge mooiboy vrijwillig in bed op
een milf zit te wachten voor een lekker, diepgaand gesprek; of de stomend hete
geslachtsdaad als hij met een simpele vingerknip iets veel strakkers kan
krijgen dat nog lang niet tegen de houdbaarheidsdatum aanzit. Die afkorting
alleen al zegt genoeg. Milf. Mother I
would like to fuck. In het Nederlands zeg je dan:
‘Moeder ik wil neuken.’
Dan zou Thea willen zeggen:
‘Da’s goed jongen; zoek jij maar eens een leuk
vriendinnetje of vriendje van je eigen leeftijd om mee te spelen.’
Maar vrouwen zoals Femke en ook Beau, de moeder
van Jasmijn die er vandoor is met haar 25jarige ex-vriendje, dus niet. Dit zijn
echte milfen en dat zijn vrouwen die vanaf een bepaalde gevorderde leeftijd
direct met de portemonnee staan te zwaaien als er door de jeugd geneukt moet
worden en dat is niet aflatend. Als de milfjes goed geschoten hebben dan mogen
ze zelf tegen betaling met de benen wijd. Thea zal er niks van zeggen. Ze kijkt
wel link uit, want dan wil zij stiekem ook natuurlijk. Je mag überhaupt niet
oordelen over de seksuele uitspattingen van een ander, maar Thea vindt er toch
wat van. Alhoewel Jasmijn het medeleven van haar oude kinderjuf en
huiswerkbegeleidster niet zou accepteren. En ook dat kan Thea zich levendig
voorstellen. Jasmijn zou zich wel heimelijk afvragen wat een vijftigjarige
moeder van 2 kinderen naast het ziekbed van Melvin verloren heeft en ze is slim
genoeg om de voorkeur van Thea voor haar broer boven zichzelf op te snuiven.
Thea heeft ook geen rationele verklaring voor haar voorliefde voor Melvin. Ze
weet alleen dat Melvin vanaf de eerste seconde van zijn aanwezigheid in haar
leven al beslag legt op haar zorgzaamheid met de latente dwang van een gulzige
zuigeling. Als peuter was zijn honger aan de oppervlakte eenvoudig gestild met
een fruithapje en zijn dorst gelest met opvolgmelk, maar de onderhuidse
begerigheid groeide met Melvin mee tot op heden. Nog steeds vraagt hij
onophoudelijk om aandacht en onberedeneerd blijft Thea ontvankelijk voor zijn
verhulde weeklacht. Dat is alles en al veel te veel, omdat Thea niet de moeder
van Melvin is en deze jonge mensen net iets te vaak met de misvormde seksuele
moraal van de ouderen om hen heen geconfronteerd zijn om hun oude kinderjuf
en huiswerkbegeleidster niet te
wantrouwen.
Over achterdocht kan Thea meepraten. Ze is zelf
vaak genoeg bedrogen uitgekomen nadat ze haar hoop op de verkeerde mensen in
zette. Bart had haar al meerdere malen gewaarschuwd:
‘Ga er nou eens vanuit dat je alleen staat. Dan
is alle hulp, elk klein beetje steun pure winst.’
‘Praat voor jezelf’, placht Thea dan getergd te
antwoorden.
De levenswijsheden van haar man irriteerden
haar, omdat hij natuurlijk gelijk had, maar ook Bart was niets menselijks
vreemd. Alsof hij flierefluitend over het misbruik van vertrouwen in zijn leven
heenstapte.
‘Ik ga er in ieder geval wel een stuk
makkelijker mee om dan jij’, vond Bart.
‘Waarom is dat?’
Thea had de vraag nog niet gesteld of ze zou
willen dat ze op een delete toets kon drukken; want daar had je het al.
‘Ik heb een vertrouwensbasis in mijn jeugd
gekregen van mijn ouders en jij niet.’
Voor de zoveelste keer gebruikte Bart haar
belabberde jeugd als een excuus voor het verschil in weerstand tussen hem en
haar. De referentie naar haar chaotische achterland bracht Thea steevast buiten
zinnen.
‘Ik kan mijn jeugd niet meer veranderen’,
bitste ze weerloos.
‘Dat weet ik.’
Precies dat wilde Thea nooit weten. Ze was zich
echt wel bewust van haar onschuld. Ergens.
‘Ik heb niets verkeerd gedaan’, repeteerde ze
de herhaaldelijke verzekering van Bart uit het verleden in een poging om hem in
het heden voor te zijn.
‘Daarom wil ik dit keer wel met je mee naar dat
gesprek met de directie van De Wielewaal’, kondigde Bart aan.
‘Ja, maar Jojanneke; de vertrouwensarts heeft
me verzekerd dat ik op haar kan rekenen. Juist nu sta ik niet alleen. Zij staat
achter me. Dat heeft ze woordgetrouw zo gezegd.’
‘Kijk en dan ga je hier de mist weer in’, wist
Bart de helderziende.
De interne coördinatrice van De Wielewaal -
Jade - zat timide aan het hoekje van de vergadertafel en had niets te missen.
Aan haar houding te oordelen had ze flink op haar falie gehad van iemand. Geen
kik gaf ze. Op haar gezicht stond zelfmedelijden te lezen. Geen wroeging. Het
huilen stond haar nader dan het lachen. Het leek Thea sterk dat directrice
Willy in dit geval de boosdoener was, want zij was net zo verbaasd over de
nederige opstelling van de interne coördinatrice als de ouders van Walter en Sabine.
Willy werd er zelfs een beetje melig en sloom van. Lethargisch wierp ze zich
met heel haar bovenlijf over de vergadertafel van de I.C. Jade tot Bart en Thea
en sloeg een denkbeeldige vlieg weg uit haar blikveld. Ze leek iets ongepast te
willen zeggen. Zoiets als:
‘Gooi maar in m’n pet. Het zal mijn tijd wel
duren.’
Alsof ze laveloos was. Mogelijk van een met
alcohol geïnjecteerde sinaasappel. Hoe moest je anders ongemerkt aan je
promillage komen als directrice van een
basisschool? Thea had weleens ergens opgevangen dat de geur van sterke drank
geneutraliseerd wordt in zo’n zelfgemaakt vruchtenlikeurtje. De dikke schil van
de sinaasappel en de scherpe lucht van het vruchtvlees verbloemen de
toegevoegde alcohol in het sap. Voor consumptie boor je met een schaar een
ingang in de schil; rietje erin en zuigen maar. Maar nee; dat zou toch te gek
voor woorden zijn geweest.
‘Vertel eens, jullie zijn boos’, begon Willy.
Ze sprak niet met dubbele tong. Gelukkig.
Directrice Willy praatte altijd haastig; kortaf bijna; niet staccato, maar
afgewogen, zuinig en effectief. Minder is meer en wel heel vaak. Dat principe.
Zoals afgesproken nam Bart het woord.
‘Ik vind het belachelijk hoe jullie Thea
behandeld hebben’, zei hij.
Dat snapte directrice Willy wel en ze knikte
meelevend, maar Thea greep meteen in. Niet op die toer.
‘Dat is helemaal niet aan de orde’, viel ze in,
terwijl ze nog zo van plan was geweest om nu eens niet te vervallen in
monologen.
Willy staarde Thea welwillend aan. Jade op haar
beurt zat met gesloten ogen te wachten tot ze gevild zou worden. Maar Thea vond
haar niet belangrijk genoeg. Het kwam er na een kwartier uitleg van haar kant
op neer dat zij – met alle steun van
Bart - vond dat ouders het recht hebben
om zelf te beslissen aan welke medische onderzoeken zij hun kind(eren)
onderwerpen.
‘Dit is een basisschool en geen ziekenhuis.
Medische zaken vallen - bij mijn weten – onder een ander departement’, besloot
ze.
‘Toch heeft Jade het beste voor met Walter’,
zei Willy.
‘The road to hell is
paved with good intentions.’
Dat was Bart.
‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’,
vertaalde Thea.
‘Ja, ik kan wel Engels’, beet Willy haar toe.
‘Dat valt me dan weer mee van je’, grapte Bart.
Directrice Willy lachte mondjesmaat en Jade de
I.C. durfde alweer schichtig om zich heen te kijken alsof het grootste gevaar
geweken was. Ter afsluiting kreeg Jade van Willy het vonnis om een evaluatie
van het gesprek te schrijven en de opdracht om dit soort futiliteiten voortaan
met Bart en Thea via de mail af te handelen. Jade knikte berouwvol, maar haar
verwijtende ogen stelden niet bepaald gerust tijdens het afsluitende handjes
schudden. Ze waren eerder de voorbodes van revanche.
In haar evaluatie trachtte Jade dan ook haar
gram te halen; terwijl het mailtje in werkelijkheid alleen maar de ergste
vermoedens van Thea onderschreef. Het eindverslag was een verdraaiing van de
feiten; een regelrechte leugen.
‘De ouders van Walter geven in het gesprek aan
dat zij zich ernstig zorgen maken over de ontwikkelingen van hun zoon. Zij
zeggen echter nog niet open te staan voor oriëntatie op buitenschoolse
ondersteuning ter verbetering van de leerprestaties van Walter. Wij blijven de
ontwikkelingen van Walter nauwlettend in de gaten houden.’
‘Dat geloof je toch niet!’
Thea slaakte een kreet van afgrijzen in het oor
van Bart naast wie ze eensgezind het bewuste mailtje van Jade las.
‘Laat mij nou maar reageren’, zei Bart, terwijl
hij ter bescherming van de trommelvliezen zijn oorschelp dichtdrukte.
‘Waarom nou weer’, gilde Thea hysterisch.
Het gebonk in haar linkerborst was zo
heftig dat ze bang was dat haar hart het
lichaam uit zou kloppen.
‘Ik zit hier gewoon te hyperventileren’,
overdreef Thea.
‘Snap je nou waarom ik beter meteen een reactie
terug stuur in plaats van jij!’, suste Bart niet onder de indruk.
‘Ach ja, jouw lik op stuk beleid’, sudderde
Thea weinig overtuigd maar verslagen na.
Zijn aandacht was volledig gericht op het
redigeren van de evaluatie van Jade. Hij streepte zinnen virtueel door met rode
lijnen en zijn bezwaren typte hij in een groen lettertype in de kantlijn. Zijn
verbeterde versie luidde als volgt:
‘De interne coördinatrice – Jade Joosten - van
De Wielewaal geeft aan dat zij zich zorgen maakt over de leerprestaties van
Walter. In tegenstelling tot de juffrouw (Toos) van groep 4 van onze zoon. Zij
heeft tot nu toe alleen nog maar over de vooruitgang van Walter aan ons
gerapporteerd. Vandaar dat wij ons voorlopig – nog - geen zorgen maken over
Walter. Mocht dat in de toekomst onverhoopt wel het geval zijn dan zullen wij
ons pas oriënteren op buitenschoolse ondersteuning ter verbetering van de
leerprestaties van Walter als wij het idee hebben dat vanuit het
basisschoolwezen alle mogelijkheden benut en uitgeput zijn. Mochten wij
desondanks in het belang van een vlot verloop van de komende basisschooljaren
van Walter – noodgedwongen - toch uit moeten wijken naar de medische wereld ter
verbetering van de leerprestaties van onze zoon dan doen wij dat – al dan niet
- uit vrije wil. Wij veroordelen de wijze waarop wij door de directie van De
Wielewaal onder druk en op een dwaalspoor gezet zijn (en nog worden).’
‘Nou als dit schrijven niet helpt dan weet ik
het ook niet meer’, zuchtte Thea met de moed der wanhoop.
Nog geen half uur nadat Bart zijn mailtje
verzonden had; ontving hij alweer een schrijven terug. Niet op naam van Jade of
van Willy maar van de afzender; ‘de directie van De Wielewaal’ tussen
aanhalingstekens.
‘Closing of de ranks’, voorspelde Bart.
‘Jij altijd met je Engels; je bedoelt dat de
gelederen zich sluiten, maar dat geloof ik niet. Er wordt toch niemand
aangevallen?’
Thea nam met een wonderspons de salontafel af.
Vanuit zijn relaxstoel bracht Bart zijn mobiel in veiligheid. Zijn geopende
laptop lag op schoot.
‘Jij werkt duidelijk niet met volwassenen’, zei
hij hoofdschuddend.
‘Leg uit.’
Uitgedaagd kwam Thea overeind uit haar gebogen
werkhouding. De bezoedelde wonderspons gooide ze over van haar linker in haar
rechterhand – beiden omsloten door knalgele, latex keuken handschoenen - en
weer terug.
‘Kom op Thea; wij vallen het beleid van De
Wielewaal en dan in het bijzonder Jade de I.C.
aan. We komen in opstand tegen de manier waarop zij hun plannetje voor
buitenschoolse begeleiding voor Walter aan ons op willen dringen. Wij zijn
lastig. Niet gewoon vervelend zoals de meeste ouders die met bosje rozen nog
wel te sussen zijn. Nee, echt een doorn in het oog van de interne coördinatrice
en daarmee van de directrice.’
‘Prima toch?’, vond Thea.
‘Nou, schiet op; lees met me mee’, beval Bart.
Thea ontdeed zich van de keuken handschoenen en
met de snerpende geur van bewerkt rubber aan haar 10 geboden en in haar
neusgaten, ging ze op zoek naar haar computerbril. Geduldig wachtte Bart met
het openen van het mailtje totdat Thea eindelijk weer naast hem stond. Ze
lazen:
‘Ik geloof niet dat het de bedoeling is om te
gaan strepen in een eindverslag. Volgens de vertrouwensarts – Jojanneke
Klaassen - staat de professionele mening van Jade Joosten – interne
coördinatrice van De Wielewaal – over Walter ook absoluut niet ter discussie.’
‘Wat?’
Thea snapte er echt helemaal niets meer van.
‘Wat een k-wijf die Jade’, schold Bart.
Zijn lontje was opgebrand en de bom gebarsten.
Hij voer uit tegen zijn vrouw bij gebrek aan slechter:
‘Dit antwoord is dus door Jade de interne
coördinatrice, geschreven zonder
medeweten van directrice Willy onder de noemer ‘de directie van De Wielewaal’.
Dat lijkt me duidelijk. Met Jade wil ik niets meer te maken hebben. Mocht ze
nog maar een vinger naar Walter – of Sabine – uitsteken dan gaat er een
gigantische, dikke, vette klacht naar iedereen die maar luisteren wil!’
Bart begon meteen met het intikken van zijn
repliek.
‘Waarom begint Jade in haar verdediging over
het contact tussen mij en Jojanneke de vertrouwensarts?’, vroeg Thea zich
hardop af.
Bart negeerde haar. Toch voelde Thea zich niet
onder echtelijk vuur liggen. De driftbuien van Bart liet Thea zoals zo vaak
over zich heen komen als een verfrissend onweer na een tropisch hete dag. Bart
zou vanzelf uitrazen, terwijl zij een zoektocht naar een rode draad ondernam.
Ze moest snappen wat het probleem was. Al was het alleen maar om bij de tijd te
blijven, want als Bart en zij niet alert reageerden dan kregen zij straks het
stempel van ongeschikte ouders voor Walter; de bron van alle commotie. Heimelijk
voelde Thea zich schuldig.
‘Schuldgevoel is naar binnen gekeerde
kwaadheid’, las Thea ooit eens ergens.
Geen idee waarom uitgerekend deze wijsheid was
blijven hangen. Mogelijk vanwege het hoge waarheidsgehalte, want Thea was
voornamelijk kwaad op zichzelf. Zij had zich overvallen geweten tijdens het 10
minutengesprek met juffrouw Toos van groep 4. Ze had op haar hoede moeten zijn.
Zonder vooraankondiging zat Jade de interne coördinatrice er zomaar bij. Zo’n
strakke actie had Thea van Jade kunnen verwachten. Ineens ontstond er ruzie
over een dyslectie verklaring. En nu; een gesprek met een vertrouwensarts en een
bijeenkomst met de directie van De Wielewaal later, was de leerontwikkeling van
Walter naar de achtergrond verdwenen en speelde Jade Joosten zich op als de
verloren onschuld. Thea ziet Jade de
interne coördinatrice weer fietsen naast meester Gijsbert van groep 3. Hand en
hand. Zo naïef was ze dus ook niet. Wat zou hij haar ingefluisterd hebben?
Wilde meester Gijsbert alsnog via Jade zijn gelijk halen over Walter? Misschien
had Jade wel een reden om opnieuw indruk op meester Gijsbert te maken. Was zijn
interesse in haar verlopen? Dacht ze hem terug te winnen door Walter een hak te
zetten? Was ze jaloers op Thea? Och, Thea voelde de vinnige blikken wel in haar
rug prikken nadat ze Jade in de gangen van De Wielewaal voorbij was gelopen.
‘Uiterlijk is niet belangrijk’, placht Thea dan
tegen zichzelf te zeggen, maar Jade leed kennelijk onder een
minderwaardigheidscomplex.
Mogelijk had meester Gijsbert weleens in het
bijzijn van zijn minnares – de interne coördinatrice van De Wielewaal - laten vallen dat hij Thea een mooiere vrouw
vond dan Jade. Gewoon, om haar te stangen na een robbertje seks bijvoorbeeld,
want zo geniepig schatte Thea meester Gijsbert wel in. Los van het feit dat
meester Gijsbert zelf de erotiek van een hork uitstraalde, had Thea in dat
geval willen zeggen:
‘Wat je ziet dat heb je nog niet!’
Maar Thea zou ook weleens teveel fantasie
kunnen hebben en volgens dat scenario was Jade hoogstens een sluw mens met een
beperkte hersencapaciteit en een grote wrok jegens de ouders van Walter.
Al die tijd had juffrouw Toos van groep 4 de
lippen stijf opeen gesloten gehouden. In de verbeelding van Thea pulkte ze nog
steeds onafgebroken beteuterd aan haar zakdoekbolletje. En waar bleef
Wonderwilma? De interne remedial teacher van Walter? Gepreoccupeerd verdween
zij in lege lokalen met Thea in het vooruitzicht of ze klampte tijdens een
vluchtweg andere, minder ingewikkelde ouders met zorgkinderen aan. Maar dat
deed ze ook al voor de grote ruzie over dyslectie. Thea was het spoor bijster.
‘Die fantastische Jojanneke van jou heeft zich
natuurlijk door Jade laten om lullen. Weer zo’n stomme trut’, tierde Bart.
Zijn laptop wiebelde op zijn schoot onder het
geestdriftige geklop op het toetsenbord.
‘Wat typ je nou?’, vertwijfelde Thea.
‘Ik typ dat we niets meer met Jade de interne
coördinatrice te maken willen hebben.’
‘Dreig je met een klacht anders?’
Thea hoopte van niet. Als het niet ging zoals
het moest, dan moest het maar zoals het ging, maar ze wist uit ervaring dat het
indienen van een klacht het begin van een lange adem inluidt. Officieel bezwaar
maken werkt alleen maar moeizame procedures, oeverloze gesprekken, slepende
frustraties, duurzame verzuring en nooit genoegdoening in de hand.
‘Ik dreig nooit. Misschien moet jij dat
vriendinnetje van jou – die vertrouwensarts - ook maar even aanspreken op de
schending van jouw privacy.’
‘Jojanneke?’
‘Jojanneke ja, ze zou toch altijd achter je
staan? Hoezo bespreekt zij onze problematiek dan met Jade Joosten? Hoe komt
Jojanneke erbij dat de professionaliteit van Jade Joosten in deze kwestie niet
ter discussie staat? Waar bemoeit zij zich mee? Ze is een intrigante in plaats
van een vertrouwensarts als je het mij vraagt.’
‘Misschien.’
‘Daar gaat ze weer!’
Bart had de gewoonte om tegen een afwezige,
derde persoon te praten als hij zich aan Thea ergerde.
‘Sta je in directe verbinding met God?’,
ruziede zij dan terug.
Omdat ze niet uit kon staan dat hij zomaar over
haar gevoelens heen walste. Zij was verraden door Jojanneke en niet hij. Mocht
ze dan alstublieft even in een hoekje gaan zitten huilen?
‘Nou nee, eigenlijk niet. Gewoon meteen je
mening zeggen dan heb je daarna ook geen behoefte meer om te zwelgen; wat ik je
brom.’
‘Ja, maar Jojanneke heeft toch feitelijk niks
verkeerd gedaan? Ik heb haar bemiddeling toegezegd. Ze mag toch wel met de
directie van De Wielewaal over de kwestie rond Walter praten? Ze staat
geregistreerd als de vertrouwensarts van De Wielewaal?’
Wat wilde Thea hier eigenlijk zeggen?
