Kinderspel deel 1: Zwartwit.

HOOFDSTUK 1

 

De twee pubers van Thea zijn de deur nog niet uit of Melvin staat alweer voor haar neus. Hij wringt zich achter haar langs door de geopende poort de tuin in en glipt via de keukendeur naar binnen. Rustig sluit Thea de poort achter zich en volgt Melvin naar haar keuken waar hij een pak melk van de ontbijttafel aan zijn mond zet. Een seconde blijft Thea roerloos staan en staart gebiologeerd naar de adamsappel van Melvin die ritmisch met zijn gulzige slokken mee beweegt. Melvin laat de laatste druppel uit de kartonnen verpakking op zijn uitgestoken tong vallen en veegt vervolgens de lippen af met de rug van zijn hand. Aan de binnenkant van zijn pols doorkruist een verse, ingevette tatoeage zijn slagader in de vorm van een woord. Thea houdt het hoofd schuin en leest:

‘Enough’.

Melvin knipoogt naar Thea en strijkt met zijn vrije hand door zijn blonde kuif. Met de andere hand knijpt hij het melkpak tot een vormeloze hoop karton en gooit het terug op de ontbijttafel waarna hij zijn rechter duim aan een lusje van zijn gebleekte en modieus gehavende merkspijkerbroek haakt. Hij draagt een strak wit T-shirt dat de contouren van een sixpack onthult die ter hoogte van zijn navel ontspringt. Thea voelt haar neusharen reageren op zwemen after shave. Musk. Melvin doet haar denken aan die oogverblindende glazenwasser van de coca cola reclame, maar ook aan een uit de kluiten gewassen, jonge golden retriever. Melvin is nog zichtbaar buiten proportioneel in de groei, maar niet slecht geschapen en goed getraind. Desondanks kan Thea hem niet anders zien dan voor wat hij in haar ogen is. Een ventje van amper zeventien jaar. Hij ziet er pijnlijk schoon uit; alsof zijn moeder hem vanmorgen flink heeft schoongeboend met groene zeep in een wastobbe. Schone schijn natuurlijk, dat weet Thea ook wel. Zestien jaar geleden deed zij de kleine Melvin, haar stiefzoontje, nog regelmatig in een roze wastobbe. De zoete kleur had Melvin aan zijn 4 jaar oudere zus te danken; die hem was voorgegaan in het plastic babybadje op inklapbare pootjes. 

‘Als hij nou maar geen homo wordt’, grapte Pim, haar toenmalige partner en de vader van Melvin.


Altijd dezelfde flauwe grap en net zo vaak als Thea het roze badje tevoorschijn haalde tijdens hun korte relatie en alle dagen van de oneven kalenderweken in het jaar waarin Pim zijn kinderen bij toerbeurt had. En Thea boende Melvin ook niet schoon, maar ze gebruikte een zijdezachte washandschoen die gratis bij de aankoop van drie flessen Zwitsal babyshampoo bij de kassa van het Kruidvat te verkrijgen was geweest. Voorzichtig kneedde ze met het washandje het vertederende mollige lijfje van de kleine Melvin met zijn olijke toet en glimmende, rode, bolle appelwangetjes. Kleine Melvin kon ontwapenend, grenzeloos genieten van het dagelijkse badderen door luidkeels kraaiend, kirrend en krachtig, repetitief met zijn kleine knuistjes in het geurige badwater te slaan. Hoewel de spetters bij Thea om de oren vlogen en ze regelmatig moest wegduiken om niet drijfnat te worden, lukte het haar toch om elke keer een rechtopstaand kuifje in de geshamponeerde blonde lokken van Melvin te draaien. Na verloop van tijd raakte de mop geen enkele lachspier meer, maar Melvin met zijn shampookuif bleef haar aan Betuwe Flipje van die vintage jamreclame doen denken. Eigenlijk is Melvin dat vleugje Betuwe Flipje nog steeds niet helemaal kwijt.

‘Ik ben zo weg’, belooft Melvin terwijl hij een pakje kipfiletbeleg uit de koelkast pakt.


Geconcentreerd vindt hij het openingshoekje van de plastic verpakking. Zwijgend en smakkend werkt hij de inhoud plakje voor plakje naar binnen.

‘Zo te zien en te ruiken hoef je niet meer te douchen?’ 

Met volle mond en verwoed kauwend, schudt Melvin het hoofd. Vaak komt Melvin ’s morgens niet alleen de koelkast plunderen, maar ook gebruik maken van de badkamer. Thuis mag hij in het kader van het zuinige energiebeleid van vader Pim en zijn zoveelste stiefmoeder maar 1 keer in de week een schamele 5 minuten doorbrengen onder het lauwe sijpelende water in de doucheruimte. De rest van de tijd moet hij maar energie verspillen op het fitnesscentrum. Figuurlijk natuurlijk en letterlijk onder de douche van de sportschool of desnoods bij Thea en haar man Bart, want die kijken kennelijk niet zo nauw.

‘Neem je voortaan het gebraden gehaktbeleg uit het vuistje, dat is een stuk goedkoper?’

Thea schenkt nog wat koffie voor zichzelf in.

‘Doe ik!’, smakt Melvin. 

Nogmaals opent hij de koelkast, inspecteert de proviand en vindt een ongeopend pakje gebraden gehakt. Hij propt het in de kontzak van zijn prijzige designersjeans en kweelt; 

‘Dag mooie vrouw’, waarna hij de deur achter zich sluit.

Je kunt niet voor het eerste kind wel naar een ouderavond gaan en voor het tweede niet. Ook al is het verloop van de bijeenkomst nagenoeg hetzelfde als vorig jaar. Toen ging Thea voor haar dochter Sabine. 

‘Van mij hoef je niet te gaan’, beweerde Walter vorige week nog vanachter zijn gamecomputer. 

Hij schoof de koptelefoon in zijn nek en vervolgde op gebiedende wijs:

‘Maar mijn mentoren vroegen naar jullie’.

‘Nee toch?’

Thea zag de bui alweer hangen.

‘Je had toch een goed rapport; wat is er nu weer?’

‘Er is niks’, suste Walter. 

‘Ze willen je gewoon even zien, dat is alles’, vulde Bart aan zonder op te kijken van zijn laptop.

‘Alleen mij?’ , vroeg Thea aanmatigend.

Walter haalde zijn schouders op, terwijl hij de koptelefoon terug op zijn oren plaatste en zich weer verdiepte in zijn spel inclusief het bijbehorende gesprek met zijn skypevrienden. Bij het avondeten zou de inkeping in zijn krullenkapsel, zoals bijna elke dag, verraden dat hij opnieuw de hele middag had zitten skypen en nauwelijks aan huiswerk maken toegekomen was. Hij is pas 12.

‘Dat komt helemaal goed met Walter en met Sabine ook’, beloofde Bart die een universitaire opleiding genoten heeft, zonder ooit een studiehoofd geweest te zijn. 

Toch scoort hij bij elke IQ test extreem hoog. 

‘Oefening baart kunst; zulke scores zou jij ook halen als je zoveel IQ tests zou hebben gemaakt als ik’, lichtte Bart toe.

Thea gelooft er helemaal niets van. Och, ze moet er wel vanuit gaan dat ze niet één van de domste is. Anders zou ze haar afgeronde opleiding aan de kunstacademie tekort doen, maar ze merkt steeds opnieuw hoeveel slimmer Bart eigenlijk is. Ten eerste was hij pienter genoeg om een baan te bemachtigen bij een rekencentrum van een academisch ziekenhuis in een functie die hem maandelijks een bedrag oplevert waarvan het hele gezin kan rondkomen. Ten tweede heeft hij een indrukwekkende voorraad parate kennis. Dat blijkt des te meer tijdens scrabble, triviant, een potje schaken of uit de kant en klare antwoorden op de vragen van televisiekwissen zoals; ‘Twee voor twaalf‘, ‘De Slimste Mens’ en meer van dat soort diepgang. Weetjes. Thea kan hem er zelfs probleemloos ’s nachts voor wakker maken.

‘Nutteloze bagage’, noemt Bart zijn kennis.

Thea kent Bart lang en goed genoeg om te weten dat hij het meent. Hij is gewoon te intelligent om arrogant te zijn, maar hij kan moeiteloos en onbeperkt verbindingen tussen feiten leggen en theorieën snappen in een tijdsbestek waarin een normaal denkend mens de input pas aan het verwerken is. En op logische manieren die een creatieveling als Thea met haar associatieve denkpatronen meestal in de verste verte niet ziet aankomen. Jaloers is Thea nooit geweest. Integendeel; Bart blijft haar blij verrassen met zijn scherpe geest. Nee, tegenpolen trekken elkaar aan. Pim was bijvoorbeeld een partner geweest die net zo dromerig en chaotisch is als Thea en op hem was ze al na een paar jaar uitgekeken. Thea kent eigenlijk verder niemand uit haar directe omgeving die zo inzichtelijk is als haar Bart. De vader van haar twee kinderen.

‘Ik weet wel zeker dat alles goed komt met Sabine en Walter. Sterker nog; alles is allang in orde met ze. De vraag is alleen of ik moet komen opdagen op de ouderavond enkel en alleen omdat ik gesommeerd word door de mentoren’, resumeerde Thea hardop, terwijl ze op haar telefoon de online uitnodiging opzocht om de datum en tijd te achterhalen.

‘Je wordt niet gesommeerd; maar volgens mij vriendelijk gevraagd. Maar van mij hoef je niet te gaan. Ik blijf ook thuis. Waarom zou je?’

Vanwege het gelijkheidsprincipe dus. Thea wil niet over pak weg een jaar of tien door Walter verweten worden dat zij er ‘nooit’ voor hem geweest was, maar wel voor Sabine. En toen Sabine voor Walter vorig jaar het spits afbeet in de brugklas van de middelbare school stond Thea bovenaan de lijst van deelnemers aan de eerste ouderavond. Achteraf zonde van de tijd, maar ouders krijgen toch al overal de schuld van en die tendens moet je niet willen versterken door er serieus op in te spelen. Dus zorgt Thea dat ze ook op de ouderavond van Walter aanwezig is. Walter heeft twee mentoren en bij binnenkomst in het druk bevolkte klaslokaal stevent Thea direct op de jongste van het duo af, omdat zij toevallig net even niet bezet is door het zoveelste gevalletje van de typisch bezorgde ouder. Volgens Walter is er niks mis met deze mentor. Thea vindt haar er mogelijk nog naïever uitzien dan op het eerste gezicht tijdens de introductie-avond van voor de zomervakantie. Toen het grote middelbare schoolavontuur voor de eersteklassers en hun ouders nog moest beginnen. De jeugdige mentor geeft een slap handje dat Thea krachtig drukt onder begeleiding van de woorden;

‘Nou hier ben ik dan, de moeder van Walter, zeg het maar.’

Verontrustend genoeg schijnt het meisje meteen te weten waar Thea op doelt en ze doet een stapje terug om het podium te bieden aan de tweede mentor. Ook een vrouw waar niks op aan te merken valt volgens Walter. Thea herkent haar eveneens van de introductie-avond. Een generatiegenote van Thea, maar dan zonder poespas, die de hint van haar collega vanuit haar ooghoeken opvangt. Ze reageert alert door het contact met een concurrerende ouder kordaat knikkend af te breken en zich bij Thea te voegen. Walter heeft kennelijk prioriteit. Thea klemt haar kaken alvast op elkaar en zet zich schrap met haar rug tegen het digibord. 

‘Ik vind dat het heel goed gaat met Walter’, begint de mentor.


Ze straalt ervaring uit. Opgelucht laat Thea de rem op haar lachspieren los en denkt ondertussen;

‘Waarom zou het niet goed met Walter gaan?’

Maar ze herademt en antwoordt;

‘Ja, dat vind ik ook. Hij heeft een goed rapport toch? Bijna alles op B niveau en de rest op C.’ 

Nu is het de beurt van de mentor om zich te ontspannen en ze gaat onverbloemd verder:

‘Jazeker, maar Walter zou gezien het advies van de basisschool misschien al volledig op C moeten scoren, maar er kan nog van alles gebeuren.’

‘Moest ik daarvoor komen?’, vraagt Thea zich heimelijk af. 

Wat een open deur. Dat ligt natuurlijk weer aan de reputatie van De Wielewaal. De basisschool in een wijk met voornamelijk hoogopgeleide ouders met hun – logischerwijs- hoogbegaafde kinderen. Die sturen de uitblinkertjes normaliter niet naar een scholengemeenschap VMBO (A-niveau), HAVO(B-niveau), VWO (C-niveau), maar linea recta naar het stedelijk gymnasium.

‘Er komen hier toch wel meer leerlingen van De Wielewaal?’ 

Thea houdt zich bewust van de domme. De twee mentoren wisselen een blik van verstandhouding, waarna de jongste antwoordt;

‘Jawel hoor, maar Walter had een hoge citoscore en een VWO advies van zijn basisschool. Vandaar dat wij ons zorgen maakten. We dachten dat u misschien teleurgesteld zou zijn.’

‘In jullie of in Walter?’

‘In ons natuurlijk’, grapt de oudste mentor.

Thea vindt haar leuk en vervolgt naar waarheid:

‘Welnee, wij hebben hem niet voor niets naar een scholengemeenschap in plaats van naar het stedelijk gymnasium gestuurd!’

‘Ja, want feitelijk is het gymnasium gewoon VWO en dus C- niveau en dat hebben wij hier ook’, merkt het jonkie pienter op.

Hier heeft Thea niks aan toe te voegen, waardoor de oudste mentor zich kennelijk geroepen voelt om haar mening toe te lichten:

‘Ik heb zelf ook slimme kinderen en leerlingen kunnen wel intelligent zijn, maar dat betekent nog steeds niet dat ze ook direct goed door hebben hoe ze efficiënt moeten leren’.

‘Tijd genoeg toch? Een scholengemeenschap telt 2 brugjaren; 3 zelfs als je alleen van HAVO/VWO uitgaat?!, beaamt Thea op verifiërende toon.

Beide mentoren zijn zichtbaar gerustgesteld. De jongste wendt zich alweer tot de rest van het gezelschap, terwijl de oudste zich naar haar lessenaar voor de klas begeeft. Ze knipoogt nog even in de richting van Thea; alsof ze wil zeggen: 

‘Fijn voor Walter’.


 


Thea vindt een willekeurige stoel in de klas en neemt plaats achter een schoolbank ergens in het lokaal. De verontwaardiging over de manier waarop de mentoren haar aanvankelijk hebben ingeschat ebt langzaam maar zeker weg. Je hoeft maar om je heen te kijken en de streberige houding van sommige ouders op je in te laten werken om te snappen op welke irreële verwachtingen deze mentoren hun reactiepatroon hebben gebaseerd. Nog maar te zwijgen over de wereldvreemde voorlichting van de meesters en juffen van de basisschool over het leven na groep 8. Zoveel is er in de praktijk helemaal niet veranderd in de ogen van Thea die de middelbare school al weer meer dan dertig jaar geleden verlaten heeft. De technologische ontwikkelingen en dan met name het belang van de iPhone en de geautomatiseerde schooladministratie (Magister) daargelaten natuurlijk. De ervaren mentor neemt het woord:

‘Vergeet de iPhone niet, vergeet Magister niet, maar gebruik ook een ouderwetse agenda. Dat is mijn devies’, begint ze staccatoachtig om haar overtuiging kracht bij te zetten. Ze is overduidelijk een kind van Thea’s tijd.

‘Ik kan het niet vaak genoeg herhalen.’

‘Waarom?’ vraagt Thea namens Walter.

‘Dat is dubbelop.’

‘Als een back-up’, licht de jongere mentor toe. 

’Want wat als Magister uitvalt, of je bent je iPhone kwijt?’ 

‘En toch kun je het niet hard maken. Die kinderen weten niet eens hoe ze een ouderwetse agenda moeten gebruiken laat staan dat ze het doen.’ 

Thea krijgt onverwacht bijval van een vader achterin de klas:

‘No way’.

Vermoedelijk heeft de rest van de aanwezige ouders het punt van discussie niet helemaal meegekregen. Bij wijze van nadere toelichting begint de oudste mentor over de overgangsfase waarin kinderen zich zouden bevinden. Het onontgonnen gebied tussen schrijven met de hand en de tekstverwerker. Ze heeft groot gelijk, maar geen enkele twaalfjarige met een iPhone hoeft te wennen aan Magister. Huiswerk noteren met de hand en afspraken opschrijven in een agenda; dat is pas aanpassen en zal zeker niet zonder het nodige kunst- en vliegwerk in leven blijven. Misschien zou er extra aandacht aan besteed kunnen worden tijdens kunstvakken? Schoonschrijven; werk in uitvoering. Zoiets. Nou heeft Thea in de afgelopen basisschooljaren van haar kinderen echt wel geleerd om zich gedeisd te houden. Een afwijkende mening, of überhaupt een originele visie, wordt noch op prijs gesteld noch begrepen. Uit zelfbehoud en in het belang van de kinderen, kan een eigentijdse ouder zich maar het beste aan een arsenaal van ongeschreven stelregels houden. Bovenal dien je het eigenbelang te allen tijde in ere te houden. Eerst komen de mama en papa, dan een hele tijd niets en daarna komt het belang van de ouder in de verpersoonlijking van het kind. Het eigen kind wel te verstaan. Dit schuif je via allerlei zijwegen en met de meest schunnige caperiolen naar voren. Nooit direct en altijd onder het mom van de toegewijde verzorger. Een verzorger die overigens over het algemeen niet al te snugger is en die op ouderavonden eindeloos kan doorzagen over futiliteiten zoals; de tijdsduur van de lunchpauze, de overschrijding van de leeftijdsgrens van gezamenlijke films in de klas, een verbod op het verlaten van het schoolplein tijdens tussenuren, de hoogte van de boete op het te laat retourneren van bibliotheekboeken, de afwezigheid van zeep in de pompjes bij de schooltoiletten enzovoort en ga zo maar door. Door je kop in het zand te steken zijn deze ouderbeproevingen nog te beste te overleven. De klassikale opmerking van Thea over de onzin van het gebruik van een agenda naast Magister vormt dan ook een hoge uitzondering op deze regel. Een uitschieter, want Thea weet normaliter wel beter dan zich openlijk betrokken te tonen bij de belevingswereld van haar kinderen.

Een week of vier geleden zag ze de ex-juf van Walter uit groep 8 van de basisschool nog winkelen bij de Lidl. In eerste instantie was Thea niet zeker, maar bij de kassa, tijdens het laden van de band, voelde ze een paar ogen prikken. De signalen kwamen van de klant die voor Thea stond af te rekenen bij de kassa. Maar telkens als Thea op keek om dan maar in vredesnaam oogcontact te zoeken; bleek de ex-juf gepreoccupeerd met de muntjes op haar uitgestoken, vlakke hand. De caissière had graag gepast geld gezien. De ex-juf treuzelde net zolang met het wisselgeld totdat Thea al haar boodschappen op de band had staan. Nadat de ex-juf eindelijk betaald had, moest Thea wel regelrecht op haar af lopen om de spullen na het scannen weer in haar winkelkarretje te plaatsen. Lidl heeft geen inpakruimte aan het einde van de band. Bij eventuele kritiek rot je maar op naar de concurrentie. Quasi verrast keek de ex-juf op naar Thea om – zogenaamd – in een reflex na te gaan wie haar plaats innam. Ze had allang weg kunnen zijn. 

‘Hay’, piepte de ex-juf.

Thea reageerde vertraagd, omdat ze een acute woede voelde opborrelen waar ze niet op voorbereid was. Haar toon was afgemeten:

‘Dag Marijke’.

‘Hoe is het met Walter?’

‘Goed; hij haalt alleen maar tienen’.

Thea had geen idee waarom ze dat zei. Ze reorganiseerde de eieren, tomaten en de zachte broodjes in haar karretje om verdrukking door de naderende pakken melk en yoghurt te voorkomen. 

‘Nou dat lijkt me sterk’, schamperde de ex-juf.

Ze schrok er merkbaar zelf van.

‘Toch is het zo’, snibde Thea. Ondertussen bleef ze stug doorgaan met boodschappen in haar karretje laden. Verbeten dacht ze:

‘Net of jij niet allang weet dat Walter natuurlijk niet alleen maar tienen haalt’.

Later bedacht Thea dat ex-juf Marijke na de confrontatie bij de Lidl misschien wel uit beroepsdeformatie naar de mentoren op de huidige middelbare school van Walter had gebeld: 

‘Paniek, paniek; de moeder van Walter denkt dat hij alleen maar tienen haalt. Kan iemand dat mens even wakker schudden?’

Daarom was ze misschien wel op persoonlijke titel uitgenodigd op de ouderavond van de middelbare school van haar twaalfjarige zoon.

‘Lieve mevrouwtje Thea de pushmoeder; uw zoon zit nog niet helemaal op C-niveau. Hopelijk bent u niet teleurgesteld!’

‘En Sabientje’, vroeg ex-juf Marijke.

‘Wat is er met Sabine?’

‘Gaat het ook goed met Sabine? Sabine zit nou in de…?’

Typisch onderwijzeressengedrag in de trant van vraag en antwoord spelletjes. Jij maakt de zin af. Nu haar kinderen de basisschooljaren definitief achter zich hadden gelaten voelde Thea zich niet langer meer geroepen om het spelletje mee te spelen. In plaats van de open plekken in de vraag voor ex-juf Marijke in te vullen stelde Thea dan ook droog: 

‘Sabine heeft nooit bij jou in groep 8 gezeten.’ 

‘Nee bij Jan-Willem toch? Want Walter is de jongste? Walter en Sabine schelen een jaar?’

Weer van die schoolvragen naar de bekende weg. De caissière zei ook wat. Thea kon haar niet verstaan en trok vragend de wenkbrauwen op. Geagiteerd wees het kassameisje naar het eindbedrag op de display en herhaalde:

’72 euro 10’.

‘Met Sabine gaat het ook goed. Ze zit nou in de tweede.’

Thea vond haar pinpas.

Ex-juf Marijke talmde met haar karretje door het van zich af te duwen en weer naar zich toe te trekken. Ze was zich van geen kwaad bewust en vroeg: 

‘In de tweede van…?’

Thea knipoogde naar de caissière, typte haar pincode in en antwoordde;

‘…de middelbare school.’

‘En dat was ook alweer?’

Ex-juf Marijke wist van geen ophouden, maar Thea was ook niet voor één gat te vangen:

‘Dezelfde middelbare school als van Walter.’

Ex- juf Marijke begon haar geduld te verliezen.

‘Ik had vorig jaar 30 kinderen in de klas en die zijn naar wel 6 verschillende middelbare scholen gegaan.’

Niet begrijpend richtte ze zich inmiddels maar tot de caissière, omdat Thea nog steeds druk doende was met haar boodschappen.

De caissière klikte met haar tong;

‘Veel te grote groepen toch tegenwoordig’, zei ze hoofdschuddend.

‘Sabine haalt ook alleen maar tienen.’

Thea kon het niet nalaten.

Blij te horen dat het zo goed gaat’.

Ex-juf Marijke gaf het op. Weliswaar op ongelovige, licht spottende toon.

Thea vroeg een bonnetje aan de caissière en overstemde de ex-juf Marijke. Voor haar gelukkig aanleiding om het pand te verlaten. Maar bij buitenkomst zag Thea haar met haar tassen staan dralen bij de fietsenstalling. De rust in haar hoofd, die Thea inmiddels hervonden dacht te hebben nu haar twee spruiten eindelijk van de basisschool verlost waren, was kennelijk niet van de ene op de andere dag een blijvertje. Na een omweg naar de parkeergarage moest ze in haar auto even bijkomen van de ontmoeting met de ex-juf van Walter, door een paar keer diep in en uit te ademen. Ze onderdrukte een vertrouwd verlangen naar een sigaret, dat normaliter sinds ze gestopt was met roken alleen in stresssituaties de kop opstak, en masseerde haar slapen. De palmen van haar handen werden nat van het traanvocht. Symptomen van onverwerkte emoties uit het verleden.

HOOFDSTUK 2

Thea moest de inhoud van de brief 2 keer lezen voordat ze begreep wat er stond. Ze ging erbij zitten.

‘Walter is aangenomen op De Wielewaal!’ riep ze vol verbazing uit naar Bart die een doehetzelf meubel in elkaar zette.

‘Help eens even’, commandeerde Bart.

Hij lag op zijn rug onder een lattenbodem op pootjes van een IKEA meegroeibed en monteerde boven zijn hoofd. Omdat Thea niet in actie kwam riep hij;

‘Hallo contact; je zoon moet vanavond ergens slapen. We hebben zijn ledikantje net naar de ‘Het Goed’ gebracht’.

Afwezig vond Thea naast zich op de grond een A-viertje met kleine lettertjes in zes verschillende talen.

‘Heb je de montagehandleiding weer niet gelezen. Mannen!’

Met haar vrije hand reikte ze Bart de handleiding aan en mijmerde:

‘Misschien moeten we Walter dan toch maar naar De Wielewaal laten gaan, maar dan gaat Sabine ook van Het Kleurenpalet af.’

‘Ik zeg doen!’, wist Bart praktisch, terwijl hij ruggelings onder de lattenbodem op pootjes uitschoof om de handleiding goed te kunnen bekijken.

Eenmaal weer met twee voeten op de grond trok hij zijn hoofd in zijn nek en masseerde een schouder. Hij bestudeerde het resultaat:

‘Is het wat?’

‘Het lijkt op een bed’, antwoordde Thea melig.

Voor de zekerheid keek ze ook even op de achterzijde van de brief en vervolgde:

‘Ik denk trouwens dat het een fout is.’

Bart was oprecht verbaasd:

‘Waarom nou weer? Je hebt dit meegroeibed  nota bene zelf uitgezocht, omdat het zo praktisch zou zijn?’

‘Ik heb het over de aannamebrief van Walter’.

‘Oh, ja natuurlijk is dat een fout, je hebt Sabine vorig jaar toch aangemeld? Broers en zussen worden automatisch ook aangenomen.’

‘Ja, dat weet ik wel, maar toen we vorig jaar voor Het Kleurenpalet hebben gekozen als basisschool voor onze kinderen, heb ik Sabine ook weer netjes afgemeld bij De Wielewaal; want zo ben ik dan ook wel weer.’

‘Fout of niet; ik zou net doen of ik gek was en alsnog inspelen op het chaotische aannamebeleid van De Wielewaal. Ook al is het kennelijk een administratief zooitje. Die uitnodiging komt als geroepen. Een kant en klare oplossing voor al het gezanik bij Het Kleurenpalet.

Bart klapte zijn gereedschapskist dicht en laveerde ermee door de rondslingerende restanten van het bouwmeubel oftewel meegroeibed in de slaapkamer van Walter.

‘Wat een gedoe weer’, verzuchtte Thea.

‘Maar misschien heb je gelijk en moeten we de kans grijpen nu Sabine ook nog een jaar moet kleuteren. Voor het te laat is.’

‘Doe niet zo dramatisch, het is nooit te laat en ik heb altijd gelijk!’, riep Bart over zijn schouder, terwijl hij de trap af stommelde.

Onoplettend bleef Thea voor zich uit zitten staren en dacht:

‘Dit toeval is zo toevallig dat je er bijna aan zou gaan twijfelen of het wel toeval is. Toevallig.’

Het Kleurenpalet was een zwarte basisschool in de achterstandswijk waar Bart en Thea hun droomhuis hadden gevonden. De aankoop ging vergezeld van een ‘routeboekje’ waarin de renovatie van de hele buurt over een periode van 5 jaar gepland stond. Alleen het monumentale koophuis van Bart en Thea zou in de wijk overeind blijven staan tussen de toenmalige afbraakpanden. Voor de zekerheid had het echtpaar een schriftelijke bevestiging van onschendbaarheid bij de gemeente aangevraagd alvorens het koopcontract bij de notaris te ondertekenen. Binnen een dag lag het jawoord zwart op wit in de brievenbus. Het ambtelijke apparaat van de gemeente wenste de nieuwkomers alle geluk in hun unieke historische koophuis dat helaas voorlopig nog wel even zou afsteken tegen de zogenaamde antikraakwoningen. Anders gezegd; tegen de omringende, ééngezins arbeidershuurhuisjes uit het begin van de vorige eeuw die al een jaar of tien niet meer door de woningstichting onderhouden werden en nu stonden te rotten op hun grondvesten. De krakkemikkige woninkjes werden overbelast door tijdelijke bewoners. De oorspronkelijke wijkpopulatie had de buurt al verlaten naar huur- of koopwoningen elders in de stad. Sommige oerbewoners met tegenzin en de optie om na de renovatie naar hun oude, vertrouwde stadsdeel, maar dan in nieuwbouw, terug te keren. Maar vooralsnog moest de hele boel plat alvorens de woonwijk weer opgebouwd kon worden. Op het zojuist aangeschafte, beschermde koophuis van Bart en Thea na dus. Totdat de sloop ook daadwerkelijk zou gaan beginnen konden zoveel mogelijk randfiguren, armlastigen en allochtonen in de wijk hun intrek nemen in zo’n antikraak huurhuisje. Zij het tijdelijk en slechts op voorwaarde dat ze de spot goedkope krotjes na het startschot van de kaalslag, waarvan de precieze datum nog heel ver, vaag en uitstelbaar bleef, ook onverlet zouden ontruimen. Desondanks had een groot deel van deze groep antikraakhuurders een redelijk normaal leven en daarmee ook kinderen en die kwamen allemaal op basisschool ‘Het Kleurenpalet’ in de buurt terecht.

Omdat Bart en Thea echter niet voldeden aan het profiel van de antikraakhuurder was het helemaal niet vanzelfsprekend dat hun kinderen - Sabine en Walter - ook automatisch op Het Kleurenpalet terecht zouden komen. Bevoorrechte peuters hadden andere opties. In het geval van Sabine en Walter niet alleen vanwege het monumentale ouderlijk woonhuis, maar ook door een relatief hoog opleidings- en inkomensniveau van hun verzorgers. Maar Bart vond Het Kleurenpalet aanvankelijk een prima optie. De cito-eindtoets in groep 8 was volgens hem sowieso allesbepalend voor de middelbare schoolkeuze van elk kind. Hij geloofde niet in de positieve effecten op de leerprestaties van welke leerling dan ook van kunstmatig, gekweekte, welgestelde zogeheten ‘gemengde’  scholen met zogenaamd gelijkgestemde ouders. Dan liever de verschillen duidelijk op tafel. Baat het niet dan schaadt het niet. Toch liet Bart de eindbeslissing met betrekking tot de basisschoolkeuze van de kinderen aan Thea over. Zij loodste de kinderen tenslotte iedere schooldag door het drukke verkeer naar school en terug naar huis. Thea zou het meest geconfronteerd worden met de dagelijkse realiteit en praktijk van haar sociale omgeving. Eerlijk is eerlijk. Maar ook Thea heeft een sociaal hart en schreef Het Kleurenpalet  eveneens niet zonder meer af. Thea kon niet bedenken waarom haar kinderen niet zouden kunnen floreren op een school waar 24 nationaliteiten met elkaar moesten leren, spelen en integreren. Wat was een basisschool anders dan een afspiegeling van de maatschappij en wat zou zo’n gemengde leeromgeving een verrijking voor de socialisatie van haar twee kinderen kunnen betekenen. Los van het feit dat ze natuurlijk ook in een ‘wijk in wording‘ zouden opgroeien; omringd door leeftijdgenootjes van Het Kleurenpalet. Het zou vreemd zijn als alleen de kinderen van Thea en Bart naar een andere basisschool gingen. Alhoewel stadse Thea er ook niet bepaald op zat te wachten om met  haar gezinnetje medeplichtig te worden aan gettovorming.

Vandaar dat Thea zich voor de zekerheid eveneens op andere basisscholen oriënteerde. Scholen die weliswaar buiten de afbraakwijk, maar toch in de buurt lagen. De Wielewaal leek in eerste instantie een goede kanshebber. De basisschool lag in een zogenaamde ‘witte’ wijk op loopafstand van de afbraakbuurt van Thea en Bart. De koophuizen zijn evengoed voormalige arbeiderswoningen, maar de panden in deze witte wijk zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw stuk voor stuk opgekocht, gerenoveerd en grondig onderhouden door veelal oud-studenten van de stadsuniversiteit;  de zogeheten young urban people, oftewel de beruchte ‘yups’, die na het afstuderen in hun studentenhuis bleven hangen en er, rond het begin van deze eeuw, carrière maakten en ook kinderen kregen. De Wielewaal stond daardoor al snel bekend als een basisschool voor kinderen van hoogopgeleide ouders met een prijzige levensstandaard. Na verloop van enkele jaren bewees het schreeuwerige keurmerk van De Wielewaal zich weliswaar als vuurvast, maar daarmee ook als onterecht onuitwisbaar, want steeds meer van de oorspronkelijke bewoners verhuisden met al hun maatschappelijke aanzien naar ruimere nieuwbouwwijken. De verbouwde arbeiderswoninkjes werden verkocht en brachten dubbel zoveel op dan het aankoopbedrag. Met deze winst maakten de yups langzaam maar zeker plaats voor voornamelijk gemiddeld opgeleide huizenbezitters met modale inkomens en torenhoge hypotheken.

‘Middelmaat siert de straat’, hoonde Bart.

Hij dreef graag de spot met de ‘kouwe kak’ op De Wielewaal; waarmee hij doelde op de politiek correcte ouders die hun kinderen bewust naar een ‘gemengde’ basisschool stuurden. Met gemengd werd dan een tweedeling van minimaal 70 procent wit tegen maximaal 30 procent zwart bedoeld en gecreëerd door de hoofdmeester van De Wielewaal die daar op de regionale buis schaamteloos voor uitkwam. Want een basisschool moest een weerspiegeling zijn van de wijkpopulatie. Van het beloofde land dat op de website pronkte met een Wielewaalfonds waar ouders en andere sponsoren hun geldoverschot het hele jaar door vrijwillig konden storten. Oprecht hoogst verbaasd vroeg Bart zich luid op af:

‘Welk normaal mens met een normaal inkomen heeft er nou zoveel geld dat hij of zij dat vrijwillig in een basisschoolfonds gaat storten? Ik stuur mijn kind toch niet naar een liefdadigheidsinstelling? Waar betaal ik eigenlijk belasting voor? Krijgt de Wielewaal geen overheidssteun in de vorm van subsidie?’

‘Minder dan Het Kleurenpalet’, grinnikte Thea die het bekende gemopper van Bart altijd met een korreltje zout nam.

‘Dan moeten ze eindelijk eens eerlijk toegeven dat de meeste kinderen van De Wielewaal helemaal niet zoveel beter af zijn dan leerlingen van scholen in achterstandswijken. Hele slimme ouders kunnen hele domme kinderen krijgen’, raasde Bart op zijn oude, vertrouwde manier door.

‘Dat zei mijn vader vroeger ook altijd en weet je wat ik dan zei?’

‘Nee, vertel, vertel’, vroeg Bart gekalmeerd.

‘Dan zei ik, zijn dochter dus; Klopt pap, en hele domme ouders kunnen ook hele slimme kinderen krijgen’.

Bart reageerde met een schalks lachje en vroeg:

‘En hoe voelde dat nou om ook eens een keer gelijk te hebben? 

‘Gelijk hebben en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen’, gniffelde Thea.

Toch was Thea evenmin gecharmeerd van het decadente ‘Wielewaalfonds’ op de hoegenaamd ‘gemengde’ basisschool in de witte wijk voor beter gesitueerden. Ook het op de website uitgebreid beschreven ‘pestprotocol’ en de ‘plusgroepen’ voor het verschijnsel ‘meerbegaafdheid’ bij veel kinderen uit de nette buurt stonden haar tegen. In hun kinderjaren bezochten Bart en zij, los van elkaar, doorsnee basisscholen. Zonder franjes in arbeiderswijken die krioelden van gezinnen met ouders zonder diploma’s en met lage inkomens. Sommige klasgenootjes van vroeger waren goed terecht gekomen en anderen niet. Een mens wordt primair gevormd door levenservaring. Slim dat ben je of dat ben je niet. Ook op een basisschool zonder plusgroep en zo wel dan misschien zelfs wel ondanks een voorkeursbehandeling. En wat was het effect van de aanwezigheid van een pestprotocol op een basisschool? De bedoeling was zelfs Thea duidelijk; het donderjagen van kinderen moest aan banden gelegd worden. Maar het eerste kind dat voor, tijdens of na het jennen doordrongen is van de gevolgen van de volwassen regeltjes van een protocol, oftewel een juridisch onderbouwde gedragsovereenkomst, moet volgens Thea nog steeds gemaakt worden. Wat was er gebeurd met de naleving van de simpele stelregel:

Goed voorbeeld doet goed volgen?

Bij een pestprotocol dacht Thea eerder aan symptoombestrijding. Kennelijk broeide er stiekem een hoop wrok onderling bij de welgestelde, hoogbegaafde kindertjes van De Wielewaal. Of werden hier eigenlijk de papa’s en de mama’s gepamperd? Daartegenover werd er op de website van Het Kleurenpalet met geen woord gerept over een plusgroep of een stappenplan bij eventuele treiterijen onderling. En het woord  ‘pestprotocol’ hoorde Thea de directrice van Het Kleurenpalet dan ook niet uitspreken:

‘Pesten wordt niet getolereerd op Het Kleurenpalet. Wij onderhandelen niet over onaangepast gedrag maar propageren een ‘lik op stuk’ beleid dat we zelden tot nooit in praktijk hoeven te brengen.’

De directrice van Het Kleurenpalet heette Sarah en ze had niet alleen de instelling maar ook het voorkomen van een gouvernante uit films die gesitueerd zijn in het midden van de negentiende eeuw. Ook bij deze basisschool plaatste Thea haar twijfels. Niet vanwege de leerlingen van 24 verschillende nationaliteiten, of het gigantische, gedateerde schoolgebouw met alle benodigde voorzieningen. Wel vanwege de extreem strenge, gecontroleerde ouderwetse kostschoolsfeer en de fanatieke directrice die overduidelijk niet alleen uit noodzaak met ijzeren hand regeerde. Sarah genoot zichtbaar van haar macht, of zelfs van de schijn ervan, want later leerde Thea dat haar regime veel minder ontzagwekkend was dan ze tijdens een eerste ontmoeting in haar hoedanigheid van directrice graag deed voorkomen. Bijna direct wierp Sarah zich op als een vertrouwelinge en beschermvrouwe van kinderen met een Nederlandse nationaliteit in een wirwar van diversiteit en uiteenlopende culturen op haar van oorsprong katholieke basisschool. Sinds de invoering van het routeboekje en de bijbehorende volkswijkverhuizing was het groepje kinderen met maar één thuisland op het Kleurenpalet beperkt tot een handjevol verdwaalde inboorlingen. Sabine en Walter incluis. Tenminste als zij zich in de nabije toekomst tot het brede spectrum van tinten binnen het Kleurenpalet zouden mogen rekenen van hun ouders. Bart en Thea dus. Aan de gretige directrice zou het in ieder geval niet gelegen hebben. Het was alsof Sarah hoopte dat dankzij haar rol als patrone haar macht als vanzelf zou erotiseren in de buurt van Thea. Maar Thea heeft zichzelf nog nooit op lesbische gevoelens kunnen betrappen en voelde zich hoe langer hoe onbehaaglijker in het vizier van Sarah. Maar dit terzijde, want ze ging uiteindelijk toch overstag. Echter pas na de terloopse kennismaking met de directeur van De Wielewaal. Het eerste oogcontact met een kleine gespierde, vriendelijke man van middelbare leeftijd gaf wat Thea betreft al bijna de doorslag naar, toch maar, Het Kleurenpalet. Zijn gedienstige uitstraling wekte haar achterdocht. Deze man, die zich had voorgesteld als Peter, zou haar ogenblikkelijk naar de mond praten indien zij daar prijs op stelde. En niet alleen haar; maar alle ouders van de kinderen van De Wielewaal. Maar praatjes vullen geen gaatjes en de nederige houding van deze meneer Peter deed een verholen egocentrisme vermoeden dat hij op den duur onverbiddelijk zou laten prevaleren. Zoals ieder toeschietelijk mens met een gezonde dosis overlevingsdrang.

Het kleine gebouw straalde dezelfde twijfelachtige inschikkelijkheid uit. De locatie van De Wielewaal in het stadscentrum was compacter en verstikkender dan de ruime ligging in een groene spoorkuil van basisschool Het Kleurenpalet. Tijdens een korte rondleiding door De Wielewaal werd Thea bovendien overvallen door de povere sfeer in de gangen. Ze zag minder extra leermiddelen; zoals computers voor algemeen gebruik en digiborden in de klaslokalen om zich heen dan op Het Kleurenpalet. In het bijzijn van directeur Peter van De Wielewaal verbaasde Thea zich openlijk over dit markante verschil tussen wit en zwart. Gedesillusioneerd mimede directeur Peter het geldgebaar door ronddraaiende wrijfbewegingen met wijsvinger tegen duim in de lucht. De schuld was het opgelegde positieve discriminatiebeleid van overheidswege. Hierdoor konden basisscholen zoals Het Kleurenpalet in achterstandswijken, zonder grotendeels geprivilegieerde kinderen zoals op De Wielewaal, juist  probleemloos over extra ondersteuning in de vorm van additionele subsidie en aanvullende leerkrachten rekenen. Directrice Sarah van Het Kleurenpalet ging er zelfs prat op. Ze blies haar wit gebloesde en gebobbelde borstkas op en sprak honend over de jaloezie van zogenaamde ‘witte’ scholen op het gemak waarmee ‘Het Kleurenpalet’ de gemeentezaakjes regelde. Ze trok er een gezicht bij alsof ze eigenlijk wilde zeggen:

‘En Het Kleurenpalet dat ben ik en ik ben Het Kleurenpalet.’

‘Toch mooi meegenomen’, zei Thea die, ondanks haar erotische ongenoegen richting Sarah, heel wat minder moeizaam met het markante hoofd van Het Kleurenpalet van gedachten kon wisselen dan met de plooibare directeur van De Wielewaal.

Het gesprek met Peter liep al snel spaak op zijn anekdotes over de geweldige ouderhulp- en steun op De Wielewaal. Thea kreeg het er benauwd van en een overhaastige, beleefd bedoelde, reactie, leverde een Freudiaanse verspreking op;

‘Nou, een hoop kneuterigheid, eh, pardon gezelligheid dus’, babbelde ze quasi geanimeerd.

Peter bleek Oost-Indisch doof voor haar weerzin en antwoordde onverminderd, enthousiast:

‘Jazeker, ongekend. De Wielewaal is net een dorp!’ 

Hij had haar ook naar de keel kunnen grijpen. Het effect zou hetzelfde geweest zijn. Thea snakte naar frisse lucht en besloot op dat moment ter plekke onvermurwbaar dat haar kinderen in geen geval naar De Wielewaal zouden gaan.

Voor haar schuift een mede-ouder een formulier onder haar neus. Hij heeft zich een halve slag omgedraaid in de schoolbank. Zijn dubbele kin rust op zijn schouder terwijl hij haar  onderzoekend blijft aankijken.

‘Even controleren’, verduidelijkt hij uitnodigend.

De vrouw naast hem stoot hem berispend aan, waarop de vader prompt weer in het gareel schiet. Loom kruipt Thea uit haar onderuitgezakte houding en leest haar naam, emailadres en mobiele nummer. Check.

‘Zijn er nog vragen?’, vraagt de ervaren mentor.

Betrapt wappert Thea met de lijst in de lucht. Achter haar zijn de schoolbanken leeg. Ze voelt zich weer 15 jaar. Ze heeft niet opgelet. Uitdrukkingsloos neemt de jongste mentor het formulier van Thea over. Omdat iedereen in beweging komt, maakt Thea ook aanstalten om het lokaal te verlaten. Nu de ouderavond officieel ten einde is, worden de twee mentoren belaagd. Thea moet zich door een afwachtende ouderrij wurmen om buiten te komen. In het trappenhuis stuiven ouders van alle kanten aan haar voorbij en echoën voetstappen en stemmen van lachende en pratende mensen. Thea zit nog steeds in een tijdreis van meer dan 30 jaar geleden. De rommelige atmosfeer, de kleverige leuningen, het vaalgele linoleum in de hal en de gangen, met de versteende kauwgumvlekken. Ook op de granitotraptreden; oud, onverslijtbaar en ontelbare keren met voeten getreden. De snerpende geur van cafeïne in de atmosfeer vermengd met weeïge urinelucht uit de openbare toiletten. Hier heeft de tijd stil gestaan. Ook al zat Thea pak weg 33 jaar terug niet op deze middelbare school en woonde ze in een andere stad. Beneden gekomen staat ze onverwacht oog in oog met Pim. De vader van Melvin. De man met wie Thea zo’n zestien jaar geleden een kortstondige relatie heeft gehad. Ooit was ze intens verliefd op hem geweest. Een zonde van weleer en de tijd. Helaas niet anoniem genoeg om na een bondige groet verder te gaan. Door naar de uitgang. De opengeslagen voordeuren van de school en de mistige belofte van een huiselijke novemberavond lonken.

‘Kijk eens wie we hier hebben’, zegt Pim mat.

‘Ben je alleen?’, vraagt Thea haastig.

‘Nou jij windt er ook geen doekjes om’, lacht Pim de grapjas.

‘Waar is je nieuwe vriendin? Dingetje, kom hoe heet ze nou?’

‘Je bedoelt Femke?’

‘Ja’.

‘Ze is thuis bij haar puber. Waarom wil je dat weten Thea?’

Pim klinkt nu al ongeduldig. Als vanouds.

‘Ga jij in je eentje naar een ouderavond voor je stiefkind?’

Pim zucht.

‘Jij bent toch ook in je eentje?’

‘Ja, maar ik heb geen stiefkind’.

‘Grappig, dat we meteen weer in het oude communicatiepatroon vervallen,’ grijnst Pim. 

‘Doen we dat?’

‘Ja; ik stel een vraag en jij plaatst een bijdehandte opmerking; weet je nog?’

‘Of ik stel een tegenvraag; meestal een retorische’, smaalt Thea.

‘Trouwens, mijn stiefkind gaat niet naar deze scholengemeenschap maar naar het stedelijk gymnasium. Daar heeft Jasmijntje, mijn toppertje, ook haar diploma gehaald. Vier jaar gelden, weet je nog?’

‘Ja, ook dat weet ik nog. Ik weet wie Jasmijn is Pim. Ik ben nog niet aan het dementeren.’

‘Mijn volwassen dochter ja; in tegenstelling tot mijn veertienjarige stiefdochter.’

Zoals gewoonlijk twijfelt Pim aan de oprechtheid van Thea.

Nou ik moet gaan’, zegt Thea, omdat ze zich ineens realiseert dat het haar al met al totaal niet boeit wat Pim hier komt doen.

‘Ik ben hier voor Melvin’, zegt Pim snel, alsof hij toch nog iets op zijn lever heeft en wel even gauw, gauw zijn hart bij haar wil luchten.

Nou zou Thea de kwetsbaarheid van haar ex maar al te graag uit willen buiten, ware het niet dat het geciteerde verbeterpunt in dit geval Melvin is. Haar Betuwe Flipje.

‘Melvin zit toch ook op stedelijk gymnasium, of ben ik nou toch in de war?’

‘Melvin zat op het stedelijk. Na de kerstvakantie komt hij naar deze scholengemeenschap’, antwoordt Pim terneergeslagen.

Hij laat zijn schouders erbij afhangen

‘Kom op Pim, er is leven na het stedelijk gymnasium’.

Melvin was nog geen 2 jaar geweest toen Thea de lift naar beneden in de vrijgezellenflat van Pim voor de laatste keer nam. Jasmijn was net 7 en bleef haar roerloos staan nakijken in de deuropening met een half openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, die Thea vanaf dat moment nooit meer op een onbewaakt ogenblik zou kunnen overweldigen. Thea was niet alleen verlost van Pim maar ook van 2 kinderen die zij niet gebaard had, maar waar ze wel mee zat opgescheept op alle oneven kalenderweken van dat memorabele jaar waarin ze samen met Pim de vrijgezellenflat had gedeeld. Soms. Pim was er bijna nooit. Zeker niet als zijn kinderen op zijn slaapkamer sliepen en de zithoek bij de televisie onveilig maakten. Dan moest hij invallen voor collega’s, heel veel boodschappen doen en vooral in ploegendiensten werken, wat heel moeilijk te controleren was, want Pim was toentertijd naast fulltime fysiotherapeut ook stand-by in het geval van calamiteiten bij een vooraanstaande sportclub. Toen hij na een jaar ineens ook niet langer de moeite nam om tenminste nog ’s nachts naast Thea en zijn dochter Jasmijn in bed te kruipen, was zij haar opgelegde moederrol beu. Thea ziet zichzelf nog staan in het holst van de nacht aan het hoofd van het ledikantje dat op de centimeter nauwkeurig in de ruimte tussen het tweepersoonsbed en de vensterbank geperst was. Melvin hing zwaar in haar armen; zijn koortsige, warme lijfje nog naschokkend van zijn hartverscheurende smeekbedes om zijn mama die in zijn dromen was verschenen. De heimwee en zijn tranen hadden hem uit zijn slaap gerukt. Zijn bezwete kopje rustte op haar schouder, terwijl hij verwoed op zijn fopspeen sabbelde. Het kuifje van Betuwe Flipje kriebelde aan haar linkeroor. Ze rook de grote boodschap in de warme, zware luier die ze met haar rechterhand omvatte. Jasmijn was ook wakker. Ze zat rechtop in bed en moest plassen en wat drinken en huilen. Verwezen keek Thea om zich heen in de half verduisterde kleine, klamme slaapruimte. De uitstraling van het nachtlampje in de vorm van een grijnzende, grimmige Mickey Mouse in combinatie met de straatlantaarnverlichting door de onbedekte streepjes van de luxaflex wekte de illusie van een betonnen, kille gevangeniscel.  Abrupt nam Thea het besluit. Ze deed het grote licht in het slaapvertrek aan, stuurde Jasmijn naar het toilet, verschoonde Melvin, kleedde hem aan en liet hem rechtop staan in zijn babybedje. Fopspeen in zijn mond. Tevreden mummelend bleef hij haar met zijn grote, blauwe, guitige kalverogen volgen, terwijl Thea stug verder modderde door het piepkleine appartement. Jasmijn werd aangetod met de prijzige, modieuze vodden waarin haar moeder haar placht te verpakken. Aan het minikeukenblok kreeg ze een glas Karvan Cevitam. Jasmijn protesteerde en jengelde zoals gewoonlijk, maar zij liet zich niet meer vermurwen door dat treurige hoopje minimens dat zich terecht niet liet afschepen met een surrogaatmoeder in de hoedanigheid van Thea die geagiteerd haar weekendtas vulde met kleren en toiletspullen. De cd’s en boeken mocht Pim houden. Om 5 uur in de morgen waren zo goed als alle sporen van 26 zorgzame weken van de kant van Thea uitgewist en bleef ze in de zithoek op een fauteuil naast de televisie zitten wachten. Jasmijn en Melvin sliepen alweer. Aangekleed en wel.

 

Ruim 4 uur later stak Pim de sleutel in het slot van de voordeur. Melvin sliep rustig verder, maar Jasmijn was al langer dan een uur geleden voor de tweede keer wakker geworden en had zich omringd met verantwoorde kinderliteratuur. Ze bladerde ongeïnteresseerd in de lees- en prentenboeken en riep herhaaldelijk vanuit de slaapkamer dat ze allang op school had moeten zijn.

‘Komt goed Jasmijn’, herzei Thea wel 20 keer. Onbeweeglijk. Uit angst dat anders de pas gemetselde muur, die ze in de afgelopen honderden minuten zorgvuldig om zich heen had gebouwd, weer zou afbrokkelen voor dat kleine, verdrietige meisje. 

Bij de aanblik van haar vader schoot Jasmijn uit bed; richting Pim en klampte zich aan zijn heupen vast. Ze ketste met haar neus af op zijn getrainde spierbuik. Overdonderd ontdeed Pim moeizaam zijn volprezen billen van de zuigende tentakeltjes van zijn dochter en staarde Thea niet begrijpend aan. Hierop greep zij woordeloos haar boeltje en maakte dat ze wegkwam.

‘Gaat Melvin naar 4 of 5 HAVO?’

‘We mogen in onze handjes knijpen als Melvin dit jaar op deze school eindexamen VMBO theorie haalt. Hopelijk kan hij dan volgend schooljaar doorstromen naar de Havo. Maar dat is koffiedik kijken.’

Thea haalt haar schouders op en kijkt Pim veelzeggend aan. Pim wendt zijn hoofd af en murmelt:

‘Je weet hoe zijn moeder is.’

Het doet onveranderd zeer:

‘Houd toch op Pim. Gaat het jou nog steeds om Beau? Vermoeiend hoor, na al die jaren. Moet ik je nou troosten of zo? Wat is de nederlaag? Deze openbare middelbare school? Dezelfde gemengde middelbare school als waar Bart en ik onze kinderen vrijwillig naar toe sturen? Trouwens waar is Beau?’

‘Overzee’.

‘Typisch’.

Pim zucht een tweede keer

‘Beau heeft al jaren een bed and breakfast in Oxford.’

‘The city of Morse’.

‘Wat?’

‘Och niks. Dat is iets tussen Bart en mij. Het gaat toch niet om Beau, maar om Melvin?’

‘Dat is iets tussen Beau en mij’,

Pim blaat het toontje van Thea na alsof hij in z’n ego is aangetast

‘Prima’, zegt Thea, terwijl ze tegelijkertijd Pim haar rug toekeert en in de richting van de uitgang begint te lopen.

‘Het gaat niet goed met Melvin!’, roept hij haar zorgelijk na.

‘Het is hem niet aan te zien’, antwoordt Thea luid en duidelijk over haar schouder.

Pim haalt haar in en vraagt hijgend:

‘Hoe weet jij dat?’

‘Melvin komt regelmatig op bezoek; hij lijkt op je.’

‘Is dat een compliment?’

‘Wat jij wilt’.

Thea blijft doorlopen en star voor zich uitkijken. Pim volgt haar tot aan haar auto op de parkeerplaats bij de school.

‘Waarom komt Melvin bij jou op bezoek?’

‘Gewoon; weet ik veel; voor de gezelligheid denk ik.’

Thea zoekt in haar schoudertas naar haar autosleutels.

‘Bij jou thuis?’

‘Ja, Pim, bij mij thuis’, herhaalt Thea nadrukkelijk, terwijl ze een verbaasde Pim recht in de grote ogen kijkt.

‘Wat doet Melvin bij jou thuis?’

‘Niets bijzonders ontbijten, douchen, chillen.’

‘En, dat vind jij normaal?, stamelt Pim.

Thea heeft haar autosleutels gevonden en met een druk op de knop van haar afstandsbediening opent ze het portier met de bekende plop.

‘Wat houdt dat ‘chillen’ in als ik vragen mag?’

‘Weet ik veel, hij gamed weleens met Walter of Sabine; of hij bemoeit zich met klantjes van ‘Huiswerksterk’.’

‘Met wat?’

Thea gaat achter het stuur zitten. Ze start de Renault. Pim houdt het portier tegen. Geërgerd schudt Thea een paar keer met het hoofd alsof ze haar herseninhoud op moet schudden.

‘Is dit een sollicitatiegesprek? Ik geef nog steeds huiswerkbegeleiding. Mijn bijverdiensten zijn niet opgehouden nadat jij jouw kinderen niet meer goed genoeg vond voor mijn inspanningen.’

Waarom Thea zich in een beschamend verleden ooit tot Pim aangetrokken heeft gevoeld wordt met het verstrijken van de jaren een steeds groter vraagteken, want hij heeft nooit moeite gedaan om haar te begrijpen. Niet tijdens hun ondefinieerbare relatie en niet na haar vertrek. Maar Jasmijn en vooral Melvin hadden last van de roulerende volwassenen in hun dagelijkse routine. De oppasmallemolen. Opa’s en oma’s, ooms en tantes, vrienden en kennissen; mama en haar nieuwe liefde of papa en zijn scharreltjes en allemaal op steeds wisselende locaties. Thea moest niet vergeten dat kinderen wel behoefte hebben aan structuur, consequentie en stabiliteit. Het liefst had Pim haar gewoon tot de orde geroepen. Maar dan in dienst als kinderjuf; dat voelde Thea ook wel. Daar Pim zich echter nooit zou laten kennen, verzon hij de noodzaak van bijlessen voor Jasmijn en Melvin tijdens hun basisschooljaren. Driehonderd euro per maand voor een remedial teacher in de vorm van een veredelde oppas. In het begin nog zwart en met de natte vinger. Toen dat vruchten begon af te werpen en de twee kinderen hoe langer hoe beter presteerden op school, wilde vooral moeder Beau, de enige echte ex-vrouw van Pim, meer resultaten zien. De bijlessen werden stampwerk. Rekenen, taal en wereldoriëntatie oftewel algemene ontwikkeling. Oefenen, oefenen en nog eens oefenen. Sommen, ontleden, dictee, topografie, tekst verklaren, de tafeltjes van buiten knallen en vooral ‘oefentoetsen maken’. Citotoetsen. De één na de nader. Thea plukte ze kosteloos van het internet, downloadde en printte de opdrachten om ze vervolgens te bundelden. Voor Jasmijn in een roze mapje. Voor Melvin met een blauwe omslag. De antwoorden hield ze zelf, want die had ze hoognodig bij het nakijken. In het huis van Thea en haar nieuwe partner Bart golden de wetten van Thea en die strookten niet met het reguliere pedagogische verantwoorde circuit. Net als de kilo’s roomvanille kabelspekken, Engelse drop, Haribo gummieberen en chips die tijdens de jarenlange bijlessen verorberd werden; weggespoeld met liters Coca Cola of Fanta onder het genot van de laatste buurtnieuwtjes, sappige basisschoolroddels en de meest melige moppen en raadsels die eigenlijk niet door de beugel konden. Bart, die Pim wat Thea betreft in geen tijd overschaduwde, bleek voor een prikje IPads op de kop te kunnen tikken. Hij werkte toen ook al in een rekencentrum en heeft altijd makkelijk toegang tot en een zwak voor allerlei technische gadgets  gehad. Daar maakten Thea en haar 2 thuisleerlingen dankbaar gebruik van. Spelenderwijs. Thea achter haar laptop en Jasmijn en Melvin met ieder een IPad.  En hoewel Thea het veel minder nauw nam met het stampwerk dan Pim en vooral zijn ambitieuze vrouw Beau dat graag hadden gezien, scoorden zowel Jasmijn als - vijf jaar later - Melvin belachelijk hoog bij de eindtoets van groep 8. Thea had ze alle twee figuurlijk het stedelijk gymnasium in gestampt. Daarna was het uit met de pretletters en de cijferkoekjes en moest Thea haar maandelijkse extraatje ergens anders vandaan zien te halen. Gelukkig had ze in de loop van haar lesjaren met Jasmijn en Melvin een reputatie op weten te bouwen als een succesvol huiswerkbegeleidster bij minder klassenbewuste ouders. Zij waren wel bereid om ook tijdens de middelbare schooltijd van hun kind  100 euro per maand neer te tellen voor de ondersteuning van Thea. Wit deze keer. Thea was zeker van haar zaak. En nee, ze was geen gediplomeerd onderwijzeres of lerares, maar had een H.B.O. opleiding genoten en afgerond. Bovendien was ze, boven haar eigen verwachting,  kennelijk in staat om twee kinderen met een gangbaar intelligentie quotiënt het stedelijk gymnasium in te loodsen. Op eenzelfde soort manier zou die middelbare schoolstof ook wel bij elkaar te vegen zijn. Na een afgeronde bijscholingscursus was Thea nu alweer vijf jaar, na aftrek van de belasting, verzekerd van zo’n 750 euro extra per maand. Dankzij gemiddeld 10 kandidaten per schoolsemester die bij haar thuis aan de keukentafel schoven en officieel door Thea ‘Huiswerksterk’ werden gemaakt.

‘Dus jij wilt beweren dat Melvin interesse heeft in jouw onderneming in huiswerkbegeleiding, terwijl hij zijn eigen huiswerk jarenlang compleet heeft verwaarloosd?’

‘Misschien is hij verliefd op Sabine of op de één van de meisjes van Huiswerksterk?’, oppert Thea welwillend, omdat ze zich, tot haar schaamte, nooit noemenswaardig verdiept heeft in de beweegredenen van Melvin om bij haar op bezoek te komen.

Er komen dagelijks zoveel middelbare schoolkinderen bij haar over de vloer dat Thea feitelijk gestopt is om te differentiëren. Nou ze er noodgedwongen enigszins over nadenkt is de chronische aanwezigheid van Melvin in haar leven inderdaad allerminst ‘normaal’ te noemen. En Melvin en Sabine zien elkaar amper staan, dus van een eventuele extra erotische dimensie, is al helemaal geen sprake. Dat ziet zelfs een blinde. Voor de volledigheid gaat Thea in haar hoofd ook even het huidige bestand van Huiswerksterk na. Twee meisjes maar dit semester. Eén Islamitisch  meisje met een hoofddoek dat zoveel plichtsbesef uitstraalt dat zelfs Thea er ongemakkelijk van wordt en een kinderlijk typetje met strikjes in het haar en een boekentas van het merk ‘Hello Kitty’ met een troetelbeertje aan het handvat. Duidelijk geen van tweeën potentiele kandidaatjes voor een toughie als Melvin.    

‘Vanzelfsprekend’, spot Pim.

‘Of misschien is het m’n webshop’, oppert Thea aarzelend.

‘Dat vindt hij ook wel interessant, mijn webshop in retrospullen.’

Met zijn vrije hand slaat Pim tegen zijn voorhoofd:

‘O ja, natuurlijk; de webshop van Thea met haar besmettelijke passie voor de retrokunst.’

‘Ben je klaar?’

Beledigd zet Thea de pook in de eerste versnelling en ontgrendelt bruusk de handrem. 

‘Hey, kan Melvin misschien ook weer bij jou in de leer? Als hij kennelijk toch al zo vaak bij je thuis rondhangt?’, stelt Pim plompverloren voor. 

Er klinkt zowaar een serieus ondertoontje door zijn overheersende cynisme.

‘Weet je zeker dat Femke het geld voor bijlessen aan Melvin wel kan missen?’

Pim leunt tegen het portier met zijn mond vlak bij haar oren. Ze tuiten als hij uitroept:

‘Wat heb jij toch tegen Femke. Ik dacht dat jij zo jaloersmakend gesetteld was met Bart en die huiselijke gezelligheid die mijn zoon kennelijk  ontbeert?!’

‘Ik begrijp van Melvin dat Femke erg zuinig is’, antwoordt Thea stoïcijns.

‘Ze gooit geen geld over de balk Thea. Als je dat suggereert. Trouwens zij hoeft de bijlessen van Melvin niet te betalen. Dat doe ik. Melvin is mijn zoon. Wat gaat me dat kosten?’

‘Dat moet ik even nakijken. Thuis. Daarvoor moet jij me naar huis laten gaan. Goed?’

Demonstratief drukt Thea het gaspedaal in. De Renault loeit. Met tegenzin trekt Pim zich terug en slaat met een klap het portier dicht. Hij gaat op zoek naar zijn eigen auto. Kort daarna hoort hij tot zijn verbazing de Renault afslaan. Als hij omkijkt ziet hij dat Thea haastig uit de auto stapt. Alsof ze nog iets aan hem kwijt wil. Achter haar klinkt het autoslot. Verwachtingsvol gaat Pim alvast in de verdedigingshouding klaarstaan. Ze komt recht op hem aflopen, terwijl ze haar sleutelbos met afstandsbediening in haar schoudertas keilt. In volle vaart suist Thea geërgerd langs Pim af. Terug naar school, onder begeleiding van de woorden:

‘Door jouw gedram zou ik glad vergeten dat ik nog een tweede ouderavond voor de boeg heb.’

 

HOOFDSTUK 3

Huiswerkbegeleiding is vooral thuiswerk en ook voor haar webshop in retrospullen hoefde Thea haar peuters niet naar een crèche te sturen.

‘Noem het toch gewoon een webwinkel in tweede hands spullen’, stelt Bart vaak voor, omdat hij maar niet wil snappen dat een treffende benaming veel minder artistiek overkomt en dus niet zo lucratief zou zijn. 

Met het thuiswerk van Thea gaat natuurlijk wel de nodige administratie gepaard en die deed ze vroeger tijdens de schaarse ogenblikken die Sabine en Walter op de wijkpeuterspeelzaal doorbrachten. Thea was overstag gegaan voor twee ochtenden in de week op dringend verzoek van het hoofd van de speelzaal die de potentiële aanwinst van jonge kinderen als Sabine en Walter in de buurt standaard doorkreeg via het consultatiebureau. Haar naam was  Merel en ze was een slecht opgemaakte, opgewaardeerde ervaringsdeskundige met een diploma van een vage h.b.o. opleiding in de hulpverlening en een volwassen dochter. Ze had een zichtbaar eetprobleem, ondergewicht en een nonchalante knot grijzend haar die losjes bungelde in een lange rimpelige nek. Haar gezicht was getekend met een zure uitdrukking. Vastgeroest in zo’n zeemlederen bruingele, verschrompelde huid die bij veel verjaarde meisjes opdoemt na jarenlange buitenissige zonaanbidding. Haar suède jas met elleboogstukken was lang met smoezelige vlakken in beigetinten. Ze droeg een versleten canvas schoudertas met protestbuttons uit de vorige eeuw. Op de momenten waarop Merel aanvankelijk van zich deed gelden, door onverwacht op huisbezoek te komen, parkeerde ze haar, ludiek met roze verf bekladde en met plastic bloemenkransen opgeleukte, omafiets tegen de vensterbank van het huiskamerraam. Geen ontkomen aan het geluid van het klikkende fietsslot en het hitsige tikken met het sleuteltje tegen het raam. De aankondiging van de komst van Merel werd afgemaakt met een korte maar krachtige druk op de deurbel. Huiverend haalde Thea zich het beeld van een knokige heksenwijsvinger voor de geest Tegen beter weten in, maar uit plichtsbesef liet Thea ten einde raad, het zenuwslopende hoofd van de wijkpeuterspeelzaal de ruime, sfeervolle woning binnen dringen. Haar vinnige aanwezigheid kwam voortdurend ongelegen. Merel installeerde zich in een stoel aan de keukentafel, zonder zich van haar jas en schoudertas te ontdoen en liet steevast 4 klontjes suiker en een schepje Completa in haar koffiemok verdwijnen. Daarna begon het roeren; het aanhoudende kleppen van het lepeltje tegen de binnenkant van de mok, terwijl ze Thea monsterde met een achterdochtige vooringenomenheid:

‘Nee, doe maar gewoon wat je altijd doet; let maar niet op mij.’

Thea liep zich te verbijten in haar duster, terwijl ze de tweejarige Walter in z’n geliefde loopstoeltje propte en de driejarige Sabine uit gemak in de huiskamer in een boks voor de televisie zette. Teletubbies was net begonnen.

‘Misschien kun je Sabine even niet in de boks zetten?’, opperde Merel bedillerig.

Thea negeerde haar. Ze gaf Walter in zijn loopstoeltje een dubbelgevouwen witte boterham met pindakaas in de hand. Die at hij tenminste:

‘Loopstoeltjes zijn eigenlijk heel gevaarlijk; dat wist je denk ik niet zo goed, of wel?’

Thea schokschouderde en ontweek Walter die als hij de kans kreeg de hele benedenverdieping af sjeesde in zijn loopstoeltje van het merk Cars. Een zitje in een knalrood autoframe op wieltjes met een kikkergroen plastic stuur, een enorme gele toeter en witte neplichten in de vorm van ogen aan weerszijden. Walter navigeerde het loopstoeltje met zijn mollige, bezige beentjes. Per ongeluk sneed hij z’n moeder af en verloor zijn boterham ergens onderweg. Gelukkig hing zijn speen aan een touwtje aan zijn hansopje voor het toehappen.

‘En uit het vuistje eten kan ook niet altijd. Ik weet dat het moeilijk is, maar probeer nou eens kritisch naar jezelf en je moederrol te kijken.’

Thea viel haar in de rede:

‘Ik dacht dat ik gewoon moest doen wat ik altijd doe en dat ik niet op je moest letten.’

‘Ja sorry, Thea, meestal filmen we dit soort toestanden ook gewoon en die opnames kunnen we dan samen terug zien. Dan kun jij als overbelaste moeder – want dat ben je, dat zie ik heus wel aan de kringen onder je ogen - afstand nemen, snap je?  Dan heb je pas goed door dat jij je driejarige dochter Sabine bijvoorbeeld in de boks, pal voor de televisie tekort doet. Niet expres. Je bent gewoon oppelepop. Maar gaat zo’n ukkepuk spelen in de boks? Is er een uitdaging? Ja, er ligt genoeg duur speelgoed. Overvloedig. En toch zijn die bewegende beeldjes op het scherm natuurlijk veel te verleidelijk. Geen wonder. Het aanbod blijft beperkt; want ja, een kind moet toch vrij kunnen rondlopen, ontdekken, alle vijf de zintuigen gebruiken en spelenderwijs ontwikkelen en niet alleen maar staren omdat het wordt opgesloten in een kooi.’

Thea liep gewoontegetrouw even de huiskamer in om zich van de gemoedstoestand van Sabine te vergewissen. Haar kleine handjes omknelden de houten boksrand. Ze wipte van het ene beentje op het andere en zong zachtjes mee met de Teletubbies. Sabine keek graag televisie. Bart en Thea hadden een ruime collectie kinderdvd’s voor haar aangelegd. Sommige films had ze al wel 20 keer gezien. Zo kende ze het complete script van de Lollifanten (Winnie de Poeh in Walt Disney uitvoering) uit haar hoofd en kon ze ook bij Bambi met alle figuurtjes meepraten. Merel ging gewoon verder met preken: 

‘En Walter moet zelf lopen. Niet in een loopstoeltje. En hij moet aan tafel eten. Een bruine boterham en liefst niet met pindakaas, want je weet helemaal niet zeker of hij allergisch is of niet.’

Bruusk opende Thea de keukendeur. De herfstwind blies haar tegemoet en de deur wagenwijd open. In de zak van haar duster vond Thea een pakje sigaretten en een aansteker. Ze leunde uitgeput van de ingehouden woede met haar schouder tegen de deurpost en inhaleerde diep.  Na zo’n zestal onaangekondigde bliksembezoekjes van Merel was de weerstand van Thea dan ook volledig  gebroken. Wat had het voor zin om zich te verzetten tegen rekrutering van haar kinderen voor De Kleine Beer? Een gesubsidieerde speelzaal op de hoek van de straat in haar achterstandswijk. Maar dat niet alleen! Op deze peuterspeelzaal voelden de leidsters zich geroepen  om de binnen gehaalde peuters stuk voor stuk klaar te stomen voor hun stokpaardje: de basisschool van de achterstandswijk. Het Kleurenpalet.

Want Kleurenpaletwaardig werd een peuter zomaar niet. Hiervoor moesten de ukjes van De Kleine Beer allereerst voor hun vierde levensjaar uit de luiers en zindelijk zijn. Ten tweede moesten de Kleine Beergangers langer dan vijf minuten op een stoel kunnen blijven zitten. En omdat driemaal scheepsrecht is, werd het derde en tevens laatste leerdoel toegespitst op het, zonder al te veel morsen en handen en voetenwerk, op een redelijk geciviliseerde manier naar binnen  schuiven van een fruithapje, boterham en melkdrankje. Dat melkdrankje mocht dan uiteraard niet langer meer uit een knoei vaste gesloten beker met tuitje genuttigd worden.

Alsof Thea in haar thuissituatie helemaal nergens toe in staat was. Maar dat zag ze toch verkeerd volgens Merel met het oog op het maatschappelijke belang van de praatkring met leeftijdgenootjes en de bijbehorende inloopochtenden voor mama’s. En niet te vergeten de speltherapie in groepsverband die onder moeders rokken natuurlijk onmogelijke ervaringen bleven. En uiteraard mocht er vijftien minuten vrij gespeeld worden. Liefst buiten. Ook bij regenachtig weer in verband met de seizoensbeleving. 

 

De ouders en verzorgers werden voornamelijk geacht om zich kritiekloos te onderwerpen aan het pedagogische inzicht van Merel met in haar kielzog een handje vol leidsters met wie zowel het voetvolk als hun kroost maar net een klik moesten hebben. De Kleine Beer werd simpelweg neergezet als een vereiste voor de hoognodige socialisatie van wijkkleintjes die – te wijten aan hun asociale afkomst - kennelijk vanzelfsprekend, zonder uitzondering, kampten met een taal, cultuur en/of andere achterstand. Van Thea en Bart werd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage gevraagd die – gezien het restant van de ouders dat verder niets anders dan uitkeringsgerechtigden telde -  bij De Kleine Beer alleen voor hen gold.

 

De Kleine Beer was dan ook officieel een peuterspeelzaal in een achterstandswijk. Te herkennen aan de ondersteuning in de vorm van extra leidsters van een relatief kleine bende peuters. De verhouding was ongeveer één op zes. Zowel Sabine als Walter bezochten De Kleine Beer op verschillende tijdsstippen, maar ze werden wel alle twee bij Merel en juf Maaike ingedeeld. Daarnaast stond een ongeschoolde kracht – in het geval van Sabine en Walter – Ilem met de hoofddoek -  garant voor het verschonen van luiers en het schillen, pellen en snijden van de fruithapjes die bij de prijs waren inbegrepen. Tijdens de vakantie en feestdagen liep de teller ook gewoon door. In het geval van Sabine en Walter gemiddeld 200 euro per kind per maand. Voor 4 schamele uurtjes speelplezier in de werkweek en een hoop gezeur aan het hoofd van Thea.

Sabine liet zowel het regime van juf Merel als de toegewijde surveillance van onderjuf Maaike veerkrachtig over zich heen komen. Ze vond makkelijk aansluiting bij de 12 kinderen in haar groep. Merel het peuterhoofd had uiteraard moeite met het ongecompliceerde optreden van de dochter van Thea en Bart. Er kon namelijk ook een dieper liggende oorzaak ten grondslag liggen aan de meegaandheid van Sabine. Merel het  peuterhoofd dacht aan een emotionele achterstand of een andere vorm van blokkade. Thea deed alsof ze gek was en juf Maaike deed met haar mee. Ze mocht dan wel één van de ondergeschikten uit het peuterjuffenbestand van Merel het peuterhoofd zijn, maar ze had zelf drie jongens grootgebracht en je kon haar nog meer vertellen. Tijdens een ouderochtend vanaf de mamatafel viel het Thea voor het eerst op dat juf Maaike kleine Sabine in bescherming nam door haar onopvallend naar zich toe te trekken uit het immer dreigende vonnis van Merel het peuterhoofd dat overal in De Kleine Beer op de loer lag. Gelukkig liet de aandachtspanne van Merel het peuterhoofd nogal eens te wensen over. Zeker ten aanzien van de kids die niet tot de favo’s van het opperhoofd gerekend mochten  worden. Kinderen zoals Sabine bijvoorbeeld. Gedurende de pieken van het opperhoofd zat Sabine veilig op schoot bij juf Maaike. Sabine vertelde later dat ze wel:  

‘meer keertjes’

door juf Maaike werd opgetild:

‘knuffelpauze’.

Nooit lang:

‘Kleine keertjes.’

Thea kon wel raden waarom. Merel het peuterhoofd was snel afgeleid door de aandachttrekkerij van de over gebleven probleemgevalletjes om haar heen en ze had zo haar eigen voorkeuren.

‘Ik heb veertig jaar ADHD gehad zonder diagnose’, beweerde Merel het peuterhoofd tijdens één van de vele ouderinloop ochtenden bij wijze van verontschuldiging voor haar slordige betrokkenheid bij Sabine.

Thea geloofde het graag, maar het viel haar wel op dat Merel het peuterhoofd met sommige andere kleintjes wel langer dan 1 minuut kon haffelen, tutten, knuffelen en babbelen.

‘Heb je nou Ritalin dan Merel?’, knipoogde Thea naar Maaike, die openlijk geen partij wilde of kon kiezen en haastig wegkeek .

Maar ze bleef zich koppig ontfermen over peuters die de goedkeuring van Merel het peuterhoofd niet konden wegdragen. Later leerde Thea precies waarom. Op een onbewaakt moment kon Merel het opperhoofd onverbiddelijk en zelfs destructief optreden tegen iedereen die haar pad kruiste en dus of juist ook tegen het merendeel van haar kleine gastjes, waarvan de oudsten ocharm hooguit amper 4 jaar op deze aardbol rondliepen. Zelfs haar lievelingetjes werden niet ontzien als Merel het peuterhoofd zo ineens, onaangekondigd - ook tijdens ouderinloop ochtenden – haar peuterspeelzaaldag niet had. Dan werd er gesnauwd en gedrild en overlapte de ene afkoelingspauze de andere time-out in zo’n sneltreinvaart dat geen peuter meer aan het speelkwartiertje toekwam. Sommige ukjes schoten na de eerste uitbrander al, met ogen als pingpongballetjes en lam geschrokken, in een paniekstuip. Anderen sprongen uit voorzorg automatisch in het gareel, omdat ze stemmingswisselingen van het Merel  peuterhoofdkaliber van huis uit gewend waren. En een enkeling, zoals Sabine, haalde de schoudertjes op en schuilde op haar hurken onder de hoge mamatafel in de hoek van de peuterspeelzaal totdat de storm geluwd was. In die houding vond Thea haar dochter meermaals terug tijdens het ophalen en dan wist moeder de vrouw wel weer hoe laat het was.

Ook Walter had  maar weinig problemen met de andere peuters uit zijn speelgroep. Toen hij gebeten werd op de peuterspeelzaal was het incident wat hem betreft na 2 minuten alweer vergeten. Thea had wat meer moeite met de oeruiting van het bijtgrage vriendje. De tandafdrukken in de onderarm van Walter waren nog dagen later getuigen geweest van losgeslagen agressie in de kinderschoenen. Daar kwam nog bij dat het dadertje bij navraag een hartendiefje van Merel het peuterhoofd bleek te zijn. Een half Marokkaans jongetje dat opgroeide in een éénoudergezin met een Nederlandse moeder. Een potige, imposante volksvrouw in schaarse, actuele kleding die Thea herkende van haar wekelijkse bezoekjes aan de markt in het centrum van de stad. Ze had een lage, schorre stem en net niet genoeg tattoos om haar ongeklede lading te dekken. Haar enige zoontje Arda was in de ogen van de wereldvreemde Merel het peuterhoofd uiteraard het prototype van een kansarm kereltje dat juist beschermd moest worden tegen een blaag als Walter. Hollands welvaren dat tegen een stootje moest kunnen en dat overduidelijk niet op Merel het peuterhoofd zat te wachten. Haar betuttelende aanpak werkte op de prille zenuwtjes van Walter. Terwijl hij toch naar de peuterspeelzaal gestuurd werd om spelenderwijs te leren socialiseren en niet om perfect te zijn. Misschien was Merel het peuterhoofd met haar ‘peuterpubertijd’ als stokpaardje juist wel de storende factor in plaats van Walter die de speelzaalperiode tussen zijn tweede en vierde jaar echt heeft ‘overleefd’ in plaats van doorlopen. Maar achteraf praten is makkelijker dan een situatie op het goede moment correct regisseren. Niemand had openlijk wat op Merel het peuterhoofd aan durven merken. Niemand behalve Thea en wie geloofde haar nou met haar apenliefde? Dus moest moeder Thea op inloopochtenden vaak machteloos toezien hoe niet juf Maaike, zoals bij haar dochter Sabine, maar Merel het peuterhoofd, haar zoontje tegen zijn wil bij zich op schoot trok. Walter placht dan bij voorbaat de lippen strak opeen te persen, zijn ogen te sluiten en kaarsrecht te blijven zitten. De handjes in zijn schoot ineen geklemd. Want Merel het peuterhoofd begon in de nabijheid van Walter steevast op hem in te praten op een tenenkrommende toon die ook bij Thea het bloed deed koken. Maar Walter was te klein om zijn frustratie doelgericht te stroomlijnen en zich in te houden. Walter reageerde vaak te luidruchtig, ongedurig en boos in de buurt van Merel het peuterhoofd.

‘Je bent boos he? Dat snap ik best hoor!’, toeterde Merel het peuterhoofd bijvoorbeeld met toenemende kracht in het oor van Walter met die penetrante stem van haar.

‘Maar niet alles draait om Waltertje. Ik snap best dat je dat zou willen. Ik wil ook best dat alles om Merel draait. Maar dat is niet zo. Soms valt het mee en soms valt het tegen!’

Ze ramde de woorden stelselmatig via zijn gehooringang in de kleine hersentjes, terwijl ze de greep om zijn lijfje verstevigde. Walter kneep zijn kijkers nog vaster opeen tot gerimpelde streepjes;  stopte zijn wijsvingertjes in de oortjes en begon te brullen. Steeds harder en wilder. Het snoetje werd eerst roze, toen rood en vervolgens paars en bewoog mee op het ritme van zijn protestuitingen. Oerkreten. Totdat Merel het peuterhoofd hem ten einde raad en overschreeuwd uit haar klauwen en schoot verloste. Gekalmeerd distantieerde Walter zich van de toestanden en zocht met een betrokken, behuild gezichtje, de vuistjes gebald en nog na snikkend, een uitweg bij het spel van zijn leeftijdgenootjes of soms bij een overdonderde Thea. Tenminste als Thea toevallig op het juiste moment op de speelzaal aanwezig was om Merel het peuterhoofd op haar onkunde te betrappen. Op navraag thuis liet Walter nooit wat los over Merel de peuterjuf, maar juf Maaike vond hij aardig. Dus waarschijnlijk fungeerde juf Maaike in noodgevallen ook voor Walter als uitvalbasis voor de invasies van Merel het peuterhoofd op De Kleine Beer. Net als bij Sabine die in een andere peuterploeg, voor gevorderden, nog steeds uit de wind ging zitten. Maar Walter daarentegen liep juist tegen de wind van de preken en valse intonatie in. De gespleten persoonlijkheid van Merel het peuterhoofd werkte op hem als een rooie lap op een stier. Hij reageerde direct. Woest, driftig, kont tegen de krib. Dat viel op en Merel het peuterhoofd was diep in haar peuterjuffeneer aangetast. Ze had de knoet er bij al haar kleine grut onder, behalve bij Walter. Wat Merel het peuterhoofd betreft zat Waltertje dan ook helemaal fout. Altijd en overal. Waltertje was de gebeten hond. Zo ook in het geval van het bijtincident met een medepeuter, waaraan Walter dus die melktandafdrukken in zijn onderarm had overgehouden: 

‘Ik heb het niet zien gebeuren, maar wat wil je nou!? Arda is een jongetje. Mijn handen zijn gebonden, want alle echte jongetjes bijten nou één maal’.

‘Walter niet’.

‘Dat zegt genoeg’.

‘Dat komt natuurlijk omdat jij weet wat echte jongetjes zijn’, sneerde Thea.

Ze moest zich telkens weer geweld aandoen om alert op de botheid van Merel het peuterhoofd te reageren, omdat ze steeds opnieuw geneigd was om, met stomheid geslagen over het lompe gedrag van het  peuterhoofd, in haar schulp te kruipen.

‘Nou ik ben er anders helemaal niet blij mee’, zei de moeder van Arda die zich onverwacht in de conversatie mengde.   

Ze richtte zich tot Thea, terwijl ze Merel het peuterhoofd met haar houding nadrukkelijk buiten spel zette:

‘Sorry. Ik heb de tandafdrukken in de onderarm van Walter gezien. Dat is niet normaal.’

Ze riep Arda en Walter, die allang weer samen aan het spelen waren, bij zich. Het duurde even, maar na drie keer manen wisten de ventjes zich van een houten trein los te maken en sjokten via omwegen richting de moeder van Arda die aan de mamatafel troonde. Ze greep de onderarm van Walter en hield de tandafdrukken, die na vier dagen in even zoveel blauw gekleurde putjes getransformeerd waren, onder de ogen van haar zoon.

‘Heb jij gebeten Arda?’

‘Nee’.

‘Zeg maar sorry tegen Walter’.

‘Sorry’.

‘Goed’, antwoordde Walter, terwijl hij zijn onderarm uit de greep van Arda’s moeder wurmde.

‘Lekkere ventjes’, riep ze Walter en Arda vergenoegd na.

Twee speelochtenden later was Arda ook het lieverdje van Merel het peuterhoofd af. Hij had haar op een onbewaakt moment tegen de schenen geschopt. Letterlijk en figuurlijk.

‘Dat maakt veel goed’, concludeerde Bart voldaan.

Op de dag van hun vierde verjaardag vertrokken nagenoeg alle peuters van de Kleine Beer naar groep 1 van basisschool ‘Het Kleurenpalet’. Niet zozeer de ouders, maar veel opa’s en oma’s plaatsten vraagtekens bij een keuze voor het zwarte stempel van de wijk en de bijbehorende basisschool, maar eindigden na een korte confrontatie met het eigen onvermogen en een ondoordringbare maatschappelijke muur, als vanzelf toch weer met hun (klein)kind bij Het Kleurenpalet. Behalve Thea en Bart.

Dochter Sabine zou als enige voormalig misplaatste peuter van speelzaal ‘De Kleine Beer’  ook op ‘De Wielewaal’ in de witte wijk een paar straten verder terecht hebben gekund. Thea en Bart golden immers als hoog opgeleid en kredietwaardig. Zij lieten zich niet afschrikken door de poespas van lastige probleemstellingen en een papierdoolhof van aanvraag- en identiteitsformulieren, zoals hun wijkgenoten. De opgeblazen reputatie van basisschool De Wielewaal voor kinderen van zogenaamde ‘welgestelde’ ouders, was echter wel aanleiding genoeg voor Bart en Thea om toch maar voor Het Kleurenpalet te gaan. Vooral Thea voelde zich niet thuis bij die zelfverheerlijking. Wel was ze sociaal intelligent genoeg om haar lippen stijf op elkaar te houden over haar aanvankelijke, weloverwogen voorkeur voor Het Kleurenpalet ten opzichte van De Wielewaal. Ze zou haar verhaal trouwens ook niet kwijt gekund hebben aan de wandelende hoofddoekjes of de heupwiegende tienermoeders om haar heen op het schoolplein en in de wandelgangen van Het Kleurenpalet. Sowieso bleef 80 procent van de mede-ouders permanent onzichtbaar op afhaal- en wegbrengmomenten, schooluitjes of andere bijeenkomsten. Dat leek verdacht veel op desinteresse. Toch had de fysieke afwezigheid van veel ouders op Het Kleurenpalet eerder alles te maken met de kenmerkende schoonmaak- of andere werkzaamheden in ploegendiensten voor laaggeschoolden uit een achterstandswijk. Onregelmatige diensten betekende een beroep op de ‘normale’ dagindeling van de gepensioneerden of anderszins uitkeringsgerechtigden. Derhalve  werd zowat driekwart van de papa’s en mama’s vervangen door de oppasgrootouders van de ukjes. Vijftigplussers die peuterzaal De Kleine Beer en later Het Kleurenpalet slechts vluchtig aandeden om het kleinkind snel te brengen en in haast op te halen. De bijbehorende, veelbelovende, jolige, tijdrovende peuterspeelzaalrituelen en/of  buitenbasisschoolse activiteiten voor en door ouders en verzorgers hadden deze ouden van dagen al een generatie achter zich gelaten. Ongeacht het land van herkomst. Van de resterende 20 procent van de zichtbare verzorgers sprak het overgrote deel niet tot nauwelijks Nederlands of Engels en het restant -  een zuinig zwikkie inlandse papa’s en mama’s - was niet ouder dan twintig jaar. Meestal voldeden ze prima aan het stereotype beeld van het luidruchtige tatoostel. Johnny en Anita op Het Kleurenpalet en Henk en Ingrid op De Wielewaal. Tenminste als ze niet al gescheiden of simpelweg uit elkaar waren door een verbroken verkering. Zo nu en dan verscheen Johnny op de peuterspeelzaal met een patroon in zijn opgeschoren kapsel. In slim fit merk jeans, Ralph Lauren polo en Adidas trainers. Rechtstreeks van de sportschool met een houding alsof hij op de doorreis was en zijn behoeftige peuter een overgewaardeerde tussenstop. Anita dook zo vaak mogelijk bezitterig naast Johnnie op met een rij piercings in oren en neus en met extensions in een enorme bos opgestoken krullen. Ze liep danig naast haar originele Uggs. In haar huispak. Bling, bling achter de buggy. Oppervlakkig en nooit om een praatje verlegen. Lawaaierig en vol branie in de veiligheid van de veelkleurige kudde die het ouderbestand van ‘De kleine Beer’ typeerde.

Veertigers, zoals Thea en de moeder van Arda, vormden overduidelijk de minderheid en werden gedoogd. Met name Thea was vaak ook een bron van onbegrip en grote hilariteit. Thea had geen tatoo’s, piercings, extensions of opgestoken krullen en een mobiele telefoon van wel 3 jaar oud:

‘Wat heb jij nou voor een prehistorisch ding?’

Zelfs de aanwezige hoofddoekjes schaterden mee. Om pijnlijke situaties te voorkomen reageerde Thea niet. Ze wist bij voorbaat dat elke kolderieke reactie of rake tegenopmerking verkeerd zou vallen. Het was niet kwaad bedoeld. Maar wel vermoeiend, omdat de onwennigheid bleef. Wederzijds.

Het peuterspeelzaalhoofd was het bindmiddel. Want zoals mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis  wel vaker van het ene uiterste in het andere schieten; kon Merel naast ultra-irritant ook opmerkelijk onderhoudend zijn en bleef ze een interessant aanspreekpunt voor iedereen die met haar geconfronteerd werd. Als Merel het peuterhoofd zin had dan declameerde ze verhaaltjes voor de peutertjes. Al naar gelang de stand van de tooi van het opperhoofd soms op elke peuterspeeldag van wel zeven weken achtereen.  Dan weer twee maanden niet. Ze kon erg beeldend voordragen en al had Merel het peuterhoofd zich overduidelijk laten inspireren door televisiehelden als Ome Willem en meneer Kaktus; toch had ze een zeldzaam functioneel acteertalent dat zeker niet zomaar iedere peuterjuf gegeven is.

Reden te meer voor Merel het peuterhoofd natuurlijk om alle ouders, te allen tijde, welkom te heten bij haar optredens op de peuterspeelzaal. Thea werd zelfs steevast op persoonlijke titel mondeling uitgenodigd. Op een onbewaakt moment zei ze zo nu en dan weleens toe. Dan liet Merel het peuterhoofd niet meer los en werd Thea gegarandeerd aan de lopende band aan haar belofte, om naar de kunstjes van Merel het peuterhoofd  te komen kijken, herinnerd. Nodeloos te vermelden dat Merel het peuterhoofd graag in het middelpunt van de publieke  belangstelling stond. Ze had een broer die bekend was van de radio en televisie waarover ze tot vervelends toe opschepte. De enige bij wie de naam van de beste man echter in de verte een belletje deed rinkelen was bij Thea. Gevolglijk liet Merel het peuterhoofd geen kans onbenut om met Thea over haar bekende broer in plaats van over Sabine en/of Walter te praten. Niet uit trots, maar veel meer om aan te geven dat acteren in haar genen zat. Dus indirect om over zichzelf te kunnen zagen. Merel het peuterhoofd had geen peuterhoofd maar eigenlijk actrice moeten zijn. Ze kon er niets aan doen dat haar aangeboren kunstzinnigheid bij vlagen opspeelde. 

En op die ongecontroleerde manier speelde er wel meer waartegen Merel niet gewapend was. Sabine had bijvoorbeeld een hechte peuterspeelzaalvriendschap ontwikkeld met Sandu; een driejarig jongetje van Roemeense afkomst. ’s Morgens werd hij gebracht door zijn vader. Een nors, barbaars bouwvakkerstype. Bij binnenkomst rende Sabine allang niet meer op haar vriendje af, omdat ze dan een Roemeense grauw van senior kon verwachten. Hij bekeek Sabine alsof ze ongedierte was dat eigenlijk maar beter vertrapt kon worden. Hij maakte al aanstalten door met zijn bezoedelde werkschoen een reflexmatige schop in de richting van het kleine meisje te geven. Thea protesteerde zwakjes. Voorzichtig,  omdat ze nog niet helemaal zeker was van het schouwspel dat zich zojuist voor haar ogen had afgespeeld:

‘Hey, idioot doe je dat thuis ook?!’

Merel het peuterhoofd keek Thea vermanend aan, maar de vader van Sandu deed alsof hij haar niet verstond. Zijn zoon hield hij bij zich. Zijn enorme kolenschop van een poot omklemde de onderarm van het ventje dat geen krimp gaf en leeg voor zich uit staarde. Totdat hij plotseling door papalief in het midden van de peuterspeelzaal werd achtergelaten. Prompt leefde Sandu op en vond zijn weg naar Sabine die hem hartelijk in haar speelkringetje opnam. Maar Merel het peuterhoofd  had eigenlijk liever niet dat Sandu met meisjes in het algemeen en Sabine in het bijzonder speelde.

‘Ik vind Sabine soms erg dominant. Als Sandu genoeg van Sabine krijgt, dan haal ik ze uit elkaar. Dat is in het belang van beide kinderen’.

Thea stond paf. Ze was razend. Was Sabine soms te min voor Sandu? Moest er weer naar de pijpen van een uitheemse ouder gedanst worden? Zet dan niet twee geslachten samen op één peuterspeelzaal als jongens en meisjes zo nodig gescheiden moeten spelen. In de onderbuik van Thea woedde een orkaan van gekwetste emoties die zo stormachtig waren dat ze geen zinnig woord kon uitbrengen. Haar kleine meisje, de helft van het mooiste, liefste en meest onschuldige duo in haar moederhart, moest juist bevrijd worden van de denkbeelden van zo’n sociopaat als de vader van Sandu. Wat Thea betreft mocht hij met z’n gezin met het eerste het beste vliegtuig terug naar Roemenië.

‘Laat ze terug gaan naar hun eigen land’, foeterde Thea, omdat ze vond dat ze toch iets van een protest aan de buitenwacht moest laten horen.

‘Je weet niet wat je zegt’, suste Merel het peuterhoofd minzaam.

Pas in groep 1 van Het Kleurenpalet werd duidelijk dat Merel het peuterhoofd zich gewoon geen raad had geweten met de vriendschap tussen de twee peutertjes. Sandu werd thuis misbruikt. Sabine leefde in een stabiele gezinssituatie. Dus de positie van Sandu had hoe dan ook prioriteit. Ondertussen verzon het kereltje een spelletje. Tijdens de speelpauze moest Sabine in het openbaar plat op haar buik gaan liggen en dan kroop Sandu bovenop haar en bleef minutenlang roerloos liggen. Hierna vonden zijn grijpgrage handjes een weggetje via haar spijkerbroekje in haar rode slipje met lieveheersbeestjesprint. Sabine herinnert zich tegenwoordig nog dat Sandu dat jongetje was dat haar vaak kietelde. Ze had geen seksuele associaties noch last van de lichamelijkheid van haar vriendje. Ze had wel al snel in de gaten dat er iets niet pluis was met de handtastelijke spelletjes, omdat Sandu en zij steeds vaker en langer door de kleuterjuf van groep 1 uit elkaar werden gehaald. Tot op de dag waarop Sandu ineens voorgoed uit groep 1 verdween. Vlak nadat een onervaren invalster compleet was geflipt in het bijzijn van alle kleutertjes. De oorzaak van haar hysterische aanval was Sandu. De invalster had hem stootbewegingen met zijn bekken zien maken tegen de bipsjes van andere kleuters. Sabine kwam helemaal in de war uit school. Haar maatje deed zo vaak van die rare dansjes. Waar was haar vriendje ineens gebleven? Door zijn verdwijning werd ook Thea van de ene op de andere dag geconfronteerd met het afwijkende gedrag van Sandu. Met terugwerkende kracht laaide haar woede over de onkunde en arrogantie van Merel het peuterhoofd weer op. Hoe had ze de socialisatie van haar Sabientje ondergeschikt durven maken aan één of ander beschadigd jongetje? Op hoge poten stapte Thea op de kleuterjuffrouw van groep 1 af die Sandu meteen met tranen in de ogen in bescherming nam.

‘Denk jij niet dat wij er alles aan doen om de situatie van Sandu te verbeteren?’

Giftig spuide Thea haar gal:

‘Wat kan mij die hele Sandu schelen. Mijn dochter zit hier toch niet op school om blootgesteld te worden aan de vergroeide neigingen van een gemolesteerd klasgenootje!’      

 ‘Dat is een spijtige bijkomstigheid, maar Sandu moet ook ergens blijven’.

‘Ja, uit de buurt van mijn dochter’, kermde Thea.

Ontdaan hield de kleuterjuf zich in en beet zwijgend op haar onderlip. Thea voelde zich onterecht op haar nummer gezet, omdat haar intuïtie haar influisterde dat de kleuterjuf naar beste geweten ageerde. Sabine heeft Sandu dan ook nooit meer teruggezien. Toch zag Thea heus wel het dilemma. Ze was echt wel bereid geweest zijn om Sandu een tweede kans met Sabine te gunnen zou die lugubere Roemeense vader niet aan hem vastgezeten hebben. Sterker nog; Thea zou alle kinderen uit probleemgezinnen oneindig veel kansen gunnen zonder hun achterban.

 

HOOFDSTUK 4

Eindelijk heeft Thea op de tweede verdieping lokaal nummer 207 gevonden. Door het raam herkent ze de jonge en vlotte leraar Duits, Jonas, voor de klas. Hij is één van de mentoren van haar dochter Sabine. Hij ziet Thea op de gang door het raam van de gesloten deur besluiteloos staan afwachten. Bij wijze van begroeting heft hij kort zijn vlakke hand en laat haar binnen.

