Kinderspel deel 1: Zwartwit.
Kinderspel deel 1: Zwartwit
Kinderspel deel 1: Zwartwit
HOOFDSTUK 1
De twee pubers
van Thea zijn de deur nog niet uit of Melvin staat alweer voor haar neus. Hij
wringt zich achter haar langs door de geopende poort de tuin in en glipt via de
keukendeur naar binnen. Rustig sluit Thea de poort achter zich en volgt Melvin
naar haar keuken waar hij een pak melk van de ontbijttafel aan zijn mond zet.
Een seconde blijft Thea roerloos staan en staart gebiologeerd naar de
adamsappel van Melvin die ritmisch met zijn gulzige slokken mee beweegt. Melvin
laat de laatste druppel uit de kartonnen verpakking op zijn uitgestoken tong
vallen en veegt vervolgens de lippen af met de rug van zijn hand. Aan de
binnenkant van zijn pols doorkruist een verse, ingevette tatoeage zijn slagader
in de vorm van een woord. Thea houdt het hoofd schuin en leest:
‘Enough’.
Melvin
knipoogt naar Thea en strijkt met zijn vrije hand door zijn blonde kuif. Met de
andere hand knijpt hij het melkpak tot een vormeloze hoop karton en gooit het
terug op de ontbijttafel waarna hij zijn rechter duim aan een lusje van zijn
gebleekte en modieus gehavende merkspijkerbroek haakt. Hij draagt een strak wit
T-shirt dat de contouren van een sixpack onthult die ter hoogte van zijn navel
ontspringt. Thea voelt haar neusharen reageren op zwemen after shave. Musk.
Melvin doet haar denken aan die oogverblindende glazenwasser van de coca cola
reclame, maar ook aan een uit de kluiten gewassen, jonge golden retriever.
Melvin is nog zichtbaar buiten proportioneel in de groei, maar niet slecht
geschapen en goed getraind. Desondanks kan Thea hem niet anders zien dan voor
wat hij in haar ogen is. Een ventje van amper zeventien jaar. Hij ziet er
pijnlijk schoon uit; alsof zijn moeder hem vanmorgen flink heeft schoongeboend
met groene zeep in een wastobbe. Schone schijn natuurlijk, dat weet Thea ook
wel. Zestien jaar geleden deed zij de kleine Melvin, haar stiefzoontje, nog
regelmatig in een roze wastobbe. De zoete kleur had Melvin aan zijn 4 jaar
oudere zus te danken; die hem was voorgegaan in het plastic babybadje op
inklapbare pootjes.
‘Als hij nou
maar geen homo wordt’, grapte Pim, haar toenmalige partner en de vader van
Melvin.
Altijd
dezelfde flauwe grap en net zo vaak als Thea het roze badje tevoorschijn haalde
tijdens hun korte relatie en alle dagen van de oneven kalenderweken in het jaar
waarin Pim zijn kinderen bij toerbeurt had. En Thea boende Melvin ook niet
schoon, maar ze gebruikte een zijdezachte washandschoen die gratis bij de
aankoop van drie flessen Zwitsal babyshampoo bij de kassa van het Kruidvat te
verkrijgen was geweest. Voorzichtig kneedde ze met het washandje het
vertederende mollige lijfje van de kleine Melvin met zijn olijke toet en
glimmende, rode, bolle appelwangetjes. Kleine Melvin kon ontwapenend,
grenzeloos genieten van het dagelijkse badderen door luidkeels kraaiend,
kirrend en krachtig, repetitief met zijn kleine knuistjes in het geurige
badwater te slaan. Hoewel de spetters bij Thea om de oren vlogen en ze
regelmatig moest wegduiken om niet drijfnat te worden, lukte het haar toch om
elke keer een rechtopstaand kuifje in de geshamponeerde blonde lokken van
Melvin te draaien. Na verloop van tijd raakte de mop geen enkele lachspier
meer, maar Melvin met zijn shampookuif bleef haar aan Betuwe Flipje van die
vintage jamreclame doen denken. Eigenlijk is Melvin dat vleugje Betuwe Flipje
nog steeds niet helemaal kwijt.
‘Ik ben zo
weg’, belooft Melvin terwijl hij een pakje kipfiletbeleg uit de koelkast pakt.
Geconcentreerd
vindt hij het openingshoekje van de plastic verpakking. Zwijgend en smakkend
werkt hij de inhoud plakje voor plakje naar binnen.
‘Zo te zien en
te ruiken hoef je niet meer te douchen?’
Met volle mond
en verwoed kauwend, schudt Melvin het hoofd. Vaak komt Melvin ’s morgens niet
alleen de koelkast plunderen, maar ook gebruik maken van de badkamer. Thuis mag
hij in het kader van het zuinige energiebeleid van vader Pim en zijn zoveelste
stiefmoeder maar 1 keer in de week een schamele 5 minuten doorbrengen onder het
lauwe sijpelende water in de doucheruimte. De rest van de tijd moet hij maar
energie verspillen op het fitnesscentrum. Figuurlijk natuurlijk en letterlijk
onder de douche van de sportschool of desnoods bij Thea en haar man Bart, want
die kijken kennelijk niet zo nauw.
‘Neem je
voortaan het gebraden gehaktbeleg uit het vuistje, dat is een stuk goedkoper?’
Thea schenkt
nog wat koffie voor zichzelf in.
‘Doe ik!’,
smakt Melvin.
Nogmaals opent
hij de koelkast, inspecteert de proviand en vindt een ongeopend pakje gebraden
gehakt. Hij propt het in de kontzak van zijn prijzige designersjeans en
kweelt;
‘Dag mooie
vrouw’, waarna hij de deur achter zich sluit.
Je kunt niet
voor het eerste kind wel naar een ouderavond gaan en voor het tweede niet. Ook
al is het verloop van de bijeenkomst nagenoeg hetzelfde als vorig jaar. Toen
ging Thea voor haar dochter Sabine.
‘Van mij hoef
je niet te gaan’, beweerde Walter vorige week nog vanachter zijn
gamecomputer.
Hij schoof de
koptelefoon in zijn nek en vervolgde op gebiedende wijs:
‘Maar mijn
mentoren vroegen naar jullie’.
‘Nee toch?’
Thea zag de
bui alweer hangen.
‘Je had toch
een goed rapport; wat is er nu weer?’
‘Er is niks’,
suste Walter.
‘Ze willen je
gewoon even zien, dat is alles’, vulde Bart aan zonder op te kijken van zijn
laptop.
‘Alleen mij?’
, vroeg Thea aanmatigend.
Walter haalde
zijn schouders op, terwijl hij de koptelefoon terug op zijn oren plaatste en
zich weer verdiepte in zijn spel inclusief het bijbehorende gesprek met zijn
skypevrienden. Bij het avondeten zou de inkeping in zijn krullenkapsel, zoals
bijna elke dag, verraden dat hij opnieuw de hele middag had zitten skypen en
nauwelijks aan huiswerk maken toegekomen was. Hij is pas 12.
‘Dat komt
helemaal goed met Walter en met Sabine ook’, beloofde Bart die een
universitaire opleiding genoten heeft, zonder ooit een studiehoofd geweest te
zijn.
Toch scoort
hij bij elke IQ test extreem hoog.
‘Oefening
baart kunst; zulke scores zou jij ook halen als je zoveel IQ tests zou hebben
gemaakt als ik’, lichtte Bart toe.
Thea gelooft
er helemaal niets van. Och, ze moet er wel vanuit gaan dat ze niet één van de
domste is. Anders zou ze haar afgeronde opleiding aan de kunstacademie tekort
doen, maar ze merkt steeds opnieuw hoeveel slimmer Bart eigenlijk is. Ten
eerste was hij pienter genoeg om een baan te bemachtigen bij een rekencentrum
van een academisch ziekenhuis in een functie die hem maandelijks een bedrag
oplevert waarvan het hele gezin kan rondkomen. Ten tweede heeft hij een
indrukwekkende voorraad parate kennis. Dat blijkt des te meer tijdens scrabble,
triviant, een potje schaken of uit de kant en klare antwoorden op de vragen van
televisiekwissen zoals; ‘Twee voor twaalf‘, ‘De Slimste Mens’ en meer van dat
soort diepgang. Weetjes. Thea kan hem er zelfs probleemloos ’s nachts voor
wakker maken.
‘Nutteloze
bagage’, noemt Bart zijn kennis.
Thea kent Bart
lang en goed genoeg om te weten dat hij het meent. Hij is gewoon te intelligent
om arrogant te zijn, maar hij kan moeiteloos en onbeperkt verbindingen tussen
feiten leggen en theorieën snappen in een tijdsbestek waarin een normaal
denkend mens de input pas aan het verwerken is. En op logische manieren die een
creatieveling als Thea met haar associatieve denkpatronen meestal in de verste
verte niet ziet aankomen. Jaloers is Thea nooit geweest. Integendeel; Bart
blijft haar blij verrassen met zijn scherpe geest. Nee, tegenpolen trekken
elkaar aan. Pim was bijvoorbeeld een partner geweest die net zo dromerig en
chaotisch is als Thea en op hem was ze al na een paar jaar uitgekeken. Thea
kent eigenlijk verder niemand uit haar directe omgeving die zo inzichtelijk is
als haar Bart. De vader van haar twee kinderen.
‘Ik weet wel
zeker dat alles goed komt met Sabine en Walter. Sterker nog; alles is allang in
orde met ze. De vraag is alleen of ik moet komen opdagen op de ouderavond enkel
en alleen omdat ik gesommeerd word door de mentoren’, resumeerde Thea hardop,
terwijl ze op haar telefoon de online uitnodiging opzocht om de datum en tijd
te achterhalen.
‘Je wordt niet
gesommeerd; maar volgens mij vriendelijk gevraagd. Maar van mij hoef je niet te
gaan. Ik blijf ook thuis. Waarom zou je?’
Vanwege het
gelijkheidsprincipe dus. Thea wil niet over pak weg een jaar of tien door
Walter verweten worden dat zij er ‘nooit’ voor hem geweest was, maar wel voor
Sabine. En toen Sabine voor Walter vorig jaar het spits afbeet in de brugklas
van de middelbare school stond Thea bovenaan de lijst van deelnemers aan de
eerste ouderavond. Achteraf zonde van de tijd, maar ouders krijgen toch al
overal de schuld van en die tendens moet je niet willen versterken door er
serieus op in te spelen. Dus zorgt Thea dat ze ook op de ouderavond van Walter
aanwezig is. Walter heeft twee mentoren en bij binnenkomst in het druk bevolkte
klaslokaal stevent Thea direct op de jongste van het duo af, omdat zij
toevallig net even niet bezet is door het zoveelste gevalletje van de typisch
bezorgde ouder. Volgens Walter is er niks mis met deze mentor. Thea vindt haar
er mogelijk nog naïever uitzien dan op het eerste gezicht tijdens de
introductie-avond van voor de zomervakantie. Toen het grote middelbare
schoolavontuur voor de eersteklassers en hun ouders nog moest beginnen. De
jeugdige mentor geeft een slap handje dat Thea krachtig drukt onder begeleiding
van de woorden;
‘Nou hier ben
ik dan, de moeder van Walter, zeg het maar.’
Verontrustend
genoeg schijnt het meisje meteen te weten waar Thea op doelt en ze doet een
stapje terug om het podium te bieden aan de tweede mentor. Ook een vrouw waar
niks op aan te merken valt volgens Walter. Thea herkent haar eveneens van de
introductie-avond. Een generatiegenote van Thea, maar dan zonder poespas, die
de hint van haar collega vanuit haar ooghoeken opvangt. Ze reageert alert door
het contact met een concurrerende ouder kordaat knikkend af te breken en zich
bij Thea te voegen. Walter heeft kennelijk prioriteit. Thea klemt haar kaken
alvast op elkaar en zet zich schrap met haar rug tegen het digibord.
‘Ik vind dat
het heel goed gaat met Walter’, begint de mentor.
Ze straalt
ervaring uit. Opgelucht laat Thea de rem op haar lachspieren los en denkt
ondertussen;
‘Waarom zou
het niet goed met Walter gaan?’
Maar ze
herademt en antwoordt;
‘Ja, dat vind
ik ook. Hij heeft een goed rapport toch? Bijna alles op B niveau en de rest op
C.’
Nu is het de
beurt van de mentor om zich te ontspannen en ze gaat onverbloemd verder:
‘Jazeker, maar
Walter zou gezien het advies van de basisschool misschien al volledig op C
moeten scoren, maar er kan nog van alles gebeuren.’
‘Moest ik
daarvoor komen?’, vraagt Thea zich heimelijk af.
Wat een open
deur. Dat ligt natuurlijk weer aan de reputatie van De Wielewaal. De
basisschool in een wijk met voornamelijk hoogopgeleide ouders met hun –
logischerwijs- hoogbegaafde kinderen. Die sturen de uitblinkertjes normaliter
niet naar een scholengemeenschap VMBO (A-niveau), HAVO(B-niveau), VWO
(C-niveau), maar linea recta naar het stedelijk gymnasium.
‘Er komen hier
toch wel meer leerlingen van De Wielewaal?’
Thea houdt
zich bewust van de domme. De twee mentoren wisselen een blik van
verstandhouding, waarna de jongste antwoordt;
‘Jawel hoor,
maar Walter had een hoge citoscore en een VWO advies van zijn basisschool.
Vandaar dat wij ons zorgen maakten. We dachten dat u misschien teleurgesteld
zou zijn.’
‘In jullie of
in Walter?’
‘In ons
natuurlijk’, grapt de oudste mentor.
Thea vindt
haar leuk en vervolgt naar waarheid:
‘Welnee, wij
hebben hem niet voor niets naar een scholengemeenschap in plaats van naar het
stedelijk gymnasium gestuurd!’
‘Ja, want
feitelijk is het gymnasium gewoon VWO en dus C- niveau en dat hebben wij hier
ook’, merkt het jonkie pienter op.
Hier heeft
Thea niks aan toe te voegen, waardoor de oudste mentor zich kennelijk geroepen
voelt om haar mening toe te lichten:
‘Ik heb zelf
ook slimme kinderen en leerlingen kunnen wel intelligent zijn, maar dat
betekent nog steeds niet dat ze ook direct goed door hebben hoe ze efficiënt
moeten leren’.
‘Tijd genoeg
toch? Een scholengemeenschap telt 2 brugjaren; 3 zelfs als je alleen van
HAVO/VWO uitgaat?!, beaamt Thea op verifiërende toon.
Beide mentoren
zijn zichtbaar gerustgesteld. De jongste wendt zich alweer tot de rest van het
gezelschap, terwijl de oudste zich naar haar lessenaar voor de klas begeeft. Ze
knipoogt nog even in de richting van Thea; alsof ze wil zeggen:
‘Fijn voor
Walter’.
Thea vindt een
willekeurige stoel in de klas en neemt plaats achter een schoolbank ergens in
het lokaal. De verontwaardiging over de manier waarop de mentoren haar
aanvankelijk hebben ingeschat ebt langzaam maar zeker weg. Je hoeft maar om je
heen te kijken en de streberige houding van sommige ouders op je in te laten
werken om te snappen op welke irreële verwachtingen deze mentoren hun
reactiepatroon hebben gebaseerd. Nog maar te zwijgen over de wereldvreemde
voorlichting van de meesters en juffen van de basisschool over het leven na
groep 8. Zoveel is er in de praktijk helemaal niet veranderd in de ogen van
Thea die de middelbare school al weer meer dan dertig jaar geleden verlaten
heeft. De technologische ontwikkelingen en dan met name het belang van de
iPhone en de geautomatiseerde schooladministratie (Magister) daargelaten
natuurlijk. De ervaren mentor neemt het woord:
‘Vergeet de
iPhone niet, vergeet Magister niet, maar gebruik ook een ouderwetse agenda. Dat
is mijn devies’, begint ze staccatoachtig om haar overtuiging kracht bij te
zetten. Ze is overduidelijk een kind van Thea’s tijd.
‘Ik kan het
niet vaak genoeg herhalen.’
‘Waarom?’
vraagt Thea namens Walter.
‘Dat is
dubbelop.’
‘Als een
back-up’, licht de jongere mentor toe.
’Want wat als
Magister uitvalt, of je bent je iPhone kwijt?’
‘En toch kun
je het niet hard maken. Die kinderen weten niet eens hoe ze een ouderwetse
agenda moeten gebruiken laat staan dat ze het doen.’
Thea krijgt
onverwacht bijval van een vader achterin de klas:
‘No way’.
Vermoedelijk
heeft de rest van de aanwezige ouders het punt van discussie niet helemaal
meegekregen. Bij wijze van nadere toelichting begint de oudste mentor over de
overgangsfase waarin kinderen zich zouden bevinden. Het onontgonnen gebied
tussen schrijven met de hand en de tekstverwerker. Ze heeft groot gelijk, maar
geen enkele twaalfjarige met een iPhone hoeft te wennen aan Magister. Huiswerk
noteren met de hand en afspraken opschrijven in een agenda; dat is pas
aanpassen en zal zeker niet zonder het nodige kunst- en vliegwerk in leven
blijven. Misschien zou er extra aandacht aan besteed kunnen worden tijdens
kunstvakken? Schoonschrijven; werk in uitvoering. Zoiets. Nou heeft Thea in de
afgelopen basisschooljaren van haar kinderen echt wel geleerd om zich gedeisd
te houden. Een afwijkende mening, of überhaupt een originele visie, wordt noch
op prijs gesteld noch begrepen. Uit zelfbehoud en in het belang van de
kinderen, kan een eigentijdse ouder zich maar het beste aan een arsenaal van
ongeschreven stelregels houden. Bovenal dien je het eigenbelang te allen tijde
in ere te houden. Eerst komen de mama en papa, dan een hele tijd niets en
daarna komt het belang van de ouder in de verpersoonlijking van het kind. Het
eigen kind wel te verstaan. Dit schuif je via allerlei zijwegen en met de meest
schunnige caperiolen naar voren. Nooit direct en altijd onder het mom van de
toegewijde verzorger. Een verzorger die overigens over het algemeen niet al te
snugger is en die op ouderavonden eindeloos kan doorzagen over futiliteiten
zoals; de tijdsduur van de lunchpauze, de overschrijding van de leeftijdsgrens
van gezamenlijke films in de klas, een verbod op het verlaten van het
schoolplein tijdens tussenuren, de hoogte van de boete op het te laat
retourneren van bibliotheekboeken, de afwezigheid van zeep in de pompjes bij de
schooltoiletten enzovoort en ga zo maar door. Door je kop in het zand te steken
zijn deze ouderbeproevingen nog te beste te overleven. De klassikale opmerking
van Thea over de onzin van het gebruik van een agenda naast Magister vormt dan
ook een hoge uitzondering op deze regel. Een uitschieter, want Thea weet
normaliter wel beter dan zich openlijk betrokken te tonen bij de
belevingswereld van haar kinderen.
Een week of
vier geleden zag ze de ex-juf van Walter uit groep 8 van de basisschool nog
winkelen bij de Lidl. In eerste instantie was Thea niet zeker, maar bij de
kassa, tijdens het laden van de band, voelde ze een paar ogen prikken. De
signalen kwamen van de klant die voor Thea stond af te rekenen bij de kassa.
Maar telkens als Thea op keek om dan maar in vredesnaam oogcontact te zoeken;
bleek de ex-juf gepreoccupeerd met de muntjes op haar uitgestoken, vlakke hand.
De caissière had graag gepast geld gezien. De ex-juf treuzelde net zolang met
het wisselgeld totdat Thea al haar boodschappen op de band had staan. Nadat de
ex-juf eindelijk betaald had, moest Thea wel regelrecht op haar af lopen om de
spullen na het scannen weer in haar winkelkarretje te plaatsen. Lidl heeft geen
inpakruimte aan het einde van de band. Bij eventuele kritiek rot je maar op
naar de concurrentie. Quasi verrast keek de ex-juf op naar Thea om – zogenaamd
– in een reflex na te gaan wie haar plaats innam. Ze had allang weg kunnen zijn.
‘Hay’, piepte
de ex-juf.
Thea reageerde
vertraagd, omdat ze een acute woede voelde opborrelen waar ze niet op
voorbereid was. Haar toon was afgemeten:
‘Dag Marijke’.
‘Hoe is het
met Walter?’
‘Goed; hij
haalt alleen maar tienen’.
Thea had geen
idee waarom ze dat zei. Ze reorganiseerde de eieren, tomaten en de zachte
broodjes in haar karretje om verdrukking door de naderende pakken melk en
yoghurt te voorkomen.
‘Nou dat lijkt
me sterk’, schamperde de ex-juf.
Ze schrok er
merkbaar zelf van.
‘Toch is het
zo’, snibde Thea. Ondertussen bleef ze stug doorgaan met boodschappen in haar
karretje laden. Verbeten dacht ze:
‘Net of jij
niet allang weet dat Walter natuurlijk niet alleen maar tienen haalt’.
Later bedacht
Thea dat ex-juf Marijke na de confrontatie bij de Lidl misschien wel uit
beroepsdeformatie naar de mentoren op de huidige middelbare school van Walter
had gebeld:
‘Paniek,
paniek; de moeder van Walter denkt dat hij alleen maar tienen haalt. Kan iemand
dat mens even wakker schudden?’
Daarom was ze
misschien wel op persoonlijke titel uitgenodigd op de ouderavond van de
middelbare school van haar twaalfjarige zoon.
‘Lieve
mevrouwtje Thea de pushmoeder; uw zoon zit nog niet helemaal op C-niveau.
Hopelijk bent u niet teleurgesteld!’
‘En
Sabientje’, vroeg ex-juf Marijke.
‘Wat is er met
Sabine?’
‘Gaat het ook
goed met Sabine? Sabine zit nou in de…?’
Typisch
onderwijzeressengedrag in de trant van vraag en antwoord spelletjes. Jij maakt
de zin af. Nu haar kinderen de basisschooljaren definitief achter zich hadden
gelaten voelde Thea zich niet langer meer geroepen om het spelletje mee te
spelen. In plaats van de open plekken in de vraag voor ex-juf Marijke in te
vullen stelde Thea dan ook droog:
‘Sabine heeft
nooit bij jou in groep 8 gezeten.’
‘Nee bij
Jan-Willem toch? Want Walter is de jongste? Walter en Sabine schelen een jaar?’
Weer van die
schoolvragen naar de bekende weg. De caissière zei ook wat. Thea kon haar niet
verstaan en trok vragend de wenkbrauwen op. Geagiteerd wees het kassameisje
naar het eindbedrag op de display en herhaalde:
’72 euro 10’.
‘Met Sabine
gaat het ook goed. Ze zit nou in de tweede.’
Thea vond haar
pinpas.
Ex-juf Marijke
talmde met haar karretje door het van zich af te duwen en weer naar zich toe te
trekken. Ze was zich van geen kwaad bewust en vroeg:
‘In de tweede
van…?’
Thea knipoogde
naar de caissière, typte haar pincode in en antwoordde;
‘…de
middelbare school.’
‘En dat was
ook alweer?’
Ex-juf Marijke
wist van geen ophouden, maar Thea was ook niet voor één gat te vangen:
‘Dezelfde
middelbare school als van Walter.’
Ex- juf
Marijke begon haar geduld te verliezen.
‘Ik had vorig
jaar 30 kinderen in de klas en die zijn naar wel 6 verschillende middelbare
scholen gegaan.’
Niet
begrijpend richtte ze zich inmiddels maar tot de caissière, omdat Thea nog
steeds druk doende was met haar boodschappen.
De caissière
klikte met haar tong;
‘Veel te grote
groepen toch tegenwoordig’, zei ze hoofdschuddend.
‘Sabine haalt
ook alleen maar tienen.’
Thea kon het
niet nalaten.
Blij te horen
dat het zo goed gaat’.
Ex-juf Marijke
gaf het op. Weliswaar op ongelovige, licht spottende toon.
Thea vroeg een
bonnetje aan de caissière en overstemde de ex-juf Marijke. Voor haar gelukkig
aanleiding om het pand te verlaten. Maar bij buitenkomst zag Thea haar met haar
tassen staan dralen bij de fietsenstalling. De rust in haar hoofd, die Thea
inmiddels hervonden dacht te hebben nu haar twee spruiten eindelijk van de
basisschool verlost waren, was kennelijk niet van de ene op de andere dag een
blijvertje. Na een omweg naar de parkeergarage moest ze in haar auto even
bijkomen van de ontmoeting met de ex-juf van Walter, door een paar keer diep in
en uit te ademen. Ze onderdrukte een vertrouwd verlangen naar een sigaret, dat
normaliter sinds ze gestopt was met roken alleen in stresssituaties de kop
opstak, en masseerde haar slapen. De palmen van haar handen werden nat van het
traanvocht. Symptomen van onverwerkte emoties uit het verleden.
De twee pubers
van Thea zijn de deur nog niet uit of Melvin staat alweer voor haar neus. Hij
wringt zich achter haar langs door de geopende poort de tuin in en glipt via de
keukendeur naar binnen. Rustig sluit Thea de poort achter zich en volgt Melvin
naar haar keuken waar hij een pak melk van de ontbijttafel aan zijn mond zet.
Een seconde blijft Thea roerloos staan en staart gebiologeerd naar de
adamsappel van Melvin die ritmisch met zijn gulzige slokken mee beweegt. Melvin
laat de laatste druppel uit de kartonnen verpakking op zijn uitgestoken tong
vallen en veegt vervolgens de lippen af met de rug van zijn hand. Aan de
binnenkant van zijn pols doorkruist een verse, ingevette tatoeage zijn slagader
in de vorm van een woord. Thea houdt het hoofd schuin en leest:
‘Enough’.
Melvin
knipoogt naar Thea en strijkt met zijn vrije hand door zijn blonde kuif. Met de
andere hand knijpt hij het melkpak tot een vormeloze hoop karton en gooit het
terug op de ontbijttafel waarna hij zijn rechter duim aan een lusje van zijn
gebleekte en modieus gehavende merkspijkerbroek haakt. Hij draagt een strak wit
T-shirt dat de contouren van een sixpack onthult die ter hoogte van zijn navel
ontspringt. Thea voelt haar neusharen reageren op zwemen after shave. Musk.
Melvin doet haar denken aan die oogverblindende glazenwasser van de coca cola
reclame, maar ook aan een uit de kluiten gewassen, jonge golden retriever.
Melvin is nog zichtbaar buiten proportioneel in de groei, maar niet slecht
geschapen en goed getraind. Desondanks kan Thea hem niet anders zien dan voor
wat hij in haar ogen is. Een ventje van amper zeventien jaar. Hij ziet er
pijnlijk schoon uit; alsof zijn moeder hem vanmorgen flink heeft schoongeboend
met groene zeep in een wastobbe. Schone schijn natuurlijk, dat weet Thea ook
wel. Zestien jaar geleden deed zij de kleine Melvin, haar stiefzoontje, nog
regelmatig in een roze wastobbe. De zoete kleur had Melvin aan zijn 4 jaar
oudere zus te danken; die hem was voorgegaan in het plastic babybadje op
inklapbare pootjes.
‘Als hij nou
maar geen homo wordt’, grapte Pim, haar toenmalige partner en de vader van
Melvin.
Altijd
dezelfde flauwe grap en net zo vaak als Thea het roze badje tevoorschijn haalde
tijdens hun korte relatie en alle dagen van de oneven kalenderweken in het jaar
waarin Pim zijn kinderen bij toerbeurt had. En Thea boende Melvin ook niet
schoon, maar ze gebruikte een zijdezachte washandschoen die gratis bij de
aankoop van drie flessen Zwitsal babyshampoo bij de kassa van het Kruidvat te
verkrijgen was geweest. Voorzichtig kneedde ze met het washandje het
vertederende mollige lijfje van de kleine Melvin met zijn olijke toet en
glimmende, rode, bolle appelwangetjes. Kleine Melvin kon ontwapenend,
grenzeloos genieten van het dagelijkse badderen door luidkeels kraaiend,
kirrend en krachtig, repetitief met zijn kleine knuistjes in het geurige
badwater te slaan. Hoewel de spetters bij Thea om de oren vlogen en ze
regelmatig moest wegduiken om niet drijfnat te worden, lukte het haar toch om
elke keer een rechtopstaand kuifje in de geshamponeerde blonde lokken van
Melvin te draaien. Na verloop van tijd raakte de mop geen enkele lachspier
meer, maar Melvin met zijn shampookuif bleef haar aan Betuwe Flipje van die
vintage jamreclame doen denken. Eigenlijk is Melvin dat vleugje Betuwe Flipje
nog steeds niet helemaal kwijt.
‘Ik ben zo
weg’, belooft Melvin terwijl hij een pakje kipfiletbeleg uit de koelkast pakt.
Geconcentreerd
vindt hij het openingshoekje van de plastic verpakking. Zwijgend en smakkend
werkt hij de inhoud plakje voor plakje naar binnen.
‘Zo te zien en
te ruiken hoef je niet meer te douchen?’
Met volle mond
en verwoed kauwend, schudt Melvin het hoofd. Vaak komt Melvin ’s morgens niet
alleen de koelkast plunderen, maar ook gebruik maken van de badkamer. Thuis mag
hij in het kader van het zuinige energiebeleid van vader Pim en zijn zoveelste
stiefmoeder maar 1 keer in de week een schamele 5 minuten doorbrengen onder het
lauwe sijpelende water in de doucheruimte. De rest van de tijd moet hij maar
energie verspillen op het fitnesscentrum. Figuurlijk natuurlijk en letterlijk
onder de douche van de sportschool of desnoods bij Thea en haar man Bart, want
die kijken kennelijk niet zo nauw.
‘Neem je
voortaan het gebraden gehaktbeleg uit het vuistje, dat is een stuk goedkoper?’
Thea schenkt
nog wat koffie voor zichzelf in.
‘Doe ik!’,
smakt Melvin.
Nogmaals opent
hij de koelkast, inspecteert de proviand en vindt een ongeopend pakje gebraden
gehakt. Hij propt het in de kontzak van zijn prijzige designersjeans en
kweelt;
‘Dag mooie
vrouw’, waarna hij de deur achter zich sluit.
Je kunt niet
voor het eerste kind wel naar een ouderavond gaan en voor het tweede niet. Ook
al is het verloop van de bijeenkomst nagenoeg hetzelfde als vorig jaar. Toen
ging Thea voor haar dochter Sabine.
‘Van mij hoef
je niet te gaan’, beweerde Walter vorige week nog vanachter zijn
gamecomputer.
Hij schoof de
koptelefoon in zijn nek en vervolgde op gebiedende wijs:
‘Maar mijn
mentoren vroegen naar jullie’.
‘Nee toch?’
Thea zag de
bui alweer hangen.
‘Je had toch
een goed rapport; wat is er nu weer?’
‘Er is niks’,
suste Walter.
‘Ze willen je
gewoon even zien, dat is alles’, vulde Bart aan zonder op te kijken van zijn
laptop.
‘Alleen mij?’
, vroeg Thea aanmatigend.
Walter haalde
zijn schouders op, terwijl hij de koptelefoon terug op zijn oren plaatste en
zich weer verdiepte in zijn spel inclusief het bijbehorende gesprek met zijn
skypevrienden. Bij het avondeten zou de inkeping in zijn krullenkapsel, zoals
bijna elke dag, verraden dat hij opnieuw de hele middag had zitten skypen en
nauwelijks aan huiswerk maken toegekomen was. Hij is pas 12.
‘Dat komt
helemaal goed met Walter en met Sabine ook’, beloofde Bart die een
universitaire opleiding genoten heeft, zonder ooit een studiehoofd geweest te
zijn.
Toch scoort
hij bij elke IQ test extreem hoog.
‘Oefening
baart kunst; zulke scores zou jij ook halen als je zoveel IQ tests zou hebben
gemaakt als ik’, lichtte Bart toe.
Thea gelooft
er helemaal niets van. Och, ze moet er wel vanuit gaan dat ze niet één van de
domste is. Anders zou ze haar afgeronde opleiding aan de kunstacademie tekort
doen, maar ze merkt steeds opnieuw hoeveel slimmer Bart eigenlijk is. Ten
eerste was hij pienter genoeg om een baan te bemachtigen bij een rekencentrum
van een academisch ziekenhuis in een functie die hem maandelijks een bedrag
oplevert waarvan het hele gezin kan rondkomen. Ten tweede heeft hij een
indrukwekkende voorraad parate kennis. Dat blijkt des te meer tijdens scrabble,
triviant, een potje schaken of uit de kant en klare antwoorden op de vragen van
televisiekwissen zoals; ‘Twee voor twaalf‘, ‘De Slimste Mens’ en meer van dat
soort diepgang. Weetjes. Thea kan hem er zelfs probleemloos ’s nachts voor
wakker maken.
‘Nutteloze
bagage’, noemt Bart zijn kennis.
Thea kent Bart
lang en goed genoeg om te weten dat hij het meent. Hij is gewoon te intelligent
om arrogant te zijn, maar hij kan moeiteloos en onbeperkt verbindingen tussen
feiten leggen en theorieën snappen in een tijdsbestek waarin een normaal
denkend mens de input pas aan het verwerken is. En op logische manieren die een
creatieveling als Thea met haar associatieve denkpatronen meestal in de verste
verte niet ziet aankomen. Jaloers is Thea nooit geweest. Integendeel; Bart
blijft haar blij verrassen met zijn scherpe geest. Nee, tegenpolen trekken
elkaar aan. Pim was bijvoorbeeld een partner geweest die net zo dromerig en
chaotisch is als Thea en op hem was ze al na een paar jaar uitgekeken. Thea
kent eigenlijk verder niemand uit haar directe omgeving die zo inzichtelijk is
als haar Bart. De vader van haar twee kinderen.
‘Ik weet wel
zeker dat alles goed komt met Sabine en Walter. Sterker nog; alles is allang in
orde met ze. De vraag is alleen of ik moet komen opdagen op de ouderavond enkel
en alleen omdat ik gesommeerd word door de mentoren’, resumeerde Thea hardop,
terwijl ze op haar telefoon de online uitnodiging opzocht om de datum en tijd
te achterhalen.
‘Je wordt niet
gesommeerd; maar volgens mij vriendelijk gevraagd. Maar van mij hoef je niet te
gaan. Ik blijf ook thuis. Waarom zou je?’
Vanwege het
gelijkheidsprincipe dus. Thea wil niet over pak weg een jaar of tien door
Walter verweten worden dat zij er ‘nooit’ voor hem geweest was, maar wel voor
Sabine. En toen Sabine voor Walter vorig jaar het spits afbeet in de brugklas
van de middelbare school stond Thea bovenaan de lijst van deelnemers aan de
eerste ouderavond. Achteraf zonde van de tijd, maar ouders krijgen toch al
overal de schuld van en die tendens moet je niet willen versterken door er
serieus op in te spelen. Dus zorgt Thea dat ze ook op de ouderavond van Walter
aanwezig is. Walter heeft twee mentoren en bij binnenkomst in het druk bevolkte
klaslokaal stevent Thea direct op de jongste van het duo af, omdat zij
toevallig net even niet bezet is door het zoveelste gevalletje van de typisch
bezorgde ouder. Volgens Walter is er niks mis met deze mentor. Thea vindt haar
er mogelijk nog naïever uitzien dan op het eerste gezicht tijdens de
introductie-avond van voor de zomervakantie. Toen het grote middelbare
schoolavontuur voor de eersteklassers en hun ouders nog moest beginnen. De
jeugdige mentor geeft een slap handje dat Thea krachtig drukt onder begeleiding
van de woorden;
‘Nou hier ben
ik dan, de moeder van Walter, zeg het maar.’
Verontrustend
genoeg schijnt het meisje meteen te weten waar Thea op doelt en ze doet een
stapje terug om het podium te bieden aan de tweede mentor. Ook een vrouw waar
niks op aan te merken valt volgens Walter. Thea herkent haar eveneens van de
introductie-avond. Een generatiegenote van Thea, maar dan zonder poespas, die
de hint van haar collega vanuit haar ooghoeken opvangt. Ze reageert alert door
het contact met een concurrerende ouder kordaat knikkend af te breken en zich
bij Thea te voegen. Walter heeft kennelijk prioriteit. Thea klemt haar kaken
alvast op elkaar en zet zich schrap met haar rug tegen het digibord.
‘Ik vind dat het heel goed gaat met Walter’, begint de mentor.
Ze straalt
ervaring uit. Opgelucht laat Thea de rem op haar lachspieren los en denkt
ondertussen;
‘Waarom zou
het niet goed met Walter gaan?’
Maar ze
herademt en antwoordt;
‘Ja, dat vind
ik ook. Hij heeft een goed rapport toch? Bijna alles op B niveau en de rest op
C.’
Nu is het de
beurt van de mentor om zich te ontspannen en ze gaat onverbloemd verder:
‘Jazeker, maar
Walter zou gezien het advies van de basisschool misschien al volledig op C
moeten scoren, maar er kan nog van alles gebeuren.’
‘Moest ik
daarvoor komen?’, vraagt Thea zich heimelijk af.
Wat een open
deur. Dat ligt natuurlijk weer aan de reputatie van De Wielewaal. De
basisschool in een wijk met voornamelijk hoogopgeleide ouders met hun –
logischerwijs- hoogbegaafde kinderen. Die sturen de uitblinkertjes normaliter
niet naar een scholengemeenschap VMBO (A-niveau), HAVO(B-niveau), VWO
(C-niveau), maar linea recta naar het stedelijk gymnasium.
‘Er komen hier
toch wel meer leerlingen van De Wielewaal?’
Thea houdt
zich bewust van de domme. De twee mentoren wisselen een blik van
verstandhouding, waarna de jongste antwoordt;
‘Jawel hoor,
maar Walter had een hoge citoscore en een VWO advies van zijn basisschool.
Vandaar dat wij ons zorgen maakten. We dachten dat u misschien teleurgesteld
zou zijn.’
‘In jullie of
in Walter?’
‘In ons
natuurlijk’, grapt de oudste mentor.
Thea vindt
haar leuk en vervolgt naar waarheid:
‘Welnee, wij
hebben hem niet voor niets naar een scholengemeenschap in plaats van naar het
stedelijk gymnasium gestuurd!’
‘Ja, want
feitelijk is het gymnasium gewoon VWO en dus C- niveau en dat hebben wij hier
ook’, merkt het jonkie pienter op.
Hier heeft
Thea niks aan toe te voegen, waardoor de oudste mentor zich kennelijk geroepen
voelt om haar mening toe te lichten:
‘Ik heb zelf
ook slimme kinderen en leerlingen kunnen wel intelligent zijn, maar dat
betekent nog steeds niet dat ze ook direct goed door hebben hoe ze efficiënt
moeten leren’.
‘Tijd genoeg
toch? Een scholengemeenschap telt 2 brugjaren; 3 zelfs als je alleen van
HAVO/VWO uitgaat?!, beaamt Thea op verifiërende toon.
Beide mentoren
zijn zichtbaar gerustgesteld. De jongste wendt zich alweer tot de rest van het
gezelschap, terwijl de oudste zich naar haar lessenaar voor de klas begeeft. Ze
knipoogt nog even in de richting van Thea; alsof ze wil zeggen:
‘Fijn voor Walter’.
Thea vindt een
willekeurige stoel in de klas en neemt plaats achter een schoolbank ergens in
het lokaal. De verontwaardiging over de manier waarop de mentoren haar
aanvankelijk hebben ingeschat ebt langzaam maar zeker weg. Je hoeft maar om je
heen te kijken en de streberige houding van sommige ouders op je in te laten
werken om te snappen op welke irreële verwachtingen deze mentoren hun
reactiepatroon hebben gebaseerd. Nog maar te zwijgen over de wereldvreemde
voorlichting van de meesters en juffen van de basisschool over het leven na
groep 8. Zoveel is er in de praktijk helemaal niet veranderd in de ogen van
Thea die de middelbare school al weer meer dan dertig jaar geleden verlaten
heeft. De technologische ontwikkelingen en dan met name het belang van de
iPhone en de geautomatiseerde schooladministratie (Magister) daargelaten
natuurlijk. De ervaren mentor neemt het woord:
‘Vergeet de
iPhone niet, vergeet Magister niet, maar gebruik ook een ouderwetse agenda. Dat
is mijn devies’, begint ze staccatoachtig om haar overtuiging kracht bij te
zetten. Ze is overduidelijk een kind van Thea’s tijd.
‘Ik kan het
niet vaak genoeg herhalen.’
‘Waarom?’
vraagt Thea namens Walter.
‘Dat is
dubbelop.’
‘Als een
back-up’, licht de jongere mentor toe.
’Want wat als
Magister uitvalt, of je bent je iPhone kwijt?’
‘En toch kun
je het niet hard maken. Die kinderen weten niet eens hoe ze een ouderwetse
agenda moeten gebruiken laat staan dat ze het doen.’
Thea krijgt
onverwacht bijval van een vader achterin de klas:
‘No way’.
Vermoedelijk
heeft de rest van de aanwezige ouders het punt van discussie niet helemaal
meegekregen. Bij wijze van nadere toelichting begint de oudste mentor over de
overgangsfase waarin kinderen zich zouden bevinden. Het onontgonnen gebied
tussen schrijven met de hand en de tekstverwerker. Ze heeft groot gelijk, maar
geen enkele twaalfjarige met een iPhone hoeft te wennen aan Magister. Huiswerk
noteren met de hand en afspraken opschrijven in een agenda; dat is pas
aanpassen en zal zeker niet zonder het nodige kunst- en vliegwerk in leven
blijven. Misschien zou er extra aandacht aan besteed kunnen worden tijdens
kunstvakken? Schoonschrijven; werk in uitvoering. Zoiets. Nou heeft Thea in de
afgelopen basisschooljaren van haar kinderen echt wel geleerd om zich gedeisd
te houden. Een afwijkende mening, of überhaupt een originele visie, wordt noch
op prijs gesteld noch begrepen. Uit zelfbehoud en in het belang van de
kinderen, kan een eigentijdse ouder zich maar het beste aan een arsenaal van
ongeschreven stelregels houden. Bovenal dien je het eigenbelang te allen tijde
in ere te houden. Eerst komen de mama en papa, dan een hele tijd niets en
daarna komt het belang van de ouder in de verpersoonlijking van het kind. Het
eigen kind wel te verstaan. Dit schuif je via allerlei zijwegen en met de meest
schunnige caperiolen naar voren. Nooit direct en altijd onder het mom van de
toegewijde verzorger. Een verzorger die overigens over het algemeen niet al te
snugger is en die op ouderavonden eindeloos kan doorzagen over futiliteiten
zoals; de tijdsduur van de lunchpauze, de overschrijding van de leeftijdsgrens
van gezamenlijke films in de klas, een verbod op het verlaten van het
schoolplein tijdens tussenuren, de hoogte van de boete op het te laat
retourneren van bibliotheekboeken, de afwezigheid van zeep in de pompjes bij de
schooltoiletten enzovoort en ga zo maar door. Door je kop in het zand te steken
zijn deze ouderbeproevingen nog te beste te overleven. De klassikale opmerking
van Thea over de onzin van het gebruik van een agenda naast Magister vormt dan
ook een hoge uitzondering op deze regel. Een uitschieter, want Thea weet
normaliter wel beter dan zich openlijk betrokken te tonen bij de
belevingswereld van haar kinderen.
Een week of
vier geleden zag ze de ex-juf van Walter uit groep 8 van de basisschool nog
winkelen bij de Lidl. In eerste instantie was Thea niet zeker, maar bij de
kassa, tijdens het laden van de band, voelde ze een paar ogen prikken. De
signalen kwamen van de klant die voor Thea stond af te rekenen bij de kassa.
Maar telkens als Thea op keek om dan maar in vredesnaam oogcontact te zoeken;
bleek de ex-juf gepreoccupeerd met de muntjes op haar uitgestoken, vlakke hand.
De caissière had graag gepast geld gezien. De ex-juf treuzelde net zolang met
het wisselgeld totdat Thea al haar boodschappen op de band had staan. Nadat de
ex-juf eindelijk betaald had, moest Thea wel regelrecht op haar af lopen om de
spullen na het scannen weer in haar winkelkarretje te plaatsen. Lidl heeft geen
inpakruimte aan het einde van de band. Bij eventuele kritiek rot je maar op
naar de concurrentie. Quasi verrast keek de ex-juf op naar Thea om – zogenaamd
– in een reflex na te gaan wie haar plaats innam. Ze had allang weg kunnen zijn.
‘Hay’, piepte
de ex-juf.
Thea reageerde
vertraagd, omdat ze een acute woede voelde opborrelen waar ze niet op
voorbereid was. Haar toon was afgemeten:
‘Dag Marijke’.
‘Hoe is het
met Walter?’
‘Goed; hij
haalt alleen maar tienen’.
Thea had geen
idee waarom ze dat zei. Ze reorganiseerde de eieren, tomaten en de zachte
broodjes in haar karretje om verdrukking door de naderende pakken melk en
yoghurt te voorkomen.
‘Nou dat lijkt
me sterk’, schamperde de ex-juf.
Ze schrok er
merkbaar zelf van.
‘Toch is het
zo’, snibde Thea. Ondertussen bleef ze stug doorgaan met boodschappen in haar
karretje laden. Verbeten dacht ze:
‘Net of jij
niet allang weet dat Walter natuurlijk niet alleen maar tienen haalt’.
Later bedacht
Thea dat ex-juf Marijke na de confrontatie bij de Lidl misschien wel uit
beroepsdeformatie naar de mentoren op de huidige middelbare school van Walter
had gebeld:
‘Paniek,
paniek; de moeder van Walter denkt dat hij alleen maar tienen haalt. Kan iemand
dat mens even wakker schudden?’
Daarom was ze
misschien wel op persoonlijke titel uitgenodigd op de ouderavond van de
middelbare school van haar twaalfjarige zoon.
‘Lieve
mevrouwtje Thea de pushmoeder; uw zoon zit nog niet helemaal op C-niveau.
Hopelijk bent u niet teleurgesteld!’
‘En
Sabientje’, vroeg ex-juf Marijke.
‘Wat is er met
Sabine?’
‘Gaat het ook
goed met Sabine? Sabine zit nou in de…?’
Typisch
onderwijzeressengedrag in de trant van vraag en antwoord spelletjes. Jij maakt
de zin af. Nu haar kinderen de basisschooljaren definitief achter zich hadden
gelaten voelde Thea zich niet langer meer geroepen om het spelletje mee te
spelen. In plaats van de open plekken in de vraag voor ex-juf Marijke in te
vullen stelde Thea dan ook droog:
‘Sabine heeft
nooit bij jou in groep 8 gezeten.’
‘Nee bij
Jan-Willem toch? Want Walter is de jongste? Walter en Sabine schelen een jaar?’
Weer van die
schoolvragen naar de bekende weg. De caissière zei ook wat. Thea kon haar niet
verstaan en trok vragend de wenkbrauwen op. Geagiteerd wees het kassameisje
naar het eindbedrag op de display en herhaalde:
’72 euro 10’.
‘Met Sabine
gaat het ook goed. Ze zit nou in de tweede.’
Thea vond haar
pinpas.
Ex-juf Marijke
talmde met haar karretje door het van zich af te duwen en weer naar zich toe te
trekken. Ze was zich van geen kwaad bewust en vroeg:
‘In de tweede
van…?’
Thea knipoogde
naar de caissière, typte haar pincode in en antwoordde;
‘…de
middelbare school.’
‘En dat was
ook alweer?’
Ex-juf Marijke
wist van geen ophouden, maar Thea was ook niet voor één gat te vangen:
‘Dezelfde
middelbare school als van Walter.’
Ex- juf
Marijke begon haar geduld te verliezen.
‘Ik had vorig
jaar 30 kinderen in de klas en die zijn naar wel 6 verschillende middelbare
scholen gegaan.’
Niet
begrijpend richtte ze zich inmiddels maar tot de caissière, omdat Thea nog
steeds druk doende was met haar boodschappen.
De caissière
klikte met haar tong;
‘Veel te grote
groepen toch tegenwoordig’, zei ze hoofdschuddend.
‘Sabine haalt
ook alleen maar tienen.’
Thea kon het
niet nalaten.
Blij te horen
dat het zo goed gaat’.
Ex-juf Marijke
gaf het op. Weliswaar op ongelovige, licht spottende toon.
Thea vroeg een
bonnetje aan de caissière en overstemde de ex-juf Marijke. Voor haar gelukkig
aanleiding om het pand te verlaten. Maar bij buitenkomst zag Thea haar met haar
tassen staan dralen bij de fietsenstalling. De rust in haar hoofd, die Thea
inmiddels hervonden dacht te hebben nu haar twee spruiten eindelijk van de
basisschool verlost waren, was kennelijk niet van de ene op de andere dag een
blijvertje. Na een omweg naar de parkeergarage moest ze in haar auto even
bijkomen van de ontmoeting met de ex-juf van Walter, door een paar keer diep in
en uit te ademen. Ze onderdrukte een vertrouwd verlangen naar een sigaret, dat
normaliter sinds ze gestopt was met roken alleen in stresssituaties de kop
opstak, en masseerde haar slapen. De palmen van haar handen werden nat van het
traanvocht. Symptomen van onverwerkte emoties uit het verleden.
HOOFDSTUK 2
Thea moest de
inhoud van de brief 2 keer lezen voordat ze begreep wat er stond. Ze ging erbij
zitten.
‘Walter is
aangenomen op De Wielewaal!’ riep ze vol verbazing uit naar Bart die een
doehetzelf meubel in elkaar zette.
‘Help eens
even’, commandeerde Bart.
Hij lag op
zijn rug onder een lattenbodem op pootjes van een IKEA meegroeibed en monteerde
boven zijn hoofd. Omdat Thea niet in actie kwam riep hij;
‘Hallo
contact; je zoon moet vanavond ergens slapen. We hebben zijn ledikantje net
naar de ‘Het Goed’ gebracht’.
Afwezig vond
Thea naast zich op de grond een A-viertje met kleine lettertjes in zes
verschillende talen.
‘Heb je de
montagehandleiding weer niet gelezen. Mannen!’
Met haar vrije
hand reikte ze Bart de handleiding aan en mijmerde:
‘Misschien
moeten we Walter dan toch maar naar De Wielewaal laten gaan, maar dan gaat
Sabine ook van Het Kleurenpalet af.’
‘Ik zeg
doen!’, wist Bart praktisch, terwijl hij ruggelings onder de lattenbodem op
pootjes uitschoof om de handleiding goed te kunnen bekijken.
Eenmaal weer
met twee voeten op de grond trok hij zijn hoofd in zijn nek en masseerde een
schouder. Hij bestudeerde het resultaat:
‘Is het wat?’
‘Het lijkt op
een bed’, antwoordde Thea melig.
Voor de
zekerheid keek ze ook even op de achterzijde van de brief en vervolgde:
‘Ik denk
trouwens dat het een fout is.’
Bart was
oprecht verbaasd:
‘Waarom nou
weer? Je hebt dit meegroeibed nota bene zelf uitgezocht, omdat het
zo praktisch zou zijn?’
‘Ik heb het
over de aannamebrief van Walter’.
‘Oh, ja
natuurlijk is dat een fout, je hebt Sabine vorig jaar toch aangemeld? Broers en
zussen worden automatisch ook aangenomen.’
‘Ja, dat weet
ik wel, maar toen we vorig jaar voor Het Kleurenpalet hebben gekozen als
basisschool voor onze kinderen, heb ik Sabine ook weer netjes afgemeld bij De
Wielewaal; want zo ben ik dan ook wel weer.’
‘Fout of niet;
ik zou net doen of ik gek was en alsnog inspelen op het chaotische
aannamebeleid van De Wielewaal. Ook al is het kennelijk een administratief
zooitje. Die uitnodiging komt als geroepen. Een kant en klare oplossing voor al
het gezanik bij Het Kleurenpalet.
Bart klapte
zijn gereedschapskist dicht en laveerde ermee door de rondslingerende restanten
van het bouwmeubel oftewel meegroeibed in de slaapkamer van Walter.
‘Wat een gedoe
weer’, verzuchtte Thea.
‘Maar
misschien heb je gelijk en moeten we de kans grijpen nu Sabine ook nog een jaar
moet kleuteren. Voor het te laat is.’
‘Doe niet zo
dramatisch, het is nooit te laat en ik heb altijd gelijk!’, riep Bart over zijn
schouder, terwijl hij de trap af stommelde.
Onoplettend
bleef Thea voor zich uit zitten staren en dacht:
‘Dit toeval is
zo toevallig dat je er bijna aan zou gaan twijfelen of het wel toeval is.
Toevallig.’
Het
Kleurenpalet was een zwarte basisschool in de achterstandswijk waar Bart en
Thea hun droomhuis hadden gevonden. De aankoop ging vergezeld van een
‘routeboekje’ waarin de renovatie van de hele buurt over een periode van 5 jaar
gepland stond. Alleen het monumentale koophuis van Bart en Thea zou in de wijk
overeind blijven staan tussen de toenmalige afbraakpanden. Voor de zekerheid
had het echtpaar een schriftelijke bevestiging van onschendbaarheid bij de
gemeente aangevraagd alvorens het koopcontract bij de notaris te ondertekenen.
Binnen een dag lag het jawoord zwart op wit in de brievenbus. Het ambtelijke
apparaat van de gemeente wenste de nieuwkomers alle geluk in hun unieke
historische koophuis dat helaas voorlopig nog wel even zou afsteken tegen de zogenaamde
antikraakwoningen. Anders gezegd; tegen de omringende, ééngezins
arbeidershuurhuisjes uit het begin van de vorige eeuw die al een jaar of tien
niet meer door de woningstichting onderhouden werden en nu stonden te rotten op
hun grondvesten. De krakkemikkige woninkjes werden overbelast door tijdelijke
bewoners. De oorspronkelijke wijkpopulatie had de buurt al verlaten naar huur-
of koopwoningen elders in de stad. Sommige oerbewoners met tegenzin en de optie
om na de renovatie naar hun oude, vertrouwde stadsdeel, maar dan in nieuwbouw,
terug te keren. Maar vooralsnog moest de hele boel plat alvorens de woonwijk
weer opgebouwd kon worden. Op het zojuist aangeschafte, beschermde koophuis van
Bart en Thea na dus. Totdat de sloop ook daadwerkelijk zou gaan beginnen konden
zoveel mogelijk randfiguren, armlastigen en allochtonen in de wijk hun intrek
nemen in zo’n antikraak huurhuisje. Zij het tijdelijk en slechts op voorwaarde
dat ze de spot goedkope krotjes na het startschot van de kaalslag, waarvan de
precieze datum nog heel ver, vaag en uitstelbaar bleef, ook onverlet zouden
ontruimen. Desondanks had een groot deel van deze groep antikraakhuurders een
redelijk normaal leven en daarmee ook kinderen en die kwamen allemaal op
basisschool ‘Het Kleurenpalet’ in de buurt terecht.
Omdat Bart en
Thea echter niet voldeden aan het profiel van de antikraakhuurder was het
helemaal niet vanzelfsprekend dat hun kinderen - Sabine en Walter - ook
automatisch op Het Kleurenpalet terecht zouden komen. Bevoorrechte peuters
hadden andere opties. In het geval van Sabine en Walter niet alleen vanwege het
monumentale ouderlijk woonhuis, maar ook door een relatief hoog opleidings- en
inkomensniveau van hun verzorgers. Maar Bart vond Het Kleurenpalet aanvankelijk
een prima optie. De cito-eindtoets in groep 8 was volgens hem sowieso
allesbepalend voor de middelbare schoolkeuze van elk kind. Hij geloofde niet in
de positieve effecten op de leerprestaties van welke leerling dan ook van
kunstmatig, gekweekte, welgestelde zogeheten ‘gemengde’ scholen met
zogenaamd gelijkgestemde ouders. Dan liever de verschillen duidelijk op tafel.
Baat het niet dan schaadt het niet. Toch liet Bart de eindbeslissing met
betrekking tot de basisschoolkeuze van de kinderen aan Thea over. Zij loodste
de kinderen tenslotte iedere schooldag door het drukke verkeer naar school en
terug naar huis. Thea zou het meest geconfronteerd worden met de dagelijkse
realiteit en praktijk van haar sociale omgeving. Eerlijk is eerlijk. Maar ook
Thea heeft een sociaal hart en schreef Het Kleurenpalet eveneens
niet zonder meer af. Thea kon niet bedenken waarom haar kinderen niet zouden
kunnen floreren op een school waar 24 nationaliteiten met elkaar moesten leren,
spelen en integreren. Wat was een basisschool anders dan een afspiegeling van
de maatschappij en wat zou zo’n gemengde leeromgeving een verrijking voor de
socialisatie van haar twee kinderen kunnen betekenen. Los van het feit dat ze
natuurlijk ook in een ‘wijk in wording‘ zouden opgroeien; omringd door
leeftijdgenootjes van Het Kleurenpalet. Het zou vreemd zijn als alleen de
kinderen van Thea en Bart naar een andere basisschool gingen. Alhoewel stadse
Thea er ook niet bepaald op zat te wachten om met haar gezinnetje
medeplichtig te worden aan gettovorming.
Vandaar dat
Thea zich voor de zekerheid eveneens op andere basisscholen oriënteerde.
Scholen die weliswaar buiten de afbraakwijk, maar toch in de buurt lagen. De
Wielewaal leek in eerste instantie een goede kanshebber. De basisschool lag in
een zogenaamde ‘witte’ wijk op loopafstand van de afbraakbuurt van Thea en
Bart. De koophuizen zijn evengoed voormalige arbeiderswoningen, maar de panden
in deze witte wijk zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw stuk voor stuk
opgekocht, gerenoveerd en grondig onderhouden door veelal oud-studenten van de
stadsuniversiteit; de zogeheten young urban people, oftewel de
beruchte ‘yups’, die na het afstuderen in hun studentenhuis bleven hangen en
er, rond het begin van deze eeuw, carrière maakten en ook kinderen kregen. De
Wielewaal stond daardoor al snel bekend als een basisschool voor kinderen van
hoogopgeleide ouders met een prijzige levensstandaard. Na verloop van enkele
jaren bewees het schreeuwerige keurmerk van De Wielewaal zich weliswaar als
vuurvast, maar daarmee ook als onterecht onuitwisbaar, want steeds meer van de
oorspronkelijke bewoners verhuisden met al hun maatschappelijke aanzien naar
ruimere nieuwbouwwijken. De verbouwde arbeiderswoninkjes werden verkocht en
brachten dubbel zoveel op dan het aankoopbedrag. Met deze winst maakten de yups
langzaam maar zeker plaats voor voornamelijk gemiddeld opgeleide
huizenbezitters met modale inkomens en torenhoge hypotheken.
‘Middelmaat
siert de straat’, hoonde Bart.
Hij dreef
graag de spot met de ‘kouwe kak’ op De Wielewaal; waarmee hij doelde op de
politiek correcte ouders die hun kinderen bewust naar een ‘gemengde’
basisschool stuurden. Met gemengd werd dan een tweedeling van minimaal 70
procent wit tegen maximaal 30 procent zwart bedoeld en gecreëerd door de
hoofdmeester van De Wielewaal die daar op de regionale buis schaamteloos voor
uitkwam. Want een basisschool moest een weerspiegeling zijn van de
wijkpopulatie. Van het beloofde land dat op de website pronkte met een
Wielewaalfonds waar ouders en andere sponsoren hun geldoverschot het hele jaar
door vrijwillig konden storten. Oprecht hoogst verbaasd vroeg Bart zich luid op
af:
‘Welk normaal
mens met een normaal inkomen heeft er nou zoveel geld dat hij of zij dat
vrijwillig in een basisschoolfonds gaat storten? Ik stuur mijn kind toch niet
naar een liefdadigheidsinstelling? Waar betaal ik eigenlijk belasting voor?
Krijgt de Wielewaal geen overheidssteun in de vorm van subsidie?’
‘Minder dan
Het Kleurenpalet’, grinnikte Thea die het bekende gemopper van Bart altijd met
een korreltje zout nam.
‘Dan moeten ze
eindelijk eens eerlijk toegeven dat de meeste kinderen van De Wielewaal
helemaal niet zoveel beter af zijn dan leerlingen van scholen in
achterstandswijken. Hele slimme ouders kunnen hele domme kinderen krijgen’,
raasde Bart op zijn oude, vertrouwde manier door.
‘Dat zei mijn
vader vroeger ook altijd en weet je wat ik dan zei?’
‘Nee, vertel,
vertel’, vroeg Bart gekalmeerd.
‘Dan zei ik,
zijn dochter dus; Klopt pap, en hele domme ouders kunnen ook hele slimme
kinderen krijgen’.
Bart reageerde
met een schalks lachje en vroeg:
‘En hoe voelde
dat nou om ook eens een keer gelijk te hebben?
‘Gelijk hebben
en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen’, gniffelde Thea.
Toch was Thea
evenmin gecharmeerd van het decadente ‘Wielewaalfonds’ op de hoegenaamd
‘gemengde’ basisschool in de witte wijk voor beter gesitueerden. Ook het op de
website uitgebreid beschreven ‘pestprotocol’ en de ‘plusgroepen’ voor het
verschijnsel ‘meerbegaafdheid’ bij veel kinderen uit de nette buurt stonden
haar tegen. In hun kinderjaren bezochten Bart en zij, los van elkaar, doorsnee
basisscholen. Zonder franjes in arbeiderswijken die krioelden van gezinnen met
ouders zonder diploma’s en met lage inkomens. Sommige klasgenootjes van vroeger
waren goed terecht gekomen en anderen niet. Een mens wordt primair gevormd door
levenservaring. Slim dat ben je of dat ben je niet. Ook op een basisschool
zonder plusgroep en zo wel dan misschien zelfs wel ondanks een
voorkeursbehandeling. En wat was het effect van de aanwezigheid van een
pestprotocol op een basisschool? De bedoeling was zelfs Thea duidelijk; het
donderjagen van kinderen moest aan banden gelegd worden. Maar het eerste kind
dat voor, tijdens of na het jennen doordrongen is van de gevolgen van de
volwassen regeltjes van een protocol, oftewel een juridisch onderbouwde
gedragsovereenkomst, moet volgens Thea nog steeds gemaakt worden. Wat was er
gebeurd met de naleving van de simpele stelregel:
Goed voorbeeld
doet goed volgen?
Bij een
pestprotocol dacht Thea eerder aan symptoombestrijding. Kennelijk broeide er
stiekem een hoop wrok onderling bij de welgestelde, hoogbegaafde kindertjes van
De Wielewaal. Of werden hier eigenlijk de papa’s en de mama’s gepamperd?
Daartegenover werd er op de website van Het Kleurenpalet met geen woord gerept
over een plusgroep of een stappenplan bij eventuele treiterijen onderling. En
het woord ‘pestprotocol’ hoorde Thea de directrice van Het
Kleurenpalet dan ook niet uitspreken:
‘Pesten wordt
niet getolereerd op Het Kleurenpalet. Wij onderhandelen niet over onaangepast
gedrag maar propageren een ‘lik op stuk’ beleid dat we zelden tot nooit in
praktijk hoeven te brengen.’
De directrice
van Het Kleurenpalet heette Sarah en ze had niet alleen de instelling maar ook
het voorkomen van een gouvernante uit films die gesitueerd zijn in het midden
van de negentiende eeuw. Ook bij deze basisschool plaatste Thea haar twijfels.
Niet vanwege de leerlingen van 24 verschillende nationaliteiten, of het
gigantische, gedateerde schoolgebouw met alle benodigde voorzieningen. Wel
vanwege de extreem strenge, gecontroleerde ouderwetse kostschoolsfeer en de
fanatieke directrice die overduidelijk niet alleen uit noodzaak met ijzeren
hand regeerde. Sarah genoot zichtbaar van haar macht, of zelfs van de schijn
ervan, want later leerde Thea dat haar regime veel minder ontzagwekkend was dan
ze tijdens een eerste ontmoeting in haar hoedanigheid van directrice graag deed
voorkomen. Bijna direct wierp Sarah zich op als een vertrouwelinge en
beschermvrouwe van kinderen met een Nederlandse nationaliteit in een wirwar van
diversiteit en uiteenlopende culturen op haar van oorsprong katholieke
basisschool. Sinds de invoering van het routeboekje en de bijbehorende
volkswijkverhuizing was het groepje kinderen met maar één thuisland op het
Kleurenpalet beperkt tot een handjevol verdwaalde inboorlingen. Sabine en
Walter incluis. Tenminste als zij zich in de nabije toekomst tot het brede
spectrum van tinten binnen het Kleurenpalet zouden mogen rekenen van hun
ouders. Bart en Thea dus. Aan de gretige directrice zou het in ieder geval niet
gelegen hebben. Het was alsof Sarah hoopte dat dankzij haar rol als patrone haar
macht als vanzelf zou erotiseren in de buurt van Thea. Maar Thea heeft zichzelf
nog nooit op lesbische gevoelens kunnen betrappen en voelde zich hoe langer hoe
onbehaaglijker in het vizier van Sarah. Maar dit terzijde, want ze ging
uiteindelijk toch overstag. Echter pas na de terloopse kennismaking met de
directeur van De Wielewaal. Het eerste oogcontact met een kleine gespierde,
vriendelijke man van middelbare leeftijd gaf wat Thea betreft al bijna de
doorslag naar, toch maar, Het Kleurenpalet. Zijn gedienstige uitstraling wekte
haar achterdocht. Deze man, die zich had voorgesteld als Peter, zou haar
ogenblikkelijk naar de mond praten indien zij daar prijs op stelde. En niet
alleen haar; maar alle ouders van de kinderen van De Wielewaal. Maar praatjes
vullen geen gaatjes en de nederige houding van deze meneer Peter deed een
verholen egocentrisme vermoeden dat hij op den duur onverbiddelijk zou laten
prevaleren. Zoals ieder toeschietelijk mens met een gezonde dosis
overlevingsdrang.
Het kleine
gebouw straalde dezelfde twijfelachtige inschikkelijkheid uit. De locatie van
De Wielewaal in het stadscentrum was compacter en verstikkender dan de ruime
ligging in een groene spoorkuil van basisschool Het Kleurenpalet. Tijdens een
korte rondleiding door De Wielewaal werd Thea bovendien overvallen door de
povere sfeer in de gangen. Ze zag minder extra leermiddelen; zoals computers
voor algemeen gebruik en digiborden in de klaslokalen om zich heen dan op Het
Kleurenpalet. In het bijzijn van directeur Peter van De Wielewaal verbaasde
Thea zich openlijk over dit markante verschil tussen wit en zwart.
Gedesillusioneerd mimede directeur Peter het geldgebaar door ronddraaiende
wrijfbewegingen met wijsvinger tegen duim in de lucht. De schuld was het opgelegde
positieve discriminatiebeleid van overheidswege. Hierdoor konden basisscholen
zoals Het Kleurenpalet in achterstandswijken, zonder grotendeels
geprivilegieerde kinderen zoals op De Wielewaal, juist probleemloos
over extra ondersteuning in de vorm van additionele subsidie en aanvullende
leerkrachten rekenen. Directrice Sarah van Het Kleurenpalet ging er zelfs prat
op. Ze blies haar wit gebloesde en gebobbelde borstkas op en sprak honend over
de jaloezie van zogenaamde ‘witte’ scholen op het gemak waarmee ‘Het
Kleurenpalet’ de gemeentezaakjes regelde. Ze trok er een gezicht bij alsof ze
eigenlijk wilde zeggen:
‘En Het
Kleurenpalet dat ben ik en ik ben Het Kleurenpalet.’
‘Toch mooi
meegenomen’, zei Thea die, ondanks haar erotische ongenoegen richting Sarah,
heel wat minder moeizaam met het markante hoofd van Het Kleurenpalet van
gedachten kon wisselen dan met de plooibare directeur van De Wielewaal.
Het gesprek
met Peter liep al snel spaak op zijn anekdotes over de geweldige ouderhulp- en
steun op De Wielewaal. Thea kreeg het er benauwd van en een overhaastige,
beleefd bedoelde, reactie, leverde een Freudiaanse verspreking op;
‘Nou, een hoop
kneuterigheid, eh, pardon gezelligheid dus’, babbelde ze quasi geanimeerd.
Peter bleek
Oost-Indisch doof voor haar weerzin en antwoordde onverminderd, enthousiast:
‘Jazeker,
ongekend. De Wielewaal is net een dorp!’
Hij had haar
ook naar de keel kunnen grijpen. Het effect zou hetzelfde geweest zijn. Thea
snakte naar frisse lucht en besloot op dat moment ter plekke onvermurwbaar dat
haar kinderen in geen geval naar De Wielewaal zouden gaan.
Voor haar
schuift een mede-ouder een formulier onder haar neus. Hij heeft zich een halve
slag omgedraaid in de schoolbank. Zijn dubbele kin rust op zijn schouder
terwijl hij haar onderzoekend blijft aankijken.
‘Even
controleren’, verduidelijkt hij uitnodigend.
De vrouw naast
hem stoot hem berispend aan, waarop de vader prompt weer in het gareel schiet.
Loom kruipt Thea uit haar onderuitgezakte houding en leest haar naam,
emailadres en mobiele nummer. Check.
‘Zijn er nog
vragen?’, vraagt de ervaren mentor.
Betrapt
wappert Thea met de lijst in de lucht. Achter haar zijn de schoolbanken leeg.
Ze voelt zich weer 15 jaar. Ze heeft niet opgelet. Uitdrukkingsloos neemt de
jongste mentor het formulier van Thea over. Omdat iedereen in beweging komt,
maakt Thea ook aanstalten om het lokaal te verlaten. Nu de ouderavond officieel
ten einde is, worden de twee mentoren belaagd. Thea moet zich door een
afwachtende ouderrij wurmen om buiten te komen. In het trappenhuis stuiven
ouders van alle kanten aan haar voorbij en echoën voetstappen en stemmen van
lachende en pratende mensen. Thea zit nog steeds in een tijdreis van meer dan
30 jaar geleden. De rommelige atmosfeer, de kleverige leuningen, het vaalgele
linoleum in de hal en de gangen, met de versteende kauwgumvlekken. Ook op de
granitotraptreden; oud, onverslijtbaar en ontelbare keren met voeten getreden.
De snerpende geur van cafeïne in de atmosfeer vermengd met weeïge urinelucht
uit de openbare toiletten. Hier heeft de tijd stil gestaan. Ook al zat Thea pak
weg 33 jaar terug niet op deze middelbare school en woonde ze in een andere
stad. Beneden gekomen staat ze onverwacht oog in oog met Pim. De vader van
Melvin. De man met wie Thea zo’n zestien jaar geleden een kortstondige relatie
heeft gehad. Ooit was ze intens verliefd op hem geweest. Een zonde van weleer
en de tijd. Helaas niet anoniem genoeg om na een bondige groet verder te gaan.
Door naar de uitgang. De opengeslagen voordeuren van de school en de mistige
belofte van een huiselijke novemberavond lonken.
‘Kijk eens wie
we hier hebben’, zegt Pim mat.
‘Ben je
alleen?’, vraagt Thea haastig.
‘Nou jij windt
er ook geen doekjes om’, lacht Pim de grapjas.
‘Waar is je
nieuwe vriendin? Dingetje, kom hoe heet ze nou?’
‘Je bedoelt
Femke?’
‘Ja’.
‘Ze is thuis
bij haar puber. Waarom wil je dat weten Thea?’
Pim klinkt nu
al ongeduldig. Als vanouds.
‘Ga jij in je
eentje naar een ouderavond voor je stiefkind?’
Pim zucht.
‘Jij bent toch
ook in je eentje?’
‘Ja, maar ik
heb geen stiefkind’.
‘Grappig, dat
we meteen weer in het oude communicatiepatroon vervallen,’ grijnst Pim.
‘Doen we dat?’
‘Ja; ik stel
een vraag en jij plaatst een bijdehandte opmerking; weet je nog?’
‘Of ik stel
een tegenvraag; meestal een retorische’, smaalt Thea.
‘Trouwens,
mijn stiefkind gaat niet naar deze scholengemeenschap maar naar het stedelijk
gymnasium. Daar heeft Jasmijntje, mijn toppertje, ook haar diploma gehaald.
Vier jaar gelden, weet je nog?’
‘Ja, ook dat
weet ik nog. Ik weet wie Jasmijn is Pim. Ik ben nog niet aan het dementeren.’
‘Mijn
volwassen dochter ja; in tegenstelling tot mijn veertienjarige stiefdochter.’
Zoals
gewoonlijk twijfelt Pim aan de oprechtheid van Thea.
Nou ik moet
gaan’, zegt Thea, omdat ze zich ineens realiseert dat het haar al met al totaal
niet boeit wat Pim hier komt doen.
‘Ik ben hier
voor Melvin’, zegt Pim snel, alsof hij toch nog iets op zijn lever heeft en wel
even gauw, gauw zijn hart bij haar wil luchten.
Nou zou Thea
de kwetsbaarheid van haar ex maar al te graag uit willen buiten, ware het niet
dat het geciteerde verbeterpunt in dit geval Melvin is. Haar Betuwe Flipje.
‘Melvin zit
toch ook op stedelijk gymnasium, of ben ik nou toch in de war?’
‘Melvin zat op
het stedelijk. Na de kerstvakantie komt hij naar deze scholengemeenschap’,
antwoordt Pim terneergeslagen.
Hij laat zijn
schouders erbij afhangen
‘Kom op Pim,
er is leven na het stedelijk gymnasium’.
Melvin was nog
geen 2 jaar geweest toen Thea de lift naar beneden in de vrijgezellenflat van
Pim voor de laatste keer nam. Jasmijn was net 7 en bleef haar roerloos staan
nakijken in de deuropening met een half openstaande mond en die wezenloze
uitdrukking in haar ogen, die Thea vanaf dat moment nooit meer op een onbewaakt
ogenblik zou kunnen overweldigen. Thea was niet alleen verlost van Pim maar ook
van 2 kinderen die zij niet gebaard had, maar waar ze wel mee zat opgescheept
op alle oneven kalenderweken van dat memorabele jaar waarin ze samen met Pim de
vrijgezellenflat had gedeeld. Soms. Pim was er bijna nooit. Zeker niet als zijn
kinderen op zijn slaapkamer sliepen en de zithoek bij de televisie onveilig
maakten. Dan moest hij invallen voor collega’s, heel veel boodschappen doen en
vooral in ploegendiensten werken, wat heel moeilijk te controleren was, want
Pim was toentertijd naast fulltime fysiotherapeut ook stand-by in het geval van
calamiteiten bij een vooraanstaande sportclub. Toen hij na een jaar ineens ook
niet langer de moeite nam om tenminste nog ’s nachts naast Thea en zijn dochter
Jasmijn in bed te kruipen, was zij haar opgelegde moederrol beu. Thea ziet
zichzelf nog staan in het holst van de nacht aan het hoofd van het ledikantje
dat op de centimeter nauwkeurig in de ruimte tussen het tweepersoonsbed en de
vensterbank geperst was. Melvin hing zwaar in haar armen; zijn koortsige, warme
lijfje nog naschokkend van zijn hartverscheurende smeekbedes om zijn mama die
in zijn dromen was verschenen. De heimwee en zijn tranen hadden hem uit zijn
slaap gerukt. Zijn bezwete kopje rustte op haar schouder, terwijl hij verwoed
op zijn fopspeen sabbelde. Het kuifje van Betuwe Flipje kriebelde aan haar
linkeroor. Ze rook de grote boodschap in de warme, zware luier die ze met haar
rechterhand omvatte. Jasmijn was ook wakker. Ze zat rechtop in bed en moest
plassen en wat drinken en huilen. Verwezen keek Thea om zich heen in de half
verduisterde kleine, klamme slaapruimte. De uitstraling van het nachtlampje in
de vorm van een grijnzende, grimmige Mickey Mouse in combinatie met de
straatlantaarnverlichting door de onbedekte streepjes van de luxaflex wekte de
illusie van een betonnen, kille gevangeniscel. Abrupt nam Thea het
besluit. Ze deed het grote licht in het slaapvertrek aan, stuurde Jasmijn naar
het toilet, verschoonde Melvin, kleedde hem aan en liet hem rechtop staan in
zijn babybedje. Fopspeen in zijn mond. Tevreden mummelend bleef hij haar met
zijn grote, blauwe, guitige kalverogen volgen, terwijl Thea stug verder
modderde door het piepkleine appartement. Jasmijn werd aangetod met de
prijzige, modieuze vodden waarin haar moeder haar placht te verpakken. Aan het
minikeukenblok kreeg ze een glas Karvan Cevitam. Jasmijn protesteerde en
jengelde zoals gewoonlijk, maar zij liet zich niet meer vermurwen door dat
treurige hoopje minimens dat zich terecht niet liet afschepen met een
surrogaatmoeder in de hoedanigheid van Thea die geagiteerd haar weekendtas
vulde met kleren en toiletspullen. De cd’s en boeken mocht Pim houden. Om 5 uur
in de morgen waren zo goed als alle sporen van 26 zorgzame weken van de kant
van Thea uitgewist en bleef ze in de zithoek op een fauteuil naast de televisie
zitten wachten. Jasmijn en Melvin sliepen alweer. Aangekleed en wel.
Ruim 4 uur
later stak Pim de sleutel in het slot van de voordeur. Melvin sliep rustig
verder, maar Jasmijn was al langer dan een uur geleden voor de tweede keer
wakker geworden en had zich omringd met verantwoorde kinderliteratuur. Ze
bladerde ongeïnteresseerd in de lees- en prentenboeken en riep herhaaldelijk
vanuit de slaapkamer dat ze allang op school had moeten zijn.
‘Komt goed
Jasmijn’, herzei Thea wel 20 keer. Onbeweeglijk. Uit angst dat anders de pas
gemetselde muur, die ze in de afgelopen honderden minuten zorgvuldig om zich
heen had gebouwd, weer zou afbrokkelen voor dat kleine, verdrietige
meisje.
Bij de aanblik
van haar vader schoot Jasmijn uit bed; richting Pim en klampte zich aan zijn
heupen vast. Ze ketste met haar neus af op zijn getrainde spierbuik.
Overdonderd ontdeed Pim moeizaam zijn volprezen billen van de zuigende
tentakeltjes van zijn dochter en staarde Thea niet begrijpend aan. Hierop greep
zij woordeloos haar boeltje en maakte dat ze wegkwam.
‘Gaat Melvin
naar 4 of 5 HAVO?’
‘We mogen in
onze handjes knijpen als Melvin dit jaar op deze school eindexamen VMBO theorie
haalt. Hopelijk kan hij dan volgend schooljaar doorstromen naar de Havo. Maar
dat is koffiedik kijken.’
Thea haalt
haar schouders op en kijkt Pim veelzeggend aan. Pim wendt zijn hoofd af en
murmelt:
‘Je weet hoe
zijn moeder is.’
Het doet
onveranderd zeer:
‘Houd toch op
Pim. Gaat het jou nog steeds om Beau? Vermoeiend hoor, na al die jaren. Moet ik
je nou troosten of zo? Wat is de nederlaag? Deze openbare middelbare school?
Dezelfde gemengde middelbare school als waar Bart en ik onze kinderen
vrijwillig naar toe sturen? Trouwens waar is Beau?’
‘Overzee’.
‘Typisch’.
Pim zucht een
tweede keer
‘Beau heeft al
jaren een bed and breakfast in Oxford.’
‘The city of Morse’.
‘Wat?’
‘Och niks. Dat
is iets tussen Bart en mij. Het gaat toch niet om Beau, maar om Melvin?’
‘Dat is iets
tussen Beau en mij’,
Pim blaat het
toontje van Thea na alsof hij in z’n ego is aangetast
‘Prima’, zegt
Thea, terwijl ze tegelijkertijd Pim haar rug toekeert en in de richting van de
uitgang begint te lopen.
‘Het gaat niet
goed met Melvin!’, roept hij haar zorgelijk na.
‘Het is hem
niet aan te zien’, antwoordt Thea luid en duidelijk over haar schouder.
Pim haalt haar
in en vraagt hijgend:
‘Hoe weet jij
dat?’
‘Melvin komt
regelmatig op bezoek; hij lijkt op je.’
‘Is dat een
compliment?’
‘Wat jij
wilt’.
Thea blijft
doorlopen en star voor zich uitkijken. Pim volgt haar tot aan haar auto op de
parkeerplaats bij de school.
‘Waarom komt
Melvin bij jou op bezoek?’
‘Gewoon; weet
ik veel; voor de gezelligheid denk ik.’
Thea zoekt in
haar schoudertas naar haar autosleutels.
‘Bij jou
thuis?’
‘Ja, Pim, bij
mij thuis’, herhaalt Thea nadrukkelijk, terwijl ze een verbaasde Pim recht in
de grote ogen kijkt.
‘Wat doet
Melvin bij jou thuis?’
‘Niets
bijzonders ontbijten, douchen, chillen.’
‘En, dat vind
jij normaal?, stamelt Pim.
Thea heeft
haar autosleutels gevonden en met een druk op de knop van haar
afstandsbediening opent ze het portier met de bekende plop.