‘Nou zeg je het goed; Jojanneke mag met de
directie van De Wielewaal over de kwestie rond Walter praten, maar niet over
ons en wie of wat er naar onze mening ter discussie staat. Wat mij betreft
staat de professionaliteit van Jade Joosten – de interne coördinatrice – wel
degelijk ter discussie. Maar goed; als jij het niet met me eens bent; dan
niet.’
‘Ik raak telkens de tel kwijt’, bekende Thea.
‘Dat komt omdat de directie van De Wielewaal de
aandacht van het wezenlijke probleem probeert af te leiden. Zogenaamd om de
gemoederen tot bedaren te brengen. Dat wordt managers verkeerd aangeleerd op de
managementcursus. Nooit toegeven dat je fout zit, want dan ben je verkocht.’
‘Waar wordt dan mijn aandacht vanaf geleid?’
Thea zocht naar het ijkpunt in de conversatie.
De verstilde gewaarwording van puzzelstukjes die langzaam maar zeker op hun
plek vallen. Alleen Bart kon en kan haar die zekerheid geven.
‘Jouw aandacht wordt afgeleid van het feit dat
de interne coördinatrice jouw privacy geschonden heeft en jouw rechten als
moeder met voeten treedt. Alleen uit eigen belang. Niet om Walter te helpen,
maar juist om via een omweg van de zorgverzekeraar onder extra kosten voor goed
taalonderwijs aan Walter uit te kunnen komen. Zowel Jade als Willy doen niets
anders dan wijzen naar Walter en zijn zogenaamde probleem. Geen seconde zijn de
dames bereid om de hand in eigen boezem te steken. Niet eens voor de schone
schijn. Terwijl Walter in werkelijkheid geen probleem heeft en een normaal
leerproces doormaakt. Maar dat maakt niet meer uit; Jade en Willy zorgen er wel
voor dat Walter een probleem heeft en zo niet dan krijgt hij nog wel een
probleem. Desnoods zijn jij en ik de aanstichters; maar Walter heeft vanaf nu
hoe dan ook een stempel. Met of zonder dyslectie verklaring; vanaf vandaag valt
Walter in het hokje zorggeval door toedoen van Jade en Willy en met steun van
dat Jojannekemens.’
‘Je hebt gelijk’, prevelde Thea na een korte
denkpauze en een vertraagd inzicht.
De waarheidsgetrouwe schets van Bart had de
stress uit haar poriën doen vloeien. Ze werd licht in haar hoofd van de frisse
wind die ze met spierpijn in haar borstkas in ademde. De aantijgingen van Bart
werden niet minder aannemelijk door de reacties van Jojanneke die om te
beginnen pas na 4 keer tevergeefs bellen en 3 appjes te bereiken viel. Na het
accepteren van het gesprek maakte Jojanneke aan de telefoon een aanloop naar
een uitvoerig verslag van de reden van het verzaken van haar plichten als vertrouwensarts.
Omdat Thea nog steeds vond dat juist een vertrouwensarts in staat moet zijn om
privé en werk gescheiden te houden smoorde ze de karakteristieke, amicale
ontboezemingen van Jojanneke in de kiem. Natuurlijk is Thea begaan met het
ziekbed van wie dan ook, maar de sterfelijkheid van de moeder van Jojanneke had
op dat moment even niet haar prioriteit.
‘Ik dacht dat je achter me zou staan?’
‘Ik sta ook achter je’, probeerde Jojanneke
recht te praten wat krom was.
‘Walter is toch het spilletje hier en daarna
komen wij; de ouders?’
‘Jazeker.’
‘Waarom worden Bart en ik dan opeens met de
jouw inzichten over de interne coördinatrice van De Wielewaal geconfronteerd?’
‘Dit begrijp ik niet’, aarzelde Jojanneke met
trillende stem.
‘Jade beweert zwart op wit dat jij haar
bevestigd hebt in haar standpunten over Walter.’
‘Nou nog eens’, draalde Jojanneke.
Thea ademde diep in en uit alvorens ze het hoge
woord eruit gooide:
‘Jij hebt gezegd dat de professionaliteit van
Jade helemaal niet ter discussie staat.’
‘Nee, dat is toch ook zo?’
‘Wat staat er dan volgens jou wel ter
discussie?’
‘Helemaal niks toch?’
‘Heeft Jade jou dat wijsgemaakt?’
‘Nou ja, Jade was wel bang dat er veel meer aan
de hand was dan er in werkelijkheid speelt, ja’, bekende Jojanneke.
‘Nou gelukkig maar dat je Jade gerust hebt
kunnen stellen. Weer een probleempje uit de wereld geholpen. Of niet? Misschien
hoopte Jade wel dat Bart de kinderen en mij elke dag alle hoeken van het huis
in een achterstandswijk laat zien. Uiteraard na het nuttigen van een stuk of 20
pilsjes. En dat ik dat misbruik aan jou toevertrouwd zou hebben, zodat jij de
crisis dan weer aan Jade - oftewel de heilige moeder Theresa van De Wielewaal -
kon doorspelen.’
‘Thea, je draaft door!’
‘Het zou wel makkelijker geweest zijn voor
Jade. Dan had ze haar misstappen tenminste weer op kunnen laten verdwijnen in
de dwalingen van de meeste ouders die bij jou terecht komen. Zoals ze
waarschijnlijk gewend is en normaliter niet anders doet. Maar vertel eens
Jojanneke: Waarom heb ik eigenlijk m’n ongenoegen bij jou – vertrouwensarts van
De Wielewaal – neergelegd?’
Het cynisme van de uitspraken van Thea liet de
geluidsgolven van de telefoonverbinding sidderen en kraken.
‘Ja maar Jade mag toch ook haar kijk op de zaak
aan mij uitleggen?’
Thea voelde een vulkaan vanuit haar onderbuik
opborrelen. Ze greep naar haar linkerborst om de kramp, die ook weer opspeelde,
te onderdrukken.
‘Waar staat dat ‘vertrouwen’ in de titel
‘vertrouwensarts’ eigenlijk voor? Ik kan nu zonder meer een klacht tegen je
indienen en dan heb jij ook eens een probleempje helemaal voor jou alleen
Jojanneke.’
‘Ik heb mijn plichten niet verzaakt’, blufte
Jojanneke verontwaardigd.
‘Je hebt mijn problemen met Jade Joosten – de
interne coördinatrice van De Wielewaal – gebagatelliseerd. Ik mag dan wel geen
arts of jurist zijn, maar ik weet wel hoe het rechtssysteem in elkaar zit. Ik
heb het recht om serieus genomen te worden. Net zo goed als wie dan ook en
zeker als Jade.’
‘Jade is verdorie de interne coördinatrice van
De Wielewaal!’, blies Jojanneke corrigerend en met dedain.
Ze werd kwaad en dreigde uit haar rol te
vallen.
‘Voor mijn part is ze de presidente van de
Verenigde Staten. Jij hebt je door Jade laten misleiden en je hebt achter mijn
rug om met haar over mijn vertrouwelijkheden aan jou gepraat. Hoe onbenullig
Jade en jij die vertrouwelijkheden ook mogen vinden.’
Dat laatste was speculatie, maar omdat
Jojanneke niet tegensputterde, vermoedde Thea dat ze dichter bij de waarheid
zat dan ze aanvankelijk ingeschat had. Dus benadrukte ze de ernst van de
overtreding nog eens extra.
‘Dat is een kwalijke zaak.’
‘Dat ligt eraan. Mijn dochters hebben ook
weleens ruzie en dat kan ik prima bemiddelen. Mijn dochters kijken alle drie
heel verschillend tegen mij aan. Dat mag. Daar ben ik hun moeder voor’,
lispelde Jojanneke paniekerig en huilerig.
Thea kon ook wel janken van de ellende die zij
niet veroorzaakt had, maar ze besloot de verstandigste te zijn.
‘Je zit er compleet doorheen Jojanneke. Als ik
jou was dan zou ik eens een beetje afstand nemen van de problemen van anderen.
Sterkte met je moeder. En wat mij betreft? Ik bel je nog wel een keer. Jij hebt
na jouw misser met Walter nog een goedmakertje bij mij uitstaan.’
Na dit open einde volgde een lange periode van
een beladen stilte die Thea aanvloog zodra ze haar Renault voor de deur van De
Wielewaal parkeerde. Ze had zich heilig voorgenomen om de basisschool van haar
kinderen nooit meer - met ook maar één voet – te betreden. Laat staan de
speelplaats. Hier had ze zichzelf keer op keer belachelijk gemaakt. Op deze
plek was ze te kakken gezet door mensen die er een sport in zagen om anderen te
overtroeven en liefst de grond in te trappen. Haar incasseringsvermogen draaide
overuren om te voorkomen dat het kuddegedrag aan haar zou gaan vreten. Er was
geen ruimte meer om reserves op te bouwen en daardoor transformeerde De
Wielewaal in een onneembare vesting met een onzichtbare muur. In die
denkbeeldige schutting bevond zich een hersluitbare opening waarin haar
kinderen elke morgen opgingen, terwijl Thea verstard in de auto bleef zitten
navelstaren. Sabine en Walter moesten nu noodgedwongen zelf de opperouders in
de gangen van De Wielewaal trotseren. Zonder de steun van mama. Nadat de
laatste glimp van herkenning was verdwenen maakte de walging van Thea de
omheining tot een ontoegankelijke barrière. De opening was opgelost en had haar
kinderen opgeslokt. Pas tussen de middag en na schooltijd openbaarde er zich
een tijdelijke uitweg in de fictieve haag. Dan kropen Sabine en Walter weer
voetje voor voetje uit het gat in het horrorraster. Ze moesten toch op een
normale manier naar school kunnen?
Elke schooldag kwam Walter als eerste naar
buiten. Ongedeerd en in balans. Hij speelde vaak met Tim, maar maakte nog meer
hechte vriendschappen in dat jaar in groep 4 bij juffrouw Toos. Met Marcus; de
schroomvallige zoon van professor Pronken. En met Huib niet te vergeten. Huib
was in eerste instantie bevriend met Sabine en hij had een moeder die kon
toveren. Ze was naar eigen zeggen een echte heks. Thea kon dat beamen op basis
van een ervaring die ze met de moeder van Huib had gehad. De moeder van Huib
was een ware Hollandse schone. Een feminazi. Een geradicaliseerde feministe als
het ware. Een vrouwenvrouw met sproeten en een uitgeplozen bos blonde
kroeskrullen. Ze was nooit getrouwd geweest met de vader van Huib, waarmee ze
sinds kort ook niet meer samen leefde in één huis. De moeder van Huib meende de
frequentie en de duur van de speelbezoekjes van haar zoontje aan Sabine te
kunnen bepalen. Het moest altijd in het huis van Bart en Thea. Nooit bij haar.
En wat Thea betreft beter ook niet enkel in de kind-onverschillige aanwezigheid
van de vader van Huib. Telkens als deze onmiskenbare vrouwenverslinder –
inclusief lange, donkere manen, tandpasta smile en zonnebank gebruinde teint
- zijn 8jarige zoon ophaalde dan kwam de
alcoholgeur bij het openen van de voordeur Thea als eerste tegemoet. Uit
bezorgdheid had Thea weleens op het punt gestaan om zelfs Huibje niet mee te
geven met de beschonken vader in zijn dure slee.
‘Wat zou die man nou doen voor de kost?’
peinsde Thea hardop in het bijzijn van Bart.
‘Ik vermoed iets met mensen’, grapte Bart.
‘Hij is advocaat beweert Huibje, maar ik kan me
er zo weinig bij voorstellen’, vervolgde Thea.
‘Bij de advocatuur, of bij de vader van
Huibje?’
‘Bij de vader van Huibje als advocaat.’
‘Ik ‘wil’ me er niets bij voorstellen, maar een
mens ontkomt er niet aan bij de verschijning van de vader van Huibje. Neerlands
hoop in bange dagen’, schertste Bart zuchtend.
‘En dan te bedenken dat de moeder van Huibje
een echte heks is. Als we Huibje tenminste moeten geloven.’
‘Kijk, daar heb je het al.’
‘Laat los, laat gaan’, hield Thea zichzelf dus
maar voor.
Uit zelfbescherming en machteloosheid. De 2
overheersende emoties uit de basisschooltijd van haar kroost. Want uiteraard
werd Sabine niet uitgenodigd op het verjaardagsfeestje van Huibje, terwijl hij
dat wel aan haar beloofd had. En niet één keer, maar, aan de lopende band, over
een periode van 2 weken iedere dag wel zo’n 10 keer. Zo vaak dat Sabine een
mega tegenzin in het verjaardagsfeestje van Huibje ontwikkelde. Op de grote dag ontvingen 3 meisjes en 6
jongens uit de toenmalige groep 4 van Sabine
voor aanvang van de les in het klaslokaal van juffrouw Dorien wel een
officiële uitnodiging voor het feestje van Huibje. Sabine werd overgeslagen.
Hoewel Sabine al gegeten en gedronken had voordat het feestje van Huibje
überhaupt aangebroken was, deed het toch pijn om buiten een kliekje
uitverkorenen gesloten te worden. De verwarring stond op het gezicht van het 7
jarige meisje te lezen. Had zij zich niet braaf aan de instructies van haar
moeder gehouden? Op geen enkel van de circa 100 momenten dat Huibje weer begon
te zaniken over zijn aanstaande verjaardag en de grote eer die Sabine zou
toekomen doordat zij ook werd uitgenodigd, was het kleine 7jarige meisje
gillend weggerend. Nee, Sabine had de onverdeelde voorpret van Huibje keer op
keer over zich heen laten komen. Uit beleefdheid. Ze zou ook gewoon op dat
stomme partijtje van Huibje zijn komen opdagen. Dat moest Sabine van Thea. Dat
hoort bij de opvoeding. Alleen snapten moeder en dochter toen nog niet dat een
uitnodiging voor een verjaardagsfeestje op De Wielewaal geen kinderspel was.
Daar hoorde op een Wielewaalwaardige wijze voor gevochten te worden. Thea zou
wel nooit leren om zich te houden aan de spelregels van de opperouders. Temeer
daar ze geen idee had van de werking van de code, die ook op ieder willekeurig
tijdstip leek te veranderen. Ondanks het onbenul van Thea had de moeder van
Huibje de brutaliteit om op dezelfde dag van het bewuste verjaardagsfeestje nog
te bellen met de mededeling dat haar zoon de woensdag daarop met Sabine kwam
spelen. Helaas voor de moeder van Huibje trof ze niet Thea maar Bart aan de
lijn.
‘Huibje komt woensdag aanstaande bij Sabientje
spelen’, kondigde de moeder van Huibje aan.
‘Nee’, weersprak Bart.
‘Jawel hoor, Huibje komt heel vaak bij
Sabientje spelen’, hield de moeder van Huibje doodleuk vol.
‘Vanaf vandaag niet meer’, verzekerde Bart
haar.
‘Hoezo niet? Waar slaat dat op?’, wilde de
moeder van Huibje ongeduldig weten.
‘Op de verjaardag van Huib, waarop Sabine niet
is uitgenodigd’, legde Bart rustig uit.
De moeder van Huibje kon haar oren niet
geloven:
‘Ik kan toch niet de hele klas uitnodigen? Kom
op zeg!’
Bart bleef kalm:
‘Nee, niet de hele klas, maar wel Sabine. Los
van het feit dat mijn vrouw en ik al maandenlang jouw zoon bijna iedere
woensdagmiddag gratis opvangen, omdat Huib zo nodig hier thuis met onze dochter
moet afspreken van jou, bleef Huib maar zeuren over dat toekomstige partijtje
van hem. Sabine moest en zou komen. Huib heeft haar wel 100 keer gevraagd en
nou puntje bij paaltje komt krijgen een paar klasgenootjes een uitnodiging,
maar Sabine wordt buitengesloten. En dan zullen mijn vrouw en ik jouw kind verder
gratis onderdak blijven verlenen? Wij zijn wel goed, maar niet gek.’
De moeder van Huibje maakte een spottende
keelgeluid en antwoordde vanuit de hoogte:
‘Huibje kan zoveel zeggen!’
‘Ja, hij zegt ook dat jij een heks bent. Da’s
dan weer wel recht in de roos’, oordeelde Bart in dit geval terecht dus.
‘Ow, op die manier!’, snerpte de heks.
‘Precies op die manier’, besloot Bart droog.
Niet lang na zijn 8ste verjaardag
bleef Huib zitten in groep 4 en sloot hij vriendschap met Walter, Marcus en Tim
uit zijn doubleerklas. In geen geval mocht Huibje echter met Walter – het
broertje van Sabine met die lompe boer van een vader - spelen van de heks. Maar
toverkracht of niet; de 4 mannekes ontdekten het online gamen via skype na
school. Daarvoor hoefden geen van vieren het ouderlijk huis te verlaten. Ze
zijn er – met tussenpozen - tot op heden nog steeds druk mee.
HOOFDSTUK 21
Mochten kinderen in hun zesde leerjaar de
schoolopdracht tot het maken van een allereerste werkstukje krijgen dan is de
betreffende basisschool er vroeg bij. In het geval van De Wielewaal vonden de
opperouders van de combinatieklas van Jeewee dat het de reputatie van de school
alleen maar ten goede zou komen als niet alleen de gedeeltelijke groep 6, maar
ook de kinderen van de halve groep 5 meteen maar vroegtijdig met deze taak
opgezadeld werden. Uiteraard konden de opperouders op alle steun van Jeewee rekenen.
Thea vond het belachelijk dat haar dochter op 8jarige leeftijd al in staat
moest zijn om een verslag te schrijven, maar Sabine leek zich geen zorgen te
maken over de opdracht op zich. Veel problematischer was de bedoeling dat er
samengewerkt zou worden en zo kon het werkstuk bijna niet anders dan een
prestigeproject worden voor de huilmeisjes van de combigroep 5 en 6. Al 2
maanden voor de deadline was het verslag het gesprek van de dag en Sabine
verveelde zich te pletter bij haar combiklasgenootjes die de hele dag in een
competentiestrijd verwikkeld waren. Ze ontvluchtte haar combigroep nog vaker en
langer dan op gewone schooldagen. Tijdens het speelkwartier en na schooltijd
richtte ze zich volledig op haar maatjes uit de andere, onverdeelde, groep 5.
Zelfs Zarah, het enige niet gelikte meisje uit de combiklas 5 en 6, raakte
bevangen door de heersende prestatiekoorts. Ze begon sowieso pretenties te
krijgen en bevelen uit te delen aan Sabine. Samen met haar moeder Dalila had
Zarah bepaald dat het werkstuk over de verwerking van cacao zou moeten gaan en
dat Sabine daarbij de 2de stem zou vormen. Eigenlijk was Sabine meer
te vinden voor een compositie over katten, maar moeder Dalila zou een klasse
uitje naar de cacaofabriek in Zaandijk voor haar dochter Zarah kunnen regelen
via een kennisje uit de gemeenteraad. Zo gezegd als kroon op de
chocoladeresearch van de twee vriendinnen. Thea leek zo’n klassikaal uitstapje
een beetje te veel van het goede, maar ze wilde niet nog meer kwaad bloed
zetten. Ze had andere zorgen. Sinds een week of vier klaagde Sabine bijna elke
schooldag over buikpijn.
Omdat Thea zich gedeisd hield en al maanden
niet op het speelplein of in het schoolgebouw geweest was, had ze nog minder
sjoege van de lopende zaken, roddels of de positie van haar kinderen in de klas
dan voorheen. In de periode voor haar boycot kon ze de stemming om zich heen
nog peilen aan de hand van de gesprekken en reacties in de wandelgangen. Als
geen ander kan Thea overal en altijd de sfeer proeven. Of ze nou wil of niet.
Juist die eigenschap werd haar grootste struikelblok op de roerige Wielewaal. Na
haar afmars was dan ook een innerlijke rust opgetreden die haar zoveel energie
gaf dat ze zichzelf niet zo 1,2,3 terug in het hol van de leeuw zag treden. Te
meer daar Walter schijnbaar geen problemen bij juffrouw Toos gaf. Of andersom.
Dat kan natuurlijk ook. Aan juffrouw Toos had Thea te kennen gegeven dat ze
zich niet meer op de Wielewaal zou vertonen. Dringende zaken en de 10
minutengesprekken moesten voortaan maar met Bart afgehandeld worden. Het
neutrale gezicht van Juffrouw Toos betrok; hetgeen Thea afdeed met de woorden:
‘Ja, voor Bart is het ook niet leuk.’