‘Ik ben de moeder van Sabine’, zegt Thea verontschuldigend.

‘Dat zie ik’, antwoordt Jonas op gedempte toon.

Voor de overvolle klas met ouders voert een wiskundelerares het woord. Zij schijnt de betere helft te zijn van het mentorduo van deze brugklas in het tweede jaar. Net als vorig schooljaar draagt de wiskundelerares, ook wel Kiral genoemd, nog steeds een hoofddoek. Kiral fronst en stopt demonstratief met praten totdat Thea met moeite een plekje in het lokaal gevonden heeft. Als ze na het nodige rumoer en geschuifel eindelijk zit, werpt Thea een vernietigende blik in de richting van de arrogante wiskundelerares met hoofddoek. Betrapt kijkt Kiral vlug weg, schraapt de keel en vervolgt haar betoog. Thea heeft zich nooit zo intens verdiept in hoofddoeken, leraressen of wiskunde en al helemaal niet in een combinatie van die drie elementen, maar ze wordt nou wel spontaan met haar neus op de hautaine uitstraling van deze mentor gedrukt, met wie ze gelukkig verder niet veel te maken heeft. Bij dringende schoolse zaken doet Sabine namelijk liever een beroep op Jonas. Tenminste dat maakt Thea op uit de kostelijke anekdotes van Sabine tijdens het gezamenlijke avondeten, waarbij ze onder meer op onderhoudende wijze verslag doet van de creatieve manieren waarop ze Kiral op school weet te ontlopen. Sabine vindt Kiral irritant met  haar wereldvreemde gepreek voor de klas en haar stichtelijke kijk op frivole, quasi ongelovige meisjes van dertien. Meisjes zoals Sabine dus; die zoveel mogelijk door Kiral genegeerd worden. En zo niet dan wordt Sabine aangesproken op een afgebeten toon vol voelbare tegenzin. En Sabine op haar beurt offert haar geëvolueerde katholisme en recht op een beetje aangenaam intermenselijk contact met haar mentor Kiral met liefde en plezier op voor de moslimmeisjes in de klas die in de cruciale leeftijdsperiode van 10 tot 14 jaar vroeg of laat allemaal door het thuisfront voor de keuze van het al dan niet dragen van een hoofddoek gesteld zullen worden. Thea waagt de hoogte van het vrijwilligheidsgehalte van deze keuze te betwijfelen, maar ze houdt zich verre van de discussie. Ze wil haar dochter niet indoctrineren en/of belasten met eventuele vooroordelen ten opzichte van haar klasgenoten. Maar Sabine accepteert de moslima’s met hoofddoek om haar heen als een vanzelfsprekendheid in een uitzonderingspositie waarover zij gelukkig helemaal geen mening hoeft te hebben. Zo heeft Sabine in haar dagelijkse vriendenkliek naast meisjes met en zonder hoofddoek ook moslim vrienden. Jongens. Altijd zonder hoofddoek. Opgeschoten pubers. Ook wel bekend als babemagneten; waarvan sommigen alleen maar rondhangen met iedereen uit de klas; anderen dagelijks na school op topniveau geïntegreerd sporten en een drietal zelfs onderdeel is van een multiculturele muziek – en rapband. Er wordt voluit geflirt zonder onderscheid van culturele achtergrond door en met de moslim jongens. Op het eerste oog zo goed als volledig sociaal geëngageerd.  Nu al. Nauwelijks 13 jaar. Sabine kan met ze lachen en gek doen, terwijl de gelovige moslimmeisjes uit de klas zich gegeneerd afwenden.

‘Je moet je tieten eens wat beter bedekken’, had een dertienjarige hoofddoek in de kleedkamer na de gym in het oor van Sabine gesist.

‘Je hebt toch wel van je afgebeten?’

Thea was geschokt. Ook over de emotieloze verslaggeving van Sabine.

‘Ja’.

‘Wat deed je dan?’

‘Ik deed niks. Ik riep wat.’

‘Wat riep je dan?’

‘Ik heb tenminste tieten. Dat riep ik’, antwoordde Sabine droog. 

Thea schoot in de lach. Sabine grinnikte onbekommerd mee. Zonder uitleg snapte Thea wel waarom Sabine met dit akkefietje niet naar haar mentoren was gestapt. Kiral kan overal zo’n immens probleem van maken en de twintiger Jonas gaat uit jeugdige flexibiliteit automatisch met haar mee. Sabine voelt zoiets feilloos aan:

‘Ze heeft namelijk net een kind gehad, met een keizersnee en zo.’

‘O jee’, had Thea geantwoord.

‘Jij hebt toch ook een keizersnee gehad mam?’

‘Ja hoor’.

‘Nou dan, moet die Kiral daar dan zo moeilijk over doen?’

‘Dat weet ik niet, misschien heeft ze er wel last van?’

‘Die piept al; als er een scheet dwars zit, maar voor mijn part, hoe minder wiskunde, hoe beter.’

En zolang Sabine geen moeite zegt te hebben met het optreden van haar mentor, houdt Thea zich op de vlakte. Waarschijnlijk liggen Sabine en Kiral elkaar gewoon niet en staat de hoofddoek van de wiskundelerares en mentor helemaal niet symbool voor een onoverbrugbaar cultuurverschil. Hopelijk; want op een themadag over homoseksualiteit meldde Kiral zich ziek als begeleidster. Nou meldt Kiral zich wel vaker ziek, maar dit keer was zelfs Sabine achterdochtig en op haar hoede door het voorschot aan homofobische reacties en uitspraken van islamitische klasgenoten op de aankondiging van de seksuele voorlichting. Alle leerlingen werden dan ook, zonder uitzondering, door de schoolleiding verplicht gesteld om zich klassikaal in het relaas van homo’s en lesbiennes te verdiepen. Zonder deze regeling zou de klas van Sabine absoluut zorgwekkend ondervertegenwoordigd zijn geweest. De puberale moslima’s namen stoïcijns aan de zitting deel. Het misprijzen versluierd in de weerschijn van de ongenaakbare hoofddoek. De geprikkelde, islamitische babemagneten waren regelrecht beledigend tegen de kwetsbare bezoekers die zenuwachtig voor de klas kwamen vertellen over hun seksuele geaardheid. Enkele loverboys in spé zaten met hun rug naar de sprekers toe, draaiden met de ogen; sputterden:

‘homo’;

sisten bij wijze van commentaar en voor iedereen verstaanbaar;

‘fuck an asswhole’;

en verzonnen ter plekke een pakkende fluisterrap die bij alle toehoorders nog dagen in het hoofd bleef nagalmen;

‘vieze potten; kankerhoeren; motherfuckers’.

Dat riep reacties op van de rest. Natuurlijk. Welke puber is nou niet wars van diepgang, nuance en wel vies van een opstootje. Iemand galmde treiterend door de klas:  

‘Kijk naar je eigen, Islamietje!’

Jonas kon de onrust in de groep nauwelijks onder controle krijgen. Uit plaatsvervangende schaamte stak Sabine, ondanks de groepsdruk, haar nek uit en trok haar mond open. Tot grote dankbaarheid van de vier bloednerveuze sprekers en Jonas. Zij kwam ermee weg, maar voor hetzelfde geld had ze met haar heldendaad een vonnis ondertekend. Eliminatie. Maar Sabine zou Sabine niet zijn als zij ook daadwerkelijk werd weggehoond na haar uitroep. 

‘Kappen met die bullshit’. 

Waar was Kiral op dit cruciale moment? De klassenbegeleidster. De mentor bij uitstek?  Zou uitgerekend zij met haar uitgekiende hoofddoek niet meer tegengewicht in de homofobische weegschaal hebben kunnen leggen? Wellicht was ze juist ziek uit angst om naar de verkeerde kant door te slaan.

De klassikale bespreking van de schooljaarplanning gaat volledig aan Thea voorbij. Ze kan zich moeilijk concentreren op de schema’s op het digibord die uitvoerig worden toegelicht door Kiral. Af en toe mag Jonas ook wat zeggen. Zijn stem is eveneens monotoon, maar hij maakt in elk geval geen taalfouten zoals zijn collega. Hij zegt:

‘het boek’,

in plaats van:

‘de boek’,

en;

‘ze hebben het goed gedaan’,

niet;

‘hun hebben dat goed gedaan’;

of;

‘enige’,

in plaats van;

‘enigste’.

Veel ouders stellen praktische vragen. Bijvoorbeeld over; de data van de proefwerkweken en of die nog verzet kunnen worden; de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage en of daar nog een minimum aan verbonden is; de mailadressen voor ziek- en betermelding; de invulling van het mentoruitje, het open podium of de kerstviering.

Thea schrikt wakker. Haar hoofd tolt in de palm van haar linkerhand. Haar elleboog schuift van tafel. Om haar heen staan ouders op. De meesten  groeperen zich om de mentoren en bieden Kiral de gelegenheid om voor Thea onder te duiken in de mensenmassa. Jonas ziet haar niet eens vertrekken, want Thea houdt het verder voor gezien en laat al de niet gestelde kritische vragen voor wat ze zijn.

Omdat een ouder uit eigen belang nooit de mond voorbij moet praten. Dat heeft Thea vanaf het voorzichtige begin van haar kinderen op de peuterspeelzaal noodgedwongen heel erg goed begrepen. De explosieve verhouding van Walter met zijn peuterjuf Merel werd van kwaad tot erger. ’s Morgens bracht Thea eerst Sabine naar groep 1 in het gebouw van Het Kleurenpalet bij juffrouw Dirkje en daarna moest Walter nog naar De Kleine Beer. Bij de ingang op de stoeptegels die stuk voor stuk beschilderd waren met reuze voetstapafdrukken in primaire kleuren, begon het verzet. Walter plantte zijn reliëf spekschoenzolen schrap tegen de granito drempel en vond steun aan weerszijden van de vrolijke gele deurpost. Aan een touwtje uit de mouwtjes van zijn jas bengelden wantjes. Neon groen. Thea stond achter haar zoontje en probeerde krampachtig om met haar vrije linkerhand te voorkomen dat de rode voordeur zou dichtslaan en aldus de vingertjes van Walter zou amputeren. Haar rechterhand drukte op zijn borst. Ze voelde zijn hartslag wild tekeer gaan. Vastgeklemd in één arm probeerde Thea om Walter voor zich uit naar binnen te dwingen. Toegeven was geen optie, want ze had geen overzicht op de gevolgen van een eventuele capitulatie aan de drift van haar recalcitrante zoontje. Het liefst nam ze hem gewoon mee naar huis, maar ze moest sterk zijn. Voor Walter, voor zichzelf en de afrekencultuur van de peuterjuffen, pedagogen en andere kinderverzorgers om haar heen. Walter was een stevig peutertje en hij dreigde uit te groeien tot een boom van een vent. Als er iets was wat Walter sneller moest leren dan andere peuters dan was het wel om op een minder expressieve manier met zijn boosheid om te gaan dan met lijf en leden. In de privésfeer zou hij dan uit mogen razen. Bart had zelfs een boksbal in de speelkamer aan een haak aan het plafond bevestigd. Maar Walter was geen agressief mannetje thuis. Ook niet gefrustreerd. Hij sloeg, beet of schopte niemand. Hij deed geen hond, kat of vlieg kwaad. Ook niet stiekem, want de huisdieren volgden Walter trouw op de voet door het hele huis, hetgeen ondenkbaar zou zijn als hij de kat in het donker kneep. Het tegendeel was eerder waar. Gelaten verleende Walter de mollige rooie kater toegang tot het voeteneind van zijn bed en de lobbes van een labrador liet hij met een engelengeduld apporteren. Verder gaf hij af en toe weleens een tikje tegen de boksbal in de speelkamer om zijn vader een plezier te doen, maar meestal bouwde hij legoconstructies of speelde hij games achter een kinderlaptop. Zo klein als hij met zijn 3 jaar ook was. Allicht was hij weleens onredelijk of opstandig, maar de echte driftaanvallen, waarbij hij niemand dreigde te ontzien, bewaarde Walter voor De Kleine Beer.

Zijn woede escaleerde steeds vaker in de buurt van Merel het peuterhoofd dat naast Thea aan de mamatafel plaatsnam. Tot haar ontsteltenis voelde Thea de hand van Merel het peuterhoofd plotseling op haar schouder rusten:

‘Trek je het nog wel meid; je ziet er afgepeigerd uit!’

‘Het gaat prima’, antwoordde Thea.

Vol afschuw schoof ze haar stoel een stukje naar achteren en verloste zich zo uit de schoudergreep van Merel het peuterhoofd.

‘Maaike en ik hebben zitten denken.’

Gealarmeerd zocht Thea met haar ogen naar steun bij de andere mama’s aan tafel, maar ze kreeg alleen een vluchtige knipoog van de moeder van Arda. Die ochtend leken zowel Arda als zijn moeder zich veel gehoorzamer dan anders in de voorgeschreven ouderkind speltherapie te schikken door zich met volledige overgave te concentreren op het leggen van een puzzel. In opdracht van Merel het peuterhoofd en haar schaduw; peuterjuf Maaike van De Kleine Beer, moesten de ouders namelijk elke morgen, na het brengen van het kind, verplicht een kwartier lang onder toezicht van de peuterleidsters op een pedagogisch verantwoorde wijze iets leuks doen met de peuter. Ongeschoolde Ilem reageerde wel min of meer op de wanhoopsblikken van Thea. Ze knikte gedienstig en lachte blijmoedig in de richting van de mamatafel. Gewoontegetrouw zat Ilem, met haar hoofddoek bevallig om haar kapsel gedrapeerd, aan een bijzettafeltje, waarop allerlei Tupperware stond uitgestald. Ze was doelgericht met een aardappelschilmesje in de weer, terwijl ze haar ogen onafgebroken de kost gaf door om zich heen te kijken in de peuterzaal. Blindelings schilde ze appels, pelde sinaasappels en vilde kiwi’s voor het fruithapje van de dag. De andere mama’s gaven niet thuis. Ze staken de koppen bij elkaar en wisselden driftig ditjes en datjes uit in een eensgezinde euforische stemming. Wie weet omdat zij vandaag voor de verandering niet onder handen werden genomen door het peuterdragonder, waartegen geen enkele jonge moeder of hoofddoekmama direct tegen in opstand durfde te komen. Hier kwamen de mannen dan weer eens van pas. Nou liet windbuil Merel het peuterhoofd zich zogezegd niet wegzetten door de opa’s, broers, papa’s of nieuwe vriendjes uit de achterstandswijk, maar ze nam meestal wel op tijd afstand. Behalve bij Bart en Thea, want dat lag toch anders. Merel het peuterhoofd zag wel potentie in een goed contact met Thea. Een wereldvreemd type met tenminste een redelijke opleiding, waardoor ze misschien wel enigszins in de luwte van haar; Merel het peuterspeelzaal opperhoofd; in de buurt kon komen. Zo’n schaap als Thea kon niet anders dan verward en verdwaald zijn hier tussen de coterie van achterstandswijkbewoners. In plaats van Thea, met het opgegeven bruto jaarinkomen van haar man Bart en het opleidingsniveau van het echtpaar, zou Merel het peuterspeelzaalhoofd het wel geweten hebben en een huis in een achterstandswijk zou een no go geweest zijn. Thea had de plank in de ogen van Merel volledig misgeslagen en moest haar problemen bespreekbaar kunnen maken bij een ervaringsdeskundige zoals het peuterhoofd in persoon. Zonder inmenging van dikdoener Bart die overduidelijk van toeten noch blazen wist. Niemand met aanzien en een bloeiende carrière koos vrijwillig voor een stimuleringswijk. Hoe vrijstaand en dicht bij het centrum het betrokken pand dan ook wel wezen mocht.

Thea voelde de vijandige achterdocht van Merel feilloos aan. In eerste instantie dacht ze de gedachtekronkels wel weg te kunnen lachen als lekenkennis, maar ze bleek al snel nauwelijks verweer te hebben tegen de persistentie van Merel het peuterhoofd dat in de ogen van Thea alle symptomen vertoonde van een gesjeesde kinderverzorgster middenin een midlifecrisis. Volkomen overdonderd liet ze zich te vaak op onbewaakte momenten suf lullen door Merel het peuterhoofd met een missie. De koppen van Thea en haar kinderen mochten niet langer boven het maaiveld uit. Derhalve meende Merel het peuterhoofd wel ongestraft haar frustraties op Thea te kunnen botvieren. Ze moest haar demonen tenslotte ergens bevechten. Beter met behulp van iemand van wie Merel het peuterhoofd niets te vrezen dacht te hebben, dan over de ruggen van het restant van De Kleine Beerpopulatie. Merel het peuterhoofd was bang voor macho’s. Zeker voor  de haatdragende hersenloze blaaskaken met tattoos, de opgepompte sportschoolopa’s met een kort lontje of hoogbejaarde eerste generatie moslimmannen met een misvormd ego aan de tweede leg die Merel het peuterhoofd tijdens hun wegbreng- en ophaalmomentjes op De Kleine Beer maar bedreigend hoefden aan te kijken om haar terug in hun patriarchale gareel te krijgen. Nee, dan was het voor Merel het peuterhoofd een stuk veiliger om  een kind van Thea en Bart – het bescheiden, witte, bevoorrechte stel -  in het wilde weg en in het bijzijn van iedereen op De Kleine Beer te labelen:

‘Waarschijnlijk heeft Walter een vorm van autisme.’

Thea slaakte een diepe zucht van ongenoegen.

‘Ik zie dat je schrikt, maar dat hoeft niet. Mijn neefjes zijn laatst ook onderzocht en autisme is maar een naampje voor een spectrum aan aandoeningen. Je hebt allerlei vormen van autisme.’

‘Zijn die neefjes de kinderen van dinges?’

‘Dinges?’

‘Je beroemde broer?’

‘Nee, ik heb nog meer broers en zussen.’

‘Jammer.’

‘Waarom?’

‘Misschien was RTL Boulevard anders wel geïnteresseerd geweest.’

‘Dat denk ik niet; het zijn maar zogenaamdneefjes.’

’En, wat was de zogenaamde uitkomst?’

Thea verborg haar neus in de krullen van Walter die op haar schoot zat en de blokken in verschillende vormen uit een houten doos foutloos en routinematig liet verdwijnen in de bijbehorende geperforeerde contouren in het deksel.

‘Toch een vorm van autisme’.

‘Vervelend voor je zogenaamdneefjes’, mompelde Thea in het kapsel van Walter.

‘Ik herken veel van Walter in mijn neefjes. Dat repetitieve bijvoorbeeld. Kijk hem nou met die vormendoos. Hup, daar gaat hij weer opnieuw. Daar tuimelt hij de vormendoos weer om. Ja hoor, het deksel er weer op. Hij blijft de handeling maar herhalen.’

Het triomfantelijke verslag over Walter en zijn spel klonk als een uitlachsalvo. Vinnig schoof Thea de vormendoos van Walter af en trok een houten legpuzzel van het centrum van de mamatafel naar zich toe. Een boerderijpuzzel. Ostentatief kieperde ze de houten legpuzzelstukjes uit het plankje en schoof Walter het probleem voor. Zonder aarzelen begon Walter de veelvormige houten afbeeldingen van de boerderijbeesten weer in de juiste contouren van het raamwerk te leggen. Merel het peuterhoofd was echter niet te vermurwen: 

‘Ja, maar het principe is eigenlijk hetzelfde. Hij is goed met vormen. Maar kijk eens naar dat fanatisme en de herhaling van dezelfde handeling.’

‘Hij is niet autistisch, maar gedreven Merel. Ken je dat? Gedrevenheid? Of snap je alleen waanzinnigheid?’

Met ingehouden woede drukte Thea een dikke kus op de kruin van Walter. Alsof Sabine een jaar geleden zoveel verder was geweest. En dan liet Thea haar oppaskind -  Melvin -  nog buiten beschouwing. Op een gegeven opvangdag werd de vierjarige kleuter Melvin zo kriegelig van de moeilijkheidsgraad van de vormendoos dat hij om te beginnen het deksel met geperforeerde contouren in blinde drift door de kamer had gekeild. Daarna volgden de bijpassende blokken in verschillende vormen. Ze zoefden één voor één richting lapjeskat die angstig dekking zocht achter de krabpaal. Melvin bedaarde pas toen Thea uit solidariteit de lege houten doos erachteraan smeet om de chaos compleet te maken. Desondanks merkte ze dat ze zich steeds meer distantieerde van haar pleegkind Melvin naarmate zijn driftbuien in frequentie toenamen. Wat Thea betreft wel een logisch gevolg van een gedwongen relatie met een geleend kind. Melvin kon ontroeren, vertederen, maar ook vervreemden en voelde nooit zo vertrouwd, onvoorwaardelijk aanwezig en eigen als Walter en Sabine. Maar los daarvan; als ze haar biologische zoon van drie met de toenmalige kleuter Melvin vergeleek dan zag ze op ontwikkelingsgebied niet zo gek veel opzienbarende verschillen.  

Peuterjuf Maaike was ook aan de mamatafel komen zitten. Ongemerkt had ze op de lege stoel aan de andere kant van Thea plaatsgenomen. Merel het peuterhoofd en Maaike haar schaduw belaagden hun slachtoffers meestal met de doeltreffende; ‘good’ cop; ‘bad’ cop tactiek. Vaker dan de bedoeling was viel Maaike echter door de mand. Ook vandaag straalde  Maaike het tegendeel uit van dat wat ze beweerde. Alsof ze in wezen niet helemaal overtuigd was van de amateur psychologische aanpak van Merel het peuterhoofd. Ze wendde haar blik af, terwijl ze klakkeloos reciteerde:

‘Je moet niet bij voorbaat een aandoening uitsluiten’.

‘Nee, je moet bij voorbaat van een afwijking uitgaan, daar worden we vrolijk van!’, sneerde Thea.

‘Nee, natuurlijk niet’, sputterde  Maaike verontwaardigd tegen.

Thea verklaarde zich nader:

‘Ik hoef maar naar Sabine te kijken. Zij was een jaar geleden net zo ver als Walter en zij lag op schema met haar ontwikkelingspatroon.’

‘Waarom vergelijk je Sabine met Walter? Ieder kind is anders.’

Het klonk als een oprechte vraag van Maaike. Ze was niet één van de snuggerste, maar wel de betere peuterjuf.  Ze had een beproefde intuïtie, die haar in de omgang met peuters nooit, maar in haar relatie tot  ouders en verzorgers wel regelmatig in de steek liet.

Bijvoorbeeld tijdens de wekelijkse ouderbijeenkomsten. Dat waren    koffie-uurtje op De Kleine Beer voor ouders en verzorgers, terwijl de kinderen in de speelzaal zoet gehouden werden. Merel het peuterhoofd zat de bijeenkomsten voor. Ze werd beurtelings afgewisseld door telkens één van de vier andere peuterjuffen. Er viel voor Thea bijna niet onder de deelnamedruk van Merel het peuterhoofd uit te komen zonder grof te worden of oeverloze discussies aan te gaan. Dan maar liever even door de zure appel heen bijten en de wekelijkse slappe bak leut doorstaan wat Thea betrof. Op één van die koffie-uurtjes begon een mama met hoofddoek onbedaarlijk te huilen. Terwijl iedereen haar zojuist nog  uitbundig gefeliciteerd had. Ze was vier maanden zwanger van haar zesde kind. Prompt transformeerde de polonaise van opgetogen lotgenoten in een rouwstoet. Bij de huilende hoofddoekmama aangekomen vormden ze een kring om het slachtoffer heen. In het centrum van de aandacht veranderde het bescheiden snikken in geen tijd in een gierende klaagzang. In gebrekkig Nederlands welteverstaan.

‘Hij wil alleen maar neuken. Altijd neuken. Elke nacht neuken. Neuken, neuken, neuken!’

Op een kleine afstand van de groep zat Merel het peuterhoofd achter een p.c.. Ze keek een beetje viezig naar het tafereel. Thea was op één of andere manier ook in de kring terecht gekomen. Opgelaten vond ze Merel het peuterhoofd met haar ogen. Merel zag Thea niet. Wel kon Thea leedvermaak om de licht opgetrokken mondhoeken van Merel het peuterhoofd zien spelen. Daarna werd Thea opzij geduwd en afgeleid door peuterjuf Maaike die haastig kwam aandraven met een papieren boterhamzak. Terwijl ze de bruine zak in de lucht zwaaide probeerde peuterjuf Maaike luidkeels aan iedereen in de kring duidelijk te maken dat de hysterische hoofddoekmama eerst rustig met haar neus en mond in de papieren buil in en uit moest ademen. Zonder reactie van de lotgenoten. Kennelijk was niet iedereen doordrongen van de helende werking van het opnieuw inademen van koolzuurgas en de meeste moeders bleven onverstoord jeremiëren. Sindsdien liet Thea de koffie-uurtjes onbezocht en heeft ze  de daaruit volgende protesten van Merel het peuterhoofd aan zich voorbij laten gaan.    

‘Misschien vergelijk ik Sabine wel met Walter omdat ze zus en broer zijn en omdat ik niet alleen de moeder van Walter, maar ook van Sabine ben!? Bovendien schelen ze amper  één jaar.’

‘Ieder kind is uniek’, herhaalde Merel het peuterhoofd.

Ter illustratie stak ze haar kromme heksenwijsvinger belerend in de lucht.

‘Jullie doen zelf niet anders dan vergelijken’, beet Thea gelaten van zich af.

‘Het is geen kwestie van hullie en jullie.’

Merel benadrukte haar terechtwijzing met een gezichtsuitdrukking die niet om haar minachting voor Thea loog, terwijl ze vervolgde:

‘Ik snap dat het moeilijk is, maar je kunt Walter toch gewoon laten onderzoeken? Baat het niet, dan schaadt het niet. De verzekering betaalt, dus waar maak je je druk om, Thea? En je helpt niet alleen Walter, maar je ontlast ook de leerkrachten van Het Kleurenpalet. Hij is bijna 4 jaar en dan kan ik hem  niet langer houden. Dan moet hij hier weg. Dan breekt de tijd van de basisschool aan en daar moet een kind goed op voorbereid zijn.’

‘Wat zeur je nou Merel; Walter gaat helemaal niet naar Het Kleurenpalet!’

Het was eruit voordat Thea wist wat ze zei. Een Freudiaanse verspreking. Niet alleen Merel het peuterhoofd, maar ook het keurslijf van De Kleine Beer en de eindbestemming van Het Kleurenpalet zaten haar kennelijk dwars.

Toch had Sabine weinig te klagen in groep 1 van basisschool Het Kleurenpalet. Niet in de laatste plaats dankzij juffrouw Dirkje. Dirkje is een vrouw naar Thea’s hart. Ze is een generatiegenote en precies zoals een kleuterjuf in het voorstellingsvermogen van Thea  hoort te zijn. Hartelijk met een warme uitstraling, maar streng en rechtvaardig op de achtergrond aanwezig. Ook op de momenten waarop Thea geacht werd om naast de koffie-uurtjes op De Kleine Beer  tevens op de thema-ochtenden op het Kleurenpalet aanwezig te zijn. Die min of meer verplichte thema-ochtenden waren een soort veredelde of doorontwikkelde Kleine Beerkoffie-uurtjes voor gevorderden. Opnieuw onder schooltijd, terwijl de kinderen in een andere ruimte onderwezen werden. In principe zou Thea dan ook Walter als een excuus voor haar afwezigheid hebben kunnen gebruiken, want hij was nog te klein voor de basisschool. Helaas ging die vlieger niet op, want Walter was tijdelijk van harte welkom in de kleuterklas van juffrouw Dirkje, waar hij met zijn zusje kon spelen, terwijl zijn moeder de dwingende ouderbijeenkomsten tegen haar zin bezocht. Maar omdat Dirkje niet flauw deed over het aanstormend talent dat Walter heet, was Thea het aan de organisatoren van de thema-ochtenden verschuldigd om op haar beurt de achterstandsproblematiek van Het Kleurenpalet te doorstaan. Mocht Walter ondanks de grootspraak van Thea, net als zijn zusje Sabine, toch op Het Kleurenpalet terecht komen, dan zou hij echter na zijn vierde verjaardag niet automatisch permanent in de kleuterklas van juf Dirkje geplaatst worden. Sabine was immers al voor een periode van twee jaar bij juf Dirkje ingedeeld en broers en zussen werden bij voorkeur niet bij elkaar in de kleutergroep gezet. Nee, Walter zou op Het Kleurenpalet bij kleuterjuf Petra geplaatst worden. Een mevrouw in of nabij de pensioengerechtigde leeftijd met een pittig, kort kapsel en een broekrok. Zo’n stereotype schooljuffer van alle tijden. Zo’n onderwijsdinosaurus die een ieder zich in één of andere vorm wel van de eigen schooltijd kan herinneren. In een kringgesprek had de peutergroep van Walter al kennis mogen maken hun toekomstige juffrouw Petra. Uiteraard onder supervisie van Merel het peuterhoofd en verder met begeleiding van beschikbare ouders en verzorgers. Zo had Thea kunnen beluisteren hoe kleine Walter in de kring het hoogste woord voerde in zijn onmiskenbare brabbeltaal. Koren op de molen van Merel het peuterhoofd. Zie je wel dat ze gelijk had! Zijn taalgebruik was volgens haar onderontwikkeld en zijn motoriek veel te grof. Walter forceerde inderdaad zijn hele mollige lijfje om zijn overdadige woorden kracht bij te zetten en zich over  iedereen te ontfermen. Juffrouw Petra rechtte haar rug en deed er tevergeefs alles aan om haar ergernis over de ongecontroleerde kleuter te verdoezelen. Thea kromp mogelijk nog verder ineen tussen de hoofddoekmama’s en tienermoeders  op een veel te klein stoeltje. Thea miste bij Juf Petra de schijnbaar kinderlijke eenvoud waarmee juffrouw Dirkje in de groep van Sabine haar kleuters in het gareel hield. Ze voelde de zegevierende ogen van Merel het peuterhoofd in haar rug prikken en zag de minzame blik op het gezicht van juf Petra.

‘Ach hij weet het allemaal al’, verzuchtte juffrouw Petra vermoeid op een toon alsof ze Walter bij voorbaat al liever kwijt was dan rijk.

 

 

Merel het peuterhoofd kon haar teleurstelling over Thea’s mogelijke keuze voor een andere basisschool dan Het Kleurenpalet voor Walter,  maar moeilijk onderdrukken. Er sprongen zelfs tranen in haar ogen.

‘Je zult Walter wel op Het Kleurenpalet moeten inschrijven’, schamperde ze.

‘Ik moet helemaal niks’, snoof Thea.

‘En Bart, wat vindt Bart dan?’

‘Sinds wanneer ben jij geïnteresseerd in de mening van Bart?’

De scherpe ondertoon ontging Merel het peuterhoofd, terwijl ze voor haar beurt triomfantelijk uitriep:

‘Sabine zit al op Het Kleurenpalet. Je kunt niet zomaar weg! Trouwens alle basisscholen hebben wachtlijsten!’

‘Moet jij eens opletten’, knikte Thea zelfverzekerd.

Wakker geschud sloeg Merel het peuterhoofd haar hand voor haar open mond en onderdrukte een kreet van ontzetting. Peuterjuf Maaike rook onraad en ze klopte geruststellend op de onderarm van Merel het peuterhoofd. Het zou ook zonder Thea en haar kroost wel goed komen met het gewilde, publiekelijk gloriemoment van Merel het peuterhoofd in de rol van moeder Theresa van een zwarte basisschool en het leerlingentekort van Het Kleurenpalet.

‘Niet alle basisscholen hebben een wachtlijst’, blufte Thea.

‘Noem er eens één dan’, vroeg Merel het peuterhoofd uitdagend.

‘Het Kleurenrenpalet heeft bijvoorbeeld geen wachtlijst.’,

‘Nee, maar dat heeft een reden.’

‘Je meent het’, spotte Thea.

Het was duidelijk dat Thea nog niet helemaal zeker was van haar zaak, waardoor Merel het peuterhoofd snel aan zelfvertrouwen won. Helemaal met volgelingen als peuterjuf Maaike aan haar zijde.

‘Luister Thea, Walter heeft structuur nodig. Kleine groepen en duidelijkheid. Dat vind je niet op gewone basisscholen. Niet meer. De groepen worden steeds groter en de druk op de leerkrachten almaar zwaarder. Je blaast zelf constant de loftrompet over Dirkje. Hij krijgt de beste leerkrachten op een basisschool met kleine groepen en alle faciliteiten. Je zou wel gek zijn als je af zou haken. Sowieso, bij Het Kleurenpalet houd ik ook het overzicht. Ik zie wat er met mijn kleintjes gebeurt. Ik zie hoe ze zich ontwikkelen. Ik kan helpen. Ik sta niet alleen aan de zijlijn. Ik zal erbij zijn. Acht lange basisschooljaren lang.’

Hoe overtuigd moest een mens van zichzelf zijn voordat zij met een stalen gezicht durfde te beweren dat haar niet aflatende invloed een zegen zou zijn voor de toekomst van Walter? Zwijgend voelde Thea basisschool De Wielewaal in de witte wijk als een noodzakelijk kwaad naderen. De zoetgevooisde stem van directeur Peter en zijn  kleinburgerlijke gedienstigheid ten spijt.

‘De Wielewaal is net een dorp’, recapituleerde Thea hardop in gedachten.

‘De Wielewaal?!’, herhaalde Merel vol ongelovige afgunst.

‘De Wielewaal? Daar kom jij niet binnen.’

‘Sabine was anders ook aangenomen vorig schooljaar.’

Merel en Maaike geloofden haar niet. Nogal wiedes. Thea geloofde zichzelf niet eens meer.

‘En toen heb jij voor Het Kleurenpalet gekozen?’, smaalde Merel het peuterhoofd.

Ook peuterjuf Maaike produceerde een achterdochtig hikgeluid. Thea reageerde niet meer en woelde door de krullen van Walter die op haar schoot op een houten puzzelstukje sabbelde. Merel het peuterhoofd besloot haar manipulaties over een andere boeg te gooien:

‘Hoe ver ben je met het ontspenen van Walter?’

‘Met m’n wat?’

‘Hij speent nog thuis zeker? En helemaal zindelijk is hij ook nog niet. Daar kun je niet mee aankomen op De Wielewaal.’

Thea dacht aan Sabine die ook relatief laat uit de luiers was; om van Melvin maar niet te spreken. De overgang naar groep 1 deed wonderen voor het toiletgedrag van beide peuters. Waarom zou dat bij Walter anders zijn?

‘Wil jij mij nou wijsmaken Merel dat de kleutertjes op De Wielewaal allemaal perfect zijn en dat Walter nergens anders dan alleen maar op basisschool Het Kleurenpalet terecht kan, omdat hij af en toe nog een luier draagt en soms aan een speentje zuigt?’

Thea tilde Walter ziedend van haar schoot en liet hem gaan. Hij rende naar de bouwhoek, terwijl Thea ging staan. Merel het peuterhoofd volgde haar voorbeeld, zodat zij en Thea oog in oog stonden. Juf Maaike bleef zitten en probeerde zich neutraal op te stellen door zich tot de andere mama’s aan tafel te richten. De ogen van Merel het peuterhoofd schoten vuur.

‘Op Het Kleurenpalet krijgt hij de speciale aandacht en begeleiding die hij nodig heeft. Met name van mij’, verkondigde ze dictatoriaal

‘En daar zit Walter op te wachten? Denk je dat? Dat geloof je zelf toch niet Merel’, schamperde Thea.

Verafschuwd wendde ze haar blik af en zocht haar tas. Dit soort onderonsjes met Merel het peuterhoofd viel niet met gezond verstand te beredeneren. Na twee jaren had Thea nog steeds niet de juiste toon te pakken om Merel het peuterhoofd afdoende op haar nummer te zetten. Ze betwijfelde of dat haar zo vlak voor het vertrek van Walter nog ging lukken.

‘Lik op stuk geven’.

Dat was het devies van Bart die alles uit de mond van Merel het peuterhoofd afdeed als wauwelkoek. Maar rake antwoorden daagden bij Thea pas in ontspannen sfeer. Bijvoorbeeld als ze op veilige afstand van Merel en De Kleine Beer naast Bart in bed lag. Dan voerde ze complete conversaties met Merel het peuterhoofd in haar hoofd. Bekgevechten die Thea won. In haar dromen.  Ze vermoedde wel dat Bart gelijk had en dat Merel het peuterhoofd onbetrouwbaar was, maar helemaal vrij van twijfel was Thea ook niet. Ze kon zich nou een maal niet voorstellen dat iemand als Merel het peuterhoofd ‘gewoon’ een onprettige persoonlijkheid had? Misschien zat er toch een kern van waarheid in haar oordeel over Walter? Zo werd Thea heen en weer geslingerd tussen waanideeën van Merel het peuterhoofd en het feit dat Walter een normaal mannetje is met een unieke persoonlijkheid zoals ieder mens.

Voor de zekerheid nam Bart televisie documentaires over ADHD en autisme voor Thea op. Ook vond hij een wetenschappelijke serie over de ontwikkeling van hedendaagse kinderen bij de BBC: ‘Child of our Time’. Bij de plaatselijke bibliotheek leende Thea boeken over pedagogiek, de gangbare ontwikkeling van ouders en kinderen en de medicalisering van het onderwijs. Van het internet downloadde ze stapels artikelen over dezelfde onderwerpen. En hoe meer Thea observeerde, las en leerde; hoe beter ze het oordeel van Merel het peuterhoofd zag voor wat het was.

Aandachttrekkerij. Voor Merel het peuterhoofd was een psychische aandoening bij een peuter welhaast een zegen; een ingang tot een mysterieuze, medische wereld van artsen en verpleegkundigen. Een cluster van gestudeerde mensen dat zich dan met vereende krachten in het zogenaamde weloverwogen, quasi intelligente oordeel van een peuterleidster met de naam Merel zou willen verdiepen. Elke diagnose zou voor Merel het peuterhoofd hebben volstaan. Walter hoefde niet autistisch te zijn. Er zijn zoveel aandoeningen. Keuze genoeg. Zolang Merel het peuterhoofd zich maar met de behandeling mocht bemoeien en haar inzichten de boventoon voerden. Ze vroeg zich niet af waar Walter en zijn ouders in de tussentijd moesten blijven. Merel het peuterhoofd had alleen visioenen van een nederige Thea die zich na de hervorming van haar zoon Walter in dankbetuigingen jegens weldoenster Merel het peuterhoofd zou uitputten. Eigenlijk zouden peuterleidsters van het kaliber van Merel het peuterhoofd desnoods met geweld gedwongen moeten worden om naar het relaas van reële ouders met echte, aantoonbare, autistische kinderen te luisteren. Of naar ouders van kinderen met ADHD. Maar dan ADHD en autisme zoals ze bedoeld zijn; als aangeboren hersenafwijkingen en niet mis te verstaan als stimuli voor het syndroom van Munchhausen by Proxy; waarvan ziekteverwekkers a la Merel verdacht veel symptomen lieten zien. 

HOOFDSTUK 5.

Tijdens het rennen door de gang naar buiten verloor Walter zijn goudkleurige verjaardagskroon. In het centrum van de omheinde speelplaats van De Kleine Beer maakte hij pas op plaats. Hij spreidde zijn armen, wierp het hoofd in de nek en bleef bewegingsloos naar de hemel staren. Alsof het begin van een nieuw tijdperk in de lucht hing. Thea bleef achter in de speelzaal met geopende deuren en uitzicht op de gang en speelplaats. Ze bukte voor de kartonnen hoofdtooi, met een grote, fel rode vier op de kruin, en miste op het nippertje het hoofd van peuterjuf Maaike die hetzelfde deed. Tijdens het gelijktijdig verheffen keken ze elkaar recht in de ogen. Schichtig wendde peuterjuf Maaike haar blik snel af op de plastic tas in haar linkerhand en prevelde:  

‘Z’n fröbelwerkjes en het seizoenenboek. Veel succes op De Wielewaal.’

Thea slikte haar tranen weg en probeerde haar abrupte emoties te overschreeuwen door luidkeels naar Walter te roepen door de open deuren naar de speelplaats: 

 ‘Kom je even dag zeggen tegen juffrouw Maaike!’

Merel het peuterhoofd had zich achter Maaike opgesteld. Ze duwde dwingend in de rug van haar werkneemster met een traktatietaart van piepschuim in de vorm van een pastel getint stekelvarken. Zo te zien was de smulpartij nog met dezelfde hoeveelheid kindervriendelijke snoepprikkers uitgedost als aan het begin van de ochtend toen Walter zijn traktatie vol trots De Kleine Beer had binnen gedragen.

‘Ze had fruitprikkers moeten nemen. Wij zijn hier niet gediend van onnatuurlijke suikers’, siste Merel het peuterhoofd duidelijk hoorbaar in het oor van juf Maaike die de traktatietaart woordeloos van haar overnam.

Bedremmeld overhandigde juf Maaike het onaangetaste stekelvarken aan Thea. Ineens dook Walter weer op:

‘Dag juffrouw Maaike; dag juffrouw Merel’, groette hij onbekommerd.

Zonder toestemming trok hij een prikker met marshmallows, Fruitella’s en Toffifees uit het stekelvarken en nam opnieuw de benen.

‘Dus Walter wordt gestraft en heeft niet mogen trakteren, omdat ik niet op de hoogte was van jullie anti-suikerbeleid en waarom heb ik daar trouwens nooit wat van gemerkt tijdens de viering van Het Suikerfeest hier op De Kleine Beer?’, wilde Thea gericht van peuterjuf Maaike weten, terwijl ze door de knieën ging voor de overige smachtende peutertjes die haar inmiddels omringd hadden.

Goed voorbeeld doet volgen. Hoe rebels ook. Sommige ouders, oppassers en/of verzorgers pikten ook een graantje mee. Spoedig stond Thea met alleen nog maar een zacht grijs getinte cirkel van piepschuim in haar handen. Her en der ving juf Maaike de afgekloven prikkers zwijgend op in een rieten prullenmand. Ze bleef Thea een antwoord schuldig.  

‘Zal ik het piepschuim hier laten voor de knutselronde?’, stelde Thea dan ook verslagen voor.

Ze stond in haar eentje bij de geopende deuren van de speelzaal, nadat iedereen, behalve juf Maaike, de ruimte verlaten had.

‘Is goed!’

Juf Maaike moest haar stem verheffen om boven de roerigheid in de gang uit te komen. Nu was ze weer met een bezem in de weer.

‘Nou dan ga ik maar. Bedankt nog en tot ziens’, salueerde Thea.’

‘Ik zie je!’, groette juf Maaike ingetogen terug zonder van haar veegwerk op te kijken.

Vanaf het moment waarop Walter voor het eerst in zijn IKEA meegroeibed mocht slapen waren zijn uren op De Kleine Beer, met Merel het peuterhoofd, geteld. Walter zou na zijn vierde verjaardag niet vanzelfsprekend naar Het Kleurenpalet, maar moeizaam naar basisschool De Wielewaal in de witte wijk gaan. Thea vond dat ze nu ook daad bij haar woord moest voegen. Niet per se om Merel het peuterhoofd een hak te zetten, maar voornamelijk uit machteloosheid. Want hoezeer Sabine ook op haar plekje leek in groep 1 van de kleuterklas van juffrouw Dirkje op Het Kleurenpalet, toch voelde Thea zich van het begin af aan compleet misplaatst als gestudeerde mama van een kleuter op een achterstandsschool vol met regeltjes, beperkingen en verworvenheden die waren afgestemd op vreemdelingen, andersdenkenden en ontheemden. Kortom; op minderheden met vaak ook nog hoogmoedswaan verpakt in een slachtofferrol die de directrice Sarah van zwarte basisschool Het Kleurenpalet dan weer tot machtsmisbruik dreef. Geef de minderheden maar weer de schuld.

Heel subtiel allemaal, maar het zijn de kleine dingen die het doen. Zo moest Sabine tijdens het Suikerfeest vrijwel in haar eentje een hele schooldag in het klaslokaal doorkomen. Het overgrote deel van haar klasgenootjes was met bijzonder – officieus - verlof vanwege de thuisviering van hun feestelijke  afsluiting van de Ramadan. Onvoorbereid op de lege ruimte hing Thea op de feestdag, die ze van basisschool De Kleine Beer kende, het roze dons jackje van Sabine aan de kapstok en kwam nog even een pakkerd met haar dochter delen voordat de plicht riep. Op die ochtend van het Suikerfeest ziet Thea haar kleine meid van vier jaar nog zitten in de kring met verder allemaal lege stoeltjes. De exotische namen van de afwezige kleuters in felgekleurde megaletters op elke leuning geknutseld. Thea probeerde enkele namen hardop uit te spreken; Youssra,  Alim, Fahad, Azza, Hanane, Samir, Maher, Elif, Dider, Edin. Bij een verkeerde uitspraak, werd ze verbeterd door Sabientje die haar paarse pluche Dorarugzakje omslachtig in haar schoot plantte en verwachtingsvol om zich heen keek. met die grote onschuldige ogen van haar. Na een poosje wierp ze een vragende blik, inclusief parmantig hoog opgetrokken wenkbrauwen, richting juffrouw Dirkje die zoals elke kleuterschooldag aan het hoofd van de kring zat. De kleuterjuf trok het hoofd in de nek, spreidde haar handen en gebaarde dat ze zogenaamd ook niet wist waar alle andere kindjes gebleven waren. Haar passieve houding drukte echter een weerstand uit die Thea met Dirkje deelde. Kinderen onderling maken geen onderscheid op basis van huidskleur of afkomst, maar bij afwijkende cultuuruitingen vroeg Thea zich toch heimelijk af:

‘Waarom moet dit? Waarom zonder ik mijn kind af van haar katholieke achterland en cultuur en maak ik haar ondergeschikt aan de habitus van een minderheidsgroepering in dit land? Sabine is klein en kwetsbaar. Ze is nog aan niemand dank verschuldigd. Kijk haar nou zitten met haar Dora rugzakje. Vol van vertrouwen in de wereld om haar heen. Ze heeft het recht om een kliek te vormen met gelijkgestemden. Wat heeft ze eraan om in deze heterogene groep alleen te staan? Ik doe haar onrecht.

De dag na het verlof werd de afsluiting van de islamitische vastenperiode dan weer wel uitbundig gevierd op Het Kleurenpalet, met alle zoetigheid van dien. Sabientje wist niet beter van peuterspeelzaal De Kleine Beer, maar Thea had als niet ingewijde  mooi het nakijken. Trouwens, toen puntje bij paaltje kwam, werd Sinterklaas ook niet helemaal begrepen. De viering kreeg toch een niet Nederlands tintje op Het Kleurenpalet.

Oorspronkelijk dacht Thea dat ze wel boven de cultuurverschillen uit zou groeien met hulp van het onderwijsteam van Het Kleurenpalet. Directrice Sarah deed het immers voorkomen alsof haar deur altijd open stond. En directrice Sarah had ook best een luisterend oor. Alleen geen voor de hand liggende oplossingen. Dus kwam Thea geen steek verder. Ook niet met het uitgesproken begrip van directrice Sarah dat het dualisme van Thea alleen nog maar deed toenemen.

‘Ik snap ook best dat het moeilijk is. Wij zitten net zo goed met onze handen in het haar. Wij willen juist van Het Kleurenpalet een gemengde school maken, maar als ik heel eerlijk ben dan zou ik mijn kinderen ook niet op een zwarte school in een achterstandswijk zetten’, beweerde directrice Sarah doodleuk tijdens één van haar onderonsjes met Thea.

Thea geloofde haar oren niet. Ze slikte de opmerking van directrice Sarah in en probeerde tevergeefs om de woorden één voor één te verteren. Ze landden als bakstenen in haar maag. Ze zal er wel moeilijk bij gekeken hebben, want Sarah suste vergoelijkend:

‘Nou heb ik natuurlijk geen kinderen. Dus eigenlijk weet ik gewoon niet waar ik over praat.’ 

Thea schraapte haar keel en ging verzitten. Wat deed ze hier in het kantoor van Sarah; de directrice van Het Kleurenpalet? Wat wilde ze eigenlijk horen? De opstelling van directrice Sarah frustreerde haar:

‘Lesbiennes kunnen ook gewoon kinderen krijgen toch?’, haalde Thea uit.

Een kat in het nauw maakt rare sprongen. Sarah gaf geen krimp.

‘Bij de spermabank?’

Thea trok haar shagbuil uit het borstzakje van haar spijkerjack en begon een shaggie te draaien:

‘Hier liever niet roken.’

Omslachtig propte Thea de vloeitjes weer terug in de shag en vouwde de shagbuil dicht. Directrice Sarah betuttelde haar. Thea kon niet anders dan in verzet komen:

‘Waarom heb je geen kinderen? Kun je ze niet krijgen?’

‘Rook jij soms ook in het bijzijn van jouw kinderen?’, wierp Sarah tegen.

Omdat Thea op scherp stond, schoot ze meteen in de verdediging:

‘Soms’, provoceerde ze.

‘Tsss.’

Directrice Sarah glimlachte berustend en minzaam en zakte hoofdschuddend onderuit in haar bureaustoel. Getergd besloot Thea om te gaan staan.

‘Tsjee; wat een patstelling; ja, wat doen we nou...? Een rokende moeder in een achterstandswijk! Naar de kinderbescherming...? Of toch naar de spermabank…?’

‘Ik weet niet of dit jou wat aangaat!?’, siste directrice Sarah uit haar tent gelokt.

Vanuit haar positie kon ze niet anders dan naar Thea opkijken.

‘Waarom niet, mijn privéleven gaat jou toch ook aan? Jij weet toch ook alles van mijn kinderen? Je weet het zelfs beter, want jij zou jouw denkbeeldige kinderen nooit op een zwarte basisschool school in een achterstandswijk zetten zeg je net. Maar je bent wel directrice van Het Kleurenpalet. Een school waar jij in feite op neerkijkt dus.’

‘Nee, natuurlijk niet. We zijn hier juist ontzettend blij met Sabine en met moeders zoals jij die de uitdaging durven aangaan. Ik bedoel alleen te zeggen dat ik de moed niet zou hebben die jij laat zien.’

Met een gemaakt glimlachje probeerde Sarah de situatie te redden.

‘Dat kun je niet weten, want je hebt zelf dus geen kinderen.’

‘Ga nog even zitten Thea.’

‘Het gaat niet over jou en mij’, sputterde Thea tegen, hoewel ze in toenemende mate begon in te zien dat zij in deze tweestrijd tussen moeder en sociaal wezen hoe dan ook aan het kortste eind trok.            

Ze voelde zich alles behalve de moedige gelijkheidsstrijdster die directrice Sarah in haar beweerde te zien. Was ze niet veel eerder laf en kleinzielig, omdat de drang om toe te geven aan haar nederlaag op de zwarte basisschool ´Het Kleurenpalet` alleen maar sterker werd met het verstrijken van de peuter- en kleuterjaren van haar twee kinderen? Sociale missie mislukt. Ook omdat Thea door alle uitwonenden van de achterstandswijk bij voorbaat veroordeeld werd vanwege haar keuze. En niet één keer, maar  onophoudelijk. Als een stempel op haar voorhoofd in de vorm van een tatoeage. Met name het onderwijzend personeel op De Kleine Beer en Het Kleurenpalet zag Thea niet voor vol aan, terwijl deze opvoedkundigen, gezien hun werkgebied, toch eigenlijk beter hadden moeten weten en verder hadden kunnen kijken dan hun neus lang is. Thea was geen aandachthoer die met haar witte, bevoorrechte koters op een zwarte basisschool voor een dubbeltje op de eerste rang dacht te kunnen zitten. In afwachting van luid gejuich van de schuldbewuste, witte  buitenstaanders. Integendeel. Net als directrice Sarah ging Thea van een voorbeeldfunctie uit. Het sneeuwbaleffect met integratie als gevolg. Dat nam echter niet weg dat Thea in haar pioniersrol wel wat steun had kunnen gebruiken. Hoe naïef kan een mens zijn­? Niemand nam haar bij de hand. Zelfs directrice Sarah sprak zichzelf tegen door Thea recht in het gezicht voor gek te verklaren. Weliswaar met de plichtmatige kanttekeningen, maar toch. Directrice Sarah zou haar denkbeeldige – witte - kinderen nooit op een zwarte basisschool zoals Het Kleurenpalet in een achterstandswijk hebben ingeschreven. En ze had gelijk ook. Wat deed Thea met haar kroost vrijwillig op deze gekleurde basisschool tussen de vluchtelingen, mislukkelingen, uitkeringstrekkers en andere asocialen? Leerkrachten en peuterzaalleidsters kregen betaald en deden na sluitingstijd de deur van de achterstandsschool op slot om vervolgens zo snel mogelijk naar hun veilige, witte woonomgeving te vluchten. En de achter gebleven achterstandswijkbewoners hadden geen keus. Maar voor begenadigde Thea lag het geluk binnen handbereik. Onbegrijpelijk dat Thea desondanks verkoos om met haar gezin onder haar niveau te leven.

Maar Thea was geen groentje. De status van een witte wijk kon haar niet bekoren. De oer Hollandse gezelligheid van volbloed Nederlanders; de steun en de opvang die ouders in een gelijkwaardige positie automatisch met elkaar delen; de krachtmetingen onderling; de concurrentie; de roddel, hebzucht en jaloezietjes. Kortom; de sfeer van witte basisschool De Wielewaal die Thea op wijkafstand opsnoof vanaf het Kleurenpalet. Ze herkende de symptomen uit de witte basisschooltijd van haar oppaskinderen: Jasmijn en Melvin. Maar toen was ze een legitieme buitenstaander geweest die het reilen en zeilen op een basisschool minzaam observeerde en die direct moeiteloos afstand van het hele circus nam zodra haar oppaskinderen weer veilig op hun thuisbasis waren geland. Thea ambieerde geen moederrol bij de oudermaffia op De Wielewaal; toch was Het Kleurenpalet ook een aflopende zaak.

Tussen de montageresten van Walters meegroeibed nam Thea daarom het besluit om nog diezelfde dag bij basisschool De Wielewaal op bezoek te gaan om de inhoud van de onverwachte aannamebrief mondeling te verifiëren. Voor de zekerheid. Omdat Bart die middag vrij genomen had om het IKEA slaapmeubel in elkaar te zetten, kon ze meteen van de gelegenheid gebruik maken door de driejarige Walter bij zijn vader achter te laten. De vierjarige Sabine nam ze direct uit de kleuterklas van basisschool Het Kleurenpalet wel mee naar De Wielewaal. Uit praktische overwegingen, want zo hoefde Thea niet onnodig heen en weer en kon ze voor de schoolleiding op De Wielewaal meteen aanschouwelijk maken wat voor een vlees ze ongeveer in de kuip zouden krijgen. Of juist mis zouden lopen als Sabine niet – net als Walter- probleemloos  zou worden aangenomen. Twee vliegen in één klap dus.

Basisschool De Wielewaal stond niet zoals Het Kleurenpalet verdekt opgesteld in de wijk tussen hoge bomen en achter een ijzeren omheining begroeid met slingerplanten, maar prijkte  pontificaal in het zicht tussen de rijtjeshuizen. Terwijl op Het Kleurenpalet geen bezoeker de hoofd- of zij-ingang kon passeren zonder te bellen en zich na lang wachten te identificeren aan een ontoegankelijke conciërge van niet Nederlandse afkomst, stond op De Wielewaal de poort naar de speelplaats permanent wagenwijd open. Ook na schooltijd zo te zien. De conciërge van De Wielewaal was ook niet in Nederland geboren – en zo wel dan was er wat mis gegaan met zijn taalverwerving -, maar hij was een stuk levendiger en nadrukkelijker aanwezig dan zijn collega op Het Kleurenpalet die bij nadere kennismaking helemaal niet onaardig bleek; maar een eerste indruk is moeilijk uit te wissen.

‘Ja?’, vroeg de conciërge van De Wielewaal vriendelijk toen Thea na aangebeld te hebben aarzelend in de voordeuropening verscheen.

Het was overduidelijk niet gebruikelijk voor bezoekers van De Wielewaal om zich aan de hoofdingang te melden. Het gebouw stond compact en open en bloot als een oplichtende grijze betonnen blok zonder schutkleuren en beplanting in het centrum van een woonerf. De kleurige, naïeve afbeeldingen op de schuttingen van de speelplaats gaven net genoeg sfeer voor Thea om niet meteen op haar beslissing en schreden terug te keren.  

‘Goedemiddag, waar kan ik mijn kinderen inschrijven?’

Ter illustratie wapperde Thea met de aannamebrief van De Wielewaal in de lucht.

‘Jij bent ouder?’, knikte de conciërge.

‘Of ik ouder ben?’.

‘Jouw kind?’

Hij wees naar Sabine die braaf aan moeders hand stond te wachten in haar roze dons jackje.

‘Ow, ja; mijn kind ja.’

‘Jullie omlopen.’

De conciërge maakte een half rondje met zijn wijsvinger.

‘Okay.’

Thea twijfelde, maar omdat de conciërge de voordeur al weer gesloten had, besloot ze tot blijdschap van Sabine toch maar om via de verlaten speelplaats achterom naar binnen te gaan. Maar niet nadat Sabine vier keer van de glijbaan was gegleden en tot vervelends toe een klimrek had beklommen.

Binnen stuitte Thea bijna direct op een zekere Jade. Haar naam sprak je uit met een langgerekte a; dus niet met een Engelse tongval. Zoals de kleur; jade groen. Althans zo had Jade zich voorgesteld. En tevens als de interne coördinatrice op De Wielewaal en woordvoerster van Peter. Peter was de gedienstige directeur van De Wielewaal die Thea al eens had ontmoet tijdens haar scholenoriëntatietocht en naar wie ze gevraagd had. Volgens Jade zat directeur Peter echter in een uiterst belangrijke vergadering op dat moment. Met andere woorden hij kon en mocht niet gestoord worden. Dus bij gebrek aan beter stortte Thea haar hart uit bij Jade de interne coördinatrice:  

‘Sabine was begin dit schooljaar ook al in groep 1 van De Wielewaal aangenomen; maar toen hebben mijn man en ik gekozen voor Het Kleurenpalet. Nu Walter na zijn vierde verjaardag ook voor groep 1 van De Wielewaal is aangenomen; willen we wat Sabine betreft op onze beslissing terugkomen en haar toch naar De Wielewaal laten gaan. In het geval van Sabine naar groep 2 uiteraard. Zij is bijna vijf jaar.’

Fronsend nam Jade de aannamebrief van Thea over. Thea benadrukte nog maar eens:

‘Deze brief gaat dus alleen over Walter.’

‘Dat is niet Walter, neem ik aan?’, vroeg Jade, terwijl ze Sabine, die als een jonge hond de hele schoolhal in beslag nam, in haar blikveld probeerde te vangen.

‘Nee, dat is Sabine.’

Het geduld van Thea begon nu al op te raken. Jade, de interne coördinatrice, kwam over als een omslachtig type. Veel geblaat, maar weinig wol. Gedoe. Moeizaam in de omgang en met haar hooghartige optreden de absolute tegenpool van Peter; haar directeur.

‘En haar heb je niet hier op De Wielewaal aangemeld?’

De interne coördinatrice knikte in de richting van Sabine. Van de weeromstuit had Thea haar dochter niet bij zich geroepen om haar oog in oog voor te stellen aan een nieuwe schooljuffrouw, wat natuurlijk wel zo beleefd was geweest.’

‘Jawel, Sabine is hier vorig jaar zelfs aangenomen, maar toen heb ik haar aanname dus afgezegd voor Het Kleurenpalet’, herhaalde Thea geërgerd.

‘En nou zit ze in groep 1 van Het Kleurenpalet?’, vroeg Jade de interne coördinatrice.

Niet alleen haar toon, maar haar hele houding drukte misprijzen en reserve uit.

‘Hoe kan jouw zoon dan in vredesnaam bij ons op De Wielewaal aangenomen zijn?’

‘Da’s voor mij een vraag, maar voor jou een weet.’

‘Misschien was jouw dochter hier helemaal niet goed uitgeschreven aan het begin van dit schooljaar en is jouw zoontje per ongeluk aangenomen, omdat broers en zussen van inzittenden altijd automatisch aangenomen worden. Maar daar kan ik niks aan doen, want ik ben net herstellende van een ernstige griep. Ik ben de afgelopen twee maanden niet op school geweest.’

‘Nou die fout en jouw griep komen mij dan goed uit’, grapte Thea en ze dacht:

‘Wat kan mij dat nou schelen dat je de aanstelleritis griep helemaal tot de bodem hebt uit gepeurd met behoud van salaris.’

‘En wat wil je nou?’

Jade de interne coördinatrice stond nog steeds met de aannamebrief van Walter in haar rechterhand. Met haar linkerhand greep ze naar de klink van de vergaderzaaldeur. Kennelijk was ze het meer dan zat om dag in dag uit voor vanalles en nog wat ter verantwoording te worden geroepen. Maar ja; dan had ze maar geen interne coördinatrice moeten worden. Thea wees naar de brief:

‘Walter is toch aangenomen?’

‘Ja en?’

Ongeduldig gaf Jade de aannamebrief weer aan Thea terug.

‘En Sabine dan?’

‘O, je wilt je dochter ook hier hebben?’

‘Ben ik nou zo slim of ben jij nou zo dom’, dacht Thea.

Sabine was inmiddels stokstijf tussen Jade en Thea in komen staan. Ze speelde waarschijnlijk standbeeldje of zoiets en liet zich probleemloos van dichtbij keuren door de kritische blik van de interne coördinatrice. Sabine zag er niet bepaald uit als een getormenteerd zorgenkind met haar verwarde krullenkopje, rode wangen en glinsterende pretogen en Jade knipperde verward. Ze liet de klink van de vergaderzaal weer los en zei twijfelend, maar half overstag:

‘We hebben wel een wachtlijst.’

‘Niet voor iedereen’, smaalde Thea.

‘De Wielewaal staat anders heel hoog aangeschreven in de stad’, beweerde Jade de interne coördinatrice ontwijkend.

‘Wat heeft dat met een wachtlijst te maken?’

‘We kunnen niet iedereen aannemen.’

‘Jullie willen niet iedereen aannemen. Dat is wat anders.’

‘Dat is niet waar’, loog de interne coördinatrice met een uitgestreken gezicht.

‘Walter is aangenomen.’

Illustratief zwaaide Thea met de aannamebrief.

‘Per ongeluk.’

‘Pardon? Ik kan mijn kinderen anders ook alle twee op een derde school aanmelden. Maar dat zal dan niet zonder slag of stoot en de nodige openbare ophef gaan’, blufte Thea provocatief.

Zij kon net als Jade ook net doen alsof ze achterlijk was. Bovendien voelde ze intuïtief aan dat zij aan de winnende hand was en plopte nadrukkelijk met haar lippen. De interne coördinatrice blies haar wangen vol met lucht en liet ze weer leeglopen. Thea gaf de interne coördinatrice de indruk wel een chantabel type te zijn. Bruikbaar manipulatiemateriaal. Overstag gaf Jade lucht aan haar overweging:

‘Het zal misschien wel lukken. We hebben tenslotte nog twee maanden voor de zomervakantie voor de boeg.’

Ter afsluiting stak Jade haar hand uit naar Sabine; die de groet een beetje onwennig, maar netjes volgens de beleefde omgangsvormen in ontvangst nam.

‘Dan zien wij elkaar na de zomervakantie’, besloot Jade de interne coördinatrice met klem richting Thea, waarna ze abrupt in de vergaderruimte verdween.

Met de ogen in haar rug merkte Thea dat Merel het peuterhoofd haar nakeek toen ze voor de laatste keer het met groen overwoekerde ijzeren hek van de buitenspeelplaats in het slot liet vallen. Ze greep Walter bij de hand om te voorkomen dat hij zomaar de straat op zou rennen. Zo aan de finish van het peutertijdperk van haar kinderen werd Thea overspoeld door een megagolf van opluchting. Alsof met het dichtklikken van het ijzeren slot de vloek van Merel het peuterhoofd voorgoed bezworen was. Als Thea de verstrekkende gevolgen van het gedrag van Merel het opperhoofd met haar sfeerbepalende egocentrisme, haar onpeilbare stemmingswisselingen en haar kant -en klare medische antwoorden op elk peutervraagstuk toen naar schade  zou hebben ingeschat, dan zou ze veel vaker en feller direct tegen het beleid van peuterzaal De Kleine Beer van leer getrokken zijn. Maar hoewel Thea door de betuttelende ongein van het peuterhoofd regelmatig naar het randje van een uitbarsting was gedreven, was de bom pas zo’n twee maanden geleden ontploft. Op de ochtend van het onheil was Thea onstuimig De Kleine Beer binnen komen vallen met de mededeling dat de onderhandelingen met basisschool De Wielewaal nu rond waren. Maar dan anders gezegd.

‘Hoera, Sabine en Walter zijn aangenomen op De Wielewaal!’, had Thea triomfantelijk door de ruimte van De Kleine Beer geroepen.

In de gang hielp ze Walter uit zijn jasje en volgde hem door de opengeslagen tussendeuren naar binnen waar ze uitgelaten op een stoel aan de mamatafel plofte. De andere mama’s; in een gezusterlijk samenzijn met hier en daar een verdwaalde papa, opa, of oma;  knikten haar bemoedigend toe. Niet dat ze wisten wat Thea bewoog, maar dat deed er ook niet toe, want in de loop van de jaren waren de ouders en verzorgers van De Kleine Beer nou een maal solidair met elkaar geworden. Uit gewoonte. Iedereen leefde volgens een ongeschreven wet naar beste vermogen met een ander mee. Punt uit. De moeder van Arda schoof Thea een bakkie leut toe. Zwart, zonder suiker. Zulke banale dingen wist je dan weer wel precies van elkaar.

‘Walter gaat naar een andere basisschool. Je weet wel; De Wielewaal, in het centrum van de stad’, legde Thea uit.

‘Dat is ook beter zo’, antwoordde de moeder van Arda onomwonden.

Thea viel even stil omdat ze dit inzicht niet had verwacht van de moeder van Arda.

‘Arda gaat wel naar Het Kleurenpalet.’

‘Ze zullen elkaar wel missen.’

De moeder van Arda wreef door haar ogen en zuchtte diep. Zo te zien had  Thea onbedoeld een emotionele snaar bij de moeder van Arda geraakt. Ineens had ze ook zin om te janken, maar in plaats daarvan beweerde ze schor:

‘Ach, ze zijn nog jong. Kinderen passen zich snel aan nieuwe situaties aan hoor.’

Merel het peuterhoofd kwam schoorvoetend tussenbeide. Het viel Thea meteen op dat ze nogal pips zag. Bovenop haar normaliter toch al bleke uitstraling. Het leek wel alsof  het peuterhoofd ergens behoorlijk over in de piepzak zat.

‘Kan ik je even onder vier ogen spreken Thea’, begon ze op een dusdanig kruiperig toontje dat iedereen aan de mamatafel verdwaasd opkeek.

Wat een onderdanigheid van het anders zo arrogante opperhoofd!

In de koffiekamer stond een aangebroken slagroomtaart op het kruispunt van vier bijeen geschoven tafels.

‘Je mag de rest straks wel mee naar huis nemen’, bood Merel het peuterhoofd aan, terwijl ze nerveus met de koffiekan aan het hannesen was.

Wat moest Thea met een aangevreten slagroomtaart? Alsof zij en haar gezin thuis wat tekort kwamen.

‘Dat is vriendelijk aangeboden, maar dat hoeft niet en ik blief ook geen koffie’, zei Thea niet op haar gemak.

Merel het peuterhoofd hapte naar lucht en woelde door haar pittige korte gebleekte pieken, waarna ze er nog warriger uitzag dan ze zich gedroeg. Ze maakte geen oogcontact met Thea die op haar hoede aan tafel plaatsnam.

‘Ik kan thee maken?’ opperde Merel het peuterhoofd ontwijkend.

‘Wat is er aan de hand, Merel?’, wilde Thea ongeduldig en met klem weten.

Merel het peuterhoofd fluisterde iets, terwijl ze een blik met suikerklontjes tegen haar borstjes aandrukte om zich een houding te geven. Ze was nauwelijks hoorbaar:

‘Ik heb dus gebeld naar De Wielewaal’.

‘Winnie de Poeh’, dacht Thea naar aanleiding van de opdruk op het suikerklontjesblik.

Niet begrijpend vond ze de ogen van Merel het peuterhoofd die zich vulden met vocht en dramatisch naar de grond draaiden. Zelfmedelijden. Haar kromme heksenvingers pulkten aan het deksel van het Winnie de Poehblik.

‘Je hebt gebeld naar De Wielewaal?’, herhaalde Thea.

‘Waarom?’

‘Je kondigde laatst toch aan dat je met Walter naar De Wielewaal zou gaan? Nou; Maaike en ik dachten dus dat je een uitvlucht zocht en dat je een beetje blufte. Toen heb ik voor de zekerheid gebeld met de interne coördinatrice van De Wielewaal; een zekere Jade’, bekende Merel het peuterhoofd in een woordenstroom zonder te struikelen.

Hoe eerder ze haar biecht achter de rug had, hoe beter. Waarom was Thea niet verbaasd? De paniekblik van Merel het peuterhoofd vervulde haar met een ijzige kalmte. Hoe pathetisch ben je als hoofd van een speelzaal dat niet tegen een markant driejarig mannetje is opgewassen en dat zich niet over een persoonlijke afkeer van een peutertje heen kan zetten?

‘Wat heb je gedaan?’ vroeg Thea op snijdende toon.

‘Zij en ik hebben het erover gehad,’ stamelde Merel het peuterhoofd verdwaasd.

‘Waarover heb je het gehad?’

‘Dat jij bang was dat Walter autistisch was en dat we daar iets mee moesten’.

‘We zijn we?’

‘Jade en ik’.

Merel het peuterhoofd leek iets zekerder van haar zaak. Om te voorkomen dat ze terrein zou winnen blies Thea haar borstkas op en verhief haar stem.

‘Wat bezielt jou Merel? Ik heb nooit gezegd dat ik bang ben dat Walter autistisch is. Dat zijn jouw waanideeën. Hoe durf jij mijn kind met jouw, geesteszieke stempel naar een basisschool te sturen? We hebben juist voor De Wielewaal gekozen om onder jouw juk uit te raken.’

‘Huh?’

Merel het peuterhoofd krabde zich letterlijk achter de flaporen. Haar gebaar deed Thea beseffen dat ze al die tijd op De Kleine Beer duidelijker had moeten zijn. Thea was nooit op haar strepen gaan staan. Ze had Merel het peuterhoofd laten lullen en haar zodoende te veel vrij spel gegeven.

‘Begrijp dat dan Merel! Walter is geen monster.’

‘Ik heb nooit gezegd dat Walter een monster is!’, riep Merel ferm, terwijl ze met haar kromme heksenwijsvinger bedreigend naar Thea wees.

Ze probeerde zich in te dekken voor God mag weten wie:

‘Dat ga je me niet ook nog in de schoenen schuiven!’

‘Alsof ik je ooit een strobreed in de weg heb gelegd! Je bent niet te stoppen Merel! Niemand kan jou stoppen! Jij bent de storende factor Merel; niet Walter; niet mijn kind. Geen enkele peuter van amper vier jaar!’

Nu stroomden de tranen in straaltjes over de wangen van Merel. Wat een dramatisch talent:

‘Ow, nou snap ik het; je voelt je in de steek gelaten. Sorry, sorry, sorry’, snikte ze.

‘Ik voel me niet in de steek gelaten, want ik verwacht niks van jou of van wie dan ook van De Kleine Beer. Deze messteek in de rug had ik dus ook niet verwacht, maar je zorgt maar dat het in orde komt. Je belt maar met de schoolleiding van De Wielewaal en je legt jouw aandeel in dit drama maar uit. En dan nog wat: ik dien een klacht in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer. Ik betaal verdorie 200 euro per maand voor die lekenkennis hier. Ik wil niet meer dat jij je nog langer met Walter bemoeit. Walter heeft überhaupt nog maar 2 maanden in dit gekkenhuis te gaan en Maaike is sowieso veel beter geschikt als peuterleidster voor Walter dan jij.’

Wat er daarna gebeurd was kan Thea zich vaag herinneren. Ze weet nog dat ze niet veel later alleen in haar huiskamer op de bank zat en de ene sigaret met de andere aanstak. Het speet haar dat ze Walter niet meteen mee naar huis had gesleurd. Weg bij die heks. Ze belde Bart uit een vergadering. Hij deelde haar verontwaardiging, maar niet haar opwelling om Water alsnog stante pede van De Kleine Beer af te halen.

‘Die peuterleidsters zijn professioneel genoeg om een kind te ontzien in de directe omgang. Ze ouwehoeren dat het een lieve lust is en dat doen ze goed verkeerd, maar daar zijn ze ook eigenlijk niet voor opgeleid, denk ik dan maar.’

Bart probeerde Thea tevergeefs te kalmeren. Ze raasde onverminderd voort:

‘Die Jade; die interne coördinatrice van De Wielewaal bedoel ik,  is anders ook niet helemaal zuiver op de graat. Zij ouwehoert ook gewoon mee met de eerste de beste peuterjuf die haar belt met een mond vol medische onzin over een willekeurig kind. Volgens mij is dat hartstikke strafbaar.’

‘Is het ook, maar we moeten ook vooruit. Laten we nou maar voor de minst kwade kiezen. Maak het jezelf toch niet zo moeilijk, Thea! Trouwens, je weet zelf hoe overtuigend Merel kan wauwelen en hoe mager jij je kon verweren tegen haar lekenkennis.’

Het bloed van Thea kookte nog steeds bijna over, terwijl ze tegensputterde:

‘Nou vooruit dan laat ik die Jade gaan. Uit eigen belang. Maar ik dien dus wel degelijk een klacht tegen Merel in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en ik eis Maaike als enige peuterjuf voor Walter gedurende die laatste twee maanden.’

‘Je kunt hem ook rustig thuis houden tot aan de zomervakantie. Een kind van vier jaar is nog niet leerplichtig. Dan gaat Walter daarna gewoon linea recta naar groep 1 van de Wielewaal’, verzon Bart, praktisch als hij is.

‘Dat is plan B. We hebben ons niet twee jaar aan deze dure ellende onderworpen om vlak voor de eindstreep zonder protest de handdoek in de ring te gooien. Ik wil er in eerste instantie alles aan doen om Walter van de hele heisa over zijn persoontje in het ongewisse te laten. Alles moet voor hem zo normaal mogelijk lijken’, besloot Thea, ondanks alle roerigheid, toch nog bedachtzaam.

 

HOOFDSTUK 6

Directrice Sarah van Het Kleurenpalet herhaalde haar verzoek:

‘Ga nog even zitten Thea.’

‘Waarom?’

‘Ik wil je nog wat vragen en draai er anders een sigaretje bij als je daar gelukkig van wordt.’

‘Mag ik hem ook aansteken?’, ginnegapte Thea.

De vijandige lucht klaarde wat op. Net als de gezichtsuitdrukking van directrice Sarah. Ze herademde opgelucht.

‘Zoals ik al aangaf; Bart en jij verrichten pionierswerk hier in de wijk. Daar hebben wij respect voor.’

‘Heb je ook een asbak?’

Thea bleef zich op het kneden van haar shaggie richten en maakte bewust geen oogcontact met directrice Sarah. Als directrice Sarah namelijk oprecht zoveel waardering voor een stel witte ouders op een overwegend zwarte school zou hebben als ze beweerde; waarom werd dezelfde gerespecteerde pioniersmoeder dan straal genegeerd op de ochtenden waarop Thea in een langzame stoet van veelal ongelijk gestemde ouders haar dochter Sabine naar het lokaal van groep 1 en juffrouw Dirkje bracht? Thea had directrice Sarah al ontelbare keren goedemorgen gewenst zonder tegengroet. Respect moet wel van twee kanten komen. Thea zag Sarah wel staan. Zoals de directrice van Het Kleurenpalet elke werkdag van de week boven de meute herrees. Alsof ze op wacht stond in haar kreukelvrije mantelpakje. Een zilverkleurig ensemble afgemaakt met een verblindend witte blouse waarvan de knoopjes elk moment onder de spanning leken te kunnen bezwijken en dat bijna naadloos leek over te gaan in haar tijdloze kapsel met de opgestoken pieken in wel vijftig tinten grijs. Elke ochtend van alle schooldagen weer blokkeerde directrice Sarah wijdbeens in haar collegeschoenen de doorgang op de brede trap naar de eerste verdieping, Geen leerling,  begeleidende ouder of verzorger passeerde directrice Sarah zonder zwijgend gezien te worden. Met haar armen ineen geslagen voor haar c-cups inspecteerde ze de stroom mensen die op haar af kwam met een imponerende, verheven blik achter een strenge bril die de helft van haar snuitje bedekte met een zwaar, donker montuur. Wat was de bedoeling van deze façade? Geen mens was onder de indruk van de pose van directrice Sarah. Na herhaaldelijke confrontaties met het beeld dat de directrice van zichzelf op het Kleurenpalet hooghield begon Thea zich dan ook serieus af te vragen of Sarah nooit de moeite genomen had om eens stiekem op een pornosite te gluren. Al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid. Ze zou zichzelf herkennen in het archetype van de seksgodin. Dat kon nooit haar bedoeling zijn. Geschokt zou ze zich zo snel mogelijk in een wat meer gangbaar ensemble hullen. Een make-over. Een roze bril. Een kostuum met een krijtstreepje bijvoorbeeld. Sneakers eronder. Een opgeknipt kort kapsel met kastanje rode kleuring. Niks meer aan doen.

‘Er heeft zich alweer een hoogopgeleid stel gemeld dat bereid is om hun kinderen eventueel op Het Kleurenpalet in te schrijven’, verzuchtte Sarah gelukzalig.

Van het ene op het andere moment was ze in een dweperig soort extase geschoten. Haar ademhaling trilde van opwinding, terwijl ze een geboetseerde asbak, in allerlei overgelopen waterverfkleurtjes, van de vensterbank naar het bureau verplaatste. Thea inhaleerde diep van haar sigaret. Ze gunde het teer, de nicotine en andere chemische troep de tijd om haar bloedstroom te infiltreren alvorens ze de rook tegelijkertijd met haar repliek uitblies.

‘Hebben ze zich ook voorgesteld als meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’

‘Een hbo-opleiding is heel hoog’, wist Sarah frikkerig.

‘Bart en ik zijn bij mijn weten het enige erkende hoogopgeleide stel in deze wijk’, spotte Thea die van sommige ouders wist dat ze in hun thuisland een universitaire opleiding hadden genoten.

‘Dit stel woont ook niet in deze wijk’, antwoordde Sarah onnozel.

‘Ze hebben een huis gekocht aan de rand van de wijk in de Overgangsstraat en kunnen in wezen vrij kiezen tussen De Wielewaal en Het Kleurenpalet. Ze kwamen zich vanochtend oriënteren net als jij een paar maanden terug.’

Thea viel Sarah in de rede:

‘En nou wil jij van mij weten wat mij over de streep heeft getrokken; zodat je die ouders ook kunt overtuigen om met hun kinderen de oversteek naar  Het Kleurenpalet te maken?’

‘Nou ze hadden in principe best zin om samen met andere ouders een integratiebrug op Het Kleurenpalet te bouwen.’

‘Maar…?’

‘Dat kunnen ze niet alleen natuurlijk’.

Thea onderdrukte een cynisch hikgeluid.

‘Nee, ik ook niet.’

Sarah was te ver heen in haar euforie over de potentie van weer een eventuele nieuwe aanwinst voor Het Kleurenpalet en daarmee voor haar reputatie als witte weldoenster, om het sarcasme van Thea tot zich door te laten dringen:

‘Mag ik jouw telefoonnummer doorgeven?’

Hoe kon Thea anderen wegwijs maken als ze zelf volledig vastliep? Dat was juist de reden waarom ze hier, tegen beter weten in, weer met Sarah aan tafel geschoven was.

‘Dat mag altijd, maar wat wil je dat ik zeg?’

‘De waarheid.’

 

Achteraf beschouwd was het misschien maar goed ook dat Thea in de weken die volgden niet telefonisch geraadpleegd werd door een hoogopgeleid stel met geveinsde interesse in het Kleurenpalet voor hun witte, bevoorrechte kinderen. Wist Thea veel! Met het verstrijken van het eerste basisschooljaar van Sabine werd haar vervreemding met het wel en wee op Het Kleurenpalet zo onoverbrugbaar dat ze uiteindelijk niet eens meer een comfortzone had om in terug te kruipen. Zo raakte ze bijvoorbeeld uit het veld geslagen door de reactie van een tattoolijer van een vader op het schoolplein. Hij wachtte zijn vijfjarige dochter Kimberly op met een peuk in zijn muil en een aangelijnde pitbull aan zijn zijde. Hij had al een keer zijn neus opgehaald en een fluim opgehoest slijm pal naast de schoenen van Thea doen landen. Hij stond geen moment stil, maar hinkte zenuwachtig van het linker op het rechter been alsof hij zijn spieren aan het opwarmen was. Hij verspreidde een alcoholwalm doordrenkt van nicotine vermengd met een loodzwaar meurend mannenparfum. Thea was blij dat ze juffrouw Dirkje uit het schoolgebouw van Het Kleurenpalet zag komen; gevolgd door een optocht van duokleutertjes die hand in hand in de richting van de naschoolse opvang liepen. Bij de rode lijn blokkeerde juffrouw Dirkje wijdbeens de doorgang en stopte de stoet met een handgebaar in de lucht. Het tweetal voorin de rij stond zo abrupt stil dat ze een achter zich een kettingbotsing veroorzaakten. Juffrouw Dirkje wachtte kalm tot de boel bedaard was. Daarna gaf ze het startteken. Sabine kwam naast Kimberly op Thea afrennen. Ze nam pas op plaats voor de Pitbull die de iele Kimberly bijna omver sprong.

‘Mag ik hem ook aaien?’, vroeg Sabine onbevangen aan Kimberly die zich vrijmoedig door de hond liet overweldigen.

De vader rukte tevergeefs aan de hondenriem.

‘Aai hem maar’, moedigde Thea haar dochter aan.

De Pitbull was alweer tot rust gekomen en liet zich over zijn hele lijf betasten door vier begerige handjes. De vader bleef stug voor zich uitkijken, maar gromde dreigend binnensmonds richting Sabine:

‘Kijk maar uit; direct vat ie oe.’

‘Wat is vat ie oe?’, vroeg Sabine aangeslagen en niet begrijpend nog vlak voordat Thea haar kleine meisje haastig in veiligheid bracht door haar op te tillen en dicht tegen zich aan te drukken.

‘Dat versta jij niet kind, dat is Neanderthaal’, riep ze verontwaardigd tegen dovemans oren en met haar hart in haar keel.

Juffrouw Dirkje stond vlak bij. Ze kneep Sabine in de wang en zei op die relativerende toon van haar:

‘Weet je wat ‘vat ie oe’ betekent Sabine? Het betekent; ‘direct grijpt hij je’. Maar dat gebeurt niet. Daar is Rocky veel te lief voor. Toch Kimberly?’

‘Huh?’

Kimberly was alweer afgeleid. Juffrouw Dirkje voorkwam dat ze ertussenuit zou knijpen door haar voor de grap in de houtgreep te nemen en sprak vervolgens in één adem de vader van Kimberly berispend toe:

‘Ga nou eens gewoon met die Pitbull van het schoolplein af Mario. En roken doen je ook maar buiten het hek.’

‘Ja, ja’, mompelde Mario schuldbewust.

Dit soort voorvalletjes was dagelijkse kost op Het Kleurenpalet. De hoge frequentie ervan in combinatie met de indolente meegaandheid van de zwijgende meerderheid maakte dat Thea zich in het begin nog geroepen voelde om te solliciteren naar een vacante plaats voor een vertegenwoordig(st)er van de ouders van de kinderen van Het Kleurenpalet in de medezeggenschapsraad. Tot grote vreugde van juffrouw Dirkje die het ingevulde inschrijvingsformulier gretig van Thea aannam en haar vol vertrouwen en goede moed naar de verantwoordelijke leerkracht doorverwees. De aangewezen tussenpersoon voor doorstroming naar de medezeggenschapsraad was die andere kleuterjuf - Petra - die Thea al had mogen ontmoeten tijdens het kennismakingsbezoek dat georganiseerd was door de leiding van De Kleine Beer. Walter was toen nog zo goed als voorbestemd om na zijn vierde verjaardag een kleutertje in groep 1 van juffrouw Petra op Het Kleurenpalet te worden, want juffrouw Dirkje was al bezet door Sabine. En Walter was er bijna, maar nog niet helemaal, want Thea twijfelde. Net als juffrouw Petra die - in tegenstelling tot Thea - niet eens het fatsoen op kon brengen om haar achterdocht jegens een atypisch medemens onder stoelen of banken te steken. Ze richtte haar volle aandacht liever op een prototype in de vorm van een tweede moeder die, naar het zich liet aanzien, ook interesse in de vacature voor de medezeggenschapsraad had getoond. Thea’s concurrente was een uitgedijde versie van een verpieterd dom blondje met grijze uitgroei in de scheiding van haar coupe soleil. Terwijl ze in de deuropening van het kleuterlokaal met juffrouw Petra in een innig gesprek verwikkeld was, keek ze heersend om zich heen alsof een onbetaalde functie in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet haar lotsbestemming was. Zo nu en dan probeerde ze Thea onopgemerkt te monsteren vanuit haar ooghoeken. Thea stond op een afstand op een reactie van juffrouw Petra te wachten en vergaapte zich van haar kant aan de onthullende leggings in knalroze, hoerige lakkaplaarzen en een kalfslederen paarse parka met bontkraag waarin de concurrentie zich uitgedost had.

‘Aan dat portret krijg ik nog een zware dobber’, dacht Thea , omdat ze er logischerwijs vanuit ging dat de vacature bij de medezeggenschapsraad nu als vanzelfsprekend door twee vrijwilligsters vervuld zou worden.                                          

Ze zou dus moeten samenwerken. Toen ze na tien minuten nog steeds onzichtbaar leek voor de twee dikke vriendinnen die nog altijd geanimeerd in conclaaf met elkaar waren, besloot Thea in te grijpen:

‘Ik kom voor de vacature bij de medezeggenschapsraad’, aarzelde Thea, terwijl ze stapvoets dichterbij kwam.

‘Ze komt voor de vacature bij de medezeggenschapsraad’, echode het portret in hoog Nederlands richting juffrouw Petra die zich stond te verbijten, maar quasi vermanend proestte:

‘Ingrid!’

Zoals een baas haar grommende hond voor de postbode in het gareel houdt.

‘Ik kom ook voor de medezeggenschapsraad!’ blafte de  hond, die kennelijk naar de naam ‘Ingrid’ luisterde, dreigend.

Met een tergende blik zocht Ingrid oogcontact met Thea die haar aandachttrekkerij ontweek door vragend naar juffrouw Petra te staren. Thea was er de persoon niet naar om medeplichtigen ongemoeid te laten. Onverschrokken plaatste Thea  haar handen in de zij en zakte door één heup.

‘Dus?’

‘Zeg maar nee, want dan krijg je er geen 2’, mompelde Ingrid binnensmonds, maar goed verstaanbaar.

‘Een sollicitatieprocedure’, opperde juffrouw Petra lacherig.

‘Laat maar.’

Gedesillusioneerd keerde Thea het tweetal de rug toe. Ze had geen zin om zich te begeven in de arena van overbekende, primitieve machtspelletjes tussen ‘sterke’ wijven of zogenaamde ‘alfavrouwtjes’. Thea wist dat ze moeiteloos kon winnen door zich voor het oog te conformeren aan de regels van het moment en door op de lange termijn haar zin door te drijven met manipuleren. Ze kon er eenvoudigweg de energie niet voor opbrengen met twee kleutertjes in haar kielzog, een voltijds huishouden, een webwinkel in retrospullen en Huiswerksterk. 

‘Gewoon even checken wie het beste geschikt is!’, riep juffrouw Petra haar pesterig na.

Thea draaide zich een halve slag om op haar as:

‘Ik ga onderga echt geen sollicitatieprocedure  voor een vrijwilligersfunctie.’

‘Bang dat je verliest; zeikwijf?’, tartte Ingrid.

‘Ik weet wel zeker dat ik verlies’, smaalde Thea.

‘Jullie kunnen ook proberen om er samen uit te komen’, fleemde juffrouw Petra.

Haar plotselinge inschikkelijkheid vloeide waarschijnlijk niet zozeer voort uit een vertraagd inzicht in ernst van haar partijdigheid, maar eerder uit angst voor represailles.

‘Dat had gekund, maar niet met miss Piggy daar’, zei Thea met een hoofdbeweging richting Ingrid.

‘Duhuh, stomme kut!’, schold Ingrid.

Een zwaktebod. Ingrid had niet met de assertiviteit van Thea gerekend. Juffrouw Petra voorkwam een voortzetting van de scheldpartij, al dan niet expres, door alleen Ingrid luidkeels te verwelkomen als nieuw lid van de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet.

‘Nou dat is dan geregeld; welkom Ingrid’, riep ze door de gangen van Het Kleurenpalet.

Overduidelijk opgelucht dat Thea uitgerangeerd was. Kleuterjuf Petra zat niet te wachten op de bemoeienis van een nuffige mevrouw in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet die zich te goed voelde voor een sollicitatiegesprek. Thea op haar beurt zou wel gek zijn als ze haar zoontje Walter in de toekomst zou overleveren aan deze kleuterleidster uit de hel.

‘Je denkt toch niet serieus dat ik mijn zoon bij zo’n dragonder in de klas laat zetten!’, liet Thea tijdens haar afgang het innige tweetal dan ook nog wel even over haar schouder weten.

Ze besefte te laat dat ze zich volslagen belachelijk maakte met haar geëvolueerde taalgebruik.

‘Wat? Wie z’n moeder?!’, schaterde het paar tweestemmig.

Het hoongelach galmde na in het nagenoeg lege schoolgebouw, terwijl Thea het schofterige tweetal en Het Kleurenpalet in tranen van vernedering ontvluchtte. De dag daarop botste ze tijdens het naar de klas brengen van Sabine expres tegen het tengere lijfje van directrice Sarah op die zoals gewoonlijk op wacht stond bovenin het gangpad van het trappengat:

‘Je zou mijn telefoonnummer toch doorgeven aan meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’ siste Thea vijandig.

‘Hebben ze nog geen contact met je opgenomen dan?’, stamelde Sarah betrapt.

‘Je bouwt je integratiebrug voortaan maar in je eentje,’ decideerde Thea woest.

Vervolgens passeerde ze de directrice in een zodanige razernij dat ze pijnlijk hard met haar schouder tegen de bovenarm van Sarah aan knalde. Het was het laatste contact tussen Thea en directrice Sarah.

Het rinkelen van de huistelefoon rukte Thea uit een powernap die haar had overvallen nadat ze – zo goed, zo kwaad als mogelijk - bekomen was van de meest recente, beslissende interventie van Merel het peuterhoofd. Thea nam de hoorn van de haak achter een gordijn van  sigarettenrook.

‘Dag Thea; je spreekt met Peter Langveld. Ik ben directeur van De Wielewaal.’

‘Ja, dat weet ik’, gaapte Thea.

‘Ik ben zojuist gebeld door mevrouw Merel van Vreugdekom in verband met Walter?’

Thea schraapte haar keel en kraste:

‘Merel heeft dingen over Walter gezegd die niet kloppen.’

‘Dat heb ik begrepen’, zei Peter.

Hij klonk neutraal, waardoor Thea direct de neiging voelde om zich te moeten verdedigen.

‘Ze heeft met Jade gepraat. Merel heeft gezegd dat mijn Walter autistisch is en dat hij veel meer ondersteuning nodig heeft dan wij, de ouders, hem willen geven. Maar hij is niet autistisch. Echt niet.’

‘Je weet dat Merel strafbaar bezig is geweest?’

Thea was onder de indruk van de formele opstelling van Peter. En zo helemaal niet onderdanig. Thea smeerde haar keel door een vergeten bodempje rode wijn uit een verdwaald wijnglas op de salontafel achterover te slaan.

‘Jade ook!’

Er viel een stilte die Thea na een seconde of 4 maar besloot op te vullen om verdere complicaties te voorkomen:

‘Maar ik heb een klacht tegen Merel ingediend bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en de begeleiding van Walter op de peuterspeelzaal zal voor de resterende acht weken verder volledig aan juffrouw Maaike worden over gelaten.’

‘En daar heb jij vrede mee?’, vroeg Peter monter.

‘Ach, wat heet vrede; over acht weken is het zomervakantie en dan wordt Walter 4 jaar.’

‘En dan komt hij na de zomervakantie gewoon naar De Wielewaal samen met zijn zusje Sabine, heb ik begrepen van Jade’, besloot Peter de directeur alsof de hele ommezwaai van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal een fluitje van een cent was geweest.

 

HOOFDSTUK 7

Vlak nadat Bart en de kinderen de hielen gelicht hebben verschijnt Melvin, zoals wel vaker, ook op de ochtend na de ouderavond in de keuken. Heel toevallig ziet Thea echter voor het eerst in al die tijd dat Melvin het gangetje naast het huis van de overbuurman verlaat, voordat hij de straat oversteekt en even uit het zicht verdwijnt om vervolgens in haar huis op te duiken. Doorgaans heeft Thea geen oog voor het huis van de overbuurman. Laat staan voor zijn achterom. Ze kijkt normaliter alleen door de huiskamer- en keukenramen om de tijd te doden als ze de plantjes op de vensterbank water geeft. Maar vandaag staat Thea op de uitkijk omdat nog geen minuut geleden een politiewagen met piepende banden pal voor haar voordeur parkeerde. Thea kreeg een jachtig visioen van één of meer verongelukte gezinsleden en nog net geen hartverzakking, want nadat de geüniformeerde mannen pontificaal waren uitgestapt en zich terloops profileerden door gezaghebbend de open lucht te inhaleren, begaven zij zich beiden linea recta naar het huis van de overbuurman die de agenten te slim af was. Nog voordat één van de gezagdragers op de bel had kunnen drukken, verscheen de overbuurman breed lachend in zijn voordeuropening en verwelkomde de politie in zijn huis met een diepe buiging en een weidse armzwaai.

In de keuken maakt Melvin plaats voor zijn pukkel op de tafel door de ontbijtboel naar achteren te schuiven.  Gewoonlijk laat hij tijdens zijn bliksembezoeken zijn schooltas achteloos ergens neervallen. Hij is bezweet en bij binnenkomst in de ruimte raakt Thea bijna bedwelmd door zijn penetrante transpiratiegeur.

‘Ik ga douchen’, deelt hij mee.

‘Ik dacht het niet’, reageert Thea verongelijkt.

Pim, de vader van Melvin,  heeft haar gisteren aan het denken gezet over de talloze aanloopjes van haar oppaskind waarin ze vanaf vandaag haar Betuwe Flipje niet meer herkent.

‘Moet jij niet naar school?’

‘Eerste uur uitval.’

Ontnuchterd zakt Melvin op een keukenstoel. Met een gebruikt en beboterd mes van de ontbijttafel roert hij in de inhoud van een pot pindakaas. Daarna strijkt hij de smeuïge pindakaasmassa langzaam over zijn uitgestoken, slappe toon. De hardnekkige, kleverige restjes reinigt hij door het mes zorgvuldig en toegespitst te tongen met een scheef gehouden hoofd, alsof hij het koekje van een smeltend softijsje aan het aflikken is. 

‘Ik heb gisterenavond je vader gesproken.’

Met één hand schenkt Thea koffie voor zichzelf in, terwijl ze tegelijkertijd met haar andere hand een kartonnen melkpak uit de handen van Melvin grist.

‘Ik wil niet dat je aan dat pak lurkt; je kunt een beker gevuld met melk krijgen.’

‘Zeg, wat is er met jou aan de hand?’, roept Melvin verontwaardigd.

‘Ik ben je moeder niet.’

‘Nee, gelukkig niet?’

‘Wat doe je hier dan nog; waarom ga je niet lekker naar je moeder?’

‘Mijn moeder woont in Engeland.’

‘Wat is er mis met England?’

Thea leunt ruggelings tegen het aanrecht en roert verwoed in haar koffie.

‘Haar vriend; dat is wat er mis is met Engeland’, antwoordt Melvin onweerlegbaar.

Het ontvreemde pak melk vindt hij terug tussen het brood en hagelslag en zet het alsnog aan zijn lippen. Hij boert als hij klaar is.

‘Grote jongen’, badineert Thea:

‘Wat deed jij trouwens bij de overbuurman?’

‘Zo meteen roer je een gat in de bodem van je mok’, grapt Melvin ontwijkend.

‘Ik dacht trouwens dat jij je koffie zwart dronk; zonder suiker?’

‘Ik dacht dat jij op het stedelijk gymnasium zat?’

Thea gooit het lepeltje in de gootsteen. Dat zinloze geroer zal wel een vers zenuwtrekje van haar zijn.

‘Mag ik alstublieft douchen?’, bidt Melvin, terwijl hij zijn handen vouwt en haar snel knipperend probeert te vermurwen.

Thea slaakt een diepe zucht:

‘Waarom ga je niet gewoon thuis bij Femke douchen of op de sportschool?’

‘Ik vond je gisteren leuker’, haalt de postpuber Melvin ineens uit.

‘Je vader wil dat ik je huiswerkbegeleiding geef. Zoals je weet doe ik dat aan huis. Ik kan niet al mijn bijlesleerlingen een douchebeurt aanbieden.’

‘Waarom heb je er dan nooit eerder een probleem van gemaakt?’, wil Melvin – terecht – weten

‘Omdat ik je vader gisterenavond gesproken heb’, bekent Thea nogmaals.