‘Wat houdt dat
‘chillen’ in als ik vragen mag?’
‘Weet ik veel,
hij gamed weleens met Walter of Sabine; of hij bemoeit zich met klantjes van
‘Huiswerksterk’.’
‘Met wat?’
Thea gaat
achter het stuur zitten. Ze start de Renault. Pim houdt het portier tegen.
Geërgerd schudt Thea een paar keer met het hoofd alsof ze haar herseninhoud op
moet schudden.
‘Is dit een
sollicitatiegesprek? Ik geef nog steeds huiswerkbegeleiding. Mijn
bijverdiensten zijn niet opgehouden nadat jij jouw kinderen niet meer goed
genoeg vond voor mijn inspanningen.’
Waarom Thea
zich in een beschamend verleden ooit tot Pim aangetrokken heeft gevoeld wordt
met het verstrijken van de jaren een steeds groter vraagteken, want hij heeft
nooit moeite gedaan om haar te begrijpen. Niet tijdens hun ondefinieerbare
relatie en niet na haar vertrek. Maar Jasmijn en vooral Melvin hadden last van
de roulerende volwassenen in hun dagelijkse routine. De oppasmallemolen. Opa’s
en oma’s, ooms en tantes, vrienden en kennissen; mama en haar nieuwe liefde of
papa en zijn scharreltjes en allemaal op steeds wisselende locaties. Thea moest
niet vergeten dat kinderen wel behoefte hebben aan structuur, consequentie en
stabiliteit. Het liefst had Pim haar gewoon tot de orde geroepen. Maar dan in
dienst als kinderjuf; dat voelde Thea ook wel. Daar Pim zich echter nooit zou
laten kennen, verzon hij de noodzaak van bijlessen voor Jasmijn en Melvin
tijdens hun basisschooljaren. Driehonderd euro per maand voor een remedial
teacher in de vorm van een veredelde oppas. In het begin nog zwart en met de natte
vinger. Toen dat vruchten begon af te werpen en de twee kinderen hoe langer hoe
beter presteerden op school, wilde vooral moeder Beau, de enige echte ex-vrouw
van Pim, meer resultaten zien. De bijlessen werden stampwerk. Rekenen, taal en
wereldoriëntatie oftewel algemene ontwikkeling. Oefenen, oefenen en nog eens
oefenen. Sommen, ontleden, dictee, topografie, tekst verklaren, de tafeltjes
van buiten knallen en vooral ‘oefentoetsen maken’. Citotoetsen. De één na de
nader. Thea plukte ze kosteloos van het internet, downloadde en printte de
opdrachten om ze vervolgens te bundelden. Voor Jasmijn in een roze mapje. Voor
Melvin met een blauwe omslag. De antwoorden hield ze zelf, want die had ze
hoognodig bij het nakijken. In het huis van Thea en haar nieuwe partner Bart
golden de wetten van Thea en die strookten niet met het reguliere pedagogische
verantwoorde circuit. Net als de kilo’s roomvanille kabelspekken, Engelse drop,
Haribo gummieberen en chips die tijdens de jarenlange bijlessen verorberd
werden; weggespoeld met liters Coca Cola of Fanta onder het genot van de
laatste buurtnieuwtjes, sappige basisschoolroddels en de meest melige moppen en
raadsels die eigenlijk niet door de beugel konden. Bart, die Pim wat Thea
betreft in geen tijd overschaduwde, bleek voor een prikje IPads op de kop te
kunnen tikken. Hij werkte toen ook al in een rekencentrum en heeft altijd
makkelijk toegang tot en een zwak voor allerlei technische
gadgets gehad. Daar maakten Thea en haar 2 thuisleerlingen dankbaar
gebruik van. Spelenderwijs. Thea achter haar laptop en Jasmijn en Melvin met
ieder een IPad. En hoewel Thea het veel minder nauw nam met het
stampwerk dan Pim en vooral zijn ambitieuze vrouw Beau dat graag hadden gezien,
scoorden zowel Jasmijn als - vijf jaar later - Melvin belachelijk hoog bij de
eindtoets van groep 8. Thea had ze alle twee figuurlijk het stedelijk gymnasium
in gestampt. Daarna was het uit met de pretletters en de cijferkoekjes en moest
Thea haar maandelijkse extraatje ergens anders vandaan zien te halen. Gelukkig
had ze in de loop van haar lesjaren met Jasmijn en Melvin een reputatie op
weten te bouwen als een succesvol huiswerkbegeleidster bij minder
klassenbewuste ouders. Zij waren wel bereid om ook tijdens de middelbare
schooltijd van hun kind 100 euro per maand neer te tellen voor de
ondersteuning van Thea. Wit deze keer. Thea was zeker van haar zaak. En nee, ze
was geen gediplomeerd onderwijzeres of lerares, maar had een H.B.O. opleiding
genoten en afgerond. Bovendien was ze, boven haar eigen verwachting, kennelijk
in staat om twee kinderen met een gangbaar intelligentie quotiënt het stedelijk
gymnasium in te loodsen. Op eenzelfde soort manier zou die middelbare
schoolstof ook wel bij elkaar te vegen zijn. Na een afgeronde
bijscholingscursus was Thea nu alweer vijf jaar, na aftrek van de belasting,
verzekerd van zo’n 750 euro extra per maand. Dankzij gemiddeld 10 kandidaten
per schoolsemester die bij haar thuis aan de keukentafel schoven en officieel
door Thea ‘Huiswerksterk’ werden gemaakt.
‘Dus jij wilt
beweren dat Melvin interesse heeft in jouw onderneming in huiswerkbegeleiding,
terwijl hij zijn eigen huiswerk jarenlang compleet heeft verwaarloosd?’
‘Misschien is
hij verliefd op Sabine of op de één van de meisjes van Huiswerksterk?’, oppert
Thea welwillend, omdat ze zich, tot haar schaamte, nooit noemenswaardig
verdiept heeft in de beweegredenen van Melvin om bij haar op bezoek te komen.
Er komen
dagelijks zoveel middelbare schoolkinderen bij haar over de vloer dat Thea
feitelijk gestopt is om te differentiëren. Nou ze er noodgedwongen enigszins
over nadenkt is de chronische aanwezigheid van Melvin in haar leven inderdaad
allerminst ‘normaal’ te noemen. En Melvin en Sabine zien elkaar amper staan,
dus van een eventuele extra erotische dimensie, is al helemaal geen sprake. Dat
ziet zelfs een blinde. Voor de volledigheid gaat Thea in haar hoofd ook even
het huidige bestand van Huiswerksterk na. Twee meisjes maar dit semester. Eén
Islamitisch meisje met een hoofddoek dat zoveel plichtsbesef
uitstraalt dat zelfs Thea er ongemakkelijk van wordt en een kinderlijk typetje
met strikjes in het haar en een boekentas van het merk ‘Hello Kitty’ met een
troetelbeertje aan het handvat. Duidelijk geen van tweeën potentiele
kandidaatjes voor een toughie als Melvin.
‘Vanzelfsprekend’,
spot Pim.
‘Of misschien
is het m’n webshop’, oppert Thea aarzelend.
‘Dat vindt hij
ook wel interessant, mijn webshop in retrospullen.’
Met zijn vrije
hand slaat Pim tegen zijn voorhoofd:
‘O ja,
natuurlijk; de webshop van Thea met haar besmettelijke passie voor de
retrokunst.’
‘Ben je
klaar?’
Beledigd zet
Thea de pook in de eerste versnelling en ontgrendelt bruusk de handrem.
‘Hey, kan
Melvin misschien ook weer bij jou in de leer? Als hij kennelijk toch al zo vaak
bij je thuis rondhangt?’, stelt Pim plompverloren voor.
Er klinkt
zowaar een serieus ondertoontje door zijn overheersende cynisme.
‘Weet je zeker
dat Femke het geld voor bijlessen aan Melvin wel kan missen?’
Pim leunt
tegen het portier met zijn mond vlak bij haar oren. Ze tuiten als hij uitroept:
‘Wat heb jij
toch tegen Femke. Ik dacht dat jij zo jaloersmakend gesetteld was met Bart en
die huiselijke gezelligheid die mijn zoon kennelijk ontbeert?!’
‘Ik begrijp
van Melvin dat Femke erg zuinig is’, antwoordt Thea stoïcijns.
‘Ze gooit geen
geld over de balk Thea. Als je dat suggereert. Trouwens zij hoeft de bijlessen
van Melvin niet te betalen. Dat doe ik. Melvin is mijn zoon. Wat gaat me dat
kosten?’
‘Dat moet ik
even nakijken. Thuis. Daarvoor moet jij me naar huis laten gaan. Goed?’
Demonstratief
drukt Thea het gaspedaal in. De Renault loeit. Met tegenzin trekt Pim zich
terug en slaat met een klap het portier dicht. Hij gaat op zoek naar zijn eigen
auto. Kort daarna hoort hij tot zijn verbazing de Renault afslaan. Als hij
omkijkt ziet hij dat Thea haastig uit de auto stapt. Alsof ze nog iets aan hem
kwijt wil. Achter haar klinkt het autoslot. Verwachtingsvol gaat Pim alvast in
de verdedigingshouding klaarstaan. Ze komt recht op hem aflopen, terwijl ze
haar sleutelbos met afstandsbediening in haar schoudertas keilt. In volle vaart
suist Thea geërgerd langs Pim af. Terug naar school, onder begeleiding van de
woorden:
‘Door jouw
gedram zou ik glad vergeten dat ik nog een tweede ouderavond voor de boeg heb.’
Thea moest de
inhoud van de brief 2 keer lezen voordat ze begreep wat er stond. Ze ging erbij
zitten.
‘Walter is
aangenomen op De Wielewaal!’ riep ze vol verbazing uit naar Bart die een
doehetzelf meubel in elkaar zette.
‘Help eens
even’, commandeerde Bart.
Hij lag op
zijn rug onder een lattenbodem op pootjes van een IKEA meegroeibed en monteerde
boven zijn hoofd. Omdat Thea niet in actie kwam riep hij;
‘Hallo
contact; je zoon moet vanavond ergens slapen. We hebben zijn ledikantje net
naar de ‘Het Goed’ gebracht’.
Afwezig vond
Thea naast zich op de grond een A-viertje met kleine lettertjes in zes
verschillende talen.
‘Heb je de
montagehandleiding weer niet gelezen. Mannen!’
Met haar vrije
hand reikte ze Bart de handleiding aan en mijmerde:
‘Misschien
moeten we Walter dan toch maar naar De Wielewaal laten gaan, maar dan gaat
Sabine ook van Het Kleurenpalet af.’
‘Ik zeg
doen!’, wist Bart praktisch, terwijl hij ruggelings onder de lattenbodem op
pootjes uitschoof om de handleiding goed te kunnen bekijken.
Eenmaal weer
met twee voeten op de grond trok hij zijn hoofd in zijn nek en masseerde een
schouder. Hij bestudeerde het resultaat:
‘Is het wat?’
‘Het lijkt op
een bed’, antwoordde Thea melig.
Voor de
zekerheid keek ze ook even op de achterzijde van de brief en vervolgde:
‘Ik denk
trouwens dat het een fout is.’
Bart was
oprecht verbaasd:
‘Waarom nou
weer? Je hebt dit meegroeibed nota bene zelf uitgezocht, omdat het
zo praktisch zou zijn?’
‘Ik heb het
over de aannamebrief van Walter’.
‘Oh, ja
natuurlijk is dat een fout, je hebt Sabine vorig jaar toch aangemeld? Broers en
zussen worden automatisch ook aangenomen.’
‘Ja, dat weet
ik wel, maar toen we vorig jaar voor Het Kleurenpalet hebben gekozen als
basisschool voor onze kinderen, heb ik Sabine ook weer netjes afgemeld bij De
Wielewaal; want zo ben ik dan ook wel weer.’
‘Fout of niet;
ik zou net doen of ik gek was en alsnog inspelen op het chaotische
aannamebeleid van De Wielewaal. Ook al is het kennelijk een administratief
zooitje. Die uitnodiging komt als geroepen. Een kant en klare oplossing voor al
het gezanik bij Het Kleurenpalet.
Bart klapte
zijn gereedschapskist dicht en laveerde ermee door de rondslingerende restanten
van het bouwmeubel oftewel meegroeibed in de slaapkamer van Walter.
‘Wat een gedoe
weer’, verzuchtte Thea.
‘Maar
misschien heb je gelijk en moeten we de kans grijpen nu Sabine ook nog een jaar
moet kleuteren. Voor het te laat is.’
‘Doe niet zo
dramatisch, het is nooit te laat en ik heb altijd gelijk!’, riep Bart over zijn
schouder, terwijl hij de trap af stommelde.
Onoplettend
bleef Thea voor zich uit zitten staren en dacht:
‘Dit toeval is
zo toevallig dat je er bijna aan zou gaan twijfelen of het wel toeval is.
Toevallig.’
Het
Kleurenpalet was een zwarte basisschool in de achterstandswijk waar Bart en
Thea hun droomhuis hadden gevonden. De aankoop ging vergezeld van een
‘routeboekje’ waarin de renovatie van de hele buurt over een periode van 5 jaar
gepland stond. Alleen het monumentale koophuis van Bart en Thea zou in de wijk
overeind blijven staan tussen de toenmalige afbraakpanden. Voor de zekerheid
had het echtpaar een schriftelijke bevestiging van onschendbaarheid bij de
gemeente aangevraagd alvorens het koopcontract bij de notaris te ondertekenen.
Binnen een dag lag het jawoord zwart op wit in de brievenbus. Het ambtelijke
apparaat van de gemeente wenste de nieuwkomers alle geluk in hun unieke
historische koophuis dat helaas voorlopig nog wel even zou afsteken tegen de zogenaamde
antikraakwoningen. Anders gezegd; tegen de omringende, ééngezins
arbeidershuurhuisjes uit het begin van de vorige eeuw die al een jaar of tien
niet meer door de woningstichting onderhouden werden en nu stonden te rotten op
hun grondvesten. De krakkemikkige woninkjes werden overbelast door tijdelijke
bewoners. De oorspronkelijke wijkpopulatie had de buurt al verlaten naar huur-
of koopwoningen elders in de stad. Sommige oerbewoners met tegenzin en de optie
om na de renovatie naar hun oude, vertrouwde stadsdeel, maar dan in nieuwbouw,
terug te keren. Maar vooralsnog moest de hele boel plat alvorens de woonwijk
weer opgebouwd kon worden. Op het zojuist aangeschafte, beschermde koophuis van
Bart en Thea na dus. Totdat de sloop ook daadwerkelijk zou gaan beginnen konden
zoveel mogelijk randfiguren, armlastigen en allochtonen in de wijk hun intrek
nemen in zo’n antikraak huurhuisje. Zij het tijdelijk en slechts op voorwaarde
dat ze de spot goedkope krotjes na het startschot van de kaalslag, waarvan de
precieze datum nog heel ver, vaag en uitstelbaar bleef, ook onverlet zouden
ontruimen. Desondanks had een groot deel van deze groep antikraakhuurders een
redelijk normaal leven en daarmee ook kinderen en die kwamen allemaal op
basisschool ‘Het Kleurenpalet’ in de buurt terecht.
Omdat Bart en
Thea echter niet voldeden aan het profiel van de antikraakhuurder was het
helemaal niet vanzelfsprekend dat hun kinderen - Sabine en Walter - ook
automatisch op Het Kleurenpalet terecht zouden komen. Bevoorrechte peuters
hadden andere opties. In het geval van Sabine en Walter niet alleen vanwege het
monumentale ouderlijk woonhuis, maar ook door een relatief hoog opleidings- en
inkomensniveau van hun verzorgers. Maar Bart vond Het Kleurenpalet aanvankelijk
een prima optie. De cito-eindtoets in groep 8 was volgens hem sowieso
allesbepalend voor de middelbare schoolkeuze van elk kind. Hij geloofde niet in
de positieve effecten op de leerprestaties van welke leerling dan ook van
kunstmatig, gekweekte, welgestelde zogeheten ‘gemengde’ scholen met
zogenaamd gelijkgestemde ouders. Dan liever de verschillen duidelijk op tafel.
Baat het niet dan schaadt het niet. Toch liet Bart de eindbeslissing met
betrekking tot de basisschoolkeuze van de kinderen aan Thea over. Zij loodste
de kinderen tenslotte iedere schooldag door het drukke verkeer naar school en
terug naar huis. Thea zou het meest geconfronteerd worden met de dagelijkse
realiteit en praktijk van haar sociale omgeving. Eerlijk is eerlijk. Maar ook
Thea heeft een sociaal hart en schreef Het Kleurenpalet eveneens
niet zonder meer af. Thea kon niet bedenken waarom haar kinderen niet zouden
kunnen floreren op een school waar 24 nationaliteiten met elkaar moesten leren,
spelen en integreren. Wat was een basisschool anders dan een afspiegeling van
de maatschappij en wat zou zo’n gemengde leeromgeving een verrijking voor de
socialisatie van haar twee kinderen kunnen betekenen. Los van het feit dat ze
natuurlijk ook in een ‘wijk in wording‘ zouden opgroeien; omringd door
leeftijdgenootjes van Het Kleurenpalet. Het zou vreemd zijn als alleen de
kinderen van Thea en Bart naar een andere basisschool gingen. Alhoewel stadse
Thea er ook niet bepaald op zat te wachten om met haar gezinnetje
medeplichtig te worden aan gettovorming.
Vandaar dat
Thea zich voor de zekerheid eveneens op andere basisscholen oriënteerde.
Scholen die weliswaar buiten de afbraakwijk, maar toch in de buurt lagen. De
Wielewaal leek in eerste instantie een goede kanshebber. De basisschool lag in
een zogenaamde ‘witte’ wijk op loopafstand van de afbraakbuurt van Thea en
Bart. De koophuizen zijn evengoed voormalige arbeiderswoningen, maar de panden
in deze witte wijk zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw stuk voor stuk
opgekocht, gerenoveerd en grondig onderhouden door veelal oud-studenten van de
stadsuniversiteit; de zogeheten young urban people, oftewel de
beruchte ‘yups’, die na het afstuderen in hun studentenhuis bleven hangen en
er, rond het begin van deze eeuw, carrière maakten en ook kinderen kregen. De
Wielewaal stond daardoor al snel bekend als een basisschool voor kinderen van
hoogopgeleide ouders met een prijzige levensstandaard. Na verloop van enkele
jaren bewees het schreeuwerige keurmerk van De Wielewaal zich weliswaar als
vuurvast, maar daarmee ook als onterecht onuitwisbaar, want steeds meer van de
oorspronkelijke bewoners verhuisden met al hun maatschappelijke aanzien naar
ruimere nieuwbouwwijken. De verbouwde arbeiderswoninkjes werden verkocht en
brachten dubbel zoveel op dan het aankoopbedrag. Met deze winst maakten de yups
langzaam maar zeker plaats voor voornamelijk gemiddeld opgeleide
huizenbezitters met modale inkomens en torenhoge hypotheken.
‘Middelmaat
siert de straat’, hoonde Bart.
Hij dreef
graag de spot met de ‘kouwe kak’ op De Wielewaal; waarmee hij doelde op de
politiek correcte ouders die hun kinderen bewust naar een ‘gemengde’
basisschool stuurden. Met gemengd werd dan een tweedeling van minimaal 70
procent wit tegen maximaal 30 procent zwart bedoeld en gecreëerd door de
hoofdmeester van De Wielewaal die daar op de regionale buis schaamteloos voor
uitkwam. Want een basisschool moest een weerspiegeling zijn van de
wijkpopulatie. Van het beloofde land dat op de website pronkte met een
Wielewaalfonds waar ouders en andere sponsoren hun geldoverschot het hele jaar
door vrijwillig konden storten. Oprecht hoogst verbaasd vroeg Bart zich luid op
af:
‘Welk normaal
mens met een normaal inkomen heeft er nou zoveel geld dat hij of zij dat
vrijwillig in een basisschoolfonds gaat storten? Ik stuur mijn kind toch niet
naar een liefdadigheidsinstelling? Waar betaal ik eigenlijk belasting voor?
Krijgt de Wielewaal geen overheidssteun in de vorm van subsidie?’
‘Minder dan
Het Kleurenpalet’, grinnikte Thea die het bekende gemopper van Bart altijd met
een korreltje zout nam.
‘Dan moeten ze
eindelijk eens eerlijk toegeven dat de meeste kinderen van De Wielewaal
helemaal niet zoveel beter af zijn dan leerlingen van scholen in
achterstandswijken. Hele slimme ouders kunnen hele domme kinderen krijgen’,
raasde Bart op zijn oude, vertrouwde manier door.
‘Dat zei mijn
vader vroeger ook altijd en weet je wat ik dan zei?’
‘Nee, vertel,
vertel’, vroeg Bart gekalmeerd.
‘Dan zei ik,
zijn dochter dus; Klopt pap, en hele domme ouders kunnen ook hele slimme
kinderen krijgen’.
Bart reageerde
met een schalks lachje en vroeg:
‘En hoe voelde
dat nou om ook eens een keer gelijk te hebben?
‘Gelijk hebben
en gelijk krijgen zijn twee verschillende dingen’, gniffelde Thea.
Toch was Thea
evenmin gecharmeerd van het decadente ‘Wielewaalfonds’ op de hoegenaamd
‘gemengde’ basisschool in de witte wijk voor beter gesitueerden. Ook het op de
website uitgebreid beschreven ‘pestprotocol’ en de ‘plusgroepen’ voor het
verschijnsel ‘meerbegaafdheid’ bij veel kinderen uit de nette buurt stonden
haar tegen. In hun kinderjaren bezochten Bart en zij, los van elkaar, doorsnee
basisscholen. Zonder franjes in arbeiderswijken die krioelden van gezinnen met
ouders zonder diploma’s en met lage inkomens. Sommige klasgenootjes van vroeger
waren goed terecht gekomen en anderen niet. Een mens wordt primair gevormd door
levenservaring. Slim dat ben je of dat ben je niet. Ook op een basisschool
zonder plusgroep en zo wel dan misschien zelfs wel ondanks een
voorkeursbehandeling. En wat was het effect van de aanwezigheid van een
pestprotocol op een basisschool? De bedoeling was zelfs Thea duidelijk; het
donderjagen van kinderen moest aan banden gelegd worden. Maar het eerste kind
dat voor, tijdens of na het jennen doordrongen is van de gevolgen van de
volwassen regeltjes van een protocol, oftewel een juridisch onderbouwde
gedragsovereenkomst, moet volgens Thea nog steeds gemaakt worden. Wat was er
gebeurd met de naleving van de simpele stelregel:
Goed voorbeeld
doet goed volgen?
Bij een
pestprotocol dacht Thea eerder aan symptoombestrijding. Kennelijk broeide er
stiekem een hoop wrok onderling bij de welgestelde, hoogbegaafde kindertjes van
De Wielewaal. Of werden hier eigenlijk de papa’s en de mama’s gepamperd?
Daartegenover werd er op de website van Het Kleurenpalet met geen woord gerept
over een plusgroep of een stappenplan bij eventuele treiterijen onderling. En
het woord ‘pestprotocol’ hoorde Thea de directrice van Het
Kleurenpalet dan ook niet uitspreken:
‘Pesten wordt
niet getolereerd op Het Kleurenpalet. Wij onderhandelen niet over onaangepast
gedrag maar propageren een ‘lik op stuk’ beleid dat we zelden tot nooit in
praktijk hoeven te brengen.’
De directrice
van Het Kleurenpalet heette Sarah en ze had niet alleen de instelling maar ook
het voorkomen van een gouvernante uit films die gesitueerd zijn in het midden
van de negentiende eeuw. Ook bij deze basisschool plaatste Thea haar twijfels.
Niet vanwege de leerlingen van 24 verschillende nationaliteiten, of het
gigantische, gedateerde schoolgebouw met alle benodigde voorzieningen. Wel
vanwege de extreem strenge, gecontroleerde ouderwetse kostschoolsfeer en de
fanatieke directrice die overduidelijk niet alleen uit noodzaak met ijzeren
hand regeerde. Sarah genoot zichtbaar van haar macht, of zelfs van de schijn
ervan, want later leerde Thea dat haar regime veel minder ontzagwekkend was dan
ze tijdens een eerste ontmoeting in haar hoedanigheid van directrice graag deed
voorkomen. Bijna direct wierp Sarah zich op als een vertrouwelinge en
beschermvrouwe van kinderen met een Nederlandse nationaliteit in een wirwar van
diversiteit en uiteenlopende culturen op haar van oorsprong katholieke
basisschool. Sinds de invoering van het routeboekje en de bijbehorende
volkswijkverhuizing was het groepje kinderen met maar één thuisland op het
Kleurenpalet beperkt tot een handjevol verdwaalde inboorlingen. Sabine en
Walter incluis. Tenminste als zij zich in de nabije toekomst tot het brede
spectrum van tinten binnen het Kleurenpalet zouden mogen rekenen van hun
ouders. Bart en Thea dus. Aan de gretige directrice zou het in ieder geval niet
gelegen hebben. Het was alsof Sarah hoopte dat dankzij haar rol als patrone haar
macht als vanzelf zou erotiseren in de buurt van Thea. Maar Thea heeft zichzelf
nog nooit op lesbische gevoelens kunnen betrappen en voelde zich hoe langer hoe
onbehaaglijker in het vizier van Sarah. Maar dit terzijde, want ze ging
uiteindelijk toch overstag. Echter pas na de terloopse kennismaking met de
directeur van De Wielewaal. Het eerste oogcontact met een kleine gespierde,
vriendelijke man van middelbare leeftijd gaf wat Thea betreft al bijna de
doorslag naar, toch maar, Het Kleurenpalet. Zijn gedienstige uitstraling wekte
haar achterdocht. Deze man, die zich had voorgesteld als Peter, zou haar
ogenblikkelijk naar de mond praten indien zij daar prijs op stelde. En niet
alleen haar; maar alle ouders van de kinderen van De Wielewaal. Maar praatjes
vullen geen gaatjes en de nederige houding van deze meneer Peter deed een
verholen egocentrisme vermoeden dat hij op den duur onverbiddelijk zou laten
prevaleren. Zoals ieder toeschietelijk mens met een gezonde dosis
overlevingsdrang.
Het kleine
gebouw straalde dezelfde twijfelachtige inschikkelijkheid uit. De locatie van
De Wielewaal in het stadscentrum was compacter en verstikkender dan de ruime
ligging in een groene spoorkuil van basisschool Het Kleurenpalet. Tijdens een
korte rondleiding door De Wielewaal werd Thea bovendien overvallen door de
povere sfeer in de gangen. Ze zag minder extra leermiddelen; zoals computers
voor algemeen gebruik en digiborden in de klaslokalen om zich heen dan op Het
Kleurenpalet. In het bijzijn van directeur Peter van De Wielewaal verbaasde
Thea zich openlijk over dit markante verschil tussen wit en zwart.
Gedesillusioneerd mimede directeur Peter het geldgebaar door ronddraaiende
wrijfbewegingen met wijsvinger tegen duim in de lucht. De schuld was het opgelegde
positieve discriminatiebeleid van overheidswege. Hierdoor konden basisscholen
zoals Het Kleurenpalet in achterstandswijken, zonder grotendeels
geprivilegieerde kinderen zoals op De Wielewaal, juist probleemloos
over extra ondersteuning in de vorm van additionele subsidie en aanvullende
leerkrachten rekenen. Directrice Sarah van Het Kleurenpalet ging er zelfs prat
op. Ze blies haar wit gebloesde en gebobbelde borstkas op en sprak honend over
de jaloezie van zogenaamde ‘witte’ scholen op het gemak waarmee ‘Het
Kleurenpalet’ de gemeentezaakjes regelde. Ze trok er een gezicht bij alsof ze
eigenlijk wilde zeggen:
‘En Het
Kleurenpalet dat ben ik en ik ben Het Kleurenpalet.’
‘Toch mooi
meegenomen’, zei Thea die, ondanks haar erotische ongenoegen richting Sarah,
heel wat minder moeizaam met het markante hoofd van Het Kleurenpalet van
gedachten kon wisselen dan met de plooibare directeur van De Wielewaal.
Het gesprek
met Peter liep al snel spaak op zijn anekdotes over de geweldige ouderhulp- en
steun op De Wielewaal. Thea kreeg het er benauwd van en een overhaastige,
beleefd bedoelde, reactie, leverde een Freudiaanse verspreking op;
‘Nou, een hoop
kneuterigheid, eh, pardon gezelligheid dus’, babbelde ze quasi geanimeerd.
Peter bleek
Oost-Indisch doof voor haar weerzin en antwoordde onverminderd, enthousiast:
‘Jazeker,
ongekend. De Wielewaal is net een dorp!’
Hij had haar
ook naar de keel kunnen grijpen. Het effect zou hetzelfde geweest zijn. Thea
snakte naar frisse lucht en besloot op dat moment ter plekke onvermurwbaar dat
haar kinderen in geen geval naar De Wielewaal zouden gaan.
Voor haar
schuift een mede-ouder een formulier onder haar neus. Hij heeft zich een halve
slag omgedraaid in de schoolbank. Zijn dubbele kin rust op zijn schouder
terwijl hij haar onderzoekend blijft aankijken.
‘Even
controleren’, verduidelijkt hij uitnodigend.
De vrouw naast
hem stoot hem berispend aan, waarop de vader prompt weer in het gareel schiet.
Loom kruipt Thea uit haar onderuitgezakte houding en leest haar naam,
emailadres en mobiele nummer. Check.
‘Zijn er nog
vragen?’, vraagt de ervaren mentor.
Betrapt
wappert Thea met de lijst in de lucht. Achter haar zijn de schoolbanken leeg.
Ze voelt zich weer 15 jaar. Ze heeft niet opgelet. Uitdrukkingsloos neemt de
jongste mentor het formulier van Thea over. Omdat iedereen in beweging komt,
maakt Thea ook aanstalten om het lokaal te verlaten. Nu de ouderavond officieel
ten einde is, worden de twee mentoren belaagd. Thea moet zich door een
afwachtende ouderrij wurmen om buiten te komen. In het trappenhuis stuiven
ouders van alle kanten aan haar voorbij en echoën voetstappen en stemmen van
lachende en pratende mensen. Thea zit nog steeds in een tijdreis van meer dan
30 jaar geleden. De rommelige atmosfeer, de kleverige leuningen, het vaalgele
linoleum in de hal en de gangen, met de versteende kauwgumvlekken. Ook op de
granitotraptreden; oud, onverslijtbaar en ontelbare keren met voeten getreden.
De snerpende geur van cafeïne in de atmosfeer vermengd met weeïge urinelucht
uit de openbare toiletten. Hier heeft de tijd stil gestaan. Ook al zat Thea pak
weg 33 jaar terug niet op deze middelbare school en woonde ze in een andere
stad. Beneden gekomen staat ze onverwacht oog in oog met Pim. De vader van
Melvin. De man met wie Thea zo’n zestien jaar geleden een kortstondige relatie
heeft gehad. Ooit was ze intens verliefd op hem geweest. Een zonde van weleer
en de tijd. Helaas niet anoniem genoeg om na een bondige groet verder te gaan.
Door naar de uitgang. De opengeslagen voordeuren van de school en de mistige
belofte van een huiselijke novemberavond lonken.
‘Kijk eens wie
we hier hebben’, zegt Pim mat.
‘Ben je
alleen?’, vraagt Thea haastig.
‘Nou jij windt
er ook geen doekjes om’, lacht Pim de grapjas.
‘Waar is je
nieuwe vriendin? Dingetje, kom hoe heet ze nou?’
‘Je bedoelt
Femke?’
‘Ja’.
‘Ze is thuis
bij haar puber. Waarom wil je dat weten Thea?’
Pim klinkt nu
al ongeduldig. Als vanouds.
‘Ga jij in je
eentje naar een ouderavond voor je stiefkind?’
Pim zucht.
‘Jij bent toch
ook in je eentje?’
‘Ja, maar ik
heb geen stiefkind’.
‘Grappig, dat
we meteen weer in het oude communicatiepatroon vervallen,’ grijnst Pim.
‘Doen we dat?’
‘Ja; ik stel
een vraag en jij plaatst een bijdehandte opmerking; weet je nog?’
‘Of ik stel
een tegenvraag; meestal een retorische’, smaalt Thea.
‘Trouwens,
mijn stiefkind gaat niet naar deze scholengemeenschap maar naar het stedelijk
gymnasium. Daar heeft Jasmijntje, mijn toppertje, ook haar diploma gehaald.
Vier jaar gelden, weet je nog?’
‘Ja, ook dat
weet ik nog. Ik weet wie Jasmijn is Pim. Ik ben nog niet aan het dementeren.’
‘Mijn
volwassen dochter ja; in tegenstelling tot mijn veertienjarige stiefdochter.’
Zoals
gewoonlijk twijfelt Pim aan de oprechtheid van Thea.
Nou ik moet
gaan’, zegt Thea, omdat ze zich ineens realiseert dat het haar al met al totaal
niet boeit wat Pim hier komt doen.
‘Ik ben hier
voor Melvin’, zegt Pim snel, alsof hij toch nog iets op zijn lever heeft en wel
even gauw, gauw zijn hart bij haar wil luchten.
Nou zou Thea
de kwetsbaarheid van haar ex maar al te graag uit willen buiten, ware het niet
dat het geciteerde verbeterpunt in dit geval Melvin is. Haar Betuwe Flipje.
‘Melvin zit
toch ook op stedelijk gymnasium, of ben ik nou toch in de war?’
‘Melvin zat op
het stedelijk. Na de kerstvakantie komt hij naar deze scholengemeenschap’,
antwoordt Pim terneergeslagen.
Hij laat zijn
schouders erbij afhangen
‘Kom op Pim,
er is leven na het stedelijk gymnasium’.
Melvin was nog geen 2 jaar geweest toen Thea de lift naar beneden in de vrijgezellenflat van Pim voor de laatste keer nam. Jasmijn was net 7 en bleef haar roerloos staan nakijken in de deuropening met een half openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, die Thea vanaf dat moment nooit meer op een onbewaakt ogenblik zou kunnen overweldigen. Thea was niet alleen verlost van Pim maar ook van 2 kinderen die zij niet gebaard had, maar waar ze wel mee zat opgescheept op alle oneven kalenderweken van dat memorabele jaar waarin ze samen met Pim de vrijgezellenflat had gedeeld. Soms. Pim was er bijna nooit. Zeker niet als zijn kinderen op zijn slaapkamer sliepen en de zithoek bij de televisie onveilig maakten. Dan moest hij invallen voor collega’s, heel veel boodschappen doen en vooral in ploegendiensten werken, wat heel moeilijk te controleren was, want Pim was toentertijd naast fulltime fysiotherapeut ook stand-by in het geval van calamiteiten bij een vooraanstaande sportclub. Toen hij na een jaar ineens ook niet langer de moeite nam om tenminste nog ’s nachts naast Thea en zijn dochter Jasmijn in bed te kruipen, was zij haar opgelegde moederrol beu. Thea ziet zichzelf nog staan in het holst van de nacht aan het hoofd van het ledikantje dat op de centimeter nauwkeurig in de ruimte tussen het tweepersoonsbed en de vensterbank geperst was. Melvin hing zwaar in haar armen; zijn koortsige, warme lijfje nog naschokkend van zijn hartverscheurende smeekbedes om zijn mama die in zijn dromen was verschenen. De heimwee en zijn tranen hadden hem uit zijn slaap gerukt. Zijn bezwete kopje rustte op haar schouder, terwijl hij verwoed op zijn fopspeen sabbelde. Het kuifje van Betuwe Flipje kriebelde aan haar linkeroor. Ze rook de grote boodschap in de warme, zware luier die ze met haar rechterhand omvatte. Jasmijn was ook wakker. Ze zat rechtop in bed en moest plassen en wat drinken en huilen. Verwezen keek Thea om zich heen in de half verduisterde kleine, klamme slaapruimte. De uitstraling van het nachtlampje in de vorm van een grijnzende, grimmige Mickey Mouse in combinatie met de straatlantaarnverlichting door de onbedekte streepjes van de luxaflex wekte de illusie van een betonnen, kille gevangeniscel. Abrupt nam Thea het besluit. Ze deed het grote licht in het slaapvertrek aan, stuurde Jasmijn naar het toilet, verschoonde Melvin, kleedde hem aan en liet hem rechtop staan in zijn babybedje. Fopspeen in zijn mond. Tevreden mummelend bleef hij haar met zijn grote, blauwe, guitige kalverogen volgen, terwijl Thea stug verder modderde door het piepkleine appartement. Jasmijn werd aangetod met de prijzige, modieuze vodden waarin haar moeder haar placht te verpakken. Aan het minikeukenblok kreeg ze een glas Karvan Cevitam. Jasmijn protesteerde en jengelde zoals gewoonlijk, maar zij liet zich niet meer vermurwen door dat treurige hoopje minimens dat zich terecht niet liet afschepen met een surrogaatmoeder in de hoedanigheid van Thea die geagiteerd haar weekendtas vulde met kleren en toiletspullen. De cd’s en boeken mocht Pim houden. Om 5 uur in de morgen waren zo goed als alle sporen van 26 zorgzame weken van de kant van Thea uitgewist en bleef ze in de zithoek op een fauteuil naast de televisie zitten wachten. Jasmijn en Melvin sliepen alweer. Aangekleed en wel.
Ruim 4 uur
later stak Pim de sleutel in het slot van de voordeur. Melvin sliep rustig
verder, maar Jasmijn was al langer dan een uur geleden voor de tweede keer
wakker geworden en had zich omringd met verantwoorde kinderliteratuur. Ze
bladerde ongeïnteresseerd in de lees- en prentenboeken en riep herhaaldelijk
vanuit de slaapkamer dat ze allang op school had moeten zijn.
‘Komt goed
Jasmijn’, herzei Thea wel 20 keer. Onbeweeglijk. Uit angst dat anders de pas
gemetselde muur, die ze in de afgelopen honderden minuten zorgvuldig om zich
heen had gebouwd, weer zou afbrokkelen voor dat kleine, verdrietige
meisje.
Bij de aanblik
van haar vader schoot Jasmijn uit bed; richting Pim en klampte zich aan zijn
heupen vast. Ze ketste met haar neus af op zijn getrainde spierbuik.
Overdonderd ontdeed Pim moeizaam zijn volprezen billen van de zuigende
tentakeltjes van zijn dochter en staarde Thea niet begrijpend aan. Hierop greep
zij woordeloos haar boeltje en maakte dat ze wegkwam.
‘Gaat Melvin
naar 4 of 5 HAVO?’
‘We mogen in
onze handjes knijpen als Melvin dit jaar op deze school eindexamen VMBO theorie
haalt. Hopelijk kan hij dan volgend schooljaar doorstromen naar de Havo. Maar
dat is koffiedik kijken.’
Thea haalt
haar schouders op en kijkt Pim veelzeggend aan. Pim wendt zijn hoofd af en
murmelt:
‘Je weet hoe
zijn moeder is.’
Het doet
onveranderd zeer:
‘Houd toch op
Pim. Gaat het jou nog steeds om Beau? Vermoeiend hoor, na al die jaren. Moet ik
je nou troosten of zo? Wat is de nederlaag? Deze openbare middelbare school?
Dezelfde gemengde middelbare school als waar Bart en ik onze kinderen
vrijwillig naar toe sturen? Trouwens waar is Beau?’
‘Overzee’.
‘Typisch’.
Pim zucht een
tweede keer
‘Beau heeft al
jaren een bed and breakfast in Oxford.’
‘The city of Morse’.
‘Wat?’
‘Och niks. Dat
is iets tussen Bart en mij. Het gaat toch niet om Beau, maar om Melvin?’
‘Dat is iets
tussen Beau en mij’,
Pim blaat het
toontje van Thea na alsof hij in z’n ego is aangetast
‘Prima’, zegt
Thea, terwijl ze tegelijkertijd Pim haar rug toekeert en in de richting van de
uitgang begint te lopen.
‘Het gaat niet
goed met Melvin!’, roept hij haar zorgelijk na.
‘Het is hem
niet aan te zien’, antwoordt Thea luid en duidelijk over haar schouder.
Pim haalt haar
in en vraagt hijgend:
‘Hoe weet jij
dat?’
‘Melvin komt
regelmatig op bezoek; hij lijkt op je.’
‘Is dat een
compliment?’
‘Wat jij
wilt’.
Thea blijft
doorlopen en star voor zich uitkijken. Pim volgt haar tot aan haar auto op de
parkeerplaats bij de school.
‘Waarom komt
Melvin bij jou op bezoek?’
‘Gewoon; weet
ik veel; voor de gezelligheid denk ik.’
Thea zoekt in
haar schoudertas naar haar autosleutels.
‘Bij jou
thuis?’
‘Ja, Pim, bij
mij thuis’, herhaalt Thea nadrukkelijk, terwijl ze een verbaasde Pim recht in
de grote ogen kijkt.
‘Wat doet
Melvin bij jou thuis?’
‘Niets
bijzonders ontbijten, douchen, chillen.’
‘En, dat vind
jij normaal?, stamelt Pim.
Thea heeft
haar autosleutels gevonden en met een druk op de knop van haar
afstandsbediening opent ze het portier met de bekende plop.
‘Wat houdt dat
‘chillen’ in als ik vragen mag?’
‘Weet ik veel,
hij gamed weleens met Walter of Sabine; of hij bemoeit zich met klantjes van
‘Huiswerksterk’.’
‘Met wat?’
Thea gaat
achter het stuur zitten. Ze start de Renault. Pim houdt het portier tegen.
Geërgerd schudt Thea een paar keer met het hoofd alsof ze haar herseninhoud op
moet schudden.
‘Is dit een
sollicitatiegesprek? Ik geef nog steeds huiswerkbegeleiding. Mijn
bijverdiensten zijn niet opgehouden nadat jij jouw kinderen niet meer goed
genoeg vond voor mijn inspanningen.’
Waarom Thea
zich in een beschamend verleden ooit tot Pim aangetrokken heeft gevoeld wordt
met het verstrijken van de jaren een steeds groter vraagteken, want hij heeft
nooit moeite gedaan om haar te begrijpen. Niet tijdens hun ondefinieerbare
relatie en niet na haar vertrek. Maar Jasmijn en vooral Melvin hadden last van
de roulerende volwassenen in hun dagelijkse routine. De oppasmallemolen. Opa’s
en oma’s, ooms en tantes, vrienden en kennissen; mama en haar nieuwe liefde of
papa en zijn scharreltjes en allemaal op steeds wisselende locaties. Thea moest
niet vergeten dat kinderen wel behoefte hebben aan structuur, consequentie en
stabiliteit. Het liefst had Pim haar gewoon tot de orde geroepen. Maar dan in
dienst als kinderjuf; dat voelde Thea ook wel. Daar Pim zich echter nooit zou
laten kennen, verzon hij de noodzaak van bijlessen voor Jasmijn en Melvin
tijdens hun basisschooljaren. Driehonderd euro per maand voor een remedial
teacher in de vorm van een veredelde oppas. In het begin nog zwart en met de natte
vinger. Toen dat vruchten begon af te werpen en de twee kinderen hoe langer hoe
beter presteerden op school, wilde vooral moeder Beau, de enige echte ex-vrouw
van Pim, meer resultaten zien. De bijlessen werden stampwerk. Rekenen, taal en
wereldoriëntatie oftewel algemene ontwikkeling. Oefenen, oefenen en nog eens
oefenen. Sommen, ontleden, dictee, topografie, tekst verklaren, de tafeltjes
van buiten knallen en vooral ‘oefentoetsen maken’. Citotoetsen. De één na de
nader. Thea plukte ze kosteloos van het internet, downloadde en printte de
opdrachten om ze vervolgens te bundelden. Voor Jasmijn in een roze mapje. Voor
Melvin met een blauwe omslag. De antwoorden hield ze zelf, want die had ze
hoognodig bij het nakijken. In het huis van Thea en haar nieuwe partner Bart
golden de wetten van Thea en die strookten niet met het reguliere pedagogische
verantwoorde circuit. Net als de kilo’s roomvanille kabelspekken, Engelse drop,
Haribo gummieberen en chips die tijdens de jarenlange bijlessen verorberd
werden; weggespoeld met liters Coca Cola of Fanta onder het genot van de
laatste buurtnieuwtjes, sappige basisschoolroddels en de meest melige moppen en
raadsels die eigenlijk niet door de beugel konden. Bart, die Pim wat Thea
betreft in geen tijd overschaduwde, bleek voor een prikje IPads op de kop te
kunnen tikken. Hij werkte toen ook al in een rekencentrum en heeft altijd
makkelijk toegang tot en een zwak voor allerlei technische
gadgets gehad. Daar maakten Thea en haar 2 thuisleerlingen dankbaar
gebruik van. Spelenderwijs. Thea achter haar laptop en Jasmijn en Melvin met
ieder een IPad. En hoewel Thea het veel minder nauw nam met het
stampwerk dan Pim en vooral zijn ambitieuze vrouw Beau dat graag hadden gezien,
scoorden zowel Jasmijn als - vijf jaar later - Melvin belachelijk hoog bij de
eindtoets van groep 8. Thea had ze alle twee figuurlijk het stedelijk gymnasium
in gestampt. Daarna was het uit met de pretletters en de cijferkoekjes en moest
Thea haar maandelijkse extraatje ergens anders vandaan zien te halen. Gelukkig
had ze in de loop van haar lesjaren met Jasmijn en Melvin een reputatie op
weten te bouwen als een succesvol huiswerkbegeleidster bij minder
klassenbewuste ouders. Zij waren wel bereid om ook tijdens de middelbare
schooltijd van hun kind 100 euro per maand neer te tellen voor de
ondersteuning van Thea. Wit deze keer. Thea was zeker van haar zaak. En nee, ze
was geen gediplomeerd onderwijzeres of lerares, maar had een H.B.O. opleiding
genoten en afgerond. Bovendien was ze, boven haar eigen verwachting, kennelijk
in staat om twee kinderen met een gangbaar intelligentie quotiënt het stedelijk
gymnasium in te loodsen. Op eenzelfde soort manier zou die middelbare
schoolstof ook wel bij elkaar te vegen zijn. Na een afgeronde
bijscholingscursus was Thea nu alweer vijf jaar, na aftrek van de belasting,
verzekerd van zo’n 750 euro extra per maand. Dankzij gemiddeld 10 kandidaten
per schoolsemester die bij haar thuis aan de keukentafel schoven en officieel
door Thea ‘Huiswerksterk’ werden gemaakt.
‘Dus jij wilt
beweren dat Melvin interesse heeft in jouw onderneming in huiswerkbegeleiding,
terwijl hij zijn eigen huiswerk jarenlang compleet heeft verwaarloosd?’
‘Misschien is
hij verliefd op Sabine of op de één van de meisjes van Huiswerksterk?’, oppert
Thea welwillend, omdat ze zich, tot haar schaamte, nooit noemenswaardig
verdiept heeft in de beweegredenen van Melvin om bij haar op bezoek te komen.
Er komen
dagelijks zoveel middelbare schoolkinderen bij haar over de vloer dat Thea
feitelijk gestopt is om te differentiëren. Nou ze er noodgedwongen enigszins
over nadenkt is de chronische aanwezigheid van Melvin in haar leven inderdaad
allerminst ‘normaal’ te noemen. En Melvin en Sabine zien elkaar amper staan,
dus van een eventuele extra erotische dimensie, is al helemaal geen sprake. Dat
ziet zelfs een blinde. Voor de volledigheid gaat Thea in haar hoofd ook even
het huidige bestand van Huiswerksterk na. Twee meisjes maar dit semester. Eén
Islamitisch meisje met een hoofddoek dat zoveel plichtsbesef
uitstraalt dat zelfs Thea er ongemakkelijk van wordt en een kinderlijk typetje
met strikjes in het haar en een boekentas van het merk ‘Hello Kitty’ met een
troetelbeertje aan het handvat. Duidelijk geen van tweeën potentiele
kandidaatjes voor een toughie als Melvin.
‘Vanzelfsprekend’,
spot Pim.
‘Of misschien
is het m’n webshop’, oppert Thea aarzelend.
‘Dat vindt hij
ook wel interessant, mijn webshop in retrospullen.’
Met zijn vrije
hand slaat Pim tegen zijn voorhoofd:
‘O ja,
natuurlijk; de webshop van Thea met haar besmettelijke passie voor de
retrokunst.’
‘Ben je
klaar?’
Beledigd zet
Thea de pook in de eerste versnelling en ontgrendelt bruusk de handrem.
‘Hey, kan
Melvin misschien ook weer bij jou in de leer? Als hij kennelijk toch al zo vaak
bij je thuis rondhangt?’, stelt Pim plompverloren voor.
Er klinkt
zowaar een serieus ondertoontje door zijn overheersende cynisme.
‘Weet je zeker
dat Femke het geld voor bijlessen aan Melvin wel kan missen?’
Pim leunt
tegen het portier met zijn mond vlak bij haar oren. Ze tuiten als hij uitroept:
‘Wat heb jij
toch tegen Femke. Ik dacht dat jij zo jaloersmakend gesetteld was met Bart en
die huiselijke gezelligheid die mijn zoon kennelijk ontbeert?!’
‘Ik begrijp
van Melvin dat Femke erg zuinig is’, antwoordt Thea stoïcijns.
‘Ze gooit geen
geld over de balk Thea. Als je dat suggereert. Trouwens zij hoeft de bijlessen
van Melvin niet te betalen. Dat doe ik. Melvin is mijn zoon. Wat gaat me dat
kosten?’
‘Dat moet ik
even nakijken. Thuis. Daarvoor moet jij me naar huis laten gaan. Goed?’
Demonstratief
drukt Thea het gaspedaal in. De Renault loeit. Met tegenzin trekt Pim zich
terug en slaat met een klap het portier dicht. Hij gaat op zoek naar zijn eigen
auto. Kort daarna hoort hij tot zijn verbazing de Renault afslaan. Als hij
omkijkt ziet hij dat Thea haastig uit de auto stapt. Alsof ze nog iets aan hem
kwijt wil. Achter haar klinkt het autoslot. Verwachtingsvol gaat Pim alvast in
de verdedigingshouding klaarstaan. Ze komt recht op hem aflopen, terwijl ze
haar sleutelbos met afstandsbediening in haar schoudertas keilt. In volle vaart
suist Thea geërgerd langs Pim af. Terug naar school, onder begeleiding van de
woorden:
‘Door jouw gedram zou ik glad vergeten dat ik nog een tweede ouderavond voor de boeg heb.’
HOOFDSTUK 3
Huiswerkbegeleiding
is vooral thuiswerk en ook voor haar webshop in retrospullen hoefde Thea haar
peuters niet naar een crèche te sturen.
‘Noem het toch
gewoon een webwinkel in tweede hands spullen’, stelt Bart vaak voor, omdat hij
maar niet wil snappen dat een treffende benaming veel minder artistiek overkomt
en dus niet zo lucratief zou zijn.
Met het
thuiswerk van Thea gaat natuurlijk wel de nodige administratie gepaard en die
deed ze vroeger tijdens de schaarse ogenblikken die Sabine en Walter op de
wijkpeuterspeelzaal doorbrachten. Thea was overstag gegaan voor twee ochtenden
in de week op dringend verzoek van het hoofd van de speelzaal die de potentiële
aanwinst van jonge kinderen als Sabine en Walter in de buurt standaard
doorkreeg via het consultatiebureau. Haar naam was Merel en ze was
een slecht opgemaakte, opgewaardeerde ervaringsdeskundige met een diploma van
een vage h.b.o. opleiding in de hulpverlening en een volwassen dochter. Ze had
een zichtbaar eetprobleem, ondergewicht en een nonchalante knot grijzend haar
die losjes bungelde in een lange rimpelige nek. Haar gezicht was getekend met
een zure uitdrukking. Vastgeroest in zo’n zeemlederen bruingele, verschrompelde
huid die bij veel verjaarde meisjes opdoemt na jarenlange buitenissige
zonaanbidding. Haar suède jas met elleboogstukken was lang met smoezelige
vlakken in beigetinten. Ze droeg een versleten canvas schoudertas met
protestbuttons uit de vorige eeuw. Op de momenten waarop Merel aanvankelijk van
zich deed gelden, door onverwacht op huisbezoek te komen, parkeerde ze haar,
ludiek met roze verf bekladde en met plastic bloemenkransen opgeleukte,
omafiets tegen de vensterbank van het huiskamerraam. Geen ontkomen aan het
geluid van het klikkende fietsslot en het hitsige tikken met het sleuteltje
tegen het raam. De aankondiging van de komst van Merel werd afgemaakt met een
korte maar krachtige druk op de deurbel. Huiverend haalde Thea zich het beeld
van een knokige heksenwijsvinger voor de geest Tegen beter weten in, maar uit
plichtsbesef liet Thea ten einde raad, het zenuwslopende hoofd van de
wijkpeuterspeelzaal de ruime doorzonwoning binnen dringen. Haar vinnige
aanwezigheid kwam voortdurend ongelegen. Merel installeerde zich in een stoel
aan de keukentafel, zonder zich van haar jas en schoudertas te ontdoen en liet
steevast 4 klontjes suiker en een schepje Completa in haar koffiemok
verdwijnen. Daarna begon het roeren; het aanhoudende kleppen van het lepeltje
tegen de binnenkant van de mok, terwijl ze Thea monsterde met een
achterdochtige vooringenomenheid:
‘Nee, doe maar
gewoon wat je altijd doet; let maar niet op mij.’
Thea liep zich
te verbijten in haar duster, terwijl ze de tweejarige Walter in z’n geliefde
loopstoeltje propte en de driejarige Sabine uit gemak in de huiskamer in een
boks voor de televisie zette. Teletubbies was net begonnen.
‘Misschien kun
je Sabine even niet in de boks zetten?’, opperde Merel bedillerig.
Thea negeerde
haar. Ze gaf Walter in zijn loopstoeltje een dubbelgevouwen witte boterham met
pindakaas in de hand. Die at hij tenminste:
‘Loopstoeltjes
zijn eigenlijk heel gevaarlijk; dat wist je denk ik niet zo goed, of wel?’
Thea
schokschouderde en ontweek Walter die als hij de kans kreeg de hele
benedenverdieping af sjeesde in zijn loopstoeltje van het merk Cars. Een zitje
in een knalrood autoframe op wieltjes met een kikkergroen plastic stuur, een
enorme gele toeter en witte neplichten in de vorm van ogen aan weerszijden.
Walter navigeerde het loopstoeltje met zijn mollige, bezige beentjes. Per
ongeluk sneed hij z’n moeder af en verloor zijn boterham ergens onderweg.
Gelukkig hing zijn speen aan een touwtje aan zijn hansopje voor het toehappen.
‘En uit het
vuistje eten kan ook niet altijd. Ik weet dat het moeilijk is, maar probeer nou
eens kritisch naar jezelf en je moederrol te kijken.’
Thea viel haar
in de rede:
‘Ik dacht dat
ik gewoon moest doen wat ik altijd doe en dat ik niet op je moest letten.’
‘Ja sorry,
Thea, meestal filmen we dit soort toestanden ook gewoon en die opnames kunnen
we dan samen terug zien. Dan kun jij als overbelaste moeder – want dat ben je,
dat zie ik heus wel aan de kringen onder je ogen - afstand nemen, snap
je? Dan heb je pas goed door dat jij je driejarige dochter Sabine
bijvoorbeeld in de boks, pal voor de televisie tekort doet. Niet expres. Je
bent gewoon oppelepop. Maar gaat zo’n ukkepuk spelen in de boks? Is er een
uitdaging? Ja, er ligt genoeg duur speelgoed. Overvloedig. En toch zijn die
bewegende beeldjes op het scherm natuurlijk veel te verleidelijk. Geen wonder.
Het aanbod blijft beperkt; want ja, een kind moet toch vrij kunnen rondlopen,
ontdekken, alle vijf de zintuigen gebruiken en spelenderwijs ontwikkelen en niet
alleen maar staren omdat het wordt opgesloten in een kooi.’
Thea liep
gewoontegetrouw even de huiskamer in om zich van de gemoedstoestand van Sabine
te vergewissen. Haar kleine handjes omknelden de houten boksrand. Ze wipte van
het ene beentje op het andere en zong zachtjes mee met de Teletubbies. Sabine
keek graag televisie. Bart en Thea hadden een ruime collectie kinderdvd’s voor
haar aangelegd. Sommige films had ze al wel 20 keer gezien. Zo kende ze het
complete script van de Lollifanten (Winnie de Poeh in Walt Disney uitvoering)
uit haar hoofd en kon ze ook bij Bambi met alle figuurtjes meepraten. Merel
ging gewoon verder met preken:
‘En Walter
moet zelf lopen. Niet in een loopstoeltje. En hij moet aan tafel eten. Een
bruine boterham en liefst niet met pindakaas, want je weet helemaal niet zeker
of hij allergisch is of niet.’
Bruusk opende
Thea de keukendeur. De herfstwind blies haar tegemoet en de deur wagenwijd
open. In de zak van haar duster vond Thea een pakje sigaretten en een
aansteker. Ze leunde uitgeput van de ingehouden woede met haar schouder tegen
de deurpost en inhaleerde diep. Na zo’n zestal onaangekondigde
bliksembezoekjes van Merel was de weerstand van Thea dan ook
volledig gebroken. Wat had het voor zin om zich te verzetten tegen
rekrutering van haar kinderen voor De Kleine Beer? Een gesubsidieerde speelzaal
op de hoek van de straat in haar achterstandswijk. Maar dat niet alleen! Op
deze peuterspeelzaal voelden de leidsters zich geroepen om de binnen
gehaalde peuters stuk voor stuk klaar te stomen voor hun stokpaardje: de
basisschool van de achterstandswijk. Het Kleurenpalet.
Want
Kleurenpaletwaardig werd een peuter zomaar niet. Hiervoor moesten de ukjes van
De Kleine Beer allereerst voor hun vierde levensjaar uit de luiers en zindelijk
zijn. Ten tweede moesten de Kleine Beergangers langer dan vijf minuten op een
stoel kunnen blijven zitten. En omdat driemaal scheepsrecht is, werd het derde
en tevens laatste leerdoel toegespitst op het, zonder al te veel morsen en
handen en voetenwerk, op een redelijk geciviliseerde manier naar
binnen schuiven van een fruithapje, boterham en melkdrankje. Dat
melkdrankje mocht dan uiteraard niet langer meer uit een knoei vaste gesloten
beker met tuitje genuttigd worden.
Alsof Thea in
haar thuissituatie helemaal nergens toe in staat was. Maar dat zag ze toch
verkeerd volgens Merel met het oog op het maatschappelijke belang van de
praatkring met leeftijdgenootjes en de bijbehorende inloopochtenden voor
mama’s. En niet te vergeten de speltherapie in groepsverband die onder moeders
rokken natuurlijk onmogelijke ervaringen bleven. En uiteraard mocht er vijftien
minuten vrij gespeeld worden. Liefst buiten. Ook bij regenachtig weer in
verband met de seizoensbeleving.
De ouders en
verzorgers werden voornamelijk geacht om zich kritiekloos te onderwerpen aan
het pedagogische inzicht van Merel met in haar kielzog een handje vol leidsters
met wie zowel het voetvolk als hun kroost maar net een klik moesten hebben. De
Kleine Beer werd simpelweg neergezet als een vereiste voor de hoognodige
socialisatie van wijkkleintjes die – te wijten aan hun asociale afkomst -
kennelijk vanzelfsprekend, zonder uitzondering, kampten met een taal, cultuur
en/of andere achterstand. Van Thea en Bart werd een inkomensafhankelijke
ouderbijdrage gevraagd die – gezien het restant van de ouders dat verder niets
anders dan uitkeringsgerechtigden telde - bij De Kleine Beer alleen
voor hen gold.
De Kleine Beer
was dan ook officieel een peuterspeelzaal in een achterstandswijk. Te herkennen
aan de ondersteuning in de vorm van extra leidsters van een relatief kleine
bende peuters. De verhouding was ongeveer één op zes. Zowel Sabine als Walter
bezochten De Kleine Beer op verschillende tijdsstippen, maar ze werden wel alle
twee bij Merel en juf Maaike ingedeeld. Daarnaast stond een ongeschoolde kracht
– in het geval van Sabine en Walter – Ilem met de hoofddoek - garant
voor het verschonen van luiers en het schillen, pellen en snijden van de
fruithapjes die bij de prijs waren inbegrepen. Tijdens de vakantie en
feestdagen liep de teller ook gewoon door. In het geval van Sabine en Walter
gemiddeld 200 euro per kind per maand. Voor 4 schamele uurtjes speelplezier in
de werkweek en een hoop gezeur aan het hoofd van Thea.
Sabine liet
zowel het regime van juf Merel als de toegewijde surveillance van onderjuf
Maaike veerkrachtig over zich heen komen. Ze vond makkelijk aansluiting bij de
12 kinderen in haar groep. Merel het peuterhoofd had uiteraard moeite met het
ongecompliceerde optreden van de dochter van Thea en Bart. Er kon namelijk ook
een dieper liggende oorzaak ten grondslag liggen aan de meegaandheid van
Sabine. Merel het peuterhoofd dacht aan een emotionele achterstand
of een andere vorm van blokkade. Thea deed alsof ze gek was en juf Maaike deed
met haar mee. Ze mocht dan wel één van de ondergeschikten uit het
peuterjuffenbestand van Merel het peuterhoofd zijn, maar ze had zelf drie
jongens grootgebracht en je kon haar nog meer vertellen. Tijdens een
ouderochtend vanaf de mamatafel viel het Thea voor het eerst op dat juf Maaike
kleine Sabine in bescherming nam door haar onopvallend naar zich toe te trekken
uit het immer dreigende vonnis van Merel het peuterhoofd dat overal in De
Kleine Beer op de loer lag. Gelukkig liet de aandachtspanne van Merel het
peuterhoofd nogal eens te wensen over. Zeker ten aanzien van de kids die niet
tot de favo’s van het opperhoofd gerekend mochten worden. Kinderen
zoals Sabine bijvoorbeeld. Gedurende de pieken van het opperhoofd zat Sabine
veilig op schoot bij juf Maaike. Sabine vertelde later dat ze wel:
‘meer
keertjes’
door juf
Maaike werd opgetild:
‘knuffelpauze’.
Nooit lang:
‘Kleine
keertjes.’
Thea kon wel
raden waarom. Merel het peuterhoofd was snel afgeleid door de aandachttrekkerij
van de over gebleven probleemgevalletjes om haar heen en ze had zo haar eigen
voorkeuren.
‘Ik heb
veertig jaar ADHD gehad zonder diagnose’, beweerde Merel het peuterhoofd
tijdens één van de vele ouderinloop ochtenden bij wijze van verontschuldiging
voor haar slordige betrokkenheid bij Sabine.
Thea geloofde
het graag, maar het viel haar wel op dat Merel het peuterhoofd met sommige
andere kleintjes wel langer dan 1 minuut kon haffelen, tutten, knuffelen en
babbelen.
‘Heb je nou
Ritalin dan Merel?’, knipoogde Thea naar Maaike, die openlijk geen partij wilde
of kon kiezen en haastig wegkeek .
Maar ze bleef
zich koppig ontfermen over peuters die de goedkeuring van Merel het peuterhoofd
niet konden wegdragen. Later leerde Thea precies waarom. Op een onbewaakt
moment kon Merel het opperhoofd onverbiddelijk en zelfs destructief optreden
tegen iedereen die haar pad kruiste en dus of juist ook tegen het merendeel van
haar kleine gastjes, waarvan de oudsten ocharm hooguit amper 4 jaar op deze
aardbol rondliepen. Zelfs haar lievelingetjes werden niet ontzien als Merel het
peuterhoofd zo ineens, onaangekondigd - ook tijdens ouderinloop ochtenden –
haar peuterspeelzaaldag niet had. Dan werd er gesnauwd en gedrild en overlapte
de ene afkoelingspauze de andere time-out in zo’n sneltreinvaart dat geen
peuter meer aan het speelkwartiertje toekwam. Sommige ukjes schoten na de
eerste uitbrander al, met ogen als pingpongballetjes en lam geschrokken, in een
paniekstuip. Anderen sprongen uit voorzorg automatisch in het gareel, omdat ze
stemmingswisselingen van het Merel peuterhoofdkaliber van huis uit
gewend waren. En een enkeling, zoals Sabine, haalde de schoudertjes op en
schuilde op haar hurken onder de hoge mamatafel in de hoek van de
peuterspeelzaal totdat de storm geluwd was. In die houding vond Thea haar
dochter meermaals terug tijdens het ophalen en dan wist moeder de vrouw wel
weer hoe laat het was.
Ook Walter
had maar weinig problemen met de andere peuters uit zijn speelgroep.
Toen hij gebeten werd op de peuterspeelzaal was het incident wat hem betreft na
2 minuten alweer vergeten. Thea had wat meer moeite met de oeruiting van het
bijtgrage vriendje. De tandafdrukken in de onderarm van Walter waren nog dagen
later getuigen geweest van losgeslagen agressie in de kinderschoenen. Daar kwam
nog bij dat het dadertje bij navraag een hartendiefje van Merel het peuterhoofd
bleek te zijn. Een half Marokkaans jongetje dat opgroeide in een éénoudergezin
met een Nederlandse moeder. Een potige, imposante volksvrouw in schaarse,
actuele kleding die Thea herkende van haar wekelijkse bezoekjes aan de markt in
het centrum van de stad. Ze had een lage, schorre stem en net niet genoeg
tattoos om haar ongeklede lading te dekken. Haar enige zoontje Arda was in de
ogen van de wereldvreemde Merel het peuterhoofd uiteraard het prototype van een
kansarm kereltje dat juist beschermd moest worden tegen een blaag als Walter. Hollands
welvaren dat tegen een stootje moest kunnen en dat overduidelijk niet op Merel
het peuterhoofd zat te wachten. Haar betuttelende aanpak werkte op de prille
zenuwtjes van Walter. Terwijl hij toch naar de peuterspeelzaal gestuurd werd om
spelenderwijs te leren socialiseren en niet om perfect te zijn. Misschien was
Merel het peuterhoofd met haar ‘peuterpubertijd’ als stokpaardje juist wel de
storende factor in plaats van Walter die de speelzaalperiode tussen zijn tweede
en vierde jaar echt heeft ‘overleefd’ in plaats van doorlopen. Maar achteraf
praten is makkelijker dan een situatie op het goede moment correct regisseren.
Niemand had openlijk wat op Merel het peuterhoofd aan durven merken. Niemand
behalve Thea en wie geloofde haar nou met haar apenliefde? Dus moest moeder
Thea op inloopochtenden vaak machteloos toezien hoe niet juf Maaike, zoals bij
haar dochter Sabine, maar Merel het peuterhoofd, haar zoontje tegen zijn wil
bij zich op schoot trok. Walter placht dan bij voorbaat de lippen strak opeen te
persen, zijn ogen te sluiten en kaarsrecht te blijven zitten. De handjes in
zijn schoot ineen geklemd. Want Merel het peuterhoofd begon in de nabijheid van
Walter steevast op hem in te praten op een tenenkrommende toon die ook bij Thea
het bloed deed koken. Maar Walter was te klein om zijn frustratie doelgericht
te stroomlijnen en zich in te houden. Walter reageerde vaak te luidruchtig,
ongedurig en boos in de buurt van Merel het peuterhoofd.
‘Je bent boos
he? Dat snap ik best hoor!’, toeterde Merel het peuterhoofd bijvoorbeeld met
toenemende kracht in het oor van Walter met die penetrante stem van haar.
‘Maar niet
alles draait om Waltertje. Ik snap best dat je dat zou willen. Ik wil ook best
dat alles om Merel draait. Maar dat is niet zo. Soms valt het mee en soms valt
het tegen!’
Ze ramde de
woorden stelselmatig via zijn gehooringang in de kleine hersentjes, terwijl ze
de greep om zijn lijfje verstevigde. Walter kneep zijn kijkers nog vaster opeen
tot gerimpelde streepjes; stopte zijn wijsvingertjes in de oortjes
en begon te brullen. Steeds harder en wilder. Het snoetje werd eerst roze, toen
rood en vervolgens paars en bewoog mee op het ritme van zijn protestuitingen.
Oerkreten. Totdat Merel het peuterhoofd hem ten einde raad en overschreeuwd uit
haar klauwen en schoot verloste. Gekalmeerd distantieerde Walter zich van de
toestanden en zocht met een betrokken, behuild gezichtje, de vuistjes gebald en
nog na snikkend, een uitweg bij het spel van zijn leeftijdgenootjes of soms bij
een overdonderde Thea. Tenminste als Thea toevallig op het juiste moment op de
speelzaal aanwezig was om Merel het peuterhoofd op haar onkunde te betrappen.
Op navraag thuis liet Walter nooit wat los over Merel de peuterjuf, maar juf
Maaike vond hij aardig. Dus waarschijnlijk fungeerde juf Maaike in noodgevallen
ook voor Walter als uitvalbasis voor de invasies van Merel het peuterhoofd op
De Kleine Beer. Net als bij Sabine die in een andere peuterploeg, voor
gevorderden, nog steeds uit de wind ging zitten. Maar Walter daarentegen liep
juist tegen de wind van de preken en valse intonatie in. De gespleten
persoonlijkheid van Merel het peuterhoofd werkte op hem als een rooie lap op
een stier. Hij reageerde direct. Woest, driftig, kont tegen de krib. Dat viel
op en Merel het peuterhoofd was diep in haar peuterjuffeneer aangetast. Ze had
de knoet er bij al haar kleine grut onder, behalve bij Walter. Wat Merel het
peuterhoofd betreft zat Waltertje dan ook helemaal fout. Altijd en overal.
Waltertje was de gebeten hond. Zo ook in het geval van het bijtincident met een
medepeuter, waaraan Walter dus die melktandafdrukken in zijn onderarm had
overgehouden:
‘Ik heb het
niet zien gebeuren, maar wat wil je nou!? Arda is een jongetje. Mijn handen
zijn gebonden, want alle echte jongetjes bijten nou één maal’.
‘Walter niet’.
‘Dat zegt
genoeg’.
‘Dat komt
natuurlijk omdat jij weet wat echte jongetjes zijn’, sneerde Thea.
Ze moest zich
telkens weer geweld aandoen om alert op de botheid van Merel het peuterhoofd te
reageren, omdat ze steeds opnieuw geneigd was om, met stomheid geslagen over
het lompe gedrag van het peuterhoofd, in haar schulp te kruipen.
‘Nou ik ben er
anders helemaal niet blij mee’, zei de moeder van Arda die zich onverwacht in
de conversatie mengde.
Ze richtte
zich tot Thea, terwijl ze Merel het peuterhoofd met haar houding nadrukkelijk
buiten spel zette:
‘Sorry. Ik heb
de tandafdrukken in de onderarm van Walter gezien. Dat is niet normaal.’
Ze riep Arda
en Walter, die allang weer samen aan het spelen waren, bij zich. Het duurde
even, maar na drie keer manen wisten de ventjes zich van een houten trein los
te maken en sjokten via omwegen richting de moeder van Arda die aan de
mamatafel troonde. Ze greep de onderarm van Walter en hield de tandafdrukken,
die na vier dagen in even zoveel blauw gekleurde putjes getransformeerd waren,
onder de ogen van haar zoon.
‘Heb jij
gebeten Arda?’
‘Nee’.
‘Zeg maar
sorry tegen Walter’.
‘Sorry’.
‘Goed’,
antwoordde Walter, terwijl hij zijn onderarm uit de greep van Arda’s moeder
wurmde.
‘Lekkere
ventjes’, riep ze Walter en Arda vergenoegd na.
Twee
speelochtenden later was Arda ook het lieverdje van Merel het peuterhoofd af.
Hij had haar op een onbewaakt moment tegen de schenen geschopt. Letterlijk en
figuurlijk.
‘Dat maakt
veel goed’, concludeerde Bart voldaan.
Op de dag van
hun vierde verjaardag vertrokken nagenoeg alle peuters van de Kleine Beer naar
groep 1 van basisschool ‘Het Kleurenpalet’. Niet zozeer de ouders, maar veel
opa’s en oma’s plaatsten vraagtekens bij een keuze voor het zwarte stempel van
de wijk en de bijbehorende basisschool, maar eindigden na een korte
confrontatie met het eigen onvermogen en een ondoordringbare maatschappelijke
muur, als vanzelf toch weer met hun (klein)kind bij Het Kleurenpalet. Behalve
Thea en Bart.
Dochter Sabine
zou als enige voormalig misplaatste peuter van speelzaal ‘De Kleine
Beer’ ook op ‘De Wielewaal’ in de witte wijk een paar straten verder
terecht hebben gekund. Thea en Bart golden immers als hoog opgeleid en
kredietwaardig. Zij lieten zich niet afschrikken door de poespas van lastige
probleemstellingen en een papierdoolhof van aanvraag- en
identiteitsformulieren, zoals hun wijkgenoten. De opgeblazen reputatie van
basisschool De Wielewaal voor kinderen van zogenaamde ‘welgestelde’ ouders, was
echter wel aanleiding genoeg voor Bart en Thea om toch maar voor Het
Kleurenpalet te gaan. Vooral Thea voelde zich niet thuis bij die
zelfverheerlijking. Wel was ze sociaal intelligent genoeg om haar lippen stijf
op elkaar te houden over haar aanvankelijke, weloverwogen voorkeur voor Het
Kleurenpalet ten opzichte van De Wielewaal. Ze zou haar verhaal trouwens ook
niet kwijt gekund hebben aan de wandelende hoofddoekjes of de heupwiegende
tienermoeders om haar heen op het schoolplein en in de wandelgangen van Het
Kleurenpalet. Sowieso bleef 80 procent van de mede-ouders permanent onzichtbaar
op afhaal- en wegbrengmomenten, schooluitjes of andere bijeenkomsten. Dat leek
verdacht veel op desinteresse. Toch had de fysieke afwezigheid van veel ouders
op Het Kleurenpalet eerder alles te maken met de kenmerkende schoonmaak- of
andere werkzaamheden in ploegendiensten voor laaggeschoolden uit een
achterstandswijk. Onregelmatige diensten betekende een beroep op de ‘normale’
dagindeling van de gepensioneerden of anderszins uitkeringsgerechtigden.
Derhalve werd zowat driekwart van de papa’s en mama’s vervangen door
de oppasgrootouders van de ukjes. Vijftigplussers die peuterzaal De Kleine Beer
en later Het Kleurenpalet slechts vluchtig aandeden om het kleinkind snel te
brengen en in haast op te halen. De bijbehorende, veelbelovende, jolige,
tijdrovende peuterspeelzaalrituelen en/of buitenbasisschoolse
activiteiten voor en door ouders en verzorgers hadden deze ouden van dagen al
een generatie achter zich gelaten. Ongeacht het land van herkomst. Van de
resterende 20 procent van de zichtbare verzorgers sprak het overgrote deel niet
tot nauwelijks Nederlands of Engels en het restant - een zuinig
zwikkie inlandse papa’s en mama’s - was niet ouder dan twintig jaar. Meestal
voldeden ze prima aan het stereotype beeld van het luidruchtige tatoostel.
Johnny en Anita op Het Kleurenpalet en Henk en Ingrid op De Wielewaal.
Tenminste als ze niet al gescheiden of simpelweg uit elkaar waren door een
verbroken verkering. Zo nu en dan verscheen Johnny op de peuterspeelzaal met
een patroon in zijn opgeschoren kapsel. In slim fit merk jeans, Ralph Lauren
polo en Adidas trainers. Rechtstreeks van de sportschool met een houding alsof
hij op de doorreis was en zijn behoeftige peuter een overgewaardeerde
tussenstop. Anita dook zo vaak mogelijk bezitterig naast Johnnie op met een rij
piercings in oren en neus en met extensions in een enorme bos opgestoken
krullen. Ze liep danig naast haar originele Uggs. In haar huispak. Bling, bling
achter de buggy. Oppervlakkig en nooit om een praatje verlegen. Lawaaierig en
vol branie in de veiligheid van de veelkleurige kudde die het ouderbestand van
‘De kleine Beer’ typeerde.
Veertigers,
zoals Thea en de moeder van Arda, vormden overduidelijk de minderheid en werden
gedoogd. Met name Thea was vaak ook een bron van onbegrip en grote hilariteit.
Thea had geen tatoo’s, piercings, extensions of opgestoken krullen en een
mobiele telefoon van wel 3 jaar oud:
‘Wat heb jij
nou voor een prehistorisch ding?’
Zelfs de
aanwezige hoofddoekjes schaterden mee. Om pijnlijke situaties te voorkomen
reageerde Thea niet. Ze wist bij voorbaat dat elke kolderieke reactie of rake
tegenopmerking verkeerd zou vallen. Het was niet kwaad bedoeld. Maar wel
vermoeiend, omdat de onwennigheid bleef. Wederzijds.
Het
peuterspeelzaalhoofd was het bindmiddel. Want zoals mensen met een narcistische
persoonlijkheidsstoornis wel vaker van het ene uiterste in het
andere schieten; kon Merel naast ultra-irritant ook opmerkelijk onderhoudend
zijn en bleef ze een interessant aanspreekpunt voor iedereen die met haar
geconfronteerd werd. Als Merel het peuterhoofd zin had dan declameerde ze
verhaaltjes voor de peutertjes. Al naar gelang de stand van de tooi van het
opperhoofd soms op elke peuterspeeldag van wel zeven weken achtereen. Dan
weer twee maanden niet. Ze kon erg beeldend voordragen en al had Merel het
peuterhoofd zich overduidelijk laten inspireren door televisiehelden als Ome
Willem en meneer Kaktus; toch had ze een zeldzaam functioneel acteertalent dat
zeker niet zomaar iedere peuterjuf gegeven is.
Reden te meer
voor Merel het peuterhoofd natuurlijk om alle ouders, te allen tijde, welkom te
heten bij haar optredens op de peuterspeelzaal. Thea werd zelfs steevast op
persoonlijke titel mondeling uitgenodigd. Op een onbewaakt moment zei ze zo nu
en dan weleens toe. Dan liet Merel het peuterhoofd niet meer los en werd Thea
gegarandeerd aan de lopende band aan haar belofte, om naar de kunstjes van
Merel het peuterhoofd te komen kijken, herinnerd. Nodeloos te
vermelden dat Merel het peuterhoofd graag in het middelpunt van de
publieke belangstelling stond. Ze had een broer die bekend was van
de radio en televisie waarover ze tot vervelends toe opschepte. De enige bij
wie de naam van de beste man echter in de verte een belletje deed rinkelen was bij
Thea. Gevolglijk liet Merel het peuterhoofd geen kans onbenut om met Thea over
haar bekende broer in plaats van over Sabine en/of Walter te praten. Niet uit
trots, maar veel meer om aan te geven dat acteren in haar genen zat. Dus
indirect om over zichzelf te kunnen zagen. Merel het peuterhoofd had geen
peuterhoofd maar eigenlijk actrice moeten zijn. Ze kon er niets aan doen dat
haar aangeboren kunstzinnigheid bij vlagen opspeelde.
En op die
ongecontroleerde manier speelde er wel meer waartegen Merel niet gewapend was.
Sabine had bijvoorbeeld een hechte peuterspeelzaalvriendschap ontwikkeld met
Sandu; een driejarig jongetje van Roemeense afkomst. ’s Morgens werd hij
gebracht door zijn vader. Een nors, barbaars bouwvakkerstype. Bij binnenkomst
rende Sabine allang niet meer op haar vriendje af, omdat ze dan een Roemeense
grauw van senior kon verwachten. Hij bekeek Sabine alsof ze ongedierte was dat
eigenlijk maar beter vertrapt kon worden. Hij maakte al aanstalten door met
zijn bezoedelde werkschoen een reflexmatige schop in de richting van het kleine
meisje te geven. Thea protesteerde zwakjes. Voorzichtig, omdat ze
nog niet helemaal zeker was van het schouwspel dat zich zojuist voor haar ogen
had afgespeeld:
‘Hey, idioot
doe je dat thuis ook?!’
Merel het
peuterhoofd keek Thea vermanend aan, maar de vader van Sandu deed alsof hij
haar niet verstond. Zijn zoon hield hij bij zich. Zijn enorme kolenschop van
een poot omklemde de onderarm van het ventje dat geen krimp gaf en leeg voor
zich uit staarde. Totdat hij plotseling door papalief in het midden van de
peuterspeelzaal werd achtergelaten. Prompt leefde Sandu op en vond zijn weg
naar Sabine die hem hartelijk in haar speelkringetje opnam. Maar Merel het
peuterhoofd had eigenlijk liever niet dat Sandu met meisjes in het
algemeen en Sabine in het bijzonder speelde.
‘Ik vind
Sabine soms erg dominant. Als Sandu genoeg van Sabine krijgt, dan haal ik ze
uit elkaar. Dat is in het belang van beide kinderen’.