Nu echter de werkstukperikelen van de
combigroep 5 en 6 in het maagdarmkanaal van Sabine begonnen op te spelen,
besloot Thea om toch maar weer eens een paar eerste voorzichtige pasjes in het
Wielewaalleven te zetten. Te beginnen op het speelplein. Ze werd aangestaard
door de opperouders alsof ze uit de dood herrezen was en acuut een stokje kwam
steken voor de fikse machtsverschuivingen die tijdens haar afwezigheid hadden
plaatsgevonden. Professor Pronken was het nieuwe opperhoofd. Als nooit tevoren
doemde zijn grijze kop ferm boven het klootjesvolk op het speelplein en in de
gangen van De Wielewaal op. Gelijk een baken in woelige baren gehuld in die
eeuwige legergroene bodywarmer tussen de T-shirts met politiek correcte opdruk
en hysterische tuniekjes. Professor Pronken negeerde Thea zo nadrukkelijk dat
er niet aan zijn tegenwoordigheid; zijn nieuwe houding; de volgepompte borst,
geheven kin en ongenaakbare blik te ontkomen viel. Napoleon Pronken. Ook Jeewee
drong zich weer aan Thea op met een zelfgenoegzame grijns op zijn smoelwerk.
Twee minuten daarvoor had Thea hem nog helemaal op zien gaan in zijn beroemde
speelplein voetbalspel met – voornamelijk – de jongens van groep 8 en hier en
daar een teamsport minnend meisje. Jeewee staarde Thea alleen maar narrig aan,
terwijl hij net deed alsof hij één en al oor was voor de klachten die een
oppermoeder in zijn linkeroor spuide. Om zijn lippen speelde een sarcastisch
lachje, maar zijn ogen verrieden gekwetste trots. Hij was door Thea in de steek
gelaten en nu was het te laat. Zonder het tegenwicht van haar controversiële
dagelijkse popop gedurende de werkweek, was hij inmiddels al lang en breed
bezweken voor de tirannie van de opperouders.
‘Hoe gaat het met Sabine?’, vroeg Thea
opstandig.
‘Kijk daar komt ze al’, knikte Jeewee afwezig.
Vervolgens keerde hij haar de rug toe om zich
heel overdreven in de problematiek van weer een nieuwe jonkvrouw in nood te
verdiepen. Thea beet op haar vuist om te voorkomen dat ze spontaan op hem in
zou beuken. Haar drift werd echter pas goed getemperd door het bedrukte
gezichtje van Sabine. Ze zag een beetje pips.
‘Hoe is het met je buik?’
‘Gaat wel.’
Ze wreef over haar darmstreek met het gebaar en
de gezichtsuitdrukking van een hoogzwangere vrouw en vroeg vermoeid:
‘Moeten we nog wachten op Walter?’
‘Walter is naar de speeltuin met Tim; kom op
meid; we gaan naar huis.’
Voordat Thea de hand van Sabine kon pakken,
zoefde Zarah voorbij en splitste in de gauwigheid een drietal bibliotheek
boeken in de maag van haar lotgenote. Beduusd voorkwam Sabine dat de boeken op
de tegels van het speelplein zouden glijden door ze plat op haar buik tegen te
houden.
‘Hey, wat moet dat Zarah!’, riep Thea het
voormalige vriendinnetje van Sabine na.
Zarah nam pas op plaats, aarzelde, maar besloot
toen toch maar om gehoor te geven aan de oproep van Thea door stil te blijven
staan. Pedant hief ze een vinnig kinnetje. De heldere kijkers flonkerden
arrogant in het felle zonlicht.
‘Dat zijn biebboeken over chocolade’, zei ze
plechtig.
‘Ja, en wat moeten wij ermee?’
‘Ze moeten verlengd worden.’
‘Dus?’
Uitdagend plaatste Zarah haar handen in de zij
en slaakte een diepe zucht. Ze wierp het hoofd in de nek.
‘We doen het werkstuk toch sammuh!’
‘Hoe ver zijn jullie al?’, vroeg Thea aan
Sabine.
‘We hebben nog niks’, pruilde Sabine.
‘Hoezo hebben jullie nog niks?’
De afgelopen maand hadden Zarah en Sabine elke
woensdagmiddag afgesproken om samen aan het werkstuk te werken. De ene keer bij
Sabine en de andere woensdag bij Zarah. Om en om. Thea had de meisjes geholpen
met het gieten van chocoladefiguurtjes. In een speciaal smeltoventje, dat Sabine
ooit van sinterklaas had gekregen toen hij bij oma had gereden, lukte het met
veel vijven en zessen om de chocolade min of meer op de goede temperatuur te
krijgen. Ondertussen glipten de meisjes naar de trampoline in de tuin en
vergaten het chocoladeproject. Met het nodige geklieder en ongelijkmatig
scheutig verdeelde Thea de gesmolten chocolade over de latex vormpjes. Pas
nadat de chocolade hartjes, beertjes en klavertjes vier uitgehard en eetbaar
waren lukte het Thea om de vriendinnen weer naar binnen en aan de keukentafel
te lokken. Giechelend herschikten de meisjes na iedere hap de slinkende oogst
die op een dienblad was uitgestald, terwijl Thea de keuken kuiste. Om te
voorkomen dat het tweetal zich in een recordtempo ziek zou eten, mocht Zarah de
helft van de resterende chocolade figuurtjes mee naar huis nemen. Het deel van
Sabine verdween tijdelijk in de koelkast. Thea leefde in de ijdele hoop dat het
proces leerzaam was geweest. Tegelijkertijd wist ze wel beter. Persoonlijk zag
ze ook niet zoveel verband tussen de theorie van een werkstuk over chocolade en
de praktijk van het gebruik van een speelgoed smeltoventje. Erg veel zin om nog
meer kwaliteit van haar schaarse vrije tijd met een would-be werkstuk voor
dummy’s te verdoen had Thea echter ook niet. Desondanks probeerde ze de meisjes
toch nog aan te sporen om in ieder geval een paar kernpunten op papier te
zetten en al vast een opzet te maken. Misschien kon er gegoogeld worden? De
IPads van Huiswerksterk waren beschikbaar en mochten geleend worden. Vooral
Zarah reageerde stekelig op de bemoeienissen van Thea.
‘We mogen niet googelen van Jeewee. We moeten
boeken uit de schoolbibliotheek halen.’
‘Natuurlijk mag je ook weetjes opzoeken op het
internet. Wat een onzin’, sneerde Thea die haar ergernis over de basale
kopzorgen in de combiklas 5 en 6 soms niet kon verbergen.
Zeker niet in haar eigen huis. De opperouders
van De Wielewaal waren in staat om werkelijk overal een probleem van te maken.
Zarah was Oost-Indisch doof, maar Sabine was al half overstag.
‘Maar het kan toch alle twee? We kunnen toch
boeken lenen over chocolade en ook weetjes opzoeken met google’, stelde de
schat voor.
‘Mijn moeder heeft al een brief geschreven naar
de chocoladefabriek’, antwoordde Zarah bij wijze van excuus.
Net zo min als de waarschijnlijkheid dat het
eten van chocolaatjes een praktische bijdrage zou leveren aan een verslag over
de verwerking van cacao; zou een klassikaal uitje naar een chocoladefabriek een
voor de hand liggend instrument zijn bij de succesvolle voltooiing van het
werkstuk van Sabine en Zarah. Misschien dat een uitje naar de fabriek met
alleen de makers van het werkstuk sneller rond zou zijn geweest via de vriendin
van Dalila uit de gemeenteraad? Of dan toch stukken effectiever. Waarom zou Dalila
de hele klas op sleeptouw willen nemen? Maar hey, Thea bleef stug weigeren om
een party pooper zijn.
‘Cool’, vond Sabine.
‘Mijn moeder is veel beter als de jouwne’,
stookte Zarah niet zacht genoeg voor de oren van Thea die op dat moment ook in
de huiskamer aanwezig was.
‘De jouwe’, verbeterde Sabine geërgerd.
Thea besloot het laatste woord te nemen.
‘Dan die van jou’, zei ze gelaten.
Sedertdien bleef het stil rond de brief van
Dalila aan de chocoladefabriek.
‘Ga er maar vanuit dat het klasse uitje naar de
chocoladefabriek niet doorgaat’, waarschuwde Thea verbeten.
Ze begon schreeuwende hoofdpijn te krijgen van
Dalila met haar intimidatie van kleine meisjes. Bovendien had ze haar buik vol
van het constante onderhuidse gestoef van miss moslima. Hoofd- en buikpijn.
Psychosomatische reacties in dit geval. Een vergelijkbare allergische reactie
als van Sabine eigenlijk. Uit zelfbehoud of verdediging van het ego. Zo ook de
arrogantie van Zarah die aanstalten maakte om de benen te nemen van het
speelplein. Thea hield haar overdrachtelijk tegen door Sabine ten gehore van alle
aanwezigen een essentiële vraag te stellen die Zarah ook direct aanging:
‘Dus jullie hebben nog steeds niks op papier?
Wat hebben jullie eigenlijk uitgevoerd op de woensdagen bij Zarah thuis?’
Sabine kromp ineen. Gedeeltelijk van de
buikkrampen vermoedelijk. Echter denkelijk ook van een schuldgevoel dat Thea de
laatste tijd wel vaker bij haar dochter bespeurde maar dat ze niet kon duiden.
Sabine kermde wanhopig.
‘We hebben met waterballonnen gespeeld. Adiva
had mijn nagels gelakt en we hebben met Erum door de wijk gefietst, dat heb ik
toch verteld?’
‘Ja, dat is ook helemaal niet erg, rustig
maar’, suste Thea gepikeerd.
Alsof Sabine wat te duchten had van het strenge
regime van Dalila; de moeder van een vriendinnetje nota bene.
‘Wat vindt jouw moeder hier eigenlijk van
Zarah?’
‘Hoezo?’
‘Haar moeder was werken’, bekende Sabine.
Nu pas. Thea werd overvallen door een
onbehagelijk gevoel.
‘Wie hield er dan toezicht op jullie die
afgelopen woensdagen bij Zarah thuis?’
Thea zocht met haar ogen eerst een reactie van Sabine. Toen dat antwoord uitbleef keek
ze vragend naar Zarah en weer terug. Aangespoord door de ongewenste stilte
begon Thea te gissen:
‘Was je nieuwe papa misschien thuis?’
Ze had Zarah zo bekoorlijk mogelijk benaderd,
maar het 8 jarige kind reageerde meteen als een katje dat niet zonder
handschoenen aangehaald kan worden:
‘Mijn nieuwe vader is tandarts. Hij is altijd
thuis. Hij werkt in zijn praktijk!’
‘Hij was aan het werk dus; wie was er dan
wel beschikbaar voor jullie?’
Thea begon haar geduld te verliezen en Sabine
zag de bui al hangen.
‘Adiva en Erum waren er ook’, bekende ze dus
maar snel.
‘Adiva is 11 en Erum is 10!’, riep Thea
verbijsterd uit.
‘Ma h am’, sommeerde Sabine beschaamd.
Was Thea nou zo burgerlijk of ging Dalila
gewoon te ver? Wie maakte een meisje van 11 nou een hele middag
verantwoordelijk voor 2 kinderen van 8 en nog een zusje – Erum - van 10? Burgerlijk of niet; Thea had iets te veel
voorstellingsvermogen om niet te huiveren bij de gedachte aan wat er allemaal
had kunnen gebeuren. Ze had ook niet naar de wensen van Sabine moeten luisteren
die per sé op de hoek van de laan van het nieuwe, sjieke huis van Zarah afgezet
en weer opgehaald wilde worden. Ze had mee moeten lopen. Aan moeten bellen. Ze
had de oppas moeten controleren. Natuurlijk waren de meisjes geen baby’s meer,
maar ze konden zich ook nog lang niet mondig en mobiel genoeg tegen pedofielen
of andere rare snuiters verweren. Had Zarah nou gewoon met Sabine bij haar oma
afgesproken; dan had Thea de meisjes nog in de veiligheid van de sociale
wijkcontrole rond De Wielewaal geweten. Maar Zarah woonde sinds kort met haar
zusjes en Dalila bij de tandarts in een villawijk aan de rand van de stad,
waar, behalve patiënten, overdag geen normaal volwassen mens te vinden was.
Allemaal fulltime aan het werk. Waar bleef Dalila nou met haar zedenpreken en
levenslessen?
‘Adiva en Erum helpen met het werkstuk over
chocolade. Ik heb het al bijna af! We hebben Sabine niet nodig’, snoefde Zarah
voor het oor en oog van alle aanwezigen en dan in het bijzonder van Jeewee.
‘Laat zien’, beval Thea
zo luchtig mogelijk ter verdoezeling van haar machteloosheid.
Rustig liep ze op Zarah af. Voor zichzelf
vergoelijkte ze de hoogmoed van het 8 jarige meisje met de overweging dat
opboksen tegen 2 oudere zusjes misschien vroegtijdig wat meer uitgesproken
gedrag bij een kind uitlokte. Alhoewel Dalila deze attitude van haar dochter
nooit zou goedkeuren. Laat staan dat ze in de schoenen van Thea de
brutaliteiten van vreemde kinderen zou accepteren zonder moord en brand te
schreeuwen. Zarah was regelrecht onderdanig in het blikveld van haar moeder.
Maar achter de rug van de haar oppermoeder Dalila om trok Zarah gezichten en
rolde wat met haar ogen. Dat zou lachen worden straks in de puberteit.
‘Dat is nu al dolle pret in de privésfeer,
reken maar’, had Bart weleens gespeculeerd naar aanleiding van het lijdzame
verzet van Zarah tegen haar dominante moeder.
‘Ja, duhuh, dat werkstuk heb ik thuis op de
laptop van mijn moeder staan!’
Met geaffecteerd tonggeklak rondde Zarah haar
statement af.
‘Als jij het werkstuk liever in je eentje
maakt, zonder Sabine, waarom moet Sabine dan jouw bibliotheekboeken terug
brengen?’
Zarah kon het heen en weer krijgen van Thea. Zo
klein als ze was. Jeewee begon cirkeltjes om het drietal te draaien. Misschien
had hij het nodige meegekregen over de crisis, maar voor hetzelfde geld had hij
het weer op zijn heupen en probeerde hij om lachers op zijn hand te krijgen.
Thea kon er geen zinnig woord over zeggen. Net zo min als Zarah trouwens die
met een samenzweerderig lachje in zijn richting tevergeefs steun zocht bij
Jeewee.
‘Ik ben toch verhuisd en de boeken zijn van de
schoolbieb. Ze moeten vandaag terug.’
Stellig rukte Thea de boeken uit de handen van
Sabine en duwde ze terug in de onwillige armen van Zarah.
‘Je kunt je boeken in elk filiaal in de stad
terug brengen. Dat hoeft helemaal niet in de schoolbibliotheek. Trouwens je
kunt toch zelf naar de schoolbibliotheek lopen voordat je naar huis gaat?’
Sabine keek schichtig om zich heen in de angst
dat iemand het conflict tussen Zarah en haar moeder op de voet volgde. Zo te
zien was dat niet het geval en Jeewee kon het kennelijk allemaal niets schelen.
Hij liep gewoon rondjes op het speelplein.
‘De schoolbieb is vandaag dicht mam’, siste
Sabine ter redding van haar eigen kindergezichtje.
Thea werd niet bepaald rustiger van de
disloyaliteit van haar dochter.
‘Dus moet jij maar opdraaien voor het feit dat
Zarah haar boeken anders te laat inlevert?’
‘30 eurocent boete, maar’, smaalde Zarah.
‘Kijk eens aan. Geen probleem dus Zarah?! Dan breng jij morgen fijn helemaal zelf jouw boeken terug naar de schoolbibliotheek?! Dan betaal jij morgen toch gewoon die luttele 30 eurocent boete?!’
Meer dan de trillende onderlip van Zarah had Thea niet nodig om meteen al weer spijt van haar principiële optreden te hebben. Ze vond een oplossing:
‘Maar je kunt de boeken toch ook gewoon vandaag – op tijd – bij de bibliotheek in dat overdekte winkelcentrum vlak bij jou in de buurt inleveren?’
Thea was nog niet uitgepraat of Zarah smeet de biebboeken op de tegels van het speelplein. Het leesvoer eindigde - geopend op willekeurige bladzijden - voor de voeten van Sabine die haastig in beweging kwam door te bukken om de educatie behoedzaam dicht te vouwen en te verzamelen. Met gebalde vuisten stampvoette Zarah:
‘Ami tanzazir fi alssayara’.
Of zoiets. Jeewee schoot eindelijk te hulp.
‘Haar moeder wacht op haar in de auto,’ zei hij tegen iedereen die maar luisteren wilde, behalve tegen Thea.
‘Is dat een vrije vertaling?’, wilde zij desondanks oprecht van hem weten.
‘Nee hoor’, antwoordde Sabine in plaats van Jeewee.
Ze wees naar de ingang van het schoolplein:
‘De moeder van Zarah staat daar.’’
‘Je mag niet wijzen, Sabine’, antwoordde Thea geheel terzijde.
Dalila daagde op in de poortopening van het speelplein. Superslank, klein van stuk maar majestueus door haar stilettohakken, exotisch en autoritair. Haar aura vuurde dieprode flitsen tegen een zwarte achtergrond. Dalila was niet blij en Zarah vloog op haar af als een slaafse dienares op haar meesteres. Thea had miss moslima graag even op haar verantwoordelijkheden aangesproken, maar Zarah en haar moeder hadden haast. Ook Jeewee hield zijn surveillance op het speelplein opeens voor gezien voor die dag. Thea nam de lectuur over chocolade van haar gedesillusioneerde dochter over en met een vrije arm drukte ze troostend de mollige schoudertjes van Sabine.
‘We gaan naar de centrale bibliotheek in de stad. We brengen de boeken over chocolade onder de naam van Zarah terug en we lenen een stapel leesvoer over katten’, bepaalde ze.
‘Ik heb buikpijn’, piepte Sabine.
‘Straks niet meer’, voorspelde Thea.
Bij de auto barstte Sabine in huilen uit:
‘Ik kan geen werkstuk maken. Ook niet over katten’, snotterde ze intens verdrietig.
De tranen lieten streperige sporen na op haar smoezelige bolle wangetjes.
‘Natuurlijk wel.’
Wat moest Thea anders zeggen?
‘Dat mag niet van Jeewee. We moeten samen werken van Jeewee.’
Thea bedwong zich, maar ze wilde eigenlijk zeggen:
‘Jan-Willem kan m’n rug op.’
Metaforisch bedoeld uiteraard.
‘Ik schrijf wel een mailtje aan Jeewee’, beloofde Thea.
In haar handtas vond ze papieren zakdoekjes waarmee ze Sabine de neus liet snuiten. De tranen bleven stromen en Thea zakte door haar knieën, totdat ze op ooghoogte met Sabine vastbesloten raakte om dit hardnekkige verdriet voor eens en altijd te doorgronden en daardoor de wereld uit te helpen.
‘Lieve schat je hebt laatst een laptop van papa gekregen. Je kunt inmiddels al meer kunstjes met dat ding uithalen dan ik. Je googelt gewoon wat informatie over katten en huisdierenhobby’s of weet ik veel van het internet en klaar is je werkstuk. Ik help je wel!’
‘Ik moet schrijven met de h a n d !’, snikte Sabine.
‘Ow, nou, dat kan je toch. Je kunt toch schrijven. Je zit in groep 5’.
‘Ja, maar ik kan niet m o o i schrijven’.
Sabine weende hartverscheurend. Vermetel wreef ze met haar knuistjes door haar betraande ogen.
‘Nou en, schrijven is schrijven. Dat kun je of dat kun je niet.’
In een flashback zag Thea weer het allereerste onleesbare schrijfsel van Sabine in groep 3 van juffrouw Dorien in het lokaal aan de waslijn hangen tussen al het schoonschrift.
‘Iedereen kan mooi schrijven, behalve ik’, hield Sabine verdrietig vol.
Ze haalde haar neus op.
‘We gaan gewoon een beetje oefenen en dan lukt het vanzelf.’
Sabine twijfelde. Ze hikte en snotterde nog wat na.
‘Vertrouw nou maar op je ouwe moeder’, zwoer Thea stoer; maar stiekem nam ze zich voor om voortaan niet meer voor uitwerking van het Wielewaaleffect op haar kinderen weg te lopen.