‘Daarvoor heb ik nooit zo diep over jou en je zus Jasmijn nagedacht. Jullie waren gewoon mijn oppaskinderen, maar Jasmijn is al 22 en jij bent 17. Bovendien hebben jullie ieder twee vaders en moeders. Waarom zou je dan uitgerekend bij mij douchen.’

Melvin kijkt beteuterd:

‘Wist jij dat de vriend van mama de ex van Jasmijn is?’

‘Valt Jasmijn op oudere mannen dan?’, vraagt Thea zonder het antwoord te willen weten.

‘Jij bent zo normaal Thea’, verzucht Melvin uit de grond van zijn hart.

Thea weet niet of ze zich nou gestreeld moet voelen of niet.

‘Dank je, denk ik.’

‘Mijn stiefvader is 24 jaar en mijn stiefmoeder is 50. Snap je nou waarom ik van het stedelijk gymnasium getrapt ben?’

‘Nee, maar loop even mee naar de huiskamer en mijn laptop dan plan ik je in voor huiswerkbegeleiding.’

De ervaring leert Thea dat het wel zal loslopen met de slechte schoolprestaties van Melvin. Hij is geen hoogvlieger, maar laat zich makkelijk sturen. Hoe anders dan haar eigen vlees en bloed dat ze niet eens de tafeltjes aan het verstand kan brengen. Vanaf de luiertraining wordt er door veel ouders dagelijks al wat afgetobd met het huiswerk van hun bloedeigen studiebolletjes, maar Thea verkoos een ongedwongen thuissituatie boven schoolse zaken. Juist omdat ze zoveel weerstand van haar kinderen tegen haar moederlijke bemoeienis met de toegepaste lesmethodiek van de leerkrachten op De Wielewaal ondervond. Dankzij de eerdere huiswerkbegeleiding van Jasmijn en Melvin was Thea heus wel vertrouwd met de leerstof op de basisschool, maar uit machteloosheid gokte ze voor haar eigen kinderen op de   didactisch kwaliteiten van de meesters en juffen met hun spreekwoordelijke vreemde ogen die dwingen. Ze kwam bedrogen uit met haar twee kinderen in de gemedicaliseerde hokjeswereld van basisschool De Wielewaal. In de  onderbouw leek de ontwikkeling van Sabine nog wel probleemloos haar gangetje te gaan. Dat had alles te maken met de karakteristieke behoefte van Sabine om het zichzelf overal en altijd zo makkelijk mogelijk te maken. Anders dan Walter had Sabine zo klein als ze was al heel snel in de smiezen dat ze zich op De Wielewaal maar het beste in de groep gedeisd kon houden op cruciale momenten. Walter niet. Walter struikelde in het eerste semester van groep 3 als een olifant in de porseleinkast faliekant over een vervanger van zijn eigenlijke juf. Juf was al twee weken na de zomervakantie overspannen. Meester Gijsbert kwam voor juf in de plaats. Hij was zo’n fijne vent. Zo’n ongetrouwde, veertigplusser op sneakers, met vettige pieken tot over zijn oren en een T-shirt van Amnesty International zodat hij bijna niet anders kon dan bij iedereen in de smaak vallen. De meeste ouders vonden meester Gijsbert dan ook vanzelfsprekend een toffe peer. Daar kwamen ze luidruchtig en openlijk voor uit op de speelplaats en in de gangen van de school tijdens het escorteren van hun smurfjes naar de aangewezen lokalen van De Wielewaal. Meestal spraken zij ook meteen hulde over meester Gijsbert namens hun kinderen die persoonlijk geen zeggenschap hadden en/of kregen. Meester Gijsbert liet het dagelijkse eerbetoon als vanzelfsprekend over zich heenkomen en na een korte acclimatiseringsperiode speelde er zelfs chronisch een pedant glimlachje om zijn lippen. Desondanks bleven zowel Thea als haar zoon, los van elkaar en buiten de gangbare waarden en normen, in eerste instantie neutraal ten opzichte van het optreden van meester Gijsbert in groep 3 in het algemeen en ten opzichte van Walter in het bijzonder. Walter vond schrijven en rekenen makkelijk en naar eigen zeggen was hij de beste van de klas. Thea besloot het eerste rapport af te wachten alvorens ze deze stellige zelfkennis van haar lievelingszoon bij meester Gijsbert zou verifiëren. Zo heel erg zou Walter zichzelf toch niet overschatten, want hij had zich in zijn voorafgaande, twee kleuterjaren op De Wielewaal immers al als een pienter mannetje bewezen bij juffrouw Elsje.

Kleuterjuffrouw Elsje van De Wielewaal was een vrouw van halverwege de vijftig die al meer dan dertig jaar voor de allerkleinste leerplichtigen stond. Ze wist Walter te kalmeren. Ze nam hem nooit tegen zijn zin op schoot, dwong hem niet om naar haar te luisteren en verhief nimmer haar stem. Ze was ook elke dag dezelfde kleine, juffrouw Elsje  en veranderde niet van stemming bij elke keer dat ze een beer op haar weg tegen kwam zoals Merel het peuterhoofd. Ze deed Thea voortdurend aan kabouter Kwebbel uit Plopsaland denken. De fysiotherapeut, die Thea op aanraden van Elsje met Walter bezocht, zei eens tijdens een consult:

‘Elsje is de beste die je voor je kleuter kunt hebben.’

‘Dan ken je juffrouw Dirkje van Het Kleurenpalet zeker niet’, protesteerde  Thea uit loyaliteit met haar wijkbewoners, hoewel ze ergens wist dat de fysiotherapeut wel gelijk had.  Wat het begeleiden van kleuters betreft won Elsje heel misschien, niet onbetwistbaar nipt van Dirkje. Wat de interactie met ouders en/ of verzorgers aanging kon Elsje echter nog wat van de straatwijsheid van Dirkje leren. Elsje liet zich permanent beïnvloeden door de sjiek op De Wielewaal. In het bijzijn van de ouders werd de oogst van de uiterlijke schijn bejubeld. Achter gesloten deuren bleek Elsje gelukkig heel neutraal. De maatschappelijke ladder kon haar in wezen gestolen worden, maar tegen poenige opdringerigheid was Elsje niet bestand. Zo had ze ook geen verweer tegen Jade – de interne coördinatrice - die het op Walter voorzien had na het incident met Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer. Alsof Jade aan de directeur Peter wilde bewijzen dat Merel het peuterhoofd en zij toch gelijk hadden gekregen met hun illegale, telefonische onderonsje over Walter. Kennelijk wilde ze koste wat het kost haar reputatie zuiveren door hard te maken dat Walter een spraakmakend, ongewoon jongetje was en wel degelijk een autist. Of wat dan ook. Walter was volgens Jade gewoon ‘iets’ waaraan ongetwijfeld een medische oorzaak ten grondslag te verzinnen zou zijn. Wist Jade veel; zij was geen arts. In ieder geval moest luid en duidelijk geopenbaard worden dat Jade – de interne coördinatrice - naar eer en geweten gehandeld had door een vierjarig kind - buiten medeweten van de ouders –  in telefonisch overleg met een geestverwant te becommentariëren en te veroordelen. Ze was nooit nieuwsgierig geweest; roddelzuchtig of sensatiebelust. Hoe durfde Peter, de directeur van De Wielewaal, partij te trekken voor de ouders van Walter door ze serieus te nemen over haar?! Wie waren Bart en Thea nou helemaal anders dan een onbenullig stel uit een achterstandswijk?

Maar al vrij snel na de komst van Sabine en Walter ging de schoolcarrière van wie dan ook op De Wielewaal nauwelijks tot niet meer aan het hart van directeur Peter. Na zeven, vette jaren trouwe dienst werd hij gepromoveerd naar een basisschool met wel 2000 kinderen. Dat was nog eens wat anders dan de luttele 188 leerlingen op De Wielewaal. Thea voelde zich bijna persoonlijk aangevallen. In de loop van de twee jaar dat haar spruiten inmiddels De Wielewaal bezochten was Thea lid geworden van de ouderraad met de bedoeling om pijnlijke situaties zoals de platte ruzie om de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet voor zichzelf in de toekomst te voorkomen. Na een half jaar begon Thea zich echter serieus af te vragen wat erger was; het ‘oog om oog, tand om tand’ principe van Het Kleurenpalet of de ‘dolksteek in de rug’ mentaliteit van De Wielewaal. De 6 vergaderingen van de ouderraad in het schooljaar waren stuk voor stuk krachtmetingen tussen getapte ouders. Thea was eigenlijk het enige lid dat gewoon was aan komen waaien, omdat in de Nieuwsbrief had gestaan dat iedere ouder welkom was bij de ouderraad. Wist Thea veel dat de inhoud van de Nieuwbrief niet serieus genomen diende te worden volgens de rest van de ouders die elkaar al langer kenden dan vandaag van ons kent ons uit de wijk en van peuterspeelzaal ‘Het Grote Begin’ die bij De Wielewaal en de buurt hoorde. Een groot begin klinkt heel wat ambitieuzer dan De Kleine Beer.

Er werd veel gemaakt gelachen tijdens de vergaderingen van de ouderraad. De dames wierpen alsmaar gierend het hoofd in de nek en de heren sloegen zich continueel knorrend op de knieën. Thea was wel blij dat ze vrijuit en probleemloos Nederlands kon praten. Op Het Kleurenpalet was de taalbarrière een algemeen gedeeld probleem geweest. Wel jammer dat iedereen de overstap van Thea van De Wielewaal naar Het Kleurenpalet wantrouwde. Haar motieven werden naar harte lust ingevuld door buitenshuis werkende moeders die zienderogen minder te besteden hadden dan Bart en Thea, maar die zich in hun versleten haute couture kennelijk toch verheven voelden boven het restant van de mensheid en dus zeker boven een moederkloek als Thea. Ze was niet onder de indruk. Ook niet van de eigentijdse papa’s met hun gecultiveerde baardgroei en hun bejubelde, geslachtsloze voorliefde voor geëmancipeerde mensen. Na een korte snuffelperiode liet iedereen Thea gewoon links liggen tijdens de bijeenkomsten waar niets anders dan dezelfde kwesties uitentreuren frequenteerden. Te weten; overblijfperikelen, de aanschaf van een mega kerstboom of toch liever weer Glühwein dit jaar, de vrijwillige ouderbijdrage oftewel hoe kunnen we wanbetalers dwingen, het schoolreisje en hoe schuif ik mijn eigen kind (eren) zo onopvallend mogelijk in een zo gunstig mogelijk licht. Gelukkig was directeur Peter bestendig aanwezig. Hij wist met zijn lankmoedigheid de bijeenkomsten naar een hebbelijk niveau te verheffen, maar hij koos geen partij. Hij woei met alle winden mee, precies zoals Thea bij hun allereerste ontmoeting al voorzien had, maar ze voelde intuïtief aan dat haar uitgesproken aanwezigheid in de ouderraad op één of andere manier een luis in de pels van Peter was. Haar uitgewerkte idee om onder begeleiding van de ouders voorleessessies door en voor kinderen in de verschillende groepen te organiseren werd genegeerd. Ook door Peter, terwijl hij aanvankelijk wel oren zei te hebben naar een interne, kosteloze leesclub voor de kinderen. Ten langen leste liet de ouderraad onder leiding van Peter toch liever unaniem – met uitzondering van Thea dus -  een kinderboekenschrijver een middag signeren in en voorlezen uit eigen werk op school tegen een vergoeding 500 euro. Pas toen Peter zijn overstap naar een grotere basisschool algemeen bekend maakte, kon Thea haar vinger op de zere plek leggen. De ouderraad spaarde liever kosten noch moeite dan de gratis ondernemingslust van Thea bij te benen en Peter zag haar creativiteit als een bedreiging voor zijn conformisme en daarmee voor de stijgende lijn van zijn loopbaan. Maar op persoonlijk vlak kon hij het enthousiasme en de originele ideeën van Thea echter bijzonder waarderen. Althans dat liet hij weten in een privé berichtje in de mail.

Beste Thea,

Blijf vooral jouw ideeën spuien. Ik waardeer jouw enthousiasme en originaliteit.

Met vriendelijke groet,

Peter Langveld.

Directeur van De Wielewaal.

Blij verrast typte Thea een virtuele dankbrief waarin ze meteen maar haar belevenissen en ervaringen rond de overstap van De Wielewaal naar Het Kleurenpalet samenvatte en terloops haar lidmaatschap van de ouderraad opzei. Na anderhalf jaar egotripjes der kouwe kak en directeur Peter met zijn dociele gelaveer tussen twee kwaden met als sluitstuk de dumping van haar tot in de details uitgedachte voorleesplan was Thea opeens helemaal klaar met de ouderraad. Het sop was de kool niet waard. Thea was toen nog niet op de hoogte van directeur Peters plan om De Wielewaal in te ruilen voor een veel grotere basisschool.

Toevallig viel haar afscheid van de ouderraad samen met de bekendmaking van het vertrek van Peter als directeur van De Wielewaal. Een baardman uit de ouderraad benaderde Thea op de speelplaats;

‘Ik heb gehoord dat je ons gaat verlaten?’

Thea was verbaasd dat hij überhaupt scheen te weten wie zij was. De baardman kwam meteen ter zake:

‘Heb je dat besloten voordat je op de hoogte was van het vertrek van Peter of nadat je wist dat Peter naar een grotere school zou gaan?’  

‘Wat doet dat er nou toe?’

‘Nee, ik ben gewoon nieuwsgierig of je nu ook met je kinderen meegaat naar de nieuwe school van Peter?’

De baardman kneep zijn oogjes tot geniepige streepjes.

‘Waarom zou ik?’

Thea zocht tevergeefs om zich heen naar steun van de aanwezige ouders die onaangedaan en Oost-Indisch doof ook op hun kinderen stonden te wachten.

‘Jij komt toch van Het Kleurenpalet?’

‘Ja en?’

Baardman kromp ietwat ineen door de defensieve reactie van Thea. Met het oog op de aanwezige ouders herstelde hij zich manmoedig door zijn rug te rechten. Hij stond niet alleen.

‘Jouw kinderen zijn toch op deze school gekomen dankzij Peter?’

Thea liet de opmerking even bezinken en schamperde vervolgens:

‘O, je bedoelt net als alle andere kinderen van De Wielewaal?’

‘Wij wonen in deze wijk. Jij niet toch?!’

‘Dat is jouw fout’, schamperde Thea.

‘Kende jij Peter niet ergens anders van?’

‘Volgens mij weet jij meer dan ik’, antwoordde Thea berustend.

Baardman liet zich niet meer van de wijs brengen.

‘Dus het is waar?’

Hij was serieus.

Thea tastte in het duister en keek schichtig om zich heen. De spanning was te snijden. Ineens viel het kwartje. Haar nervositeit maakte meteen plaats voor noodweer:

‘Ow, je vraagt of ik hem ken van het milieu?’

‘Je woont wel in de hoerenbuurt’, knipoogde de baardman olijk.

Thea vond het nog nodig om hem te verbeteren ook:

‘Voormalige hoerenbuurt.’

‘Ja, ja,’ meesmuilde de baardman.

Hij kreeg wat lachers op zijn hand en Thea begon te stuiteren:

‘Ga bij jezelf te rade!’, tierde ze ferm.

‘Jij bent waarschijnlijk beter in het hoerenmilieu thuis dan ik’.

Ergens achter op de speelplaats klonk een iel, snel wegebbend applausje. Daarna volgde een pijnlijke stilte waarin Thea de baardman in het zicht van het compleet bescheten canaille in z’n hemd liet staan.

 

HOOFDSTUK 8.

Bart vond het allereerste rapport van Walter uit groep 3 een lachertje, maar Thea had moeite met het in toom houden  van haar oerdriften. Meester Gijsbert had het volgende over de eerste 10 leerweken van Walter – een zesjarig kereltje zonder strafblad – te melden:

Walter heeft een flinke achterstand met mondelinge en schriftelijke taal. Hij heeft veel ondersteuning nodig bij de opdrachten. De ontwikkeling van spelling en de woordenschat blijft nog achter.

Walter heeft moeite met een goede omgang met zijn klasgenootjes. Hij reageert heel direct op andere kinderen. Het kost hem zichtbaar moeite om geconcentreerd, zelfstandig en netjes te werken. Daar moet nog veel aan verbeterd worden. Hij heeft het niet makkelijk met de leerstof van met name taal.

‘Een goed begin is het halve werk’, schamperde Bart.

Thea nam zich direct voor om haar beklag te doen bij de schoolleiding over het belabberde beoordelingsvermogen van Gijsbert mede namens de vader van Walter, omdat Bart geneigd was om in een gesprekje met de schoolleiding de didactische anticipatie uit de weg te gaan. Wel zou hij Thea op de achtergrond blijven steunen.

‘Al dat geleuter in de ruimte. Ik ga geen half uur zitten luisteren naar de rechtvaardiging van een nitwit als zo’n Gijsbert. Desnoods stappen we opnieuw over op andere basisschool.’

‘Niet weer’, wanhoopte Thea.

‘Het gaat hier niet om jou, maar om de kinderen’, vond Bart.

Soms kon Thea de redenaties van Bart maar moeilijk verdragen. Ook al was ze reddeloos gevallen voor de ruwe bolster, blanke pit met wie ze meestal een ijzersterke twee-eenheid vormde. Toch werd ze bij tijd en wijlen overvallen door een irreële behoefte aan voortkabbelende vanzelfsprekendheid. Zoals in haar kraamtijd waarin de kinderen en zij vegeteerden in een paralyserende cocon van slapen en eten, die Bart ’s ochtends geruisloos achter zich liet en ’s avonds, na zijn werk op het rekencentrum, weer behoedzaam bekroop. Het welzijn van de kinderen was een wisselwerking tussen de kracht van Bart en de motivatie van Thea. En andersom. Ze hadden elkaar nooit een rozentuin beloofd.

‘Dit keer ga ik nog liever de strijd aan dan de kinderen en mezelf weer te moeten onderwerpen aan de eerste indruk van een derde basisschool Voorlopig blijven we zitten waar we zitten’, besloot Thea.

‘Gelijk heb je; wij krijgen toch overal gezeur’, bedacht Bart zich knarsetandend.

Het dichtgeslagen schoolrapport van Walter belandde met een klap op de salontafel.

‘Waarom; omdat we slechte ouders zijn?’

‘Of we nou wel of geen slechte ouders zijn; we hebben een mening; we laten ons niet suflullen; dat is het probleem.’

Thea had nog het meeste moeite met de terughoudendheid van meester Gijsbert jegens haar. Ze voelde zich door hem genegeerd en niet gerespecteerd als moeder van Walter. In de eerste acht weken dat meester Gijsbert de depressieve juf van groep 3  verving had hij Thea nog nooit aangesproken. Terwijl hij wel elke morgen in allerlei herderlijke discussies verwikkeld was met andere ouders die vlak voor aanvang van de les, als groupies om een idool, om meester Gijsbert heen zwermden. Meester Gijsbert had over elk kind wel iets geschikts te missen, behalve over Walter. En Thea voelde niet de behoefte om zich bij het ouderclubje voor de deur van het lokaal van groep 3 te scharen. Ze liep mee met Walter en Sabine omdat het overgrote deel van de kinderen op De Wielewaal – ook in de bovenbouw -  naar hun plaats in de klas begeleid werd door volwassenen. Betrokkenheid van ouders en verzorgers was het paradepaardje waarmee de school op de website klantjes wierf. Het krioelde in de gangen van De Wielewaal dan ook elke morgen van de kakelende wijkbewoners. Het was een hysterische, ontoegankelijke wanorde waaraan Thea haar kinderen telkens weer, jaar in jaar uit, noodgedwongen geacht werd bloot te stellen. Omdat het dus echt niet anders kon moest de intocht van Walter en Sabine op De Wielewaal - met als einddoel hun kinderstoeltjes in respectievelijk de groepen 3 en 4 - dan maar in vredesnaam onder het ingetogen toezicht van moeder gebeuren. Thea kon maar moeilijk geloven dat meester Gijsbert geen enkele van de 40 kansen om haar in de afgelopen 8 weken aan te spreken over de leerprestaties of het  wangedrag van Walter benut had. Ze vond het niet normaal dat een invaller, zonder waarschuwing vooraf, haar zoontje van amper zes jaar in een schoolrapport veroordeeld had tot 8 basisschooljaren lang in de schopstoel van allerlei peuten, juffen en andere frikken.

De interne coördinatrice Jade regelde een ‘gesprekje’ met de nieuwe directrice die onopvallend haar intrek had genomen in het schoolhoofdkantoor nadat directeur Peter met een hoop afscheidsgedoe De Wielewaal verlaten had. Op het eerste gezicht leek de directrice, die de naam Willy droeg, geen vrouw waar Thea makkelijk mee uit de voeten kon. Jade was ook bij de bijeenkomst aanwezig als een soort intermediair. Nog zo’n dame waar geen land mee te bezeilen was. Behalve een ongeschreven gebruiksaanwijzing leken ook directrice Willy en de interne coördinatrice Jade onderling niet veel met elkaar gemeen te hebben.  Directrice Willy was het type mens met een smoezelige uitstraling. Waarschijnlijk was haar kleding schoon en haar kapsel verzorgd, maar zo zag Willy er niet uit. Ook had ze de modeterm ‘mix en match’ nogal ruim geïnterpreteerd. Sommige prints, kleuren en stoffen passen echt niet bij elkaar en dat soort combinaties schreeuwt om het kledinglabel; smakeloos. Jade daarentegen had wel naar de adviezen van een winkel juf uit een modezaak geluisterd. Ze leek een zwaar geparfumeerde etalagepop in een stijlvol mantelpakje met modieuze details, wat heel ongebruikelijk was voor Jade die – als ze tenminste niet ziek, zwak of misselijk was – meestal door de schoolgangen flaneerde in ‘casual’ kleding. Een zwarte polyester stretch broek met daarop een gelig te heet gewassen lamswollen truitje. Heel wat minder op de heersende modemores afgestemd. De uiterlijke transformatie van Jade tijdens het gesprekje met Willy en Thea had  natuurlijk alles te maken met een nieuw begin met verse kansen bij een vrouwelijke, zichtbaar ietwat naïeve, directrice in plaats van dienstbare Peter waar geen eer aan viel te behalen, omdat hij stiekem toch een patriarch was geweest die zijn Pappenheimers op De Wielewaal door en door in de smiezen had gehad.

‘We hebben even met juf Elsje over Walter gepraat. Ze heeft hem 2 jaar in de kleutergroepen gehad. Ze zegt dat Walter een heel speciaal jongetje is.’

Directrice Willy had een timide oogopslag. Alsof ze tegen je opzag. De lady Di look. Later zou Thea leren hoe vertekend deze indruk was. Ze sprak heel snel met een zachte stem. Thea dacht aan kleuterjuf Elsje en haar bemoedigende werkervaring in verwoestende combinatie met de giftige consideratie met Jade de interne coördinatrice en consorten. Tijdens de tien minuten gesprekken was Elsje aldoor alleen maar vriendelijk over Walter geweest. Ze vond hem een uitgesproken karaktertje:

‘In zijn bovenkamer is niks mis’, placht Elsje herhaaldelijk over Walter te benadrukken.

Tijdens het eerste jaar in de kleuterklas dacht Thea dan kriegelig:

‘Nee, waarom zou er wat mis zijn in zijn bovenkamer?’

Pas in het tweede kleuterjaar leerde Thea de geheimtaal van Elsje lezen. Walter was zijn groepsgenootjes mentaal ver vooruit, maar omdat Bart en Thea niet tot de gevestigde orde van De Wielewaal behoorden, kon en mocht een kind van buiten de wijk natuurlijk geen bolleboos zijn. Thea kon het niet zoveel schelen. Alhoewel ze zich wel al begon te ergeren aan de kleintjes die ten koste van Walter – en Sabine - wel naar voren geschoven werden vanwege zogenaamde topprestaties. Verworvenheden, die niet zo heel veel met intelligentie te maken hadden, maar wel aldus gepresenteerd werden door de betreffende ouders en hun volgelingen. Gesteund door Jade. De interne coördinatrice. Zo was er een vijfjarig  kind dat op commando uit Harry Potter kon voorlezen. Fantastisch. Maar dan wel alleen bladzijde 104. Ra, ra. Op dezelfde manier kende Sabine het hele scenario van de Lollifanten uit het koppie. Ze was amper 4 jaar, maar brabbelde synchroon met de tekenfilmfiguurtjes mee. Ze had de film dan ook pas 50 keer gezien. Walter keek zelden mee. Hij toerde meestal in de huiskamer rond in zijn loopstoeltje. Na een ontdekkingstocht van een minuut of dertig parkeerde Walter zijn vervoerstuig in een mega kamerplant in de serre en viel in slaap. Zodra het tijd was voor zijn fruithapje kon Thea hem standaard terugvinden in de varen. Een kusje op zijn gekrulde kruintje verstoorde zijn dagdromen. Met geloken ogen opende hij mechanisch zijn volle lippen. Tussen het welige groen liet hij de fruitmoes van het plastic haplepeltje probleemloos in zijn mondje glijden. Hij verroerde zich niet uit zijn slaaphouding en bleef gerieflijk onderuitgezakt in zijn loopstoeltje hangen. Zijn kuiltjes kin rustte op de borst. Walter was en is een geboren Bourgondiër. Dat wil echter niet zeggen dat hij niet bereid is om ergens moeite voor te doen. Alleen staat Walter zichzelf ook vandaag de dag nog weleens in de weg met zijn koppige motivatie die alleen in werking treedt als uitsluitend hijzelf – en niet iemand anders; ook niet van horen zeggen - ergens het nut van inziet. Toen het loopstoeltje verboden werd door de arts van het consultatiebureau ter stimulatie van de motoriek van Walter, leerde hij dan ook in een dag lopen. Hij moest wel, want zijn loopstoeltje was hem ontnomen. Maar het praten vlotte niet, wat overigens niet betekende dat hij niet communiceerde. Kleine Walter was een inventief ventje dat op heel veel verschillende manieren zijn zinnetje wist door te drijven. Op de zeldzame momenten dat hij sprak deed hij dat in prachtige volzinnen. Maar hij articuleerde beroerd en daarom bezocht hij al vanaf zijn derde levensjaar een logopediste. Juf Elsje was Godzijdank de goede verstaanster die maar een half woord nodig heeft, maar de onwetende ouders op De Wielewaal verstonden Walter niet en dachten dat hij wellicht niet helemaal in orde zou zijn. Feitelijk werd Walter door buitenstaanders nooit begrepen en wel twintig keer op een kleuterschooldag werd er door grote mensen aan hem gevraagd:

‘Wat zeg je? Praat eens wat duidelijker. Ik versta je niet?’

Het kind werd er moedeloos van en uit frustratie begon hij zijn woorden te roepen, hetgeen zijn uitspraak ook niet verbeterde natuurlijk. Elsje vroeg zelfs een keer aan Thea in het bijzijn van Walter:

‘Misschien is hij doof?’

Waarop Walter heel duidelijk articuleerde:

‘Ik ben niet doof!’

Elsje kleurde tot in haar nek en sloot Walter in haar armen:

‘Dat weet ik toch gekke vent; dat was maar een grapje hoor.’

Dat was juf Elsje ten voeten uit. Ze was constant in tweestrijd tussen haar oprechte liefde voor de kleuters en haar sluimerende behoefte om bij de incrowd van De Wielewaal te horen. Want aan de sfeer tijdens het brengen en halen van Walter voelde Thea dat het wezen van haar kind over de tongen van de wijkbewoners ging. Dat was koren op de molen van de interne coördinatrice Jade natuurlijk die nog een rekening met Bart en Thea te vereffenen had. Omdat Walter erg snel groeide was hij tamelijk groot voor zijn kleuterleeftijd en motorisch was hij iets minder verfijnd dan de gemiddelde vier tot zesjarige uit zijn groep. Op deze oneffenheid haakte Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal in door de ontwikkeling van Walter zogenaamd te wantrouwen, teneinde zich te kunnen wreken op de reputatiemoord die Bart en Thea op haar positie in de onderwijswereld gepleegd hadden. Zo misbruikte ze haar functie als interne coördinatrice door kleuterjuf Elsje met de regelmaat van de klok met anonieme klachten van ouders over Walter te confronteren. Aan de reacties van juf Elsje kon Thea opmaken dat ze tot vervelends toe bestookt werd door Jade de interne coördinatrice over Walter. Op een rustig moment met Jade uit de buurt was juf Elsje namelijk één en al oor over de vorderingen van Walter en vol lof over zijn gedrag in de groep.

‘Walter is een lief kereltje; echt een fijne vent met een hart van goud’, beweerde juf Elsje onder vier ogen met Thea zo stellig dat het wel leek alsof ze een cordon onzichtbare ouders aan het overtuigen was. Mocht Jade de interne coördinatrice  evenwel op ontelbare andere momenten wel indringend op de achtergrond aanwezig zijn, dan kon juf Elsje nauwelijks een vriendelijk woord over Walter over haar lippen krijgen.

‘Walter heeft gisteren voor het eerst gefietst’, riep Thea bijvoorbeeld vol trots over de hoofden van andere ouders naar Elsje.

‘Dus?’, wist juf Elsje tam onder toezicht van de incrowd.

‘Da’s heel normaal hoor voor een kleuter van vijf jaar.’ 

Door Thea – de bron van alle ellende -  publieke belachelijk te maken, probeerde juf Elsje de ergernis over het gezeur over Walter van zich af te schudden. Het mannetje zelf trof geen blaam. Daar was Elsje teveel kleuterjuf voor. Maar ze liet zich wel opstoken door vooraanstaande ouders die met man en macht wilden voorkomen dat hun kinderen besmet werden met het denkbeeldige Waltervirus. Helaas voor de criticasters lag Walter gunstig in de groep. Hij had de vriendjes en vriendinnetjes voor het uitzoeken. En zoals een wijs gezegde al meer dan eens voorspeld heeft:

‘Kinderen en dronkaards verpersoonlijken de waarheid.’

Juf Elsje stond officieel in dienst van de kleuters. Niet van de ouders. Van alle kleuters; dus ook van Walter. Maar nu Walter kleuter af was in groep 3 had juffrouw Elsje Fiederelsje op De Wielewaal haar handen kennelijk helemaal van haar voormalige hartendief en diens moeder afgetrokken. Anders zou ze wel in opstand gekomen zijn tegen de aantijgingen aan het adres van Walter door zijn invalmeester Gijsbert. Maar ze liet dat lieve kereltje, die fijne vent uit haar groepen 1 en 2  na 10 weken in groep 3  gewoon afschilderen als een contactgestoorde, hersenloze agressieveling door een invaller. Juf Elsje wist net zo goed als Bart en Thea dat Walter geen crimineeltje in de dop was. Ook niet als zesjarige. Of zoals de directrice Willy zo eufemistisch weergaf:

‘Elsje vindt Walter een speciaal jongetje.’

Hierop verzuchtte Thea:

‘Walter is wel speciaal, maar niet op de manier waarop jullie bedoelen!’

Directrice Willy schoot in een lachstuip, maar Jade de interne coördinatrice zei geschrokken:

‘Ik merk wel dat je heel boos bent.’

Willy en Thea keken tegelijkertijd naar haar op met zo’n blik van:

‘Zou je denken?’  

Ineens leek directrice Willy zich te realiseren dat zij hier de leiding had. Ze trok haar gezicht in plooi en ze zei plichtsgetrouw:

‘Ik ben vandaag even in groep 3 gaan kijken bij meester Gijsbert en ik vind dat Walter er erg ongeïnteresseerd bijzit.’

Als Willy nou rectrice van een middelbare school in plaats van hoofd van De Wielewaal was en ze Thea over haar dertienjarige puber en niet over haar zesjarige zoontje had aangesproken, dan zou haar inschatting van een gebrandmerkte leerling misschien overtuigend geweest zijn. Maar nog steeds niet erg kies. Met het beeld van haar nieuwsgierige, vrolijke ventje voor ogen liet Thea dan ook gekwetst haar verontwaardiging de vrije loop:

‘Hij wil net zo graag leren als ieder ander kind!’

Een spottend glimlachje speelde om de mond van directrice Willy.

‘Nou ik heb dertig jaar voor de klas gestaan voordat ik directrice op De Wielewaal werd en wij merken hier niets van die zogenaamde motivatie van Walter’, verkondigde ze triomfantelijk.

Zelfs Jade de interne coördinatrice  schrok van directrice Willy en keek haar nieuwe baas een paar seconde onderzoekend aan. Zulke dingen zou zelfs Jade de interne coördinatrice niet openlijk over een kind durven te beweren. Niet op die botte manier. Thea voelde zich dan ook nog verder in een hoek en dus in de verdediging gedreven. Ze werd vals.

‘Dan zorg je maar dat Walter het leuk gaat vinden om te leren. Daar zijn jullie tenslotte voor.’

‘Niet per sé’, vond directrice Willy onvermurwbaar.

‘O nee, misschien moeten we dan eens kijken of de onderwijsinspectie dat ook niet vindt.’

Aan de reactie van directrice Willy viel niet meteen op te maken wat de impact van het dreigement van Thea op haar was, want ze opperde in eerste instantie kalmpjes:

‘We kunnen kijken of Wilma nog een plekje vrij heeft. Wilma is de remedial teacher. Wij hebben namelijk een remedial teacher. Zelfs op De Wielewaal.’

Thea boog zich over de tafel naar de directrice toe. Haar vuurspuwende ogen op een te verwaarlozen afstand van de beduusde gezichtsuitdrukking van Willy troffen doel. Met haar rechterwijsvinger klopboorde Thea in op het tafelblad om haar woorden kracht bij te zetten. Ze leraarde luid en duidelijk:

‘Ik weet wel zeker dat Wilma van De Wielewaal een plekje vrij heeft. Jullie hebben mijn zoon voor de leeuwen gegooid en nou zorgen jullie er ook maar voor dat Walter voor de arena uitgerust wordt.’

Het overmatige knipperen met haar oogleden bij wijze van reactie zou in de loop van de komende jaren een typisch zenuwtrekje van de directrice blijken te zijn. Maar op dat eerste kennismakingsmoment vroeg Thea zich een seconde af of directrice Willy misschien plotseling last van eventuele contactlenzen gekregen had!? Het angstige gepiep dat voor een antwoord door moest gaan gaf Thea op dat moment wel enige genoegdoening. Haar assertieve opstelling liet directrice Willy bij nader inzien dus toch niet onberoerd: 

‘De meeste ouders willen liever niet dat hun kind remedial teaching krijgt’, lispelde ze.

‘Ik ben niet iedere ouder’, benadrukte   Thea alert, terwijl ze weer normaal ging zitten.

‘Trouwens, Walter heeft ook logopedie gehad. Da’s ook een soort van remedial teaching toch?’

‘Ja, dat las ik in zijn gegevens’, zei Jade de interne coördinatrice blij dat het gesprekje eindelijk in haar comfortzone terecht was gekomen.

‘De naam van zijn behandelende  logopediste kwam me bekend voor. Zij is toch een moeder van een kind van De Wielewaal?’

Jade glunderde.

‘Ja, had ik dat maar eerder geweten’, meesmuilde Thea.

Toen Walter drie jaar was had Thea haar peuter aangemeld voor logopedie. Onder het motto ‘baat het niet dan schaadt het niet’ en in de ijdele hoop om de constante druk van Merel het peuterhoofd (van De Kleine Beer) en de hulpverlening van het consultatiebureau van de ketel te halen. Met Bart had ze afgesproken dat de sessies direct door haar afgeblazen zouden worden als Walter hinder van de extra aandacht mocht ondervinden. Eerst maar eens een logopedist(e) voor Walter zien te regelen. Bij de gerenommeerde logopedistenpost die Thea op aanraden van Merel het peuterhoofd had gebeld bleek uit het niets een wachtlijst op te duiken nadat bekend werd dat Walter naar De Kleine Beer in een achterstandswijk ging. Desondanks was Thea niet van plan om braaf af te wachten en daarmee de hulp aan haar zoontje op de lange baan te schuiven. Als de taalontwikkeling van Walter werkelijk op staande voet verbetering nodig had; waarop Merel het peuterhoofd tot gekwordens toe bleef hameren, dan was enige ‘urgentie’ van de hulpverleningsinstanties geen overbodige luxe. Met een engelengeduld belde Thea de ene na de andere logopedist(e) van de lijst van het consultatiebureau op. Bij iedere hernieuwde poging gold uit voorzienigheid haar eerste vraag het bestaan van een eventuele wachtlijst. Kon daar tenminste niet meer op teruggekomen worden, want geen enkele logopedistenpost had op voorhand een wachtlijst. Pas als uiteindelijk onherroepelijk het adres van Walter of De Kleine Beer ter sprake kwam, dan kon het al gauw drie tot vier maanden duren voordat er een agendagaatje geprikt was voor een intakegesprek. Nummertje tien was de enige van de lijst die zonder aarzeling toehapte. Ene Marloes. Ze was een freelance logopediste die ad hoc op verschillende basisscholen actief was en die Walter zonder meer in haar patiëntenbestand wilde opnemen. Al was het alleen maar uit chronisch gebrek aan  basisinkomsten en beter. Bofte Marloes even toen bleek dat Walter top fit verzekerd was; hetgeen garant stond voor vergoeding van een eindeloze reeks logopedistensessies in plaats van het vaste bedrag voor 13 consulten uit het basispakket. 

In het eerste jaar huisde Marloes in een activiteitencentrum aan de andere kant van de stad aan een drukke straat. Elke donderdag van het derde levensjaar van Walter vocht Thea voor een parkeerplaats in de buurt van de logopedistenpraktijk. Daarna de tocht naar de taaljuf met het kleine knuistje onrustig in haar hand.

‘Ik kan heus wel praten mama.’

‘Alsof ik dat niet weet, kleine man! Laat het ook maar horen aan Marloes. Het geeft niet, of wel?’

‘Mij kan het niet schelen’, pochte Walter jongensachtig.

En Walter deed zijn best om zijn uitspraak te verbeteren met begeleiding van de taaljuf en in het bijzijn van zijn moeder. Marloes was een leuke logopediste. Ze verzon toegepaste spelletjes en testjes om Walter te stimuleren beter te articuleren. Hij moest bijvoorbeeld voor een spiegel proberen om – met de handen op de rug - een nep snor met zijn bovenlip onder de neus te houden, terwijl hij klinkers produceerde. Dit ter beheersing van zijn fijne motoriek en daarmee van de plooibaarheid van zijn lippen en de lenigheid van zijn tong. Tijdens zijn hilarische pogingen gierde Walter van de pret over zijn spiegelbeeld en trok Marloes, Thea en de nep snor mee de afgrond van de slappe lach in. Thea herkende veel van haar persoonlijke aanpak in de werkwijze van Marloes. Met dit verschil dat de pubers van Thea’s Huiswerksterk allang geen peuters of basisschoolkinderen meer zijn natuurlijk. De uitspraak van Walter verbeterde dan ook wel enigszins door de logopedie, hoewel zijn woorden erg nasaal bleven klinken. Alsof hij constant neusverkouden was. Toch wist Walter Marloes keer op keer te verbazen.

‘Hij begrijpt alles’, riep Marloes meermaals spontaan uit op een toon alsof ze iets nieuws vertelde. 

Na iedere herconstatering hield Thea wijselijk haar mond, want Marloes had een zoontje dat maar één jaar ouder was dan Walter en misschien maar half zo slim. Als het tenminste op meten en weten aankwam. Ze herinnerde zich nog de gevoeligheid van ouders over de mentale kwaliteiten van hun kroost uit de kinderjaren van Melvin en Jasmijn. Gelukkig neemt die sensitiviteit vanzelf af als op de middelbare school de jongens en meisjes aan zichzelf en het reële verstand worden overgelaten, maar tot die tijd blijft het toch pappen en nathouden. Voorlopig zag taaljuf Marloes in Walter echter geen bedreiging voor haar zoontje Lennart. Want Walter mocht dan misschien wel pienter zijn, maar die slimheid stelde niks voor in het licht van de beroerde reputatie van de peuterspeelzaal die hij bezocht. De Kleine Beer was immers onlosmakelijk verbonden met Het Kleurenpalet. Een zwarte, kansloze basisschool. Walter zou uitgroeien tot het product van de achterstandswijk waar hij opgroeide. Lennart, de 6 jarige zoon van taaljuf Marloes daarentegen, ging naar groep 1 van de veelbelovende basisschool De Wielewaal in de bijbehorende, voortvarende, witte wijk.

Het IQ van Walter begon voor taaljuf Marloes pas een bedreiging te worden toen Thea en Bart met hun kinderen onverwacht van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal overliepen. Walter dook ineens in de eerste van de combinatiegroep 1 en 2 bij juffrouw Elsje op. Op dat moment was Lennart, het zoontje van taaljuf Marloes, net overgegaan naar het tweede jaar in hetzelfde lokaal van juf Elsje.

‘De wereld hangt van toevalligheden aan elkaar’, was alles wat taaljuf  Marloes onaangenaam verrast kon uitbrengen bij haar onverwachte confrontatie met de moeder van haar patiëntje in het kleuterlokaal van juffrouw Elsje.

Thea was net zo verbaasd geweest:

‘Jij hier?’

Marloes de taaljuf reageerde woordeloos met zo’n blik van:

‘Jij wist allang dat mijn zoon op De Wielewaal zat!’

Alsof Thea bewust met Walter in de voetsporen van Marloes de taaljuf en haar zoon Lennart was getreden. Hoe boeiend denk je dat je bent?!

Trouwens, Lennart was een sportieveling. Een ander type kind dan Walter en de twee jongens lagen elkaar niet. Walter sloot een onstuimige vriendschap met Tim die tot op de dag van vandaag voortduurt. Ondanks de weerstand van de alleenstaande moeder van Tim die zijn vanzelfsprekende vriendschap met Walter vanaf het prille begin in groep 1 heeft proberen te saboteren. Timmetje moest met de kinderen van de zogeheten jetset optrekken. Een ontgoocheld groepje kinderen dat eigenlijk niets liever deed dan de opgekropte woede over hun bedilzieke ouders afreageren door te vechten, oproer te kraaien en  relletjes te schoppen. Op het verjaardagsfeestje van Tim raakte Walter onbedoeld voor het eerst bij zo’n kindergevecht betrokken. Walter was niet lenig of vlug, maar hij was groot, sterk en niet bang. Na die eerste keer werd Walter nooit meer op de verjaardagsfeestjes van zijn maatje Tim gevraagd. Tim ontkwam eenvoudigweg niet aan de eisen van zijn moeder en als dat keurslijf begon te knellen dan moest Walter het ontgelden. Tim schopte, stompte en liet zijn beste vriend struikelen uit pure frustratie, omdat hij van zijn moeder niet mocht zijn wie hij was en zelf zijn vriendjes niet kon kiezen. Tot grote teleurstelling van Tim gooide Walter al na de eerste vergeldingsklappen de handdoek in de ring en vond naast zijn vriend de vechtersbaas andere, meer vredelievende, kameraadjes.

Walter sloeg nooit uit zichzelf, maar hij mepte wel altijd terug. Hij deelde in de loop van 8 basisschooljaren heel wat rake klappen uit. In het bijzonder aan vier, kleine, boze excuus Marokkaantjes en twee meeloop klasgenootjes van Turkse afkomst. Want omdat de wijk ook sociale huurwoningen telde, ontkwam zelfs De witte Wielewaal niet aan niet-Nederlandse invloeden. Voor 20 procent. De landelijke limiet. Niet voor 99,9 procent zoals op de zwarte basisschool Het Kleurenpalet. Op De Wielewaal zouden de kinderen met een niet Nederlandse achtergrond  8 basisschooljaren lang onbeperkt en publiekelijk in het wilde weg schelden, tieren en vechten. Recht tegen de politiek correcte wind die door het gebouw woei in. Met dat ettergedrag waren ze op Het Kleurenpalet niet ongestraft weggekomen. Op De Wielewaal kneep men echter een oogje toe. De allochtone agressie werd gedoogd als een rechtvaardiging voor de vele gevechten op het schoolplein, waarvan de oorzaak natuurlijk nooit bij de eigen witte kroost lag. Alleen Walter deed niet onder voor de underdog op De Wielewaal. Net zo makkelijk als de agressievelingen met een niet Nederlandse achtergrond, beukte hij er openlijk op los, zonder aanzien des persoons, hetgeen hem bij de jongens uit zijn klas in aanzien deed stijgen. Zonder uitzonderingen. Dus ook bij zijn klasgenootjes met een niet-Nederlandse achtergrond met wie hij even goed de grootste lol trapte, nadat ze elkaar alle hoeken van het schoolplein hadden laten zien.

Ondertussen was Lennart, de zoon van de taaljuf, aan het voetballen. Lennart was het visitekaartje van zijn moeder. Hij sprak feilloos en vloeiend algemeen beschaafd Nederlands. Hij vocht niet en schold niet. Althans niet voor het oog en oor van zijn moeder Marloes de taaljuf. Soms liet Lennart tijdens het speelkwartiertje het voetbalspel een momentje voor wat het was om Walter of één van zijn vriendjes op te stoken:

‘Jij durft geen kankerhoer naar de juf te roepen.’

‘Dat durven wij wel!’, riepen de ezelachtigen.

Hoofdschuddend nam Walter afstand, terwijl zijn klasgenootjes zich lieten ophitsen door inheems schorriemorrie met een dun laagje klatergoudvernis dat op De Wielewaal welig tierde en dat in dit geval Lennart heette. Walter verried de intrigant vlak voor het slapen gaan aan Thea. Ze streek door zijn krullen en drukte hem op het hart:

‘Schud het van je af Walter, altijd van je af.’

Kleuterjuf Elsje drukte de handpalmen tegen de oren. Horen, zien, zwijgen en dat straalde ze stilletjes, maar op haar hoede uit op moeder Marloes de logopediste.

Teneinde haar zoon tegen het derde oog van zijn kleuterjuf en zichzelf te beschermen begon Marloes andere kinderen in het bijzijn van juf Elsje te bekritiseren. Met name Walter was in haar ogen een veilig doelwit. Zijn moeder was sowieso een buitenstaanster en het was niet alsof de logopedistes voor Walter in de rij hadden gestaan. Om de aandacht nog meer van het asociale gedrag van haar zoon Lennart af te leiden, klaagde moeder Marloes de logopediste bij Jade de interne coördinatrice over de gevechten op de speelplaats waarvan Walter de aanvoerder zou zijn. Jade had wel oren naar de aard van deze beschuldigingen uiteraard. Van de ene op de andere dag begon Marloes ook de taalontwikkeling van Walter met juf Elsje te bespreken. Thea was woedend:

‘Ik bespreek de leerprestaties van Lennart toch ook niet met Elsje.’

‘Oh, dat mag best hoor, maar ik ben de logopediste van Walter en jij bent niks van mijn Lennart’, wist Marloes zelfingenomen.

‘Luister eens Marloes ik ben de moeder van Walter. Hij heeft ook nog een vader en Bart en ik willen dat je stopt met over onze zoon beslissen.’

‘Nou ja zeg! Elsje en ik hebben alleen maar opbouwende kritiek op jouw zoon’, smaalde Marloes.

Ontdaan vocht Thea terug:

‘Ik wil het gewoon niet hebben Marloes; voed jij eerst je eigen kleuter maar eens op. Volgens mij kan Lennart die hoge dosis opbouwende kritiek van jou op Walter heel goed zelf gebruiken.’

Hierop hield moeder Marloes de logopediste wijselijk haar mond en beëindigde de confrontatie met Thea op het speelplein abrupt door vinnig haar kin in de lucht te steken en weg te lopen. Ook juf Elsje werd door Thea over de kwestie aangesproken:

‘Marloes is inwisselbaar. Ik heb thuis een lijst met wel twintig logopedisten, dus als er problemen zijn dan hoor ik het graag. De gang  naar een ander is zo gemaakt. Wel met opgave van reden van de overstap uiteraard.’

Juf Elsje trok een quasi geschrokken gezicht om aan te geven dat ze niet onder de indruk was van de hoogdravendheid van Thea. Thea gaf echter geen krimp, waarop juf Elsje zich gewonnen gaf door in de poppenhoek onder te duiken, terwijl ze schertsend:

‘No problemos’, riep.

De dag na de interventie van Thea kwam moeder Marloes de logopediste met het voorstel om tijdelijk te stoppen met logopedie. Zij en juf Elsje hadden besloten dat het in het geval van Walter beter was om voor een time-out over te gaan op wekelijkse fysiotherapie voor kinderen. Door stimulatie van de fijne motoriek van Walter zou zijn oog-mond coördinatie als vanzelf ook verbeteren.

‘Sinds wanneer?’

Heimelijk vroeg Thea zich af:

‘En waarom zijn we dan niet meteen met fysiotherapie begonnen?’

Maar haar mening hield ze voor zich. Of ze nou wekelijks een kleine vijftig minuten met haar zoon in de praktijk van een logopediste of bij een fysiotherapeute moest doorbrengen; de ziekenkostenpremie moest toch iedere maand betaald worden. Sterker nog; door marginale toetreding in de zorgsector werd Walter een hoop gesoebat met extra aandacht, waarvoor geen tijd en geld was, op basisschool De Wielewaal bespaard. Maar Pleuni, de fysiotherapeute, zag al na vier consulten geen heil meer in fysiotherapie voor Walter.

‘Hij kan gewoon alles. Hij zal nooit een topsporter worden; maar wat dat betreft is hij één van de velen.’

Thea geloofde Pleuni direct. Ze verontschuldigde zich zelfs voor de verspilde energie. Tijdens de fysiotherapie met Walter – waarbij  blokkentorens gebouwd, bootjes gevouwen en kleurplaten binnen de lijntjes verfraaid moesten worden – was het niet ongewoon dat Pleuni naar haar mobiel greep en zich in een zijkamertje terugtrok om luidkeels andere patiënten te woord te staan. Dat deze patiënten er heel wat erger aan toe waren dan Walter viel uit de context op de maken. Hulphonden, rolstoelen, nekbanden, protheses en andere termen uit de gehandicaptenzorg passeerden de revue. Als fysiotherapeute Pleuni dan weer aan de werktafel met Walter en een schuldbewuste Thea verscheen dan was ze afwezig en bezig met echte problemen. Dat snapte zelfs de vijfjarige Walter die sowieso een pesthekel aan bouwen, vouwen en kleuren had.

Fysiotherapeute Pleuni drukte Thea op het hart dat Walter toch het beste gebaat was bij gerichte therapie. Bij logopedie om precies te zijn.

‘Ik zit hier op advies van zijn logopediste’, protesteerde Thea nog verontwaardigd, omdat ze vond dat haar zoon en zij van het kastje naar de muur gestuurd werden.

‘Ga jij nou mijn expertise in twijfel trekken?’, stelde fysiotherapeute Pleuni getriggerd.

Thea nam niet eens de moeite om fysiotherapeute Pleuni tegen te spreken. Stiekem zat ze er hard aan te denken om helemaal van alle therapieën voor Walter af te zien, maar Marloes de logopediste nam al snel na de laatste keer fysiotherapie telefonisch contact met Thea op om een datum te prikken. Moeder Marloes de logopediste had het besluit om te stoppen met Walter van fysiotherapeute Pleuni doorgekregen, maar geen paniek, want inmiddels was zij weer helemaal klaar om met Walter aan de slag te gaan. Het was voor Thea en Walter zoveel makkelijker om met de stroom mee te drijven, dan te rebelleren.      

Marloes resideerde niet meer in het activiteitencentrum aan de drukke weg. Haar tijdelijke huurcontract was om onduidelijke redenen niet verlengd. Walter zou voortaan taalles in het appartement van Marloes in de wijk van De Wielewaal krijgen. Net als bij het rigoureuze beluit van fysiotherapeute Pleuni om te stoppen met hulp aan Walter had Thea wederom geen commentaar. Zij gaf net zo goed huiswerkbegeleiding bij haar thuis. Ter kostenbesparing. Geen reis- en extra stookkosten en geen huur voor een speciaal bedrijfspand. Tel uit je winst!   Marloes zou wel dezelfde beweegredenen gehad hebben. Zelfs toen Marloes meldde dat ze voortaan liever met Walter alleen werkte, dus niet langer meer in het bijzijn van zijn moeder, ging Thea ten langen leste akkoord.

‘Want misschien beïnvloed je hem wel op een verkeerde manier’, verklaarde Marloes de logopediste zich fijntjes nader.

‘Maar ik blijf wel in de buurt’, waarschuwde Thea.

‘Tuurlijk, je kunt wachten in de bijkeuken. Ik zet wel thee voor je klaar’, zuchtte Marloes de logopediste weinig uitnodigend.

Als een mak lammetje nam Thea enkele weken plaats in de mini bijkeuken van Marloes de logopediste op een campingstoel naast een pompende, loeiende en boerende wasmachine die soms – mocht Marloes de thee tenminste niet vergeten zijn - diende als een onstabiele tafel voor een dansende beker gevuld met heet water waarin een zompig zakje dreef. Thea dronk nooit, maar goot het modderkleurige vocht altijd in een bed met onkruid dat grensde aan de bijkeukendeur naar een mini stadstuintje. Daarna drapeerde ze het touwtje van het theezakje over de rand van de lege mok die alweer op het deksel van de wasmachine wipte. Bij gelegenheid hield ze best van groene thee maar stirred. Not shaken. Ze herkende geen namen op de verjaardagskalender boven een plank met wasmiddelen; viste de ereader uit haar schoudertas; en dook telkens zo’n vijfenveertig minuten lang al lezend en rillend – vanwege de vochtige lucht - in haar overjas, terwijl Walter met de taaljuf in de huiskamer aan logopedie deed.

‘Kun je geen vaste stek krijgen in De Wielewaal?’, vroeg Thea eens na weer zo’n sessie in de bijkeuken van Marloes de logopediste te hebben uitgezeten.

De ogen van de taaljuf verrieden dat ze niets liever zou wensen, maar ze beweerde:

‘Zo’n directe confrontatie ligt gevoelig. De meeste ouders van de Wielewaal hebben toch al moeite om de stap naar logopedie te wagen. Ze mogen zich op geen enkele wijze in een bepaalde richting geduwd voelen.’

‘Je bedoelt dat ze je niet als vaste logopediste willen hebben op De Wielewaal?’, vertaalde Thea in de war.

Bijna direct had de taaljuf haar weerwoord klaar:

‘Dat is geen kwestie van willen. Ze mogen zich op De Wielewaal niet vastpinnen op maar één logopediste. De keuzevrijheid van de patiënten is een groot goed’.

‘Zo kun je het ook formuleren’, smaalde Thea bij wie het kwartje was gevallen.

Marloes de logopediste was natuurlijk teruggefloten door haar werkgever – in haar geval de ziekenkostenverzekeraar - in haar ambities om huislogopediste van De Wielewaal te worden. Een goudmijntje dat elke vakidioot wel zou willen plunderen. Wie dacht Marloes de logopediste wel niet dat ze was?

Toch waren er wel één of twee meer ouderparen van De Wielewaal bereid om de hulp van Marloes de logopediste in te roepen voor hun kind. Zo werd Gerben een nieuw patiëntje van Marloes. Gerben was een klasgenootje van Lennart en Walter. Er was niets mis met hem, maar wel met zijn moeder. Ze was zo’n Wielewaalmama met veel te veel noten op haar zang. De tegenpool van Thea als het ware en Marloes de logopediste danste naar de pijpen van de Wielewaalmama als een aapje voor de orgelman. In het stadspark op weg naar een zoveelste sessie logopedie met Walter zag Thea ze samen vooruit lopen. De taaljuf keek gestadig naar opzij in betovering op naar de moeder van Gerben. Thea meende zich later zelfs te herinneren dat er kwijl uit haar mondhoek droop.

‘Hoi Marloes!’, riep Walter spontaan op zijn beruchte, Wielewaalonwaardige wijze.

Ontsteld keek de taaljuf achterom. Ze zag Walter, maar ze groette niet terug. De moeder van Gerben versnelde haar pas en trok Marloes de logopediste aan de arm mee.

Meteen bij aanvang van wat zijn eerstvolgende taalles had moeten zijn, haalde Walter de ongemakkelijke ontmoeting met zijn taaljuf aan:

‘Ik zag je net in het park. Ik riep je en toen liep je weg. Je was met de mama van Gerben.’

‘O ja, dan heb ik je niet gezien’, loog Marloes koeltjes en tegen Thea zei ze betrapt:

‘Kom je even mee de huiskamer in. Ik wil je even spreken.’

‘Commandeer de hond en blaf zelf’, dacht Thea, terwijl ze zich schrap zette.

Met een verbolgen blik, kruiste Thea haar onderarmen voor haar borst. Ze voelde de boosheid ongecontroleerd door haar lijf gieren. Ze hoefde zich niet als oud vuil te laten behandelen. Ze moest zich verweren. Al was het maar om een voorbeeld voor Walter te stellen:

‘Je kunt hier in de hal met me praten. Daarna kun je fatsoenlijk afscheid nemen van mijn zoon. Walter zal hier niet meer komen.’

Thea schrok van zichzelf; maar de assertiviteit voelde goed. Walter glipte langs haar af vanuit de hal via de gang de huiskamer in.

‘Hee, kom jij eens terug meneertje’, sommeerde Marloes de logopediste tot op het bot geërgerd, terwijl ze Walter op de voet volgde en hem aan zijn bovenarm terug naar zijn moeder dreef.

Tot onredelijke woede van taaljuf Marloes was Walter alvast op een stoel aan de eiken eettafel in de juiste oefenhouding gaan zitten.

‘Hoe durft hij’, spotte Thea.

Ze kon wel janken. Toch bleef ze koppig en wijdbeens in het halletje staan afwachten. Onaangedaan trok Walter zijn jas van de kapstok weer aan. Alsof hij wilde zeggen:

‘Nou, dan volg ik vandaag toch geen taalles. Ook goed!’

Marloes was nu aan zet:

‘Ja, ik vind ook dat we beter kunnen stoppen met logopedie. Ik ben eigenlijk wel uitbehandeld.’

‘Hoezo uitbehandeld? Zomaar ineens? Of moet Walter plaats maken voor Gerben? Dat zal je nog duur komen te staan Marloes, want ik durf te wedden dat de ouders van Gerben niet bereid zijn om 3 jaar lang met jou in zee te gaan. Hoe heb ik zo stom kunnen zijn.’

Thea stond in gevecht met zichzelf. Een mooie gelegenheid voor Marloes de logopediste om de aandacht van haar vreemde paktijken af te leiden:

‘Misschien moet je eens met Walter naar een keel, neus en oorarts gaan. Ik kan wel een afspraak voor je regelen?!’

Het pedante toontje dreef Thea bijna tot lichamelijk geweld. In gedachten telde ze tot tien voordat ze alsnog tegen Marloes uitvoer:

‘Jij regelt helemaal niks meer voor mij mevrouw de logopediste. Ik ga zelf wel naar de huisarts. Ik beloof je dat je vanaf vandaag de titel ‘huislogopediste van De Wielewaal’ in ieder geval op je buik kunt schrijven. Dat is geen dreigement maar een belofte waar ik persoonlijk voor in sta. Kom je Walter?’

De adrenaline pompte door haar lichaam. In een waas van fustratietranen probeerde ze de rits van de jas van Walter te sluiten. Ondertussen overviel Marloes haar met een pijnlijke tegenaanval:

‘Pfff, hoe wil jij voorkomen dat ik huislogopediste van De Wielewaal word? Alleen maar omdat ik adviseer om met Walter naar een KNO arts te gaan? Je hoort toch zelf dat hij een spraakgebrek heeft!’

‘Hij heeft geen spraakgebrek. Hij praat nasaal. Dat is geen spraakgebrek’, praatte Thea op zichzelf in.

Alsof niet iedere gek z’n gebrek heeft. In zijn drafje naar buiten struikelde Walter over de voordeurdrempel. Hij lag languit op zijn buik tussen de herfstbladeren op de trottoirtegels voor de voordeur. Marloes de logopediste keek toe in het halletje en produceerde een sarcastisch hikgeluid, terwijl ze in het zicht van Thea veelbetekenend naar Walter knikte die alweer overeind krabbelde en haar voormalige patiëntje een flinke trap nagaf door een rotopmerking te plaatsen:

‘Noem het dan geen spraakgebrek, maar een afwijking!’

Thea schoot Walter te hulp en veegde straatvuil van zijn ongedeerde lijfje. Zijn typisch kleuterachtige, warme, zoetzilte, aardse nabijheid bood EHBO troost. Walter klemde zijn stevige armpjes om haar nek en verkondigde goed verstaanbaar en onomwonden:

‘Geef niks hoor mama; komp vanzelf wel goed met mij. Daar hebben we de taaljuf niet voor nodig zegt papa’.

 

HOOFDSTUK 9

‘Kijk even mee’, gebiedt Thea.

Ze scrolt met haar roze muis door de online huiswerkhulpagenda op de pc in de huiskamer.

‘Nou, even dan’, belooft Melvin.

Twee seconde blijft hij achter haar staan. Dan raakt hij afgeleid door de modeaccessoires die Thea op de salontafel heeft uitgestald met de bedoeling om ze te fotograferen voor de verkoop op haar webshop in retrospullen. Melvin plaatst een fluwelen sieradendoosje op de palm van zijn hand. Omzichtig opent hij het kleinood.

‘Wauw vette klokjes!’

Zijn ogen rollen bijna uit de kassen.    

‘Dan zijn manchetknopen’, legt Thea  afgeleid uit.

‘Wat zijn dat dan manchetknopen?’

‘Manchetknopen draag je door de gaten in polsboorden van een herenblouse.’

Nu focust Thea zich helemaal op Melvin door met de zitting van haar bureaustoel in zijn richting te draaien. Eigenlijk heeft ze net zo min als Melvin zin om zich met Huiswerksterk bezig te houden. Ze had zich net zo verheugd op het verkoop klaar maken van haar nieuwe koopwaar.

‘Dat heb ik weleens gezien bij een tuxedo’, roept Melvin blij als een kind op het feest van herkenning.

‘Een kostuum bedoel je’, verbetert de schooljuf in Thea.

‘Als eyecatchers dan, maar nooit als kleine horloges. Werken die ieniemienie klokjes?’

‘Dat denk ik wel; er moeten van die minuscule batterijtjes in.’

‘Hoe kom je eraan’, vraagt Melvin op een samenzweerdige toon.

‘Hoe bedoel je; hoe kom ik eraan?’

‘Het inkoopadres?’

‘Ik heb contacten, maar niet in het criminele milieu; eerder met de milieustraat.’

‘Good for you.’

Melvin meent wat hij zegt. Zijn ogen strelen de manchetknopen in het geopende sieradendoosje op zijn opgehouden handpalm. Thea veinst dat ze zich niet ongemakkelijk voelt  met de vreemde opstelling van haar voormalige oppaskind. Ze kan een niet gerelateerde tiener van bijna achttien moeilijk op zijn gedrag aanspreken. Wel normaliseert ze haar spreektoon en verklaart zich nader: 

‘Ik word gebeld als er nieuwe tweedehandsspullen binnengekomen zijn. Of soms wordt er gratis een complete inboedel achtergelaten. Mensen gaan naar een bejaardentehuis of komen te overlijden. Die manchetknopen zullen wel van een bejaarde man afkomen.’

‘Nee, dan is het goed. Niet dat ik die dingen straks voor vijf euro ook bij de Action kan kopen.’

‘Ja, dat is het risico van het vak. Al zie ik dat met deze arbeidsintensieve luxe knopen niet zo snel gebeuren. Wat moet een jonge gast als jij überhaupt met manchetknopen?

Melvin negeert de bemoeizucht van Thea:

‘Is het goud denk je?’

‘Verguld.’

‘Mooi met dat blauw en dat analoge uurwerk’.

‘En dan die Romeinse tijdsaanduiding’, dikt Thea de admiratie van Melvin plagerig aan.

‘Wat moet je ervoor hebben?’

‘Ja, wel meer dan jij kunt betalen.’

Melvin trekt zijn wenkbrauwen nadrukkelijk omhoog en vraagt:

‘Kun jij soms in m’n poeplap kijken?’

‘Liever niet’.

Thea trekt een vies gezicht.

‘Luister Melvin ik zal eerlijk tegen je zijn; de inkoopprijs was al dertig euro.’

Het sieradendoosje wordt met een klik dichtgeklapt en verdwijnt in de jaszak van Melvin. Aansluitend peutert Melvin moeizaam een bankbiljet uit een opeengeperst pakketje van wel tien gelijksoortige briefjes in een platvink uit de achterzak van altijd weer dezelfde  designersjeans waarin Thea hem inmiddels kan uittekenen.

‘Is vijftig euro genoeg? Da’s veertig procent winst en geen overheadskosten!’

‘Zo zakenheertje’, smaalt Thea, terwijl ze het geld aarzelend in ontvangst neemt.

‘Krantenwijkje?’

‘Doe normaal Thea’, grauwt Melvin heetgebakerd.

Voor Thea reden genoeg om pregnant met het briefje van vijftig te wapperen:

‘Hoe kom je aan al die flappen in je poeplap Melvin?’, sart Thea met de nadruk op ‘poeplap’.

‘Zakgeld’, antwoordt Melvin gekalmeerd.

‘Van Pim en Femke?’, hoont Thea?

‘Kan toch’, schokschoudert Melvin.

‘Nee, dat kan niet’, weet Thea stellig.

‘Waarom niet?’, vraagt Melvin op een dermate onnozele toon dat het wel lijkt alsof hij wil weten waarom zijn leugen niet voor de waarheid kan doorgaan.

‘Je mag van Femke niet eens elke dag douchen, omdat ze de maandelijkse lasten van gas, water en elektriciteit probeert te minimaliseren.’

Melvin meesmuilt instemmend:

‘Dan heb ik het van Beau’, liegt hij.

‘Van Beau? Van je moeder? Dus jouw moeder stuurt een pakketje van zo’n tien briefjes van 50 euro vanuit Engeland? Nog geen vijf minuten geleden zit je aan de keukentafel te verkondigen dat je niets met je moeder te maken wil hebben, omdat ze samenwoont met iemand die dertig jaar jonger is dan zij.’

‘Minstens’, knarsetandt Melvin.

‘Ik wist niet dat een bed en breakfast zo lucratief was tegenwoordig.’

Thea is duidelijk niet van plan op te geven, maar Melvin is minder standvastig. Hij slaakt een diepe zucht, begraaft onrustige handen in de steekzakken van zijn jack en bekent gelaten:

‘Ik doe weleens wat voor iemand en die persoon die betaalt goed.’

‘De overbuurman?’

‘Je zit op het randje Thea.’

‘Dus je geeft het toe?’

‘Alleen als ik zijn laptop zolang hier mag laten.’

‘Vanwege de politie?’

‘Mag het?’

‘Waar is die laptop nu?’

‘In de pukkel op de keukentafel.’

De politiewagen is weg. Het huis van de overbuurman ziet er verlaten uit. Waar haalt die man de financiën vandaan om een jongen van zeventien dusdanig met contanten te overladen dat het ventje van pure overdaad met geld gaat lopen strooien? Thea heeft haar valsgeldpen al op het bankbiljet losgelaten. Melvin heeft betaald met een briefje van vijftig echte euro’s. Misschien is het niet eens zijn eigen geld en heeft de overbuurman de bankbiljetten gewoon aan Melvin in bewaring gegeven. Om de politie voor te zijn. Net als de zilverkleurige laptop die nu gesloten op de salontafel ligt te schitteren in de verblindende, penetrante herfstzon door het huiskamerraam.

‘Zo, nieuwe laptop’, merkt Walter meteen bij binnenkomst op.

Sabine kijkt over zijn schouder mee. Thea werkt nog steeds aan de promotie van de artikelen uit haar webshop op de pc. Ze wacht even met antwoorden totdat Sabine haar oortjes losgepeuterd heeft en net zo makkelijk haar broertje napraat zonder het zelf in de gaten te hebben:

‘Zo, nieuwe laptop?’

‘Dat is een laptop van de overbuurman.’

‘Issie kapot?’, vraagt Walter in de veronderstelling dat zijn vader of hij dan wel weer geacht wordt om tegen een kleine vergoeding in actie te komen.

Sabine ploft op de bank en richt zich op haar mobiel:

‘Ik heb honger’, deelt ze mee.

‘Melvin vroeg of we de laptop zolang voor de overbuurman wilden bewaken’, legt Thea uit.

‘En dat willen wij omdat?’, vraagt Walter bijdehand.

Hij loopt naar de salontafel, gaat door de knieën, licht de laptop op en  inspecteert de buitenkant van onder tot boven en weer terug.

‘De politie was aan de overkant.’

‘Nice’, becommentarieert Sabine.

Ze kijkt even op van haar mobiel. Haar rechterduim appt onafgebroken verder. In een duizelingwekkend tempo.

‘Sinds wanneer heulen wij met de vijand?’, lacht Walter schalks.

Voorzichtig legt hij de laptop terug te rusten op de salontafel. 

‘Dat is een Sony. Een duur ding. Een VAIO.’

‘Zou de overbuurman geld hebben?’, peinst Thea.

‘Met een BMW voor de deur? Neuh, echt wel’, schampert Sabine al append.

‘Heeft hij een BMW dan? Wat zou de politie eigenlijk bij hem gezocht hebben?’

‘Ik denk een laptop’, merkt Walter droog op.

Thea laat haar fantasie de vrije loop en draaft meteen door:

‘Ik hoop niets met kinderporno, want daaraan wil ik nooit van m’n leven medeplichtig zijn.’

‘Te laat; je hebt al bewijsmateriaal verdonkeremaand’, overdrijft Sabine en ze herhaalt:

‘Mam, ik heb honger.’

‘Je bent toch hopelijk nog steeds wel in staat om een boterham voor jezelf smeren!’

Thea vraagt naar de bekende weg.

‘Ik hoopte op zo’n lekkere tosti van jou’, paait Sabine.

Ze glimlacht er beminnelijk bij.

‘Ik ook’, vult Walter aan.

Zuchtend maakt Thea aanstalten om zich naar de keuken te begeven. Onderweg richt ze zich voor de  flauwekul tot Walter en schertst: 

‘Dan kun jij ondertussen mooi inbreken op zijn laptop. Kunnen we die viezerik van de overkant voor de lunch toch nog even ontmaskeren. Want die politiepet past ons allemaal.’

‘Easypeasie’, bekent Walter,

‘Echt?’

Thea is van haar stuk gebracht. De jeugd van tegenwoordig is toch ook tot alles in staat.

‘Consider it done’, belooft Walter en voegt de daad bij het woord.

De huisarts leek kleine Walter zowaar te mogen, hetgeen Thea wel begreep, maar verbaasde na alle kritiek die haar zoon met zijn schamele 5 jaren levenservaring al te verduren had gehad. Voorzichtig liet Thea haar strijdvaardigheid enigszins varen.

‘Hoe is het met jou Walter?’, vroeg de huisarts op een ongekunstelde toon die als welgemeende interesse klonk.

Het kleine jongetje in de enorme stoel naast Thea, met de mollige beentjes recht voor zich uitgestrekt op de zitting en de potige vingertjes aaneengehaakt voor zijn bolle buikje  reageerde intuïtief:

‘Nou, ik ben wel gelukkig.’

‘Hoor je dat nasale in zijn uitspraak?’

Dat was Thea, terwijl ze de vloeibare ontroering in haar ogen over de levensvreugde van haar zoon hoopte weg te slikken door zich te concentreren op haar verslag van haar avontuur met moeder Marloes de logopediste. De huisarts knikte vertederd, terwijl Thea begon te ratelen. 

‘Ik wil best met Walter naar de KNO-arts, maar dan wel met een doorverwijzing van een huisarts en niet gestuurd door het natte vingerwerk van een geflipte logopediste.’

Hier bracht de huisarts met een stopteken - een vlakke hand in de lucht - Thea tot een abrupte spreekpauze. Thea zweeg gepikeerd, hetgeen de huisarts min of meer op haar fatsoen trok: 

‘Sorry dat ik je onderbreek, maar ik ken het verhaal al een beetje van de andere kant. De logopediste – die Marloes - heeft mij een brief gestuurd.’

‘O ja, een verhaal heeft altijd twee kanten. Dat was ik even vergeten’, schamperde Thea.

Ter verduidelijking van haar punt  draaide de huisarts het beeldscherm  in het zicht van Thea.

‘Ik ben als huisarts verplicht om jou – als patiënt -  van de aanwezigheid van de brief als ook van de inhoud op de hoogte stellen. De logopediste heeft met het versturen van deze brief buiten medeweten van jullie – de ouders -  in feite een strafbaar feit begaan. Het staat Bart en jou vrij om een klacht tegen haar in te dienen.’

‘Alweer een schending van onze privacy! Bart en ik hebben het er maar druk mee’, hoonde Thea.

In gedachte ging ze weer even kort terug naar Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer en haar illegale onderonsje met Jade de coördinatrice van De Wielewaal, waar de huisarts uiteraard geen weet van had. De huisarts op haar beurt besloot om niet verder te graven op basis van vage verwijzingen. De ogen van Thea vlogen ondertussen over de brief van moeder Marloes de logopediste op het beeldscherm.

Ze las zelfbeklag, maar Godzijdank geen valse beschuldigingen aan het adres van Walter. Geen woord over zijn zogeheten afwijking. Geen vermelding van een vermeende abnormaliteit. Niets over een ongeneselijk spraakgebrek. Geen wildwest diagnose. Uit de compromisloze strekking van de brief viel wel duidelijk op te maken dat moeder Marloes de logopediste voornamelijk haar eigen straatje trachtte schoon te vegen. Zo te lezen had de logopediste wel het één en ander te verdedigen en zelfs te verbergen. Thea begon zelfs te vermoeden dat Marloes de ziekenkostenverzekeraar getild had. Het feit dat de logopediesessies van Walter voor de volle honderd procent en onbeperkt vergoed werden door de verzekeraar was vrij uitzonderlijk. Bart en Thea betaalden zich maandelijks niet voor niks in het rood aan premies voor allerlei eventuele, aanvullende behandelingen. Temeer daar het basispakket standaard 10 taallessen uitkeerde. Meer zat er kennelijk dan ook niet in voor Gerben, het klasgenootje van Lennart en Walter, dat exact na 10 keer was uitbehandeld bij de taaljuf. Dat had Thea nog op een doordeweekse morgen tijdens het naar school brengen van Walter bij de gewichtige moeder van Gerben nagevraagd. Thea sprak haar expres aan in het bijzijn van bijna alle ouders en verzorgers van de kleuters van groep 1 en 2 van juffrouw Elsje. Op die manier konden alle aanwezige volwassenen tenminste meekrijgen dat niet alleen Walter weleens over een woordje struikelde en dat meerdere kleuters extra ondersteuning nodig hebben.

‘Nou ‘nodig hebben’; Gerben is al klaar hoor’, fluisterde zijn moeder gekrenkt.

Ze voelde zich merkbaar geschoffeerd door de impulsiviteit van Thea. Alsof logopedie een schande was! De moeder van Gerben keek weg van Thea en verwijtend in de richting van moeder Marloes de logopediste die net op dat moment niet toevallig volledig in haar zoontje Lennart opging.

‘Ik ben 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10 keer naar Marloes geweest’, telde Gerben uit volle borst.

Hij hief twee handen met gespreide vingers in de lucht. Ter illustratie. Hij sloot af met een dansje. Een soort moonwalk in het centrum van de kring. Juffrouw Elsje was onder de indruk en klapte enthousiast in haar handen. Een deel van de ouders volgden uit piëteit met de moeder van Gerben die een kind had met een logopedieverleden. Een gedoogapplausje vulde het kleuterlokaal.

Gerben was dus al na 10 keer taalvaardig, terwijl Walter al wel 10 keer zoveel taallessen achter de rug had. Zoveel verschil in spreekvaardigheid was er echter niet tussen Walter en Gerben. Op het eerste gehoor dan ook vreemd dat voor Gerben wel en Walter niet een einde aan de taalsessies was gekomen. Of toch niet. Moeder Marloes de logopediste had immers bij Walter en niet bij Gerben vrij spel om voor onbepaalde tijd allerlei toeters en bellen uit de kast te kunnen trekken en bij de ziekenkostenverzekeraar op naam van zijn ouders - Bart en Thea - te kunnen claimen. Zeker nadat Walter niet langer het activiteitencentrum – waar de logopediste nog enigszins door collega’s gecontroleerd werd -, maar de comfortzone van haar huis binnentrad. Verachtelijk, maar niet de energie van een klacht waard. Murw schoof Thea het beeldscherm weer in de originele stand.

‘Wat is de reden van deze brief?’

De huisarts antwoordde niet. Beroepshalve kon en mocht ze geen partij trekken, maar ze bleef Thea over de rand van haar bril veelzeggend aankijken. Aanleiding voor Thea om het vuurtje nog een beetje aan te wakkeren:

‘Het lijkt wel of Marloes zichzelf al goed wil praten voordat iemand haar überhaupt ter sprake heeft gebracht.’

‘Dat zou je bijna denken.’

Uit de weloverwogen teneur van deze bevestiging viel wel op te maken dat dit alle steun was die Thea uit de hoek van de huisarts te verwachten had. En dat was al heel wat gezien  de kwetsbare positie waarin de huisarts zich als tussenpersoon in de driehoeksverhouding tussen moeder Marloes de logopediste, Walter en Thea bevond.

‘Zwakke hap’, vond Thea stiekem en ze zei: 

‘Maar goed dat we weg zijn bij mevrouw de logopediste. Bart en ik dienen geen klacht in. Wij gaan voor onze kinderen. Laat die Marloes maar sappelen.’

‘Dan maken we er geen woorden meer aan vuil’, besloot de huisarts gerustgesteld, opgelucht en nadrukkelijk.

De zaak moeder Marloes de logopediste was hiermee afgesloten. En nou maar hopen op de vloek van de beladen stilte. Geen reactie van de huisarts van Thea is ook een antwoord op de illegale brief van moeder Marloes de logopediste. Een negatie die moeder Marloes de logopediste naar verloop van tijd weleens onzeker en paranoïde zou kunnen maken. Als ze dat al niet was.

Walter werd door de huisarts doorverwezen naar een taalpraktijk van het academische ziekenhuis in de stad. De taalpraktijk staat landelijk hoog aangeschreven en is gespecialiseerd in de verbale ontwikkeling van kinderen. In het voorlichtingsformulier werd, wat Bart en Thea betreft, onnodig ingewikkeld gedaan over het intakegesprek en de eventueel problematische scheiding tussen ouders en kleuter tijdens een tweetal toetsuurtjes. De fysieke afstand van de ouders tot hun kind was helaas wel een noodzakelijk kwaad voor de onderzoekers teneinde een zo objectief mogelijk beeld van de testkleuter te krijgen. De begeleidster van Walter was wederom een logopediste, maar ze leek in de verste verte niet op Marloes. Ze was veel minder schools en probeerde op Walter in te spelen in plaats van zijn woorden gedachteloos in een uitspraakmal te gieten. Thea mocht op een afstandje in een open wachtruimte toekijken hoe Walter getest werd. Het tweetal was niet te verstaan, maar Thea kon uit de levendige interactie opmaken dat Walter prima op zijn gemak was. Op het eerste oog leek de logopediste ook gewoon haar werk te doen, maar in de loop van de toetsduur werd ze onrustiger. Ze stond steeds vaker op, ijsbeerde door de testruimte, nam weer plaats aan de tafel, waaraan Walter onverstoord verder werkte en alwaar de logopediste meer dan eens en hoe langer hoe gejaagder de resultaten van een afgerond cluster op de computer naging. Haar hoofd bewoog tenslotte zo snel heen en weer van het beeldscherm naar de ingeleverde A-viertjes en weer terug, dat ze een toeschouwster in het publiek van Wimbledon leek. Tijdens de laatste test, waarbij Walter geacht werd om een zo hoog mogelijke houten blokkentoren te bouwen, sloop ze op haar tenen, om de testkleuter niet te storen, naar de wachtruimte van Thea toe. Ze hield een computeruitdraai in haar hand.

‘Tijdens de intake gaf je aan dat Walter nooit een IQ test heeft gedaan?’ 

Het hart van Thea klopte in haar keel:

‘Wat nu weer?’

Thea knikte alleen maar en zocht figuurlijk dekking voor de te verwachten bom.

‘Weet u wat het is? Taaltestjes zijn automatisch ook cognitieve testjes.’

‘Dus?’, vroeg Thea ongeduldig en gedesoriënteerd.

‘Dit hoeft niks te betekenen’, talmde  de logopediste.

Ze hield Thea de computeruitdraai voor. Het duizelde Thea van de schema’s. De logopediste wees naar een cijfer. Het topje van de wijsvinger was gemanicuurd en de halflange nagel gepolijst. Niet gelakt.

‘Ja en? Zeg het nou maar’, zuchtte Thea opgelaten.

‘Walter scoort extreem hoog.’

Het hart van Thea maakte nu vreugdesprongetjes door haar hele lichaam. Ze hoorde het juffrouw Elsje weer zeggen:

‘In zijn bovenkamer is niks mis.’

Maar dan nog vroeg Thea zich af in hoeverre intelligentie en taalvaardigheid onlosmakelijk met elkaar verbonden konden worden. Net of slimme mensen een vlottere babbel hebben dan de middelmaat, Juist niet. Misschien dat deze logopediste het antwoord op deze prangende vraag had:

‘Wat heeft de hoogte van het IQ van Walter eigenlijk met zijn nasale uitspraak te maken? Ik bedoel; fijn dat we nu weten dat hij slim is, maar daarmee is het spraakprobleem nog niet van de wereld.’

Vervreemd staarde de logopediste  naar de schema’s en cijfertjes op haar uitdraai die haar  vooringenomenheid over Walter zo faliekant hadden weerlegd en ze realiseerde zich hardop:

‘Niets waarschijnlijk; dat kunnen we op basis van de uitslag van de cognitieve testjes in ieder geval wel vaststellen.’

‘Dat had ik je van tevoren ook wel kunnen vertellen. Niemand praat nasaal of binnensmonds uit stupiditeit’, dacht Thea, maar ze lachte gelukzalig naar de logopediste en zweeg tevreden, omdat ze zojuist een zegen had gekregen.

Later zou Bart haar apetrots gewoon weglachen en goedmoedig beweren:

‘Dat wist ik toch allang.’

Maar voor Thea was deze Mickey Mouse-uitslag van een kleutertest een proeve van bekwaamheid voor Walter. Een bewijs waarvoor het merendeel van de bezetting van De Wielewaal in het geval van hun kinderen een moord zou doen.

De verwrongen uitspraak van Walter lag dus bij nader onderzoek in het academisch ziekenhuis niet aan een mentale ontwikkelingsachterstand, terwijl men dat eigenlijk wel verwacht had van een kleutertje met een spraakgebrek uit een achterstandswijk. Ook psychosomatische oorzaken konden vooralsnog uitgesloten worden aangezien noch Walter, noch zijn moeder Thea een overspannen indruk maakten op de logopediste van het taalcentrum. Aan het taalprobleem van Walter moest dus zo goed als zeker een lichamelijke oorzaak ten grondslag liggen. Vandaar dat Walter nog dezelfde dag werd doorgestuurd naar een zekere professor doctor Spek. Deze man was een autoriteit op het gebied van keel-, neus, en ooraandoeningen en Walter en zijn moeder mochten wel in hun handjes knijpen, omdat ze niet op een wachtlijst moesten, maar in één ruk naar professor doctor Spek door konden. De spoeddoorverwijzing door de logopediste maakte de wachttijd in het ziekenhuis er niet minder langdradig om.

‘Houd nog even vol, straks krijg je een ijsje’, beloofde Thea wel twintig keer in de hoop Walter in de stemming te houden, want hij begon onhandelbaar te worden.

Walter hing ondersteboven op een bank in de wachtkamer en liep rood aan. Zijn beentjes fietsten in de lucht.

‘Kijk een prentenboek. Kom even naast me zitten dan lees ik voor en dan kan jij plaatjes kijken’ , gebood Thea ingehouden met het oog op de medepatiënten in de wachtkamer.

‘Ik moet denk ik plassen’, dreigde Walter.

Net toen hij in z’n uppie goed en wel na veel getalm het ziekenhuistoilet had betreden werd Walter opgeroepen. Zoals Thea al voorzien had. Maar het daaropvolgende fotomodel in de doktersjas zou geen mens hebben kunnen voorspellen. De status van Walter droeg ze als een zuigeling in de ronding van haar arm. Ze keek erbij alsof ze zelf eigenlijk ook op de baby-afdeling thuishoorde.

‘Ik haal hem even’, zei Thea de onnozele stoot haastig toe, waarna ze het herentoilet inschoot om haar vijfjarige zoon in zijn spijkerbroek te helpen.

De knock-out in de doktersjas was niet professor doctor Spek zelf, maar zijn assistente in de opleiding. Professor doctor Spek was een KNO-arts van om en nabij de pensioengerechtigde leeftijd. Hij bleef achterover geleund zitten in de draaistoel waarin hij zat en klopte meermaals met een speculum in de palm van zijn gerimpelde linkerhand terwijl hij Walter lukraak vragen over het plaatselijke voetbalelftal stelde.

‘Ik vind voetbal niks aan’, mompelde Walter.

Hij was bleek en uitgeput. De voetbalvragen van de professor maakte hem ook nog weerbarstig op de koop toe.

‘Ik vind voetbal niks aan’, echode de professor op precies dezelfde nasale manier als Walter.

Thea voelde de vernedering bij Walter op haar overslaan en ze probeerde de professor in haar genadeloze blikveld te vangen. Hij negeerde haar volkomen. Zijn einddoel was de oogverblindende assistente die zich plaatsvervangend zat te schamen en wulps op haar onderlip sabbelde.

‘Zo slimmerik kom jij maar eens hier op de schietstoel zitten’, vervolgde de professor, terwijl hij onheilspellend met zijn geaderde hand op de zitting van een lederen patiënten stoel klopte.  

‘Doet het pijn’, wilde Walter huiverend en huilerig weten.

‘Je bent toch zo’n slimme vent’, grapte de professor.

‘Wat heeft er dat nou weer mee te maken?’, hikte Walter, terwijl hij door zijn betraande ogen wreef.

‘Ga nou maar, het doet geen pijn’, suste Thea, omdat ze ook niet wist wat ze met de situatie aan moest.

Op dat moment had ze op moeten staan en samen met haar zoon weg moeten lopen. Maar ze bleef zitten. Verlamd en misleid door de illusie dat vandaag de dag van de waarheid zou zijn. En zo niet dan nog kon professor Spek niet echt de klootzak zijn die hij verpersoonlijkte. Opnieuw blaatte de professor Walter na en imiteerde het bepalende nasale spraakgebrek:

‘Wat heeft er dat nou weer mee te maken?’ 

Hij deed ook net of hij huilde, trok een pruillipje en wreef door zijn ogen.

Ontdaan raapte Thea al haar moed bijeen en hoewel haar bonzende hart in haar keel kroop, kwam ze luid en duidelijk in opstand:

‘Kunt u ook normaal doen? U hebt hier wel met een vijfjarig kind te maken!’

De professor gunde Thea nog steeds geen blik waardig en antwoordde spottend.

‘Niet zomaar een kind, maar een héél slim kind, heb ik begrepen!’

De assistente in de opleiding stond op en nam Walter bij de hand.

‘Kom maar’, zei ze lief.

‘Waar is dat slimme kind dan?’, vroeg Walter om zich heen zoekend.

‘Jij bent een slim kind’, antwoordde  de assistente in de opleiding, terwijl  ze zijn mollige lijfje in de patiënten stoel hielp.

‘O, dat wist ik niet.’

Walter keek beduusd voor zich uit en de professor was even van zijn stuk gebracht toen hij het onschuldige snoetje in zijn vizier kreeg. Even maar, want voordat Walter tot zichzelf had kunnen komen ramde de professor het speculum in zijn mond. Direct daarna produceerde Walter een monotone klaagzang die pas stopte toen de professor de eendenbek weer met een ruk tussen zijn gespannen lipjes uittrok.

‘Jezus, idioot’, protesteerde Thea.

Ze was alleen nog maar in staat om taalhandelingen te verrichten. Haar daadkracht was versteend.

Manmoedig klauterde Walter uit de patiënten stoel en nam weer naast zijn moeder aan tafel plaats. Hij likte de bloeddruppeltjes van zijn gebarsten, droge lippen. Thea streek door zijn krullen en droogde de tranen van zijn rechterwang:

‘Sorry vent.’

‘Geef niks.’

Walter zei maar wat. Zijn blauwe kijkers waren veranderd in inktzwarte, gloeiende hout kooltjes. Hij bleef woedend in het niets staren.

‘Ik heb het al gezien’, beweerde de professor over het hoofd van Walter heen.

Thea vond haar schoudertas naast haar stoel op de grond.

‘Hij heeft teveel ruimte bij zijn neusamandelen.’

‘Is er iets aan te doen?’, vroeg Thea plichtmatig.

Ze wachtte niet op antwoord en maakte aanstalten om op te staan. Haar tas hing ze alvast om haar schouder. Voor het eerst tijdens het consult keek de professor haar recht in de ogen. Thea zag dat hij schrok van haar uitstraling. Hij begreep eindelijk dat hij veel te ver was gegaan:

‘Ik kan hem opereren, maar dat beslis ik pas over een jaar.’

‘Waarom pas over een jaar?’

Thea sloeg een toon aan die duidelijk te kennen gaf dat zijn grootspraak op haar in ieder geval geen indruk meer zou maken.

‘Er kan nog vanalles veranderen.’

‘Dus ook verbeteren.’

‘Natuurlijk, maar daar ga ik niet vanuit.’

‘Wat ga je over een jaar doen dan?’

‘Ik ga zijn neusschot verkleinen.’

‘Groeit dat niet vanzelf dicht dan?’

‘Dat kan, dat weet ik niet. Daarom beslis ik ook pas over een jaar.’

‘En daarmee is zijn nasale uitspraak uit de wereld geholpen?’

‘Nou ja, hij zal na een neusschotverkleining wel logopedie moeten volgen.’

‘Hoe zit dat dan met mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’

‘Wat is er met mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’

‘Praten al die mensen zonder neusamandelen voorgoed nasaal?’

‘Nee.’

De professor was nou helemaal in de ban van het gesprek met Thea. Hij was de assistente in de opleiding aan zijn zijde zelfs vergeten. En de assistente op haar beurt werd op een niet mis te verstane wijze gaandeweg almaar achterdochtiger jegens de bejubelde professor naast haar aan tafel. Na de laatste vraag van Thea keek ze dusdanig vijandig naar hem op dat je haar bijna kon horen heulen met de vijand. Zo van:

‘Ja, dat zou ik eigenlijk ook weleens willen weten, vleesknuppel.’

‘Waarom zou uitgerekend mijn  Walter dan wel geholpen zijn met een neusschotverkleining?’

Thea schoof haar stoel naar achteren en stond op. Ze gebaarde naar Walter:

‘Kom op vent, genoeg getest voor vandaag.’

‘Ik zie u over een jaar’, riep de professor het tweetal na.

Zijn stem brak.

‘Ik dacht het niet’, beloofde Thea aan Walter en zichzelf.

Desondanks viel een jaar later een oproep voor een herhalingsconsult in de brievenbus. Voor Walter bij professor doctor Spek. Natuurlijk lieten Bart en Thea verstek gaan. Toen ze voor deze nalatigheid telefonisch ter verantwoording werden geroepen door een medewerkster van het academisch ziekenhuis, gaf Bart op zijn unieke manier de eindconclusie. 

‘De keel-, neus- en oorarts professor doctor Spek lult uit zijn nek’, brieste hij.

In de ziekenhuisrestauratie genoot Walter van zijn ijscoup:

‘Doe mij maar een Dame Blanche’, bestelde hij bij de juffrouw achter de toonbank.

‘Doe mij dan ook maar een Dame Blanche’, herhaalde Thea gelaten.

Ze betaalde vooraf. Een rib uit haar lijf.

‘Dat hebben we wel verdiend na vandaag’, verzuchtte Thea.

‘Heb je keelpijn?’

‘Een beetje’,

‘IJs helpt tegen keelpijn en wie weet  ook tegen die onaardige professor.’

‘De nieuwe taaljuf was niet zo erg.’

Walter groef in zijn ijs en werkte de massa aan de andere kant bijna uit de roestvrijstalen coup.

‘Je vond de testjes niet moeilijk toch?’ vroeg Thea niet zonder trots.

‘Ik heb het al zo vaak gedaan’, murmelde Walter.

Zijn mond was gevuld met ijslepel. Thea kon hem niet goed verstaan. Zeker niet met al dat geroezemoes van ziekenhuisgasten in en om de restauratie.

‘Wat zeg je? Je hebt nooit eerder intelligentie testjes gedaan Walter. Je vergist je.’

Walter schudde verwoed met zijn krullenbol. Nadat hij de hap had weggewerkt, zwaaide hij illustratief met de lepel in de lucht en beweerde ijskoud: 

‘Nee, ik vergis me niet.’

‘Ik ruik zwets’, knipoogde Thea.

‘Wel waar. Bij Marloes. Elke week dezelfde toetsjes als vandaag. In de huiskamer.’

Dus vandaag was wel een dag van de waarheid. Confuus schoof Thea haar Dame Blanche van zich af. Voor Walter een reden om de ijscoup meteen naar zich toe te trekken en van twee walletjes te eten. Dus daarom had moeder Marloes de logopediste op een gegeven moment liever gehad dat Thea niet meer bij haar sessies met Walter aanwezig was. Zo kon Thea geen storende factor zijn bij haar geëxperimenteer met intelligentietoetsjes. In eerste instantie waarschijnlijk niet eens uit kwaad opzet. Maar Walter was steeds te slim voor zijn doen. Slimmer dan haar zoon Lennart. Dat frustreerde. Dus daarom moest Walter weg van Marloes de taaljuf. Weg van haar zoon Lennart en liefst weg van De Wielewaal. 

 

HOOFDSTUK 10

Het ‘gesprekje’ met de schoolleiding van De Wielewaal naar aanleiding van de aanmatigende toon in het eerste rapport van Walter in groep 3, leverde een zoethoudertje op. De belofte van remedial teaching. Met de ongecultiveerde formulering van meester Gijsbert van groep 3 over de leerprestaties van hun zesjarige zoon  moesten Thea en Bart maar leren leven. Meester Gijsbert was per slot van rekening een onderwijzer en geen poëet.

‘Het enigste waar ik wel mijn verontschuldigingen voor wil aanbieden is dat ik niet eerder bij jou of de vader van Walter aan de bel heb getrokken’, bekende meester Gijsbert in een vervolggesprek dat Jade, de interne coördinatrice van De Wielewaal, voor Thea met hem geregeld had.

‘Het enige’, verbeterde Thea automatisch.

Macht der gewoonte door het alom gebezigde Nederlands van haar  huiswerkpubers.

‘Wat zei ik dan?’, vroeg meester Gijsbert bête.

Het was de bedoeling dat Thea met hulp van meester Gijsbert uit een impasse met de leiding van De Wielewaal zou geraken. Willy de directrice beweerde in de loop van haar schoolcarrière een erg goede band met meester Gijsbert te hebben opgebouwd. Willy was waarachtig niet altijd schoolhoofd geweest, maar in de dertig jaar hiervoor ook gewoon juffrouw op een basisschool. Ergens in de loop van haar schooljuffen carrière had ze meester Gijsbert leren kennen als een vakman. Hij was jarenlang directeur geweest op een school voor Leer- en Opvoedingsmoeilijkheden. Toen dit soort speciaal onderwijs, onder de noemer LOM scholing, in 1998 werd opgeheven, had meester Gijsbert bovendien nog eens bijna 10 jaar met zwakbegaafden gewerkt. Dus als er iemand kon oordelen over leerproblemen dan was het meester Gijsbert wel. Momenteel zat hij in een tussenjaar in de hoop op een benoeming tot directeur op een openbare basisschool in een andere stad. Invallen voor de depressieve juf van groep 3 op De Wielewaal was voor meester Gijsbert dan ook een geschenk uit de hemel. Lekker terug naar de oorsprong. Met een beetje geluk en steun van directrice en vriendin Willy bleef de echte juf van groep 3 best wel een schooljaar lang bezig met het cultiveren van haar burn-out. Dat zou dan een tussenjaar lang chillen worden voor meester Gijsbert. De ouders van de kindjes van groep 3 mochten zich wel extreem gelukkig prijzen met zoveel doordeweekse vakkennis en ervaring binnen handbereik. Hoe durfde Thea het beoordelingsvermogen van meester Gijsbert eigenlijk in twijfel te trekken? Alsof directrice Willy met haar recentelijk ontpopte leiderscapaciteiten zomaar iedereen liet invallen op De Wielewaal? Jade de interne coördinatrice kon met haar verstand ook niet bij de brutaliteit van Thea. Jade de i.c.  was juist diep, echt heel intens, onder de indruk van meester Gijsbert. Maar ja, de i.c. was niet serieus te nemen nadat Thea haar met meester Gijsbert had zien fietsen. Zij zat in haar geparkeerde Renault voor het gebouw van De Wielewaal en wachtte op haar kleintjes. Door de voorruit van haar occasion zag Thea het tweetal zwenkend op zich afkomen. Ze hadden ieder maar één hand aan het stuur. De andere handjes bengelden ineengestrengeld in prille verliefdheid en onwennig in de ruimte tussen de fietsen. Meester Gijsbert was zoals gewoonlijk te zelfgenoegzaam om alert te zijn en Jade de i.c. ging in opperste vervoering, vertaald in bakvisachtige blosjes op haar wangen, helemaal op in het zeer gewaardeerde mannelijke gezelschap naast haar op de fiets. Dichterbij De Wielewaal werd het paartje zich pas bewust van de omgeving. Bangelijk ontdeed het liefdeskoppeltje zich van hun onthullende handgreep voordat ze met klagende achteruittrapremmen tegelijkertijd tot stilstand kwamen. Thea deed alsof ze iets zocht in haar auto. Jade de i.c. en meester Gijsbert zagen haar en elkaar niet meer.   