Thea stond
paf. Ze was razend. Was Sabine soms te min voor Sandu? Moest er weer naar de
pijpen van een uitheemse ouder gedanst worden? Zet dan niet twee geslachten
samen op één peuterspeelzaal als jongens en meisjes zo nodig gescheiden moeten
spelen. In de onderbuik van Thea woedde een orkaan van gekwetste emoties die zo
stormachtig waren dat ze geen zinnig woord kon uitbrengen. Haar kleine meisje,
de helft van het mooiste, liefste en meest onschuldige duo in haar moederhart,
moest juist bevrijd worden van de denkbeelden van zo’n sociopaat als de vader
van Sandu. Wat Thea betreft mocht hij met z’n gezin met het eerste het beste
vliegtuig terug naar Roemenië.
‘Laat ze terug
gaan naar hun eigen land’, foeterde Thea, omdat ze vond dat ze toch iets van
een protest aan de buitenwacht moest laten horen.
‘Je weet niet
wat je zegt’, suste Merel het peuterhoofd minzaam.
Pas in groep 1
van Het Kleurenpalet werd duidelijk dat Merel het peuterhoofd zich gewoon geen
raad had geweten met de vriendschap tussen de twee peutertjes. Sandu werd thuis
misbruikt. Sabine leefde in een stabiele gezinssituatie. Dus de positie van
Sandu had hoe dan ook prioriteit. Ondertussen verzon het kereltje een
spelletje. Tijdens de speelpauze moest Sabine in het openbaar plat op haar buik
gaan liggen en dan kroop Sandu bovenop haar en bleef minutenlang roerloos
liggen. Hierna vonden zijn grijpgrage handjes een weggetje via haar
spijkerbroekje in haar rode slipje met lieveheersbeestjesprint. Sabine
herinnert zich tegenwoordig nog dat Sandu dat jongetje was dat haar vaak
kietelde. Ze had geen seksuele associaties noch last van de lichamelijkheid van
haar vriendje. Ze had wel al snel in de gaten dat er iets niet pluis was met de
handtastelijke spelletjes, omdat Sandu en zij steeds vaker en langer door de
kleuterjuf van groep 1 uit elkaar werden gehaald. Tot op de dag waarop Sandu
ineens voorgoed uit groep 1 verdween. Vlak nadat een onervaren invalster
compleet was geflipt in het bijzijn van alle kleutertjes. De oorzaak van haar
hysterische aanval was Sandu. De invalster had hem stootbewegingen met zijn
bekken zien maken tegen de bipsjes van andere kleuters. Sabine kwam helemaal in
de war uit school. Haar maatje deed zo vaak van die rare dansjes. Waar was haar
vriendje ineens gebleven? Door zijn verdwijning werd ook Thea van de ene op de
andere dag geconfronteerd met het afwijkende gedrag van Sandu. Met terugwerkende
kracht laaide haar woede over de onkunde en arrogantie van Merel het
peuterhoofd weer op. Hoe had ze de socialisatie van haar Sabientje
ondergeschikt durven maken aan één of ander beschadigd jongetje? Op hoge poten
stapte Thea op de kleuterjuffrouw van groep 1 af die Sandu meteen met tranen in
de ogen in bescherming nam.
‘Denk jij niet
dat wij er alles aan doen om de situatie van Sandu te verbeteren?’
Giftig spuide
Thea haar gal:
‘Wat kan mij
die hele Sandu schelen. Mijn dochter zit hier toch niet op school om
blootgesteld te worden aan de vergroeide neigingen van een gemolesteerd
klasgenootje!’
‘Dat is
een spijtige bijkomstigheid, maar Sandu moet ook ergens blijven’.
‘Ja, uit de
buurt van mijn dochter’, kermde Thea.
Ontdaan hield
de kleuterjuf zich in en beet zwijgend op haar onderlip. Thea voelde zich
onterecht op haar nummer gezet, omdat haar intuïtie haar influisterde dat de
kleuterjuf naar beste geweten ageerde. Sabine heeft Sandu dan ook nooit meer
teruggezien. Toch zag Thea heus wel het dilemma. Ze was echt wel bereid geweest
zijn om Sandu een tweede kans met Sabine te gunnen zou die lugubere Roemeense
vader niet aan hem vastgezeten hebben. Sterker nog; Thea zou alle kinderen uit
probleemgezinnen oneindig veel kansen gunnen zonder hun achterban.
Huiswerkbegeleiding
is vooral thuiswerk en ook voor haar webshop in retrospullen hoefde Thea haar
peuters niet naar een crèche te sturen.
‘Noem het toch
gewoon een webwinkel in tweede hands spullen’, stelt Bart vaak voor, omdat hij
maar niet wil snappen dat een treffende benaming veel minder artistiek overkomt
en dus niet zo lucratief zou zijn.
Met het
thuiswerk van Thea gaat natuurlijk wel de nodige administratie gepaard en die
deed ze vroeger tijdens de schaarse ogenblikken die Sabine en Walter op de
wijkpeuterspeelzaal doorbrachten. Thea was overstag gegaan voor twee ochtenden
in de week op dringend verzoek van het hoofd van de speelzaal die de potentiële
aanwinst van jonge kinderen als Sabine en Walter in de buurt standaard
doorkreeg via het consultatiebureau. Haar naam was Merel en ze was
een slecht opgemaakte, opgewaardeerde ervaringsdeskundige met een diploma van
een vage h.b.o. opleiding in de hulpverlening en een volwassen dochter. Ze had
een zichtbaar eetprobleem, ondergewicht en een nonchalante knot grijzend haar
die losjes bungelde in een lange rimpelige nek. Haar gezicht was getekend met
een zure uitdrukking. Vastgeroest in zo’n zeemlederen bruingele, verschrompelde
huid die bij veel verjaarde meisjes opdoemt na jarenlange buitenissige
zonaanbidding. Haar suède jas met elleboogstukken was lang met smoezelige
vlakken in beigetinten. Ze droeg een versleten canvas schoudertas met
protestbuttons uit de vorige eeuw. Op de momenten waarop Merel aanvankelijk van
zich deed gelden, door onverwacht op huisbezoek te komen, parkeerde ze haar,
ludiek met roze verf bekladde en met plastic bloemenkransen opgeleukte,
omafiets tegen de vensterbank van het huiskamerraam. Geen ontkomen aan het
geluid van het klikkende fietsslot en het hitsige tikken met het sleuteltje
tegen het raam. De aankondiging van de komst van Merel werd afgemaakt met een
korte maar krachtige druk op de deurbel. Huiverend haalde Thea zich het beeld
van een knokige heksenwijsvinger voor de geest Tegen beter weten in, maar uit
plichtsbesef liet Thea ten einde raad, het zenuwslopende hoofd van de
wijkpeuterspeelzaal de ruime doorzonwoning binnen dringen. Haar vinnige
aanwezigheid kwam voortdurend ongelegen. Merel installeerde zich in een stoel
aan de keukentafel, zonder zich van haar jas en schoudertas te ontdoen en liet
steevast 4 klontjes suiker en een schepje Completa in haar koffiemok
verdwijnen. Daarna begon het roeren; het aanhoudende kleppen van het lepeltje
tegen de binnenkant van de mok, terwijl ze Thea monsterde met een
achterdochtige vooringenomenheid:
‘Nee, doe maar
gewoon wat je altijd doet; let maar niet op mij.’
Thea liep zich
te verbijten in haar duster, terwijl ze de tweejarige Walter in z’n geliefde
loopstoeltje propte en de driejarige Sabine uit gemak in de huiskamer in een
boks voor de televisie zette. Teletubbies was net begonnen.
‘Misschien kun
je Sabine even niet in de boks zetten?’, opperde Merel bedillerig.
Thea negeerde
haar. Ze gaf Walter in zijn loopstoeltje een dubbelgevouwen witte boterham met
pindakaas in de hand. Die at hij tenminste:
‘Loopstoeltjes
zijn eigenlijk heel gevaarlijk; dat wist je denk ik niet zo goed, of wel?’
Thea
schokschouderde en ontweek Walter die als hij de kans kreeg de hele
benedenverdieping af sjeesde in zijn loopstoeltje van het merk Cars. Een zitje
in een knalrood autoframe op wieltjes met een kikkergroen plastic stuur, een
enorme gele toeter en witte neplichten in de vorm van ogen aan weerszijden.
Walter navigeerde het loopstoeltje met zijn mollige, bezige beentjes. Per
ongeluk sneed hij z’n moeder af en verloor zijn boterham ergens onderweg.
Gelukkig hing zijn speen aan een touwtje aan zijn hansopje voor het toehappen.
‘En uit het
vuistje eten kan ook niet altijd. Ik weet dat het moeilijk is, maar probeer nou
eens kritisch naar jezelf en je moederrol te kijken.’
Thea viel haar
in de rede:
‘Ik dacht dat
ik gewoon moest doen wat ik altijd doe en dat ik niet op je moest letten.’
‘Ja sorry,
Thea, meestal filmen we dit soort toestanden ook gewoon en die opnames kunnen
we dan samen terug zien. Dan kun jij als overbelaste moeder – want dat ben je,
dat zie ik heus wel aan de kringen onder je ogen - afstand nemen, snap
je? Dan heb je pas goed door dat jij je driejarige dochter Sabine
bijvoorbeeld in de boks, pal voor de televisie tekort doet. Niet expres. Je
bent gewoon oppelepop. Maar gaat zo’n ukkepuk spelen in de boks? Is er een
uitdaging? Ja, er ligt genoeg duur speelgoed. Overvloedig. En toch zijn die
bewegende beeldjes op het scherm natuurlijk veel te verleidelijk. Geen wonder.
Het aanbod blijft beperkt; want ja, een kind moet toch vrij kunnen rondlopen,
ontdekken, alle vijf de zintuigen gebruiken en spelenderwijs ontwikkelen en niet
alleen maar staren omdat het wordt opgesloten in een kooi.’
Thea liep
gewoontegetrouw even de huiskamer in om zich van de gemoedstoestand van Sabine
te vergewissen. Haar kleine handjes omknelden de houten boksrand. Ze wipte van
het ene beentje op het andere en zong zachtjes mee met de Teletubbies. Sabine
keek graag televisie. Bart en Thea hadden een ruime collectie kinderdvd’s voor
haar aangelegd. Sommige films had ze al wel 20 keer gezien. Zo kende ze het
complete script van de Lollifanten (Winnie de Poeh in Walt Disney uitvoering)
uit haar hoofd en kon ze ook bij Bambi met alle figuurtjes meepraten. Merel
ging gewoon verder met preken:
‘En Walter
moet zelf lopen. Niet in een loopstoeltje. En hij moet aan tafel eten. Een
bruine boterham en liefst niet met pindakaas, want je weet helemaal niet zeker
of hij allergisch is of niet.’
Bruusk opende
Thea de keukendeur. De herfstwind blies haar tegemoet en de deur wagenwijd
open. In de zak van haar duster vond Thea een pakje sigaretten en een
aansteker. Ze leunde uitgeput van de ingehouden woede met haar schouder tegen
de deurpost en inhaleerde diep. Na zo’n zestal onaangekondigde
bliksembezoekjes van Merel was de weerstand van Thea dan ook
volledig gebroken. Wat had het voor zin om zich te verzetten tegen
rekrutering van haar kinderen voor De Kleine Beer? Een gesubsidieerde speelzaal
op de hoek van de straat in haar achterstandswijk. Maar dat niet alleen! Op
deze peuterspeelzaal voelden de leidsters zich geroepen om de binnen
gehaalde peuters stuk voor stuk klaar te stomen voor hun stokpaardje: de
basisschool van de achterstandswijk. Het Kleurenpalet.
Want
Kleurenpaletwaardig werd een peuter zomaar niet. Hiervoor moesten de ukjes van
De Kleine Beer allereerst voor hun vierde levensjaar uit de luiers en zindelijk
zijn. Ten tweede moesten de Kleine Beergangers langer dan vijf minuten op een
stoel kunnen blijven zitten. En omdat driemaal scheepsrecht is, werd het derde
en tevens laatste leerdoel toegespitst op het, zonder al te veel morsen en
handen en voetenwerk, op een redelijk geciviliseerde manier naar
binnen schuiven van een fruithapje, boterham en melkdrankje. Dat
melkdrankje mocht dan uiteraard niet langer meer uit een knoei vaste gesloten
beker met tuitje genuttigd worden.
Alsof Thea in haar thuissituatie helemaal nergens toe in staat was. Maar dat zag ze toch verkeerd volgens Merel met het oog op het maatschappelijke belang van de praatkring met leeftijdgenootjes en de bijbehorende inloopochtenden voor mama’s. En niet te vergeten de speltherapie in groepsverband die onder moeders rokken natuurlijk onmogelijke ervaringen bleven. En uiteraard mocht er vijftien minuten vrij gespeeld worden. Liefst buiten. Ook bij regenachtig weer in verband met de seizoensbeleving.
De ouders en verzorgers werden voornamelijk geacht om zich kritiekloos te onderwerpen aan het pedagogische inzicht van Merel met in haar kielzog een handje vol leidsters met wie zowel het voetvolk als hun kroost maar net een klik moesten hebben. De Kleine Beer werd simpelweg neergezet als een vereiste voor de hoognodige socialisatie van wijkkleintjes die – te wijten aan hun asociale afkomst - kennelijk vanzelfsprekend, zonder uitzondering, kampten met een taal, cultuur en/of andere achterstand. Van Thea en Bart werd een inkomensafhankelijke ouderbijdrage gevraagd die – gezien het restant van de ouders dat verder niets anders dan uitkeringsgerechtigden telde - bij De Kleine Beer alleen voor hen gold.
De Kleine Beer
was dan ook officieel een peuterspeelzaal in een achterstandswijk. Te herkennen
aan de ondersteuning in de vorm van extra leidsters van een relatief kleine
bende peuters. De verhouding was ongeveer één op zes. Zowel Sabine als Walter
bezochten De Kleine Beer op verschillende tijdsstippen, maar ze werden wel alle
twee bij Merel en juf Maaike ingedeeld. Daarnaast stond een ongeschoolde kracht
– in het geval van Sabine en Walter – Ilem met de hoofddoek - garant
voor het verschonen van luiers en het schillen, pellen en snijden van de
fruithapjes die bij de prijs waren inbegrepen. Tijdens de vakantie en
feestdagen liep de teller ook gewoon door. In het geval van Sabine en Walter
gemiddeld 200 euro per kind per maand. Voor 4 schamele uurtjes speelplezier in
de werkweek en een hoop gezeur aan het hoofd van Thea.
Sabine liet
zowel het regime van juf Merel als de toegewijde surveillance van onderjuf
Maaike veerkrachtig over zich heen komen. Ze vond makkelijk aansluiting bij de
12 kinderen in haar groep. Merel het peuterhoofd had uiteraard moeite met het
ongecompliceerde optreden van de dochter van Thea en Bart. Er kon namelijk ook
een dieper liggende oorzaak ten grondslag liggen aan de meegaandheid van
Sabine. Merel het peuterhoofd dacht aan een emotionele achterstand
of een andere vorm van blokkade. Thea deed alsof ze gek was en juf Maaike deed
met haar mee. Ze mocht dan wel één van de ondergeschikten uit het
peuterjuffenbestand van Merel het peuterhoofd zijn, maar ze had zelf drie
jongens grootgebracht en je kon haar nog meer vertellen. Tijdens een
ouderochtend vanaf de mamatafel viel het Thea voor het eerst op dat juf Maaike
kleine Sabine in bescherming nam door haar onopvallend naar zich toe te trekken
uit het immer dreigende vonnis van Merel het peuterhoofd dat overal in De
Kleine Beer op de loer lag. Gelukkig liet de aandachtspanne van Merel het
peuterhoofd nogal eens te wensen over. Zeker ten aanzien van de kids die niet
tot de favo’s van het opperhoofd gerekend mochten worden. Kinderen
zoals Sabine bijvoorbeeld. Gedurende de pieken van het opperhoofd zat Sabine
veilig op schoot bij juf Maaike. Sabine vertelde later dat ze wel:
‘meer
keertjes’
door juf
Maaike werd opgetild:
‘knuffelpauze’.
Nooit lang:
‘Kleine
keertjes.’
Thea kon wel
raden waarom. Merel het peuterhoofd was snel afgeleid door de aandachttrekkerij
van de over gebleven probleemgevalletjes om haar heen en ze had zo haar eigen
voorkeuren.
‘Ik heb
veertig jaar ADHD gehad zonder diagnose’, beweerde Merel het peuterhoofd
tijdens één van de vele ouderinloop ochtenden bij wijze van verontschuldiging
voor haar slordige betrokkenheid bij Sabine.
Thea geloofde
het graag, maar het viel haar wel op dat Merel het peuterhoofd met sommige
andere kleintjes wel langer dan 1 minuut kon haffelen, tutten, knuffelen en
babbelen.
‘Heb je nou
Ritalin dan Merel?’, knipoogde Thea naar Maaike, die openlijk geen partij wilde
of kon kiezen en haastig wegkeek .
Maar ze bleef
zich koppig ontfermen over peuters die de goedkeuring van Merel het peuterhoofd
niet konden wegdragen. Later leerde Thea precies waarom. Op een onbewaakt
moment kon Merel het opperhoofd onverbiddelijk en zelfs destructief optreden
tegen iedereen die haar pad kruiste en dus of juist ook tegen het merendeel van
haar kleine gastjes, waarvan de oudsten ocharm hooguit amper 4 jaar op deze
aardbol rondliepen. Zelfs haar lievelingetjes werden niet ontzien als Merel het
peuterhoofd zo ineens, onaangekondigd - ook tijdens ouderinloop ochtenden –
haar peuterspeelzaaldag niet had. Dan werd er gesnauwd en gedrild en overlapte
de ene afkoelingspauze de andere time-out in zo’n sneltreinvaart dat geen
peuter meer aan het speelkwartiertje toekwam. Sommige ukjes schoten na de
eerste uitbrander al, met ogen als pingpongballetjes en lam geschrokken, in een
paniekstuip. Anderen sprongen uit voorzorg automatisch in het gareel, omdat ze
stemmingswisselingen van het Merel peuterhoofdkaliber van huis uit
gewend waren. En een enkeling, zoals Sabine, haalde de schoudertjes op en
schuilde op haar hurken onder de hoge mamatafel in de hoek van de
peuterspeelzaal totdat de storm geluwd was. In die houding vond Thea haar
dochter meermaals terug tijdens het ophalen en dan wist moeder de vrouw wel
weer hoe laat het was.
Ook Walter
had maar weinig problemen met de andere peuters uit zijn speelgroep.
Toen hij gebeten werd op de peuterspeelzaal was het incident wat hem betreft na
2 minuten alweer vergeten. Thea had wat meer moeite met de oeruiting van het
bijtgrage vriendje. De tandafdrukken in de onderarm van Walter waren nog dagen
later getuigen geweest van losgeslagen agressie in de kinderschoenen. Daar kwam
nog bij dat het dadertje bij navraag een hartendiefje van Merel het peuterhoofd
bleek te zijn. Een half Marokkaans jongetje dat opgroeide in een éénoudergezin
met een Nederlandse moeder. Een potige, imposante volksvrouw in schaarse,
actuele kleding die Thea herkende van haar wekelijkse bezoekjes aan de markt in
het centrum van de stad. Ze had een lage, schorre stem en net niet genoeg
tattoos om haar ongeklede lading te dekken. Haar enige zoontje Arda was in de
ogen van de wereldvreemde Merel het peuterhoofd uiteraard het prototype van een
kansarm kereltje dat juist beschermd moest worden tegen een blaag als Walter. Hollands
welvaren dat tegen een stootje moest kunnen en dat overduidelijk niet op Merel
het peuterhoofd zat te wachten. Haar betuttelende aanpak werkte op de prille
zenuwtjes van Walter. Terwijl hij toch naar de peuterspeelzaal gestuurd werd om
spelenderwijs te leren socialiseren en niet om perfect te zijn. Misschien was
Merel het peuterhoofd met haar ‘peuterpubertijd’ als stokpaardje juist wel de
storende factor in plaats van Walter die de speelzaalperiode tussen zijn tweede
en vierde jaar echt heeft ‘overleefd’ in plaats van doorlopen. Maar achteraf
praten is makkelijker dan een situatie op het goede moment correct regisseren.
Niemand had openlijk wat op Merel het peuterhoofd aan durven merken. Niemand
behalve Thea en wie geloofde haar nou met haar apenliefde? Dus moest moeder
Thea op inloopochtenden vaak machteloos toezien hoe niet juf Maaike, zoals bij
haar dochter Sabine, maar Merel het peuterhoofd, haar zoontje tegen zijn wil
bij zich op schoot trok. Walter placht dan bij voorbaat de lippen strak opeen te
persen, zijn ogen te sluiten en kaarsrecht te blijven zitten. De handjes in
zijn schoot ineen geklemd. Want Merel het peuterhoofd begon in de nabijheid van
Walter steevast op hem in te praten op een tenenkrommende toon die ook bij Thea
het bloed deed koken. Maar Walter was te klein om zijn frustratie doelgericht
te stroomlijnen en zich in te houden. Walter reageerde vaak te luidruchtig,
ongedurig en boos in de buurt van Merel het peuterhoofd.
‘Je bent boos
he? Dat snap ik best hoor!’, toeterde Merel het peuterhoofd bijvoorbeeld met
toenemende kracht in het oor van Walter met die penetrante stem van haar.
‘Maar niet
alles draait om Waltertje. Ik snap best dat je dat zou willen. Ik wil ook best
dat alles om Merel draait. Maar dat is niet zo. Soms valt het mee en soms valt
het tegen!’
Ze ramde de
woorden stelselmatig via zijn gehooringang in de kleine hersentjes, terwijl ze
de greep om zijn lijfje verstevigde. Walter kneep zijn kijkers nog vaster opeen
tot gerimpelde streepjes; stopte zijn wijsvingertjes in de oortjes
en begon te brullen. Steeds harder en wilder. Het snoetje werd eerst roze, toen
rood en vervolgens paars en bewoog mee op het ritme van zijn protestuitingen.
Oerkreten. Totdat Merel het peuterhoofd hem ten einde raad en overschreeuwd uit
haar klauwen en schoot verloste. Gekalmeerd distantieerde Walter zich van de
toestanden en zocht met een betrokken, behuild gezichtje, de vuistjes gebald en
nog na snikkend, een uitweg bij het spel van zijn leeftijdgenootjes of soms bij
een overdonderde Thea. Tenminste als Thea toevallig op het juiste moment op de
speelzaal aanwezig was om Merel het peuterhoofd op haar onkunde te betrappen.
Op navraag thuis liet Walter nooit wat los over Merel de peuterjuf, maar juf
Maaike vond hij aardig. Dus waarschijnlijk fungeerde juf Maaike in noodgevallen
ook voor Walter als uitvalbasis voor de invasies van Merel het peuterhoofd op
De Kleine Beer. Net als bij Sabine die in een andere peuterploeg, voor
gevorderden, nog steeds uit de wind ging zitten. Maar Walter daarentegen liep
juist tegen de wind van de preken en valse intonatie in. De gespleten
persoonlijkheid van Merel het peuterhoofd werkte op hem als een rooie lap op
een stier. Hij reageerde direct. Woest, driftig, kont tegen de krib. Dat viel
op en Merel het peuterhoofd was diep in haar peuterjuffeneer aangetast. Ze had
de knoet er bij al haar kleine grut onder, behalve bij Walter. Wat Merel het
peuterhoofd betreft zat Waltertje dan ook helemaal fout. Altijd en overal.
Waltertje was de gebeten hond. Zo ook in het geval van het bijtincident met een
medepeuter, waaraan Walter dus die melktandafdrukken in zijn onderarm had
overgehouden:
‘Ik heb het
niet zien gebeuren, maar wat wil je nou!? Arda is een jongetje. Mijn handen
zijn gebonden, want alle echte jongetjes bijten nou één maal’.
‘Walter niet’.
‘Dat zegt
genoeg’.
‘Dat komt
natuurlijk omdat jij weet wat echte jongetjes zijn’, sneerde Thea.
Ze moest zich
telkens weer geweld aandoen om alert op de botheid van Merel het peuterhoofd te
reageren, omdat ze steeds opnieuw geneigd was om, met stomheid geslagen over
het lompe gedrag van het peuterhoofd, in haar schulp te kruipen.
‘Nou ik ben er
anders helemaal niet blij mee’, zei de moeder van Arda die zich onverwacht in
de conversatie mengde.
Ze richtte
zich tot Thea, terwijl ze Merel het peuterhoofd met haar houding nadrukkelijk
buiten spel zette:
‘Sorry. Ik heb
de tandafdrukken in de onderarm van Walter gezien. Dat is niet normaal.’
Ze riep Arda
en Walter, die allang weer samen aan het spelen waren, bij zich. Het duurde
even, maar na drie keer manen wisten de ventjes zich van een houten trein los
te maken en sjokten via omwegen richting de moeder van Arda die aan de
mamatafel troonde. Ze greep de onderarm van Walter en hield de tandafdrukken,
die na vier dagen in even zoveel blauw gekleurde putjes getransformeerd waren,
onder de ogen van haar zoon.
‘Heb jij
gebeten Arda?’
‘Nee’.
‘Zeg maar
sorry tegen Walter’.
‘Sorry’.
‘Goed’,
antwoordde Walter, terwijl hij zijn onderarm uit de greep van Arda’s moeder
wurmde.
‘Lekkere
ventjes’, riep ze Walter en Arda vergenoegd na.
Twee
speelochtenden later was Arda ook het lieverdje van Merel het peuterhoofd af.
Hij had haar op een onbewaakt moment tegen de schenen geschopt. Letterlijk en
figuurlijk.
‘Dat maakt
veel goed’, concludeerde Bart voldaan.
Op de dag van
hun vierde verjaardag vertrokken nagenoeg alle peuters van de Kleine Beer naar
groep 1 van basisschool ‘Het Kleurenpalet’. Niet zozeer de ouders, maar veel
opa’s en oma’s plaatsten vraagtekens bij een keuze voor het zwarte stempel van
de wijk en de bijbehorende basisschool, maar eindigden na een korte
confrontatie met het eigen onvermogen en een ondoordringbare maatschappelijke
muur, als vanzelf toch weer met hun (klein)kind bij Het Kleurenpalet. Behalve
Thea en Bart.
Dochter Sabine
zou als enige voormalig misplaatste peuter van speelzaal ‘De Kleine
Beer’ ook op ‘De Wielewaal’ in de witte wijk een paar straten verder
terecht hebben gekund. Thea en Bart golden immers als hoog opgeleid en
kredietwaardig. Zij lieten zich niet afschrikken door de poespas van lastige
probleemstellingen en een papierdoolhof van aanvraag- en
identiteitsformulieren, zoals hun wijkgenoten. De opgeblazen reputatie van
basisschool De Wielewaal voor kinderen van zogenaamde ‘welgestelde’ ouders, was
echter wel aanleiding genoeg voor Bart en Thea om toch maar voor Het
Kleurenpalet te gaan. Vooral Thea voelde zich niet thuis bij die
zelfverheerlijking. Wel was ze sociaal intelligent genoeg om haar lippen stijf
op elkaar te houden over haar aanvankelijke, weloverwogen voorkeur voor Het
Kleurenpalet ten opzichte van De Wielewaal. Ze zou haar verhaal trouwens ook
niet kwijt gekund hebben aan de wandelende hoofddoekjes of de heupwiegende
tienermoeders om haar heen op het schoolplein en in de wandelgangen van Het
Kleurenpalet. Sowieso bleef 80 procent van de mede-ouders permanent onzichtbaar
op afhaal- en wegbrengmomenten, schooluitjes of andere bijeenkomsten. Dat leek
verdacht veel op desinteresse. Toch had de fysieke afwezigheid van veel ouders
op Het Kleurenpalet eerder alles te maken met de kenmerkende schoonmaak- of
andere werkzaamheden in ploegendiensten voor laaggeschoolden uit een
achterstandswijk. Onregelmatige diensten betekende een beroep op de ‘normale’
dagindeling van de gepensioneerden of anderszins uitkeringsgerechtigden.
Derhalve werd zowat driekwart van de papa’s en mama’s vervangen door
de oppasgrootouders van de ukjes. Vijftigplussers die peuterzaal De Kleine Beer
en later Het Kleurenpalet slechts vluchtig aandeden om het kleinkind snel te
brengen en in haast op te halen. De bijbehorende, veelbelovende, jolige,
tijdrovende peuterspeelzaalrituelen en/of buitenbasisschoolse
activiteiten voor en door ouders en verzorgers hadden deze ouden van dagen al
een generatie achter zich gelaten. Ongeacht het land van herkomst. Van de
resterende 20 procent van de zichtbare verzorgers sprak het overgrote deel niet
tot nauwelijks Nederlands of Engels en het restant - een zuinig
zwikkie inlandse papa’s en mama’s - was niet ouder dan twintig jaar. Meestal
voldeden ze prima aan het stereotype beeld van het luidruchtige tatoostel.
Johnny en Anita op Het Kleurenpalet en Henk en Ingrid op De Wielewaal.
Tenminste als ze niet al gescheiden of simpelweg uit elkaar waren door een
verbroken verkering. Zo nu en dan verscheen Johnny op de peuterspeelzaal met
een patroon in zijn opgeschoren kapsel. In slim fit merk jeans, Ralph Lauren
polo en Adidas trainers. Rechtstreeks van de sportschool met een houding alsof
hij op de doorreis was en zijn behoeftige peuter een overgewaardeerde
tussenstop. Anita dook zo vaak mogelijk bezitterig naast Johnnie op met een rij
piercings in oren en neus en met extensions in een enorme bos opgestoken
krullen. Ze liep danig naast haar originele Uggs. In haar huispak. Bling, bling
achter de buggy. Oppervlakkig en nooit om een praatje verlegen. Lawaaierig en
vol branie in de veiligheid van de veelkleurige kudde die het ouderbestand van
‘De kleine Beer’ typeerde.
Veertigers,
zoals Thea en de moeder van Arda, vormden overduidelijk de minderheid en werden
gedoogd. Met name Thea was vaak ook een bron van onbegrip en grote hilariteit.
Thea had geen tatoo’s, piercings, extensions of opgestoken krullen en een
mobiele telefoon van wel 3 jaar oud:
‘Wat heb jij
nou voor een prehistorisch ding?’
Zelfs de
aanwezige hoofddoekjes schaterden mee. Om pijnlijke situaties te voorkomen
reageerde Thea niet. Ze wist bij voorbaat dat elke kolderieke reactie of rake
tegenopmerking verkeerd zou vallen. Het was niet kwaad bedoeld. Maar wel
vermoeiend, omdat de onwennigheid bleef. Wederzijds.
Het
peuterspeelzaalhoofd was het bindmiddel. Want zoals mensen met een narcistische
persoonlijkheidsstoornis wel vaker van het ene uiterste in het
andere schieten; kon Merel naast ultra-irritant ook opmerkelijk onderhoudend
zijn en bleef ze een interessant aanspreekpunt voor iedereen die met haar
geconfronteerd werd. Als Merel het peuterhoofd zin had dan declameerde ze
verhaaltjes voor de peutertjes. Al naar gelang de stand van de tooi van het
opperhoofd soms op elke peuterspeeldag van wel zeven weken achtereen. Dan
weer twee maanden niet. Ze kon erg beeldend voordragen en al had Merel het
peuterhoofd zich overduidelijk laten inspireren door televisiehelden als Ome
Willem en meneer Kaktus; toch had ze een zeldzaam functioneel acteertalent dat
zeker niet zomaar iedere peuterjuf gegeven is.
Reden te meer
voor Merel het peuterhoofd natuurlijk om alle ouders, te allen tijde, welkom te
heten bij haar optredens op de peuterspeelzaal. Thea werd zelfs steevast op
persoonlijke titel mondeling uitgenodigd. Op een onbewaakt moment zei ze zo nu
en dan weleens toe. Dan liet Merel het peuterhoofd niet meer los en werd Thea
gegarandeerd aan de lopende band aan haar belofte, om naar de kunstjes van
Merel het peuterhoofd te komen kijken, herinnerd. Nodeloos te
vermelden dat Merel het peuterhoofd graag in het middelpunt van de
publieke belangstelling stond. Ze had een broer die bekend was van
de radio en televisie waarover ze tot vervelends toe opschepte. De enige bij
wie de naam van de beste man echter in de verte een belletje deed rinkelen was bij
Thea. Gevolglijk liet Merel het peuterhoofd geen kans onbenut om met Thea over
haar bekende broer in plaats van over Sabine en/of Walter te praten. Niet uit
trots, maar veel meer om aan te geven dat acteren in haar genen zat. Dus
indirect om over zichzelf te kunnen zagen. Merel het peuterhoofd had geen
peuterhoofd maar eigenlijk actrice moeten zijn. Ze kon er niets aan doen dat
haar aangeboren kunstzinnigheid bij vlagen opspeelde.
En op die
ongecontroleerde manier speelde er wel meer waartegen Merel niet gewapend was.
Sabine had bijvoorbeeld een hechte peuterspeelzaalvriendschap ontwikkeld met
Sandu; een driejarig jongetje van Roemeense afkomst. ’s Morgens werd hij
gebracht door zijn vader. Een nors, barbaars bouwvakkerstype. Bij binnenkomst
rende Sabine allang niet meer op haar vriendje af, omdat ze dan een Roemeense
grauw van senior kon verwachten. Hij bekeek Sabine alsof ze ongedierte was dat
eigenlijk maar beter vertrapt kon worden. Hij maakte al aanstalten door met
zijn bezoedelde werkschoen een reflexmatige schop in de richting van het kleine
meisje te geven. Thea protesteerde zwakjes. Voorzichtig, omdat ze
nog niet helemaal zeker was van het schouwspel dat zich zojuist voor haar ogen
had afgespeeld:
‘Hey, idioot
doe je dat thuis ook?!’
Merel het
peuterhoofd keek Thea vermanend aan, maar de vader van Sandu deed alsof hij
haar niet verstond. Zijn zoon hield hij bij zich. Zijn enorme kolenschop van
een poot omklemde de onderarm van het ventje dat geen krimp gaf en leeg voor
zich uit staarde. Totdat hij plotseling door papalief in het midden van de
peuterspeelzaal werd achtergelaten. Prompt leefde Sandu op en vond zijn weg
naar Sabine die hem hartelijk in haar speelkringetje opnam. Maar Merel het
peuterhoofd had eigenlijk liever niet dat Sandu met meisjes in het
algemeen en Sabine in het bijzonder speelde.
‘Ik vind
Sabine soms erg dominant. Als Sandu genoeg van Sabine krijgt, dan haal ik ze
uit elkaar. Dat is in het belang van beide kinderen’.
Thea stond
paf. Ze was razend. Was Sabine soms te min voor Sandu? Moest er weer naar de
pijpen van een uitheemse ouder gedanst worden? Zet dan niet twee geslachten
samen op één peuterspeelzaal als jongens en meisjes zo nodig gescheiden moeten
spelen. In de onderbuik van Thea woedde een orkaan van gekwetste emoties die zo
stormachtig waren dat ze geen zinnig woord kon uitbrengen. Haar kleine meisje,
de helft van het mooiste, liefste en meest onschuldige duo in haar moederhart,
moest juist bevrijd worden van de denkbeelden van zo’n sociopaat als de vader
van Sandu. Wat Thea betreft mocht hij met z’n gezin met het eerste het beste
vliegtuig terug naar Roemenië.
‘Laat ze terug
gaan naar hun eigen land’, foeterde Thea, omdat ze vond dat ze toch iets van
een protest aan de buitenwacht moest laten horen.
‘Je weet niet
wat je zegt’, suste Merel het peuterhoofd minzaam.
Pas in groep 1
van Het Kleurenpalet werd duidelijk dat Merel het peuterhoofd zich gewoon geen
raad had geweten met de vriendschap tussen de twee peutertjes. Sandu werd thuis
misbruikt. Sabine leefde in een stabiele gezinssituatie. Dus de positie van
Sandu had hoe dan ook prioriteit. Ondertussen verzon het kereltje een
spelletje. Tijdens de speelpauze moest Sabine in het openbaar plat op haar buik
gaan liggen en dan kroop Sandu bovenop haar en bleef minutenlang roerloos
liggen. Hierna vonden zijn grijpgrage handjes een weggetje via haar
spijkerbroekje in haar rode slipje met lieveheersbeestjesprint. Sabine
herinnert zich tegenwoordig nog dat Sandu dat jongetje was dat haar vaak
kietelde. Ze had geen seksuele associaties noch last van de lichamelijkheid van
haar vriendje. Ze had wel al snel in de gaten dat er iets niet pluis was met de
handtastelijke spelletjes, omdat Sandu en zij steeds vaker en langer door de
kleuterjuf van groep 1 uit elkaar werden gehaald. Tot op de dag waarop Sandu
ineens voorgoed uit groep 1 verdween. Vlak nadat een onervaren invalster
compleet was geflipt in het bijzijn van alle kleutertjes. De oorzaak van haar
hysterische aanval was Sandu. De invalster had hem stootbewegingen met zijn
bekken zien maken tegen de bipsjes van andere kleuters. Sabine kwam helemaal in
de war uit school. Haar maatje deed zo vaak van die rare dansjes. Waar was haar
vriendje ineens gebleven? Door zijn verdwijning werd ook Thea van de ene op de
andere dag geconfronteerd met het afwijkende gedrag van Sandu. Met terugwerkende
kracht laaide haar woede over de onkunde en arrogantie van Merel het
peuterhoofd weer op. Hoe had ze de socialisatie van haar Sabientje
ondergeschikt durven maken aan één of ander beschadigd jongetje? Op hoge poten
stapte Thea op de kleuterjuffrouw van groep 1 af die Sandu meteen met tranen in
de ogen in bescherming nam.
‘Denk jij niet
dat wij er alles aan doen om de situatie van Sandu te verbeteren?’
Giftig spuide
Thea haar gal:
‘Wat kan mij
die hele Sandu schelen. Mijn dochter zit hier toch niet op school om
blootgesteld te worden aan de vergroeide neigingen van een gemolesteerd
klasgenootje!’
‘Dat is
een spijtige bijkomstigheid, maar Sandu moet ook ergens blijven’.
‘Ja, uit de
buurt van mijn dochter’, kermde Thea.
Ontdaan hield
de kleuterjuf zich in en beet zwijgend op haar onderlip. Thea voelde zich
onterecht op haar nummer gezet, omdat haar intuïtie haar influisterde dat de
kleuterjuf naar beste geweten ageerde. Sabine heeft Sandu dan ook nooit meer
teruggezien. Toch zag Thea heus wel het dilemma. Ze was echt wel bereid geweest
zijn om Sandu een tweede kans met Sabine te gunnen zou die lugubere Roemeense
vader niet aan hem vastgezeten hebben. Sterker nog; Thea zou alle kinderen uit
probleemgezinnen oneindig veel kansen gunnen zonder hun achterban.
HOOFDSTUK 4
Eindelijk
heeft Thea op de tweede verdieping lokaal nummer 207 gevonden. Door het raam
herkent ze de jonge en vlotte leraar Duits, Jonas, voor de klas. Hij is één van
de mentoren van haar dochter Sabine. Hij ziet Thea op de gang door het raam van
de gesloten deur besluiteloos staan afwachten. Bij wijze van begroeting heft
hij kort zijn vlakke hand en laat haar binnen.
‘Ik ben de
moeder van Sabine’, zegt Thea verontschuldigend.
‘Dat zie ik’,
antwoordt Jonas op gedempte toon.
Voor de
overvolle klas met ouders voert een wiskundelerares het woord. Zij schijnt de
betere helft te zijn van het mentorduo van deze brugklas in het tweede jaar.
Net als vorig schooljaar draagt de wiskundelerares, ook wel Kiral genoemd, nog
steeds een hoofddoek. Kiral fronst en stopt demonstratief met praten totdat
Thea met moeite een plekje in het lokaal gevonden heeft. Als ze na het nodige
rumoer en geschuifel eindelijk zit, werpt Thea een vernietigende blik in de
richting van de arrogante wiskundelerares met hoofddoek. Betrapt kijkt Kiral
vlug weg, schraapt de keel en vervolgt haar betoog. Thea heeft zich nooit zo
intens verdiept in hoofddoeken, leraressen of wiskunde en al helemaal niet in
een combinatie van die drie elementen, maar ze wordt nou wel spontaan met haar
neus op de hautaine uitstraling van deze mentor gedrukt, met wie ze gelukkig
verder niet veel te maken heeft. Bij dringende schoolse zaken doet Sabine
namelijk liever een beroep op Jonas. Tenminste dat maakt Thea op uit de
kostelijke anekdotes van Sabine tijdens het gezamenlijke avondeten, waarbij ze
onder meer op onderhoudende wijze verslag doet van de creatieve manieren waarop
ze Kiral op school weet te ontlopen. Sabine vindt Kiral irritant
met haar wereldvreemde gepreek voor de klas en haar stichtelijke
kijk op frivole, quasi ongelovige meisjes van dertien. Meisjes zoals Sabine
dus; die zoveel mogelijk door Kiral genegeerd worden. En zo niet dan wordt
Sabine aangesproken op een afgebeten toon vol voelbare tegenzin. En Sabine op
haar beurt offert haar geëvolueerde katholisme en recht op een beetje aangenaam
intermenselijk contact met haar mentor Kiral met liefde en plezier op voor de
moslimmeisjes in de klas die in de cruciale leeftijdsperiode van 10 tot 14 jaar
vroeg of laat allemaal door het thuisfront voor de keuze van het al dan niet
dragen van een hoofddoek gesteld zullen worden. Thea waagt de hoogte van het
vrijwilligheidsgehalte van deze keuze te betwijfelen, maar ze houdt zich verre
van de discussie. Ze wil haar dochter niet indoctrineren en/of belasten met
eventuele vooroordelen ten opzichte van haar klasgenoten. Maar Sabine
accepteert de moslima’s met hoofddoek om haar heen als een vanzelfsprekendheid
in een uitzonderingspositie waarover zij gelukkig helemaal geen mening hoeft te
hebben. Zo heeft Sabine in haar dagelijkse vriendenkliek naast meisjes met en
zonder hoofddoek ook moslim vrienden. Jongens. Altijd zonder hoofddoek.
Opgeschoten pubers. Ook wel bekend als babemagneten; waarvan sommigen alleen
maar rondhangen met iedereen uit de klas; anderen dagelijks na school op
topniveau geïntegreerd sporten en een drietal zelfs onderdeel is van een
multiculturele muziek – en rapband. Er wordt voluit geflirt zonder onderscheid
van culturele achtergrond door en met de moslim jongens. Op het eerste oog zo
goed als volledig sociaal geëngageerd. Nu al. Nauwelijks 13 jaar.
Sabine kan met ze lachen en gek doen, terwijl de gelovige moslimmeisjes uit de
klas zich gegeneerd afwenden.
‘Je moet je
tieten eens wat beter bedekken’, had een dertienjarige hoofddoek in de
kleedkamer na de gym in het oor van Sabine gesist.
‘Je hebt toch
wel van je afgebeten?’
Thea was
geschokt. Ook over de emotieloze verslaggeving van Sabine.
‘Ja’.
‘Wat deed je
dan?’
‘Ik deed niks.
Ik riep wat.’
‘Wat riep je
dan?’
‘Ik heb
tenminste tieten. Dat riep ik’, antwoordde Sabine droog.
Thea schoot in
de lach. Sabine grinnikte onbekommerd mee. Zonder uitleg snapte Thea wel waarom
Sabine met dit akkefietje niet naar haar mentoren was gestapt. Kiral kan overal
zo’n immens probleem van maken en de twintiger Jonas gaat uit jeugdige flexibiliteit
automatisch met haar mee. Sabine voelt zoiets feilloos aan:
‘Ze heeft
namelijk net een kind gehad, met een keizersnee en zo.’
‘O jee’, had
Thea geantwoord.
‘Jij hebt toch
ook een keizersnee gehad mam?’
‘Ja hoor’.
‘Nou dan, moet
die Kiral daar dan zo moeilijk over doen?’
‘Dat weet ik
niet, misschien heeft ze er wel last van?’
‘Die piept al;
als er een scheet dwars zit, maar voor mijn part, hoe minder wiskunde, hoe
beter.’
En zolang
Sabine geen moeite zegt te hebben met het optreden van haar mentor, houdt Thea
zich op de vlakte. Waarschijnlijk liggen Sabine en Kiral elkaar gewoon niet en
staat de hoofddoek van de wiskundelerares en mentor helemaal niet symbool voor
een onoverbrugbaar cultuurverschil. Hopelijk; want op een themadag over
homoseksualiteit meldde Kiral zich ziek als begeleidster. Nou meldt Kiral zich
wel vaker ziek, maar dit keer was zelfs Sabine achterdochtig en op haar hoede
door het voorschot aan homofobische reacties en uitspraken van islamitische
klasgenoten op de aankondiging van de seksuele voorlichting. Alle leerlingen
werden dan ook, zonder uitzondering, door de schoolleiding verplicht gesteld om
zich klassikaal in het relaas van homo’s en lesbiennes te verdiepen. Zonder
deze regeling zou de klas van Sabine absoluut zorgwekkend ondervertegenwoordigd
zijn geweest. De puberale moslima’s namen stoïcijns aan de zitting deel. Het
misprijzen versluierd in de weerschijn van de ongenaakbare hoofddoek. De geprikkelde,
islamitische babemagneten waren regelrecht beledigend tegen de kwetsbare
bezoekers die zenuwachtig voor de klas kwamen vertellen over hun seksuele
geaardheid. Enkele loverboys in spé zaten met hun rug naar de sprekers toe,
draaiden met de ogen; sputterden:
‘homo’;
sisten bij
wijze van commentaar en voor iedereen verstaanbaar;
‘fuck an
asswhole’;
en verzonnen
ter plekke een pakkende fluisterrap die bij alle toehoorders nog dagen in het
hoofd bleef nagalmen;
‘vieze potten;
kankerhoeren; motherfuckers’.
Dat riep
reacties op van de rest. Natuurlijk. Welke puber is nou niet wars van diepgang,
nuance en wel vies van een opstootje. Iemand galmde treiterend door de
klas:
‘Kijk naar je
eigen, Islamietje!’
Jonas kon de
onrust in de groep nauwelijks onder controle krijgen. Uit plaatsvervangende
schaamte stak Sabine, ondanks de groepsdruk, haar nek uit en trok haar mond
open. Tot grote dankbaarheid van de vier bloednerveuze sprekers en Jonas. Zij
kwam ermee weg, maar voor hetzelfde geld had ze met haar heldendaad een vonnis
ondertekend. Eliminatie. Maar Sabine zou Sabine niet zijn als zij ook
daadwerkelijk werd weggehoond na haar uitroep.
‘Kappen met
die bullshit’.
Waar was Kiral
op dit cruciale moment? De klassenbegeleidster. De mentor bij
uitstek? Zou uitgerekend zij met haar uitgekiende hoofddoek niet
meer tegengewicht in de homofobische weegschaal hebben kunnen leggen? Wellicht
was ze juist ziek uit angst om naar de verkeerde kant door te slaan.
De klassikale
bespreking van de schooljaarplanning gaat volledig aan Thea voorbij. Ze kan
zich moeilijk concentreren op de schema’s op het digibord die uitvoerig worden
toegelicht door Kiral. Af en toe mag Jonas ook wat zeggen. Zijn stem is
eveneens monotoon, maar hij maakt in elk geval geen taalfouten zoals zijn
collega. Hij zegt:
‘het boek’,
in plaats van:
‘de boek’,
en;
‘ze hebben het
goed gedaan’,
niet;
‘hun hebben
dat goed gedaan’;
of;
‘enige’,
in plaats van;
‘enigste’.
Veel ouders
stellen praktische vragen. Bijvoorbeeld over; de data van de proefwerkweken en
of die nog verzet kunnen worden; de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage en
of daar nog een minimum aan verbonden is; de mailadressen voor ziek- en
betermelding; de invulling van het mentoruitje, het open podium of de
kerstviering.
Thea schrikt
wakker. Haar hoofd tolt in de palm van haar linkerhand. Haar elleboog schuift
van tafel. Om haar heen staan ouders op. De meesten groeperen zich
om de mentoren en bieden Kiral de gelegenheid om voor Thea onder te duiken in
de mensenmassa. Jonas ziet haar niet eens vertrekken, want Thea houdt het
verder voor gezien en laat al de niet gestelde kritische vragen voor wat ze
zijn.
Omdat een
ouder uit eigen belang nooit de mond voorbij moet praten. Dat heeft Thea vanaf
het voorzichtige begin van haar kinderen op de peuterspeelzaal noodgedwongen
heel erg goed begrepen. De explosieve verhouding van Walter met zijn peuterjuf
Merel werd van kwaad tot erger. ’s Morgens bracht Thea eerst Sabine naar groep
1 in het gebouw van Het Kleurenpalet bij juffrouw Dirkje en daarna moest Walter
nog naar De Kleine Beer. Bij de ingang op de stoeptegels die stuk voor stuk
beschilderd waren met reuze voetstapafdrukken in primaire kleuren, begon het
verzet. Walter plantte zijn reliëf spekschoenzolen schrap tegen de granito
drempel en vond steun aan weerszijden van de vrolijke gele deurpost. Aan een
touwtje uit de mouwtjes van zijn jas bengelden wantjes. Neon groen. Thea stond
achter haar zoontje en probeerde krampachtig om met haar vrije linkerhand te
voorkomen dat de rode voordeur zou dichtslaan en aldus de vingertjes van Walter
zou amputeren. Haar rechterhand drukte op zijn borst. Ze voelde zijn hartslag wild
tekeer gaan. Vastgeklemd in één arm probeerde Thea om Walter voor zich uit naar
binnen te dwingen. Toegeven was geen optie, want ze had geen overzicht op de
gevolgen van een eventuele capitulatie aan de drift van haar recalcitrante
zoontje. Het liefst nam ze hem gewoon mee naar huis, maar ze moest sterk zijn.
Voor Walter, voor zichzelf en de afrekencultuur van de peuterjuffen, pedagogen
en andere kinderverzorgers om haar heen. Walter was een stevig peutertje en hij
dreigde uit te groeien tot een boom van een vent. Als er iets was wat Walter
sneller moest leren dan andere peuters dan was het wel om op een minder
expressieve manier met zijn boosheid om te gaan dan met lijf en leden. In de
privésfeer zou hij dan uit mogen razen. Bart had zelfs een boksbal in de
speelkamer aan een haak aan het plafond bevestigd. Maar Walter was geen
agressief mannetje thuis. Ook niet gefrustreerd. Hij sloeg, beet of schopte
niemand. Hij deed geen hond, kat of vlieg kwaad. Ook niet stiekem, want de
huisdieren volgden Walter trouw op de voet door het hele huis, hetgeen
ondenkbaar zou zijn als hij de kat in het donker kneep. Het tegendeel was
eerder waar. Gelaten verleende Walter de mollige rooie kater toegang tot het
voeteneind van zijn bed en de lobbes van een labrador liet hij met een
engelengeduld apporteren. Verder gaf hij af en toe weleens een tikje tegen de
boksbal in de speelkamer om zijn vader een plezier te doen, maar meestal bouwde
hij legoconstructies of speelde hij games achter een kinderlaptop. Zo klein als
hij met zijn 3 jaar ook was. Allicht was hij weleens onredelijk of opstandig,
maar de echte driftaanvallen, waarbij hij niemand dreigde te ontzien, bewaarde
Walter voor De Kleine Beer.
Zijn woede
escaleerde steeds vaker in de buurt van Merel het peuterhoofd dat naast Thea
aan de mamatafel plaatsnam. Tot haar ontsteltenis voelde Thea de hand van Merel
het peuterhoofd plotseling op haar schouder rusten:
‘Trek je het
nog wel meid; je ziet er afgepeigerd uit!’
‘Het gaat
prima’, antwoordde Thea.
Vol afschuw
schoof ze haar stoel een stukje naar achteren en verloste zich zo uit de
schoudergreep van Merel het peuterhoofd.
‘Maaike en ik
hebben zitten denken.’
Gealarmeerd
zocht Thea met haar ogen naar steun bij de andere mama’s aan tafel, maar ze
kreeg alleen een vluchtige knipoog van de moeder van Arda. Die ochtend leken
zowel Arda als zijn moeder zich veel gehoorzamer dan anders in de
voorgeschreven ouderkind speltherapie te schikken door zich met volledige
overgave te concentreren op het leggen van een puzzel. In opdracht van Merel
het peuterhoofd en haar schaduw; peuterjuf Maaike van De Kleine Beer, moesten
de ouders namelijk elke morgen, na het brengen van het kind, verplicht een
kwartier lang onder toezicht van de peuterleidsters op een pedagogisch
verantwoorde wijze iets leuks doen met de peuter. Ongeschoolde Ilem reageerde
wel min of meer op de wanhoopsblikken van Thea. Ze knikte gedienstig en lachte
blijmoedig in de richting van de mamatafel. Gewoontegetrouw zat Ilem, met haar
hoofddoek bevallig om haar kapsel gedrapeerd, aan een bijzettafeltje, waarop
allerlei Tupperware stond uitgestald. Ze was doelgericht met een
aardappelschilmesje in de weer, terwijl ze haar ogen onafgebroken de kost gaf
door om zich heen te kijken in de peuterzaal. Blindelings schilde ze appels,
pelde sinaasappels en vilde kiwi’s voor het fruithapje van de dag. De andere
mama’s gaven niet thuis. Ze staken de koppen bij elkaar en wisselden driftig
ditjes en datjes uit in een eensgezinde euforische stemming. Wie weet omdat zij
vandaag voor de verandering niet onder handen werden genomen door het
peuterdragonder, waartegen geen enkele jonge moeder of hoofddoekmama direct
tegen in opstand durfde te komen. Hier kwamen de mannen dan weer eens van pas.
Nou liet windbuil Merel het peuterhoofd zich zogezegd niet wegzetten door de
opa’s, broers, papa’s of nieuwe vriendjes uit de achterstandswijk, maar ze nam
meestal wel op tijd afstand. Behalve bij Bart en Thea, want dat lag toch
anders. Merel het peuterhoofd zag wel potentie in een goed contact met Thea.
Een wereldvreemd type met tenminste een redelijke opleiding, waardoor ze
misschien wel enigszins in de luwte van haar; Merel het peuterspeelzaal
opperhoofd; in de buurt kon komen. Zo’n schaap als Thea kon niet anders dan
verward en verdwaald zijn hier tussen de coterie van achterstandswijkbewoners.
In plaats van Thea, met het opgegeven bruto jaarinkomen van haar man Bart en
het opleidingsniveau van het echtpaar, zou Merel het peuterspeelzaalhoofd het
wel geweten hebben en een huis in een achterstandswijk zou een no go geweest
zijn. Thea had de plank in de ogen van Merel volledig misgeslagen en moest haar
problemen bespreekbaar kunnen maken bij een ervaringsdeskundige zoals het
peuterhoofd in persoon. Zonder inmenging van dikdoener Bart die overduidelijk
van toeten noch blazen wist. Niemand met aanzien en een bloeiende carrière koos
vrijwillig voor een stimuleringswijk. Hoe vrijstaand en dicht bij het centrum
het betrokken pand dan ook wel wezen mocht.
Thea voelde de
vijandige achterdocht van Merel feilloos aan. In eerste instantie dacht ze de
gedachtekronkels wel weg te kunnen lachen als lekenkennis, maar ze bleek al
snel nauwelijks verweer te hebben tegen de persistentie van Merel het
peuterhoofd dat in de ogen van Thea alle symptomen vertoonde van een gesjeesde
kinderverzorgster middenin een midlifecrisis. Volkomen overdonderd liet ze zich
te vaak op onbewaakte momenten suf lullen door Merel het peuterhoofd met een
missie. De koppen van Thea en haar kinderen mochten niet langer boven het
maaiveld uit. Derhalve meende Merel het peuterhoofd wel ongestraft haar
frustraties op Thea te kunnen botvieren. Ze moest haar demonen tenslotte ergens
bevechten. Beter met behulp van iemand van wie Merel het peuterhoofd niets te
vrezen dacht te hebben, dan over de ruggen van het restant van De Kleine
Beerpopulatie. Merel het peuterhoofd was bang voor macho’s. Zeker
voor de haatdragende hersenloze blaaskaken met tattoos, de
opgepompte sportschoolopa’s met een kort lontje of hoogbejaarde eerste
generatie moslimmannen met een misvormd ego aan de tweede leg die Merel het
peuterhoofd tijdens hun wegbreng- en ophaalmomentjes op De Kleine Beer maar
bedreigend hoefden aan te kijken om haar terug in hun patriarchale gareel te krijgen.
Nee, dan was het voor Merel het peuterhoofd een stuk veiliger om een
kind van Thea en Bart – het bescheiden, witte, bevoorrechte stel
- in het wilde weg en in het bijzijn van iedereen op De Kleine Beer
te labelen:
‘Waarschijnlijk
heeft Walter een vorm van autisme.’
Thea slaakte
een diepe zucht van ongenoegen.
‘Ik zie dat je
schrikt, maar dat hoeft niet. Mijn neefjes zijn laatst ook onderzocht en
autisme is maar een naampje voor een spectrum aan aandoeningen. Je hebt
allerlei vormen van autisme.’
‘Zijn die
neefjes de kinderen van dinges?’
‘Dinges?’
‘Je beroemde
broer?’
‘Nee, ik heb
nog meer broers en zussen.’
‘Jammer.’
‘Waarom?’
‘Misschien was
RTL Boulevard anders wel geïnteresseerd geweest.’
‘Dat denk ik
niet; het zijn maar zogenaamdneefjes.’
’En, wat was
de zogenaamde uitkomst?’
Thea verborg
haar neus in de krullen van Walter die op haar schoot zat en de blokken in
verschillende vormen uit een houten doos foutloos en routinematig liet
verdwijnen in de bijbehorende geperforeerde contouren in het deksel.
‘Toch een vorm
van autisme’.
‘Vervelend
voor je zogenaamdneefjes’, mompelde Thea in het kapsel van Walter.
‘Ik herken
veel van Walter in mijn neefjes. Dat repetitieve bijvoorbeeld. Kijk hem nou met
die vormendoos. Hup, daar gaat hij weer opnieuw. Daar tuimelt hij de vormendoos
weer om. Ja hoor, het deksel er weer op. Hij blijft de handeling maar
herhalen.’
Het
triomfantelijke verslag over Walter en zijn spel klonk als een uitlachsalvo.
Vinnig schoof Thea de vormendoos van Walter af en trok een houten legpuzzel van
het centrum van de mamatafel naar zich toe. Een boerderijpuzzel. Ostentatief
kieperde ze de houten legpuzzelstukjes uit het plankje en schoof Walter het
probleem voor. Zonder aarzelen begon Walter de veelvormige houten afbeeldingen
van de boerderijbeesten weer in de juiste contouren van het raamwerk te leggen.
Merel het peuterhoofd was echter niet te vermurwen:
‘Ja, maar het
principe is eigenlijk hetzelfde. Hij is goed met vormen. Maar kijk eens naar
dat fanatisme en de herhaling van dezelfde handeling.’
‘Hij is niet
autistisch, maar gedreven Merel. Ken je dat? Gedrevenheid? Of snap je alleen
waanzinnigheid?’
Met ingehouden
woede drukte Thea een dikke kus op de kruin van Walter. Alsof Sabine een jaar
geleden zoveel verder was geweest. En dan liet Thea haar oppaskind
- Melvin - nog buiten beschouwing. Op een gegeven
opvangdag werd de vierjarige kleuter Melvin zo kriegelig van de
moeilijkheidsgraad van de vormendoos dat hij om te beginnen het deksel met
geperforeerde contouren in blinde drift door de kamer had gekeild. Daarna
volgden de bijpassende blokken in verschillende vormen. Ze zoefden één voor één
richting lapjeskat die angstig dekking zocht achter de krabpaal.
Melvin bedaarde pas toen Thea uit solidariteit de lege houten doos
erachteraan smeet om de chaos compleet te maken. Desondanks merkte ze dat ze
zich steeds meer distantieerde van haar pleegkind Melvin naarmate zijn
driftbuien in frequentie toenamen. Wat Thea betreft wel een logisch gevolg van
een gedwongen relatie met een geleend kind. Melvin kon ontroeren, vertederen,
maar ook vervreemden en voelde nooit zo vertrouwd, onvoorwaardelijk aanwezig en
eigen als Walter en Sabine. Maar los daarvan; als ze haar biologische zoon van
drie met de toenmalige kleuter Melvin vergeleek dan zag ze op
ontwikkelingsgebied niet zo gek veel opzienbarende verschillen.
Peuterjuf
Maaike was ook aan de mamatafel komen zitten. Ongemerkt had ze op de lege stoel
aan de andere kant van Thea plaatsgenomen. Merel het peuterhoofd en Maaike haar
schaduw belaagden hun slachtoffers meestal met de doeltreffende; ‘good’ cop;
‘bad’ cop tactiek. Vaker dan de bedoeling was viel Maaike echter door de mand.
Ook vandaag straalde Maaike het tegendeel uit van dat wat ze
beweerde. Alsof ze in wezen niet helemaal overtuigd was van de amateur
psychologische aanpak van Merel het peuterhoofd. Ze wendde haar blik af,
terwijl ze klakkeloos reciteerde:
‘Je moet niet
bij voorbaat een aandoening uitsluiten’.
‘Nee, je moet
bij voorbaat van een afwijking uitgaan, daar worden we vrolijk van!’, sneerde
Thea.
‘Nee,
natuurlijk niet’, sputterde Maaike verontwaardigd tegen.
Thea
verklaarde zich nader:
‘Ik hoef maar
naar Sabine te kijken. Zij was een jaar geleden net zo ver als Walter en zij
lag op schema met haar ontwikkelingspatroon.’
‘Waarom
vergelijk je Sabine met Walter? Ieder kind is anders.’
Het klonk als
een oprechte vraag van Maaike. Ze was niet één van de snuggerste, maar wel de
betere peuterjuf. Ze had een beproefde intuïtie, die haar in de
omgang met peuters nooit, maar in haar relatie tot ouders en
verzorgers wel regelmatig in de steek liet.
Bijvoorbeeld
tijdens de wekelijkse ouderbijeenkomsten. Dat
waren koffie-uurtje op De Kleine Beer voor ouders en
verzorgers, terwijl de kinderen in de speelzaal zoet gehouden werden. Merel het
peuterhoofd zat de bijeenkomsten voor. Ze werd beurtelings afgewisseld door
telkens één van de vier andere peuterjuffen. Er viel voor Thea bijna niet onder
de deelnamedruk van Merel het peuterhoofd uit te komen zonder grof te worden of
oeverloze discussies aan te gaan. Dan maar liever even door de zure appel heen
bijten en de wekelijkse slappe bak leut doorstaan wat Thea betrof. Op één van
die koffie-uurtjes begon een mama met hoofddoek onbedaarlijk te huilen. Terwijl
iedereen haar zojuist nog uitbundig gefeliciteerd had. Ze was vier
maanden zwanger van haar zesde kind. Prompt transformeerde de polonaise van
opgetogen lotgenoten in een rouwstoet. Bij de huilende hoofddoekmama aangekomen
vormden ze een kring om het slachtoffer heen. In het centrum van de aandacht
veranderde het bescheiden snikken in geen tijd in een gierende klaagzang. In
gebrekkig Nederlands welteverstaan.
‘Hij wil
alleen maar neuken. Altijd neuken. Elke nacht neuken. Neuken, neuken, neuken!’
Op een kleine
afstand van de groep zat Merel het peuterhoofd achter een p.c.. Ze keek een
beetje viezig naar het tafereel. Thea was op één of andere manier ook in de
kring terecht gekomen. Opgelaten vond ze Merel het peuterhoofd met haar ogen.
Merel zag Thea niet. Wel kon Thea leedvermaak om de licht opgetrokken
mondhoeken van Merel het peuterhoofd zien spelen. Daarna werd Thea opzij geduwd
en afgeleid door peuterjuf Maaike die haastig kwam aandraven met een papieren
boterhamzak. Terwijl ze de bruine zak in de lucht zwaaide probeerde peuterjuf
Maaike luidkeels aan iedereen in de kring duidelijk te maken dat de hysterische
hoofddoekmama eerst rustig met haar neus en mond in de papieren buil in en uit
moest ademen. Zonder reactie van de lotgenoten. Kennelijk was niet iedereen
doordrongen van de helende werking van het opnieuw inademen van koolzuurgas en
de meeste moeders bleven onverstoord jeremiëren. Sindsdien liet Thea de
koffie-uurtjes onbezocht en heeft ze de daaruit volgende protesten
van Merel het peuterhoofd aan zich voorbij laten gaan.
‘Misschien
vergelijk ik Sabine wel met Walter omdat ze zus en broer zijn en omdat ik niet
alleen de moeder van Walter, maar ook van Sabine ben!? Bovendien schelen ze
amper één jaar.’
‘Ieder kind is
uniek’, herhaalde Merel het peuterhoofd.
Ter
illustratie stak ze haar kromme heksenwijsvinger belerend in de lucht.
‘Jullie doen
zelf niet anders dan vergelijken’, beet Thea gelaten van zich af.
‘Het is geen
kwestie van hullie en jullie.’
Merel
benadrukte haar terechtwijzing met een gezichtsuitdrukking die niet om haar
minachting voor Thea loog, terwijl ze vervolgde:
‘Ik snap dat
het moeilijk is, maar je kunt Walter toch gewoon laten onderzoeken? Baat het
niet, dan schaadt het niet. De verzekering betaalt, dus waar maak je je druk
om, Thea? En je helpt niet alleen Walter, maar je ontlast ook de leerkrachten
van Het Kleurenpalet. Hij is bijna 4 jaar en dan kan ik hem niet
langer houden. Dan moet hij hier weg. Dan breekt de tijd van de basisschool aan
en daar moet een kind goed op voorbereid zijn.’
‘Wat zeur je
nou Merel; Walter gaat helemaal niet naar Het Kleurenpalet!’
Het was eruit
voordat Thea wist wat ze zei. Een Freudiaanse verspreking. Niet alleen Merel
het peuterhoofd, maar ook het keurslijf van De Kleine Beer en de eindbestemming
van Het Kleurenpalet zaten haar kennelijk dwars.
Toch had
Sabine weinig te klagen in groep 1 van basisschool Het Kleurenpalet. Niet in de
laatste plaats dankzij juffrouw Dirkje. Dirkje is een vrouw naar Thea’s hart.
Ze is een generatiegenote en precies zoals een kleuterjuf in het
voorstellingsvermogen van Thea hoort te zijn. Hartelijk met een
warme uitstraling, maar streng en rechtvaardig op de achtergrond aanwezig. Ook
op de momenten waarop Thea geacht werd om naast de koffie-uurtjes op De Kleine
Beer tevens op de thema-ochtenden op het Kleurenpalet aanwezig te
zijn. Die min of meer verplichte thema-ochtenden waren een soort veredelde of
doorontwikkelde Kleine Beerkoffie-uurtjes voor gevorderden. Opnieuw onder
schooltijd, terwijl de kinderen in een andere ruimte onderwezen werden. In
principe zou Thea dan ook Walter als een excuus voor haar afwezigheid hebben
kunnen gebruiken, want hij was nog te klein voor de basisschool. Helaas ging
die vlieger niet op, want Walter was tijdelijk van harte welkom in de
kleuterklas van juffrouw Dirkje, waar hij met zijn zusje kon spelen, terwijl
zijn moeder de dwingende ouderbijeenkomsten tegen haar zin bezocht. Maar omdat
Dirkje niet flauw deed over het aanstormend talent dat Walter heet, was Thea
het aan de organisatoren van de thema-ochtenden verschuldigd om op haar beurt
de achterstandsproblematiek van Het Kleurenpalet te doorstaan. Mocht Walter
ondanks de grootspraak van Thea, net als zijn zusje Sabine, toch op Het
Kleurenpalet terecht komen, dan zou hij echter na zijn vierde verjaardag niet
automatisch permanent in de kleuterklas van juf Dirkje geplaatst worden. Sabine
was immers al voor een periode van twee jaar bij juf Dirkje ingedeeld en broers
en zussen werden bij voorkeur niet bij elkaar in de kleutergroep gezet. Nee,
Walter zou op Het Kleurenpalet bij kleuterjuf Petra geplaatst worden. Een
mevrouw in of nabij de pensioengerechtigde leeftijd met een pittig, kort kapsel
en een broekrok. Zo’n stereotype schooljuffer van alle tijden. Zo’n
onderwijsdinosaurus die een ieder zich in één of andere vorm wel van de eigen schooltijd
kan herinneren. In een kringgesprek had de peutergroep van Walter al kennis
mogen maken hun toekomstige juffrouw Petra. Uiteraard onder
supervisie van Merel het peuterhoofd en verder met begeleiding van beschikbare
ouders en verzorgers. Zo had Thea kunnen beluisteren hoe kleine Walter in de
kring het hoogste woord voerde in zijn onmiskenbare brabbeltaal. Koren op de
molen van Merel het peuterhoofd. Zie je wel dat ze gelijk had! Zijn taalgebruik
was volgens haar onderontwikkeld en zijn motoriek veel te grof. Walter
forceerde inderdaad zijn hele mollige lijfje om zijn overdadige woorden kracht
bij te zetten en zich over iedereen te ontfermen. Juffrouw Petra
rechtte haar rug en deed er tevergeefs alles aan om haar ergernis over de
ongecontroleerde kleuter te verdoezelen. Thea kromp mogelijk nog verder ineen
tussen de hoofddoekmama’s en tienermoeders op een veel te klein
stoeltje. Thea miste bij Juf Petra de schijnbaar kinderlijke eenvoud waarmee
juffrouw Dirkje in de groep van Sabine haar kleuters in het gareel hield. Ze
voelde de zegevierende ogen van Merel het peuterhoofd in haar rug prikken en
zag de minzame blik op het gezicht van juf Petra.
‘Ach hij weet
het allemaal al’, verzuchtte juffrouw Petra vermoeid op een toon alsof ze
Walter bij voorbaat al liever kwijt was dan rijk.
Merel het
peuterhoofd kon haar teleurstelling over Thea’s mogelijke keuze voor een andere
basisschool dan Het Kleurenpalet voor Walter, maar moeilijk
onderdrukken. Er sprongen zelfs tranen in haar ogen.
‘Je zult
Walter wel op Het Kleurenpalet moeten inschrijven’, schamperde ze.
‘Ik moet
helemaal niks’, snoof Thea.
‘En Bart, wat
vindt Bart dan?’
‘Sinds wanneer
ben jij geïnteresseerd in de mening van Bart?’
De scherpe
ondertoon ontging Merel het peuterhoofd, terwijl ze voor haar beurt
triomfantelijk uitriep:
‘Sabine zit al
op Het Kleurenpalet. Je kunt niet zomaar weg! Trouwens alle basisscholen hebben
wachtlijsten!’
‘Moet jij eens
opletten’, knikte Thea zelfverzekerd.
Wakker geschud
sloeg Merel het peuterhoofd haar hand voor haar open mond en onderdrukte een
kreet van ontzetting. Peuterjuf Maaike rook onraad en ze klopte geruststellend
op de onderarm van Merel het peuterhoofd. Het zou ook zonder Thea en haar
kroost wel goed komen met het gewilde, publiekelijk gloriemoment van Merel het
peuterhoofd in de rol van moeder Theresa van een zwarte basisschool en het
leerlingentekort van Het Kleurenpalet.
‘Niet alle
basisscholen hebben een wachtlijst’, blufte Thea.
‘Noem er eens
één dan’, vroeg Merel het peuterhoofd uitdagend.
‘Het
Kleurenrenpalet heeft bijvoorbeeld geen wachtlijst.’,
‘Nee, maar dat
heeft een reden.’
‘Je meent
het’, spotte Thea.
Het was
duidelijk dat Thea nog niet helemaal zeker was van haar zaak, waardoor Merel
het peuterhoofd snel aan zelfvertrouwen won. Helemaal met volgelingen als
peuterjuf Maaike aan haar zijde.
‘Luister Thea,
Walter heeft structuur nodig. Kleine groepen en duidelijkheid. Dat vind je niet
op gewone basisscholen. Niet meer. De groepen worden steeds groter en de druk
op de leerkrachten almaar zwaarder. Je blaast zelf constant de loftrompet over
Dirkje. Hij krijgt de beste leerkrachten op een basisschool met kleine groepen
en alle faciliteiten. Je zou wel gek zijn als je af zou haken. Sowieso, bij Het
Kleurenpalet houd ik ook het overzicht. Ik zie wat er met mijn kleintjes
gebeurt. Ik zie hoe ze zich ontwikkelen. Ik kan helpen. Ik sta niet alleen aan
de zijlijn. Ik zal erbij zijn. Acht lange basisschooljaren lang.’
Hoe overtuigd
moest een mens van zichzelf zijn voordat zij met een stalen gezicht durfde te
beweren dat haar niet aflatende invloed een zegen zou zijn voor de toekomst van
Walter? Zwijgend voelde Thea basisschool De Wielewaal in de witte wijk als een
noodzakelijk kwaad naderen. De zoetgevooisde stem van directeur Peter en
zijn kleinburgerlijke gedienstigheid ten spijt.
‘De Wielewaal
is net een dorp’, recapituleerde Thea hardop in gedachten.
‘De
Wielewaal?!’, herhaalde Merel vol ongelovige afgunst.
‘De Wielewaal?
Daar kom jij niet binnen.’
‘Sabine was
anders ook aangenomen vorig schooljaar.’
Merel en
Maaike geloofden haar niet. Nogal wiedes. Thea geloofde zichzelf niet eens
meer.
‘En toen heb
jij voor Het Kleurenpalet gekozen?’, smaalde Merel het peuterhoofd.
Ook peuterjuf
Maaike produceerde een achterdochtig hikgeluid. Thea reageerde niet meer en
woelde door de krullen van Walter die op haar schoot op een houten puzzelstukje
sabbelde. Merel het peuterhoofd besloot haar manipulaties over een andere boeg
te gooien:
‘Hoe ver ben
je met het ontspenen van Walter?’
‘Met m’n wat?’
‘Hij speent
nog thuis zeker? En helemaal zindelijk is hij ook nog niet. Daar kun je niet
mee aankomen op De Wielewaal.’
Thea dacht aan
Sabine die ook relatief laat uit de luiers was; om van Melvin maar niet te
spreken. De overgang naar groep 1 deed wonderen voor het toiletgedrag van beide
peuters. Waarom zou dat bij Walter anders zijn?
‘Wil jij mij
nou wijsmaken Merel dat de kleutertjes op De Wielewaal allemaal perfect zijn en
dat Walter nergens anders dan alleen maar op basisschool Het Kleurenpalet
terecht kan, omdat hij af en toe nog een luier draagt en soms aan een speentje
zuigt?’
Thea tilde
Walter ziedend van haar schoot en liet hem gaan. Hij rende naar de bouwhoek,
terwijl Thea ging staan. Merel het peuterhoofd volgde haar voorbeeld, zodat zij
en Thea oog in oog stonden. Juf Maaike bleef zitten en probeerde zich neutraal
op te stellen door zich tot de andere mama’s aan tafel te richten. De ogen van
Merel het peuterhoofd schoten vuur.
‘Op Het
Kleurenpalet krijgt hij de speciale aandacht en begeleiding die hij nodig
heeft. Met name van mij’, verkondigde ze dictatoriaal
‘En daar zit
Walter op te wachten? Denk je dat? Dat geloof je zelf toch niet Merel’,
schamperde Thea.
Verafschuwd
wendde ze haar blik af en zocht haar tas. Dit soort onderonsjes met Merel het
peuterhoofd viel niet met gezond verstand te beredeneren. Na twee jaren had
Thea nog steeds niet de juiste toon te pakken om Merel het peuterhoofd afdoende
op haar nummer te zetten. Ze betwijfelde of dat haar zo vlak voor het vertrek
van Walter nog ging lukken.
‘Lik op stuk
geven’.
Dat was het
devies van Bart die alles uit de mond van Merel het peuterhoofd afdeed als
wauwelkoek. Maar rake antwoorden daagden bij Thea pas in ontspannen sfeer.
Bijvoorbeeld als ze op veilige afstand van Merel en De Kleine Beer naast Bart
in bed lag. Dan voerde ze complete conversaties met Merel het peuterhoofd in
haar hoofd. Bekgevechten die Thea won. In haar dromen. Ze vermoedde
wel dat Bart gelijk had en dat Merel het peuterhoofd onbetrouwbaar was, maar
helemaal vrij van twijfel was Thea ook niet. Ze kon zich nou een maal niet
voorstellen dat iemand als Merel het peuterhoofd ‘gewoon’ een onprettige
persoonlijkheid had? Misschien zat er toch een kern van waarheid in haar
oordeel over Walter? Zo werd Thea heen en weer geslingerd tussen waanideeën van
Merel het peuterhoofd en het feit dat Walter een normaal mannetje is met een
unieke persoonlijkheid zoals ieder mens.
Voor de
zekerheid nam Bart televisie documentaires over ADHD en autisme voor Thea op.
Ook vond hij een wetenschappelijke serie over de ontwikkeling van hedendaagse
kinderen bij de BBC: ‘Child of our Time’. Bij de plaatselijke bibliotheek
leende Thea boeken over pedagogiek, de gangbare ontwikkeling van ouders en
kinderen en de medicalisering van het onderwijs. Van het internet downloadde ze
stapels artikelen over dezelfde onderwerpen. En hoe meer Thea observeerde, las
en leerde; hoe beter ze het oordeel van Merel het peuterhoofd zag voor wat het
was.
Aandachttrekkerij.
Voor Merel het peuterhoofd was een psychische aandoening bij een peuter
welhaast een zegen; een ingang tot een mysterieuze, medische wereld van artsen
en verpleegkundigen. Een cluster van gestudeerde mensen die zich dan met
vereende krachten in het zogenaamde weloverwogen, quasi intelligente oordeel
van een peuterleidster met de naam Merel zou willen verdiepen. Elke diagnose
zou voor Merel het peuterhoofd hebben volstaan. Walter hoefde niet autistisch
te zijn. Er zijn zoveel aandoeningen. Keuze genoeg. Zolang Merel het
peuterhoofd zich maar met de behandeling mocht bemoeien en haar inzichten de
boventoon voerden. Ze vroeg zich niet af waar Walter en zijn ouders in de
tussentijd moesten blijven. Merel het peuterhoofd had alleen visioenen van een
nederige Thea die zich na de hervorming van haar zoon Walter in dankbetuigingen
jegens weldoenster Merel het peuterhoofd zou uitputten. Eigenlijk zouden
peuterleidsters van het kaliber van Merel het peuterhoofd desnoods met geweld
gedwongen moeten worden om naar het relaas van reële ouders met echte,
aantoonbare, autistische kinderen te luisteren. Of naar ouders van kinderen met
ADHD. Maar dan ADHD en autisme zoals ze bedoeld zijn; als aangeboren
hersenafwijkingen en niet mis te verstaan als stimuli voor het syndroom van
Munchhausen by Proxy; waarvan ziekteverwekkers a la Merel verdacht veel
symptomen lieten zien.
Eindelijk
heeft Thea op de tweede verdieping lokaal nummer 207 gevonden. Door het raam
herkent ze de jonge en vlotte leraar Duits, Jonas, voor de klas. Hij is één van
de mentoren van haar dochter Sabine. Hij ziet Thea op de gang door het raam van
de gesloten deur besluiteloos staan afwachten. Bij wijze van begroeting heft
hij kort zijn vlakke hand en laat haar binnen.
‘Ik ben de
moeder van Sabine’, zegt Thea verontschuldigend.
‘Dat zie ik’,
antwoordt Jonas op gedempte toon.
Voor de
overvolle klas met ouders voert een wiskundelerares het woord. Zij schijnt de
betere helft te zijn van het mentorduo van deze brugklas in het tweede jaar.