Heksen en spoken als nooit tevoren zou ze. Op het speelplein 4 maal schooldaags, met uitzondering van maar 2 keer op woensdag, en ‘s ochtends in de wandelgangen. Vanaf morgen weer. De herwonnen gemoedsrust ten spijt. De kinderen hadden haar nodig als tegengif voor de terreur van de opperouders. Een hereniging met juffrouw Toos zou ze voorkomen door Walter niet naar zijn plaats in het lokaal te begeleiden. Ze zou hem voor de deur afzetten. Ondanks het feit dat de meeste ouders en verzorgers die intense controle tot aan de schoolbanken nog steeds niet hadden losgelaten. Elke morgen. Een harde kern deed na de middagpauze het schoolgebouw zelfs nog een tweede maal per dag aan. Zou het kunnen dat deze fanatiekelingen verder niets te doen hadden de hele dag? Of troffen zij speciale regelingen met hun baas, waardoor zij - dankzij flexibele werktijden - zich niet aflatend op de basisschool van hun kinderen met de gang van zaken konden bemoeien? Hoe dan ook; op deze manier was het ook geen kunst voor Thea om onopvallend een lijfelijk contact met Jeewee uit de weg te gaan. Meester Jan-Willem werd als vanouds non-stop belaagd en in beslag genomen door wie maar zin had om hem lastig te vallen of aan te spreken. Daar kon geen Thea tussendoor. Uiteraard moest Bart wel de 10 minutengesprekken blijven doen. Zo hoefde Thea nooit meer een leerkracht van De Wielewaal in de ogen te kijken. Ze was de schok van de doorgedraaide onderwijswereld, met voortdurend corrigerende speldenprikjes en permanent de kous op kop, nog lang niet te boven. Bart was minder breekbaar. Gehard door zijn beroepservaring met volwassenen. Heel anders dan Thea die zich grotendeels met kinderen en pubers bezig hield en houdt. Privé en door Huiswerksterk. Een gesprek met meerderjarigen was voor Thea normaliter een evaluatie; een uitlaatklep. Omgekeerd zag Bart communicatie toch vooral als middel dat het doel heiligt. In dit geval het herstel van de verziekte relatie met de directie van De Wielewaal. Met als einddoel een zakelijk contact. Toch hield Bart de boot af.
‘Een lagere school is geen commercieel bedrijf dat afhankelijk is van een strakke marktwerking en gladde winst, maar voorlopig zal ik die rapportbesprekingen van je overnemen’, beloofde hij dan ook met de nadruk op ‘voorlopig’.
Maar de ouders stak Thea naar de kroon. Aan hen was zij geen dank of verantwoording verschuldigd. Sterker nog; Het ouderlijke gepush in de combiklas 5 en 6 kwam Sabine zinnebeeldig, in de vorm van de perikelen rond het werkstuk over chocolade, dusdanig de neus uit dat Thea niet anders kon dan aan de noodrem trekken. Vanwege haar recent gekweekte leerkrachtschuwheid verwoordde ze haar ongenoegen begrijpelijkerwijs duizend keer liever in een mailtje dan zich - na weer onnodig lang in de wacht gezet te worden - nogmaals in een pijnlijk rendez-vous met don Jeewee te begeven.
Naast het opgeblazen werkstuk was er namelijk nog een ander gevoelig dingetje dat Thea bij Jeewee aan de kaak wilde stellen en wel de dubbele moraal van veel ouders op De Wielewaal en in het specifieke geval dat van Dalila, de moeder van Zarah.
In de eerste lente op De Wielewaal van de 5jarige Sabine en 4jarige Walter, liet Thea haar kinderen spontaan zonder kleren in het pierenbadje van de wijkspeeltuin spetteren en spatteren. Ze was voor het eerst onvoorbereid met haar kleintjes in de grote speeltuin. Het pierenbadje was een aangename verrassing. Het was mei. Veel te heet voor de tijd van het jaar en Thea had geen badkleding bij zich. Sommige kinderen van de naschoolse opvang speelden ook in hun blootje en de toezichthouders knepen een oogje dicht en waren scheutig met zonnebrandcrème. In de beslotenheid van de speeltuin en omgeven met jongerenwerkers, ouders en verzorgers van kleine kinderen leek de enscenering volkomen onschuldig en natuurlijk. Maar zout lijkt ook sprekend op suiker en zo bleek achteraf dat er al dagen lang een onguur type in de buurt van de speeltuin rond hing in de struiken. Handen in de bioscoopzakken van zijn flodderbroek en maar loeren door de onbegroeide ruitcontouren van het Heras hekwerk naar de kleintjes in het pierenbad.
Het nieuws schudde Thea wakker. In de ware zin van het woord en ze kon 2 nachten lang de slaap niet vatten. Pas nadat ze zich had voorgenomen om nooit meer zo naïef en ondoordacht met haar kinderen in de boze buitenwereld te treden, doezelde ze de 3de nacht in een lichte koortsdroom waarbij ze Sabine kwijt was en tijdens haar zoektocht ook Walter uit het oog verloor in de speeltuin van De Wielewaal.
Toen de zomer voor de derde keer na het incident in alle hevigheid was teruggekeerd, had Bart inmiddels voor een opklapbaar zwembad in de tuin gezorgd. Op een zonovergoten woensdagmorgen belde Dalila met de vraag of haar dochter Zarah die middag mocht komen zwemmen. Ze had al met Sabine afgesproken en Dalila liet Zarah liever niet over aan de naschoolse opvang met dit mooie weer.
‘Natuurlijk kan Zarah komen zwemmen. Maar waarom vertrouw je de naschoolse opvang niet?’ vroeg Thea nieuwsgierig.
‘Nou ja ik vertrouw de naschoolse opvang wel, maar niet met dit weer.’
‘Hoezo niet?’, drong Thea nog nietsvermoedend aan.
‘Toen het een tijdje geleden ook zo zonnig was lieten ze Zarah en andere oppaskinderen gewoon in hun blootje in het pierenbadje van De Wielewaalspeeltuin spelen, terwijl er een kinderlokker rondliep. Ik vind dat gewoon onverantwoord. En dan hadden ze van de naschoolse opvang als excuus dat er ook begeleidende ouders stonden toe te kijken zonder in te grijpen. Het is maar goed dat ik niet weet wie die ouders waren!’
‘Ik weet dat nog. Ik
wat erbij’, bekende Thea met tegenzin en snel genoeg om niet terug te kunnen
krabbelen.
‘Vind jij dat
normaal?’, vroeg Dalila na een korte pijnlijke stilte uit de hoogte.
‘Achteraf gezien was
het niet slim, nee, maar het was bloedheet en we hadden geen badkleding bij
ons. Trouwens wat is normaal? En die kinderlokker liep niet rond, maar stond
verdekt opgesteld in de bosjes.’
‘Je kunt toch nadenken,
Thea?’
Thea besloot het
geheven vingertje van Dalila te ontwijken
‘Vergeet je niet om
Zarah voor vanmiddag een badpak mee te geven?’
Nou was Thea niet per
sé op wraak belust, maar door de werkstukperikelen van de laatste tijd begon ze
zich wel af te vragen waar Dalila haar kapsones op dacht te baseren.
‘Was het werken aan het
werkstuk met Zarah toch wel leuk de laatste keer dat je bij haar was?’
Thea deed haar best om
luchtig over te komen. Ze wilde Sabine niet smoren met haar overbezorgdheid. En
ze hoopte dat haar dochter in staat was om het bibliotheekboekenvoorval met
Zarah te zien voor wat het was. Een probleem van Zarah dat niets met Supersabientje
te maken had.
‘Jawel hoor. Het
waterballongevecht in het plantsoen was leuk.’
Nagenietend begon
Sabine zich weer te verkneukelen bij de herinnering aan de afgelopen
woensdagmiddag bij Zarah in de wijk. Thea was blij dat het werkstuk en daarmee
de buikpijn even vergeten werden.
‘Hebben jullie een
waterballongevecht gehouden? Je was helemaal niet meer nat toen ik je
ophaalde’, babbelde Thea met Sabine mee.
‘Zarah mag van haar
moeder haar kleren niet nat maken’, wist Sabine onlogisch.
Thea staarde haar
dochter niet begrijpend aan.
‘Het was wel warm, maar
binnen een tijdsbestek van een uur droogt geen kledingstuk op. Hoe kun je nou
een waterballongevecht houden zonder doorweekt te raken?’
‘We
hebben onze kleren uitgedaan’, legde Sabine onbekommerd uit.
‘Toen
waren jullie bloot?’
‘Ja.’
‘In
de achtertuin?’
‘Nee,
in het park.’
‘En
wie was erbij?’
‘Zarah.’
‘En
wie nog meer?’
‘Niemand.’
‘Waar
was de moeder van Zarah?’
‘Ik
weet niet. Werken denk ik. De moeder van Zarah werkt heel hard.’
Ja en toen was het
stil.
‘Waarom zeg je nou niks
meer mama?’, vroeg het 8jarige meisje ongerust.
’Ik moet even een
mailtje aan Jeewee schrijven’, bracht Thea met moeite uit.
‘Beste Jan-Willem,
Sabine zou samen met
Zarah een werkstuk over chocolade maken. De samenwerking gaat niet goed. Zodra
de meisjes hier zijn doen ze niets anders dan lol maken. Van werken aan een
werkstuk komt niets terecht en als ik Sabine daarop wijs dan begint Zarah erg bazig
en betweterig te reageren. Liever bemoei ik me dan ook niet met het huiswerk
van het tweetal, maar ik vind wel dat mijn dochter zich door Zarah laat
ondermijnen. Helaas kan ik ook niet op de huiswerkbegeleiding van Dalila (de
moeder van Zarah) rekenen, want zij laat de meisjes in haar nieuwe woning aan
de rand van de stad gewoon aan hun lot over en gaat doodleuk naar haar werk.
Buiten mijn medeweten heeft Sabine al twee woensdagmiddagen zonder volwassen
begeleiding met Zarah door de buitenwijk gestruind. Iedereen mag mij
overbezorgd vinden, maar ik acht mijn 8jarige dochter te klein om,
bijvoorbeeld, in haar nakie waterballongevechten in het plantsoen te houden.
Laat staan zonder privacy of primaire lichaamsbedekking zoals, in dit geval,
een onderbroekje. Achteraf heeft Sabine aan mij toegegeven dat Zarah en zij
woensdag jongstleden wel degelijk in Evakostuum op een grasveldje in het park
met waterballonnen gespeeld hebben. Het was warm weer. Ze besloten in hun
blootje de straat op te gaan, omdat ze de kleren droog wilden houden. Alleen
maar om te voorkomen dat Dalila - de afwezige boze moeder van Zarah – bij
thuiskomst een fit zou krijgen. Blijkt naderhand. Sinds ik op de hoogte ben
gebracht; weet ik niet waar ik het zoeken moet. Mijn razernij, veroorzaakt door
2 meisjes van 8 jaar – zonder oppas – die dachten dat streaken beter was dan
een nat pak en zo – zonder toezicht - door Jan en Alleman van straat opgepikt
hadden kunnen worden, kan ik echter onmogelijk bij Dalila droppen. Ten eerste
is ze moeilijker aan te spreken of te bereiken dan de president van de
Verenigde Staten en ten tweede weet Dalila zich, in de zeldzame gevallen dat ze wel bereid is
om mij te woord te staan, uit elke benarde situatie te redden door in de
slachtofferrol te vervallen. Dalila heeft het druk; want 3 dochters; want
gescheiden van haar Marokkaanse man; want hertrouwd met een Nederlandse
tandarts met een drukke praktijk; want net verhuisd; want zwanger van haar 4de
kind; want 2 banen (1 als ambtenaar van de gemeente en 2 als gemeente raadslid
voor de PvdA) etc, en ga zo nog maar een tijdje door. Vandaar dat ik voor mijn
gevoel niet anders kan dan de samenwerking tussen Sabine en Zarah opheffen.
Zarah heeft haar
werkstuk over chocolade sowieso bijna af. Naar eigen zeggen heeft ze de hulp
van Sabine niet nodig. En Sabine heeft op haar beurt de buik vol van chocolade.
Letterlijk en figuurlijk. Ze zou veel liever een verhaal over haar 2 katten
schetsen en ik zou het zeer op prijs stellen als ik haar bij het tot stand
komen van het werkstuk behulpzaam mag zijn. Ten eerste omdat Sabine door
toedoen van Zarah vertraging heeft opgelopen en de deadline van het werkstuk nu
wel erg kort dag is. Ten tweede omdat Sabine pas in groep 5 zit en in haar
achtste levensjaar welhaast een genie moet zijn om – net als Zarah en de rest
van de wonderkinderen uit groep 5 en 6 – in haar uppie een leesbaar verslag te
kunnen produceren. Bovendien denkt Sabine dat ze moeite heeft met schoon
schrijven. Ze leeft met het waanidee meer tijd nodig te hebben dan andere
kinderen om het verslag met de hand te noteren. Sabine is een heel slim meisje,
maar ze maakt een normale leerontwikkeling door en daar zou ik haar graag, naar
eigen inzicht en overtuiging, in willen blijven ondersteunen.
Nog dezelfde middag
ontving Thea een mailtje van Jeewee retour.
Hallo Thea,
Hartelijk bedankt voor
jouw mail en je eerlijke en duidelijke uitleg. Keurig beschreven in gedegen
algemeen beschaafd Nederlands zonder taal- en spellingsfouten. Morgen zal ik
Zarah en Sabine even apart aanspreken. Ik denk dat het een goed plan is om de samenwerking
te beëindigen. Natuurlijk vind ik het fijn dat je bereid bent om Sabine te
helpen met het werkstuk. Ook mag Sabine haar werkstuk over katten 2 weken later
dan gepland online inleveren. Sabine mag het handschrift overslaan.’
Met vriendelijke
groeten, Jan-Willem.
Die Jeewee; wat een
lieverd was hij toch ook. Dankzij zijn reactie was Sabine meteen van haar
buikpijn genezen en ze zocht opgelucht de trampoline op, terwijl Thea aan een
weerwoord werkte. Ze had Sabine weliswaar verteld dat ze het verslag over
poezen in haar uppie mocht schrijven van haar schoolmeester, maar niet dat ze
door Jeewee ontheven was van de traditionele
schrijfplicht met de hand. Terwijl het oefenen van dat onvaste
handschrift van Sabine het enige was dat gezien haar leeftijd met betrekking tot
dat pretentieuze werkstuk in groep 5 relevant was. Wat een gemakzucht toch weer
en zo typerend voor de hedendaagse docent. Enerzijds werd een kind afgerekend
op een abominabel handschrift en zelfs naar een expert gestuurd. Zoals de
kleuter Walter zomaar de fysiotherapeute Pleuni op zijn dak kreeg. Met zijn
zwakke, fijne motoriek. Dyspraxie wordt dat tegenwoordig genoemd. Dat is weer
eens wat anders dan dyslexie of dyscalculie. Met andere woorden: De 4 jarige
Walter kon nog geen knoop aannaaien en een strikdiploma was veel te hoog
gegrepen. Wat was het devies van Pleuni ook alweer geweest? Oefening baart
kunst. Oefenen, oefenen en nog eens oefenen met kleuren, tekenen, kleien,
kraaltjes rijgen, borduren en hamertje tik. Al dat gefröbel waaraan zowel Walter
als Sabine vanaf de eerste dag dat ze het levenslicht aanschouwden een
gloeiende hekel hebben gehad. Niet zo vreemd dat er in den beginne wel het één
en ander op hun handschrift aan te merken viel. Anderzijds werd Sabine door
haar meester in groep 5 van elke inspanning gevrijwaard door haar maar vooral
niet met de hand te laten schrijven ter verbetering van haar handschrift,
terwijl de rest van de klas wel een handgeschreven werkstuk diende af te
leveren. Dus in plaats van het schrijfmonster om zeep te helpen door het
gevecht met de pen aan te gaan; liet Jeewee de fantomen welig tieren door ze in
het speciale geval van Sabine te laten voortbestaan. Waarom? Omdat hij een
kindervriend wilde zijn? Thea gaf Jeewee het voordeel van de twijfel. Hij wist
vast niet beter. Voor de lieve vrede was Thea dan ook best bereid om in een
korte maar krachtige ontvangstbevestiging een toegefelijke toon aan te slaan.
Tevens zou ze Jeewee in een post scriptum te kennen geven dat Sabine haar
werkstuk wel degelijk online zou inleveren, maar dat ze de uitdraai vervolgens
ook met de hand zou overschrijven. Niet alleen het typoscript, maar ook het
manuscript zou Sabine daarna ter beoordeling aan haar schoolmeester overleggen.
‘Wat goed dat je Sabine
op deze manier wilt helpen met haar handschrift’, mailde Jeewee weer terug.
Om te voorkomen dat de
frequentie van het mailverkeer bij één van de twee betrokkenen een ongewenste
indruk zou gaan wekken, reageerde Thea maar niet meer. Jeewee zou zich weleens
onterecht vanalles kunnen gaan inbeelden. Voor zover hij dat al niet deed tenminste.
In ieder geval hield hij zich min of meer aan zijn afspraak en riep de beide
meisjes de dag erna bij zich. Wonderlijk genoeg sprak hij het tweetal niet
afzonderlijk toe. Zarah kreeg een flinke uitbrander in het bijzijn van Sabine.
De functie van de aanwezigheid van Sabine bij zijn uitbrander aan Zarah werd
niet helemaal duidelijk. Mogelijk dat het de bedoeling was dat Sabine verslag
moest doen aan haar moeder? Heb je al gehoord van de puike aanpak van Jeewee?
Wat een krachtpatser. Hoewel de plotselinge kordate aanpak van Jeewee voor het
duo niet zo goed te rijmen viel met zijn gebruikelijke, jolige manier van
optreden. Tijdens zijn donderpreek zocht Zarah zo nu en dan steun van Sabine
met een half geamuseerde en half verbaasde mimiek. Ze was niet bijster onder de
indruk van de tirade van Jeewee.
‘Ja, want haar moeder
schreeuwt elke dag veel harder naar haar’, verduidelijkte Sabine later in een
rapportage aan Thea.
Maar voor zijn doen gaf
Jeewee toch in klare Jip en Janneketaal aan het tweetal te kennen dat het
afgelopen was met de samenwerking.
‘Sabine maakt een
werkstuk over katten en jij gaat alleen verder met chocolade’, mopperde hij
bozig en een octaaf lager dan normaal specifiek tegen Zarah.
Na het vonnis stak
Sabine in naam van vriendschap dan ook maar haar hand naar Zarah uit en
opperde:
‘Goedmaken?’
‘Is goed’, gaf Zarah
voorzichtig toe.
De meester zou geen
Jeewee heten als hij dat voor zijn gevoel niet mooi had opgelost.
HOOFDSTUK 22.
Hoe leg je aan een 8 jarig meisje uit dat
katten in de loop van de eeuwen gedomesticeerd zijn? Wat zijn eeuwen? Waarom
komen katten altijd op hun pootjes terecht en hoezo hebben ze 9 levens? Waar
komen al die soorten en maten vandaan en wat is het verschil tussen een
lapjespoes en een rooie kater? Gelukkig was Thea niet voor één gat te vangen
‘Weet je wat? We maken van elke vraag een
hoofdstuk.’
‘Goed’, begon Sabine ijverig.
Aangemoedigd brainstormde Thea verder:
‘Bij elke moeilijke term; schrijf jij in je
eigen woorden mijn uitleg op.’
Sabine zat zo machtig lief met haar Stabilo
(ergonomische balpen) in de starthouding aan de keukentafel.
‘Wat is een term?’
Thea masseerde haar slapen. 10 Huiswerksterk
klanten achter elkaar op één middag vergden minder inspanning dan het bedenken
van een paar woorden voor het werkstuk van Sabine. Elke zin werd een martelgang
van een generatiekloof; van langs elkaar af praten, oeverloze uitleg en
wederzijds onbegrip. In haar afgewogen pogingen om zoveel mogelijk aan het
niveau van haar dochter tegemoet te komen, bleef Thea steeds een verkeerde toon
aan slaan.
‘Ik ben heus niet dom hoor’, gilde Sabine op de
top van haar frustratie.
‘Nee, zeg ik dat dan!’, schreeuwde Thea
hysterisch terug.
‘Niet met zoveel woorden’, zei Bart tot
overmaat van ramp.
Hij smeerde boterhammen aan het aanrecht en
stond met zijn rug naar Sabine en Thea toe.
Thea vond dat hij zich onnodig met het conflict
bemoeide.
‘Doe jij het dan als je het zo goed weet?!’
Bart was zich van geen kwaad bewust en hij
antwoordde over zijn schouder:
‘Waarom zou ik? Alleen maar om de andere ouders
van de combiklas 5 en 6 te overtreffen?! Goh; Sabine; hebben je vader en moeder
dat werkstuk helemaal zelf gemaakt?’
‘Ik probeer juist om Sabine zoveel mogelijk
zelf te laten doen,’ protesteerde Thea.