‘Ik zit niet te wachten op verontschuldigingen. Je hebt de toon gezet bij een kind dat een blanco kans verdient om zichzelf te bewijzen in een periode die iets langer bestrijkt dan amper 10 weken’, antwoordde Thea onvermurwbaar.

Bedachtzaam kneedde meester Gijsbert zijn stoppelige kin en corrigeerde Thea minzaam:

‘Er is nog geen toon gezet. Ik heb mijn observaties heel neutraal gerapporteerd. Wilma is nu aan zet heb ik begrepen. Laten we eerst eens haar oordeel afwachten, voordat we vooruit lopen op de feiten.’  

Wilma was de vaste remedial teacher van De Wielewaal. Vanwege haar toverkunsten op onderwijsgebied en haar helende invloed op beschadigde kinderen, stond ze bekend onder de bijnaam Wonderwilma. Wonderwilma liep tegen de zestig. Dus met leeftijd had haar populariteit onder de basisschoolpopulatie niets uit te staan. In haar onwetendheid meende Thea het zich in het begin weleens te kunnen permitteren om zich aan Wonderwilma te meten. Ze dacht overeenkomsten te zien met haar thuiswerkzaamheden als huiswerkbegeleidster bij Huiswerksterk. Maar al gauw kwam Thea bedrogen uit en was ze blij dat ze niet hardop lucht had gegeven aan haar illusies. Ze zou uitgejouwd zijn. Het grote verschil tussen Wonderwilma en Thea zat in hun positie. Wonderwilma was een ingewijde en niemand anders dan een insider kwam de rol van troubleshooter van De Wielewaal toe. De buurtgenoten droegen er met hun roddel, achterklap, grootspraak en bombarie wel zorg voor dat niemand van buitenaf bij Wonderwilma in de buurt kwam. Wie anders dan Wonderwilma kwam naar behoren op voor de zwakkeren onder de hoogstaanders? Wonderwilma was nou eenmaal de aangewezen persoon om op De Wielewaal discreet te vechten voor kinderen met een taal-, reken-, of andere leerachterstand. Want wonderlijk genoeg komen kneusjes ook in de beste families voor. Eigenlijk net zo vaak als in welke familie uit welke wijk dan ook; maar op De Wielewaal werden de mislukkelingen onder de hoge hoed gehouden en – indien niet weg te toveren – zo snel mogelijk onder toezicht van Wonderwilma geplaatst.  Het sierde Wonderwilma dat het vermeende leerprobleem van Walter voor haar reden genoeg was om hem zonder meer in haar kringetje van verschoppelingen op te nemen, maar met moeder Thea kon ze niets beginnen. Eigenlijk was Wonderwilma dan ook bedoeld voor kinderen van ouders die; en/óf te dom waren om voor de duivel te dansen; en/óf te arm waren om hulp van buitenaf te betalen; en/óf de weg niet wisten in de bureaucratie van onderwijs en gezondheidszorg. Thea voldeed aan geen van de eisen en gedroeg zich niet als een slachtoffer. Thea kwam nooit bij Wonderwilma uithuilen en Thea had heus wel bewondering en respect voor de remedial teacher van De Wielewaal, maar dan als extraatje. Als kers op de taart als het ware. Wonderwilma deed niets meer dan haar werk. In haar geval remedial teaching dus. Werk waar ze voor betaald kreeg en waar Walter, net als ieder andere leerling, volgens het Nederlandse onderwijsstelsel en de grondwet, gewoon recht op had. 

Walter zou bij Wonderwilma  voornamelijk extra leeslessen gaan volgen met een groepje lotgenoten van dezelfde leeftijd. Op voorhand sloot Wonderwilma de mogelijkheid van dyslectie niet uit.

‘Ik weet wel zeker dat hij niet dyslectisch is’, protesteerde Thea alvast uit voorzorg.

‘Hoe weet je dat zo zeker?’, vroeg Wonderwilma bedenkelijk.

‘Vorig jaar was zijn zus net zo ver met lezen als Walter, maar op de taalvaardigheid van Sabine had niemand wat aan te merken. Volgens de juf uit groep 3 deed ze het prima een jaar geleden.’

‘Ja, maar Walter is Sabine niet. Waarom vergelijk je die twee met elkaar? Walter heeft net zo goed het recht om zichzelf te zijn.’

Wonderwilma mocht Thea op het eerste gezicht al niet. Dat kan, maar Wonderwilma kende Thea amper. Hoogstwaarschijnlijk had Jade de i.c. haar wat gif over Thea ingefluisterd. Waar kwam de passief-agressieve benadering van Wonderwilma jegens Thea anders vandaan? Alsof Thea haar kleine Walter zijn hele leven al tekort had gedaan en die hele remedial teaching gewoon uit ledigheid van moeder de vrouw voortvloeide. Gewoon te beroerd om externe professionele hulp in te roepen. En dat terwijl ouders zoals Bart en Thea dat best konden betalen. Weer zo’n stel ouders dat niet onder ogen wilde zien dat zij niet het perfecte kind op de wereld hadden gezet. En dan kon zij – Wonderwilma – de rotzooi weer opruimen. Dat deed ze met liefde en plezier, daar niet van. Voor Walter en al die andere stumperds die van hun ouders zo nodig moesten voldoen aan de strenge eisen van De Wielewaal. Maar niet voor zo’n streberige moeder. En Thea wekte bij Wonderwilma wel de indruk zo’n type te zijn.

‘Ik ken genoeg ouders met één slim en één dom kind. Dus vergelijken is oneerlijk en je verandert er ook niets mee. Walter is en blijft wie hij is’, beet Wonderwilma Thea toe.

‘Misschien vergelijk ik Sabine en Walter alleen maar met elkaar omdat  ze maar 11 maanden schelen?’, sputterde Thea overdonderd tegen.

Hadden Merel het peuterhoofd en juf Maaike van De Kleine Beer haar in het verleden niet ook al eens eenzelfde soort verwijt voor de voeten gegooid? Alsof vergelijkingen trekken en verschillen onderkennen tussen kinderen onderling een misdaad is in plaats van de essentie van eerlijk ouderschap en goed onderwijs. Ieder mens is anders toch? Kinderen zijn net mensen!

De stilte die Thea liet vallen benutte Wonderwilma om enigszins tot inzicht te komen.

‘Ja, okay, daar kan ik dan ook wel weer inkomen. Kinderen die zo dicht op elkaar zitten; dan ga je onwillekeurig vergelijken.’

Wonderwilma mocht dan wel onder invloed van Jade de i.c. staan, ze  was ook een open boek met een goedmoedige natuur. Jammer dat de gevoelens van sympathie van Thea voor haar niet wederzijds waren, maar ze kon Wonderwilma moeilijk op de pijnbank leggen om aardig gevonden te worden. Dat nam niet weg dat Thea bereid was om een stapje terug en haar best te doen voor Walter door het contact met Wonderwilma zo vriendelijk mogelijk te onderhouden.

‘Ik geef al een tijdje huiswerkbegeleiding aan middelbare scholieren bij mij thuis, mijn onderneming draagt de naam ‘Huiswerksterk’, misschien heb je er weleens van gehoord?’

Wonderwilma schrok van zoveel openhartigheid en hield huiverig de boot af.

‘Nee, nog nooit. Maar nu we het toch over pingpongen hebben’, zuchtte ze vermoeid.

Thea liet zich echter niet zomaar aan de kant zetten en herstelde zich door Wonderwilma te overstemmen:

‘Ik wil mezelf niet op enige vakkennis voor laten staan, alleen maar omdat ik huiswerkbegeleiding geef aan pubers. Waar ik wel naartoe wilde met mijn verwijzing naar Huiswerksterk, is dat ik tijdens mijn werk nog nooit een leesprobleem tegen gekomen ben dat niet oplosbaar was. Ook niet bij tieners die al vanaf de basisschool een officiële dyslectieverklaring hebben.’

‘Pfffff.’

Wonderwilma rolde met haar ogen en verzuchtte:

‘Dyslectie is niet alleen leesblindheid, maar ook problematiek rond de automatisering van taal; dat hoef ik een huiswerkbegeleidster van Huiswerksterk toch hopelijk niet uit te leggen?’

Thea was niet te vermurwen:

‘Soit. Maar is problematiek rond de automatisering niet juist exact de definitie van leesblindheid of dyslectie? Dus het onvermogen om een woord in de zin te herkennen. Geen automatisme in het lezen ontwikkelen en iedere keer van a tot z spellen?! Of wil je soms beweren dat dyslectici ook moeite hebben om in gesproken taal woorden te herkennen, eigen te maken en te automatiseren, dus met praten?’

‘Integendeel’, haastte Wonderwilma zich om misverstanden te voorkomen.

‘Dat dacht ik al; want in het geval van spraakverwarring bedoelen we  afasie in plaats van dyslectie.’

Wonderwilma fronste geërgerd over Thea’s betweterigheid.

‘Waarom zou je het zo erg vinden als Walter dyslectisch zou blijken te zijn?’, wilde ze op verwijtende toon weten.

Thea had haar antwoord direct klaar.

‘Omdat hij dan een stempel – in de vorm van een dyslectieverklaring - krijgt waar hij zijn leven lang niet meer vanaf komt.’

‘Nou en. Als het beestje maar een naam heeft!?’, vond Wonderwilma halsstarrig.

‘Kom op Wilma, Walter is 6 jaar. Zo’n dyslectiestempel kan ook tegen een leerling werken. De extra tijd bij toetsen en examens die Walter met een dyslectieverklaring in de toekomst zou winnen is niet altijd goed. Het kan ook een heleboel onzekerheid, twijfel en gebrek aan zelfvertrouwen in de hand werken. En wat als het leesprobleem van Walter nou eens echt niet aan zijn kleine hersentjes, maar aan het belabberde taalonderwijs van meester Gijsbert ligt. Stel nou eens? Wat dan?’

Wonderwilma gnuifde kort naar aanleiding van de sneer naar meester Gijsbert, maar pareerde de opmerking van Thea naar behoren:

‘Ik mag niet eens dyslectieverklaringen uitdelen. Dus wees maar niet bang. Ik kan alleen doorverwijzen en adviseren. Maar alle kinderen uit mijn groep zijn uiteindelijk opgelucht met het stempel dyslectie.’

Hier zag Thea haar kans schoon en nam wraak door Wonderwilma te bestrijden met haar eigen wapens:

‘Waarom vergelijk je mijn zoon met alle andere kinderen? Wie zegt dat Walter hetzelfde reageert als alle andere kinderen uit jouw groep? Misschien is uitgerekend Walter wel helemaal niet opgelucht over een dyslectieverklaring. Walter heeft toch, net zo goed als alle andere kinderen, het recht om zichzelf te zijn?!’

‘Ik zit erin hoor!’, roept Walter blij vanuit de huiskamer.

Thea is met het tosti-ijzer in de weer en hoort Sabine dubbelzinnig reageren:

‘Dat wil ik helemaal niet weten’.

Walter is wel wat gewend van zijn zus en bijt in het voorbijgaan naar de keuken van zich af:

‘A dirty mind is a joy forever’.

De open geklapte en gehackte  laptop van de overbuurman stelt hij tentoon op de keukentafel. Thea ontvet haar handen en vraagt  nieuwgierig:

‘Wat staat er op?’

‘Foto’s van blote kerels’, zegt Walter langs zijn neus weg.

Hij versiert een tosti met curryslierten.

Thea buigt zich over de laptop en wordt getroffen door de sensuele blik van een zonnebank gebruinde, pronte jongeman die niets meer dan een lendendoekje draagt. Zijn hele gespierde lijf is bedekt met tattoos en glimt van de olie of van het hete nat uit de waterval op de tropische achtergrond van de geshopte foto. Zijn ranke handen met lange vingers rusten suggestief rond de contouren van het soepele lendendoekje. Bovenin het scherm van de laptop staat: Toyboyjoy.

‘Godzijdank geen kinderporno’, merkt Thea opgelucht op.

Ze skipt naar het volgende kiekje van een verse toyboy. Ze volgen elkaar in een rap tempo op en doen – op smaakverschillen na - niet voor elkaar onder. Niet alle toyboys staan of liggen voor dezelfde achtergrond van een waterval. Er is ook een achtergrondversie met een haardvuur in werking; een schapenvel fungeert dan als lendendoekje. Een uitvoering voor een smaragdgroene Chevrolet uit de jaren 50; met een lederen jack dat nonchalant voor het kruis van de naakte toyboy aan zijn gekromde wijsvinger bungelt. Een editie op het strand; waarin de jonge heer in een goedgevulde tangaslip beachbal speelt en een bewerking in de sauna met de herkenbare badhanddoek losjes om de bezwete, strakke heupen. Bij nader inzien ontdekt Thea ook foto’s van poedelnaakte toyboys compleet met penis erectus in alle denkbare maten en kleuren. Maar de gemeenschappelijke deler die het meest in het oog springt is toch het logo in de hoek van de afbeeldingen. Het is een tekening van een zojuist ontkurkte champagnefles. De bubbels bruisen de fles uit en spatten uiteen in het logo. In een splitsing van de krachtige straal wit vocht staat met rode letters ‘Toyboyjoy’ geschreven. Achter dit logo staat op ieder plaatje een andere code ingeleid door de afkorting GSG. Walter kijkt mee over de schouder van Thea en verorbert zijn tosti. Hij irriteert haar met zijn gesmikkel en gesmak vlakbij haar gehooringang.

‘Sabine wat is Toyboyjoy?!’, schreeuwt Walter van de keuken naar de huiskamer.

Thea twijfelt even of haar trommelvliezen deze verbale klap zullen overleven en Walter verkneukelt zich over zijn dertienjarige zusje dat overrompeld verhaal komt halen:

‘What the fuck!’ 

‘Zeg dat wel.’

‘Hij lijkt me gewoon hartstikke gay  die overbuurman’, concludeert Sabine nadat ze ook enkele toyboys bewonderd heeft.

‘Dat is toch niet strafbaar’, vindt Thea die maar niet uitgekeken raakt en er lustig op los scrolt. 

‘Tik eens zo’n code in’, beveelt Walter.

Achter de codes bevinden zich de personalia van de heren. Hun pseudoniem en aangepaste leeftijd; zogenaamd tussen de 20 en 30 jaar; hun borstomvang en de lengte en omtrek van de penis in opgewonden stand. Verder staat er bij elke hunk vermeld waar hij goed in is. Zijn specialiteiten op seksueel gebied welteverstaan. De heren kosten gemiddeld 100 euro per uur, maar dat is zonder berekening van meerwerk. Sommige mannen zijn beperkt beschikbaar; andere lookers gaan zelfs mee op reis. De laatstgenoemde zijn de ‘royal exclusives’.

Verbluft hakkelt Thea:

‘De overbuurman runt ijskoud een escortbureau’.

‘Nou, ik krijgt het er anders best warm van’, zinspeelt Sabine, waarna ze meteen puberaal paars kleurt tot in haar nek.

‘Bestaan er hoeren voor vrouwen?’ En waarom is dat voor mannen niet en voor vrouwen wel strafbaar dan?’’, vraagt Walter aarzelend.

‘Prostitutie is gewoon legaal in Nederland hoor’, antwoordt Sabine op een toon alsof Walter naar de bekende weg vraagt.

‘Waarom staat de politie dan bij de overbuurman voor de deur? En waarom brengt Melvin de laptop van de overbuurman dan bij ons in veiligheid?’

’Weet ik niet, zo’n escortbureau trekt natuurlijk allerlei louche zaken en types aan’, schokschoudert Thea.

‘Een toyboy is niet alleen voor vrouwen’, weet Sabine die net op haar IPhone de betekenis van toyboy heeft gegoogeld.

Ze citeert:

‘Een toyboy is een veel jongere partner van een man of vrouw’.

Walter neust nog even door de online gegevens.

‘Het escortbureau heet G-spotgigolo; vandaar GSG bij elke toyboycode.’

‘Je bent en blijft een Whizzkid’, plaagt Sabine hoofdschuddend.

Maar ze spiedt nieuwsgierig mee.

‘Hey, dat lijkt Melvin wel’, merkt Walter terloops op.

Hij wijst naar de foto die juist op het beeldscherm opdoemt. Een blonde, jonge God met een zweem van Betuwe Flipje leunt spiernaakt  wijdbeens achterover in een met roze pluche overtrokken massagestoel. Zijn gespierde armen rusten losjes op de leuning. De polsen in het zicht van de gluurder. De duimen en wijsvingers maken een cirkelvorm alsof de toyboy mediteert. Aan de binnenkant van zijn rechterpols staat een tatoeage. Een woord dat Thea gisterenmorgen nog live bij Melvin heeft mogen aanschouwen. Er staat:

‘Enough.’

‘Sterker nog; dat is Melvin’, beweert Sabine.

En dat terwijl zij nog het verst van alle drie van het beeldscherm verwijderd staat.

‘In volle glorie’, beaamt Thea als door de bliksem getroffen.

 

HOOFDSTUK 11

Bart moet eerst moeite doen om zich Melvin voor de geest te halen voordat hij überhaupt in staat is om een oordeel te vellen over het nieuws dat de beste jongen zijn ravissante lichaam op het Internet te koop aanbiedt.

‘Ik heb Melvin voor het laatst in levende lijve gezien toen hij 12 was. Ik weet nog dat hij hier aan de keukentafel zat met een IPad. Hij is toch het kleine broertje van je aller- eerste huiswerkklantje? Dat meisje kan ik me nog heel goed herinneren. Treurwilgje toch?’

‘Nee,  ze heet Jasmijn’, antwoordt Thea verstrooid.

Ze is op de zilverkleurige laptop in het bestand van de overbuurman naarstig op zoek naar de illustrerende kiek van toyboy Melvin. Er is haast geboden, want Bart kan zijn aandacht nooit lang op klanten van Huiswerksterk, of ongeacht welke andere puber die hij niet zelf gemaakt heeft, houden. Hij is immuun geworden door de constante in- en uitloop van jonge mensen in zijn heiligdom. Hij groet ingetogen, maar ziet niemand anders dan zijn eigen kinderen met hier en daar en zo nu en dan een vriend of vriendin die niet via Huiswerksterk ingeroosterd is. Bovendien komt Melvin meestal ’s morgens op bezoek en dan is Bart óf al naar zijn werk óf hij herkent gewoon de hele verschijning niet.

Thea vindt de naaktfoto.

‘Kijk’, roept ze triomfantelijk uit.

‘Hoe kom jij aan die laptop?’

‘Dat leg ik toch net uit, maar daar gaat het nou even niet om. Kijk nou!’

‘En wie heeft de boel geopenbaard?’

‘Wie denk je?’, stelt Thea ongedurig.

‘Nee, dan is het goed. Walter weet wat hij doet.’

Bart heeft een ongebreideld vertrouwen in de capaciteiten van zijn kinderen. Al vanaf hun eerste ademstoot. Thea is wat minder zeker van haar zaak, maar dat zit in de aard van het beestje. Behalve onvoorwaardelijke liefde staat voor Thea niets vast totdat het tegendeel bewezen is. Eerst als haar kinderen laten zien wat ze kunnen dan pas zijn ze capabel. Misschien dat Thea daarom bereid was om het vervolg van de zogenaamde goede bedoelingen van meester Gijsbert van groep 3 toch nog aan te horen nadat haar woedestorm enigszins was gaan liggen. Meester Gijsbert opperde dat Walter misschien in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje. In eerste instantie dacht Thea letterlijk aan een canvas buidel die ruggelings gedragen wordt en ze zag eigenlijk niet zo goed in op wat voor een manier Walter per sé met zo’n rugzakje geholpen zou zijn. Nadat meester Gijsbert haarfijn uit de doeken had gedaan dat de term ‘rugzakje’ een metafoor was voor persoonsgebonden subsidie aan, in dit geval, De Wielewaal van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor kinderen met een lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke handicap of psychische stoornis met gedrags- en opvoedingsproblemen die niet op het speciale onderwijs terecht kunnen en derhalve met hulp van noodgedwongen gefinancierde, persoonlijke begeleiding het armlastige reguliere basisonderwijs toch nog kunnen doorlopen, snapte Thea nog steeds niet waarom uitgerekend haar Walter met deze extra ondersteuning geholpen zou zijn. Gelukkig voegde meester Gijsbert wel aan zijn uitleg toe dat een kind nooit een rugzakje toegewezen kan krijgen zonder goedkeuring van een ‘Regionaal Expertisecentrum’ en dan nog lag de eindbeslissing over de acceptatie van extra begeleiding bij de ouders. Enigszins gerustgesteld sprak Thea haar bedenkingen uit:

‘Volgens mij is niet Walter, maar De Wielewaal eerder geholpen met een rugzakje; want iedere uitzondering is er één te veel. Lastenverlichting met geld van buitenaf is natuurlijk altijd welkom hier op school. Even los van het leervermogen van betreffende kind!?’

‘Nou, nou’, schuddebuikte meester Gijsbert.

Hij betwijfelde of Thea wel de  bedreiging was waarvoor Jade, de interne coördinatrice van de Wielewaal, hem in eerste instantie gewaarschuwd had.

‘Dat wijf is gevaarlijk gek’, wist Jade de i.c..

Meester Gijsbert was Thea in de eerste 10 weken voor het debuutrapport van Walter dan ook niet voor niks zogenaamd per ongeluk uit de weg gegaan. Er lag een toekomstige directeurschap op een basisschool in het verschiet en meester Gijsbert kon zich geen reputatieschade veroorloven. En in de buurt van hypergevoelige mama’s die over zijn schouder stonden mee te hijgen was een cruciale fout snel gemaakt. Toch viel Thea hem honderd procent mee. Hij had de dames wel moeilijker meegemaakt. Dit exemplaar was tegen verwachting in kostelijk en stond open voor discussie. En discussiëren was zijn stokpaardje. Als het erop aankwam dan lulde hij werkelijk overal een punt aan. Maar Jade de i.c., met wie hij onbedoeld toch al veel intiemer omging dan goed voor zijn carrière was, zou hij niet wijzer maken dan ze is. Welbeschouwd viel er wel het nodige persoonlijke voordeel voor meester Gijsbert te behalen bij een openlijke reddingsoperatie van een zesjarige leerling uit zijn groep 3. Aan de ene kant zou hij zich, dankzij zijn ervaring in onderwijs met moeilijk lerende kinderen, als kenner op het gebied van leerstoornissen kunnen profileren. Hij zou vooral goede sier maken bij Willy Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Niet onbelangrijk, want na zijn benoeming als directeur op zijn aanstaande basisschool, zou Bakbruin een naaste collega worden. En een loyale collega is belangrijker dan een verloren leerling uit een achterstandswijk. Aan de andere kant hoopte meester Gijsbert zich met hulp aan Walter pijnloos van Jade de i.c. te kunnen losweken. Hij kon haar Walter alias ‘de probleem leerling’  uit handen nemen. Hij zou de vijand verslaan en al doende Jade de i.c. overtroeven. De aanlokkelijkheid van vooral dit vooruitzicht deed meester Gijsbert ter plekke besluiten om zich over Walter te ontfermen.

Thea vond echter dat ze meester Gijsbert tegen zichzelf in bescherming moest nemen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee en ze vermeldde plichtmatig:

‘Walter is laatst nog getest door een team van een taalpracticum van het regionale academische ziekenhuis, omdat hij nasaal praat. Uit de IQ test kwam naar voren dat hij alle potentie in huis heeft die een intelligent mens benodigd om een normale basisschool te kunnen volgen. Zonder rugzakje. Als hij al een taal- en leerachterstand mocht hebben, zoals jij in zijn eerste rapport hebt genoteerd, dan is er nog geen man overboord. Sterker nog; de score van de IQ test van Walter lag ver boven het gemiddelde.’

Ondanks de stelligheid waarmee Thea oreerde, luisterde Meester Gijsbert niet naar wat er gezegd werd en beweerde voorbarig:

‘Ja, maar dat zegt niks.’

‘Wat zegt dan wel wat? Waarop baseer jij dan je onverbiddelijke oordeel over een zesjarig jongetje?’

‘Ik weet wat ik zie’, antwoordde meester Gijsbert vaag.

‘Misschien moet je dan nog een keer kijken, want uitgaande van de bewezen intelligentie van Walter mag hij toch wel in staat mogen worden geacht om een lagere school zonder rugzakje te kunnen doorlopen!’, voer Thea uit.

Meester Gijsbert zat op een krukje aan een lage lessenaar in het lokaal van groep 3 tegenover Thea. Ze was al minstens 10 keer van zithouding veranderd, want een veel te klein kinderstoeltje gaf haar ongemak en de prognose van een gruwelijke spierpijn morgen. Meester Gijsbert dacht na over een verdediging tegen de aanval van Thea. Zijn stoppelkin rustte in de handpalmen. Uit de  mouwtjes van zijn slobberige korte T-shirt staken witte, slappe behaarde driekwart armen waarvan de ellenbogen op het kunststof tafelblad steunden. Hij masseerde zijn jukbeenderen en leek op een knaagdier.

‘Meten is weten.’

‘Ja, dat zeg ik net. Walter heeft al een IQ test achter de rug’, herhaalde Thea bekoeld.

Het leek erop alsof meester Gijsbert zijn harde vonnis van Walter al enigszins begon af te zwakken.

‘Het gaat al stukken beter hoor in de klas moet ik zeggen.’

‘Gelukkig maar’, antwoordde Thea vermoeid.

Dit was water naar de zee dragen. Het reactiepatroon van meester Gijsbert was te absurd voor woorden. Er zat geen kop en staart aan. Nogmaals legde Thea uit waarom Walter volgens haar in geen geval in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje of wat voor een andere vorm van gesubsidieerde hulp van buitenaf dan ook. Ze sprak langzaam en duidelijk en spelde haar woordkeuze nog net niet, zodat ze zich achteraf niet kon verwijten dat zij meester Gijsbert niet ter wille was geweest. 

‘Mocht Walter getest worden door professionals van het ‘Regionale Expertisecentrum’ dan komt er dus waarschijnlijk uit naar voren dat hij een hoog IQ heeft.’

Meester Gijsbert staarde wezenloos voor zich uit. Zijn mond stond half open. En wie niet horen wil, die moest, wat Thea betreft, maar voelen:

‘Je weet toch wat een IQ is?’

Meester Gijsbert ontwaakte uit zijn trance:

‘Ja, ja, zeker wel; een IQ is Intelligentie Quotiënt; een cijfer op een schaal. Maar je vindt het wel goed dat ik een aanvraag indien voor een rugzakje?’

Zwijgend bleef Thea meester Gijsbert een seconde of 10 star aankijken en dacht:

‘Zou hij hardleers of Oost-Indisch doof zijn?’

‘Je doet je best maar’, zei ze uiteindelijk toe.

Blij verrast gaf meester Gijsbert Thea een vriendschappelijke schouderklop, waarmee hij haar bijna uit het kinderstoeltje maaide. Ontsteld hervond Thea haar evenwicht en wreef haar pijnlijke schouder. Meester Gijsbert zag de toekomstige samenwerking al helemaal voor zich en trachtte Thea gerust te stellen:

‘Ik weet wat ik doe hoor, ik ben jarenlang directeur geweest op een school voor moeilijk lerende kinderen.’

‘Laat hem toch lekker hobbyen’, stelde Bart voor.

‘Hij komt er vanzelf achter dat hij zichzelf compleet voor gek zet met een aanvraag voor een rugzakje. Zoveel vertrouwen heb ik dan nog wel in zo’n Expertisecentrum.’

Maar tot een aanvraag bij het Regionale Expertisecentrum is het nooit gekomen. Wonderwilma stak een stokje voor de plannen van meester Gijsbert. Alles wat meester Gijsbert, na weken van onzekerheid,  uiteindelijk nog nurks over het eventuele rugzakje te missen had was een miezerige conclusie.

‘Wilma vindt het niet nodig.’

‘Hoera voor Wonderwilma’, triomfeerde Thea.

Niet begrijpend hief meester Gijsbert één wenkbrauw. Hij liet zich in zijn plan van Walteraanpak heus niet tegenhouden door zo’n fossiel als Wonderwilma, maar hij had zijn tactiek aangepast aan de omstandigheden, daar de meeste vooraanstaande ouders hem nog steeds – ook -  buitenschools belaagden. Teneinde te voorkomen dat Thea aldus niet weer cruciale wetenwaardigheden over het leerproces van haar zoon zou mislopen, regelde meester Gijsbert na elke schooldag in principe crisisoverleg over Walter in het klaslokaal van groep 3. Alleen als Walter zich de betreffende schooldag perfect had getoond dan zou een onderonsje niet nodig zijn geweest en dat was dus nooit. Met moeite maakte meester Gijsbert zich dagelijks na de les los van zijn bewonderaars en wendde zich in het bijzijn van de jaloerse buitenwacht met veel spreekwoordelijk tromgeroffel tot Thea:

‘Ah, even de neus laten zien en even bijkletsen; want een goede communicatie is de basis voor een goede relatie’, bralde meester Gijsbert vergenoegd.

Hij bedoelde natuurlijk dat hij hoe dan ook in geen geval opnieuw gedoe over Walter wilde hebben met het oog op zijn reputatie in de onderwijswereld. Hij wilde moeder Thea in het gareel houden. Ze mocht niet weer haar ongenoegen over hem bij directrice Willy Bakbruin, Wonderwilma of wie dan ook spuien. Maar zijn beweegredenen waren Thea om het even. Ze moest sowieso elke doordeweekse dag op De Wielewaal zijn om de kinderen van te school halen en dan nam ze dat crisisoverleg met meester Gijsbert wel op de koop toe. Haar doel was bereikt. Walter was eindelijk bijgeschreven op de kaart van groep 3.

Desondanks begon de stijfkoppigheid van Walter hem weer parten te spelen. In de loop van zijn kleuterjaren had juffrouw Elsje het hevige verzet, dat Walter voornamelijk op De Kleine Beer had tentoon gespreid, weten te reduceren tot een beetje kleutergemok in de marge. Maar aan de start van de basisschool stak zijn beruchte drift weer de kop op. In alle hevigheid. En dat terwijl de kleuter Walter moeiteloos opstond uit bed. Probleemloos poetste hij twee maal daags zijn tanden. Hij waste en kleedde zich als dat van hem gevraagd werd. Weliswaar met wat hulp van Bart of Thea, maar daar was Walter kleuter voor. Ook liet hij zich als een mak lammetje in één vloeiende beweging door naar school begeleiden. Aan het eind van de kleuterperiode bij juf Elsje van De Wielewaal blaakte Walter van zelfvertrouwen.

Maar in groep 3 kwam zijn getemde geestdrift weer tot leven. Walter transformeerde opnieuw steeds vaker van een huiselijke brombeer in een driftkikkertje op school. Hij werd hoe langer hoe bozer op meester Gijsbert, terwijl Thea juist het tegengestelde had hopen te bewerkstelligen met haar protestactie tegen de destructieve  beoordeling in het eerste rapport van haar zoontje van zes in groep 3. Een rapport dat meer weg had van een strafblad dan van een evaluatie. Uiteraard had Walter het nodige meegekregen over de commotie rond zijn schoolprestaties. Kleine potjes hebben grote oren. Bart deed er met zijn doordachte, besmettelijke kalmte en zelfvertrouwen dan ook alles aan om ervoor te zorgen dat zijn beer van een zoon niet aan zichzelf zou gaan twijfelen. Geen eenvoudige opgave tegenover de oogkleppen van meester Gijsbert. Walter wilde zijn vader wel geloven, maar hij kon zijn draai maar niet vinden in groep 3.   

‘Mama, meester Gijsbert zegt dat ik een sterretje ben’, deelde Walter in het wilde weg mee.

Hij streelde de fluweelzachte, rimpelige vacht tussen de flaporen van de labrador die naast hem op de bank lag. Haar trouwe grijs gespikkelde snuit rustte op zijn schoot.

‘Nou, proficiat, vent’, vond Thea.

Het klonk ook veelbelovend:

‘Een sterretje’.

‘Da’s helemaal niet leuk hoor.’

De hondenoren liet Walter voor de lol een paar seconden recht overeind staan. De labrador liet zich al het gehannes gelaten welgevallen tot in de berusting van een monotoon, ronkend gesnurk.

‘O, niet?’

Thea verdeelde de aandacht tussen Walter en haar pogingen om duo paren samen te stellen uit een bonte diversiteit aan sokken in een wasmand.  

‘De sterretjes zijn de slechtsten van de klas, daarna komen de maantjes en de zonnetjes zijn het beste.’

Verrast door deze beeldende fantasie was Thea meteen één en al oor.  Walter was er het jongetje niet naar om in metaforen te praten. Walter dacht en communiceerde in heldere problemen en kant en klare oplossingen.

‘Denk je dat echt?’

Toch kon Thea zich gewoon niet voostellen dat Walter geen onzin zat te verkondigen.

‘Meester Gijsbert heeft vandaag drie lijstjes op het prikbord naast het digibord in de klas gehangen. Mijn naam staat onder de sterretjes.’

‘Ow, help, volgens mij is het echt waar’, wanhoopte Thea in gedachten.

Snel probeerde ze zo waarachtig mogelijk in te spelen op de belevingswereld van Walter:

‘Ja, maar schat dat betekent toch niet dat je de slechtste van de klas bent?’

‘Wel hoor’, hield Walter stug vol.

‘Wie staan er dan nog meer bij de sterretjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.

Haar latent aanwezige onderdrukte kwaadheid over het beleid op De Wielewaal begon de  gemoedstoestand van Thea alweer te beïnvloeden. Het zou niet de eerste keer zijn dat ze in het bijzijn van Walter haar woede ventileerde. Deze keer haar furiositeit over het eventuele bestaan van een kwalificatiesysteem in groep 3 van de basisschool. Sterretjes, maantjes en zonnetjes. De Über- en Untermenschen. De sterretjes zijn voor altijd gebrandmerkt. Walter had zijn vuur niet van een vreemde.

‘Jamille staat erop en Jabir, Basum Anton, Amir, Emir en Ketifa en verder weet ik het niet’.

Hoezo eigenaardig dat zo’n beetje alle kinderen met een migratie-achtergrond uit groep 3 van De Wielewaal bij de sterretjes waren ingedeeld?!

‘En gaat er nog iets met de sterretjes gebeuren?’

Thea zou bijna weer in sprookjes gaan geloven.

‘De sterretjes gaan allemaal naar juffrouw Wilma. Elke maandagmiddag en woensdagmorgen’

‘Is dat erg dan?’

‘Neuh, leuker als meester Gijsbert.’

‘Dan’, verbeterde Thea automatisch.

‘Wat?’, vroeg Walter verward.

‘Wat zegt u mevrouw mama?!’

Belerend stak Thea een vingertje in de lucht, maar Walter ontweek haar handig:

‘Wat jij zegt!’

Walter lachte gelukkig weer.

‘Als je juffrouw Wilma niet meer leuk vindt dan waarschuw je papa of mij. Dan hoef je niet meer naar de sterretjesgroep.’

‘Ik vind meester Gijsbert niet leuk.’

‘Waarom niet?’

‘Ik krijg altijd de schuld.’

‘Jij vindt altijd dat je altijd de schuld krijgt; papa en ik noemen dat ‘het syndroom van Calimero’.

‘Wat is Calimero?’

‘Calimero is een kuikentje uit een tekenfilm met veel zelfmedelijden. Zo van: Zij zijn groot en ik ben klein en dat is niet eerlijk.’

Zorgvuldig bracht Walter de hondenoren van Yolo weer in de juiste positie.

‘Ik had taal weer niet af.’

‘Nou en, ik krijg m’n sokkenselectie niet af.’

‘Ik kon het best, maar ik zat alleen en toen kon ik mijn punt niet slijpen.’

‘Hoezo, waarom schrijf je niet met een pen?’

‘We moeten met potlood schrijven.’

‘Waarom?’

‘We moeten gummen niet strepen.’

‘Nee, ik bedoel; waarom zat je alleen?’

‘Ik zat op de gang.’

‘Waarom?’

‘Omdat ik altijd de schuld krijg.’

Wie zondert een kind van 6 nou af van de groep tijdens de les?

‘Maar hij had geen straf’, verzekerde meester Gijsbert Thea tijdens het schooldagelijkse crisisoverleg onder vier ogen in het lokaal van groep 3.

‘Waarom zet je hem dan op de gang?’

Meester Gijsbert gaf altijd een pasklaar antwoord. Thea werd er zo moe van.

‘Omdat de groep onrustig was.’

‘Nou dan is het toch logisch dat Walter vindt dat hij altijd de schuld krijgt?’

‘Ja, maar dat is niet zo.’

‘Ja, maar dat weet Walter toch niet?’

‘Ja, maar ik dacht dat hij zich beter kon concentreren op de taaltoets als hij apart op de gang zou zitten.’

‘Ja maar hij zag allerlei dingen, zei hij. Die dingen moest hij eerst bekijken. Tekeningen aan de muur die hij nog nooit gezien had. De directrice – Willy Bakbruin – kwam voorbij lopen. Zij vroeg nog aan hem waarom hij zo alleen op de gang zat. Daarna brak de punt van zijn potlood af en toen was de tijd om en had hij de taaltaak niet af.’

‘Het was geen taaltaak, maar een  citotoets voor groep 3.’

‘Nog erger; daar reken jij hem in zijn rapport weer op af. Dat hij zijn werk niet op tijd afheeft.’

‘Hij kan juist hartstikke goed rekenen.’

‘Was het een rekentoets dan?’

‘Nee, het was een taaltoets en hij had hem weer niet af.’

Thea verkneep zich. Ze strekte haar bovenlichaam en maakte de nekspieren los door met haar hoofd te tollen. Ze stokte toen haar blik op 3 lijsten naast het digibord viel:

‘Wat betekent dat?’

Ze knikte naar de besproken lijsten met afzonderlijk sterretjes, maantjes en zonnetjes. Meester Gijsbert leefde op:

‘Dat is een indelingssysteem dat wij hier op De Wielewaal hanteren. De zonnetjes zijn de hoogbegaafde kinderen. De maantjes behoeven af en toe weleens een steuntje in de rug en de sterretjes zijn de leerlingen die het meeste zorg eisen.’

Thea stond op en begaf zich naar de lijst om de indeling goed te kunnen bestuderen. Tim, het klasgenootje met wie Walter een knipperlicht vriendschap deelde, was een zonnetje. Thea had inmiddels met haar werk bij Huiswerksterk al wel zoveel ervaring opgedaan om in te kunnen schatten dat Walter mentaal in geen geval onderdeed voor Tim. Bovendien had de vechtscheiding van de ouders van Tim hem een onvoorspelbare moeder en een depressieve vader opgeleverd. Thea wist uit ervaring dat kinderen met een onstabiele thuisbasis wel degelijk extra zorg en aandacht nodig hadden op school. Juist op school. Weg van de spanningen thuis. Hoe hoogbegaafd ook. Ze hoefde maar naar haar oppaskinderen uit de begintijd van Huiswerksterk te kijken. Jasmijn en Melvin. Zodoende  durfde Thea die begeerlijke hoogbegaafdheid in de meeste gevallen ook ernstig te betwijfelde. Maar ja; de gesubsidieerde, roemruchte plusgroep van De Wielewaal moest ook jaarlijks doorstroming vinden met een vers gekweekte toevoer uiteraard.   

‘Wist jij dat Walter denkt dat hij de slechtste van de klas is, omdat jij hem bij de sterretjes hebt ingedeeld?’, vroeg Thea afgemeten aan meester Gijsbert.

‘Dat is natuurlijk onzin’, grijnsde meester Gijsbert ongemakkelijk.

Zijn zichtbare leedvermaak dreef  Thea tot razernij en een rigoureuze actie. Met drie korte rukken trok ze de lijsten achter elkaar van de muur en scheurde de A-viertjes op ooghoogte van meester Gijsbert in stukken. De snippers liet ze demonstratief in de prullenbak onder het digibord verdwijnen. Meester Gijsbert vond haar sensationeel. Hij liep rood aan en sidderde over zijn hele lichaam alsof hij in vuur en vlam stond. Het scheelde niet veel of hij had Thea op locatie besprongen. Haar mondelinge toelichting vormde evenwel een probaat voorbehoedsmiddel:

‘Hoe jullie in de lerarenkamer over de kinderen denken is niet mijn zaak. Maar in het openbaar wens ik dat zowel de privacy van mijn kind als die van anderen gerespecteerd wordt. Ik wil niet van andere kinderen weten of ze zonnetjes, maantjes of sterretjes zijn en ik wil zeker niet dat andere ouders weten dat mijn kind door jou – meester Gijsbert de grote - als een sterretje bestempeld wordt.’

‘En wat dan als Walter een zonnetje was geweest?’, waagde meester Gijsbert toch nog te provoceren.

Hij zat gewoon te treiteren. Zijn afgang bij Thea kon hij maar moeilijk verkroppen. En Thea kon zich opeens helemaal voorstellen waarom hij aan Jade de interne coördinatrice was blijven plakken. Soort zoekt soort.

‘Als Walter een zonnetje was geweest dan zou ik de lijsten uiteraard hebben laten hangen’, loog Thea op een dusdanig indringende wijze dat meester Gijsbert niet anders kon dan haar parodie op z’n fatsoen trekken en haar tegemoet te komen. 

‘Bij mijn weten zijn er geen klachten van andere ouders, maar misschien heeft Walter mijn klassikale uitleg niet begrepen en moet ik hem apart nog een keer extra uitleggen wat een sterretje precies inhoudt?’, stelde hij overdreven gedienstig voor.

De giga aandrang om - bij wijze van respons – met haar vuisten op het borstkastje van meester Gijsbert in te timmeren, kon Thea maar ternauwernood onderdrukken. In plaats daarvan zuchtte ze gefrustreerd.

‘Ja doe dat maar. Maar niet op de gang graag.’

 

HOOFDSTUK 12

Kinderen onderling vergelijken mag dus niet. Althans niet vanuit didactisch perspectief. Steeds als Thea op haar ervaringen bij Huiswerksterk dacht te kunnen bogen, werd haar door een leerkracht, pedagoog, of andere deskundige een halt toegeroepen. Maar verbieden werkt juist averechts. Alles welbeschouwd rezen er trouwens amper noemenswaardige verschillen tussen het leerproces van Jasmijn en Sabine, of Melvin en Walter. Behalve dan dat een buitenstaander minder weerstand uitlokt bij de opvoeding dan een vader of moeder in de rol van leerkracht. De huiswerk begeleiding van de kinderen van haar ex is Thea altijd stukken makkelijker afgegaan dan de thuishulp aan Sabine en Walter. Walter heeft nu nog de neiging om overal over in discussie te gaan. Maar de aarde is rond totdat het tegendeel bewezen is en feitjes zijn feitjes. Sabine heeft er nog altijd een handje van om weg te dromen boven haar huiswerk en ‘keurig netjes’ komt niet voor in haar vocabulaire. Niet zo vreemd dat Sabine als zesjarig meisje in groep 3 begon met een abominabel handschrift. Geen reden voor de tactloze juffrouw Dorien van groep 3 - en later ook groep 4 – om Sabine op weg te helpen. Integendeel, juffrouw Dorien besloot om het gestuntel van Sabine onverbloemd aan de schandpaal te nagelen. Aan een lijntje dat hoog en horizontaal gespannen was over de breedte van het hele klaslokaal werden de allereerste pogingen tot een leesbaar handschrift van de 6-tot 7jarigen voor alle ouders en andere bezoekers aan groep 3 van juf Dorien tentoon gespreid. Niet te missen hingen de eerste probeersels van de kleintjes op uitgescheurde schriftblaadjes naast elkaar te bungelen aan wasknijpers. Het aandoenlijke gekrabbel en geklieder van Sabine stak halverwege de slinger vloekend af tegen de schoolvoorbeelden van schoonschrift van alle andere meisjes uit de klas. Zelfs de jongetjes, die meestal alleen onder dwang bereid zijn om het werk te verzorgen, bakten er op het eerste gezicht meer van dan Sabine. Thea was dan ook ziedend. Ze zag de andere moeders wel kijken. Het leedvermaak in de ogen; het minachtende grimassen; het spastische bewegen van de benepen lippen. Ten overstaan van bijna alle ouders van de kinderen van groep 3 nam de moeder van Mathilde namens de meerderheid het voortouw. Niemand zou haar tegenspreken. Haar dochter stond bekend als de beste van de klas. Mathilde was een typisch Wielewaalkind en daarmee voorgeprogrammeerd plusgroep materiaal.

‘Tjeemp Thea, die Sabine van jou heeft nog een lange weg te gaan. Zo te zien moet ze nog wel even wat oefenen voordat ze mee kan komen!’

Thea wachtte niet totdat het paars voor haar ogen was verdwenen, maar voer meteen uit.

‘Oefening baart kunst, maar daarom stuur ik mijn dochter ook naar school. Ik ga haar niet prematuur drillen zoals jij wel bij Mathilde gedaan hebt. Kijk maar naar haar gepolijste schrijfstijl. De invloed van mammie dearest straalt ervan af!’

‘Nou ja, lange tenen. Als jij ook wat meer met Sabine thuis zou oefenen zou dat het niveau in de klas alleen maar te goede komen’, sneerde de moeder van Mathilde onder meerstemmige bijval van de omstanders.

Juffrouw Dorien schaarde zich letterlijk bij de mening van de meerderheid door fysiek naast de moeder van Mathilde te gaan staan. Het koord met schrijfsels bleef dan ook onveranderd nog een maand of twee in de gevarenzone van groep 3, gespannen over het plafond, hangen. Achteraf had Thea gewoon ter plekke moeten eisen dat de onthullende schrijfslinger verwijderd werd.

Uiteindelijk kwam juffrouw Dorien de moeder van Sabine wel enigszins tegemoet. Onder vier ogen met Thea beloofde ze met de hand op het hart dat ze in de toekomst de ontwikkeling van het handschrift van Sabine nauwlettend in de gaten zou houden. Ook beloofde juffrouw Dorien dat ze Sabine in het vervolg een beetje tegen de kritiek van andere ouders in bescherming zou nemen  op een toon waarop een demente bejaarde een zoethoudertje wordt toebedeeld. Het enige dat juffrouw Dorien in werkelijkheid ondernam om het handschrift van Sabine te verbeteren was het inschakelen van de remedial teacher. Wonderwilma. Alweer!

Wonderwilma kwam wederom, zag en overwon. Het handschrift van Sabine zou in de loop van de basisschooljaren vanzelf wel recht trekken. Volgens Wonderwilma. Maar die loopbaan ging Thea niet snel genoeg meer. Niet na de tentoonstelling in de klas. Om herhaling en een minderwaardigheidscomplex bij Sabine te voorkomen, moest Thea wel zelf met het handschrift van haar dochter aan de slag. Maar leer je bloedeigen kind eens binnen de lijntjes te schrijven, zonder zelf het goede voorbeeld te geven! Thea was geen kalligrafe. Juffrouw Dorien  ook niet waarschijnlijk, maar dat zullen we nooit zeker weten, daar ze helemaal niet actief aan het verbeteren van het handschrift van Sabine toegekomen is. Juffrouw Dorien had het veel te druk met de zonnetjes. Dus met de bolleboosjes uit groep 3 waarvoor kosten noch moeite op De Wielewaal bespaard werden. Eén voor allen en allen voor de plusgroep. De blessuretijd werd besteed aan de achterblijvers. Oftewel aan de sterretjes die zo dringend bij de les betrokken moesten worden dat juffrouw Dorien chronisch overbelast raakte. Aldus vielen de maantjes in groep 3 van juffrouw Dorien tussen de wal en het schip. Sabine was zo’n middelmaantje dat in de klas grotendeels aan haar lot werd overgelaten. Dat ging best, maar zonder vingerwijzingen van juffrouw Dorien bleef ze over de gebreken aan haar handschrift in het duister tasten.

Thea geloofde niet dat er sprake was van kwaadwil bij juffrouw Dorien van Sabine in groep 3 en 4. Ze was geen  slechte leerkracht, maar net als kleuterjuf Elsje en meester Gijsbert, overgevoelig voor het klatergoud dat op De Wielewaal blonk. In vertrouwen met Thea deed juffrouw Dorien het voorkomen alsof de driedeling zonnetjes, maantjes en sterretjes in groep 3 maar een tijdelijke status was, die zeker geen garantie bood voor de toekomst. De leerprestaties van kinderen zijn over het algemeen net zo veranderlijk als het weer. Als Thea juffrouw Dorien in  de wandelgangen moest geloven dan had Sabine in groep 3 en 4 nog alle kans om een zonnetje te worden. Theoretisch gezien dan, want in de praktijk bleven alle topposities in groep 3 en 4 bezet door de kinderen van vooraanstaande ouders uit De Wielewaalwijk. In hun gesprekken thuis verwezen Bart en Thea inmiddels naar deze insiders als ‘opperouders’.

Juffrouw Dorien had een zwak voor de opperouders met de bijbehorende kids. Ze hoefde tijdens breng- en haalmomenten maar een paar guitige anekdotes over hun weergaloze kroost ten beste te geven en juffrouw Dorien had alle vooraanstaande. lachende papa’s, mama’s en verzorgers uit De Wielewaalwijk op haar hand. Een zelfde geestigheid met Sabine uit de achterstandswijk in de hoofdrol zou nog niet bij benadering hetzelfde effect bewerkstelligd hebben en wie is er nou niet liever getapt? Vandaar dat juffrouw Dorien ook tijdens een ouderavond maar niet uitgepraat raakte over de schelmse streken van een bosje schitterende zonnetjes in groep 3.  Alsof alleen de besten goed genoeg waren om besproken te mogen worden. De opperouders van de uitverkoren kleintjes grijnsden alsof ze niet anders verwacht hadden, maar Thea stoorde zich aan het meeloopgedrag van juffrouw Dorien.  

‘Je hebt toch 25 kinderen in de klas?’, vroeg Thea veelbetekenend na afloop van de ouderavond aan juffrouw Dorien.

Een populaire moeder uit het groepje van opperouders voegde zich belangstellend bij Thea en juffrouw Dorien. Uit fatsoen probeerde Thea haar weerstand tegen deze groenmoeder te onderdrukken. Ze was zo’n drammerig ecomens dat overal een ‘biologische’ sticker op plakte. Zelfs op haar eigen dieselauto. Ze ging zichtbaar nooit naar de kapper, maar droeg het haar in zo’n warrig knotje halverwege het achterhoofd. Ze liet haar haren naar eigen zeggen de vrije loop. Zelfs onder haar oksels en op haar scheenbenen en bovenlip. Kortom over haar hele lichaam. Figuurlijk ook op haar tanden. In het bijzijn van het ecomens stond juffrouw Dorien eigenlijk liever niet stil bij de opmerking van Thea, maar ze kon niet anders. Uit plichtsbesef. Volgens de onderwijswet had Thea ten slotte ook recht van spreken. Juffrouw Dorien nam even de tijd om over een gepast antwoord bij zichzelf te rade te gaan. Tot agitatie van het ecomens dat ongeduldig voor haar beurt sprak.

‘Weet je Thea, sommige kinderen springen er gewoon uit en andere kinderen drijven gewoon met de stroom mee en vallen niet op.’

Thea negeerde haar zo hard mogelijk. Ze was al eens eerder in een woordenwisseling met het ecomens verstrikt geraakt. Thea zou zich geen tweede keer laten verleiden om zich tot haar bekrompen denkniveau te verlagen. Het ecomens leefde in haar eigen wereldje waarin geen plaats was voor inclusiviteit. Zo was ze heilig overtuigd van een elementair verschil tussen de psyche van jongens en meisjes.

‘Meisjes zijn onderling veel gemener onder elkaar dan jongens’, beweerde ze stellig tijdens een brengmoment in het klaslokaal van groep 3.

Thea voelde zich aangesproken en vond dat ze in de bres moest springen voor Walter en Sabine.

‘Dat heeft dan alles met socialisatie, maar niets met geslacht te maken’, wierp ze het ecomens voor de voeten.

Met een spottende blik zocht het ecomens succesvol naar woordeloze steunbetuigingen van mede opperouders, terwijl ze Thea op haar plaats zette.

‘Dat is geen mening Thea, maar een feit.’

Het klonk als een bedreiging. Het ecomens sprak uit ervaring. Ze was de volwassen uitvoering van een gemeen meisje. Juffrouw Dorien kreeg een rood hoofd.

‘Ik was me er helemaal niet van bewust dat ik kinderen naar voren schoof. Kun je het aan me zien?’, hakkelde ze schuldbewust richting Thea.

Maar als het erop aankwam dan had juffrouw Dorien geen ruggengraat, of een eigen mening. Wel gevoel, want in de loop van 2 jaar werd ze steeds doller op Sabine. Andersom wilde Sabine ook geen kwaad woord over juffrouw Dorien horen. Maar het leek wel alsof die twee geheimhouding over hun wederzijdse sympathie hadden beklonken. Uit gemakzucht. Om gedoe met de buitenwacht te voorkomen. Zelfs de schijn van een voorkeurspositie moest voorkomen worden, hetgeen Thea onnodig vond. Waarom mocht Sabine niet eens in de schijnwerpers worden gezet?  Alleen tijdens de 10 minutengesprekken was juffrouw Dorien tegen Thea lyrisch over Sabine die de sfeer in de hele klas scheen te kunnen verlichten en die iedere dag met een opgeruimd humeur op school verscheen. Hoe anders dan sommige zonnetjes die elke ochtend in tranen en met pruilende lipjes het klaslokaal van groep 3 binnenslopen in de schaduw van hun veeleisende opperouders.

Met een bewonderenswaardige berusting loosde juffrouw Dorien de verdrietige hoopjes naar hun stoeltjes in de kring, terwijl ze de tranen met tuiten van de huilebalkjes aanhoudend verdedigde tegen het groeiende onbegrip van normale ouders:

 ‘Beetje faalangst.’                           

De dominerende opperouders van de treurwilgjes lieten zich voor aanvang van de les niet wegjagen. Thea moest telkens weer moeite doen om zich van commentaar te onthouden. Misschien moesten deze zonnetjes een paar maandjes tot maantjes gedegradeerd worden om een beetje tot zichzelf te kunnen komen?

In het centrum van de kring stond een boekenbak die de grienende  grietjes in opdracht van hun toezichthouders deugdzaam doorploegden. De opperouders dicteerden de geschikte kinderliteratuur. Er werd hardop naast en door elkaar voorgelezen en tegen elkaar opgeboden. Elke morgen van iedere schooldag weer opnieuw, terwijl Thea zwaaiend door het gangraam de aandacht van Sabine probeerde te trekken. Soms scoorde Thea een luchtkusje, maar meestal zag Sabine haar niet eens meer zag staan, omdat ze opging in een geanimeerd gesprek met bevriende klasgenootjes. Allemaal medemaantjes die in de vroege ochtend ook liever kletsten dan een prentenboek aan hun ouders voorlazen.

In de tijd dat Jasmijn en Melvin de basisschool bezochten werden, bij Thea’s weten, de kinderen nog niet  ingedeeld in een classificatiesysteem van zonnetjes, maantjes dan wel sterretjes. En zo ja dan waren zowel Jasmijn als Melvin overduidelijk geen hoogvliegers geweest, maar wel gemaakt. Want ook voor omhooggevallen jongens en meisjes geldt nog altijd de aloude zinssnede:

‘Middelmaat siert de straat.’

Desondanks hoorden beide kinderen vanaf hun eerste stapjes logischerwijs bij de top van hun leerjaar op school. Of ze nou op de crèche, peuterspeelzaal of basisschool toefden, moeder Beau droeg zorg voor de status. Beau wist precies wat bon ton was; ze kende de juiste mensen met de goede connecties en wist steeds de pré te krijgen. Beau behoorde tot de incrowd. Overal en altijd. Beau kende de ongeschreven regels. Ze wist wie in en uit was en ze kon mensen naar de mond praten. Ze kon gewetenloos vleien, roddelen en liegen met het gewenste effect en precies de goede bewoording. Beau viel niet in de kuil die ze groef voor een ander. Haar dochter Jasmijn was in vergelijking met Sabine dan ook het perfecte meisjemeisje. Als Jasmijn ’s ochtends het huis verliet in een witte blouse op een oudroze pantalon en met boterbloemetjes in haar ingevlochten blonde pieken dan keerde ze in de namiddag weer in exact dezelfde, smetteloze staat van de basisschool terug. Zelfs haar bewerkelijke kapsel zat nog onberispelijk in model. En je zou gezworen hebben dat de pastel geel getinte kindermuiltjes, waar ze al bijna uitgegroeid was, amper gedragen waren. Zo proper zagen de spiksplinternieuwe stappers van Sabine er na een uur lopen al niet meer uit. Zoals ook haar kleding aan het eind van een doodgewone dag geheid onder de onbestemde vlekken zat. Haar goed gekapte, praktische kapsel was uit model en haar bewegelijke vingertjes zagen blauw van de inkt. En met al zijn eigenaardigheden kwam ook Walter niet eens bij het aangepaste gedrag van Melvin in de buurt. Toch had Thea gedurende de beginjaren van Huiswerksterk zoveel bewijslast jegens haar oppaskinderen weten te verzamelen dat ze sterk vermoedde dat Jasmijn ook zo haar verborgen gebreken had. Van Melvin wist ze het nu wel zeker. Jasmijn was altijd een zorgelijk kind geweest. Bleek,  kopschuw, huilerig. Haar introverte persoonlijkheid stoorde Thea. Jasmijn was van kleins af aan berekenend en voelde zich bij het minste of geringste achtergesteld door de hele wereld. Zover als Thea het kon beoordelen had Jasmijn geen sterke band met haar moeder Beau, maar zeker weten deed ze het niet, want ze had het tweetal nooit samen gezien. Toen Jasmijn 7 jaar was en Thea een tijdje bij haar vader Pim woonde, kroop het afstandelijke meisje weleens onverwacht heel dicht tegen haar nepmoeder aan. Bij gebrek aan beter waarschijnlijk. Ongemakkelijk sloeg Thea dan een arm om de schouder van Jasmijn zonder haar te willen aanmoedigen. De idee-fixe dat haar antipathie voor Jasmijn zou doorlekken - en bij iedere volgende aanraking het kleine meisje meer en meer zou bezoedelen - nam op den duur onhoudbare proporties aan. Thea verkrampte over haar hele lichaam als Jasmijn in de buurt kwam. Het kind kon er niets aan veranderen. Het was diep treurig dat Jasmijn genoegen moest nemen met wat krampachtige genegenheid van een surrogaatmoeder, want vader Pim sprong niet in voor Jasmijn, maar ook niet voor de tweejarige Melvin die soms opeens om zich heen en begon te slaan en schoppen. In plaats van proberen hem tot bedaren te brengen zag Pim de tweestrijd van zijn zoon met zichzelf een tijdje afstandelijk aan, om vervolgens de deur van het vrijgezellenappartement achter zich dicht te trekken. Thea bleef weer eens in haar eentje over met een op hol geslagen peuter en een emotioneel geremd 7 jarig meisje. Om van de nood een deugd te maken leerde ze de twee tot rust komen met puzzels, prentenboeken of een bordspelletje ‘Mens Erger Je Niet.’ Deze bezigheidstherapie werd na haar scheiding van partner Pim verder uitgebreid met het oefenen van schoolwerk en het maken  huiswerkopdrachten. Zeven dagen in de week, twee uur per dag na schooltijd en in de weekenden, met begeleiding van Thea. Voor Jasmijn een dikke 4 jaar lang en voor Melvin iets meer dan 8 jaar. Die topprestaties op de basisschool kwamen dus niet uit de lucht vallen. Er was geen alternatief.

Tegenwoordig woont moeder Beau dus al weer een tijdje in Engeland met haar veel jongere minnaar. Alias de 25jarige ex-vriend van Jasmijn.  En vader Pim is hertrouwd met ene Femke; de 50jarige stiefmoeder van Melvin. Ze bracht ook een zelf gemaakt meisje van een andere man in de relatie mee dat vermoedelijk de summiere aandacht die Pim te vergeven heeft van Melvin afsnoept. Thea zou geen andere reden kunnen verzinnen waarom Melvin in de heren prostitutie zit.

‘Bemoei je er niet mee’, waarschuwt Bart.

‘Waarom niet?’, vraagt Thea onnozel.

‘Omdat je niet weet wat voor een beerput je opentrekt.’

Maar zelfs al zou Thea haar neus in de stinkende affaires van Melvin willen steken, dan zal hij toch eerst weer eens onverwacht op bezoek moeten komen. Ze heeft hem al twee weken niet gezien en de laptop van de overbuurman is ook nog niet geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. Ze zou Melvin natuurlijk kunnen bellen, maar ze heeft zijn mobiele nummer niet en Pim durft ze niet aan te spreken met het laatste pikante nieuws over zijn zoon in haar achterhoofd. Ze durft te zweren dat Pim geen flauw benul heeft van het erotische bijbaantje van Melvin. Pim leeft in de naïeve veronderstelling  dat zijn zoon keurig het vmbo volgt en weer zoals vroeger huiswerkbegeleiding van Thea krijgt. Of zoiets.

Ze heeft de afgelopen veertien dagen al wel een paar keer op het punt gestaan om met de laptop onder haar arm de straat over te steken en boudweg aan te bellen bij de overbuurman. Ze weet dat het politiebezoek van twee weken geleden niet tot een arrestatie van de beste man heeft geleid, want Thea ziet hem dagelijks gewoon komen en gaan vanachter haar huiskamerraam. Van een afstand lijkt  hij niet onvriendelijk, maar hij is en blijft een pooier natuurlijk en dus een gladjanus. Hij is klein van stuk; hartstikke kaal; maar dan ook echt helemaal haarloos en zijn blote hoofd is egaal zonnebankbruin.

Thea houdt het huis aan de overkant ook nauwlettend in de gaten omdat ze hoopt Melvin te zien opduiken. Ze begint zich ongerust te maken. Niet dat Melvin normaliter elke dag op de stoep staat, maar haar onderbuik schreeuwt om een teken van leven. Het is net als met de kat. Pas als zij niet op komt dagen rond etenstijd is elk tijdsbesef irrelevant. Onverhoeds zwaait de voordeur van het huis aan de overkant open. Galant doet de overbuurman een dame uitgeleide. Hij volgt haar op de voet. Zijn skinhead weerkaatst het novemberzonlicht terwijl hij de voordeur achter zich afsluit. De vrouw komt Thea bekend voor, maar het is een gangbaar type. Zo’n geplastificeerde vijftiger met een pittige, geflambeerde coupe. Zo aan haar houding te zien is ze niet zijn geliefde. Er springen geen vonken over en weer; maar eerder blikken van verstandhouding. Ze zal wel een oude bekende zijn en ze wacht geduldig totdat de overbuurman de voordeur afgesloten heeft. Ineens herkent Thea de stiefmoeder van Melvin. Femke. Uitgerekend Femke heeft Thea totaal niet zien aankomen. Zou zij inmiddels ingewijd zijn in het geheime dubbelleven van Melvin? De overbuurman zeult een mega herfstboeket met zich mee. Tot stomme verbazing van Thea steekt het tweetal de straat over en stopt bij haar woning. Femke buigt zich licht voorover en zwaait vrolijk naar Thea die versteend van ontsteltenis opzichtig achter het huiskamerraam staat. De voordeurbel gaat.

‘Dag overbuurvrouw.’

De overbuurman lacht breeduit. Sprakeloos schudt Thea de uitgestoken hand.

‘Ha, die Thea’, zegt Femke alsof ze haar beste vriendin een bezoekje brengt.

‘Dit is Bink, mijn broer. Mogen we even binnen komen?’

Stom doet Thea een stapje achteruit. Schoorvoetend komt het span tot stilstand in de hal, waarna Thea  zwijgend voor gaat naar de huiskamer. Bij binnenkomst ziet Bink meteen zijn zilverkleurige laptop op het bureau van Thea liggen.

‘Kijk eens daar issie, mijn laptop’, roept hij verheugd.

Het grote herfstboeket duwt hij van zich af tegen de borsten van Thea die de bloemen in een reflex omarmt. Zijn laptop neemt hij meteen in beslag.

‘Koffie?’, vraagt Thea vanachter het herfstboeket.

‘Doe geen moeite’.

Onbehaaglijk kijkt Femke om zich heen.

‘Ik krijg zo leerlingen’, meldt Thea naar waarheid.

‘Dan gaan we toch’, stelt Bink voor. Hij lijkt zich van geen kwaad bewust.

‘Dat boeket is voor jou. Als dank voor de opslag van mijn laptop. Het moest even. Er staan dingetjes op. Niets illegaals, maar toch, ik heb liever niet dat de informatie in handen van de verkeerde mensen valt.’

‘Mijn zoon zegt dat je gevoelige informatie veel beter van de harde schijf af kunt halen en op een usbstick kunt zetten.’

Het is eruit voordat Thea het goed en wel in de gaten heeft.

‘Daar was geen tijd meer voor.’

Thea vlijt de bos bloemen op de salontafel, verzamelt al haar moed en kijkt Bink doordringend aan:

‘Gelukkig dat Melvin toevallig op bezoek was tijdens die abrupte inval van de politie 2 weken terug.’

De mondhoeken van Bink zakken prompt naar beneden:

‘Gelukkig wel ja’, bevestigt hij met klem.

‘De boekhouder van Bink heeft hem een loer gedraaid’, legt Femke uit op een toon waarmee ze Thea tot consideratie hoopt aan te zetten.

‘Heeft hij je dat wijsgemaakt?’

Thea knikt naar Bink. Femke is echter niet te vermurwen: 

‘Er zitten belastinggegevens in die laptop die justitie heus nog wel onder ogen krijgt. Zodra ze weer rechtgetrokken zijn.’

‘En die foto’s dan?’

Thea weet dat ze zich met deze vraag op verboden terrein begeeft,  maar ze brandt van nieuwsgierigheid.

‘Welke foto’s?’

Of Femke is een enorm miskend acteertalent, óf ze weet echt van niks.

‘Foto’s van toyboys!’

‘Ow, kom nou toch Thea. Sinds wanneer is het downloaden van homo-erotiek strafbaar?’, blaast Femke.

‘Kan je broer ook voor zichzelf praten?’

Thea stelt de vraag aan Bink die haar dreigend aanstaart:

‘Ja, sorry, natuurlijk kan Bink voor zichzelf praten’, verontschuldigt Femke zich gekalmeerd.

Thea moet met tegenzin aan zichzelf toegeven dat Femke geen verkeerd persoon is. Nu lacht ze zelfs ontwapenend en vervolgt:

‘Ik ben het gewoon gewend om mijn kleine broertje tegen zichzelf in bescherming te nemen. Terwijl Pim en ik juist zoveel aan Bink te danken hebben sinds Melvin ook uit de kast gekomen is.’

‘Ja, dat helpt enorm natuurlijk’, raaskalt Thea.

Ze weet niet wat ze hoort. Opnieuw klinkt de voordeurbel.

‘Je leerling is gearriveerd’, duidt Femke over haar schouder, terwijl ze de huiskamer uitloopt. Thea blijft alleen met Bink achter:

‘Ik hoop dat jouw whizzkid die jongens niet op usbstick gezet heeft’, gromt hij.

‘Laat mijn zoon erbuiten’, walgt Thea.

‘En jij Melvin’, dreigt Bink in het voorbijgaan.

‘En als ik het niet doe?’

Bink staat oog in oog met Thea. Ze ruikt zijn muffe adem als hij haar fluisterend terecht wijst:

‘Wat voert toyboy Melvin eigenlijk zo vaak in het huis van cougar Thea uit?’

Thea snakt en hapt naar adem voordat ze kinderlijk verontwaardigd uitroept:

‘Niks.’

‘Maak dat je poesje wijs’, finisht Bink suggestief.

 

HOOFDSTUK 13

Bink heeft Thea met succes monddood gemaakt. In het verleden is ze al voor vanalles en nog wat uitgemaakt, dus Thea zou niet raar staan te kijken als de buitenwacht ook in het geval van Melvin niet al te veel aanmoediging behoeft om haar voor een cougar aan te zien. Dat woord alleen al. Voordat je de betekenis goed en wel in de smiezen hebt, treft de insinuatie meteen doel. Je raakt besmet met dat wat er over je gefluisterd wordt.

Maar bij een cougar ging die vlieger  niet op. Daar was de pedofiele implicatie te vunzig voor. Alleen een geesteszieke kan zich iets voorstellen bij seks met een kind, puber of jong volwassene. De verhoudingen kloppen niet. Ze zijn tegennatuurlijk in hun ontwikkelingsproces; statisch in ongelijkwaardigheid. Pedofilie is  machtswellust en Thea is een democrate. Zelfs in de verbeelding. De wens is immers de verwekker van de gedachte.

Op die manier gaf meester Gijsbert zijn wensdenken ook vleugels. Iedereen die het maar horen wilde maakte hij op De Wielewaal wijs dat Walter met sprongen vooruit ging dankzij het doordeweekse, dagelijkse crisisoverleg met moeder Thea na schooltijd in het klaslokaal van groep 3. De openhartigheid van meester Gijsbert leverde Thea aardig wat scheve ogen op. Veel gescheiden moeders zouden maar al te graag met Thea ruilen. Crisisoverleg kon ook buiten in het stadspark met een picknickmand erbij. Alsof meester Gijsbert de laatste man op aarde was en dan nog zou Thea bedanken voor de eer. Met het verstrijken van de schooldagen moest ze steeds langer wachten voordat meester Gijsbert vrij was. Eerst liet hij alle alleenstaande, hitsige mama’s tegen zich aanrijden en dan waren er nog de vaders van ouwe jongens krentenbrood die een schouderklopje kwamen geven of halen of alle twee. Toen na 3 weken de wachttijd was opgelopen tot een half uur, hield Thea het gezamenlijke crisisoverleg voor gezien. Ze riep over de hoofden van de fanclub heen:

‘Ik geef wel een gil als ik je nodig heb.’

Toen Thea was uitgesproken kon ze het niet nalaten om, tot ergernis van veel toeschouwers, een Duck face te trekken. Meester Gijsbert zag haar niet, maar hoorde haar wel.

‘Graag, dank je wel voor je begrip’, hijgde hij opgewonden en niet mis te verstaan.

‘Geen dank, graag gedaan’, grijnsde  Thea.

Thea lachte wel, maar stiekem vond  ze meester Gijsbert niet sporen. Hij miste een belangrijke schakel in de ketting van sociale omgangsnormen en als kinderverzorgers dan toch om de haverklap spectrumautisme – of een andere vorm van geestelijke afwijking – in hun omgeving in overweging dienden te nemen dan was meester Gijsbert eigenlijk een kandidaat met de meeste potentie. Thea geloofde namelijk allang niet meer dat meester Gijsbert expres onaangenaam tegen Walter was. Hij werd ertoe gedreven door invloeden van buitenaf. Door prikkels van vrouwen zoals Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal en bijvoorbeeld de moeder van Tim. Jenny heette ze en ze vond zichzelf onweerstaanbaar. Ze leefde gescheiden van de vader van haar 3 kinderen. Haar had Thea in de eerste jaren van haar kinderen op De Wielewaal nog het beste kunnen verdragen van het complete pakket van ouders en verzorgers. Ze was zo’n omslachtig type, iets ouder dan Thea. De liefde van haar leven was laat op haar pad gekomen en wat haar betreft niet snel genoeg weer opgerot. Hij liet haar alleen achter in een herenhuis dat hij van te voren nog wel even eigenhandig van onder tot boven volledig naar haar exclusieve smaak had verbouwd. Verder hield Jenny nog een omgangsregeling, kinderoppas en een flinke alimentatie aan de scheiding over. Haar ex restte een sociale huurwoning en een depressie. Hij raakte zijn baan in de advocatuur kwijt en moest op een houtje bijten om zijn schuld aan Jenny en de kinderen af te betalen. Jenny daarentegen wist naast haar alimentatie ook nog één of andere vage, aanvullende uitkering bij de gemeente los te peuteren, omdat ze uiteraard niet in staat was te werken als alleenstaande moeder met 3 kinderen in een bewerkelijk herenhuis. Daarom nam de gemeentekas ook nog eens de financiering van de kinderoppas van het gescheiden stel over. Daarenboven stond het Jenny dag en nacht vrij om een beroep te doen op een hele sleep mannelijke aanbidders en vrouwelijke wannabees. Zij hoefde echt niet te smeken om meester Gijsbert. Zijn volledige aandacht vloeide voort uit haar extravagante verschijning waar meester Gijsbert geen verweer tegen had. Thea wel. Hoe graag ze Jenny ook mocht vanwege haar authenticiteit en onverbloemd narcisme; overschaduwen liet ze zich niet door de moeder van Tim. Want dat was wel wat Jenny bewust of onbewust constant bewerkstelligde door zichzelf en haar kinderen naar de voorgrond te schuiven ten koste van iedereen die ze op haar losgeslagen padje tegenkwam. Zoals die keer dat Walter compleet onthutst uit het schoolgebouw op Thea af kwam rennen. De vader van Tim was dood. Walter wist wie de vader van Tim was van de naschoolse speeluurtjes bij zijn vriendje. Thea kende de vader van Tim ook. Hij kwam zijn oudste zoontje Tim vaak ophalen bij Thea thuis en dan maakte hij een babbeltje. Een zachtaardige, getormenteerde man. Achteraf had hij natuurlijk geen zelfmoord gepleegd. Hij was van de trap gevallen toen hij ’s nachts in de keuken een glaasje water wilde drinken. Een ongelukje.

‘Heeft hij geen kraan vlak bij zijn bed of een wastafel in de badkamer? Waarom moet hij naar beneden om een glaasje water te drinken?’ vroeg Walter oprecht verbaasd.

Thea wist niet wat ze zeggen moest. Bij de poort van de speelplaats kwam ze juffrouw Elsje tegen:

‘Is de vader van Tim van de trap gevallen?’, hakkelde ze.

‘Nee’, begon Elsje.

Ze vervolgde:

‘Ik heb begrepen dat hij een overdosis heeft genomen.’

Onverwachts duikelde Walter tussen Thea en juffrouw Elsje op. Het hoofd vleide hij tegen de buik van Thea. Geschokt drukte ze haar zoontje dichter tegen zich aan.

‘Hij is nog steeds niet doof en ook niet dom Elsje’, waarschuwde Thea.

‘En toen is hij van de trap gevallen’, ratelde juffrouw Elsje in één moeite door.

Ze ging door de knieën en draaide Walter aan zijn schoudertjes naar zich toe. Met een rustgevende blik zoemde juf Elsje in op de kinderogen van Walter in de hoop hem te kalmeren. Hij lachte verlegen.

‘Wat is een overdosis?’, vroeg Walter diezelfde avond nog nadat Thea de laatste zin van een verhaaltje voor het slapen gaan voorgelezen had.

Thea moest er eens goed voor gaan zitten op de rand van het IKEA meegroeibed van haar zoon.  

‘Een overdosis; dat is zoiets als teveel van het goede. Snap je?’ 

Maar Walter sliep al.

De dag daarop wilde Tim bij Walter spelen. Jenny, de moeder van Tim, had er wel oren naar. Zij had nog zoveel te regelen in verband met de begrafenis. En zo. Alle hulp en extra aandacht dirigeerde ze extatisch naar zich toe. Thea had alvast medelijden met haar. Voor straks als Jenny uiteindelijk alleen achter bleef met haar 3 kinderen in de eeuwige stilte na het open einde. Toch voelde Thea zich helemaal niet geroepen om toekomstige open plekken alvast voor Jenny in te vullen. Walter stond  ook niet te trappelen om een verdrietig vriendje op te vangen. Tim was voor Walter sowieso maar een bepekte tijd achtereen te verdragen. Gelukkig is een kind niet in staat tot lange termijn planning en zonder bedenktijd had het hart van Thea al voor haar beurt gesproken en toegezegd om Tim na school op te vangen gedurende de periode voor de begrafenis:

‘Gecondoleerd met Joop’, zei Thea nog.

‘Hij was niet goed hoor’, verklaarde Jenny in de gauwigheid alsof daarmee het plotselinge overlijden van Joop te bevatten zou zijn.

Aan Tim had Thea geen kind. Bart had Walter op het hart gedrukt dat hij moest klikken als zijn verknipte vriendje hem te gortig werd. In het verleden had Tim zijn frustraties regelmatig op Walter afgereageerd op de momenten waarop hij de nachten bij zijn moeder in het herenhuis doorbracht. Tijdens die bewuste periodes bij zijn moeder was Tim op schooldagen ook zonderling. Zodra Tim echter met zijn kleine broertje en zusje in de sociale huurwoning van zijn vader Joop logeerde transformeerde hij weer in een normaal jongetje en het vriendje van Walter.                                           

Er bestaat een filmopname van de zesde verjaardag van Walter. Bij de voordeur neemt Tim afscheid. Walter komt aanlopen met het sluitstuk van zijn partijtje; een snoepzak. Het is hartje zomer en de atmosfeer kleurt iedereen in de film wat frisser en lichter, maar Joop staat desondanks klein, uitgemergeld, grauwgrijs en onbeduidend naast de twee jongetjes in de zonovergoten hal. Met zachte dwang maant hij zijn zoon om de jarige job netjes te bedanken.

‘Ja, natuurlijk; dag Walter; het was leuk; jij bent mijn beste vriend.’

Het iele jongensstemmetje spreekt uit de grond van zijn hart. Tim neemt de snoepzak van Walter over. Vervolgens omarmen de jongetjes elkaar. Spontaan. Bart filmt en zoemt in op het getekende gezicht van Joop. Zijn ogen zijn vochtig. Hij lacht zijn gele nicotinetanden bloot. Een close-up van de ontroering. Zelfs nu, 7 jaar later, schieten zowel Bart als Thea nog vol bij het zien van het filmfragment. En dan te bedenken dat Tim het verjaardagsfeestje van Walter bijna gemist had. Op navraag bij Jenny bleek ze de uitnodiging kwijtgeraakt. Maar wat een gezeik ook. Want sowieso had haar ex Joop, en niet zij, de kinderen in de week van het fuifje van Walter. Niet zo gek dus dat Thea al zo’n voorgevoel had. Op de dag van het verjaardagsfeestje van Walter gaf ze Joop voor de zekerheid een herinneringsbelletje.

‘We zijn onderweg’, zei Joop meteen toe.

Hij was hoorbaar overdonderd, maar hij voelde, in tegenstelling tot Jenny, wel aan dat niet altijd alles van één kant kon komen. Zelfs zo goed dat hij tot besluit maar helemaal definitief stopte met meeleven.

Op de begrafenis van Joop zong groep 3 een afscheidsliedje. De 25 heldere stemmetjes van het kinderkoor op het altaar klaterden als een verfrissende waterval over de beladen sfeer in de kerk. Het louterende effect in combinatie met de gewijde akoestiek in de heilige ruimte bracht iedereen in de ban van het kinderliedje waaraan ook Walter uit volle borst meezong:

Ik voel je heus wel stralen.

Al is je sterretje nog zo klein.

Ik zal niet meer verdwalen.

Jij zult mijn lichtpuntje aan de hemel zijn.

Na de laatste pianoklanken volgde een oorverdovend applaus. En terecht. Ook vanwege de lange mis van bijna 2 uur die de kleintjes op de hard houten kerkbanken hadden moeten uitzitten om uiteindelijk een optreden van jewelste te kunnen geven.

Wel bleef Thea zich - al vanaf de bekendmaking van de datum van de ter aarde bestelling van de vader van Tim – afvragen wat de geplande, complete bezetting van groep 3 eigenlijk op een begrafenis van een papa van één van hun klasgenootjes te zoeken had.  Ze vermoedde dat Jenny achter de gedachte van een kinderrijk afscheid voor haar ex-man zat. Uit onvermogen. Ook van Willy Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Anders ga je toch niet mee met die ongein?! Wie verzint zoiets? Nou was Thea welhaast verplicht om ook aan de begrafenisdienst deel te nemen. Voor je het wist had Walter zich weer misdragen. Maar al die tijd voor de apotheose van de engelachtige kinderzang had Walter braaf en stokstijf naast Thea op de smalle zitting van de kerkbank afgewacht. Er was geen onvertogen woord over zijn lippen gekomen en hij was nog net niet in slaap gevallen tijdens de toespraken van allerlei vreemde volwassenen. Het liet Walter ook volstrekt koud dat andere jongetjes uit groep 3 gedichten voordroegen voor Tim en kaarsjes mochten aansteken voor Joop. De zesjarige Jonas werd zelfs nog eens extra, apart naar het altaar geroepen, omdat hij de steun en toeverlaat en het allerbeste vriendje van Tim zou zijn. Thea wist niet waar ze het zoeken moest met haar ingehouden  verontwaardiging. Miskend keek ze een paar keer woedend in de richting van Jenny die in de voorste kerkbank stug voor zich uit bleef staren met haar jongste zoon op schoot. Tim gaf ook geen teken van leven. Hij keek niet één keer de kant van Thea of Walter op, hoewel hij de afgelopen dagen praktisch bij hen gewoond had. Maar terwijl Thea zich bedwong, maakte Walter een bevrijde indruk. Alsof hij door de negatie van zijn aanwezigheid verlost was van een zware druk. Voor zijn gevoel kon hij vanaf nu afstand nemen van Tim. Zo klein als hij was had hij aan zijn plicht als vriendje voldaan. Vanaf vandaag stond Walter zichzelf weer toe om zijn eigen gangetje te gaan. Tim zou vanzelf wel weer zijn kant opkomen. Zoals zo vaak. Want zo gaan die dingen. Of Thea dat nou leuk vond of niet.

Een maand later kreeg Walter tussen de middag abrupt een driftbui thuis. Hij wilde niet meer naar school Basta.

‘Je kunt ook gewoon zeggen wat er loos is Walter.’

Thea was ongeduldig. Ze waren al laat.

‘Hij zegt dat hij van meester Gijsbert naast Tim moet zitten’, legde Sabine snel uit en tegen Walter zei ze:

‘Schiet op Walter; straks kom ik te laat op school, omdat jij niet mee wilt komen. Dan moet ik nablijven. En hoe erg is het nou om naast je vriend in de klas te zitten?!’

‘Tim maakt steeds ruzie en dan krijg ik de schuld’, raasde Walter.

Thea voelde de machteloze woedevulkaan alweer opborrelen in haar buik. Hoe kon meester Gijsbert zo ondoordacht acteren? Tijdens één van de vele crisisbijeenkomsten na school had meester Gijsbert van Thea vrij spel gekregen bij de disciplinering van haar zoon in de klas. Indirect ook van Bart. Niet omdat Bart en Thea vonden dat er zoveel mankeerde aan het gedrag of de persoonlijkheid van Walter, maar omdat zij geen controle hadden op de gang van zaken in groep 3. Walter moest op eigen houtje weerbaar worden. Tegen bloedzuigers zoals Tim. Meelopers, die zich uit eigen belang aan de ander vastklampten; maar die een maatje lieten vallen als een baksteen als de wind de andere kant uitwoei. Maar zelfs met de wind in de rug, voelde Walter zich, naast aangetrokken, ook vaak geclaimd door Tim. Het was alles of niets; water en vuur; yin en yang; haat en liefde tussen die twee en Walter zou zich gevangen voelen als hij op school ook nog eens gedwongen werd om de hele dag naast zijn wispelturige vriendje te zitten. Zeker omdat Tim niet de enige was met wie Walter moest leren leven. Ook meester Gijsbert had een gebruiksaanwijzing en was naast een asociale hork helaas geen unicum.

Knarsetandend strekte Thea haar hand.

‘Ik beloof je dat je niet meer naast Tim hoeft te zitten’, zwoor ze, terwijl  Walter aarzelend en huilerig inhaakte.

Sabine rende de trappen in de Wielewaal op om nog net op tijd in het klaslokaal van groep 4 bij juffrouw Dorien te zijn, maar Walter zette zich schrap bij de eerste trede. Thea kreeg een flashback naar de ingang van De Kleine Beer. Toen was Walter de helft jonger dan nu; ze kon hem fysiek niet meer een richting op dwingen.

‘Ga nou mee Walter’, smeekte ze.

‘Nee!’, gilde hij.

‘Ik praat met meester Gijsbert, echt’, beloofde Thea met de moed der wanhoop, want ze wist natuurlijk niet zeker of meester Gijsbert wel direct aanspreekbaar was.

‘Nee, nee, nee, nee!’, krijste Walter.

Hij zakte door zijn benen en kwam plompverloren met zijn achterste op de trap terecht. Hij rukte de plukken haren figuurlijk en bijna letterlijk uit zijn kop. Met een paranoïde blik in die prachtige, blauwe ogen vol tranen keek hij Thea radeloos aan. Zijn gezicht was behuild en rood gevlekt. De lessen waren begonnen. De gangen waren leeg. Het gegil en hartverscheurende snikken van Walter echode door het schoolgebouw. Het leek Thea sterk dat niemand iets meekreeg. Maar ineens gaf Walter mee. Alsof hij zich met een schok realiseerde dat hij het zelf was die de stilte verstoorde.    Bedaard en nog wat nasnikkend draaide hij zijn bovenlichaam een halve slag, trok zich op aan de trapleuning en sjokte verslagen langs Thea af naar boven. In het voorbijgaan greep Thea zijn klamme handje. Meester Gijsbert zag Walter staan door het raam in de deur van het klaslokaal. Thea dook achter haar zoon op en wenkte meester Gijsbert. Welwillend verscheen hij in de deuropening.

‘Hij wilde niet naar school en nou schaamt hij zich’, verklaarde Thea op gedempte toon,

‘Och, jongen dat hoeft toch niet’, riep meester Gijsbert tot verbazing van Thea welgemeend uit.

‘Hij wil namelijk niet naast Tim zitten’, ging Thea onverbloemd verder.

Walter kneep haar hand fijn.

‘Ja, ik dacht vanmorgen al; heb ik daar wel goed aan gedaan door die twee naast elkaar te zetten’, bekende meester Gijsbert alsof iemand anders hem op het verkeerde been had gezet.

Wie zou dat nou toch geweest kunnen zijn? Jenny, de moeder van Tim natuurlijk.

‘Ach, had Timmetje weer een time-out nodig en is Walter dan weer goed genoeg?’, verifieerde Thea fijntjes.

‘Nou, nou, Walter kan anders ook erg bezitterig zijn’, stamelde meester Gijsbert uit zelfverdediging.

‘Reden temeer om ze niet ook nog op een vaste plaats in de klas naast elkaar te zetten.’

Thea had meester Gijsbert duidelijk in verlegenheid gebracht. Hij koos eieren voor zijn geld, want zelfs hij zag wel in dat Thea op dit moment een grotere bedreiging voor zijn toekomstige  carrière als basisschooldirecteur vormde dan Jenny, de moeder van Tim.

‘Ik ben het met je eens dat die twee inderdaad maar beter niet naast elkaar moeten zitten’, verklaarde hij plechtig en tegen Walter zei hij:

‘Ga maar naar binnen jongen; dan leg ik wel aan Tim uit dat jij liever alleen zit.’

De dag daarop moest en zou Walter zo snel mogelijk naar school. Vol enthousiasme rende hij ’s morgens de trap op naar de eerste verdieping en het klaslokaal van groep 3. Uit pure dankbaarheid droeg hij zijn vriendenboekje bij zich. Thea ziet de zesjarige Walter tijdens het wegbrengen in haar herinnering nog deemoedig staan opkijken naar het banale, uitdrukkingsloze smoelwerk van meester Gijsbert. Wijdbeens stond hij voor de klas en staarde leeg over de krullenbol van Walter heen. Het aandenken is een gestold minidrama als in een tableau vivant. De kleine Walter in zijn kingsize spijkerbroek en kanariegele megasweater – voordelig en op de groei aangeschaft - en meester Gijsbert op z’n beduimelde sneakers en in z’n afgewassen T-shirt van Amnesty International. Na een paar seconde haalde Walter dralend zijn vriendenboekje omhoog. Kort sloeg meester Gijsbert de ogen neer. Hij wist wel degelijk wat de bedoeling van een vriendenboekje was, want hij had bijna alle andere kinderen uit groep 3 al met handgeschreven weetjes over zichzelf wijzer gemaakt. Schielijk keek hij weer voor zich uit met de handen op de rug. Hij zag Walter zogenaamd niet staan. Ook achteraf bezien kan Thea met de beste wil nog niet beoordelen of hij opzettelijk bot was, of dat het poreuze brein van meester Gijsbert af en toe gewoon de normale omgangsvormen even niet meer kon verwerken. Terneergeslagen wendde Walter zich van meester Gijsbert af en botste tegen Tim op die naar het vriendenboekje greep:

‘Zal ik in je vriendenboekje schrijven?’

‘Doe, maar’, vond Walter op een toon die aangaf dat hij alweer herstellende was van zijn depressie.

‘Jij hebt al in het vriendenboekje van Walter geschreven’, riep een ander kind dat zojuist door een ouder in het klaslokaal van groep 3 afgeleverd werd.

Hierop griste meester Gijsbert het vriendenboekje uit de handen van Tim en reikte Thea het schriftje zijwaarts aan. Zonder oogcontact te maken. Ze had de hele tijd vanuit het hoekje naast de geopende deur in het lokaal staan toekijken en zou gezworen hebben dat hij haar niet had opgemerkt.

‘Ga zitten Tim’, commandeerde hij en tegen Walter riep hij:

‘Jij wilde toch geen vrienden meer met Tim zijn?’

Walter haalde zijn schouders op. Na school kwam Tim spelen. Als vanouds. Vandaag de dag, jaren later, hebben die twee nog steeds contact. Ze gaan niet eens naar dezelfde middelbare school maar vinden elkaar wel via Skype of ze zoeken elkaar sporadisch op. Vrienden voor het leven. Ondanks meester Gijsbert en moeder Jenny.

Walter liet zich nooit uit over meester Gijsbert. Niet in positieve of negatieve zin. Hij hield zich niet langer dan noodzakelijk met volwassenen bezig en richtte zich op zijn leeftijdgenootjes. Tot blijdschap van Thea. Zo’n reactiepatroon is toch een teken van een gezonde kindergeest. Wel werd er dus behoorlijk gevochten door de kleine mannen van de generatie van Walter. Groep 3 telde 6 moslim jongens. Vier Marokkanen en twee Turken. Hun ouders waren geen hoogopgeleide immigranten; maar eerste generatie gastarbeiders. De wijk van De Wielewaal was aan het verpauperen. De sociale woningbouw en studentenhuizen rukten op. Meneer en mevrouw Hoogopgeleid hielden het voor gezien in het voormalige elysium en verkochten hun panden aan huisjesmelkers. Vandaar dat het mogelijk was dat op de befaamde Wielewaal iets meer dan 25 procent van 25 kinderen niet voldeed aan het keurmerk. De 5 meisjes met een islamitische achtergrond uit groep 3 telde Thea voor de goede orde niet mee. Zesjarige moslima’s zijn geen agressors. Hun mannelijke equivalenten echter vaak wel. Bovendien dragen moslima’s voor hun pubertijd nog geen hoofddoek en bleven er dus weinig kenmerken over waarmee zij zich van de gemiddelde basisschoolleerling zouden kunnen onderscheiden.

In eerste instantie had Walter een gruwelijke hekel aan al die gevechten om niks. Pootje haken, stompen, met stenen gooien. En altijd waren de Marokkaantjes de initiators. De Turkse jongens vochten lukraak en volgden dus niet blindelings hun geloofsgenoten. Dan vochten ze met de Marokkaanse krachtpatsertjes mee en dan weer met de van oorsprong Nederlandse blaaskaakjes. Wel moet gezegd worden dat zowel de Marokkaantjes als de Turkjes standaard onderling één front vormden, terwijl het zooitje ongeregeld met een Nederlanders achtergrond onder elkaar ook nogal eens in de clinch lag. Het was een complete chaos op de speelplaats in de pauze. Een puinhoop waarvoor de kiem al tijdens de kleuterjaren bij juffrouw Elsje gelegd was. Omdat De Wielewaal een pestprotocol had, dat ook aan de kleintjes was uitgelegd in Jip en Janneketaal, dacht Walter dat hij er goed aan deed om melding te doen van de geweldpleging van zijn klasgenootjes. Hij kreeg geen gehoor. Bij geen enkele leerkracht van De Wielewaal. Zelfs niet bij de directrice Willy Bakbruin. Onbevreesd was Walter op haar   afgestapt. De directrice Van De Wielewaal alias Willy Bakbruin had hartelijk moeten lachen om die malle wijsneus en wuifde zijn bezwaren in de wind:

‘Waar twee vechten, zijn twee schuld jonge man.’

Ondertussen werd een klasgenootje getackeld door een zesjarige jongetje  van ouders met ieder 2 paspoorten. Het gevloerde kereltje kwam zodanig gehorig met zijn achterhoofd op de stenen terecht dat alle andere kinderen op de speelplaats stil vielen. Hij werd afgevoerd met een ambulance. Het viel wel mee. Achteraf. Een geluk bij een ongeluk en het keerpunt voor Walter. Vanaf dat moment besloot hij terug te slaan. Mede namens de jongetjes die van huis uit wat minder testosteron aanmaakten en zich elk speelkwartier opnieuw bibberend in de zandbak onder de glijbaan verzamelden. Melvin, Thea’s Betuwefilpje,  was vroeger bijvoorbeeld ook zo’n jongetje geweest dat liever voetbalde of skateboardde dan oproer kraaide en dat altijd bakzeil trok na elke directe confrontatie met gewelddadigheid. Zelfs het onderwijzend personeel liet zich intimideren. Niet zozeer door een stelletje opgefokte vechtersbaasjes, als wel door de feedback van de islamitische achterban. Een aanklacht tot discriminatie bij het schoolbestuur of de onderwijsinspectie lag elke dag opnieuw weer op de loer en kon een ieder op allerlei manieren de kop kosten. Toch was Walter gewoon niet bang en hij liet zich door Bart aanmoedigen om voor zichzelf op te komen. In wezen had hij ook geen andere keuze nadat hij net niet van de schooltrap geduwd was door Amir en Emir; twee Marokkaanse neefjes. Hetzelfde tweetal speelde het wel klaar om Walter op een onbewaakt moment met zijn hoofd tussen de spijlen van de reling te klemmen.  Met frisse tegenzin kwam Walter in opstand. Al die voorziene moeite stond hem tegen. Waarom kregen de raddraaiers niet gewoon straf? Volgens de regels van het pestprotocol zou dat wel moeten! Een beetje onwennig begon hij licht tegen te strubbelen en klungelig terug te slaan en vechten. De eerste keer nog met veel lachers aan de zijlijn. Dat lachen is de omstanders naar verloop van tijd wel vergaan. Al durfde zelden of nooit iemand openlijk op de hand van Walter te zijn. Angst was hier echter naast een slechte raadgever ook de reden dat de hilariteit al na twee keer meppen in puur respect omsloeg, want Walter won steeds weer. Juist vanwege zijn grove bouw, forse postuur en logge motoriek bleek hij angstaanjagend sterk te zijn. En tot verrassing van iedereen, Walter incluis, ook nog eens trefzeker. Alle Marokkaantjes en Turkjes waren sowieso kleiner dan hij. Hij hoefde de opgewonden standjes maar met één gestrekte arm van zich af te houden en de vijand was uitgeschakeld. Bart probeerde zijn zoon wel bewust te maken van zijn eigen kracht. Er hing nog steeds een boksbal in de speelkamer.

Ondanks alle oneffenheden in groep 3 bleef meester Gijsbert onverminderd favoriet van de volwassenen. Dat nam echter niet weg dat hij moeite had met het werven van hulpouders. Op De Wielewaal mochten ouders zich inschrijven als ‘helpende handjes’ bij activiteiten op school. Dat kon op intekenlijsten die enkele dagen voor aanvang van de nopende bedrijvigheid naast het klaslokaal van het betreffende kind gehangen werden. Meester Gijsbert vergat evenwel het hele schooljaar door om die intekenlijsten bijtijds op te hangen. Maar zelfs al zou dat niet zo geweest zijn, dan nog had het animo geen opzien gebaard. Dat was namelijk bij geen enkele leerkracht het geval. Ja, misschien bij Jan-Willem van groep 8, maar die man was net een windvaantje; een ware onpersoonlijkheid. Voorts had hij een streepje voor op meester Gijsbert omdat hij een vaste aanstelling had. In Jan-Willem kon geïnvesteerd worden voor de toekomst van de illustere blaagjes van de opgewaardeerde wijkwijven. Daartegenover zou die invalgozer na een jaar weer vertrekken als het goed was. Hoe dan ook, meester Gijsbert kwam handen tekort tijdens het kerstdiner dat op De Wielewaal op de avond van de laatste schooldag voor de kerstvakantie in het klaslokaal gebruikt werd. Traditiegetrouw werd de catering door de ouders verzorgd. Op een lekkernijenlijst naast de intekenlijst moest wel elke ouder de voedselbijdrage specificeren, zodat men zich op De Wielewaal een beeld kon vormen van het menu van het kinderkerstdiner per afzonderlijke klas. De middag voor het kerstdiner van De Wielewaal had Thea dan ook 5 uur aan één stuk door 100 flensjes met spek en 100 flensjes met krentjes staan bakken. Juffrouw Dorien vond de 100 krenten- en spekflensjes van Thea die bij Sabine in groep 4 terecht kwamen ‘veel te excessief’. Toch had Thea zich strikt aan haar vooraankondiging op de lekkernijenlijst gehouden.