Net als vorig schooljaar draagt de wiskundelerares, ook wel Kiral genoemd, nog
steeds een hoofddoek. Kiral fronst en stopt demonstratief met praten totdat
Thea met moeite een plekje in het lokaal gevonden heeft. Als ze na het nodige
rumoer en geschuifel eindelijk zit, werpt Thea een vernietigende blik in de
richting van de arrogante wiskundelerares met hoofddoek. Betrapt kijkt Kiral
vlug weg, schraapt de keel en vervolgt haar betoog. Thea heeft zich nooit zo
intens verdiept in hoofddoeken, leraressen of wiskunde en al helemaal niet in
een combinatie van die drie elementen, maar ze wordt nou wel spontaan met haar
neus op de hautaine uitstraling van deze mentor gedrukt, met wie ze gelukkig
verder niet veel te maken heeft. Bij dringende schoolse zaken doet Sabine
namelijk liever een beroep op Jonas. Tenminste dat maakt Thea op uit de
kostelijke anekdotes van Sabine tijdens het gezamenlijke avondeten, waarbij ze
onder meer op onderhoudende wijze verslag doet van de creatieve manieren waarop
ze Kiral op school weet te ontlopen. Sabine vindt Kiral irritant
met haar wereldvreemde gepreek voor de klas en haar stichtelijke
kijk op frivole, quasi ongelovige meisjes van dertien. Meisjes zoals Sabine
dus; die zoveel mogelijk door Kiral genegeerd worden. En zo niet dan wordt
Sabine aangesproken op een afgebeten toon vol voelbare tegenzin. En Sabine op
haar beurt offert haar geëvolueerde katholisme en recht op een beetje aangenaam
intermenselijk contact met haar mentor Kiral met liefde en plezier op voor de
moslimmeisjes in de klas die in de cruciale leeftijdsperiode van 10 tot 14 jaar
vroeg of laat allemaal door het thuisfront voor de keuze van het al dan niet
dragen van een hoofddoek gesteld zullen worden. Thea waagt de hoogte van het
vrijwilligheidsgehalte van deze keuze te betwijfelen, maar ze houdt zich verre
van de discussie. Ze wil haar dochter niet indoctrineren en/of belasten met
eventuele vooroordelen ten opzichte van haar klasgenoten. Maar Sabine
accepteert de moslima’s met hoofddoek om haar heen als een vanzelfsprekendheid
in een uitzonderingspositie waarover zij gelukkig helemaal geen mening hoeft te
hebben. Zo heeft Sabine in haar dagelijkse vriendenkliek naast meisjes met en
zonder hoofddoek ook moslim vrienden. Jongens. Altijd zonder hoofddoek.
Opgeschoten pubers. Ook wel bekend als babemagneten; waarvan sommigen alleen
maar rondhangen met iedereen uit de klas; anderen dagelijks na school op
topniveau geïntegreerd sporten en een drietal zelfs onderdeel is van een
multiculturele muziek – en rapband. Er wordt voluit geflirt zonder onderscheid
van culturele achtergrond door en met de moslim jongens. Op het eerste oog zo
goed als volledig sociaal geëngageerd. Nu al. Nauwelijks 13 jaar.
Sabine kan met ze lachen en gek doen, terwijl de gelovige moslimmeisjes uit de
klas zich gegeneerd afwenden.
‘Je moet je
tieten eens wat beter bedekken’, had een dertienjarige hoofddoek in de
kleedkamer na de gym in het oor van Sabine gesist.
‘Je hebt toch
wel van je afgebeten?’
Thea was
geschokt. Ook over de emotieloze verslaggeving van Sabine.
‘Ja’.
‘Wat deed je
dan?’
‘Ik deed niks.
Ik riep wat.’
‘Wat riep je
dan?’
‘Ik heb
tenminste tieten. Dat riep ik’, antwoordde Sabine droog.
Thea schoot in
de lach. Sabine grinnikte onbekommerd mee. Zonder uitleg snapte Thea wel waarom
Sabine met dit akkefietje niet naar haar mentoren was gestapt. Kiral kan overal
zo’n immens probleem van maken en de twintiger Jonas gaat uit jeugdige flexibiliteit
automatisch met haar mee. Sabine voelt zoiets feilloos aan:
‘Ze heeft
namelijk net een kind gehad, met een keizersnee en zo.’
‘O jee’, had
Thea geantwoord.
‘Jij hebt toch
ook een keizersnee gehad mam?’
‘Ja hoor’.
‘Nou dan, moet
die Kiral daar dan zo moeilijk over doen?’
‘Dat weet ik
niet, misschien heeft ze er wel last van?’
‘Die piept al;
als er een scheet dwars zit, maar voor mijn part, hoe minder wiskunde, hoe
beter.’
En zolang
Sabine geen moeite zegt te hebben met het optreden van haar mentor, houdt Thea
zich op de vlakte. Waarschijnlijk liggen Sabine en Kiral elkaar gewoon niet en
staat de hoofddoek van de wiskundelerares en mentor helemaal niet symbool voor
een onoverbrugbaar cultuurverschil. Hopelijk; want op een themadag over
homoseksualiteit meldde Kiral zich ziek als begeleidster. Nou meldt Kiral zich
wel vaker ziek, maar dit keer was zelfs Sabine achterdochtig en op haar hoede
door het voorschot aan homofobische reacties en uitspraken van islamitische
klasgenoten op de aankondiging van de seksuele voorlichting. Alle leerlingen
werden dan ook, zonder uitzondering, door de schoolleiding verplicht gesteld om
zich klassikaal in het relaas van homo’s en lesbiennes te verdiepen. Zonder
deze regeling zou de klas van Sabine absoluut zorgwekkend ondervertegenwoordigd
zijn geweest. De puberale moslima’s namen stoïcijns aan de zitting deel. Het
misprijzen versluierd in de weerschijn van de ongenaakbare hoofddoek. De geprikkelde,
islamitische babemagneten waren regelrecht beledigend tegen de kwetsbare
bezoekers die zenuwachtig voor de klas kwamen vertellen over hun seksuele
geaardheid. Enkele loverboys in spé zaten met hun rug naar de sprekers toe,
draaiden met de ogen; sputterden:
‘homo’;
sisten bij
wijze van commentaar en voor iedereen verstaanbaar;
‘fuck an
asswhole’;
en verzonnen
ter plekke een pakkende fluisterrap die bij alle toehoorders nog dagen in het
hoofd bleef nagalmen;
‘vieze potten;
kankerhoeren; motherfuckers’.
Dat riep
reacties op van de rest. Natuurlijk. Welke puber is nou niet wars van diepgang,
nuance en wel vies van een opstootje. Iemand galmde treiterend door de
klas:
‘Kijk naar je
eigen, Islamietje!’
Jonas kon de
onrust in de groep nauwelijks onder controle krijgen. Uit plaatsvervangende
schaamte stak Sabine, ondanks de groepsdruk, haar nek uit en trok haar mond
open. Tot grote dankbaarheid van de vier bloednerveuze sprekers en Jonas. Zij
kwam ermee weg, maar voor hetzelfde geld had ze met haar heldendaad een vonnis
ondertekend. Eliminatie. Maar Sabine zou Sabine niet zijn als zij ook
daadwerkelijk werd weggehoond na haar uitroep.
‘Kappen met
die bullshit’.
Waar was Kiral
op dit cruciale moment? De klassenbegeleidster. De mentor bij
uitstek? Zou uitgerekend zij met haar uitgekiende hoofddoek niet
meer tegengewicht in de homofobische weegschaal hebben kunnen leggen? Wellicht
was ze juist ziek uit angst om naar de verkeerde kant door te slaan.
De klassikale
bespreking van de schooljaarplanning gaat volledig aan Thea voorbij. Ze kan
zich moeilijk concentreren op de schema’s op het digibord die uitvoerig worden
toegelicht door Kiral. Af en toe mag Jonas ook wat zeggen. Zijn stem is
eveneens monotoon, maar hij maakt in elk geval geen taalfouten zoals zijn
collega. Hij zegt:
‘het boek’,
in plaats van:
‘de boek’,
en;
‘ze hebben het
goed gedaan’,
niet;
‘hun hebben
dat goed gedaan’;
of;
‘enige’,
in plaats van;
‘enigste’.
Veel ouders
stellen praktische vragen. Bijvoorbeeld over; de data van de proefwerkweken en
of die nog verzet kunnen worden; de hoogte van de vrijwillige ouderbijdrage en
of daar nog een minimum aan verbonden is; de mailadressen voor ziek- en
betermelding; de invulling van het mentoruitje, het open podium of de
kerstviering.
Thea schrikt
wakker. Haar hoofd tolt in de palm van haar linkerhand. Haar elleboog schuift
van tafel. Om haar heen staan ouders op. De meesten groeperen zich
om de mentoren en bieden Kiral de gelegenheid om voor Thea onder te duiken in
de mensenmassa. Jonas ziet haar niet eens vertrekken, want Thea houdt het
verder voor gezien en laat al de niet gestelde kritische vragen voor wat ze
zijn.
Omdat een
ouder uit eigen belang nooit de mond voorbij moet praten. Dat heeft Thea vanaf
het voorzichtige begin van haar kinderen op de peuterspeelzaal noodgedwongen
heel erg goed begrepen. De explosieve verhouding van Walter met zijn peuterjuf
Merel werd van kwaad tot erger. ’s Morgens bracht Thea eerst Sabine naar groep
1 in het gebouw van Het Kleurenpalet bij juffrouw Dirkje en daarna moest Walter
nog naar De Kleine Beer. Bij de ingang op de stoeptegels die stuk voor stuk
beschilderd waren met reuze voetstapafdrukken in primaire kleuren, begon het
verzet. Walter plantte zijn reliëf spekschoenzolen schrap tegen de granito
drempel en vond steun aan weerszijden van de vrolijke gele deurpost. Aan een
touwtje uit de mouwtjes van zijn jas bengelden wantjes. Neon groen. Thea stond
achter haar zoontje en probeerde krampachtig om met haar vrije linkerhand te
voorkomen dat de rode voordeur zou dichtslaan en aldus de vingertjes van Walter
zou amputeren. Haar rechterhand drukte op zijn borst. Ze voelde zijn hartslag wild
tekeer gaan. Vastgeklemd in één arm probeerde Thea om Walter voor zich uit naar
binnen te dwingen. Toegeven was geen optie, want ze had geen overzicht op de
gevolgen van een eventuele capitulatie aan de drift van haar recalcitrante
zoontje. Het liefst nam ze hem gewoon mee naar huis, maar ze moest sterk zijn.
Voor Walter, voor zichzelf en de afrekencultuur van de peuterjuffen, pedagogen
en andere kinderverzorgers om haar heen. Walter was een stevig peutertje en hij
dreigde uit te groeien tot een boom van een vent. Als er iets was wat Walter
sneller moest leren dan andere peuters dan was het wel om op een minder
expressieve manier met zijn boosheid om te gaan dan met lijf en leden. In de
privésfeer zou hij dan uit mogen razen. Bart had zelfs een boksbal in de
speelkamer aan een haak aan het plafond bevestigd. Maar Walter was geen
agressief mannetje thuis. Ook niet gefrustreerd. Hij sloeg, beet of schopte
niemand. Hij deed geen hond, kat of vlieg kwaad. Ook niet stiekem, want de
huisdieren volgden Walter trouw op de voet door het hele huis, hetgeen
ondenkbaar zou zijn als hij de kat in het donker kneep. Het tegendeel was
eerder waar. Gelaten verleende Walter de mollige rooie kater toegang tot het
voeteneind van zijn bed en de lobbes van een labrador liet hij met een
engelengeduld apporteren. Verder gaf hij af en toe weleens een tikje tegen de
boksbal in de speelkamer om zijn vader een plezier te doen, maar meestal bouwde
hij legoconstructies of speelde hij games achter een kinderlaptop. Zo klein als
hij met zijn 3 jaar ook was. Allicht was hij weleens onredelijk of opstandig,
maar de echte driftaanvallen, waarbij hij niemand dreigde te ontzien, bewaarde
Walter voor De Kleine Beer.
Zijn woede
escaleerde steeds vaker in de buurt van Merel het peuterhoofd dat naast Thea
aan de mamatafel plaatsnam. Tot haar ontsteltenis voelde Thea de hand van Merel
het peuterhoofd plotseling op haar schouder rusten:
‘Trek je het
nog wel meid; je ziet er afgepeigerd uit!’
‘Het gaat
prima’, antwoordde Thea.
Vol afschuw
schoof ze haar stoel een stukje naar achteren en verloste zich zo uit de
schoudergreep van Merel het peuterhoofd.
‘Maaike en ik
hebben zitten denken.’
Gealarmeerd
zocht Thea met haar ogen naar steun bij de andere mama’s aan tafel, maar ze
kreeg alleen een vluchtige knipoog van de moeder van Arda. Die ochtend leken
zowel Arda als zijn moeder zich veel gehoorzamer dan anders in de
voorgeschreven ouderkind speltherapie te schikken door zich met volledige
overgave te concentreren op het leggen van een puzzel. In opdracht van Merel
het peuterhoofd en haar schaduw; peuterjuf Maaike van De Kleine Beer, moesten
de ouders namelijk elke morgen, na het brengen van het kind, verplicht een
kwartier lang onder toezicht van de peuterleidsters op een pedagogisch
verantwoorde wijze iets leuks doen met de peuter. Ongeschoolde Ilem reageerde
wel min of meer op de wanhoopsblikken van Thea. Ze knikte gedienstig en lachte
blijmoedig in de richting van de mamatafel. Gewoontegetrouw zat Ilem, met haar
hoofddoek bevallig om haar kapsel gedrapeerd, aan een bijzettafeltje, waarop
allerlei Tupperware stond uitgestald. Ze was doelgericht met een
aardappelschilmesje in de weer, terwijl ze haar ogen onafgebroken de kost gaf
door om zich heen te kijken in de peuterzaal. Blindelings schilde ze appels,
pelde sinaasappels en vilde kiwi’s voor het fruithapje van de dag. De andere
mama’s gaven niet thuis. Ze staken de koppen bij elkaar en wisselden driftig
ditjes en datjes uit in een eensgezinde euforische stemming. Wie weet omdat zij
vandaag voor de verandering niet onder handen werden genomen door het
peuterdragonder, waartegen geen enkele jonge moeder of hoofddoekmama direct
tegen in opstand durfde te komen. Hier kwamen de mannen dan weer eens van pas.
Nou liet windbuil Merel het peuterhoofd zich zogezegd niet wegzetten door de
opa’s, broers, papa’s of nieuwe vriendjes uit de achterstandswijk, maar ze nam
meestal wel op tijd afstand. Behalve bij Bart en Thea, want dat lag toch
anders. Merel het peuterhoofd zag wel potentie in een goed contact met Thea.
Een wereldvreemd type met tenminste een redelijke opleiding, waardoor ze
misschien wel enigszins in de luwte van haar; Merel het peuterspeelzaal
opperhoofd; in de buurt kon komen. Zo’n schaap als Thea kon niet anders dan
verward en verdwaald zijn hier tussen de coterie van achterstandswijkbewoners.
In plaats van Thea, met het opgegeven bruto jaarinkomen van haar man Bart en
het opleidingsniveau van het echtpaar, zou Merel het peuterspeelzaalhoofd het
wel geweten hebben en een huis in een achterstandswijk zou een no go geweest
zijn. Thea had de plank in de ogen van Merel volledig misgeslagen en moest haar
problemen bespreekbaar kunnen maken bij een ervaringsdeskundige zoals het
peuterhoofd in persoon. Zonder inmenging van dikdoener Bart die overduidelijk
van toeten noch blazen wist. Niemand met aanzien en een bloeiende carrière koos
vrijwillig voor een stimuleringswijk. Hoe vrijstaand en dicht bij het centrum
het betrokken pand dan ook wel wezen mocht.
Thea voelde de
vijandige achterdocht van Merel feilloos aan. In eerste instantie dacht ze de
gedachtekronkels wel weg te kunnen lachen als lekenkennis, maar ze bleek al
snel nauwelijks verweer te hebben tegen de persistentie van Merel het
peuterhoofd dat in de ogen van Thea alle symptomen vertoonde van een gesjeesde
kinderverzorgster middenin een midlifecrisis. Volkomen overdonderd liet ze zich
te vaak op onbewaakte momenten suf lullen door Merel het peuterhoofd met een
missie. De koppen van Thea en haar kinderen mochten niet langer boven het
maaiveld uit. Derhalve meende Merel het peuterhoofd wel ongestraft haar
frustraties op Thea te kunnen botvieren. Ze moest haar demonen tenslotte ergens
bevechten. Beter met behulp van iemand van wie Merel het peuterhoofd niets te
vrezen dacht te hebben, dan over de ruggen van het restant van De Kleine
Beerpopulatie. Merel het peuterhoofd was bang voor macho’s. Zeker
voor de haatdragende hersenloze blaaskaken met tattoos, de
opgepompte sportschoolopa’s met een kort lontje of hoogbejaarde eerste
generatie moslimmannen met een misvormd ego aan de tweede leg die Merel het
peuterhoofd tijdens hun wegbreng- en ophaalmomentjes op De Kleine Beer maar
bedreigend hoefden aan te kijken om haar terug in hun patriarchale gareel te krijgen.
Nee, dan was het voor Merel het peuterhoofd een stuk veiliger om een
kind van Thea en Bart – het bescheiden, witte, bevoorrechte stel
- in het wilde weg en in het bijzijn van iedereen op De Kleine Beer
te labelen:
‘Waarschijnlijk
heeft Walter een vorm van autisme.’
Thea slaakte
een diepe zucht van ongenoegen.
‘Ik zie dat je
schrikt, maar dat hoeft niet. Mijn neefjes zijn laatst ook onderzocht en
autisme is maar een naampje voor een spectrum aan aandoeningen. Je hebt
allerlei vormen van autisme.’
‘Zijn die
neefjes de kinderen van dinges?’
‘Dinges?’
‘Je beroemde
broer?’
‘Nee, ik heb
nog meer broers en zussen.’
‘Jammer.’
‘Waarom?’
‘Misschien was
RTL Boulevard anders wel geïnteresseerd geweest.’
‘Dat denk ik
niet; het zijn maar zogenaamdneefjes.’
’En, wat was
de zogenaamde uitkomst?’
Thea verborg
haar neus in de krullen van Walter die op haar schoot zat en de blokken in
verschillende vormen uit een houten doos foutloos en routinematig liet
verdwijnen in de bijbehorende geperforeerde contouren in het deksel.
‘Toch een vorm
van autisme’.
‘Vervelend
voor je zogenaamdneefjes’, mompelde Thea in het kapsel van Walter.
‘Ik herken
veel van Walter in mijn neefjes. Dat repetitieve bijvoorbeeld. Kijk hem nou met
die vormendoos. Hup, daar gaat hij weer opnieuw. Daar tuimelt hij de vormendoos
weer om. Ja hoor, het deksel er weer op. Hij blijft de handeling maar
herhalen.’
Het
triomfantelijke verslag over Walter en zijn spel klonk als een uitlachsalvo.
Vinnig schoof Thea de vormendoos van Walter af en trok een houten legpuzzel van
het centrum van de mamatafel naar zich toe. Een boerderijpuzzel. Ostentatief
kieperde ze de houten legpuzzelstukjes uit het plankje en schoof Walter het
probleem voor. Zonder aarzelen begon Walter de veelvormige houten afbeeldingen
van de boerderijbeesten weer in de juiste contouren van het raamwerk te leggen.
Merel het peuterhoofd was echter niet te vermurwen:
‘Ja, maar het
principe is eigenlijk hetzelfde. Hij is goed met vormen. Maar kijk eens naar
dat fanatisme en de herhaling van dezelfde handeling.’
‘Hij is niet
autistisch, maar gedreven Merel. Ken je dat? Gedrevenheid? Of snap je alleen
waanzinnigheid?’
Met ingehouden
woede drukte Thea een dikke kus op de kruin van Walter. Alsof Sabine een jaar
geleden zoveel verder was geweest. En dan liet Thea haar oppaskind
- Melvin - nog buiten beschouwing. Op een gegeven
opvangdag werd de vierjarige kleuter Melvin zo kriegelig van de
moeilijkheidsgraad van de vormendoos dat hij om te beginnen het deksel met
geperforeerde contouren in blinde drift door de kamer had gekeild. Daarna
volgden de bijpassende blokken in verschillende vormen. Ze zoefden één voor één
richting lapjeskat die angstig dekking zocht achter de krabpaal.
Melvin bedaarde pas toen Thea uit solidariteit de lege houten doos
erachteraan smeet om de chaos compleet te maken. Desondanks merkte ze dat ze
zich steeds meer distantieerde van haar pleegkind Melvin naarmate zijn
driftbuien in frequentie toenamen. Wat Thea betreft wel een logisch gevolg van
een gedwongen relatie met een geleend kind. Melvin kon ontroeren, vertederen,
maar ook vervreemden en voelde nooit zo vertrouwd, onvoorwaardelijk aanwezig en
eigen als Walter en Sabine. Maar los daarvan; als ze haar biologische zoon van
drie met de toenmalige kleuter Melvin vergeleek dan zag ze op
ontwikkelingsgebied niet zo gek veel opzienbarende verschillen.
Peuterjuf
Maaike was ook aan de mamatafel komen zitten. Ongemerkt had ze op de lege stoel
aan de andere kant van Thea plaatsgenomen. Merel het peuterhoofd en Maaike haar
schaduw belaagden hun slachtoffers meestal met de doeltreffende; ‘good’ cop;
‘bad’ cop tactiek. Vaker dan de bedoeling was viel Maaike echter door de mand.
Ook vandaag straalde Maaike het tegendeel uit van dat wat ze
beweerde. Alsof ze in wezen niet helemaal overtuigd was van de amateur
psychologische aanpak van Merel het peuterhoofd. Ze wendde haar blik af,
terwijl ze klakkeloos reciteerde:
‘Je moet niet
bij voorbaat een aandoening uitsluiten’.
‘Nee, je moet
bij voorbaat van een afwijking uitgaan, daar worden we vrolijk van!’, sneerde
Thea.
‘Nee,
natuurlijk niet’, sputterde Maaike verontwaardigd tegen.
Thea
verklaarde zich nader:
‘Ik hoef maar
naar Sabine te kijken. Zij was een jaar geleden net zo ver als Walter en zij
lag op schema met haar ontwikkelingspatroon.’
‘Waarom
vergelijk je Sabine met Walter? Ieder kind is anders.’
Het klonk als
een oprechte vraag van Maaike. Ze was niet één van de snuggerste, maar wel de
betere peuterjuf. Ze had een beproefde intuïtie, die haar in de
omgang met peuters nooit, maar in haar relatie tot ouders en
verzorgers wel regelmatig in de steek liet.
Bijvoorbeeld
tijdens de wekelijkse ouderbijeenkomsten. Dat
waren koffie-uurtje op De Kleine Beer voor ouders en
verzorgers, terwijl de kinderen in de speelzaal zoet gehouden werden. Merel het
peuterhoofd zat de bijeenkomsten voor. Ze werd beurtelings afgewisseld door
telkens één van de vier andere peuterjuffen. Er viel voor Thea bijna niet onder
de deelnamedruk van Merel het peuterhoofd uit te komen zonder grof te worden of
oeverloze discussies aan te gaan. Dan maar liever even door de zure appel heen
bijten en de wekelijkse slappe bak leut doorstaan wat Thea betrof. Op één van
die koffie-uurtjes begon een mama met hoofddoek onbedaarlijk te huilen. Terwijl
iedereen haar zojuist nog uitbundig gefeliciteerd had. Ze was vier
maanden zwanger van haar zesde kind. Prompt transformeerde de polonaise van
opgetogen lotgenoten in een rouwstoet. Bij de huilende hoofddoekmama aangekomen
vormden ze een kring om het slachtoffer heen. In het centrum van de aandacht
veranderde het bescheiden snikken in geen tijd in een gierende klaagzang. In
gebrekkig Nederlands welteverstaan.
‘Hij wil
alleen maar neuken. Altijd neuken. Elke nacht neuken. Neuken, neuken, neuken!’
Op een kleine
afstand van de groep zat Merel het peuterhoofd achter een p.c.. Ze keek een
beetje viezig naar het tafereel. Thea was op één of andere manier ook in de
kring terecht gekomen. Opgelaten vond ze Merel het peuterhoofd met haar ogen.
Merel zag Thea niet. Wel kon Thea leedvermaak om de licht opgetrokken
mondhoeken van Merel het peuterhoofd zien spelen. Daarna werd Thea opzij geduwd
en afgeleid door peuterjuf Maaike die haastig kwam aandraven met een papieren
boterhamzak. Terwijl ze de bruine zak in de lucht zwaaide probeerde peuterjuf
Maaike luidkeels aan iedereen in de kring duidelijk te maken dat de hysterische
hoofddoekmama eerst rustig met haar neus en mond in de papieren buil in en uit
moest ademen. Zonder reactie van de lotgenoten. Kennelijk was niet iedereen
doordrongen van de helende werking van het opnieuw inademen van koolzuurgas en
de meeste moeders bleven onverstoord jeremiëren. Sindsdien liet Thea de
koffie-uurtjes onbezocht en heeft ze de daaruit volgende protesten
van Merel het peuterhoofd aan zich voorbij laten gaan.
‘Misschien
vergelijk ik Sabine wel met Walter omdat ze zus en broer zijn en omdat ik niet
alleen de moeder van Walter, maar ook van Sabine ben!? Bovendien schelen ze
amper één jaar.’
‘Ieder kind is
uniek’, herhaalde Merel het peuterhoofd.
Ter
illustratie stak ze haar kromme heksenwijsvinger belerend in de lucht.
‘Jullie doen
zelf niet anders dan vergelijken’, beet Thea gelaten van zich af.
‘Het is geen
kwestie van hullie en jullie.’
Merel
benadrukte haar terechtwijzing met een gezichtsuitdrukking die niet om haar
minachting voor Thea loog, terwijl ze vervolgde:
‘Ik snap dat
het moeilijk is, maar je kunt Walter toch gewoon laten onderzoeken? Baat het
niet, dan schaadt het niet. De verzekering betaalt, dus waar maak je je druk
om, Thea? En je helpt niet alleen Walter, maar je ontlast ook de leerkrachten
van Het Kleurenpalet. Hij is bijna 4 jaar en dan kan ik hem niet
langer houden. Dan moet hij hier weg. Dan breekt de tijd van de basisschool aan
en daar moet een kind goed op voorbereid zijn.’
‘Wat zeur je
nou Merel; Walter gaat helemaal niet naar Het Kleurenpalet!’
Het was eruit
voordat Thea wist wat ze zei. Een Freudiaanse verspreking. Niet alleen Merel
het peuterhoofd, maar ook het keurslijf van De Kleine Beer en de eindbestemming
van Het Kleurenpalet zaten haar kennelijk dwars.
Toch had
Sabine weinig te klagen in groep 1 van basisschool Het Kleurenpalet. Niet in de
laatste plaats dankzij juffrouw Dirkje. Dirkje is een vrouw naar Thea’s hart.
Ze is een generatiegenote en precies zoals een kleuterjuf in het
voorstellingsvermogen van Thea hoort te zijn. Hartelijk met een
warme uitstraling, maar streng en rechtvaardig op de achtergrond aanwezig. Ook
op de momenten waarop Thea geacht werd om naast de koffie-uurtjes op De Kleine
Beer tevens op de thema-ochtenden op het Kleurenpalet aanwezig te
zijn. Die min of meer verplichte thema-ochtenden waren een soort veredelde of
doorontwikkelde Kleine Beerkoffie-uurtjes voor gevorderden. Opnieuw onder
schooltijd, terwijl de kinderen in een andere ruimte onderwezen werden. In
principe zou Thea dan ook Walter als een excuus voor haar afwezigheid hebben
kunnen gebruiken, want hij was nog te klein voor de basisschool. Helaas ging
die vlieger niet op, want Walter was tijdelijk van harte welkom in de
kleuterklas van juffrouw Dirkje, waar hij met zijn zusje kon spelen, terwijl
zijn moeder de dwingende ouderbijeenkomsten tegen haar zin bezocht. Maar omdat
Dirkje niet flauw deed over het aanstormend talent dat Walter heet, was Thea
het aan de organisatoren van de thema-ochtenden verschuldigd om op haar beurt
de achterstandsproblematiek van Het Kleurenpalet te doorstaan. Mocht Walter
ondanks de grootspraak van Thea, net als zijn zusje Sabine, toch op Het
Kleurenpalet terecht komen, dan zou hij echter na zijn vierde verjaardag niet
automatisch permanent in de kleuterklas van juf Dirkje geplaatst worden. Sabine
was immers al voor een periode van twee jaar bij juf Dirkje ingedeeld en broers
en zussen werden bij voorkeur niet bij elkaar in de kleutergroep gezet. Nee,
Walter zou op Het Kleurenpalet bij kleuterjuf Petra geplaatst worden. Een
mevrouw in of nabij de pensioengerechtigde leeftijd met een pittig, kort kapsel
en een broekrok. Zo’n stereotype schooljuffer van alle tijden. Zo’n
onderwijsdinosaurus die een ieder zich in één of andere vorm wel van de eigen schooltijd
kan herinneren. In een kringgesprek had de peutergroep van Walter al kennis
mogen maken hun toekomstige juffrouw Petra. Uiteraard onder
supervisie van Merel het peuterhoofd en verder met begeleiding van beschikbare
ouders en verzorgers. Zo had Thea kunnen beluisteren hoe kleine Walter in de
kring het hoogste woord voerde in zijn onmiskenbare brabbeltaal. Koren op de
molen van Merel het peuterhoofd. Zie je wel dat ze gelijk had! Zijn taalgebruik
was volgens haar onderontwikkeld en zijn motoriek veel te grof. Walter
forceerde inderdaad zijn hele mollige lijfje om zijn overdadige woorden kracht
bij te zetten en zich over iedereen te ontfermen. Juffrouw Petra
rechtte haar rug en deed er tevergeefs alles aan om haar ergernis over de
ongecontroleerde kleuter te verdoezelen. Thea kromp mogelijk nog verder ineen
tussen de hoofddoekmama’s en tienermoeders op een veel te klein
stoeltje. Thea miste bij Juf Petra de schijnbaar kinderlijke eenvoud waarmee
juffrouw Dirkje in de groep van Sabine haar kleuters in het gareel hield. Ze
voelde de zegevierende ogen van Merel het peuterhoofd in haar rug prikken en
zag de minzame blik op het gezicht van juf Petra.
‘Ach hij weet het allemaal al’, verzuchtte juffrouw Petra vermoeid op een toon alsof ze Walter bij voorbaat al liever kwijt was dan rijk.
Merel het
peuterhoofd kon haar teleurstelling over Thea’s mogelijke keuze voor een andere
basisschool dan Het Kleurenpalet voor Walter, maar moeilijk
onderdrukken. Er sprongen zelfs tranen in haar ogen.
‘Je zult
Walter wel op Het Kleurenpalet moeten inschrijven’, schamperde ze.
‘Ik moet
helemaal niks’, snoof Thea.
‘En Bart, wat
vindt Bart dan?’
‘Sinds wanneer
ben jij geïnteresseerd in de mening van Bart?’
De scherpe
ondertoon ontging Merel het peuterhoofd, terwijl ze voor haar beurt
triomfantelijk uitriep:
‘Sabine zit al
op Het Kleurenpalet. Je kunt niet zomaar weg! Trouwens alle basisscholen hebben
wachtlijsten!’
‘Moet jij eens
opletten’, knikte Thea zelfverzekerd.
Wakker geschud
sloeg Merel het peuterhoofd haar hand voor haar open mond en onderdrukte een
kreet van ontzetting. Peuterjuf Maaike rook onraad en ze klopte geruststellend
op de onderarm van Merel het peuterhoofd. Het zou ook zonder Thea en haar
kroost wel goed komen met het gewilde, publiekelijk gloriemoment van Merel het
peuterhoofd in de rol van moeder Theresa van een zwarte basisschool en het
leerlingentekort van Het Kleurenpalet.
‘Niet alle
basisscholen hebben een wachtlijst’, blufte Thea.
‘Noem er eens
één dan’, vroeg Merel het peuterhoofd uitdagend.
‘Het
Kleurenrenpalet heeft bijvoorbeeld geen wachtlijst.’,
‘Nee, maar dat
heeft een reden.’
‘Je meent
het’, spotte Thea.
Het was
duidelijk dat Thea nog niet helemaal zeker was van haar zaak, waardoor Merel
het peuterhoofd snel aan zelfvertrouwen won. Helemaal met volgelingen als
peuterjuf Maaike aan haar zijde.
‘Luister Thea,
Walter heeft structuur nodig. Kleine groepen en duidelijkheid. Dat vind je niet
op gewone basisscholen. Niet meer. De groepen worden steeds groter en de druk
op de leerkrachten almaar zwaarder. Je blaast zelf constant de loftrompet over
Dirkje. Hij krijgt de beste leerkrachten op een basisschool met kleine groepen
en alle faciliteiten. Je zou wel gek zijn als je af zou haken. Sowieso, bij Het
Kleurenpalet houd ik ook het overzicht. Ik zie wat er met mijn kleintjes
gebeurt. Ik zie hoe ze zich ontwikkelen. Ik kan helpen. Ik sta niet alleen aan
de zijlijn. Ik zal erbij zijn. Acht lange basisschooljaren lang.’
Hoe overtuigd
moest een mens van zichzelf zijn voordat zij met een stalen gezicht durfde te
beweren dat haar niet aflatende invloed een zegen zou zijn voor de toekomst van
Walter? Zwijgend voelde Thea basisschool De Wielewaal in de witte wijk als een
noodzakelijk kwaad naderen. De zoetgevooisde stem van directeur Peter en
zijn kleinburgerlijke gedienstigheid ten spijt.
‘De Wielewaal
is net een dorp’, recapituleerde Thea hardop in gedachten.
‘De
Wielewaal?!’, herhaalde Merel vol ongelovige afgunst.
‘De Wielewaal?
Daar kom jij niet binnen.’
‘Sabine was
anders ook aangenomen vorig schooljaar.’
Merel en
Maaike geloofden haar niet. Nogal wiedes. Thea geloofde zichzelf niet eens
meer.
‘En toen heb
jij voor Het Kleurenpalet gekozen?’, smaalde Merel het peuterhoofd.
Ook peuterjuf
Maaike produceerde een achterdochtig hikgeluid. Thea reageerde niet meer en
woelde door de krullen van Walter die op haar schoot op een houten puzzelstukje
sabbelde. Merel het peuterhoofd besloot haar manipulaties over een andere boeg
te gooien:
‘Hoe ver ben
je met het ontspenen van Walter?’
‘Met m’n wat?’
‘Hij speent
nog thuis zeker? En helemaal zindelijk is hij ook nog niet. Daar kun je niet
mee aankomen op De Wielewaal.’
Thea dacht aan
Sabine die ook relatief laat uit de luiers was; om van Melvin maar niet te
spreken. De overgang naar groep 1 deed wonderen voor het toiletgedrag van beide
peuters. Waarom zou dat bij Walter anders zijn?
‘Wil jij mij
nou wijsmaken Merel dat de kleutertjes op De Wielewaal allemaal perfect zijn en
dat Walter nergens anders dan alleen maar op basisschool Het Kleurenpalet
terecht kan, omdat hij af en toe nog een luier draagt en soms aan een speentje
zuigt?’
Thea tilde
Walter ziedend van haar schoot en liet hem gaan. Hij rende naar de bouwhoek,
terwijl Thea ging staan. Merel het peuterhoofd volgde haar voorbeeld, zodat zij
en Thea oog in oog stonden. Juf Maaike bleef zitten en probeerde zich neutraal
op te stellen door zich tot de andere mama’s aan tafel te richten. De ogen van
Merel het peuterhoofd schoten vuur.
‘Op Het
Kleurenpalet krijgt hij de speciale aandacht en begeleiding die hij nodig
heeft. Met name van mij’, verkondigde ze dictatoriaal
‘En daar zit
Walter op te wachten? Denk je dat? Dat geloof je zelf toch niet Merel’,
schamperde Thea.
Verafschuwd
wendde ze haar blik af en zocht haar tas. Dit soort onderonsjes met Merel het
peuterhoofd viel niet met gezond verstand te beredeneren. Na twee jaren had
Thea nog steeds niet de juiste toon te pakken om Merel het peuterhoofd afdoende
op haar nummer te zetten. Ze betwijfelde of dat haar zo vlak voor het vertrek
van Walter nog ging lukken.
‘Lik op stuk
geven’.
Dat was het
devies van Bart die alles uit de mond van Merel het peuterhoofd afdeed als
wauwelkoek. Maar rake antwoorden daagden bij Thea pas in ontspannen sfeer.
Bijvoorbeeld als ze op veilige afstand van Merel en De Kleine Beer naast Bart
in bed lag. Dan voerde ze complete conversaties met Merel het peuterhoofd in
haar hoofd. Bekgevechten die Thea won. In haar dromen. Ze vermoedde
wel dat Bart gelijk had en dat Merel het peuterhoofd onbetrouwbaar was, maar
helemaal vrij van twijfel was Thea ook niet. Ze kon zich nou een maal niet
voorstellen dat iemand als Merel het peuterhoofd ‘gewoon’ een onprettige
persoonlijkheid had? Misschien zat er toch een kern van waarheid in haar
oordeel over Walter? Zo werd Thea heen en weer geslingerd tussen waanideeën van
Merel het peuterhoofd en het feit dat Walter een normaal mannetje is met een
unieke persoonlijkheid zoals ieder mens.
Voor de
zekerheid nam Bart televisie documentaires over ADHD en autisme voor Thea op.
Ook vond hij een wetenschappelijke serie over de ontwikkeling van hedendaagse
kinderen bij de BBC: ‘Child of our Time’. Bij de plaatselijke bibliotheek
leende Thea boeken over pedagogiek, de gangbare ontwikkeling van ouders en
kinderen en de medicalisering van het onderwijs. Van het internet downloadde ze
stapels artikelen over dezelfde onderwerpen. En hoe meer Thea observeerde, las
en leerde; hoe beter ze het oordeel van Merel het peuterhoofd zag voor wat het
was.
Aandachttrekkerij.
Voor Merel het peuterhoofd was een psychische aandoening bij een peuter
welhaast een zegen; een ingang tot een mysterieuze, medische wereld van artsen
en verpleegkundigen. Een cluster van gestudeerde mensen die zich dan met
vereende krachten in het zogenaamde weloverwogen, quasi intelligente oordeel
van een peuterleidster met de naam Merel zou willen verdiepen. Elke diagnose
zou voor Merel het peuterhoofd hebben volstaan. Walter hoefde niet autistisch
te zijn. Er zijn zoveel aandoeningen. Keuze genoeg. Zolang Merel het
peuterhoofd zich maar met de behandeling mocht bemoeien en haar inzichten de
boventoon voerden. Ze vroeg zich niet af waar Walter en zijn ouders in de
tussentijd moesten blijven. Merel het peuterhoofd had alleen visioenen van een
nederige Thea die zich na de hervorming van haar zoon Walter in dankbetuigingen
jegens weldoenster Merel het peuterhoofd zou uitputten. Eigenlijk zouden
peuterleidsters van het kaliber van Merel het peuterhoofd desnoods met geweld
gedwongen moeten worden om naar het relaas van reële ouders met echte,
aantoonbare, autistische kinderen te luisteren. Of naar ouders van kinderen met
ADHD. Maar dan ADHD en autisme zoals ze bedoeld zijn; als aangeboren
hersenafwijkingen en niet mis te verstaan als stimuli voor het syndroom van
Munchhausen by Proxy; waarvan ziekteverwekkers a la Merel verdacht veel
symptomen lieten zien.
HOOFDSTUK 5
Tijdens het
rennen door de gang naar buiten verloor Walter zijn goudkleurige
verjaardagskroon. In het centrum van de omheinde speelplaats van De Kleine Beer
maakte hij pas op plaats. Hij spreidde zijn armen, wierp het hoofd in de nek en
bleef bewegingsloos naar de hemel staren. Alsof het begin van een nieuw
tijdperk in de lucht hing. Thea bleef achter in de speelzaal met geopende
deuren en uitzicht op de gang en speelplaats. Ze bukte voor de kartonnen
hoofdtooi, met een grote, fel rode vier op de kruin, en miste op het nippertje
het hoofd van peuterjuf Maaike die hetzelfde deed. Tijdens het gelijktijdig
verheffen keken ze elkaar recht in de ogen. Schichtig wendde peuterjuf Maaike
haar blik snel af op de plastic tas in haar linkerhand en prevelde:
‘Z’n
fröbelwerkjes en het seizoenenboek. Veel succes op De Wielewaal.’
Thea slikte
haar tranen weg en probeerde haar abrupte emoties te overschreeuwen door de
open deuren naar Walter op de speelplaats te roepen:
‘Kom je
even dag zeggen tegen juffrouw Maaike!’
Merel het
peuterhoofd had zich achter Maaike opgesteld. Ze duwde dwingend in de rug van
haar werkneemster met een traktatietaart van piepschuim in de vorm van een
pastel getint stekelvarken. Zo te zien was de smulpartij nog met dezelfde
hoeveelheid kindervriendelijke snoepprikkers uitgedost als aan het begin van de
ochtend toen Walter zijn traktatie vol trots De Kleine Beer had binnen
gedragen.
‘Ze had
fruitprikkers moeten nemen. Wij zijn hier niet gediend van onnatuurlijke
suikers’, siste Merel het peuterhoofd duidelijk hoorbaar in het oor van juf
Maaike die de traktatietaart woordeloos van haar overnam.
Bedremmeld
overhandigde juf Maaike het onaangetaste stekelvarken aan Thea. Ineens dook
Walter weer op:
‘Dag juffrouw
Maaike; dag juffrouw Merel’, groette hij onbekommerd.
Zonder
toestemming trok hij een prikker met marshmallows, Fruitella’s en Toffifees uit
het stekelvarken en nam opnieuw de benen.
‘Dus Walter
wordt gestraft en heeft niet mogen trakteren, omdat ik niet op de hoogte was
van jullie anti-suikerbeleid en waarom heb ik daar trouwens nooit wat van
gemerkt tijdens de viering van Het Suikerfeest hier op De Kleine Beer?’, wilde
Thea gericht van peuterjuf Maaike weten, terwijl ze door de knieën ging voor de
overige smachtende peutertjes die haar inmiddels omringd hadden.
Goed voorbeeld
doet volgen. Hoe rebels ook. Sommige ouders, oppassers en/of verzorgers pikten
ook een graantje mee. Spoedig stond Thea met alleen nog maar een zacht grijs
getinte cirkel van piepschuim in haar handen. Her en der ving juf Maaike de
afgekloven prikkers zwijgend op in een rieten prullenmand. Ze bleef Thea een
antwoord schuldig.
‘Zal ik het
piepschuim hier laten voor de knutselronde?’, stelde Thea dan ook verslagen
voor.
Ze stond in
haar eentje bij de geopende deuren van de speelzaal, nadat iedereen, behalve
juf Maaike, de ruimte verlaten had.
‘Is goed!’
Juf Maaike
moest haar stem verheffen om boven de roerigheid in de gang uit te komen. Nu
was ze weer met een bezem in de weer.
‘Nou dan ga ik
maar. Bedankt nog en tot ziens’, salueerde Thea.’
‘Ik zie je!’,
groette juf Maaike ingetogen terug zonder van haar veegwerk op te kijken.
Vanaf het
moment waarop Walter voor het eerst in zijn IKEA meegroeibed mocht slapen waren
zijn uren op De Kleine Beer, met Merel het peuterhoofd, geteld. Walter zou na
zijn vierde verjaardag niet vanzelfsprekend naar Het Kleurenpalet, maar
moeizaam naar basisschool De Wielewaal in de witte wijk gaan. Thea vond dat ze
nu ook daad bij haar woord moest voegen. Niet per se om Merel het peuterhoofd
een hak te zetten, maar voornamelijk uit machteloosheid. Want hoezeer Sabine
ook op haar plekje leek in groep 1 van de kleuterklas van juffrouw Dirkje op
Het Kleurenpalet, toch voelde Thea zich van het begin af aan compleet
misplaatst als gestudeerde mama van een kleuter op een achterstandsschool vol
met regeltjes, beperkingen en verworvenheden die waren afgestemd op
vreemdelingen, andersdenkenden en ontheemden. Kortom; op minderheden met vaak
ook nog hoogmoedswaan verpakt in een slachtofferrol die de directrice Sarah van
zwarte basisschool Het Kleurenpalet dan weer tot machtsmisbruik dreef. Geef de
minderheden maar weer de schuld.
Heel subtiel
allemaal, maar het zijn de kleine dingen die het doen. Zo moest Sabine tijdens
het Suikerfeest vrijwel in haar eentje een hele schooldag in het klaslokaal
doorkomen. Het overgrote deel van haar klasgenootjes was met bijzonder –
officieus - verlof vanwege de thuisviering van hun
feestelijke afsluiting van de Ramadan. Onvoorbereid op de lege
ruimte hing Thea op de feestdag, die ze van basisschool De Kleine Beer kende,
het roze dons jackje van Sabine aan de kapstok en kwam nog even een pakkerd met
haar dochter delen voordat de plicht riep. Op die ochtend van het Suikerfeest
ziet Thea haar kleine meid van vier jaar nog zitten in de kring met verder
allemaal lege stoeltjes. De exotische namen van de afwezige kleuters in
felgekleurde megaletters op elke leuning geknutseld. Thea probeerde enkele
namen hardop uit te spreken; Youssra, Alim, Fahad, Azza, Hanane,
Samir, Maher, Elif, Dider, Edin. Bij een verkeerde uitspraak, werd ze verbeterd
door Sabientje die haar paarse pluche Dorarugzakje omslachtig in haar schoot
plantte en verwachtingsvol om zich heen keek. met die grote onschuldige ogen
van haar. Na een poosje wierp ze een vragende blik, inclusief parmantig hoog
opgetrokken wenkbrauwen, richting juffrouw Dirkje die zoals elke
kleuterschooldag aan het hoofd van de kring zat. De kleuterjuf trok het hoofd
in de nek, spreidde haar handen en gebaarde dat ze zogenaamd ook niet wist waar
alle andere kindjes gebleven waren. Haar passieve houding drukte echter een
weerstand uit die Thea met Dirkje deelde. Kinderen onderling maken geen
onderscheid op basis van huidskleur of afkomst, maar bij afwijkende
cultuuruitingen vroeg Thea zich toch heimelijk af:
‘Waarom moet
dit? Waarom zonder ik mijn kind af van haar katholieke achterland en cultuur en
maak ik haar ondergeschikt aan de habitus van een minderheidsgroepering in dit
land? Sabine is klein en kwetsbaar. Ze is nog aan niemand dank verschuldigd.
Kijk haar nou zitten met haar Dora rugzakje. Vol van vertrouwen in de wereld om
haar heen. Ze heeft het recht om een kliek te vormen met gelijkgestemden. Wat
heeft ze eraan om in deze heterogene groep alleen te staan? Ik doe haar
onrecht.
De dag na het
verlof werd de afsluiting van de islamitische vastenperiode dan weer wel
uitbundig gevierd op Het Kleurenpalet, met alle zoetigheid van dien. Sabientje
wist niet beter van peuterspeelzaal De Kleine Beer, maar Thea had als niet
ingewijde mooi het nakijken. Trouwens, toen puntje bij paaltje kwam,
werd Sinterklaas ook niet helemaal begrepen. De viering kreeg toch een niet
Nederlands tintje op Het Kleurenpalet.
Oorspronkelijk
dacht Thea dat ze wel boven de cultuurverschillen uit zou groeien met hulp van
het onderwijsteam van Het Kleurenpalet. Directrice Sarah deed het immers
voorkomen alsof haar deur altijd open stond. En directrice Sarah had ook best
een luisterend oor. Alleen geen voor de hand liggende oplossingen. Dus kwam
Thea geen steek verder. Ook niet met het uitgesproken begrip van directrice
Sarah dat het dualisme van Thea alleen nog maar deed toenemen.
‘Ik snap ook
best dat het moeilijk is. Wij zitten net zo goed met onze handen in het haar.
Wij willen juist van Het Kleurenpalet een gemengde school maken, maar als ik
heel eerlijk ben dan zou ik mijn kinderen ook niet op een zwarte school in een
achterstandswijk zetten’, beweerde directrice Sarah doodleuk tijdens één van
haar onderonsjes met Thea.
Thea geloofde
haar oren niet. Ze slikte de opmerking van directrice Sarah in en probeerde
tevergeefs om de woorden één voor één te verteren. Ze landden als bakstenen in
haar maag. Ze zal er wel moeilijk bij gekeken hebben, want Sarah suste
vergoelijkend:
‘Nou heb ik
natuurlijk geen kinderen. Dus eigenlijk weet ik gewoon niet waar ik over
praat.’
Thea schraapte
haar keel en ging verzitten. Wat deed ze hier in het kantoor van Sarah; de
directrice van Het Kleurenpalet? Wat wilde ze eigenlijk horen? De opstelling
van directrice Sarah frustreerde haar:
‘Lesbiennes
kunnen ook gewoon kinderen krijgen toch?’, haalde Thea uit.
Een kat in het
nauw maakt rare sprongen. Sarah gaf geen krimp.
‘Bij de
spermabank?’
Thea trok haar
shagbuil uit het borstzakje van haar spijkerjack en begon een shaggie te
draaien:
‘Hier liever
niet roken.’
Omslachtig
propte Thea de vloeitjes weer terug in de shag en vouwde de shagbuil dicht.
Directrice Sarah betuttelde haar. Thea kon niet anders dan in verzet komen:
‘Waarom heb je
geen kinderen? Kun je ze niet krijgen?’
‘Rook jij soms
ook in het bijzijn van jouw kinderen?’, wierp Sarah tegen.
Omdat Thea op
scherp stond, schoot ze meteen in de verdediging:
‘Soms’,
provoceerde ze.
‘Tsss.’
Directrice
Sarah glimlachte berustend en minzaam en zakte hoofdschuddend onderuit in haar
bureaustoel. Getergd besloot Thea om te gaan staan.
‘Tsjee; wat
een patstelling; ja, wat doen we nou...? Een rokende moeder in een
achterstandswijk! Naar de kinderbescherming...? Of toch naar de spermabank…?’
‘Ik weet niet
of dit jou wat aangaat!?’, siste directrice Sarah uit haar tent gelokt.
Vanuit haar
positie kon ze niet anders dan naar Thea opkijken.
‘Waarom niet,
mijn privéleven gaat jou toch ook aan? Jij weet toch ook alles van mijn
kinderen? Je weet het zelfs beter, want jij zou jouw denkbeeldige kinderen
nooit op een zwarte basisschool school in een achterstandswijk zetten zeg je
net. Maar je bent wel directrice van Het Kleurenpalet. Een school waar jij in
feite op neerkijkt dus.’
‘Nee,
natuurlijk niet. We zijn hier juist ontzettend blij met Sabine en met moeders
zoals jij die de uitdaging durven aangaan. Ik bedoel alleen te zeggen dat ik de
moed niet zou hebben die jij laat zien.’
Met een
gemaakt glimlachje probeerde Sarah de situatie te redden.
‘Dat kun je
niet weten, want je hebt zelf dus geen kinderen.’
‘Ga nog even
zitten Thea.’
‘Het gaat niet
over jou en mij’, sputterde Thea tegen, hoewel ze in toenemende mate begon in
te zien dat zij in deze tweestrijd tussen moeder en sociaal wezen hoe dan ook
aan het kortste eind
trok.
Ze voelde zich
alles behalve de moedige gelijkheidsstrijdster die directrice Sarah in haar
beweerde te zien. Was ze niet veel eerder laf en kleinzielig, omdat de drang om
toe te geven aan haar nederlaag op de zwarte basisschool ´Het Kleurenpalet`
alleen maar sterker werd met het verstrijken van de peuter- en kleuterjaren van
haar twee kinderen? Sociale missie mislukt. Ook omdat Thea door alle
uitwonenden van de achterstandswijk bij voorbaat veroordeeld werd vanwege haar
keuze. En niet één keer, maar onophoudelijk. Als een stempel op haar
voorhoofd in de vorm van een tatoeage. Met name het onderwijzend personeel op
De Kleine Beer en Het Kleurenpalet zag Thea niet voor vol aan, terwijl deze
opvoedkundigen, gezien hun werkgebied, toch eigenlijk beter hadden moeten weten
en verder hadden kunnen kijken dan hun neus lang is. Thea was geen aandachthoer
die met haar witte, bevoorrechte koters op een zwarte basisschool voor een
dubbeltje op de eerste rang dacht te kunnen zitten. In afwachting van luid
gejuich van de schuldbewuste, witte buitenstaanders. Integendeel.
Net als directrice Sarah ging Thea van een voorbeeldfunctie uit. Het
sneeuwbaleffect met integratie als gevolg. Dat nam echter niet weg dat Thea in
haar pioniersrol wel wat steun had kunnen gebruiken. Hoe naïef kan een mens
zijn? Niemand nam haar bij de hand. Zelfs directrice Sarah sprak zichzelf
tegen door Thea recht in het gezicht voor gek te verklaren. Weliswaar met de
plichtmatige kanttekeningen, maar toch. Directrice Sarah zou haar denkbeeldige
– witte - kinderen nooit op een zwarte basisschool zoals Het Kleurenpalet in
een achterstandswijk hebben ingeschreven. En ze had gelijk ook. Wat deed Thea
met haar kroost vrijwillig op deze gekleurde basisschool tussen de
vluchtelingen, mislukkelingen, uitkeringstrekkers en andere asocialen?
Leerkrachten en peuterzaalleidsters kregen betaald en deden na sluitingstijd de
deur van de achterstandsschool op slot om vervolgens zo snel mogelijk naar hun
veilige, witte woonomgeving te vluchten. En de achter gebleven achterstandswijkbewoners
hadden geen keus. Maar voor begenadigde Thea lag het geluk binnen handbereik.
Onbegrijpelijk dat Thea desondanks verkoos om met haar gezin onder haar niveau
te leven.
Maar Thea was
geen groentje. De status van een witte wijk kon haar niet bekoren. De oer
Hollandse gezelligheid van volbloed Nederlanders; de steun en de opvang die
ouders in een gelijkwaardige positie automatisch met elkaar delen; de
krachtmetingen onderling; de concurrentie; de roddel, hebzucht en jaloezietjes.
Kortom; de sfeer van witte basisschool De Wielewaal die Thea op wijkafstand
opsnoof vanaf het Kleurenpalet. Ze herkende de symptomen uit de witte
basisschooltijd van haar oppaskinderen: Jasmijn en Melvin. Maar toen was ze een
legitieme buitenstaander geweest die het reilen en zeilen op een basisschool
minzaam observeerde en die direct moeiteloos afstand van het hele circus nam
zodra haar oppaskinderen weer veilig op hun thuisbasis waren geland. Thea
ambieerde geen moederrol bij de oudermaffia op De Wielewaal; toch was Het
Kleurenpalet ook een aflopende zaak.
Tussen de
montageresten van Walters meegroeibed nam Thea daarom het besluit om nog
diezelfde dag bij basisschool De Wielewaal op bezoek te gaan om de inhoud van
de onverwachte aannamebrief mondeling te verifiëren. Voor de zekerheid. Omdat
Bart die middag vrij genomen had om het IKEA slaapmeubel in elkaar te zetten,
kon ze meteen van de gelegenheid gebruik maken door de driejarige Walter bij
zijn vader achter te laten. De vierjarige Sabine nam ze direct uit de
kleuterklas van basisschool Het Kleurenpalet wel mee naar De Wielewaal. Uit
praktische overwegingen, want zo hoefde Thea niet onnodig heen en weer en kon
ze voor de schoolleiding op De Wielewaal meteen aanschouwelijk maken wat voor
een vlees ze ongeveer in de kuip zouden krijgen. Of juist mis zouden lopen als
Sabine niet – net als Walter- probleemloos zou worden aangenomen.
Twee vliegen in één klap dus.
Basisschool De
Wielewaal stond niet zoals Het Kleurenpalet verdekt opgesteld in de wijk tussen
hoge bomen en achter een ijzeren omheining begroeid met slingerplanten, maar
prijkte pontificaal in het zicht tussen de rijtjeshuizen. Terwijl op
Het Kleurenpalet geen bezoeker de hoofd- of zij-ingang kon passeren zonder te
bellen en zich na lang wachten te identificeren aan een ontoegankelijke
conciërge van niet Nederlandse afkomst, stond op De Wielewaal de poort naar de
speelplaats permanent wagenwijd open. Ook na schooltijd zo te
zien. De conciërge van De Wielewaal was ook niet in Nederland geboren – en
zo wel dan was er wat mis gegaan met zijn taalverwerving -, maar hij was een
stuk levendiger en nadrukkelijker aanwezig dan zijn collega op Het Kleurenpalet
die bij nadere kennismaking helemaal niet onaardig bleek; maar een eerste
indruk is moeilijk uit te wissen.
‘Ja?’, vroeg
de conciërge van De Wielewaal vriendelijk toen Thea na aangebeld te hebben
aarzelend in de voordeuropening verscheen.
Het was
overduidelijk niet gebruikelijk voor bezoekers van De Wielewaal om zich aan de
hoofdingang te melden. Het gebouw stond compact en open en bloot als een
oplichtende grijze betonnen blok zonder schutkleuren en beplanting in het
centrum van een woonerf. De kleurige, naïeve afbeeldingen op de schuttingen van
de speelplaats gaven net genoeg sfeer voor Thea om niet meteen op haar
beslissing en schreden terug te keren.
‘Goedemiddag,
waar kan ik mijn kinderen inschrijven?’
Ter
illustratie wapperde Thea met de aannamebrief van De Wielewaal in de lucht.
‘Jij bent
ouder?’, knikte de conciërge.
‘Of ik ouder
ben?’.
‘Jouw kind?’
Hij wees naar
Sabine die braaf aan moeders hand stond te wachten in haar roze dons jackje.
‘Ow, ja; mijn
kind ja.’
‘Jullie
omlopen.’
De conciërge
maakte een half rondje met zijn wijsvinger.
‘Okay.’
Thea
twijfelde, maar omdat de conciërge de voordeur al weer gesloten had, besloot ze
tot blijdschap van Sabine toch maar om via de verlaten speelplaats achterom
naar binnen te gaan. Maar niet nadat Sabine vier keer van de glijbaan was
gegleden en tot vervelends toe een klimrek had beklommen.
Binnen stuitte
Thea bijna direct op een zekere Jade. Haar naam sprak je uit met een
langgerekte a; dus niet met een Engelse tongval. Zoals de kleur; jade groen.
Althans zo had Jade zich voorgesteld. En tevens als de interne coördinatrice op
De Wielewaal en woordvoerster van Peter. Peter was de gedienstige directeur van
De Wielewaal die Thea al eens had ontmoet tijdens haar scholenoriëntatietocht
en naar wie ze gevraagd had. Volgens Jade zat directeur Peter echter in een
uiterst belangrijke vergadering op dat moment. Met andere woorden hij kon en
mocht niet gestoord worden. Dus bij gebrek aan beter stortte Thea haar hart uit
bij Jade de interne coördinatrice:
‘Sabine was
begin dit schooljaar ook al in groep 1 van De Wielewaal aangenomen; maar toen
hebben mijn man en ik gekozen voor Het Kleurenpalet. Nu Walter na zijn vierde
verjaardag ook voor groep 1 van De Wielewaal is aangenomen; willen we wat
Sabine betreft op onze beslissing terugkomen en haar toch naar De Wielewaal
laten gaan. In het geval van Sabine naar groep 2 uiteraard. Zij is bijna vijf
jaar.’
Fronsend nam
Jade de aannamebrief van Thea over. Thea benadrukte nog maar eens:
‘Deze brief
gaat dus alleen over Walter.’
‘Dat is niet
Walter, neem ik aan?’, vroeg Jade, terwijl ze Sabine, die als een jonge hond de
hele schoolhal in beslag nam, in haar blikveld probeerde te vangen.
‘Nee, dat is
Sabine.’
Het geduld van
Thea begon nu al op te raken. Jade, de interne coördinatrice, kwam over als een
omslachtig type. Veel geblaat, maar weinig wol. Gedoe. Moeizaam in de omgang en
met haar hooghartige optreden de absolute tegenpool van Peter; haar directeur.
‘En haar heb
je niet hier op De Wielewaal aangemeld?’
De interne
coördinatrice knikte in de richting van Sabine. Van de weeromstuit had Thea
haar dochter niet bij zich geroepen om haar oog in oog voor te stellen aan een
nieuwe schooljuffrouw, wat natuurlijk wel zo beleefd was geweest.’
‘Jawel, Sabine
is hier vorig jaar zelfs aangenomen, maar toen heb ik haar aanname dus afgezegd
voor Het Kleurenpalet’, herhaalde Thea geërgerd.
‘En nou zit ze
in groep 1 van Het Kleurenpalet?’, vroeg Jade de interne coördinatrice.
Niet alleen
haar toon, maar haar hele houding drukte misprijzen en reserve uit.
‘Hoe kan jouw
zoon dan in vredesnaam bij ons op De Wielewaal aangenomen zijn?’
‘Da’s voor mij
een vraag, maar voor jou een weet.’
‘Misschien was
jouw dochter hier helemaal niet goed uitgeschreven aan het begin van dit
schooljaar en is jouw zoontje per ongeluk aangenomen, omdat broers en zussen
van inzittenden altijd automatisch aangenomen worden. Maar daar kan ik niks aan
doen, want ik ben net herstellende van een ernstige griep. Ik ben de afgelopen
twee maanden niet op school geweest.’
‘Nou die fout
en jouw griep komen mij dan goed uit’, grapte Thea en ze dacht:
‘Wat kan mij
dat nou schelen dat je de aanstelleritis griep helemaal tot de bodem hebt uit
gepeurd met behoud van salaris.’
‘En wat wil je
nou?’
Jade de
interne coördinatrice stond nog steeds met de aannamebrief van Walter in haar
rechterhand. Met haar linkerhand greep ze naar de klink van de
vergaderzaaldeur. Kennelijk was ze het meer dan zat om dag in dag uit voor
vanalles en nog wat ter verantwoording te worden geroepen. Maar ja; dan had ze
maar geen interne coördinatrice moeten worden. Thea wees naar de brief:
‘Walter is
toch aangenomen?’
‘Ja en?’
Ongeduldig gaf
Jade de aannamebrief weer aan Thea terug.
‘En Sabine
dan?’
‘O, je wilt je
dochter ook hier hebben?’
‘Ben ik nou zo
slim of ben jij nou zo dom’, dacht Thea.
Sabine was
inmiddels stokstijf tussen Jade en Thea in komen staan. Ze speelde
waarschijnlijk standbeeldje of zoiets en liet zich probleemloos van dichtbij
keuren door de kritische blik van de interne coördinatrice. Sabine zag er niet
bepaald uit als een getormenteerd zorgenkind met haar verwarde krullenkopje,
rode wangen en glinsterende pretogen en Jade knipperde verward. Ze liet de
klink van de vergaderzaal weer los en zei twijfelend, maar half overstag:
‘We hebben wel
een wachtlijst.’
‘Niet voor
iedereen’, smaalde Thea.
‘De Wielewaal
staat anders heel hoog aangeschreven in de stad’, beweerde Jade de interne
coördinatrice ontwijkend.
‘Wat heeft dat
met een wachtlijst te maken?’
‘We kunnen
niet iedereen aannemen.’
‘Jullie willen
niet iedereen aannemen. Dat is wat anders.’
‘Dat is niet
waar’, loog de interne coördinatrice met een uitgestreken gezicht.
‘Walter is
aangenomen.’
Illustratief
zwaaide Thea met de aannamebrief.
‘Per ongeluk.’
‘Pardon? Ik
kan mijn kinderen anders ook alle twee op een derde school aanmelden. Maar dat
zal dan niet zonder slag of stoot en de nodige openbare ophef gaan’, blufte
Thea provocatief.
Zij kon net
als Jade ook net doen alsof ze achterlijk was. Bovendien voelde ze intuïtief
aan dat zij aan de winnende hand was en plopte nadrukkelijk met haar lippen. De
interne coördinatrice blies haar wangen vol met lucht en liet ze weer
leeglopen. Thea gaf de interne coördinatrice de indruk wel een chantabel type
te zijn. Bruikbaar manipulatiemateriaal. Overstag gaf Jade lucht aan haar
overweging:
‘Het zal
misschien wel lukken. We hebben tenslotte nog twee maanden voor de
zomervakantie voor de boeg.’
Ter afsluiting
stak Jade haar hand uit naar Sabine; die de groet een beetje onwennig, maar
netjes volgens de beleefde omgangsvormen in ontvangst nam.
‘Dan zien wij
elkaar na de zomervakantie’, besloot Jade de interne coördinatrice met klem
richting Thea, waarna ze abrupt in de vergaderruimte verdween.
Met de ogen in
haar rug merkte Thea dat Merel het peuterhoofd haar nakeek toen ze voor de
laatste keer het met groen overwoekerde ijzeren hek van de buitenspeelplaats in
het slot liet vallen. Ze greep Walter bij de hand om te voorkomen dat hij
zomaar de straat op zou rennen. Zo aan de finish van het peutertijdperk van
haar kinderen werd Thea overspoeld door een megagolf van opluchting. Alsof met
het dichtklikken van het ijzeren slot de vloek van Merel het peuterhoofd
voorgoed bezworen was. Als Thea de verstrekkende gevolgen van het gedrag van
Merel het opperhoofd met haar sfeerbepalende egocentrisme, haar onpeilbare
stemmingswisselingen en haar kant -en klare medische antwoorden op elk
peutervraagstuk toen naar schade zou hebben ingeschat, dan zou ze
veel vaker en feller direct tegen het beleid van peuterzaal De Kleine Beer van
leer getrokken zijn. Maar hoewel Thea door de betuttelende ongein van het
peuterhoofd regelmatig naar het randje van een uitbarsting was gedreven, was de
bom pas zo’n twee maanden geleden ontploft. Op de ochtend van het onheil was
Thea onstuimig De Kleine Beer binnen komen vallen met de mededeling dat de
onderhandelingen met basisschool De Wielewaal nu rond waren. Maar dan anders
gezegd.
‘Hoera, Sabine
en Walter zijn aangenomen op De Wielewaal!’, had Thea triomfantelijk door de
ruimte van De Kleine Beer geroepen.
In de gang
hielp ze Walter uit zijn jasje en volgde hem door de opengeslagen tussendeuren
naar binnen waar ze uitgelaten op een stoel aan de mamatafel plofte. De andere
mama’s; in een gezusterlijk samenzijn met hier en daar een verdwaalde papa,
opa, of oma; knikten haar bemoedigend toe. Niet dat ze wisten wat
Thea bewoog, maar dat deed er ook niet toe, want in de loop van de jaren waren
de ouders en verzorgers van De Kleine Beer nou een maal solidair met elkaar
geworden. Uit gewoonte. Iedereen leefde volgens een ongeschreven wet naar beste
vermogen met een ander mee. Punt uit. De moeder van Arda schoof Thea een bakkie
leut toe. Zwart, zonder suiker. Zulke banale dingen wist je dan weer wel
precies van elkaar.
‘Walter gaat
naar een andere basisschool. Je weet wel; De Wielewaal, in het centrum van de
stad’, legde Thea uit.
‘Dat is ook
beter zo’, antwoordde de moeder van Arda onomwonden.
Thea viel even
stil omdat ze dit inzicht niet had verwacht van de moeder van Arda.
‘Arda gaat wel
naar Het Kleurenpalet.’
‘Ze zullen
elkaar wel missen.’
De moeder van
Arda wreef door haar ogen en zuchtte diep. Zo te zien had Thea
onbedoeld een emotionele snaar bij de moeder van Arda geraakt. Ineens had ze
ook zin om te janken, maar in plaats daarvan beweerde ze schor:
‘Ach, ze zijn
nog jong. Kinderen passen zich snel aan nieuwe situaties aan hoor.’
Merel het
peuterhoofd kwam schoorvoetend tussenbeide. Het viel Thea meteen op dat ze
nogal pips zag. Bovenop haar normaliter toch al bleke uitstraling. Het leek wel
alsof het peuterhoofd ergens behoorlijk over in de piepzak zat.
‘Kan ik je
even onder vier ogen spreken Thea’, begon ze op een dusdanig kruiperig toontje
dat iedereen aan de mamatafel verdwaasd opkeek.
Wat een
onderdanigheid van het anders zo arrogante opperhoofd!
In de
koffiekamer stond een aangebroken slagroomtaart op het kruispunt van vier
bijeen geschoven tafels.
‘Je mag de
rest straks wel mee naar huis nemen’, bood Merel het peuterhoofd aan, terwijl
ze nerveus met de koffiekan aan het hannesen was.
Wat moest Thea
met een aangevreten slagroomtaart? Alsof zij en haar gezin thuis wat tekort
kwamen.
‘Dat is
vriendelijk aangeboden, maar dat hoeft niet en ik blief ook geen koffie’, zei
Thea niet op haar gemak.
Merel het
peuterhoofd hapte naar lucht en woelde door haar pittige korte gebleekte
pieken, waarna ze er nog warriger uitzag dan ze zich gedroeg. Ze maakte geen
oogcontact met Thea die op haar hoede aan tafel plaatsnam.
‘Ik kan thee
maken?’ opperde Merel het peuterhoofd ontwijkend.
‘Wat is er aan
de hand, Merel?’, wilde Thea ongeduldig en met klem weten.
Merel het
peuterhoofd fluisterde iets, terwijl ze een blik met suikerklontjes tegen haar
borstjes aandrukte om zich een houding te geven. Ze was nauwelijks hoorbaar:
‘Ik heb dus
gebeld naar De Wielewaal’.
‘Winnie de
Poeh’, dacht Thea naar aanleiding van de opdruk op het suikerklontjesblik.
Niet
begrijpend vond ze de ogen van Merel het peuterhoofd die zich vulden met vocht
en dramatisch naar de grond draaiden. Zelfmedelijden. Haar kromme heksenvingers
pulkten aan het deksel van het Winnie de Poehblik.
‘Je hebt
gebeld naar De Wielewaal?’, herhaalde Thea.
‘Waarom?’
‘Je kondigde
laatst toch aan dat je met Walter naar De Wielewaal zou gaan? Nou; Maaike en ik
dachten dus dat je een uitvlucht zocht en dat je een beetje blufte. Toen heb ik
voor de zekerheid gebeld met de interne coördinatrice van De Wielewaal; een
zekere Jade’, bekende Merel het peuterhoofd in een woordenstroom zonder te
struikelen.
Hoe eerder ze
haar biecht achter de rug had, hoe beter. Waarom was Thea niet verbaasd? De
paniekblik van Merel het peuterhoofd vervulde haar met een ijzige kalmte. Hoe
pathetisch ben je als hoofd van een speelzaal dat niet tegen een markant
driejarig mannetje is opgewassen en dat zich niet over een persoonlijke afkeer
van een peutertje heen kan zetten?
‘Wat heb je
gedaan?’ vroeg Thea op snijdende toon.
‘Zij en ik
hebben het erover gehad,’ stamelde Merel het peuterhoofd verdwaasd.
‘Waarover heb
je het gehad?’
‘Dat jij bang
was dat Walter autistisch was en dat we daar iets mee moesten’.
‘We zijn we?’
‘Jade en ik’.
Merel het
peuterhoofd leek iets zekerder van haar zaak. Om te voorkomen dat ze terrein
zou winnen blies Thea haar borstkas op en verhief haar stem.
‘Wat bezielt
jou Merel? Ik heb nooit gezegd dat ik bang ben dat Walter autistisch is. Dat
zijn jouw waanideeën. Hoe durf jij mijn kind met jouw, geesteszieke stempel
naar een basisschool te sturen? We hebben juist voor De Wielewaal gekozen om
onder jouw juk uit te raken.’
‘Huh?’
Merel het
peuterhoofd krabde zich letterlijk achter de flaporen. Haar gebaar deed Thea
beseffen dat ze al die tijd op De Kleine Beer duidelijker had moeten zijn. Thea
was nooit op haar strepen gaan staan. Ze had Merel het peuterhoofd laten lullen
en haar zodoende te veel vrij spel gegeven.
‘Begrijp dat
dan Merel! Walter is geen monster.’
‘Ik heb nooit
gezegd dat Walter een monster is!’, riep Merel ferm, terwijl ze met haar kromme
heksenwijsvinger bedreigend naar Thea wees.
Ze probeerde
zich in te dekken voor God mag weten wie:
‘Dat ga je me
niet ook nog in de schoenen schuiven!’
‘Alsof ik je
ooit een strobreed in de weg heb gelegd! Je bent niet te stoppen Merel! Niemand
kan jou stoppen! Jij bent de storende factor Merel; niet Walter; niet mijn
kind. Geen enkele peuter van amper vier jaar!’
Nu stroomden
de tranen in straaltjes over de wangen van Merel. Wat een dramatisch talent:
‘Ow, nou snap
ik het; je voelt je in de steek gelaten. Sorry, sorry, sorry’, snikte ze.
‘Ik voel me
niet in de steek gelaten, want ik verwacht niks van jou of van wie dan ook van
De Kleine Beer. Deze messteek in de rug had ik dus ook niet verwacht, maar je
zorgt maar dat het in orde komt. Je belt maar met de schoolleiding van De
Wielewaal en je legt jouw aandeel in dit drama maar uit. En dan nog wat: ik
dien een klacht in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer. Ik betaal verdorie
200 euro per maand voor die lekenkennis hier. Ik wil niet meer dat jij je nog
langer met Walter bemoeit. Walter heeft überhaupt nog maar 2 maanden in dit
gekkenhuis te gaan en Maaike is sowieso veel beter geschikt als peuterleidster
voor Walter dan jij.’
Wat er daarna
gebeurd was kan Thea zich vaag herinneren. Ze weet nog dat ze niet veel later
alleen in haar huiskamer op de bank zat en de ene sigaret met de andere
aanstak. Het speet haar dat ze Walter niet meteen mee naar huis had gesleurd.
Weg bij die heks. Ze belde Bart uit een vergadering. Hij deelde haar
verontwaardiging, maar niet haar opwelling om Water alsnog stante pede van De
Kleine Beer af te halen.
‘Die
peuterleidsters zijn professioneel genoeg om een kind te ontzien in de directe
omgang. Ze ouwehoeren dat het een lieve lust is en dat doen ze goed verkeerd,
maar daar zijn ze ook eigenlijk niet voor opgeleid, denk ik dan maar.’
Bart probeerde
Thea tevergeefs te kalmeren. Ze raasde onverminderd voort:
‘Die Jade; die
interne coördinatrice van De Wielewaal bedoel ik, is anders ook niet
helemaal zuiver op de graat. Zij ouwehoert ook gewoon mee met de eerste de
beste peuterjuf die haar belt met een mond vol medische onzin over een
willekeurig kind. Volgens mij is dat hartstikke strafbaar.’
‘Is het ook,
maar we moeten ook vooruit. Laten we nou maar voor de minst kwade kiezen. Maak
het jezelf toch niet zo moeilijk, Thea! Trouwens, je weet zelf hoe overtuigend
Merel kan wauwelen en hoe mager jij je kon verweren tegen haar lekenkennis.’
Het bloed van
Thea kookte nog steeds bijna over, terwijl ze tegensputterde:
‘Nou vooruit
dan laat ik die Jade gaan. Uit eigen belang. Maar ik dien dus wel degelijk een
klacht tegen Merel in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en ik eis Maaike
als enige peuterjuf voor Walter gedurende die laatste twee maanden.’
‘Je kunt hem
ook rustig thuis houden tot aan de zomervakantie. Een kind van vier jaar is nog
niet leerplichtig. Dan gaat Walter daarna gewoon linea recta naar groep 1 van
de Wielewaal’, verzon Bart, praktisch als hij is.
‘Dat is plan
B. We hebben ons niet twee jaar aan deze dure ellende onderworpen om vlak voor
de eindstreep zonder protest de handdoek in de ring te gooien. Ik wil er in
eerste instantie alles aan doen om Walter van de hele heisa over zijn
persoontje in het ongewisse te laten. Alles moet voor hem zo normaal mogelijk
lijken’, besloot Thea, ondanks alle roerigheid, toch nog bedachtzaam.
Tijdens het
rennen door de gang naar buiten verloor Walter zijn goudkleurige
verjaardagskroon. In het centrum van de omheinde speelplaats van De Kleine Beer
maakte hij pas op plaats. Hij spreidde zijn armen, wierp het hoofd in de nek en
bleef bewegingsloos naar de hemel staren. Alsof het begin van een nieuw
tijdperk in de lucht hing. Thea bleef achter in de speelzaal met geopende
deuren en uitzicht op de gang en speelplaats. Ze bukte voor de kartonnen
hoofdtooi, met een grote, fel rode vier op de kruin, en miste op het nippertje
het hoofd van peuterjuf Maaike die hetzelfde deed. Tijdens het gelijktijdig
verheffen keken ze elkaar recht in de ogen. Schichtig wendde peuterjuf Maaike
haar blik snel af op de plastic tas in haar linkerhand en prevelde:
‘Z’n
fröbelwerkjes en het seizoenenboek. Veel succes op De Wielewaal.’
Thea slikte
haar tranen weg en probeerde haar abrupte emoties te overschreeuwen door de
open deuren naar Walter op de speelplaats te roepen:
‘Kom je
even dag zeggen tegen juffrouw Maaike!’
Merel het
peuterhoofd had zich achter Maaike opgesteld. Ze duwde dwingend in de rug van
haar werkneemster met een traktatietaart van piepschuim in de vorm van een
pastel getint stekelvarken. Zo te zien was de smulpartij nog met dezelfde
hoeveelheid kindervriendelijke snoepprikkers uitgedost als aan het begin van de
ochtend toen Walter zijn traktatie vol trots De Kleine Beer had binnen
gedragen.
‘Ze had
fruitprikkers moeten nemen. Wij zijn hier niet gediend van onnatuurlijke
suikers’, siste Merel het peuterhoofd duidelijk hoorbaar in het oor van juf
Maaike die de traktatietaart woordeloos van haar overnam.
Bedremmeld
overhandigde juf Maaike het onaangetaste stekelvarken aan Thea. Ineens dook
Walter weer op:
‘Dag juffrouw
Maaike; dag juffrouw Merel’, groette hij onbekommerd.
Zonder
toestemming trok hij een prikker met marshmallows, Fruitella’s en Toffifees uit
het stekelvarken en nam opnieuw de benen.
‘Dus Walter
wordt gestraft en heeft niet mogen trakteren, omdat ik niet op de hoogte was
van jullie anti-suikerbeleid en waarom heb ik daar trouwens nooit wat van
gemerkt tijdens de viering van Het Suikerfeest hier op De Kleine Beer?’, wilde
Thea gericht van peuterjuf Maaike weten, terwijl ze door de knieën ging voor de
overige smachtende peutertjes die haar inmiddels omringd hadden.
Goed voorbeeld
doet volgen. Hoe rebels ook. Sommige ouders, oppassers en/of verzorgers pikten
ook een graantje mee. Spoedig stond Thea met alleen nog maar een zacht grijs
getinte cirkel van piepschuim in haar handen. Her en der ving juf Maaike de
afgekloven prikkers zwijgend op in een rieten prullenmand. Ze bleef Thea een
antwoord schuldig.
‘Zal ik het
piepschuim hier laten voor de knutselronde?’, stelde Thea dan ook verslagen
voor.
Ze stond in
haar eentje bij de geopende deuren van de speelzaal, nadat iedereen, behalve
juf Maaike, de ruimte verlaten had.
‘Is goed!’
Juf Maaike
moest haar stem verheffen om boven de roerigheid in de gang uit te komen. Nu
was ze weer met een bezem in de weer.
‘Nou dan ga ik
maar. Bedankt nog en tot ziens’, salueerde Thea.’
‘Ik zie je!’,
groette juf Maaike ingetogen terug zonder van haar veegwerk op te kijken.
Vanaf het
moment waarop Walter voor het eerst in zijn IKEA meegroeibed mocht slapen waren
zijn uren op De Kleine Beer, met Merel het peuterhoofd, geteld. Walter zou na
zijn vierde verjaardag niet vanzelfsprekend naar Het Kleurenpalet, maar
moeizaam naar basisschool De Wielewaal in de witte wijk gaan. Thea vond dat ze
nu ook daad bij haar woord moest voegen. Niet per se om Merel het peuterhoofd
een hak te zetten, maar voornamelijk uit machteloosheid. Want hoezeer Sabine
ook op haar plekje leek in groep 1 van de kleuterklas van juffrouw Dirkje op
Het Kleurenpalet, toch voelde Thea zich van het begin af aan compleet
misplaatst als gestudeerde mama van een kleuter op een achterstandsschool vol
met regeltjes, beperkingen en verworvenheden die waren afgestemd op
vreemdelingen, andersdenkenden en ontheemden. Kortom; op minderheden met vaak
ook nog hoogmoedswaan verpakt in een slachtofferrol die de directrice Sarah van
zwarte basisschool Het Kleurenpalet dan weer tot machtsmisbruik dreef. Geef de
minderheden maar weer de schuld.