‘Doe geen moeite; ik kan niks zelf, want ik ben
zo dom toch?!’, resumeerde Sabine niet gehinderd door enige consideratie met de
goede bedoelingen van haar moeder.
Dit keer schrok Thea van de volwassen,
ironische ondertoon van de opmerking van Sabine.
‘Wat ben je toch geobsedeerd door ‘dom’ en
‘slim’, vond ze.
Bokkig gooide Sabine de Stabilo van zich af. De
pen stuiterde over de keukentafel op de grond. Onverzettelijk kruiste ze de
armen voor haar borst en mokte:
‘Jij bent pas dom mama.’
‘Stel dat je gelijk hebt, dan heb ik er zelf in
ieder zelluf geval geen last van’, grijnsde Thea.
‘Je moeder is best slim hoor; ze zegt alleen af
en toe domme dingen en raap die pen eens even op’, gebood Bart, terwijl hij over de Stabilo heenstapte op weg naar de koelkast.
‘Nou, even dan’, mokte Sabine terwijl ze de
daad bij haar woorden voegde.
Ondertussen had Thea tot 10 geteld. Ze
herstelde zich:
‘Maar nee, Sabine, even serieus. Je bent juist
hartstikke slim. Alles wat ik aan je uitleg dat snap je. Dat merk ik aan de
manier waarop je de dingen in je eigen woorden kunt na vertellen en
opschrijven. Maar het is logisch dat je niet uit jezelf weet wat bijvoorbeeld
‘gedomesticeerd’ of ‘erfelijkheid’ betekent. Dat kun je niet bedenken. Dat zijn
feitjes. Bovendien ben je gezien je leeftijd gewoon niet in staat om in je
hoofd bepaalde verbindingen te leggen die je wel nodig hebt om een samenhangend
geheel van je werkstuk te maken.’
Na dit vurige betoog keek Sabine haar moeder
onbewogen aan en antwoordde lauw:
‘De leidster van de plusgroep zegt dat de
kinderen van de plusgroep uit mijn klas wel helemaal zelf een werkstuk kunnen
maken.’
‘Wie is de leidster van de plusgroep?’
Bart vroeg het aan Thea, maar Sabine gaf
antwoord.
‘Juffrouw Jade.’
‘Nee, dat is toch de interne coördinatrice van
De Wielewaal?’, wist Thea zeker.
‘Oh, maar Jade kan zoveel; ze is hoogbegaafd
net als ‘sommige ouders’ van de kinderen van de plusgroep uit de combinatieklas
5/6 die al wel helemaal zelf een werkstuk kunnen maken. Ouders in plaats van
‘sommige kinderen’. Dat bedoelt Jade zeker, verbeterde Bart droogjes, waarna
hij Sabine een roze, plastic Hello Kittybord met daarop een boterham met
chocoladepasta voorschotelde.
‘Waar bemoeit dat Jademens zich mee?’,
pruttelde Thea verontwaardigd.
‘Ze is de leidster van de plusgroep én ze komt
weleens helpen in groep 5 en 6. We mogen haar bijvoorbeeld ook om tips en tops
vragen bij het werkstukproject.’
Aan het slot van haar lofzang voor Jade hapte Sabine voldaan in haar boterham.
Thea zweeg beledigd. Ze voelde zich teruggefloten door haar 8jarige dochter. Ze
kon moeilijk een boekje open doen over de narcistische trekjes van de interne
coördinatrice van De Wielewaal zonder Sabine te belasten met een negatief beeld
van Jade. Sabine had nog een drieënhalf jarige weg te gaan op basisschool De
Wielewaal die vermoedelijk - ook zonder besef van de vloek van Jade - al niet
zonder slag of stoot zou verlopen. Waarom de zaken in de toekomst complexer
maken dan hoogst noodzakelijk? Maar daar dacht Bart blijkbaar anders over. Hij
wendde zich tot zijn dochter en meesmuilde:
‘En dan te bedenken dat Jade zelf zo dom is dat
ik haar in staat zie om te struikelen
over draadloos internet.’
‘Jade zegt dat dom niet bestaat’, grinnikte
Sabine al minder overtuigd van haar zaak.
In haar mondhoeken plakten restjes
chocoladepasta.
‘Oh, maar dat klopt. De meeste mensen hebben
alleen een beetje meer moeite met nadenken dan ik’, snoefde Bart tijdens zijn
gang naar de huiskamer gewapend met een stapel belegde boterhammen op een rood
plastic Cars bord van Walter.
‘Sommige kinderen uit mijn klas hebben ook meer
moeite met nadenken dan ik,’ realiseerde Sabine zich vergenoegd naar aanleiding
van de egotripperij van Bart.
‘Wie zichzelf niet kietelt die lacht nooit’,
concludeerde Thea.
Ze was opgelucht dat Bart met zijn typische
humor de escalatie van een ruzie – die overigens lastig te duiden was - tussen
moeder en dochter had weten te voorkomen.
Ergens in die traagzame voorbereidingstijd van
het kattenwerkstuk werd Thea op een ochtend gebeld door Dalila; de moeder van
Zarah. Nadat Dalila zichzelf had aangemeld, viel er en stilte die Thea als
pijnlijk ervoer. Ze vreesde dat Dalila aan de telefoon hing om verhaal te halen
over het aandeel van Thea in de stukgelopen samenwerking tussen Zarah en Sabine
betreffende het werkstuk over chocolade. Onterecht zo bleek toen Dalila
eindelijk het initiatief nam en het seconden lange zwijgen verbrak:
‘Ik wilde je wat vragen?’
‘Vragen staat vrij.’
Ondanks de amicale toon van Dalila hield Thea
een slag om de arm. De vriendelijkheid kon een valstrik zijn. Bij miss moslima
moest een ieder op de tellen passen.
‘Sabine gaat niet naar de schoolopvang op De
Wielewaal tussen de middag toch?’
‘Nee’, antwoordde Thea zuinig.
‘Maar Zarah heeft al wel vaak tussen de middag
bij Sabine geluncht.’
‘Jawel’, bekende Thea en waarschijnlijk was dat
al te veel gezegd.
‘Kunnen we daar geen vaste afspraken over
maken?’
‘Waarom?’
Het hart van Thea ontnam haar wederom de vrije adem door in haar luchtpijp
repetitief aan te kloppen als een persisterende voorbode van een naderend
onheil.
‘Nou die 2 euro voor de tussen schoolse opvang,
terwijl Zarah bij jou lunchte, die krijg ik niet meer terug. Dan kan ik in het
vervolg toch beter 50 eurocent aan jou betalen en de tussen schoolse opvang
afzeggen? Dat scheelt mij ook weer klauwen met geld.’
‘Kost dat 2 euro per dag?’
‘Een weekstrippenkaart kost 7 euro; maar
normaliter betaal je voor de opvang 2 euro per kind per dag ja. En ik heb 3
meiden op De Wielewaal. Hoewel, mijn oudste, Adiva, volgend schooljaar naar de
middelbare gaat. Maar dan nog zit ik met Zarah en Erum.’
‘Dus dat geld moet je vooraf betalen en als je
een middaguurtje opvang overslaat dan krijg je het niet meer terug?’, vroeg
Thea ongelovig.
‘In zekere zin niet, want Zarah is steeds
vergeten te vermelden wanneer ze tussen de middag geen gebruik zou maken van de
opvang op school. Haar strippenkaart wordt toch gewoon iedere dag afgevinkt.
Ook als Zarah met Sabine mee naar huis gaat in de middagpauze. Ik vind dat heel
erg slecht.’
‘Ja en?’, contesteerde Thea met trillende stem,
omdat ze intuïtief aanvoelde dat Dalila niet in staat was om zonder weerwoord
de absurditeit van haar eigen irreële verwachtingspatroon in te zien.
‘Als ik nou met jou vaste opvangdata afspreek
dan kunnen Zarah en Erum toch even goed tussen de middag bij jou terecht?’
‘Nee natuurlijk niet!’, beet Thea ietwat te fel
toe.
Jammer van die onnodige uithaal, maar de kans
om haar opgekropte venijn te luchten liet ze zich niet ontnemen. Dalila schrok
er van.
‘Hoezo niet? Ik betaal je er heus wel voor. Ik
dacht zelf aan 50 eurocent per kind per dag. Dat komt dan voor jou op 4 euro
verdiensten per schoolweek. Ze nemen natuurlijk hun eigen lunch mee.’
‘In mijn Renault is slechts plaats voor 5
kinderen. Wat doe ik dan als Walter ook eens iemand mee wil nemen voor de lunch
tussen de middag?’
‘Wie is Walter?’
‘Walter is de broer van Sabine.’
‘Hoe oud?’
‘Hoezo?’
‘Zit hij ook op De Wielewaal?’
‘Ja.’
‘Ow, al die meiden en dan een jonge knul
ertussen.’
‘Dat bedoel ik. Niet leuk voor een knulletje
van 7 jaar.’
‘Ow, hij is pas zeven jaar? Maar dan nog’,
aarzelde Dalila opgelucht.
‘Wat bedoel jij dan?’
Thea hield zich bewust van de domme. Ze had
geen andere verdediging tegen zoveel agressieve preutsheid.
‘De meeste jongens hebben heus wel een fiets’,
antwoordde Dalila ontwijkend en praktisch.
Thea had Dalila niet naar haar bedoelingen
gevraagd in afwachting van een antwoord, maar om tijd te winnen. Ze kon zo snel
geen goede argumenten verzinnen om het voorstel van Dalila resoluut edoch niet
onbeleefd af te wijzen.
‘Zarah en Erum hebben toch ook een fiets?’
Linksom of rechtsom; Thea was echter hoe dan
ook niet van plan om haar vrijheid op te geven voor de grillen van een positief
gediscrimineerd, hoogzwanger carrièredrama dat op de rand van een burn-out en
aan de vooravond van een postnatale depressie stond.
‘Ja, maar ik laat Zarah niet alleen komen. En
al helemaal niet op de fiets. We zijn net verhuisd. We wonen nu op ruim een
half uur fietsen van De Wielewaal vandaan. Ik breng ze naar school voor m’n
werk en ik haal ze op na mijn werk met de auto. Trouwens het zusje van Zarah
moet tussen de middag ook ergens blijven. Of je neemt Erum erbij of je krijgt
geen van tweeën.’
‘Nou geen van tweeën dus, dag Dalila.’
‘Wacht even, je weet toch dat ik zwanger ben
van Edwin; een Nederlandse man?’
‘Ja, die beroemde tandarts, ja’, antwoordde
Thea ongeduldig.
Hoewel ze toch wel benieuwd was naar de
ontboezeming die op deze mededeling van Dalila zou volgen.
‘Ik zag je laatst staan toen je Zarah op kwam
halen bij De Wielewaal. Je bent nog zo slank als een den. Hoe ver ben je?’
‘Zestien weken, maar ik toon nooit.’
‘Jemig zeg dat wel, met 16 weken kon je mij bij
alle twee de zwangerschappen vooruit rollen’, overdreef Thea giechelend.
Dalila had geen oor voor ongein:
‘Mijn broers zijn het niet met mijn huwelijk en
de zwangerschap eens. Edwin is een Nederlander. Hij is ook nog ongelovig. Nou
ja, ik bedoel, geen moslim of zo. Nou sturen ze constant nare berichtjes naar
Zarah en Erum. Edwin en ik hebben mijn broers meteen geblokkeerd, maar daarom
voelen de meisjes zich nog niet veilig bij hun oma waar ze hun ooms nog wel
constant in het eggie tegen komen. Mijn moeder - de oma van Zarah en Erum –
woont vlak bij De Wielewaal. Natuurlijk zijn mijn meisjes nog wel welkom bij hun
oma tussen de middag. Maar nou hun ooms zo lelijk doen is een bezoekje aan oma
zonder begeleiding van Edwin of mij te veel gevraagd van die kleintjes. Jade,
de interne coördinatrice, en Jeewee zijn ook van de toestanden op de hoogte.
Zij dachten meteen aan jou. Zarah en Sabine zijn ten slotte vriendinnen. Dat is
de enige reden dat ik je bel.’
De bekonkelende klankkleur van de bekentenis
stond Thea tegen. Ze wist ook zeker dat Dalila loog over de referenties van
Jade en Jeewee. Onuitstaanbaar en manipulatief ja, maar Thea schatte de beide
leerkrachten toch professioneel genoeg in om openlijk en niet zonder
persoonlijk gewin veel te ver over de grens van de privacy van ouders en het
betamelijke te treden.
‘Hoeveel broers heb je?’
‘Twee.’
Dalila klonk gehaast alsof ze eigenlijk
verwacht had dat Thea na haar onthullingen meteen overstag zou zijn gegaan.
‘Hoe oud?’
Thea is zelf de jongste uit een gezin van 4
kinderen met 3 oudere broers.
’30 en 28, hoezo?’
‘Dus 2 volwassen mannen van 30 en 28
intimideren hun nichtjes van 8 en 10 jaar met berichtjes via de telefoon? Omdat
jij met een Nederlandse man hertrouwd bent? Dat laten je moeder en jij gewoon
gebeuren?’
‘Tsja, het is moeilijk met het islamitische
geloof; eerwraak en zo’, beweerde Dalila leukweg.
Met moeite bleef Thea serieus.
‘Ja dat ken ik wel van het katholieke geloof.
Alleen laten wij katholieke vrouwen ons in onze geloofsgemeenschap niet
wegzetten door een paar irritante macho-opneukertjes. Dat hoeven wij niet te
pikken van onze vader die in de hemel zijt. Uw naam worde geheiligd. Uw rijke
kome. Uw wil geschiedde op aarde zoals
in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld
zoals ook wij anderen hun schuld vergeven en leidt ons niet in bekoring maar
verlos ons van het kwade.’
Aan de andere kant van de lijn was te horen dat
Dalila moeilijk slikte. Thea sloot af:
‘Amen.’
‘Mijn moeder zegt er ook wat van’, beweerde
Dalila nu een tikje geïntimideerd.
‘Jij zeker niet?’, schamperde Thea.
In haar herinnering verscheen de oude vrouw in
haar fantasieloze gewaden weer op het speelplein van De Wielewaal. De gure
westen wind speelde met haar donkere hoofdtooi en zij lachte en knikte
vriendelijk. Voor elk wat wils. Haar soortgenoten begroette ze met een
wentelend tonggeluid, nog veel meer Arabisch kabaal en rode appelwangetjes.
Ondertussen had Dalila zich aan de andere zijde
van de telefoonverbinding weer hersteld en ze verklaarde hautain:
‘Mijn moeder vindt dat al haar kinderen een
eigen leven moeten leiden’.
‘Wat vooruitstrevend van haar’, prees Thea
spottend.
Dalila liet niet los:
‘Toch laat ik Erum en Zarah beter voorlopig
niet tussen de middag bij mijn moeder eten. De kans dat ze mijn broers tegen
komen is gewoon te riskant.’
‘Ik wil me nergens mee bemoeien, maar waarom
stuur je Erum en Zarah niet naar een basisschool die dichter in de buurt van de
tandartsenpraktijk van je nieuwe echtgenoot ligt?’
Dalila nam even de tijd om haar gesprekspartner woordeloos terug op de door
haar gewenste afstand te delegeren:
‘We zien wel. Ik wil graag dat je over mijn
voorstel nadenkt. Laat je op korte termijn weten wanneer Zarah en Erum welkom
zijn?’
Om een hoop opgekropte frustraties en onnodige
hoofdbrekers te voorkomen dwong Thea zichzelf om assertief te zijn. In een
flits dacht ze aan het lik op stuk beleid dat Bart altijd propageert. Meteen
reageren om slapeloze nachten te voorkomen. Een lekker leven heb je zelf in de
hand. Karma. Miss moslima was een uit de kluiten gewassen cultuurshock met een
hele riedel valse noten op haar zang.
‘Nee, ik doe het niet.’
‘Wat zeg je?’
‘Nee.’
‘En als ik er nou 25 eurocent bovenop doe. Per
kind?’
‘Nee.’
‘1 euro per kind en dat is mijn laatste
voorstel.’
‘Nee Dalila’.
‘Ja, als ik 1 euro 25 moet neertellen dan kan
ik Erum en Zarah net zo goed op de tussen schoolse opvang van De Wielewaal
laten zitten’, realiseerde Dalila zich beteuterd.
‘Doe dat dan maar’, stelde Thea lieflijk voor.
‘Hoeveel wil je hebben dan? 1 euro 50 per kind?
Vooruit.’
‘Mijn vrijheid is niet te koop. Ik wil mijn
tijd graag zelf indelen. Bovendien heb ik net als jij ook een baan en een gezin
en een huishouden en een leven. Dag Dalila.’
Nadat de verbinding verbroken was moest Thea
even bijkomen van het zojuist gevoerde gesprek. Een verlammende kwaadheid hield
haar slokdarm in een wurggreep. Ze had de keuze om Bart uit een vergadering te
bellen en haar hart uit te storten of op eigen kracht weer opstaan en haar
kroontje rechtzetten. Bart zou naar haar luisteren. Zoals zo vaak. Frequent
genoeg zelfs voor Thea om zijn steunbetuigingen te kunnen dromen. Peptalk is
equivalent aan liefkozen met woorden. Knuffelen op commando niettemin mist uitwerking.
Zeker in een tussendoor telefoontje tijdens een vergadering. Thea kon zelf ook
wel bedenken dat ze adequaat gereageerd had op Dalila. Maar de vernedering was
een ander verhaal. Alsof Thea een dienstmeid of een kinderjuf was die zich voor
een appel en een ei maar te schikken had naar de agenda van ene miss moslima.
‘Je weet zelf wel beter toch?’, zou Bart haar
kriegelig corrigeren.
‘Natuurlijk’, wist Thea zo langzamerhand
helemaal niet zo zeker meer.
In werkelijkheid zei Bart inderdaad de
waarheid. De vraag was alleen of Thea op
dat moment behoefte had aan feitelijkheden.
‘Je moet dit soort confrontaties van je
afzetten. Je hebt er alleen maar jezelf mee. Denk je nou echt dat Dalila verder
nog één gedachte aan jou vuil maakt? Ze is pisnijdig omdat ze haar zin niet
heeft kunnen doordrijven. Ze is allang weer op zoek naar een nieuw slachtoffer.
Jij hebt je niet laten piepelen. Je kunt trots op jezelf zijn. Jij hebt laten
merken wat je vindt en daar moet je het bij laten.’
‘Wat je vindt moet je naar het politiebureau
brengen’, sputterde Thea tegen omdat ze
niet wist bij wie ze anders haar gram moest halen.
‘Ja en daarna hoor je nooit meer iets van je
aangifte. De misdaad is al georganiseerd, nu de politie nog,’ monkelde Bart.
Gevolglijk borg Thea haar rancune op in het
hokje ‘miss moslima’ ergens in haar achterhoofd. Oneerlijk en net goed. Sinds
Dalila moet elke islamitische vrouw zich voor Thea 10 keer zo hard bewijzen om
haar de pedanterie van de algemeen erkende underdog te doen vergeten. Tot op
heden heeft nog geen enkele moslima de behoefte laten zien om überhaupt zelfs
maar één enkele poging te willen ondernemen om Westerse vrouwen zoals Thea
tegemoet te willen komen. Buigen komt de eer te na. Waarom zou Thea die andere
wang dan ook nog moeten aanbieden? Katholieken zijn net zo goed gelovig als
islamieten, maar gelijkerwijs niet gek.
Het werkstuk over katten kwam op tijd af.
Digitaal en met de hand geschreven door Sabine op speciaal stevig, roze
lijntjespapier met poezenkopjes in de kantlijnen. Het ontwerp had Bart de
nodige hoofdbrekers gekost, maar het
overschrijfwerk werd er voor Sabine wel een stuk uitdagender door. Haar
handschrift verbeterde zienderogen naarmate het verslag vorderde. De
illustraties en de lay-out nam Sabine eigenhandig voor haar rekening. Thea zou
niet eens geweten hebben hoe ze pagina’s in Word kon indelen of foto’s en
tekeningen van het internet zou moeten downloaden of verplaatsen naar een
document. Sabine ontpopte zich als een getalenteerd illustrator met oog voor
detail en verhoudingen. Het kind was pas 8 jaar en ze vertaalde haar creatieve
brein naar de meest uiteenlopende online toepassingen alsof ze nooit anders
gedaan had.
Aansluitend bleef het heel lang stil.