‘Waarom zijn mijn flensjes nou weer excessief en de minipizza’s, croissants of donuts van andere ouders niet?’, vroeg Thea gepikeerd.

‘In jouw spekpannenkoekjes zit spek’, antwoordde juffrouw Dorien nurks.

‘Nou en?’

‘Nou en? Nou en? Er zitten ook moslims in groep 4 en zij mogen geen spek.’

Thea probeerde nog om een grappige draai te geven aan de conversatie:

‘Van wie niet?’

Een vader met een uitgestreken gezicht kwam ook bij de lekkernijenlijst staan en scheen licht op de zaak:

‘Van Allah’.

Op De Wielewaal wist je nooit zeker of iemand leuk wilde zijn of gewoon geen gevoel voor humor had. Voor de zekerheid ging Thea altijd van het laatste uit:

‘Nou dan eten die moslims toch krentenflensjes.’

‘Wat over is neem je weer mee naar huis’, waarschuwde juffrouw Dorien.

‘Wat ben je toch een schappelijk mens’, overdreef Thea op haar beurt.

’s Avonds na het kerstdiner waren alle 100 flensjes in groep 4, van de pietluttige juffrouw Dorien, schoon op. In groep 3 van meester Gijsbert was ook niet veel meer over. Hier had Thea met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe de kleintjes zich te goed hadden gedaan aan – onder meer – haar 100 flensjes. Meester Gijsbert had Thea namelijk gesmeekt om hem bij te staan tijdens het kerstdiner in groep 3. Alsof Thea niet al uitgeput genoeg was. Ze had de hele middag daarvoor in de keuken gestaan. Ze kon geen flensjes meer zien. Nee zeggen tegen meester Gijsbert lukte evenwel ook niet omdat ze in eerste instantie dacht dat hij echt omhoog zat. Thea was de beroerdste niet. Naderhand bleek meester Gijsbert iets te paniekerig aan de noodbel getrokken te hebben, want wel een dozijn helpende handjes maakten van het kerstdiner licht werk. Vandaar dat Thea op een krukje achter het buffet zat uit te rusten onder het genot van een heleboel groenvoer waarvan de kinderen geen van allen zelfs nog maar een rauw worteltje, radijsje of bloemkool roosje hadden verorberd. Walter had zijn bord beladen met 1 donut, 2 zoute stengels, een gevuld ei en 2 schuimkransjes. Meester Gijsbert zat constant op de vingers van Walter te kijken en stuurde hem terug naar het buffet. Hij moest een schuimkransje terug leggen. Nou is Walter – nog steeds – dol op schuimkransjes. Ook omdat Thea ze nooit kocht of koopt. Ze kan er namelijk niet vanaf blijven en voor ze het weet heeft ze de inhoud van een kilozak gebunkerd. Thea weet ook zeker dat haar schuimkransjesverslaving erfelijk is. Ze wil Walter behoeden voor een eetprobleem. Maar tijdens een kerstdiner van groep 3 mocht Walter van haar best 2 schuimkransjes eten. Temeer omdat hij niet eens een flensje genomen had. Flensjes kon Walter altijd thuis nog eten. Andere kinderen hadden wel flensjes gekozen. Sommigen wel 3 flensjes tegelijk. Een hoofddoekmoeder had de islamitische kinderen zelfs nog op de mogelijkheid van krentenflensjes in plaats van de geloof gebonden, verboden, vruchten, in de vorm van spekflensjes, gewezen. Gedwee nam Walter één van de twee roze schuimkransjes van zijn bord en plaatste het behoedzaam terug in de grote mand met wel 20 soortgenoten op het buffet.

‘Toe maar jongen’, moedigde Thea hem aan, terwijl ze aan een worteltje knaagde.

Ongevraagd schonk de hoofddoekmoeder nog wat chocomel in de beker van Walter bij. Ontlast nam hij weer tegenover meester Gijsbert aan de lange rij aaneen geschoven tafeltjes plaats. Net als de helft van de klas zat Walter met de rug naar het buffet en Thea toe.

‘Niet zo inhalig, Walter’, zeurde meester Gijsbert na.

De verlichting van de kerstboom gaf zijn gezichtsuitdrukking een lugubere uitstraling.

‘Andere kindjes lusten ook schuimkransjes.’

Walter kromde zijn rug en Thea schoot haar zoon te hulp:

‘Hij krijgt thuis wel te eten hoor!’, riep ze door de klas.

De hoofddoekmoeder knikte;

‘Ik zie het’, glunderde ze.

Ondertussen pakte Tim, die een paar plaatsen in de rij van Walter verwijderd zat, een schuimkransje van zijn bord. Met zijn elleboog stootte hij zijn buurman aan en overhandigde hem onderhands het schuimkransje. Het jongetje naast Tim keek even scheef naar wat precies onder de tafel aan hem doorgegeven was. De intentie had hij al snel in de smiezen. Ruggelings ging het schuimkransje verder van kinderhand naar kinderhand totdat het bij Walter op het bord terecht kwam. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat de heerlijkheden uit het niets op zijn bord opdoken, zette Walter zonder aarzelen gretig zijn tanden in het zojuist gearriveerde schuimkransje. Meester Gijsbert had niets door. Of hij deed alsof; want binnen de kortste keren kon Walter de aanvoer niet meer behapstukken en had hij wel 10 schuimkransjes op en naast zijn bord liggen. Ook van Amir en Emir. Kinderen blijven kinderen en het zooitje ongeregeld, ook wel bekend als de basisschoolgroep 3 van De Wielewaal, was nog niet verloren.

Maar aan alles komt een eind en zo was ook de zomervakantie in zicht.  Ondanks alle hindernissen, bezwaren en kritiek was Walter onvoorwaardelijk over naar groep 4 en Sabine onherroepelijk naar groep 5. In de laatste schoolweek heerste dat jaar onrust op het schoolplein vanwege een bericht in de schoolkrant oftewel de nieuwsbrief van De Wielewaal. Met name de ouders van de kinderen van de klas van Sabine klampten zich aan elkaar, en zelfs aan Thea, vast met een paniekblik in de ogen. Vanaf het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie, zou de Wielewaal niet langer 2 groepen 5 en 2 groepen 6 tellen. In plaats daarvan zou er, naast nog maar 1 ‘reguliere’ groep 5 en 6, ook een combinatieklas 5 en 6 komen. De reden voor deze samenvoeging waren bezuinigingen. De officiële lezing was dat de zwakkere kinderen van De Wielewaal niet de dupe mochten worden van die gemene aanstaande overheidsbeknibbelingen op onderwijs. Zonder extra maatregelen zou de remedial teacher – Wonderwilma – naar huis gestuurd moeten worden. Vandaar dat directrice Willy op het idee van die combinatieklas was gekomen. Op die manier kon Wonderwilma gewoon doorbetaald worden en bleef de remedial teaching op De Wielewaal  floreren ondanks de geplande bezuinigingen. In werkelijkheid was er overduidelijk geen geld meer voor 2 groepen 5 en 2 groepen 6. Met of zonder Wonderwilma en met of zonder haar klandizie. Althans niet voor de 4 leerkrachten die nodig zouden zijn voor 4 groepen verdeeld over een kleine 72 kinderen. En geen enkele zichzelf respecterende basisschool kan zich klassen van maar 18 kinderen per aangestelde leerkracht permitteren zonder van decadentie verdacht te worden. In minder eufemistische bewoordingen; het leerlingenaantal van De Wielewaal begon terug te lopen. Misschien was de wijk aan verjonging toe? Links- of rechtsom. Sabine werd ook uitverkoren voor de combinatieklas en ze zou Jan-Willem  als meester krijgen.

Thea werd niet warm of koud van de plaatsing van Sabine in de combinatieklas 5/6 na de zomervakantie, maar de betroffen opperouders – dus de insiders – waren in rep en roer. Dit besluit van directrice Willy Bakbruin was buiten hun medeweten om gemaakt. Dat ging zomaar niet. Daar moest overheen geplast worden! Wel begreep Thea van de opperouders  dat Jan-Willem een geluk bij een ongeluk was. Hij was een oude rot uit groep 8 van De Wielewaal en een hartstikke leuke vent aldus een grote groep vooraanstaande, hitsige  wijkwijven. Ook de heersende papakliek zag in de doorsnee Jan-Willem unaniem een klasbak en waarschijnlijk een onuitputtelijke bron van herkenning. Thea was weleens per ongeluk naast Jan-Willem terecht gekomen toen ze een plekje zocht om ongestoord op haar kinderen te wachten op de speelplaats. Hurkend strikte hij een veter van een schoentje aan een kleutervoet. Thea wist toen nog niet dat hij een onderwijzer van De Wielewaal was. Ze dacht dat hij ook op zijn kinderen stond te wachten. Toen Jan-Willem klaar was met strikken en overeind kwam zag hij Thea naast zich staan. Hij mimede dat hij schrok van haar aanblik. Vervolgens begon hij plagerig zomaar zachtjes het ‘Theo en Thea’ liedje in de buurt van haar gehooringang te slissen alsof hij hazentandjes had:

‘Hallo, wij zijn Theo en Thea.

Is dat niet leuk.

Hiep, piep, hoera.

Wij zingen een vrolijk liedje.

Klap in je handen.

hopsasa.

Tsjonge, jonge, jonge.

Is het al begonnen?

Heb je ook weleens een leverworst gewonnen?

Hiep, piep, hoera.

Theo, Thea.

Ahaha, aaaaaaaaaaaaaaah.’

Thea grimaste. Omdat ze vond dat ze uit beleefdheid moest reageren zei ze opgelaten:

‘Ik heet toevallig Thea’.

Olijk stak Jan-Willem zijn hand naar haar uit:

‘Aangenaam ik ben Jan-Willem.’

De dames die op de speelplaats in de buurt van Thea stonden werden onrustig. Sommige begonnen de aandacht van Jan-Willem naar zich toe te trekken.

‘Willempie!’

‘JeeWee!’

Betrapt waggelde Jan-Willem vervolgens met een gênant Charlie Chaplin loopje het schoolgebouw in.

‘Leuke vent; gewoon zonde dat hij niet langer in groep 8 staat’, zwijmelde een moeder in een kokerrok, netkousen en op naaldhakken.

‘Hoezo, gaat hij weg!’, schrok een andere moeder zo heftig dat het plamuur op haar gezicht scheurend protesteerde.

‘Nee, nou ja, hij gaat naar die combinatieklas.’

‘Ow, dat méén je niet. Nou gáát Jomanda eindelijk naar groep 8 en nou krijgt ze wéér geen meester.’

In de ijdele hoop de uitloop van mascara en eyeliner te voorkomen, wapperde de gedupeerde moeder hevig teleurgesteld en driftig met haar gelakte, lange nagels in de buurt van haar betraande ogen.

‘Ik lijk zeker wel een pierrot?’, snoof ze.

‘Nee hoor’, jokten de vriendinnen om haar heen.

Thea stond erbij en stond versteld van de vertoning. Voor ze het wist had ze haar mond weer voorbijgepraat:

‘Wat is er zo speciaal aan die Jan-Willem?’’, vroeg ze aan niemand in het bijzonder.

‘Alsof jij dat niet weet!’, riep iemand verontwaardigd.

Thea was zich van geen kwaad bewust en zocht met opgetrokken wenkbrauwen om zich heen naar een antwoord. Misschien omdat Jan-Willem een leerkracht van het mannelijk geslacht was? Maar dan wel een gangbaar type in een spijkerbroek en een T-shirt net als meester Gijsbert. Met dit verschil dat er bij meester Jan-Willem zelfs niet eens op borsthoogte een politiek correcte opdruk op zijn hemdje stond.

 

HOOFDSTUK 14

Pas een week voor de zomervakantie wist meester Gijsbert van groep 3 zeker dat hij de benoeming tot directeur van een basisschool in een andere provincie van het land in de pocket had. Hij liep op wolkjes door de gangen van de school, voor zover een houten Klaas kan zwieren natuurlijk. In zijn vlucht over de traptreden schoot hij Thea aan die zich in tegengestelde richting naar beneden begaf.

‘Jou, wil ik nog even spreken’, deelde hij uitgelaten mede.

Thea voelde zich direct aangevallen.

‘Mevrouw Jou, als ik u niet ontrief’, meesmuilde ze schaapachtig.

Voor het eerst sinds de pakweg 20 onderonsjes produceerde meester Gijsbert een ongecontroleerde schaterlach die Thea aan een zeehond deed denken.

‘Waarom?’, vroeg ze afstandelijk en met grote ogen.

‘Alle kinderen krijgen deze week hun eindrapport. Dat van Walter wil ik graag persoonlijk aan jou overhandigen nadat we samen een praatje gemaakt hebben. Om misverstanden te voorkomen.’

Alsof blunders niet het hele schooljaar lang in groep 3 van meester Gijsbert aan de orde van de dag waren geweest. In navolging van de ergste dwaling van de valse beschuldigingen op het eerste rapport, had Meester Gijsbert zich nog zo vaak vergaloppeerd met Walter, dat Thea niet eens meer de moeite nam om hem erop aan te spreken. Het meest recente incident ging over een traktatie van meester Gijsbert een week geleden. Zijn vijftigste verjaardag moest groots gevierd worden in de klas met een pinata en aardbeienijs. Het schepijs stond in 2 stapels van 8 gesloten literverpakkingen op een tafel voorin de klas. Klaar om verdeeld te worden  over ongeveer 25 kuipjes van koek. De 2 paar helpende handjes met ieder een ijsschep stonden klaar in de startblokken. Alles gebruiksgereed en in afwachting van het groene licht van meester Gijsbert. Eerst kregen alle kleintjes een feestelijke puntmuts met een elastiekje onder de kin en daarna moest iedereen stil zijn. Op het nippertje nam Walter het laatste woord. Helemaal fout natuurlijk.

‘Ha, lekker, wit!’, riep hij spontaan.

Thuis at hij vaak schepijs als toetje.

‘Dat is geen wit, Walter, dat is aardbeienijs; dat is rood’, onderwees meester Gijsbert geërgerd.

‘Wit’, sprak Walter zachtjes tegen.

Eén van de helpende handjes was Jenny; de moeder van Tim. Achteraf zou ze uitgebreid verslag doen van het gebeuren aan Thea. Nu zei ze belerend:

‘Aardbeien zijn rood Walter, dus dan zal het schepijs ook wel rood zijn, denk je niet?’

‘Ijs is wit’, antwoordde Walter koppig.

Sommige kinderen begonnen te gniffelen.

‘Normaal gesproken is ijs inderdaad wit. Maar deze keer niet. Dit is rood ijs. Of roze. Maar niet wit. Het is namelijk aardbeienijs. En aardbeien zijn rood. Dus dan is aardbeienijs ook rood’, tierde meester Gijsbert.

Hij dreigde buiten zichzelf te raken van razernij over dit kleine ettertje. Stijfkoppig schudde Walter het hoofd – het feesthoedje wipte vrolijk mee -  onder begeleiding van een kort maar krachtig:

‘Nee, het ijs is wit.’

Met ingehouden razernij greep meester Gijsbert een literpakijs van de stapel op zijn bureau en stoof richting Walter die in zijn schoolbank verschrikt achteruit week. Uitzinnig duwde meester Gijsbert de aanduiding op het deksel onder de neus van Walter. Oorverdovend hard spelde hij de woorden;  ’s c h e p i j s   m e t   a a r d b e i e n s m a a k’. Zijn rechtervinger fungeerde als  aanwijsstok.

‘Het is wit’, herhaalde Walter onderkoeld.

Meester Gijsbert ontplofte. Als Jenny niet zo contentieus in haar weergave van de feitelijke gebeurtenissen geweest was, dan zou ze beweerd hebben dat zijn hersenpan explodeerde. Hij wees naar de deur:

‘Eruit wijsneus’! Ga jij maar op de gang feest vieren! In je eentje! Ga uit m’n ogen!’

In een drafje verdween Walter naar de gang. Na 2 minuten vond Jenny hem in de ruimte achter de trap. Hij zat samen gedoken; met zijn knieën tegen zijn neus en zijn armen ineengeslagen om zijn opgetrokken onderbenen. Het feesthoedje stond nog recht op zijn krullenbol.

‘Kom je een ijsje eten, Walter’, smeekte Jenny.

Ze kon dus best hartelijk zijn als ze wilde. Smeuïg deed Jenny verslag van de woedende wijze waarop meester Gijsbert het deksel van de eerste literverpakking schepijs rukte nadat Walter het klaslokaal verlaten had. De mond van meester Gijsbert zakte open. Stomverbaasd keek hij van de inhoud van de verpakking; naar het etiket op het deksel; naar de helpende handjes. Want wat bleek? Het schepijs was spierwit. Meester Gijsbert had het kunnen weten, want ‘schepijs met aardbeiensmaak’ is niet hetzelfde als ‘aardbeienijs’. Tim stak zijn nek uit en riep voorbarig door de klas:

‘Ik wil Walter wel even gaan halen!’

‘Niks ervan, ik ga wel’, had Jenny gezegd.

‘Ja dat ijs dat ken ik. Da’s van de Euroshopper. Goedkoop, maar wel zonder kunstmatige kleurstoffen. Dat hebben wij thuis ook altijd. Geen wonder dat Walter van wit aardbeienijs sprak. Hij herkende de verpakking natuurlijk’, verklaarde Thea.

Een klaagzang van medeleven speelde op in haar hartstreek. Met moeite betoomde Thea een luidkeelse aanklacht. In plaats daarvan forceerde ze een quasi terloopse opmerking:

‘Wat is het toch een eikel die Gijsbert.’

‘Nou ja, ik vind het gewoon niks voor hem om zo onredelijk boos te worden, maar ik vind hem wel een heel geschikte onderwijzer’, beweerde Jenny ijskoud.

Haar ogen verrieden het tegendeel. Ze schitterden van sensatielust, maar weerhielden Thea er niet van om een diepe hartenkreet te slaken:

‘En, heeft Walter nog een aardbeienijsje gegeten?’

Jenny begon te gniffelen: ‘Hij wilde niet meer binnenkomen.’

‘Ach, en dan laten jullie een kind van 6 gewoon lekker in de kou staan?’

‘Het is buiten anders al dagen 30 graden.’

‘Figuurlijk gesproken Jenny’, steunde Thea.

Nee natuurlijk niet, hij wilde niet meekomen, maar naar huis lopen’, lachte Jenny in haar vuistje.

‘Wat zeg je, Jenny, dat meen je niet, hij moet de rondweg oversteken!’

Thea was in shock. Bij wijze van geruststelling sloeg Jenny hoofdschuddend een stuk of 10 keer zachtjes met een gemanicuurde  hand op haar schouder.

‘Wind je niet zo op meid. Toos heeft Walter tegengehouden. Hij is verder de hele middag op de speelplaats bij groep 4 gebleven.’

Geërgerd nam Thea een paar passen afstand van Jenny en kwam zo ook onder haar resterende, misplaatste  schouderklopjes uit. 

‘En wie mag Toos dan wel wezen als ik vragen mag?’

‘Je weet wel ouwe Toos van groep 4’, lichtte Jenny welwillend toe.

Thea wist het beter.

‘Dorien is van groep 4’.

Jenny besloot er bij te gaan zitten op de rand van een stenen plantenbak op het schoolplein. Geduldig legde ze aan Thea uit hoe de vork nu precies in de steel zat.

‘Ja van die andere groep 4; Toos staat al jaren voor de klas. Volgens mij is ze de pensioengerechtigde leeftijd allang gepasseerd. Ze schijnt geen afstand te kunnen nemen van het lesgeven op De Wielewaal. Tim en Walter komen volgend schooljaar bij haar in groep 4 terecht. Wist je dat niet? Groep 4 van Juffrouw Toos en groep 4 van juffrouw Dorien gaan fuseren. Er bestaat dan nog maar één groep 4 op De Wielewaal, met Toos aan het hoofd dus. Dorien gaat freewheelen.’

Thea herademde opgelucht. Juffrouw Toos had kleine Walter tenminste niet aan zijn lot overgelaten. Kennelijk kende De Wielewaal ook onderwijzend personeel met gezond verstand.

‘Lang leve Toos’, jubelde Thea vol frisse moed.

Niet verwonderlijk dus dat Thea het einde van groep 3 met ongeduld tegemoet zag en dat ze min of meer verslagen in de stoel tegenover meester Gijsbert plaatsnam. Voor de twintigste en nog wat keer en het allerlaatst samen in een verlaten klaslokaal. De jaloezieën voor de hoge ramen aan de straatkant filterden het felle zomerzonlicht tot een fletskleurige, betrokken sfeer. Morgen na school werd de jaarafsluiting in de speeltuin gevierd. In de gang stond een wachtrij ouders die ook nog het één en ander met meester Gijsbert te bespreken had. Thea zag de papa’s en mama’s staan dralen en gluren door de raamwerk in de binnenmuren en ze vervloekte het merkbare verlangen van meester Gijsbert om zich te omringen met zijn aanbidders in plaats van zich omringd te weten met het veelzeggende zwijgen van Thea. Hij kuchte en wees, met een behaarde wijsvinger, op een alinea in het eindrapport van Walter. Er stond:

‘Walter heeft deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’

‘Ja, dat heb ik gelezen’, bevestigde Thea mat.

Deze alinea interesseerde haar niet. Ze had het hele rapport in een flits ingezien. Alleen de handgeschreven conclusie op de laatste bladzijde  was ingeslagen als de bliksem.

‘Da’s toch goed nieuws?’, vond meester Gijsbert gemaakt opgewekt. Zijn adem stokte.

‘Wat bedoel je?’, vroeg Thea afwezig.

Haar hersenen waren nog steeds bezig met het verwerken van het slotoordeel.

Resoluut draaide meester Gijsbert het rapport van Walter naar zich toe en las met onvaste stem voor:

‘Walter heeft deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’

‘Ik kan wel lezen hoor’, wist Thea stoïcijns.

‘Nou dan?’

Meester Gijsbert begon geïrriteerd te raken. Hij had al een paar keer onbedwingbaar naar de gang en de verlossing gelonkt.

‘Wat is het verschil tussen passieve en actieve taalontwikkeling als ik vragen mag?’, wilde Thea weleens weten.

‘Nou uh, Walter heeft zichzelf overtroffen in het laatste semester.’

‘Dat is geen antwoord op mijn vraag’, vond Thea vermoeid.

‘Hij kan het allemaal wel’.

Zijn antwoord klonk als een gokje. Maar Thea was er nou toch en beet zich vast in haar ongenoegen:

‘Dus als ik het goed begrijp dan is het verschil tussen passieve en actieve taalontwikkeling het leerproces?’

‘Dat volg ik niet helemaal’.

Onrustig schoof meester Gijsbert over de zitting van zijn kinderstoeltje. Zijn knieën ketsten af en aan tegen de vlakke handen in de tussenruimte van zijn wiebelende benen. Thea bleef onverzettelijk.

‘Laat ik het anders formuleren. Hoeveel andere kinderen uit de klas hebben de woordenschattoets verder nog uitmuntend gemaakt?’

‘Niemand. Alleen Walter!’

Meester Gijsbert was er ineens als de kippen bij om Walter de hemel in te prijzen in de hoop dat dit nog een kans op vrijspraak bood.

‘Maar Walter blijft gewoon een sterretje. We maken geen zonnetje van hem of zo?’, wilde Thea nadrukkelijk weten, terwijl ze tegelijkertijd het hoofd schudde om haar ergste vermoedens kracht bij te zetten.

Prompt schoot meester Gijsbert in de zelfverdediging:

‘Ja, dat is het beleid van De Wielewaal. Ik ben hier straks weg. Ik aanvaard het directeurschap van een middelgrote basisschool buiten de provincie. Ik kan hier niks meer aan doen.’

‘Natuurlijk niet, jij kunt nergens iets aan doen’, zei Thea met klem.

‘Ik heb m’n best gedaan. Voor de zekerheid heb ik alle rapporten ook nog met Jade doorgenomen. Jade is de interne coördinatrice’, pruilde meester Gijsbert.

‘Ach ja, die Jade, smaalde Thea.

Demonstratief bladerde ze in het rapport van Walter naar de laatste bladzijde en wees meester Gijsbert op zijn eindoordeel nadat ze hem het geschrevene recht onder zijn neus geduwd had. Meester Gijsbert trok wit weg en schoot in de leeshouding met zijn handen nog steeds tussen de knieën. Er stond te lezen:

‘Vaak is Walter te snel geïrriteerd en dan deelt hij een tik uit aan andere kinderen. Verder maakt hij het goed in de klas. Veel succes in groep 4.’

Er viel een stilte die lang genoeg was om het vonnis wel 10 keer door te lezen. Meester Gijsbert bleef leeg in het rapport van Walter staren. Resoluut trok Thea het rapport naar zich toe en las voor:

‘Vaak is Walter te snel geïrriteerd en dan deelt hij een tik uit aan andere kinderen.’

‘Ja, het is toch waar!’, mokte meester Gijsbert.

‘Daar heb je me wederom niet op aangesproken.’

‘Dat kan; ik heb nogal veel aan m’n hoofd de laatste tijd.’

Het dedain waarmee hij zich zogenaamd verontschuldigde raakte Thea niet eens meer. Woester dan ze was kon ze niet meer worden.

‘Ja net zoals je mij niet op de vermeende taalachterstand van Walter hebt aangesproken aan het begin van zijn eerste leerjaar’.

‘Dat hadden we toch uitgepraat’, wanhoopte meester Gijsbert.

‘Nee hoor, want als dat zo zou zijn  dan had ik je haarfijn uit de doeken kunnen doen hoe een koe een haas vangt.’

‘Je hoeft mij niet uit te leggen hoe ik les moet geven, dankjewel.’

Op dat punt zag meester Gijsbert groen. Het zag ernaar uit dat hij zou gaan overgeven. Als Thea tijd over had dan zou ze bijna medelijden met hem krijgen.

‘Weet je het zeker? Ik heb anders nog wel wat tips en tops voor je’.

‘Ik zou niet weten waarom je nou weer zo boos bent?’, stamelde meester Gijsbert daas.

‘Omdat ik zeker weet dat je in de rapporten van al die andere vechtersbaasjes uit groep 3 niet eerlijk aangegeven hebt dat ze uitlokken, intrigeren, laten struikelen en vechten. Walter krijgt weer alleen de schuld!’

‘Waarom zou ik dat doen?’, vroeg meester Gijsbert meer aan zichzelf dan aan Thea.

‘Omdat je bang bent voor de zogenaamde vriendjes en vriendinnetjes van Jade!’

Thea verhief haar stem. De ouders in de gang gluurden nieuwsgierig door de ramen in de binnenmuur. Thea moest haar middelvinger in bedwang houden. Meester Gijsbert probeerde de boel nog enigszins de baas te zijn door op te staan en wankelend de deur van het klaslokaal wagenwijd open te gooien. Hij verdween in de massa.

Net als haar klasgenootjes kwam Sabine het schoolgebouw uit gehuppeld met een enorme zonnebloem in haar hand. Het effect van de uitgelaten zonnebloemen op het zonovergoten speelplein was een luchtig en kunstzinnig schouwspel van kleuren en licht a la Vincent van Gogh. De zonnebloemen waren een afscheidscadeautje van juffrouw Dorien. De kinderen uit groep 3 van meester Gijsbert daarentegen droegen allemaal een blanco gesloten envelop bij zich. Briefgeheim. Naar strenge instructies van meester Gijsbert mocht de envelop pas thuis geopend worden. Op de achterbank van de auto verbrak Walter de betovering en scheurde de omslag open. De inhoud was een portretfoto van meester Gijsbert. Hoe narcistisch kan een mens zijn?! Op de achterkant van de foto stond in de hanenpoten van meester Gijsbert geschreven:

‘Ik vond het leuk om je in de klas te hebben.’

Walter werd niet eens onder persoonlijke titel aangesproken. ’s Avonds na het speeltuinfeest mocht hij de foto van meester Gijsbert ritueel verbranden in de vuurkorf uit de achtertuin onder het toeziend oog van Sabine, Bart en Thea.

Wie zou er eigenlijk in het turbulente  dubbelleven van Melvin een oogje in het zeil houden? Hij is ook nog maar een net uit het ei gebarsten kind. Een tiener. Achttien jaar. Hoe langer de periode waarin Melvin niets van zich laat horen; hoe moeilijker Thea zichzelf kan wijsmaken dat ze zich niet ongerust maakt. Dat ze geen moederlijke gevoelens koestert voor haar voormalige pleegzoon. Ze kijkt anders naar haar eigen kinderen. Het contact met hen hangt als een permanente zender in de lucht. Soms is het windstil, maar de verbinding blijft constant in beweging; vloeiend of drupsgewijs en steeds over en weer. Van Melvin ontvangt Thea als een soort matriarchaal opvangstation slechts sporadisch noodsignalen. Ze heeft hem op één arm gedragen en getroost toen hij nog liever naar zijn moeder wilde. Als peuter heeft ze hem wakker geschud uit zijn koortsdromen. Op de basisschool kweekte ze bij hem het gevoel dat hij de wereld aankon. Zo ontkiemde de tijdloze basis waarop Melvin met tussenpozen terug valt. Haar Betuwe Flipje. Het is slopend om incidenteel nodig te zijn en te blijven door het gros van de tijd afstand te houden en overbodigheid te aanvaarden. De kinderen lopen hem op school ook niet toevallig tegen het begeerlijke lijf en zijn vader Pim kan ze ook niet zomaar bellen. Wat moet ze zeggen?

‘Hay Pim. Wist je al dat jouw zoon  zijn lichaam verkoopt? Aan mannen en vrouwen. Oudere mannen en vrouwen. Hij is een gigolo, een toyboy. Hoe ik dat weet? Heb je even? Want het gaat ook jouw zwager aan. De broer van Femke. O, jullie zijn niet getrouwd? Een samenlevingscontract? Ja, ja, nou in ieder geval woont de broer van Femke tegenover mij in de straat. Toevallig toch? Welke broer? Femke heeft meerdere broers? Hij heet Bink. Ja. Dat is haar jongste broer? Die homoseksueel ja, dat vertelde hij. Trouwens was Melvin niet onlangs uit de kast gekomen. Niet? Femke zei van wel toen ze laatst bij mij op bezoek was. Wat Femke bij mij deed? Nou, ja, da’s een lang verhaal. Maar om het kort te houden; heb jij recentelijk nog iets van Melvin vernomen? Oh, je dacht dat hij bij mij bij Huiswerksterk zat? Niet dus. Hij is nooit geweest ook. Ergo; ik heb Melvin al meer dan 2 weken niet gezien of gesproken. Of ik zijn mobiele nummer heb? Nee. Waarom ik jou dan niet eerder gebeld heb? Ik heb zelf ook een gezin Pim. Weet je wat; dag Pim.’

De enige die Thea kan aanspreken over Melvin zonder zichzelf verdacht te maken, is Jasmijn. De grote zus van Melvin. Ze weet van Melvin dat Jasmijn een peperduur appartement heeft gehuurd boven de Albert Heijn vlakbij het centrum van de stad. Melvin was enthousiast over het nieuwe huisadres van zijn zus, omdat hij sindsdien in de weekends na het stappen vrijuit bij haar mag neerstrijken. Toch weer sympathiek van Jasmijn. Misschien kent Thea haar toch niet zo goed als ze denkt. Ineens realiseert ze zich dat ze al een dik decennium geleden voor het laatst oog in oog heeft gestaan met haar voormalige stiefdochter die nu al weer meer dan zes maanden 22 jaar moet zijn. De laatste keer dat Thea telefonisch contact had met Jasmijn was korter geleden. Zo’n 5 jaar. Jasmijn zal 17 geweest zijn. Thea las op het facebookaccount van het stedelijk gymnasium dat Jasmijn cum laude geslaagd was. Ze voelde zich min of meer aangesproken. Op haar manier had ze in de basisschooljaren van Jasmijn toch bij mogen dragen aan dit succesverhaal. Daar kwam nog bij dat deze episode in haar leven samenviel met het einde van haar basisschoolhuiswerk met Melvin. Hij mocht zich na die zomervakantie van 5 jaar terug ook op het stedelijk gymnasium gaan bewijzen. Thea herinnert zich die periode nog zo goed omdat toen de eerste ideeën voor Huiswerksterk voor middelbare scholieren door haar hoofd begonnen te spoken. Thea had in de tussenliggende tijdsspanne van het vertrek van Melvin en het begin van Huiswerksterk helemaal geen inkomsten meer. Maar omdat Bart gelukkig niet slecht verdiende liet ze toch een bos ‘duizend schonen’ en een heliumballon in hartvorm op het thuisadres van Pim, ook de vader van  Jasmijn, bezorgen. Om haar tevens mondeling te feliciteren, belde Thea een dag later naar het vaste telefoonnummer van Pim. Volgens hem was Jasmijn net terug van de diploma-uitreiking. Op de achtergrond klonk een geroezemoes van stemmen, muziek, voetstappen en rinkelen van serviesgoed, terwijl Pim probeerde om Jasmijn aan de telefoon te krijgen:

‘Thea voor je, Jasmijn!’

‘Wie?’

‘Thea, die ken je toch nog wel van de huiswerkbegeleiding?’

Thea hoorde een vraagteken en vervolgens de overdracht van de telefoon.

‘Dag, u spreekt met Jasmijn!?’

‘Hey studiebol; ik ben wel trots op je hoor. Je bent het allereerste eindproduct van Huiswerksterk’, tetterde Thea roekeloos in haar mobiel, hoewel de moed eigenlijk al in haar schoenen gezonken was.

Zo te horen was Jasmijntje haar oude huiswerkbegeleidster glad vergeten.

‘Ik heb alleen huiswerkbegeleiding van u gehad op de basisschool toch?!’, antwoordde de zuinige stem van Jasmijn behoudend.

Aan de klankleur viel wel duidelijk te merken dat ze rekening hield met toehoorders om haar heen.

‘Jaah, ik dol ook maar een beetje’.

‘Haha.’

‘Nou meid, ik zie je.’

‘Dankuwel.’

En omdat pijnlijke misstappen niet  uitnodigen tot herhaling had Thea sindsdien niets meer van zich laten horen.

Thea kan niets anders bedenken dan vanaf nu maar dagelijks bij de bewuste AH onder de flat van Jasmijn te shoppen. Zodoende hoopt ze dat ze Jasmijn vandaag of morgen toevallig expres tegen komt. Daarna zou Thea terug kunnen vallen op haar eventuele improvisatietalent. Liever vindt Thea aanknopingspunten met Melvin via de sociale media, maar dat blijkt zoeken naar een speld in een hooiberg. In tegenstelling tot de naam van het escortbureau van de overbuurman. De service van Bink is 24 uur per dag, 7 dagen in de week online en opereert onder de naam G-spotgigolo; afgekort GSG. Maar daar houdt het voor Thea dan ook weer meteen bij op, want ze komt niet verder dan de homepage op de website. Voor meer informatie en toegang tot het echte leven moet ze eerst inloggen met haar emailaccount en daarna waarschijnlijk allerlei persoonlijke gegevens invullen en/of online betalen. Dat is hetzelfde als een vingerafdruk op een plaats delict achterlaten. Hierdoor zou Bink niet alleen een tastbaar bewijs hebben waarmee hij zijn vijftigjarige overbuurvrouw kan chanteren en de mond snoeren, maar zou Thea ook worden gedwongen om aan Bart te bekennen dat ze zich, ondanks zijn afrader om haar neus in een wespennest te steken, toch op glad ijs begeven heeft. Niet dat Bart zijn vrouw na al die jaren zonder meer voor een potentiële cougar zou aanzien, maar Thea wil hem niet op ideeën brengen. Ze zit niet op een huwelijkscrisis te wachten. Trouwens, als ze met haar IP-adres en tegen betaling zou inloggen op de website van G-spotgigolo’s, hoe verklaart ze dat dan aan haar kinderen? Zeker Walter zou zich vertwijfeld achter de oren krabben. Hij wil met recht dat zijn moeder in hem en niet in twijfelachtige toyboys investeert. Temeer daar hij dat GSG account natuurlijk in een handomdraai en gratis en voor niks, hartstikke anoniem en met liefde en plezier voor haar zou hebben gehackt. Reden te meer voor Thea om een omweg te nemen. Ze wil haar bloedjes van pubertjes niet aanzetten tot criminele praktijken.

Maar als ongeluk in een klein hoekje zit; dan zit het geluk in de rest van het universum en al op de allereerste dag waarop Thea met haar Renault de parkeerplaats van de Albert Heijn vlakbij het centrum oprijdt, ziet ze in haar achteruitkijkspiegel een lange, blonde Lijs lopen met een fiets aan haar hand. Een volgroeide versie van de Jasmijn van 10 jaar geleden als het ware. Nog dezelfde lijzige manier van bewegen, nog altijd hyperslank, natuurlijk blond met steile pieken tot over de schouders en even smetteloos als de sierpop van toen. Alsof ze net uit de verpakking is gehaald. Thea heeft tijd nodig om haar auto te parkeren. Maar juist voordat Jasmijn het terrein van een fietsenstalling dreigt te betreden, lukt het Thea om de aandacht op zich te vestigen door tamelijk geëxalteerd te joelen:

‘Ben jij dat Jasmijn!?’

‘Wat, leuk Thea!’, roept Jasmijn tot grote verrassing van Thea spontaan uit.

De enscenering van de ontmoeting alsmede het beroerde acteertalent van Thea ontgaan haar blijkbaar totaal.

‘Hoe is het met jou?’ wil Thea eigenlijk helemaal niet weten nadat ze zich door Jasmijn heeft laten begroeten met drie luchtkusjes.

‘Goed. Ik woon hierboven.’

‘Echt?’

‘Je bent nog niets veranderd’, zegt Thea, omdat ze niet meteen over Melvin wil beginnen.

‘Kom anders even een bakkie doen?’

Tijdens het praten heeft Jasmijn kans gezien om haar fiets in de stalling achter te laten en ze gunt Thea geen ruimte om haar uitnodiging af te slaan.

‘Ik heb niet zoveel tijd’, sputtert  Thea tegen, terwijl ze achter Jasmijn aan over de galerij naar de voordeur  van haar appartement loopt.

‘Tijd kun je zelf maken!’, lacht Jasmijn over haar schouder.

Ze opent de voordeur, laat Thea voorgaan en vervolgt:

‘Dat zei je vroeger altijd tegen ons als we in tijdnood zaten met het huiswerk.’

‘Écht? Wat een onzin kraamde ik vroeger uit dan!’

Plichtmatig kijkt Thea om zich heen in het sobere appartement. Een open keuken; een sofa, een rotan stoel, flat screen en een bijzettafeltrio.

‘Waar zit meneer Jasmijn?’

‘Je bent ook nog niks veranderd’, glundert Jasmijn.

‘Hoezo?’

Als kind leek Jasmijn alleen doordrongen te zijn van de fysieke aanwezigheid van Thea. Een menselijke metafoor voor een rots in de branding. Alsof het wezen van Thea er niet toe deed en de persoonlijkheid van haar nepmoeder en later huiswerkbegeleidster op een ander plan stond, waarin Jasmijn zich weigerde te verdiepen. Er was geen interactie tussen hen. Thea had de moed opgegeven en Jasmijn had nooit de moeite durven nemen uit loyaliteit met een moeder die er niet voor haar was. Begrijpelijk daar niet van. Maar in het hier en nu, zoveel jaren later, blijkt ze evenwel niet zo inwisselbaar voor Jasmijn te zijn geweest als Thea zichzelf  toentertijd, misschien wel uit gemakzucht en bindingsangst, wijsmaakte. Klaarblijkelijk had ze Jasmijn toch niet volledig onverschillig gelaten.

‘Je bent nog steeds even direct’, plaagt Jasmijn.

Ze reddert in de open keuken. Niet zonder de nodige weerstand wringt  Thea zich ondertussen in de rotanstoel. Het vederlichte rieten kuipje zucht, puft, steunt en kraakt onder de bewegingen en het gewicht van Thea. Het hinderlijke, kobaltblauwe kussen dat ze vanachter haar stuitje uit de rugleuning van de stoel tevoorschijn tovert, plaatst ze beleefdheidshalve op haar bovenbenen.

‘Mijn meneer Jasmijn is nu mijn ex. Hij is bij mijn moeder ingetrokken!’, zegt Jasmijn die een mok met koffie op een bijzettafeltje naast Thea in de rotanstoel neerzet.

‘Ja, dat vertelde Melvin laatst!’

Thea zit op hete kolen. Ze zoekt een aanknopingspunt om naar Melvin te vragen. Jasmijn hapt niet toe. Ze neemt plaats op de sofa tegenover Thea en nipt dromerig van haar koffie. De rood, wit, blauw, geel geblokte Mondriaan mok houdt ze met beide handen tegen haar kin.  Genoeglijk knijpt ze met haar ogen:

‘Ik heb er een scheutje whisky in gedaan.’

‘Ik ruik het’.

‘Wat studeer je?’, hervat Thea de conversatie snel om een pijnlijke stilte te voorkomen.

‘Ik heb een sabbatical’.

‘Waarvan?’

Jasmijn grinnikt ontwijkend.

‘Je geeft geen antwoord op mijn vraag!’, verklaart Thea ongedurig.

‘Ik studeer geneeskunde’, geeft Jasmijn met een verveelde blik toe.

‘Indrukwekkend.’

‘Saai.’

‘Als je iets niet snapt, of hulp nodig hebt met huiswerk; dan weet je me te vinden’, grimast Thea.

‘Binnenkort ga ik een half jaartje naar mama in Oxford. Ze heeft een bed and breakfast in Oxford.’

Thea kijkt Jasmijn onderzoekend aan.

‘Je moeder runt die tent samen met jouw ex-vriendje, begreep ik van Melvin?’

‘Ja, dat is wel moeilijk’, bekent Jasmijn dociel.

Ze neemt een flinke teug van haar whiskykoffie. Aanleiding voor Thea om eindelijk de prangende vraag te stellen:

‘Hoe is het eigenlijk met Melvin?’

Jasmijn slikt:

‘Ja, dat gaat gelukkig beter nu.’

‘Hoezo, ging het niet goed met hem dan?’, hapert Thea.

‘Hij ligt al een week in het ziekenhuis, wist je dat niet?’ 

Nu is het de beurt van Thea om een slok van haar koffie met een vleugje alcohol te nemen alvorens ze zo en passant mogelijk vraagt:

‘Heeft hij een ongeluk gehad?’

‘Nee, hij is vorige week in de nacht van zaterdag op zondag bij een gevecht betrokken geweest.’

‘Bij een gevecht betrokken geweest?’, papegaait Thea ontzet.

De zinsbegoocheling van Bink als scheidsrechter aan de kant van een bende woedende toyboys in een bloederig gevecht met Melvin, probeert Thea van zich af te zetten door met haar hoofd te schudden. Jasmijn merkt dat Thea overrompeld is door het nieuws en verkondigt met een quasi opbeurende ondertoon:

‘Mama zou eerst uit Oxford naar Nederland komen, maar dat hoeft niet meer. Het gaat echt goed met Melvin nu.’

‘Weet jij dat hij…’

De stem van Thea trilt.

Ze wil zeggen:

‘Weet jij dat Melvin een toyboy is?’

Maar Jasmijn valt haar in de rede:

‘Ja, ik weet dat Melvin homoseksueel is. Je ziet het niet aan hem. Hij is niet gaygay.’

‘Ging het gevecht daarover?’

‘Zou kunnen’, schokschoudert Jasmijn.

‘Wat is er dan precies gebeurt?’

Jasmijn kreunt, omdat ze natuurlijk al ontelbare keren verslag heeft moeten doen, maar vervult voor de zoveelste keer haar zusterlijke plicht:

‘Melvin is kort bewusteloos geweest, maar lang genoeg voor de daders om te kunnen ontsnappen. Een anonieme voorbijganger heeft alarm geslagen en zich daarna uit de voeten gemaakt. De daders heeft Melvin niet kunnen identificeren. Toen de politie kwam hebben ze hem afgaande op zijn gekerm en dus op het gehoor op moeten sporen. Hij hield zich verscholen in de bosjes achter het gazon bij de houten banken in het stadspark. Meteen na een eerste inspectie van zijn verwondingen heeft de politie een ambulance gebeld.’

‘Was hij dan zo ernstig toegetakeld?’

Jasmijn maakt haar handen vrij om de opsomming op haar vingers af te tellen:

‘Hij heeft een zware hersenschudding; een gebroken oogkas, neus en kaak, gekneusde ribben en een maagbloeding. Is dat ernstig genoeg voor je?!’

‘Me dunkt’, bekrachtigt Thea. 

‘Was hij alleen of met een vriendje?’

‘Hij heeft geen vriendje; is dit een verhoor of zo?

De plotselinge prikkelbaarheid van Jasmijn herkent Thea van vroeger. Ze laat zich er niet door van de wijs brengen:

‘Waren er verder geen getuigen?’

Gepikeerd besluit Jasmijn om een einde aan de ondervraging te maken en stelt vinnig voor:

‘Weet je wat; vraag het hem lekker zelf. Overmorgen komt hij hier bij mij in het appartement uitzieken en dan kun je hem zo lang overhoren als je wilt’.

 

HOOFDSTUK 15

Het gesprek met Jasmijn wil niet meer vlotten en Thea is blij dat haar mobiel van zich laat horen. Ze graaft in haar schoudertas en voorspelt:

‘Dit is het belletje waarop ik zat te wachten. Dit moet ik even afhandelen.’

Krakend en piepend protesteert het rotankuipje tegen het vertrek van  Thea inclusief mobiel naar de open keuken. De urgentie van het telefoontje is een smoesje natuurlijk. Nieuwsgierig bekijkt Thea de nummermelding. Ze identificeert de afzender. Het is Elco van de Stichting Huiswerk Begeleiding (SHB). Huiswerksterk is aangesloten bij de SHB waar Elco tussenpersoon is. Hij leidt zowel de geldstromen in banen als de verdeling van de middelbare scholieren. Zonder hem helpt Thea studenten die hulp nodig hebben in de bètavakken razendsnel van de wal in de sloot. Ongehinderd door enig inzicht in de wis- en natuurkunde. Juist daarom zorgt een man als Elco ervoor dat vooral de Whizzkids de kant van Thea op komen. Uitgerekend de wiskundeknobbeltjes hebben meestal weer wel een duwtje in de rug nodig bij de alfavakken. Voor wat betreft; woordjes leren; grammatica en ontleden bij de talen; inzicht in geschiedenis en aardrijkskunde; definities uit de kop knallen; samenvattingen maken en betogen schrijven ben je bij Thea aan het juiste adres. Zodra er in het verleden echter een formule bij het huiswerk in zicht kwam dan haakte Thea af en rende ze – ongeacht het niveau A,B, of C - op Bart af en bestookte hem met vragen die hij wel kon beantwoorden, maar niet één, twee, drie. En dat moet wel als je huiswerkbegeleiding geeft. Omdat Bart er naast zijn fulltime baan bij het rekencentrum dus nog een dagtaak als huiswerksterkbegeleider  bij dreigde te krijgen, schakelde Thea de SHB in tegen een maandelijkse vergoeding van 100 euro. Zo kwam ze in contact met bemiddelaar Elco in de rol van werkvoorbereider, maar ook in de hoedanigheid van boekhouder die zijn schuldeisers nooit teleurstelt. Sommige ouders betalen - zelfs met volledige financiële dekking van de overheid - alleen onder dwang en  een effectief incassobureau is geen overbodige luxe. In verband met Jasmijn die vanuit de keuken kan meeluisteren, begroet Thea haar beller uitbundig en luidruchtig. De   jongere versie van Jasmijn mag dan niet veel indruk op haar gemaakt hebben, maar de ongezonde nieuwsgierigheid van haar vroegere oppaskind is Thea niet vergeten.

‘Hey, Elcootje, hoe issie!?’  

‘Hey Thee, alles kits; moeje luisteren.’

‘Ik luister’.

‘De vader van Moona Tahiri heeft een andere huiswerkbegeleidster voor zijn dochter geëist.’

De adem van Thea stokt en ze  pruttelt verbluft:

‘Okay, waarom? Moona gaat juist hartstikke goed vooruit op school sinds ze huiswerkbegeleiding krijgt. Wat heb ik nou weer verkeerd gedaan?’

‘Ik denk niet zo veel; Moona en haar familie zijn Syrische immigranten van de eerste lichting. Ze wonen al vijf jaar in Nederland. Maar die vader is streng islamitisch en hij was niet erg te spreken over jou. En dan druk ik me nog voorzichtig uit.’

‘Pardon?’

Thea is stupéfait.

‘Laat gaan Thea; ik handel de achterstallige betaling af en jij krijgt vanaf volgende week iemand anders in plaats van Moona.’

Thea keert zich voor een paar seconden in zichzelf en haar herinneringen aan de huiswerkbegeleiding met Moona. Een plichtsgetrouw, ingetogen, niet onbeleefd 13jarig meisje met een hoofddoek. Bij Thea’s weten is er in al die tijd van huiswerkbegeleiding geen onvertogen woord gevallen tussen Moona en haar.

‘Hoezo nu ineens? Ze komt al meer dan een jaar bij mij over de vloer. Dat hoef ik toch niet te pikken Elco?’

‘Natuurlijk niet, maar ik zou het wel doen. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan?’

‘Wat zei hij dan over mij? Ik bedoel; ik heb natuurlijk weleens met Moona over haar thuisland gepraat en haar geloof. Ze heeft me uitgelegd wat het verschil is tussen de soenitische en de sjiitische islam in Syrië. Misschien had ze dat niet mogen doen van haar vader?’

Beklemd gaat Elco overstag:

‘Was het maar waar. De waarheid is veel platter. De vader van Moona noemde jou een hoer en je zou omgaan met hoerenlopers.’

‘Wat? En zoiets moet ik gewoon naast me neerleggen?’

‘Graag’, gelast Elco:

‘En Thea, als je het niet voor jezelf doet; doe het dan voor de SHB en voor mijn gemoedsrust.’

‘Natuurlijk Elco; alles voor jouw gemoedsrust’, bitst Thea beledigd voordat ze de verbinding verbreekt en meteen naar het nummer van Moona Tahiri belt.

Moona neemt niet op. Thea spreekt een bericht in:

‘Ik kom nu naar je toe Moona. Wat is er aan de hand? Kun je me ook in mijn gezicht zeggen wat ik verkeerd heb gedaan? Je kunt toch eerlijk tegen me zijn?’

Een afsluitend piepgeluid maakt een einde aan de monoloog van Thea. Onbevredigd stuurt ze voor de zekerheid nog een sms’je achter haar voicemailbericht aan. Ze ijsbeert door de mini open keuken en botst bijna tegen Jasmijn op die ineens recht voor haar neus opduikt. Lang, blond en marginaal:

‘Alles in orde?’

Stroef wurmt Thea zich langs het ontwijkende voorkomen van Jasmijn  en murmelt verontschuldigend:

‘Ik moet gaan!’

De familie Tahiri woont in een Vinex wijk. Het adres heeft Thea nog in haar tomtom staan, daar ze Moona weleens naar huis heeft gebracht, omdat ze toch toevallig die kant uit moest. De woonerven zijn netjes, verlaten en allemaal eender. Op de straatnaambordjes leest Thea modieuze vondsten als; het Tokkeltje; de Wijksoep; Kruidenberg en Wigwam. De huisartsenpraktijk wordt aangeduid als de Hulpstulp. Bij het ‘Vindersdal’, heeft Thea haar bestemming bereikt. Het huis van Moona zit potdicht en geeft een weinig uitnodigende indruk, maar Thea heeft nog niet gebeld of de voordeur opent op een kier. Moona steekt haar gebloemde hoofdoekhoofd door de opening en begroet Thea woordeloos met een schuldbewuste oogopslag.

‘Kunnen we praten?’

De toon van Thea is afstandelijk. Schelden doet geen pijn, maar wat je zegt ben je zelf. Of iets in die trant, want de vader van Moona zal wel geen hoer zijn. Misschien een hoerenloper? Moona trekt haar gesluierde kapsel terug en de voordeur valt in het slot. Van de weeromstuit schiet het hart van Thea in haar keel en ze krijgt het niet meer weggeslikt. Ze wordt licht in haar hoofd en overvallen door het verlangen om op te stijgen; of door de grond te zakken; of op te lossen in het luchtledige. Als dat zou kunnen! Hoewel ze zich niet echt kan herinneren wat ze precies verkeerd heeft gedaan. Ze wil opheldering. Of eigenlijk ook niet. Thea maakt aanstalten om de terugreis over het tuinpad naar haar Renault te aanvaarden. Maar precies op dat moment komt er weer beweging in de voordeur. Pal voor de neus van Thea verschijnt een broekie van zo op het eerste oog amper 12 jaar. Hij ziet Thea niet staan en marcheert naar buiten met Moona volgend in zijn schaduw. In het voorbij gaan murmelt ze nauwelijks verstaanbaar vanuit haar mondhoek richting Thea:

‘We gaan naar het plantsoentje. Daar staat een bankje.’

Ze trekt Thea aan haar arm mee in haar volgroute.

‘Wie is dat?’

Thea knikt voor zich uit naar het kleine ventje.

‘Mijn broertje.’

‘Nou gezellig’, spot Thea.

Moona inspecteert de geperforeerde ijzeren zitting van het plantsoenbankje voordat ze plaatsneemt. Thea denkt aan de houten bankjes uit haar jeugdjaren en dat je altijd op je hoede moest zijn voor afdrukken van geïmpregneerde vogeluitwerpselen in de natte planken. Zo’n moderne, ijzeren zitting met allemaal gaatjes laat tenminste geen onuitwisbare fecaliënsporen na. Aandachtig speelt Moona met haar armbanden en creëert onbewust het geluid van een tamboerijn. Het broertje van Moona leunt drie meter van het bankje verwijderd tegen een boom en verdiept zich in het schermpje van zijn IPhone.

‘Vangt hij Pokémons?’

Thea weet ook wel dat het jongetje door het ouderlijk gezag is opgedragen om op zijn oudere zus te passen, maar ze wil uitleg van Moona.

‘Zeg het dan!’

Moona laat haar armbanden rinkelen. Het jochie diept een pakje sigaretten en een aansteker uit zijn jaszak en steekt er één op uit het vuistje tegen de wind. Dit heeft hij vaker gedaan. Hij lijkt op een dwerg met een Big Mac of op een kind van twaalf met een sigaret. Af en toe kijkt hij scheef naar zijn zusje samen met de vrouw van middelbare leeftijd op het bankje in het plantsoen. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes ter bescherming tegen de uitgeblazen wolken sigarettenrook uit zijn eigen mummelmondje. Thea houdt de behoefte om deze blaag over haar knie te leggen bijna niet meer verborgen.

‘Je komt niet meer bij me voor huiswerkhulp heb ik begrepen?’

‘Nee’, antwoordt Moona.

‘Je bent helemaal klaar voor het eindexamen VMBO dus?’

‘Nee, natuurlijk niet’, lacht Moona schalks.

Thea vangt een glimp van de vertrouwde Moona op en ontspant een beetje.  

‘Er zijn woorden thuis; ik kan het niet uitleggen’, smiespelt Moona met het oog op haar broertje.

‘Dus alleen omdat jullie thuis woorden hebben neemt jouw vader het recht om mij een hoer te noemen?’, roept Thea verontwaardigd uit.

Ze verheft haar stem expres. Net zo goed met het oog op het broertje van Moona. Nerveus gaat Moona verzitten. Het broertje lurkt ongemoeid van zijn sigaret en appt.

‘Hij bedoelt niet jou. Hij bedoelt een lange, blonde man die ik bij jou in de keuken heb gezien. Weet je nog dat ik op woensdag het eerste uur uitval had en dan naar Huiswerksterk kwam? Hij was er altijd.’

Moona dempt haar stem nog steeds.

‘Melvin?’, vraagt Thea op normale gesprekstoon.

‘Ja, hij kwam mijn broer tegen op de sportschool.’

‘En dat is een misdaad omdat?’

‘Uh ja, ze raakten bevriend.’

‘Is Melvin een bekende van dat kaboutertje daar!?’ 

Dreigend richt Thea met haar rechterhand een denkbeeldig pistool op het hoofd van het broertje van Moona. Uit effectbejag knijpt ze één oog dicht. Niet langer dan een seconde laat het ventje zich van zijn  IPhone afleiden. Moona kijkt angstig weg en richt zich weer op haar armbandenconcert.

‘Ik heb 4 broers.’

‘Ja en toen? Ik bedoel wat heeft  Melvin met jouw huiswerk te maken?’

‘Melvin is een alkalb alkafir.’

‘En dat is?’

Thea heeft wel zo’n donkerbruin vermoeden. Maar iedereen is onschuldig totdat het tegendeel bewezen is. Moona aarzelt.

‘Ik weet niet zo goed hoe ik het netjes moet vertalen.’

‘Tell it like it is!’

Thea weet dat Moona redelijk Engels kan verstaan.

‘Een ongelovige hond’, zegt Moona toch wel enigszins beschaamd.

‘Tis maar hoe je het bekijkt. Neem mij nou; ik ben bijvoorbeeld katholiek. Melvin oorspronkelijk ook. Volgens mij. Maar jouw vader heeft wel in zoverre gelijk dat noch Melvin, noch ik vijf keer per dag op de knieën in de richting van Mekka zit te bidden.’

‘Melvin is een man.’

‘Nou, nou, overdrijven is ook een vak. Hoe weet jouw vader trouwens dat ik Melvin ken?’

‘Van mij.’

‘Hoe dan ook; je wordt bedankt.’

‘Ik deed het voor mijn broer. Ik hoopte mijn vader milder te stemmen. Ik dacht dat het goed was om jouw naam te noemen.’

Thea luistert niet meer. Ze tuurt onwillekeurig naar het armbandenspel van Moona en opeens herkent ze een manchetknoop in de vorm van een klokje. Het is als een knoeperd van een sieraad bevestigd tussen de veel kleinere bedeltjes aan een goudkleurige schakelarmband van Moona.

‘Waarom heb je een manchetknoop aan een armband gehangen?’

Thea wijst naar het blauwe uurwerkje in de vergulde omlijsting aan één van de bedelarmbanden van Moona. Niet begrijpend neemt Moona de manchetknoop tussen duim en wijsvinger.

‘Dat is een miniklokje; een cadeautje van mijn broer.’

‘Welke broer. De vriend van Melvin zeker?’

‘Aadam’, mijmert Moona liefdevol.

Ze staart wazig voor zich uit.

‘Dat is een mannensieraad’, waarschuwt Thea.

‘Nee’, schudt Moona zelfingenomen.

De onverbeterlijke huiswerkbegeleidster in Thea speelt op.

‘Moet ik je uitleggen wat een manchetknoop is?’

Thea heeft een Aha-erlebnis. Ze heeft iets dergelijks al een keer meegemaakt.

‘Nee hoor’, weet Moona zeker.

Thea kan zich niet langer beheersen en ze snauwt:

‘Manchetknopen zijn mannensieraden. Ik weet niet hoe dat in jullie cultuur geregeld is, maar hier in het westen is dat nou eenmaal zo. Wen er maar aan. En als je het niet gelooft vergelijk het dan maar met een hoofddoek. Islamitische mannen gaan toch ook niet met een hidjab op hun kop over straat?’

Met een neerbuigende blik op haar gezicht zoekt Moona de ogen van Thea en verklaart ongenaakbaar:

‘Het is niet sunnah voor mannen om goud te dragen.’

‘Kun je ook gewoon Nederlands met me praten Moona? Zo niet dan bid ik zo meteen hardop een Rozenkransje voor je met een hele hoop Weesgegroetjes en als je daarna nog niet genezen bent nog dozijntje Onze Vaders erachteraan ook!’

Moona giechelt zenuwachtig; maar de bewoording die ze kiest voor de uitleg van geloofsrituelen is doordacht en doorspekt van onherroepelijke eerbied:

‘Sunnah betekent het juiste pad van de profeet. Goud voor mannen is niet sunnah. Wij vrouwen mogen wel goud dragen.’

‘Die manchetknoop is niet van goud. Het ding is verguld. In feite nep goud, Mag dat ook niet? En waar is de andere helft van het tweetal? Manchetknopen komen het best tot hun recht in een relatie. Ze komen in tweeën. In paartjes snap je wel?’

Thea vraagt naar de bekende weg. Ze heeft een week of 3 geleden inderdaad al eerder het imago van de manchetknoop moeten oppoetsen herinnert ze zich nu. Voor Melvin. Daarna kocht hij een setje manchetknopen. Voor 50 euro. Handje contantje in ruil voor blauwe mini klokjes in vergulde kleine kastjes. Moona draagt één van die manchetknopen aan haar goudkleurige bedelarmband. Meer kan Thea voorlopig nog niet maken van de brij aan onsamenhangende informatie die momenteel met een noodgang haar overwerkte hersenen ingepompt worden.

‘Ik mis Aadam’, fluistert Moona.

Ze pinkt een traantje weg.

‘Drama Queen’, wil Thea zeggen omdat ze weinig opheeft met irrationele emotiegolven, maar ze slikt haar schimpscheut in, omdat Moona er echt verdrietig uitziet met dat bleke snoetje omrandt door de hidjab met print.

‘Waar is Aadam dan?’

Thea praat nu wel zacht. Uit medeleven. 

‘Sanadhhab’, commandeert het broertje.

Thea was hem helemaal vergeten. Hij wordt door Moona op zijn wenken bediend en daarmee is ook meteen een non verbale vertaling van zijn vreemde spraakgebruik voor Thea aanschouwelijk gemaakt. Moona zegt tijdens het opstaan zonder schroom en op normale gesprekstoon:

‘Hij is bij zijn geloofsbroeders en  bereidt zich overzee voor op de heilige oorlog.’

Een geradicaliseerde moslim hoort thuis in het wereldnieuws; niet in haar achtertuin. Thea kent Aadam niet, maar aan Moona is ze toch gewend geraakt in de afgelopen maanden. De eeuwige hoofddoek of hidjab werd onzichtbaar naar verloop van de huiswerkbegeleiding. Uiterlijkheden vervagen sneller dan uitstraling. En Moona had een onweerlegbaar streng islamitische opvoeding genoten. Onomstotelijk omdat de religie vanuit de islamitische geloofsgemeenschap niet ter discussie mag staan. Kortom een moslim mag niet kritisch naar de islam kijken en al helemaal niet naar de op- en aanmerkingen van buitenstaanders luisteren. Thea weet uit eerdere gesprekken met Moona dat zij wel degelijk in staat is om buiten de islamitische institutie te treden en van een afstand naar zichzelf te kijken. Thea is er zich echter ook constant van bewust dat Moona dit vermogen zelden tot nooit gebruikt en nog minder laat zien. En zo wel dan is de begeleidende schaamte groot; alsof Moona een doodzonde begaat door hardop over haar geloof na te denken. Toch heeft Moona voor Thea zelfs de verschillen tussen uiteenlopende stromingen binnen de islam uit de doeken gedaan. Maar tijdens de uitleg was er geen sprake van een gelijkwaardige interactie tussen het jonge meisje met de hidjab en de westerse vrouw van middelbare leeftijd. Moona klapte uit de school of dicht. Ongezegd, maar onherroepelijk afhankelijk van het vermogen van Thea om mee te liften op de overtuigingen van Moona zonder vragen, of commentaar. Wat Thea betreft is een dergelijke, hautaine uitstraling een gevolg van een bepaalde opvoeding en geen geloofskwestie. Zo’n houding is symptomatisch voor alle moslims die ooit met Huiswerksterk te maken hebben gehad en dan hoopt een begeleidster als Thea toch dat de hoogmoed geen epidemische vormen gaat aannemen onder de jongeren. De mentaliteit en niet de religie zorgt hier voor de aanpassingsprobleempjes en het superioriteitsgevoel van jongens en meisjes als Moona. Een hinderlijk, tot een taboe verworden,  cultuurverschil, waarbij de moslimleerlingen nog een heleboel zouden kunnen leren van andersdenkende klanten van Huiswerksterk. Zo niet dan blijft dit  sociale onderscheid tussen wel of niet islamitisch latent aanwezig en een bron van ergernis voor beide partijen. De Tweede Wereldoorlog is bijvoorbeeld een penibel, maar onoverkomelijk onderdeel van het geschiedenishuiswerk. Met name de holocaust. De meeste niet islamitische leerlingen lezen niet  emotieloos over de hoofdstukken over Hitler Duitsland en de Jodenvervolging in de geschiedenisboeken heen. Thea voelt de betrokkenheid, verbijstering en de afschuw bij bijna alle kinderen groeien met de toename van hun kennis over de gebeurtenissen in de wereld in de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw. Bij bijna alle kinderen. Niet bij allemaal. En nooit bij de islamitische klantjes van Huiswerksterk. Sommigen blijven flegmatisch aantekeningen maken en anderen durven zelfs aanvankelijk de Jodenvervolging te betwijfelen. Maar in dat geval heeft Thea de week erop wel een paar historische beelden over de concentratiekampen gedownload van utube. Het aanzien van het voorportaal van de hel; de afslachting van 6 miljoen mensen. Thea hoopt dat het helpt; alhoewel ze merkt dat ze afgestompt raakt. Dat ze steeds vaker geen puf meer heeft om moslims wegwijs te maken in haar achterland dat vanuit de Nederlandse islam hoe dan ook toch in een niemandsland vol ongelovige honden en hoeren blijkt uit te monden.

Thea gelooft niet in inburgering. Empathie kun je niet leren. Medeleven dat voel je voor de mensen om je heen. Voor hen die de zender en de ontvanger na staan. De holocaust is de geschiedenis van Europa en niet van het Midden-Oosten. De overgroot opa van Moona en Aadam heeft niet in het verzet tegen de Duitsers gezeten, geen Joden opgevangen, gedwongen voor de bezetters moeten werken of een concentratiekamp overleefd. Hij is misschien onderdeel geweest van andere culturele mijlpalen elders in de wereld. Historische gebeurtenissen waar Walter of Sabine dan weer geen benul van hebben. Zaken waarvan haar kinderen wat Thea betreft pas notitie hoeven en kunnen nemen vanuit een eigen identiteit. Een basis. Zelfvertrouwen. Dat hoeft niet op een religie gebaseerd te zijn. Walter en Sabine dienen echter wel kennis te nemen van hun herkomst alvorens zij in staat kunnen worden geacht om op gelijke voet met medelanders met een andere culturele achtergrond te  integreren. En zowel Bart als Thea en dus ook hun kinderen hebben nou een maal een katholieke achtergrond.

Zo’n katholiek fundament staat voor een geloofsbeleving in progressie. Zo zong Bart begin jaren 70 als kleine man in een katholiek, kerkelijk jongenskoor. Automatisch woonde hij hierdoor alle missen op zon- en feestdagen in de plaatselijke kerk bij. Gaandeweg is hij hierdoor uitgegroeid tot een liefhebber van de rooms-katholieke liturgie. Heel anders dan zijn familie die met de komst van de flowerpower en de vrije gedachte steeds minder plichtsgetrouw de kerk bezocht. Tot diep in de vijftiger jaren waren de gematigden rooms-katholieke papa’s, mama’s, opa’s, oma’s, ooms, tantes en andere oudere familieleden gebonden aan 7 dagen kerkbezoek in de week. Naarmate de jaren verstreken nam het bezoek aan het huis van God steeds verder af tot een periode waarin alleen de zondag nog een sociale must was. Die geloofsdruk gold ook nog in de zestiger jaren. De kleutertijd van Bart en Thea. Maar niet lang daarna ging het gestaag bergafwaarts met het aantal hoedjes, sjaaltjes en petjes in de rooms-katholieke kerk op zondag. Hoe meer economische welvaart; hoe minder katholieken in de kerk. De paaseucharistie en de nachtmis daargelaten die nog tot halverwege de jaren tachtig volle roomse kerken hebben weten te trekken. Maar de kleine Bart liet zich niet temperen in zijn hartstocht voor de pracht en praal van het katholisme. Met uitzondering van die ene keer dan toen hij aan zijn moeder liet weten dat hij graag ook nog misdienaar wilde worden en later misschien wel priester als hij groot was. De schoonmoeder van Thea zag haar recht op kleinkinderen al ontnomen door het celibaat en uit eigen belang verzekerde ze haar zoon dat hij met een dergelijke beroepskeuze zijn grote hobby wel voorgoed op zijn buik zou kunnen schrijven. Als je uitslapen tenminste een hobby noemen kunt. Hoe dan ook: Bart hield en houdt boven alles van uitslapen.

‘Een priester moet elke ochtend om 6 uur uit bed; en een misdienaar trouwens ook’, loog de moeder van Bart er zondig op los.

Dat was voor Bart reden genoeg om zich niet kandidaat te stellen tot  misdienaar en toch maar af te zien van zijn roeping tot het priesterschap. Het kerkelijke jongenskoor is hij wel trouw  gebleven totdat hij de baard in de keel kreeg.

Nochtans zag Bart zijn kinderen graag gedoopt. Thea had geen bezwaar tot ontsteltenis van haar moeder. Zoals zoveel huisvrouwen in het katholieke zuiden van de jaren 50 en 60, dacht zij dat ze na haar pensioen voorgoed afstand had kunnen nemen van het geloof. Ze vergat even dat haar hele leven van het begin tot op heden doorspekt is geweest van rooms-katholieke gebruiken, gewoonten, waarden, normen en regels. Zelfs het verzet in de Goddeloze jaren stond niet los van religie. Hoe kan een mens een levensstijl van de ene op de andere dag van zich af schudden? Juist daarom wilde ze niets weten van de motivatie van Thea en Bart om zowel Sabine als Walter een kijkje in de keuken van een geloof te gunnen. In dit geval het rooms-katholieke geloof; want wat je van ver haalt is niet per definitie beter.  

‘Je hebt mij toch ook laten dopen? Ik heb mijn communie en het vormsel gedaan en je hebt me naar katholieke scholen gestuurd’, hielp Thea haar moeder herinneren.

‘Dacht je dat ik een keus had? Dacht je dat er ook maar één enkele rooms-katholieke vrouw een keus had?’, verzuchtte de moeder van Thea met gevoel voor dramatiek.

‘Je had kunnen weigeren’.

Eigenlijk wist Thea wel beter natuurlijk.

‘Dat heb ik later toch ook gedaan’, pochte haar moeder met opgeheven kin.

‘Te laat’, pestte Thea.

‘Ooit gehoord van sociale controle? Daar is geen enkel kind tegen opgewassen.’

‘Ow, eng; wat was de straf? Met blote voeten naar bed?’

‘Zalig zijn de simpelen van ziel’, schamperde moeder.

‘Je had ook non kunnen worden’, vond Thea praktisch.

‘Ja, spot er maar mee, maar nonnen dat waren de meest gedreven onderwijzeressen aller tijden’, overdreef de moeder van Thea.

Zoiets lijkt verdacht veel op een haat-liefde verhouding met het rooms katholieke geloof. Die gespletenheid is typerend voor vrouwen van de generatie van de moeder en schoonmoeder van Thea. Hoewel sommige gewezen huisvrouwen het woord van God iets ruimer interpreteerden dan anderen. De schoonmoeder van Thea was het rooms-katholicisme overkomen. Ze deed het grootste deel van haar leven wat er van haar gevraagd werd en toen de geloofsmentaliteit vervaagde; hield ze zomaar op met het voldoen aan de ouderwetse norm. Zoals het merendeel van de kudde. Op een gegeven moment ging schoonmoeder niet eens meer regelmatig naar de kerk; maar volgde de paus vanaf de bank op haar breedbeeld t.v. Net als die andere oma van haar kleinkinderen. Met dit verschil dat de moeder van Thea chronisch verbitterd is over de beperkingen die haar in het verleden door pastoors en Godvrezende geloofsgenoten werden opgelegd. Haar grootste struikelblok vormde de verplichtingen van het huwelijk en het moederschap. Alsof een onzichtbare hand permanent de loop van een geladen pistool in haar rug drukte. Zonder die pressie zou ze zeker weten nooit 4 kinderen gebaard en gezoogd hebben om na de vierde worp, naar eigen zeggen, de rest van haar leven als een ‘uitgemolken koe’ te moeten slijten. Bovendien wordt ze nog dagelijks achtervolgd door het advies van een non nadat haar oudere broer op 16jarige leeftijd, vlak na de tweede wereldoorlog, aan hersenvliesontsteking was overleden.

‘Bid maar tot God mijn kind; bid voor vergeving.’

De 81jarige moeder van Thea kan er zich bijna 70 jaar later nog kwaad over maken. Ze valt in herhaling tegen dovemansoren:

‘Zo’n smeekbede is toch mosterd na de maaltijd!’.

Waarschijnlijk is Thea de enige die zich realiseert dat haar moeder tot op de dag van vandaag niet begrijpt  waarom God uit zichzelf niet wat vergevingsgezinder had kunnen zijn ten aanzien van haar enige broer. 

Het dualisme van de moeder van Thea ten aanzien van het katholicisme kwam eens te meer uit de verf gedurende het doopsel van haar kleinkinderen. Sabine en Walter zijn om praktische redenen op dezelfde dag gedoopt. De moeder van Thea kwam weliswaar opdagen in de kerk en op het doopfeest, maar ze sprak de hele dag geen stom woord tegen niemand. Zodra de andere bezoekers aanstalten maakten om haar aan te spreken dan dook ze weg achter de vader van Thea die zich in allerlei sociaal acceptabele bochten wrong om de caperiolen van zijn vrouw te compenseren. Thea werd overvallen door de kinderachtige opstelling van haar moeder, maar ze was niet onder de indruk. Bart en zij hadden haar niet willen belasten, maar ook niet negeren. Alleen daarom hadden zij de moeder van Thea gevraagd of ze de peetmoeder van Walter wilde zijn. Ze had nee kunnen zeggen en wegblijven van het doopfeest van haar kleinkinderen. Niemand zou haar dat kwalijk genomen hebben. Maar na al die jaren was eigen initiatief in geloofszaken nog steeds een brug te ver. Had oma echter werkelijk zo rigoureus gebroken met het religieuze verleden als ze beweerde, dan had ze veel beter letterlijk en figuurlijk afstand kunnen nemen van het sacrament van de christelijke initiatie van haar kleinkinderen. Nu dreigde ze voor de rest van haar leven niet meer serieus te worden genomen door de buitenwacht. Vooral tijdens de after party wist de moeder van Thea alle negatieve aandacht op zich te vestigen door tartend, stilzwijgend in een hoekje te gaan zitten bouderen.

‘Gaat het wel goed met jouw moeder?’, vroeg de broer van Bart.

‘Toch geen Alzheimer?’

‘Gevalletje kont tegen de krib’, prevelde vader in het oor van Thea die in de keuken hapjes prepareerde.

‘Ze denken dat je aan het dementeren bent mam’, verwittigde  Thea haar moeder later toen het doopfeest al lang en breed achter de rug was.

Alles wat moeder daarop te zeggen had was:

’Puh.’ 

Toch nam ze de waarschuwing van Thea ter harte en tegen de tijd dat Sabine zo’n zes jaar later haar communie deed had ze haar afkeer in banen weten te leiden. De moeder van Thea was niet van plan om er  meer woorden aan vuil te maken dan noodzakelijk, maar niemand hoefde haar uit te leggen dat de erfenis van een religieus verleden niet hetzelfde is als inzicht in de tijdloze symboliek van de geloofsrituelen. Zo kende Thea haar moeder tenminste weer. 

 

HOOFDSTUK 16

Tegenwoordig kijkt men op katholieke basisscholen zoals De Wielewaal – en ook Het Kleurenpalet trouwens – niet op een religie meer of minder. Het merendeel van de ouders van groep 4 van Sabine werd dan ook niet warm of koud van de schriftelijke oproep tot de communie van de geestelijke leiding van de parochiekerk. Ze legden de brief onverschillig naast zich neer. Daartegenover raakten sommige islamitische ouders wel van slag van het traditionele rooms-katholieke inschrijfformulier waarmee hun kinderen kwamen aanzetten. Enkele moslims waren zelfs in hun eer aangetast. Wat had dit te betekenen? Dalila, de moeder van een Marokkaans vriendinnetje van Sabine, propte zelfs op de speelplaats het, zojuist van haar dochtertje ontvangen, A-viertje ten overstaan van Thea demonstratief tot een balletje en mikte het in de buitenafvalbak. Toen droeg Dalila nog geen hoofddoek. Ze is een dochter van eerste generatie Marokkanen; en naar eigen zeggen in Nederland geboren en getogen. Sterker nog: ze is in de witte wijk opgegroeid en schijnt zelfs haar basisschooljaren op De Wielewaal gesleten te hebben. Haar dochter Zarah zat vanaf het begin op De Wielewaal en in groep 4 bij Sabine in de klas. Zodra de gelegenheid zich voordeed dan zochten de 2 meisjes  elkaar op. Nou schiep Thea er niet bepaald genoegen in om welke ontluikende vriendschap dan ook in de kiem te smoren, maar als dat betekende dat ze consequent haar mening voor zich moest houden ten opzichte van de islamitische medelander, dan maar geen Marokkaans beste vriendinnetje voor Sabine. Thea was niet van willens om van haar hart een moordkuil te maken en ze ventileerde luidkeels: 

‘Wat dit te betekenen heeft? Heb je er eigenlijk wel bij stilgestaan dat De Wielewaal nog steeds een roomse school is?’

‘Een wat voor school!?’, hikte Dalila spottend.

Ze had meteen lachers op haar hand.

‘Rooms-Katholiek’, verduidelijkte Thea minzaam.

‘Geloof doet niet ter zake’.

Deze insteek in de conversatie was afkomstig van een vader die zich al herhaaldelijk aan iedereen had voorgesteld als Gerrit Pronken. Hij  was professor én hoogleraar in de geschiedenis. Dat wist inmiddels dus iedereen. Hij was voor de tweede keer getrouwd met een katholieke, veel jongere vrouw. Ze kwam uit één van de Balkan landen. Wat je ver haalt is lekker. Zijn zoontje zat bij Walter in de klas. Professor G. Pronken had er een handje van om zich bij voorkeur te mengen in zaken waar hij alleen indirect iets mee te maken had.

‘Dat moet uitgerekend jij vertellen’, smaalde Thea.

‘Wat moet uitgerekend ik vertellen?’

De professor koos voor defensieve actie alsof hij eigenlijk wilde zeggen:

‘Doe niet net of je me kent; jij minkukel van een vrouwspersoon.’

‘Jij als oude rot in het vak moet toch weten dat religie door de eeuwen heen wel degelijk ter zake heeft gedaan.’

Thea was niet van plan om zich zomaar aan de kant te laten zetten door een geleerde opa en wat geamuseerde, simpele zielen op het schoolplein.

‘Iedere ouder bepaalt zelf of hij of zij een kind ter communie laat gaan’, bestemde de geleerde opa.

‘Ja’, vond Dalila olijk en zogenaamd eensgezind met die bemoeizuchtige oude man.

Geëxalteerd vervolgde ze met een schalkse knipoog:

‘Dat moet iedereen toch zelf weten Thea.’

Met tegenzin wist Thea voor de lieve vrede een zuur grimlachje op haar lippen te toveren. Stiekem had ze steeds meer moeite met de moeder van Zarah. Dalila was zichtbaar stukken jonger dan Thea en dat liet ze merken ook. Maar dat was niet de reden van de antipathie die ze bij Thea opriep. Thea vocht een verloren strijd tegen de grillige verborgen agenda van Dalila die aan ongrijpbare veranderingen en onpeilbare stemmingswisselingen onderhevig was. Het soort pretenties dat door sociaal debiele mannen ook wel uitgelegd wordt als ‘het fascinerende gedragspatroon van de ondoorgrondelijke vrouw’. Een eufemistische manier om te verbloemen dat niemand ooit wist waar hij of zij bij de typische, exotische Dalila aan toe was. Ook Zarah en haar 2 oudere zusjes niet. Nog een zegen dat de kinderen konden terugvallen op hun Marokkaanse oma die vaak in plaats van de moderne Dalila in donkere gewaden en hijab aan de poort van De Wielewaal opdook om haar kleinkinderen van school op te halen. Op het speelplein herenigde de oma van Zarah zich meestal met thuislandgenoten die elkaar in de bescherming van hun wapperende lappen onderling luidkeels begroetten met een onverstaanbare Arabische tongval die geen buitenstaander duldde. Herkenbaar, éénkennig groepsgedrag van De Kleine Beer en Het Kleurenpalet. Ook islamitische medelanders doen dus niet voor elkaar onder. Zelden stond de oma van Zarah ook weleens alleen op het speelplein in klederdracht op haar 3 kleindochters te wachten tussen de casual geklede ouders. Ze leek op een ingeklapte, zwarte parasol op een druk bevolkt, zonnig terras. Zarah schaamde zich dan altijd een beetje voor haar afwijkende oma ten opzichte van Sabine en Thea. Maar de grootmoeder van Zarah deed Thea juist nostalgisch aan haar eigen oma terugdenken die op een gelijksoortige manier, in een lange astrakan – uit vervlogen, betere tijden – en een hoedje, tot haar 92ste in weer en wind de straten onveilig maakte. Heel soms, als de grootmoeder van Zarah niet vergezeld ging van één van haar vriendinnen, placht ze de ongesluierde ouders om haar heen wel te groeten door vriendelijk knikkend te glimlachen. Thea kon zich bij dit markante wezen juist heel goed een verwante huiselijke kneuterigheid als vroeger bij haar  oma voorstellen. Bij zo’n flagrante sfeertekening doet de klederdracht of het land van herkomst er helemaal niet toe. 

Onder invloed van het thuisfront was  Zarah niet in staat om de minachting van haar moeder Dalila voor de aanstaande communie van Sabine te verdoezelen. Op dwingend verzoek van de zevenjarige Sabine nam Thea in de middagpauze regelmatig klasgenootjes van school mee naar huis voor de lunch en Zarah was meestentijds de gelukkige. Zarah was een charmant kind, met een rappe tong. Ze was prachtig om te zien. Met een exuberante bos pikzwart haar en een gezellige bolle toet met vurige hout kooltjes als mysterieuze blikvangers. Bij nadere kennismaking ontpopte Zarah zich wel een beetje te lethargisch naar de smaak van Thea. Zarah zou dan ook niet haar keuze geweest zijn, maar Thea was Sabine niet. Sabine liet zich meestal geamuseerd overspoelen door de non-stop woordenstroom van haar vriendinnetje. Het feit dat Zarah een moslima van Marokkaanse afkomst is, begon pas een rol te spelen toen de communie van Sabine in aantocht was.

‘Ik ga morgen ook met Sabine afpreken.’

Tijdens een lunch op een dinsdag bij Thea aan de keukentafel probeerde Zarah de woensdagmiddag alvast te reserveren.

‘Ja, maar morgen heeft Sabine een afspraak’, sprak Thea namens haar dochter die net haar tandjes in een kadetje met hagelslag had gezet.

‘Bij de dokter?’

Zarah draaide aan het deksel van de pot met aardbeienjam.

‘Nee, nieuwsgierig aagje’, lachte Thea.

‘Ze moet oefenen voor haar communie’, lichtte Walter namens zijn zusje toe.

‘Wat is dat?’

‘Dan krijg je veel cadeautjes’, antwoordde Sabine, terwijl ze een paar achtergebleven, kleverige hagelslagkorreltjes om haar mond een handje na hielp op weg naar binnen.

‘Ik doe ook mijn communie als ik in groep 4 zit’, deelde Walter mee.

‘Waarom?’

Thea vond Zarah schattig met haar donkere, peilloze, sprankelende kijkers op scherp in dat onschuldige snoetje. Wat wist zo’n kind nou van verschillende religies; laat staan van het verschil tussen de islam en het katholicisme? Krampachtig probeerde Thea een zo eenvoudig mogelijk beeld van het traject van een gemiddelde 7jarige communicant voor Zarah te verduidelijken:

‘Sabine gaat vanaf morgen 12 weken lang elke woensdagmiddag naar de katholieke moskee.’

Niet alleen de zevenjarige Zarah keek Thea aan alsof ze Koeterwaals sprak.

’Ik dacht dat ik naar de kerk moest’, riep Sabine verontwaardigd uit.

‘Klopt, de katholieke kerk.’

‘Dat is toch geen moskee’, vond Zarah.

‘Nee, dat is ook zo’, gaf Thea toe.

‘Zarah gaat iedere zondag naar een school bij de moskee’, liet Sabine haar moeder voor de goede orde even weten.

Tot voel- en zichtbaar ongenoegen van Zarah.

‘O ja? Nou daar leer je zeker over de koran? Morgen begint Sabine met eenzelfde soort lessen. Maar dan over de bijbel. Samen met andere leeftijdgenootjes die straks ook de communie doen.’

‘Dan mag ik tosti’s eten’, vulde Sabine vrolijk aan.

‘Dat mag ik allang’, pochte Zarah.

‘Nee, Sabine je bedoelt hosties’, lachte Thea.

‘Wat zijn hosties?’

Het gezicht van Walter betrok.

‘Een hostie is een klein stukje deeg dat in de kerk aan de katholieken wordt uitgedeeld tijdens de dienst.’

‘Waarom?’, wilde Walter vervolgens natuurlijk weten.

Ook namens Zarah en Sabine die Thea nietszeggend aan zaten te kijken. Ondertussen pijnigde Thea haar hersens over een kindvriendelijke uitleg van de katholieke geloofsbelijdenis.

‘Mensen kunnen niet zonder eten. Dus niet zonder brood. Maar ook niet zonder God. Dus eten de mensen een hostie in de kerk omdat alleen maar hardop dankjewel zeggen zo karig is.’

‘Is een hostie niet vies?’, wilde Sabine zeker weten.

‘Het smaakt naar snoeppapier’, realiseerde Thea zich ineens.

Tegelijkertijd viel haar plotseling op dat Zarah zo in zichzelf gekeerd van haar jamboterham pitste. Thea wilde Zarah niet buitensluiten en vroeg:

‘Hebben jullie in de islam geen communie?’

‘Weet ik niet’, fluisterde Zarah gereserveerd.

Voor Thea reden genoeg om door te draven in haar poging om Zarah bij het gesprek te betrekken:

‘Hoe heet dat ook alweer in de islam; shahada toch? De geloofsbelijdenis? Krijg je daarom elke zondag les van een imam? In het katholieke geloof noemden wij dat vroeger de zondagsschool’.

Met die opmerking hoopte Thea de aandacht van het pijnpunt af te leiden. Al begreep ze ook niet precies waar de schoen wrong.

‘Er is maar één God’, kondigde Zarah verward aan.

‘Je kunt de islam en het katholicisme  toch met elkaar vergelijken’, probeerde Thea.  

Ofschoon ze vreesde dat ze veel te moeilijk deed voor drie kinderen uit de onderbouw van de basisschool.

‘Sabine gaat samen met een priester en andere kinderen verhalen uit de kinderbijbel lezen. De bijbel is net zoiets als de koran.’

Zarah zat heftig met haar hoofd te schudden en Thea begon zich te ergeren aan het taaie kind. Walter pikte haar irritatie op en gooide nog wat olie op het vuur:

‘De katholieken; dat zijn toch de beste mam?’

Om niet in lachen uit te barsten nam Thea een slok van haar koffie. Walter had haar weer met beide benen op de grond gezet.

‘Welnee’, beweerde ze ginnegappend.

‘Ik wil niet in de kinderbijbel lezen; ik wil met Zarah spelen!’, meldde Sabine onverwacht.

‘Ach joh; je gaat het best leuk vinden.’

Thea moest toch iets zeggen.

‘Koranlessen zijn zo erg.’

Dat was Zarah.

‘Je moet Arabisch lezen. Da’s andersom. Van bladzijde 2 naar bladzijde 1 en beneden beginnen tot naar boven.’

‘Echt?’

Walter geloofde er niks van en Sabine hing aan de lippen van Zarah.

‘Niet waar toch mama?’, vond Walter.

‘Ik geloof Zarah wel hoor’, antwoordde Thea diplomatiek.

‘Moet ik ook abracadabra lezen?’

Door toedoen van Zarah gedroeg Sabine zich alsof ze door haar moeder in een val gelokt was.

‘Je hoorde toch wat Zarah net zei?’

‘Wat dan?’, vroeg Walter bedremmeld.

Met kinderen over religie praten is onbegonnen werk. Ergo; over het geloof praten met wie dan ook is sowieso geen beginnen aan. Thea gaf zich gewonnen.

‘Zarah zei net dat de koran en de bijbel niet hetzelfde boek zijn. Dus de communie zal ook wel totaal anders zijn dan de shahada.’

Niet zo gek dus dat Thea compleet werd overvallen door de reactie van Zarah die prompt na het laatste islamitische woord, als een muis met een kat in het vizier, van tafel schoot en in het gangtoilet te verdween. Met een klik liet ze het ludieke, vooroorlogse deurslot in de bezetstand vallen. Een half uur later zat Zarah nog op de w.c.. Aan de piepgeluiden te horen speelde ze het spelletje ‘blokken’ ook wel bekend als ‘tetris’ op een préhistorisch gamecomputertje van Bart dat hij in een ladekastje in de hoek van het toilet bewaarde. Het was bedoeld voor algemeen gebruik. Laat zo’n niet religieus spelletje nou verslavend zijn zonder aanschijns des persoons.

In groep 4 van 25 kinderen deden naast Sabine och arme twee andere kinderen de communie. Een jaar later was de oogst nog kariger. Walter ontpopte zich als de enige vertegenwoordiger van De Wielewaal in het kerkclubje met geloofsgenootjes. De rest werd geworven op andere basisscholen verdeeld over de hele stad. In het katholieke achterland van Bart en Thea in de jaren 60 en 70 werd het volledige communicantenbestand in de parochie zonder uitzondering door hun toenmalige ‘tweede klas’ bezet. Daar ontkwam pak weg veertig jaar geleden  geen katholieke basisschool aan. Dan had Pater Ward het in de 21ste eeuw een stuk moeilijker. Godzijdank was hij echter voor geen kleintje vervaard en wist zowel voor de communieronde van Sabine als, het jaar daarop, van Walter, her en der 12 kinderen bijeen te sprokkelen voor de katholieke geloofsbelijdenis. Zonder zich verder af te laten leiden door de sociale media kweet pater Ward zich vervolgens geestdriftig aan zijn taak. Tot op de dag van de communie bleef pater Ward het woord van God verkondigen aan de gerekruteerde 7 tot 8jarigen. Tijdloos en universeel. Met de nodige terughoudendheid stond Thea dan ook met Sabine aan haar hand voor de open poorten van de kerk. Mocht er pure devotie van haar verwacht worden dan kon ze de communie van haar kinderen wel vergeten. Thea was gedoopt. Ze had haar communie gedaan en ze was gevormd. Hier hield haar conformisme aan het uiterlijke geloofsvertoon op. Bart en zij waren niet voor de kerk getrouwd, maar gaven elkaar het jawoord in het plaatselijke stadhuis op een doordeweekse, druilerige werkdag in september. Bij de keuze van de huwelijksdatum speelde de slogan ‘donderdag gratis trouwdag’ van de gemeente een vermeldenswaardige rol. Ondertussen verschoonde schoonmoeder thuis de piepkleine Sabine die toen net 4 weken en 6 dagen op de wereld was. Thea had geen maagdelijk, witte trouwjurk en Bart foeterde in de file op weg naar de plechtigheid dat hij het weer, verkeer en het hele gedoe ‘3 keer niks’ vond. Zodra er evenwel een kind of meer in het spel is dan blijkt een huwelijk gewoon op alle fronten praktischer dan een samenlevingscontract. Met of zonder kerkelijke inzegening. Maar Sabine en Walter moesten wel gedoopt worden en de communie zou er bij beiden ook komen. Ondanks de scepsis van bijna alle familieleden. Vanalles hadden ze van Bart en Thea kunnen verwachten, maar geen zedig doopsel of de heilige communie van hun kroost. Zeker niet na die sobere trouwerij. Eén van de zussen van de vader van Thea was het meest begaan met het religieuze lot van Sabine en Walter. In haar jonge jaren was tante Agnes non geweest. Haar habijt had ze al decennia terug ingeruild voor een huwelijk met oom Vincent. Toen echter het massale seksuele misbruik van minderjarige parochianen door geestelijken binnen de katholieke kerk publiekelijk aan het licht kwam, had tante Agnes het naar eigen zeggen voorgoed gehad met het katholicisme. En eigenlijk ook wel met iedereen die haar rigide opvattingen niet terstond deelde. Desondanks hielden Thea en Bart vast aan hun overtuiging dat kinderen gebaat zijn bij inzicht in het concept van een geloof. Zij waren niet meer opgegroeid met hel en verdoemenis zoals tante Agnes. Bart  had zich als koorknaap voor eeuwig laten inpalmen door de pracht en praal van de katholieke kerk. Ook roomse geloofsrituelen blijven hem fascineren en rangschikken de memorabele geluksmomenten uit zijn kindertijd. En Thea koestert zoveel warme herinneringen aan haar oma met haar devotie voor ‘ons lief heertje’ en haar levenslange vrije interpretatie van de catechese dat ze haar kinderen een kijkje in de vindingrijke keuken van het katholicisme niet wilde onthouden.  Opdat ze opgroeien met het besef dat religie niet als machtsverklaring van een God bedoeld is, maar dat geloof voortvloeit uit een gemeenschappelijk onderbuikgevoel, waarvan jong volwassenen op eigen initiatief al dan geen afstand kunnen nemen.

Pater Ward vroeg om ouderhulp tijdens de bijeenkomsten op woensdagmiddag in de weken tot aan de datum van de communie. Hoewel hij al tijdens de eerste ontmoeting met de groep communicanten blijk gaf van het soort natuurlijke overwicht op kinderen waar menig leerkracht jaloers op mocht zijn. En alsof dat nog niet genoeg was, werd hij permanent bijgestaan en op de voet gevolgd door ene Ingrid. Ingrid was een onwrikbaar, kerkelijk in de echt verbonden moeder van 3 kinderen. Ingrid straalde ouderwetse deugd, gemeenschapszin en vroomheid uit. Wat overigens niet per definitie volgzaam gedrag impliceert. Ingrid aanbad God. Uit naastenliefde betuttelde ze pater Ward, zijn communicanten en andere betrokkenen. Kortom: haar medemensen. En dat allemaal op vrijwillige basis. Pater Ward liet de bedillerige Ingrid tot op zekere hoogte tegen zich aanleunen, maar hij was duidelijk de gezagdrager. Hij was er het type niet na om aanbeden te willen worden en je zag dat hij de bemoedering van Ingrid moeiteloos in banen wist te leiden. Prijzenswaardig voor een man die nog nooit een seksuele relatie met een ander heeft gehad. En zo wel dan toch héééél lang geleden. Als het goed is. Thea vermoedde dat pater Ward met Ingrid aan zijn zijde onder meer de slechte reputatie van de katholieke kerk wenste op te krikken. Ingrid gold als een  geloofwaardige toezichthoudster op het transparante optreden van pater Ward. Door ouders zoveel mogelijk bij de religieuze kinderkransjes te betrekken hoopte hij ze over de achterdochtige streep te helpen. Thea was dan ook vaak van de partij. Maar niet omdat ze bang was voor seksueel misbruik van Sabine of Walter door pater Ward. Nee, Thea was eerder huiverig voor uitsluiting door onaangepast gedrag van haar kant. Mede door de aanwezigheid van de karakteristieke, moederkloekerige huishoudster alias gouvernante in een modern jasje, oftewel Ingrid, zag ze de welbekende kritische bui van Het Kleurenpalet en De Wielewaal over Sabine en Walter al weer hangen. Het hele riedeltje van steken onder water zou de revue uiteraard opnieuw kunnen passeren. De mankerende taalontwikkeling zou het voorlezen in de kerk door Sabine of Walter wel weer in de weg staan. En je zou zien dat de kinderen van Bart en Thea natuurlijk niet stil konden zitten in de kerk omdat Sabine en Walter algemeen bekend voor galg en rad opgroeiden in die achterstandswijk en dat ze dan van Ingrid een voorbeeld moesten nemen  aan de andere, voorbeeldige  communicanten uit de betere buurten van de stad. Wie weet begon Walter wel ineens te slaan, omdat hij te snel geïrriteerd raakte van alle voorbeeldige kindjes om hem heen. Dus was Thea op haar hoede, in de buurt en te allen tijde bereid om zich als bastion van vrijzinnigheid voor Sabine en Walter op te werpen.