Heel subtiel
allemaal, maar het zijn de kleine dingen die het doen. Zo moest Sabine tijdens
het Suikerfeest vrijwel in haar eentje een hele schooldag in het klaslokaal
doorkomen. Het overgrote deel van haar klasgenootjes was met bijzonder –
officieus - verlof vanwege de thuisviering van hun
feestelijke afsluiting van de Ramadan. Onvoorbereid op de lege
ruimte hing Thea op de feestdag, die ze van basisschool De Kleine Beer kende,
het roze dons jackje van Sabine aan de kapstok en kwam nog even een pakkerd met
haar dochter delen voordat de plicht riep. Op die ochtend van het Suikerfeest
ziet Thea haar kleine meid van vier jaar nog zitten in de kring met verder
allemaal lege stoeltjes. De exotische namen van de afwezige kleuters in
felgekleurde megaletters op elke leuning geknutseld. Thea probeerde enkele
namen hardop uit te spreken; Youssra, Alim, Fahad, Azza, Hanane,
Samir, Maher, Elif, Dider, Edin. Bij een verkeerde uitspraak, werd ze verbeterd
door Sabientje die haar paarse pluche Dorarugzakje omslachtig in haar schoot
plantte en verwachtingsvol om zich heen keek. met die grote onschuldige ogen
van haar. Na een poosje wierp ze een vragende blik, inclusief parmantig hoog
opgetrokken wenkbrauwen, richting juffrouw Dirkje die zoals elke
kleuterschooldag aan het hoofd van de kring zat. De kleuterjuf trok het hoofd
in de nek, spreidde haar handen en gebaarde dat ze zogenaamd ook niet wist waar
alle andere kindjes gebleven waren. Haar passieve houding drukte echter een
weerstand uit die Thea met Dirkje deelde. Kinderen onderling maken geen
onderscheid op basis van huidskleur of afkomst, maar bij afwijkende
cultuuruitingen vroeg Thea zich toch heimelijk af:
‘Waarom moet
dit? Waarom zonder ik mijn kind af van haar katholieke achterland en cultuur en
maak ik haar ondergeschikt aan de habitus van een minderheidsgroepering in dit
land? Sabine is klein en kwetsbaar. Ze is nog aan niemand dank verschuldigd.
Kijk haar nou zitten met haar Dora rugzakje. Vol van vertrouwen in de wereld om
haar heen. Ze heeft het recht om een kliek te vormen met gelijkgestemden. Wat
heeft ze eraan om in deze heterogene groep alleen te staan? Ik doe haar
onrecht.
De dag na het
verlof werd de afsluiting van de islamitische vastenperiode dan weer wel
uitbundig gevierd op Het Kleurenpalet, met alle zoetigheid van dien. Sabientje
wist niet beter van peuterspeelzaal De Kleine Beer, maar Thea had als niet
ingewijde mooi het nakijken. Trouwens, toen puntje bij paaltje kwam,
werd Sinterklaas ook niet helemaal begrepen. De viering kreeg toch een niet
Nederlands tintje op Het Kleurenpalet.
Oorspronkelijk
dacht Thea dat ze wel boven de cultuurverschillen uit zou groeien met hulp van
het onderwijsteam van Het Kleurenpalet. Directrice Sarah deed het immers
voorkomen alsof haar deur altijd open stond. En directrice Sarah had ook best
een luisterend oor. Alleen geen voor de hand liggende oplossingen. Dus kwam
Thea geen steek verder. Ook niet met het uitgesproken begrip van directrice
Sarah dat het dualisme van Thea alleen nog maar deed toenemen.
‘Ik snap ook
best dat het moeilijk is. Wij zitten net zo goed met onze handen in het haar.
Wij willen juist van Het Kleurenpalet een gemengde school maken, maar als ik
heel eerlijk ben dan zou ik mijn kinderen ook niet op een zwarte school in een
achterstandswijk zetten’, beweerde directrice Sarah doodleuk tijdens één van
haar onderonsjes met Thea.
Thea geloofde
haar oren niet. Ze slikte de opmerking van directrice Sarah in en probeerde
tevergeefs om de woorden één voor één te verteren. Ze landden als bakstenen in
haar maag. Ze zal er wel moeilijk bij gekeken hebben, want Sarah suste
vergoelijkend:
‘Nou heb ik
natuurlijk geen kinderen. Dus eigenlijk weet ik gewoon niet waar ik over
praat.’
Thea schraapte
haar keel en ging verzitten. Wat deed ze hier in het kantoor van Sarah; de
directrice van Het Kleurenpalet? Wat wilde ze eigenlijk horen? De opstelling
van directrice Sarah frustreerde haar:
‘Lesbiennes
kunnen ook gewoon kinderen krijgen toch?’, haalde Thea uit.
Een kat in het
nauw maakt rare sprongen. Sarah gaf geen krimp.
‘Bij de
spermabank?’
Thea trok haar
shagbuil uit het borstzakje van haar spijkerjack en begon een shaggie te
draaien:
‘Hier liever
niet roken.’
Omslachtig
propte Thea de vloeitjes weer terug in de shag en vouwde de shagbuil dicht.
Directrice Sarah betuttelde haar. Thea kon niet anders dan in verzet komen:
‘Waarom heb je
geen kinderen? Kun je ze niet krijgen?’
‘Rook jij soms
ook in het bijzijn van jouw kinderen?’, wierp Sarah tegen.
Omdat Thea op
scherp stond, schoot ze meteen in de verdediging:
‘Soms’,
provoceerde ze.
‘Tsss.’
Directrice
Sarah glimlachte berustend en minzaam en zakte hoofdschuddend onderuit in haar
bureaustoel. Getergd besloot Thea om te gaan staan.
‘Tsjee; wat
een patstelling; ja, wat doen we nou...? Een rokende moeder in een
achterstandswijk! Naar de kinderbescherming...? Of toch naar de spermabank…?’
‘Ik weet niet
of dit jou wat aangaat!?’, siste directrice Sarah uit haar tent gelokt.
Vanuit haar
positie kon ze niet anders dan naar Thea opkijken.
‘Waarom niet,
mijn privéleven gaat jou toch ook aan? Jij weet toch ook alles van mijn
kinderen? Je weet het zelfs beter, want jij zou jouw denkbeeldige kinderen
nooit op een zwarte basisschool school in een achterstandswijk zetten zeg je
net. Maar je bent wel directrice van Het Kleurenpalet. Een school waar jij in
feite op neerkijkt dus.’
‘Nee,
natuurlijk niet. We zijn hier juist ontzettend blij met Sabine en met moeders
zoals jij die de uitdaging durven aangaan. Ik bedoel alleen te zeggen dat ik de
moed niet zou hebben die jij laat zien.’
Met een
gemaakt glimlachje probeerde Sarah de situatie te redden.
‘Dat kun je
niet weten, want je hebt zelf dus geen kinderen.’
‘Ga nog even
zitten Thea.’
‘Het gaat niet
over jou en mij’, sputterde Thea tegen, hoewel ze in toenemende mate begon in
te zien dat zij in deze tweestrijd tussen moeder en sociaal wezen hoe dan ook
aan het kortste eind
trok.
Ze voelde zich
alles behalve de moedige gelijkheidsstrijdster die directrice Sarah in haar
beweerde te zien. Was ze niet veel eerder laf en kleinzielig, omdat de drang om
toe te geven aan haar nederlaag op de zwarte basisschool ´Het Kleurenpalet`
alleen maar sterker werd met het verstrijken van de peuter- en kleuterjaren van
haar twee kinderen? Sociale missie mislukt. Ook omdat Thea door alle
uitwonenden van de achterstandswijk bij voorbaat veroordeeld werd vanwege haar
keuze. En niet één keer, maar onophoudelijk. Als een stempel op haar
voorhoofd in de vorm van een tatoeage. Met name het onderwijzend personeel op
De Kleine Beer en Het Kleurenpalet zag Thea niet voor vol aan, terwijl deze
opvoedkundigen, gezien hun werkgebied, toch eigenlijk beter hadden moeten weten
en verder hadden kunnen kijken dan hun neus lang is. Thea was geen aandachthoer
die met haar witte, bevoorrechte koters op een zwarte basisschool voor een
dubbeltje op de eerste rang dacht te kunnen zitten. In afwachting van luid
gejuich van de schuldbewuste, witte buitenstaanders. Integendeel.
Net als directrice Sarah ging Thea van een voorbeeldfunctie uit. Het
sneeuwbaleffect met integratie als gevolg. Dat nam echter niet weg dat Thea in
haar pioniersrol wel wat steun had kunnen gebruiken. Hoe naïef kan een mens
zijn? Niemand nam haar bij de hand. Zelfs directrice Sarah sprak zichzelf
tegen door Thea recht in het gezicht voor gek te verklaren. Weliswaar met de
plichtmatige kanttekeningen, maar toch. Directrice Sarah zou haar denkbeeldige
– witte - kinderen nooit op een zwarte basisschool zoals Het Kleurenpalet in
een achterstandswijk hebben ingeschreven. En ze had gelijk ook. Wat deed Thea
met haar kroost vrijwillig op deze gekleurde basisschool tussen de
vluchtelingen, mislukkelingen, uitkeringstrekkers en andere asocialen?
Leerkrachten en peuterzaalleidsters kregen betaald en deden na sluitingstijd de
deur van de achterstandsschool op slot om vervolgens zo snel mogelijk naar hun
veilige, witte woonomgeving te vluchten. En de achter gebleven achterstandswijkbewoners
hadden geen keus. Maar voor begenadigde Thea lag het geluk binnen handbereik.
Onbegrijpelijk dat Thea desondanks verkoos om met haar gezin onder haar niveau
te leven.
Maar Thea was
geen groentje. De status van een witte wijk kon haar niet bekoren. De oer
Hollandse gezelligheid van volbloed Nederlanders; de steun en de opvang die
ouders in een gelijkwaardige positie automatisch met elkaar delen; de
krachtmetingen onderling; de concurrentie; de roddel, hebzucht en jaloezietjes.
Kortom; de sfeer van witte basisschool De Wielewaal die Thea op wijkafstand
opsnoof vanaf het Kleurenpalet. Ze herkende de symptomen uit de witte
basisschooltijd van haar oppaskinderen: Jasmijn en Melvin. Maar toen was ze een
legitieme buitenstaander geweest die het reilen en zeilen op een basisschool
minzaam observeerde en die direct moeiteloos afstand van het hele circus nam
zodra haar oppaskinderen weer veilig op hun thuisbasis waren geland. Thea
ambieerde geen moederrol bij de oudermaffia op De Wielewaal; toch was Het
Kleurenpalet ook een aflopende zaak.
Tussen de
montageresten van Walters meegroeibed nam Thea daarom het besluit om nog
diezelfde dag bij basisschool De Wielewaal op bezoek te gaan om de inhoud van
de onverwachte aannamebrief mondeling te verifiëren. Voor de zekerheid. Omdat
Bart die middag vrij genomen had om het IKEA slaapmeubel in elkaar te zetten,
kon ze meteen van de gelegenheid gebruik maken door de driejarige Walter bij
zijn vader achter te laten. De vierjarige Sabine nam ze direct uit de
kleuterklas van basisschool Het Kleurenpalet wel mee naar De Wielewaal. Uit
praktische overwegingen, want zo hoefde Thea niet onnodig heen en weer en kon
ze voor de schoolleiding op De Wielewaal meteen aanschouwelijk maken wat voor
een vlees ze ongeveer in de kuip zouden krijgen. Of juist mis zouden lopen als
Sabine niet – net als Walter- probleemloos zou worden aangenomen.
Twee vliegen in één klap dus.
Basisschool De
Wielewaal stond niet zoals Het Kleurenpalet verdekt opgesteld in de wijk tussen
hoge bomen en achter een ijzeren omheining begroeid met slingerplanten, maar
prijkte pontificaal in het zicht tussen de rijtjeshuizen. Terwijl op
Het Kleurenpalet geen bezoeker de hoofd- of zij-ingang kon passeren zonder te
bellen en zich na lang wachten te identificeren aan een ontoegankelijke
conciërge van niet Nederlandse afkomst, stond op De Wielewaal de poort naar de
speelplaats permanent wagenwijd open. Ook na schooltijd zo te
zien. De conciërge van De Wielewaal was ook niet in Nederland geboren – en
zo wel dan was er wat mis gegaan met zijn taalverwerving -, maar hij was een
stuk levendiger en nadrukkelijker aanwezig dan zijn collega op Het Kleurenpalet
die bij nadere kennismaking helemaal niet onaardig bleek; maar een eerste
indruk is moeilijk uit te wissen.
‘Ja?’, vroeg
de conciërge van De Wielewaal vriendelijk toen Thea na aangebeld te hebben
aarzelend in de voordeuropening verscheen.
Het was
overduidelijk niet gebruikelijk voor bezoekers van De Wielewaal om zich aan de
hoofdingang te melden. Het gebouw stond compact en open en bloot als een
oplichtende grijze betonnen blok zonder schutkleuren en beplanting in het
centrum van een woonerf. De kleurige, naïeve afbeeldingen op de schuttingen van
de speelplaats gaven net genoeg sfeer voor Thea om niet meteen op haar
beslissing en schreden terug te keren.
‘Goedemiddag,
waar kan ik mijn kinderen inschrijven?’
Ter
illustratie wapperde Thea met de aannamebrief van De Wielewaal in de lucht.
‘Jij bent
ouder?’, knikte de conciërge.
‘Of ik ouder
ben?’.
‘Jouw kind?’
Hij wees naar
Sabine die braaf aan moeders hand stond te wachten in haar roze dons jackje.
‘Ow, ja; mijn
kind ja.’
‘Jullie
omlopen.’
De conciërge
maakte een half rondje met zijn wijsvinger.
‘Okay.’
Thea
twijfelde, maar omdat de conciërge de voordeur al weer gesloten had, besloot ze
tot blijdschap van Sabine toch maar om via de verlaten speelplaats achterom
naar binnen te gaan. Maar niet nadat Sabine vier keer van de glijbaan was
gegleden en tot vervelends toe een klimrek had beklommen.
Binnen stuitte
Thea bijna direct op een zekere Jade. Haar naam sprak je uit met een
langgerekte a; dus niet met een Engelse tongval. Zoals de kleur; jade groen.
Althans zo had Jade zich voorgesteld. En tevens als de interne coördinatrice op
De Wielewaal en woordvoerster van Peter. Peter was de gedienstige directeur van
De Wielewaal die Thea al eens had ontmoet tijdens haar scholenoriëntatietocht
en naar wie ze gevraagd had. Volgens Jade zat directeur Peter echter in een
uiterst belangrijke vergadering op dat moment. Met andere woorden hij kon en
mocht niet gestoord worden. Dus bij gebrek aan beter stortte Thea haar hart uit
bij Jade de interne coördinatrice:
‘Sabine was
begin dit schooljaar ook al in groep 1 van De Wielewaal aangenomen; maar toen
hebben mijn man en ik gekozen voor Het Kleurenpalet. Nu Walter na zijn vierde
verjaardag ook voor groep 1 van De Wielewaal is aangenomen; willen we wat
Sabine betreft op onze beslissing terugkomen en haar toch naar De Wielewaal
laten gaan. In het geval van Sabine naar groep 2 uiteraard. Zij is bijna vijf
jaar.’
Fronsend nam
Jade de aannamebrief van Thea over. Thea benadrukte nog maar eens:
‘Deze brief
gaat dus alleen over Walter.’
‘Dat is niet
Walter, neem ik aan?’, vroeg Jade, terwijl ze Sabine, die als een jonge hond de
hele schoolhal in beslag nam, in haar blikveld probeerde te vangen.
‘Nee, dat is
Sabine.’
Het geduld van
Thea begon nu al op te raken. Jade, de interne coördinatrice, kwam over als een
omslachtig type. Veel geblaat, maar weinig wol. Gedoe. Moeizaam in de omgang en
met haar hooghartige optreden de absolute tegenpool van Peter; haar directeur.
‘En haar heb
je niet hier op De Wielewaal aangemeld?’
De interne
coördinatrice knikte in de richting van Sabine. Van de weeromstuit had Thea
haar dochter niet bij zich geroepen om haar oog in oog voor te stellen aan een
nieuwe schooljuffrouw, wat natuurlijk wel zo beleefd was geweest.’
‘Jawel, Sabine
is hier vorig jaar zelfs aangenomen, maar toen heb ik haar aanname dus afgezegd
voor Het Kleurenpalet’, herhaalde Thea geërgerd.
‘En nou zit ze
in groep 1 van Het Kleurenpalet?’, vroeg Jade de interne coördinatrice.
Niet alleen
haar toon, maar haar hele houding drukte misprijzen en reserve uit.
‘Hoe kan jouw
zoon dan in vredesnaam bij ons op De Wielewaal aangenomen zijn?’
‘Da’s voor mij
een vraag, maar voor jou een weet.’
‘Misschien was
jouw dochter hier helemaal niet goed uitgeschreven aan het begin van dit
schooljaar en is jouw zoontje per ongeluk aangenomen, omdat broers en zussen
van inzittenden altijd automatisch aangenomen worden. Maar daar kan ik niks aan
doen, want ik ben net herstellende van een ernstige griep. Ik ben de afgelopen
twee maanden niet op school geweest.’
‘Nou die fout
en jouw griep komen mij dan goed uit’, grapte Thea en ze dacht:
‘Wat kan mij
dat nou schelen dat je de aanstelleritis griep helemaal tot de bodem hebt uit
gepeurd met behoud van salaris.’
‘En wat wil je
nou?’
Jade de
interne coördinatrice stond nog steeds met de aannamebrief van Walter in haar
rechterhand. Met haar linkerhand greep ze naar de klink van de
vergaderzaaldeur. Kennelijk was ze het meer dan zat om dag in dag uit voor
vanalles en nog wat ter verantwoording te worden geroepen. Maar ja; dan had ze
maar geen interne coördinatrice moeten worden. Thea wees naar de brief:
‘Walter is
toch aangenomen?’
‘Ja en?’
Ongeduldig gaf
Jade de aannamebrief weer aan Thea terug.
‘En Sabine
dan?’
‘O, je wilt je
dochter ook hier hebben?’
‘Ben ik nou zo
slim of ben jij nou zo dom’, dacht Thea.
Sabine was
inmiddels stokstijf tussen Jade en Thea in komen staan. Ze speelde
waarschijnlijk standbeeldje of zoiets en liet zich probleemloos van dichtbij
keuren door de kritische blik van de interne coördinatrice. Sabine zag er niet
bepaald uit als een getormenteerd zorgenkind met haar verwarde krullenkopje,
rode wangen en glinsterende pretogen en Jade knipperde verward. Ze liet de
klink van de vergaderzaal weer los en zei twijfelend, maar half overstag:
‘We hebben wel
een wachtlijst.’
‘Niet voor
iedereen’, smaalde Thea.
‘De Wielewaal
staat anders heel hoog aangeschreven in de stad’, beweerde Jade de interne
coördinatrice ontwijkend.
‘Wat heeft dat
met een wachtlijst te maken?’
‘We kunnen
niet iedereen aannemen.’
‘Jullie willen
niet iedereen aannemen. Dat is wat anders.’
‘Dat is niet
waar’, loog de interne coördinatrice met een uitgestreken gezicht.
‘Walter is
aangenomen.’
Illustratief
zwaaide Thea met de aannamebrief.
‘Per ongeluk.’
‘Pardon? Ik
kan mijn kinderen anders ook alle twee op een derde school aanmelden. Maar dat
zal dan niet zonder slag of stoot en de nodige openbare ophef gaan’, blufte
Thea provocatief.
Zij kon net
als Jade ook net doen alsof ze achterlijk was. Bovendien voelde ze intuïtief
aan dat zij aan de winnende hand was en plopte nadrukkelijk met haar lippen. De
interne coördinatrice blies haar wangen vol met lucht en liet ze weer
leeglopen. Thea gaf de interne coördinatrice de indruk wel een chantabel type
te zijn. Bruikbaar manipulatiemateriaal. Overstag gaf Jade lucht aan haar
overweging:
‘Het zal
misschien wel lukken. We hebben tenslotte nog twee maanden voor de
zomervakantie voor de boeg.’
Ter afsluiting
stak Jade haar hand uit naar Sabine; die de groet een beetje onwennig, maar
netjes volgens de beleefde omgangsvormen in ontvangst nam.
‘Dan zien wij
elkaar na de zomervakantie’, besloot Jade de interne coördinatrice met klem
richting Thea, waarna ze abrupt in de vergaderruimte verdween.
Met de ogen in
haar rug merkte Thea dat Merel het peuterhoofd haar nakeek toen ze voor de
laatste keer het met groen overwoekerde ijzeren hek van de buitenspeelplaats in
het slot liet vallen. Ze greep Walter bij de hand om te voorkomen dat hij
zomaar de straat op zou rennen. Zo aan de finish van het peutertijdperk van
haar kinderen werd Thea overspoeld door een megagolf van opluchting. Alsof met
het dichtklikken van het ijzeren slot de vloek van Merel het peuterhoofd
voorgoed bezworen was. Als Thea de verstrekkende gevolgen van het gedrag van
Merel het opperhoofd met haar sfeerbepalende egocentrisme, haar onpeilbare
stemmingswisselingen en haar kant -en klare medische antwoorden op elk
peutervraagstuk toen naar schade zou hebben ingeschat, dan zou ze
veel vaker en feller direct tegen het beleid van peuterzaal De Kleine Beer van
leer getrokken zijn. Maar hoewel Thea door de betuttelende ongein van het
peuterhoofd regelmatig naar het randje van een uitbarsting was gedreven, was de
bom pas zo’n twee maanden geleden ontploft. Op de ochtend van het onheil was
Thea onstuimig De Kleine Beer binnen komen vallen met de mededeling dat de
onderhandelingen met basisschool De Wielewaal nu rond waren. Maar dan anders
gezegd.
‘Hoera, Sabine
en Walter zijn aangenomen op De Wielewaal!’, had Thea triomfantelijk door de
ruimte van De Kleine Beer geroepen.
In de gang
hielp ze Walter uit zijn jasje en volgde hem door de opengeslagen tussendeuren
naar binnen waar ze uitgelaten op een stoel aan de mamatafel plofte. De andere
mama’s; in een gezusterlijk samenzijn met hier en daar een verdwaalde papa,
opa, of oma; knikten haar bemoedigend toe. Niet dat ze wisten wat
Thea bewoog, maar dat deed er ook niet toe, want in de loop van de jaren waren
de ouders en verzorgers van De Kleine Beer nou een maal solidair met elkaar
geworden. Uit gewoonte. Iedereen leefde volgens een ongeschreven wet naar beste
vermogen met een ander mee. Punt uit. De moeder van Arda schoof Thea een bakkie
leut toe. Zwart, zonder suiker. Zulke banale dingen wist je dan weer wel
precies van elkaar.
‘Walter gaat
naar een andere basisschool. Je weet wel; De Wielewaal, in het centrum van de
stad’, legde Thea uit.
‘Dat is ook
beter zo’, antwoordde de moeder van Arda onomwonden.
Thea viel even
stil omdat ze dit inzicht niet had verwacht van de moeder van Arda.
‘Arda gaat wel
naar Het Kleurenpalet.’
‘Ze zullen
elkaar wel missen.’
De moeder van
Arda wreef door haar ogen en zuchtte diep. Zo te zien had Thea
onbedoeld een emotionele snaar bij de moeder van Arda geraakt. Ineens had ze
ook zin om te janken, maar in plaats daarvan beweerde ze schor:
‘Ach, ze zijn
nog jong. Kinderen passen zich snel aan nieuwe situaties aan hoor.’
Merel het
peuterhoofd kwam schoorvoetend tussenbeide. Het viel Thea meteen op dat ze
nogal pips zag. Bovenop haar normaliter toch al bleke uitstraling. Het leek wel
alsof het peuterhoofd ergens behoorlijk over in de piepzak zat.
‘Kan ik je
even onder vier ogen spreken Thea’, begon ze op een dusdanig kruiperig toontje
dat iedereen aan de mamatafel verdwaasd opkeek.
Wat een
onderdanigheid van het anders zo arrogante opperhoofd!
In de
koffiekamer stond een aangebroken slagroomtaart op het kruispunt van vier
bijeen geschoven tafels.
‘Je mag de
rest straks wel mee naar huis nemen’, bood Merel het peuterhoofd aan, terwijl
ze nerveus met de koffiekan aan het hannesen was.
Wat moest Thea
met een aangevreten slagroomtaart? Alsof zij en haar gezin thuis wat tekort
kwamen.
‘Dat is
vriendelijk aangeboden, maar dat hoeft niet en ik blief ook geen koffie’, zei
Thea niet op haar gemak.
Merel het
peuterhoofd hapte naar lucht en woelde door haar pittige korte gebleekte
pieken, waarna ze er nog warriger uitzag dan ze zich gedroeg. Ze maakte geen
oogcontact met Thea die op haar hoede aan tafel plaatsnam.
‘Ik kan thee
maken?’ opperde Merel het peuterhoofd ontwijkend.
‘Wat is er aan
de hand, Merel?’, wilde Thea ongeduldig en met klem weten.
Merel het
peuterhoofd fluisterde iets, terwijl ze een blik met suikerklontjes tegen haar
borstjes aandrukte om zich een houding te geven. Ze was nauwelijks hoorbaar:
‘Ik heb dus
gebeld naar De Wielewaal’.
‘Winnie de
Poeh’, dacht Thea naar aanleiding van de opdruk op het suikerklontjesblik.
Niet
begrijpend vond ze de ogen van Merel het peuterhoofd die zich vulden met vocht
en dramatisch naar de grond draaiden. Zelfmedelijden. Haar kromme heksenvingers
pulkten aan het deksel van het Winnie de Poehblik.
‘Je hebt
gebeld naar De Wielewaal?’, herhaalde Thea.
‘Waarom?’
‘Je kondigde
laatst toch aan dat je met Walter naar De Wielewaal zou gaan? Nou; Maaike en ik
dachten dus dat je een uitvlucht zocht en dat je een beetje blufte. Toen heb ik
voor de zekerheid gebeld met de interne coördinatrice van De Wielewaal; een
zekere Jade’, bekende Merel het peuterhoofd in een woordenstroom zonder te
struikelen.
Hoe eerder ze
haar biecht achter de rug had, hoe beter. Waarom was Thea niet verbaasd? De
paniekblik van Merel het peuterhoofd vervulde haar met een ijzige kalmte. Hoe
pathetisch ben je als hoofd van een speelzaal dat niet tegen een markant
driejarig mannetje is opgewassen en dat zich niet over een persoonlijke afkeer
van een peutertje heen kan zetten?
‘Wat heb je
gedaan?’ vroeg Thea op snijdende toon.
‘Zij en ik
hebben het erover gehad,’ stamelde Merel het peuterhoofd verdwaasd.
‘Waarover heb
je het gehad?’
‘Dat jij bang
was dat Walter autistisch was en dat we daar iets mee moesten’.
‘We zijn we?’
‘Jade en ik’.
Merel het
peuterhoofd leek iets zekerder van haar zaak. Om te voorkomen dat ze terrein
zou winnen blies Thea haar borstkas op en verhief haar stem.
‘Wat bezielt
jou Merel? Ik heb nooit gezegd dat ik bang ben dat Walter autistisch is. Dat
zijn jouw waanideeën. Hoe durf jij mijn kind met jouw, geesteszieke stempel
naar een basisschool te sturen? We hebben juist voor De Wielewaal gekozen om
onder jouw juk uit te raken.’
‘Huh?’
Merel het
peuterhoofd krabde zich letterlijk achter de flaporen. Haar gebaar deed Thea
beseffen dat ze al die tijd op De Kleine Beer duidelijker had moeten zijn. Thea
was nooit op haar strepen gaan staan. Ze had Merel het peuterhoofd laten lullen
en haar zodoende te veel vrij spel gegeven.
‘Begrijp dat
dan Merel! Walter is geen monster.’
‘Ik heb nooit
gezegd dat Walter een monster is!’, riep Merel ferm, terwijl ze met haar kromme
heksenwijsvinger bedreigend naar Thea wees.
Ze probeerde
zich in te dekken voor God mag weten wie:
‘Dat ga je me
niet ook nog in de schoenen schuiven!’
‘Alsof ik je
ooit een strobreed in de weg heb gelegd! Je bent niet te stoppen Merel! Niemand
kan jou stoppen! Jij bent de storende factor Merel; niet Walter; niet mijn
kind. Geen enkele peuter van amper vier jaar!’
Nu stroomden
de tranen in straaltjes over de wangen van Merel. Wat een dramatisch talent:
‘Ow, nou snap
ik het; je voelt je in de steek gelaten. Sorry, sorry, sorry’, snikte ze.
‘Ik voel me
niet in de steek gelaten, want ik verwacht niks van jou of van wie dan ook van
De Kleine Beer. Deze messteek in de rug had ik dus ook niet verwacht, maar je
zorgt maar dat het in orde komt. Je belt maar met de schoolleiding van De
Wielewaal en je legt jouw aandeel in dit drama maar uit. En dan nog wat: ik
dien een klacht in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer. Ik betaal verdorie
200 euro per maand voor die lekenkennis hier. Ik wil niet meer dat jij je nog
langer met Walter bemoeit. Walter heeft überhaupt nog maar 2 maanden in dit
gekkenhuis te gaan en Maaike is sowieso veel beter geschikt als peuterleidster
voor Walter dan jij.’
Wat er daarna
gebeurd was kan Thea zich vaag herinneren. Ze weet nog dat ze niet veel later
alleen in haar huiskamer op de bank zat en de ene sigaret met de andere
aanstak. Het speet haar dat ze Walter niet meteen mee naar huis had gesleurd.
Weg bij die heks. Ze belde Bart uit een vergadering. Hij deelde haar
verontwaardiging, maar niet haar opwelling om Water alsnog stante pede van De
Kleine Beer af te halen.
‘Die
peuterleidsters zijn professioneel genoeg om een kind te ontzien in de directe
omgang. Ze ouwehoeren dat het een lieve lust is en dat doen ze goed verkeerd,
maar daar zijn ze ook eigenlijk niet voor opgeleid, denk ik dan maar.’
Bart probeerde
Thea tevergeefs te kalmeren. Ze raasde onverminderd voort:
‘Die Jade; die
interne coördinatrice van De Wielewaal bedoel ik, is anders ook niet
helemaal zuiver op de graat. Zij ouwehoert ook gewoon mee met de eerste de
beste peuterjuf die haar belt met een mond vol medische onzin over een
willekeurig kind. Volgens mij is dat hartstikke strafbaar.’
‘Is het ook,
maar we moeten ook vooruit. Laten we nou maar voor de minst kwade kiezen. Maak
het jezelf toch niet zo moeilijk, Thea! Trouwens, je weet zelf hoe overtuigend
Merel kan wauwelen en hoe mager jij je kon verweren tegen haar lekenkennis.’
Het bloed van
Thea kookte nog steeds bijna over, terwijl ze tegensputterde:
‘Nou vooruit
dan laat ik die Jade gaan. Uit eigen belang. Maar ik dien dus wel degelijk een
klacht tegen Merel in bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en ik eis Maaike
als enige peuterjuf voor Walter gedurende die laatste twee maanden.’
‘Je kunt hem
ook rustig thuis houden tot aan de zomervakantie. Een kind van vier jaar is nog
niet leerplichtig. Dan gaat Walter daarna gewoon linea recta naar groep 1 van
de Wielewaal’, verzon Bart, praktisch als hij is.
‘Dat is plan
B. We hebben ons niet twee jaar aan deze dure ellende onderworpen om vlak voor
de eindstreep zonder protest de handdoek in de ring te gooien. Ik wil er in
eerste instantie alles aan doen om Walter van de hele heisa over zijn
persoontje in het ongewisse te laten. Alles moet voor hem zo normaal mogelijk
lijken’, besloot Thea, ondanks alle roerigheid, toch nog bedachtzaam.
HOOFDSTUK 6
Directrice
Sarah van Het Kleurenpalet herhaalde haar verzoek:
‘Ga nog even
zitten Thea.’
‘Waarom?’
‘Ik wil je nog
wat vragen en draai er anders een sigaretje bij als je daar gelukkig van
wordt.’
‘Mag ik hem
ook aansteken?’, ginnegapte Thea.
De vijandige
lucht klaarde wat op. Net als de gezichtsuitdrukking van directrice Sarah. Ze
herademde opgelucht.
‘Zoals ik al
aangaf; Bart en jij verrichten pionierswerk hier in de wijk. Daar hebben wij
respect voor.’
‘Heb je ook
een asbak?’
Thea bleef
zich op het kneden van haar shaggie richten en maakte bewust geen oogcontact
met directrice Sarah. Als directrice Sarah namelijk oprecht zoveel waardering
voor een stel witte ouders op een overwegend zwarte school zou hebben als ze
beweerde; waarom werd dezelfde gerespecteerde pioniersmoeder dan straal
genegeerd op de ochtenden waarop Thea in een langzame stoet van veelal ongelijk
gestemde ouders haar dochter Sabine naar het lokaal van groep 1 en juffrouw
Dirkje bracht? Thea had directrice Sarah al ontelbare keren goedemorgen gewenst
zonder tegengroet. Respect moet wel van twee kanten komen. Thea zag Sarah wel
staan. Zoals de directrice van Het Kleurenpalet elke werkdag van de week boven
de meute herrees. Alsof ze op wacht stond in haar kreukelvrije mantelpakje. Een
zilverkleurig ensemble afgemaakt met een verblindend witte blouse waarvan de
knoopjes elk moment onder de spanning leken te kunnen bezwijken en dat bijna
naadloos leek over te gaan in haar tijdloze kapsel met de opgestoken pieken in
wel vijftig tinten grijs. Elke ochtend van alle schooldagen weer blokkeerde
directrice Sarah wijdbeens in haar collegeschoenen de doorgang op de brede trap
naar de eerste verdieping, Geen leerling, begeleidende ouder of
verzorger passeerde directrice Sarah zonder zwijgend gezien te worden. Met haar
armen ineen geslagen voor haar c-cups inspecteerde ze de stroom mensen die op
haar af kwam met een imponerende, verheven blik achter een strenge bril die de
helft van haar snuitje bedekte met een zwaar, donker montuur. Wat was de
bedoeling van deze façade? Geen mens was onder de indruk van de pose van
directrice Sarah. Na herhaaldelijke confrontaties met het beeld dat de
directrice van zichzelf op het Kleurenpalet hooghield begon Thea zich dan ook
serieus af te vragen of Sarah nooit de moeite genomen had om eens stiekem op
een pornosite te gluren. Al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid. Ze zou
zichzelf herkennen in het archetype van de seksgodin. Dat kon nooit haar
bedoeling zijn. Geschokt zou ze zich zo snel mogelijk in een wat meer gangbaar
ensemble hullen. Een make-over. Een roze bril. Een kostuum met een
krijtstreepje bijvoorbeeld. Sneakers eronder. Een opgeknipt kort kapsel met
kastanje rode kleuring. Niks meer aan doen.
‘Er heeft zich
alweer een hoogopgeleid stel gemeld dat bereid is om hun kinderen eventueel op
Het Kleurenpalet in te schrijven’, verzuchtte Sarah gelukzalig.
Van het ene op
het andere moment was ze in een dweperig soort extase geschoten. Haar
ademhaling trilde van opwinding, terwijl ze een geboetseerde asbak, in allerlei
overgelopen waterverfkleurtjes, van de vensterbank naar het bureau verplaatste.
Thea inhaleerde diep van haar sigaret. Ze gunde het teer, de nicotine en andere
chemische troep de tijd om haar bloedstroom te infiltreren alvorens ze de rook
tegelijkertijd met haar repliek uitblies.
‘Hebben ze
zich ook voorgesteld als meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’
‘Een
hbo-opleiding is heel hoog’, wist Sarah frikkerig.
‘Bart en ik
zijn bij mijn weten het enige erkende hoogopgeleide stel in deze wijk’, spotte
Thea die van sommige ouders wist dat ze in hun thuisland een universitaire
opleiding hadden genoten.
‘Dit stel
woont ook niet in deze wijk’, antwoordde Sarah onnozel.
‘Ze hebben een
huis gekocht aan de rand van de wijk in de Overgangsstraat en kunnen in wezen
vrij kiezen tussen De Wielewaal en Het Kleurenpalet. Ze kwamen zich vanochtend
oriënteren net als jij een paar maanden terug.’
Thea viel
Sarah in de rede:
‘En nou wil
jij van mij weten wat mij over de streep heeft getrokken; zodat je die ouders
ook kunt overtuigen om met hun kinderen de oversteek naar Het
Kleurenpalet te maken?’
‘Nou ze hadden
in principe best zin om samen met andere ouders een integratiebrug op Het
Kleurenpalet te bouwen.’
‘Maar…?’
‘Dat kunnen ze
niet alleen natuurlijk’.
Thea
onderdrukte een cynisch hikgeluid.
‘Nee, ik ook
niet.’
Sarah was te
ver heen in haar euforie over de potentie van weer een eventuele nieuwe
aanwinst voor Het Kleurenpalet en daarmee voor haar reputatie als witte
weldoenster, om het sarcasme van Thea tot zich door te laten dringen:
‘Mag ik jouw
telefoonnummer doorgeven?’
Hoe kon Thea
anderen wegwijs maken als ze zelf volledig vastliep? Dat was juist de reden
waarom ze hier, tegen beter weten in, weer met Sarah aan tafel geschoven was.
‘Dat mag
altijd, maar wat wil je dat ik zeg?’
‘De waarheid.’
Achteraf
beschouwd was het misschien maar goed ook dat Thea in de weken die volgden niet
telefonisch geraadpleegd werd door een hoogopgeleid stel met geveinsde
interesse in het Kleurenpalet voor hun witte, bevoorrechte kinderen. Wist Thea
veel! Met het verstrijken van het eerste basisschooljaar van Sabine werd haar
vervreemding met het wel en wee op Het Kleurenpalet zo onoverbrugbaar dat ze
uiteindelijk niet eens meer een comfortzone had om in terug te kruipen. Zo
raakte ze bijvoorbeeld uit het veld geslagen door de reactie van een
tattoolijer van een vader op het schoolplein. Hij wachtte zijn vijfjarige
dochter Kimberly op met een peuk in zijn muil en een aangelijnde pitbull aan
zijn zijde. Hij had al een keer zijn neus opgehaald en een fluim opgehoest slijm
pal naast de schoenen van Thea doen landen. Hij stond geen moment stil, maar
hinkte zenuwachtig van het linker op het rechter been alsof hij zijn spieren
aan het opwarmen was. Hij verspreidde een alcoholwalm doordrenkt van nicotine
vermengd met een loodzwaar meurend mannenparfum. Thea was blij dat ze juffrouw
Dirkje uit het schoolgebouw van Het Kleurenpalet zag komen; gevolgd door een
optocht van duokleutertjes die hand in hand in de richting van de naschoolse
opvang liepen. Bij de rode lijn blokkeerde juffrouw Dirkje wijdbeens de
doorgang en stopte de stoet met een handgebaar in de lucht. Het tweetal voorin
de rij stond zo abrupt stil dat ze een achter zich een kettingbotsing
veroorzaakten. Juffrouw Dirkje wachtte kalm tot de boel bedaard was. Daarna gaf
ze het startteken. Sabine kwam naast Kimberly op Thea afrennen. Ze nam pas op
plaats voor de Pitbull die de iele Kimberly bijna omver sprong.
‘Mag ik hem
ook aaien?’, vroeg Sabine onbevangen aan Kimberly die zich vrijmoedig door de
hond liet overweldigen.
De vader rukte
tevergeefs aan de hondenriem.
‘Aai hem
maar’, moedigde Thea haar dochter aan.
De Pitbull was
alweer tot rust gekomen en liet zich over zijn hele lijf betasten door vier
begerige handjes. De vader bleef stug voor zich uitkijken, maar gromde dreigend
binnensmonds richting Sabine:
‘Kijk maar
uit; direct vat ie oe.’
‘Wat is vat ie
oe?’, vroeg Sabine aangeslagen en niet begrijpend nog vlak voordat Thea haar
kleine meisje haastig in veiligheid bracht door haar op te tillen en dicht
tegen zich aan te drukken.
‘Dat versta
jij niet kind, dat is Neanderthaal’, riep ze verontwaardigd tegen dovemans oren
en met haar hart in haar keel.
Juffrouw
Dirkje stond vlak bij. Ze kneep Sabine in de wang en zei op die relativerende
toon van haar:
‘Weet je wat
‘vat ie oe’ betekent Sabine? Het betekent; ‘direct grijpt hij je’. Maar dat
gebeurt niet. Daar is Rocky veel te lief voor. Toch Kimberly?’
‘Huh?’
Kimberly was
alweer afgeleid. Juffrouw Dirkje voorkwam dat ze ertussenuit zou knijpen door
haar voor de grap in de houtgreep te nemen en sprak vervolgens in één adem de
vader van Kimberly berispend toe:
‘Ga nou eens
gewoon met die Pitbull van het schoolplein af Mario. En roken doen je ook maar
buiten het hek.’
‘Ja, ja’,
mompelde Mario schuldbewust.
Dit soort
voorvalletjes was dagelijkse kost op Het Kleurenpalet. De hoge frequentie ervan
in combinatie met de indolente meegaandheid van de zwijgende meerderheid maakte
dat Thea zich in het begin nog geroepen voelde om te solliciteren naar een
vacante plaats voor een vertegenwoordig(st)er van de ouders van de kinderen van
Het Kleurenpalet in de medezeggenschapsraad. Tot grote vreugde van juffrouw
Dirkje die het ingevulde inschrijvingsformulier gretig van Thea aannam en haar
vol vertrouwen en goede moed naar de verantwoordelijke leerkracht doorverwees.
De aangewezen tussenpersoon voor doorstroming naar de medezeggenschapsraad was
die andere kleuterjuf - Petra - die Thea al had mogen ontmoeten tijdens het
kennismakingsbezoek dat georganiseerd was door de leiding van De Kleine Beer.
Walter was toen nog zo goed als voorbestemd om na zijn vierde verjaardag een
kleutertje in groep 1 van juffrouw Petra op Het Kleurenpalet te worden, want
juffrouw Dirkje was al bezet door Sabine. En Walter was er bijna, maar nog niet
helemaal, want Thea twijfelde. Net als juffrouw Petra die - in tegenstelling
tot Thea - niet eens het fatsoen op kon brengen om haar achterdocht jegens een
atypisch medemens onder stoelen of banken te steken. Ze richtte haar volle
aandacht liever op een prototype in de vorm van een tweede moeder die, naar het
zich liet aanzien, ook interesse in de vacature voor de medezeggenschapsraad
had getoond. Thea’s concurrente was een uitgedijde versie van een verpieterd
dom blondje met grijze uitgroei in de scheiding van haar coupe soleil. Terwijl
ze in de deuropening van het kleuterlokaal met juffrouw Petra in een innig
gesprek verwikkeld was, keek ze heersend om zich heen alsof een onbetaalde
functie in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet haar lotsbestemming
was. Zo nu en dan probeerde ze Thea onopgemerkt te monsteren vanuit haar
ooghoeken. Thea stond op een afstand op een reactie van juffrouw Petra te
wachten en vergaapte zich van haar kant aan de onthullende leggings in
knalroze, hoerige lakkaplaarzen en een kalfslederen paarse parka met bontkraag
waarin de concurrentie zich uitgedost had.
‘Aan dat
portret krijg ik nog een zware dobber’, dacht Thea , omdat ze er logischerwijs
vanuit ging dat de vacature bij de medezeggenschapsraad nu als vanzelfsprekend
door twee vrijwilligsters vervuld zou
worden.
Ze zou dus
moeten samenwerken. Toen ze na tien minuten nog steeds onzichtbaar leek voor de
twee dikke vriendinnen die nog altijd geanimeerd in conclaaf met elkaar waren,
besloot Thea in te grijpen:
‘Ik kom voor
de vacature bij de medezeggenschapsraad’, aarzelde Thea, terwijl ze stapvoets
dichterbij kwam.
‘Ze komt voor
de vacature bij de medezeggenschapsraad’, echode het portret in hoog Nederlands
richting juffrouw Petra die zich stond te verbijten, maar quasi vermanend
proestte:
‘Ingrid!’
Zoals een baas
haar grommende hond voor de postbode in het gareel houdt.
‘Ik kom ook
voor de medezeggenschapsraad!’ blafte de hond, die kennelijk naar de
naam ‘Ingrid’ luisterde, dreigend.
Met een
tergende blik zocht Ingrid oogcontact met Thea die haar aandachttrekkerij
ontweek door vragend naar juffrouw Petra te staren. Thea was er de persoon niet
naar om medeplichtigen ongemoeid te laten. Onverschrokken plaatste
Thea haar handen in de zij en zakte door één heup.
‘Dus?’
‘Zeg maar nee,
want dan krijg je er geen 2’, mompelde Ingrid binnensmonds, maar goed
verstaanbaar.
‘Een
sollicitatieprocedure’, opperde juffrouw Petra lacherig.
‘Laat maar.’
Gedesillusioneerd
keerde Thea het tweetal de rug toe. Ze had geen zin om zich te begeven in de
arena van overbekende, primitieve machtspelletjes tussen ‘sterke’ wijven of
zogenaamde ‘alfavrouwtjes’. Thea wist dat ze moeiteloos kon winnen door zich
voor het oog te conformeren aan de regels van het moment en door op de lange
termijn haar zin door te drijven met manipuleren. Ze kon er eenvoudigweg de
energie niet voor opbrengen met twee kleutertjes in haar kielzog, een voltijds
huishouden, een webwinkel in retrospullen en Huiswerksterk.
‘Gewoon even
checken wie het beste geschikt is!’, riep juffrouw Petra haar pesterig na.
Thea draaide
zich een halve slag om op haar as:
‘Ik ga onderga
echt geen sollicitatieprocedure voor een vrijwilligersfunctie.’
‘Bang dat je
verliest; zeikwijf?’, tartte Ingrid.
‘Ik weet wel
zeker dat ik verlies’, smaalde Thea.
‘Jullie kunnen
ook proberen om er samen uit te komen’, fleemde juffrouw Petra.
Haar
plotselinge inschikkelijkheid vloeide waarschijnlijk niet zozeer voort uit een
vertraagd inzicht in ernst van haar partijdigheid, maar eerder uit angst voor
represailles.
‘Dat had
gekund, maar niet met miss Piggy daar’, zei Thea met een hoofdbeweging richting
Ingrid.
‘Duhuh, stomme
kut!’, schold Ingrid.
Een zwaktebod.
Ingrid had niet met de assertiviteit van Thea gerekend. Juffrouw Petra voorkwam
een voortzetting van de scheldpartij, al dan niet expres, door alleen Ingrid
luidkeels te verwelkomen als nieuw lid van de medezeggenschapsraad van Het
Kleurenpalet.
‘Nou dat is
dan geregeld; welkom Ingrid’, riep ze door de gangen van Het Kleurenpalet.
Overduidelijk
opgelucht dat Thea uitgerangeerd was. Kleuterjuf Petra zat niet te wachten op
de bemoeienis van een nuffige mevrouw in de medezeggenschapsraad van Het
Kleurenpalet die zich te goed voelde voor een sollicitatiegesprek. Thea op haar
beurt zou wel gek zijn als ze haar zoontje Walter in de toekomst zou
overleveren aan deze kleuterleidster uit de hel.
‘Je denkt toch
niet serieus dat ik mijn zoon bij zo’n dragonder in de klas laat zetten!’, liet
Thea tijdens haar afgang het innige tweetal dan ook nog wel even over haar
schouder weten.
Ze besefte te
laat dat ze zich volslagen belachelijk maakte met haar geëvolueerde
taalgebruik.
‘Wat? Wie z’n
moeder?!’, schaterde het paar tweestemmig.
Het hoongelach
galmde na in het nagenoeg lege schoolgebouw, terwijl Thea het schofterige
tweetal en Het Kleurenpalet in tranen van vernedering ontvluchtte. De dag
daarop botste ze tijdens het naar de klas brengen van Sabine expres tegen het
tengere lijfje van directrice Sarah op die zoals gewoonlijk op wacht stond
bovenin het gangpad van het trappengat:
‘Je zou mijn
telefoonnummer toch doorgeven aan meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’ siste Thea
vijandig.
‘Hebben ze nog
geen contact met je opgenomen dan?’, stamelde Sarah betrapt.
‘Je bouwt je
integratiebrug voortaan maar in je eentje,’ decideerde Thea woest.
Vervolgens
passeerde ze de directrice in een zodanige razernij dat ze pijnlijk hard met
haar schouder tegen de bovenarm van Sarah aan knalde. Het was het laatste
contact tussen Thea en directrice Sarah.
Het rinkelen
van de huistelefoon rukte Thea uit een powernap die haar had overvallen nadat
ze – zo goed, zo kwaad als mogelijk - bekomen was van de meest recente,
beslissende interventie van Merel het peuterhoofd. Thea nam de hoorn van de
haak achter een gordijn van sigarettenrook.
‘Dag Thea; je
spreekt met Peter Langveld. Ik ben directeur van De Wielewaal.’
‘Ja, dat weet
ik’, gaapte Thea.
‘Ik ben
zojuist gebeld door mevrouw Merel van Vreugdekom in verband met Walter?’
Thea schraapte
haar keel en kraste:
‘Merel heeft
dingen over Walter gezegd die niet kloppen.’
‘Dat heb ik
begrepen’, zei Peter.
Hij klonk
neutraal, waardoor Thea direct de neiging voelde om zich te moeten verdedigen.
‘Ze heeft met
Jade gepraat. Merel heeft gezegd dat mijn Walter autistisch is en dat hij veel
meer ondersteuning nodig heeft dan wij, de ouders, hem willen geven. Maar hij
is niet autistisch. Echt niet.’
‘Je weet dat
Merel strafbaar bezig is geweest?’
Thea was onder
de indruk van de formele opstelling van Peter. En zo helemaal niet onderdanig.
Thea smeerde haar keel door een vergeten bodempje rode wijn uit een verdwaald
wijnglas op de salontafel achterover te slaan.
‘Jade ook!’
Er viel een
stilte die Thea na een seconde of 4 maar besloot op te vullen om verdere
complicaties te voorkomen:
‘Maar ik heb
een klacht tegen Merel ingediend bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en de
begeleiding van Walter op de peuterspeelzaal zal voor de resterende acht weken
verder volledig aan juffrouw Maaike worden over gelaten.’
‘En daar heb
jij vrede mee?’, vroeg Peter monter.
‘Ach, wat heet
vrede; over acht weken is het zomervakantie en dan wordt Walter 4 jaar.’
‘En dan komt
hij na de zomervakantie gewoon naar De Wielewaal samen met zijn zusje Sabine,
heb ik begrepen van Jade’, besloot Peter de directeur alsof de hele ommezwaai
van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal een fluitje van een cent was geweest.
Directrice
Sarah van Het Kleurenpalet herhaalde haar verzoek:
‘Ga nog even
zitten Thea.’
‘Waarom?’
‘Ik wil je nog
wat vragen en draai er anders een sigaretje bij als je daar gelukkig van
wordt.’
‘Mag ik hem
ook aansteken?’, ginnegapte Thea.
De vijandige
lucht klaarde wat op. Net als de gezichtsuitdrukking van directrice Sarah. Ze
herademde opgelucht.
‘Zoals ik al
aangaf; Bart en jij verrichten pionierswerk hier in de wijk. Daar hebben wij
respect voor.’
‘Heb je ook
een asbak?’
Thea bleef
zich op het kneden van haar shaggie richten en maakte bewust geen oogcontact
met directrice Sarah. Als directrice Sarah namelijk oprecht zoveel waardering
voor een stel witte ouders op een overwegend zwarte school zou hebben als ze
beweerde; waarom werd dezelfde gerespecteerde pioniersmoeder dan straal
genegeerd op de ochtenden waarop Thea in een langzame stoet van veelal ongelijk
gestemde ouders haar dochter Sabine naar het lokaal van groep 1 en juffrouw
Dirkje bracht? Thea had directrice Sarah al ontelbare keren goedemorgen gewenst
zonder tegengroet. Respect moet wel van twee kanten komen. Thea zag Sarah wel
staan. Zoals de directrice van Het Kleurenpalet elke werkdag van de week boven
de meute herrees. Alsof ze op wacht stond in haar kreukelvrije mantelpakje. Een
zilverkleurig ensemble afgemaakt met een verblindend witte blouse waarvan de
knoopjes elk moment onder de spanning leken te kunnen bezwijken en dat bijna
naadloos leek over te gaan in haar tijdloze kapsel met de opgestoken pieken in
wel vijftig tinten grijs. Elke ochtend van alle schooldagen weer blokkeerde
directrice Sarah wijdbeens in haar collegeschoenen de doorgang op de brede trap
naar de eerste verdieping, Geen leerling, begeleidende ouder of
verzorger passeerde directrice Sarah zonder zwijgend gezien te worden. Met haar
armen ineen geslagen voor haar c-cups inspecteerde ze de stroom mensen die op
haar af kwam met een imponerende, verheven blik achter een strenge bril die de
helft van haar snuitje bedekte met een zwaar, donker montuur. Wat was de
bedoeling van deze façade? Geen mens was onder de indruk van de pose van
directrice Sarah. Na herhaaldelijke confrontaties met het beeld dat de
directrice van zichzelf op het Kleurenpalet hooghield begon Thea zich dan ook
serieus af te vragen of Sarah nooit de moeite genomen had om eens stiekem op
een pornosite te gluren. Al was het alleen maar uit nieuwsgierigheid. Ze zou
zichzelf herkennen in het archetype van de seksgodin. Dat kon nooit haar
bedoeling zijn. Geschokt zou ze zich zo snel mogelijk in een wat meer gangbaar
ensemble hullen. Een make-over. Een roze bril. Een kostuum met een
krijtstreepje bijvoorbeeld. Sneakers eronder. Een opgeknipt kort kapsel met
kastanje rode kleuring. Niks meer aan doen.
‘Er heeft zich
alweer een hoogopgeleid stel gemeld dat bereid is om hun kinderen eventueel op
Het Kleurenpalet in te schrijven’, verzuchtte Sarah gelukzalig.
Van het ene op
het andere moment was ze in een dweperig soort extase geschoten. Haar
ademhaling trilde van opwinding, terwijl ze een geboetseerde asbak, in allerlei
overgelopen waterverfkleurtjes, van de vensterbank naar het bureau verplaatste.
Thea inhaleerde diep van haar sigaret. Ze gunde het teer, de nicotine en andere
chemische troep de tijd om haar bloedstroom te infiltreren alvorens ze de rook
tegelijkertijd met haar repliek uitblies.
‘Hebben ze
zich ook voorgesteld als meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’
‘Een
hbo-opleiding is heel hoog’, wist Sarah frikkerig.
‘Bart en ik
zijn bij mijn weten het enige erkende hoogopgeleide stel in deze wijk’, spotte
Thea die van sommige ouders wist dat ze in hun thuisland een universitaire
opleiding hadden genoten.
‘Dit stel
woont ook niet in deze wijk’, antwoordde Sarah onnozel.
‘Ze hebben een
huis gekocht aan de rand van de wijk in de Overgangsstraat en kunnen in wezen
vrij kiezen tussen De Wielewaal en Het Kleurenpalet. Ze kwamen zich vanochtend
oriënteren net als jij een paar maanden terug.’
Thea viel
Sarah in de rede:
‘En nou wil
jij van mij weten wat mij over de streep heeft getrokken; zodat je die ouders
ook kunt overtuigen om met hun kinderen de oversteek naar Het
Kleurenpalet te maken?’
‘Nou ze hadden
in principe best zin om samen met andere ouders een integratiebrug op Het
Kleurenpalet te bouwen.’
‘Maar…?’
‘Dat kunnen ze
niet alleen natuurlijk’.
Thea
onderdrukte een cynisch hikgeluid.
‘Nee, ik ook
niet.’
Sarah was te
ver heen in haar euforie over de potentie van weer een eventuele nieuwe
aanwinst voor Het Kleurenpalet en daarmee voor haar reputatie als witte
weldoenster, om het sarcasme van Thea tot zich door te laten dringen:
‘Mag ik jouw
telefoonnummer doorgeven?’
Hoe kon Thea
anderen wegwijs maken als ze zelf volledig vastliep? Dat was juist de reden
waarom ze hier, tegen beter weten in, weer met Sarah aan tafel geschoven was.
‘Dat mag
altijd, maar wat wil je dat ik zeg?’
‘De waarheid.’
Achteraf
beschouwd was het misschien maar goed ook dat Thea in de weken die volgden niet
telefonisch geraadpleegd werd door een hoogopgeleid stel met geveinsde
interesse in het Kleurenpalet voor hun witte, bevoorrechte kinderen. Wist Thea
veel! Met het verstrijken van het eerste basisschooljaar van Sabine werd haar
vervreemding met het wel en wee op Het Kleurenpalet zo onoverbrugbaar dat ze
uiteindelijk niet eens meer een comfortzone had om in terug te kruipen. Zo
raakte ze bijvoorbeeld uit het veld geslagen door de reactie van een
tattoolijer van een vader op het schoolplein. Hij wachtte zijn vijfjarige
dochter Kimberly op met een peuk in zijn muil en een aangelijnde pitbull aan
zijn zijde. Hij had al een keer zijn neus opgehaald en een fluim opgehoest slijm
pal naast de schoenen van Thea doen landen. Hij stond geen moment stil, maar
hinkte zenuwachtig van het linker op het rechter been alsof hij zijn spieren
aan het opwarmen was. Hij verspreidde een alcoholwalm doordrenkt van nicotine
vermengd met een loodzwaar meurend mannenparfum. Thea was blij dat ze juffrouw
Dirkje uit het schoolgebouw van Het Kleurenpalet zag komen; gevolgd door een
optocht van duokleutertjes die hand in hand in de richting van de naschoolse
opvang liepen. Bij de rode lijn blokkeerde juffrouw Dirkje wijdbeens de
doorgang en stopte de stoet met een handgebaar in de lucht. Het tweetal voorin
de rij stond zo abrupt stil dat ze een achter zich een kettingbotsing
veroorzaakten. Juffrouw Dirkje wachtte kalm tot de boel bedaard was. Daarna gaf
ze het startteken. Sabine kwam naast Kimberly op Thea afrennen. Ze nam pas op
plaats voor de Pitbull die de iele Kimberly bijna omver sprong.
‘Mag ik hem
ook aaien?’, vroeg Sabine onbevangen aan Kimberly die zich vrijmoedig door de
hond liet overweldigen.
De vader rukte
tevergeefs aan de hondenriem.
‘Aai hem
maar’, moedigde Thea haar dochter aan.
De Pitbull was
alweer tot rust gekomen en liet zich over zijn hele lijf betasten door vier
begerige handjes. De vader bleef stug voor zich uitkijken, maar gromde dreigend
binnensmonds richting Sabine:
‘Kijk maar
uit; direct vat ie oe.’
‘Wat is vat ie
oe?’, vroeg Sabine aangeslagen en niet begrijpend nog vlak voordat Thea haar
kleine meisje haastig in veiligheid bracht door haar op te tillen en dicht
tegen zich aan te drukken.
‘Dat versta
jij niet kind, dat is Neanderthaal’, riep ze verontwaardigd tegen dovemans oren
en met haar hart in haar keel.
Juffrouw
Dirkje stond vlak bij. Ze kneep Sabine in de wang en zei op die relativerende
toon van haar:
‘Weet je wat
‘vat ie oe’ betekent Sabine? Het betekent; ‘direct grijpt hij je’. Maar dat
gebeurt niet. Daar is Rocky veel te lief voor. Toch Kimberly?’
‘Huh?’
Kimberly was
alweer afgeleid. Juffrouw Dirkje voorkwam dat ze ertussenuit zou knijpen door
haar voor de grap in de houtgreep te nemen en sprak vervolgens in één adem de
vader van Kimberly berispend toe:
‘Ga nou eens
gewoon met die Pitbull van het schoolplein af Mario. En roken doen je ook maar
buiten het hek.’
‘Ja, ja’,
mompelde Mario schuldbewust.
Dit soort
voorvalletjes was dagelijkse kost op Het Kleurenpalet. De hoge frequentie ervan
in combinatie met de indolente meegaandheid van de zwijgende meerderheid maakte
dat Thea zich in het begin nog geroepen voelde om te solliciteren naar een
vacante plaats voor een vertegenwoordig(st)er van de ouders van de kinderen van
Het Kleurenpalet in de medezeggenschapsraad. Tot grote vreugde van juffrouw
Dirkje die het ingevulde inschrijvingsformulier gretig van Thea aannam en haar
vol vertrouwen en goede moed naar de verantwoordelijke leerkracht doorverwees.
De aangewezen tussenpersoon voor doorstroming naar de medezeggenschapsraad was
die andere kleuterjuf - Petra - die Thea al had mogen ontmoeten tijdens het
kennismakingsbezoek dat georganiseerd was door de leiding van De Kleine Beer.
Walter was toen nog zo goed als voorbestemd om na zijn vierde verjaardag een
kleutertje in groep 1 van juffrouw Petra op Het Kleurenpalet te worden, want
juffrouw Dirkje was al bezet door Sabine. En Walter was er bijna, maar nog niet
helemaal, want Thea twijfelde. Net als juffrouw Petra die - in tegenstelling
tot Thea - niet eens het fatsoen op kon brengen om haar achterdocht jegens een
atypisch medemens onder stoelen of banken te steken. Ze richtte haar volle
aandacht liever op een prototype in de vorm van een tweede moeder die, naar het
zich liet aanzien, ook interesse in de vacature voor de medezeggenschapsraad
had getoond. Thea’s concurrente was een uitgedijde versie van een verpieterd
dom blondje met grijze uitgroei in de scheiding van haar coupe soleil. Terwijl
ze in de deuropening van het kleuterlokaal met juffrouw Petra in een innig
gesprek verwikkeld was, keek ze heersend om zich heen alsof een onbetaalde
functie in de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet haar lotsbestemming
was. Zo nu en dan probeerde ze Thea onopgemerkt te monsteren vanuit haar
ooghoeken. Thea stond op een afstand op een reactie van juffrouw Petra te
wachten en vergaapte zich van haar kant aan de onthullende leggings in
knalroze, hoerige lakkaplaarzen en een kalfslederen paarse parka met bontkraag
waarin de concurrentie zich uitgedost had.
‘Aan dat
portret krijg ik nog een zware dobber’, dacht Thea , omdat ze er logischerwijs
vanuit ging dat de vacature bij de medezeggenschapsraad nu als vanzelfsprekend
door twee vrijwilligsters vervuld zou
worden.
Ze zou dus
moeten samenwerken. Toen ze na tien minuten nog steeds onzichtbaar leek voor de
twee dikke vriendinnen die nog altijd geanimeerd in conclaaf met elkaar waren,
besloot Thea in te grijpen:
‘Ik kom voor
de vacature bij de medezeggenschapsraad’, aarzelde Thea, terwijl ze stapvoets
dichterbij kwam.
‘Ze komt voor
de vacature bij de medezeggenschapsraad’, echode het portret in hoog Nederlands
richting juffrouw Petra die zich stond te verbijten, maar quasi vermanend
proestte:
‘Ingrid!’
Zoals een baas
haar grommende hond voor de postbode in het gareel houdt.
‘Ik kom ook
voor de medezeggenschapsraad!’ blafte de hond, die kennelijk naar de
naam ‘Ingrid’ luisterde, dreigend.
Met een
tergende blik zocht Ingrid oogcontact met Thea die haar aandachttrekkerij
ontweek door vragend naar juffrouw Petra te staren. Thea was er de persoon niet
naar om medeplichtigen ongemoeid te laten. Onverschrokken plaatste
Thea haar handen in de zij en zakte door één heup.
‘Dus?’
‘Zeg maar nee,
want dan krijg je er geen 2’, mompelde Ingrid binnensmonds, maar goed
verstaanbaar.
‘Een
sollicitatieprocedure’, opperde juffrouw Petra lacherig.
‘Laat maar.’
Gedesillusioneerd
keerde Thea het tweetal de rug toe. Ze had geen zin om zich te begeven in de
arena van overbekende, primitieve machtspelletjes tussen ‘sterke’ wijven of
zogenaamde ‘alfavrouwtjes’. Thea wist dat ze moeiteloos kon winnen door zich
voor het oog te conformeren aan de regels van het moment en door op de lange
termijn haar zin door te drijven met manipuleren. Ze kon er eenvoudigweg de
energie niet voor opbrengen met twee kleutertjes in haar kielzog, een voltijds
huishouden, een webwinkel in retrospullen en Huiswerksterk.
‘Gewoon even
checken wie het beste geschikt is!’, riep juffrouw Petra haar pesterig na.
Thea draaide
zich een halve slag om op haar as:
‘Ik ga onderga
echt geen sollicitatieprocedure voor een vrijwilligersfunctie.’
‘Bang dat je
verliest; zeikwijf?’, tartte Ingrid.
‘Ik weet wel
zeker dat ik verlies’, smaalde Thea.
‘Jullie kunnen
ook proberen om er samen uit te komen’, fleemde juffrouw Petra.
Haar
plotselinge inschikkelijkheid vloeide waarschijnlijk niet zozeer voort uit een
vertraagd inzicht in ernst van haar partijdigheid, maar eerder uit angst voor
represailles.
‘Dat had
gekund, maar niet met miss Piggy daar’, zei Thea met een hoofdbeweging richting
Ingrid.
‘Duhuh, stomme
kut!’, schold Ingrid.
Een zwaktebod.
Ingrid had niet met de assertiviteit van Thea gerekend. Juffrouw Petra voorkwam
een voortzetting van de scheldpartij, al dan niet expres, door alleen Ingrid
luidkeels te verwelkomen als nieuw lid van de medezeggenschapsraad van Het
Kleurenpalet.
‘Nou dat is
dan geregeld; welkom Ingrid’, riep ze door de gangen van Het Kleurenpalet.
Overduidelijk
opgelucht dat Thea uitgerangeerd was. Kleuterjuf Petra zat niet te wachten op
de bemoeienis van een nuffige mevrouw in de medezeggenschapsraad van Het
Kleurenpalet die zich te goed voelde voor een sollicitatiegesprek. Thea op haar
beurt zou wel gek zijn als ze haar zoontje Walter in de toekomst zou
overleveren aan deze kleuterleidster uit de hel.
‘Je denkt toch
niet serieus dat ik mijn zoon bij zo’n dragonder in de klas laat zetten!’, liet
Thea tijdens haar afgang het innige tweetal dan ook nog wel even over haar
schouder weten.
Ze besefte te
laat dat ze zich volslagen belachelijk maakte met haar geëvolueerde
taalgebruik.
‘Wat? Wie z’n
moeder?!’, schaterde het paar tweestemmig.
Het hoongelach
galmde na in het nagenoeg lege schoolgebouw, terwijl Thea het schofterige
tweetal en Het Kleurenpalet in tranen van vernedering ontvluchtte. De dag
daarop botste ze tijdens het naar de klas brengen van Sabine expres tegen het
tengere lijfje van directrice Sarah op die zoals gewoonlijk op wacht stond
bovenin het gangpad van het trappengat:
‘Je zou mijn
telefoonnummer toch doorgeven aan meneer en mevrouw Hoogopgeleid?’ siste Thea
vijandig.
‘Hebben ze nog
geen contact met je opgenomen dan?’, stamelde Sarah betrapt.
‘Je bouwt je
integratiebrug voortaan maar in je eentje,’ decideerde Thea woest.
Vervolgens
passeerde ze de directrice in een zodanige razernij dat ze pijnlijk hard met
haar schouder tegen de bovenarm van Sarah aan knalde. Het was het laatste
contact tussen Thea en directrice Sarah.
Het rinkelen
van de huistelefoon rukte Thea uit een powernap die haar had overvallen nadat
ze – zo goed, zo kwaad als mogelijk - bekomen was van de meest recente,
beslissende interventie van Merel het peuterhoofd. Thea nam de hoorn van de
haak achter een gordijn van sigarettenrook.
‘Dag Thea; je
spreekt met Peter Langveld. Ik ben directeur van De Wielewaal.’
‘Ja, dat weet
ik’, gaapte Thea.
‘Ik ben
zojuist gebeld door mevrouw Merel van Vreugdekom in verband met Walter?’
Thea schraapte
haar keel en kraste:
‘Merel heeft
dingen over Walter gezegd die niet kloppen.’
‘Dat heb ik
begrepen’, zei Peter.
Hij klonk
neutraal, waardoor Thea direct de neiging voelde om zich te moeten verdedigen.
‘Ze heeft met
Jade gepraat. Merel heeft gezegd dat mijn Walter autistisch is en dat hij veel
meer ondersteuning nodig heeft dan wij, de ouders, hem willen geven. Maar hij
is niet autistisch. Echt niet.’
‘Je weet dat
Merel strafbaar bezig is geweest?’
Thea was onder
de indruk van de formele opstelling van Peter. En zo helemaal niet onderdanig.
Thea smeerde haar keel door een vergeten bodempje rode wijn uit een verdwaald
wijnglas op de salontafel achterover te slaan.
‘Jade ook!’
Er viel een
stilte die Thea na een seconde of 4 maar besloot op te vullen om verdere
complicaties te voorkomen:
‘Maar ik heb
een klacht tegen Merel ingediend bij het hoofdkantoor van De Kleine Beer en de
begeleiding van Walter op de peuterspeelzaal zal voor de resterende acht weken
verder volledig aan juffrouw Maaike worden over gelaten.’
‘En daar heb
jij vrede mee?’, vroeg Peter monter.
‘Ach, wat heet
vrede; over acht weken is het zomervakantie en dan wordt Walter 4 jaar.’
‘En dan komt
hij na de zomervakantie gewoon naar De Wielewaal samen met zijn zusje Sabine,
heb ik begrepen van Jade’, besloot Peter de directeur alsof de hele ommezwaai
van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal een fluitje van een cent was geweest.
HOOFDSTUK 7
Vlak nadat
Bart en de kinderen de hielen gelicht hebben verschijnt Melvin, zoals wel
vaker, ook op de ochtend na de ouderavond in de keuken. Heel toevallig ziet
Thea echter voor het eerst in al die tijd dat Melvin het gangetje naast het
huis van de overbuurman verlaat, voordat hij de straat oversteekt en even uit
het zicht verdwijnt om vervolgens in haar huis op te duiken. Doorgaans heeft
Thea geen oog voor het huis van de overbuurman. Laat staan voor zijn achterom.
Ze kijkt normaliter alleen door de huiskamer- en keukenramen om de tijd te
doden als ze de plantjes op de vensterbank water geeft. Maar vandaag staat Thea
op de uitkijk omdat nog geen minuut geleden een politiewagen met piepende
banden pal voor haar voordeur parkeerde. Thea kreeg een jachtig visioen van één
of meer verongelukte gezinsleden en nog net geen hartverzakking, want nadat de
geüniformeerde mannen pontificaal waren uitgestapt en zich terloops
profileerden door gezaghebbend de open lucht te inhaleren, begaven zij zich
beiden linea recta naar het huis van de overbuurman die de agenten te slim af
was. Nog voordat één van de gezagdragers op de bel had kunnen drukken,
verscheen de overbuurman breed lachend in zijn voordeuropening en verwelkomde
de politie in zijn huis met een diepe buiging en een weidse armzwaai.
In de keuken
maakt Melvin plaats voor zijn pukkel op de tafel door de ontbijtboel naar
achteren te schuiven. Gewoonlijk laat hij tijdens zijn
bliksembezoeken zijn schooltas achteloos ergens neervallen. Hij is bezweet en
bij binnenkomst in de ruimte raakt Thea bijna bedwelmd door zijn penetrante
transpiratiegeur.
‘Ik ga
douchen’, deelt hij mee.
‘Ik dacht het
niet’, reageert Thea verongelijkt.
Pim, de vader
van Melvin, heeft haar gisteren aan het denken gezet over de talloze
aanloopjes van haar oppaskind waarin ze vanaf vandaag haar Betuwe Flipje niet
meer herkent.
‘Moet jij niet
naar school?’
‘Eerste uur
uitval.’
Ontnuchterd
zakt Melvin op een keukenstoel. Met een gebruikt en beboterd mes van de
ontbijttafel roert hij in de inhoud van een pot pindakaas. Daarna strijkt hij
de smeuïge pindakaasmassa langzaam over zijn uitgestoken, slappe toon. De
hardnekkige, kleverige restjes reinigt hij door het mes zorgvuldig en
toegespitst te tongen met een scheef gehouden hoofd, alsof hij het koekje van
een smeltend softijsje aan het aflikken is.
‘Ik heb
gisterenavond je vader gesproken.’
Met één hand
schenkt Thea koffie voor zichzelf in, terwijl ze tegelijkertijd met haar andere
hand een kartonnen melkpak uit de handen van Melvin grist.
‘Ik wil niet
dat je aan dat pak lurkt; je kunt een beker gevuld met melk krijgen.’
‘Zeg, wat is
er met jou aan de hand?’, roept Melvin verontwaardigd.
‘Ik ben je
moeder niet.’
‘Nee, gelukkig
niet?’
‘Wat doe je
hier dan nog; waarom ga je niet lekker naar je moeder?’
‘Mijn moeder
woont in Engeland.’
‘Wat is er mis
met England?’
Thea leunt
ruggelings tegen het aanrecht en roert verwoed in haar koffie.
‘Haar vriend;
dat is wat er mis is met Engeland’, antwoordt Melvin onweerlegbaar.
Het ontvreemde
pak melk vindt hij terug tussen het brood en hagelslag en zet het alsnog aan
zijn lippen. Hij boert als hij klaar is.
‘Grote
jongen’, badineert Thea:
‘Wat deed jij
trouwens bij de overbuurman?’
‘Zo meteen
roer je een gat in de bodem van je mok’, grapt Melvin ontwijkend.
‘Ik dacht
trouwens dat jij je koffie zwart dronk; zonder suiker?’
‘Ik dacht dat
jij op het stedelijk gymnasium zat?’
Thea gooit het
lepeltje in de gootsteen. Dat zinloze geroer zal wel een vers zenuwtrekje van
haar zijn.
‘Mag ik
alstublieft douchen?’, bidt Melvin, terwijl hij zijn handen vouwt en haar snel
knipperend probeert te vermurwen.
Thea slaakt
een diepe zucht:
‘Waarom ga je
niet gewoon thuis bij Femke douchen of op de sportschool?’
‘Ik vond je
gisteren leuker’, haalt de postpuber Melvin ineens uit.
‘Je vader wil
dat ik je huiswerkbegeleiding geef. Zoals je weet doe ik dat aan huis. Ik kan
niet al mijn bijlesleerlingen een douchebeurt aanbieden.’
‘Waarom heb je
er dan nooit eerder een probleem van gemaakt?’, wil Melvin – terecht – weten
‘Omdat ik je
vader gisterenavond gesproken heb’, bekent Thea nogmaals.
‘Daarvoor heb
ik nooit zo diep over jou en je zus Jasmijn nagedacht. Jullie waren gewoon mijn
oppaskinderen, maar Jasmijn is al 22 en jij bent 17. Bovendien hebben jullie
ieder twee vaders en moeders. Waarom zou je dan uitgerekend bij mij douchen.’
Melvin kijkt
beteuterd:
‘Wist jij dat
de vriend van mama de ex van Jasmijn is?’
‘Valt Jasmijn
op oudere mannen dan?’, vraagt Thea zonder het antwoord te willen weten.
‘Jij bent zo
normaal Thea’, verzucht Melvin uit de grond van zijn hart.
Thea weet niet
of ze zich nou gestreeld moet voelen of niet.
‘Dank je, denk
ik.’
‘Mijn
stiefvader is 24 jaar en mijn stiefmoeder is 50. Snap je nou waarom ik van het
stedelijk gymnasium getrapt ben?’
‘Nee, maar
loop even mee naar de huiskamer en mijn laptop dan plan ik je in voor
huiswerkbegeleiding.’
De ervaring
leert Thea dat het wel zal loslopen met de slechte schoolprestaties van Melvin.
Hij is geen hoogvlieger, maar laat zich makkelijk sturen. Hoe anders dan haar
eigen vlees en bloed dat ze niet eens de tafeltjes aan het verstand kan
brengen. Vanaf de luiertraining wordt er door veel ouders dagelijks al wat
afgetobd met het huiswerk van hun bloedeigen studiebolletjes, maar Thea verkoos
een ongedwongen thuissituatie boven schoolse zaken. Juist omdat ze zoveel
weerstand van haar kinderen tegen haar moederlijke bemoeienis met de toegepaste
lesmethodiek van de leerkrachten op De Wielewaal ondervond. Dankzij de eerdere
huiswerkbegeleiding van Jasmijn en Melvin was Thea heus wel vertrouwd met de
leerstof op de basisschool, maar uit machteloosheid gokte ze voor haar eigen
kinderen op de didactisch kwaliteiten van de meesters en juffen met hun
spreekwoordelijke vreemde ogen die dwingen. Ze kwam bedrogen uit met haar twee
kinderen in de gemedicaliseerde hokjeswereld van basisschool De Wielewaal. In
de onderbouw leek de ontwikkeling van Sabine nog wel probleemloos
haar gangetje te gaan. Dat had alles te maken met de karakteristieke behoefte
van Sabine om het zichzelf overal en altijd zo makkelijk mogelijk te maken.
Anders dan Walter had Sabine zo klein als ze was al heel snel in de smiezen dat
ze zich op De Wielewaal maar het beste in de groep gedeisd kon houden op
cruciale momenten. Walter niet. Walter struikelde in het eerste semester van
groep 3 als een olifant in de porseleinkast faliekant over een vervanger van
zijn eigenlijke juf. Juf was al twee weken na de zomervakantie overspannen.
Meester Gijsbert kwam voor juf in de plaats. Hij was zo’n fijne vent. Zo’n
ongetrouwde, veertigplusser op sneakers, met vettige pieken tot over zijn oren
en een T-shirt van Amnesty International zodat hij bijna niet anders kon dan
bij iedereen in de smaak vallen. De meeste ouders vonden meester Gijsbert dan
ook vanzelfsprekend een toffe peer. Daar kwamen ze luidruchtig en openlijk voor
uit op de speelplaats en in de gangen van de school tijdens het escorteren van
hun smurfjes naar de aangewezen lokalen van De Wielewaal. Meestal spraken zij
ook meteen hulde over meester Gijsbert namens hun kinderen die persoonlijk geen
zeggenschap hadden en/of kregen. Meester Gijsbert liet het dagelijkse eerbetoon
als vanzelfsprekend over zich heenkomen en na een korte acclimatiseringsperiode
speelde er zelfs chronisch een pedant glimlachje om zijn lippen. Desondanks
bleven zowel Thea als haar zoon, los van elkaar en buiten de gangbare waarden
en normen, in eerste instantie neutraal ten opzichte van het optreden van
meester Gijsbert in groep 3 in het algemeen en ten opzichte van Walter in het
bijzonder. Walter vond schrijven en rekenen makkelijk en naar eigen zeggen was
hij de beste van de klas. Thea besloot het eerste rapport af te wachten
alvorens ze deze stellige zelfkennis van haar lievelingszoon bij meester
Gijsbert zou verifiëren. Zo heel erg zou Walter zichzelf toch niet
overschatten, want hij had zich in zijn voorafgaande, twee kleuterjaren op De
Wielewaal immers al als een pienter mannetje bewezen bij juffrouw Elsje.
Kleuterjuffrouw
Elsje van De Wielewaal was een vrouw van halverwege de vijftig die al meer dan
dertig jaar voor de allerkleinste leerplichtigen stond. Ze wist Walter te
kalmeren. Ze nam hem nooit tegen zijn zin op schoot, dwong hem niet om naar
haar te luisteren en verhief nimmer haar stem. Ze was ook elke dag dezelfde
kleine, juffrouw Elsje en veranderde niet van stemming bij elke keer
dat ze een beer op haar weg tegen kwam zoals Merel het peuterhoofd. Ze deed
Thea voortdurend aan kabouter Kwebbel uit Plopsaland denken. De fysiotherapeut,
die Thea op aanraden van Elsje met Walter bezocht, zei eens tijdens een
consult:
‘Elsje is de
beste die je voor je kleuter kunt hebben.’
‘Dan ken je
juffrouw Dirkje van Het Kleurenpalet zeker niet’, protesteerde Thea uit
loyaliteit met haar wijkbewoners, hoewel ze ergens wist dat de fysiotherapeut
wel gelijk had. Wat het begeleiden van kleuters betreft won Elsje heel
misschien, niet onbetwistbaar nipt van Dirkje. Wat de interactie met ouders
en/of verzorgers aanging kon Elsje echter nog wat van de straatwijsheid van
Dirkje leren. Elsje liet zich permanent beïnvloeden door de sjiek op De
Wielewaal. In het bijzijn van de ouders werd de oogst van de uiterlijke schijn
bejubeld. Achter gesloten deuren bleek Elsje gelukkig heel neutraal. De
maatschappelijke ladder kon haar in wezen gestolen worden, maar tegen poenige
opdringerigheid was Elsje niet bestand. Zo had ze ook geen verweer tegen Jade –
de interne coördinatrice - die het op Walter voorzien had na het incident met
Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer. Alsof Jade aan de directeur Peter
wilde bewijzen dat Merel het peuterhoofd en zij toch gelijk hadden gekregen met
hun illegale, telefonische onderonsje over Walter. Kennelijk wilde ze koste wat
het kost haar reputatie zuiveren door hard te maken dat Walter een
spraakmakend, ongewoon jongetje was en wel degelijk een autist. Of wat dan ook.