Klaarblijkelijk was de storm in de combigroep 5 en 6 op het werkstukkenfestijn
gaan liggen. Een vroege zomerzon liet in mei het felle licht al op het einde
van het schooljaar schijnen en er gold een tropenrooster. Na het middaguur werd
het al dagen aan een stuk te warm om te leren of zelfs maar te bewegen. Zonder
het voetbalspel van Jeewee met zijn volgelingen leek het blanco speelplein met grijze tegels op een
oververhitte, sidderende bakplaat. De teamleden van de naschoolse opvang wisten
niet hoe snel ze met hun groepjes overblijfkinderen naar de wijkspeeltuin
moesten vluchten voor een waterballonnengevecht. Met zomerkleren aan uiteraard.
Een jeugdwerker droeg zelfs een opgerolde tuinslang over zijn schouder. Achter
hem verscheen Sabine. Ze liep tegen het licht in op Thea af met haar pols als
een zonneklep tussen haar wenkbrauwen en drukte haar moeder een strookje papier
in de hand. Thea herinnerde zich geen
recente aankondiging voor een luizencontrole; dus een alarmbriefje kon het niet
zijn. Thea las:
‘Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’
‘Van wie is dit?’
Vanuit haar tenen voelde Thea haar onderdrukte woede jegens het team van De Wielewaal opnieuw opborrelen. Waar in het verleden toch vooral een sluimerende verzoeningsgezindheid Thea tijdens een driftbui wist te temperen; bereikte haar frustratie nu een compromisloos verzadigingspunt. Eigenlijk was geestdodend wel een afdoende simplificatie van het proces dat uiteindelijk tot die clichématige uitspraak leidde:
‘Ik word er zo moe van!’
‘Dat briefje is van Jeewee’.
De ondertoon van Sabine klonk niet best. Ze was terecht aangeslagen en boos. Het liefst was Thea meteen op de aanstichter meester Jan-Willem de verschrikkelijke afgestapt, maar Walter was inmiddels ook uit school gearriveerd en hij maande zijn moeder en zus aan om haast te maken. Hij wilde zo snel mogelijk thuis zwemmen in het opklapbare Bestway gezinszwembad dat Bart, dit jaar vroeger dan andere jaren vanwege het prille zomerweer, in de tuin had opgebouwd. Zijn vriendje Tim zou over 5 minuten door moeder Jenny bij de voordeur van het huis van Walter afgezet worden. Jenny zou haar zoon Tim gewoon voor een gesloten deur van een speeladres achter laten. Desnoods de hele woensdagmiddag als Thea niet in actie kwam. Bovendien herinnerde Thea zich ineens dat Ronnie uit de andere groep 5 ook zou komen zwemmen die middag. Sabine had hem gevraagd.
Of Ronnie voorwaar op zou komen dagen, hing eveneens van zijn moeder af. Al naar gelang de stand van haar denkbeeldige stemmingsmuts. Maud kon zich schappelijk opstellen als ze wilde, maar ze was één van de snelste meeloopmoeders die Thea van De Wielewaal kende. Maud was een soort roddelgraadmeter. Als Ronnie niet mocht komen spelen dan kon Thea er zeker van zijn dat haar nietige persoontje weer eens van top tot teen over de tong ging bij de ouders van de kinderen van De Wielewaal. Moeder Thea was terug uit de gratie. Thea had weer wat gezegd, op het verkeerde moment. Of ze had; niet gereageerd, verkeerd gekeken, of ze had iets van de opperouders aan. Of niet. Of ze was juist hot. Of te coolg. Maud er beter aan gedaan om zich te distantiëren van het roddelcircuit. Maud hoorde er toch niet bij. Haar gedweep met de consorten van De Wielewaal maakte echt geen verschil voor haar reputatie. Dat had Thea haar wel kunnen vertellen. Al was ze stinkend rijk geweest dan nog was ze niet geslepen genoeg om het schimmenspel van de incrowd te beheersen. Maud was geen controversiële vrouw of een mens met een spraakmakende uitstraling en verder viel er ook niet veel aan de moeder van Ronnie te beleven. Ze woonde niet in de opgewaardeerde kakwijk bij De Wielewaal, maar, net als Bart en Thea, elders in een gerenoveerde volkswijk met haar gezinnetje en ze was maar gewoon hulp op een kinderdagverblijf bij haar in de straat. Heimelijk had Thea medelijden met de ukjes uit dat kinderdagverblijf, want Maud was nooit van harte vriendelijk en vaak chagrijnig met een ontevreden uitdrukking die permanent in haar gezicht leek gegraveerd als in een deprimerende portretfoto. Wel was ze altijd bereid om als hulpouder in te springen bij buitenschoolse activiteiten van De Wielewaal. Dat moet gezegd. Desondanks had Maud niet alleen niets te vertellen bij de populaire papa’s en mama’s, maar was ze zelfs bij de groupies van de opperouders geen blijvertje. In het ergste geval droop ze af en wachtte in de schaduw op een hernieuwde kans om een greep naar de populariteit te doen.
Op die schaduwplek was de dochter van Thea ineens wel goed genoeg voor haar zoon. Zolang als het duurde. Maar in de schijnwerpers moest Ronnie zoveel mogelijk met de betuttelde kinderen van de ouderkliek spelen die Maud met niet aflatende moeite voor een afspraakje met haar zoon had weten om te kopen. Ze kon echter niet voorkomen dat Ronnie tijdens de speelkwartiertjes op school een zwak voor Sabine ontwikkelde en andersom. Zij het beide met de nodige reserves. Sabine omdat Ronnie op zijn moeder leek en bijgevolg een kuddedier was. Ronnie omdat hij naar voorbeeld van zijn moeder dacht dat het nodig was om zijn beste vriendinnetje Sabine naar believen af te stoten om bij de nazaten van de opperouders en hun volgelingen in de smaak te vallen
In haar hart vond Thea het vriendje van haar dochter een beetje sneu. Bij Bart en Thea thuis deed Ronnie niets liever dan make-up en verkleedtrucjes. Dan liep hij vervolgens de hele woensdagmiddag met gestifte lippen en glitter oogschaduw in een prinsessenjurk van Sabine rond. Moet kunnen natuurlijk; maar of de opperouders er ook zo over dachten bleef een vraag voor Thea en een weet voor Maud. In ieder geval nodigde de kortzichtige inborst van Maud niet uit tot een open gesprek over het onderwerp transseksualiteit. Ronnie beweerde minstens 1 keer per speelbezoek over zichzelf dat hij in een verkeerd lichaam geboren was.
‘Ik had eigenlijk een meisje moeten zijn’, placht hij, liefst in het volle ornaat van een sprookjesjurk uit de verkleedkist van Sabine en in het gehoorbereik van moeder Thea, herhaaldelijk te laten vallen.
Na verloop van zo’n stuk of 10 van die make-up - en verkleeduitspattingen bij haar thuis begon Thea in het geval van Ronnie echter te twijfelen aan het natuurverschijnsel waardoor een meisje in het lichaam van een jongen geboren wordt of vice versa. Het gedrag en daarmee de provocaties van Ronnie leken eerder op aandachttrekkerij dan op geslachtsgebonden genotsbeleving. De prinsessenjurk en de make-up veranderden niets anders dan het uiterlijk van een seksloos jongetje. Ronnie bleef zichzelf. Geen transgender, maar wel een verloren kind met een wanhopige schreeuw om affectie. Thea was zelfs nog zo gek geweest om voor Ronnie te proberen om Maud op een eerlijke, vriendschappelijke manier aan te spreken op het opvallende speelgedrag van het vriendje van haar dochter. Thea kwam niet verder dan wat prietpraat. Ze bood koffie aan. Misschien bliefde Maud een gebakje?
Dat ene roomsoesje was mogelijk al ietwat te beklemmend geweest, want na twee keer een bakkie doen op verzoek van Thea begon Maud een muur om zich heen op te trekken. Zij zat niet te wachten op een vriendelijk woord van Thea en Ronnie had Sabine heus ook niet nodig hoor. Ronnie en Sabine zaten niet – meer – bij elkaar in de klas. Sabine zat immers in de combigroep en Ronnie in de complete groep 5 alwaar hij de vriendjes volgens moeder Maud voor het uitkiezen had. Bovendien genoot Ronnie thuis de overweldigende aanwezigheid van zijn schat van een oudere zus. Happy. Wie kende Happy nou niet? Het superzusje van Ronnie dat op een schandalige wijze consequent door Maud werd voorgetrokken. Het was Happy voor, Happy na. Nou was Happy niet al te snugger. Ze zat op De Wielewaal een groep hoger dan Ronnie; in de complete groep 6 – dus niet in de splitsing 5/6 bij Jeewee -, terwijl ze al bijna 12 jaar was. Ze was hinderlijk op de voorgrond aanwezig, zodat je haar wel moest kennen of je wilde of niet en ze kon eigenlijk niet aan de potentie van haar jongere broertje Ronnie tippen. Maar wist Ronnie veel; hij leed slechts onder een dwangneurose die hem dicteerde in een meisje te moeten transformeren om net als Happy een kans te maken op de onvoorwaardelijke liefde van zijn moeder. Om dezelfde reden liet hij zijn beste vriendinnetje Sabine bij het minste of geringste stikken. Zonder zelf te snappen waarom, terwijl Sabine keek, zag, begreep, haar eigen conclusies trok en langzaam maar zeker steeds weerbaarder werd.
Thuis achter haar p.c. spuide Thea met tussenpozen haar kwaadheid in een mail aan Jeewee. De open tuindeuren achter haar zogen een doffe, tropische temperatuur de huiskamer binnen. Op de achtergrond poedelden 4 kinderen in het opklapbare zwembad in de tuin. Haar gemoed verdoofde door het gekir, gekletter en geroep tijdens de korte pauzes die Thea zichzelf vanwege de hitte wel moest gunnen, wilde ze niet ontploffen. Zolang ze achterover in haar bureaustoel wat voor zich uit mijmerde, terwijl ze loom van haar Lipton met klontjes en een rietje lurkte, leek het commentaar van Jeewee op het kattenwerkstuk een futiliteit. Zodra ze zich echter weer op de voltooiing van haar mail richtte en zich hernieuwd in de kritiek op de inspanningen van Sabine verdiepte; laaide het vuur in haar toch al gloeiende hersenpan weer op. Meteen bij thuiskomst had ze naar De Wielewaal gebeld in de hoop Jeewee aan de telefoon te krijgen. Volgens de conciërge was hij toevallig net weg.
‘Jeewee is toevallig net weg? Een kwartier nadat de kinderen vervroegd naar huis zijn in verband met een tropenrooster?’, betwijfelde Thea.
‘Ja’, antwoordde de conciërge veel te stellig en snel om het vermoeden van instructies van Jeewee bij Thea weg te nemen.
Thea vreesde dat ze niet hallucineerde. Het betrof hier wel Jeewee die normaliter praktisch op school woonde; die de tijd nam om zich met ouders te omringen en die overduidelijk energie putte uit de middelpuntvliedende kracht van het centrum van de belangstelling. Mogelijk gemaakt door opperouders en hun gehoorzame kinderen. Die gouwe vent van een Jeewee, wiens deur van het klaslokaal bij Thea’s weten nog nooit voor zessen ‘s avonds gesloten was geweest. Dezelfde Jeewee zou vandaag – een schooldag – onvoorzien in het vroege middaguur al met de noorderzon vertrokken zijn? De conciërge kon Thea nog meer vertellen. Alhoewel; Als Jeewee bang was en vluchtte voor de reacties van Bart of Thea waarom dan toch dat snoeiharde commentaar op het werkstuk over katten van een 8jarig meisje schrijven? Voor de 20ste keer vouwde Thea het verfomfaaide strookje papier uiteen, streek het glad op het bureaublad en controleerde nog maar eens voor de zekerheid of de beoordeling wel echt zo beledigend was als Thea dacht.
‘Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.
Haar furiositeit nam alleen maar toe. Des te meer omdat de kwaadheid van Sabine ook nog overdrachtelijk latent aanwezig was. Thea hoefde haar dochter maar even een blik van verstandhouding te geven of het snoetje van Sabine betrok in de verbeten stand van die morgen op het speelplein toen ze het berichtje van Jeewee net gelezen had. Omdat Thea elk moment dreigde over te koken besloot ze om deze keer Bart wel lastig te vallen met een telefoontje naar zijn werk.
‘Ik ben een noodgeval’, begon ze.
‘Dat ben je toch altijd’, vond Bart gelaten.
‘O.k., nou luister even, dan lees ik je voor wat Jeewee op het poezenwerkstuk van ons kleine meisje te zeggen had:
Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’
Nadat Thea het commentaar van Jeewee had voorgelezen nam Bart even de tijd om te antwoorden.
‘Ben je van slag of probeer je weer 2 dingen tegelijk te doen?’
Thea deed een mislukte poging om leuk te zijn.
‘Wat een zak die Jeewee.’
‘Jij vond hem aardig’, antwoordde Thea met terugwerkende kracht naar de initiële reactie van Bart op Jeewee van een paar maanden terug.
Toen had Bart de meester van zijn dochter voor de eerste keer een handje mogen geven tijdens het 2de 10 minutengesprek van het 5de schooljaar van Sabine. Zijn vrouw deed namelijk helemaal geen 10 minutengesprekken meer. Zonder aanzien des persoons. Iemand moest het doen.
‘Aardig? Nee, ik zei dat hij geen kwaad kan.’
‘Nou wel dus; ik zou m’n mensenkennis nog maar eens gaan opfrissen als ik jou was Bart.’
‘Wat een zak’, herhaalde Bart.
‘Dus ik overdrijf niet?’
‘Nee.’
‘Heeft hij die onzin met de hand geschreven?’
‘Nee, het is een uitdraai van Word, op een afgeknipt strookje.’
‘Ach dan heeft hij natuurlijk allerlei opmerkingen over verschillende werkstukken van de kindertjes onder elkaar gezet, uitgeprint en in stroken uitgeknipt. Zuinig. Met de invloedrijke bezieling van Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal natuurlijk.
‘Laten we het in vredesnaam simpel houden’, suste Thea smekend.
‘Niet in vredesnaam.’
‘Dus ik kan gewoon met m’n hatemail verder gaan?’
‘Als jij het niet doet dan doe ik het’, waarschuwde Bart grimmig.
Thea stuurde Bart een copietje van haar mailtje aan Jeewee door.
‘Beste Jan-Willem,
De beoordeling van het werkstuk van Sabine over katten vind ik beneden alle peil. Je adviseert Sabine om de volgende keer meer in haar eigen woorden te zeggen (schrijven). Suggereer je hiermee dat Sabine het werkstuk over katten niet zelf geschreven heeft? Natuurlijk heb ik haar geholpen en haar de moeilijke termen steeds uitgelegd. Overigens met jouw toestemming (zie de vorige mailwisseling). Sabine heeft mij iedere keer feedback gegeven. Daarna heeft ze helemaal zelf de zinnen geformuleerd en 2 keer op papier gezet. 1 keer getypt en geprint in Word en de 2de maal met de hand geschreven. Dat laatste – haar veel bekritiseerde handschrift - komt zelfs niet eens aan de orde in jouw commentaar. Met de plaatjes en de lay-out hebben Bart en ik haar zowaar helemaal niet geholpen. Zou Sabine misschien over bepaalde talenten kunnen beschikken waar jij geen oog voor hebt, omdat je het te druk hebt met de kinderen uit de plusgroep?
‘Je bent veel te mild’, mailde Bart terug in een reactie op de copy aan de brief naar Jeewee.
Juist toen Thea een gevat antwoord naar Bart terug wilde sturen, ontving ze al een repliek van Jeewee. Alsof hij thuis al helemaal op een boze ouderreactie was ingesteld.
‘Beste Thea,
Jammer dat jouw toon zo vijandig is. Sabine heeft een goed werkstuk gemaakt en dat heb ik haar ook laten weten. Tevens heb ik haar wat leerzame tips en tops gegeven. Ik zie niet in wat de kinderen van de plusgroep hiermee te maken hebben. Zij krijgen extra aandacht van Jade; de interne coördinatrice. Ik verdeel mijn aandacht evenredig over de 28 kinderen van groep 5 en 6.’
Bart, die nog steeds op zijn werk was, had de mail ook gelezen:
‘Laat ik me er maar weer eens even mee bemoeien’, berichtte hij; indirect refererend naar zijn eerdere interventies in het mailverkeer met directrice Willy en intern coördinatrice Jade van De Wielewaal.
Toen had de acute bemoeienis van Bart eveneens niet veel verlichting gebracht. Toch heeft ook de vader van Walter en Sabine het volste recht om zijn ontgoocheling te ventileren. Met of zonder gewenst resultaat. Althans dat vond Thea. Een kwartier later las ze wat Bart geantwoord had:
‘Beste Jan-Willem,
Jammer dat de beoordeling van het werkstuk van Sabine op ons zo kleinerend over komt. Sabine heeft het gevoel dat ze alles verkeerd gedaan heeft en dat reken ik jou aan. Jammer dat je de kinderen van de plusgroep laat bepalen wat er in groep 5 en 6 gebeurt. Jammer ook dat je geen oog hebt voor kinderen die niet constant door hun ouders naar voren worden geschoven.‘
Opnieuw kreeg Thea geen kans om te reageren. Voordat ze haar man schertsend voor een beest uit kon maken, had Jeewee had zijn online antwoord al weer klaar:
‘Geachte Bart en Thea,
Mijn commentaar is niet kleinerend bedoeld. Ik snap die vijandigheid niet. Ik wens mij niet verder te laten beledigen.’
Dit keer greep Thea naar haar mobiel om met Bart te communiceren:
‘Wat een zak’, verzuchtte hij.
‘Dat heb je nou al 3 keer gezegd’, zei Thea, terwijl ze een halve slag draaide op haar bureaustoel.
Achter haar doemde Sabine op als een glibberig zeehondje in een roze badpak. Haar paardenstaart hing druipend half stok. Rond haar blote, witte voetjes lieten de chloorwater druppels uit het zwembad pareltjes op het wafelparket na
‘Het is bijna vakantie toch?’
‘Bijna’.
‘Ronnie vraagt of ik over ben.'
‘Ja zeker volgend jaar ga je naar de combigroep 6/7.’
Aan dit antwoord had Thea verder nog willen toevoegen dat ze toevallig wel met papa aan de telefoon was; dat Sabine dat toch ook wel zelf kon zien; en dat ze het parket voorgoed bedierf door hier al chloor druppelend, want recht uit het zwembad, in de huiskamer te gaan staan wortelschieten. Voor de 3de keer die middag werd Thea echter geen gelegenheid geboden om voor zichzelf te spreken. Maar 3 maal is niet voor niks scheepsrecht. Met een scheef hoofd leegde Sabine met haar wijsvinger nog wat water uit haar rechter oor om daarna onomwonden een mededeling aan haar moeder en vader – die via de mobiel meeluisterde – te doen:
‘Ik wil volgend schooljaar naar de andere groep 6.’
HOOFDSTUK 23
Thea wendt zich tot Jasmijn. Een vreemdeling voor haar persoonlijk die ze desondanks door en door kan lezen. En andersom weet Jasmijn maar al te goed wie Thea is. Maar ze zoeken elkaar niet.
‘Ik ben niet de vijand hier, Jasmijn.’
‘Wie dan? Mijn moeder zeker of Femke? Wat kom je hier eigenlijk doen?’
De scherpe vraag stevent rechtstreeks op het hart van Thea af. Met als gevolg een dof, verdoofd gevoel door haar hele lijf. In slow motion tracht Thea het vege lijf uit het rotan kuipje te verlossen. Blindelings tast ze naast de leuning het laminaat af op zoek naar haar schoudertas.
‘Ik kom op ziekenbezoek bij Melvin.’
Haar geprevel klinkt als een schietgebedje.
‘Ach, schiet toch op oud vel!’, scheldt Jasmijn terwijl ze voorovergebogen op het bankje de verbijsterde blik van Thea ontwijkt.
Thea verheft zich en wankelt op haar benen. De felle reactie van Jasmijn heeft haar slappe knieën bezorgd. Ze onderzoekt het bewegingsloze, horizontale lijf op het luxe matras in de woonkamer van het appartement van Jasmijn. Correctie; het appartement van Melvin; hij bekostigt de huur van de flat van zijn zus met seks tegen betaling. Normaliter, maar nu dus even niet. Momenteel ligt hij gehavend en roerloos op zijn rug en heeft zijn ogen gesloten.
‘Je kunt wel iets zeggen Melvin?’, spoort Thea hem verwijtend aan.
Hij zwijgt, maar Jasmijn windt er geen doekjes om. Ze gaat er net als Thea maar even bij staan. Ineens kijkt ze haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster wel recht in de ogen. Thea ziet onzekerheid, angst en agressie.