Onterecht. De tweewekelijkse kerkbezoekjes op woensdagmiddag werden net zo vertrouwd voor de 2 kinderen van Bart en Thea als de visites aan de 2 alleenstaande oma’s om de 14 dagen. Verplichte nummertjes, maar niet vervelend en bij de oma’s meestal bezegeld met speelgoedcadeautjes en andere verwennerijen voor Sabine en Walter. De oma’s waren lief en zorgzaam. Ieder op hun eigen manier. Zo ook pater Ward en zelfs Ingrid. Pater Ward kon inspirerend prachtige verhalen uit de kinderbijbel vertellen en Ingrid zorgde tijdens elke bijeenkomst voor snoep, koeken en limonade. Als vanzelf hervonden Sabine en Walter zichzelf in een tolerante, kleine gemeenschap van communicanten waarin de kinderen onderling net zo van elkaar verschilden als in de groepen van De Wielewaal. Zelfs Bruce uit de klas van Sabine die ook deelnam aan de voorbereidingen op de eerste heilige communie viel niet buiten de boot. En dat terwijl het doopsel er na zijn geboorte vanwege vechtscheidingsperikelen bij was ingeschoten. Met plaatsvervangende schaamte hoorde Thea op de speelplaats het verloop van de huwelijksbreuk uit de gedetailleerde bron van de hoogblonde moeder van Bruce aan. Janet was 4 maal getrouwd geweest en even zoveel keer gescheiden van 4 verschillende Antilliaanse mannen van wie ze elk een kind had. Haar eerste zoon kwam ernstig geestelijk gehandicapt ter wereld; gevolgd door haar 2 mooie meiden en tenslotte het perfecte wenskindje; Bruce. Een knap, getint jongetje dat precies even oud is als Sabine. Op 7 jarige leeftijd schept een gedeelde verjaardag een band en Bruce speelde dan ook weleens bij Bart en Thea thuis, omdat Sabine als klein meisje nou een maal iedereen en alles mee naar huis sleepte. Uit zichzelf ging Bruce nooit weg en Janet was slecht ter been, omdat ze naar eigen zeggen leed aan allerlei onduidelijke, ongeneselijke aandoeningen en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Daarom was Thea genoodzaakt om vriendje Bruce bij iedere voorgenomen speelgelegenheid te halen en brengen. Omdat Thea echter zelf ook nog een leven heeft, probeerde ze de speelmomenten tussen Bruce en Sabine tot het minimum te beperken. Tot onbegrip van Janet. Als reactie op de terughoudendheid van Thea verspreidde zij de roddel op De Wielewaal dat de ouders van Sabine met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid racisten waren. Bruce was immers een halfbloedje en ook nog eens hoogbegaafd. Dat kon gajes als Bart en Thea natuurlijk niet uitstaan. Vieze uitkeringstrekkers met die vechtmachine als zoon. Die Walter dus die ze op een kwaliteitsschool als De Wielewaal openlijk van Wonderwilma lieten profiteren. Die Tokkiefamilie die huisden in die verpauperde gelukszoekersbuurt; vol met Turken en Marokkanen en andere minderwaardige buitenlanders.

Op een dag zag Thea geen kans om Bruce rond etenstijd naar huis te brengen en ze had ook geen zin om hem weer aan de eettafel aan te laten schuiven. Bruce at voor 10. Desondanks had hij altijd kritiek op wat hij van Thea voorgeschoteld kreeg. Hij hield niet van ‘Hollands’ eten.

‘Dan breng ik je wel even naar huis. Dan eet je daar lekker Antilliaans’, sneerde Bart.

‘Sabine; jij rijdt even met papa en Bruce mee’, gebood Thea.

Bij Bart was de maat duidelijk vol en dan kon hij nogal kort door de bocht reageren. De directe aanwezigheid van Sabine zou hem afremmen. Bruce kon zijn schoenen niet vinden. Afgeleid kroop hij terug naast Walter achter de gamecomputer.

‘Trek je schoenen eens aan Bruce’, beval Thea vanachter het fornuis.

‘Ik blijf hier eten’, talmde Bruce.

‘Ik dacht het niet!’, donderde Bart.

Gealarmeerd begon Sabine aan de arm van Bruce te sjorren:

‘Kom nou Bruce.’

Bruce verroerde zich pas toen Walter vanaf zijn gamecomputer reageerde:

‘Ga naar huis Bruce; je kunt toch niet van mij winnen!’

Bruce sloeg liever op de vlucht dan zijn nederlaag te erkennen en Thea zou Thea niet zijn als ze weer eens geen medelijden had.

‘Hij is pas 7 jaar. Hij kan er niets aan doen!’, riep ze Bart op weg naar zijn auto nog na.

Bart smakte het portier van zijn Citroen onnodig hard dicht. Sabine en Bruce kropen naast elkaar op de achterbank. In woonwijk van Bruce aangekomen realiseerde Bart zich ineens dat hij geen idee had van het huisadres van het vriendje van zijn dochter.

‘Waar woon je precies Bruce?’, vroeg hij zo neutraal mogelijk.

‘Weet ik niet’, grijnsde Bruce in de achteruitkijkspiegel.

‘Dat weet je wel!’, beweerde Sabine.

Bruce zweeg.

‘Mama en ik hebben jou al zo vaak naar huis gebracht. Ik weet het zelfs’, vervolgde Sabine bestraffend.

‘Is het nog ver? Welke kant moet ik op? Het lijkt hier wel een doolhof’, wilde Bart met groeiend ongeduld weten.

‘Nog maar 3 straten of zo; je moet hier afslaan, toch Bruce?’, probeerde Sabine.

Bruce zweeg.

‘Hallo, Sabine vraagt je wat Bruce!’, daverde Bart vanachter het stuur.

‘Ik ben het vergeten’, bokte Bruce plagerig.

Met een harde knal raakte de uitlaat van de Citroen de rand van een verkeersdrempel. Onbesuisd ging Bart vol op de rem.

‘Eruit’, beval hij.

Bruce bleef zitten waar hij zat en keek star voor zich uit. Sabine besloot haar vader behulpzaam te zijn, omdat ze ook niet snapte wat Bruce bezielde. Hij was vlak bij zijn woonhuis. Dat wist ze wel.

‘Je moet hier uitstappen en zelf naar huis lopen Bruce. Het is niet ver. Weet je nog?’, probeerde Sabine voorzichtig.

Haar rustige aanpak had succes. Terecht gewezen vond Bruce zijn weg uit de auto en maakte dat hij weg kwam. Hij liet een donkere, natte vlek achter op zijn voormalige zitplaats naast Sabine op de gestoffeerde licht blauwe achterbank van de Citroen. Bruce had in zijn broek geplast.

‘Waarom doet hij dan ook zo vervelend’, pruttelde Bart schuldbewust na, terwijl hij met een plantenspuit gevuld met verdunde spiritus en een duizend dingen doekje in de weer ging.

‘Je moet hem maar niet meer te spelen vragen’, vond Thea.

Berustend had Sabine gegiecheld:

‘Na vandaag durft hij vast niet eens meer’.

Het ongelukje van Bruce wierp Thea in gedachten terug naar de  herfstvakantie uit die periode. Sabine was net 7 en Walter 6. Ze mochten alle twee een vriendje of vriendinnetje uitnodigen voor een hele dag plezier in Monkeytown; een indoorspeeltuin. Sabine koos voor Ronnie en Walter voor Tim. Dat Tim op het laatste moment verhinderd was, zal wel weer aan mama Jenny gelegen hebben. Het leven is echter te kort om overal heisa van te maken en dus belde Thea in de gauwigheid alle klasgenootjes van Walter net zolang totdat ze een plaatsvervanger voor Tim bereid had gevonden om met Walter mee te gaan naar Monkeytown. Elfie werd de gelukkige. Haar vader was psychiater en haar moeder psycholoog. Het prototype van een vlot koppel dat zich voordeed als een ruimdenkend stel. Thea vond het wel meevallen. Zo sprak het feit dat het echtpaar openlijk wegliep met meester Gijsbert wat haar betreft niet in hun voordeel. De moeder van Elfie had eens langs haar neus weg tegen Thea opgemerkt:

‘Ik zou me niet zo druk maken over Walter. Gijsbert is erg goed met onhandelbare kinderen.’

Thea hapte meteen:

‘Ik weet niet wie jij onhandelbaar vindt; maar Walter is in ieder geval niet onhandelbaar.’

Met een minzaam knikje onthield de moeder van Elfie zich van verder commentaar, maar de grote psychiater en vader van Elfie vond het nodig om het hardnekkige vooroordeel, dat over Walter op De Wielewaal de rondte deed, er bij Thea nog eens extra in te wrijven.

‘Goed visweer vandaag!’

Zijn leuke opmerking was eigenlijk gewoon een verkapte instemming met de kromme mening van zijn vrouw de psychologe. Enfin Elfie had haar ouders niet uitgezocht. Het was een grappig meisje en ze kon prima met Walter opschieten. Zo had Walter ook een introducee voor Monkeytown. Bart had een vrije dag thuis voor zichzelf en Thea nestelde zich met haar ereader en een thermoskan aan een tafeltje in de indoorspeeltuin in de buurt van het uitgelaten grut. Monkeytown bood een grote apenkooi met spring- en luchtkussens; klimtouwen, schommels, een ballenbak, raceautootjes; kortom prima toeven op een lange, druilerige herfstvakantiedag voor 4 energiebommetjes. De kinderen zagen rood van de pret en opwinding. Wel fluisterde Sabine al na een uur in het oor van Thea:

‘Volgens mij heeft Elfie in haar broek geplast.’

‘Vast niet.’

Thea stelde vooral zichzelf gerust, want ze had geen schone broek bij zich. Sabine en Walter waren misschien niet de snelsten van hun generatie, maar op de leeftijd van 6 en 7 jaar waren ze toch echt zindelijk. Voor de zekerheid besloot Thea de eerst volgende keer om Elfie toch maar even aan haar tengere bovenarmpje tegen te houden tijdens haar oeverloze stormgangetjes van en naar de ballenbak. Op het bipsgebied van het spijkerbroekje prijkte een donkere, zichtbaar doorweekte vlek.

‘Je hebt in je broek geplast Elfie’, constateerde Thea nuchter.

‘Weet ik’, antwoordde Elfie diffuus en weg was ze weer.

Op dringend, telefonisch verzoek van Thea moest Bart zijn vrije tijd opofferen om op te komen draven met een droge onderbroek en een jeans van Sabine die hij echt niet zonder een zoektocht door de kledingkast van zijn dochter en de nodige instructies van zijn vrouw gevonden had. Daar kwam nog bij dat een ritje naar en van Monkeytown bij elkaar een uur rijden in beslag nam.

‘Sorry’, zei Thea toen Bart eindelijk gearriveerd was.

Bij de ingang van Monkeytown had Bart ook nog eens gelazer gehad, omdat hij geen toegangsbewijs kon laten zien.

‘Ik baal hier dus van’, mopperde goedzak Bart.

De jeans van Sabine was Elfie veel te groot. Niemand had een riem voorhanden. Een inventieve receptioniste van Monkeytown kwam met het idee om een grijze vuilniszak in reepjes te knippen. Gezamenlijk  vlochten en knoopten de dames een plastic ceintuur die ervoor zorgde dat de schone jeans van Elfie niet steeds op half elf hing tijdens het ravotten.

‘Waar is je Eager Beaver!’, gruwelde de moeder van Elfie meteen nadat ze de voordeur opende.

‘Ik kan niet bij de bel’, had Elfie gejammerd, omdat Thea haar eigenlijk alleen maar voor haar huis  had willen afzetten.

Het was leuk geweest in Mokeytown. Naarmate het einde naderde was Elfie wel steeds meer in zichzelf gekeerd geraakt. Ze was moe gespeeld natuurlijk en begon spontaan te huilen toen ze haar moeder in de deuropening vol afschuw de handen voor de mond zag slaan.

‘Ze heeft in haar broek geplast’, suste Thea op een toontje waarmee ze eigenlijk wilde zeggen:

‘Stel je niet zo aan mens.’

Tegelijkertijd reikte ze de moeder van Elfie een plastic zak aan:

‘Hier is je Eager Beaver.’

Anders had ze de natte spijkerbroek echt wel aan Elfie meegegeven. Ze was niet van plan om ook nog de was te doen voor mevrouw. Psychologe of niet.

‘Naar boven jij, douchen’, grauwde de moeder van Elfie.

Met een klaaglijk jankgeluid als van een gewond diertje stormde Elfie de trap achter haar moeder, die nog in de hal bij de voordeur stond, op. Wat een domper op het eind van een leuke herfstvakantiedag.

‘Ze heeft toch niet expres in haar broek geplast’, getuigde Thea verbouwereerd.

‘Natuurlijk heeft ze dat wel expres gedaan’, gilde de moeder van Elfie hysterisch.

Inhalig griste ze de plastic tas uit de hand van Thea waarna ze de voordeur met een klap dichtsmeet. Pal voor de neus van Thea die zich voor de zoveelste keer overvallen wist door haar eigen naïviteit.

Om Indianenverhalen te voorkomen probeerde Thea de valse sanitaire stop van Bruce in de Citroën van Bart  wat tactvoller aan te pakken dan het plasincident van Elfie in het speelparadijs. Bart bedoelde het niet zo kwaad. Al zou hij dat zelf nooit toegeven. Thea kon zich niet voorstellen dat Bruce zijn natte broek thuis voor zijn moeder verborgen had weten te houden. Voordat de opstelling van Bart publiekelijk aan de kaak gesteld zou worden, had Thea graag haar kant van het verhaal uit de doeken gedaan. Toch ontweek Janet een eventuele evaluatie van het plasincident  op alle mogelijke manieren. Misschien was ze bang voor een schadeclaim vanwege de urinevlek die Bruce op de zitting van de achterbank van de Citroën van Bart wel moest hebben achtergelaten. Ontmoedigd door het ontwijkgedrag van Janet, gaf Thea uiteindelijk haar pogingen om het roddelletsel voor Bart te beperken maar op.

‘Laat ze toch denken en zeggen over mij wat ze willen’, vond Bart en hij meende wat hij zei.

Maar Thea werd er pas wat geruster op toen duidelijk werd dat Janet deze keer eens niet gebruik maakte van de mogelijkheid om de papa en mama van Sabine bij de ouders van De Wielewaal nog zwarter te maken dan ze figuurlijk gezien al waren. Janet had het ineens veel te druk met belangrijkere zaken om zich met roddel en achterklap bezig te houden. Pater Ward van de  communicantenbegeleiding gaf hiertoe de aanzet. Bruce zou op korte termijn namelijk gedoopt worden. Bruce moest gedoopt worden, want anders kon hij zijn communie niet doen. Precies hetzelfde gold voor Miranda; dat andere kind uit groep 4 van De Wielewaal dat samen met Bruce onder toeziend oog van, onder meer, alle aanstaande communicanten en hun aanhang tijdens een officiële, zondagse kerkdienst gedoopt zou worden.

De 7jarige Miranda droeg een witte jurk ter gelegenheid van haar doopfeest. Een lang voluptueus, strapless gewaad dat werd opgevuld met een petticoat en een voorgevormde b.h. met kanten schouderbandjes. Net als Bruce heeft Miranda een donkere vader en een blanke moeder. Ook haar ouders zijn gescheiden. Toch schiepen deze overeenkomsten geen band tussen de moeders van Bruce en Miranda. Ten eerste bestond er een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de 45 jarige Janet en de 25 jarige moeder van Miranda; Dolly genaamd. Ten tweede fluisterde Miranda in elk luisterend oor dat haar echte vader een moslim is en in Marokko woont. Nou zoog Miranda wel meer uit haar duimpje. Zowat iedereen die haar ontmoette ontkwam niet aan haar levendige fantasie en andere symptomen van vermoedelijke ADHD, maar Thea zou niet weten waarom dit specifieke, fabelachtige verhaal niet op waarheid zou kunnen berusten. Waarom was Miranda anders nog niet gedoopt, terwijl moeder Dolly wel serieus van plan was om haar dochter de communie te laten doen? Moeder Dolly leek wel verdacht veel op zo’n hypermoderne twen die haar neus echt niet ophaalde voor een multiculturele oriëntatie op liefdesgebied zonder zich het hoofd te breken over futiliteiten zoals verschillende religieuze achtergronden. En dat Miranda niet al te vaak op de bijeenkomsten ter voorbereiding van de communie verscheen was nog tot daar aan toe. Maar toen Dolly en haar dochter het op een gegeven moment zelfs lieten afweten op een speciale bijeenkomst in de kerk, waarbij aanwezigheid van betrokkenen toch een vereiste van Ward geweest was, greep de pater in het bijzijn van alle aanwezigen ongevraagd naar de mobiel van zijn rechterhand Ingrid. Met een verbeten blik hield hij de telefoon aan zijn oor. Hij kreeg de voicemail. Thea zat toevallig tegenover pater Ward aan tafel. Lacherig en merkbaar opgelaten praatte hij de ingesproken boodschap na: 

‘We zijn er niet en als we er wel zijn dan nemen we de telefoon lekker toch niet aan.’

Toch kon de moeder Dolly niet anders dan van huis uit katholiek zijn. Dat werd wel duidelijk uit de stoet verwanten die routinematig achter het sprookjesprinsesje - dochter Miranda - de kerk in hobbelden. Twee kleinere uitvoeringen van Miranda droegen de voile sleep die als een vitragegordijn uit haar kunstig gekapte kroeshaar ontsproot. Sabine wist niet wat ze zag en ook niet wat ze moest vinden. Ze stond naast Thea in de kerkbank en fluisterde:

‘Okay?’

‘Wil je ook zo’n prinsessenjurk; straks met je communie?’, grapte Thea binnensmonds.

‘Hoeft niet’, twijfelde Sabine.

Bart stond 2 plaatsen verwijderd van Sabine in de kerkbank. Voor Walter langs wendde hij zich tot zijn dochter en fluisterde plagerig:

‘Je weet in ieder geval zeker dat je te kijk loopt in zo’n jurk.’

Sabine schrok er van:

‘Doe dan maar niet.’

Walter besloot zich ook in de conversatie te mengen:

‘Moet ik nou weer net zo lang stilzitten in de kerk als laatst bij de vader van Tim?’      

‘Je kunt anders ook doopsuikerzakjes vullen bij Ingrid en de kleutertjes in de refter?’, stelde Bart bevallig voor.

‘Misschien moet ik dat maar doen’, zei Walter ook nog.

Maar hij bleef braaf in de kerkbank staan. Met rechts van hem in het rijtje zijn vader opgesteld en links van hem zijn moeder en zusje. Totdat hij in navolging van de andere bezoekers eindelijk kon gaan zitten. Net als Sabine hield hij de doopviering ternauwernood vol. Hij werd er merkbaar niet vrolijker van. Het uitzicht van de uitzinnig uitgedoste Miranda maakte de bezoeking voor jonge kinderen nog enigszins draaglijk. Ook Bruce was een bezienswaardigheid. Hij droeg een driedelig glanzend grijs kostuum met alles erop en eraan.

‘Miranda en Bruce gaan trouwen’, zwijmelde Sabine.

‘Ze worden gedoopt toch?’, aarzelde Walter.

Die sjieke outfit van Bruce had Janet  met hulp van het halve ouderbestand van De Wielewaal op de kop kunnen tikken voor 750 euro. Op een zeker moment stond bijna iedereen in hilarische stemming op het speelplein met de mobiel in de hand te googelen onder luid gelamenteer van Janet omdat ze almaar niets naar haar gading voor de doop van Bruce kon vinden. Janet had totaal niet in de gaten dat ze zichzelf belachelijk maakte met haar pretentieuze zoektocht naar passende communiekleding.

‘Ik zoek ook even gezellig mee. Het mag wat kosten, heb ik begrepen’, ginnegapte een vader.

‘Geef je ook een afterparty, lieve schat?’, riep een tweede lolbroek uit het groepje ouders naar Janet.

Op een afstandje van het kliekje koesterde Janet de gefingeerde betrokkenheid om zich heen. Zomaar ineens leefde ze in de waan dat ze in het middelpunt van de belangstelling mocht staan. Thea probeerde Janet  af te leiden van de pesterijtjes door haar een paar goedbedoelde, serieuze zoeksleutels aan te bieden. Ze drong zich op de voorgrond en verwees Janet via haar mobiel door naar enkele van haar online contacten die ze had weten op te doen dankzij haar webshop in vintage spullen. Janet nam niet eens de moeite om interesse te veinzen. Ze gaapte verveeld en lonkte naar andere moeders en vaders op wie ze zo nodig indruk moest maken. Ze koos ervoor om Thea verder te negeren en zodoende een gebaar te maken naar de kudde.

‘Kom gerust langs.’

Vol branie had Janet iedereen op de speelplaats uitgenodigd op het doopfeest van haar zoon.

‘Horen jullie dat? Iedereen is uitgenodigd. Gratis eten en drinken; Janet betaalt’, joelde de nar van het gezelschap.

‘Hier. Ik heb iets gevonden!’, gilde een moeder.

Hysterisch zwaaide ze met haar mobiel in de lucht:

‘Een glitterpak; bij een herenmodezaak; maat 176.’

‘Laat zien’, commandeerde Janet opgewonden.

‘Wat kost het?’, vroeg weer iemand anders.

‘750 eurootjes’, proestte de grappige  moeder.

‘Mijn trouwpak kostte nog niet eens 750 euro’, voegde iemand ongevraagd aan de conversatie toe’

‘Wij katholieken kijken niet op een paar eurootjes, toch Janet?!’, spotte de nar van de speelplaats op misleidende toon, terwijl hij Janet quasi vriendschappelijk porde. 

‘Wat een gaaf pak’, kirde Janet.

Ze was stekeblind voor de ironie. Janet werd uitgelachen en niet toegelachen en Thea stond machteloos.

‘Laat mij een kostuum voor je regelen, Janet. Ik kan je veel geld besparen’, probeerde Thea nog tevergeefs.      

‘Goedkoop is duurkoop’, snoof Janet.

Ze haalde haar neus op voor Thea. Letterlijk en figuurlijk. En de andere moeders moesten Janet hierin toch wel gemeend gelijk geven. Helaas. Pindakaas Thea! Het doopkostuum van Bruce waarvoor Janet dus uiteindelijk 750 euro betaalde, kon immers ook dienen als communiepak. Ter kostenbesparing. Het gevolg was wel dat Bruce werd overtroffen door Miranda, want zij droeg op haar communie niet hetzelfde als tijdens haar doop. Voor de tweede keer in zijn haute couture  gehuld, stak Bruce bijna jammerlijk af naast Miranda in een communiejurk die nog uitzinniger en extravaganter was dan haar doopjurk. Roze getint dit keer met een popeline lange ballonrok bezaaid met honderden kleine handmatig bevestigde satijnen roosjes; een strak met veters dichtgeknoopt fluwelen corset als bovenlijfje met baleinen en pofmouwtjes. Sabine vond de jurk van Miranda ontzaglijk mooi, maar voelde zich toch veiliger in een comfortabele streetlook van Supertrash. Sabine leek op zichzelf, maar dan pas gewassen en gestreken. Maar juffrouw Dorien van De Wielewaal was duidelijk teleurgesteld.

‘Dit is toch zeker niet jouw communiejurk, Sabine?’, vroeg ze tam naar de bekende weg in de ontluistering van een schoolse maandag na het weekend van de communie.

Juffrouw Dorien had natuurlijk gehoopt op een tweede spektakel a la Miranda. Eerder die morgen was Miranda al met veel bombarie in haar roze communiegewaad op school verschenen. Aangemoedigd door de meesmuilende opperouders in de gangen van De Wielewaal, was het onderwijzend personeel net pas bijgekomen van het schouwspel. Miranda hing nu in afwachting van aanvang van de lessen, bedolven onder het popeline van haar sprookjesjurk, ondersteboven aan het klimrek op de speelplaats. Ze droeg een kanten onderbroek met lange pijpjes. Het onderwijsteam van de Wielewaal had zich graag een tweede keer op een maandagmorgen willen verkneukelen over en vergapen aan een heuse communicant. Niet verkeerd oppakken hoor! Maar Sabine was geen toetje op de sluimerende exaltatie. Ze viel alleen maar op omdat ze hippe, frisse, nieuwe kleding droeg, waarvan de herkomst duidelijk niet uit een confectiezaak was. Een outfit die Thea uiteraard voor een kwart van de vraagprijs via haar slinkse, online wegen op de kop had weten te tikken. Op dezelfde manier vond Thea een jaar later ook een praktisch identiek kostuum aan het communiepak van Bruce voor 25 euro. Naast dit enorme prijs onderscheid was het enige andere verschil tussen de communiepakken de kleur. Het kostuum van Walter was glanzend zwart in plaats van glanzend grijs. Niemand van De Wielewaal geloofde Thea. Niemand van De Wielewaal nam dan ook de moeite om de outfit van Walter tijdens zijn communie in de kerk een jaar later te vergelijken met het kostuum dat Bruce twaalf maanden eerder had gedragen. Walter voelde ook geen behoefte om zijn communiekleren op school te showen. Nauwelijks een half jaar verder was Walter nog net niet ver genoeg uit zijn communiepak gegroeid om niet te kunnen stralen op het kerstdiner van groep 5. Drie maanden later legde Thea de boel nog een keer uit. Voor carnaval. Zodat Walter als gangster of maffiabaas verkleed kon gaan. Tot zover het communiepak van Walter ter waarde van 25 euro.

Op de avond van de kerstviering van groep 5 beklom Walter dus in het volle ornaat van zijn communiepak naast Sabine en achter Thea de trappen van De Wielewaal. Zij wisten toen nog niet dat zij op dat moment op de voet gevolgd werden door moeder Janet en zoon Bruce die ook op weg waren naar het kerstdiner. Alsof de duivel ermee speelde. Bruce droeg geen kostuum, maar een spijkerbroek op een wit overhemd met een vlinderstrikje en een jacquet. Janet was nog niet goed en wel op de eerste verdieping gearriveerd of ze schoot Thea aan:

‘Dat kostuum van Walter!’

Janet hapte naar adem. Thea deed alsof ze van gisteren was:

‘Jeetje Janet, denk aan je hart’.

Janet zocht met één hand steun aan het uiteinde van de trapleuning. Met haar andere hand drukte ze op haar sleutelbeen. Ze hijgde en pufte.

‘Dat kostuum van Walter lijkt wel hetzelfde als het communiepak van Bruce.’

‘Dat kan kloppen’, antwoordde Thea droog.

‘Hoe kom jij eraan?’

‘Dat heb ik toch verteld? Ben je het vergeten?’, vroeg Thea zogenaamd  verbaasd.

‘O ja? Dat weet ik dan zeker niet meer. Vond je het geen duur pak? Ik heb er 750 euro voor betaald en Bruce heeft het maar 2 keer aangehad. Nou hangt het maar te hangen in de kast. Gestoomd en wel. Bruce is er nou al helemaal uitgegroeid.’

‘Ach Janet, wat kan ik zeggen of wat wil je horen?’

‘Het is wel hetzelfde pak, he?’, vreesde Janet.

‘Tsja, wat wil je ook Janet; als je van mij niet wilt aannemen dat goedkoop niet altijd duurkoop is’, grijnsde Thea.

HOOFDSTUK 17

Niet lang na de communie van Walter kreeg pater Ward van hogerhand een andere bestemming toegewezen en hij verdween uit het stadsbeeld. Thea volgt hem op facebook. Hij verricht zendingswerk in het buitenland. Een inspirerend mens. Niet eens zozeer vanwege zijn religieuze bezieling; maar omdat hij de zeldzame gave bezit om te differentiëren tussen mensen zonder te discrimineren. Hij kreeg Walter zover dat hij, weliswaar onder protest, zonder te haperen voorlas in de kerk tijdens zijn communie en Sabine mocht solo zingen. Op voorspraak van pater Ward speelden de kinderen van Thea zelfs de rollen van Jozef en Maria in het kerstspel tijdens de kindermis. Onvergetelijk blijft de ontwapenende schaterlach van Walter alias Jozef tijdens de kerstvoorstelling. Eén van de mede communicanten was verkleed als herdertje en had de opdracht om een kartonnen ster op een steeltje in de lucht te houden bij wijze van uithangbord voor de alom bekende bezoekers aan het stalletje. Je zag het kleine herdertje op het altaar vechten om de boel stabiel in de lucht te houden; maar de zwaartekracht liet de metafoor voor de heilige nacht met een klap op de kruin van Jozef terecht komen. Een seconde lang hield het publiek in de kerkbanken de adem in; niemand zou die arme Jozef na die optater een huilbui verweten hebben. Langzaam begon Walter geluid te maken. Steeds krachtiger lachgaste zijn aanstekelijke bulderbulk als een aangeslagen crossmotortje door de kerk. Opgelucht lachten de kerkgangers met Walter mee.

Ondertussen werd Sabine digitaal vereeuwigd terwijl ze opging in haar rol als poppenmoeder Maria met het kindje Jezus. Voor de gelegenheid had Sabine haar babyborn in bruikleen gegeven en op advies van Ingrid zonder poppenkleertjes in een witte lap gewikkeld. Toen het moment was aangebroken dat de 3 wijzen uit het Oosten een blik op het kindje Jezus kwamen werpen; rukte Maria welwillend haar pasgeborene aan het plastic linkerbeen uit de kribbe teneinde haar gasten een goed beeld te kunnen geven van de baby. Naakt en wel bungelde het kindje Jezus langer dan nodig aan één poppenbeen aan de hand van Maria in de gewijde kerklucht. Als Sabine op dat moment niet uit haar rol was gevallen dan was de cruciale fout nog wel gauw, gauw te verdoezelen geweest. Maar Sabine bleef verstijfd, in haar respectloze houding, met het naakte kindje Jezus op zijn kop, niet begrijpend turen in de richting van regisseuse Ingrid die  in de sfeerverlichting stond opgesteld in een hoekje van de kerk achter het altaar. Ingrid gesticuleerde als een malle en haar witte reflecterende blousemouwen, als noodsignalen voor een rampscenario, trokken niet alleen de aandacht van Maria, maar van iedereen in de kerk. Het duurde even alvorens een beschaamde Maria zich aangesproken voelde en ze haar babyborn betrapt terug in de witte lap rolde. Een tweede lachsalvo galmde door de kerk. De kinderen van Bart en Thea vielen in de smaak bij het grote publiek. Tot ongenoegen van Ingrid aan de zijlijn. In tegenstelling tot pater Ward had zij wel specifieke voorkeuren ontwikkeld en die golden niet voor Walter en Sabine. Dat liet ze merken ook. Met name aan Thea, die niet veel meer aanmoediging nodig had om zich direct na de communie van Walter terug te trekken uit het kerkleven. Als de wiedeweerga weer ondergaan in de echte wereld. Haar doel was bereikt. Een pregnante geloofsbeleving voor en met haar kinderen.

‘Moet je nou ook elke zondag verplicht naar de kerk?’, vroeg een wereldvreemde moeder op een onbewaakt moment op de speelplaats.

‘Zeker’, loog Thea met een uitgestreken gezicht.

De moeder van Zarah stond er ook bij met zo’n houding alsof ze ver boven de ongelovigen om haar heen verheven was. Ook boven Thea. Maar dat had Thea helemaal aan zichzelf te danken. Vond Dalila, want Thea was zich van geen kwaad bewust. Ze had gewoon gevraagd waarom Zarah zoveel moeite leek te hebben met de communie van Sabine en nou was Dalila in haar eer aangetast. Waar haalde Thea überhaupt het gore lef vandaan om kritiek te uiten op de geloofsbeleving van een klein, islamitisch meisje dat zich bij vreemden zogenaamd tijdens de hele middagpauze in de toiletgelegenheid zou hebben opgesloten uit frustratie. Dalila kon hier heel kort over zijn; in de eerste plaats kende zij maar één geloof; de Islam, maar één profeet, Mohammed en maar één Allah en dat gold uiteraard ook voor haar kroost.

‘Tsja en wat een boerin niet kent dat vreet zij niet’, wierp Thea er tegen beter weten fluks tussenin.

Ten tweede vond Dalila het niet normaal en niet erg hygiënisch om pocketgames open en bloot op het toilet te laten rondslingeren. Op die toer moest Thea er ook niet raar van staan te kijken dat toiletbezoekers in de verleiding kwamen om dan maar  zo lang mogelijk de w.c. te bezetten.

‘Heb jij dat verteld? Nou krijgt Zarah vet straf’, riep Sabine, nadat Thea haar hart gelucht had bij Bart tijdens het avondeten.

‘Hoe kom je daar nou bij?, vroeg Thea afgeleid.

‘Zarah mag vast niet de hele middag op de w.c. zitten van haar moeder.’

‘Het w.c.’, verbeterde Walter.

‘De w.c., toch mama?’, vroeg Sabine verontwaardigd. Zij was meestal iets vlugger op taalgebied dan Walter. Thea deed haar best om geslachtsneutraal te blijven. 

‘Het is wel ‘het water closet’ en niet ‘de water closet’, peinsde Thea.

‘Zie je wel’, triomfeerde Walter.

Maar Thea was nog niet uitgepraat:

‘Maar in de volksmond gebruiken we toch ‘de w.c.’.’

Nu was het de beurt van Sabine om te zegepralen:

‘Dissed jonguh!’

‘Waarom zou Zarah trouwens straf krijgen? Alleen maar omdat ik verteld heb dat ze hier de hele middagpauze op het toilet heeft gezeten? Da’s toch niet de moraal van mijn anekdote? Van mij mag Zarah hier best de hele middagpauze op de w.c. zitten. De reden waarom is alleen een ander verhaal.’

Thea zocht steun van Bart, maar ze  kreeg het niet voor elkaar om oogcontact met hem te maken. Hij prakte zijn eten met zoveel overgave dat zijn volledige aandacht opgesoupeerd werd. Sabine verklaarde zich nader:

‘De moeder van Zarah is super schoon.’

Thea voelde zich aangesproken:

‘Oh, en ik niet?’

Bart besloot om zich ook eens met de lopende zaken te gaan bemoeien:

‘Niet zoals die moeder van Zarah.’

‘En dat kan jij beoordelen; omdat?’

‘Dat is een gevoel.’

‘Waarom? Omdat ze Marokkaanse is? Is ze daarom een betere huisvrouw?’

‘Nee, niet omdat ze een Marokkaanse is!’

Nou keek Bart zijn vrouw wel aan. Zijn ogen spoten vuur. Acuut begonnen bij Thea tranen van kwaadheid en vernedering gevaarlijk te branden, maar ze verbeet zich. Wat dacht Bart wel niet.

‘Wat ‘voel’ jij dan wat ik niet voel als je in de buurt van Dalila komt?’, wilde ze in een niet mis te verstane aanloop naar razernij weten

‘Als ik in de buurt van Dalila kom dan voel ik een bekrompen dame; een control freak met smetvrees. En ik weet trouwens niet waarom jij en ik nou ineens weer ruzie hebben met elkaar’, gromde Bart heetgebakerd.

‘Nou je het zegt. Dalila komt niet erg relaxed over, nee!’, bond Thea in.

Op stel en sprong zakte haar bloeddruk weer naar een normaal niveau. Gekalmeerd richtte ze zich tot Sabine en vroeg zogenaamd langs haar neus weg:

‘Is het dan zo schoon bij Zarah thuis?’

‘Gewoon’, schokschouderde Sabine, terwijl ze de groente over haar bord verspreidde zodat het net leek alsof ze een paar hapjes gezond gegeten had.

‘Schoner dan bij ons?’

Sabine zette een glas water aan haar lippen en schudde het hoofd. Na de laatste slok zei ze:

‘We moeten altijd stil zijn bij Zarah thuis.’

‘Waarom?’

‘Dan slaapt haar moeder.’

‘Toch niet altijd? De moeder van Zarah heeft toch een baan?’

‘De moeder van Zarah denkt dat ze een prinsesje op de erwt uit duizend en één nacht is.’

Dat was Bart weer. Thea vond hem bevooroordeeld:

‘Hoezo? Ze heeft een baan als gemeentefunctionaris en ze zit in de gemeenteraad voor de PvdA.’

Bart zweeg en bestookte Thea met zo’n blik van:

‘Ik zeg niks meer.’

‘Op een keer sliep ze niet en toen werd ze boos op me’, bekende Sabine.

‘Waarom. Omdat je haar wakker had gemaakt?’

Opnieuw was Thea op haar teentjes getrapt. Als zij Dalila niet kon aanspreken over Zarah zonder een gratis cultuurcursus; dan mocht miss moslima haar Sabientje ook niet vrijuit bekritiseren.

‘Nee; we aten boterhammen aan tafel en ik deed dit.’

Ter illustratie begon Sabine uitvoerig haar mes schoon te likken.

‘Maar dan zat er Nutella aan’.

‘En toen?’, vroeg Walter gefascineerd.

‘Toen begon haar moeder te gillen’, antwoordde Sabine gemoedereerd.

‘Ze zei dat ik een vies varken was.’

‘Nou, da’s in ieder geval een heel slim dier’, grinnikte Bart.

Thea was alleen maar verbouwereerd. Met een liefdevol gebaar vlijde ze een haarlok, die net niet in de appelmoes hing, achter het oor van haar dochter en vroeg vol empathie:

‘Waarom heb je dat niet eerder verteld?’

‘Vergeten.’

‘Zie je nou wel dat de moeder van Zarah gestoord is’, stelde Bart voor eens en altijd vast.

‘Wat heb je toen gedaan?’

Thea had intens medelijden met haar kleine meisje. Sabine was pas 7 jaar. Zevenjarige kinderen worden geacht om te leren van ondoordachte  foutjes zoals; veel te lang met een gamecomputertje bij een gastgezin op het toilet zitten; of tijdens het uit eten bij een ander een keukenmes besmeurd met chocoladepasta schoonlikken.

‘Ik heb niets gedaan’, antwoordde Sabine onaangedaan en ze vervolgde droog:

‘Zarah zei dat haar moeder wel vaker zomaar boos werd. Dus.’

Walter keek Sabine niet begrijpend aan:

‘Dus?’

‘Boeien!’, verduidelijkte Sabine.

‘Ik ben trots op je meid’, schaterde Bart.

Ondanks de wederzijdse antipathie tussen Thea en Dalila, bleef de vriendschap tussen hun dochters in de loop van de basisschooljaren op De Wielewaal voortkabbelen. De twee meisjes werden chronisch en vaak tegen hun zin op elkaar teruggeworpen door de exclusieve omstandigheden op een witte school. Zowel Zarah als Sabine kwamen na groep 4 van juffrouw Dorien in een combinatieklas van 5 en 6 van meester Jan Willem terecht en in deze groep werd de denkbeeldige driedeling tussen geniale zonnetjes, middelmatige maantjes en afgeschreven sterretjes pas echt nageleefd. Uiteraard onder supervisie van de opperouders ter verzekering van een voorkeursbehandeling voor hun kroost. Naar verluid zou het in de combinatieklas van meester Jan-Willem wemelen van de plusgroep kandidaatjes. Allemaal zonnetjes dus die op een wachtlijst voor de plusgroep terecht kwamen daar de club voor intelligente kinderen op De Wielewaal een plafond van 30 genieën kende. Dit bij gebrek aan leerkrachten. Alleen maantje Sabine en maantje Zarah uit groep 5 van de combiklas 5 en 6 stonden samen met een stuk of 4 misplaatste sterretjes niet op de beruchte wachtlijst voor hoogbegaafden. Aldus raakten Zarah en Sabine noodgedwongen op elkaars steun aangewezen in de competitieve sfeer die de combiklas 5 en 6 van meester Jan-Willem kenmerkte. Het werd maar niet gezellig in de groep. Meester Jan-Willem scheen echter niet te doorzien dat hij de situatie niet verbeterde door steeds beter naar de pijpen van de opperouders te dansen.

Er werd onophoudelijk gepusht en gepromoot door de opperouders. ’s Morgens tijdens het wegbrengen, in de middagpauze, ‘ s middags bij het ophalen, aan de telefoon, in de mail; de opperouders doken overal op om Jan-Willem hun wil en wet op te leggen. Je zou bijna medelijden met hem gekregen hebben ware het niet dat normale ouders vonden dat een schoolmeester toch in staat mocht worden geacht om zijn eigen boontjes te doppen. Wie nam trouwens opperouders serieus? Achteraf een cruciale fout, want je kunt wel openlijk anti-plusgroep zijn, zoals de ouders van Sabine, maar daarmee was het sprookje van de maakbare geniale basisschoolleerling de wereld nog niet uit. Volgens de gangbare roddels was hier bij Bart en Thea overduidelijk sprake van de kift. Natuurlijk. En de ouders van Zarah hadden al helemaal geen recht van spreken.

De papa van Zarah woonde sinds zijn scheiding weer terug in Marokko. Hij was hertrouwd met een inheemse dame met wie hij eindelijk een lang verwachte, zeer begeerde zoon en stamhouder had weten te produceren. Hij keek nauwelijks nog naar zijn dochters in Nederland om. Daar kwam nog bij dat de mama van Zarah heel druk was met de ontplooiing van haar eigen ik. Zodoende schoot de opvoeding van Zarah - haar jongste telg - er weleens bij in. Laat staan dat Dalila tijd had om zich bij de opperouders van De Wielewaal in te werken. Zarah zat nog geen maand bij meester Jan-Willem in de klas of haar moeder kreeg een relatie met een generatiegenoot van Bart en Thea. Sindsdien investeerde de jeugdige Dalila al haar vrije tijd baatzuchtig in haar tandarts met een Nederlandse, gereformeerde achtergrond, een ex-vrouw, twee volwassen zonen en een bloeiende praktijk. Haar tweede huwelijk en haar vierde kindje waren op komst. Twee geloven op één kussen en dan sliep daar straks ook nog eens een handenbinder tussen. Dus moesten de andere twee tienerdochters van de zwangere Dalila zolang maar een beetje zorgzaam zijn voor de kleine Zarah. Geen basis voor een toekomstige plusgroepleerlinge op De Wielewaal dus.

Al na een week in het nieuwe schooljaar van de combigroep 5 en 6 vonden de ouders het leuk om meester Jan-Willem om te dopen  tot Jeewee. Meester Jan-Willem had geen bezwaar, want hij was in de voorafgaande jaren op De Wielewaal al lang aan de bijnaam gewend geraakt. De kinderen van het nieuwe schooljaar uit de combigroep 5 en 6 moesten nog wel even overtuigd worden van de traditie, maar de ouders hielden voet bij stuk en na een week of 3 sprak niemand op De Wielewaal meester Jan-Willem nog fatsoenlijk op zijn roepnaam aan. Zelfs de collega’s van Jeewee en directrice Willy hielden de traditionele bijnaam van Jan-Willem in ere om terreur van heerszuchtige ouders te beletten. Jeewee kwam sowieso over als een man die zich dag in, dag uit in allerlei bochten wrong om ellende te voorkomen. In zijn vergeefse pogingen om overal onderuit te komen werd hij in geen tijd volledig in beslag genomen door een stuk of wat tirannieke ouders en hun volgelingen. In plaats van dat de interne coördinatrice deze horrorouders terugfloot, was Jade juist de spil van het plusgroep complot, want niemand anders dan zij kon hoogbegaafdheid kweken. Tot dan toe zou een normaal denkend mens toch gezworen hebben dat intelligentie en domheid   persoonsgebonden eigenschappen zijn. Zoals de kleur van iemands ogen, lichaamsbouw, een vingerafdruk of zoiets als aanleg. Alleen omkeerbaar door kunstgrepen. Denkelijk was Jade te ver heen om haar leugen los te laten voor de banaliteiten des levens. En met haar een heleboel wanhopige ouders met een vervormd, maakbaar wereldbeeld waarin hun schatten van ongecompliceerde, gewone kinderen niet speciaal genoeg waren. Jade wierp zich vol overgave en overtuiging op als; de redster in nood; de reïncarnatie van Florence Nightingale; de moeder aller moeders; het middelpunt van de belangstelling en De Wielewaal. Jade zou de uitverkoren kinderen geniaal maken in de plusgroep. Jeewee zou het voorwerk doen. Jade had de touwtjes strak in handen en Jeewee speelde het spelletje mee. Hij was de populaire gast. Niet te oud en niet te jong. De verdrietige clown. De gekke bekkenman. Het naïeve kind onder de kinderen, maar stiekem het stereotype van een verdomd goede onderwijzer. Dat was een algemeen gedeeld geheim, want  Jeewee wist hoegenaamd van niks en kwam van nergens. Zolang hij maar geen heisa kreeg en elke schooldag na de laatste bel de deur achteloos en zelfvoldaan achter zich kon sluiten.

Na het wegbrengen ’s morgens had Thea haar rug nog niet gekeerd of Sabine lichtte haar hielen vanaf het allereerste moment dat ze in de combiklas zat. Vanuit haar ooghoeken zag Thea haar dochter wegschieten in het buurtlokaal van de andere groep 5. Jeewee was nooit getuige van de dagelijkse vlucht van Sabine, want hij was altijd omringd door ouders. Door precies op de lestijd weer op haar plekje in het lokaal van de combiklas 5 en 6 terug te keren, zorgde Sabine er kennelijk voor dat ze onopgemerkt bleef door Jeewee. Zo klein als ze was maakte  Sabine zich pas zichtbaar als het erop aankwam. Zo kon ze ongestoord haar gang blijven gaan. Juist bij Jeewee die elke ochtend vlak voor aanvang van de lessen verdronk in de aandacht van ouders. Bijna net zoals meester Gijsbert uit groep 3 van Walter zich in het verleden in de dubieuze belangstelling van het merendeel van de verzorgers van De Wielewaal had mogen onderdompelen. Het verschil was dat Jeewee zich geen passende houding wist aan te meten. De verkrampte uitdrukking van zijn pose verried het schoolverleden van een eenzame jongeling. Jeewee was nooit de populaire durfal geweest die hij zo graag had willen zijn. Tenminste dat was zijn uitstraling. Hij zag eruit als een opgewaardeerde antiheld met een minderwaardigheidscomplex. Jeewee vond zichzelf ontegenzeglijk een onbeduidend mannetje tot aan het kantelpunt van zijn intrede als onderwijzer op De Wielewaal. Sindsdien moest hij van de ene op de andere dag wel leren omgaan met opdringerige ouders als een vervelende bijkomstigheid van het onderwijswerk met kinderen in een leeftijdscategorie waaraan hij tenminste kon relateren. En hoewel hij de vermeende eensgezindheid van de verzorgers zichtbaar op een kinderlijke manier wantrouwde, deed hij er alles aan om te voorkomen dat hij de mist in kon gaan. Hij voelde zich niet thuis bij grote mensen, maar hij doorstond hun aanwezigheid, want zodra hij de deur van het klaslokaal achter zich dicht trok was hij als een vis in het water. Op zijn leerlingen kwam hij dan ook allesbehalve onwetend, onbetrouwbaar of onprofessioneel over.

‘Jeewee is raar’, merkte Sabine wel regelmatig op.

En dan zei Walter geheid:

‘Hij heet eigenlijk Jan-Willem toch?’

Volgens Thea was Jeewee gewoon nooit volwassen geworden. Daar besloot ze het maar bij te laten, want  Sabine had geen problemen met haar schoolmeester. Integendeel. Hij maakte haar verblijf in de combiklas juist draaglijk, want veel van de kinderen waarmee Sabine vanaf groep 2 intensief had opgetrokken waren niet bij haar in de combiklas 5 en 6 terecht gekomen, maar in de complete groep 5. Vandaar dat ze ’s ochtends op school stug naar de buurtjes bleef lonken zonder het vooruitzicht om onder haar vaste stekje bij Jeewee uit te komen. Jade de interne coördinatrice was niet te vermurwen. Sabine was nou een maal in groep 5 van de combinatieklas neergezet en afspraak is afspraak. Zarah was er toch ook nog? En zo’n combiklas zou juist stimulerend werken op het leervermogen van Sabine. In de combiklas was ze immers maar een maantje tussen voornamelijk zonnetjes? Het kleine maantje zou kunnen opgaan in de overweldigende straling van het zonnelicht en uiteindelijk verdwijnen! Want dat voornamelijk zonnetjes in de combiklas geplaatst zouden zijn, was inmiddels een algemeen gedeeld geheim dat veel scheve ogen van buitenstaanders opriep. Daarom mocht Sabine zich wel gelukkig prijzen tussen het puikje. Alleen pientere kinds konden de uitdaging aan van een combiklas met een leerkracht - Jeewee in dit geval – die de aandacht consequent over twee verschillende leeftijdsgroepen verdelen moest. De maantjes en sterretjes in de combiklas waren niet voor niks op de vingers van één hand te tellen. Niet zo gek dus dat Thea er tijdens het wegbrengen, elke schooldag opnieuw, de klok op gelijk kon zetten dat Sabine bij de buren binnen wipte. Even een praatje maken met haar vroegere klasgenootjes in de complete groep 5, of -  zo men wil in de lijn van de interne coördinatrice Jade  - met haar gelijkgestemde  medemaantjes.

Al het begin is moeilijk en daar kwam nog bij dat Sabine in de eerste week van groep 5 haar 8ste  verjaardag vierde. Omdat Bart en Thea niet langer machteloos wilden toezien op de ontwenningsverschijnselen van de overgang van groep 4 naar 5 van hun dochter, mocht Sabine zoveel kinderen op haar verjaardagsfeestje uitnodigen als ze maar wilde. Allemans vriendinnetje Sabine nodigde in totaal 20 kinderen van De Wielewaal uit die allemaal naar speelparadijs de Dolle Dries mochten komen voor een woensdagmiddagje zwemmen en spelen in de open lucht met een frietje, limonade, een kinderijsje en een snoepzak toe. De 8 meisjes uit de nieuwe combinatieklas kregen een uitnodiging en de overige 12 van de 20 feestgangers kwamen uit de complete groep 5. Die 12 dat waren de oude bekenden van Sabine, waaronder haar beste vriendje Ronnie. Hij was een van die oude klasgenootjes uit de andere. complete groep 5, waarvan ze zo moeilijk afstand kon doen en die ze elke morgen op school nog even persoonlijk in het lokaal van de buren kwam begroeten. Er was maar één meisje niet op komen dagen. Mathilde; een gedoodverfd zonnetje uit de combinatieklas. Zo’n huilmeisje dat elke ochtend voor het klaslokaal stond te janken, omdat ze geen idee had hoe ze een zonnetje moest zijn en blijven.

‘Jeewee is zo begripvol’, fleemde haar moeder elke ochtend geëxalteerd.

‘Hij ziet er anders helemaal niet begripvol uit’, vond Thea oprecht.

Jeewee nam elke morgen voor  aanvang van de lessen middenin het oudergewoel plichtsgetrouw en volgens de regeltjes naast de pruilende Mathilde – en nog een stuk of wat treurwilgjes die per dag in aantal fluctueerden - aan de leestafel plaats met een gezichtsuitdrukking alsof hij liever overal elders wilde zijn dan in de buurt van een stuk of wat, over het paard getilde, middelmatige schoolkinderen. Hij liet zich ook bij de minste of geringste flauwe op- of aanmerking van een geinige papa of een flirterige mama afleiden.

‘Hij is toevallig heel begripvol naar Mathilde toe’, beklemtoonde de moeder van Mathilde nogmaals.

‘Ik wist niet dat je kwaad werd’, grapte Thea.

Maar de moeder van Mathilde was dus wel kwaad en wel zo erg dat ze haar dochter weghield van het verjaarspartijtje van Sabine. Niet dat Mathilde gemist werd. Alle andere genodigden waren namelijk wel op komen dagen. Er zijn maar weinig ouders niet te porren voor een hele  woensdagmiddag vrijuit.

Ondertussen kwamen Bart en Thea in de Dolle Dries oren en ogen tekort.

‘Dit is topsport’, hijgde Bart.

Hij was nauwelijks klaar met het aanduwen van de bootschommels of hij werd alweer door gillende kinderstemmetjes naar het springkussen gesommeerd.

‘Dit was eens en nooit weer!’, beloofde Thea hem, terwijl ze het blote ruggetje van Zarah insmeerde met zonnebrandcrème.

‘Moet ik een bovenstukje aan in het zwembad?’, vroeg Zarah.

Ze hield met beide handen haar zwarte krullenbos in een staart omhoog in de lucht.

‘Nee, hoor, je hebt toch nog geen borstjes’, vond Thea.

‘Maar ik bind wel even je haar vast. Blijf even zo staan.’

‘Goed’, zei Zarah afwachtend.

Thea zocht in haar strandtas op de hoek van een houten picknicktafel naar een borstel en een elastiekje. Intussen was een bejaard stel in badkleding tegenover elkaar aan dezelfde tafel aangeschoven. Ze deelden frietjes met mayonaise uit een plastic bakje dat de man tussen hen ingezet had. Hij was min of meer kaal afgewerkt met een grijze dons krans. Hij had een driedubbele kin en een bleke bierbuik die uit zijn neon gele shorts bubbelde. Zij torste een enorme boezem in een voorgevormd bloemetjesprint badpak geperst. Ze was behangen met sieraden en zat vol in de make-up. Het zilver paarse haar in een strak permanent.  

‘Kijk een Turk zonder jurk!’ deelde hij luidkeels met zijn metgezel.

Hij knikte naar de rug van Zarah.

‘Kijk dan!’, beaamde zij.

Met een opgerolde Story in haar linkerhand waaierde oma zichzelf koelte toe. Tegelijkertijd tuitte ze haar oudroze rimpellippen en blies gebakken lucht naar een dampend frietje tussen de duim en wijsvinger van haar rechterhand. De lengte en de knalrode kleur van haar nagels waren indrukwekkend. Al herkauwend bestudeerden opa en oma het ranke lijfje van Zarah die met haar rug naar hen toestond. Nadat ze haar hap eindelijk weggewerkt had, merkte oma doodleuk ook:

‘Of het is een Marokkaantje. Je ziet het niet. Het verschil.’

‘Is er verschil dan?’

De aandacht van opa verplaatste zich weer naar het bakje friet in het midden van de picknicktafel.

Zarah stond onbewogen in alleen maar haar bikinibroekje. Toen Thea haar benaderde met de borstel en het elastiekje werd ze van dichtbij op een paranormale manier de gespitste oren en de ogen in de rug bij Zarah  gewaar. Zarah stond op scherp. In de nabijheid van Thea liet Zarah in een verlossende reflex haar krullenbos los. Het zwarte lange haar viel als een defensieve boerka over haar slanke ruggetje. Thea bespeurde gefriemel in de buurt van haar vrije hand. Zarah zocht steun. Thea schoot vol. Aangeslagen drukte ze de kleine vingertjes. Daarna wrong ze haar hand vastberaden los en vlocht  de weelderige haardos zorgvuldig in een compacte knot. Haar tranen slikte Thea in. Tussendoor zond ze woeste blikken naar het zure koppel.

‘Konden blikken maar doden!’, wenste ze de oudjes hardop toe.

Betrapt keek het duo weg. Zarah kwam steeds dichter tegen Thea aan staan. Het gracieuze lijfje trilde in een toenemende mate ondanks de broeierige hitte. Thea voelde zich totaal lamlendig.

‘Kom je nog, Zarah!’ kirde Sabine monter vanuit de verte boven alle schelle kindergeluiden in de zinderende atmosfeer van de Dolle Dries uit.

Ze rees bruin, bruisend en nat op uit het kikkerbadje en hield uitnodigend een strandbal aan de onbewolkte zomerhemel. De rood met witte stippen schitterden in de zon. Gelouterd ontwaakte Zarah uit haar trance:

‘Ik kom eraan’, beloofde ze.

Doe jij maar eerst effe lekker een bovenstukje aan’, troostte Thea verlost.

Een week na de verjaardag van Sabine was de schitterende afwezigheid op haar feestje met de naam Mathilde aan de beurt. Mathilde werd ook 8 jaar, maar om één of andere reden werd er meer notitie van deze verjaardag genomen dan van de geboortedag van Sabine. ’s Ochtends tijdens het wegbrengen zag Thea in het lokaal van de gloednieuwe combiklas 5 en 6 de naam van het allerbeste huilmeisje alias Mathilde in veelkleurige letters, omringd met foto’s van ballonen, groot op het digibord staan. De moeder van Mathilde had ook een aankondiging aan de afbeelding op het digibord toegevoegd. Het was het adres van een dierenpark. Verder stond er te lezen:

‘Aan de mama’s en papa’s van alle meisjes van de combinatieklas 5 en 6. Uw dochter is vanmiddag vanaf 13.00 uur van harte welkom in dierenpark ‘De Groene Heuvels’ ter gelegenheid van de 8ste verjaardag van onze dochter Mathilde. Een mooie gelegenheid om alle meisjes aan elkaar en de nieuwe samenstelling van groep 5 en 6 te laten wennen. Daarom zal Jeewee ook tot 18.00 van de partij zijn.’

Overrompeld snelde Thea nog vlugger dan normaal het gebouw van De Wielewaal uit. Er zou tussen alle verplichtingen van die betreffende woensdagmorgen ook nog een cadeautje voor Mathilde gekocht moeten worden. Daarbij zou in de gauwigheid nog een huiswerkbezoek van een leerling die middag om 13.00 uur verzet moeten worden. Thea kon de kleine Sabine moeilijk in haar eentje met een retourtje op de trein naar De Groene Heuvels zetten. Tot aan het middaguur rende Thea van hot naar her om geen tijd te verliezen en om 12 uur stond ze bezweet maar voldaan klaar om Walter en Sabine op te vangen voor de lunch. Daarna was Thea vrij om Sabine naar ‘De Groene Heuvels’ te brengen. Het kleinigheidje voor Mathilde – een vriendinnenboekje van Hello Kitty, waarvan Thea eerst zo naïef was om te denken dat het getal op het prijskaartje het artikelnummer in plaats van de absurd hoge prijs was – lag ook al ingepakt en wel te wachten om weggegeven te worden. Zoals gewoonlijk was Walter veel eerder buiten dan Sabine en hij zat al in de auto. Hutjemutje blokkeerden de meisjes van de combinatieklas 5 en 6 de uitgang van de speelplaats. Opgewonden kakelend en kwetterend uit voorpret over het  feestje bij De Groene Heuvels vergaten ze de tijd en hun ouders en verzorgers die vertederd stonden mee te genieten. Breeduit lachend kwam Dalila naast Thea staan:

‘Gekke grieten. Zeg, Thea, kun jij Zarah anders ook even meenemen naar De Groene Heuvels? Ik heb vanmiddag een vergadering van de gemeenteraad.’

Bij wijze van antwoord woelde Thea in haar schoudertas. Ze was haar kattebelletje met het adres van het dierenpark kwijt.

‘Als ik het adres kan vinden wel ja’, zei ze gejaagd toe.

‘Dat adres staat ook op de uitnodiging’, zei een andere moeder.

‘Welke uitnodiging? Die op het digibord?’, vroeg Thea verdwaasd.

‘Nee, die aparte uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds’, wist een hippievader met teenslippers en een paardenstaart.

‘Ik heb geen uitnodiging gehad van het Wereld Natuur Fonds!’

Thea begon de kluts kwijt te raken.

‘Het is ook geen uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds; het is een kaart van het Wereld Natuur Fonds. Kijk!’  

Dalila drukte een briefkaart onder de neus van Thea. Op de voorkant stond een baby-olifantje en in het hoekje het logo met de panda van Het Wereld Natuurfonds. Op de achterkant werd Zarah in het schoonschrift van Mathilde op persoonlijke titel uitgenodigd voor een partijtje in dierenpark De Groene Heuvels ter gelegenheid van haar 8ste verjaardag. Thea draaide de kaart om en om en probeerde zichzelf te kalmeren:

‘Volgens mij heeft Sabine zo’n uitnodiging nooit gehad.’

Desondanks vond de hippievader het nodig om zich verder met de zaken van Thea te bemoeien:

‘Sabine heeft die uitnodiging wel gehad. Dat moet wel, want alle meisjes van de nieuwe combinatieklas zijn uitgenodigd.’

‘Alle meisjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.

‘Alle meisjes van groep 5 sowieso en zelfs van groep 6’, beweerde de hippievader overtuigend.

Opgehitst hief Thea de uitnodiging van Zarah in de lucht en riep naar Sabine:

‘Sabine heb jij ooit zo’n uitnodiging gehad!?’

Gealarmeerd kwam Sabine dichterbij om de uitnodiging van Zarah goed te kunnen bekijken.

‘Nee’, besloot ze; ‘Nooit gehad.’

Grimmig baande Thea zich een weg naar de moeder van Mathilde die met een groepje ouders stond te ginnegappen.

‘Zeg Greet; Sabine heeft deze uitnodiging nooit gehad?’

 ‘Nee, dat kan kloppen’, antwoordde de moeder van Mathilde met een afgeknepen stemmetje en net iets te snel.

Ineens waren alle ogen op het speelplein op Thea gericht. Iedereen was gestopt met keuvelen en Thea voelde zich draaierig worden. Ze had een gewaarwording waarbij het leek alsof ze in een bubbel terecht gekomen was. Een luchtbel waarin de druk steeds sneller steeg en het zuurstofgehalte afnam. Het geklop in haar slapen nam hinderlijke vormen aan en ze kreeg het benauwd. De bubbel dreigde per seconde krachtiger uiteen te barsten en Thea hield zich ternauwernood staande tussen de zwijgende meerderheid. De tijd om haar oren te geloven en de realiteit te bevatten ontglipte haar. Geluid maken lukte vreemd genoeg wel min of meer. Thea recapituleerde. Ze scherpte haar stem aan de holle leegte om haar heen:

‘Dus Sabine is het enige meisje uit de nieuwe combinatieklas 5 en 6 dat niet op de verjaardag van Mathilde is uitgenodigd?’

De vader van Mathilde stond er ook bij. Hij hield zich meestal afzijdig. Soms als hij zich veilig waande dan gluurde hij met zijn röntgenblik de moeders om zich heen uit de kleren. Ook Thea voelde zich vaak onheus door hem bejegend. Non verbaal wel te verstaan. Voor de verandering trok hij vandaag zijn mond open:

‘Mathilde was vorige week ook niet op de verjaardag van Sabine.’

Bam! De bubbel barstte uiteen. Thea hapte naar adem en beet gesterkt door een lading verse zuurstof van zich af:

‘Mathilde was wél uitgenodigd bij Sabine. Zij - maar ik denk eerder haar lieve mama -  koos er zelf voor om te schitteren door afwezigheid. Nou kan Sabine de dienst niet terugbetalen, want Sabine kan niet uit zichzelf wegblijven, want Sabine is niet uitgenodigd door Mathilde of ik denk eerder door haar lieve mama!’

De röntgenogen van de vader van Mathilde verwerden tot spleetjes en hij tuitte zijn lippen. Langzaam maar zeker veranderde zijn gezichtspunt van Thea naar de moeder van zijn dochter Mathilde. Hij was duidelijk om de speeltuin geleid. Maar de moeder van Mathilde zou zich niet laten kennen. Met tegenzin richtte ze zich tot Sabine en ging voor het oog van alle aanwezigen in het centrum van de speelplaats door de knieën:  

‘Volgende keer beter, Sabientje; je moet maar zo denken; het kan niet elke week feest zijn!’

Na deze bevoogdende woorden richtte de moeder van Mathilde zich op, draaide een halve slag op haar gezondheidsstappers en blies over haar knokige schoudertje richting Thea:

‘Misverstandje.’

Bekoeld gingen de ouders met hun kinderen uiteen. Op weg naar De Groene Heuvels. Thea bleef staan wortelschieten op de stenen tegels met het zicht op Sabine die een paar meter verderop vereenzaamd op het speelplein verslagen om zich heen keek. De gebruinde armpjes hingen slap langs het lieve lijfje van dat vertrouwde, kleine meisje in haar zomerse outfit in felle kleurtjes. De uitgeplozen donkerblonde vlecht hing op half elf. Zo ook haar rugzakje in de vorm van een zacht groene troetelbeer. De mollige, stevige beentjes leken verstard in haar smoezelige, afgetrapte roze K3 sneakers. Op dat moment begon er een melodietje door de op hol geslagen hersens van Thea te spelen. De tekst was van Annie M.G. Schmidt:

‘Ik zou je het liefste in een doosje willen doen.’

Thea zou haar dochter het liefste in een doosje willen doen. Of een andere mama voor haar willen zoeken. Zo eentje die nooit ruzie zoekt of stomme opmerkingen maakt. Een normale mama die probleemloos overal bij hoort. Een matchmama.

‘Ik heb nog een verrassing voor je’, beloofde Thea terwijl ze kalmpjes op haar dochter afliep.

Hoewel ze eigenlijk veel liever op Sabine af zou stormen en haar hartstochtelijk tegen het hart wilde drukken.

‘Toppie’, antwoordde Sabine automatisch.

‘Een heel duur vriendinnenboekje van Hello Kitty. Dat heeft niemand anders hier.’

‘Toppie’, herhaalde Sabine.

Met haar ogen volgde ze Zarah die als laatste het speelplein verliet. Zarah kon gelukkig nog op het nippertje met de papa van Lotte uit groep 6 meerijden naar De Groene Heuvels.

‘Dag Zarah, dag Lotte’, groette Sabine binnensmonds en daardoor veel te zacht.

Maar dat gaf niet, want Zarah en Lotte zagen Sabine toch al niet meer staan.

 

HOOFDSTUK 18

Op hoge poten verscheen Thea de volgende morgen aan de leestafel van Jeewee. Hij zou eens niet gepreoccupeerd zijn met opperouders en treurwilges. Het huilmeisje Mathilde voorop. Maar Thea liet zich door niets of niemand meer tegenhouden.

‘Kan ik je even spreken?’

Jeewee had de neiging om weg te duiken zodra hij Thea in zijn nabijheid wist. Als het onvermijdelijke dan toch zijn pad sporadisch kruiste dan keek hij haar bij voorkeur niet recht in de ogen. Het vluchtgedrag van Jeewee herleidde Thea naar hun allereerste kennismaking op het speelplein. Jeewee zong een liedje van het beroemde theater en televisie duo voor kinderen: ‘Theo en Thea’. Tamelijk onorthodox danste hij er publiekelijk een paar zwoele pasjes bij. Naar eigen choreografe. Wel grappig eigenlijk. In elk geval te verwachten van een onderwijzer en zeker niet pijnlijk genoeg om er een maand of 3 later nog steeds een rood hoofd over te krijgen. Toch kleurde Jeewee gegarandeerd in oneindig veel tinten rood afhankelijk van de intensiteit van zijn contacten met Thea. Zijn instinctieve gedragspatroon werkte op haar  zenuwen. Over zijn aanstellerige introductie op het speelplein kon een hele berg zand. Vervolgens zou ze graag op normale voet met de meester van haar dochter willen omgaan.

‘Hij gaat helemaal voor je’, beweerde Bart vermaakt.

‘Wat een onzin’, stelde Thea vast.

‘Waarom is dat onzin? Ik ben toch ook voor je gegaan?’

‘Dat was wederzijds. Als ik niet gereageerd had, dan zou je gestopt zijn.’

‘Dan zou ik je nog leuk gevonden hebben.’

‘Jij hebt nog nooit een rood hoofd gekregen door mijn aanwezigheid. Ook niet bij de eerste keer. Ik was er toch zelf bij!!’

‘En wat wil je daarmee zeggen?’

‘Dat Jeewee zijn zogenaamde romantische gevoelens ook gewoon voor zich kan houden. Met of zonder rooie kop. Laat hij zijn verliefdheden op een ander projecteren. Iemand die er gevoelig voor is.’

‘Wat ben je toch prozaïsch. Trouwens jij bent er toch gevoelig voor?’, betoonde Bart gelaten.

‘Ik bedoel natuurlijk dat hij zijn gevoelens op iemand moet projecteren die zijn verliefdheid beantwoordt.’

‘Dat kun jij helemaal niet bepalen, Thea’, verkondigde Bart plagerig.

‘Wat verwacht jij dan? Dat ik me inlaat met Jeewee. Nou sorry hoor, maar als je op me uitgekeken bent dan zoek ik wel even naar een ander type dan Jeewee als je het niet erg vindt, maar ook als je het wel erg vindt.’

‘Ik ben niet op je uitgekeken’, antwoordde Bart droog.

‘Waarom drijf je me dan in de armen van Jeewee?’

‘Ik drijf je niet in de armen van Jeewee. Je moet je alleen niet zo druk maken. Volgens mij is die Jeewee helemaal niet op zoek naar een minnares. Jij bent zijn muze. Hij aanbidt je! Jij kunt er niets aan doen dat hij jou heeft uitverkoren.’

‘Ik kan zorgen dat hij me leert kennen, dan heeft hij na 5 minuten door dat er niets te aanbidden valt.’

‘Werkt niet’, voorspelde Bart.

Thea werd ongedurig.

‘Wat werkt dan wel?’

‘Niets. Je moet gewoon jezelf zijn en als die Jeewee daar niet mee om kan gaan dan is dat zijn probleem.’

Maar die redenatie bood geen harnas tegen de ondefinieerbare betovering die Jeewee beving in de buurt van Thea. Weerloos voerde hij stukje bij beetje tijdens iedere ontmoeting de  spanning doelloos verder op. Zonder woorden smeekte hij Thea om zijn stopcontact te zijn. Serieus op hem ingaan was geen optie voor Thea. Ze zou zich belachelijk kunnen maken. Wat haalde ze zich in haar hoofd? Overgangsperikelen. Waanbeelden. Ze was toch zeker geen 18jarige stoeipoes meer of wel? Ze had al opgelet of hij andere vrouwen ook zo dubbelhartig benaderde. De meeste moeders vielen als een blok voor zijn clowneske optreden. Over het algemeen werd Jeewee er nog joliger van. De geinporem. Ook Thea was best bereid om mee te werken aan een versoepeling van de omgangsvormen door automatisch in een deuk te liggen om de slapstick van Jeewee. Ze wilde heus weleens uit haar dak gaan. Of net doen alsof. Ze kreeg echter de kans niet, want Jeewee zag Thea zogenaamd nauwelijks staan, terwijl zelfs de grootste sociale onbenul kon getuigen dat het tegendeel waar was. Jeewee stond gewoon tijd te winnen. Hij was een strategie aan het bepalen. Thea mocht in geen geval iets van zijn adoratie merken. Of juist wel. Jeewee kwam er nooit uit. Met Thea in het vizier stond hij  geheid in dubio. Dat maakte het niet minder irritant dat zij hem daarom nooit direct te spreken kreeg. Er was altijd nog wel een wachtende, dwepende of veeleisende ouder voor haar. Meestal hield Thea haar spreekbeurt voor gezien; maar soms bleef ze ongedurig staan wachten zonder ooit het gevoel kwijt te raken dat ze van een soort geheime orde van eenzame moeders dankbaar moest zijn dat ze überhaupt bij Jeewee op audiëntie mocht. Zo’n leuke man! En Jeewee deed alsof zijn neus bloedde. Hij had Thea niet nodig! Kijk maar. Telkens waren er honderd en één lopende bijzaken belangrijker dan die ene vraag of die korte opmerking van Thea en steeds weer liet Jeewee een andere kant van zichzelf zien. Dan weer verstrooid, af en toe grappig, zenuwachtig, neurotisch, afstandelijk, toegankelijk, gedienstig, of kortaf. Allemaal invalshoeken tot een interactie waar geen neutrale gesprekspartner ook maar een kant mee op kan. Niet eens kwaad worden. Waarom zou een moeder  met goed fatsoen boos worden op iemand die verliefd op haar zou kunnen zijn? Moest ze een gesprek aangaan met Jeewee over wat hij voor haar voelde? Over wat zij dacht dat hij voor haar voelde? Hij zou zijn adoratie liefjes ontkennen en zich heimelijk gestreeld weten door haar aandacht. Dan zou dat macabere lachje weer om zijn lippen spelen net als die keer toen haar dochter en zij met tweeën achterbleven bij Jeewee in het klaslokaal van de combigroep 5 en 6. Basisschool De Wielewaal was uit. Sabine liet Thea na haar klassentaak een handwerkcreatie zien. Het hing aan de muur. Sabine en Thea stonden met de ruggen naar Jeewee toe die aan zijn lessenaar zat. Bij binnenkomst van Thea had hij zich zoals verwacht onzichtbaar gemaakt achter zijn leesbril en een nakijkschriftje. Slaggelings vulde zijn anders zo getemperde stem moeiteloos de holle ruimte van het lege lokaal. De nekharen van Thea rezen ten berde.

‘Ja, ja Thea; jouw dochter is me toch een creabea, maar ik denk toch dat ik voor jou ga; mooie Thea.’

‘Je bent echt raar, Jeewee’, meesmuilde Sabine terwijl ze haar moeder het lokaal begon uit te loodsen. 

‘Ik lach wel, maar ik vind het niet leuk’, bekende Thea naar waarheid.

Bij wijze van reactie zond Jeewee haar een korte blik toe die vergezeld ging van een onheilspellend lachje. Grimmig.

‘Silence of the lambs’, huiverde Thea in gedachte.

Ze besloot haar make-up voortaan pas aan te brengen nadat ze de kinderen ’s morgens in de lokalen van De Wielewaal had afgezet. Haar bovenkleding droeg ze hoog gesloten. Tevergeefs. Mocht Thea onverwacht passeren dan bleef Jeewee en plein publiek verstijven. Bij wat meer diepgang in de vorm van een dialoogje in de schoolgangen of gedurende andere openbare ontmoetinkjes in De Wielewaal veranderde er ook niets. Jeewee reageerde onveranderlijk spastisch en onvoorspelbaar op de aanwezigheid van Thea. Het zou een kwestie van een paar roddels over en weer worden, voordat Thea zich officieel de woede en jaloezie van wel 20 moeders van De Wielewaal op de hals had gehaald alleen maar vanwege haar quasi onweerstaanbare verschijning. Thea keek in de spiegel en ze zag niets bijzonders. In ieder geval geen reden voor een puberale verliefdheid van een man van bijna 50. Een vlam die ook niet geblust werd in de resterende jaren van Sabine en Walter op De Wielewaal. En Bart en Thea konden moeilijk hun kinderen van school halen alleen maar omdat moeder de vrouw geen trek zei te hebben in een dagelijkse confrontatie met het ideaalbeeld van Jeewee. In het uitgaansleven zou ze met een grote boog om hem heengelopen zijn.

‘Misschien lijk ik op zijn moeder’, peinsde Thea.

‘Ja of op zijn vrouw’, vulde Bart aan.

‘Nee, niet op zijn vrouw’, vond Thea.

‘Waarom wel op zijn moeder, maar niet op zijn vrouw?’

Bart begon er een sport in te zien om Thea wat Jeewee betreft op een dwaalspoor te zetten.

‘Hij heeft zijn vrouw toch al? Als ik op haar zou lijken dan hoeft hij niet meer verliefd op mij te worden.’

‘Ja, ja, maar zijn moeder heeft hij toch ook al? Zelfs nog langer dan zijn vrouw.’

‘Misschien heeft hij een oedipuscomplex’.

‘Misschien is hij gewoon verliefd op je.’  

‘Vervelend hoor!’, gaf Thea eindelijk aan zichzelf toe.

Jeewee wist dan ook niet waar hij het zoeken moest toen Thea aankondigde dat ze hem even wilde spreken.

‘Dat kan zeker’, stamelde hij, terwijl hij bewegingsloos bleef zitten tussen de treurwilgjes en opperouders aan de leestafel.

‘Onder vier ogen’, had Thea aan haar verzoek toe willen voegen.

Maar naar zijn zwijmelstaat te oordelen zou hij bij nader inzien tijdens een onderonsje met Thea weleens in katzwijm kunnen vallen. De facto was niemand in dit geval gebaat bij privacy. De goegemeente mocht best weten dat Thea niet meer voor zichzelf in kon staan in de buurt van de moeder van Mathilde.   

‘Gisteren was Sabine het enige meisje dat niet op het verjaarspartijtje van Mathilde was uitgenodigd’, begon Thea dus maar te spuien waar iedereen bij was.

De opperouders waren zogenaamd met elkaar in gesprek. Ze deden alsof ze niet meeluisterden. Huilmeisje Mathilde wilde wat zeggen, maar Jeewee voorkwam net op tijd dat ze haar mond voorbij zou praten:

‘Even niet, Mathilde.’

Om oogcontact te vermijden staarde Jeewee vanuit zijn zithouding glazig over de rand van zijn leesbril naar omhoog langs de schouder van Thea af die naast hem stond en verklaarde met gedempte stem:

‘Een verjaardagsfeestje is een buitenschoolse activiteit. Een leerkracht gaat niet over de uitnodigingen.’

‘Jij was wel uitgenodigd heb ik begrepen’, provoceerde Thea.

Alhoewel ze onwillekeurig veel minder gas gaf dan ze oorspronkelijk van plan was geweest. Ze kon Jeewee moeilijk verbieden om naar verjaardagsfeestjes te gaan in zijn eigen tijd. Getroffen trok Jeewee de wenkbrauwen omhoog en zweeg gekweld. Thea besloot om hem uit zijn droom te helpen:

‘Maar het gaat hier niet om jou, maar om Sabine. Ik vind dat ze het recht heeft om boos te zijn.’

Jeewee had zich hersteld door weer absent voor zich uit te turen. Hij knikte wel begripvol.

‘Wat wil je dat ik doe?’

‘Ik wil dat jij je als een onderwijzer gedraagt’, dacht Thea.

Tegen beter weten in had ze gehoopt  een stichtelijk sulletje van het kaliber buigrietje toch nog op ideeën te kunnen brengen. Jeewee had zijn kans gehad en Thea was voorbereid op zijn onvermogen tot kleur bekennen.

‘Momenteel zit Sabine in het groepje bij Mathilde. Ik wil dat je die 2 uit elkaar haalt en houdt. Dan maar geen eenheid in de nieuwe combigroep 5 en 6. Ik ben niet begonnen met roet in het eten gooien.’

De moeder van Mathilde wrong zich tussen de andere opperouders naar het hoofd van de leestafel en klampte Jeewee aan.

‘Ik heb een vraagje’.

‘Ik ben even in gesprek’, antwoordde Jeewee licht geïrriteerd.

‘Nou zeg, Jeewee, je hoeft niet zo te doen hoor na gisteren in De Groene Heuvels’, jeremieerde de moeder van Mathilde luidkeels.

Jeewee werd pimpelpaars. Tot grote hilariteit van de omringende opperouders.

‘Wat hebben jullie gisteren uitgevoerd in De Groene Heuvels?’, wilde een grappige papa weleens weten.

‘Of moet ik soms zeggen ‘op’ De Groene Heuvels?’

‘Helemaal niets hoor!’, antwoordde de moeder van Mathilde op zo’n toontje van:

‘Ga door, ga door; want ik vind het zo leuk.’

‘Ik heb jullie anders wel een tijdje gemist’, grapte een bakfietspapa.

Een moeder met touwhaar zette ineens uit volle borst een kinderliedje in:

‘In een groen, groen, groen, groen knollenland; daar zaten 2 haasjes heel parmant’.

De vader van Mathilde; de gluurder met de röntgenogen welteverstaan;  vulde de moeder met het touwhaar spoedig met nadruk aan:

‘En de één die blies de fluitefluitefluit.

Daarna eindigden bijna alle aanwezigen gezamenlijk met:

‘En de ander sloeg de trommel!’

Nou moest Jeewee toch ook wel lachen ondanks Thea die haar perceptievermogen ernstig in twijfel stond te trekken. Dit kon niet waar zijn.

‘Geloof het nou maar’, zei haar realiteitszin.

‘Ik geef het op en ga naar huis’, besloot haar overlevingsdrang.

Intussen leek Walter bij juffrouw Toos in groep 4 in rustiger vaarwater terecht gekomen. Juffrouw Toos was een onderwijzeres van weinig volwassen woorden die volgens de optekeningen al meer dan 30 jaar op De Wielewaal voor groep 4 stond. Ze had de uitstraling van een goede fee en het voorkomen van een rockchick uit vervlogen tijden. Ze liep in ongebleekte indigo spijkerbroeken. Steevast in plooi gestreken. De  soepele jackjes waarin je haar kon uittekenen waren zienderogen van nappaleer; in plaats van het moderne neppa. Juffrouw Toos droeg het lange natuurlijk blonde haar met zilvergrijze strepen hoog opgestoken met behulp van een Indiase haarklem op een manier waarop ze de suggestie wekte dat ze haar lokken elk moment los zou kunnen schudden. Een angstwekkende gedachte daar juffrouw Toos broodmager was en breekbaar leek.  Ze gaf van buiten altoos de indruk dat ze op het punt stond om op te geven en aldus vroegtijdig met pensioen te gaan. Maar schijn bedriegt. Juffrouw Toos woelde haar onvaste bos nooit los en ze brak ook niet. Het oude zooitje ongeregeld van meester Gijsbert was onder de pannen. De gevechten op het speelplein tussen de beruchte felle ventjes uit de klas van Walter stopten per direct onder supervisie van juffrouw Toos. En Walter met zijn gecompliceerde aanwezigheid veroverde vanaf dag 1 in groep 4 een gepokt en gemazeld onderwijzeressenhart. Maar juffrouw Toos was veel te veel schooljuf om haar voorkeuren te laten prevaleren. Integendeel. Walter moest aan de slag. Hij deed niets liever. De eerste twee maanden van het nieuwe schooljaar in groep 4 verliepen dan ook nagenoeg probleemloos voor Walter. Sporadisch deed juffrouw Toos enthousiast, maar zakelijk verslag van zijn schoolprestaties en met een gerust hart kon Thea wat Walter betreft eindelijk een beetje achterover leunen. Mede dankzij de terughoudendheid van juffrouw Toos ten aanzien van alle ouders en niet alleen van Thea. Alhoewel het er in het begin wel de schijn van had dat juffrouw Toos zich extra gewapend had tegen de bemoeienis van juist moeder Thea. Met het oog op de vele onderonsjes in het leslokaal van groep 3 vorig schooljaar tussen meester Gijsbert en Thea natuurlijk. Juffrouw Toos had haar borst als het ware al nat gemaakt. De gemanifesteerde gereserveerdheid van Thea moest dan welhaast net zo’n prettige verrassing voor juffrouw Toos geweest zijn als vice versa. Vandaar dat Thea zich deze keer voor de verandering eens geen enkele kopzorgen maakte over de eerste oudergesprekken van dat schooljaar.  

Ontspannen zat ze op een krukje in de schoolgang vlak bij de dichte deur van het klaslokaal van Jeewee en wachtte op haar beurt voor het 10 minutengesprek over Sabine. Daarna zou Walter in het lokaal van groep 4 bij juffrouw Toos besproken worden. Thea liet de afspraken ieder schooljaar zonder tussentijd te verliezen op elkaar aansluiten door zich bijtijds in te schrijven voor de 10 minutengesprekken op de intekenlijsten naast de betreffende klaslokalen. Ze was 5 minuten te vroeg en speelde met haar mobiel. Het liefst zou ze even door de gangramen gluren ter identificatie van de ouders die haar voor waren gegaan. Het gonzen van gedempte stemmen prikkelden haar nieuwsgierigheid. Ze zou haar oor rustig en ongegeneerd aan de deur van het lokaal te luisteren hebben gelegd als ze niet constant gegroet werd door ouderparen die haar op de gang passeerden.

‘Goede avond’, knikte Thea telkens kort terug.

De meeste passanten kende ze niet eens van dichtbij. Het viel haar wel op dat heel veel papa’s en mama’s gezamenlijk het 10 minutengesprek van hun kind bezochten. Ook de ouders van wie algemeen bekend was dat ze gescheiden leefden. Maar Thea was alleen, want Bart had een hekel aan 10 minutengesprekken en dat mocht van zijn vrouw. Op haar beurt liet Thea zoveel vervelende huis- tuin en keukenklusjes aan Bart over dat zo’n ouder gesprek in haar uppie in geen vergelijk stond. Onaangekondigd doemde de interne coördinatrice, onze oude vertrouwde Jade, achter een voorbijgaand ouderpaar in de schoolgang pal voor Thea op.

‘Ben je er nu al?’, vroeg ze gejaagd.

‘Wat een vreemde vraag’, dacht Thea terwijl ze zittend vanaf haar krukje opkeek naar Jade die nerveus voor haar oprees.

‘Ik heb zo een 10 minutengesprek  met Jeewee en nee ik ben niet te vroeg. Dus.’

Jade luisterde niet naar het antwoord.

‘Je bent veel te vroeg hoor. Je hoeft toch pas over een kwartier bij Toos te zijn?’

‘Ja, maar ik zeg nogmaals dat ik zo meteen eerst een afspraak bij Jeewee heb’, echode Thea verdwaald.

‘Nou moet je hier al die tijd gaan zitten wachten.’

Verward keek Jade om zich heen. Ze deed eerst een stap naar links en besloot toen toch naar rechts te gaan. Ze verdween in het lokaal van groep 4 een paar deuren verder in de schoolgang. Prompt overtrof het geroezemoes in deze gesloten ruimte de geluidsbarrières rond de avondklok van De Wielewaal. Thea kon duidelijk drie stemmen onderscheiden; de afgemeten stem van Jade; het kalmerende geluid van Toos en het schorre doorrookte gekras van Wonderwilma. Aan de fluctuaties in de intonatie te oordelen waren de drie dames in een heftige discussie verwikkeld, maar Thea kon niet woordelijk verstaan wat er gezegd werd. Globaal begreep Thea dat Jade iets van plan was dat Wonderwilma faliekant tegen de borst stuitte. Juffrouw Toos probeerde de kwestie in der minne te schikken. Veel tijd om het mysterie te ontrafelen werd Thea echter niet geboden, want de deur van het lokaal van de combiklas 5 en 6 vloog open door toedoen van Jeewee die voorop liep om professor G. Pronken en zijn jonge buitenlandse vrouw uitgeleide te doen. Thea geloofde haar ogen niet. Ze kende de professor en zijn vrouw alleen van hun zoontje, Marcus, in de groep van Walter. Walter en Marcus lagen elkaar wel, maar met de professor had Thea al verschillende keren op de speelplaats publiekelijk in de clinch gelegen. Thea vond Geert Pronken een blaaskaak. Hoogleraar in de geschiedenis aan de lokale universiteit of niet. Tot dan toe had ze er geen sjoege van gehad dat het weledel geleerde echtpaar tevens een dochter – Allagonda – in groep 6 van de combiklas met Jeewee te bespreken had. Ze begon zich minder relaxed te voelen. De avond mocht dan nog maar amper begonnen zijn; de merkwaardige wendingen als in een absurdistische droom logen er nu al niet om. De professor deed alsof Thea niet bestond en stak zijn neus in de lucht, terwijl hij met een neerbuigend wegwerpgebaar afscheid van Jeewee nam. Achter zijn rug om probeerde zijn vrouw stiekem oogcontact met Thea te maken. Ze had het niet makkelijk natuurlijk als geïmporteerde bruid tussen de opperouders van De Wielewaal. Thea lachte breeduit naar haar. De professor snoof en Jeewee nam overduidelijk aanstoot aan het opgeblazen optreden van Gerrit Pronken. Overigens niet uit hoffelijkheid jegens Thea; want hij verwelkomde haar onnodig geërgerd. Professor Pronken was nou een maal een irritant individu dat bij niemand in de koude kleren ging zitten en Jeewee projecteerde zijn emoties zoals gewoonlijk maar weer eens op zijn favoriete muze Thea. En zij dacht onwillekeurig aan Bart en dat hij haar zoiets nooit zou flikken. 

Het 10 minuten gesprek van Jeewee met Thea over Sabine leek op een langzame dans om de hete brij. Een trage Weense wals die continu haperde, omdat Jeewee aldoor vergat om de leiding te nemen die Thea hem steeds terug gaf. Hij zat op een uitbrander te wachten of een handleiding voor Sabine of in ieder geval op iets anders dan Thea hem te bieden had. Naarmate de 10 minuten vorderden werd Jeewee steeds losser. Alsof hij de dans ontsprongen was, terwijl Thea bijna overliep van frustratie. Ze werd over één kam geschoren met de heersende opperouders. Jeewee zag geen frictie of verschil tussen Thea en de rest. En zo wel dan deed Thea er niet toe, want haar dochter kwam best mee in de combinatieklas 5 en 6. Fijn toch? Standaard procedure dus maar? Op die toer begreep Thea tevens steeds minder van de heersende, onuitgesproken liefdestaal in het verlaten lokaal van de combiklas 5 en 6. Thea raakte dusdanig gedesoriënteerd van de rondzwevende onderhuidse dubbele signalen in de beklemmende ruimte, dat ze dichtklapte en zichzelf niet meer kon zijn. In zo’n gemoedstoestand was Thea niet eens meer in staat om Jeewee welverdiend lik op stuk te geven vanwege zijn terloopse bewering over Sabine:

‘Sabine is een leuk kind om erbij te hebben.’

Zei hij dat echt? Thea schudde het hoofd. Herstel! Hoezo was haar dochter een leuk kind om erbij te hebben? Waar bij te hebben? Alleen maar leuk? Toen Sabine geboren werd draaide de hele wereld van Bart en Thea ondersteboven. Alles veranderde nadat dat kleine wezentje het eerste ademstootje had geproduceerd. Los van de navelstreng. Onherroepelijk en duurzaam in het hier en nu. Nog nooit eerder waren de nachten zo kort en de dagen zo roerig geweest. Sabine is en was de hoofdzaak van het hedendaagse bestaan; de essentie van de existentie; de spil van het allerbeste; het neusje van de zalm; de kwintessens van het dagelijkse reilen en zeilen; zonder Sabine geen leven. Zo’n wensmeisje wordt ernstig tekort gedaan als ze alleen maar goed genoeg is om leuk ‘erbij’ te hebben. Deze negatie was zo bot dat Thea zich bijna geroepen voelde om Jeewee naar de keel te vliegen. Figuurlijk: door hem letterlijk in ieder geval met een snerende reactie monddood te maken. In het geval van meester Gijsbert was zo’n wraakactie zonder problemen in geen tijd afgevinkt geweest, maar bij Jeewee schoten woorden tekort. Het gesprek wilde niet vlotten met als gevolg dat Thea 5 minuten te laat bij haar afspraak met Toos in het lokaal van groep 4 arriveerde.

‘Je bent te laat’, zei Toos waardoor ze meteen verried dat ze zichzelf niet was.

‘Dat is mijn schuld niet’, sputterde Thea tegen.

Ze voelde zich heel klein worden. Niet kinderachtig, maar minderwaardig. Jade was ook aanwezig. Ze zat naast juffrouw Toos achter twee aaneen geschoven lessenaars. Haar nieuwe carrière look - het stijlvolle mantelpakje met modieuze details - had het al een maand na de komst van directrice Willy verloren van haar oude, vertrouwde gele te heet gewassen lamswollen truitje en zwarte polyester stretchbroek.

‘Ik zit er even bij’, zei ze.

‘Ik zie het’, zuchtte Thea.

Ze had geen verweer.

‘Op dat moment had je weg moeten gaan aan’, wist Bart achteraf.

Thea voelde zich alleen maar heel slap worden. De ontspannen toestand aan het begin van de avond was getransformeerd in vertwijfeling en onbegrip.

‘Wij maken ons zorgen om Walter’, begon Jade.

Thea merkte dat ze ergens onderweg terrein verloren was aan Jade. Ze was te vroeg achterover gaan zitten met het gevolg dat ze tegen haar zin in een sneltrein terecht gekomen was, waarvan ze de handrem niet kon vinden. Ze had geen overzicht meer op de dingen om haar heen. De controle op haar kind was op hol geslagen. Het geruis in haar hoofd werd gekmakend. Ze klampte zich vast aan een denkbeeldige strohalm. Een mantra.

‘Rustig blijven, rustig blijven, rustig blijven.’

Teneinde wat stoom af te blazen blaatte Thea de stelling van Jade na:

‘Wij maken ons zorgen om Walter.’

Na een korte, pijnlijke stilte met de gevoelslengte van een uur vroeg ze:

‘Wie zijn wij?’

‘Wij van De Wielewaal’, antwoordde Jade eigenmachtig.

Juffrouw Toos snakte naar adem en drukte een zakdoekbolletje onder haar neusgaten. Ze ontweek de vragende ogen van Thea.

‘Wilma heeft het druk’, vervolgde Jade gemelijk.

‘Hou op Jade’, riep Thea.

Het eeuwige gemanipuleer van Jade lag zo dik op haar geslijm, gelieg, getrek en gedraai dat het resultaat sidderde door haar zintuigen en het laatste beetje flexibiliteit uit haar  geduld trok. Thea had een sterk vermoeden dat de verborgen motieven van Jade alles behalve zuiver waren. Ze besloot de gok te wagen.      

‘Ik heb Wilma allang te kennen gegeven dat ik Walter niet laat testen op dyslexie.’

Bingo. Jade had haar repliek meteen klaar. Opgeklopt en uit het hoofd geleerd.

‘Waarom niet? Dyslexie is geen schande hoor.’

‘Dyslexie bestaat niet. Althans niet  in de wijze en de groten getale waarop jullie het doen voorkomen. En ik ga mijn zoon geen dyslexieverklaring laten aansmeren alleen omdat jullie te beroerd zijn om mijn kind fatsoenlijk taalonderwijs te bieden.’

Thea had zich tot juffrouw Toos gericht die zich hierdoor gedwongen voelde om ook iets te zeggen:

‘Ik heb vertrouwen in Jade.’

Ze klonk zo majestueus dat Thea er alleen maar opstandiger van werd.

‘Fijn voor je Toos. Ik niet.’

Jade liet zich niet van de wijs brengen door nevenzaken en ging stug door met haar propaganda:

‘Heel veel kinderen zijn heel blij met een dyslexieverklaring. De opluchting is vaak groot.’

‘De opluchting?’, herkauwde Thea terwijl ze zich achter de oren krabbelde.

‘Opluchting over het feit dat de kinderen eindelijk een reden hebben waarom ze moeilijk mee kunnen komen in de klas’, beweerde Jade zonder te blikken of blozen.

‘Ja maar, Walter kan prima meekomen in de klas. Tenminste als ik juffrouw Toos moet geloven.’

‘Ik heb vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos nogmaals bij wijze van reactie.

Hierop keek Jade even geïrriteerd naar opzij alsof ze wilde zeggen:

‘Kop houwe, ouwe’.

Vervolgens beet ze Thea toe:

‘Walter gaat niets voor niks naar de remedial teacher; laten we wel wezen Thea. En als de vader van Walter en jij niet bereid zijn om jullie zoon te laten testen, dan moeten we de begeleiding nog eens goed evalueren.’

‘Is dat een dreigement?’, vroeg Thea nog tamelijk beheerst gezien de gemoedstoestand waarin ze zich bevond.

Die vraag trok Jade meteen op haar fatsoen:

‘Nee natuurlijk niet. Maar Walter zou echt weleens geholpen kunnen zijn met een dyslexieverklaring.’

‘Je bedoelt met een proeve van onbekwaamheid?’

‘Je beledigt hier heel veel leerlingen en ouders mee Thea’, waarschuwde Jade bestraffend.

Theatraal keek Thea zoekend om zich heen.

‘Zie jij ouders of leerlingen die mij kunnen horen?’

‘Heel veel kinderen zijn heel erg blij  met een dyslexieverklaring en daarmee uit.’

Het leek er even op dat Jade met de vuist op tafel zou slaan. Maar Thea liet zich niet intimideren. De adrenaline spoot door haar aderen.

‘Niet de kinderen maar hun ouders zijn blij. Blij dat hun kinderen onder de pannen zijn bij mensen die wel bereid zijn om hun kroost tenminste  gewoon lezen en schrijven te leren. Net zoals wij vroeger allemaal  hebben leren lezen en schrijven van docenten die nog nooit van dyslexie gehoord hadden. Waar komt al die dyslectici überhaupt ineens vandaan?’

Hier liet Jade zich kort door Thea uit de tent lokken om haar eigen straatje schoon te vegen.

‘Walter krijgt meer dan deugdelijk taalonderwijs op De Wielewaal van Toos en Wilma.’

‘Je suggereert net nog dat Wilma het te druk heeft voor Walter. Daar komt nog bij dat ik me geen buitensporige zorgen maak om Walter. Zijn vader trouwens ook niet. Jullie zijn de zorgenpietjes op De Wielewaal. Jullie maken je zorgen om Walter. Daarom zit jij nu op mij in te praten Jade. Waar is Wilma trouwens? Ik heb jullie eerder op de avond ruzie horen maken? Ging dat misschien over mijn kind? Over mijn Walter?’

Ik heb vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos voor de derde keer.

Driemaal is scheepsrecht. Tot op het bot getergd sprong Thea op van haar stoel:

‘Wat willen jullie toch van mij!’

Jade stond ook op en liep met open armen op Thea af. Alle registers trok Jade open om haar zin door te drijven. Terugdeinzend probeerde Thea haar tevergeefs te ontwijken. Door haar afweermechanisme wist ze de omarming gelukkig wel tot een minimale aanraking te beperken. Jade liet zich echter niet weg zetten en bloedzuigerig fleemde ze:

‘Stel nou dat je Walter laat testen en hij krijgt een dyslexieverklaring. Zo’n dyslexieverklaring is essentieel; want alleen met een dyslexieverklaring kan hij hulp krijgen van buitenaf. Hulp van een echte expert.’

‘Een echte expert’ werd regelrechte   woordpornografie door de uitspraak van Jade. Ze kwam bijna klaar met een echte expert in haar mond. Het avondeten van Thea begon in haar maag op te spelen.

‘Wilma is toch ook een echte expert?’, kokhalsde ze.

‘Ik heb vertrouwen in Jade’, herhaalde juffrouw Toos alweer.

Thea gaf zelf maar het antwoord op haar vraag:  

‘Maar jij bedoelt natuurlijk een echte expert die niet op de loonlijst van De Wielewaal staat?! Een echte expert die daarom niet door De Wielewaal betaald hoeft te worden, maar wel door mijn ziekenkosten verzekering?’

Jade vertoonde geen schijn van schaamte. Ze deed niet eens moeite om de keiharde berekening te ontkennen.

‘Zoals ik al zei; Wilma heeft het druk. En wat maakt het jullie nou uit? Het is niet alsof de maandelijkse premie er meer of minder om wordt.’

‘Ik heb vertrouwen in Jade.’

Dat was juffrouw Toos voor de vijfde keer. Misschien was het toch de leeftijd.

‘Ik wil graag zelf bepalen wat mij wel of niet iets uitmaakt en een dyslexieverklaring maakt mij wel degelijk wat uit. En Walter ook als hij straks op de middelbare school zit.’

Jade viel Thea in de rede:

‘Zover zijn we nog niet.’

Thea negeerde haar en oreerde ongegeneerd verder;

‘Walter zou door een eventuele dyslexieverklaring onnodig een minderwaardigheidscomplex kunnen  ontwikkelen. Onterecht; want hij kan gewoon leren lezen en schrijven. Net als iedereen, want hij heeft geen dyslexie.’

‘O nee? Dat valt nog te bezien’, weersprak Jade op provocerende toon. 