Walter was volgens Jade gewoon ‘iets’ waaraan ongetwijfeld een medische oorzaak
ten grondslag te verzinnen zou zijn. Wist Jade veel; zij was geen arts. In
ieder geval moest luid en duidelijk geopenbaard worden dat Jade – de interne
coördinatrice - naar eer en geweten gehandeld had door een vierjarig kind - buiten
medeweten van de ouders – in telefonisch overleg met een
geestverwant te becommentariëren en te veroordelen. Ze was nooit nieuwsgierig
geweest; roddelzuchtig of sensatiebelust. Hoe durfde Peter, de directeur van De
Wielewaal, partij te trekken voor de ouders van Walter door ze serieus te nemen
over haar?! Wie waren Bart en Thea nou helemaal anders dan een onbenullig stel
uit een achterstandswijk?
Maar al vrij
snel na de komst van Sabine en Walter ging de schoolcarrière van wie dan ook op
De Wielewaal nauwelijks tot niet meer aan het hart van directeur Peter. Na
zeven, vette jaren trouwe dienst werd hij gepromoveerd naar een basisschool met
wel 2000 kinderen. Dat was nog eens wat anders dan de luttele 188 leerlingen op
De Wielewaal. Thea voelde zich bijna persoonlijk aangevallen. In de loop van de
twee jaar dat haar spruiten inmiddels De Wielewaal bezochten was Thea lid
geworden van de ouderraad met de bedoeling om pijnlijke situaties zoals de
platte ruzie om de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet voor zichzelf in
de toekomst te voorkomen. Na een half jaar begon Thea zich echter serieus af te
vragen wat erger was; het ‘oog om oog, tand om tand’ principe van Het
Kleurenpalet of de ‘dolksteek in de rug’ mentaliteit van De Wielewaal. De 6
vergaderingen van de ouderraad in het schooljaar waren stuk voor stuk
krachtmetingen tussen getapte ouders. Thea was eigenlijk het enige lid dat
gewoon was aan komen waaien, omdat in de Nieuwsbrief had gestaan dat iedere
ouder welkom was bij de ouderraad. Wist Thea veel dat de inhoud van de
Nieuwbrief niet serieus genomen diende te worden volgens de rest van de ouders
die elkaar al langer kenden dan vandaag van ons kent ons uit de wijk en van
peuterspeelzaal ‘Het Grote Begin’ die bij De Wielewaal en de buurt hoorde. Een
groot begin klinkt heel wat ambitieuzer dan De Kleine Beer.
Er werd veel
gemaakt gelachen tijdens de vergaderingen van de ouderraad. De dames wierpen
alsmaar gierend het hoofd in de nek en de heren sloegen zich continueel
knorrend op de knieën. Thea was wel blij dat ze vrijuit en probleemloos
Nederlands kon praten. Op Het Kleurenpalet was de taalbarrière een algemeen
gedeeld probleem geweest. Wel jammer dat iedereen de overstap van Thea van De
Wielewaal naar Het Kleurenpalet wantrouwde. Haar motieven werden naar harte
lust ingevuld door buitenshuis werkende moeders die zienderogen minder te
besteden hadden dan Bart en Thea, maar die zich in hun versleten haute couture
kennelijk toch verheven voelden boven het restant van de mensheid en dus zeker
boven een moederkloek als Thea. Ze was niet onder de indruk. Ook niet van de
eigentijdse papa’s met hun gecultiveerde baardgroei en hun bejubelde,
geslachtsloze voorliefde voor geëmancipeerde mensen. Na een korte
snuffelperiode liet iedereen Thea gewoon links liggen tijdens de bijeenkomsten
waar niets anders dan dezelfde kwesties uitentreuren frequenteerden. Te weten;
overblijfperikelen, de aanschaf van een mega kerstboom of toch liever weer
Glühwein dit jaar, de vrijwillige ouderbijdrage oftewel hoe kunnen we
wanbetalers dwingen, het schoolreisje en hoe schuif ik mijn eigen kind (eren)
zo onopvallend mogelijk in een zo gunstig mogelijk licht. Gelukkig was
directeur Peter bestendig aanwezig. Hij wist met zijn lankmoedigheid de
bijeenkomsten naar een hebbelijk niveau te verheffen, maar hij koos geen
partij. Hij woei met alle winden mee, precies zoals Thea bij hun allereerste
ontmoeting al voorzien had, maar ze voelde intuïtief aan dat haar uitgesproken
aanwezigheid in de ouderraad op één of andere manier een luis in de pels van
Peter was. Haar uitgewerkte idee om onder begeleiding van de ouders
voorleessessies door en voor kinderen in de verschillende groepen te
organiseren werd genegeerd. Ook door Peter, terwijl hij aanvankelijk wel oren
zei te hebben naar een interne, kosteloze leesclub voor de kinderen. Ten langen
leste liet de ouderraad onder leiding van Peter toch liever unaniem – met
uitzondering van Thea dus - een kinderboekenschrijver een middag
signeren in en voorlezen uit eigen werk op school tegen een vergoeding 500
euro. Pas toen Peter zijn overstap naar een grotere basisschool algemeen bekend
maakte, kon Thea haar vinger op de zere plek leggen. De ouderraad spaarde
liever kosten noch moeite dan de gratis ondernemingslust van Thea bij te benen
en Peter zag haar creativiteit als een bedreiging voor zijn conformisme en daarmee
voor de stijgende lijn van zijn loopbaan. Maar op persoonlijk vlak kon hij het
enthousiasme en de originele ideeën van Thea echter bijzonder waarderen.
Althans dat liet hij weten in een privé berichtje in de mail.
Beste Thea,
Blijf vooral
jouw ideeën spuien. Ik waardeer jouw enthousiasme en originaliteit.
Met
vriendelijke groet,
Peter
Langveld.
Directeur van
De Wielewaal.
Blij verrast
typte Thea een virtuele dankbrief waarin ze meteen maar haar belevenissen en
ervaringen rond de overstap van De Wielewaal naar Het Kleurenpalet samenvatte
en terloops haar lidmaatschap van de ouderraad opzei. Na anderhalf jaar
egotripjes der kouwe kak en directeur Peter met zijn dociele gelaveer tussen
twee kwaden met als sluitstuk de dumping van haar tot in de details uitgedachte
voorleesplan was Thea opeens helemaal klaar met de ouderraad. Het sop was de
kool niet waard. Thea was toen nog niet op de hoogte van directeur Peters plan
om De Wielewaal in te ruilen voor een veel grotere basisschool.
Toevallig viel
haar afscheid van de ouderraad samen met de bekendmaking van het vertrek van
Peter als directeur van De Wielewaal. Een baardman uit de ouderraad benaderde
Thea op de speelplaats;
‘Ik heb
gehoord dat je ons gaat verlaten?’
Thea was
verbaasd dat hij überhaupt scheen te weten wie zij was. De baardman kwam meteen
ter zake:
‘Heb je dat
besloten voordat je op de hoogte was van het vertrek van Peter of nadat je wist
dat Peter naar een grotere school zou gaan?’
‘Wat doet dat
er nou toe?’
‘Nee, ik ben
gewoon nieuwsgierig of je nu ook met je kinderen meegaat naar de nieuwe school
van Peter?’
De baardman
kneep zijn oogjes tot geniepige streepjes.
‘Waarom zou
ik?’
Thea zocht
tevergeefs om zich heen naar steun van de aanwezige ouders die onaangedaan en
Oost-Indisch doof ook op hun kinderen stonden te wachten.
‘Jij komt toch
van Het Kleurenpalet?’
‘Ja en?’
Baardman kromp
ietwat ineen door de defensieve reactie van Thea. Met het oog op de aanwezige
ouders herstelde hij zich manmoedig door zijn rug te rechten. Hij stond niet
alleen.
‘Jouw kinderen
zijn toch op deze school gekomen dankzij Peter?’
Thea liet de
opmerking even bezinken en schokschouderde vervolgens:
‘O, je bedoelt
net als alle andere kinderen van De Wielewaal?’
‘Wij wonen in
deze wijk. Jij niet toch?!’
‘Dat is jouw
fout’, schamperde Thea.
‘Kende jij
Peter niet ergens anders van?’
‘Volgens mij
weet jij meer dan ik’, antwoordde Thea berustend.
Baardman liet
zich niet meer van de wijs brengen.
‘Dus het is
waar?’
Hij was
serieus.
Thea tastte in
het duister en keek schichtig om zich heen. De spanning was te snijden. Ineens
viel het kwartje. Haar nervositeit maakte meteen plaats voor noodweer:
‘Ow, je vraagt
of ik hem ken van het milieu?’
‘Je woont wel
in de hoerenbuurt’, knipoogde de baardman olijk.
Thea vond het
nog nodig om hem te verbeteren ook:
‘Voormalige
hoerenbuurt.’
‘Ja, ja,’
meesmuilde de baardman.
Hij kreeg wat
lachers op zijn hand en Thea begon te stuiteren:
‘Ga bij jezelf
te rade!’, tierde ze ferm.
‘Jij bent
waarschijnlijk beter in het hoerenmilieu thuis dan ik’.
Ergens achter
op de speelplaats klonk een iel, snel wegebbend applausje. Daarna volgde een
pijnlijke stilte waarin Thea de baardman in het zicht van het compleet
bescheten canaille in z’n hemd liet staan.
Vlak nadat
Bart en de kinderen de hielen gelicht hebben verschijnt Melvin, zoals wel
vaker, ook op de ochtend na de ouderavond in de keuken. Heel toevallig ziet
Thea echter voor het eerst in al die tijd dat Melvin het gangetje naast het
huis van de overbuurman verlaat, voordat hij de straat oversteekt en even uit
het zicht verdwijnt om vervolgens in haar huis op te duiken. Doorgaans heeft
Thea geen oog voor het huis van de overbuurman. Laat staan voor zijn achterom.
Ze kijkt normaliter alleen door de huiskamer- en keukenramen om de tijd te
doden als ze de plantjes op de vensterbank water geeft. Maar vandaag staat Thea
op de uitkijk omdat nog geen minuut geleden een politiewagen met piepende
banden pal voor haar voordeur parkeerde. Thea kreeg een jachtig visioen van één
of meer verongelukte gezinsleden en nog net geen hartverzakking, want nadat de
geüniformeerde mannen pontificaal waren uitgestapt en zich terloops
profileerden door gezaghebbend de open lucht te inhaleren, begaven zij zich
beiden linea recta naar het huis van de overbuurman die de agenten te slim af
was. Nog voordat één van de gezagdragers op de bel had kunnen drukken,
verscheen de overbuurman breed lachend in zijn voordeuropening en verwelkomde
de politie in zijn huis met een diepe buiging en een weidse armzwaai.
In de keuken
maakt Melvin plaats voor zijn pukkel op de tafel door de ontbijtboel naar
achteren te schuiven. Gewoonlijk laat hij tijdens zijn
bliksembezoeken zijn schooltas achteloos ergens neervallen. Hij is bezweet en
bij binnenkomst in de ruimte raakt Thea bijna bedwelmd door zijn penetrante
transpiratiegeur.
‘Ik ga
douchen’, deelt hij mee.
‘Ik dacht het
niet’, reageert Thea verongelijkt.
Pim, de vader
van Melvin, heeft haar gisteren aan het denken gezet over de talloze
aanloopjes van haar oppaskind waarin ze vanaf vandaag haar Betuwe Flipje niet
meer herkent.
‘Moet jij niet
naar school?’
‘Eerste uur
uitval.’
Ontnuchterd
zakt Melvin op een keukenstoel. Met een gebruikt en beboterd mes van de
ontbijttafel roert hij in de inhoud van een pot pindakaas. Daarna strijkt hij
de smeuïge pindakaasmassa langzaam over zijn uitgestoken, slappe toon. De
hardnekkige, kleverige restjes reinigt hij door het mes zorgvuldig en
toegespitst te tongen met een scheef gehouden hoofd, alsof hij het koekje van
een smeltend softijsje aan het aflikken is.
‘Ik heb
gisterenavond je vader gesproken.’
Met één hand
schenkt Thea koffie voor zichzelf in, terwijl ze tegelijkertijd met haar andere
hand een kartonnen melkpak uit de handen van Melvin grist.
‘Ik wil niet
dat je aan dat pak lurkt; je kunt een beker gevuld met melk krijgen.’
‘Zeg, wat is
er met jou aan de hand?’, roept Melvin verontwaardigd.
‘Ik ben je
moeder niet.’
‘Nee, gelukkig
niet?’
‘Wat doe je
hier dan nog; waarom ga je niet lekker naar je moeder?’
‘Mijn moeder
woont in Engeland.’
‘Wat is er mis
met England?’
Thea leunt
ruggelings tegen het aanrecht en roert verwoed in haar koffie.
‘Haar vriend;
dat is wat er mis is met Engeland’, antwoordt Melvin onweerlegbaar.
Het ontvreemde
pak melk vindt hij terug tussen het brood en hagelslag en zet het alsnog aan
zijn lippen. Hij boert als hij klaar is.
‘Grote
jongen’, badineert Thea:
‘Wat deed jij
trouwens bij de overbuurman?’
‘Zo meteen
roer je een gat in de bodem van je mok’, grapt Melvin ontwijkend.
‘Ik dacht
trouwens dat jij je koffie zwart dronk; zonder suiker?’
‘Ik dacht dat
jij op het stedelijk gymnasium zat?’
Thea gooit het
lepeltje in de gootsteen. Dat zinloze geroer zal wel een vers zenuwtrekje van
haar zijn.
‘Mag ik
alstublieft douchen?’, bidt Melvin, terwijl hij zijn handen vouwt en haar snel
knipperend probeert te vermurwen.
Thea slaakt
een diepe zucht:
‘Waarom ga je
niet gewoon thuis bij Femke douchen of op de sportschool?’
‘Ik vond je
gisteren leuker’, haalt de postpuber Melvin ineens uit.
‘Je vader wil
dat ik je huiswerkbegeleiding geef. Zoals je weet doe ik dat aan huis. Ik kan
niet al mijn bijlesleerlingen een douchebeurt aanbieden.’
‘Waarom heb je
er dan nooit eerder een probleem van gemaakt?’, wil Melvin – terecht – weten
‘Omdat ik je
vader gisterenavond gesproken heb’, bekent Thea nogmaals.
‘Daarvoor heb
ik nooit zo diep over jou en je zus Jasmijn nagedacht. Jullie waren gewoon mijn
oppaskinderen, maar Jasmijn is al 22 en jij bent 17. Bovendien hebben jullie
ieder twee vaders en moeders. Waarom zou je dan uitgerekend bij mij douchen.’
Melvin kijkt
beteuterd:
‘Wist jij dat
de vriend van mama de ex van Jasmijn is?’
‘Valt Jasmijn
op oudere mannen dan?’, vraagt Thea zonder het antwoord te willen weten.
‘Jij bent zo
normaal Thea’, verzucht Melvin uit de grond van zijn hart.
Thea weet niet
of ze zich nou gestreeld moet voelen of niet.
‘Dank je, denk
ik.’
‘Mijn
stiefvader is 24 jaar en mijn stiefmoeder is 50. Snap je nou waarom ik van het
stedelijk gymnasium getrapt ben?’
‘Nee, maar
loop even mee naar de huiskamer en mijn laptop dan plan ik je in voor
huiswerkbegeleiding.’
De ervaring
leert Thea dat het wel zal loslopen met de slechte schoolprestaties van Melvin.
Hij is geen hoogvlieger, maar laat zich makkelijk sturen. Hoe anders dan haar
eigen vlees en bloed dat ze niet eens de tafeltjes aan het verstand kan
brengen. Vanaf de luiertraining wordt er door veel ouders dagelijks al wat
afgetobd met het huiswerk van hun bloedeigen studiebolletjes, maar Thea verkoos
een ongedwongen thuissituatie boven schoolse zaken. Juist omdat ze zoveel
weerstand van haar kinderen tegen haar moederlijke bemoeienis met de toegepaste
lesmethodiek van de leerkrachten op De Wielewaal ondervond. Dankzij de eerdere
huiswerkbegeleiding van Jasmijn en Melvin was Thea heus wel vertrouwd met de
leerstof op de basisschool, maar uit machteloosheid gokte ze voor haar eigen
kinderen op de didactisch kwaliteiten van de meesters en juffen met hun
spreekwoordelijke vreemde ogen die dwingen. Ze kwam bedrogen uit met haar twee
kinderen in de gemedicaliseerde hokjeswereld van basisschool De Wielewaal. In
de onderbouw leek de ontwikkeling van Sabine nog wel probleemloos
haar gangetje te gaan. Dat had alles te maken met de karakteristieke behoefte
van Sabine om het zichzelf overal en altijd zo makkelijk mogelijk te maken.
Anders dan Walter had Sabine zo klein als ze was al heel snel in de smiezen dat
ze zich op De Wielewaal maar het beste in de groep gedeisd kon houden op
cruciale momenten. Walter niet. Walter struikelde in het eerste semester van
groep 3 als een olifant in de porseleinkast faliekant over een vervanger van
zijn eigenlijke juf. Juf was al twee weken na de zomervakantie overspannen.
Meester Gijsbert kwam voor juf in de plaats. Hij was zo’n fijne vent. Zo’n
ongetrouwde, veertigplusser op sneakers, met vettige pieken tot over zijn oren
en een T-shirt van Amnesty International zodat hij bijna niet anders kon dan
bij iedereen in de smaak vallen. De meeste ouders vonden meester Gijsbert dan
ook vanzelfsprekend een toffe peer. Daar kwamen ze luidruchtig en openlijk voor
uit op de speelplaats en in de gangen van de school tijdens het escorteren van
hun smurfjes naar de aangewezen lokalen van De Wielewaal. Meestal spraken zij
ook meteen hulde over meester Gijsbert namens hun kinderen die persoonlijk geen
zeggenschap hadden en/of kregen. Meester Gijsbert liet het dagelijkse eerbetoon
als vanzelfsprekend over zich heenkomen en na een korte acclimatiseringsperiode
speelde er zelfs chronisch een pedant glimlachje om zijn lippen. Desondanks
bleven zowel Thea als haar zoon, los van elkaar en buiten de gangbare waarden
en normen, in eerste instantie neutraal ten opzichte van het optreden van
meester Gijsbert in groep 3 in het algemeen en ten opzichte van Walter in het
bijzonder. Walter vond schrijven en rekenen makkelijk en naar eigen zeggen was
hij de beste van de klas. Thea besloot het eerste rapport af te wachten
alvorens ze deze stellige zelfkennis van haar lievelingszoon bij meester
Gijsbert zou verifiëren. Zo heel erg zou Walter zichzelf toch niet
overschatten, want hij had zich in zijn voorafgaande, twee kleuterjaren op De
Wielewaal immers al als een pienter mannetje bewezen bij juffrouw Elsje.
Kleuterjuffrouw
Elsje van De Wielewaal was een vrouw van halverwege de vijftig die al meer dan
dertig jaar voor de allerkleinste leerplichtigen stond. Ze wist Walter te
kalmeren. Ze nam hem nooit tegen zijn zin op schoot, dwong hem niet om naar
haar te luisteren en verhief nimmer haar stem. Ze was ook elke dag dezelfde
kleine, juffrouw Elsje en veranderde niet van stemming bij elke keer
dat ze een beer op haar weg tegen kwam zoals Merel het peuterhoofd. Ze deed
Thea voortdurend aan kabouter Kwebbel uit Plopsaland denken. De fysiotherapeut,
die Thea op aanraden van Elsje met Walter bezocht, zei eens tijdens een
consult:
‘Elsje is de
beste die je voor je kleuter kunt hebben.’
‘Dan ken je
juffrouw Dirkje van Het Kleurenpalet zeker niet’, protesteerde Thea uit
loyaliteit met haar wijkbewoners, hoewel ze ergens wist dat de fysiotherapeut
wel gelijk had. Wat het begeleiden van kleuters betreft won Elsje heel
misschien, niet onbetwistbaar nipt van Dirkje. Wat de interactie met ouders
en/of verzorgers aanging kon Elsje echter nog wat van de straatwijsheid van
Dirkje leren. Elsje liet zich permanent beïnvloeden door de sjiek op De
Wielewaal. In het bijzijn van de ouders werd de oogst van de uiterlijke schijn
bejubeld. Achter gesloten deuren bleek Elsje gelukkig heel neutraal. De
maatschappelijke ladder kon haar in wezen gestolen worden, maar tegen poenige
opdringerigheid was Elsje niet bestand. Zo had ze ook geen verweer tegen Jade –
de interne coördinatrice - die het op Walter voorzien had na het incident met
Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer. Alsof Jade aan de directeur Peter
wilde bewijzen dat Merel het peuterhoofd en zij toch gelijk hadden gekregen met
hun illegale, telefonische onderonsje over Walter. Kennelijk wilde ze koste wat
het kost haar reputatie zuiveren door hard te maken dat Walter een
spraakmakend, ongewoon jongetje was en wel degelijk een autist. Of wat dan ook.
Walter was volgens Jade gewoon ‘iets’ waaraan ongetwijfeld een medische oorzaak
ten grondslag te verzinnen zou zijn. Wist Jade veel; zij was geen arts. In
ieder geval moest luid en duidelijk geopenbaard worden dat Jade – de interne
coördinatrice - naar eer en geweten gehandeld had door een vierjarig kind - buiten
medeweten van de ouders – in telefonisch overleg met een
geestverwant te becommentariëren en te veroordelen. Ze was nooit nieuwsgierig
geweest; roddelzuchtig of sensatiebelust. Hoe durfde Peter, de directeur van De
Wielewaal, partij te trekken voor de ouders van Walter door ze serieus te nemen
over haar?! Wie waren Bart en Thea nou helemaal anders dan een onbenullig stel
uit een achterstandswijk?
Maar al vrij
snel na de komst van Sabine en Walter ging de schoolcarrière van wie dan ook op
De Wielewaal nauwelijks tot niet meer aan het hart van directeur Peter. Na
zeven, vette jaren trouwe dienst werd hij gepromoveerd naar een basisschool met
wel 2000 kinderen. Dat was nog eens wat anders dan de luttele 188 leerlingen op
De Wielewaal. Thea voelde zich bijna persoonlijk aangevallen. In de loop van de
twee jaar dat haar spruiten inmiddels De Wielewaal bezochten was Thea lid
geworden van de ouderraad met de bedoeling om pijnlijke situaties zoals de
platte ruzie om de medezeggenschapsraad van Het Kleurenpalet voor zichzelf in
de toekomst te voorkomen. Na een half jaar begon Thea zich echter serieus af te
vragen wat erger was; het ‘oog om oog, tand om tand’ principe van Het
Kleurenpalet of de ‘dolksteek in de rug’ mentaliteit van De Wielewaal. De 6
vergaderingen van de ouderraad in het schooljaar waren stuk voor stuk
krachtmetingen tussen getapte ouders. Thea was eigenlijk het enige lid dat
gewoon was aan komen waaien, omdat in de Nieuwsbrief had gestaan dat iedere
ouder welkom was bij de ouderraad. Wist Thea veel dat de inhoud van de
Nieuwbrief niet serieus genomen diende te worden volgens de rest van de ouders
die elkaar al langer kenden dan vandaag van ons kent ons uit de wijk en van
peuterspeelzaal ‘Het Grote Begin’ die bij De Wielewaal en de buurt hoorde. Een
groot begin klinkt heel wat ambitieuzer dan De Kleine Beer.
Er werd veel
gemaakt gelachen tijdens de vergaderingen van de ouderraad. De dames wierpen
alsmaar gierend het hoofd in de nek en de heren sloegen zich continueel
knorrend op de knieën. Thea was wel blij dat ze vrijuit en probleemloos
Nederlands kon praten. Op Het Kleurenpalet was de taalbarrière een algemeen
gedeeld probleem geweest. Wel jammer dat iedereen de overstap van Thea van De
Wielewaal naar Het Kleurenpalet wantrouwde. Haar motieven werden naar harte
lust ingevuld door buitenshuis werkende moeders die zienderogen minder te
besteden hadden dan Bart en Thea, maar die zich in hun versleten haute couture
kennelijk toch verheven voelden boven het restant van de mensheid en dus zeker
boven een moederkloek als Thea. Ze was niet onder de indruk. Ook niet van de
eigentijdse papa’s met hun gecultiveerde baardgroei en hun bejubelde,
geslachtsloze voorliefde voor geëmancipeerde mensen. Na een korte
snuffelperiode liet iedereen Thea gewoon links liggen tijdens de bijeenkomsten
waar niets anders dan dezelfde kwesties uitentreuren frequenteerden. Te weten;
overblijfperikelen, de aanschaf van een mega kerstboom of toch liever weer
Glühwein dit jaar, de vrijwillige ouderbijdrage oftewel hoe kunnen we
wanbetalers dwingen, het schoolreisje en hoe schuif ik mijn eigen kind (eren)
zo onopvallend mogelijk in een zo gunstig mogelijk licht. Gelukkig was
directeur Peter bestendig aanwezig. Hij wist met zijn lankmoedigheid de
bijeenkomsten naar een hebbelijk niveau te verheffen, maar hij koos geen
partij. Hij woei met alle winden mee, precies zoals Thea bij hun allereerste
ontmoeting al voorzien had, maar ze voelde intuïtief aan dat haar uitgesproken
aanwezigheid in de ouderraad op één of andere manier een luis in de pels van
Peter was. Haar uitgewerkte idee om onder begeleiding van de ouders
voorleessessies door en voor kinderen in de verschillende groepen te
organiseren werd genegeerd. Ook door Peter, terwijl hij aanvankelijk wel oren
zei te hebben naar een interne, kosteloze leesclub voor de kinderen. Ten langen
leste liet de ouderraad onder leiding van Peter toch liever unaniem – met
uitzondering van Thea dus - een kinderboekenschrijver een middag
signeren in en voorlezen uit eigen werk op school tegen een vergoeding 500
euro. Pas toen Peter zijn overstap naar een grotere basisschool algemeen bekend
maakte, kon Thea haar vinger op de zere plek leggen. De ouderraad spaarde
liever kosten noch moeite dan de gratis ondernemingslust van Thea bij te benen
en Peter zag haar creativiteit als een bedreiging voor zijn conformisme en daarmee
voor de stijgende lijn van zijn loopbaan. Maar op persoonlijk vlak kon hij het
enthousiasme en de originele ideeën van Thea echter bijzonder waarderen.
Althans dat liet hij weten in een privé berichtje in de mail.
Beste Thea,
Blijf vooral
jouw ideeën spuien. Ik waardeer jouw enthousiasme en originaliteit.
Met
vriendelijke groet,
Peter
Langveld.
Directeur van
De Wielewaal.
Blij verrast
typte Thea een virtuele dankbrief waarin ze meteen maar haar belevenissen en
ervaringen rond de overstap van De Wielewaal naar Het Kleurenpalet samenvatte
en terloops haar lidmaatschap van de ouderraad opzei. Na anderhalf jaar
egotripjes der kouwe kak en directeur Peter met zijn dociele gelaveer tussen
twee kwaden met als sluitstuk de dumping van haar tot in de details uitgedachte
voorleesplan was Thea opeens helemaal klaar met de ouderraad. Het sop was de
kool niet waard. Thea was toen nog niet op de hoogte van directeur Peters plan
om De Wielewaal in te ruilen voor een veel grotere basisschool.
Toevallig viel
haar afscheid van de ouderraad samen met de bekendmaking van het vertrek van
Peter als directeur van De Wielewaal. Een baardman uit de ouderraad benaderde
Thea op de speelplaats;
‘Ik heb
gehoord dat je ons gaat verlaten?’
Thea was
verbaasd dat hij überhaupt scheen te weten wie zij was. De baardman kwam meteen
ter zake:
‘Heb je dat
besloten voordat je op de hoogte was van het vertrek van Peter of nadat je wist
dat Peter naar een grotere school zou gaan?’
‘Wat doet dat
er nou toe?’
‘Nee, ik ben
gewoon nieuwsgierig of je nu ook met je kinderen meegaat naar de nieuwe school
van Peter?’
De baardman
kneep zijn oogjes tot geniepige streepjes.
‘Waarom zou
ik?’
Thea zocht
tevergeefs om zich heen naar steun van de aanwezige ouders die onaangedaan en
Oost-Indisch doof ook op hun kinderen stonden te wachten.
‘Jij komt toch
van Het Kleurenpalet?’
‘Ja en?’
Baardman kromp
ietwat ineen door de defensieve reactie van Thea. Met het oog op de aanwezige
ouders herstelde hij zich manmoedig door zijn rug te rechten. Hij stond niet
alleen.
‘Jouw kinderen
zijn toch op deze school gekomen dankzij Peter?’
Thea liet de
opmerking even bezinken en schokschouderde vervolgens:
‘O, je bedoelt
net als alle andere kinderen van De Wielewaal?’
‘Wij wonen in
deze wijk. Jij niet toch?!’
‘Dat is jouw
fout’, schamperde Thea.
‘Kende jij
Peter niet ergens anders van?’
‘Volgens mij
weet jij meer dan ik’, antwoordde Thea berustend.
Baardman liet
zich niet meer van de wijs brengen.
‘Dus het is
waar?’
Hij was
serieus.
Thea tastte in
het duister en keek schichtig om zich heen. De spanning was te snijden. Ineens
viel het kwartje. Haar nervositeit maakte meteen plaats voor noodweer:
‘Ow, je vraagt
of ik hem ken van het milieu?’
‘Je woont wel
in de hoerenbuurt’, knipoogde de baardman olijk.
Thea vond het
nog nodig om hem te verbeteren ook:
‘Voormalige
hoerenbuurt.’
‘Ja, ja,’
meesmuilde de baardman.
Hij kreeg wat
lachers op zijn hand en Thea begon te stuiteren:
‘Ga bij jezelf
te rade!’, tierde ze ferm.
‘Jij bent
waarschijnlijk beter in het hoerenmilieu thuis dan ik’.
Ergens achter op de speelplaats klonk een iel, snel wegebbend applausje. Daarna volgde een pijnlijke stilte waarin Thea de baardman in het zicht van het compleet bescheten canaille in z’n hemd liet staan.
HOOFDSTUK 8
Bart vond het
allereerste rapport van Walter uit groep 3 een lachertje, maar Thea had moeite
met het in toom houden van haar oerdriften. Meester Gijsbert had het
volgende over de eerste 10 leerweken van Walter – een zesjarig kereltje zonder
strafblad – te melden:
Walter heeft
een flinke achterstand met mondelinge en schriftelijke taal. Hij heeft veel
ondersteuning nodig bij de opdrachten. De ontwikkeling van spelling en de
woordenschat blijft nog achter.
Walter heeft
moeite met een goede omgang met zijn klasgenootjes. Hij reageert heel direct op
andere kinderen. Het kost hem zichtbaar moeite om geconcentreerd, zelfstandig
en netjes te werken. Daar moet nog veel aan verbeterd worden. Hij heeft het
niet makkelijk met de leerstof van met name taal.
‘Een goed
begin is het halve werk’, schamperde Bart.
Thea nam zich
direct voor om haar beklag te doen bij de schoolleiding over het belabberde
beoordelingsvermogen van Gijsbert mede namens de vader van Walter, omdat Bart
geneigd was om in een gesprekje met de schoolleiding de didactische anticipatie
uit de weg te gaan. Wel zou hij Thea op de achtergrond blijven steunen.
‘Al dat
geleuter in de ruimte. Ik ga geen half uur zitten luisteren naar de
rechtvaardiging van een nitwit als zo’n Gijsbert. Desnoods stappen we opnieuw
over op andere basisschool.’
‘Niet weer’,
wanhoopte Thea.
‘Het gaat hier
niet om jou, maar om de kinderen’, vond Bart.
Soms kon Thea
de redenaties van Bart maar moeilijk verdragen. Ook al was ze reddeloos
gevallen voor de ruwe bolster, blanke pit met wie ze meestal een ijzersterke
twee-eenheid vormde. Toch werd ze bij tijd en wijlen overvallen door een
irreële behoefte aan voortkabbelende vanzelfsprekendheid. Zoals in haar
kraamtijd waarin de kinderen en zij vegeteerden in een paralyserende cocon van
slapen en eten, die Bart ’s ochtends geruisloos achter zich liet en ’s avonds,
na zijn werk op het rekencentrum, weer behoedzaam bekroop. Het welzijn van de
kinderen was een wisselwerking tussen de kracht van Bart en de motivatie van
Thea. En andersom. Ze hadden elkaar nooit een rozentuin beloofd.
‘Dit keer ga
ik nog liever de strijd aan dan de kinderen en mezelf weer te moeten
onderwerpen aan de eerste indruk van een derde basisschool. Voorlopig blijven
we zitten waar we zitten’, besloot Thea.
‘Gelijk heb
je; wij krijgen toch overal gezeur’, bedacht Bart zich knarsetandend.
Het
dichtgeslagen schoolrapport van Walter belandde met een klap op de salontafel.
‘Waarom; omdat
we slechte ouders zijn?’
‘Of we nou wel
of geen slechte ouders zijn; we hebben een mening; we laten ons niet suflullen;
dat is het probleem.’
Thea had nog
het meeste moeite met de terughoudendheid van meester Gijsbert jegens haar. Ze
voelde zich door hem genegeerd en niet gerespecteerd als moeder van Walter. In
de eerste acht weken dat meester Gijsbert de depressieve juf van groep 3 verving
had hij Thea nog nooit aangesproken. Terwijl hij wel elke morgen in allerlei
herderlijke discussies verwikkeld was met andere ouders die vlak voor aanvang
van de les, als groupies om een idool, om meester Gijsbert heen zwermden.
Meester Gijsbert had over elk kind wel iets geschikts te missen, behalve over
Walter. En Thea voelde niet de behoefte om zich bij het ouderclubje voor de
deur van het lokaal van groep 3 te scharen. Ze liep mee met Walter en Sabine
omdat het overgrote deel van de kinderen op De Wielewaal – ook in de bovenbouw
- naar hun plaats in de klas begeleid werd door volwassenen.
Betrokkenheid van ouders en verzorgers was het paradepaardje waarmee de school
op de website klantjes wierf. Het krioelde in de gangen van De Wielewaal dan ook
elke morgen van de kakelende wijkbewoners. Het was een hysterische,
ontoegankelijke wanorde waaraan Thea haar kinderen telkens weer, jaar in jaar
uit, noodgedwongen geacht werd bloot te stellen. Omdat het dus echt niet anders
kon moest de intocht van Walter en Sabine op De Wielewaal - met als einddoel
hun kinderstoeltjes in respectievelijk de groepen 3 en 4 - dan maar in
vredesnaam onder het ingetogen toezicht van moeder gebeuren. Thea kon maar
moeilijk geloven dat meester Gijsbert geen enkele van de 40 kansen om haar in
de afgelopen 8 weken aan te spreken over de leerprestaties of
het wangedrag van Walter benut had. Ze vond het niet normaal dat een
invaller, zonder waarschuwing vooraf, haar zoontje van amper zes jaar in een
schoolrapport veroordeeld had tot 8 basisschooljaren lang in de schopstoel van
allerlei peuten, juffen en andere frikken.
De interne
coördinatrice Jade regelde een ‘gesprekje’ met de nieuwe directrice die
onopvallend haar intrek had genomen in het schoolhoofdkantoor nadat directeur
Peter met een hoop afscheidsgedoe De Wielewaal verlaten had. Op het eerste
gezicht leek de directrice, die de naam Willy droeg, geen vrouw waar Thea
makkelijk mee uit de voeten kon. Jade was ook bij de bijeenkomst aanwezig als
een soort intermediair. Nog zo’n dame waar geen land mee te bezeilen was.
Behalve een ongeschreven gebruiksaanwijzing leken ook directrice Willy en de
interne coördinatrice Jade onderling niet veel met elkaar gemeen te
hebben. Directrice Willy was het type mens met een smoezelige
uitstraling. Waarschijnlijk was haar kleding schoon en haar kapsel verzorgd,
maar zo zag Willy er niet uit. Ook had ze de modeterm ‘mix en match’ nogal ruim
geïnterpreteerd. Sommige prints, kleuren en stoffen passen echt niet bij elkaar
en dat soort combinaties schreeuwt om het kledinglabel; smakeloos. Jade
daarentegen had wel naar de adviezen van een winkel juf uit een modezaak
geluisterd. Ze leek een zwaar geparfumeerde etalagepop in een stijlvol
mantelpakje met modieuze details, wat heel ongebruikelijk was voor Jade die –
als ze tenminste niet ziek, zwak of misselijk was – meestal door de schoolgangen
flaneerde in ‘casual’ kleding. Een zwarte polyester stretch broek met daarop
een gelig te heet gewassen lamswollen truitje. Heel wat minder op de heersende
modemores afgestemd. De uiterlijke transformatie van Jade tijdens het gesprekje
met Willy en Thea had natuurlijk alles te maken met een nieuw begin
met verse kansen bij een vrouwelijke, zichtbaar ietwat naïeve, directrice in
plaats van dienstbare Peter waar geen eer aan viel te behalen, omdat hij
stiekem toch een patriarch was geweest die zijn Pappenheimers op De Wielewaal
door en door in de smiezen had gehad.
‘We hebben
even met juf Elsje over Walter gepraat. Ze heeft hem 2 jaar in de
kleutergroepen gehad. Ze zegt dat Walter een heel speciaal jongetje is.’
Directrice
Willy had een timide oogopslag. Alsof ze tegen je opzag. De lady Di look. Later
zou Thea leren hoe vertekenend deze eerste indruk was. Ze sprak heel snel met
een zachte stem. Thea dacht aan kleuterjuf Elsje en haar bemoedigende
werkervaring in verwoestende combinatie met de giftige consideratie met Jade de
interne coördinatrice en consorten. Tijdens de tien minuten gesprekken was
Elsje aldoor alleen maar vriendelijk over Walter geweest. Ze vond hem een
uitgesproken karaktertje:
‘In zijn
bovenkamer is niks mis’, placht Elsje herhaaldelijk over Walter te benadrukken.
Tijdens het
eerste jaar in de kleuterklas dacht Thea dan kriegelig:
‘Nee, waarom
zou er wat mis zijn in zijn bovenkamer?’
Pas in het
tweede kleuterjaar leerde Thea de geheimtaal van Elsje lezen. Walter was zijn
groepsgenootjes mentaal ver vooruit, maar omdat Bart en Thea niet tot de
gevestigde orde van De Wielewaal behoorden, kon en mocht een kind van buiten de
wijk natuurlijk geen bolleboos zijn. Thea kon het niet zoveel schelen. Alhoewel
ze zich wel al begon te ergeren aan de kleintjes die ten koste van Walter – en
Sabine - wel naar voren geschoven werden vanwege zogenaamde topprestaties.
Verworvenheden, die niet zo heel veel met intelligentie te maken hadden, maar
wel aldus gepresenteerd werden door de betreffende ouders en hun volgelingen.
Gesteund door Jade. De interne coördinatrice. Zo was er een
vijfjarig kind dat op commando uit Harry Potter kon voorlezen. Fantastisch.
Maar dan wel alleen bladzijde 104. Ra, ra. Op dezelfde manier kende Sabine het
hele scenario van de Lollifanten uit het koppie. Ze was amper 4 jaar, maar
brabbelde synchroon met de tekenfilmfiguurtjes mee. Ze had de film dan ook pas
50 keer gezien. Walter keek zelden mee. In die periode toerde hij meestal in de
huiskamer rond in zijn loopstoeltje. Na een ontdekkingstocht van een minuut of
dertig parkeerde Walter zijn vervoerstuig in een mega kamerplant in de serre en
viel in slaap. Zodra het tijd was voor zijn fruithapje kon Thea hem standaard
terugvinden in de varen. Een kusje op zijn gekrulde kruintje verstoorde zijn
dagdromen. Met geloken ogen opende hij mechanisch zijn volle lippen. Tussen het
welige groen liet hij de fruitmoes van het plastic haplepeltje probleemloos in
zijn mondje glijden. Hij verroerde zich niet uit zijn slaaphouding en bleef
gerieflijk onderuitgezakt in zijn loopstoeltje hangen. Zijn kuiltjes kin rustte
op de borst. Walter was en is een geboren Bourgondiër. Dat wil echter niet zeggen
dat hij niet bereid is om ergens moeite voor te doen. Alleen staat Walter
zichzelf ook vandaag de dag nog weleens in de weg met zijn koppige motivatie
die alleen in werking treedt als uitsluitend hijzelf – en niet iemand anders;
ook niet van horen zeggen - ergens het nut van inziet. Toen het loopstoeltje
verboden werd door de arts van het consultatiebureau ter stimulatie van de
motoriek van Walter, leerde hij dan ook in een dag lopen. Hij moest wel, want
zijn loopstoeltje was hem ontnomen. Maar het praten vlotte niet, wat overigens
niet betekende dat hij niet communiceerde. Kleine Walter was een inventief
ventje dat op heel veel verschillende manieren zijn zinnetje wist door te
drijven. Op de zeldzame momenten dat hij sprak deed hij dat in prachtige volzinnen.
Maar hij articuleerde beroerd en daarom bezocht hij al vanaf zijn derde
levensjaar een logopediste. Juf Elsje was Godzijdank de goede verstaanster die
maar een half woord nodig heeft, maar de onwetende ouders op De Wielewaal
verstonden Walter niet en dachten dat hij wellicht niet helemaal in orde zou
zijn. Feitelijk werd Walter door buitenstaanders nooit begrepen en wel twintig
keer op een kleuterschooldag werd er door grote mensen aan hem gevraagd:
‘Wat zeg je?
Praat eens wat duidelijker. Ik versta je niet?’
Het kind werd
er moedeloos van en uit frustratie begon hij zijn woorden te roepen, hetgeen
zijn uitspraak ook niet verbeterde natuurlijk. Elsje vroeg zelfs een keer aan
Thea in het bijzijn van Walter:
‘Misschien is
hij doof?’
Waarop Walter
heel duidelijk articuleerde:
‘Ik ben niet
doof!’
Elsje kleurde
tot in haar nek en sloot Walter in haar armen:
‘Dat weet ik
toch gekke vent; dat was maar een grapje hoor.’
Dat was juf
Elsje ten voeten uit. Ze was constant in tweestrijd tussen haar oprechte liefde
voor de kleuters en haar sluimerende behoefte om bij de incrowd van De
Wielewaal te horen. Want aan de sfeer tijdens het brengen en halen van Walter
voelde Thea dat het wezen van haar kind over de tongen van de wijkbewoners
ging. Dat was koren op de molen van de interne coördinatrice Jade natuurlijk
die nog een rekening met Bart en Thea te vereffenen had. Omdat Walter erg snel
groeide was hij tamelijk groot voor zijn kleuterleeftijd en motorisch was hij
iets minder verfijnd dan de gemiddelde vier tot zesjarige uit zijn groep. Op
deze oneffenheid haakte Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal in door
de ontwikkeling van Walter zogenaamd te wantrouwen, teneinde zich te kunnen
wreken op de reputatiemoord die Bart en Thea op haar positie in de
onderwijswereld gepleegd hadden. Zo misbruikte ze haar functie als interne
coördinatrice door kleuterjuf Elsje met de regelmaat van de klok met anonieme
klachten van ouders over Walter te confronteren. Aan de reacties van juf Elsje
kon Thea opmaken dat ze tot vervelends toe bestookt werd door Jade de interne
coördinatrice over Walter. Op een rustig moment met Jade uit de buurt was juf
Elsje namelijk één en al oor over de vorderingen van Walter en vol lof over
zijn gedrag in de groep.
‘Walter is een
lief kereltje; echt een fijne vent met een hart van goud’, beweerde juf Elsje
onder vier ogen met Thea zo stellig dat het wel leek alsof ze een cordon
onzichtbare ouders aan het overtuigen was. Mocht Jade de interne
coördinatrice evenwel op ontelbare andere momenten wel indringend op de
achtergrond aanwezig zijn, dan kon juf Elsje nauwelijks een vriendelijk woord
over Walter over haar lippen krijgen.
‘Walter heeft
gisteren voor het eerst gefietst’, riep Thea bijvoorbeeld vol trots over de
hoofden van andere ouders naar Elsje.
‘Dus?’, wist
juf Elsje tam onder toezicht van de incrowd.
‘Da’s heel
normaal hoor voor een kleuter van vijf jaar.’
Door Thea – de
bron van alle ellende - publieke belachelijk te maken, probeerde juf
Elsje de ergernis over het gezeur over Walter van zich af te schudden. Het
mannetje zelf trof geen blaam. Daar was Elsje teveel kleuterjuf voor. Maar ze
liet zich wel opstoken door vooraanstaande ouders die met man en macht wilden
voorkomen dat hun kinderen besmet werden met het denkbeeldige Waltervirus.
Helaas voor de criticasters lag Walter gunstig in de groep. Hij had de
vriendjes en vriendinnetjes voor het uitzoeken. En zoals een wijs gezegde al
meer dan eens voorspeld heeft:
‘Kinderen en
dronkaards verpersoonlijken de waarheid.’
Juf Elsje
stond officieel in dienst van de kleuters. Niet van de ouders. Van alle
kleuters; dus ook van Walter. Maar nu Walter kleuter af was in groep 3 had
juffrouw Elsje Fiederelsje op De Wielewaal haar handen kennelijk helemaal van
haar voormalige hartendief en diens moeder afgetrokken. Anders zou ze wel in
opstand gekomen zijn tegen de aantijgingen aan het adres van Walter door zijn
invalmeester Gijsbert. Maar ze liet dat lieve kereltje, die fijne vent uit haar
groepen 1 en 2 na 10 weken in groep 3 gewoon afschilderen
als een contactgestoorde, hersenloze agressieveling door een invaller. Juf
Elsje wist net zo goed als Bart en Thea dat Walter geen crimineeltje in de dop
was. Ook niet als zesjarige. Of zoals de directrice Willy zo eufemistisch
weergaf:
‘Elsje vindt
Walter een speciaal jongetje.’
Hierop
verzuchtte Thea:
‘Walter is wel
speciaal, maar niet op de manier waarop jullie bedoelen!’
Directrice
Willy schoot in een lachstuip, maar Jade de interne coördinatrice zei
geschrokken:
‘Ik merk wel
dat je heel boos bent.’
Willy en Thea
keken tegelijkertijd naar haar op met zo’n blik van:
‘Zou je
denken?’
Ineens leek
directrice Willy zich te realiseren dat zij hier de leiding had. Ze trok haar
gezicht in plooi en ze zei plichtsgetrouw:
‘Ik ben
vandaag even in groep 3 gaan kijken bij meester Gijsbert en ik vind dat Walter
er erg ongeïnteresseerd bijzit.’
Als Willy nou
rectrice van een middelbare school in plaats van hoofd van De Wielewaal was en
ze Thea over haar dertienjarige puber en niet over haar zesjarige zoontje had
aangesproken, dan zou haar inschatting van een gebrandmerkte leerling misschien
overtuigend geweest zijn. Maar nog steeds niet erg kies. Met het beeld van haar
nieuwsgierige, vrolijke ventje voor ogen liet Thea dan ook gekwetst haar
verontwaardiging de vrije loop:
‘Hij wil net
zo graag leren als ieder ander kind!’
Een spottend
glimlachje speelde om de mond van directrice Willy.
‘Nou ik heb
dertig jaar voor de klas gestaan voordat ik directrice op De Wielewaal werd en
wij merken hier niets van die zogenaamde motivatie van Walter’, verkondigde ze
triomfantelijk.
Zelfs Jade de
interne coördinatrice schrok van directrice Willy en keek haar
nieuwe baas een paar seconde onderzoekend aan. Zulke dingen zou zelfs Jade de
interne coördinatrice niet openlijk over een kind durven te beweren. Niet op
die botte manier. Thea voelde zich dan ook nog verder in een hoek en dus in de
verdediging gedreven. Ze werd vals.
‘Dan zorg je
maar dat Walter het leuk gaat vinden om te leren. Daar zijn jullie tenslotte
voor.’
‘Niet per sé’,
vond directrice Willy onvermurwbaar.
‘O nee,
misschien moeten we dan eens kijken of de onderwijsinspectie dat ook niet
vindt.’
Aan de reactie
van directrice Willy viel niet meteen op te maken wat de impact van het
dreigement van Thea op haar was, want ze opperde in eerste instantie kalmpjes:
‘We kunnen
kijken of Wilma nog een plekje vrij heeft. Wilma is de remedial teacher. Wij
hebben namelijk een remedial teacher. Zelfs op De Wielewaal.’
Thea boog zich
over de tafel naar de directrice toe. Haar vuurspuwende ogen op een te
verwaarlozen afstand van de beduusde gezichtsuitdrukking van Willy troffen
doel. Met haar rechterwijsvinger klopboorde Thea in op het tafelblad om haar
woorden kracht bij te zetten. Ze leraarde luid en duidelijk:
‘Ik weet wel
zeker dat Wilma van De Wielewaal een plekje vrij heeft. Jullie hebben mijn zoon
voor de leeuwen gegooid en nou zorgen jullie er ook maar voor dat Walter voor
de arena uitgerust wordt.’
Het overmatige
knipperen met haar oogleden bij wijze van reactie zou in de loop van de komende
jaren een typisch zenuwtrekje van de directrice blijken te zijn. Maar op dat
eerste kennismakingsmoment vroeg Thea zich een seconde af of directrice Willy
misschien plotseling last van eventuele contactlenzen gekregen had!? Het
angstige gepiep dat voor een antwoord door moest gaan gaf Thea op dat moment
wel enige genoegdoening. Haar assertieve opstelling liet directrice Willy bij
nader inzien dus toch niet onberoerd:
‘De meeste
ouders willen liever niet dat hun kind remedial teaching krijgt’, lispelde ze.
‘Ik ben niet
iedere ouder’, benadrukte Thea alert, terwijl ze weer normaal ging zitten.
‘Trouwens,
Walter heeft ook logopedie gehad. Da’s ook een soort van remedial teaching
toch?’
‘Ja, dat las
ik in zijn gegevens’, zei Jade de interne coördinatrice blij dat het gesprekje
eindelijk in haar comfortzone terecht was gekomen.
‘De naam van
zijn behandelende logopediste kwam me bekend voor. Zij is toch een
moeder van een kind van De Wielewaal?’
Jade
glunderde.
‘Ja, had ik
dat maar eerder geweten’, meesmuilde Thea.
Toen Walter
drie jaar was had Thea haar peuter aangemeld voor logopedie. Onder het motto
‘baat het niet dan schaadt het niet’ en in de ijdele hoop om de constante druk
van Merel het peuterhoofd (van De Kleine Beer) en de hulpverlening van het
consultatiebureau van de ketel te halen. Met Bart had ze afgesproken dat de
sessies direct door haar afgeblazen zouden worden als Walter hinder van de
extra aandacht mocht ondervinden. Eerst maar eens een logopedist(e) voor Walter
zien te regelen. Bij de gerenommeerde logopedistenpost die Thea op aanraden van
Merel het peuterhoofd had gebeld bleek uit het niets een wachtlijst op te
duiken nadat bekend werd dat Walter naar De Kleine Beer in een achterstandswijk
ging. Desondanks was Thea niet van plan om braaf af te wachten en daarmee de
hulp aan haar zoontje op de lange baan te schuiven. Als de taalontwikkeling van
Walter werkelijk op staande voet verbetering nodig had; waarop Merel het
peuterhoofd tot gekwordens toe bleef hameren, dan was enige ‘urgentie’ van de
hulpverleningsinstanties geen overbodige luxe. Met een engelengeduld belde Thea
de ene na de andere logopedist(e) van de lijst van het consultatiebureau op.
Bij iedere hernieuwde poging gold uit voorzienigheid haar eerste vraag het
bestaan van een eventuele wachtlijst. Kon daar tenminste niet meer op
teruggekomen worden, want geen enkele logopedistenpost had op voorhand een
wachtlijst. Pas als uiteindelijk onherroepelijk het adres van Walter of De
Kleine Beer ter sprake kwam, dan kon het al gauw drie tot vier maanden duren
voordat er een agendagaatje geprikt was voor een intakegesprek. Nummertje tien
was de enige van de lijst die zonder aarzeling toehapte. Ene Marloes. Ze was
een freelance logopediste die ad hoc op verschillende basisscholen actief was
en die Walter zonder meer in haar patiëntenbestand wilde opnemen. Al was het
alleen maar uit chronisch gebrek aan basisinkomsten en beter. Bofte
Marloes even toen bleek dat Walter top fit verzekerd was; hetgeen garant stond
voor vergoeding van een eindeloze reeks logopedistensessies in plaats van het
vaste bedrag voor 13 consulten uit het basispakket.
In het eerste
jaar huisde Marloes in een activiteitencentrum aan de andere kant van de stad
aan een drukke straat. Elke donderdag van het derde levensjaar van Walter vocht
Thea voor een parkeerplaats in de buurt van de logopedistenpraktijk. Daarna de
tocht naar de taaljuf met het kleine knuistje onrustig in haar hand.
‘Ik kan heus
wel praten mama.’
‘Alsof ik dat
niet weet, kleine man! Laat het ook maar horen aan Marloes. Het geeft niet, of
wel?’
‘Mij kan het
niet schelen’, pochte Walter jongensachtig.
En Walter deed
zijn best om zijn uitspraak te verbeteren met begeleiding van de taaljuf en in
het bijzijn van zijn moeder. Marloes was een leuke logopediste. Ze verzon
toegepaste spelletjes en testjes om Walter te stimuleren beter te articuleren.
Hij moest bijvoorbeeld voor een spiegel proberen om – met de handen op de rug -
een nep snor met zijn bovenlip onder de neus te houden, terwijl hij klinkers
produceerde. Dit ter beheersing van zijn fijne motoriek en daarmee van de
plooibaarheid van zijn lippen en de lenigheid van zijn tong. Tijdens zijn
hilarische pogingen gierde Walter van de pret over zijn spiegelbeeld en trok
Marloes, Thea en de nep snor mee de afgrond van de slappe lach in. Thea
herkende veel van haar persoonlijke aanpak in de werkwijze van Marloes. Met dit
verschil dat de pubers van Thea’s Huiswerksterk allang geen peuters of
basisschoolkinderen meer zijn natuurlijk. De uitspraak van Walter verbeterde
dan ook wel enigszins door de logopedie, hoewel zijn woorden erg nasaal bleven
klinken. Alsof hij constant neusverkouden was. Toch wist Walter Marloes keer op
keer te verbazen.
‘Hij begrijpt
alles’, riep Marloes meermaals spontaan uit op een toon alsof ze iets nieuws
vertelde.
Na iedere
herconstatering hield Thea wijselijk haar mond, want Marloes had een zoontje
dat maar één jaar ouder was dan Walter en misschien maar half zo slim. Als het
tenminste op meten en weten aankwam. Ze herinnerde zich nog de gevoeligheid van
ouders over de mentale kwaliteiten van hun kroost uit de kinderjaren van Melvin
en Jasmijn. Gelukkig neemt die sensitiviteit vanzelf af als op de middelbare
school de jongens en meisjes aan zichzelf en het reële verstand worden
overgelaten, maar tot die tijd blijft het toch pappen en nathouden. Voorlopig
zag taaljuf Marloes in Walter echter geen bedreiging voor haar zoontje Lennart.
Want Walter mocht dan misschien wel pienter zijn, maar die slimheid stelde niks
voor in het licht van de beroerde reputatie van de peuterspeelzaal die hij
bezocht. De Kleine Beer was immers onlosmakelijk verbonden met Het
Kleurenpalet. Een zwarte, kansloze basisschool. Walter zou uitgroeien tot het
product van de achterstandswijk waar hij opgroeide. Lennart, de 6 jarige zoon
van taaljuf Marloes daarentegen, ging naar groep 1 van de veelbelovende
basisschool De Wielewaal in de bijbehorende, voortvarende, witte wijk.
Het IQ van
Walter begon voor taaljuf Marloes pas een bedreiging te worden toen Thea en
Bart met hun kinderen onverwacht van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal
overliepen. Walter dook ineens in de eerste van de combinatiegroep 1 en 2 bij
juffrouw Elsje op. Op dat moment was Lennart, het zoontje van taaljuf Marloes,
net overgegaan naar het tweede jaar in hetzelfde lokaal van juf Elsje.
‘De wereld
hangt van toevalligheden aan elkaar’, was alles wat taaljuf Marloes
onaangenaam verrast kon uitbrengen bij haar onverwachte confrontatie met de
moeder van haar patiëntje in het kleuterlokaal van juffrouw Elsje.
Thea was net
zo verbaasd geweest:
‘Jij hier?’
Marloes de
taaljuf reageerde woordeloos met zo’n blik van:
‘Jij wist
allang dat mijn zoon op De Wielewaal zat!’
Alsof Thea
bewust met Walter in de voetsporen van Marloes de taaljuf en haar zoon Lennart
was getreden. Hoe boeiend denk je dat je bent?!
Trouwens,
Lennart was een sportieveling. Een ander type kind dan Walter en de twee
jongens lagen elkaar niet. Walter sloot een onstuimige vriendschap met Tim die
tot op de dag van vandaag voortduurt. Ondanks de weerstand van de alleenstaande
moeder van Tim die zijn vanzelfsprekende vriendschap met Walter vanaf het
prille begin in groep 1 heeft proberen te saboteren. Timmetje moest met de
kinderen van de zogeheten jetset optrekken. Een ontgoocheld groepje kinderen
dat eigenlijk niets liever deed dan de opgekropte woede over hun bedilzieke
ouders afreageren door te vechten, oproer te kraaien en relletjes te
schoppen. Op het verjaardagsfeestje van Tim raakte Walter onbedoeld voor het
eerst bij zo’n kindergevecht betrokken. Walter was niet lenig of vlug, maar hij
was groot, sterk en niet bang. Na die eerste keer werd Walter nooit meer op de
verjaardagsfeestjes van zijn maatje Tim gevraagd. Tim ontkwam eenvoudigweg niet
aan de eisen van zijn moeder en als dat keurslijf begon te knellen dan moest
Walter het ontgelden. Tim schopte, stompte en liet zijn beste vriend struikelen
uit pure frustratie, omdat hij van zijn moeder niet mocht zijn wie hij was en
zelf zijn vriendjes niet kon kiezen. Tot grote teleurstelling van Tim gooide
Walter al na de eerste vergeldingsklappen de handdoek in de ring en vond naast
zijn vriend de vechtersbaas andere, meer vredelievende, kameraadjes.
Walter sloeg
nooit uit zichzelf, maar hij mepte wel altijd terug. Hij deelde in de loop van
8 basisschooljaren heel wat rake klappen uit. In het bijzonder aan vier,
kleine, boze excuus Marokkaantjes en twee meeloop klasgenootjes van Turkse
afkomst. Want omdat de wijk ook sociale huurwoningen telde, ontkwam zelfs De
witte Wielewaal niet aan niet-Nederlandse invloeden. Voor 20 procent. De
landelijke limiet. Niet voor 99,9 procent zoals op de zwarte basisschool Het
Kleurenpalet. Op De Wielewaal zouden de kinderen met een niet Nederlandse
achtergrond 8 basisschooljaren lang onbeperkt en publiekelijk in het
wilde weg schelden, tieren en vechten. Recht tegen de politiek correcte wind
die door het gebouw woei in. Met dat ettergedrag waren ze op Het Kleurenpalet
niet ongestraft weggekomen. Op De Wielewaal kneep men echter een oogje toe. De
allochtone agressie werd gedoogd als een rechtvaardiging voor de vele gevechten
op het schoolplein, waarvan de oorzaak natuurlijk nooit bij de eigen witte
kroost lag. Alleen Walter deed niet onder voor de underdog op De Wielewaal. Net
zo makkelijk als de agressievelingen met een niet Nederlandse achtergrond,
beukte hij er openlijk op los, zonder aanzien des persoons, hetgeen hem bij de
jongens uit zijn klas in aanzien deed stijgen. Zonder uitzonderingen. Dus ook
bij zijn klasgenootjes met een niet-Nederlandse achtergrond met wie hij even
goed de grootste lol trapte, nadat ze elkaar alle hoeken van het schoolplein
hadden laten zien.
Ondertussen
was Lennart, de zoon van de taaljuf, aan het voetballen. Lennart was het
visitekaartje van zijn moeder. Hij sprak feilloos en vloeiend algemeen
beschaafd Nederlands. Hij vocht niet en schold niet. Althans niet voor het oog
en oor van zijn moeder Marloes de taaljuf. Soms liet Lennart tijdens het
speelkwartiertje het voetbalspel een momentje voor wat het was om Walter of één
van zijn vriendjes op te stoken:
‘Jij durft
geen kankerhoer naar de juf te roepen.’
‘Dat durven
wij wel!’, riepen de ezelachtigen.
Hoofdschuddend
nam Walter afstand, terwijl zijn klasgenootjes zich lieten ophitsen door
inheems schorriemorrie met een dun laagje klatergoudvernis dat op De Wielewaal
welig tierde en dat in dit geval Lennart heette. Walter verried de intrigant
vlak voor het slapen gaan aan Thea. Ze streek door zijn krullen en drukte hem
op het hart:
‘Schud het van
je af Walter, altijd van je af.’
Kleuterjuf
Elsje drukte de handpalmen tegen de oren. Horen, zien, zwijgen en dat straalde
ze stilletjes, maar op haar hoede uit op moeder Marloes de logopediste.
Teneinde haar
zoon tegen het derde oog van zijn kleuterjuf en zichzelf te beschermen begon
Marloes andere kinderen in het bijzijn van juf Elsje te bekritiseren. Met name
Walter was in haar ogen een veilig doelwit. Zijn moeder was sowieso een
buitenstaanster en het was niet alsof de logopedistes voor Walter in de rij
hadden gestaan. Om de aandacht nog meer van het asociale gedrag van haar zoon
Lennart af te leiden, klaagde moeder Marloes de logopediste bij Jade de interne
coördinatrice over de gevechten op de speelplaats waarvan Walter de aanvoerder
zou zijn. Jade had wel oren naar de aard van deze beschuldigingen uiteraard.
Van de ene op de andere dag begon Marloes ook de taalontwikkeling van Walter
met juf Elsje te bespreken. Thea was woedend:
‘Ik bespreek
de leerprestaties van Lennart toch ook niet met Elsje.’
‘Oh, dat mag
best hoor, maar ik ben de logopediste van Walter en jij bent niks van mijn
Lennart’, wist Marloes zelfingenomen.
‘Luister eens
Marloes ik ben de moeder van Walter. Hij heeft ook nog een vader en Bart en ik
willen dat je stopt met over onze zoon beslissen.’
‘Nou ja zeg!
Elsje en ik hebben alleen maar opbouwende kritiek op jouw zoon’, smaalde
Marloes.
Ontdaan vocht
Thea terug:
‘Ik wil het
gewoon niet hebben Marloes; voed jij eerst je eigen kleuter maar eens op.
Volgens mij kan Lennart die hoge dosis opbouwende kritiek van jou op Walter
heel goed zelf gebruiken.’
Hierop hield
moeder Marloes de logopediste wijselijk haar mond en beëindigde de confrontatie
met Thea op het speelplein abrupt door vinnig haar kin in de lucht te steken en
weg te lopen. Ook juf Elsje werd door Thea over de kwestie aangesproken:
‘Marloes is
inwisselbaar. Ik heb thuis een lijst met wel twintig logopedisten, dus als er
problemen zijn dan hoor ik het graag. De gang naar een ander is zo
gemaakt. Wel met opgave van reden van de overstap uiteraard.’
Juf Elsje trok
een quasi geschrokken gezicht om aan te geven dat ze niet onder de indruk was
van de hoogdravendheid van Thea. Thea gaf echter geen krimp, waarop juf Elsje
zich gewonnen gaf door in de poppenhoek onder te duiken, terwijl ze schertsend:
‘No
problemos’, riep.
De dag na de
interventie van Thea kwam moeder Marloes de logopediste met het voorstel om
tijdelijk te stoppen met logopedie. Zij en juf Elsje hadden besloten dat het in
het geval van Walter beter was om voor een time-out over te gaan op wekelijkse
fysiotherapie voor kinderen. Door stimulatie van de fijne motoriek van Walter
zou zijn oog-mond coördinatie als vanzelf ook verbeteren.
‘Sinds
wanneer?’
Heimelijk
vroeg Thea zich af:
‘En waarom
zijn we dan niet meteen met fysiotherapie begonnen?’
Maar haar
mening hield ze voor zich. Of ze nou wekelijks een kleine vijftig minuten met
haar zoon in de praktijk van een logopediste of bij een fysiotherapeute moest
doorbrengen; de ziekenkostenpremie moest toch iedere maand betaald worden.
Sterker nog; door marginale toetreding in de zorgsector werd Walter een hoop
gesoebat met extra aandacht, waarvoor geen tijd en geld was, op basisschool De
Wielewaal bespaard. Maar Pleuni, de fysiotherapeute, zag al na vier consulten
geen heil meer in fysiotherapie voor Walter.
‘Hij kan
gewoon alles. Hij zal nooit een topsporter worden; maar wat dat betreft is hij
één van de velen.’
Thea geloofde
Pleuni direct. Ze verontschuldigde zich zelfs voor de verspilde energie.
Tijdens de fysiotherapie met Walter – waarbij blokkentorens gebouwd,
bootjes gevouwen en kleurplaten binnen de lijntjes verfraaid moesten worden –
was het niet ongewoon dat Pleuni naar haar mobiel greep en zich in een
zijkamertje terugtrok om luidkeels andere patiënten te woord te staan. Dat deze
patiënten er heel wat erger aan toe waren dan Walter viel uit de context op de
maken. Hulphonden, rolstoelen, nekbanden, protheses en andere termen uit de
gehandicaptenzorg passeerden de revue. Als fysiotherapeute Pleuni dan weer aan
de werktafel met Walter en een schuldbewuste Thea verscheen dan was ze afwezig
en bezig met echte problemen. Dat snapte zelfs de vijfjarige Walter die sowieso
een pesthekel aan bouwen, vouwen en kleuren had.
Fysiotherapeute
Pleuni drukte Thea op het hart dat Walter toch het beste gebaat was bij
gerichte therapie. Bij logopedie om precies te zijn.
‘Ik zit hier
op advies van zijn logopediste’, protesteerde Thea nog verontwaardigd, omdat ze
vond dat haar zoon en zij van het kastje naar de muur gestuurd werden.
‘Ga jij nou
mijn expertise in twijfel trekken?’, stelde fysiotherapeute Pleuni getriggerd.
Thea nam niet
eens de moeite om fysiotherapeute Pleuni tegen te spreken. Stiekem zat ze er
hard aan te denken om helemaal van alle therapieën voor Walter af te zien, maar
Marloes de logopediste nam al snel na de laatste keer fysiotherapie telefonisch
contact met Thea op om een datum te prikken. Moeder Marloes de logopediste had
het besluit om te stoppen met Walter van fysiotherapeute Pleuni doorgekregen,
maar geen paniek, want inmiddels was zij weer helemaal klaar om met Walter aan
de slag te gaan. Het was voor Thea en Walter zoveel makkelijker om met de
stroom mee te drijven, dan te rebelleren.
Marloes
resideerde niet meer in het activiteitencentrum aan de drukke weg. Haar
tijdelijke huurcontract was om onduidelijke redenen niet verlengd. Walter zou
voortaan taalles in het appartement van Marloes in de wijk van De Wielewaal
krijgen. Net als bij het rigoureuze beluit van fysiotherapeute Pleuni om te
stoppen met hulp aan Walter had Thea wederom geen commentaar. Zij gaf net zo
goed huiswerkbegeleiding bij haar thuis. Ter kostenbesparing. Geen reis- en
extra stookkosten en geen huur voor een speciaal bedrijfspand. Tel uit je
winst! Marloes zou wel dezelfde beweegredenen gehad hebben.
Zelfs toen Marloes meldde dat ze voortaan liever met Walter alleen werkte, dus
niet langer meer in het bijzijn van zijn moeder, ging Thea ten langen leste
akkoord.
‘Want
misschien beïnvloed je hem wel op een verkeerde manier’, verklaarde Marloes de
logopediste zich fijntjes nader.
‘Maar ik blijf
wel in de buurt’, waarschuwde Thea.
‘Tuurlijk, je
kunt wachten in de bijkeuken. Ik zet wel thee voor je klaar’, zuchtte Marloes
de logopediste weinig uitnodigend.
Als een mak
lammetje nam Thea enkele weken plaats in de mini bijkeuken van Marloes de
logopediste op een campingstoel naast een pompende, loeiende en boerende
wasmachine die soms – mocht Marloes de thee tenminste niet vergeten zijn -
diende als een onstabiele tafel voor een dansende beker gevuld met heet water
waarin een zompig zakje dreef. Thea dronk nooit, maar goot het modderkleurige
vocht altijd in een bed met onkruid dat grensde aan de bijkeukendeur naar een
mini stadstuintje. Daarna drapeerde ze het touwtje van het theezakje over de
rand van de lege mok die alweer op het deksel van de wasmachine wipte. Bij
gelegenheid hield ze best van groene thee maar stirred. Not shaken. Ze herkende
geen namen op de verjaardagskalender boven een plank met wasmiddelen; viste de
ereader uit haar schoudertas; en dook telkens zo’n vijfenveertig minuten lang
al lezend en rillend – vanwege de vochtige lucht - in haar overjas, terwijl
Walter met de taaljuf in de huiskamer aan logopedie deed.
‘Kun je geen
vaste stek krijgen in De Wielewaal?’, vroeg Thea eens na weer zo’n sessie in de
bijkeuken van Marloes de logopediste te hebben uitgezeten.
De ogen van de
taaljuf verrieden dat ze niets liever zou wensen, maar ze beweerde:
‘Zo’n directe
confrontatie ligt gevoelig. De meeste ouders van de Wielewaal hebben toch al
moeite om de stap naar logopedie te wagen. Ze mogen zich op geen enkele wijze
in een bepaalde richting geduwd voelen.’
‘Je bedoelt
dat ze je niet als vaste logopediste willen hebben op De Wielewaal?’, vertaalde
Thea in de war.
Bijna direct
had de taaljuf haar weerwoord klaar:
‘Dat is geen
kwestie van willen. Ze mogen zich op De Wielewaal niet vastpinnen op maar één
logopediste. De keuzevrijheid van de patiënten is een groot goed’.
‘Zo kun je het
ook formuleren’, smaalde Thea bij wie het kwartje was gevallen.
Marloes de
logopediste was natuurlijk teruggefloten door haar werkgever – in haar geval de
ziekenkostenverzekeraar - in haar ambities om huislogopediste van De Wielewaal
te worden. Een goudmijntje dat elke vakidioot wel zou willen plunderen. Wie
dacht Marloes de logopediste wel niet dat ze was?
Toch waren er
wel één of twee meer ouderparen van De Wielewaal bereid om de hulp van Marloes
de logopediste in te roepen voor hun kind. Zo werd Gerben een nieuw patiëntje
van Marloes. Gerben was een klasgenootje van Lennart en Walter. Er was niets
mis met hem, maar wel met zijn moeder. Ze was zo’n Wielewaalmama met veel te
veel noten op haar zang. De tegenpool van Thea als het ware en Marloes de
logopediste danste naar de pijpen van de Wielewaalmama als een aapje voor de
orgelman. In het stadspark op weg naar een zoveelste sessie logopedie met
Walter zag Thea ze samen vooruit lopen. De taaljuf keek gestadig naar opzij in
betovering op naar de moeder van Gerben. Thea meende zich later zelfs te
herinneren dat er kwijl uit haar mondhoek droop.
‘Hoi
Marloes!’, riep Walter spontaan op zijn beruchte, Wielewaalonwaardige wijze.
Ontsteld keek
de taaljuf achterom. Ze zag Walter, maar ze groette niet terug. De moeder van
Gerben versnelde haar pas en trok Marloes de logopediste aan de arm mee.
Meteen bij
aanvang van wat zijn eerstvolgende taalles had moeten zijn, haalde Walter de
ongemakkelijke ontmoeting met zijn taaljuf aan:
‘Ik zag je net
in het park. Ik riep je en toen liep je weg. Je was met de mama van Gerben.’
‘O ja, dan heb
ik je niet gezien’, loog Marloes koeltjes en tegen Thea zei ze betrapt:
‘Kom je even
mee de huiskamer in. Ik wil je even spreken.’
‘Commandeer de
hond en blaf zelf’, dacht Thea, terwijl ze zich schrap zette.
Met een
verbolgen blik, kruiste Thea haar onderarmen voor haar borst. Ze voelde de
boosheid ongecontroleerd door haar lijf gieren. Ze hoefde zich niet als oud
vuil te laten behandelen. Ze moest zich verweren. Al was het maar om een
voorbeeld voor Walter te stellen:
‘Je kunt hier
in de hal met me praten. Daarna kun je fatsoenlijk afscheid nemen van mijn
zoon. Walter zal hier niet meer komen.’
Thea schrok
van zichzelf; maar de assertiviteit voelde goed. Walter glipte langs haar af
vanuit de hal via de gang de huiskamer in.
‘Hee, kom jij
eens terug meneertje’, sommeerde Marloes de logopediste tot op het bot
geërgerd, terwijl ze Walter op de voet volgde en hem aan zijn bovenarm terug
naar zijn moeder dreef.
Tot
onredelijke woede van taaljuf Marloes was Walter alvast op een stoel aan de
eiken eettafel in de juiste oefenhouding gaan zitten.
‘Hoe durft
hij’, spotte Thea.
Ze kon wel
janken. Toch bleef ze koppig en wijdbeens in het halletje staan afwachten.
Onaangedaan trok Walter zijn jas van de kapstok weer aan. Alsof hij wilde
zeggen:
‘Nou, dan volg
ik vandaag toch geen taalles. Ook goed!’
Marloes was nu
aan zet:
‘Ja, ik vind
ook dat we beter kunnen stoppen met logopedie. Ik ben eigenlijk wel
uitbehandeld.’
‘Hoezo
uitbehandeld? Zomaar ineens? Of moet Walter plaats maken voor Gerben? Dat zal
je nog duur komen te staan Marloes, want ik durf te wedden dat de ouders van
Gerben niet bereid zijn om 3 jaar lang met jou in zee te gaan. Hoe heb ik zo
stom kunnen zijn.’
Thea stond in
gevecht met zichzelf. Een mooie gelegenheid voor Marloes de logopediste om de
aandacht van haar vreemde paktijken af te leiden:
‘Misschien
moet je eens met Walter naar een keel, neus en oorarts gaan. Ik kan wel een
afspraak voor je regelen?!’
Het pedante
toontje dreef Thea bijna tot lichamelijk geweld. In gedachten telde ze tot tien
voordat ze alsnog tegen Marloes uitvoer:
‘Jij regelt
helemaal niks meer voor mij mevrouw de logopediste. Ik ga zelf wel naar de
huisarts. Ik beloof je dat je vanaf vandaag de titel ‘huislogopediste van De
Wielewaal’ in ieder geval op je buik kunt schrijven. Dat is geen dreigement
maar een belofte waar ik persoonlijk voor in sta. Kom je Walter?’
De adrenaline
pompte door haar lichaam. In een waas van fustratietranen probeerde ze de rits
van de jas van Walter te sluiten. Ondertussen overviel Marloes haar met een
pijnlijke tegenaanval:
‘Pfff, hoe wil
jij voorkomen dat ik huislogopediste van De Wielewaal word? Alleen maar omdat
ik adviseer om met Walter naar een KNO arts te gaan? Je hoort toch zelf dat hij
een spraakgebrek heeft!’
‘Hij heeft
geen spraakgebrek. Hij praat nasaal. Dat is geen spraakgebrek’, praatte Thea op
zichzelf in.
Alsof niet
iedere gek z’n gebrek heeft. In zijn drafje naar buiten struikelde Walter over
de voordeurdrempel. Hij lag languit op zijn buik tussen de herfstbladeren op de
trottoirtegels voor de voordeur. Marloes de logopediste keek toe in het
halletje en produceerde een sarcastisch hikgeluid, terwijl ze in het zicht van
Thea veelbetekenend naar Walter knikte die alweer overeind krabbelde en haar
voormalige patiëntje een flinke trap nagaf door een rotopmerking te plaatsen:
‘Noem het dan
geen spraakgebrek, maar een afwijking!’
Thea schoot
Walter te hulp en veegde straatvuil van zijn ongedeerde lijfje. Zijn typisch
kleuterachtige, warme, zoetzilte, aardse nabijheid bood EHBO troost. Walter
klemde zijn stevige armpjes om haar nek en verkondigde goed verstaanbaar en
onomwonden:
‘Geef niks
hoor mama; komp vanzelf wel goed met mij. Daar hebben we de taaljuf niet voor
nodig zegt papa’.
Bart vond het
allereerste rapport van Walter uit groep 3 een lachertje, maar Thea had moeite
met het in toom houden van haar oerdriften. Meester Gijsbert had het
volgende over de eerste 10 leerweken van Walter – een zesjarig kereltje zonder
strafblad – te melden:
Walter heeft
een flinke achterstand met mondelinge en schriftelijke taal. Hij heeft veel
ondersteuning nodig bij de opdrachten. De ontwikkeling van spelling en de
woordenschat blijft nog achter.
Walter heeft
moeite met een goede omgang met zijn klasgenootjes. Hij reageert heel direct op
andere kinderen. Het kost hem zichtbaar moeite om geconcentreerd, zelfstandig
en netjes te werken. Daar moet nog veel aan verbeterd worden. Hij heeft het
niet makkelijk met de leerstof van met name taal.
‘Een goed
begin is het halve werk’, schamperde Bart.
Thea nam zich
direct voor om haar beklag te doen bij de schoolleiding over het belabberde
beoordelingsvermogen van Gijsbert mede namens de vader van Walter, omdat Bart
geneigd was om in een gesprekje met de schoolleiding de didactische anticipatie
uit de weg te gaan. Wel zou hij Thea op de achtergrond blijven steunen.
‘Al dat
geleuter in de ruimte. Ik ga geen half uur zitten luisteren naar de
rechtvaardiging van een nitwit als zo’n Gijsbert. Desnoods stappen we opnieuw
over op andere basisschool.’
‘Niet weer’,
wanhoopte Thea.
‘Het gaat hier
niet om jou, maar om de kinderen’, vond Bart.
Soms kon Thea
de redenaties van Bart maar moeilijk verdragen. Ook al was ze reddeloos
gevallen voor de ruwe bolster, blanke pit met wie ze meestal een ijzersterke
twee-eenheid vormde. Toch werd ze bij tijd en wijlen overvallen door een
irreële behoefte aan voortkabbelende vanzelfsprekendheid. Zoals in haar
kraamtijd waarin de kinderen en zij vegeteerden in een paralyserende cocon van
slapen en eten, die Bart ’s ochtends geruisloos achter zich liet en ’s avonds,
na zijn werk op het rekencentrum, weer behoedzaam bekroop. Het welzijn van de
kinderen was een wisselwerking tussen de kracht van Bart en de motivatie van
Thea. En andersom. Ze hadden elkaar nooit een rozentuin beloofd.
‘Dit keer ga
ik nog liever de strijd aan dan de kinderen en mezelf weer te moeten
onderwerpen aan de eerste indruk van een derde basisschool. Voorlopig blijven
we zitten waar we zitten’, besloot Thea.
‘Gelijk heb
je; wij krijgen toch overal gezeur’, bedacht Bart zich knarsetandend.
Het
dichtgeslagen schoolrapport van Walter belandde met een klap op de salontafel.
‘Waarom; omdat
we slechte ouders zijn?’
‘Of we nou wel
of geen slechte ouders zijn; we hebben een mening; we laten ons niet suflullen;
dat is het probleem.’
Thea had nog
het meeste moeite met de terughoudendheid van meester Gijsbert jegens haar. Ze
voelde zich door hem genegeerd en niet gerespecteerd als moeder van Walter. In
de eerste acht weken dat meester Gijsbert de depressieve juf van groep 3 verving
had hij Thea nog nooit aangesproken. Terwijl hij wel elke morgen in allerlei
herderlijke discussies verwikkeld was met andere ouders die vlak voor aanvang
van de les, als groupies om een idool, om meester Gijsbert heen zwermden.
Meester Gijsbert had over elk kind wel iets geschikts te missen, behalve over
Walter. En Thea voelde niet de behoefte om zich bij het ouderclubje voor de
deur van het lokaal van groep 3 te scharen. Ze liep mee met Walter en Sabine
omdat het overgrote deel van de kinderen op De Wielewaal – ook in de bovenbouw
- naar hun plaats in de klas begeleid werd door volwassenen.
Betrokkenheid van ouders en verzorgers was het paradepaardje waarmee de school
op de website klantjes wierf. Het krioelde in de gangen van De Wielewaal dan ook
elke morgen van de kakelende wijkbewoners. Het was een hysterische,
ontoegankelijke wanorde waaraan Thea haar kinderen telkens weer, jaar in jaar
uit, noodgedwongen geacht werd bloot te stellen. Omdat het dus echt niet anders
kon moest de intocht van Walter en Sabine op De Wielewaal - met als einddoel
hun kinderstoeltjes in respectievelijk de groepen 3 en 4 - dan maar in
vredesnaam onder het ingetogen toezicht van moeder gebeuren. Thea kon maar
moeilijk geloven dat meester Gijsbert geen enkele van de 40 kansen om haar in
de afgelopen 8 weken aan te spreken over de leerprestaties of
het wangedrag van Walter benut had. Ze vond het niet normaal dat een
invaller, zonder waarschuwing vooraf, haar zoontje van amper zes jaar in een
schoolrapport veroordeeld had tot 8 basisschooljaren lang in de schopstoel van
allerlei peuten, juffen en andere frikken.