‘Wat moet hij zeggen? Hij wil dat je oprot en ik ook.’
‘Ik ben al weg’, belooft Thea voorbarig.
‘Wat heeft Thea jou eigenlijk aangedaan, Jasmijn?’ informeert Melvin onverwacht en afvallig.
Zijn stem vult de ruimte als van een voice-over in een film. Jasmijn doet alsof ze hem niet gehoord heeft en richt zich opnieuw rechtstreeks tot Thea. Haar vuurspuwende ogen zijn veranderd in na sudderende vonkjes. Haar indirecte antwoord op de vraag van Melvin heeft een verontschuldigende naklank:
‘Je moet niet net doen of je mijn moeder bent.’
‘Je kunt veel van me zeggen, maar ik heb nooit gedaan alsof ik je moeder ben’, meesmuilt Thea.
‘Waarom wel bij Melvin, eigenlijk?’
Jasmijn zakt door haar knieën. Ze zit weer en knikt naar het rotan kuipje. Thea negeert het verzoeningsgebaar. Ze blijft liever staan. In die houding wekt ze tenminste niet de indruk dat ze op een volgende krachtterm zit te wachten.
‘Hoe kom je erbij dat ik bij Melvin ooit gedaan heb alsof ik zijn moeder ben?’
Melvin opent zijn ogen, komt half overeind op zijn gezonde arm.
‘Kun je wat kussens in mijn rug duwen Thea?’
Thea wisselt een blik van verstandhouding die Jasmijn mist omdat zij - in plaats van de oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster - Melvin wel te hulp schiet.
‘Misschien is het omgedraaid. Misschien doet Melvin wel alsof ik zijn moeder ben’, insinueert Thea, terwijl Jasmijn 3 kussens trapsgewijs achter het schouderblad van Melvin opstapelt.
Melvin nestelt zich in de ruggensteun.
‘Lekker zo? Wat zei je Thea?’
‘Wanneer ga je naar Beau? Je hebt toch een sabbatical en daarom ging je toch een half jaartje naar je moeder in Oxford?’
‘Binnenkort.’
Het vuur in Jasmijn is gedoofd. Ze reageert weer precies zo mak en afstandelijk zoals ze vroeger als kind meestal kon zijn. Met uitzondering van die plotselinge aanhaligheid naar Thea toe. De schrijnende knuffeltjes die ze bij haar surrogaat moeder kwam innen en waarvan Thea bang was dat ze verraderlijk en schadelijk voor het kleine meisje zouden zijn. Thea vermoedde dat het kind voelde dat de affiniteit van haar kinderjuf geen spontaniteit was, maar een morele verplichting. Na ruim 15 jaar heeft Jasmijn zich vandaag gerevancheerd. De bruuske afwijzing weerklink in het hoofd van Thea:
‘Hij wil dat je oprot en ik ook!’
Alsof het oude vel de rimpels en levervlekken zomaar kan strijken en gummen. Wat heeft Thea bij Melvin en Jasmijn verloren? Haar jonge jaren? Wat houdt haar tegen om gewoon weg te lopen en deze menselijke wanhoopjes aan hun ondergang over te laten? Met jaloezie op de jeugd heeft haar bemoeienis niets te maken. Juist het schamele beetje aan levenservaring dat Thea in de groei van haar jaren heeft opgedaan weerhoudt haar er van om het tweetal in de steek te laten. Zo’n overhaaste beslissing zou aan haar knagen tot aan haar laatste ademstoot. Precies daarom blijft ze hier staan graven. Voor haar geweten en zodat Jasmijn en Melvin kunnen zien dat zoiets als onvoorwaardelijke verbintenissen echt bestaan. Hiervoor moeten alle taboes en geheimen boven het grondwater uitgediept worden. En terwijl Thea daar zo aan het voeteneinde van het luxe opblaasbare matras van Melvin in de vluchthouding vanalles staat af te wegen, krijgt ze ineens een heldere ingeving. Eureka. Nu is het zaak om goed te improviseren.
‘Zeg Melvin heb jij nog iets aan die manchetknopen gehad die je toen van mij gekocht hebt?’
Melvin negeert de vraag:
‘Ik wil toch wel wat kiwi, Jasmijn.’
Opgetogen vindt Jasmijn het bakje met groenvoer op de vensterbank naast de fruitmand van Thea. Opnieuw hevelt ze tussen duim en wijsvinger een partje kiwi op tot aan de geschonden mond van Melvin. Automatisch tuit ze haar eigen volle, gestifte lippen in de waarschijnlijk onbewuste hoop dat Melvin haar voorbeeld volgt. Talmend opent hij zijn mond om het stukje kiwi op het juiste moment razendsnel naar binnen te zuigen.
‘Floep’, lacht Jasmijn.
Verbeten blijft Melvin zijn zus aanstaren, terwijl hij stroeve kaakbewegingen maakt.
‘Je weet wel die manchetknopen met klokjes?’, dringt Thea aan.
Jasmijn komt moeizaam van haar hurken en valt terug in het bankje. Zo te zien is Melvin nog wel even bezig met het verstouwen van het eerste stukje kiwi.
‘Ik heb laatst een manchetknoop van je gevonden Melvin. Verguld met een blauw uurwerk. Waar heb ik dat ding ook alweer gelaten?’, merkt Jasmijn terloops op.
Ze fronst haar wenkbrauwen en inspecteert de omgeving. Een opgestoken wijsvinger voorspelt uitsluitsel. In vier passen is Jasmijn bij een ladekastje in de hoek van het appartement. Ze diept 1 manchetknoop in een plastic zakje uit een lade en duwt het in de handen van Thea, terwijl ze weer positie inneemt naast het ziekbed van haar broer.
‘Ik heb je er toch 2 verkocht?’, vraagt Thea onnozel.
‘Ja, hèhè, manchetknopen komen altijd met z’n tweeën.’
Jasmijn, de tuttebel; draait met haar ogen en klikt met haar tong. Ineens verstard haar gezichtsuitdrukking. Het lijkt erop dat er een lampje gaat branden in het lange termijn geheugen van haar hersenen.
‘Nou weet ik weer waar dat zakje vandaan komt.’
Luidruchtig verwerkt Melvin het stukje fruit tussen zijn gebroken kaken. Of de strubbeling een afleidingsmanoeuvre is, of echt met zoveel kabaal gepaard moet gaan wordt niet helemaal duidelijk. Nadat de kiwi hap verwerkt is, laat Melvin zich vermoeid met het achterhoofd in de stapel kussens vallen. Toch luistert hij. Het is te zien aan zijn afwachtende hanghouding.
‘Hoe overleef jij het avondeten?’, wil de moeder in Thea even terzijde weten.
‘Hij heeft vloeibaar voedsel; maar hij mag al voorzichtig aan een fruithapje beginnen.’
Moeiteloos glijdt Jasmijn in de functie van arts in opleiding. Die rol past haar goed. Vragend houdt Thea haar het plastic zakje met de manchetknoop nog maar eens voor ogen. Bij wijze van herinnering.
‘Waar komt dat zakje nou vandaan?’
‘Het zat bij de kleren die Melvin op de bewuste avond droeg. Later hebben we ze teruggekregen in het ziekenhuis. In een papieren zak. Femke vroeg of ik de was wilde doen vanwege al dat bloed! De manchetknoop kreeg ik apart van Femke. Keurig gescheiden van de bloederige rest in dat plastic zakje. Het was alles wat Melvin aan sieraden bij zich droeg zeiden ze in het ziekenhuis.’
‘Wat droeg je dan Melvin? Een maatkostuum?’
De ironie ontgaat Jasmijn. Ze antwoordt voor haar broer:
‘Nee, hij droeg een T-shirt en een spijkerbroek.’
Plotseling laat Melvin van zich horen.
‘Ow, dan heb ik die manchetknopen in de kontzak
van mijn jeans laten zitten, nadat ik ze van jou, Thea, gekocht had’, verzint
hij als een volleerd leugenaar.
Hij heeft veel te snel een antwoord klaar.
Hoezo één manchetknoop?’
Jasmijn stelt de hamvraag zonder het zelf in de
gaten te hebben.’
‘Zal ik die andere wel verloren hebben’, liegt
Melvin.
‘Ik zag laatst het tweelingbroertje van deze
manchetknoop aan de armband van een leerlinge van mij. Ze droeg hem als
bedeltje.’
De woorden van Thea zijn doorspekt met cynisme.
Jasmijn probeert het ongezegde te doorgronden.
‘Nou, da’s ook toevallig. Het zijn hartstikke
unieke manchetknopen, met die klokjes en zo’, constateert ze met grote ogen van
oprechte verwondering.
‘Ja, je koopt ze niet zomaar bij de Action.
Zeker niet in een sieradendoosje. De manchetknopen zaten in een fluwelen
sieradendoosje toen jouw broer ze van mij kocht’, benadrukt Thea met de
bedoeling om Melvin in het nauw te drijven.
Melvin vat de hint, maar zijn reacties worden
er niet milder om:
‘Ja en? Dan zal het doosje wel uit mijn kontzak
geflikkerd zijn toen ik in elkaar geramd werd in het stadpark en toen zal die
leerlinge die andere manchetknoop wel ergens in de buurt van waar ik in elkaar
geslagen ben gevonden hebben.’
‘Ach wat uitzonderlijk. En dan is deze
manchetknoop uit zichzelf uit het doosje weer terug in jouw achterzak
gesprongen’, oppert Thea quasi opgetogen, terwijl ze met het plastic zakje met
maar 1 manchetknoop tussen duim en wijsvinger voor haar neus in de lucht
schommelt.
‘Wie zegt dat die manchetknoop in mijn kontzak
zat?’, bokt Melvin.
‘Jij’, antwoordt Jasmijn achterdochtig
‘Misschien lag hij wel gewoon naast mij op de
grond.’
Triomfantelijk stuurt Melvin een stroeve
knipoog richting Thea. Hij lijkt op een boze Gremlin.
Hier breekt Jasmijn op eigen initiatief in op
de zinsbegoocheling. Ze is zeker van haar zaak:
‘Nee, natuurlijk niet Melvin; je droeg die
manchetknoop bij je. Anders zou de politie dat ding heus wel in beslag genomen
hebben als belastend materiaal. Je lag voor pampus in de bosjes van het park.
We dachten dat je…’
Jasmijn neemt een slikpauze en Melvin valt
geërgerd voor haar in.
‘Jullie dachten dat ik er geweest was.’
‘Nou wij niet alleen’, getuigt Jasmijn:
‘Dus, als er een manchetknoop in de buurt van
jouw lichaam gelegen zou hebben dan zou dat sieraad toch evengoed van de dader
hebben kunnen zijn? Belangrijk bewijsmateriaal. Net als, bijvoorbeeld, jouw
verdwenen mobiel, je gestolen portemonnee of een eventueel sieradendoosje. En
daar heeft de politie ook geen melding van gemaakt. Dat ze 1 van de 3 gevonden
hebben.’
Door toedoen van Jasmijn moet Thea ineens aan
Columbo denken. Dat is die verstrooide, Amerikaanse inspecteur uit de jaren 70
die in een televisieserie op een kostelijke wijze allerlei chaotische
moordzaken oplost. Dat doet Columbo bij voorkeur door zijn verdachten te
stalken en te bestoken met vragen die de daders dan altijd veel te uitvoerig
proberen te beantwoorden om zichzelf te vrijwaren. Melvin is precies zoals zo’n
beklaagde van Columbo. Hij probeert de waarheid te verdoezelen met een
vergezochte leugen.
‘Je leest te veel detectives en je hebt teveel
vertrouwen in de politie, Jasmijn.’
Melvin sluit zijn valse getuigenis af met een
langgerekte kreun.
‘Ik wil eigenlijk wel slapen nu.’
‘Heb je al aangifte gedaan van de
mishandeling?’
‘Daar is de deur Thea’, gaapt Melvin.
‘Papa heeft de politie al 3 keer naar het
ziekenhuis gestuurd, maar Melvin wil steeds geen aangifte doen’, legt Jasmijn
vertwijfeld aan Thea uit.
‘Pim?’
‘Ja, papa ja, wat denk je nou? Dat hij de satan
is, omdat hij niet elke seconde van de dag in het leven van zijn kinderen
aanwezig is?’
Thea kiest ervoor om niet opnieuw op de post
puberale provocaties van Jasmijn in te gaan.
‘Je moet aangifte doen Melvin.’
‘Snurk, snurk’, zegt Melvin.
Hij steekt de middelvinger van de hand aan zijn
gezonde arm naar Thea op. Thea kaatst de bal terug.
‘Knor, knor, bedoel je zeker.’
‘Waar gaat dit over?’, wil Jasmijn verontrust
weten.
‘Over dat varkensvlees in de islam onrein en
verboden is; net als homoseksualiteit.’
Thea praat tegen Jasmijn, maar ze houdt
overzicht op het achterover gelegen lichaam van Melvin. Hij verbergt zijn ogen
inmiddels onder zijn ongedeerde onderarm. Bij Jasmijn begint het één en ander
te dagen. Sprakeloos zoekt ze naar antwoorden bij Thea, dan weer bij Melvin en
weer terug. Tot besluit richt ze zich tot Thea:
‘Hoe kom je erbij?’
‘Van mijn Syrische leerlinge bij
Huiswerksterk.’
‘Ik snap het niet’, zegt Jasmijn, terwijl ze
geïrriteerd met haar hoofd schudt. Ze is het niet gewend om iets niet te
bevatten. Thea heeft haar volle aandacht.
‘De Syrische leerlinge heet Moona en zij
vertelde mij dat het dragen van goud niet sunnah is voor moslims. Wel voor
moslima’s. Vrouwen mogen wel goud dragen van de profeet, maar mannen niet.
Daarentegen mogen mannen in de islam wel weer andere dingen die moslima’s niet
mogen van de profeet, maar dar gaat het nou niet over. In ieder geval was Aadam
vast heel vereerd met het feit dat zijn vriendje Melvin hun liefde wilde
bezegelen met de ene helft – dus 1 manchetknoop - van een paartje dat in wezen
onafscheidelijk is. Heel romantisch gedacht. Maar hij mocht het sieraad van de
profeet dus niet bij zich dragen. Nou mag Aadam van zijn geloof wel goud aan
een vrouw cadeau doen. Daarom schonk de Syrische Aadam de vergulde manchetknoop
aan zijn zusje Moona oftewel mijn Syrische leerlinge – inclusief hoofddoek –
bij Huiswerksterk. Bij zijn zusje zou de metafoor van de liefde tussen Aadam en
vriend Melvin gewaarborgd zijn zonder dat de zedige Moona het zelf door had.’
‘Niet sunnah?’, herhaalt Jasmijn niet
begrijpend.
‘Not done, oftewel; niet het juiste pad van de
profeet.’
Dan richt Thea zich tot Melvin en zegeviert.
‘Wist jij ook niet toch?!’
‘Heb je het haar verteld?’
Melvin praat nasaal door een verstopte neus en
klinkt alsof hij huilt. Zijn borstkas gaat zachtjes schokkend op en neer.
Melvin piept nu bij iedere ademstoot als een muisje in de val. Onhandig wrijft
Jasmijn over zijn in een sportbroek gehulde bovenbeen. Ze is snel van begrip.
Altijd al geweest.
‘Nee, ik heb het haar niet verteld. Waarom zou
ik?’, sust Thea.
Ze wacht een paar seconde om aansluitend
eindelijk het hoge woord eruit te gooien:
‘Maar jij moet wel naar de politie gaan en
aangifte doen.’
‘Nee, ik moet helemaal niets’.
Melvin vermant zich. Schrander haalt hij
zijn neus op, veegt zijn ogen droog en
komt weer wat verder overeind in de kussensteun. Lodderig staart hij Thea een
paar seconden aan.
‘En jij doet ook niets’, beveelt hij
vervolgens.
Jasmijn komt tussenbeide:
‘Begrijp ik nou goed dat jij een Syrisch
vriendje hebt?’
‘Had’, verbetert Thea.
‘Hebt’, herstelt Melvin snibbig en tegen
Jasmijn zegt hij doodleuk:
‘Hij heet Aadam.’
‘Woont hij in een AZC?’
‘Nee, hij is al 5 jaar in Nederland. Ik ken hem
van de sportschool.’
‘Ook gezellig’, vindt Jasmijn confuus.
‘En heeft Aadam de laatste tijd nog contact met
je opgenomen?’
Thea raakt opnieuw een gevoelige snaar, maar ze
moet doorbijten. Melvin kan zijn eigen kracht pas leren kennen als doorzetten
de enige keus is.
‘Ik heb een nieuwe telefoon. Mijn oude mobiel
is gejat op die avond in het stadspark weet je nog!? Of ze hebben hem in de
vijver gekwakt. Weet ik veel.’
‘Aadam kan hem dus niet onder zijn oude nummer
bereiken; dat is wat Melvin bedoelt.’
‘Ik snap wat Melvin bedoelt Jasmijn.’
‘Ik kan hem Godverdomme evengoed niet
bereiken’, vloekt Melvin vanonder zijn onderarm.
‘Misschien kan Thea wat voor je doen via dat
zusje van Aadam?’, oppert Jasmijn onder begeleiding van bemoedigende klopjes
die plaats hebben gemaakt voor haar knullige gewrijf op het bovenbeen van
Melvin.
‘Ik kan je het telefoonnummer van Moona geven,
maar het lijkt me geen goed idee om haar te bellen over haar broer Aadam!’,
antwoordt Thea, terwijl ze probeert om aan het voeteneind van het luxe matras
plaats te nemen.
Ze zit niet makkelijk. Ze zakt diep door in het
matras en ze heeft nergens steun. Het gebroken lichaam van Melvin beweegt ook
smartelijk mee met haar caperiolen. Ze zal toch even stevig moeten zitten
alvorens ze Melvin wijzer maakt. Jasmijn kijkt het gestuntel van Thea smalend
aan.
‘Pak een barkruk’, stelt ze voor.
De scheidslijn tussen de kleine huiskamer en
het open keukentje wordt gevormd door een plank van lawaaibomenhout. Een
ieniemienie keukenblokje opgeleukt met twee ranke barkrukjes die zo hoog op de
pootjes staan dat Thea met de voetjes van de vloer eindelijk zit. Nog steeds
niet comfortabel, maar ze zal waarschijnlijk toch niet meer lang welkom zijn.
‘Waarom?’, opent Jasmijn na een pijnlijke
stikte de conversatie maar weer eens.
‘Waarom wat?’
‘Waarom is het geen goed idee om Melvin te
laten bellen naar het zusje van Aadam?’
Jasmijn spreekt de naam van het vriendje van
haar broer uit alsof hij al een lid van de familie is. Teder. Beschermend.
‘Ik neem aan dat je het oude telefoonnummer
hebt aangehouden bij de aanschaf van je nieuwe mobiel, Melvin?’
Opnieuw is het een moment stil.
‘Waarom geeft hier niemand direct antwoord op
een simpele vraag?!, valt Jasmijn getergd uit.
Na deze uitroep, maant ze Melvin aan om
antwoord te geven.
‘Nou?’
‘Wat nou?’
‘Heb je nog hetzelfde mobiele nummer?’
‘Ja hoor!’
Om haar bedoeling te onderstrepen gebaart Thea
met gespreide handen haar gelijk naar Jasmijn:
‘Nou dan kan Aadam toch gewoon contact met
Melvin opnemen? Als hij zou willen, of kunnen? Niet nodig om zijn zusje te
alarmeren. Niet nodig om slapende honden wakker te maken’, licht Thea toe.
Melvin verschuilt zijn gezicht nog steeds onder
zijn bovenarm.
‘Enough’, schreeuwt de tattoo op zijn
polsslagader.
‘Heb je de daders herkent?’, vraagt Thea aan de
tattoo.
Melvin zegt niks. Geen ja. Maar ook geen nee.
‘We denken toch dat het bekenden van de
escortservice zijn’, biecht Jasmijn op.
Ze slaat een conversatietoon aan.
‘Pim en jij?’, vraagt Thea op dezelfde
toonhoogte.
‘Bink en ik’, verbetert Jasmijn.
Ze bloost.
‘Bink is okay Thea, wat je ook van hem denkt.
Hij is er voor ons. Voor Melvin en mij. Meer dan een gewone stiefoom.’
‘Meer dan een vader’, vult Melvin onvast aan.
Hij praat door zijn gebroken neus. Hij huilt.
‘Waarom help je hem dan niet uit jouw boze
droom Melvin?’
‘Hoezo mijn boze droom?’