‘Weet je wat ook nog te bezien valt Jade? De mening van de onderwijsinspectie over de prestaties van Walter. En dan nog wat! Mocht Walter niet voldoen aan de gemiddelde eisen van groep 4 dan laten jullie hem maar een jaartje doubleren. Hij is verdorie net 7 jaar geworden. Dan maar geen vroege vogel meer. Met of zonder Wilma. En wat die overbelasting van Wilma betreft; misschien moeten jullie als team nóg beter jullie best doen. Allemaal nóg een extra tandje bijzetten. Of neem nóg een tweede remedial teacher aan? Want wie heeft het tegenwoordig tenslotte niet druk, druk, druk? Ik heb het ook razend druk. Toch komt niemand van het onderwijsteam bij mij de ramen lappen of zorgt voor een vervangende glazenwasser die door een vrijgevige weldoener bekostigd wordt. Dus ik bedoel maar.’

Het wachten was nu op een zesde motie van vertrouwen aan Jade, maar juffrouw Toos was uitgepraat. Ze was de enige van het trio die nog niet was opgesprongen. Teneer geslagen zat ze op haar plek en peuterde aan haar zakdoekbolletje.  Ook Jade zag er verward uit; alsof ze de uitkomst van het 10 minuten gesprek nog even in alle rust moest verwerken. Voor de goede orde onderging de wolf in schaapskleren  nog gauw een gedaanteverwisseling

‘Ik moet je helaas laten gaan lieve schat, want de tijd dringt’, fleemde Jade en met een poezelig lachje gaf ze nog een laatste draai aan haar slijmerige goedmakertje.

‘Kun je er met iemand over praten? Praat erover met je mannetje of met een ‘dinnetjes’, maar zorg in elk geval dat je er een onderonsje over maakt met iemand.’

Jade pinkte een denkbeeldig pluisje van Thea’s schouder.

‘Reken maar van yes. Breek jij je schattige hoofdje maar vast over mijn eerst volgende aanspreekpunt lievige Jade’, verkondigde Thea met verontrustende stelligheid.

 

HOOFDSTUK 19

De onverwachte aanval van de interne coördinatrice Jade voelde als een dolk in de rug van Thea. Haar complete emotionele huishouding was van slag. Allerlei onlogische gevoelens passeerden de revue in de nachten dat Thea na de confrontatie op bed naar de zwarte binnenkant  van haar oogleden lag te staren. Het grootste deel van de tijd was ze des duivels met een vleugje schaamte over haar ongeremde reacties. Ze had zichzelf laten kennen door ongecontroleerde uitspraken te doen die haar kwetsbaar maakten. Alsof ze op medelijden van Jade of juffrouw Toos zat te wachten. Ze voelde zich juist verraden door juffrouw Toos die tot aan de avond van het 10 minutengesprek alleen maar vol lof over Walter was geweest. Ze haatte Jade om haar sluwheid of om haar domheid. Thea was niet zeker meer van haar eigen mensenkennis. De conversatie tijdens het 10 minutengesprek bleef zich als een oorwurm in haar hoofd afspelen. Letterlijk; zin voor zin; woord voor woord.

‘En toen zei Jade: ‘Wij maken ons zorgen om Walter!’

En ik vroeg ik: ‘Wie zijn we?’

Ondertussen bleef juffrouw Toos maar benadrukken dat ze zoveel vertrouwen had in Jade.

‘Ik heb vertrouwen in Jade’, zei ze tot vervelends toe.

Daarop meldde ik: ‘Fijn voor je Toos, ik niet.’

‘Waarom niet? Dyslectie is geen schande hoor.’

‘Dat was Jade. Misschien bedoelde ze het goed? Maar als ik toch zeker weet dat Walter niet dyslectisch is? Was ik soms niet duidelijk genoeg?’

Thea werd tureluurs van zichzelf en het permanente gemaal in haar hoofd. Het dagelijkse reilen en zeilen en de kinderen bestierde ze in die dagen op de automatische piloot. Bart probeerde naar Thea te luisteren zoveel hij kon; maar ook hij was gedupeerd als vader van Walter. Bovendien dreef Thea hem tot uitersten met haar recidiverende reacties.

‘Hoe wil je een oplossing vinden als een cirkelredenering juist het probleem is?!’, brulde hij meer dan eens in de vele woordenwisselingen uit die tijd.

Bart was al bezig met oplossingen; maar Thea zat vast in de oorzaak  van het probleem. Bart was zeker van zijn zaak:

‘Walter is niet het probleem’.

Nee, dat wist Thea ook wel. In ieder geval niet haar probleem. Wel haar zoon. Ze herkende hem niet in de verslagen van Jade. Jade sprak over Walter in relatie tot statistieken, gemiddeldes, cijfertjes en grafieken die ze zelf ongetwijfeld maar half doorzag, maar die ze te berde bracht, omdat ze door haar werkgever geacht werd te besparen zoals zo ongeveer elke basisschoolleiding door de overheid opgedragen was om te economiseren. Dus ook de staf van  De Wielewaal. Jade zag nauwgezet op de besparingen toe, zodat er in ieder geval niet beknibbeld zou worden op haar en haar werkuren van een interne coördinatrice die haar tijd verdeed met het op stang jagen van onschuldige ouders zoals Bart en Thea. Laat anderen maar de dupe zijn van de bezuinigingen in het basisonderwijs. Desnoods een 7jarige jongetje – Walter bijvoorbeeld - dat de termijnen van een ander kind bij de remedial teacher in vaste dienst -  Wonderwilma in dit geval - opsnoepte, terwijl hij door zijn ouders toch top fit verzekerd was. Bij Walter thuis konden ze net zo goed via de ziekenkostenverzekeraar een externe dyslectie expert – of verder wat voor een therapie of specialist dan ook – inhuren en bekostigen.

Thea was en blijft er echter 100 procent van overtuigd dat Walter geen leerbeperking in de vorm van dyslexie had en heeft. Waarom zou ze dan op kosten van de ziekenkostenverzekeraar een dyslectie expert of anderszins hulp van buitenaf moeten inhuren? Voor wie? Voor het personeel van De Wielewaal? Ter ontlasting? Vanuit dat principe had Thea beter überhaupt geen kinderen kunnen baren. Ter kostenbesparing? Voor  dat veel besproken hongerloontje van het onderwijzend personeel maakte de aanwezigheid van een lastpak met de naam ‘Walter’ meer of minder ook niet noemenswaardig veel meer uit. Slechter kon het met het onderwijs in Nederland toch niet meer gesteld zijn als je de nieuwsberichten in de media moest geloven. Als je het Thea vroeg dan gold dat ook voor de expertise van veel docenten. Kennis wordt duur betaald! Haar zekerheden over de leercapaciteiten van Walter en Sabine baseert Thea nu nog bijna volledig op haar ervaringen bij Huiswerksterk. De taalfouten die Walter als groentje in zijn schoolwerk maakte leken bovendien sprekend op de missers van Melvin in zijn tijd. Zelfs Jasmijn, die nou toch medicijnen studeert, schreef weleens een au in plaats van een ou of verwarde de sch met een g. Zulke taalfoutjes zijn een vaak voorkomend gevolg van een leerproces. Meestal bij kinderen die logisch ingesteld zijn. Het principe van 1 en 1 is 2 hoef je Walter niet uit te leggen bij wijze van spreken. Maar het verschil in schrijfwijze tussen leiden en lijden, bijvoorbeeld, ligt iets minder voor de hand. Intuïtieve kinderen zoals Sabine daarentegen breken zich het hoofd niet over de vraag of het onderscheid tussen leiden en lijden wel steekhoudend is. De leerstof is wat het is. Sabine hoeft niet te snappen dat ze moet leren te accepteren wat ze niet veranderen kan. Walter is daar wat minder flexibel in, maar daarom is hij nog niet leesblind. Daarom heeft hij wel extra goed taalonderwijs nodig. Net als elk kind eigenlijk. Te beginnen op een basisschool en niet onder de paraplu van een ziekenkosten verzekeraar. Kinderen hebben recht op onderwijs zonder pressie. De druk op ouders om hun kinderen ‘ziek’ te laten verklaren zo gauw ze niet voldoen aan de eis van middelmatigheid en te veel geld gaan kosten kan iedereen wel missen als kiespijn.

Tot aan de dag van de uitbarsting met Jade en juffrouw Toos leefde Thea dan ook in de heilige overtuiging dat haar opvattingen over het onderwijs bij mensen die zelf na kunnen denken toch onderhuids gemeengoed waren. Hier en daar vertoonde haar ideaalbeeld door schade en schande al wel de nodige blauwe plekken; maar van onherstelbaar letsel was nog geen sprake geweest. Thea hield haar Huiswerksterkvisie juist overeind  dankzij de onuitgesproken invloed van de volhardende dinosaurussen om haar heen. Onder meer uit de onderwijswereld. Vrouwen als Wonderwilma en juffrouw Toos. Op  de beruchte avond van de 10 minutengesprekken in groep 4 en 5 van Walter en Sabine had Thea echter flinke schade opgelopen in de vorm van een zinsbegoocheling. Een onuitwisbaar drogbeeld waarin ze letterlijk en figuurlijk tegen muren stond te praten. De waangedachte vrat aan haar illusies als de zwerende wond door de gewortelde lemmet van het mes in haar rug en niets is zo funest voor een goede relatie als zelfverloochening.     

Thea deed haar best om vooruit te denken en gebeurtenissen uit het verleden niet onophoudelijk te herkauwen om haar man tegemoet te komen. Op zijn beurt probeerde Bart om de boel voor zijn vrouw min of meer te analyseren. Compromissen bieden evenwel een puike paraplu, maar resulteren in een armzalig dak. Het huwelijk van Bart en Thea dreigde zich verre van ideaal te ontwikkelingen. Enerzijds daar Thea dus niet kon loslaten, maar anderzijds ook omdat Bart nogal fel van leer kon trekken bij de minste of geringste zweem van een zogenaamde terugval van zijn vrouw. Beide partners zaten muurvast in hun eigen verwerkingsproces. Daar kwam nog bij dat Bart stug volhield dat hij helemaal nergens problemen mee had. Hij beweerde nog net niet dat Thea zich aanstelde, maar hij vond wel dat ze gewoon zijn instructies moest opvolgen teneinde de opvoeding van hun kinderen zonder emotionele schade te kunnen overleven. Intuïtief wist Thea dat Bart gelijk had, maar wat kon ze anders doen dan haar eigen ritme volgen? Ze voelde zich in de steek gelaten in die periode van haar huwelijk. Om haar zelfmedelijden enigszins in banen te leiden vroeg Thea op korte termijn een tweede oudergesprek met juffrouw Toos aan. Ze eiste met klem een tête-à-tête zonder de interne coördinatrice Jade. Het werd een fiasco. Juffrouw Toos acteerde dusdanig overdreven zakelijk en afstandelijk dat haar optreden op het botte af rauw op Thea’s dak viel. Thea kon aan alles merken dat juffrouw Toos onder druk van Jade stond. En intimidatie was Jade naar inschatting van Thea op het lijf geschreven. Het breekbare figuurtje van juffrouw Toos zag eruit als een dankbaar slachtoffer. Om haar zelfvertrouwen buiten de muren van het klaslokaal van groep 4 aan het wankelen te brengen waren een paar steken onder water vermoedelijk al genoeg geweest. Iets in de trant van:

‘Voor jouw salaris 10 anderen’.

En hoeveel zou zo’n salaris van een doorgewinterde onderwijzeres nou meer zijn dan de inkomsten van een beginnende jonge hond voor de klas? Dat zal op jaarbasis ook geen verschil van een ton maken. Verder sloeg een dergelijke hint als een tang op een varken natuurlijk. Er was maar één juffrouw Toos. Zij had een roeping. Dat stond buiten kijf en in combinatie met haar inzicht en ervaring is zo’n bijdrage onbetaalbaar. Haar onderwijzeressenhart bonkte als het ware door haar maskerade heen.

‘Laat Walter toch aan mij over’, zei haar aura.

Haar woorden spraken de intentie tegen:

‘Jade bedoelt het goed.’

Ook deze uitspraak repeteerde  juffrouw Toos net iets te vaak om nog geloofwaardig te zijn op dezelfde manier waarop ze eerder tijdens het 10 minutengesprek lukraak was blijven volhouden dat ze zoveel vertrouwen in Jade had. En hoeveel respect Thea ook spontaan kon opbrengen voor de professionaliteit, de respectabele leeftijd en zelfs de rubberen ruggengraat van juffrouw Toos, ze had tijdelijk geen reserves meer voor mededogen. Uit piëteit zou ze juffrouw Toos een klacht bij de onderwijsinspectie, of het algemene bestuur bij de stichting waaronder De Wielewaal valt, besparen, maar Thea moest onderhand wel haar ei kwijt bij een neutraal persoon die haar precaire kwestie ook niet direct aan de grote klok zou hangen. De vertrouwensarts die namens de GGD aan De Wielewaal verbonden was zou een optie kunnen zijn.

Jojanneke van de GGD beweerde dat ze een luisterend oor had, maar niet via de telefoon en dat het misschien handiger was dat Thea even bij haar op kantoor aanwipte. Dat praatte wat makkelijker. Thea liep zowat over van de jarenlang opgekropte emoties en al haar zintuigen waren geladen. Jojanneke, of wie dan ook, hoefde het startschot maar te geven en ze zou weg schieten. Van het begin tot het einde. Zonder de dingen los van elkaar te zien die volgens Bart niets met elkaar van doen hadden. Er was in de ogen van de vader van haar kinderen geen verbinding tussen het oude zeer van De Kleine Beer of Het Kleurenpalet en de onverwerkte ontwikkelingen op De Wielewaal. Als Thea niet in staat was om de slachtofferrol van zich af te schudden dan zou ze niet alleen zichzelf, maar ook Bart en, erger, de  kinderen gek maken.

‘Dat doet iedereen’, suste Jojanneke.

Alhoewel ze een vertrouwensarts was en geen psychiater. Ze was ook niet meer de jongste. Desondanks had de vertrouwensarts een langere adem dan wie Thea verder ook kende. Het zag er namelijk naar uit dat ze bestand was tegen de ratjetoe aan feiten, fictie, gebeurtenissen en muizenissen die Thea haar in korte tijd voorschotelde. Tussendoor hanteerde Jojanneke haar mobiel omdat haar oude moeder heel slecht lag en ze bereikbaar moest zijn in geval van overlijden. Jojanneke was tussen de regels door sowieso erg mededeelzaam over haar privéleven. Haar vertrouwelijkheden nam Thea op als aanmoediging om haar ontgoocheling verder uit te diepen. Geen onderwijskracht hoefde haar kinderen op handen te dragen. Haar bescheidenheid was evenwel geen vrij briefje om Sabine en Walter dus maar ondergeschikt te maken aan leerlingen van ouders die wel het onderste uit de kan van leerkrachten  eisten. Want bij opvoeden is een onsje voorbeeld uit de praktijk van het echte leven beter dan een kilo mooie woorden van de wereldvreemde,  interne coördinatrice Jade. En Bart en Thea mochten in die periode dan de nodige strubbelingen hebben gehad samen, over één ding waren ze het nog wel  eens; met Jade wilde geen van tweeën nog iets te maken hebben. Jojanneke stelde haar gerust.  

‘Jij kunt er niets aan doen dat je hypersensitief bent.’

‘Dat is nou juist waarom ik hier zit en niet bij een psychiater. Ik geloof niet dat ik hypersensitief ben alleen maar omdat ik kritiek heb op het beleid van de basisschool van mijn kinderen. In zoverre er sprake is van een beleid natuurlijk.’

‘Maar je hebt wel het recht om boos te zijn.’

Doordat Jojanneke naarstig haar best deed om oprecht te klinken, werd de licht ontvlambare achterdocht van Thea weer aangewakkerd.

‘Waarom? Omdat ik het recht heb om boos te zijn of omdat ik met recht boos ben?’

‘Ik heb zelf 3 dochters grootgebracht en ik kan nou nog boos worden over sommige akkefietjes op de basisschool. Dan werd 1 van mijn dochters bijvoorbeeld steeds naast een meisje in de klas neergezet dat niemand aardig vond. Alleen maar omdat mijn dochter een sociaal kind is. Op zo’n moment stapte ik ook met lood in mijn schoenen op de juf af en dan werd ik heus net zo goed niet altijd even aardig benaderd. Zo zijn er misschien wel 10 van dat soort akkefietjes met een optelsom van een megaprobleem. Ik herinner me ook nog de uitspraak van de juf uit groep 3 van mijn jongste. Mijn dochter zou het buskruit niet uitgevonden hebben. Ik word er nou nog emo van. Dus ja; je bent met recht boos.’

In de oren van Thea weerklonk geringschatting uit het verhaal van Jojanneke. Minimalisatie van haar knelpunten. Onbedoeld; dus recht in de roos. Jojanneke werd ook weleens ‘emo’. Nee, dan is het goed.

‘Ben je boos. Pluk een roos. Zet haar op je hoed. Dan ben je morgen weer goed’, rijmde Thea monotoon, terwijl ze naast zich uit het raam keek. 

‘Waar ben je bang voor?’, vroeg Jojanneke ineens heel gericht.

‘Dat mijn kinderen op de basisschool het mikpunt van de ontlading van leerkrachten worden als gevolg van mijn kritische opstelling. Het zou niet de eerste keer zijn.’    

‘Dat is een reële angst denk ik. Het probleem is alleen dat mensen zoals de interne coördinatrice overal rondlopen. Op een nieuwe basisschool kom je haar weer tegen, maar dan is haar naam geen Jade maar Mies of Jopie. Denk je dat het elders zoveel beter is?’

‘Slechter kan het niet worden’, schamperde Thea.

De mobiel van Jojanneke liet weer van zich horen. Thea ratelde verder:

‘Ze willen bij De Wielewaal niets liever dan dat ik met mijn kinderen vertrek naar – alweer – een andere basisschool. En mocht onverhoopt de nood aan de man komen dan zeker niet met de stille trom. Waarom denk je dat ik hier zit? Juist om escalatie te voorkomen.’

‘Ik denk dat je er verstandig aan gedaan hebt om hier te komen. Niemand kan jou verplichten om Walter – of Sabine – te onderwerpen aan wat voor een soort medische toetsen of testjes dan ook. Zelfs een arts niet. Er staat nergens, in geen enkel schoolreglement, geschreven dat ouders de plicht hebben om in dyslectie te geloven’, legde Jojanneke uit terwijl ze een berichtje op haar mobiel ontcijferde en iets in begon te toetsen.

‘Vrijheid van meningsuiting’, declameerde Thea.

Het lijkt zo vanzelfsprekend. Nu hield Jojanneke haar mobiel tegen haar oor en kneep bemoedigend met haar oogleden naar Thea onder begeleiding van de woorden:

‘Houd je gedachten even vast.’

Thea doorstond deze onderbreking - en de vele telefonische interrupties die nog zouden volgen op haar  relaas - stoïcijns en zonder commentaar. Maar het was belachelijk: Jojanneke in een schizofrene spagaat tussen haar dochterrol als stervensbegeleidster en haar arbeidsplicht als vertrouwensarts. Het was Thea een raadsel waarom Jojanneke zich vandaag niet had laten vervangen. Haar reactiepatroon verried dat ze doorgaans, onder normale omstandigheden, een kundige vertrouwensarts was. Onder voorwaarde van volledige inzet. Een vervanger voor Jojanneke op de sterfdag van haar moeder was wel zo normaal geweest. Hoe het ook zij; de tijd was linksom of rechtsom rijp voor de kroniek van Thea. Desnoods op facebook.

‘Laten we even het verstand erbij houden’, lachte Jojanneke zenuwachtig.         

‘Denk aan de kinderen. Het belang van de kinderen staat voorop.’

‘Ach ja, de kinderen.’

Thea veinsde vergeetachtigheid en sloeg met de handpalm op haar voorhoofd.

Jojanneke stelde een gesprek voor als sluitstuk. Een gesprek tussen directrice Willy en de interne coördinatrice Jade van De Wielewaal. 

‘Ik zit je net uit te leggen dat Bart en ik niets meer met Jade te maken willen hebben. Praat ik Chinees of zo?’

‘Je zult wel moeten Thea, want Jade is nou een maal de interne coördinatrice van De Wielewaal. Of je  wilt of niet.’

Thea woelde door haar kapsel en masseerde haar hoofdhuid. Ze had jeuk onder haar schedelpan.

‘Wat heb ik hier nou aan? Al dat geblaat. Heb jij je schaapjes al op het droge? Blah, blah, blah?’

‘Vanaf vandaag sta je niet meer alleen. Ik sta achter je, Je kunt me altijd bellen of mailen’, beloofde Jojanneke theatraal.

‘Ook ’s nachts?’, spotte Thea en ze dacht:

‘Wat als jouw moeder vandaag of morgen ook echt komt te overlijden?’

Wie van de twee was er ook weer  psychisch crisisgeval?

‘Ik meen het Thea! Bij mij kun je in ieder geval jezelf zijn!’, antwoordde Jojanneke niet gehinderd door enige introspectie. Ze vervolgde:

‘Ik kan ook het woord voor je doen bij de directie van De Wielewaal als je wilt, maar zo te horen kun je dat prima zelf.’

Zo was de cirkel weer rond. Een vertrouwensarts bood dus ook al geen soelaas aan de groeiende weerzin tegen de moeizame gesprekken op De Wielewaal. Elk wissewasje ontwikkelde zich tot enorme bergen waar een schappelijk mens geen schot in leek te krijgen. Een specifieke geur, bepaalde uitspraak, stemgeluid of andere aanleiding kan Thea nog steeds even tomeloos in de contramine werpen als toen, tijdens de reeks beproevingen op de basisschool van haar kinderen. Moedeloos ervoer Thea de bijeenkomsten hoe vaker hoe heftiger als oeverloos. Uitgezogen werd ze door de leerkrachten van haar kinderen die altijd open meenden te moeten staan voor nieuwe, hippe invloeden. Terwijl Thea totaal niet bezig was met indruk maken of discussiëren alleen maar om het praten tot aan sokken met gaten. Ze werd niet high van een goed gesprek. Want ook onderwijspraatjes vullen geen gaatjes. Niemand kon haar zelfs bij benadering uitleggen wat in de onderwijswereld ongeveer met dyslectie of wat dan ook bedoeld werd. Om maar eens een pijnpuntje te noemen. Dyslectie was persoonsgebonden. Voor iedereen anders. Net als een mening of de waarheid. Relatief noemde Einstein dat toch? Wel leerde Thea zich schikken in de onderwijsretoriek. Ze kreeg inzicht in vergadertechnieken. Ze maakte zich het deduceren van een constante informatiestroom tot een paar kernpunten eigen. Zo ontstond als vanzelf een automatisme. Ondanks de aversie tegen de babbeltjes in de ruimte. Toch dat warme bed uit. In weer en wind voor de kinderen. De sluimerende sleur van de trage, grillige buitenwereld overwonnen. Het ene been voor het andere en de routine komt vanzelf. De ogen sluitend voor een mogelijke vlucht in de alcohol of verdovende middelen. Wetende dat er morgen weer een dag is. Opnieuw met een kop en een staart als gegeven. Volg het voorgeschreven stramien en dan zal alles ooit misschien vanzelf beter gaan. Op de nuchtere maag 2 stapjes vooruit en 3 stapjes terug. Precies zo; vanuit dat inzicht gaat Thea vandaag met frisse tegenzin bij Melvin op ziekenbezoek in het appartement van Jasmijn.

Het luxe, hoge opblaasbare matras van Melvin beslaat bijna de complete woonkamer in het appartement van Jasmijn boven de Albert Heijn. Melvin blijft roerloos op zijn rug boven op het dons dek zonder overtrek liggen. Thea heeft de neiging om Melvin te bestoken met vragen, maar de sfeer in huize Jasmijn is niet erg uitnodigend. Misschien wil Jasmijn zolang wat donsdek overtrekken van haar lenen? Waarom ligt Melvin eigenlijk niet in een verstelbaar ziekenhuisbed en waarom niet thuis bij zijn vader en stiefmoeder? In plaats daarvan opent Thea het gesprek met de woorden:

‘Ik heb laatst Femke nog gesproken.’

‘Ik ook’, antwoordt Melvin droog en zwaar.

Hij verroert zich nauwelijks en als hij beweegt dan in slow motion. Om zijn linker onderarm draagt hij een brace. Melvin ziet er weliswaar minder gehavend uit dan Thea verwacht had,  toch heeft zijn 17jarige gelaat de lome trekken van een oude man, maar dan zonder rimpels, door de gelige plekken en andere sporen van herstel van de verwondingen en breuken in zijn gezicht. Zijn vroegere Betuwe Flipje glans is spoorloos.

‘Samen met Bink.’

Voor de fruitmand die Thea voor Melvin heeft opgemaakt vindt ze een plekje op de vensterbank. Vanuit haar ooghoeken probeert ze een soortement reactie uit de logge mimiek van Melvin op te maken. Sloom plaatst hij de rug van zijn gezonde hand op zijn voorhoofd. In zijn slagader staat nog steeds dezelfde uitroep gekerfd;

‘Enough.’

Melvin heeft er nog altijd genoeg van. Geen plakplaatje, maar een echte tattoo. Hij sluit zijn ogen. Bij zijn slapen glinstert vocht. Transpiratie of tranen? Hij huilt mogelijk of hij ademt met horten en kleine stootjes vanwege het strakke verband om zijn borstkas dat zich onder zijn doorzichtige witte T-shirt aftekent.

‘Hoe was het met Bink?’, wil Jasmijn vanuit de open keuken weten.

Ze schikt de bos duizend schonen die Thea voor haar meebracht.

De koffie pruttelt in een ouderwets filterapparaat. Hun samenzijn is vanzelfsprekend en ongemakkelijk. Zoals vanouds. Alsof Thea nooit weggeweest is en de huiswerkagenda elke minuut getrokken kan worden.

‘Hij kwam voor zijn laptop.’

Melvin verslikt zich en verkrampt over zijn hele lichaam omdat hij moet hoesten. Paniekerig komt Jasmijn vanuit de keuken aanrennen en blijft onverrichter zaken met haar armen in de lucht zwaaiend bij het hoge luchtbed van Melvin staan. Ook Thea springt op uit het rotan kuipstoeltje. Kermend krimpt Melvin ineen en hapt naar adem. Na 2 keer flink inhaleren tussen het piepen en proesten door, neemt de paniek af. In de foetushouding komt hij tot rust. De zweetdruppels parelen op zijn donkerrode voorhoofd. Thea kijkt om zich heen en grijpt naar een aangebroken pakje appelsap met een rietje op de vensterbank naast haar fruitmand. 

‘Wil je wat drinken?’, vraagt ze onhandig.

‘Hij heeft zijn ribben gebroken. Weet je wel hoe pijn dat doet’, snauwt Jasmijn.

‘Een mens moet toch drinken!’, sputtert Thea ontmoedigd tegen, terwijl ze in haar kuipje terug kruipt.

‘Wil je wat drinken Melvin?’, vraagt Jasmijn nu op haar beurt.

De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet.

‘Nee’, krast Melvin schor.

Jasmijn buigt zich voorover tot op een millimeter afstand van het gezicht van Melvin.

‘Gaat het wel?’

Prompt wendt Melvin zijn hoofd af en draait zich krampachtig op zijn andere zij.

‘Jaha’, steunt hij geërgerd.

Jasmijn geeft het op. Ze loopt om het luxe matras in het midden van de woonkamer heen en neemt plaats op het puntje van de bank. Met gebogen  hoofd en een blik vol medelijden strijkt ze door de blonde kuif van haar broer. Liefkozend prevelt ze:

‘Wat hebben ze je toch toegetakeld broertje.’

‘Ze?’

Heeft Thea iets gemist? Over de rug van Melvin probeert Jasmijn onbeholpen om conversatie met Thea te maken.

‘Waar ken jij Bink eigenlijk van, Thea?’

Thea komt, buitengesloten als ze zich voelt, meteen met een wedervraag op de proppen:

‘Waar ken jij Bink eigenlijk van Jasmijn?’

‘Hij is haar overbuurman’, murmelt Melvin zo snel als hij in zijn toestand kan, in de hoop de zinspeling van Thea bijtijds voor Jasmijn te ondervangen.

Te laat.

‘Bink is mijn stiefoom en ik wist niet dat hij bij je in de straat woonde’, antwoordt Jasmijn argeloos en tegelijkertijd aangebrand.

‘Ik kende hem eerst ook niet, totdat  Melvin zijn laptop bij mij in bewaring gaf, omdat de politie een inval bij Bink in huis deed.’

Bewust slaat Thea een toon aan alsof ze verslag doet over koetjes en kalfjes. Zij kan ook mooi weer spelen, maar dan wel vanwege haar  eigen, unieke beweegredenen. Jasmijn acteert dat ze Thea niet goed verstaan heeft.

‘Wat zeg je nou?’

‘Je hebt me wel gehoord.’

Traagzaam rolt Melvin weer op zijn rug.

‘Walter heeft ingebroken neem ik aan?’, informeert hij hakkelend.

‘Walter? Dat is een kind. Heeft Walter bij Bink ingebroken?’, vraagt Jasmijn onnozel.

‘Op de laptop van Bink’, verbetert Melvin geïrriteerd.

Hij schudt zijn achterhoofd dieper in het kussen en slikt benard. Zijn ademsappel lijkt op een   onderhuidse speerpunt. Melvin is niet slank meer, maar mager. Thea bedenkt dat ze beter een stuk of 10 pakjes gebraden gehakt in plaats van een mand met ingewikkeld fruit voor hem mee had kunnen brengen.

‘Walter is geen kind meer. Hij is 12 en een puber; of op z’n minst een tiener. Zal ik een kiwi voor je pellen Melvin?’

‘Dat doe ik wel’, zegt Jasmijn en zonder het groene licht van Melvin af te wachten vist ze 3 kiwi’s uit de fruitmand op de vensterbank en begeeft zich weer naar de keuken. 

‘Zeg het maar!’

Melvin tracht rechtop te gaan zitten. Halverwege stopt hij met proberen en steunt op zijn gezonde onderarm. Afwachtend kijkt hij Thea aan. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en troebel.

‘Wat wil je dat ik zeg?’

‘Wat dacht je toen je me zag zitten tussen de toyboys van G-spotgigolo?’

De uitspraak van deze prangende vraag kost Melvin teveel energie om zijn bovenlijf nog langer overeind te houden. Hij strekt de ongedeerde arm en laat zijn bovenlichaam achterover terug in het veerkrachtige luchtbed terecht komen.

‘Nou, gewoon; ik dacht: Heey kijk eens wie we daar hebben.’

Melvin trekt een scheve mond en balkt. Thea begrijpt dat hij lacht. De rij met kaarsrechte, witte voortanden is Godzijdank nog intact.

‘Prostitutie is niet strafbaar’, deelt Jasmijn laconiek mee.

Met een schaaltje gevuld met stukjes geschilde kiwi neemt ze weer terug plaats op de bank. 

‘Weet jij ervan?’

Zo neutraal mogelijk probeert Thea hoogte te krijgen van de morele mores van Melvin en Jasmijn.

‘Dat Bink een escortservice leidt? Jazeker.’

Jasmijn brengt een partje kiwi naar de gezwollen lippen van Melvin. Kregel heft Melvin zijn gewonde arm in de brace en slaat met het effect van een knuppel in een slagbalspel het aangeboden fruit van zich af. Haastig vindt Jasmijn het uitgevlogen restje kiwi aan het voeteneind van het luchtbed. Uit de achterzak van haar spijkerbroek diept ze een stuk keukenrol om de vochtige kiwisporen om haar heen te deppen.

‘Thea bedoelt de naaktfoto van mij op de website van G-spotgigolo’, beklemtoont Melvin.

‘Ik ben alleen geïnteresseerd in een platonische relatie met mijn broer. Ik ga echt geen naaktfoto’s van hem zitten bekijken’, exponeert Jasmijn met het vredesgebaar richting Thea.

‘Wat vind je dan van de herenliefde tegen betaling?’

Als dan toch alles moet kunnen dan ook de taboes ter tafel wat Thea betreft.

‘Seks is geen liefde’, smaalt Jasmijn.

Melvin produceert een hikkend spotgeluid en richt vervolgens het woord tot Thea:

‘Seks betaalt de rekeningen. En de huur van dit appartement.’

‘Werk jij ook voor Bink?’, vraagt Thea vol ongeloof aan Jasmijn.

‘Ik ben geen jonge God’, bijt Jasmijn rancuneus.

‘Ze is niet hoerig genoeg’, verduidelijkt Melvin nichterig.

‘Homo’, scheldt Jasmijn schaamteloos.

Nuffig distantieert ze zich van haar broer door zo ver mogelijk in het hoekje van de bank te verdwijnen met het fruitschaaltje in haar schoot.

‘Wat zeggen jullie ouders hiervan?’

Thea hoort zelf hoe belachelijk ze klinkt.

‘Ze zijn trots op ons’, monkelt Melvin.

Jasmijn grijnslacht eensgezind met Melvin en tegelijkertijd haatdragend. Thea moet ineens aan moeder Beau en haar 25 jaar jongere vriend denken. De ex-vriend van Jasmijn.

‘En Femke dan, de zus van Bink en jullie stiefmoeder; mijn opvolgster en generatiegenote; de 2de echtgenote van Pim.’

‘Wat is er met Femke?’

Jasmijn en Melvin wisselen een blik van verstandhouding. Thea zwijgt. In wat voor een wereld is ze beland? Zonder inzicht. Dit zal dan wel het wespennest zijn waar Bart voor waarschuwde. Ze besluit eerst zoveel mogelijk feiten te verzamelen om ze daarna in de afwezigheid van mensen om haar heen te verwerken en op een rijtje te zetten. Oordelen kan altijd nog.

‘Misschien kan Femke helpen?’, oppert ze voorzichtig.

‘Femke helpt al door te zwijgen tegen papa.’

Jasmijn is in een meisjesachtige rol geschoten waarin ze niet langer in staat is om een geheimpje niet te verklappen.

‘Waarom zou Femke zwijgen tegen Pim? Alleen maar om haar broer in bescherming te nemen?’

Ondanks haar voornemen om vooralsnog neutraal te blijven klinkt Thea toch verontwaardigd. Jasmijn kijkt Thea uitdagend aan. Zo vurig heeft Thea haar nog nooit gezien. Melvin probeert vanuit zijn liggende positie de drift van zijn zus met een vlakke hand in de lucht te dirigeren. Haar ontlading valt nochtans niet meer te temperen en ze raast uit tegen Thea: 

‘Nee, uit eigen belang. Jullie vieze, oude wijven zijn toch allemaal één pot nat!’ 

 

HOOFDSTUK 20

Thea kan Jasmijn geen ongelijk geven. De voorbeeldvrouwen om haar heen gedragen zich werkelijk onsmakelijk gezien hun leeftijd. Als het waar is dat stiefmoeder Femke in het verleden weleens gebruik heeft gemaakt van de diensten die Bink haar met zijn escortservice in de vorm van toyboys aanbiedt; dan zou Thea in de schoenen van Jasmijn ook gaan twijfelen aan de ethiek van de grote mensen om haar heen. Zelfs al zou Femke misschien alleen maar die ene keer gezwicht zijn voor de verleiding van het jonge, sappige vlees; dan is dat naar mening van Thea toch nog één keer te veel. Maar misschien heeft zij makkelijk praten. Zij voelt zich nooit alleen maar aangetrokken tot een perfect lijf. Tot de daad op zich. Perfectie is stagnatie. Primitief. Want dat is toch alles wat seks met een toyboy moet zijn. De geslachtsdaad op basis van lust. En dan ook nog eens onevenredig gericht op de goesting van een dame op leeftijd en haar bankrekening. Niemand krijgt Thea namelijk aan haar verstand gebracht dat een jonge mooiboy vrijwillig in bed op een milf zit te wachten voor een lekker, diepgaand gesprek; of de stomend hete geslachtsdaad als hij met een simpele vingerknip iets veel strakkers kan krijgen dat nog lang niet tegen de houdbaarheidsdatum aanzit. Die afkorting alleen al zegt genoeg. Milf.  Mother I would like to fuck. In het Nederlands zeg je dan:

‘Moeder ik wil neuken.’

Dan zou Thea willen zeggen:

‘Da’s goed jongen; zoek jij maar eens een leuk vriendinnetje of vriendje van je eigen leeftijd om mee te spelen.’

Maar vrouwen zoals Femke en ook Beau, de moeder van Jasmijn die er vandoor is met haar 25jarige ex-vriendje, dus niet. Dit zijn echte milfen en dat zijn vrouwen die vanaf een bepaalde gevorderde leeftijd direct met de portemonnee staan te zwaaien als er door de jeugd geneukt moet worden en dat is niet aflatend. Als de milfjes goed geschoten hebben dan mogen ze zelf tegen betaling met de benen wijd. Thea zal er niks van zeggen. Ze kijkt wel link uit, want dan wil zij stiekem ook natuurlijk. Je mag überhaupt niet oordelen over de seksuele uitspattingen van een ander, maar Thea vindt er toch wat van. Alhoewel Jasmijn het medeleven van haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster niet zou accepteren. En ook dat kan Thea zich levendig voorstellen. Jasmijn zou zich wel heimelijk afvragen wat een vijftigjarige moeder van 2 kinderen naast het ziekbed van Melvin verloren heeft en ze is slim genoeg om de voorkeur van Thea voor haar broer boven zichzelf op te snuiven. Thea heeft ook geen rationele verklaring voor haar voorliefde voor Melvin. Ze weet alleen dat Melvin vanaf de eerste seconde van zijn aanwezigheid in haar leven al beslag legt op haar zorgzaamheid met de latente dwang van een gulzige zuigeling. Als peuter was zijn honger aan de oppervlakte eenvoudig gestild met een fruithapje en zijn dorst gelest met opvolgmelk, maar de onderhuidse begerigheid groeide met Melvin mee tot op heden. Nog steeds vraagt hij onophoudelijk om aandacht en onberedeneerd blijft Thea ontvankelijk voor zijn verhulde weeklacht. Dat is alles en al veel te veel, omdat Thea niet de moeder van Melvin is en deze jonge mensen net iets te vaak met de misvormde seksuele moraal van de ouderen om hen heen geconfronteerd zijn om hun oude kinderjuf en  huiswerkbegeleidster niet te wantrouwen.

Over achterdocht kan Thea meepraten. Ze is zelf vaak genoeg bedrogen uitgekomen nadat ze haar hoop op de verkeerde mensen in zette. Bart had haar al meerdere malen gewaarschuwd:

‘Ga er nou eens vanuit dat je alleen staat. Dan is alle hulp, elk klein beetje steun pure winst.’

‘Praat voor jezelf’, placht Thea dan getergd te antwoorden.   

De levenswijsheden van haar man irriteerden haar, omdat hij natuurlijk gelijk had, maar ook Bart was niets menselijks vreemd. Alsof hij flierefluitend over het misbruik van vertrouwen in zijn leven heenstapte.

‘Ik ga er in ieder geval wel een stuk makkelijker mee om dan jij’, vond Bart.

‘Waarom is dat?’

Thea had de vraag nog niet gesteld of ze zou willen dat ze op een delete toets kon drukken; want daar had je het al.

‘Ik heb een vertrouwensbasis in mijn jeugd gekregen van mijn ouders en jij niet.’

Voor de zoveelste keer gebruikte Bart haar belabberde jeugd als een excuus voor het verschil in weerstand tussen hem en haar. De referentie naar haar chaotische achterland bracht Thea steevast buiten zinnen. 

‘Ik kan mijn jeugd niet meer veranderen’, bitste ze weerloos.

‘Dat weet ik.’

Precies dat wilde Thea nooit weten. Ze was zich echt wel bewust van haar onschuld. Ergens.

‘Ik heb niets verkeerd gedaan’, repeteerde ze de herhaaldelijke verzekering van Bart uit het verleden in een poging om hem in het heden voor te zijn. 

‘Daarom wil ik dit keer wel met je mee naar dat gesprek met de directie van De Wielewaal’, kondigde Bart aan.

‘Ja, maar Jojanneke; de vertrouwensarts heeft me verzekerd dat ik op haar kan rekenen. Juist nu sta ik niet alleen. Zij staat achter me. Dat heeft ze woordgetrouw zo gezegd.’

‘Kijk en dan ga je hier de mist weer in’, wist Bart de helderziende.

De interne coördinatrice van De Wielewaal - Jade - zat timide aan het hoekje van de vergadertafel en had niets te missen. Aan haar houding te oordelen had ze flink op haar falie gehad van iemand. Geen kik gaf ze. Op haar gezicht stond zelfmedelijden te lezen. Geen wroeging. Het huilen stond haar nader dan het lachen. Het leek Thea sterk dat directrice Willy in dit geval de boosdoener was, want zij was net zo verbaasd over de nederige opstelling van de interne coördinatrice als de ouders van Walter en Sabine. Willy werd er zelfs een beetje melig en sloom van. Lethargisch wierp ze zich met heel haar bovenlijf over de vergadertafel van de I.C. Jade tot Bart en Thea en sloeg een denkbeeldige vlieg weg uit haar blikveld. Ze leek iets ongepast te willen zeggen. Zoiets als:

‘Gooi maar in m’n pet. Het zal mijn tijd wel duren.’

Alsof ze laveloos was. Mogelijk van een met alcohol geïnjecteerde sinaasappel. Hoe moest je anders ongemerkt aan je promillage komen  als directrice van een basisschool? Thea had weleens ergens opgevangen dat de geur van sterke drank geneutraliseerd wordt in zo’n zelfgemaakt vruchtenlikeurtje. De dikke schil van de sinaasappel en de scherpe lucht van het vruchtvlees verbloemen de toegevoegde alcohol in het sap. Voor consumptie boor je met een schaar een ingang in de schil; rietje erin en zuigen maar. Maar nee; dat zou toch te gek voor woorden zijn geweest.

‘Vertel eens, jullie zijn boos’, begon Willy.

Ze sprak niet met dubbele tong. Gelukkig. Directrice Willy praatte altijd haastig; kortaf bijna; niet staccato, maar afgewogen, zuinig en effectief. Minder is meer en wel heel vaak. Dat principe. Zoals afgesproken nam Bart het woord.

‘Ik vind het belachelijk hoe jullie Thea behandeld hebben’, zei hij.

Dat snapte directrice Willy wel en ze knikte meelevend, maar Thea greep meteen in. Niet op die toer.

‘Dat is helemaal niet aan de orde’, viel ze in, terwijl ze nog zo van plan was geweest om nu eens niet te vervallen in monologen.

Willy staarde Thea welwillend aan. Jade op haar beurt zat met gesloten ogen te wachten tot ze gevild zou worden. Maar Thea vond haar niet belangrijk genoeg. Het kwam er na een kwartier uitleg van haar kant op neer  dat zij – met alle steun van Bart -  vond dat ouders het recht hebben om zelf te beslissen aan welke medische onderzoeken zij hun kind(eren) onderwerpen.

‘Dit is een basisschool en geen ziekenhuis. Medische zaken vallen - bij mijn weten – onder een ander departement’, besloot ze.

‘Toch heeft Jade het beste voor met Walter’, zei Willy.

‘The road to hell is paved with good intentions.’

Dat was Bart.

‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’, vertaalde Thea.

‘Ja, ik kan wel Engels’, beet Willy haar toe.

‘Dat valt me dan weer mee van je’, grapte Bart.

Directrice Willy lachte mondjesmaat en Jade de I.C. durfde alweer schichtig om zich heen te kijken alsof het grootste gevaar geweken was. Ter afsluiting kreeg Jade van Willy het vonnis om een evaluatie van het gesprek te schrijven en de opdracht om dit soort futiliteiten voortaan met Bart en Thea via de mail af te handelen. Jade knikte berouwvol, maar haar verwijtende ogen stelden niet bepaald gerust tijdens het afsluitende handjes schudden. Ze waren eerder de voorbodes van revanche.

In haar evaluatie trachtte Jade dan ook haar gram te halen; terwijl het mailtje in werkelijkheid alleen maar de ergste vermoedens van Thea onderschreef. Het eindverslag was een verdraaiing van de feiten; een regelrechte leugen.

‘De ouders van Walter geven in het gesprek aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de ontwikkelingen van hun zoon. Zij zeggen echter nog niet open te staan voor oriëntatie op buitenschoolse ondersteuning ter verbetering van de leerprestaties van Walter. Wij blijven de ontwikkelingen van Walter nauwlettend in de gaten houden.’

‘Dat geloof je toch niet!’

Thea slaakte een kreet van afgrijzen in het oor van Bart naast wie ze eensgezind het bewuste mailtje van Jade las.

‘Laat mij nou maar reageren’, zei Bart, terwijl hij ter bescherming van de trommelvliezen zijn oorschelp dichtdrukte.

‘Waarom nou weer’, gilde Thea hysterisch.

Het gebonk in haar linkerborst was zo heftig  dat ze bang was dat haar hart het lichaam uit zou kloppen. 

‘Ik zit hier gewoon te hyperventileren’, overdreef Thea.

‘Snap je nou waarom ik beter meteen een reactie terug stuur in plaats van jij!’, suste Bart niet onder de indruk.

‘Ach ja, jouw lik op stuk beleid’, sudderde Thea weinig overtuigd maar verslagen na.

Zijn aandacht was volledig gericht op het redigeren van de evaluatie van Jade. Hij streepte zinnen virtueel door met rode lijnen en zijn bezwaren typte hij in een groen lettertype in de kantlijn. Zijn verbeterde versie luidde als volgt:

‘De interne coördinatrice – Jade Joosten - van De Wielewaal geeft aan dat zij zich zorgen maakt over de leerprestaties van Walter. In tegenstelling tot de juffrouw (Toos) van groep 4 van onze zoon. Zij heeft tot nu toe alleen nog maar over de vooruitgang van Walter aan ons gerapporteerd. Vandaar dat wij ons voorlopig – nog - geen zorgen maken over Walter. Mocht dat in de toekomst onverhoopt wel het geval zijn dan zullen wij ons pas oriënteren op buitenschoolse ondersteuning ter verbetering van de leerprestaties van Walter als wij het idee hebben dat vanuit het basisschoolwezen alle mogelijkheden benut en uitgeput zijn. Mochten wij desondanks in het belang van een vlot verloop van de komende basisschooljaren van Walter – noodgedwongen - toch uit moeten wijken naar de medische wereld ter verbetering van de leerprestaties van onze zoon dan doen wij dat – al dan niet - uit vrije wil. Wij veroordelen de wijze waarop wij door de directie van De Wielewaal onder druk en op een dwaalspoor gezet zijn (en nog worden).’

‘Nou als dit schrijven niet helpt dan weet ik het ook niet meer’, zuchtte Thea met de moed der wanhoop.

Nog geen half uur nadat Bart zijn mailtje verzonden had; ontving hij alweer een schrijven terug. Niet op naam van Jade of van Willy maar van de afzender; ‘de directie van De Wielewaal’ tussen aanhalingstekens.

‘Closing of de ranks’, voorspelde Bart.

‘Jij altijd met je Engels; je bedoelt dat de gelederen zich sluiten, maar dat geloof ik niet. Er wordt toch niemand aangevallen?’

Thea nam met een wonderspons de salontafel af. Vanuit zijn relaxstoel bracht Bart zijn mobiel in veiligheid. Zijn geopende laptop lag op schoot.

‘Jij werkt duidelijk niet met volwassenen’, zei hij hoofdschuddend.

‘Leg uit.’

Uitgedaagd kwam Thea overeind uit haar gebogen werkhouding. De bezoedelde wonderspons gooide ze over van haar linker in haar rechterhand – beiden omsloten door knalgele, latex keuken handschoenen - en weer terug.

‘Kom op Thea; wij vallen het beleid van De Wielewaal en dan in het bijzonder Jade de I.C.  aan. We komen in opstand tegen de manier waarop zij hun plannetje voor buitenschoolse begeleiding voor Walter aan ons op willen dringen. Wij zijn lastig. Niet gewoon vervelend zoals de meeste ouders die met bosje rozen nog wel te sussen zijn. Nee, echt een doorn in het oog van de interne coördinatrice en daarmee van de directrice.’

‘Prima toch?’, vond Thea.

‘Nou, schiet op; lees met me mee’, beval Bart.

Thea ontdeed zich van de keuken handschoenen en met de snerpende geur van bewerkt rubber aan haar 10 geboden en in haar neusgaten, ging ze op zoek naar haar computerbril. Geduldig wachtte Bart met het openen van het mailtje totdat Thea eindelijk weer naast hem stond. Ze lazen:

‘Ik geloof niet dat het de bedoeling is om te gaan strepen in een eindverslag. Volgens de vertrouwensarts – Jojanneke Klaassen - staat de professionele mening van Jade Joosten – interne coördinatrice van De Wielewaal – over Walter ook absoluut niet ter discussie.’

‘Wat?’

Thea snapte er echt helemaal niets meer van.

‘Wat een k-wijf die Jade’, schold Bart.

Zijn lontje was opgebrand en de bom gebarsten. Hij voer uit tegen zijn vrouw bij gebrek aan slechter:

‘Dit antwoord is dus door Jade de interne coördinatrice,  geschreven zonder medeweten van directrice Willy onder de noemer ‘de directie van De Wielewaal’. Dat lijkt me duidelijk. Met Jade wil ik niets meer te maken hebben. Mocht ze nog maar een vinger naar Walter – of Sabine – uitsteken dan gaat er een gigantische, dikke, vette klacht naar iedereen die maar luisteren wil!’

Bart begon meteen met het intikken van zijn repliek.

‘Waarom begint Jade in haar verdediging over het contact tussen mij en Jojanneke de vertrouwensarts?’, vroeg Thea zich hardop af.

Bart negeerde haar. Toch voelde Thea zich niet onder echtelijk vuur liggen. De driftbuien van Bart liet Thea zoals zo vaak over zich heen komen als een verfrissend onweer na een tropisch hete dag. Bart zou vanzelf uitrazen, terwijl zij een zoektocht naar een rode draad ondernam. Ze moest snappen wat het probleem was. Al was het alleen maar om bij de tijd te blijven, want als Bart en zij niet alert reageerden dan kregen zij straks het stempel van ongeschikte ouders voor Walter; de bron van alle commotie. Heimelijk voelde  Thea zich schuldig.

‘Schuldgevoel is naar binnen gekeerde kwaadheid’, las Thea ooit eens ergens.

Geen idee waarom uitgerekend deze wijsheid was blijven hangen. Mogelijk vanwege het hoge waarheidsgehalte, want Thea was voornamelijk kwaad op zichzelf. Zij had zich overvallen geweten tijdens het 10 minutengesprek met juffrouw Toos van groep 4. Ze had op haar hoede moeten zijn. Zonder vooraankondiging zat Jade de interne coördinatrice er zomaar bij. Zo’n strakke actie had Thea van Jade kunnen verwachten. Ineens ontstond er ruzie over een dyslectie verklaring. En nu; een gesprek met een vertrouwensarts en een bijeenkomst met de directie van De Wielewaal later, was de leerontwikkeling van Walter naar de achtergrond verdwenen en speelde Jade Joosten zich op als de verloren onschuld.  Thea ziet Jade de interne coördinatrice weer fietsen naast meester Gijsbert van groep 3. Hand en hand. Zo naïef was ze dus ook niet. Wat zou hij haar ingefluisterd hebben? Wilde meester Gijsbert alsnog via Jade zijn gelijk halen over Walter? Misschien had Jade wel een reden om opnieuw indruk op meester Gijsbert te maken. Was zijn interesse in haar verlopen? Dacht ze hem terug te winnen door Walter een hak te zetten? Was ze jaloers op Thea? Och, Thea voelde de vinnige blikken wel in haar rug prikken nadat ze Jade in de gangen van De Wielewaal voorbij was gelopen.

‘Uiterlijk is niet belangrijk’, placht Thea dan tegen zichzelf te zeggen, maar Jade leed kennelijk onder een minderwaardigheidscomplex.

Mogelijk had meester Gijsbert weleens in het bijzijn van zijn minnares – de interne coördinatrice van De Wielewaal -  laten vallen dat hij Thea een mooiere vrouw vond dan Jade. Gewoon, om haar te stangen na een robbertje seks bijvoorbeeld, want zo geniepig schatte Thea meester Gijsbert wel in. Los van het feit dat meester Gijsbert zelf de erotiek van een hork uitstraalde, had Thea in dat geval willen zeggen:

‘Wat je ziet dat heb je nog niet!’

Maar Thea zou ook weleens teveel fantasie kunnen hebben en volgens dat scenario was Jade hoogstens een sluw mens met een beperkte hersencapaciteit en een grote wrok jegens de ouders van Walter.

Al die tijd had juffrouw Toos van groep 4 de lippen stijf opeen gesloten gehouden. In de verbeelding van Thea pulkte ze nog steeds onafgebroken beteuterd aan haar zakdoekbolletje. En waar bleef Wonderwilma? De interne remedial teacher van Walter? Gepreoccupeerd verdween zij in lege lokalen met Thea in het vooruitzicht of ze klampte tijdens een vluchtweg andere, minder ingewikkelde ouders met zorgkinderen aan. Maar dat deed ze ook al voor de grote ruzie over dyslectie. Thea was het spoor bijster.

‘Die fantastische Jojanneke van jou heeft zich natuurlijk door Jade laten om lullen. Weer zo’n stomme trut’, tierde Bart.

Zijn laptop wiebelde op zijn schoot onder het geestdriftige geklop op het toetsenbord.

‘Wat typ je nou?’, vertwijfelde Thea.

‘Ik typ dat we niets meer met Jade de interne coördinatrice te maken willen hebben.’

‘Dreig je met een klacht anders?’

Thea hoopte van niet. Als het niet ging zoals het moest, dan moest het maar zoals het ging, maar ze wist uit ervaring dat het indienen van een klacht het begin van een lange adem inluidt. Officieel bezwaar maken werkt alleen maar moeizame procedures, oeverloze gesprekken, slepende frustraties, duurzame verzuring en nooit genoegdoening in de hand.

‘Ik dreig nooit. Misschien moet jij dat vriendinnetje van jou – die vertrouwensarts - ook maar even aanspreken op de schending van jouw privacy.’

‘Jojanneke?’

‘Jojanneke ja, ze zou toch altijd achter je staan? Hoezo bespreekt zij onze problematiek dan met Jade Joosten? Hoe komt Jojanneke erbij dat de professionaliteit van Jade Joosten in deze kwestie niet ter discussie staat? Waar bemoeit zij zich mee? Ze is een intrigante in plaats van een vertrouwensarts als je het mij vraagt.’ 

‘Misschien.’

‘Daar gaat ze weer!’

Bart had de gewoonte om tegen een afwezige, derde persoon te praten als hij zich aan Thea ergerde.

‘Sta je in directe verbinding met God?’, ruziede zij dan terug.

Omdat ze niet uit kon staan dat hij zomaar over haar gevoelens heen walste. Zij was verraden door Jojanneke en niet hij. Mocht ze dan alstublieft even in een hoekje gaan zitten huilen?

‘Nou nee, eigenlijk niet. Gewoon meteen je mening zeggen dan heb je daarna ook geen behoefte meer om te zwelgen; wat ik je brom.’

‘Ja, maar Jojanneke heeft toch feitelijk niks verkeerd gedaan? Ik heb haar bemiddeling toegezegd. Ze mag toch wel met de directie van De Wielewaal over de kwestie rond Walter praten? Ze staat geregistreerd als de vertrouwensarts van De Wielewaal?’

Wat wilde Thea hier eigenlijk zeggen?

‘Nou zeg je het goed; Jojanneke mag met de directie van De Wielewaal over de kwestie rond Walter praten, maar niet over ons en wie of wat er naar onze mening ter discussie staat. Wat mij betreft staat de professionaliteit van Jade Joosten – de interne coördinatrice – wel degelijk ter discussie. Maar goed; als jij het niet met me eens bent; dan niet.’

‘Ik raak telkens de tel kwijt’, bekende Thea.

‘Dat komt omdat de directie van De Wielewaal de aandacht van het wezenlijke probleem probeert af te leiden. Zogenaamd om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat wordt managers verkeerd aangeleerd op de managementcursus. Nooit toegeven dat je fout zit, want dan ben je verkocht.’

‘Waar wordt dan mijn aandacht vanaf geleid?’

Thea zocht naar het ijkpunt in de conversatie. De verstilde gewaarwording van puzzelstukjes die langzaam maar zeker op hun plek vallen. Alleen Bart kon en kan haar die zekerheid geven.

‘Jouw aandacht wordt afgeleid van het feit dat de interne coördinatrice jouw privacy geschonden heeft en jouw rechten als moeder met voeten treedt. Alleen uit eigen belang. Niet om Walter te helpen, maar juist om via een omweg van de zorgverzekeraar onder extra kosten voor goed taalonderwijs aan Walter uit te kunnen komen. Zowel Jade als Willy doen niets anders dan wijzen naar Walter en zijn zogenaamde probleem. Geen seconde zijn de dames bereid om de hand in eigen boezem te steken. Niet eens voor de schone schijn. Terwijl Walter in werkelijkheid geen probleem heeft en een normaal leerproces doormaakt. Maar dat maakt niet meer uit; Jade en Willy zorgen er wel voor dat Walter een probleem heeft en zo niet dan krijgt hij nog wel een probleem. Desnoods zijn jij en ik de aanstichters; maar Walter heeft vanaf nu hoe dan ook een stempel. Met of zonder dyslectie verklaring; vanaf vandaag valt Walter in het hokje zorggeval door toedoen van Jade en Willy en met steun van dat Jojannekemens.’

‘Je hebt gelijk’, prevelde Thea na een korte denkpauze en een vertraagd inzicht.

De waarheidsgetrouwe schets van Bart had de stress uit haar poriën doen vloeien. Ze werd licht in haar hoofd van de frisse wind die ze met spierpijn in haar borstkas in ademde. De aantijgingen van Bart werden niet minder aannemelijk door de reacties van Jojanneke die om te beginnen pas na 4 keer tevergeefs bellen en 3 appjes te bereiken viel. Na het accepteren van het gesprek maakte Jojanneke aan de telefoon een aanloop naar een uitvoerig verslag van de reden van het verzaken van haar plichten als vertrouwensarts. Omdat Thea nog steeds vond dat juist een vertrouwensarts in staat moet zijn om privé en werk gescheiden te houden smoorde ze de karakteristieke, amicale ontboezemingen van Jojanneke in de kiem. Natuurlijk is Thea begaan met het ziekbed van wie dan ook, maar de sterfelijkheid van de moeder van Jojanneke had op dat moment even niet haar prioriteit.

‘Ik dacht dat je achter me zou staan?’

‘Ik sta ook achter je’, probeerde Jojanneke recht te praten wat krom was.

‘Walter is toch het spilletje hier en daarna komen wij; de ouders?’

‘Jazeker.’

‘Waarom worden Bart en ik dan opeens met de jouw inzichten over de interne coördinatrice van De Wielewaal geconfronteerd?’

‘Dit begrijp ik niet’, aarzelde Jojanneke met trillende stem.

‘Jade beweert zwart op wit dat jij haar bevestigd hebt in haar standpunten over Walter.’

‘Nou nog eens’, draalde Jojanneke.

Thea ademde diep in en uit alvorens ze het hoge woord eruit gooide:

‘Jij hebt gezegd dat de professionaliteit van Jade helemaal niet ter discussie staat.’

‘Nee, dat is toch ook zo?’

‘Wat staat er dan volgens jou wel ter discussie?’

‘Helemaal niks toch?’

‘Heeft Jade jou dat wijsgemaakt?’

‘Nou ja, Jade was wel bang dat er veel meer aan de hand was dan er in werkelijkheid speelt, ja’, bekende Jojanneke.

‘Nou gelukkig maar dat je Jade gerust hebt kunnen stellen. Weer een probleempje uit de wereld geholpen. Of niet? Misschien hoopte Jade wel dat Bart de kinderen en mij elke dag alle hoeken van het huis in een achterstandswijk laat zien. Uiteraard na het nuttigen van een stuk of 20 pilsjes. En dat ik dat misbruik aan jou toevertrouwd zou hebben, zodat jij de crisis dan weer aan Jade - oftewel de heilige moeder Theresa van De Wielewaal - kon doorspelen.’

‘Thea, je draaft door!’

‘Het zou wel makkelijker geweest zijn voor Jade. Dan had ze haar misstappen tenminste weer op kunnen laten verdwijnen in de dwalingen van de meeste ouders die bij jou terecht komen. Zoals ze waarschijnlijk gewend is en normaliter niet anders doet. Maar vertel eens Jojanneke: Waarom heb ik eigenlijk m’n ongenoegen bij jou – vertrouwensarts van De Wielewaal – neergelegd?’

Het cynisme van de uitspraken van Thea liet de geluidsgolven van de telefoonverbinding sidderen en kraken.

‘Ja maar Jade mag toch ook haar kijk op de zaak aan mij uitleggen?’

Thea voelde een vulkaan vanuit haar onderbuik opborrelen. Ze greep naar haar linkerborst om de kramp, die ook weer opspeelde, te onderdrukken. 

‘Waar staat dat ‘vertrouwen’ in de titel ‘vertrouwensarts’ eigenlijk voor? Ik kan nu zonder meer een klacht tegen je indienen en dan heb jij ook eens een probleempje helemaal voor jou alleen Jojanneke.’

‘Ik heb mijn plichten niet verzaakt’, blufte Jojanneke verontwaardigd.

‘Je hebt mijn problemen met Jade Joosten – de interne coördinatrice van De Wielewaal – gebagatelliseerd. Ik mag dan wel geen arts of jurist zijn, maar ik weet wel hoe het rechtssysteem in elkaar zit. Ik heb het recht om serieus genomen te worden. Net zo goed als wie dan ook en zeker als Jade.’

‘Jade is verdorie de interne coördinatrice van De Wielewaal!’, blies Jojanneke corrigerend en met dedain.

Ze werd kwaad en dreigde uit haar rol te vallen.

‘Voor mijn part is ze de presidente van de Verenigde Staten. Jij hebt je door Jade laten misleiden en je hebt achter mijn rug om met haar over mijn vertrouwelijkheden aan jou gepraat. Hoe onbenullig Jade en jij die vertrouwelijkheden ook mogen vinden.’

Dat laatste was speculatie, maar omdat Jojanneke niet tegensputterde, vermoedde Thea dat ze dichter bij de waarheid zat dan ze aanvankelijk ingeschat had. Dus benadrukte ze de ernst van de overtreding nog eens extra.

‘Dat is een kwalijke zaak.’

‘Dat ligt eraan. Mijn dochters hebben ook weleens ruzie en dat kan ik prima bemiddelen. Mijn dochters kijken alle drie heel verschillend tegen mij aan. Dat mag. Daar ben ik hun moeder voor’, lispelde Jojanneke paniekerig en huilerig.

Thea kon ook wel janken van de ellende die zij niet veroorzaakt had, maar ze besloot de verstandigste te zijn.

‘Je zit er compleet doorheen Jojanneke. Als ik jou was dan zou ik eens een beetje afstand nemen van de problemen van anderen. Sterkte met je moeder. En wat mij betreft? Ik bel je nog wel een keer. Jij hebt na jouw misser met Walter nog een goedmakertje bij mij uitstaan.’

Na dit open einde volgde een lange periode van een beladen stilte die Thea aanvloog zodra ze haar Renault voor de deur van De Wielewaal parkeerde. Ze had zich heilig voorgenomen om de basisschool van haar kinderen nooit meer - met ook maar één voet – te betreden. Laat staan de speelplaats. Hier had ze zichzelf keer op keer belachelijk gemaakt. Op deze plek was ze te kakken gezet door mensen die er een sport in zagen om anderen te overtroeven en liefst de grond in te trappen. Haar incasseringsvermogen draaide overuren om te voorkomen dat het kuddegedrag aan haar zou gaan vreten. Er was geen ruimte meer om reserves op te bouwen en daardoor transformeerde De Wielewaal in een onneembare vesting met een onzichtbare muur. In die denkbeeldige schutting bevond zich een hersluitbare opening waarin haar kinderen elke morgen opgingen, terwijl Thea verstard in de auto bleef zitten navelstaren. Sabine en Walter moesten nu noodgedwongen zelf de opperouders in de gangen van De Wielewaal trotseren. Zonder de steun van mama. Nadat de laatste glimp van herkenning was verdwenen maakte de walging van Thea de omheining tot een ontoegankelijke barrière. De opening was opgelost en had haar kinderen opgeslokt. Pas tussen de middag en na schooltijd openbaarde er zich een tijdelijke uitweg in de fictieve haag. Dan kropen Sabine en Walter weer voetje voor voetje uit het gat in het horrorraster. Ze moesten toch op een normale manier naar school kunnen?

Elke schooldag kwam Walter als eerste naar buiten. Ongedeerd en in balans. Hij speelde vaak met Tim, maar maakte nog meer hechte vriendschappen in dat jaar in groep 4 bij juffrouw Toos. Met Marcus; de schroomvallige zoon van professor Pronken. En met Huib niet te vergeten. Huib was in eerste instantie bevriend met Sabine en hij had een moeder die kon toveren. Ze was naar eigen zeggen een echte heks. Thea kon dat beamen op basis van een ervaring die ze met de moeder van Huib had gehad. De moeder van Huib was een ware Hollandse schone. Een feminazi. Een geradicaliseerde feministe als het ware. Een vrouwenvrouw met sproeten en een uitgeplozen bos blonde kroeskrullen. Ze was nooit getrouwd geweest met de vader van Huib, waarmee ze sinds kort ook niet meer samen leefde in één huis. De moeder van Huib meende de frequentie en de duur van de speelbezoekjes van haar zoontje aan Sabine te kunnen bepalen. Het moest altijd in het huis van Bart en Thea. Nooit bij haar. En wat Thea betreft beter ook niet enkel in de kind-onverschillige aanwezigheid van de vader van Huib. Telkens als deze onmiskenbare vrouwenverslinder – inclusief lange, donkere manen, tandpasta smile en zonnebank gebruinde teint -  zijn 8jarige zoon ophaalde dan kwam de alcoholgeur bij het openen van de voordeur Thea als eerste tegemoet. Uit bezorgdheid had Thea weleens op het punt gestaan om zelfs Huibje niet mee te geven met de beschonken vader in zijn dure slee.

‘Wat zou die man nou doen voor de kost?’ peinsde Thea hardop in het bijzijn van Bart.

‘Ik vermoed iets met mensen’, grapte Bart.

‘Hij is advocaat beweert Huibje, maar ik kan me er zo weinig bij voorstellen’, vervolgde Thea.

‘Bij de advocatuur, of bij de vader van Huibje?’

‘Bij de vader van Huibje als advocaat.’

‘Ik ‘wil’ me er niets bij voorstellen, maar een mens ontkomt er niet aan bij de verschijning van de vader van Huibje. Neerlands hoop in bange dagen’, schertste Bart zuchtend.

‘En dan te bedenken dat de moeder van Huibje een echte heks is. Als we Huibje tenminste moeten geloven.’

‘Kijk, daar heb je het al.’

‘Laat los, laat gaan’, hield Thea zichzelf dus maar voor.

Uit zelfbescherming en machteloosheid. De 2 overheersende emoties uit de basisschooltijd van haar kroost. Want uiteraard werd Sabine niet uitgenodigd op het verjaardagsfeestje van Huibje, terwijl hij dat wel aan haar beloofd had. En niet één keer, maar, aan de lopende band, over een periode van 2 weken iedere dag wel zo’n 10 keer. Zo vaak dat Sabine een mega tegenzin in het verjaardagsfeestje van Huibje ontwikkelde.  Op de grote dag ontvingen 3 meisjes en 6 jongens uit de toenmalige groep 4 van Sabine  voor aanvang van de les in het klaslokaal van juffrouw Dorien wel een officiële uitnodiging voor het feestje van Huibje. Sabine werd overgeslagen. Hoewel Sabine al gegeten en gedronken had voordat het feestje van Huibje überhaupt aangebroken was, deed het toch pijn om buiten een kliekje uitverkorenen gesloten te worden. De verwarring stond op het gezicht van het 7 jarige meisje te lezen. Had zij zich niet braaf aan de instructies van haar moeder gehouden? Op geen enkel van de circa 100 momenten dat Huibje weer begon te zaniken over zijn aanstaande verjaardag en de grote eer die Sabine zou toekomen doordat zij ook werd uitgenodigd, was het kleine 7jarige meisje gillend weggerend. Nee, Sabine had de onverdeelde voorpret van Huibje keer op keer over zich heen laten komen. Uit beleefdheid. Ze zou ook gewoon op dat stomme partijtje van Huibje zijn komen opdagen. Dat moest Sabine van Thea. Dat hoort bij de opvoeding. Alleen snapten moeder en dochter toen nog niet dat een uitnodiging voor een verjaardagsfeestje op De Wielewaal geen kinderspel was. Daar hoorde op een Wielewaalwaardige wijze voor gevochten te worden. Thea zou wel nooit leren om zich te houden aan de spelregels van de opperouders. Temeer daar ze geen idee had van de werking van de code, die ook op ieder willekeurig tijdstip leek te veranderen. Ondanks het onbenul van Thea had de moeder van Huibje de brutaliteit om op dezelfde dag van het bewuste verjaardagsfeestje nog te bellen met de mededeling dat haar zoon de woensdag daarop met Sabine kwam spelen. Helaas voor de moeder van Huibje trof ze niet Thea maar Bart aan de lijn.

‘Huibje komt woensdag aanstaande bij Sabientje spelen’, kondigde de moeder van Huibje aan.

‘Nee’, weersprak Bart.

‘Jawel hoor, Huibje komt heel vaak bij Sabientje spelen’, hield de moeder van Huibje doodleuk vol.

‘Vanaf vandaag niet meer’, verzekerde Bart haar.

‘Hoezo niet? Waar slaat dat op?’, wilde de moeder van Huibje ongeduldig weten.

‘Op de verjaardag van Huib, waarop Sabine niet is uitgenodigd’, legde Bart rustig uit.

De moeder van Huibje kon haar oren niet geloven:

‘Ik kan toch niet de hele klas uitnodigen? Kom op zeg!’

Bart bleef kalm:

‘Nee, niet de hele klas, maar wel Sabine. Los van het feit dat mijn vrouw en ik al maandenlang jouw zoon bijna iedere woensdagmiddag gratis opvangen, omdat Huib zo nodig hier thuis met onze dochter moet afspreken van jou, bleef Huib maar zeuren over dat toekomstige partijtje van hem. Sabine moest en zou komen. Huib heeft haar wel 100 keer gevraagd en nou puntje bij paaltje komt krijgen een paar klasgenootjes een uitnodiging, maar Sabine wordt buitengesloten. En dan zullen mijn vrouw en ik jouw kind verder gratis onderdak blijven verlenen? Wij zijn wel goed, maar niet gek.’

De moeder van Huibje maakte een spottende keelgeluid en antwoordde vanuit de hoogte:

‘Huibje kan zoveel zeggen!’

‘Ja, hij zegt ook dat jij een heks bent. Da’s dan weer wel recht in de roos’, oordeelde Bart in dit geval terecht dus.

‘Ow, op die manier!’, snerpte de heks.

‘Precies op die manier’, besloot Bart droog.

Niet lang na zijn 8ste verjaardag bleef Huib zitten in groep 4 en sloot hij vriendschap met Walter, Marcus en Tim uit zijn doubleerklas. In geen geval mocht Huibje echter met Walter – het broertje van Sabine met die lompe boer van een vader - spelen van de heks. Maar toverkracht of niet; de 4 mannekes ontdekten het online gamen via skype na school. Daarvoor hoefden geen van vieren het ouderlijk huis te verlaten. Ze zijn er – met tussenpozen - tot op heden nog steeds druk mee.

 

HOOFDSTUK 21

Mochten kinderen in hun zesde leerjaar de schoolopdracht tot het maken van een allereerste werkstukje krijgen dan is de betreffende basisschool er vroeg bij. In het geval van De Wielewaal vonden de opperouders van de combinatieklas van Jeewee dat het de reputatie van de school alleen maar ten goede zou komen als niet alleen de gedeeltelijke groep 6, maar ook de kinderen van de halve groep 5 meteen maar vroegtijdig met deze taak opgezadeld werden. Uiteraard konden de opperouders op alle steun van Jeewee rekenen. Thea vond het belachelijk dat haar dochter op 8jarige leeftijd al in staat moest zijn om een verslag te schrijven, maar Sabine leek zich geen zorgen te maken over de opdracht op zich. Veel problematischer was de bedoeling dat er samengewerkt zou worden en zo kon het werkstuk bijna niet anders dan een prestigeproject worden voor de huilmeisjes van de combigroep 5 en 6. Al 2 maanden voor de deadline was het verslag het gesprek van de dag en Sabine verveelde zich te pletter bij haar combiklasgenootjes die de hele dag in een competentiestrijd verwikkeld waren. Ze ontvluchtte haar combigroep nog vaker en langer dan op gewone schooldagen. Tijdens het speelkwartier en na schooltijd richtte ze zich volledig op haar maatjes uit de andere, onverdeelde, groep 5. Zelfs Zarah, het enige niet gelikte meisje uit de combiklas 5 en 6, raakte bevangen door de heersende prestatiekoorts. Ze begon sowieso pretenties te krijgen en bevelen uit te delen aan Sabine. Samen met haar moeder Dalila had Zarah bepaald dat het werkstuk over de verwerking van cacao zou moeten gaan en dat Sabine daarbij de 2de stem zou vormen. Eigenlijk was Sabine meer te vinden voor een compositie over katten, maar moeder Dalila zou een klasse uitje naar de cacaofabriek in Zaandijk voor haar dochter Zarah kunnen regelen via een kennisje uit de gemeenteraad. Zo gezegd als kroon op de chocoladeresearch van de twee vriendinnen. Thea leek zo’n klassikaal uitstapje een beetje te veel van het goede, maar ze wilde niet nog meer kwaad bloed zetten. Ze had andere zorgen. Sinds een week of vier klaagde Sabine bijna elke schooldag over buikpijn.

Omdat Thea zich gedeisd hield en al maanden niet op het speelplein of in het schoolgebouw geweest was, had ze nog minder sjoege van de lopende zaken, roddels of de positie van haar kinderen in de klas dan voorheen. In de periode voor haar boycot kon ze de stemming om zich heen nog peilen aan de hand van de gesprekken en reacties in de wandelgangen. Als geen ander kan Thea overal en altijd de sfeer proeven. Of ze nou wil of niet. Juist die eigenschap werd haar grootste struikelblok op de roerige Wielewaal. Na haar afmars was dan ook een innerlijke rust opgetreden die haar zoveel energie gaf dat ze zichzelf niet zo 1,2,3 terug in het hol van de leeuw zag treden. Te meer daar Walter schijnbaar geen problemen bij juffrouw Toos gaf. Of andersom. Dat kan natuurlijk ook. Aan juffrouw Toos had Thea te kennen gegeven dat ze zich niet meer op de Wielewaal zou vertonen. Dringende zaken en de 10 minutengesprekken moesten voortaan maar met Bart afgehandeld worden. Het neutrale gezicht van Juffrouw Toos betrok; hetgeen Thea afdeed met de woorden:

‘Ja, voor Bart is het ook niet leuk.’

Nu echter de werkstukperikelen van de combigroep 5 en 6 in het maagdarmkanaal van Sabine begonnen op te spelen, besloot Thea om toch maar weer eens een paar eerste voorzichtige pasjes in het Wielewaalleven te zetten. Te beginnen op het speelplein. Ze werd aangestaard door de opperouders alsof ze uit de dood herrezen was en acuut een stokje kwam steken voor de fikse machtsverschuivingen die tijdens haar afwezigheid hadden plaatsgevonden. Professor Pronken was het nieuwe opperhoofd. Als nooit tevoren doemde zijn grijze kop ferm boven het klootjesvolk op het speelplein en in de gangen van De Wielewaal op. Gelijk een baken in woelige baren gehuld in die eeuwige legergroene bodywarmer tussen de T-shirts met politiek correcte opdruk en hysterische tuniekjes. Professor Pronken negeerde Thea zo nadrukkelijk dat er niet aan zijn tegenwoordigheid; zijn nieuwe houding; de volgepompte borst, geheven kin en ongenaakbare blik te ontkomen viel. Napoleon Pronken. Ook Jeewee drong zich weer aan Thea op met een zelfgenoegzame grijns op zijn smoelwerk. Twee minuten daarvoor had Thea hem nog helemaal op zien gaan in zijn beroemde speelplein voetbalspel met – voornamelijk – de jongens van groep 8 en hier en daar een teamsport minnend meisje. Jeewee staarde Thea alleen maar narrig aan, terwijl hij net deed alsof hij één en al oor was voor de klachten die een oppermoeder in zijn linkeroor spuide. Om zijn lippen speelde een sarcastisch lachje, maar zijn ogen verrieden gekwetste trots. Hij was door Thea in de steek gelaten en nu was het te laat. Zonder het tegenwicht van haar controversiële dagelijkse popop gedurende de werkweek, was hij inmiddels al lang en breed bezweken voor de tirannie van de opperouders.

‘Hoe gaat het met Sabine?’, vroeg Thea opstandig.

‘Kijk daar komt ze al’, knikte Jeewee afwezig.

Vervolgens keerde hij haar de rug toe om zich heel overdreven in de problematiek van weer een nieuwe jonkvrouw in nood te verdiepen. Thea beet op haar vuist om te voorkomen dat ze spontaan op hem in zou beuken. Haar drift werd echter pas goed getemperd door het bedrukte gezichtje van Sabine. Ze zag een beetje pips.

‘Hoe is het met je buik?’

‘Gaat wel.’

Ze wreef over haar darmstreek met het gebaar en de gezichtsuitdrukking van een hoogzwangere vrouw en vroeg vermoeid:

‘Moeten we nog wachten op Walter?’

‘Walter is naar de speeltuin met Tim; kom op meid; we gaan naar huis.’

Voordat Thea de hand van Sabine kon pakken, zoefde Zarah voorbij en splitste in de gauwigheid een drietal bibliotheek boeken in de maag van haar lotgenote. Beduusd voorkwam Sabine dat de boeken op de tegels van het speelplein zouden glijden door ze plat op haar buik tegen te houden.

‘Hey, wat moet dat Zarah!’, riep Thea het voormalige vriendinnetje van Sabine na.

Zarah nam pas op plaats, aarzelde, maar besloot toen toch maar om gehoor te geven aan de oproep van Thea door stil te blijven staan. Pedant hief ze een vinnig kinnetje. De heldere kijkers flonkerden arrogant in het felle zonlicht.

‘Dat zijn biebboeken over chocolade’, zei ze plechtig.

‘Ja, en wat moeten wij ermee?’

‘Ze moeten verlengd worden.’

‘Dus?’

Uitdagend plaatste Zarah haar handen in de zij en slaakte een diepe zucht. Ze wierp het hoofd in de nek.

‘We doen het werkstuk toch sammuh!’

‘Hoe ver zijn jullie al?’, vroeg Thea aan Sabine.

‘We hebben nog niks’, pruilde Sabine.

‘Hoezo hebben jullie nog niks?’

De afgelopen maand hadden Zarah en Sabine elke woensdagmiddag afgesproken om samen aan het werkstuk te werken. De ene keer bij Sabine en de andere woensdag bij Zarah. Om en om. Thea had de meisjes geholpen met het gieten van chocoladefiguurtjes. In een speciaal smeltoventje, dat Sabine ooit van sinterklaas had gekregen toen hij bij oma had gereden, lukte het met veel vijven en zessen om de chocolade min of meer op de goede temperatuur te krijgen. Ondertussen glipten de meisjes naar de trampoline in de tuin en vergaten het chocoladeproject. Met het nodige geklieder en ongelijkmatig scheutig verdeelde Thea de gesmolten chocolade over de latex vormpjes. Pas nadat de chocolade hartjes, beertjes en klavertjes vier uitgehard en eetbaar waren lukte het Thea om de vriendinnen weer naar binnen en aan de keukentafel te lokken. Giechelend herschikten de meisjes na iedere hap de slinkende oogst die op een dienblad was uitgestald, terwijl Thea de keuken kuiste. Om te voorkomen dat het tweetal zich in een recordtempo ziek zou eten, mocht Zarah de helft van de resterende chocolade figuurtjes mee naar huis nemen. Het deel van Sabine verdween tijdelijk in de koelkast. Thea leefde in de ijdele hoop dat het proces leerzaam was geweest. Tegelijkertijd wist ze wel beter. Persoonlijk zag ze ook niet zoveel verband tussen de theorie van een werkstuk over chocolade en de praktijk van het gebruik van een speelgoed smeltoventje. Erg veel zin om nog meer kwaliteit van haar schaarse vrije tijd met een would-be werkstuk voor dummy’s te verdoen had Thea echter ook niet. Desondanks probeerde ze de meisjes toch nog aan te sporen om in ieder geval een paar kernpunten op papier te zetten en al vast een opzet te maken. Misschien kon er gegoogeld worden? De IPads van Huiswerksterk waren beschikbaar en mochten geleend worden. Vooral Zarah reageerde stekelig op de bemoeienissen van Thea.

‘We mogen niet googelen van Jeewee. We moeten boeken uit de schoolbibliotheek halen.’

‘Natuurlijk mag je ook weetjes opzoeken op het internet. Wat een onzin’, sneerde Thea die haar ergernis over de basale kopzorgen in de combiklas 5 en 6 soms niet kon verbergen.

Zeker niet in haar eigen huis. De opperouders van De Wielewaal waren in staat om werkelijk overal een probleem van te maken.

Zarah was Oost-Indisch doof, maar  Sabine was al half overstag.

‘Maar het kan toch alle twee? We kunnen toch boeken lenen over chocolade en ook weetjes opzoeken met google’, stelde de schat voor.

‘Mijn moeder heeft al een brief geschreven naar de chocoladefabriek’, antwoordde Zarah bij wijze van excuus.

Net zo min als de waarschijnlijkheid dat het eten van chocolaatjes een praktische bijdrage zou leveren aan een verslag over de verwerking van cacao; zou een klassikaal uitje naar een chocoladefabriek een voor de hand liggend instrument zijn bij de succesvolle voltooiing van het werkstuk van Sabine en Zarah. Misschien dat een uitje naar de fabriek met alleen de makers van het werkstuk sneller rond zou zijn geweest via de vriendin van Dalila uit de gemeenteraad? Of dan toch stukken effectiever. Waarom zou Dalila de hele klas op sleeptouw willen nemen? Maar hey, Thea bleef stug weigeren om een party pooper zijn. 

‘Cool’, vond Sabine.

‘Mijn moeder is veel beter als de jouwne’, stookte Zarah niet zacht genoeg voor de oren van Thea die op dat moment ook in de huiskamer aanwezig was. 

‘De jouwe’, verbeterde Sabine geërgerd.

Thea besloot het laatste woord te nemen.

‘Dan die van jou’, zei ze gelaten.

Sedertdien bleef het stil rond de brief van Dalila aan de chocoladefabriek.

‘Ga er maar vanuit dat het klasse uitje naar de chocoladefabriek niet doorgaat’, waarschuwde Thea verbeten.

Ze begon schreeuwende hoofdpijn te krijgen van Dalila met haar intimidatie van kleine meisjes. Bovendien had ze haar buik vol van het constante onderhuidse gestoef van miss moslima. Hoofd- en buikpijn. Psychosomatische reacties in dit geval. Een vergelijkbare allergische reactie als van Sabine eigenlijk. Uit zelfbehoud of verdediging van het ego. Zo ook de arrogantie van Zarah die aanstalten maakte om de benen te nemen van het speelplein. Thea hield haar overdrachtelijk tegen door Sabine ten gehore van alle aanwezigen een essentiële vraag te stellen die Zarah ook direct aanging:

‘Dus jullie hebben nog steeds niks op papier? Wat hebben jullie eigenlijk uitgevoerd op de woensdagen bij Zarah thuis?’

Sabine kromp ineen. Gedeeltelijk van de buikkrampen vermoedelijk. Echter denkelijk ook van een schuldgevoel dat Thea de laatste tijd wel vaker bij haar dochter bespeurde maar dat ze niet kon duiden. Sabine kermde wanhopig.

‘We hebben met waterballonnen gespeeld. Adiva had mijn nagels gelakt en we hebben met Erum door de wijk gefietst, dat heb ik toch verteld?’

‘Ja, dat is ook helemaal niet erg, rustig maar’, suste Thea gepikeerd.

Alsof Sabine wat te duchten had van het strenge regime van Dalila; de moeder van een vriendinnetje nota bene.

‘Wat vindt jouw moeder hier eigenlijk van Zarah?’

‘Hoezo?’

‘Haar moeder was werken’, bekende Sabine.

Nu pas. Thea werd overvallen door een onbehagelijk gevoel.

‘Wie hield er dan toezicht op jullie die afgelopen woensdagen bij Zarah thuis?’

Thea zocht met haar ogen eerst een reactie  van Sabine. Toen dat antwoord uitbleef keek ze vragend naar Zarah en weer terug. Aangespoord door de ongewenste stilte begon Thea te gissen:

‘Was je nieuwe papa misschien thuis?’

Ze had Zarah zo bekoorlijk mogelijk benaderd, maar het 8 jarige kind reageerde meteen als een katje dat niet zonder handschoenen aangehaald kan worden:

‘Mijn nieuwe vader is tandarts. Hij is altijd thuis. Hij werkt in zijn praktijk!’

‘Hij was aan het werk dus; wie was er dan wel  beschikbaar voor jullie?’

Thea begon haar geduld te verliezen en Sabine zag de bui al hangen.

‘Adiva en Erum waren er ook’, bekende ze dus maar snel. 

‘Adiva is 11 en Erum is 10!’, riep Thea verbijsterd uit.

‘Ma h am’, sommeerde Sabine beschaamd.

Was Thea nou zo burgerlijk of ging Dalila gewoon te ver? Wie maakte een meisje van 11 nou een hele middag verantwoordelijk voor 2 kinderen van 8 en nog een zusje – Erum - van 10?  Burgerlijk of niet; Thea had iets te veel voorstellingsvermogen om niet te huiveren bij de gedachte aan wat er allemaal had kunnen gebeuren. Ze had ook niet naar de wensen van Sabine moeten luisteren die per sé op de hoek van de laan van het nieuwe, sjieke huis van Zarah afgezet en weer opgehaald wilde worden. Ze had mee moeten lopen. Aan moeten bellen. Ze had de oppas moeten controleren. Natuurlijk waren de meisjes geen baby’s meer, maar ze konden zich ook nog lang niet mondig en mobiel genoeg tegen pedofielen of andere rare snuiters verweren. Had Zarah nou gewoon met Sabine bij haar oma afgesproken; dan had Thea de meisjes nog in de veiligheid van de sociale wijkcontrole rond De Wielewaal geweten. Maar Zarah woonde sinds kort met haar zusjes en Dalila bij de tandarts in een villawijk aan de rand van de stad, waar, behalve patiënten, overdag geen normaal volwassen mens te vinden was. Allemaal fulltime aan het werk. Waar bleef Dalila nou met haar zedenpreken en levenslessen?

‘Adiva en Erum helpen met het werkstuk over chocolade. Ik heb het al bijna af! We hebben Sabine niet nodig’, snoefde Zarah voor het oor en oog van alle aanwezigen en dan in het bijzonder van Jeewee.

‘Laat zien’, beval Thea zo luchtig mogelijk ter verdoezeling van haar machteloosheid.

Rustig liep ze op Zarah af. Voor zichzelf vergoelijkte ze de hoogmoed van het 8 jarige meisje met de overweging dat opboksen tegen 2 oudere zusjes misschien vroegtijdig wat meer uitgesproken gedrag bij een kind uitlokte. Alhoewel Dalila deze attitude van haar dochter nooit zou goedkeuren. Laat staan dat ze in de schoenen van Thea de brutaliteiten van vreemde kinderen zou accepteren zonder moord en brand te schreeuwen. Zarah was regelrecht onderdanig in het blikveld van haar moeder. Maar achter de rug van de haar oppermoeder Dalila om trok Zarah gezichten en rolde wat met haar ogen. Dat zou lachen worden straks in de puberteit.

‘Dat is nu al dolle pret in de privésfeer, reken maar’, had Bart weleens gespeculeerd naar aanleiding van het lijdzame verzet van Zarah tegen haar dominante moeder. 

‘Ja, duhuh, dat werkstuk heb ik thuis op de laptop van mijn moeder staan!’

Met geaffecteerd tonggeklak rondde Zarah haar statement af.

‘Als jij het werkstuk liever in je eentje maakt, zonder Sabine, waarom moet Sabine dan jouw bibliotheekboeken terug brengen?’

Zarah kon het heen en weer krijgen van Thea. Zo klein als ze was. Jeewee begon cirkeltjes om het drietal te draaien. Misschien had hij het nodige meegekregen over de crisis, maar voor hetzelfde geld had hij het weer op zijn heupen en probeerde hij om lachers op zijn hand te krijgen. Thea kon er geen zinnig woord over zeggen. Net zo min als Zarah trouwens die met een samenzweerderig lachje in zijn richting tevergeefs steun zocht bij Jeewee.

‘Ik ben toch verhuisd en de boeken zijn van de schoolbieb. Ze moeten vandaag terug.’

Stellig rukte Thea de boeken uit de handen van Sabine en duwde ze terug in de onwillige armen van Zarah.

‘Je kunt je boeken in elk filiaal in de stad terug brengen. Dat hoeft helemaal niet in de schoolbibliotheek. Trouwens je kunt toch zelf naar de schoolbibliotheek lopen voordat je naar huis gaat?’

Sabine keek schichtig om zich heen in de angst dat iemand het conflict tussen Zarah en haar moeder op de voet volgde. Zo te zien was dat niet het geval en Jeewee kon het kennelijk allemaal niets schelen. Hij liep gewoon rondjes op het speelplein.

‘De schoolbieb is vandaag dicht mam’, siste Sabine ter redding van haar eigen kindergezichtje.

Thea werd niet bepaald rustiger van de disloyaliteit van haar dochter.

‘Dus moet jij maar opdraaien voor het feit dat Zarah haar boeken anders te laat inlevert?’

‘30 eurocent boete, maar’, smaalde Zarah.

‘Kijk eens aan. Geen probleem dus Zarah?! Dan breng jij morgen fijn helemaal zelf jouw boeken terug naar de schoolbibliotheek?! Dan betaal jij morgen toch gewoon die luttele 30 eurocent boete?!’


Meer dan de trillende onderlip van Zarah had Thea niet nodig om meteen al weer spijt van haar principiële optreden te hebben. Ze vond een oplossing:

‘Maar je kunt de boeken toch ook gewoon vandaag – op tijd – bij de bibliotheek in dat overdekte winkelcentrum vlak bij jou in de buurt inleveren?’

Thea was nog niet uitgepraat of Zarah smeet  de biebboeken op de tegels van het speelplein. Het leesvoer eindigde  -  geopend op willekeurige bladzijden - voor de voeten van Sabine die haastig in beweging kwam door te bukken om de educatie behoedzaam dicht te vouwen en te verzamelen. Met gebalde vuisten stampvoette Zarah:                        

 ‘Ami tanzazir fi alssayara’.

Of zoiets. Jeewee schoot eindelijk te hulp.


‘Haar moeder wacht op haar in de auto,’ zei hij tegen iedereen die maar luisteren wilde, behalve tegen Thea.

‘Is dat een vrije vertaling?’, wilde zij desondanks oprecht van hem weten.


‘Nee hoor’, antwoordde Sabine in plaats van Jeewee.


Ze wees naar de ingang van het schoolplein:


‘De moeder van Zarah staat daar.’’


‘Je mag niet wijzen, Sabine’, antwoordde Thea geheel terzijde.


Dalila daagde op in de poortopening van het speelplein. Superslank, klein van stuk maar majestueus door haar stilettohakken, exotisch en autoritair. Haar aura vuurde dieprode flitsen tegen een zwarte achtergrond. Dalila was niet blij en Zarah vloog op haar af als een slaafse dienares op haar meesteres. Thea had miss moslima graag even op haar verantwoordelijkheden aangesproken, maar Zarah en haar moeder hadden haast. Ook Jeewee hield zijn surveillance op het speelplein opeens voor gezien voor die dag. Thea nam de lectuur over chocolade van haar gedesillusioneerde dochter over en met een vrije arm drukte ze troostend de mollige schoudertjes van Sabine.


‘We gaan naar de centrale bibliotheek in de stad. We brengen de boeken over chocolade onder de naam van Zarah terug en we lenen een stapel leesvoer over katten’, bepaalde ze.


‘Ik heb buikpijn’, piepte Sabine.


‘Straks niet meer’, voorspelde Thea.


Bij de auto barstte Sabine in huilen uit:

‘Ik kan geen werkstuk maken. Ook niet over katten’, snotterde ze intens verdrietig.


De tranen lieten streperige sporen na op haar smoezelige bolle wangetjes.


‘Natuurlijk wel.’


Wat moest Thea anders zeggen?


‘Dat mag niet van Jeewee. We moeten samen werken van Jeewee.’


Thea bedwong zich, maar ze wilde eigenlijk zeggen:


‘Jan-Willem kan m’n rug op.’


Metaforisch bedoeld uiteraard.


‘Ik schrijf wel een mailtje aan Jeewee’, beloofde Thea.


In haar handtas vond ze papieren zakdoekjes waarmee ze Sabine de neus liet snuiten. De tranen bleven stromen en Thea zakte door haar knieën, totdat ze op ooghoogte met Sabine vastbesloten raakte om dit hardnekkige verdriet voor eens en altijd te doorgronden en daardoor de wereld uit te helpen.


‘Lieve schat je hebt laatst een laptop van papa gekregen. Je kunt inmiddels al meer kunstjes met dat ding uithalen dan ik. Je googelt gewoon wat informatie over katten en huisdierenhobby’s of weet ik veel van het internet en klaar is je werkstuk. Ik help je wel!’


‘Ik moet schrijven met de h a n d !’, snikte Sabine.


‘Ow, nou, dat kan je toch. Je kunt toch schrijven. Je zit in groep 5’.


‘Ja, maar ik kan niet m o o i schrijven’.


Sabine weende hartverscheurend. Vermetel wreef ze met haar knuistjes door haar betraande ogen.


‘Nou en, schrijven is schrijven. Dat kun je of dat kun je niet.’


In een flashback zag Thea weer het allereerste onleesbare schrijfsel van Sabine in groep 3 van juffrouw Dorien in het lokaal aan de waslijn hangen tussen al het schoonschrift.


‘Iedereen kan mooi schrijven, behalve ik’, hield Sabine verdrietig vol.


Ze haalde haar neus op.


‘We gaan gewoon een beetje oefenen en dan lukt het vanzelf.’


Sabine twijfelde. Ze hikte en snotterde nog wat na.  


‘Vertrouw nou maar op je ouwe moeder’, zwoer Thea stoer; maar stiekem nam ze zich voor om voortaan niet meer voor uitwerking van het Wielewaaleffect op haar kinderen weg te lopen.


Heksen en spoken als nooit tevoren zou ze. Op het speelplein 4 maal schooldaags, met uitzondering van maar 2 keer op woensdag, en ‘s ochtends in de wandelgangen. Vanaf morgen weer. De herwonnen gemoedsrust ten spijt. De kinderen hadden haar nodig als tegengif voor de terreur van de opperouders. Een hereniging met juffrouw Toos zou ze voorkomen door Walter niet naar zijn plaats in het lokaal te begeleiden. Ze zou hem voor de deur afzetten. Ondanks het feit dat de meeste ouders en verzorgers die intense controle tot aan de schoolbanken nog steeds niet hadden losgelaten. Elke morgen. Een harde kern deed na de middagpauze het schoolgebouw zelfs nog een tweede maal per dag aan. Zou het kunnen dat deze fanatiekelingen verder niets te doen hadden de hele dag? Of troffen zij speciale regelingen met hun baas, waardoor zij - dankzij flexibele werktijden -  zich niet aflatend op de basisschool van hun kinderen met de gang van zaken konden bemoeien? Hoe dan ook;  op deze manier was het ook geen kunst voor Thea om onopvallend een lijfelijk contact met Jeewee uit de weg te gaan. Meester Jan-Willem werd als vanouds non-stop belaagd en in beslag genomen door wie maar zin had om hem lastig te vallen of aan te spreken. Daar kon geen Thea tussendoor. Uiteraard moest Bart wel de 10 minutengesprekken blijven doen. Zo hoefde Thea nooit meer een leerkracht van De Wielewaal in de ogen te kijken. Ze was de schok van de doorgedraaide onderwijswereld, met voortdurend corrigerende speldenprikjes en permanent de kous op kop, nog lang niet te boven. Bart was minder breekbaar. Gehard door zijn beroepservaring met volwassenen. Heel anders dan Thea die zich grotendeels met kinderen en pubers bezig hield en houdt. Privé en door Huiswerksterk. Een gesprek met meerderjarigen was voor Thea normaliter een evaluatie; een uitlaatklep. Omgekeerd zag Bart communicatie toch vooral als middel dat het doel heiligt. In dit geval het herstel van de verziekte relatie met de directie van De Wielewaal. Met als einddoel een zakelijk contact. Toch hield Bart de boot af.


‘Een lagere school is geen commercieel bedrijf dat afhankelijk is van een strakke marktwerking en gladde winst, maar voorlopig zal ik die rapportbesprekingen van je overnemen’, beloofde hij dan ook met de nadruk op ‘voorlopig’.


Maar de ouders stak Thea naar de kroon. Aan hen was zij geen dank of verantwoording verschuldigd. Sterker nog; Het ouderlijke gepush in de combiklas 5 en 6 kwam Sabine zinnebeeldig, in de vorm van de perikelen rond het werkstuk over chocolade, dusdanig de neus uit dat Thea niet anders kon dan aan de noodrem trekken. Vanwege haar recent gekweekte leerkrachtschuwheid verwoordde ze haar ongenoegen begrijpelijkerwijs duizend keer liever in een mailtje dan zich - na weer onnodig lang in de wacht gezet te worden - nogmaals in een pijnlijk rendez-vous met don Jeewee te begeven.