De interne
coördinatrice Jade regelde een ‘gesprekje’ met de nieuwe directrice die
onopvallend haar intrek had genomen in het schoolhoofdkantoor nadat directeur
Peter met een hoop afscheidsgedoe De Wielewaal verlaten had. Op het eerste
gezicht leek de directrice, die de naam Willy droeg, geen vrouw waar Thea
makkelijk mee uit de voeten kon. Jade was ook bij de bijeenkomst aanwezig als
een soort intermediair. Nog zo’n dame waar geen land mee te bezeilen was.
Behalve een ongeschreven gebruiksaanwijzing leken ook directrice Willy en de
interne coördinatrice Jade onderling niet veel met elkaar gemeen te
hebben. Directrice Willy was het type mens met een smoezelige
uitstraling. Waarschijnlijk was haar kleding schoon en haar kapsel verzorgd,
maar zo zag Willy er niet uit. Ook had ze de modeterm ‘mix en match’ nogal ruim
geïnterpreteerd. Sommige prints, kleuren en stoffen passen echt niet bij elkaar
en dat soort combinaties schreeuwt om het kledinglabel; smakeloos. Jade
daarentegen had wel naar de adviezen van een winkel juf uit een modezaak
geluisterd. Ze leek een zwaar geparfumeerde etalagepop in een stijlvol
mantelpakje met modieuze details, wat heel ongebruikelijk was voor Jade die –
als ze tenminste niet ziek, zwak of misselijk was – meestal door de schoolgangen
flaneerde in ‘casual’ kleding. Een zwarte polyester stretch broek met daarop
een gelig te heet gewassen lamswollen truitje. Heel wat minder op de heersende
modemores afgestemd. De uiterlijke transformatie van Jade tijdens het gesprekje
met Willy en Thea had natuurlijk alles te maken met een nieuw begin
met verse kansen bij een vrouwelijke, zichtbaar ietwat naïeve, directrice in
plaats van dienstbare Peter waar geen eer aan viel te behalen, omdat hij
stiekem toch een patriarch was geweest die zijn Pappenheimers op De Wielewaal
door en door in de smiezen had gehad.
‘We hebben
even met juf Elsje over Walter gepraat. Ze heeft hem 2 jaar in de
kleutergroepen gehad. Ze zegt dat Walter een heel speciaal jongetje is.’
Directrice
Willy had een timide oogopslag. Alsof ze tegen je opzag. De lady Di look. Later
zou Thea leren hoe vertekenend deze eerste indruk was. Ze sprak heel snel met
een zachte stem. Thea dacht aan kleuterjuf Elsje en haar bemoedigende
werkervaring in verwoestende combinatie met de giftige consideratie met Jade de
interne coördinatrice en consorten. Tijdens de tien minuten gesprekken was
Elsje aldoor alleen maar vriendelijk over Walter geweest. Ze vond hem een
uitgesproken karaktertje:
‘In zijn
bovenkamer is niks mis’, placht Elsje herhaaldelijk over Walter te benadrukken.
Tijdens het
eerste jaar in de kleuterklas dacht Thea dan kriegelig:
‘Nee, waarom
zou er wat mis zijn in zijn bovenkamer?’
Pas in het
tweede kleuterjaar leerde Thea de geheimtaal van Elsje lezen. Walter was zijn
groepsgenootjes mentaal ver vooruit, maar omdat Bart en Thea niet tot de
gevestigde orde van De Wielewaal behoorden, kon en mocht een kind van buiten de
wijk natuurlijk geen bolleboos zijn. Thea kon het niet zoveel schelen. Alhoewel
ze zich wel al begon te ergeren aan de kleintjes die ten koste van Walter – en
Sabine - wel naar voren geschoven werden vanwege zogenaamde topprestaties.
Verworvenheden, die niet zo heel veel met intelligentie te maken hadden, maar
wel aldus gepresenteerd werden door de betreffende ouders en hun volgelingen.
Gesteund door Jade. De interne coördinatrice. Zo was er een
vijfjarig kind dat op commando uit Harry Potter kon voorlezen. Fantastisch.
Maar dan wel alleen bladzijde 104. Ra, ra. Op dezelfde manier kende Sabine het
hele scenario van de Lollifanten uit het koppie. Ze was amper 4 jaar, maar
brabbelde synchroon met de tekenfilmfiguurtjes mee. Ze had de film dan ook pas
50 keer gezien. Walter keek zelden mee. In die periode toerde hij meestal in de
huiskamer rond in zijn loopstoeltje. Na een ontdekkingstocht van een minuut of
dertig parkeerde Walter zijn vervoerstuig in een mega kamerplant in de serre en
viel in slaap. Zodra het tijd was voor zijn fruithapje kon Thea hem standaard
terugvinden in de varen. Een kusje op zijn gekrulde kruintje verstoorde zijn
dagdromen. Met geloken ogen opende hij mechanisch zijn volle lippen. Tussen het
welige groen liet hij de fruitmoes van het plastic haplepeltje probleemloos in
zijn mondje glijden. Hij verroerde zich niet uit zijn slaaphouding en bleef
gerieflijk onderuitgezakt in zijn loopstoeltje hangen. Zijn kuiltjes kin rustte
op de borst. Walter was en is een geboren Bourgondiër. Dat wil echter niet zeggen
dat hij niet bereid is om ergens moeite voor te doen. Alleen staat Walter
zichzelf ook vandaag de dag nog weleens in de weg met zijn koppige motivatie
die alleen in werking treedt als uitsluitend hijzelf – en niet iemand anders;
ook niet van horen zeggen - ergens het nut van inziet. Toen het loopstoeltje
verboden werd door de arts van het consultatiebureau ter stimulatie van de
motoriek van Walter, leerde hij dan ook in een dag lopen. Hij moest wel, want
zijn loopstoeltje was hem ontnomen. Maar het praten vlotte niet, wat overigens
niet betekende dat hij niet communiceerde. Kleine Walter was een inventief
ventje dat op heel veel verschillende manieren zijn zinnetje wist door te
drijven. Op de zeldzame momenten dat hij sprak deed hij dat in prachtige volzinnen.
Maar hij articuleerde beroerd en daarom bezocht hij al vanaf zijn derde
levensjaar een logopediste. Juf Elsje was Godzijdank de goede verstaanster die
maar een half woord nodig heeft, maar de onwetende ouders op De Wielewaal
verstonden Walter niet en dachten dat hij wellicht niet helemaal in orde zou
zijn. Feitelijk werd Walter door buitenstaanders nooit begrepen en wel twintig
keer op een kleuterschooldag werd er door grote mensen aan hem gevraagd:
‘Wat zeg je?
Praat eens wat duidelijker. Ik versta je niet?’
Het kind werd
er moedeloos van en uit frustratie begon hij zijn woorden te roepen, hetgeen
zijn uitspraak ook niet verbeterde natuurlijk. Elsje vroeg zelfs een keer aan
Thea in het bijzijn van Walter:
‘Misschien is
hij doof?’
Waarop Walter
heel duidelijk articuleerde:
‘Ik ben niet
doof!’
Elsje kleurde
tot in haar nek en sloot Walter in haar armen:
‘Dat weet ik
toch gekke vent; dat was maar een grapje hoor.’
Dat was juf
Elsje ten voeten uit. Ze was constant in tweestrijd tussen haar oprechte liefde
voor de kleuters en haar sluimerende behoefte om bij de incrowd van De
Wielewaal te horen. Want aan de sfeer tijdens het brengen en halen van Walter
voelde Thea dat het wezen van haar kind over de tongen van de wijkbewoners
ging. Dat was koren op de molen van de interne coördinatrice Jade natuurlijk
die nog een rekening met Bart en Thea te vereffenen had. Omdat Walter erg snel
groeide was hij tamelijk groot voor zijn kleuterleeftijd en motorisch was hij
iets minder verfijnd dan de gemiddelde vier tot zesjarige uit zijn groep. Op
deze oneffenheid haakte Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal in door
de ontwikkeling van Walter zogenaamd te wantrouwen, teneinde zich te kunnen
wreken op de reputatiemoord die Bart en Thea op haar positie in de
onderwijswereld gepleegd hadden. Zo misbruikte ze haar functie als interne
coördinatrice door kleuterjuf Elsje met de regelmaat van de klok met anonieme
klachten van ouders over Walter te confronteren. Aan de reacties van juf Elsje
kon Thea opmaken dat ze tot vervelends toe bestookt werd door Jade de interne
coördinatrice over Walter. Op een rustig moment met Jade uit de buurt was juf
Elsje namelijk één en al oor over de vorderingen van Walter en vol lof over
zijn gedrag in de groep.
‘Walter is een
lief kereltje; echt een fijne vent met een hart van goud’, beweerde juf Elsje
onder vier ogen met Thea zo stellig dat het wel leek alsof ze een cordon
onzichtbare ouders aan het overtuigen was. Mocht Jade de interne
coördinatrice evenwel op ontelbare andere momenten wel indringend op de
achtergrond aanwezig zijn, dan kon juf Elsje nauwelijks een vriendelijk woord
over Walter over haar lippen krijgen.
‘Walter heeft
gisteren voor het eerst gefietst’, riep Thea bijvoorbeeld vol trots over de
hoofden van andere ouders naar Elsje.
‘Dus?’, wist
juf Elsje tam onder toezicht van de incrowd.
‘Da’s heel
normaal hoor voor een kleuter van vijf jaar.’
Door Thea – de
bron van alle ellende - publieke belachelijk te maken, probeerde juf
Elsje de ergernis over het gezeur over Walter van zich af te schudden. Het
mannetje zelf trof geen blaam. Daar was Elsje teveel kleuterjuf voor. Maar ze
liet zich wel opstoken door vooraanstaande ouders die met man en macht wilden
voorkomen dat hun kinderen besmet werden met het denkbeeldige Waltervirus.
Helaas voor de criticasters lag Walter gunstig in de groep. Hij had de
vriendjes en vriendinnetjes voor het uitzoeken. En zoals een wijs gezegde al
meer dan eens voorspeld heeft:
‘Kinderen en
dronkaards verpersoonlijken de waarheid.’
Juf Elsje
stond officieel in dienst van de kleuters. Niet van de ouders. Van alle
kleuters; dus ook van Walter. Maar nu Walter kleuter af was in groep 3 had
juffrouw Elsje Fiederelsje op De Wielewaal haar handen kennelijk helemaal van
haar voormalige hartendief en diens moeder afgetrokken. Anders zou ze wel in
opstand gekomen zijn tegen de aantijgingen aan het adres van Walter door zijn
invalmeester Gijsbert. Maar ze liet dat lieve kereltje, die fijne vent uit haar
groepen 1 en 2 na 10 weken in groep 3 gewoon afschilderen
als een contactgestoorde, hersenloze agressieveling door een invaller. Juf
Elsje wist net zo goed als Bart en Thea dat Walter geen crimineeltje in de dop
was. Ook niet als zesjarige. Of zoals de directrice Willy zo eufemistisch
weergaf:
‘Elsje vindt
Walter een speciaal jongetje.’
Hierop
verzuchtte Thea:
‘Walter is wel
speciaal, maar niet op de manier waarop jullie bedoelen!’
Directrice
Willy schoot in een lachstuip, maar Jade de interne coördinatrice zei
geschrokken:
‘Ik merk wel
dat je heel boos bent.’
Willy en Thea
keken tegelijkertijd naar haar op met zo’n blik van:
‘Zou je
denken?’
Ineens leek
directrice Willy zich te realiseren dat zij hier de leiding had. Ze trok haar
gezicht in plooi en ze zei plichtsgetrouw:
‘Ik ben
vandaag even in groep 3 gaan kijken bij meester Gijsbert en ik vind dat Walter
er erg ongeïnteresseerd bijzit.’
Als Willy nou
rectrice van een middelbare school in plaats van hoofd van De Wielewaal was en
ze Thea over haar dertienjarige puber en niet over haar zesjarige zoontje had
aangesproken, dan zou haar inschatting van een gebrandmerkte leerling misschien
overtuigend geweest zijn. Maar nog steeds niet erg kies. Met het beeld van haar
nieuwsgierige, vrolijke ventje voor ogen liet Thea dan ook gekwetst haar
verontwaardiging de vrije loop:
‘Hij wil net
zo graag leren als ieder ander kind!’
Een spottend
glimlachje speelde om de mond van directrice Willy.
‘Nou ik heb
dertig jaar voor de klas gestaan voordat ik directrice op De Wielewaal werd en
wij merken hier niets van die zogenaamde motivatie van Walter’, verkondigde ze
triomfantelijk.
Zelfs Jade de
interne coördinatrice schrok van directrice Willy en keek haar
nieuwe baas een paar seconde onderzoekend aan. Zulke dingen zou zelfs Jade de
interne coördinatrice niet openlijk over een kind durven te beweren. Niet op
die botte manier. Thea voelde zich dan ook nog verder in een hoek en dus in de
verdediging gedreven. Ze werd vals.
‘Dan zorg je
maar dat Walter het leuk gaat vinden om te leren. Daar zijn jullie tenslotte
voor.’
‘Niet per sé’,
vond directrice Willy onvermurwbaar.
‘O nee,
misschien moeten we dan eens kijken of de onderwijsinspectie dat ook niet
vindt.’
Aan de reactie
van directrice Willy viel niet meteen op te maken wat de impact van het
dreigement van Thea op haar was, want ze opperde in eerste instantie kalmpjes:
‘We kunnen
kijken of Wilma nog een plekje vrij heeft. Wilma is de remedial teacher. Wij
hebben namelijk een remedial teacher. Zelfs op De Wielewaal.’
Thea boog zich
over de tafel naar de directrice toe. Haar vuurspuwende ogen op een te
verwaarlozen afstand van de beduusde gezichtsuitdrukking van Willy troffen
doel. Met haar rechterwijsvinger klopboorde Thea in op het tafelblad om haar
woorden kracht bij te zetten. Ze leraarde luid en duidelijk:
‘Ik weet wel
zeker dat Wilma van De Wielewaal een plekje vrij heeft. Jullie hebben mijn zoon
voor de leeuwen gegooid en nou zorgen jullie er ook maar voor dat Walter voor
de arena uitgerust wordt.’
Het overmatige
knipperen met haar oogleden bij wijze van reactie zou in de loop van de komende
jaren een typisch zenuwtrekje van de directrice blijken te zijn. Maar op dat
eerste kennismakingsmoment vroeg Thea zich een seconde af of directrice Willy
misschien plotseling last van eventuele contactlenzen gekregen had!? Het
angstige gepiep dat voor een antwoord door moest gaan gaf Thea op dat moment
wel enige genoegdoening. Haar assertieve opstelling liet directrice Willy bij
nader inzien dus toch niet onberoerd:
‘De meeste
ouders willen liever niet dat hun kind remedial teaching krijgt’, lispelde ze.
‘Ik ben niet
iedere ouder’, benadrukte Thea alert, terwijl ze weer normaal ging zitten.
‘Trouwens,
Walter heeft ook logopedie gehad. Da’s ook een soort van remedial teaching
toch?’
‘Ja, dat las
ik in zijn gegevens’, zei Jade de interne coördinatrice blij dat het gesprekje
eindelijk in haar comfortzone terecht was gekomen.
‘De naam van
zijn behandelende logopediste kwam me bekend voor. Zij is toch een
moeder van een kind van De Wielewaal?’
Jade
glunderde.
‘Ja, had ik
dat maar eerder geweten’, meesmuilde Thea.
Toen Walter
drie jaar was had Thea haar peuter aangemeld voor logopedie. Onder het motto
‘baat het niet dan schaadt het niet’ en in de ijdele hoop om de constante druk
van Merel het peuterhoofd (van De Kleine Beer) en de hulpverlening van het
consultatiebureau van de ketel te halen. Met Bart had ze afgesproken dat de
sessies direct door haar afgeblazen zouden worden als Walter hinder van de
extra aandacht mocht ondervinden. Eerst maar eens een logopedist(e) voor Walter
zien te regelen. Bij de gerenommeerde logopedistenpost die Thea op aanraden van
Merel het peuterhoofd had gebeld bleek uit het niets een wachtlijst op te
duiken nadat bekend werd dat Walter naar De Kleine Beer in een achterstandswijk
ging. Desondanks was Thea niet van plan om braaf af te wachten en daarmee de
hulp aan haar zoontje op de lange baan te schuiven. Als de taalontwikkeling van
Walter werkelijk op staande voet verbetering nodig had; waarop Merel het
peuterhoofd tot gekwordens toe bleef hameren, dan was enige ‘urgentie’ van de
hulpverleningsinstanties geen overbodige luxe. Met een engelengeduld belde Thea
de ene na de andere logopedist(e) van de lijst van het consultatiebureau op.
Bij iedere hernieuwde poging gold uit voorzienigheid haar eerste vraag het
bestaan van een eventuele wachtlijst. Kon daar tenminste niet meer op
teruggekomen worden, want geen enkele logopedistenpost had op voorhand een
wachtlijst. Pas als uiteindelijk onherroepelijk het adres van Walter of De
Kleine Beer ter sprake kwam, dan kon het al gauw drie tot vier maanden duren
voordat er een agendagaatje geprikt was voor een intakegesprek. Nummertje tien
was de enige van de lijst die zonder aarzeling toehapte. Ene Marloes. Ze was
een freelance logopediste die ad hoc op verschillende basisscholen actief was
en die Walter zonder meer in haar patiëntenbestand wilde opnemen. Al was het
alleen maar uit chronisch gebrek aan basisinkomsten en beter. Bofte
Marloes even toen bleek dat Walter top fit verzekerd was; hetgeen garant stond
voor vergoeding van een eindeloze reeks logopedistensessies in plaats van het
vaste bedrag voor 13 consulten uit het basispakket.
In het eerste
jaar huisde Marloes in een activiteitencentrum aan de andere kant van de stad
aan een drukke straat. Elke donderdag van het derde levensjaar van Walter vocht
Thea voor een parkeerplaats in de buurt van de logopedistenpraktijk. Daarna de
tocht naar de taaljuf met het kleine knuistje onrustig in haar hand.
‘Ik kan heus
wel praten mama.’
‘Alsof ik dat
niet weet, kleine man! Laat het ook maar horen aan Marloes. Het geeft niet, of
wel?’
‘Mij kan het
niet schelen’, pochte Walter jongensachtig.
En Walter deed
zijn best om zijn uitspraak te verbeteren met begeleiding van de taaljuf en in
het bijzijn van zijn moeder. Marloes was een leuke logopediste. Ze verzon
toegepaste spelletjes en testjes om Walter te stimuleren beter te articuleren.
Hij moest bijvoorbeeld voor een spiegel proberen om – met de handen op de rug -
een nep snor met zijn bovenlip onder de neus te houden, terwijl hij klinkers
produceerde. Dit ter beheersing van zijn fijne motoriek en daarmee van de
plooibaarheid van zijn lippen en de lenigheid van zijn tong. Tijdens zijn
hilarische pogingen gierde Walter van de pret over zijn spiegelbeeld en trok
Marloes, Thea en de nep snor mee de afgrond van de slappe lach in. Thea
herkende veel van haar persoonlijke aanpak in de werkwijze van Marloes. Met dit
verschil dat de pubers van Thea’s Huiswerksterk allang geen peuters of
basisschoolkinderen meer zijn natuurlijk. De uitspraak van Walter verbeterde
dan ook wel enigszins door de logopedie, hoewel zijn woorden erg nasaal bleven
klinken. Alsof hij constant neusverkouden was. Toch wist Walter Marloes keer op
keer te verbazen.
‘Hij begrijpt
alles’, riep Marloes meermaals spontaan uit op een toon alsof ze iets nieuws
vertelde.
Na iedere
herconstatering hield Thea wijselijk haar mond, want Marloes had een zoontje
dat maar één jaar ouder was dan Walter en misschien maar half zo slim. Als het
tenminste op meten en weten aankwam. Ze herinnerde zich nog de gevoeligheid van
ouders over de mentale kwaliteiten van hun kroost uit de kinderjaren van Melvin
en Jasmijn. Gelukkig neemt die sensitiviteit vanzelf af als op de middelbare
school de jongens en meisjes aan zichzelf en het reële verstand worden
overgelaten, maar tot die tijd blijft het toch pappen en nathouden. Voorlopig
zag taaljuf Marloes in Walter echter geen bedreiging voor haar zoontje Lennart.
Want Walter mocht dan misschien wel pienter zijn, maar die slimheid stelde niks
voor in het licht van de beroerde reputatie van de peuterspeelzaal die hij
bezocht. De Kleine Beer was immers onlosmakelijk verbonden met Het
Kleurenpalet. Een zwarte, kansloze basisschool. Walter zou uitgroeien tot het
product van de achterstandswijk waar hij opgroeide. Lennart, de 6 jarige zoon
van taaljuf Marloes daarentegen, ging naar groep 1 van de veelbelovende
basisschool De Wielewaal in de bijbehorende, voortvarende, witte wijk.
Het IQ van
Walter begon voor taaljuf Marloes pas een bedreiging te worden toen Thea en
Bart met hun kinderen onverwacht van Het Kleurenpalet naar De Wielewaal
overliepen. Walter dook ineens in de eerste van de combinatiegroep 1 en 2 bij
juffrouw Elsje op. Op dat moment was Lennart, het zoontje van taaljuf Marloes,
net overgegaan naar het tweede jaar in hetzelfde lokaal van juf Elsje.
‘De wereld
hangt van toevalligheden aan elkaar’, was alles wat taaljuf Marloes
onaangenaam verrast kon uitbrengen bij haar onverwachte confrontatie met de
moeder van haar patiëntje in het kleuterlokaal van juffrouw Elsje.
Thea was net
zo verbaasd geweest:
‘Jij hier?’
Marloes de
taaljuf reageerde woordeloos met zo’n blik van:
‘Jij wist
allang dat mijn zoon op De Wielewaal zat!’
Alsof Thea
bewust met Walter in de voetsporen van Marloes de taaljuf en haar zoon Lennart
was getreden. Hoe boeiend denk je dat je bent?!
Trouwens,
Lennart was een sportieveling. Een ander type kind dan Walter en de twee
jongens lagen elkaar niet. Walter sloot een onstuimige vriendschap met Tim die
tot op de dag van vandaag voortduurt. Ondanks de weerstand van de alleenstaande
moeder van Tim die zijn vanzelfsprekende vriendschap met Walter vanaf het
prille begin in groep 1 heeft proberen te saboteren. Timmetje moest met de
kinderen van de zogeheten jetset optrekken. Een ontgoocheld groepje kinderen
dat eigenlijk niets liever deed dan de opgekropte woede over hun bedilzieke
ouders afreageren door te vechten, oproer te kraaien en relletjes te
schoppen. Op het verjaardagsfeestje van Tim raakte Walter onbedoeld voor het
eerst bij zo’n kindergevecht betrokken. Walter was niet lenig of vlug, maar hij
was groot, sterk en niet bang. Na die eerste keer werd Walter nooit meer op de
verjaardagsfeestjes van zijn maatje Tim gevraagd. Tim ontkwam eenvoudigweg niet
aan de eisen van zijn moeder en als dat keurslijf begon te knellen dan moest
Walter het ontgelden. Tim schopte, stompte en liet zijn beste vriend struikelen
uit pure frustratie, omdat hij van zijn moeder niet mocht zijn wie hij was en
zelf zijn vriendjes niet kon kiezen. Tot grote teleurstelling van Tim gooide
Walter al na de eerste vergeldingsklappen de handdoek in de ring en vond naast
zijn vriend de vechtersbaas andere, meer vredelievende, kameraadjes.
Walter sloeg
nooit uit zichzelf, maar hij mepte wel altijd terug. Hij deelde in de loop van
8 basisschooljaren heel wat rake klappen uit. In het bijzonder aan vier,
kleine, boze excuus Marokkaantjes en twee meeloop klasgenootjes van Turkse
afkomst. Want omdat de wijk ook sociale huurwoningen telde, ontkwam zelfs De
witte Wielewaal niet aan niet-Nederlandse invloeden. Voor 20 procent. De
landelijke limiet. Niet voor 99,9 procent zoals op de zwarte basisschool Het
Kleurenpalet. Op De Wielewaal zouden de kinderen met een niet Nederlandse
achtergrond 8 basisschooljaren lang onbeperkt en publiekelijk in het
wilde weg schelden, tieren en vechten. Recht tegen de politiek correcte wind
die door het gebouw woei in. Met dat ettergedrag waren ze op Het Kleurenpalet
niet ongestraft weggekomen. Op De Wielewaal kneep men echter een oogje toe. De
allochtone agressie werd gedoogd als een rechtvaardiging voor de vele gevechten
op het schoolplein, waarvan de oorzaak natuurlijk nooit bij de eigen witte
kroost lag. Alleen Walter deed niet onder voor de underdog op De Wielewaal. Net
zo makkelijk als de agressievelingen met een niet Nederlandse achtergrond,
beukte hij er openlijk op los, zonder aanzien des persoons, hetgeen hem bij de
jongens uit zijn klas in aanzien deed stijgen. Zonder uitzonderingen. Dus ook
bij zijn klasgenootjes met een niet-Nederlandse achtergrond met wie hij even
goed de grootste lol trapte, nadat ze elkaar alle hoeken van het schoolplein
hadden laten zien.
Ondertussen
was Lennart, de zoon van de taaljuf, aan het voetballen. Lennart was het
visitekaartje van zijn moeder. Hij sprak feilloos en vloeiend algemeen
beschaafd Nederlands. Hij vocht niet en schold niet. Althans niet voor het oog
en oor van zijn moeder Marloes de taaljuf. Soms liet Lennart tijdens het
speelkwartiertje het voetbalspel een momentje voor wat het was om Walter of één
van zijn vriendjes op te stoken:
‘Jij durft
geen kankerhoer naar de juf te roepen.’
‘Dat durven
wij wel!’, riepen de ezelachtigen.
Hoofdschuddend
nam Walter afstand, terwijl zijn klasgenootjes zich lieten ophitsen door
inheems schorriemorrie met een dun laagje klatergoudvernis dat op De Wielewaal
welig tierde en dat in dit geval Lennart heette. Walter verried de intrigant
vlak voor het slapen gaan aan Thea. Ze streek door zijn krullen en drukte hem
op het hart:
‘Schud het van
je af Walter, altijd van je af.’
Kleuterjuf
Elsje drukte de handpalmen tegen de oren. Horen, zien, zwijgen en dat straalde
ze stilletjes, maar op haar hoede uit op moeder Marloes de logopediste.
Teneinde haar
zoon tegen het derde oog van zijn kleuterjuf en zichzelf te beschermen begon
Marloes andere kinderen in het bijzijn van juf Elsje te bekritiseren. Met name
Walter was in haar ogen een veilig doelwit. Zijn moeder was sowieso een
buitenstaanster en het was niet alsof de logopedistes voor Walter in de rij
hadden gestaan. Om de aandacht nog meer van het asociale gedrag van haar zoon
Lennart af te leiden, klaagde moeder Marloes de logopediste bij Jade de interne
coördinatrice over de gevechten op de speelplaats waarvan Walter de aanvoerder
zou zijn. Jade had wel oren naar de aard van deze beschuldigingen uiteraard.
Van de ene op de andere dag begon Marloes ook de taalontwikkeling van Walter
met juf Elsje te bespreken. Thea was woedend:
‘Ik bespreek
de leerprestaties van Lennart toch ook niet met Elsje.’
‘Oh, dat mag
best hoor, maar ik ben de logopediste van Walter en jij bent niks van mijn
Lennart’, wist Marloes zelfingenomen.
‘Luister eens
Marloes ik ben de moeder van Walter. Hij heeft ook nog een vader en Bart en ik
willen dat je stopt met over onze zoon beslissen.’
‘Nou ja zeg!
Elsje en ik hebben alleen maar opbouwende kritiek op jouw zoon’, smaalde
Marloes.
Ontdaan vocht
Thea terug:
‘Ik wil het
gewoon niet hebben Marloes; voed jij eerst je eigen kleuter maar eens op.
Volgens mij kan Lennart die hoge dosis opbouwende kritiek van jou op Walter
heel goed zelf gebruiken.’
Hierop hield
moeder Marloes de logopediste wijselijk haar mond en beëindigde de confrontatie
met Thea op het speelplein abrupt door vinnig haar kin in de lucht te steken en
weg te lopen. Ook juf Elsje werd door Thea over de kwestie aangesproken:
‘Marloes is
inwisselbaar. Ik heb thuis een lijst met wel twintig logopedisten, dus als er
problemen zijn dan hoor ik het graag. De gang naar een ander is zo
gemaakt. Wel met opgave van reden van de overstap uiteraard.’
Juf Elsje trok
een quasi geschrokken gezicht om aan te geven dat ze niet onder de indruk was
van de hoogdravendheid van Thea. Thea gaf echter geen krimp, waarop juf Elsje
zich gewonnen gaf door in de poppenhoek onder te duiken, terwijl ze schertsend:
‘No
problemos’, riep.
De dag na de
interventie van Thea kwam moeder Marloes de logopediste met het voorstel om
tijdelijk te stoppen met logopedie. Zij en juf Elsje hadden besloten dat het in
het geval van Walter beter was om voor een time-out over te gaan op wekelijkse
fysiotherapie voor kinderen. Door stimulatie van de fijne motoriek van Walter
zou zijn oog-mond coördinatie als vanzelf ook verbeteren.
‘Sinds
wanneer?’
Heimelijk
vroeg Thea zich af:
‘En waarom
zijn we dan niet meteen met fysiotherapie begonnen?’
Maar haar
mening hield ze voor zich. Of ze nou wekelijks een kleine vijftig minuten met
haar zoon in de praktijk van een logopediste of bij een fysiotherapeute moest
doorbrengen; de ziekenkostenpremie moest toch iedere maand betaald worden.
Sterker nog; door marginale toetreding in de zorgsector werd Walter een hoop
gesoebat met extra aandacht, waarvoor geen tijd en geld was, op basisschool De
Wielewaal bespaard. Maar Pleuni, de fysiotherapeute, zag al na vier consulten
geen heil meer in fysiotherapie voor Walter.
‘Hij kan
gewoon alles. Hij zal nooit een topsporter worden; maar wat dat betreft is hij
één van de velen.’
Thea geloofde
Pleuni direct. Ze verontschuldigde zich zelfs voor de verspilde energie.
Tijdens de fysiotherapie met Walter – waarbij blokkentorens gebouwd,
bootjes gevouwen en kleurplaten binnen de lijntjes verfraaid moesten worden –
was het niet ongewoon dat Pleuni naar haar mobiel greep en zich in een
zijkamertje terugtrok om luidkeels andere patiënten te woord te staan. Dat deze
patiënten er heel wat erger aan toe waren dan Walter viel uit de context op de
maken. Hulphonden, rolstoelen, nekbanden, protheses en andere termen uit de
gehandicaptenzorg passeerden de revue. Als fysiotherapeute Pleuni dan weer aan
de werktafel met Walter en een schuldbewuste Thea verscheen dan was ze afwezig
en bezig met echte problemen. Dat snapte zelfs de vijfjarige Walter die sowieso
een pesthekel aan bouwen, vouwen en kleuren had.
Fysiotherapeute
Pleuni drukte Thea op het hart dat Walter toch het beste gebaat was bij
gerichte therapie. Bij logopedie om precies te zijn.
‘Ik zit hier
op advies van zijn logopediste’, protesteerde Thea nog verontwaardigd, omdat ze
vond dat haar zoon en zij van het kastje naar de muur gestuurd werden.
‘Ga jij nou
mijn expertise in twijfel trekken?’, stelde fysiotherapeute Pleuni getriggerd.
Thea nam niet
eens de moeite om fysiotherapeute Pleuni tegen te spreken. Stiekem zat ze er
hard aan te denken om helemaal van alle therapieën voor Walter af te zien, maar
Marloes de logopediste nam al snel na de laatste keer fysiotherapie telefonisch
contact met Thea op om een datum te prikken. Moeder Marloes de logopediste had
het besluit om te stoppen met Walter van fysiotherapeute Pleuni doorgekregen,
maar geen paniek, want inmiddels was zij weer helemaal klaar om met Walter aan
de slag te gaan. Het was voor Thea en Walter zoveel makkelijker om met de
stroom mee te drijven, dan te rebelleren.
Marloes
resideerde niet meer in het activiteitencentrum aan de drukke weg. Haar
tijdelijke huurcontract was om onduidelijke redenen niet verlengd. Walter zou
voortaan taalles in het appartement van Marloes in de wijk van De Wielewaal
krijgen. Net als bij het rigoureuze beluit van fysiotherapeute Pleuni om te
stoppen met hulp aan Walter had Thea wederom geen commentaar. Zij gaf net zo
goed huiswerkbegeleiding bij haar thuis. Ter kostenbesparing. Geen reis- en
extra stookkosten en geen huur voor een speciaal bedrijfspand. Tel uit je
winst! Marloes zou wel dezelfde beweegredenen gehad hebben.
Zelfs toen Marloes meldde dat ze voortaan liever met Walter alleen werkte, dus
niet langer meer in het bijzijn van zijn moeder, ging Thea ten langen leste
akkoord.
‘Want
misschien beïnvloed je hem wel op een verkeerde manier’, verklaarde Marloes de
logopediste zich fijntjes nader.
‘Maar ik blijf
wel in de buurt’, waarschuwde Thea.
‘Tuurlijk, je
kunt wachten in de bijkeuken. Ik zet wel thee voor je klaar’, zuchtte Marloes
de logopediste weinig uitnodigend.
Als een mak
lammetje nam Thea enkele weken plaats in de mini bijkeuken van Marloes de
logopediste op een campingstoel naast een pompende, loeiende en boerende
wasmachine die soms – mocht Marloes de thee tenminste niet vergeten zijn -
diende als een onstabiele tafel voor een dansende beker gevuld met heet water
waarin een zompig zakje dreef. Thea dronk nooit, maar goot het modderkleurige
vocht altijd in een bed met onkruid dat grensde aan de bijkeukendeur naar een
mini stadstuintje. Daarna drapeerde ze het touwtje van het theezakje over de
rand van de lege mok die alweer op het deksel van de wasmachine wipte. Bij
gelegenheid hield ze best van groene thee maar stirred. Not shaken. Ze herkende
geen namen op de verjaardagskalender boven een plank met wasmiddelen; viste de
ereader uit haar schoudertas; en dook telkens zo’n vijfenveertig minuten lang
al lezend en rillend – vanwege de vochtige lucht - in haar overjas, terwijl
Walter met de taaljuf in de huiskamer aan logopedie deed.
‘Kun je geen
vaste stek krijgen in De Wielewaal?’, vroeg Thea eens na weer zo’n sessie in de
bijkeuken van Marloes de logopediste te hebben uitgezeten.
De ogen van de
taaljuf verrieden dat ze niets liever zou wensen, maar ze beweerde:
‘Zo’n directe
confrontatie ligt gevoelig. De meeste ouders van de Wielewaal hebben toch al
moeite om de stap naar logopedie te wagen. Ze mogen zich op geen enkele wijze
in een bepaalde richting geduwd voelen.’
‘Je bedoelt
dat ze je niet als vaste logopediste willen hebben op De Wielewaal?’, vertaalde
Thea in de war.
Bijna direct
had de taaljuf haar weerwoord klaar:
‘Dat is geen
kwestie van willen. Ze mogen zich op De Wielewaal niet vastpinnen op maar één
logopediste. De keuzevrijheid van de patiënten is een groot goed’.
‘Zo kun je het
ook formuleren’, smaalde Thea bij wie het kwartje was gevallen.
Marloes de
logopediste was natuurlijk teruggefloten door haar werkgever – in haar geval de
ziekenkostenverzekeraar - in haar ambities om huislogopediste van De Wielewaal
te worden. Een goudmijntje dat elke vakidioot wel zou willen plunderen. Wie
dacht Marloes de logopediste wel niet dat ze was?
Toch waren er
wel één of twee meer ouderparen van De Wielewaal bereid om de hulp van Marloes
de logopediste in te roepen voor hun kind. Zo werd Gerben een nieuw patiëntje
van Marloes. Gerben was een klasgenootje van Lennart en Walter. Er was niets
mis met hem, maar wel met zijn moeder. Ze was zo’n Wielewaalmama met veel te
veel noten op haar zang. De tegenpool van Thea als het ware en Marloes de
logopediste danste naar de pijpen van de Wielewaalmama als een aapje voor de
orgelman. In het stadspark op weg naar een zoveelste sessie logopedie met
Walter zag Thea ze samen vooruit lopen. De taaljuf keek gestadig naar opzij in
betovering op naar de moeder van Gerben. Thea meende zich later zelfs te
herinneren dat er kwijl uit haar mondhoek droop.
‘Hoi
Marloes!’, riep Walter spontaan op zijn beruchte, Wielewaalonwaardige wijze.
Ontsteld keek
de taaljuf achterom. Ze zag Walter, maar ze groette niet terug. De moeder van
Gerben versnelde haar pas en trok Marloes de logopediste aan de arm mee.
Meteen bij
aanvang van wat zijn eerstvolgende taalles had moeten zijn, haalde Walter de
ongemakkelijke ontmoeting met zijn taaljuf aan:
‘Ik zag je net
in het park. Ik riep je en toen liep je weg. Je was met de mama van Gerben.’
‘O ja, dan heb
ik je niet gezien’, loog Marloes koeltjes en tegen Thea zei ze betrapt:
‘Kom je even
mee de huiskamer in. Ik wil je even spreken.’
‘Commandeer de
hond en blaf zelf’, dacht Thea, terwijl ze zich schrap zette.
Met een
verbolgen blik, kruiste Thea haar onderarmen voor haar borst. Ze voelde de
boosheid ongecontroleerd door haar lijf gieren. Ze hoefde zich niet als oud
vuil te laten behandelen. Ze moest zich verweren. Al was het maar om een
voorbeeld voor Walter te stellen:
‘Je kunt hier
in de hal met me praten. Daarna kun je fatsoenlijk afscheid nemen van mijn
zoon. Walter zal hier niet meer komen.’
Thea schrok
van zichzelf; maar de assertiviteit voelde goed. Walter glipte langs haar af
vanuit de hal via de gang de huiskamer in.
‘Hee, kom jij
eens terug meneertje’, sommeerde Marloes de logopediste tot op het bot
geërgerd, terwijl ze Walter op de voet volgde en hem aan zijn bovenarm terug
naar zijn moeder dreef.
Tot
onredelijke woede van taaljuf Marloes was Walter alvast op een stoel aan de
eiken eettafel in de juiste oefenhouding gaan zitten.
‘Hoe durft
hij’, spotte Thea.
Ze kon wel
janken. Toch bleef ze koppig en wijdbeens in het halletje staan afwachten.
Onaangedaan trok Walter zijn jas van de kapstok weer aan. Alsof hij wilde
zeggen:
‘Nou, dan volg
ik vandaag toch geen taalles. Ook goed!’
Marloes was nu
aan zet:
‘Ja, ik vind
ook dat we beter kunnen stoppen met logopedie. Ik ben eigenlijk wel
uitbehandeld.’
‘Hoezo
uitbehandeld? Zomaar ineens? Of moet Walter plaats maken voor Gerben? Dat zal
je nog duur komen te staan Marloes, want ik durf te wedden dat de ouders van
Gerben niet bereid zijn om 3 jaar lang met jou in zee te gaan. Hoe heb ik zo
stom kunnen zijn.’
Thea stond in
gevecht met zichzelf. Een mooie gelegenheid voor Marloes de logopediste om de
aandacht van haar vreemde paktijken af te leiden:
‘Misschien
moet je eens met Walter naar een keel, neus en oorarts gaan. Ik kan wel een
afspraak voor je regelen?!’
Het pedante
toontje dreef Thea bijna tot lichamelijk geweld. In gedachten telde ze tot tien
voordat ze alsnog tegen Marloes uitvoer:
‘Jij regelt
helemaal niks meer voor mij mevrouw de logopediste. Ik ga zelf wel naar de
huisarts. Ik beloof je dat je vanaf vandaag de titel ‘huislogopediste van De
Wielewaal’ in ieder geval op je buik kunt schrijven. Dat is geen dreigement
maar een belofte waar ik persoonlijk voor in sta. Kom je Walter?’
De adrenaline
pompte door haar lichaam. In een waas van fustratietranen probeerde ze de rits
van de jas van Walter te sluiten. Ondertussen overviel Marloes haar met een
pijnlijke tegenaanval:
‘Pfff, hoe wil
jij voorkomen dat ik huislogopediste van De Wielewaal word? Alleen maar omdat
ik adviseer om met Walter naar een KNO arts te gaan? Je hoort toch zelf dat hij
een spraakgebrek heeft!’
‘Hij heeft
geen spraakgebrek. Hij praat nasaal. Dat is geen spraakgebrek’, praatte Thea op
zichzelf in.
Alsof niet
iedere gek z’n gebrek heeft. In zijn drafje naar buiten struikelde Walter over
de voordeurdrempel. Hij lag languit op zijn buik tussen de herfstbladeren op de
trottoirtegels voor de voordeur. Marloes de logopediste keek toe in het
halletje en produceerde een sarcastisch hikgeluid, terwijl ze in het zicht van
Thea veelbetekenend naar Walter knikte die alweer overeind krabbelde en haar
voormalige patiëntje een flinke trap nagaf door een rotopmerking te plaatsen:
‘Noem het dan
geen spraakgebrek, maar een afwijking!’
Thea schoot
Walter te hulp en veegde straatvuil van zijn ongedeerde lijfje. Zijn typisch
kleuterachtige, warme, zoetzilte, aardse nabijheid bood EHBO troost. Walter
klemde zijn stevige armpjes om haar nek en verkondigde goed verstaanbaar en
onomwonden:
‘Geef niks
hoor mama; komp vanzelf wel goed met mij. Daar hebben we de taaljuf niet voor
nodig zegt papa’.
HOOFDSTUK 9
‘Kijk even
mee’, gebiedt Thea.
Ze scrolt met
haar roze muis door de online huiswerkhulpagenda op de pc in de huiskamer.
‘Nou, even
dan’, belooft Melvin.
Twee seconde
blijft hij achter haar staan. Dan raakt hij afgeleid door de modeaccessoires
die Thea op de salontafel heeft uitgestald met de bedoeling om ze te
fotograferen voor de verkoop op haar webshop in retrospullen. Melvin plaatst
een fluwelen sieradendoosje op de palm van zijn hand. Omzichtig opent hij het
kleinood.
‘Wauw vette
klokjes!’
Zijn ogen
rollen bijna uit de kassen.
‘Dan zijn
manchetknopen’, legt Thea afgeleid uit.
‘Wat zijn dat
dan manchetknopen?’
‘Manchetknopen
draag je door de gaten in polsboorden van een herenblouse.’
Nu focust Thea
zich helemaal op Melvin door met de zitting van haar bureaustoel in zijn
richting te draaien. Eigenlijk heeft ze net zo min als Melvin zin om zich met
Huiswerksterk bezig te houden. Ze had zich net zo verheugd op het verkoop klaar
maken van haar nieuwe koopwaar.
‘Dat heb ik
weleens gezien bij een tuxedo’, roept Melvin blij als een kind op het feest van
herkenning.
‘Een kostuum
bedoel je’, verbetert de schooljuf in Thea.
‘Als
eyecatchers dan, maar nooit als kleine horloges. Werken die ieniemienie
klokjes?’
‘Dat denk ik
wel; er moeten van die minuscule batterijtjes in.’
‘Hoe kom je
eraan’, vraagt Melvin op een samenzweerdige toon.
‘Hoe bedoel
je; hoe kom ik eraan?’
‘Het
inkoopadres?’
‘Ik heb
contacten, maar niet in het criminele milieu; eerder met de milieustraat.’
‘Good for
you.’
Melvin meent
wat hij zegt. Zijn ogen strelen de manchetknopen in het geopende sieradendoosje
op zijn opgehouden handpalm. Thea veinst dat ze zich niet ongemakkelijk
voelt met de vreemde opstelling van haar voormalige oppaskind. Ze
kan een niet gerelateerde tiener van bijna achttien moeilijk op zijn gedrag
aanspreken. Wel normaliseert ze haar spreektoon en verklaart zich nader:
‘Ik word
gebeld als er nieuwe tweedehandsspullen binnengekomen zijn. Of soms wordt er
gratis een complete inboedel achtergelaten. Mensen gaan naar een
bejaardentehuis of komen te overlijden. Die manchetknopen zullen wel van een
bejaarde man afkomen.’
‘Nee, dan is
het goed. Niet dat ik die dingen straks voor vijf euro ook bij de Action kan
kopen.’
‘Ja, dat is
het risico van het vak. Al zie ik dat met deze arbeidsintensieve luxe knopen
niet zo snel gebeuren. Wat moet een jonge gast als jij überhaupt met
manchetknopen?
Melvin negeert
de bemoeizucht van Thea:
‘Is het goud
denk je?’
‘Verguld.’
‘Mooi met dat
blauw en dat analoge uurwerk’.
‘En dan die
Romeinse tijdsaanduiding’, dikt Thea de admiratie van Melvin plagerig aan.
‘Wat moet je
ervoor hebben?’
‘Ja, wel meer
dan jij kunt betalen.’
Melvin trekt
zijn wenkbrauwen nadrukkelijk omhoog en vraagt:
‘Kun jij soms
in m’n poeplap kijken?’
‘Liever niet’.
Thea trekt een
vies gezicht.
‘Luister
Melvin ik zal eerlijk tegen je zijn; de inkoopprijs was al dertig euro.’
Het
sieradendoosje wordt met een klik dichtgeklapt en verdwijnt in de jaszak van
Melvin. Aansluitend peutert Melvin moeizaam een bankbiljet uit een opeengeperst
pakketje van wel tien gelijksoortige briefjes in een platvink uit de achterzak
van altijd weer dezelfde designersjeans waarin Thea hem inmiddels
kan uittekenen.
‘Is vijftig
euro genoeg? Da’s veertig procent winst en geen overheadskosten!’
‘Zo
zakenheertje’, smaalt Thea, terwijl ze het geld aarzelend in ontvangst neemt.
‘Krantenwijkje?’
‘Doe normaal
Thea’, grauwt Melvin heetgebakerd.
Voor Thea
reden genoeg om pregnant met het briefje van vijftig te wapperen:
‘Hoe kom je
aan al die flappen in je poeplap Melvin?’, sart Thea met de nadruk op
‘poeplap’.
‘Zakgeld’,
antwoordt Melvin gekalmeerd.
‘Van Pim en
Femke?’, hoont Thea?
‘Kan toch’,
schokschoudert Melvin.
‘Nee, dat kan
niet’, weet Thea stellig.
‘Waarom
niet?’, vraagt Melvin op een dermate onnozele toon dat het wel lijkt alsof hij
wil weten waarom zijn leugen niet voor de waarheid kan doorgaan.
‘Je mag van
Femke niet eens elke dag douchen, omdat ze de maandelijkse lasten van gas,
water en elektriciteit probeert te minimaliseren.’
Melvin
meesmuilt instemmend:
‘Dan heb ik
het van Beau’, liegt hij.
‘Van Beau? Van
je moeder? Dus jouw moeder stuurt een pakketje van zo’n tien briefjes van 50
euro vanuit Engeland? Nog geen vijf minuten geleden zit je aan de keukentafel
te verkondigen dat je niets met je moeder te maken wil hebben, omdat ze
samenwoont met iemand die dertig jaar jonger is dan zij.’
‘Minstens’,
knarsetandt Melvin.
‘Ik wist niet
dat een bed en breakfast zo lucratief was tegenwoordig.’
Thea is
duidelijk niet van plan op te geven, maar Melvin is minder standvastig. Hij
slaakt een diepe zucht, begraaft onrustige handen in de steekzakken van zijn
jack en bekent gelaten:
‘Ik doe
weleens wat voor iemand en die persoon die betaalt goed.’
‘De
overbuurman?’
‘Je zit op het
randje Thea.’
‘Dus je geeft
het toe?’
‘Alleen als ik
zijn laptop zolang hier mag laten.’
‘Vanwege de
politie?’
‘Mag het?’
‘Waar is die
laptop nu?’
‘In de pukkel
op de keukentafel.’
De
politiewagen is weg. Het huis van de overbuurman ziet er verlaten uit. Waar
haalt die man de financiën vandaan om een jongen van zeventien dusdanig met
contanten te overladen dat het ventje van pure overdaad met geld gaat lopen
strooien? Thea heeft haar valsgeldpen al op het bankbiljet losgelaten. Melvin
heeft betaald met een briefje van vijftig echte euro’s. Misschien is het niet
eens zijn eigen geld en heeft de overbuurman de bankbiljetten gewoon aan Melvin
in bewaring gegeven. Om de politie voor te zijn. Net als de zilverkleurige
laptop die nu gesloten op de salontafel ligt te schitteren in de verblindende,
penetrante herfstzon door het huiskamerraam.
‘Zo, nieuwe
laptop’, merkt Walter meteen bij binnenkomst op.
Sabine kijkt
over zijn schouder mee. Thea werkt nog steeds aan de promotie van de artikelen
uit haar webshop op de pc. Ze wacht even met antwoorden totdat Sabine haar
oortjes losgepeuterd heeft en net zo makkelijk haar broertje napraat zonder het
zelf in de gaten te hebben:
‘Zo, nieuwe
laptop?’
‘Dat is een
laptop van de overbuurman.’
‘Issie
kapot?’, vraagt Walter in de veronderstelling dat zijn vader of hij dan wel
weer geacht wordt om tegen een kleine vergoeding in actie te komen.
Sabine ploft
op de bank en richt zich op haar mobiel:
‘Ik heb
honger’, deelt ze mee.
‘Melvin vroeg
of we de laptop zolang voor de overbuurman wilden bewaken’, legt Thea uit.
‘En dat willen
wij omdat?’, vraagt Walter bijdehand.
Hij loopt naar
de salontafel, gaat door de knieën, licht de laptop op
en inspecteert de buitenkant van onder tot boven en weer terug.
‘De politie
was aan de overkant.’
‘Nice’,
becommentarieert Sabine.
Ze kijkt even
op van haar mobiel. Haar rechterduim appt onafgebroken verder. In een
duizelingwekkend tempo.
‘Sinds wanneer
heulen wij met de vijand?’, lacht Walter schalks.
Voorzichtig
legt hij de laptop terug te rusten op de salontafel.
‘Dat is een
Sony. Een duur ding. Een VAIO.’
‘Zou de
overbuurman geld hebben?’, peinst Thea.
‘Met een BMW
voor de deur? Neuh, echt wel’, schampert Sabine al append.
‘Heeft hij een
BMW dan? Wat zou de politie eigenlijk bij hem gezocht hebben?’
‘Ik denk een
laptop’, merkt Walter droog op.
Thea laat haar
fantasie de vrije loop en draaft meteen door:
‘Ik hoop niets
met kinderporno, want daaraan wil ik nooit van m’n leven medeplichtig zijn.’
‘Te laat; je
hebt al bewijsmateriaal verdonkeremaand’, overdrijft Sabine en ze herhaalt:
‘Mam, ik heb
honger.’
‘Je bent toch
hopelijk nog steeds wel in staat om een boterham voor jezelf smeren!’
Thea vraagt
naar de bekende weg.
‘Ik hoopte op
zo’n lekkere tosti van jou’, paait Sabine.
Ze glimlacht
er beminnelijk bij.
‘Ik ook’, vult
Walter aan.
Zuchtend maakt
Thea aanstalten om zich naar de keuken te begeven. Onderweg richt ze zich voor
de flauwekul tot Walter en schertst:
‘Dan kun jij
ondertussen mooi inbreken op zijn laptop. Kunnen we die viezerik van de
overkant voor de lunch toch nog even ontmaskeren. Want die politiepet past ons
allemaal.’
‘Easypeasie’,
bekent Walter,
‘Echt?’
Thea is van
haar stuk gebracht. De jeugd van tegenwoordig is toch ook tot alles in staat.
‘Consider it
done’, belooft Walter en voegt de daad bij het woord.
De huisarts
leek kleine Walter zowaar te mogen, hetgeen Thea wel begreep, maar verbaasde na
alle kritiek die haar zoon met zijn schamele 5 jaren levenservaring al te
verduren had gehad. Voorzichtig liet Thea haar strijdvaardigheid enigszins
varen.
‘Hoe is het
met jou Walter?’, vroeg de huisarts op een ongekunstelde toon die als
welgemeende interesse klonk.
Het kleine
jongetje in de enorme stoel naast Thea, met de mollige beentjes recht voor zich
uitgestrekt op de zitting en de potige vingertjes aaneengehaakt voor zijn bolle
buikje reageerde intuïtief:
‘Nou, ik ben
wel gelukkig.’
‘Hoor je dat
nasale in zijn uitspraak?’
Dat was Thea,
terwijl ze de vloeibare ontroering in haar ogen over de levensvreugde van haar
zoon hoopte weg te slikken door zich te concentreren op haar verslag van haar
avontuur met moeder Marloes de logopediste. De huisarts knikte vertederd,
terwijl Thea begon te ratelen.
‘Ik wil best
met Walter naar de KNO-arts, maar dan wel met een doorverwijzing van een
huisarts en niet gestuurd door het natte vingerwerk van een geflipte
logopediste.’
Hier bracht de
huisarts met een stopteken - een vlakke hand in de lucht - Thea tot een abrupte
spreekpauze. Thea zweeg gepikeerd, hetgeen de huisarts min of meer op haar
fatsoen trok:
‘Sorry dat ik
je onderbreek, maar ik ken het verhaal al een beetje van de andere kant. De
logopediste – die Marloes - heeft mij een brief gestuurd.’
‘O ja, een
verhaal heeft altijd twee kanten. Dat was ik even vergeten’, schamperde Thea.
Ter
verduidelijking van haar punt draaide de huisarts het
beeldscherm in het zicht van Thea.
‘Ik ben als
huisarts verplicht om jou – als patiënt - van de aanwezigheid van de
brief als ook van de inhoud op de hoogte stellen. De logopediste heeft met het
versturen van deze brief buiten medeweten van jullie – de ouders
- in feite een strafbaar feit begaan. Het staat Bart en jou vrij om
een klacht tegen haar in te dienen.’
‘Alweer een
schending van onze privacy! Bart en ik hebben het er maar druk mee’, hoonde
Thea.
In gedachte
ging ze weer even kort terug naar Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer en
haar illegale onderonsje met Jade de coördinatrice van De Wielewaal, waar de
huisarts uiteraard geen weet van had. De huisarts op haar beurt besloot om niet
verder te graven op basis van vage verwijzingen. De ogen van Thea vlogen
ondertussen over de brief van moeder Marloes de logopediste op het beeldscherm.
Ze las
zelfbeklag, maar Godzijdank geen valse beschuldigingen aan het adres van
Walter. Geen woord over zijn zogeheten afwijking. Geen vermelding van een
vermeende abnormaliteit. Niets over een ongeneselijk spraakgebrek. Geen
wildwest diagnose. Uit de compromisloze strekking van de brief viel wel
duidelijk op te maken dat moeder Marloes de logopediste voornamelijk haar eigen
straatje trachtte schoon te vegen. Zo te lezen had de logopediste wel het één
en ander te verdedigen en zelfs te verbergen. Thea begon zelfs te vermoeden dat
Marloes de ziekenkostenverzekeraar getild had. Het feit dat de logopediesessies
van Walter voor de volle honderd procent en onbeperkt vergoed werden door de
verzekeraar was vrij uitzonderlijk. Bart en Thea betaalden zich maandelijks
niet voor niks in het rood aan premies voor allerlei eventuele, aanvullende
behandelingen. Temeer daar het basispakket standaard 10 taallessen uitkeerde.
Meer zat er kennelijk dan ook niet in voor Gerben, het klasgenootje van Lennart
en Walter, dat exact na 10 keer was uitbehandeld bij de taaljuf. Dat had Thea
nog op een doordeweekse morgen tijdens het naar school brengen van Walter bij
de gewichtige moeder van Gerben nagevraagd. Thea sprak haar expres aan in het
bijzijn van bijna alle ouders en verzorgers van de kleuters van groep 1 en 2
van juffrouw Elsje. Op die manier konden alle aanwezige volwassenen tenminste
meekrijgen dat niet alleen Walter weleens over een woordje struikelde en dat
meerdere kleuters extra ondersteuning nodig hebben.
‘Nou ‘nodig
hebben’; Gerben is al klaar hoor’, fluisterde zijn moeder gekrenkt.
Ze voelde zich
merkbaar geschoffeerd door de impulsiviteit van Thea. Alsof logopedie een
schande was! De moeder van Gerben keek weg van Thea en verwijtend in de
richting van moeder Marloes de logopediste die net op dat moment niet toevallig
volledig in haar zoontje Lennart opging.
‘Ik ben
1,2,3,4,5,6,7,8,9,10 keer naar Marloes geweest’, telde Gerben uit volle borst.
Hij hief twee
handen met gespreide vingers in de lucht. Ter illustratie. Hij sloot af met een
dansje. Een soort moonwalk in het centrum van de kring. Juffrouw Elsje was
onder de indruk en klapte enthousiast in haar handen. Een deel van de ouders
volgden uit piëteit met de moeder van Gerben die een kind had met een
logopedieverleden. Een gedoogapplausje vulde het kleuterlokaal.
Gerben was dus
al na 10 keer taalvaardig, terwijl Walter al wel 10 keer zoveel taallessen
achter de rug had. Zoveel verschil in spreekvaardigheid was er echter niet
tussen Walter en Gerben. Op het eerste gehoor dan ook vreemd dat voor Gerben
wel en Walter niet een einde aan de taalsessies was gekomen. Of toch niet.
Moeder Marloes de logopediste had immers bij Walter en niet bij Gerben vrij
spel om voor onbepaalde tijd allerlei toeters en bellen uit de kast te kunnen
trekken en bij de ziekenkostenverzekeraar op naam van zijn ouders - Bart en
Thea - te kunnen claimen. Zeker nadat Walter niet langer het
activiteitencentrum – waar de logopediste nog enigszins door collega’s
gecontroleerd werd -, maar de comfortzone van haar huis binnentrad.
Verachtelijk, maar niet de energie van een klacht waard. Murw schoof Thea het
beeldscherm weer in de originele stand.
‘Wat is de
reden van deze brief?’
De huisarts
antwoordde niet. Beroepshalve kon en mocht ze geen partij trekken, maar ze
bleef Thea over de rand van haar bril veelzeggend aankijken. Aanleiding voor
Thea om het vuurtje nog een beetje aan te wakkeren:
‘Het lijkt wel
of Marloes zichzelf al goed wil praten voordat iemand haar überhaupt ter sprake
heeft gebracht.’
‘Dat zou je
bijna denken.’
Uit de
weloverwogen teneur van deze bevestiging viel wel op te maken dat dit alle
steun was die Thea uit de hoek van de huisarts te verwachten had. En dat was al
heel wat gezien de kwetsbare positie waarin de huisarts zich als
tussenpersoon in de driehoeksverhouding tussen moeder Marloes de logopediste,
Walter en Thea bevond.
‘Zwakke hap’,
vond Thea stiekem en ze zei:
‘Maar goed dat
we weg zijn bij mevrouw de logopediste. Bart en ik dienen geen klacht in. Wij
gaan voor onze kinderen. Laat die Marloes maar sappelen.’
‘Dan maken we
er geen woorden meer aan vuil’, besloot de huisarts gerustgesteld, opgelucht en
nadrukkelijk.
De zaak moeder
Marloes de logopediste was hiermee afgesloten. En nou maar hopen op de vloek
van de beladen stilte. Geen reactie van de huisarts van Thea is ook een
antwoord op de illegale brief van moeder Marloes de logopediste. Een negatie
die moeder Marloes de logopediste naar verloop van tijd weleens onzeker en
paranoïde zou kunnen maken. Als ze dat al niet was.
Walter werd
door de huisarts doorverwezen naar een taalpraktijk van het academische
ziekenhuis in de stad. De taalpraktijk staat landelijk hoog aangeschreven en is
gespecialiseerd in de verbale ontwikkeling van kinderen. In het
voorlichtingsformulier werd, wat Bart en Thea betreft, onnodig ingewikkeld
gedaan over het intakegesprek en de eventueel problematische scheiding tussen
ouders en kleuter tijdens een tweetal toetsuurtjes. De fysieke afstand van de
ouders tot hun kind was helaas wel een noodzakelijk kwaad voor de onderzoekers
teneinde een zo objectief mogelijk beeld van de testkleuter te krijgen. De
begeleidster van Walter was wederom een logopediste, maar ze leek in de verste
verte niet op Marloes. Ze was veel minder schools en probeerde op Walter in te
spelen in plaats van zijn woorden gedachteloos in een uitspraakmal te gieten.
Thea mocht op een afstandje in een open wachtruimte toekijken hoe Walter getest
werd. Het tweetal was niet te verstaan, maar Thea kon uit de levendige
interactie opmaken dat Walter prima op zijn gemak was. Op het eerste oog leek
de logopediste ook gewoon haar werk te doen, maar in de loop van de toetsduur
werd ze onrustiger. Ze stond steeds vaker op, ijsbeerde door de testruimte, nam
weer plaats aan de tafel, waaraan Walter onverstoord verder werkte en alwaar de
logopediste meer dan eens en hoe langer hoe gejaagder de resultaten van een
afgerond cluster op de computer naging. Haar hoofd bewoog tenslotte zo snel
heen en weer van het beeldscherm naar de ingeleverde A-viertjes en weer terug,
dat ze een toeschouwster in het publiek van Wimbledon leek. Tijdens de laatste
test, waarbij Walter geacht werd om een zo hoog mogelijke houten blokkentoren
te bouwen, sloop ze op haar tenen, om de testkleuter niet te storen, naar de
wachtruimte van Thea toe. Ze hield een computeruitdraai in haar hand.
‘Tijdens de
intake gaf je aan dat Walter nooit een IQ test heeft gedaan?’
Het hart van
Thea klopte in haar keel:
‘Wat nu weer?’
Thea knikte
alleen maar en zocht figuurlijk dekking voor de te verwachten bom.
‘Weet u wat
het is? Taaltestjes zijn automatisch ook cognitieve testjes.’
‘Dus?’, vroeg
Thea ongeduldig en gedesoriënteerd.
‘Dit hoeft
niks te betekenen’, talmde de logopediste.
Ze hield Thea
de computeruitdraai voor. Het duizelde Thea van de schema’s. De logopediste
wees naar een cijfer. Het topje van de wijsvinger was gemanicuurd en de
halflange nagel gepolijst. Niet gelakt.
‘Ja en? Zeg
het nou maar’, zuchtte Thea opgelaten.
‘Walter scoort
extreem hoog.’
Het hart van
Thea maakte nu vreugdesprongetjes door haar hele lichaam. Ze hoorde het
juffrouw Elsje weer zeggen:
‘In zijn
bovenkamer is niks mis.’
Maar dan nog
vroeg Thea zich af in hoeverre intelligentie en taalvaardigheid onlosmakelijk
met elkaar verbonden konden worden. Net of slimme mensen een vlottere babbel
hebben dan de middelmaat, Juist niet. Misschien dat deze logopediste het
antwoord op deze prangende vraag had:
‘Wat heeft de
hoogte van het IQ van Walter eigenlijk met zijn nasale uitspraak te maken? Ik
bedoel; fijn dat we nu weten dat hij slim is, maar daarmee is het
spraakprobleem nog niet van de wereld.’
Vervreemd
staarde de logopediste naar de schema’s en cijfertjes op haar
uitdraai die haar vooringenomenheid over Walter zo faliekant hadden
weerlegd en ze realiseerde zich hardop:
‘Niets
waarschijnlijk; dat kunnen we op basis van de uitslag van de cognitieve testjes
in ieder geval wel vaststellen.’
‘Dat had ik je
van tevoren ook wel kunnen vertellen. Niemand praat nasaal of binnensmonds uit
stupiditeit’, dacht Thea, maar ze lachte gelukzalig naar de logopediste en
zweeg tevreden, omdat ze zojuist een zegen had gekregen.
Later zou Bart
haar apetrots gewoon weglachen en goedmoedig beweren:
‘Dat wist ik
toch allang.’
Maar voor Thea
was deze Mickey Mouse-uitslag van een kleutertest een proeve van bekwaamheid
voor Walter. Een bewijs waarvoor het merendeel van de bezetting van De
Wielewaal in het geval van hun kinderen een moord zou doen.
De verwrongen
uitspraak van Walter lag dus bij nader onderzoek in het academisch ziekenhuis
niet aan een mentale ontwikkelingsachterstand, terwijl men dat eigenlijk wel
verwacht had van een kleutertje met een spraakgebrek uit een achterstandswijk.
Ook psychosomatische oorzaken konden vooralsnog uitgesloten worden aangezien
noch Walter, noch zijn moeder Thea een overspannen indruk maakten op de
logopediste van het taalcentrum. Aan het taalprobleem van Walter moest dus zo
goed als zeker een lichamelijke oorzaak ten grondslag liggen. Vandaar dat
Walter nog dezelfde dag werd doorgestuurd naar een zekere professor dokter
Spek. Deze man was een autoriteit op het gebied van keel-, neus, en
ooraandoeningen en Walter en zijn moeder mochten wel in hun handjes knijpen,
omdat ze niet op een wachtlijst moesten, maar in één ruk naar professor dokter
Spek door konden. De spoeddoorverwijzing door de logopediste maakte de
wachttijd in het ziekenhuis er niet minder langdradig om.
‘Houd nog even
vol, straks krijg je een ijsje’, beloofde Thea wel twintig keer in de hoop
Walter in de stemming te houden, want hij begon onhandelbaar te worden.
Walter hing
ondersteboven op een bank in de wachtkamer en liep rood aan. Zijn beentjes
fietsten in de lucht.
‘Kijk een
prentenboek. Kom even naast me zitten dan lees ik voor en dan kan jij plaatjes
kijken’ , gebood Thea ingehouden met het oog op de medepatiënten in de
wachtkamer.
‘Ik moet denk
ik plassen’, dreigde Walter.
Net toen hij
in z’n uppie goed en wel na veel getalm het ziekenhuistoilet had betreden werd
Walter opgeroepen. Zoals Thea al voorzien had. Maar het daaropvolgende
fotomodel in de doktersjas zou geen mens hebben kunnen voorspellen. De status
van Walter droeg ze als een zuigeling in de ronding van haar arm. Ze keek erbij
alsof ze zelf eigenlijk ook op de baby-afdeling thuishoorde.
‘Ik haal hem
even’, zei Thea de onnozele stoot haastig toe, waarna ze het herentoilet
inschoot om haar vijfjarige zoon in zijn spijkerbroek te helpen.
De knock-out
in de doktersjas was niet professor dokter Spek zelf, maar zijn assistente in
de opleiding. Professor doctor Spek was een KNO-arts van om en nabij de
pensioengerechtigde leeftijd. Hij bleef achterover geleund zitten in de
draaistoel waarin hij zat en klopte meermaals met een speculum in de palm van
zijn gerimpelde linkerhand terwijl hij Walter lukraak vragen over het
plaatselijke voetbalelftal stelde.
‘Ik vind
voetbal niks aan’, mompelde Walter.
Hij was bleek
en uitgeput. De voetbalvragen van de professor maakte hem ook nog weerbarstig
op de koop toe.
‘Ik vind
voetbal niks aan’, echode de professor op precies dezelfde nasale manier als
Walter.
Thea voelde de
vernedering bij Walter op haar overslaan en ze probeerde de professor in haar
genadeloze blikveld te vangen. Hij negeerde haar volkomen. Zijn einddoel was de
oogverblindende assistente die zich plaatsvervangend zat te schamen en wulps op
haar onderlip sabbelde.
‘Zo slimmerik
kom jij maar eens hier op de schietstoel zitten’, vervolgde de professor,
terwijl hij onheilspellend met zijn geaderde hand op de zitting van een lederen
patiënten stoel klopte.
‘Doet het
pijn’, wilde Walter huiverend en huilerig weten.
‘Je bent toch
zo’n slimme vent’, grapte de professor.
‘Wat heeft er
dat nou weer mee te maken?’, hikte Walter, terwijl hij door zijn betraande ogen
wreef.
‘Ga nou maar,
het doet geen pijn’, suste Thea, omdat ze ook niet wist wat ze met de situatie
aan moest.
Op dat moment
had ze op moeten staan en samen met haar zoon weg moeten lopen. Maar ze bleef
zitten. Verlamd en misleid door de illusie dat vandaag de dag van de waarheid
zou zijn. En zo niet dan nog kon professor Spek niet echt de klootzak zijn die
hij verpersoonlijkte. Opnieuw blaatte de professor Walter na en imiteerde het
bepalende nasale spraakgebrek:
‘Wat heeft er
dat nou weer mee te maken?’
Hij deed ook
net of hij huilde, trok een pruillipje en wreef door zijn ogen.
Ontdaan raapte
Thea al haar moed bijeen en hoewel haar bonzende hart in haar keel kroop, kwam
ze luid en duidelijk in opstand:
‘Kunt u ook
normaal doen? U hebt hier wel met een vijfjarig kind te maken!’
De professor
gunde Thea nog steeds geen blik waardig en antwoordde spottend.
‘Niet zomaar
een kind, maar een héél slim kind, heb ik begrepen!’
De assistente
in de opleiding stond op en nam Walter bij de hand.
‘Kom maar’,
zei ze lief.
‘Waar is dat
slimme kind dan?’, vroeg Walter om zich heen zoekend.
‘Jij bent een
slim kind’, antwoordde de assistente in de opleiding,
terwijl ze zijn mollige lijfje in de patiënten stoel hielp.
‘O, dat wist
ik niet.’
Walter keek
beduusd voor zich uit en de professor was even van zijn stuk gebracht toen hij
het onschuldige snoetje in zijn vizier kreeg. Even maar, want voordat Walter
tot zichzelf had kunnen komen ramde de professor het speculum in zijn mond.
Direct daarna produceerde Walter een monotone klaagzang die pas stopte toen de
professor de eendenbek weer met een ruk tussen zijn gespannen lipjes uittrok.
‘Jezus,
idioot’, protesteerde Thea.
Ze was alleen
nog maar in staat om taalhandelingen te verrichten. Haar daadkracht was
versteend.
Manmoedig
klauterde Walter uit de patiënten stoel en nam weer naast zijn moeder aan tafel
plaats. Hij likte de bloeddruppeltjes van zijn gebarsten, droge lippen. Thea
streek door zijn krullen en droogde de tranen van zijn rechterwang:
‘Sorry vent.’
‘Geef niks.’
Walter zei
maar wat. Zijn blauwe kijkers waren veranderd in inktzwarte, gloeiende hout
kooltjes. Hij bleef woedend in het niets staren.
‘Ik heb het al
gezien’, beweerde de professor over het hoofd van Walter heen.
Thea vond haar
schoudertas naast haar stoel op de grond.
‘Hij heeft
teveel ruimte bij zijn neusamandelen.’
‘Is er iets
aan te doen?’, vroeg Thea plichtmatig.
Ze wachtte
niet op antwoord en maakte aanstalten om op te staan. Haar tas hing ze alvast
om haar schouder. Voor het eerst tijdens het consult keek de professor haar
recht in de ogen. Thea zag dat hij schrok van haar uitstraling. Hij begreep
eindelijk dat hij veel te ver was gegaan:
‘Ik kan hem
opereren, maar dat beslis ik pas over een jaar.’
‘Waarom pas
over een jaar?’
Thea sloeg een
toon aan die duidelijk te kennen gaf dat zijn grootspraak op haar in ieder
geval geen indruk meer zou maken.
‘Er kan nog
vanalles veranderen.’
‘Dus ook
verbeteren.’
‘Natuurlijk,
maar daar ga ik niet vanuit.’
‘Wat ga je
over een jaar doen dan?’
‘Ik ga zijn
neusschot verkleinen.’
‘Groeit dat
niet vanzelf dicht dan?’
‘Dat kan, dat
weet ik niet. Daarom beslis ik ook pas over een jaar.’
‘En daarmee is
zijn nasale uitspraak uit de wereld geholpen?’
‘Nou ja, hij
zal na een neusschotverkleining wel logopedie moeten volgen.’
‘Hoe zit dat
dan met mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’
‘Wat is er met
mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’
‘Praten al die
mensen zonder neusamandelen voorgoed nasaal?’
‘Nee.’
De professor
was nou helemaal in de ban van het gesprek met Thea. Hij was de assistente in
de opleiding aan zijn zijde zelfs vergeten. En de assistente op haar beurt werd
op een niet mis te verstane wijze gaandeweg almaar achterdochtiger jegens de
bejubelde professor naast haar aan tafel. Na de laatste vraag van Thea keek ze
dusdanig vijandig naar hem op dat je haar bijna kon horen heulen met de vijand.
Zo van:
‘Ja, dat zou
ik eigenlijk ook weleens willen weten, vleesknuppel.’
‘Waarom zou
uitgerekend mijn Walter dan wel geholpen zijn met een
neusschotverkleining?’
Thea schoof
haar stoel naar achteren en stond op. Ze gebaarde naar Walter:
‘Kom op vent,
genoeg getest voor vandaag.’
‘Ik zie u over
een jaar’, riep de professor het tweetal na.
Zijn stem
brak.
‘Ik dacht het
niet’, beloofde Thea aan Walter en zichzelf.
Desondanks
viel een jaar later een oproep voor een herhalingsconsult in de brievenbus.
Voor Walter bij professor dokter Spek. Natuurlijk lieten Bart en Thea verstek
gaan. Toen ze voor deze nalatigheid telefonisch ter verantwoording werden
geroepen door een medewerkster van het academisch ziekenhuis, gaf Bart op zijn
unieke manier de eindconclusie.
‘De keel-,
neus- en oorarts professor dokter Spek lult uit zijn nek’, brieste hij.
In de
ziekenhuisrestauratie genoot Walter van zijn ijscoupe:
‘Doe mij maar
een Dame Blanche’, bestelde hij bij de juffrouw achter de toonbank.
‘Doe mij dan
ook maar een Dame Blanche’, herhaalde Thea gelaten.
Ze betaalde
vooraf. Een rib uit haar lijf.
‘Dat hebben we
wel verdiend na vandaag’, verzuchtte Thea.
‘Heb je
keelpijn?’
‘Een beetje’,
‘IJs helpt
tegen keelpijn en wie weet ook tegen die onaardige professor.’
‘De nieuwe
taaljuf was niet zo erg.’
Walter groef
in zijn ijs en werkte de massa aan de andere kant bijna uit de roestvrijstalen
coupe.
‘Je vond de
testjes niet moeilijk toch?’ vroeg Thea niet zonder trots.
‘Ik heb het al
zo vaak gedaan’, murmelde Walter.
Zijn mond was
gevuld met ijslepel. Thea kon hem niet goed verstaan. Zeker niet met al dat
geroezemoes van ziekenhuisgasten in en om de restauratie.
‘Wat zeg je?
Je hebt nooit eerder intelligentie testjes gedaan Walter. Je vergist je.’
Walter schudde
herhaaldelijk zijn hoofd met overgave. Nadat hij de hap had weggewerkt, zwaaide
hij illustratief met de lepel in de lucht en beweerde ijskoud:
‘Nee, ik
vergis me niet.’
‘Ik ruik
zwets’, knipoogde Thea.
‘Wel waar. Bij
Marloes. Elke week dezelfde toetsjes als vandaag. In de huiskamer.’
Dus vandaag
was wel een dag van de waarheid. Confuus schoof Thea haar Dame Blanche van zich
af. Voor Walter een reden om de ijscoupe meteen naar zich toe te trekken en van
twee walletjes te eten. Dus daarom had moeder Marloes de logopediste op een
gegeven moment liever gehad dat Thea niet meer bij haar sessies met Walter
aanwezig was. Zo kon Thea geen storende factor zijn bij haar geëxperimenteer
met intelligentietoetsjes. In eerste instantie waarschijnlijk niet eens uit
kwaad opzet. Maar Walter was steeds te slim voor zijn doen. Slimmer dan haar
zoon Lennart. Dat frustreerde. Dus daarom moest Walter weg van Marloes de
taaljuf. Weg van haar zoon Lennart en liefst weg van De Wielewaal.
‘Kijk even
mee’, gebiedt Thea.
Ze scrolt met
haar roze muis door de online huiswerkhulpagenda op de pc in de huiskamer.
‘Nou, even
dan’, belooft Melvin.
Twee seconde
blijft hij achter haar staan. Dan raakt hij afgeleid door de modeaccessoires
die Thea op de salontafel heeft uitgestald met de bedoeling om ze te
fotograferen voor de verkoop op haar webshop in retrospullen. Melvin plaatst
een fluwelen sieradendoosje op de palm van zijn hand. Omzichtig opent hij het
kleinood.
‘Wauw vette
klokjes!’
Zijn ogen
rollen bijna uit de kassen.
‘Dan zijn
manchetknopen’, legt Thea afgeleid uit.
‘Wat zijn dat
dan manchetknopen?’
‘Manchetknopen
draag je door de gaten in polsboorden van een herenblouse.’
Nu focust Thea
zich helemaal op Melvin door met de zitting van haar bureaustoel in zijn
richting te draaien. Eigenlijk heeft ze net zo min als Melvin zin om zich met
Huiswerksterk bezig te houden. Ze had zich net zo verheugd op het verkoop klaar
maken van haar nieuwe koopwaar.
‘Dat heb ik
weleens gezien bij een tuxedo’, roept Melvin blij als een kind op het feest van
herkenning.
‘Een kostuum
bedoel je’, verbetert de schooljuf in Thea.
‘Als
eyecatchers dan, maar nooit als kleine horloges. Werken die ieniemienie
klokjes?’
‘Dat denk ik
wel; er moeten van die minuscule batterijtjes in.’
‘Hoe kom je
eraan’, vraagt Melvin op een samenzweerdige toon.
‘Hoe bedoel
je; hoe kom ik eraan?’
‘Het
inkoopadres?’
‘Ik heb
contacten, maar niet in het criminele milieu; eerder met de milieustraat.’
‘Good for
you.’
Melvin meent
wat hij zegt. Zijn ogen strelen de manchetknopen in het geopende sieradendoosje
op zijn opgehouden handpalm. Thea veinst dat ze zich niet ongemakkelijk
voelt met de vreemde opstelling van haar voormalige oppaskind. Ze
kan een niet gerelateerde tiener van bijna achttien moeilijk op zijn gedrag
aanspreken. Wel normaliseert ze haar spreektoon en verklaart zich nader:
‘Ik word
gebeld als er nieuwe tweedehandsspullen binnengekomen zijn. Of soms wordt er
gratis een complete inboedel achtergelaten. Mensen gaan naar een
bejaardentehuis of komen te overlijden. Die manchetknopen zullen wel van een
bejaarde man afkomen.’
‘Nee, dan is
het goed. Niet dat ik die dingen straks voor vijf euro ook bij de Action kan
kopen.’
‘Ja, dat is
het risico van het vak. Al zie ik dat met deze arbeidsintensieve luxe knopen
niet zo snel gebeuren. Wat moet een jonge gast als jij überhaupt met
manchetknopen?
Melvin negeert
de bemoeizucht van Thea:
‘Is het goud
denk je?’
‘Verguld.’
‘Mooi met dat
blauw en dat analoge uurwerk’.
‘En dan die
Romeinse tijdsaanduiding’, dikt Thea de admiratie van Melvin plagerig aan.
‘Wat moet je
ervoor hebben?’
‘Ja, wel meer
dan jij kunt betalen.’
Melvin trekt
zijn wenkbrauwen nadrukkelijk omhoog en vraagt:
‘Kun jij soms
in m’n poeplap kijken?’
‘Liever niet’.
Thea trekt een
vies gezicht.
‘Luister
Melvin ik zal eerlijk tegen je zijn; de inkoopprijs was al dertig euro.’
Het
sieradendoosje wordt met een klik dichtgeklapt en verdwijnt in de jaszak van
Melvin. Aansluitend peutert Melvin moeizaam een bankbiljet uit een opeengeperst
pakketje van wel tien gelijksoortige briefjes in een platvink uit de achterzak
van altijd weer dezelfde designersjeans waarin Thea hem inmiddels
kan uittekenen.
‘Is vijftig
euro genoeg? Da’s veertig procent winst en geen overheadskosten!’
‘Zo
zakenheertje’, smaalt Thea, terwijl ze het geld aarzelend in ontvangst neemt.
‘Krantenwijkje?’
‘Doe normaal
Thea’, grauwt Melvin heetgebakerd.
Voor Thea
reden genoeg om pregnant met het briefje van vijftig te wapperen:
‘Hoe kom je
aan al die flappen in je poeplap Melvin?’, sart Thea met de nadruk op
‘poeplap’.