Eindelijk komt Melvin tevoorschijn vanonder
zijn arm. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en flets. Zijn mond trilt.
‘Aadam heeft 3 broers.’
‘Ik heb niets te maken met de broers van Aadam.’
‘Als je wat weet, zeg het dan gewoon Thea’,
blaast Jasmijn vermoeid.
Thea negeert haar. Ze is er bijna. Het is toch
nog een gok om op dat moment haar vermoedens voor de voeten van Melvin te
smijten:
‘Je hebt ze herkend toch?’
‘Rot op stomme ouwehoer.’
Degene die de uitdrukking; ‘schelden doet geen
pijn’, heeft bedacht is zelf zeker nooit beschimpt. Thea kan de onbezonnen
jeugd niet meer verkroppen. Ze hoeft zich helemaal niets te laten welgevallen
door dat vervelende, etterige, rot ventje van amper 18 jaar!
‘Wat denk je dat die machomoslims met jouw
Aadam hebben uitgevoerd nadat hij jou met hulp van zijn aanstichters het
ziekenhuis in geslagen heeft?’’
‘Zeg het nou gewoon Thea’, smeekt Jasmijn.
‘Nadat Aadam zijn geliefde in opdracht van de
profeet en onder druk en met hulp van zijn broers heeft afgestraft; heeft hij
zich overzee bij zijn geloofsgenoten gevoegd alwaar hij zich voorbereid op de
heilige oorlog. Allahoe Akbar!’
Vol afgrijzen tuurt Melvin over de schouder van
Thea, langs haar wang af in het oneindige. De tranen stromen nu schaamteloos
over zijn kaken en zijn neus loopt leeg. Zijn vertrokken mond is verkrampt in
een radeloze kreet zonder geluid. Jasmijn reikt haar broer een uitgevouwen
papieren zakdoekje aan, waarin hij prompt zijn gezicht verstopt.
Een moment lang heeft Thea spijt. Moona heeft
inderdaad toegegeven dat ze Aadam moet missen, omdat hij zich tegenwoordig
fulltime toelegt op de jihad. Verder heeft ze maar wat geroepen. Giswerk. En
het feit dat Aadam eigenhandig bij de mishandeling betrokken zou zijn geweest
was een verzinsel van het ergste soort. Een speculatie om Melvin terug te
pakken met zijn nodeloze gescheld. Maar Melvin trapt in de val.
‘Hij heeft mijn leven gered’, loeit hij dof in
zijn Kleenex.
Het hart van Thea slaat een slag over.
‘Bedoel je dat Aadam de dader is?’, stamelt
Jasmijn vervuld van afschuw.
‘Niet alleen. Zonder hem hadden ze me dood
getrapt’.
‘Zonder hem zou dit allemaal niet gebeurd
zijn’, nuanceert Thea voor de goede orde.
Met een ruk laat Melvin zijn maskerade vallen
en dreigt:
‘Je houdt je bek erover dicht.’
‘Radicalisering gaat ons allemaal aan. Je hebt
een burgerplicht om dit te melden bij de vreemdelingenpolitie of weet ik veel.’
‘Als ik eraan ga dan ga jij er ook aan Thea.
Dan zal ik eens een boekje bij je leuke gezinnetje open doen over onze
ochtenden samen in jouw woonkeuken. Keer op keer en op en neer.’
Melvin heeft een donker, paars gezwollen
gezicht en hij blaast als een opgefokte stier in de arena. Hij raaskalt door de
helse pijn van de lans in zijn halsslagader. Thea is de matador. Het rode doek
is gevallen. Uit alle poriën van het lichaam van Melvin vloeit vocht. Bloed,
zweet en tranen. De laatste stuiptrekkingen van verzet.
Bij de voordeur kijkt Thea nog een keer om naar
Jasmijn die nog steeds naast het luxe matras van Melvin op de bank zit. Ze
omvat zijn hand. Hij ligt achterover en kreunt. Huilt. Kermt. Jasmijn was net 7
en bleef haar surrogaatmama roerloos staan nakijken in de deuropening van het
appartement van Pim met dezelfde half openstaande mond en die wezenloze
uitdrukking in haar ogen, waarvan Thea toen dacht dat die haar nooit meer op
een onbewaakt moment zouden kunnen overweldigen.
‘Ik ben de heilige maagd Maria niet en ik kan
de wereld niet te redden. Ik heb gedaan wat in mijn macht ligt’, besluit Thea
waarna ze de poort van de uitvlucht achter zich in het slot laat vallen.
Ze neemt de trap naar omlaag, want de lift laat
te lang op zich wachten voor de tijdelijke paranoia die haar voortjaagt uit de
irrationele angst dat Jasmijn en zelfs Melvin met al zijn gebroken botten haar
zullen blijven achtervolgen tot in de eeuwigheid. Amen. Beneden gekomen blijft
ze staan in de trappenhal met haar rug tegen de muur om op adem te komen. Ze
heeft zicht op de brievenbussen met sloten en naamplaatsjes van het
appartementencomplex. Een bewoner opent de voordeur, knikt ingetogen, controleert
zijn post met veel sleutelgerinkel en verdwijnt in de lift. Droeg de
vreemdeling nou een lange ouderwetse regenjas losjes over zijn schouders met
daaronder een 3delig pak en een stropdas? Aktetas onder de oksel geklemd. Zo
iemand draagt standaard ook ongetwijfeld twee manchetknopen; ter sluiting van
de boorden aan de mouwen van zijn overhemd. Zoals het hoort. Niet de ene
manchetknoop in de kontzak van zijn spijkerbroek als het symbool van de liefde
voor de ander die het tweede deel van het duosieraad bij zijn zusje in bewaring
geeft. Uit schaamte en
zelfverloochening. Wat een zinloze ontknoping. Met deze uitkomst is de waarheid
niet meer dan een achterhaalde realiteit. Net zo cru als een leugen. Maar wat
had Thea dan verwacht? Dat Melvin het licht zou zien? En uit welke hoek zou de
wind dan moeten waaien naar inschatting van Thea? Niet uit de extreem
Islamitische hoek in ieder geval. Voor je het wist vecht Melvin ook in de
heilige oorlog. Zoals Aadam. De jihad als bliksemafleider of als
heropvoedingsstrategie. Of een zelfmoordpoging. Voor Aadam, niet voor Melvin,
want hij heeft vandaag juist onbedoeld de eerste stap naar een doorbraak gezet
door zijn demonen te trotseren. En nee, ze zijn niet bezweken, maar Melvin ook
niet. Hij ademt nog, ergert zich aan Jasmijn, haat zijn vader en zijn moeder en
kan Thea wel schieten. Hij is er nog, met zeeën van tijd om zijn immuunsysteem
te voeden met weerstand en flexibiliteit. Met yin en yang; de dingen die elkaar
aanvullen; het evenwicht of de balans. Hoe zweverig ook; Thea gelooft in de
kracht van de zelfredzaamheid. Ook bij haar eigen kinderen. En dat zijn wel de
laatste twee mensen op aarde die ze aan hun lot over zou laten.
Toch was Thea niet in staat om Sabine direct op
haar wenken te bedienen toen ze aangaf dat ze in het nieuwe schooljaar het
liefst in de andere groep 6 zou beginnen. Niet dat Bart en Thea aan de
oprechtheid van hun dochter twijfelden; maar ze wisten zo goed als zeker dat de
rest van De Wielwaalwereld dat wel zou doen. Want zijn kinderen niet net zo
veranderlijk als het weer in Nederland? Wel als je de waard moet geloven die
zijn gasten meet met de eigen oogkleppen. Getuige de vijandige beoordeling van
het kattenwerkstuk door Jeewee. Hij vond ontegensprekelijk niet dat Sabine het
overgrote deel van het resultaat op haar naam mocht schrijven. Of Jade de
interne coördinatrice van De Wielewaal vond van niet; of een overrompelde
opperouder die zich illegaal met het werkstukkenproject bemoeid had was
kritisch geweest. Professor Pronken bijvoorbeeld die zijn dochter Allagonda en
haar volgelingen uit groep 6 - en zelfs
uit 5 - van de combiklas met veel ruchtbaarheid van heel dichtbij begeleid had.
En als er iemand werkstukken naar waarde in kon schatten dan was het professor
Pronken – hoofd emeritus van de geschiedenisfaculteit van de plaatselijke
universiteit - wel uiteraard. Daar kon geen weldenkend mens, zoals Bart of
Thea, of een onderwijzer zonder lef van De Wielewaal, tegenop. Gevolglijk dat
een werkstuk over katten, op eigen initiatief van de 8jarige Sabine, niet
onbesmeurd door de keuring van de hoogleraar heen kwam. De kinderwerkstukken
die bejubeld werden gingen allemaal over de Romeinse tijd. De specialisatie van
professor Pronken. Het dagelijkse leven in de Romeinse tijd, de rechtspraak in
de Romeinse tijd, de kleding in de Romeinse tijd; de goden uit de Romeinse
tijd; de keizers uit de Romeinse tijd; het politieke stelsel in de Romeinse
tijd. Professor Pronken had zelfs al eens een hele morgen in de combigroep 5 en
6 langdradig verteld over dit alles en nog veel meer over de Romeinse tijd. Een
jaar later zou hij precies hetzelfde lesje in de groep van zijn jongere zoon
Marcus en diens klasgenoot Walter afdraaien. Dat was tevens de eerste keer van
een onvermijdelijke reeks botsingen tussen Walter en de vader van zijn
vriendje. Tijdens de primeur, in groep 5 dus, kreeg Walter stevig op zijn lazer
van de professor. De hele klas was onder de indruk. Zelfs Walter. Toch
weerhield de uitbrander het jongetje er voortaan Goddank niet van om zijn
mening te blijven zeggen en vragen te blijven stellen. Hoezeer de lijpe
professor zich ook door het toen achtjarige kind geprovoceerd bleef voelen in
de loop van de Wielewaaljaren. Zozeer dat professor Pronken tot in groep 8 met
Walter het conflict bleef aangaan. Schandalig; maar afgezien daarvan niet de
moeite van het riskeren van een chronisch verhoogde bloeddruk waard. En zoals
Walter vanwege zijn persoonlijkheid niet kon stoppen met hardop kritisch zijn,
zou Sabine zich na het gediskwalificeerde kattenwerkstuk opnieuw blijven
bewijzen. Misschien niet voor professor Pronken en zijn beperkingen, maar wel
voor de rest van de wereld.
Voor zijn zelfvertrouwen zat Walter voorlopig goed bij juffrouw Toos. Sabine was
een ander geval. Sabine was misschien dan wel ‘leuk’ om erbij te hebben – om
met Jeewee te spreken - dat betekende niet automatisch dat het meisje zich op
haar gemak voelde tussen de oververtegenwoordigde deugneusjes in de combiklas
5/6. Ze was en zou nooit een teer poppetje worden dat bij elk hobbeltje op haar
levensweg de uitvlucht van de tranen koos en dat thuis nog wat extra schoolopdrachten
ter hand nam om haar faalangst te bekrachtigen. Sabientje was niet neurotisch;
maar ze kweekte wel een gloeiende aversie tegen de truttigheid waarmee de
huilmeisjes uit de combigroep 5 en 6 haar nu al bijna een schooljaar lang
omgaven.
‘Als je echt naar de andere groep wilt volgend
schooljaar, dan moet dat zelf aan meester Jan-Willem vragen. Durf je dat?’
Thea kon het antwoord zelf geven. Ze wist dat
de kleine Sabine het voortouw kon en zou nemen. Het kind had pit genoeg. Al
vanaf haar geboortedag zette ze regelmatig ‘eigen initiatief’ in om het
zichzelf zo makkelijker en aangenaam mogelijk te maken. De weg van de minste
weerstand was en is daarbij haar tweede natuur. Vandaar ook de verwijtende
wedervraag die Thea had kunnen voorspellen.
‘Waarom loop je niet met me mee?’
‘Omdat Jeewee denkt dat papa en ik willen dat
jij volgend jaar naar de andere groep 6 gaat en niet jij zelf.’
‘Maar ik wil het zelf en Marga mag ook.’
‘Wie is Marga. Ik ken geen Marga.’
‘Marga zit nou nog in de hele groep 5. Bij
Ronnie en de anderen. Ze haalt alleen maar uitmuntend. Ze mag volgend
schooljaar naar groep 7. Ze mag een jaar overslaan. Ze komt nu alvast kijken in
de combiklas 5 en 6.’
‘Ach ja; da’s waar ook; de combigroep is een de
verzamelklas voor hoogbegaafde kinderen met een paar alibi’s. Dus dan komt die
Marga nogal wiedes na de grote vakantie in de combinatieklas 6 en 7. Zo’n
slimme meid kan natuurlijk niet in een gewone groep 6 of 7 blijven zitten. En
in de combiklas gaat iedereen over natuurlijk!’
‘Nee, hoor Jamie en Edin blijven zitten in
groep 5.’
‘Nee maar. Dan zijn Jamie en Edin dus de
alibi’s!’
Thea deed alsof ze van haar stoel viel van
verbazing. Jammer alleen dat Sabine allang niet meer ontvankelijk was voor de
acteerprestaties van haar moeder. Ze liet zich niet van haar à propos brengen
en maakte van de losse gelegenheid gebruik om zich op de inhoud van de
snoeptrommel te concentreren, terwijl ze vroeg:
‘Wat zijn alibi’s?’
‘Alibi’s zijn een soort sorry’s. Geen snoepjes
dus, maar het bewijs dat groep 5/6 helemaal niet zo hoogbegaafd is als ze
willen doen voorkomen.’
Sabine zette haar tanden in een reepje trekdrop
dat ze roekeloos verslond. Het tweede reepje hield ze pal voor haar mond in de
wacht, terwijl ze eerst sprak:
‘Jamie en Edin komen volgend jaar bij Walter in
de klas. En Marga gaat na de vakantie niet naar groep 6 waar ze eigenlijk
hoort, maar naar groep 7 van de combiklas.’
‘En toen verzon jij dat jij dat vrij gekomen
plekje in de homogene groep 6 mooi kunt bezetten volgend schooljaar?’
Thea was ontroerd door de vindingrijkheid van
haar dochtertje.
‘Homogene?’
‘Complete.’
‘Ja, want Marga gaat toch naar de combigroep?’,
bevestigde Sabine zelfvoldaan.
‘Krijgt de combigroep 6/7 eigenlijk volgend
jaar ook Jeewee als meester?’
Smikkelend en smakkend haalde Sabine haar
schouders op en groepeerde een handje vol kleurige gummieberen voor zich op de
keukentafel.
‘Iedereen zeurt erover. Iedereen uit de groepen
5 en 6. En alle papa’s en mama’s bij de deur van de klas ‘s morgens.’
Een combinatie van kunstmatige geurstoffen in
de snoepadem van Sabine walmde Thea tegemoet.
‘Wat zegt Jeewee zelf dan?’
‘Dat het een verrassing is wie volgend jaar de
meester of juffrouw van groep 6 en 7 wordt.’
Al kauwend liet Sabine achter elkaar een stuk
of 5 gummieberen in haar mond verdwijnen.
‘En wie wordt dan volgend jaar de meester of
juffrouw van de homogene groep 6?’
‘Juffrouw Dorien’, smakte Sabine stellig in
haar geurwolk van synthetisch snoep.
‘Alweer; het is wel juffrouw Dorien voor en na.
In groep 3 en 4 en nu ook al bijna in groep 6’, antwoordde Thea plagerig.
‘Is niet erg.’
Sabine trok gekke bekken om achtergebleven
stukjes gelei van haar kiezen te manoeuvreren. Haar wijsvingertje hielp een
handje.
‘Nou dat lijkt me dan een uitgemaakte zaak’,
lachte Thea, terwijl ze haar geraffineerde kleine meisje innig tegen zich aan
drukte.
Aan het doortastende optreden van Sabine kan
het niet gelegen hebben dat Thea zich na een week afvroeg of ze misschien toch
niet te hard van stapel gelopen was met haar ‘uitgemaakte zaak’. Ze hoopte dat
het beladen stilzwijgen uit het Wielewaalkamp geïnterpreteerd kon worden als
een denkpauze voor iedereen die zich beroepshalve in het welbevinden van Sabine
behoorde te verdiepen. Die bemoeienis vroeg wellicht om de nodige tijd voor
alle ego’s om eens flink over de pretentieloze wens van een klein kind heen te
urineren. De enige die in deze kwestie tot snelle actie overging was de 8jarige
Sabine. Amper 24 uur na haar besluit liet ze haar meester onomwonden en met
alle steun van haar vader en moeder weten dat ze na de zomervakantie liever
naar de andere groep 6 wilde.
‘Nou dan moeten je vader en moeder maar even
een afspraakje met Jade de interne coördinatrice regelen.’
Dat was alles wat Jeewee te missen had gehad.
Alsof het verzoek van een 8jarig kind om van klas te wisselen de normaalste
zaak van de wereld was.
‘Hoort hij de noodkreet van het kind dan
niet?!’, riep Thea theatraal uit.
‘Welke noodkreet?’, vroeg Bart argeloos.
‘Ach kom op Bart; je gaat me toch niet
vertellen dat Sabine met haar verzoek om naar een andere groep overgeplaatst te
worden geen unicum is?!’
‘Jeewee zal wel gedacht hebben; ‘één keer moet
de eerste keer zijn’, merkte Bart droog op.
‘Volgens mij denkt Jeewee niet zoveel. Anders
zou hij toch wel willen weten wat hier speelt.’
‘Jeewee weet allang wat er speelt.’
‘O, ja? Als Jeewee dan zo goed weet wat er
speelt volgens jou. Waarom zegt hij dan tegen Sabine dat wij contact op moeten
nemen met Jade? Wij leven in onmin met Jade weet je nog?!’, stelde Thea
demonstratief.
‘Jeewee kan natuurlijk niet weten dat wij niets
meer met Jade te maken willen hebben. En Jade is wel de interne coördinatrice.’
‘Natuurlijk weet hij dat wel. Zo groot is De
Wielewaal nou ook weer niet’, protesteerde Thea onwennig.
Normaliter was Bart de persoon met de meest
vooropgestelde meningen van de twee gesprekspartners.
‘Wat doet dat er nou toe? Misschien heb je wel
gelijk, maar laten we ons niet verliezen in bijzaken. Wat kan zo’n meester nou
anders doen dan een kind doorverwijzen naar zijn superieur als het naar hem
toekomt met de vermelding dat het volgend jaar naar de andere groep 6 wil? Hoe
zuiver zijn de motieven van het kind? Misschien projecteert Sabine onze wensen
wel op haar verzoek om overgeplaatst te worden. Direct of indirect. Vergeet
niet dat Jeewee het prototype van een angsthaas is.’
‘Een angsthaas is niet erg; maar Jeewee is een
kwiep. En natuurlijk handelt Sabine onder invloed van ons. Wij zijn haar
ouders. Jeewee is toch zo’n goede onderwijzer?
Een goede onderwijzer hoeft niet alle kinderen uit zijn klas van a tot z
te doorgronden, maar geen leerling uit zijn groep mag een absolute vreemde voor
hem zijn. Hij kent Sabine toch? Hij had escalatie kunnen voorzien. En niet
omdat ze niet mee kan komen met de gepolijste kinderen uit de combiklas, maar
vanwege de constante druk van de opperouders op hun kinderen en daarmee op de
groepsdynamiek die Jeewee daardoor weer niet in bedwang kan houden.’
‘Hoe kan hij nou iets overzien wat hij zelf
niet onder controle heeft? Hij heeft nog meer last van de opperouders dan
Sabine, dat weet ik dan weer voor jou. Op een schaal van 1 tot 10 is die Jeewee
een 5. Geen vlees; geen vis. Neutraal en daar is ook wat voor te zeggen. Dan
valt nooit echt iets tegen. Of mee.’
‘Je bent nogal te spreken over mijn aanbidder’,
snerpte Thea beledigd.
‘Dat komt omdat we onze voorliefde voor jou
delen’, meesmuilde Bart
‘Daar houdt dan ook elke overeenkomst mee op’,
griezelde Thea.
Nog dezelfde dag stuurde ze een berichtje naar
directrice Willy:
Beste Willy,
Sabine (groep 5) heeft vandaag alweer meer dan een week geleden aan haar meester (Jan-Willem) te kennen gegeven dat ze na de zomervakantie in de andere groep 6 (dus niet de combiklas 6/7) geplaatst wil worden. U kunt alle gewenste informatie die u nodig heeft om tot een weloverwogen besluit te komen bij meester Jan-Willem inwinnen. In afwachting van uw inwilliging verblijven wij, met vriendelijke groeten.’
Reacties
Een reactie posten