Naast het opgeblazen werkstuk was er namelijk nog een ander gevoelig dingetje dat Thea bij Jeewee aan de kaak wilde stellen en wel de dubbele moraal van veel ouders op De Wielewaal en in het specifieke geval dat van Dalila, de moeder van Zarah.


In de eerste lente op De Wielewaal van de 5jarige Sabine en 4jarige Walter, liet Thea haar kinderen spontaan zonder kleren in het pierenbadje van de wijkspeeltuin spetteren en spatteren. Ze was voor het eerst onvoorbereid met haar kleintjes in de grote speeltuin. Het pierenbadje was een aangename verrassing. Het was mei. Veel te heet voor de tijd van het jaar en Thea had geen badkleding bij zich. Sommige kinderen van de naschoolse opvang speelden ook in hun blootje en de toezichthouders knepen een oogje dicht en waren scheutig met zonnebrandcrème. In de beslotenheid van de speeltuin en omgeven met jongerenwerkers, ouders en verzorgers van kleine kinderen leek de enscenering volkomen onschuldig en natuurlijk. Maar zout lijkt ook sprekend op suiker en zo bleek achteraf dat er al dagen lang een onguur type in de buurt van de speeltuin rond hing in de struiken. Handen in de bioscoopzakken van zijn flodderbroek en maar loeren door de onbegroeide ruitcontouren van het Heras hekwerk naar de kleintjes in het pierenbad.


Het nieuws schudde Thea wakker. In de ware zin van het woord en ze kon 2 nachten lang de slaap niet vatten. Pas nadat ze zich had voorgenomen om nooit meer zo naïef en ondoordacht met haar kinderen in de boze buitenwereld te treden, doezelde ze de 3de nacht in een lichte koortsdroom waarbij ze Sabine kwijt was en tijdens haar zoektocht ook Walter uit het oog verloor in de speeltuin van De Wielewaal.


Toen de zomer voor de derde keer na het incident in alle hevigheid was teruggekeerd, had Bart inmiddels voor een opklapbaar zwembad in de tuin gezorgd. Op een zonovergoten woensdagmorgen belde Dalila met de vraag of haar dochter Zarah die middag mocht komen zwemmen. Ze had al met Sabine afgesproken en Dalila liet Zarah liever niet over aan de naschoolse opvang met dit mooie weer.


‘Natuurlijk kan Zarah komen zwemmen. Maar waarom vertrouw je de naschoolse opvang niet?’ vroeg Thea nieuwsgierig.


‘Nou ja ik vertrouw de naschoolse opvang wel, maar niet met dit weer.’


‘Hoezo niet?’, drong Thea nog nietsvermoedend aan.


‘Toen het een tijdje geleden ook zo zonnig was lieten ze Zarah en andere oppaskinderen gewoon in hun blootje in het pierenbadje van De Wielewaalspeeltuin spelen, terwijl er een kinderlokker rondliep. Ik vind dat gewoon onverantwoord. En dan hadden ze van de naschoolse opvang als excuus dat er ook begeleidende ouders stonden toe te kijken zonder in te grijpen. Het is maar goed dat ik niet weet wie die ouders waren!’

‘Ik weet dat nog. Ik wat erbij’, bekende Thea met tegenzin en snel genoeg om niet terug te kunnen krabbelen.

‘Vind jij dat normaal?’, vroeg Dalila na een korte pijnlijke stilte uit de hoogte.

‘Achteraf gezien was het niet slim, nee, maar het was bloedheet en we hadden geen badkleding bij ons. Trouwens wat is normaal? En die kinderlokker liep niet rond, maar stond verdekt opgesteld in de bosjes.’

‘Je kunt toch nadenken, Thea?’

Thea besloot het geheven vingertje van Dalila te ontwijken

‘Vergeet je niet om Zarah voor vanmiddag een badpak mee te geven?’

Nou was Thea niet per sé op wraak belust, maar door de werkstukperikelen van de laatste tijd begon ze zich wel af te vragen waar Dalila haar kapsones op dacht te baseren.

‘Was het werken aan het werkstuk met Zarah toch wel leuk de laatste keer dat je bij haar was?’

Thea deed haar best om luchtig over te komen. Ze wilde Sabine niet smoren met haar overbezorgdheid. En ze hoopte dat haar dochter in staat was om het bibliotheekboekenvoorval met Zarah te zien voor wat het was. Een probleem van Zarah dat niets met Supersabientje te maken had.

‘Jawel hoor. Het waterballongevecht in het plantsoen was leuk.’

Nagenietend begon Sabine zich weer te verkneukelen bij de herinnering aan de afgelopen woensdagmiddag bij Zarah in de wijk. Thea was blij dat het werkstuk en daarmee de buikpijn even vergeten werden.

‘Hebben jullie een waterballongevecht gehouden? Je was helemaal niet meer nat toen ik je ophaalde’, babbelde Thea met Sabine mee.

‘Zarah mag van haar moeder haar kleren niet nat maken’, wist Sabine onlogisch.

Thea staarde haar dochter niet begrijpend aan.

‘Het was wel warm, maar binnen een tijdsbestek van een uur droogt geen kledingstuk op. Hoe kun je nou een waterballongevecht houden zonder doorweekt te raken?’

‘We hebben onze kleren uitgedaan’, legde Sabine onbekommerd uit.

‘Toen waren jullie bloot?’

‘Ja.’

‘In de achtertuin?’

‘Nee, in het park.’

‘En wie was erbij?’

‘Zarah.’

‘En wie nog meer?’

‘Niemand.’

‘Waar was de moeder van Zarah?’

‘Ik weet niet. Werken denk ik. De moeder van Zarah werkt heel hard.’

Ja en toen was het stil.

‘Waarom zeg je nou niks meer mama?’, vroeg het 8jarige meisje ongerust.

’Ik moet even een mailtje aan Jeewee schrijven’, bracht Thea met moeite uit.

‘Beste Jan-Willem,

Sabine zou samen met Zarah een werkstuk over chocolade maken. De samenwerking gaat niet goed. Zodra de meisjes hier zijn doen ze niets anders dan lol maken. Van werken aan een werkstuk komt niets terecht en als ik Sabine daarop wijs dan begint Zarah erg bazig en betweterig te reageren. Liever bemoei ik me dan ook niet met het huiswerk van het tweetal, maar ik vind wel dat mijn dochter zich door Zarah laat ondermijnen. Helaas kan ik ook niet op de huiswerkbegeleiding van Dalila (de moeder van Zarah) rekenen, want zij laat de meisjes in haar nieuwe woning aan de rand van de stad gewoon aan hun lot over en gaat doodleuk naar haar werk. Buiten mijn medeweten heeft Sabine al twee woensdagmiddagen zonder volwassen begeleiding met Zarah door de buitenwijk gestruind. Iedereen mag mij overbezorgd vinden, maar ik acht mijn 8jarige dochter te klein om, bijvoorbeeld, in haar nakie waterballongevechten in het plantsoen te houden. Laat staan zonder privacy of primaire lichaamsbedekking zoals, in dit geval, een onderbroekje. Achteraf heeft Sabine aan mij toegegeven dat Zarah en zij woensdag jongstleden wel degelijk in Evakostuum op een grasveldje in het park met waterballonnen gespeeld hebben. Het was warm weer. Ze besloten in hun blootje de straat op te gaan, omdat ze de kleren droog wilden houden. Alleen maar om te voorkomen dat Dalila - de afwezige boze moeder van Zarah – bij thuiskomst een fit zou krijgen. Blijkt naderhand. Sinds ik op de hoogte ben gebracht; weet ik niet waar ik het zoeken moet. Mijn razernij, veroorzaakt door 2 meisjes van 8 jaar – zonder oppas – die dachten dat streaken beter was dan een nat pak en zo – zonder toezicht - door Jan en Alleman van straat opgepikt hadden kunnen worden, kan ik echter onmogelijk bij Dalila droppen. Ten eerste is ze moeilijker aan te spreken of te bereiken dan de president van de Verenigde Staten en ten tweede weet Dalila zich,  in de zeldzame gevallen dat ze wel bereid is om mij te woord te staan, uit elke benarde situatie te redden door in de slachtofferrol te vervallen. Dalila heeft het druk; want 3 dochters; want gescheiden van haar Marokkaanse man; want hertrouwd met een Nederlandse tandarts met een drukke praktijk; want net verhuisd; want zwanger van haar 4de kind; want 2 banen (1 als ambtenaar van de gemeente en 2 als gemeente raadslid voor de PvdA) etc, en ga zo nog maar een tijdje door. Vandaar dat ik voor mijn gevoel niet anders kan dan de samenwerking tussen Sabine en Zarah opheffen.

Zarah heeft haar werkstuk over chocolade sowieso bijna af. Naar eigen zeggen heeft ze de hulp van Sabine niet nodig. En Sabine heeft op haar beurt de buik vol van chocolade. Letterlijk en figuurlijk. Ze zou veel liever een verhaal over haar 2 katten schetsen en ik zou het zeer op prijs stellen als ik haar bij het tot stand komen van het werkstuk behulpzaam mag zijn. Ten eerste omdat Sabine door toedoen van Zarah vertraging heeft opgelopen en de deadline van het werkstuk nu wel erg kort dag is. Ten tweede omdat Sabine pas in groep 5 zit en in haar achtste levensjaar welhaast een genie moet zijn om – net als Zarah en de rest van de wonderkinderen uit groep 5 en 6 – in haar uppie een leesbaar verslag te kunnen produceren. Bovendien denkt Sabine dat ze moeite heeft met schoon schrijven. Ze leeft met het waanidee meer tijd nodig te hebben dan andere kinderen om het verslag met de hand te noteren. Sabine is een heel slim meisje, maar ze maakt een normale leerontwikkeling door en daar zou ik haar graag, naar eigen inzicht en overtuiging, in willen blijven ondersteunen.

Nog dezelfde middag ontving Thea een mailtje van Jeewee retour.

Hallo Thea,

Hartelijk bedankt voor jouw mail en je eerlijke en duidelijke uitleg. Keurig beschreven in gedegen algemeen beschaafd Nederlands zonder taal- en spellingsfouten. Morgen zal ik Zarah en Sabine even apart aanspreken. Ik denk dat het een goed plan is om de samenwerking te beëindigen. Natuurlijk vind ik het fijn dat je bereid bent om Sabine te helpen met het werkstuk. Ook mag Sabine haar werkstuk over katten 2 weken later dan gepland online inleveren. Sabine mag het handschrift overslaan.’

Met vriendelijke groeten, Jan-Willem.

Die Jeewee; wat een lieverd was hij toch ook. Dankzij zijn reactie was Sabine meteen van haar buikpijn genezen en ze zocht opgelucht de trampoline op, terwijl Thea aan een weerwoord werkte. Ze had Sabine weliswaar verteld dat ze het verslag over poezen in haar uppie mocht schrijven van haar schoolmeester, maar niet dat ze door Jeewee ontheven was van de traditionele  schrijfplicht met de hand. Terwijl het oefenen van dat onvaste handschrift van Sabine het enige was dat gezien haar leeftijd met betrekking tot dat pretentieuze werkstuk in groep 5 relevant was. Wat een gemakzucht toch weer en zo typerend voor de hedendaagse docent. Enerzijds werd een kind afgerekend op een abominabel handschrift en zelfs naar een expert gestuurd. Zoals de kleuter Walter zomaar de fysiotherapeute Pleuni op zijn dak kreeg. Met zijn zwakke, fijne motoriek. Dyspraxie wordt dat tegenwoordig genoemd. Dat is weer eens wat anders dan dyslexie of dyscalculie. Met andere woorden: De 4 jarige Walter kon nog geen knoop aannaaien en een strikdiploma was veel te hoog gegrepen. Wat was het devies van Pleuni ook alweer geweest? Oefening baart kunst. Oefenen, oefenen en nog eens oefenen met kleuren, tekenen, kleien, kraaltjes rijgen, borduren en hamertje tik. Al dat gefröbel waaraan zowel Walter als Sabine vanaf de eerste dag dat ze het levenslicht aanschouwden een gloeiende hekel hebben gehad. Niet zo vreemd dat er in den beginne wel het één en ander op hun handschrift aan te merken viel. Anderzijds werd Sabine door haar meester in groep 5 van elke inspanning gevrijwaard door haar maar vooral niet met de hand te laten schrijven ter verbetering van haar handschrift, terwijl de rest van de klas wel een handgeschreven werkstuk diende af te leveren. Dus in plaats van het schrijfmonster om zeep te helpen door het gevecht met de pen aan te gaan; liet Jeewee de fantomen welig tieren door ze in het speciale geval van Sabine te laten voortbestaan. Waarom? Omdat hij een kindervriend wilde zijn? Thea gaf Jeewee het voordeel van de twijfel. Hij wist vast niet beter. Voor de lieve vrede was Thea dan ook best bereid om in een korte maar krachtige ontvangstbevestiging een toegefelijke toon aan te slaan. Tevens zou ze Jeewee in een post scriptum te kennen geven dat Sabine haar werkstuk wel degelijk online zou inleveren, maar dat ze de uitdraai vervolgens ook met de hand zou overschrijven. Niet alleen het typoscript, maar ook het manuscript zou Sabine daarna ter beoordeling aan haar schoolmeester overleggen.

‘Wat goed dat je Sabine op deze manier wilt helpen met haar handschrift’, mailde Jeewee weer terug.

Om te voorkomen dat de frequentie van het mailverkeer bij één van de twee betrokkenen een ongewenste indruk zou gaan wekken, reageerde Thea maar niet meer. Jeewee zou zich weleens onterecht vanalles kunnen gaan inbeelden. Voor zover hij dat al niet deed tenminste. In ieder geval hield hij zich min of meer aan zijn afspraak en riep de beide meisjes de dag erna bij zich. Wonderlijk genoeg sprak hij het tweetal niet afzonderlijk toe. Zarah kreeg een flinke uitbrander in het bijzijn van Sabine. De functie van de aanwezigheid van Sabine bij zijn uitbrander aan Zarah werd niet helemaal duidelijk. Mogelijk dat het de bedoeling was dat Sabine verslag moest doen aan haar moeder? Heb je al gehoord van de puike aanpak van Jeewee? Wat een krachtpatser. Hoewel de plotselinge kordate aanpak van Jeewee voor het duo niet zo goed te rijmen viel met zijn gebruikelijke, jolige manier van optreden. Tijdens zijn donderpreek zocht Zarah zo nu en dan steun van Sabine met een half geamuseerde en half verbaasde mimiek. Ze was niet bijster onder de indruk van de tirade van Jeewee.

‘Ja, want haar moeder schreeuwt elke dag veel harder naar haar’, verduidelijkte Sabine later in een rapportage aan Thea.

Maar voor zijn doen gaf Jeewee toch in klare Jip en Janneketaal aan het tweetal te kennen dat het afgelopen was met de samenwerking.

‘Sabine maakt een werkstuk over katten en jij gaat alleen verder met chocolade’, mopperde hij bozig en een octaaf lager dan normaal specifiek tegen Zarah.

Na het vonnis stak Sabine in naam van vriendschap dan ook maar haar hand naar Zarah uit en opperde:

‘Goedmaken?’

‘Is goed’, gaf Zarah voorzichtig toe.

De meester zou geen Jeewee heten als hij dat voor zijn gevoel niet mooi had opgelost.

 

HOOFDSTUK 22.

Hoe leg je aan een 8 jarig meisje uit dat katten in de loop van de eeuwen gedomesticeerd zijn? Wat zijn eeuwen? Waarom komen katten altijd op hun pootjes terecht en hoezo hebben ze 9 levens? Waar komen al die soorten en maten vandaan en wat is het verschil tussen een lapjespoes en een rooie kater? Gelukkig was Thea niet voor één gat te vangen

‘Weet je wat? We maken van elke vraag een hoofdstuk.’

‘Goed’, begon Sabine ijverig.

Aangemoedigd brainstormde Thea verder:

‘Bij elke moeilijke term; schrijf jij in je eigen woorden mijn uitleg op.’

Sabine zat zo machtig lief met haar Stabilo (ergonomische balpen) in de starthouding aan de keukentafel.

‘Wat is een term?’

Thea masseerde haar slapen. 10 Huiswerksterk klanten achter elkaar op één middag vergden minder inspanning dan het bedenken van een paar woorden voor het werkstuk van Sabine. Elke zin werd een martelgang van een generatiekloof; van langs elkaar af praten, oeverloze uitleg en wederzijds onbegrip. In haar afgewogen pogingen om zoveel mogelijk aan het niveau van haar dochter tegemoet te komen, bleef Thea steeds een verkeerde toon aan slaan.

‘Ik ben heus niet dom hoor’, gilde Sabine op de top van haar frustratie.

‘Nee, zeg ik dat dan!’, schreeuwde Thea hysterisch terug.

‘Niet met zoveel woorden’, zei Bart tot overmaat van ramp.

Hij smeerde boterhammen aan het aanrecht en stond met zijn rug naar Sabine en Thea toe.

Thea vond dat hij zich onnodig met het conflict bemoeide.

‘Doe jij het dan als je het zo goed weet?!’

Bart was zich van geen kwaad bewust en hij antwoordde over zijn schouder:

‘Waarom zou ik? Alleen maar om de andere ouders van de combiklas 5 en 6 te overtreffen?! Goh; Sabine; hebben je vader en moeder dat werkstuk helemaal zelf gemaakt?’

‘Ik probeer juist om Sabine zoveel mogelijk zelf te laten doen,’ protesteerde Thea.

‘Doe geen moeite; ik kan niks zelf, want ik ben zo dom toch?!’, resumeerde Sabine niet gehinderd door enige consideratie met de goede bedoelingen van haar moeder.

Dit keer schrok Thea van de volwassen, ironische ondertoon van de opmerking van Sabine.

‘Wat ben je toch geobsedeerd door ‘dom’ en ‘slim’, vond ze.

Bokkig gooide Sabine de Stabilo van zich af. De pen stuiterde over de keukentafel op de grond. Onverzettelijk kruiste ze de armen voor haar borst en mokte:

‘Jij bent pas dom mama.’

‘Stel dat je gelijk hebt, dan heb ik er zelf in ieder zelluf geval geen last van’, grijnsde Thea.

‘Je moeder is best slim hoor; ze zegt alleen af en toe domme dingen en raap die pen eens even op’, gebood Bart, terwijl  hij over de Stabilo  heenstapte op weg naar de koelkast.

‘Nou, even dan’, mokte Sabine terwijl ze de daad bij haar woorden voegde.

Ondertussen had Thea tot 10 geteld. Ze herstelde zich:

‘Maar nee, Sabine, even serieus. Je bent juist hartstikke slim. Alles wat ik aan je uitleg dat snap je. Dat merk ik aan de manier waarop je de dingen in je eigen woorden kunt na vertellen en opschrijven. Maar het is logisch dat je niet uit jezelf weet wat bijvoorbeeld ‘gedomesticeerd’ of ‘erfelijkheid’ betekent. Dat kun je niet bedenken. Dat zijn feitjes. Bovendien ben je gezien je leeftijd gewoon niet in staat om in je hoofd bepaalde verbindingen te leggen die je wel nodig hebt om een samenhangend geheel van je werkstuk te maken.’

Na dit vurige betoog keek Sabine haar moeder onbewogen aan en antwoordde lauw:

‘De leidster van de plusgroep zegt dat de kinderen van de plusgroep uit mijn klas wel helemaal zelf een werkstuk kunnen maken.’

‘Wie is de leidster van de plusgroep?’

Bart vroeg het aan Thea, maar Sabine gaf antwoord.

‘Juffrouw Jade.’

‘Nee, dat is toch de interne coördinatrice van De Wielewaal?’, wist Thea zeker.

‘Oh, maar Jade kan zoveel; ze is hoogbegaafd net als ‘sommige ouders’ van de kinderen van de plusgroep uit de combinatieklas 5/6 die al wel helemaal zelf een werkstuk kunnen maken. Ouders in plaats van ‘sommige kinderen’. Dat bedoelt Jade zeker, verbeterde Bart droogjes, waarna hij Sabine een roze, plastic Hello Kittybord met daarop een boterham met chocoladepasta voorschotelde.

‘Waar bemoeit dat Jademens zich mee?’, pruttelde Thea verontwaardigd.

‘Ze is de leidster van de plusgroep én ze komt weleens helpen in groep 5 en 6. We mogen haar bijvoorbeeld ook om tips en tops vragen bij het werkstukproject.’

Aan het slot van haar lofzang voor  Jade hapte Sabine voldaan in haar boterham. Thea zweeg beledigd. Ze voelde zich teruggefloten door haar 8jarige dochter. Ze kon moeilijk een boekje open doen over de narcistische trekjes van de interne coördinatrice van De Wielewaal zonder Sabine te belasten met een negatief beeld van Jade. Sabine had nog een drieënhalf jarige weg te gaan op basisschool De Wielewaal die vermoedelijk - ook zonder besef van de vloek van Jade - al niet zonder slag of stoot zou verlopen. Waarom de zaken in de toekomst complexer maken dan hoogst noodzakelijk? Maar daar dacht Bart blijkbaar anders over. Hij wendde zich tot zijn dochter en meesmuilde:   

‘En dan te bedenken dat Jade zelf zo dom is dat ik haar in staat zie om te  struikelen over draadloos internet.’

‘Jade zegt dat dom niet bestaat’, grinnikte Sabine al minder overtuigd van haar zaak.

In haar mondhoeken plakten restjes chocoladepasta.

‘Oh, maar dat klopt. De meeste mensen hebben alleen een beetje meer moeite met nadenken dan ik’, snoefde Bart tijdens zijn gang naar de huiskamer gewapend met een stapel belegde boterhammen op een rood plastic Cars bord van Walter.

‘Sommige kinderen uit mijn klas hebben ook meer moeite met nadenken dan ik,’ realiseerde Sabine zich vergenoegd naar aanleiding van de egotripperij van Bart.

‘Wie zichzelf niet kietelt die lacht nooit’, concludeerde Thea.

Ze was opgelucht dat Bart met zijn typische humor de escalatie van een ruzie – die overigens lastig te duiden was - tussen moeder en dochter had weten te voorkomen.

Ergens in die traagzame voorbereidingstijd van het kattenwerkstuk werd Thea op een ochtend gebeld door Dalila; de moeder van Zarah. Nadat Dalila zichzelf had aangemeld, viel er en stilte die Thea als pijnlijk ervoer. Ze vreesde dat Dalila aan de telefoon hing om verhaal te halen over het aandeel van Thea in de stukgelopen samenwerking tussen Zarah en Sabine betreffende het werkstuk over chocolade. Onterecht zo bleek toen Dalila eindelijk het initiatief nam en het seconden lange zwijgen verbrak:

‘Ik wilde je wat vragen?’

‘Vragen staat vrij.’

Ondanks de amicale toon van Dalila hield Thea een slag om de arm. De vriendelijkheid kon een valstrik zijn. Bij miss moslima moest een ieder op de tellen passen.

‘Sabine gaat niet naar de schoolopvang op De Wielewaal tussen de middag toch?’

‘Nee’, antwoordde Thea zuinig.

‘Maar Zarah heeft al wel vaak tussen de middag bij Sabine geluncht.’

‘Jawel’, bekende Thea en waarschijnlijk was dat al te veel gezegd.

‘Kunnen we daar geen vaste afspraken over maken?’

‘Waarom?’

Het hart van Thea ontnam haar  wederom de vrije adem door in haar luchtpijp repetitief aan te kloppen als een persisterende voorbode van een naderend onheil.

‘Nou die 2 euro voor de tussen schoolse opvang, terwijl Zarah bij jou lunchte, die krijg ik niet meer terug. Dan kan ik in het vervolg toch beter 50 eurocent aan jou betalen en de tussen schoolse opvang afzeggen? Dat scheelt mij ook weer klauwen met geld.’

‘Kost dat 2 euro per dag?’

‘Een weekstrippenkaart kost 7 euro; maar normaliter betaal je voor de opvang 2 euro per kind per dag ja. En ik heb 3 meiden op De Wielewaal. Hoewel, mijn oudste, Adiva, volgend schooljaar naar de middelbare gaat. Maar dan nog zit ik met Zarah en Erum.’

‘Dus dat geld moet je vooraf betalen en als je een middaguurtje opvang overslaat dan krijg je het niet meer terug?’, vroeg Thea ongelovig.

‘In zekere zin niet, want Zarah is steeds vergeten te vermelden wanneer ze tussen de middag geen gebruik zou maken van de opvang op school. Haar strippenkaart wordt toch gewoon iedere dag afgevinkt. Ook als Zarah met Sabine mee naar huis gaat in de middagpauze. Ik vind dat heel erg slecht.’

‘Ja en?’, contesteerde Thea met trillende stem, omdat ze intuïtief aanvoelde dat Dalila niet in staat was om zonder weerwoord de absurditeit van haar eigen irreële verwachtingspatroon in te zien.

‘Als ik nou met jou vaste opvangdata afspreek dan kunnen Zarah en Erum toch even goed tussen de middag bij jou terecht?’

‘Nee natuurlijk niet!’, beet Thea ietwat te fel toe.

Jammer van die onnodige uithaal, maar de kans om haar opgekropte venijn te luchten liet ze zich niet ontnemen. Dalila schrok er van.

‘Hoezo niet? Ik betaal je er heus wel voor. Ik dacht zelf aan 50 eurocent per kind per dag. Dat komt dan voor jou op 4 euro verdiensten per schoolweek. Ze nemen natuurlijk hun eigen lunch mee.’

‘In mijn Renault is slechts plaats voor 5 kinderen. Wat doe ik dan als Walter ook eens iemand mee wil nemen voor de lunch tussen de middag?’

‘Wie is Walter?’

‘Walter is de broer van Sabine.’

‘Hoe oud?’

‘Hoezo?’

‘Zit hij ook op De Wielewaal?’

‘Ja.’

‘Ow, al die meiden en dan een jonge knul ertussen.’

‘Dat bedoel ik. Niet leuk voor een knulletje van 7 jaar.’

‘Ow, hij is pas zeven jaar? Maar dan nog’, aarzelde Dalila opgelucht.

‘Wat bedoel jij dan?’

Thea hield zich bewust van de domme. Ze had geen andere verdediging tegen zoveel agressieve preutsheid.

‘De meeste jongens hebben heus wel een fiets’, antwoordde Dalila ontwijkend en praktisch.

Thea had Dalila niet naar haar bedoelingen gevraagd in afwachting van een antwoord, maar om tijd te winnen. Ze kon zo snel geen goede argumenten verzinnen om het voorstel van Dalila resoluut edoch niet onbeleefd af te wijzen.

‘Zarah en Erum hebben toch ook een fiets?’

Linksom of rechtsom; Thea was echter hoe dan ook niet van plan om haar vrijheid op te geven voor de grillen van een positief gediscrimineerd, hoogzwanger carrièredrama dat op de rand van een burn-out en aan de vooravond van een postnatale depressie stond.

‘Ja, maar ik laat Zarah niet alleen komen. En al helemaal niet op de fiets. We zijn net verhuisd. We wonen nu op ruim een half uur fietsen van De Wielewaal vandaan. Ik breng ze naar school voor m’n werk en ik haal ze op na mijn werk met de auto. Trouwens het zusje van Zarah moet tussen de middag ook ergens blijven. Of je neemt Erum erbij of je krijgt geen van tweeën.’

‘Nou geen van tweeën dus, dag Dalila.’

‘Wacht even, je weet toch dat ik zwanger ben van Edwin; een Nederlandse man?’

‘Ja, die beroemde tandarts, ja’, antwoordde Thea ongeduldig.

Hoewel ze toch wel benieuwd was naar de ontboezeming die op deze mededeling van Dalila zou volgen.

‘Ik zag je laatst staan toen je Zarah op kwam halen bij De Wielewaal. Je bent nog zo slank als een den. Hoe ver ben je?’

‘Zestien weken, maar ik toon nooit.’

‘Jemig zeg dat wel, met 16 weken kon je mij bij alle twee de zwangerschappen vooruit rollen’, overdreef Thea giechelend.

Dalila had geen oor voor ongein:

‘Mijn broers zijn het niet met mijn huwelijk en de zwangerschap eens. Edwin is een Nederlander. Hij is ook nog ongelovig. Nou ja, ik bedoel, geen moslim of zo. Nou sturen ze constant nare berichtjes naar Zarah en Erum. Edwin en ik hebben mijn broers meteen geblokkeerd, maar daarom voelen de meisjes zich nog niet veilig bij hun oma waar ze hun ooms nog wel constant in het eggie tegen komen. Mijn moeder - de oma van Zarah en Erum – woont vlak bij De Wielewaal. Natuurlijk zijn mijn meisjes nog wel welkom bij hun oma tussen de middag. Maar nou hun ooms zo lelijk doen is een bezoekje aan oma zonder begeleiding van Edwin of mij te veel gevraagd van die kleintjes. Jade, de interne coördinatrice, en Jeewee zijn ook van de toestanden op de hoogte. Zij dachten meteen aan jou. Zarah en Sabine zijn ten slotte vriendinnen. Dat is de enige reden dat ik je bel.’

De bekonkelende klankkleur van de bekentenis stond Thea tegen. Ze wist ook zeker dat Dalila loog over de referenties van Jade en Jeewee. Onuitstaanbaar en manipulatief ja, maar Thea schatte de beide leerkrachten toch professioneel genoeg in om openlijk en niet zonder persoonlijk gewin veel te ver over de grens van de privacy van ouders en het betamelijke te treden.

‘Hoeveel broers heb je?’

‘Twee.’

Dalila klonk gehaast alsof ze eigenlijk verwacht had dat Thea na haar onthullingen meteen overstag zou zijn gegaan.

‘Hoe oud?’

Thea is zelf de jongste uit een gezin van 4 kinderen met 3 oudere broers.

’30 en 28, hoezo?’

‘Dus 2 volwassen mannen van 30 en 28 intimideren hun nichtjes van 8 en 10 jaar met berichtjes via de telefoon? Omdat jij met een Nederlandse man hertrouwd bent? Dat laten je moeder en jij gewoon gebeuren?’

‘Tsja, het is moeilijk met het islamitische geloof; eerwraak en zo’, beweerde Dalila leukweg.

Met moeite bleef Thea serieus.

‘Ja dat ken ik wel van het katholieke geloof. Alleen laten wij katholieke vrouwen ons in onze geloofsgemeenschap niet wegzetten door een paar irritante macho-opneukertjes. Dat hoeven wij niet te pikken van onze vader die in de hemel zijt. Uw naam worde geheiligd. Uw rijke kome. Uw wil geschiedde op  aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld zoals ook wij anderen hun schuld vergeven en leidt ons niet in bekoring maar verlos ons van het kwade.’

Aan de andere kant van de lijn was te horen dat Dalila moeilijk slikte. Thea sloot af:

‘Amen.’

‘Mijn moeder zegt er ook wat van’, beweerde Dalila nu een tikje geïntimideerd.

‘Jij zeker niet?’, schamperde Thea.

In haar herinnering verscheen de oude vrouw in haar fantasieloze gewaden weer op het speelplein van De Wielewaal. De gure westen wind speelde met haar donkere hoofdtooi en zij lachte en knikte vriendelijk. Voor elk wat wils. Haar soortgenoten begroette ze met een wentelend tonggeluid, nog veel meer Arabisch kabaal en rode appelwangetjes.

Ondertussen had Dalila zich aan de andere zijde van de telefoonverbinding weer hersteld en ze verklaarde hautain:

‘Mijn moeder vindt dat al haar kinderen een eigen leven moeten leiden’.

‘Wat vooruitstrevend van haar’, prees Thea spottend.

Dalila liet niet los:

‘Toch laat ik Erum en Zarah beter voorlopig niet tussen de middag bij mijn moeder eten. De kans dat ze mijn broers tegen komen is gewoon te riskant.’

‘Ik wil me nergens mee bemoeien, maar waarom stuur je Erum en Zarah niet naar een basisschool die dichter in de buurt van de tandartsenpraktijk van je nieuwe echtgenoot ligt?’

Dalila nam even de tijd om haar  gesprekspartner woordeloos terug op de door haar gewenste afstand te delegeren:

‘We zien wel. Ik wil graag dat je over mijn voorstel nadenkt. Laat je op korte termijn weten wanneer Zarah en Erum welkom zijn?’

Om een hoop opgekropte frustraties en onnodige hoofdbrekers te voorkomen dwong Thea zichzelf om assertief te zijn. In een flits dacht ze aan het lik op stuk beleid dat Bart altijd propageert. Meteen reageren om slapeloze nachten te voorkomen. Een lekker leven heb je zelf in de hand. Karma. Miss moslima was een uit de kluiten gewassen cultuurshock met een hele riedel valse noten op haar zang.

‘Nee, ik doe het niet.’

‘Wat zeg je?’

‘Nee.’

‘En als ik er nou 25 eurocent bovenop doe. Per kind?’

‘Nee.’

‘1 euro per kind en dat is mijn laatste voorstel.’

‘Nee Dalila’.

‘Ja, als ik 1 euro 25 moet neertellen dan kan ik Erum en Zarah net zo goed op de tussen schoolse opvang van De Wielewaal laten zitten’, realiseerde Dalila zich beteuterd.

‘Doe dat dan maar’, stelde Thea lieflijk voor.

‘Hoeveel wil je hebben dan? 1 euro 50 per kind? Vooruit.’

‘Mijn vrijheid is niet te koop. Ik wil mijn tijd graag zelf indelen. Bovendien heb ik net als jij ook een baan en een gezin en een huishouden en een leven. Dag Dalila.’

Nadat de verbinding verbroken was moest Thea even bijkomen van het zojuist gevoerde gesprek. Een verlammende kwaadheid hield haar slokdarm in een wurggreep. Ze had de keuze om Bart uit een vergadering te bellen en haar hart uit te storten of op eigen kracht weer opstaan en haar kroontje rechtzetten. Bart zou naar haar luisteren. Zoals zo vaak. Frequent genoeg zelfs voor Thea om zijn steunbetuigingen te kunnen dromen. Peptalk is equivalent aan liefkozen met woorden. Knuffelen op commando niettemin mist uitwerking. Zeker in een tussendoor telefoontje tijdens een vergadering. Thea kon zelf ook wel bedenken dat ze adequaat gereageerd had op Dalila. Maar de vernedering was een ander verhaal. Alsof Thea een dienstmeid of een kinderjuf was die zich voor een appel en een ei maar te schikken had naar de agenda van ene miss moslima.

‘Je weet zelf wel beter toch?’, zou Bart haar kriegelig corrigeren.

‘Natuurlijk’, wist Thea zo langzamerhand helemaal niet zo zeker meer.

In werkelijkheid zei Bart inderdaad de waarheid. De vraag was alleen of  Thea op dat moment behoefte had aan feitelijkheden.

‘Je moet dit soort confrontaties van je afzetten. Je hebt er alleen maar jezelf mee. Denk je nou echt dat Dalila verder nog één gedachte aan jou vuil maakt? Ze is pisnijdig omdat ze haar zin niet heeft kunnen doordrijven. Ze is allang weer op zoek naar een nieuw slachtoffer. Jij hebt je niet laten piepelen. Je kunt trots op jezelf zijn. Jij hebt laten merken wat je vindt en daar moet je het bij laten.’

‘Wat je vindt moet je naar het politiebureau brengen’, sputterde  Thea tegen omdat ze niet wist bij wie ze anders haar gram moest halen.

‘Ja en daarna hoor je nooit meer iets van je aangifte. De misdaad is al georganiseerd, nu de politie nog,’ monkelde Bart.

Gevolglijk borg Thea haar rancune op in het hokje ‘miss moslima’ ergens in haar achterhoofd. Oneerlijk en net goed. Sinds Dalila moet elke islamitische vrouw zich voor Thea 10 keer zo hard bewijzen om haar de pedanterie van de algemeen erkende underdog te doen vergeten. Tot op heden heeft nog geen enkele moslima de behoefte laten zien om überhaupt zelfs maar één enkele poging te willen ondernemen om Westerse vrouwen zoals Thea tegemoet te willen komen. Buigen komt de eer te na. Waarom zou Thea die andere wang dan ook nog moeten aanbieden? Katholieken zijn net zo goed gelovig als islamieten, maar gelijkerwijs niet gek.

Het werkstuk over katten kwam op tijd af. Digitaal en met de hand geschreven door Sabine op speciaal stevig, roze lijntjespapier met poezenkopjes in de kantlijnen. Het ontwerp had Bart de nodige hoofdbrekers gekost, maar het    overschrijfwerk werd er voor Sabine wel een stuk uitdagender door. Haar handschrift verbeterde zienderogen naarmate het verslag vorderde. De illustraties en de lay-out nam Sabine eigenhandig voor haar rekening. Thea zou niet eens geweten hebben hoe ze pagina’s in Word kon indelen of foto’s en tekeningen van het internet zou moeten downloaden of verplaatsen naar een document. Sabine ontpopte zich als een getalenteerd illustrator met oog voor detail en verhoudingen. Het kind was pas 8 jaar en ze vertaalde haar creatieve brein naar de meest uiteenlopende online toepassingen alsof ze nooit anders gedaan had.

Aansluitend bleef het heel lang stil. Klaarblijkelijk was de storm in de combigroep 5 en 6 op het werkstukkenfestijn gaan liggen. Een vroege zomerzon liet in mei het felle licht al op het einde van het schooljaar schijnen en er gold een tropenrooster. Na het middaguur werd het al dagen aan een stuk te warm om te leren of zelfs maar te bewegen. Zonder het voetbalspel van Jeewee met zijn volgelingen leek het  blanco speelplein met grijze tegels op een oververhitte, sidderende bakplaat. De teamleden van de naschoolse opvang wisten niet hoe snel ze met hun groepjes overblijfkinderen naar de wijkspeeltuin moesten vluchten voor een waterballonnengevecht. Met zomerkleren aan uiteraard. Een jeugdwerker droeg zelfs een opgerolde tuinslang over zijn schouder. Achter hem verscheen Sabine. Ze liep tegen het licht in op Thea af met haar pols als een zonneklep tussen haar wenkbrauwen en drukte haar moeder een strookje papier in de hand. Thea herinnerde  zich geen recente aankondiging voor een luizencontrole; dus een alarmbriefje kon het niet zijn. Thea las:

‘Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’

‘Van wie is dit?’

Vanuit haar tenen voelde Thea haar onderdrukte woede jegens het team van De Wielewaal opnieuw opborrelen. Waar in het verleden toch vooral een sluimerende verzoeningsgezindheid Thea tijdens een driftbui wist te temperen; bereikte haar frustratie nu een compromisloos verzadigingspunt. Eigenlijk was geestdodend wel een afdoende simplificatie van het proces dat uiteindelijk tot die clichématige uitspraak leidde:

‘Ik word er zo moe van!’

‘Dat briefje is van Jeewee’.

De ondertoon van Sabine klonk niet best. Ze was terecht aangeslagen en boos. Het liefst was Thea meteen op de aanstichter meester Jan-Willem de verschrikkelijke afgestapt, maar Walter was inmiddels ook uit school gearriveerd en hij maande zijn moeder en zus aan om haast te maken. Hij wilde zo snel mogelijk thuis zwemmen in het opklapbare Bestway gezinszwembad dat Bart, dit jaar vroeger dan andere jaren vanwege het prille zomerweer, in de tuin had opgebouwd. Zijn vriendje Tim zou over 5 minuten door moeder Jenny bij de voordeur van het huis van Walter afgezet worden. Jenny zou haar zoon Tim gewoon voor een gesloten deur van een speeladres achter laten. Desnoods de hele woensdagmiddag als Thea niet in actie kwam. Bovendien herinnerde Thea zich ineens dat Ronnie uit de andere groep 5 ook zou komen zwemmen die middag. Sabine had hem gevraagd.

Of Ronnie voorwaar op zou komen dagen, hing eveneens van zijn moeder af. Al naar gelang de stand van haar denkbeeldige stemmingsmuts. Maud kon zich schappelijk opstellen als ze wilde, maar ze was één van de snelste meeloopmoeders die Thea van De Wielewaal kende. Maud was een soort roddelgraadmeter. Als Ronnie niet mocht komen spelen dan kon Thea er zeker van zijn dat haar nietige persoontje weer eens van top tot teen over de tong ging bij de ouders van de kinderen van De Wielewaal. Moeder Thea was terug uit de gratie. Thea had weer wat gezegd, op het verkeerde moment. Of ze had; niet gereageerd, verkeerd gekeken, of ze had iets van de opperouders aan. Of niet. Of ze was juist hot. Of te coolg. Maud er beter aan gedaan om zich te distantiëren van het roddelcircuit. Maud hoorde er toch niet bij. Haar gedweep met de consorten van De Wielewaal maakte echt geen verschil voor haar reputatie. Dat had Thea haar wel kunnen vertellen. Al was ze stinkend rijk geweest dan nog was ze niet geslepen genoeg om het schimmenspel van de incrowd te beheersen. Maud was geen controversiële vrouw of een mens met een spraakmakende uitstraling en verder viel er ook niet veel aan de moeder van Ronnie te beleven. Ze woonde niet in de opgewaardeerde kakwijk bij De Wielewaal, maar, net als Bart en Thea, elders in een gerenoveerde volkswijk met haar gezinnetje en ze was maar gewoon hulp op een kinderdagverblijf bij haar in de straat. Heimelijk had Thea medelijden met de ukjes uit dat kinderdagverblijf, want Maud was nooit van harte vriendelijk en vaak chagrijnig met een ontevreden uitdrukking die permanent in haar gezicht leek gegraveerd als in een deprimerende portretfoto. Wel was ze altijd bereid om als hulpouder in te springen bij buitenschoolse activiteiten van De Wielewaal. Dat moet gezegd. Desondanks had Maud niet alleen niets te vertellen bij de populaire papa’s en mama’s, maar was ze zelfs bij de groupies van de opperouders geen blijvertje. In het ergste geval droop ze af en wachtte in de schaduw op een hernieuwde kans om een greep naar de populariteit te doen.

Op die schaduwplek was de dochter van Thea ineens wel goed genoeg voor haar zoon. Zolang als het duurde. Maar in de schijnwerpers moest Ronnie zoveel mogelijk met de betuttelde kinderen van de ouderkliek spelen die Maud met niet aflatende moeite voor een afspraakje met haar zoon had weten om te kopen. Ze kon echter niet voorkomen dat Ronnie tijdens de speelkwartiertjes op school een zwak voor Sabine ontwikkelde en andersom. Zij het beide met de nodige reserves. Sabine omdat Ronnie op zijn moeder leek en bijgevolg een kuddedier was. Ronnie omdat hij naar voorbeeld van zijn moeder dacht dat het nodig was om zijn beste vriendinnetje Sabine naar believen af te stoten om bij de nazaten van de opperouders en hun volgelingen in de smaak te vallen

In haar hart vond Thea het vriendje van haar dochter een beetje sneu. Bij Bart en Thea thuis deed Ronnie niets liever dan make-up en verkleedtrucjes. Dan liep hij vervolgens de hele woensdagmiddag met gestifte lippen en glitter oogschaduw in een prinsessenjurk van Sabine rond. Moet kunnen natuurlijk; maar of de opperouders er ook zo over dachten bleef een vraag voor Thea en een weet voor Maud. In ieder geval nodigde de kortzichtige inborst van Maud niet uit tot een open gesprek over het onderwerp transseksualiteit. Ronnie beweerde minstens 1 keer per speelbezoek over zichzelf dat hij in een verkeerd lichaam geboren was.

‘Ik had eigenlijk een meisje moeten zijn’, placht hij, liefst in het volle ornaat van een sprookjesjurk uit de verkleedkist van Sabine en in het gehoorbereik van moeder Thea, herhaaldelijk te laten vallen.

Na verloop van zo’n stuk of 10 van die make-up - en verkleeduitspattingen bij haar thuis begon Thea in het geval van Ronnie echter te twijfelen aan het  natuurverschijnsel waardoor een meisje in het lichaam van een jongen geboren wordt of vice versa. Het gedrag en daarmee de provocaties van Ronnie leken eerder op aandachttrekkerij dan op geslachtsgebonden genotsbeleving. De prinsessenjurk en de make-up veranderden niets anders dan het uiterlijk van een seksloos jongetje. Ronnie bleef zichzelf. Geen transgender, maar wel een verloren kind met een wanhopige schreeuw om affectie. Thea was zelfs nog zo gek geweest om voor Ronnie te proberen om Maud op een eerlijke, vriendschappelijke manier aan te spreken op het opvallende speelgedrag van het vriendje van haar dochter. Thea kwam niet verder dan wat prietpraat. Ze bood koffie aan. Misschien bliefde Maud een gebakje?

Dat ene roomsoesje was mogelijk al ietwat te beklemmend geweest, want na twee keer een bakkie doen op verzoek van Thea begon Maud een muur om zich heen op te trekken. Zij zat niet te wachten op een vriendelijk woord van Thea en Ronnie had Sabine heus ook niet nodig hoor. Ronnie en Sabine zaten niet – meer – bij elkaar in de klas. Sabine zat immers in de combigroep en Ronnie in de complete groep 5 alwaar hij de vriendjes volgens moeder Maud voor het uitkiezen had. Bovendien genoot Ronnie thuis de overweldigende aanwezigheid van zijn schat van een oudere zus. Happy. Wie kende Happy nou niet? Het superzusje van Ronnie dat op een schandalige wijze consequent door Maud werd voorgetrokken. Het was Happy voor, Happy na. Nou was Happy niet al te snugger. Ze zat op De Wielewaal een groep hoger dan Ronnie; in de complete groep 6 – dus niet in de splitsing 5/6 bij Jeewee -, terwijl ze al bijna 12 jaar was. Ze was hinderlijk op de voorgrond aanwezig, zodat je haar wel moest kennen of je wilde of niet en ze kon eigenlijk niet aan de potentie van haar jongere broertje Ronnie tippen. Maar wist Ronnie veel; hij leed slechts onder een dwangneurose die hem dicteerde in een meisje te moeten transformeren om net als Happy een kans te maken op de onvoorwaardelijke liefde van zijn moeder. Om dezelfde reden liet hij zijn beste vriendinnetje Sabine bij het minste of geringste stikken. Zonder zelf te snappen waarom, terwijl Sabine keek, zag, begreep, haar eigen conclusies trok en langzaam maar zeker steeds weerbaarder werd.

Thuis achter haar p.c. spuide Thea met tussenpozen haar kwaadheid in een mail aan Jeewee. De open tuindeuren achter haar zogen een doffe, tropische temperatuur de huiskamer binnen. Op de achtergrond poedelden 4 kinderen in het opklapbare zwembad in de tuin. Haar gemoed verdoofde door het gekir, gekletter en geroep tijdens de korte pauzes die Thea zichzelf vanwege de hitte wel moest gunnen, wilde ze niet ontploffen. Zolang ze achterover in haar bureaustoel wat voor zich uit mijmerde, terwijl ze loom van haar Lipton met klontjes en een rietje lurkte, leek het commentaar van Jeewee op het kattenwerkstuk een futiliteit. Zodra ze zich echter weer op de voltooiing van haar mail richtte en zich hernieuwd in de kritiek op de inspanningen van Sabine verdiepte; laaide het vuur in haar toch al gloeiende hersenpan weer op. Meteen bij thuiskomst had ze naar De Wielewaal gebeld in de hoop Jeewee aan de telefoon te krijgen. Volgens de conciërge was hij toevallig net weg.

‘Jeewee is toevallig net weg? Een kwartier nadat de kinderen vervroegd naar huis zijn in verband met een tropenrooster?’, betwijfelde Thea.

‘Ja’, antwoordde de conciërge veel te stellig en snel om het vermoeden van instructies van Jeewee bij Thea weg te nemen.

Thea vreesde dat ze niet hallucineerde. Het betrof hier wel Jeewee die normaliter praktisch op school woonde; die de tijd nam om zich met ouders te omringen en die overduidelijk energie putte uit de middelpuntvliedende kracht van het centrum van de belangstelling. Mogelijk gemaakt door opperouders en hun gehoorzame kinderen. Die gouwe vent van een Jeewee, wiens deur van het klaslokaal bij Thea’s weten nog nooit voor zessen ‘s avonds gesloten was geweest. Dezelfde Jeewee zou vandaag – een schooldag – onvoorzien in het vroege middaguur al met de noorderzon vertrokken zijn? De conciërge kon Thea nog meer vertellen. Alhoewel; Als Jeewee bang was en vluchtte voor de reacties van Bart of Thea waarom dan toch dat snoeiharde commentaar op het werkstuk over katten van een 8jarig meisje schrijven? Voor de 20ste keer vouwde Thea het verfomfaaide strookje papier uiteen, streek het glad op het bureaublad en controleerde nog maar eens voor de zekerheid of de beoordeling wel echt zo beledigend was als Thea dacht. 

‘Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.

Haar furiositeit nam alleen maar toe. Des te meer omdat de kwaadheid van Sabine ook nog overdrachtelijk latent aanwezig was. Thea hoefde haar dochter maar even een blik van verstandhouding te geven of het snoetje van Sabine betrok in de verbeten stand van die morgen op het speelplein toen ze het berichtje van Jeewee net gelezen had. Omdat Thea elk moment dreigde over te koken besloot ze om deze keer Bart wel lastig te vallen met een telefoontje naar zijn werk.

‘Ik ben een noodgeval’, begon ze.

‘Dat ben je toch altijd’, vond Bart gelaten.

‘O.k., nou luister even, dan lees ik je voor wat Jeewee op het poezenwerkstuk van ons kleine meisje te zeggen had:

Je hebt een goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’

Nadat Thea het commentaar van Jeewee had voorgelezen nam Bart even de tijd om te antwoorden.

‘Ben je van slag of probeer je weer 2 dingen tegelijk te doen?’

Thea deed een mislukte poging om leuk te zijn.  

‘Wat een zak die Jeewee.’

‘Jij vond hem aardig’, antwoordde Thea met terugwerkende kracht  naar de initiële reactie van Bart op Jeewee van een paar maanden terug.

Toen had Bart de meester van zijn dochter voor de eerste keer een handje mogen geven tijdens het 2de 10 minutengesprek van het 5de  schooljaar van Sabine. Zijn vrouw deed namelijk helemaal geen 10 minutengesprekken meer. Zonder aanzien des persoons. Iemand moest het doen.

‘Aardig? Nee, ik zei dat hij geen kwaad kan.’

‘Nou wel dus; ik zou m’n mensenkennis nog maar eens gaan opfrissen als ik jou was Bart.’

‘Wat een zak’, herhaalde Bart.

‘Dus ik overdrijf niet?’

‘Nee.’

‘Heeft hij die onzin met de hand geschreven?’

‘Nee, het is een uitdraai van Word, op een afgeknipt strookje.’

‘Ach dan heeft hij natuurlijk allerlei opmerkingen over verschillende werkstukken van de kindertjes  onder elkaar gezet, uitgeprint en in stroken uitgeknipt. Zuinig. Met de invloedrijke bezieling van Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal natuurlijk.

‘Laten we het in vredesnaam simpel houden’, suste Thea smekend.

‘Niet in vredesnaam.’

‘Dus ik kan gewoon met m’n hatemail verder gaan?’

‘Als jij het niet doet dan doe ik het’, waarschuwde Bart grimmig.

Thea stuurde Bart een copietje van haar mailtje aan Jeewee door.

‘Beste Jan-Willem,

De beoordeling van het werkstuk van Sabine over katten vind ik beneden alle peil. Je adviseert Sabine om de volgende keer meer in haar eigen woorden te zeggen (schrijven). Suggereer je hiermee dat Sabine het werkstuk over katten niet zelf geschreven heeft? Natuurlijk heb ik haar geholpen en haar de moeilijke termen steeds uitgelegd. Overigens met jouw toestemming (zie de vorige mailwisseling). Sabine heeft mij iedere keer feedback gegeven. Daarna heeft ze helemaal zelf de zinnen geformuleerd en 2 keer op papier gezet. 1 keer getypt en geprint in Word en de 2de maal met de hand geschreven. Dat laatste – haar veel bekritiseerde handschrift - komt zelfs niet eens aan de orde in jouw commentaar. Met de plaatjes en de lay-out hebben Bart en ik haar zowaar helemaal niet geholpen. Zou Sabine misschien over bepaalde talenten kunnen beschikken waar jij geen oog voor hebt, omdat je het te druk hebt met de kinderen uit de plusgroep?

‘Je bent veel te mild’, mailde Bart terug in een reactie op de copy aan de brief naar Jeewee.

Juist toen Thea een gevat antwoord naar Bart terug wilde sturen, ontving ze al een repliek van Jeewee. Alsof hij thuis al helemaal op een boze ouderreactie was ingesteld.

‘Beste Thea,

Jammer dat jouw toon zo vijandig is. Sabine heeft een goed werkstuk gemaakt en dat heb ik haar ook laten weten. Tevens heb ik haar wat leerzame tips en tops gegeven. Ik zie niet in wat de kinderen van de plusgroep hiermee te maken hebben. Zij krijgen extra aandacht van Jade; de interne coördinatrice. Ik verdeel mijn aandacht evenredig over de 28 kinderen van groep 5 en 6.’

Bart, die nog steeds op zijn werk was, had de mail ook gelezen:

‘Laat ik me er maar weer eens even mee bemoeien’, berichtte hij; indirect refererend naar zijn eerdere interventies in het mailverkeer met directrice Willy en intern coördinatrice Jade van De Wielewaal.

Toen had de acute bemoeienis van Bart eveneens niet veel verlichting gebracht. Toch heeft ook de vader van Walter en Sabine het volste recht om zijn ontgoocheling te ventileren. Met of zonder gewenst resultaat. Althans dat vond Thea. Een kwartier later las ze wat Bart geantwoord had:

‘Beste Jan-Willem,

Jammer dat de beoordeling van het werkstuk van Sabine op ons zo  kleinerend over komt. Sabine heeft het gevoel dat ze alles verkeerd gedaan heeft en dat reken ik jou aan. Jammer dat je de kinderen van de plusgroep laat bepalen wat er in groep 5 en 6 gebeurt. Jammer ook dat je geen oog hebt voor kinderen die niet constant door hun ouders naar voren worden geschoven.‘

Opnieuw kreeg Thea geen kans om te reageren. Voordat ze haar man schertsend voor een beest uit kon maken, had Jeewee had zijn online antwoord al weer klaar:

‘Geachte Bart en Thea,

Mijn commentaar is niet kleinerend bedoeld. Ik snap die vijandigheid niet. Ik wens mij niet verder te laten beledigen.’

Dit keer greep Thea naar haar mobiel om met Bart te communiceren:

‘Wat een zak’, verzuchtte hij.

‘Dat heb je nou al 3 keer gezegd’, zei Thea, terwijl ze een halve slag draaide op haar bureaustoel.

Achter haar doemde Sabine op als een glibberig zeehondje in een roze badpak. Haar paardenstaart hing druipend half stok. Rond haar blote, witte voetjes lieten de chloorwater druppels uit het zwembad pareltjes  op het wafelparket na

‘Het is bijna vakantie toch?’

‘Bijna’.

‘Ronnie vraagt of ik over ben.'

‘Ja zeker volgend jaar ga je naar de combigroep 6/7.’

Aan dit antwoord had Thea verder nog willen toevoegen dat ze toevallig wel met papa aan de telefoon was; dat Sabine dat toch ook wel zelf kon zien; en dat ze het parket voorgoed bedierf door hier al chloor druppelend, want recht uit het zwembad,  in de huiskamer te gaan staan wortelschieten. Voor de 3de keer die middag werd Thea echter geen gelegenheid geboden om voor zichzelf te spreken. Maar 3 maal is niet voor niks scheepsrecht. Met een scheef hoofd leegde Sabine met haar wijsvinger nog wat water uit haar rechter oor om daarna onomwonden een mededeling aan haar moeder en vader – die via de mobiel meeluisterde – te doen:

‘Ik wil volgend schooljaar naar de andere groep 6.’ 

HOOFDSTUK 23

Thea wendt zich tot Jasmijn. Een vreemdeling voor haar persoonlijk die ze desondanks door en door kan lezen. En andersom weet Jasmijn maar al te goed wie Thea is. Maar ze zoeken elkaar niet.

‘Ik ben niet de vijand hier, Jasmijn.’

‘Wie dan? Mijn moeder zeker of Femke? Wat kom je hier eigenlijk doen?’

De scherpe vraag stevent rechtstreeks op het hart van Thea af. Met als gevolg een dof, verdoofd gevoel door haar hele lijf. In slow motion tracht Thea het vege lijf uit het rotan kuipje te verlossen. Blindelings tast ze naast de leuning het laminaat af op zoek naar haar schoudertas.

‘Ik kom op ziekenbezoek bij Melvin.’

Haar geprevel klinkt als een schietgebedje.

‘Ach, schiet toch op oud vel!’, scheldt Jasmijn terwijl ze voorovergebogen op het bankje de verbijsterde blik van Thea ontwijkt.

Thea verheft zich en wankelt op haar benen. De felle reactie van Jasmijn heeft haar slappe knieën bezorgd. Ze onderzoekt het bewegingsloze, horizontale lijf op het luxe matras in de woonkamer van het appartement van Jasmijn. Correctie; het appartement van Melvin; hij bekostigt de huur van de flat van zijn zus met seks tegen betaling. Normaliter, maar nu dus even niet. Momenteel ligt hij gehavend en roerloos op zijn rug en heeft zijn ogen gesloten.

‘Je kunt wel iets zeggen Melvin?’, spoort Thea hem verwijtend aan. 

Hij zwijgt, maar Jasmijn windt er geen doekjes om. Ze gaat er net als Thea maar even bij staan. Ineens kijkt ze haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster wel recht in de ogen. Thea ziet onzekerheid, angst en agressie.   

‘Wat moet hij zeggen? Hij wil dat je oprot en ik ook.’

‘Ik ben al weg’, belooft Thea voorbarig.

‘Wat heeft Thea jou eigenlijk aangedaan, Jasmijn?’ informeert Melvin onverwacht en afvallig.

Zijn stem vult de ruimte als van een voice-over in een film. Jasmijn doet alsof ze hem niet gehoord heeft en richt zich opnieuw rechtstreeks tot Thea. Haar vuurspuwende ogen zijn veranderd in na sudderende vonkjes. Haar indirecte antwoord op de vraag van Melvin heeft een verontschuldigende naklank:

‘Je moet niet net doen of je mijn moeder bent.’

‘Je kunt veel van me zeggen, maar ik heb nooit gedaan alsof ik je moeder ben’, meesmuilt Thea.  

‘Waarom wel bij Melvin, eigenlijk?’

Jasmijn zakt door haar knieën. Ze zit weer en knikt naar het rotan kuipje. Thea negeert het verzoeningsgebaar. Ze blijft liever staan. In die houding wekt ze tenminste niet de indruk dat ze op een volgende krachtterm zit te wachten.

‘Hoe kom je erbij dat ik bij Melvin ooit gedaan heb alsof ik zijn moeder ben?’

Melvin opent zijn ogen, komt half overeind op zijn gezonde arm.

‘Kun je wat kussens in mijn rug duwen Thea?’

Thea wisselt een blik van verstandhouding die Jasmijn mist omdat zij - in plaats van de oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster - Melvin wel te hulp schiet.

‘Misschien is het omgedraaid. Misschien doet Melvin wel alsof ik zijn moeder ben’, insinueert Thea, terwijl Jasmijn 3 kussens trapsgewijs achter het schouderblad van Melvin opstapelt.

Melvin nestelt zich in de ruggensteun.

‘Lekker zo? Wat zei je Thea?’

‘Wanneer ga je naar Beau? Je hebt toch een sabbatical en daarom ging je toch een half jaartje naar je moeder in Oxford?’

‘Binnenkort.’

Het vuur in Jasmijn is gedoofd. Ze reageert weer precies zo mak en afstandelijk zoals ze vroeger als kind meestal kon zijn. Met uitzondering van die plotselinge aanhaligheid naar Thea toe. De schrijnende knuffeltjes die ze bij haar surrogaat moeder kwam innen en waarvan Thea bang was dat ze verraderlijk en schadelijk voor het kleine meisje zouden zijn. Thea vermoedde dat het kind voelde dat de affiniteit van haar kinderjuf geen spontaniteit was, maar een morele verplichting. Na ruim 15 jaar heeft Jasmijn  zich vandaag gerevancheerd. De bruuske afwijzing weerklink in het hoofd van Thea:

‘Hij wil dat je oprot en ik ook!’

Alsof het oude vel de rimpels en levervlekken zomaar kan strijken en gummen. Wat heeft Thea bij Melvin en Jasmijn verloren? Haar jonge jaren? Wat houdt haar tegen om gewoon weg te lopen en deze menselijke wanhoopjes aan hun ondergang over te laten? Met jaloezie op de jeugd heeft haar bemoeienis niets te maken. Juist het schamele beetje aan levenservaring dat Thea in de groei van haar jaren heeft opgedaan weerhoudt haar er van om het tweetal in de steek te laten. Zo’n overhaaste beslissing zou aan haar knagen tot aan haar laatste ademstoot. Precies daarom blijft ze hier staan graven. Voor haar geweten en zodat Jasmijn en Melvin kunnen zien dat zoiets als onvoorwaardelijke verbintenissen echt bestaan. Hiervoor moeten alle taboes en geheimen boven het grondwater uitgediept worden. En terwijl Thea daar zo aan het voeteneinde van het luxe opblaasbare matras van Melvin in de vluchthouding vanalles staat af te wegen, krijgt ze ineens een heldere ingeving. Eureka. Nu is het zaak om goed te improviseren. 

‘Zeg Melvin heb jij nog iets aan die manchetknopen gehad die je toen van mij gekocht hebt?’

Melvin negeert de vraag:

‘Ik wil toch wel wat kiwi, Jasmijn.’

Opgetogen vindt Jasmijn het bakje met groenvoer op de vensterbank naast de fruitmand van Thea. Opnieuw hevelt ze tussen duim en wijsvinger een partje kiwi op tot aan de geschonden mond van Melvin. Automatisch tuit ze haar eigen volle, gestifte lippen in de waarschijnlijk onbewuste hoop dat Melvin haar voorbeeld volgt. Talmend opent hij zijn mond om het stukje kiwi op het juiste moment razendsnel naar binnen te zuigen.

‘Floep’, lacht Jasmijn.

Verbeten blijft Melvin zijn zus aanstaren, terwijl hij stroeve kaakbewegingen maakt.

‘Je weet wel die manchetknopen met klokjes?’, dringt Thea aan.

Jasmijn komt moeizaam van haar hurken en valt terug in het bankje. Zo te zien is Melvin nog wel even bezig met het verstouwen van het eerste stukje kiwi.

‘Ik heb laatst een manchetknoop van je gevonden Melvin. Verguld met een blauw uurwerk. Waar heb ik dat ding ook alweer gelaten?’, merkt Jasmijn terloops op.

Ze fronst haar wenkbrauwen en inspecteert de omgeving. Een opgestoken wijsvinger voorspelt uitsluitsel. In vier passen is Jasmijn  bij een ladekastje in de hoek van het appartement. Ze diept 1 manchetknoop in een plastic zakje uit een lade en duwt het in de handen van Thea, terwijl ze weer positie inneemt naast het ziekbed van haar broer.

‘Ik heb je er toch 2 verkocht?’, vraagt Thea onnozel.

‘Ja, hèhè, manchetknopen komen altijd met z’n tweeën.’

Jasmijn, de tuttebel; draait met haar ogen en klikt met haar tong. Ineens verstard haar gezichtsuitdrukking. Het lijkt erop dat er een lampje gaat branden in het lange termijn geheugen van haar hersenen.  

‘Nou weet ik weer waar dat zakje vandaan komt.’

Luidruchtig verwerkt Melvin het stukje fruit tussen zijn gebroken kaken. Of de strubbeling een afleidingsmanoeuvre is, of echt met zoveel kabaal gepaard moet gaan wordt niet helemaal duidelijk. Nadat de kiwi hap verwerkt is, laat Melvin zich vermoeid met het achterhoofd in de stapel kussens vallen. Toch luistert hij. Het is te zien aan zijn afwachtende hanghouding.

‘Hoe overleef jij het avondeten?’, wil de moeder in Thea even terzijde weten.

‘Hij heeft vloeibaar voedsel; maar hij mag al voorzichtig aan een fruithapje beginnen.’

Moeiteloos glijdt Jasmijn in de functie van arts in opleiding. Die rol past haar goed. Vragend houdt Thea haar het plastic zakje met de manchetknoop nog maar eens voor ogen. Bij wijze van herinnering.

‘Waar komt dat zakje nou vandaan?’ 

‘Het zat bij de kleren die Melvin op de bewuste avond droeg. Later hebben we ze teruggekregen in het ziekenhuis. In een papieren zak. Femke vroeg of ik de was wilde doen vanwege al dat bloed! De manchetknoop kreeg ik apart van Femke. Keurig gescheiden van de bloederige rest in dat plastic zakje. Het was alles wat Melvin aan sieraden bij zich droeg zeiden ze in het ziekenhuis.’

‘Wat droeg je dan Melvin? Een maatkostuum?’

De ironie ontgaat Jasmijn. Ze antwoordt voor haar broer:

‘Nee, hij droeg een T-shirt en een spijkerbroek.’

Plotseling laat Melvin van zich horen.

‘Ow, dan heb ik die manchetknopen in de kontzak van mijn jeans laten zitten, nadat ik ze van jou, Thea, gekocht had’, verzint hij als een volleerd leugenaar.

Hij heeft veel te snel een antwoord klaar. 

Hoezo één manchetknoop?’

Jasmijn stelt de hamvraag zonder het zelf in de gaten te hebben.’

‘Zal ik die andere wel verloren hebben’, liegt Melvin.         

‘Ik zag laatst het tweelingbroertje van deze manchetknoop aan de armband van een leerlinge van mij. Ze droeg hem als bedeltje.’

De woorden van Thea zijn doorspekt met cynisme. Jasmijn probeert het ongezegde te doorgronden.

‘Nou, da’s ook toevallig. Het zijn hartstikke unieke manchetknopen, met die klokjes en zo’, constateert ze met grote ogen van oprechte verwondering.

‘Ja, je koopt ze niet zomaar bij de Action. Zeker niet in een sieradendoosje. De manchetknopen zaten in een fluwelen sieradendoosje toen jouw broer ze van mij kocht’, benadrukt Thea met de bedoeling om Melvin in het nauw te drijven.

Melvin vat de hint, maar zijn reacties worden er niet milder om:  

‘Ja en? Dan zal het doosje wel uit mijn kontzak geflikkerd zijn toen ik in elkaar geramd werd in het stadpark en toen zal die leerlinge die andere manchetknoop wel ergens in de buurt van waar ik in elkaar geslagen ben gevonden hebben.’

‘Ach wat uitzonderlijk. En dan is deze manchetknoop uit zichzelf uit het doosje weer terug in jouw achterzak gesprongen’, oppert Thea quasi opgetogen, terwijl ze met het plastic zakje met maar 1 manchetknoop tussen duim en wijsvinger voor haar neus in de lucht schommelt.

‘Wie zegt dat die manchetknoop in mijn kontzak zat?’, bokt Melvin.

‘Jij’, antwoordt Jasmijn achterdochtig

‘Misschien lag hij wel gewoon naast mij op de grond.’

Triomfantelijk stuurt Melvin een stroeve knipoog richting Thea. Hij lijkt op een boze Gremlin.

Hier breekt Jasmijn op eigen initiatief in op de zinsbegoocheling. Ze is zeker van haar zaak:

‘Nee, natuurlijk niet Melvin; je droeg die manchetknoop bij je. Anders zou de politie dat ding heus wel in beslag genomen hebben als belastend materiaal. Je lag voor pampus in de bosjes van het park. We dachten dat je…’

Jasmijn neemt een slikpauze en Melvin valt geërgerd voor haar in.

‘Jullie dachten dat ik er geweest was.’

‘Nou wij niet alleen’, getuigt Jasmijn:

‘Dus, als er een manchetknoop in de buurt van jouw lichaam gelegen zou hebben dan zou dat sieraad toch evengoed van de dader hebben kunnen zijn? Belangrijk bewijsmateriaal. Net als, bijvoorbeeld, jouw verdwenen mobiel, je gestolen portemonnee of een eventueel sieradendoosje. En daar heeft de politie ook geen melding van gemaakt. Dat ze 1 van de 3 gevonden hebben.’

Door toedoen van Jasmijn moet Thea ineens aan Columbo denken. Dat is die verstrooide, Amerikaanse inspecteur uit de jaren 70 die in een televisieserie op een kostelijke wijze allerlei chaotische moordzaken oplost. Dat doet Columbo bij voorkeur door zijn verdachten te stalken en te bestoken met vragen die de daders dan altijd veel te uitvoerig proberen te beantwoorden om zichzelf te vrijwaren. Melvin is precies zoals zo’n beklaagde van Columbo. Hij probeert de waarheid te verdoezelen met een vergezochte leugen.

‘Je leest te veel detectives en je hebt teveel vertrouwen in de politie, Jasmijn.’

Melvin sluit zijn valse getuigenis af met een langgerekte kreun.  

‘Ik wil eigenlijk wel slapen nu.’

‘Heb je al aangifte gedaan van de mishandeling?’

‘Daar is de deur Thea’, gaapt Melvin.

‘Papa heeft de politie al 3 keer naar het ziekenhuis gestuurd, maar Melvin wil steeds geen aangifte doen’, legt Jasmijn vertwijfeld aan Thea uit.

‘Pim?’

‘Ja, papa ja, wat denk je nou? Dat hij de satan is, omdat hij niet elke seconde van de dag in het leven van zijn kinderen aanwezig is?’

Thea kiest ervoor om niet opnieuw op de post puberale provocaties van Jasmijn in te gaan.

‘Je moet aangifte doen Melvin.’

‘Snurk, snurk’, zegt Melvin.

Hij steekt de middelvinger van de hand aan zijn gezonde arm naar Thea op. Thea kaatst de bal terug.

‘Knor, knor, bedoel je zeker.’

‘Waar gaat dit over?’, wil Jasmijn verontrust weten.

‘Over dat varkensvlees in de islam onrein en verboden is; net als homoseksualiteit.’

Thea praat tegen Jasmijn, maar ze houdt overzicht op het achterover gelegen lichaam van Melvin. Hij verbergt zijn ogen inmiddels onder zijn ongedeerde onderarm. Bij Jasmijn begint het één en ander te dagen. Sprakeloos zoekt ze naar antwoorden bij Thea, dan weer bij Melvin en weer terug. Tot besluit richt ze zich tot Thea:

‘Hoe kom je erbij?’

‘Van mijn Syrische leerlinge bij Huiswerksterk.’

‘Ik snap het niet’, zegt Jasmijn, terwijl ze geïrriteerd met haar hoofd schudt. Ze is het niet gewend om iets niet te bevatten. Thea heeft haar volle aandacht.

‘De Syrische leerlinge heet Moona en zij vertelde mij dat het dragen van goud niet sunnah is voor moslims. Wel voor moslima’s. Vrouwen mogen wel goud dragen van de profeet, maar mannen niet. Daarentegen mogen mannen in de islam wel weer andere dingen die moslima’s niet mogen van de profeet, maar dar gaat het nou niet over. In ieder geval was Aadam vast heel vereerd met het feit dat zijn vriendje Melvin hun liefde wilde bezegelen met de ene helft – dus 1 manchetknoop - van een paartje dat in wezen onafscheidelijk is. Heel romantisch gedacht. Maar hij mocht het sieraad van de profeet dus niet bij zich dragen. Nou mag Aadam van zijn geloof wel goud aan een vrouw cadeau doen. Daarom schonk de Syrische Aadam de vergulde manchetknoop aan zijn zusje Moona oftewel mijn Syrische leerlinge – inclusief hoofddoek – bij Huiswerksterk. Bij zijn zusje zou de metafoor van de liefde tussen Aadam en vriend Melvin gewaarborgd zijn zonder dat de zedige Moona het zelf door had.’

‘Niet sunnah?’, herhaalt Jasmijn niet begrijpend.

‘Not done, oftewel; niet het juiste pad van de profeet.’

Dan richt Thea zich tot Melvin en zegeviert.

‘Wist jij ook niet toch?!’

‘Heb je het haar verteld?’

Melvin praat nasaal door een verstopte neus en klinkt alsof hij huilt. Zijn borstkas gaat zachtjes schokkend op en neer. Melvin piept nu bij iedere ademstoot als een muisje in de val. Onhandig wrijft Jasmijn over zijn in een sportbroek gehulde bovenbeen. Ze is snel van begrip. Altijd al geweest.

‘Nee, ik heb het haar niet verteld. Waarom zou ik?’, sust Thea.

Ze wacht een paar seconde om aansluitend eindelijk het hoge woord eruit te gooien:

‘Maar jij moet wel naar de politie gaan en aangifte doen.’

‘Nee, ik moet helemaal niets’.

Melvin vermant zich. Schrander haalt hij zijn  neus op, veegt zijn ogen droog en komt weer wat verder overeind in de kussensteun. Lodderig staart hij Thea een paar seconden aan.

‘En jij doet ook niets’, beveelt hij vervolgens.

Jasmijn komt tussenbeide:

‘Begrijp ik nou goed dat jij een Syrisch vriendje hebt?’

‘Had’, verbetert Thea.

‘Hebt’, herstelt Melvin snibbig en tegen Jasmijn zegt hij doodleuk:

‘Hij heet Aadam.’

‘Woont hij in een AZC?’

‘Nee, hij is al 5 jaar in Nederland. Ik ken hem van de sportschool.’

‘Ook gezellig’, vindt Jasmijn confuus.

‘En heeft Aadam de laatste tijd nog contact met je opgenomen?’

Thea raakt opnieuw een gevoelige snaar, maar ze moet doorbijten. Melvin kan zijn eigen kracht pas leren kennen als doorzetten de enige keus is.

‘Ik heb een nieuwe telefoon. Mijn oude mobiel is gejat op die avond in het stadspark weet je nog!? Of ze hebben hem in de vijver gekwakt. Weet ik veel.’

‘Aadam kan hem dus niet onder zijn oude nummer bereiken; dat is wat Melvin bedoelt.’

‘Ik snap wat Melvin bedoelt Jasmijn.’

‘Ik kan hem Godverdomme evengoed niet bereiken’, vloekt Melvin vanonder zijn onderarm.

‘Misschien kan Thea wat voor je doen via dat zusje van Aadam?’, oppert Jasmijn onder begeleiding van bemoedigende klopjes die plaats hebben gemaakt voor haar knullige gewrijf op het bovenbeen van Melvin.

‘Ik kan je het telefoonnummer van Moona geven, maar het lijkt me geen goed idee om haar te bellen over haar broer Aadam!’, antwoordt Thea, terwijl ze probeert om aan het voeteneind van het luxe matras plaats te nemen.

Ze zit niet makkelijk. Ze zakt diep door in het matras en ze heeft nergens steun. Het gebroken lichaam van Melvin beweegt ook smartelijk mee met haar caperiolen. Ze zal toch even stevig moeten zitten alvorens ze Melvin wijzer maakt. Jasmijn kijkt het gestuntel van Thea smalend aan.

‘Pak een barkruk’, stelt ze voor.

De scheidslijn tussen de kleine huiskamer en het open keukentje wordt gevormd door een plank van lawaaibomenhout. Een ieniemienie keukenblokje opgeleukt met twee ranke barkrukjes die zo hoog op de pootjes staan dat Thea met de voetjes van de vloer eindelijk zit. Nog steeds niet comfortabel, maar ze zal waarschijnlijk toch niet meer lang welkom zijn.

‘Waarom?’, opent Jasmijn na een pijnlijke stikte de conversatie maar weer eens.

‘Waarom wat?’

‘Waarom is het geen goed idee om Melvin te laten bellen naar het zusje van Aadam?’

Jasmijn spreekt de naam van het vriendje van haar broer uit alsof hij al een lid van de familie is. Teder. Beschermend.

‘Ik neem aan dat je het oude telefoonnummer hebt aangehouden bij de aanschaf van je nieuwe mobiel, Melvin?’

Opnieuw is het een moment stil.

‘Waarom geeft hier niemand direct antwoord op een simpele vraag?!, valt Jasmijn getergd uit.

Na deze uitroep, maant ze Melvin aan om antwoord te geven.

‘Nou?’

‘Wat nou?’

‘Heb je nog hetzelfde mobiele nummer?’

‘Ja hoor!’

Om haar bedoeling te onderstrepen gebaart Thea met gespreide handen haar gelijk naar Jasmijn:

‘Nou dan kan Aadam toch gewoon contact met Melvin opnemen? Als hij zou willen, of kunnen? Niet nodig om zijn zusje te alarmeren. Niet nodig om slapende honden wakker te maken’, licht Thea toe. 

Melvin verschuilt zijn gezicht nog steeds onder zijn bovenarm.

‘Enough’, schreeuwt de tattoo op zijn polsslagader.

‘Heb je de daders herkent?’, vraagt Thea aan de tattoo.

Melvin zegt niks. Geen ja. Maar ook geen nee.

‘We denken toch dat het bekenden van de escortservice zijn’, biecht Jasmijn op.

Ze slaat een conversatietoon aan.

‘Pim en jij?’, vraagt Thea op dezelfde toonhoogte.

‘Bink en ik’, verbetert Jasmijn.

Ze bloost.

‘Bink is okay Thea, wat je ook van hem denkt. Hij is er voor ons. Voor Melvin en mij. Meer dan een gewone stiefoom.’

‘Meer dan een vader’, vult Melvin onvast aan.

Hij praat door zijn gebroken neus. Hij huilt.

‘Waarom help je hem dan niet uit jouw boze droom Melvin?’

‘Hoezo mijn boze droom?’

Eindelijk komt Melvin tevoorschijn vanonder zijn arm. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en flets. Zijn mond trilt.

‘Aadam heeft 3 broers.’

‘Ik heb niets te maken met de broers van Aadam.’

‘Als je wat weet, zeg het dan gewoon Thea’, blaast Jasmijn vermoeid.

Thea negeert haar. Ze is er bijna. Het is toch nog een gok om op dat moment haar vermoedens voor de voeten van Melvin te smijten:

‘Je hebt ze herkend toch?’

‘Rot op stomme ouwehoer.’

Degene die de uitdrukking; ‘schelden doet geen pijn’, heeft bedacht is zelf zeker nooit beschimpt. Thea kan de onbezonnen jeugd niet meer verkroppen. Ze hoeft zich helemaal niets te laten welgevallen door dat vervelende, etterige, rot ventje van amper 18 jaar!

‘Wat denk je dat die machomoslims met jouw Aadam hebben uitgevoerd nadat hij jou met hulp van zijn aanstichters het ziekenhuis in geslagen heeft?’’

‘Zeg het nou gewoon Thea’, smeekt Jasmijn.

‘Nadat Aadam zijn geliefde in opdracht van de profeet en onder druk en met hulp van zijn broers heeft afgestraft; heeft hij zich overzee bij zijn geloofsgenoten gevoegd alwaar hij zich voorbereid op de heilige oorlog. Allahoe Akbar!’

Vol afgrijzen tuurt Melvin over de schouder van Thea, langs haar wang af in het oneindige. De tranen stromen nu schaamteloos over zijn kaken en zijn neus loopt leeg. Zijn vertrokken mond is verkrampt in een radeloze kreet zonder geluid. Jasmijn reikt haar broer een uitgevouwen papieren zakdoekje aan, waarin hij prompt zijn gezicht verstopt.

Een moment lang heeft Thea spijt. Moona heeft inderdaad toegegeven dat ze Aadam moet missen, omdat hij zich tegenwoordig fulltime toelegt op de jihad. Verder heeft ze maar wat geroepen. Giswerk. En het feit dat Aadam eigenhandig bij de mishandeling betrokken zou zijn geweest was een verzinsel van het ergste soort. Een speculatie om Melvin terug te pakken met zijn nodeloze gescheld. Maar Melvin trapt in de val.

‘Hij heeft mijn leven gered’, loeit hij dof in zijn Kleenex.

Het hart van Thea slaat een slag over.

‘Bedoel je dat Aadam de dader is?’, stamelt Jasmijn vervuld van afschuw.

‘Niet alleen. Zonder hem hadden ze me dood getrapt’.

‘Zonder hem zou dit allemaal niet gebeurd zijn’, nuanceert Thea voor de goede orde.

Met een ruk laat Melvin zijn maskerade vallen en dreigt:

‘Je houdt je bek erover dicht.’

‘Radicalisering gaat ons allemaal aan. Je hebt een burgerplicht om dit te melden bij de vreemdelingenpolitie of weet ik veel.’

‘Als ik eraan ga dan ga jij er ook aan Thea. Dan zal ik eens een boekje bij je leuke gezinnetje open doen over onze ochtenden samen in jouw woonkeuken. Keer op keer en op en neer.’

Melvin heeft een donker, paars gezwollen gezicht en hij blaast als een opgefokte stier in de arena. Hij raaskalt door de helse pijn van de lans in zijn halsslagader. Thea is de matador. Het rode doek is gevallen. Uit alle poriën van het lichaam van Melvin vloeit vocht. Bloed, zweet en tranen. De laatste stuiptrekkingen van verzet.

Bij de voordeur kijkt Thea nog een keer om naar Jasmijn die nog steeds naast het luxe matras van Melvin op de bank zit. Ze omvat zijn hand. Hij ligt achterover en kreunt. Huilt. Kermt. Jasmijn was net 7 en bleef haar surrogaatmama roerloos staan nakijken in de deuropening van het appartement van Pim met dezelfde half openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, waarvan Thea toen dacht dat die haar nooit meer op een onbewaakt moment zouden kunnen overweldigen.

‘Ik ben de heilige maagd Maria niet en ik kan de wereld niet te redden. Ik heb gedaan wat in mijn macht ligt’, besluit Thea waarna ze de poort van de uitvlucht achter zich in het slot laat vallen.

Ze neemt de trap naar omlaag, want de lift laat te lang op zich wachten voor de tijdelijke paranoia die haar voortjaagt uit de irrationele angst dat Jasmijn en zelfs Melvin met al zijn gebroken botten haar zullen blijven achtervolgen tot in de eeuwigheid. Amen. Beneden gekomen blijft ze staan in de trappenhal met haar rug tegen de muur om op adem te komen. Ze heeft zicht op de brievenbussen met sloten en naamplaatsjes van het appartementencomplex. Een bewoner opent de voordeur, knikt ingetogen, controleert zijn post met veel sleutelgerinkel en verdwijnt in de lift. Droeg de vreemdeling nou een lange ouderwetse regenjas losjes over zijn schouders met daaronder een 3delig pak en een stropdas? Aktetas onder de oksel geklemd. Zo iemand draagt standaard ook ongetwijfeld twee manchetknopen; ter sluiting van de boorden aan de mouwen van zijn overhemd. Zoals het hoort. Niet de ene manchetknoop in de kontzak van zijn spijkerbroek als het symbool van de liefde voor de ander die het tweede deel van het duosieraad bij zijn zusje in bewaring geeft.  Uit schaamte en zelfverloochening. Wat een zinloze ontknoping. Met deze uitkomst is de waarheid niet meer dan een achterhaalde realiteit. Net zo cru als een leugen. Maar wat had Thea dan verwacht? Dat Melvin het licht zou zien? En uit welke hoek zou de wind dan moeten waaien naar inschatting van Thea? Niet uit de extreem Islamitische hoek in ieder geval. Voor je het wist vecht Melvin ook in de heilige oorlog. Zoals Aadam. De jihad als bliksemafleider of als heropvoedingsstrategie. Of een zelfmoordpoging. Voor Aadam, niet voor Melvin, want hij heeft vandaag juist onbedoeld de eerste stap naar een doorbraak gezet door zijn demonen te trotseren. En nee, ze zijn niet bezweken, maar Melvin ook niet. Hij ademt nog, ergert zich aan Jasmijn, haat zijn vader en zijn moeder en kan Thea wel schieten. Hij is er nog, met zeeën van tijd om zijn immuunsysteem te voeden met weerstand en flexibiliteit. Met yin en yang; de dingen die elkaar aanvullen; het evenwicht of de balans. Hoe zweverig ook; Thea gelooft in de kracht van de zelfredzaamheid. Ook bij haar eigen kinderen. En dat zijn wel de laatste twee mensen op aarde die ze aan hun lot over zou laten.

Toch was Thea niet in staat om Sabine direct op haar wenken te bedienen toen ze aangaf dat ze in het nieuwe schooljaar het liefst in de andere groep 6 zou beginnen. Niet dat Bart en Thea aan de oprechtheid van hun dochter twijfelden; maar ze wisten zo goed als zeker dat de rest van De Wielwaalwereld dat wel zou doen. Want zijn kinderen niet net zo veranderlijk als het weer in Nederland? Wel als je de waard moet geloven die zijn gasten meet met de eigen oogkleppen. Getuige de vijandige beoordeling van het kattenwerkstuk door Jeewee. Hij vond ontegensprekelijk niet dat Sabine het overgrote deel van het resultaat op haar naam mocht schrijven. Of Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal vond van niet; of een overrompelde opperouder die zich illegaal met het werkstukkenproject bemoeid had was kritisch geweest. Professor Pronken bijvoorbeeld die zijn dochter Allagonda en haar volgelingen uit groep 6  - en zelfs uit 5 - van de combiklas met veel ruchtbaarheid van heel dichtbij begeleid had. En als er iemand werkstukken naar waarde in kon schatten dan was het professor Pronken – hoofd emeritus van de geschiedenisfaculteit van de plaatselijke universiteit - wel uiteraard. Daar kon geen weldenkend mens, zoals Bart of Thea, of een onderwijzer zonder lef van De Wielewaal, tegenop. Gevolglijk dat een werkstuk over katten, op eigen initiatief van de 8jarige Sabine, niet onbesmeurd door de keuring van de hoogleraar heen kwam. De kinderwerkstukken die bejubeld werden gingen allemaal over de Romeinse tijd. De specialisatie van professor Pronken. Het dagelijkse leven in de Romeinse tijd, de rechtspraak in de Romeinse tijd, de kleding in de Romeinse tijd; de goden uit de Romeinse tijd; de keizers uit de Romeinse tijd; het politieke stelsel in de Romeinse tijd. Professor Pronken had zelfs al eens een hele morgen in de combigroep 5 en 6 langdradig verteld over dit alles en nog veel meer over de Romeinse tijd. Een jaar later zou hij precies hetzelfde lesje in de groep van zijn jongere zoon Marcus en diens klasgenoot Walter afdraaien. Dat was tevens de eerste keer van een onvermijdelijke reeks botsingen tussen Walter en de vader van zijn vriendje. Tijdens de primeur, in groep 5 dus, kreeg Walter stevig op zijn lazer van de professor. De hele klas was onder de indruk. Zelfs Walter. Toch weerhield de uitbrander het jongetje er voortaan Goddank niet van om zijn mening te blijven zeggen en vragen te blijven stellen. Hoezeer de lijpe professor zich ook door het toen achtjarige kind geprovoceerd bleef voelen in de loop van de Wielewaaljaren. Zozeer dat professor Pronken tot in groep 8 met Walter het conflict bleef aangaan. Schandalig; maar afgezien daarvan niet de moeite van het riskeren van een chronisch verhoogde bloeddruk waard. En zoals Walter vanwege zijn persoonlijkheid niet kon stoppen met hardop kritisch zijn, zou Sabine zich na het gediskwalificeerde kattenwerkstuk opnieuw blijven bewijzen. Misschien niet voor professor Pronken en zijn beperkingen, maar wel voor de rest van de wereld.

Voor zijn zelfvertrouwen zat Walter  voorlopig goed bij juffrouw Toos. Sabine was een ander geval. Sabine was misschien dan wel ‘leuk’ om erbij te hebben – om met Jeewee te spreken - dat betekende niet automatisch dat het meisje zich op haar gemak voelde tussen de oververtegenwoordigde deugneusjes in de combiklas 5/6. Ze was en zou nooit een teer poppetje worden dat bij elk hobbeltje op haar levensweg de uitvlucht van de tranen koos en dat thuis nog wat extra schoolopdrachten ter hand nam om haar faalangst te bekrachtigen. Sabientje was niet neurotisch; maar ze kweekte wel een gloeiende aversie tegen de truttigheid waarmee de huilmeisjes uit de combigroep 5 en 6 haar nu al bijna een schooljaar lang omgaven.  

‘Als je echt naar de andere groep wilt volgend schooljaar, dan moet dat zelf aan meester Jan-Willem vragen. Durf je dat?’

Thea kon het antwoord zelf geven. Ze wist dat de kleine Sabine het voortouw kon en zou nemen. Het kind had pit genoeg. Al vanaf haar geboortedag zette ze regelmatig ‘eigen initiatief’ in om het zichzelf zo makkelijker en aangenaam mogelijk te maken. De weg van de minste weerstand was en is daarbij haar tweede natuur. Vandaar ook de verwijtende wedervraag die Thea had kunnen voorspellen.

‘Waarom loop je niet met me mee?’

‘Omdat Jeewee denkt dat papa en ik willen dat jij volgend jaar naar de andere groep 6 gaat en niet jij zelf.’

‘Maar ik wil het zelf en Marga mag ook.’

‘Wie is Marga. Ik ken geen Marga.’

‘Marga zit nou nog in de hele groep 5. Bij Ronnie en de anderen. Ze haalt alleen maar uitmuntend. Ze mag volgend schooljaar naar groep 7. Ze mag een jaar overslaan. Ze komt nu alvast kijken in de combiklas 5 en 6.’

‘Ach ja; da’s waar ook; de combigroep is een de verzamelklas voor hoogbegaafde kinderen met een paar alibi’s. Dus dan komt die Marga nogal wiedes na de grote vakantie in de combinatieklas 6 en 7. Zo’n slimme meid kan natuurlijk niet in een gewone groep 6 of 7 blijven zitten. En in de combiklas gaat iedereen over natuurlijk!’

‘Nee, hoor Jamie en Edin blijven zitten in groep 5.’

‘Nee maar. Dan zijn Jamie en Edin dus de alibi’s!’

Thea deed alsof ze van haar stoel viel van verbazing. Jammer alleen dat Sabine allang niet meer ontvankelijk was voor de acteerprestaties van haar moeder. Ze liet zich niet van haar à propos brengen en maakte van de losse gelegenheid gebruik om zich op de inhoud van de snoeptrommel te concentreren, terwijl ze vroeg:

‘Wat zijn alibi’s?’

‘Alibi’s zijn een soort sorry’s. Geen snoepjes dus, maar het bewijs dat groep 5/6 helemaal niet zo hoogbegaafd is als ze willen doen voorkomen.’

Sabine zette haar tanden in een reepje trekdrop dat ze roekeloos verslond. Het tweede reepje hield ze pal voor haar mond in de wacht, terwijl ze eerst sprak:

‘Jamie en Edin komen volgend jaar bij Walter in de klas. En Marga gaat na de vakantie niet naar groep 6 waar ze eigenlijk hoort, maar naar groep 7 van de combiklas.’

‘En toen verzon jij dat jij dat vrij gekomen plekje in de homogene groep 6 mooi kunt bezetten volgend schooljaar?’

Thea was ontroerd door de vindingrijkheid van haar dochtertje.

‘Homogene?’

‘Complete.’

‘Ja, want Marga gaat toch naar de combigroep?’, bevestigde Sabine zelfvoldaan.

‘Krijgt de combigroep 6/7 eigenlijk volgend jaar ook Jeewee als meester?’

Smikkelend en smakkend haalde Sabine haar schouders op en groepeerde een handje vol kleurige gummieberen voor zich op de keukentafel.

‘Iedereen zeurt erover. Iedereen uit de groepen 5 en 6. En alle papa’s en mama’s bij de deur van de klas ‘s morgens.’

Een combinatie van kunstmatige geurstoffen in de snoepadem van Sabine walmde Thea tegemoet.

‘Wat zegt Jeewee zelf dan?’

‘Dat het een verrassing is wie volgend jaar de meester of juffrouw van groep 6 en 7 wordt.’

Al kauwend liet Sabine achter elkaar een stuk of 5 gummieberen in haar mond verdwijnen.

‘En wie wordt dan volgend jaar de meester of juffrouw van de homogene groep 6?’

‘Juffrouw Dorien’, smakte Sabine stellig in haar geurwolk van synthetisch snoep.

‘Alweer; het is wel juffrouw Dorien voor en na. In groep 3 en 4 en nu ook al bijna in groep 6’, antwoordde Thea plagerig.

‘Is niet erg.’

Sabine trok gekke bekken om achtergebleven stukjes gelei van haar kiezen te manoeuvreren. Haar wijsvingertje hielp een handje. 

‘Nou dat lijkt me dan een uitgemaakte zaak’, lachte Thea, terwijl ze haar geraffineerde kleine meisje innig tegen zich aan drukte.

Aan het doortastende optreden van Sabine kan het niet gelegen hebben dat Thea zich na een week afvroeg of ze misschien toch niet te hard van stapel gelopen was met haar ‘uitgemaakte zaak’. Ze hoopte dat het beladen stilzwijgen uit het Wielewaalkamp geïnterpreteerd kon worden als een denkpauze voor iedereen die zich beroepshalve in het welbevinden van Sabine behoorde te verdiepen. Die bemoeienis vroeg wellicht om de nodige tijd voor alle ego’s om eens flink over de pretentieloze wens van een klein kind heen te urineren. De enige die in deze kwestie tot snelle actie overging was de 8jarige Sabine. Amper 24 uur na haar besluit liet ze haar meester onomwonden en met alle steun van haar vader en moeder weten dat ze na de zomervakantie liever naar de andere groep 6 wilde.

‘Nou dan moeten je vader en moeder maar even een afspraakje met Jade de interne coördinatrice regelen.’

Dat was alles wat Jeewee te missen had gehad. Alsof het verzoek van een 8jarig kind om van klas te wisselen de normaalste zaak van de wereld was.

‘Hoort hij de noodkreet van het kind dan niet?!’, riep Thea theatraal uit.

‘Welke noodkreet?’, vroeg Bart argeloos.

‘Ach kom op Bart; je gaat me toch niet vertellen dat Sabine met haar verzoek om naar een andere groep overgeplaatst te worden geen unicum is?!’

‘Jeewee zal wel gedacht hebben; ‘één keer moet de eerste keer zijn’, merkte Bart droog op.

‘Volgens mij denkt Jeewee niet zoveel. Anders zou hij toch wel willen weten wat hier speelt.’

‘Jeewee weet allang wat er speelt.’

‘O, ja? Als Jeewee dan zo goed weet wat er speelt volgens jou. Waarom zegt hij dan tegen Sabine dat wij contact op moeten nemen met Jade? Wij leven in onmin met Jade weet je nog?!’, stelde Thea demonstratief.

‘Jeewee kan natuurlijk niet weten dat wij niets meer met Jade te maken willen hebben. En Jade is wel de interne coördinatrice.’

‘Natuurlijk weet hij dat wel. Zo groot is De Wielewaal nou ook weer niet’, protesteerde Thea onwennig.

Normaliter was Bart de persoon met de meest vooropgestelde meningen van de twee gesprekspartners.

‘Wat doet dat er nou toe? Misschien heb je wel gelijk, maar laten we ons niet verliezen in bijzaken. Wat kan zo’n meester nou anders doen dan een kind doorverwijzen naar zijn superieur als het naar hem toekomt met de vermelding dat het volgend jaar naar de andere groep 6 wil? Hoe zuiver zijn de motieven van het kind? Misschien projecteert Sabine onze wensen wel op haar verzoek om overgeplaatst te worden. Direct of indirect. Vergeet niet dat Jeewee het prototype van een angsthaas is.’

‘Een angsthaas is niet erg; maar Jeewee is een kwiep. En natuurlijk handelt Sabine onder invloed van ons. Wij zijn haar ouders. Jeewee is toch zo’n goede onderwijzer?  Een goede onderwijzer hoeft niet alle kinderen uit zijn klas van a tot z te doorgronden, maar geen leerling uit zijn groep mag een absolute vreemde voor hem zijn. Hij kent Sabine toch? Hij had escalatie kunnen voorzien. En niet omdat ze niet mee kan komen met de gepolijste kinderen uit de combiklas, maar vanwege de constante druk van de opperouders op hun kinderen en daarmee op de groepsdynamiek die Jeewee daardoor weer niet in bedwang kan houden.’

‘Hoe kan hij nou iets overzien wat hij zelf niet onder controle heeft? Hij heeft nog meer last van de opperouders dan Sabine, dat weet ik dan weer voor jou. Op een schaal van 1 tot 10 is die Jeewee een 5. Geen vlees; geen vis. Neutraal en daar is ook wat voor te zeggen. Dan valt nooit echt iets tegen. Of mee.’

‘Je bent nogal te spreken over mijn aanbidder’, snerpte Thea beledigd.

‘Dat komt omdat we onze voorliefde voor jou delen’, meesmuilde Bart

‘Daar houdt dan ook elke overeenkomst mee op’, griezelde Thea.

Nog dezelfde dag stuurde ze een berichtje naar directrice Willy:

Beste Willy,

Sabine (groep 5) heeft vandaag alweer meer dan een week geleden aan haar meester (Jan-Willem) te kennen gegeven dat ze na de zomervakantie in de andere groep 6 (dus niet de combiklas 6/7) geplaatst wil worden. U kunt alle gewenste informatie die u nodig heeft om tot een weloverwogen besluit te komen bij meester Jan-Willem inwinnen. In afwachting van uw inwilliging verblijven wij, met vriendelijke groeten.’

Reacties