‘Zakgeld’,
antwoordt Melvin gekalmeerd.
‘Van Pim en
Femke?’, hoont Thea?
‘Kan toch’,
schokschoudert Melvin.
‘Nee, dat kan
niet’, weet Thea stellig.
‘Waarom
niet?’, vraagt Melvin op een dermate onnozele toon dat het wel lijkt alsof hij
wil weten waarom zijn leugen niet voor de waarheid kan doorgaan.
‘Je mag van
Femke niet eens elke dag douchen, omdat ze de maandelijkse lasten van gas,
water en elektriciteit probeert te minimaliseren.’
Melvin
meesmuilt instemmend:
‘Dan heb ik
het van Beau’, liegt hij.
‘Van Beau? Van
je moeder? Dus jouw moeder stuurt een pakketje van zo’n tien briefjes van 50
euro vanuit Engeland? Nog geen vijf minuten geleden zit je aan de keukentafel
te verkondigen dat je niets met je moeder te maken wil hebben, omdat ze
samenwoont met iemand die dertig jaar jonger is dan zij.’
‘Minstens’,
knarsetandt Melvin.
‘Ik wist niet
dat een bed en breakfast zo lucratief was tegenwoordig.’
Thea is
duidelijk niet van plan op te geven, maar Melvin is minder standvastig. Hij
slaakt een diepe zucht, begraaft onrustige handen in de steekzakken van zijn
jack en bekent gelaten:
‘Ik doe
weleens wat voor iemand en die persoon die betaalt goed.’
‘De
overbuurman?’
‘Je zit op het
randje Thea.’
‘Dus je geeft
het toe?’
‘Alleen als ik
zijn laptop zolang hier mag laten.’
‘Vanwege de
politie?’
‘Mag het?’
‘Waar is die
laptop nu?’
‘In de pukkel
op de keukentafel.’
De
politiewagen is weg. Het huis van de overbuurman ziet er verlaten uit. Waar
haalt die man de financiën vandaan om een jongen van zeventien dusdanig met
contanten te overladen dat het ventje van pure overdaad met geld gaat lopen
strooien? Thea heeft haar valsgeldpen al op het bankbiljet losgelaten. Melvin
heeft betaald met een briefje van vijftig echte euro’s. Misschien is het niet
eens zijn eigen geld en heeft de overbuurman de bankbiljetten gewoon aan Melvin
in bewaring gegeven. Om de politie voor te zijn. Net als de zilverkleurige
laptop die nu gesloten op de salontafel ligt te schitteren in de verblindende,
penetrante herfstzon door het huiskamerraam.
‘Zo, nieuwe
laptop’, merkt Walter meteen bij binnenkomst op.
Sabine kijkt
over zijn schouder mee. Thea werkt nog steeds aan de promotie van de artikelen
uit haar webshop op de pc. Ze wacht even met antwoorden totdat Sabine haar
oortjes losgepeuterd heeft en net zo makkelijk haar broertje napraat zonder het
zelf in de gaten te hebben:
‘Zo, nieuwe
laptop?’
‘Dat is een
laptop van de overbuurman.’
‘Issie
kapot?’, vraagt Walter in de veronderstelling dat zijn vader of hij dan wel
weer geacht wordt om tegen een kleine vergoeding in actie te komen.
Sabine ploft
op de bank en richt zich op haar mobiel:
‘Ik heb
honger’, deelt ze mee.
‘Melvin vroeg
of we de laptop zolang voor de overbuurman wilden bewaken’, legt Thea uit.
‘En dat willen
wij omdat?’, vraagt Walter bijdehand.
Hij loopt naar
de salontafel, gaat door de knieën, licht de laptop op
en inspecteert de buitenkant van onder tot boven en weer terug.
‘De politie
was aan de overkant.’
‘Nice’,
becommentarieert Sabine.
Ze kijkt even
op van haar mobiel. Haar rechterduim appt onafgebroken verder. In een
duizelingwekkend tempo.
‘Sinds wanneer
heulen wij met de vijand?’, lacht Walter schalks.
Voorzichtig
legt hij de laptop terug te rusten op de salontafel.
‘Dat is een
Sony. Een duur ding. Een VAIO.’
‘Zou de
overbuurman geld hebben?’, peinst Thea.
‘Met een BMW
voor de deur? Neuh, echt wel’, schampert Sabine al append.
‘Heeft hij een
BMW dan? Wat zou de politie eigenlijk bij hem gezocht hebben?’
‘Ik denk een
laptop’, merkt Walter droog op.
Thea laat haar
fantasie de vrije loop en draaft meteen door:
‘Ik hoop niets
met kinderporno, want daaraan wil ik nooit van m’n leven medeplichtig zijn.’
‘Te laat; je
hebt al bewijsmateriaal verdonkeremaand’, overdrijft Sabine en ze herhaalt:
‘Mam, ik heb
honger.’
‘Je bent toch
hopelijk nog steeds wel in staat om een boterham voor jezelf smeren!’
Thea vraagt
naar de bekende weg.
‘Ik hoopte op
zo’n lekkere tosti van jou’, paait Sabine.
Ze glimlacht
er beminnelijk bij.
‘Ik ook’, vult
Walter aan.
Zuchtend maakt
Thea aanstalten om zich naar de keuken te begeven. Onderweg richt ze zich voor
de flauwekul tot Walter en schertst:
‘Dan kun jij
ondertussen mooi inbreken op zijn laptop. Kunnen we die viezerik van de
overkant voor de lunch toch nog even ontmaskeren. Want die politiepet past ons
allemaal.’
‘Easypeasie’,
bekent Walter,
‘Echt?’
Thea is van
haar stuk gebracht. De jeugd van tegenwoordig is toch ook tot alles in staat.
‘Consider it done’, belooft Walter en voegt de daad bij het woord.
De huisarts
leek kleine Walter zowaar te mogen, hetgeen Thea wel begreep, maar verbaasde na
alle kritiek die haar zoon met zijn schamele 5 jaren levenservaring al te
verduren had gehad. Voorzichtig liet Thea haar strijdvaardigheid enigszins
varen.
‘Hoe is het
met jou Walter?’, vroeg de huisarts op een ongekunstelde toon die als
welgemeende interesse klonk.
Het kleine
jongetje in de enorme stoel naast Thea, met de mollige beentjes recht voor zich
uitgestrekt op de zitting en de potige vingertjes aaneengehaakt voor zijn bolle
buikje reageerde intuïtief:
‘Nou, ik ben
wel gelukkig.’
‘Hoor je dat
nasale in zijn uitspraak?’
Dat was Thea,
terwijl ze de vloeibare ontroering in haar ogen over de levensvreugde van haar
zoon hoopte weg te slikken door zich te concentreren op haar verslag van haar
avontuur met moeder Marloes de logopediste. De huisarts knikte vertederd,
terwijl Thea begon te ratelen.
‘Ik wil best
met Walter naar de KNO-arts, maar dan wel met een doorverwijzing van een
huisarts en niet gestuurd door het natte vingerwerk van een geflipte
logopediste.’
Hier bracht de
huisarts met een stopteken - een vlakke hand in de lucht - Thea tot een abrupte
spreekpauze. Thea zweeg gepikeerd, hetgeen de huisarts min of meer op haar
fatsoen trok:
‘Sorry dat ik
je onderbreek, maar ik ken het verhaal al een beetje van de andere kant. De
logopediste – die Marloes - heeft mij een brief gestuurd.’
‘O ja, een
verhaal heeft altijd twee kanten. Dat was ik even vergeten’, schamperde Thea.
Ter
verduidelijking van haar punt draaide de huisarts het
beeldscherm in het zicht van Thea.
‘Ik ben als
huisarts verplicht om jou – als patiënt - van de aanwezigheid van de
brief als ook van de inhoud op de hoogte stellen. De logopediste heeft met het
versturen van deze brief buiten medeweten van jullie – de ouders
- in feite een strafbaar feit begaan. Het staat Bart en jou vrij om
een klacht tegen haar in te dienen.’
‘Alweer een
schending van onze privacy! Bart en ik hebben het er maar druk mee’, hoonde
Thea.
In gedachte
ging ze weer even kort terug naar Merel het peuterhoofd van De Kleine Beer en
haar illegale onderonsje met Jade de coördinatrice van De Wielewaal, waar de
huisarts uiteraard geen weet van had. De huisarts op haar beurt besloot om niet
verder te graven op basis van vage verwijzingen. De ogen van Thea vlogen
ondertussen over de brief van moeder Marloes de logopediste op het beeldscherm.
Ze las
zelfbeklag, maar Godzijdank geen valse beschuldigingen aan het adres van
Walter. Geen woord over zijn zogeheten afwijking. Geen vermelding van een
vermeende abnormaliteit. Niets over een ongeneselijk spraakgebrek. Geen
wildwest diagnose. Uit de compromisloze strekking van de brief viel wel
duidelijk op te maken dat moeder Marloes de logopediste voornamelijk haar eigen
straatje trachtte schoon te vegen. Zo te lezen had de logopediste wel het één
en ander te verdedigen en zelfs te verbergen. Thea begon zelfs te vermoeden dat
Marloes de ziekenkostenverzekeraar getild had. Het feit dat de logopediesessies
van Walter voor de volle honderd procent en onbeperkt vergoed werden door de
verzekeraar was vrij uitzonderlijk. Bart en Thea betaalden zich maandelijks
niet voor niks in het rood aan premies voor allerlei eventuele, aanvullende
behandelingen. Temeer daar het basispakket standaard 10 taallessen uitkeerde.
Meer zat er kennelijk dan ook niet in voor Gerben, het klasgenootje van Lennart
en Walter, dat exact na 10 keer was uitbehandeld bij de taaljuf. Dat had Thea
nog op een doordeweekse morgen tijdens het naar school brengen van Walter bij
de gewichtige moeder van Gerben nagevraagd. Thea sprak haar expres aan in het
bijzijn van bijna alle ouders en verzorgers van de kleuters van groep 1 en 2
van juffrouw Elsje. Op die manier konden alle aanwezige volwassenen tenminste
meekrijgen dat niet alleen Walter weleens over een woordje struikelde en dat
meerdere kleuters extra ondersteuning nodig hebben.
‘Nou ‘nodig
hebben’; Gerben is al klaar hoor’, fluisterde zijn moeder gekrenkt.
Ze voelde zich
merkbaar geschoffeerd door de impulsiviteit van Thea. Alsof logopedie een
schande was! De moeder van Gerben keek weg van Thea en verwijtend in de
richting van moeder Marloes de logopediste die net op dat moment niet toevallig
volledig in haar zoontje Lennart opging.
‘Ik ben
1,2,3,4,5,6,7,8,9,10 keer naar Marloes geweest’, telde Gerben uit volle borst.
Hij hief twee
handen met gespreide vingers in de lucht. Ter illustratie. Hij sloot af met een
dansje. Een soort moonwalk in het centrum van de kring. Juffrouw Elsje was
onder de indruk en klapte enthousiast in haar handen. Een deel van de ouders
volgden uit piëteit met de moeder van Gerben die een kind had met een
logopedieverleden. Een gedoogapplausje vulde het kleuterlokaal.
Gerben was dus
al na 10 keer taalvaardig, terwijl Walter al wel 10 keer zoveel taallessen
achter de rug had. Zoveel verschil in spreekvaardigheid was er echter niet
tussen Walter en Gerben. Op het eerste gehoor dan ook vreemd dat voor Gerben
wel en Walter niet een einde aan de taalsessies was gekomen. Of toch niet.
Moeder Marloes de logopediste had immers bij Walter en niet bij Gerben vrij
spel om voor onbepaalde tijd allerlei toeters en bellen uit de kast te kunnen
trekken en bij de ziekenkostenverzekeraar op naam van zijn ouders - Bart en
Thea - te kunnen claimen. Zeker nadat Walter niet langer het
activiteitencentrum – waar de logopediste nog enigszins door collega’s
gecontroleerd werd -, maar de comfortzone van haar huis binnentrad.
Verachtelijk, maar niet de energie van een klacht waard. Murw schoof Thea het
beeldscherm weer in de originele stand.
‘Wat is de
reden van deze brief?’
De huisarts
antwoordde niet. Beroepshalve kon en mocht ze geen partij trekken, maar ze
bleef Thea over de rand van haar bril veelzeggend aankijken. Aanleiding voor
Thea om het vuurtje nog een beetje aan te wakkeren:
‘Het lijkt wel
of Marloes zichzelf al goed wil praten voordat iemand haar überhaupt ter sprake
heeft gebracht.’
‘Dat zou je
bijna denken.’
Uit de
weloverwogen teneur van deze bevestiging viel wel op te maken dat dit alle
steun was die Thea uit de hoek van de huisarts te verwachten had. En dat was al
heel wat gezien de kwetsbare positie waarin de huisarts zich als
tussenpersoon in de driehoeksverhouding tussen moeder Marloes de logopediste,
Walter en Thea bevond.
‘Zwakke hap’,
vond Thea stiekem en ze zei:
‘Maar goed dat
we weg zijn bij mevrouw de logopediste. Bart en ik dienen geen klacht in. Wij
gaan voor onze kinderen. Laat die Marloes maar sappelen.’
‘Dan maken we
er geen woorden meer aan vuil’, besloot de huisarts gerustgesteld, opgelucht en
nadrukkelijk.
De zaak moeder
Marloes de logopediste was hiermee afgesloten. En nou maar hopen op de vloek
van de beladen stilte. Geen reactie van de huisarts van Thea is ook een
antwoord op de illegale brief van moeder Marloes de logopediste. Een negatie
die moeder Marloes de logopediste naar verloop van tijd weleens onzeker en
paranoïde zou kunnen maken. Als ze dat al niet was.
Walter werd
door de huisarts doorverwezen naar een taalpraktijk van het academische
ziekenhuis in de stad. De taalpraktijk staat landelijk hoog aangeschreven en is
gespecialiseerd in de verbale ontwikkeling van kinderen. In het
voorlichtingsformulier werd, wat Bart en Thea betreft, onnodig ingewikkeld
gedaan over het intakegesprek en de eventueel problematische scheiding tussen
ouders en kleuter tijdens een tweetal toetsuurtjes. De fysieke afstand van de
ouders tot hun kind was helaas wel een noodzakelijk kwaad voor de onderzoekers
teneinde een zo objectief mogelijk beeld van de testkleuter te krijgen. De
begeleidster van Walter was wederom een logopediste, maar ze leek in de verste
verte niet op Marloes. Ze was veel minder schools en probeerde op Walter in te
spelen in plaats van zijn woorden gedachteloos in een uitspraakmal te gieten.
Thea mocht op een afstandje in een open wachtruimte toekijken hoe Walter getest
werd. Het tweetal was niet te verstaan, maar Thea kon uit de levendige
interactie opmaken dat Walter prima op zijn gemak was. Op het eerste oog leek
de logopediste ook gewoon haar werk te doen, maar in de loop van de toetsduur
werd ze onrustiger. Ze stond steeds vaker op, ijsbeerde door de testruimte, nam
weer plaats aan de tafel, waaraan Walter onverstoord verder werkte en alwaar de
logopediste meer dan eens en hoe langer hoe gejaagder de resultaten van een
afgerond cluster op de computer naging. Haar hoofd bewoog tenslotte zo snel
heen en weer van het beeldscherm naar de ingeleverde A-viertjes en weer terug,
dat ze een toeschouwster in het publiek van Wimbledon leek. Tijdens de laatste
test, waarbij Walter geacht werd om een zo hoog mogelijke houten blokkentoren
te bouwen, sloop ze op haar tenen, om de testkleuter niet te storen, naar de
wachtruimte van Thea toe. Ze hield een computeruitdraai in haar hand.
‘Tijdens de
intake gaf je aan dat Walter nooit een IQ test heeft gedaan?’
Het hart van
Thea klopte in haar keel:
‘Wat nu weer?’
Thea knikte
alleen maar en zocht figuurlijk dekking voor de te verwachten bom.
‘Weet u wat
het is? Taaltestjes zijn automatisch ook cognitieve testjes.’
‘Dus?’, vroeg
Thea ongeduldig en gedesoriënteerd.
‘Dit hoeft
niks te betekenen’, talmde de logopediste.
Ze hield Thea
de computeruitdraai voor. Het duizelde Thea van de schema’s. De logopediste
wees naar een cijfer. Het topje van de wijsvinger was gemanicuurd en de
halflange nagel gepolijst. Niet gelakt.
‘Ja en? Zeg
het nou maar’, zuchtte Thea opgelaten.
‘Walter scoort
extreem hoog.’
Het hart van
Thea maakte nu vreugdesprongetjes door haar hele lichaam. Ze hoorde het
juffrouw Elsje weer zeggen:
‘In zijn
bovenkamer is niks mis.’
Maar dan nog
vroeg Thea zich af in hoeverre intelligentie en taalvaardigheid onlosmakelijk
met elkaar verbonden konden worden. Net of slimme mensen een vlottere babbel
hebben dan de middelmaat, Juist niet. Misschien dat deze logopediste het
antwoord op deze prangende vraag had:
‘Wat heeft de
hoogte van het IQ van Walter eigenlijk met zijn nasale uitspraak te maken? Ik
bedoel; fijn dat we nu weten dat hij slim is, maar daarmee is het
spraakprobleem nog niet van de wereld.’
Vervreemd
staarde de logopediste naar de schema’s en cijfertjes op haar
uitdraai die haar vooringenomenheid over Walter zo faliekant hadden
weerlegd en ze realiseerde zich hardop:
‘Niets
waarschijnlijk; dat kunnen we op basis van de uitslag van de cognitieve testjes
in ieder geval wel vaststellen.’
‘Dat had ik je
van tevoren ook wel kunnen vertellen. Niemand praat nasaal of binnensmonds uit
stupiditeit’, dacht Thea, maar ze lachte gelukzalig naar de logopediste en
zweeg tevreden, omdat ze zojuist een zegen had gekregen.
Later zou Bart
haar apetrots gewoon weglachen en goedmoedig beweren:
‘Dat wist ik
toch allang.’
Maar voor Thea
was deze Mickey Mouse-uitslag van een kleutertest een proeve van bekwaamheid
voor Walter. Een bewijs waarvoor het merendeel van de bezetting van De
Wielewaal in het geval van hun kinderen een moord zou doen.
De verwrongen
uitspraak van Walter lag dus bij nader onderzoek in het academisch ziekenhuis
niet aan een mentale ontwikkelingsachterstand, terwijl men dat eigenlijk wel
verwacht had van een kleutertje met een spraakgebrek uit een achterstandswijk.
Ook psychosomatische oorzaken konden vooralsnog uitgesloten worden aangezien
noch Walter, noch zijn moeder Thea een overspannen indruk maakten op de
logopediste van het taalcentrum. Aan het taalprobleem van Walter moest dus zo
goed als zeker een lichamelijke oorzaak ten grondslag liggen. Vandaar dat
Walter nog dezelfde dag werd doorgestuurd naar een zekere professor dokter
Spek. Deze man was een autoriteit op het gebied van keel-, neus, en
ooraandoeningen en Walter en zijn moeder mochten wel in hun handjes knijpen,
omdat ze niet op een wachtlijst moesten, maar in één ruk naar professor dokter
Spek door konden. De spoeddoorverwijzing door de logopediste maakte de
wachttijd in het ziekenhuis er niet minder langdradig om.
‘Houd nog even
vol, straks krijg je een ijsje’, beloofde Thea wel twintig keer in de hoop
Walter in de stemming te houden, want hij begon onhandelbaar te worden.
Walter hing
ondersteboven op een bank in de wachtkamer en liep rood aan. Zijn beentjes
fietsten in de lucht.
‘Kijk een
prentenboek. Kom even naast me zitten dan lees ik voor en dan kan jij plaatjes
kijken’ , gebood Thea ingehouden met het oog op de medepatiënten in de
wachtkamer.
‘Ik moet denk
ik plassen’, dreigde Walter.
Net toen hij
in z’n uppie goed en wel na veel getalm het ziekenhuistoilet had betreden werd
Walter opgeroepen. Zoals Thea al voorzien had. Maar het daaropvolgende
fotomodel in de doktersjas zou geen mens hebben kunnen voorspellen. De status
van Walter droeg ze als een zuigeling in de ronding van haar arm. Ze keek erbij
alsof ze zelf eigenlijk ook op de baby-afdeling thuishoorde.
‘Ik haal hem
even’, zei Thea de onnozele stoot haastig toe, waarna ze het herentoilet
inschoot om haar vijfjarige zoon in zijn spijkerbroek te helpen.
De knock-out
in de doktersjas was niet professor dokter Spek zelf, maar zijn assistente in
de opleiding. Professor doctor Spek was een KNO-arts van om en nabij de
pensioengerechtigde leeftijd. Hij bleef achterover geleund zitten in de
draaistoel waarin hij zat en klopte meermaals met een speculum in de palm van
zijn gerimpelde linkerhand terwijl hij Walter lukraak vragen over het
plaatselijke voetbalelftal stelde.
‘Ik vind
voetbal niks aan’, mompelde Walter.
Hij was bleek
en uitgeput. De voetbalvragen van de professor maakte hem ook nog weerbarstig
op de koop toe.
‘Ik vind
voetbal niks aan’, echode de professor op precies dezelfde nasale manier als
Walter.
Thea voelde de
vernedering bij Walter op haar overslaan en ze probeerde de professor in haar
genadeloze blikveld te vangen. Hij negeerde haar volkomen. Zijn einddoel was de
oogverblindende assistente die zich plaatsvervangend zat te schamen en wulps op
haar onderlip sabbelde.
‘Zo slimmerik
kom jij maar eens hier op de schietstoel zitten’, vervolgde de professor,
terwijl hij onheilspellend met zijn geaderde hand op de zitting van een lederen
patiënten stoel klopte.
‘Doet het
pijn’, wilde Walter huiverend en huilerig weten.
‘Je bent toch
zo’n slimme vent’, grapte de professor.
‘Wat heeft er
dat nou weer mee te maken?’, hikte Walter, terwijl hij door zijn betraande ogen
wreef.
‘Ga nou maar,
het doet geen pijn’, suste Thea, omdat ze ook niet wist wat ze met de situatie
aan moest.
Op dat moment
had ze op moeten staan en samen met haar zoon weg moeten lopen. Maar ze bleef
zitten. Verlamd en misleid door de illusie dat vandaag de dag van de waarheid
zou zijn. En zo niet dan nog kon professor Spek niet echt de klootzak zijn die
hij verpersoonlijkte. Opnieuw blaatte de professor Walter na en imiteerde het
bepalende nasale spraakgebrek:
‘Wat heeft er
dat nou weer mee te maken?’
Hij deed ook
net of hij huilde, trok een pruillipje en wreef door zijn ogen.
Ontdaan raapte
Thea al haar moed bijeen en hoewel haar bonzende hart in haar keel kroop, kwam
ze luid en duidelijk in opstand:
‘Kunt u ook
normaal doen? U hebt hier wel met een vijfjarig kind te maken!’
De professor
gunde Thea nog steeds geen blik waardig en antwoordde spottend.
‘Niet zomaar
een kind, maar een héél slim kind, heb ik begrepen!’
De assistente
in de opleiding stond op en nam Walter bij de hand.
‘Kom maar’,
zei ze lief.
‘Waar is dat
slimme kind dan?’, vroeg Walter om zich heen zoekend.
‘Jij bent een
slim kind’, antwoordde de assistente in de opleiding,
terwijl ze zijn mollige lijfje in de patiënten stoel hielp.
‘O, dat wist
ik niet.’
Walter keek
beduusd voor zich uit en de professor was even van zijn stuk gebracht toen hij
het onschuldige snoetje in zijn vizier kreeg. Even maar, want voordat Walter
tot zichzelf had kunnen komen ramde de professor het speculum in zijn mond.
Direct daarna produceerde Walter een monotone klaagzang die pas stopte toen de
professor de eendenbek weer met een ruk tussen zijn gespannen lipjes uittrok.
‘Jezus,
idioot’, protesteerde Thea.
Ze was alleen
nog maar in staat om taalhandelingen te verrichten. Haar daadkracht was
versteend.
Manmoedig
klauterde Walter uit de patiënten stoel en nam weer naast zijn moeder aan tafel
plaats. Hij likte de bloeddruppeltjes van zijn gebarsten, droge lippen. Thea
streek door zijn krullen en droogde de tranen van zijn rechterwang:
‘Sorry vent.’
‘Geef niks.’
Walter zei
maar wat. Zijn blauwe kijkers waren veranderd in inktzwarte, gloeiende hout
kooltjes. Hij bleef woedend in het niets staren.
‘Ik heb het al
gezien’, beweerde de professor over het hoofd van Walter heen.
Thea vond haar
schoudertas naast haar stoel op de grond.
‘Hij heeft
teveel ruimte bij zijn neusamandelen.’
‘Is er iets
aan te doen?’, vroeg Thea plichtmatig.
Ze wachtte
niet op antwoord en maakte aanstalten om op te staan. Haar tas hing ze alvast
om haar schouder. Voor het eerst tijdens het consult keek de professor haar
recht in de ogen. Thea zag dat hij schrok van haar uitstraling. Hij begreep
eindelijk dat hij veel te ver was gegaan:
‘Ik kan hem
opereren, maar dat beslis ik pas over een jaar.’
‘Waarom pas
over een jaar?’
Thea sloeg een
toon aan die duidelijk te kennen gaf dat zijn grootspraak op haar in ieder
geval geen indruk meer zou maken.
‘Er kan nog
vanalles veranderen.’
‘Dus ook
verbeteren.’
‘Natuurlijk,
maar daar ga ik niet vanuit.’
‘Wat ga je
over een jaar doen dan?’
‘Ik ga zijn
neusschot verkleinen.’
‘Groeit dat
niet vanzelf dicht dan?’
‘Dat kan, dat
weet ik niet. Daarom beslis ik ook pas over een jaar.’
‘En daarmee is
zijn nasale uitspraak uit de wereld geholpen?’
‘Nou ja, hij
zal na een neusschotverkleining wel logopedie moeten volgen.’
‘Hoe zit dat
dan met mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’
‘Wat is er met
mensen die hun neusamandelen hebben laten knippen?’
‘Praten al die
mensen zonder neusamandelen voorgoed nasaal?’
‘Nee.’
De professor
was nou helemaal in de ban van het gesprek met Thea. Hij was de assistente in
de opleiding aan zijn zijde zelfs vergeten. En de assistente op haar beurt werd
op een niet mis te verstane wijze gaandeweg almaar achterdochtiger jegens de
bejubelde professor naast haar aan tafel. Na de laatste vraag van Thea keek ze
dusdanig vijandig naar hem op dat je haar bijna kon horen heulen met de vijand.
Zo van:
‘Ja, dat zou
ik eigenlijk ook weleens willen weten, vleesknuppel.’
‘Waarom zou
uitgerekend mijn Walter dan wel geholpen zijn met een
neusschotverkleining?’
Thea schoof
haar stoel naar achteren en stond op. Ze gebaarde naar Walter:
‘Kom op vent,
genoeg getest voor vandaag.’
‘Ik zie u over
een jaar’, riep de professor het tweetal na.
Zijn stem
brak.
‘Ik dacht het
niet’, beloofde Thea aan Walter en zichzelf.
Desondanks
viel een jaar later een oproep voor een herhalingsconsult in de brievenbus.
Voor Walter bij professor dokter Spek. Natuurlijk lieten Bart en Thea verstek
gaan. Toen ze voor deze nalatigheid telefonisch ter verantwoording werden
geroepen door een medewerkster van het academisch ziekenhuis, gaf Bart op zijn
unieke manier de eindconclusie.
‘De keel-,
neus- en oorarts professor dokter Spek lult uit zijn nek’, brieste hij.
In de
ziekenhuisrestauratie genoot Walter van zijn ijscoupe:
‘Doe mij maar
een Dame Blanche’, bestelde hij bij de juffrouw achter de toonbank.
‘Doe mij dan
ook maar een Dame Blanche’, herhaalde Thea gelaten.
Ze betaalde
vooraf. Een rib uit haar lijf.
‘Dat hebben we
wel verdiend na vandaag’, verzuchtte Thea.
‘Heb je
keelpijn?’
‘Een beetje’,
‘IJs helpt
tegen keelpijn en wie weet ook tegen die onaardige professor.’
‘De nieuwe
taaljuf was niet zo erg.’
Walter groef
in zijn ijs en werkte de massa aan de andere kant bijna uit de roestvrijstalen
coupe.
‘Je vond de
testjes niet moeilijk toch?’ vroeg Thea niet zonder trots.
‘Ik heb het al
zo vaak gedaan’, murmelde Walter.
Zijn mond was
gevuld met ijslepel. Thea kon hem niet goed verstaan. Zeker niet met al dat
geroezemoes van ziekenhuisgasten in en om de restauratie.
‘Wat zeg je?
Je hebt nooit eerder intelligentie testjes gedaan Walter. Je vergist je.’
Walter schudde
herhaaldelijk zijn hoofd met overgave. Nadat hij de hap had weggewerkt, zwaaide
hij illustratief met de lepel in de lucht en beweerde ijskoud:
‘Nee, ik
vergis me niet.’
‘Ik ruik
zwets’, knipoogde Thea.
‘Wel waar. Bij
Marloes. Elke week dezelfde toetsjes als vandaag. In de huiskamer.’
Dus vandaag
was wel een dag van de waarheid. Confuus schoof Thea haar Dame Blanche van zich
af. Voor Walter een reden om de ijscoupe meteen naar zich toe te trekken en van
twee walletjes te eten. Dus daarom had moeder Marloes de logopediste op een
gegeven moment liever gehad dat Thea niet meer bij haar sessies met Walter
aanwezig was. Zo kon Thea geen storende factor zijn bij haar geëxperimenteer
met intelligentietoetsjes. In eerste instantie waarschijnlijk niet eens uit
kwaad opzet. Maar Walter was steeds te slim voor zijn doen. Slimmer dan haar
zoon Lennart. Dat frustreerde. Dus daarom moest Walter weg van Marloes de
taaljuf. Weg van haar zoon Lennart en liefst weg van De Wielewaal.
HOOFDSTUK 10
Het
‘gesprekje’ met de schoolleiding van De Wielewaal naar aanleiding van de
aanmatigende toon in het eerste rapport van Walter in groep 3, leverde een
zoethoudertje op. De belofte van remedial teaching. Met de ongecultiveerde
formulering van meester Gijsbert van groep 3 over de leerprestaties van hun
zesjarige zoon moesten Thea en Bart maar leren leven. Meester
Gijsbert was per slot van rekening een onderwijzer en geen poëet.
‘Het enigste
waar ik wel mijn verontschuldigingen voor wil aanbieden is dat ik niet eerder
bij jou of de vader van Walter aan de bel heb getrokken’, bekende meester
Gijsbert in een vervolggesprek dat Jade, de interne coördinatrice van De
Wielewaal, voor Thea met hem geregeld had.
‘Het enige’,
verbeterde Thea automatisch.
Macht der
gewoonte door het alom gebezigde Nederlands van haar huiswerkpubers.
‘Wat zei ik
dan?’, vroeg meester Gijsbert bête.
Het was de
bedoeling dat Thea met hulp van meester Gijsbert uit een impasse met de leiding
van De Wielewaal zou geraken. Willy de directrice beweerde in de loop van haar
schoolcarrière een erg goede band met meester Gijsbert te hebben opgebouwd.
Willy was waarachtig niet altijd schoolhoofd geweest, maar in de dertig jaar
hiervoor ook gewoon juffrouw op een basisschool. Ergens in de loop van haar
schooljuffen carrière had ze meester Gijsbert leren kennen als een vakman. Hij
was jarenlang directeur geweest op een school voor Leer- en
Opvoedingsmoeilijkheden. Toen dit soort speciaal onderwijs, onder de noemer LOM
scholing, in 1998 werd opgeheven, had meester Gijsbert bovendien nog eens bijna
10 jaar met zwakbegaafden gewerkt. Dus als er iemand kon oordelen over
leerproblemen dan was het meester Gijsbert wel. Momenteel zat hij in een
tussenjaar in de hoop op een benoeming tot directeur op een openbare
basisschool in een andere stad. Invallen voor de depressieve juf van groep 3 op
De Wielewaal was voor meester Gijsbert dan ook een geschenk uit de hemel.
Lekker terug naar de oorsprong. Met een beetje geluk en steun van directrice en
vriendin Willy bleef de echte juf van groep 3 best wel een schooljaar lang
bezig met het cultiveren van haar burn-out. Dat zou dan een tussenjaar lang
chillen worden voor meester Gijsbert. De ouders van de kindjes van groep 3
mochten zich wel extreem gelukkig prijzen met zoveel doordeweekse vakkennis en
ervaring binnen handbereik. Hoe durfde Thea het beoordelingsvermogen van
meester Gijsbert eigenlijk in twijfel te trekken? Alsof directrice Willy met
haar recentelijk ontpopte leiderscapaciteiten zomaar iedereen liet invallen op
De Wielewaal? Jade de interne coördinatrice kon met haar verstand ook niet bij
de brutaliteit van Thea. Jade de i.c. was juist diep, echt heel
intens, onder de indruk van meester Gijsbert. Maar ja, de i.c. was niet serieus
te nemen nadat Thea haar met meester Gijsbert had zien fietsen. Zij zat in haar
geparkeerde Renault voor het gebouw van De Wielewaal en wachtte op haar
kleintjes. Door de voorruit van haar occasion zag Thea het tweetal zwenkend op
zich afkomen. Ze hadden ieder maar één hand aan het stuur. De andere handjes
bengelden ineengestrengeld in prille verliefdheid en onwennig in de ruimte
tussen de fietsen. Meester Gijsbert was zoals gewoonlijk te zelfgenoegzaam om
alert te zijn en Jade de i.c. ging in opperste vervoering, vertaald in
bakvisachtige blosjes op haar wangen, helemaal op in het zeer gewaardeerde
mannelijke gezelschap naast haar op de fiets. Dichterbij De Wielewaal werd het
paartje zich pas bewust van de omgeving. Bangelijk ontdeed het liefdeskoppeltje
zich van hun onthullende handgreep voordat ze met klagende achteruittrapremmen
tegelijkertijd tot stilstand kwamen. Thea deed alsof ze iets zocht in haar
auto. Jade de i.c. en meester Gijsbert zagen haar en elkaar niet
meer.
‘Ik zit niet
te wachten op verontschuldigingen. Je hebt de toon gezet bij een kind dat een
blanco kans verdient om zichzelf te bewijzen in een periode die iets langer
bestrijkt dan amper 10 weken’, antwoordde Thea onvermurwbaar.
Bedachtzaam
kneedde meester Gijsbert zijn stoppelige kin en corrigeerde Thea minzaam:
‘Er is nog
geen toon gezet. Ik heb mijn observaties heel neutraal gerapporteerd. Wilma is
nu aan zet heb ik begrepen. Laten we eerst eens haar oordeel afwachten, voordat
we vooruit lopen op de feiten.’
Wilma was de
vaste remedial teacher van De Wielewaal. Vanwege haar toverkunsten op
onderwijsgebied en haar helende invloed op beschadigde kinderen, stond ze
bekend onder de bijnaam Wonderwilma. Wonderwilma liep tegen de zestig. Dus met
leeftijd had haar populariteit onder de basisschoolpopulatie niets uit te
staan. In haar onwetendheid meende Thea het zich in het begin weleens te kunnen
permitteren om zich aan Wonderwilma te meten. Ze dacht overeenkomsten te zien
met haar thuiswerkzaamheden als huiswerkbegeleidster bij Huiswerksterk. Maar al
gauw kwam Thea bedrogen uit en was ze blij dat ze niet hardop lucht had gegeven
aan haar illusies. Ze zou uitgejouwd zijn. Het grote verschil tussen
Wonderwilma en Thea zat in hun positie. Wonderwilma was een ingewijde en
niemand anders dan een insider kwam de rol van troubleshooter van De Wielewaal
toe. De buurtgenoten droegen er met hun roddel, achterklap, grootspraak en
bombarie wel zorg voor dat niemand van buitenaf bij Wonderwilma in de buurt
kwam. Wie anders dan Wonderwilma kwam naar behoren op voor de zwakkeren onder
de hoogstaanders? Wonderwilma was nou eenmaal de aangewezen persoon om op De
Wielewaal discreet te vechten voor kinderen met een taal-, reken-, of andere
leerachterstand. Want wonderlijk genoeg komen kneusjes ook in de beste families
voor. Eigenlijk net zo vaak als in welke familie uit welke wijk dan ook; maar
op De Wielewaal werden de mislukkelingen onder de hoge hoed gehouden en –
indien niet weg te toveren – zo snel mogelijk onder toezicht van Wonderwilma
geplaatst. Het sierde Wonderwilma dat het vermeende leerprobleem van
Walter voor haar reden genoeg was om hem zonder meer in haar kringetje van
verschoppelingen op te nemen, maar met moeder Thea kon ze niets beginnen.
Eigenlijk was Wonderwilma dan ook bedoeld voor kinderen van ouders die; en/óf
te dom waren om voor de duivel te dansen; en/óf te arm waren om hulp van
buitenaf te betalen; en/óf de weg niet wisten in de bureaucratie van onderwijs
en gezondheidszorg. Thea voldeed aan geen van de eisen en gedroeg zich niet als
een slachtoffer. Thea kwam nooit bij Wonderwilma uithuilen en Thea had heus wel
bewondering en respect voor de remedial teacher van De Wielewaal, maar dan als
extraatje. Als kers op de taart als het ware. Wonderwilma deed niets meer dan
haar werk. In haar geval remedial teaching dus. Werk waar ze voor betaald kreeg
en waar Walter, net als ieder andere leerling, volgens het Nederlandse
onderwijsstelsel en de grondwet, gewoon recht op had.
Walter zou bij
Wonderwilma voornamelijk extra leeslessen gaan volgen met een
groepje lotgenoten van dezelfde leeftijd. Op voorhand sloot Wonderwilma de
mogelijkheid van dyslectie niet uit.
‘Ik weet wel
zeker dat hij niet dyslectisch is’, protesteerde Thea alvast uit voorzorg.
‘Hoe weet je
dat zo zeker?’, vroeg Wonderwilma bedenkelijk.
‘Vorig jaar
was zijn zus net zo ver met lezen als Walter, maar op de taalvaardigheid van
Sabine had niemand wat aan te merken. Volgens de juf uit groep 3 deed ze het
prima een jaar geleden.’
‘Ja, maar
Walter is Sabine niet. Waarom vergelijk je die twee met elkaar? Walter heeft
net zo goed het recht om zichzelf te zijn.’
Wonderwilma
mocht Thea op het eerste gezicht al niet. Dat kan, maar Wonderwilma kende Thea
amper. Hoogstwaarschijnlijk had Jade de i.c. haar wat gif over Thea
ingefluisterd. Waar kwam de passief-agressieve benadering van Wonderwilma
jegens Thea anders vandaan? Alsof Thea haar kleine Walter zijn hele leven al
tekort had gedaan en die hele remedial teaching gewoon uit ledigheid van moeder
de vrouw voortvloeide. Gewoon te beroerd om externe professionele hulp in te
roepen. En dat terwijl ouders zoals Bart en Thea dat best konden betalen. Weer
zo’n stel ouders dat niet onder ogen wilde zien dat zij niet het perfecte kind
op de wereld hadden gezet. En dan kon zij – Wonderwilma – de rotzooi weer
opruimen. Dat deed ze met liefde en plezier, daar niet van. Voor Walter en al
die andere stumperds die van hun ouders zo nodig moesten voldoen aan de strenge
eisen van De Wielewaal. Maar niet voor zo’n streberige moeder. En Thea wekte
bij Wonderwilma wel de indruk zo’n type te zijn.
‘Ik ken genoeg
ouders met één slim en één dom kind. Dus vergelijken is oneerlijk en je
verandert er ook niets mee. Walter is en blijft wie hij is’, beet Wonderwilma
Thea toe.
‘Misschien
vergelijk ik Sabine en Walter alleen maar met elkaar omdat ze maar
11 maanden schelen?’, sputterde Thea overdonderd tegen.
Hadden Merel
het peuterhoofd en juf Maaike van De Kleine Beer haar in het verleden niet ook
al eens eenzelfde soort verwijt voor de voeten gegooid? Alsof vergelijkingen
trekken en verschillen onderkennen tussen kinderen onderling een misdaad is in
plaats van de essentie van eerlijk ouderschap en goed onderwijs. Ieder mens is
anders toch? Kinderen zijn net mensen!
De stilte die
Thea liet vallen benutte Wonderwilma om enigszins tot inzicht te komen.
‘Ja, okay,
daar kan ik dan ook wel weer inkomen. Kinderen die zo dicht op elkaar zitten;
dan ga je onwillekeurig vergelijken.’
Wonderwilma
mocht dan wel onder invloed van Jade de i.c. staan, ze was ook een
open boek met een goedmoedige natuur. Jammer dat de gevoelens van sympathie van
Thea voor haar niet wederzijds waren, maar ze kon Wonderwilma moeilijk op de
pijnbank leggen om aardig gevonden te worden. Dat nam niet weg dat Thea bereid
was om een stapje terug en haar best te doen voor Walter door het contact met
Wonderwilma zo vriendelijk mogelijk te onderhouden.
‘Ik geef al
een tijdje huiswerkbegeleiding aan middelbare scholieren bij mij thuis, mijn
onderneming draagt de naam ‘Huiswerksterk’, misschien heb je er weleens van
gehoord?’
Wonderwilma
schrok van zoveel openhartigheid en hield huiverig de boot af.
‘Nee, nog
nooit. Maar nu we het toch over pingpongen hebben’, zuchtte ze vermoeid.
Thea liet zich
echter niet zomaar aan de kant zetten en herstelde zich door Wonderwilma te
overstemmen:
‘Ik wil mezelf
niet op enige vakkennis voor laten staan, alleen maar omdat ik
huiswerkbegeleiding geef aan pubers. Waar ik wel naartoe wilde met mijn
verwijzing naar Huiswerksterk, is dat ik tijdens mijn werk nog nooit een
leesprobleem tegen gekomen ben dat niet oplosbaar was. Ook niet bij tieners die
al vanaf de basisschool een officiële dyslectieverklaring hebben.’
‘Pfffff.’
Wonderwilma
rolde met haar ogen en verzuchtte:
‘Dyslectie is
niet alleen leesblindheid, maar ook problematiek rond de automatisering van
taal; dat hoef ik een huiswerkbegeleidster van Huiswerksterk toch hopelijk niet
uit te leggen?’
Thea was niet
te vermurwen:
‘Soit. Maar is
problematiek rond de automatisering niet juist exact de definitie van
leesblindheid of dyslectie? Dus het onvermogen om een woord in de zin te
herkennen. Geen automatisme in het lezen ontwikkelen en iedere keer van a tot z
spellen?! Of wil je soms beweren dat dyslectici ook moeite hebben om in
gesproken taal woorden te herkennen, eigen te maken en te automatiseren, dus
met praten?’
‘Integendeel’,
haastte Wonderwilma zich om misverstanden te voorkomen.
‘Dat dacht ik
al; want in het geval van spraakverwarring bedoelen we afasie in
plaats van dyslectie.’
Wonderwilma
fronste geërgerd over Thea’s betweterigheid.
‘Waarom zou je
het zo erg vinden als Walter dyslectisch zou blijken te zijn?’, wilde ze op
verwijtende toon weten.
Thea had haar
antwoord direct klaar.
‘Omdat hij dan
een stempel – in de vorm van een dyslectieverklaring - krijgt waar hij zijn
leven lang niet meer vanaf komt.’
‘Nou en. Als
het beestje maar een naam heeft!?’, vond Wonderwilma halsstarrig.
‘Kom op Wilma,
Walter is 6 jaar. Zo’n dyslectiestempel kan ook tegen een leerling werken. De
extra tijd bij toetsen en examens die Walter met een dyslectieverklaring in de
toekomst zou winnen is niet altijd goed. Het kan ook een heleboel onzekerheid,
twijfel en gebrek aan zelfvertrouwen in de hand werken. En wat als het
leesprobleem van Walter nou eens echt niet aan zijn kleine hersentjes, maar aan
het belabberde taalonderwijs van meester Gijsbert ligt. Stel nou eens? Wat
dan?’
Wonderwilma
gnuifde kort naar aanleiding van de sneer naar meester Gijsbert, maar pareerde
de opmerking van Thea naar behoren:
‘Ik mag niet
eens dyslectieverklaringen uitdelen. Dus wees maar niet bang. Ik kan alleen
doorverwijzen en adviseren. Maar alle kinderen uit mijn groep zijn uiteindelijk
opgelucht met het stempel dyslectie.’
Hier zag Thea
haar kans schoon en nam wraak door Wonderwilma te bestrijden met haar eigen
wapens:
‘Waarom
vergelijk je mijn zoon met alle andere kinderen? Wie zegt dat Walter hetzelfde
reageert als alle andere kinderen uit jouw groep? Misschien is uitgerekend
Walter wel helemaal niet opgelucht over een dyslectieverklaring. Walter heeft
toch, net zo goed als alle andere kinderen, het recht om zichzelf te zijn?!’
‘Ik zit erin
hoor!’, roept Walter blij vanuit de huiskamer.
Thea is met
het tosti-ijzer in de weer en hoort Sabine dubbelzinnig reageren:
‘Dat wil ik
helemaal niet weten’.
Walter is wel
wat gewend van zijn zus en bijt in het voorbijgaan naar de keuken van zich af:
‘A dirty mind is a joy forever’.
De open
geklapte en gehackte laptop van de overbuurman stelt hij tentoon op
de keukentafel. Thea ontvet haar handen en vraagt nieuwgierig:
‘Wat staat er
op?’
‘Foto’s van
blote kerels’, zegt Walter langs zijn neus weg.
Hij versiert
een tosti met curryslierten.
Thea buigt
zich over de laptop en wordt getroffen door de sensuele blik van een zonnebank
gebruinde, pronte jongeman die niets meer dan een lendendoekje draagt. Zijn
hele gespierde lijf is bedekt met tattoos en glimt van de olie of van het hete
nat uit de waterval op de tropische achtergrond van de geshopte foto. Zijn
ranke handen met lange vingers rusten suggestief rond de contouren van het
soepele lendendoekje. Bovenin het scherm van de laptop staat: Toyboyjoy.
‘Godzijdank
geen kinderporno’, merkt Thea opgelucht op.
Ze skipt naar
het volgende kiekje van een verse toyboy. Ze volgen elkaar in een rap tempo op
en doen – op smaakverschillen na - niet voor elkaar onder. Niet alle toyboys
staan of liggen voor dezelfde achtergrond van een waterval. Er is ook een
achtergrondversie met een haardvuur in werking; een schapenvel fungeert dan als
lendendoekje. Een uitvoering voor een smaragdgroene Chevrolet uit de jaren 50;
met een lederen jack dat nonchalant voor het kruis van de naakte toyboy aan
zijn gekromde wijsvinger bungelt. Een editie op het strand; waarin de jonge
heer in een goedgevulde tangaslip beachbal speelt en een bewerking in de sauna
met de herkenbare badhanddoek losjes om de bezwete, strakke heupen. Bij nader
inzien ontdekt Thea ook foto’s van poedelnaakte toyboys compleet met penis
erectus in alle denkbare maten en kleuren. Maar de gemeenschappelijke deler die
het meest in het oog springt is toch het logo in de hoek van de afbeeldingen.
Het is een tekening van een zojuist ontkurkte champagnefles. De bubbels bruisen
de fles uit en spatten uiteen in het logo. In een splitsing van de krachtige
straal wit vocht staat met rode letters ‘Toyboyjoy’ geschreven. Achter dit logo
staat op ieder plaatje een andere code ingeleid door de afkorting GSG. Walter
kijkt mee over de schouder van Thea en verorbert zijn tosti. Hij irriteert haar
met zijn gesmikkel en gesmak vlakbij haar gehooringang.
‘Sabine wat is
Toyboyjoy?!’, schreeuwt Walter van de keuken naar de huiskamer.
Thea twijfelt
even of haar trommelvliezen deze verbale klap zullen overleven en Walter
verkneukelt zich over zijn dertienjarige zusje dat overrompeld verhaal komt
halen:
‘What the fuck!’
‘Zeg dat wel.’
‘Hij lijkt me
gewoon hartstikke gay die overbuurman’, concludeert Sabine nadat ze
ook enkele toyboys bewonderd heeft.
‘Dat is toch
niet strafbaar’, vindt Thea die maar niet uitgekeken raakt en er lustig op los
scrolt.
‘Tik eens zo’n
code in’, beveelt Walter.
Achter de
codes bevinden zich de personalia van de heren. Hun pseudoniem en aangepaste
leeftijd; zogenaamd tussen de 20 en 30 jaar; hun borstomvang en de lengte en
omtrek van de penis in opgewonden stand. Verder staat er bij elke hunk vermeld
waar hij goed in is. Zijn specialiteiten op seksueel gebied welteverstaan. De
heren kosten gemiddeld 100 euro per uur, maar dat is zonder berekening van
meerwerk. Sommige mannen zijn beperkt beschikbaar; andere lookers gaan zelfs
mee op reis. De laatstgenoemde zijn de ‘royal exclusives’.
Verbluft
hakkelt Thea:
‘De
overbuurman runt ijskoud een escortbureau’.
‘Nou, ik
krijgt het er anders best warm van’, zinspeelt Sabine, waarna ze meteen
puberaal paars kleurt tot in haar nek.
‘Bestaan er
hoeren voor vrouwen?’ En waarom is dat voor mannen niet en voor vrouwen wel
strafbaar dan?’’, vraagt Walter aarzelend.
‘Prostitutie
is gewoon legaal in Nederland hoor’, antwoordt Sabine op een toon alsof Walter
naar de bekende weg vraagt.
‘Waarom staat
de politie dan bij de overbuurman voor de deur? En waarom brengt Melvin de
laptop van de overbuurman dan bij ons in veiligheid?’
’Weet ik niet,
zo’n escortbureau trekt natuurlijk allerlei louche zaken en types aan’,
schokschoudert Thea.
‘Een toyboy is
niet alleen voor vrouwen’, weet Sabine die net op haar IPhone de betekenis van
toyboy heeft gegoogeld.
Ze citeert:
‘Een toyboy is
een veel jongere partner van een man of vrouw’.
Walter neust
nog even door de online gegevens.
‘Het
escortbureau heet G-spotgigolo; vandaar GSG bij elke toyboycode.’
‘Je bent en
blijft een Whizzkid’, plaagt Sabine hoofdschuddend.
Maar ze spiedt
nieuwsgierig mee.
‘Hey, dat
lijkt Melvin wel’, merkt Walter terloops op.
Hij wijst naar
de foto die juist op het beeldscherm opdoemt. Een blonde, jonge God met een
zweem van Betuwe Flipje leunt spiernaakt wijdbeens achterover in een
met roze pluche overtrokken massagestoel. Zijn gespierde armen rusten losjes op
de leuning. De polsen in het zicht van de gluurder. De duimen en wijsvingers
maken een cirkelvorm alsof de toyboy mediteert. Aan de binnenkant van zijn
rechterpols staat een tatoeage. Een woord dat Thea gisterenmorgen nog live bij
Melvin heeft mogen aanschouwen. Er staat:
‘Enough.’
‘Sterker nog;
dat is Melvin’, beweert Sabine.
En dat terwijl
zij nog het verst van alle drie van het beeldscherm verwijderd staat.
‘In volle
glorie’, beaamt Thea als door de bliksem getroffen.
Het
‘gesprekje’ met de schoolleiding van De Wielewaal naar aanleiding van de
aanmatigende toon in het eerste rapport van Walter in groep 3, leverde een
zoethoudertje op. De belofte van remedial teaching. Met de ongecultiveerde
formulering van meester Gijsbert van groep 3 over de leerprestaties van hun
zesjarige zoon moesten Thea en Bart maar leren leven. Meester
Gijsbert was per slot van rekening een onderwijzer en geen poëet.
‘Het enigste
waar ik wel mijn verontschuldigingen voor wil aanbieden is dat ik niet eerder
bij jou of de vader van Walter aan de bel heb getrokken’, bekende meester
Gijsbert in een vervolggesprek dat Jade, de interne coördinatrice van De
Wielewaal, voor Thea met hem geregeld had.
‘Het enige’,
verbeterde Thea automatisch.
Macht der
gewoonte door het alom gebezigde Nederlands van haar huiswerkpubers.
‘Wat zei ik
dan?’, vroeg meester Gijsbert bête.
Het was de
bedoeling dat Thea met hulp van meester Gijsbert uit een impasse met de leiding
van De Wielewaal zou geraken. Willy de directrice beweerde in de loop van haar
schoolcarrière een erg goede band met meester Gijsbert te hebben opgebouwd.
Willy was waarachtig niet altijd schoolhoofd geweest, maar in de dertig jaar
hiervoor ook gewoon juffrouw op een basisschool. Ergens in de loop van haar
schooljuffen carrière had ze meester Gijsbert leren kennen als een vakman. Hij
was jarenlang directeur geweest op een school voor Leer- en
Opvoedingsmoeilijkheden. Toen dit soort speciaal onderwijs, onder de noemer LOM
scholing, in 1998 werd opgeheven, had meester Gijsbert bovendien nog eens bijna
10 jaar met zwakbegaafden gewerkt. Dus als er iemand kon oordelen over
leerproblemen dan was het meester Gijsbert wel. Momenteel zat hij in een
tussenjaar in de hoop op een benoeming tot directeur op een openbare
basisschool in een andere stad. Invallen voor de depressieve juf van groep 3 op
De Wielewaal was voor meester Gijsbert dan ook een geschenk uit de hemel.
Lekker terug naar de oorsprong. Met een beetje geluk en steun van directrice en
vriendin Willy bleef de echte juf van groep 3 best wel een schooljaar lang
bezig met het cultiveren van haar burn-out. Dat zou dan een tussenjaar lang
chillen worden voor meester Gijsbert. De ouders van de kindjes van groep 3
mochten zich wel extreem gelukkig prijzen met zoveel doordeweekse vakkennis en
ervaring binnen handbereik. Hoe durfde Thea het beoordelingsvermogen van
meester Gijsbert eigenlijk in twijfel te trekken? Alsof directrice Willy met
haar recentelijk ontpopte leiderscapaciteiten zomaar iedereen liet invallen op
De Wielewaal? Jade de interne coördinatrice kon met haar verstand ook niet bij
de brutaliteit van Thea. Jade de i.c. was juist diep, echt heel
intens, onder de indruk van meester Gijsbert. Maar ja, de i.c. was niet serieus
te nemen nadat Thea haar met meester Gijsbert had zien fietsen. Zij zat in haar
geparkeerde Renault voor het gebouw van De Wielewaal en wachtte op haar
kleintjes. Door de voorruit van haar occasion zag Thea het tweetal zwenkend op
zich afkomen. Ze hadden ieder maar één hand aan het stuur. De andere handjes
bengelden ineengestrengeld in prille verliefdheid en onwennig in de ruimte
tussen de fietsen. Meester Gijsbert was zoals gewoonlijk te zelfgenoegzaam om
alert te zijn en Jade de i.c. ging in opperste vervoering, vertaald in
bakvisachtige blosjes op haar wangen, helemaal op in het zeer gewaardeerde
mannelijke gezelschap naast haar op de fiets. Dichterbij De Wielewaal werd het
paartje zich pas bewust van de omgeving. Bangelijk ontdeed het liefdeskoppeltje
zich van hun onthullende handgreep voordat ze met klagende achteruittrapremmen
tegelijkertijd tot stilstand kwamen. Thea deed alsof ze iets zocht in haar
auto. Jade de i.c. en meester Gijsbert zagen haar en elkaar niet
meer.
‘Ik zit niet
te wachten op verontschuldigingen. Je hebt de toon gezet bij een kind dat een
blanco kans verdient om zichzelf te bewijzen in een periode die iets langer
bestrijkt dan amper 10 weken’, antwoordde Thea onvermurwbaar.
Bedachtzaam
kneedde meester Gijsbert zijn stoppelige kin en corrigeerde Thea minzaam:
‘Er is nog
geen toon gezet. Ik heb mijn observaties heel neutraal gerapporteerd. Wilma is
nu aan zet heb ik begrepen. Laten we eerst eens haar oordeel afwachten, voordat
we vooruit lopen op de feiten.’
Wilma was de
vaste remedial teacher van De Wielewaal. Vanwege haar toverkunsten op
onderwijsgebied en haar helende invloed op beschadigde kinderen, stond ze
bekend onder de bijnaam Wonderwilma. Wonderwilma liep tegen de zestig. Dus met
leeftijd had haar populariteit onder de basisschoolpopulatie niets uit te
staan. In haar onwetendheid meende Thea het zich in het begin weleens te kunnen
permitteren om zich aan Wonderwilma te meten. Ze dacht overeenkomsten te zien
met haar thuiswerkzaamheden als huiswerkbegeleidster bij Huiswerksterk. Maar al
gauw kwam Thea bedrogen uit en was ze blij dat ze niet hardop lucht had gegeven
aan haar illusies. Ze zou uitgejouwd zijn. Het grote verschil tussen
Wonderwilma en Thea zat in hun positie. Wonderwilma was een ingewijde en
niemand anders dan een insider kwam de rol van troubleshooter van De Wielewaal
toe. De buurtgenoten droegen er met hun roddel, achterklap, grootspraak en
bombarie wel zorg voor dat niemand van buitenaf bij Wonderwilma in de buurt
kwam. Wie anders dan Wonderwilma kwam naar behoren op voor de zwakkeren onder
de hoogstaanders? Wonderwilma was nou eenmaal de aangewezen persoon om op De
Wielewaal discreet te vechten voor kinderen met een taal-, reken-, of andere
leerachterstand. Want wonderlijk genoeg komen kneusjes ook in de beste families
voor. Eigenlijk net zo vaak als in welke familie uit welke wijk dan ook; maar
op De Wielewaal werden de mislukkelingen onder de hoge hoed gehouden en –
indien niet weg te toveren – zo snel mogelijk onder toezicht van Wonderwilma
geplaatst. Het sierde Wonderwilma dat het vermeende leerprobleem van
Walter voor haar reden genoeg was om hem zonder meer in haar kringetje van
verschoppelingen op te nemen, maar met moeder Thea kon ze niets beginnen.
Eigenlijk was Wonderwilma dan ook bedoeld voor kinderen van ouders die; en/óf
te dom waren om voor de duivel te dansen; en/óf te arm waren om hulp van
buitenaf te betalen; en/óf de weg niet wisten in de bureaucratie van onderwijs
en gezondheidszorg. Thea voldeed aan geen van de eisen en gedroeg zich niet als
een slachtoffer. Thea kwam nooit bij Wonderwilma uithuilen en Thea had heus wel
bewondering en respect voor de remedial teacher van De Wielewaal, maar dan als
extraatje. Als kers op de taart als het ware. Wonderwilma deed niets meer dan
haar werk. In haar geval remedial teaching dus. Werk waar ze voor betaald kreeg
en waar Walter, net als ieder andere leerling, volgens het Nederlandse
onderwijsstelsel en de grondwet, gewoon recht op had.
Walter zou bij
Wonderwilma voornamelijk extra leeslessen gaan volgen met een
groepje lotgenoten van dezelfde leeftijd. Op voorhand sloot Wonderwilma de
mogelijkheid van dyslectie niet uit.
‘Ik weet wel
zeker dat hij niet dyslectisch is’, protesteerde Thea alvast uit voorzorg.
‘Hoe weet je
dat zo zeker?’, vroeg Wonderwilma bedenkelijk.
‘Vorig jaar
was zijn zus net zo ver met lezen als Walter, maar op de taalvaardigheid van
Sabine had niemand wat aan te merken. Volgens de juf uit groep 3 deed ze het
prima een jaar geleden.’
‘Ja, maar
Walter is Sabine niet. Waarom vergelijk je die twee met elkaar? Walter heeft
net zo goed het recht om zichzelf te zijn.’
Wonderwilma
mocht Thea op het eerste gezicht al niet. Dat kan, maar Wonderwilma kende Thea
amper. Hoogstwaarschijnlijk had Jade de i.c. haar wat gif over Thea
ingefluisterd. Waar kwam de passief-agressieve benadering van Wonderwilma
jegens Thea anders vandaan? Alsof Thea haar kleine Walter zijn hele leven al
tekort had gedaan en die hele remedial teaching gewoon uit ledigheid van moeder
de vrouw voortvloeide. Gewoon te beroerd om externe professionele hulp in te
roepen. En dat terwijl ouders zoals Bart en Thea dat best konden betalen. Weer
zo’n stel ouders dat niet onder ogen wilde zien dat zij niet het perfecte kind
op de wereld hadden gezet. En dan kon zij – Wonderwilma – de rotzooi weer
opruimen. Dat deed ze met liefde en plezier, daar niet van. Voor Walter en al
die andere stumperds die van hun ouders zo nodig moesten voldoen aan de strenge
eisen van De Wielewaal. Maar niet voor zo’n streberige moeder. En Thea wekte
bij Wonderwilma wel de indruk zo’n type te zijn.
‘Ik ken genoeg
ouders met één slim en één dom kind. Dus vergelijken is oneerlijk en je
verandert er ook niets mee. Walter is en blijft wie hij is’, beet Wonderwilma
Thea toe.
‘Misschien
vergelijk ik Sabine en Walter alleen maar met elkaar omdat ze maar
11 maanden schelen?’, sputterde Thea overdonderd tegen.
Hadden Merel
het peuterhoofd en juf Maaike van De Kleine Beer haar in het verleden niet ook
al eens eenzelfde soort verwijt voor de voeten gegooid? Alsof vergelijkingen
trekken en verschillen onderkennen tussen kinderen onderling een misdaad is in
plaats van de essentie van eerlijk ouderschap en goed onderwijs. Ieder mens is
anders toch? Kinderen zijn net mensen!
De stilte die
Thea liet vallen benutte Wonderwilma om enigszins tot inzicht te komen.
‘Ja, okay,
daar kan ik dan ook wel weer inkomen. Kinderen die zo dicht op elkaar zitten;
dan ga je onwillekeurig vergelijken.’
Wonderwilma
mocht dan wel onder invloed van Jade de i.c. staan, ze was ook een
open boek met een goedmoedige natuur. Jammer dat de gevoelens van sympathie van
Thea voor haar niet wederzijds waren, maar ze kon Wonderwilma moeilijk op de
pijnbank leggen om aardig gevonden te worden. Dat nam niet weg dat Thea bereid
was om een stapje terug en haar best te doen voor Walter door het contact met
Wonderwilma zo vriendelijk mogelijk te onderhouden.
‘Ik geef al
een tijdje huiswerkbegeleiding aan middelbare scholieren bij mij thuis, mijn
onderneming draagt de naam ‘Huiswerksterk’, misschien heb je er weleens van
gehoord?’
Wonderwilma
schrok van zoveel openhartigheid en hield huiverig de boot af.
‘Nee, nog
nooit. Maar nu we het toch over pingpongen hebben’, zuchtte ze vermoeid.
Thea liet zich
echter niet zomaar aan de kant zetten en herstelde zich door Wonderwilma te
overstemmen:
‘Ik wil mezelf
niet op enige vakkennis voor laten staan, alleen maar omdat ik
huiswerkbegeleiding geef aan pubers. Waar ik wel naartoe wilde met mijn
verwijzing naar Huiswerksterk, is dat ik tijdens mijn werk nog nooit een
leesprobleem tegen gekomen ben dat niet oplosbaar was. Ook niet bij tieners die
al vanaf de basisschool een officiële dyslectieverklaring hebben.’
‘Pfffff.’
Wonderwilma
rolde met haar ogen en verzuchtte:
‘Dyslectie is
niet alleen leesblindheid, maar ook problematiek rond de automatisering van
taal; dat hoef ik een huiswerkbegeleidster van Huiswerksterk toch hopelijk niet
uit te leggen?’
Thea was niet
te vermurwen:
‘Soit. Maar is
problematiek rond de automatisering niet juist exact de definitie van
leesblindheid of dyslectie? Dus het onvermogen om een woord in de zin te
herkennen. Geen automatisme in het lezen ontwikkelen en iedere keer van a tot z
spellen?! Of wil je soms beweren dat dyslectici ook moeite hebben om in
gesproken taal woorden te herkennen, eigen te maken en te automatiseren, dus
met praten?’
‘Integendeel’,
haastte Wonderwilma zich om misverstanden te voorkomen.
‘Dat dacht ik
al; want in het geval van spraakverwarring bedoelen we afasie in
plaats van dyslectie.’
Wonderwilma
fronste geërgerd over Thea’s betweterigheid.
‘Waarom zou je
het zo erg vinden als Walter dyslectisch zou blijken te zijn?’, wilde ze op
verwijtende toon weten.
Thea had haar
antwoord direct klaar.
‘Omdat hij dan
een stempel – in de vorm van een dyslectieverklaring - krijgt waar hij zijn
leven lang niet meer vanaf komt.’
‘Nou en. Als
het beestje maar een naam heeft!?’, vond Wonderwilma halsstarrig.
‘Kom op Wilma,
Walter is 6 jaar. Zo’n dyslectiestempel kan ook tegen een leerling werken. De
extra tijd bij toetsen en examens die Walter met een dyslectieverklaring in de
toekomst zou winnen is niet altijd goed. Het kan ook een heleboel onzekerheid,
twijfel en gebrek aan zelfvertrouwen in de hand werken. En wat als het
leesprobleem van Walter nou eens echt niet aan zijn kleine hersentjes, maar aan
het belabberde taalonderwijs van meester Gijsbert ligt. Stel nou eens? Wat
dan?’
Wonderwilma
gnuifde kort naar aanleiding van de sneer naar meester Gijsbert, maar pareerde
de opmerking van Thea naar behoren:
‘Ik mag niet
eens dyslectieverklaringen uitdelen. Dus wees maar niet bang. Ik kan alleen
doorverwijzen en adviseren. Maar alle kinderen uit mijn groep zijn uiteindelijk
opgelucht met het stempel dyslectie.’
Hier zag Thea
haar kans schoon en nam wraak door Wonderwilma te bestrijden met haar eigen
wapens:
‘Waarom vergelijk je mijn zoon met alle andere kinderen? Wie zegt dat Walter hetzelfde reageert als alle andere kinderen uit jouw groep? Misschien is uitgerekend Walter wel helemaal niet opgelucht over een dyslectieverklaring. Walter heeft toch, net zo goed als alle andere kinderen, het recht om zichzelf te zijn?!’
‘Ik zit erin
hoor!’, roept Walter blij vanuit de huiskamer.
Thea is met
het tosti-ijzer in de weer en hoort Sabine dubbelzinnig reageren:
‘Dat wil ik
helemaal niet weten’.
Walter is wel
wat gewend van zijn zus en bijt in het voorbijgaan naar de keuken van zich af:
‘A dirty mind is a joy forever’.
De open
geklapte en gehackte laptop van de overbuurman stelt hij tentoon op
de keukentafel. Thea ontvet haar handen en vraagt nieuwgierig:
‘Wat staat er
op?’
‘Foto’s van
blote kerels’, zegt Walter langs zijn neus weg.
Hij versiert
een tosti met curryslierten.
Thea buigt
zich over de laptop en wordt getroffen door de sensuele blik van een zonnebank
gebruinde, pronte jongeman die niets meer dan een lendendoekje draagt. Zijn
hele gespierde lijf is bedekt met tattoos en glimt van de olie of van het hete
nat uit de waterval op de tropische achtergrond van de geshopte foto. Zijn
ranke handen met lange vingers rusten suggestief rond de contouren van het
soepele lendendoekje. Bovenin het scherm van de laptop staat: Toyboyjoy.
‘Godzijdank
geen kinderporno’, merkt Thea opgelucht op.
Ze skipt naar
het volgende kiekje van een verse toyboy. Ze volgen elkaar in een rap tempo op
en doen – op smaakverschillen na - niet voor elkaar onder. Niet alle toyboys
staan of liggen voor dezelfde achtergrond van een waterval. Er is ook een
achtergrondversie met een haardvuur in werking; een schapenvel fungeert dan als
lendendoekje. Een uitvoering voor een smaragdgroene Chevrolet uit de jaren 50;
met een lederen jack dat nonchalant voor het kruis van de naakte toyboy aan
zijn gekromde wijsvinger bungelt. Een editie op het strand; waarin de jonge
heer in een goedgevulde tangaslip beachbal speelt en een bewerking in de sauna
met de herkenbare badhanddoek losjes om de bezwete, strakke heupen. Bij nader
inzien ontdekt Thea ook foto’s van poedelnaakte toyboys compleet met penis
erectus in alle denkbare maten en kleuren. Maar de gemeenschappelijke deler die
het meest in het oog springt is toch het logo in de hoek van de afbeeldingen.
Het is een tekening van een zojuist ontkurkte champagnefles. De bubbels bruisen
de fles uit en spatten uiteen in het logo. In een splitsing van de krachtige
straal wit vocht staat met rode letters ‘Toyboyjoy’ geschreven. Achter dit logo
staat op ieder plaatje een andere code ingeleid door de afkorting GSG. Walter
kijkt mee over de schouder van Thea en verorbert zijn tosti. Hij irriteert haar
met zijn gesmikkel en gesmak vlakbij haar gehooringang.
‘Sabine wat is
Toyboyjoy?!’, schreeuwt Walter van de keuken naar de huiskamer.
Thea twijfelt
even of haar trommelvliezen deze verbale klap zullen overleven en Walter
verkneukelt zich over zijn dertienjarige zusje dat overrompeld verhaal komt
halen:
‘What the fuck!’
‘Zeg dat wel.’
‘Hij lijkt me
gewoon hartstikke gay die overbuurman’, concludeert Sabine nadat ze
ook enkele toyboys bewonderd heeft.
‘Dat is toch
niet strafbaar’, vindt Thea die maar niet uitgekeken raakt en er lustig op los
scrolt.
‘Tik eens zo’n
code in’, beveelt Walter.
Achter de
codes bevinden zich de personalia van de heren. Hun pseudoniem en aangepaste
leeftijd; zogenaamd tussen de 20 en 30 jaar; hun borstomvang en de lengte en
omtrek van de penis in opgewonden stand. Verder staat er bij elke hunk vermeld
waar hij goed in is. Zijn specialiteiten op seksueel gebied welteverstaan. De
heren kosten gemiddeld 100 euro per uur, maar dat is zonder berekening van
meerwerk. Sommige mannen zijn beperkt beschikbaar; andere lookers gaan zelfs
mee op reis. De laatstgenoemde zijn de ‘royal exclusives’.
Verbluft
hakkelt Thea:
‘De
overbuurman runt ijskoud een escortbureau’.
‘Nou, ik
krijgt het er anders best warm van’, zinspeelt Sabine, waarna ze meteen
puberaal paars kleurt tot in haar nek.
‘Bestaan er
hoeren voor vrouwen?’ En waarom is dat voor mannen niet en voor vrouwen wel
strafbaar dan?’’, vraagt Walter aarzelend.
‘Prostitutie
is gewoon legaal in Nederland hoor’, antwoordt Sabine op een toon alsof Walter
naar de bekende weg vraagt.
‘Waarom staat
de politie dan bij de overbuurman voor de deur? En waarom brengt Melvin de
laptop van de overbuurman dan bij ons in veiligheid?’
’Weet ik niet,
zo’n escortbureau trekt natuurlijk allerlei louche zaken en types aan’,
schokschoudert Thea.
‘Een toyboy is
niet alleen voor vrouwen’, weet Sabine die net op haar IPhone de betekenis van
toyboy heeft gegoogeld.
Ze citeert:
‘Een toyboy is
een veel jongere partner van een man of vrouw’.
Walter neust
nog even door de online gegevens.
‘Het
escortbureau heet G-spotgigolo; vandaar GSG bij elke toyboycode.’
‘Je bent en
blijft een Whizzkid’, plaagt Sabine hoofdschuddend.
Maar ze spiedt
nieuwsgierig mee.
‘Hey, dat
lijkt Melvin wel’, merkt Walter terloops op.
Hij wijst naar
de foto die juist op het beeldscherm opdoemt. Een blonde, jonge God met een
zweem van Betuwe Flipje leunt spiernaakt wijdbeens achterover in een
met roze pluche overtrokken massagestoel. Zijn gespierde armen rusten losjes op
de leuning. De polsen in het zicht van de gluurder. De duimen en wijsvingers
maken een cirkelvorm alsof de toyboy mediteert. Aan de binnenkant van zijn
rechterpols staat een tatoeage. Een woord dat Thea gisterenmorgen nog live bij
Melvin heeft mogen aanschouwen. Er staat:
‘Enough.’
‘Sterker nog;
dat is Melvin’, beweert Sabine.
En dat terwijl
zij nog het verst van alle drie van het beeldscherm verwijderd staat.
‘In volle
glorie’, beaamt Thea als door de bliksem getroffen.
HOOFDSTUK 11
Bart moet
eerst moeite doen om zich Melvin voor de geest te halen voordat hij überhaupt
in staat is om een oordeel te vellen over het nieuws dat de beste jongen zijn
ravissante lichaam op het Internet te koop aanbiedt.
‘Ik heb Melvin
voor het laatst in levende lijve gezien toen hij 12 was. Ik weet nog dat hij
hier aan de keukentafel zat met een IPad. Hij is toch het kleine broertje van
je aller- eerste huiswerkklantje? Dat meisje kan ik me nog heel goed
herinneren. Treurwilgje toch?’
‘Nee, ze
heet Jasmijn’, antwoordt Thea verstrooid.
Ze is op de
zilverkleurige laptop in het bestand van de overbuurman naarstig op zoek naar
de illustrerende kiek van toyboy Melvin. Er is haast geboden, want Bart kan
zijn aandacht nooit lang op klanten van Huiswerksterk, of ongeacht welke andere
puber die hij niet zelf gemaakt heeft, houden. Hij is immuun geworden door de
constante in- en uitloop van jonge mensen in zijn heiligdom. Hij groet
ingetogen, maar ziet niemand anders dan zijn eigen kinderen met hier en daar en
zo nu en dan een vriend of vriendin die niet via Huiswerksterk ingeroosterd is.
Bovendien komt Melvin meestal ’s morgens op bezoek en dan is Bart óf al naar
zijn werk óf hij herkent gewoon de hele verschijning niet.
Thea vindt de
naaktfoto.
‘Kijk’, roept
ze triomfantelijk uit.
‘Hoe kom jij
aan die laptop?’
‘Dat leg ik
toch net uit, maar daar gaat het nou even niet om. Kijk nou!’
‘En wie heeft
de boel geopenbaard?’
‘Wie denk
je?’, stelt Thea ongedurig.
‘Nee, dan is
het goed. Walter weet wat hij doet.’
Bart heeft een
ongebreideld vertrouwen in de capaciteiten van zijn kinderen. Al vanaf hun
eerste ademstoot. Thea is wat minder zeker van haar zaak, maar dat zit in de
aard van het beestje. Behalve onvoorwaardelijke liefde staat voor Thea niets
vast totdat het tegendeel bewezen is. Eerst als haar kinderen laten zien wat ze
kunnen dan pas zijn ze capabel. Misschien dat Thea daarom bereid was om het
vervolg van de zogenaamde goede bedoelingen van meester Gijsbert van groep 3
toch nog aan te horen nadat haar woedestorm enigszins was gaan liggen. Meester
Gijsbert opperde dat Walter misschien in aanmerking zou kunnen komen voor een
rugzakje. In eerste instantie dacht Thea letterlijk aan een canvas buidel die
ruggelings gedragen wordt en ze zag eigenlijk niet zo goed in op wat voor een
manier Walter per sé met zo’n rugzakje geholpen zou zijn. Nadat meester
Gijsbert haarfijn uit de doeken had gedaan dat de term ‘rugzakje’ een metafoor
was voor persoonsgebonden subsidie aan, in dit geval, De Wielewaal van het ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor kinderen met een lichamelijke,
zintuigelijke, verstandelijke handicap of psychische stoornis met gedrags- en
opvoedingsproblemen die niet op het speciale onderwijs terecht kunnen en
derhalve met hulp van noodgedwongen gefinancierde, persoonlijke begeleiding het
armlastige reguliere basisonderwijs toch nog kunnen doorlopen, snapte Thea nog
steeds niet waarom uitgerekend haar Walter met deze extra ondersteuning
geholpen zou zijn. Gelukkig voegde meester Gijsbert wel aan zijn uitleg toe dat
een kind nooit een rugzakje toegewezen kan krijgen zonder goedkeuring van een
‘Regionaal Expertisecentrum’ en dan nog lag de eindbeslissing over de
acceptatie van extra begeleiding bij de ouders. Enigszins gerustgesteld sprak
Thea haar bedenkingen uit:
‘Volgens mij
is niet Walter, maar De Wielewaal eerder geholpen met een rugzakje; want iedere
uitzondering is er één te veel. Lastenverlichting met geld van buitenaf is
natuurlijk altijd welkom hier op school. Even los van het leervermogen van
betreffende kind!?’
‘Nou, nou’,
schuddebuikte meester Gijsbert.
Hij
betwijfelde of Thea wel de bedreiging was voor wie Jade, de interne
coördinatrice van de Wielewaal, hem in eerste instantie gewaarschuwd had.
‘Dat wijf is
gevaarlijk gek’, wist Jade de i.c..
Meester
Gijsbert was Thea in de eerste 10 weken voor het debuutrapport van Walter dan
ook niet voor niks zogenaamd per ongeluk uit de weg gegaan. Er stond een
toekomstige directeurschap op een basisschool op het spel en meester Gijsbert
kon zich geen reputatieschade veroorloven. En in de buurt van hypergevoelige
mama’s die over zijn schouder stonden mee te hijgen was een cruciale fout snel
gemaakt. Toch viel Thea hem honderd procent mee. Hij had de dames wel moeilijker
meegemaakt. Dit exemplaar was tegen verwachting in kostelijk en stond open voor
discussie. En discussiëren was zijn stokpaardje. Als het erop aankwam dan lulde
hij werkelijk overal een punt aan. Maar Jade de i.c., met wie hij onbedoeld
toch al veel intiemer omging dan goed voor zijn carrière was, zou hij niet
wijzer maken dan ze is. Welbeschouwd viel er wel het nodige persoonlijke
voordeel voor meester Gijsbert te behalen bij een openlijke reddingsoperatie
van een zesjarige leerling uit zijn groep 3. Aan de ene kant zou hij zich,
dankzij zijn ervaring in onderwijs met moeilijk lerende kinderen, als kenner op
het gebied van leerstoornissen kunnen profileren. Hij zou vooral goede sier
maken bij Willy Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Niet onbelangrijk,
want na zijn benoeming als directeur op zijn aanstaande basisschool, zou
Bakbruin een naaste collega worden. En een loyale collega is belangrijker dan
een verloren leerling uit een achterstandswijk. Aan de andere kant hoopte
meester Gijsbert zich met hulp aan Walter pijnloos van Jade de i.c. te kunnen
losweken. Hij kon haar Walter alias ‘de probleem leerling’ uit
handen nemen. Hij zou de vijand verslaan en al doende Jade de i.c. overtroeven.
De aanlokkelijkheid van vooral dit vooruitzicht deed meester Gijsbert ter
plekke besluiten om zich over Walter te ontfermen.
Thea vond
echter dat ze meester Gijsbert tegen zichzelf in bescherming moest nemen. Een
gewaarschuwd mens telt voor twee en ze vermeldde plichtmatig:
‘Walter is
laatst nog getest door een team van een taalpracticum van het regionale
academische ziekenhuis, omdat hij nasaal praat. Uit de IQ test kwam naar voren
dat hij alle potentie in huis heeft die een intelligent mens benodigd om een
normale basisschool te kunnen volgen. Zonder rugzakje. Als hij al een taal- en
leerachterstand mocht hebben, zoals jij in zijn eerste rapport hebt genoteerd,
dan is er nog geen man overboord. Sterker nog; de score van de IQ test van
Walter lag ver boven het gemiddelde.’
Ondanks de
stelligheid waarmee Thea oreerde, luisterde Meester Gijsbert niet naar wat er
gezegd werd en beweerde voorbarig:
‘Ja, maar dat
zegt niks.’
‘Wat zegt dan
wel wat? Waarop baseer jij dan je onverbiddelijke oordeel over een zesjarig
jongetje?’
‘Ik weet wat
ik zie’, antwoordde meester Gijsbert vaag.
‘Misschien
moet je dan nog een keer kijken, want uitgaande van de bewezen intelligentie
van Walter mag hij toch wel in staat mogen worden geacht om een lagere school
zonder rugzakje te kunnen doorlopen!’, voer Thea uit.
Meester
Gijsbert zat op een krukje aan een lage lessenaar in het lokaal van groep 3
tegenover Thea. Ze was al minstens 10 keer van zithouding veranderd, want een
veel te klein kinderstoeltje gaf haar ongemak en de prognose van een gruwelijke
spierpijn morgen. Meester Gijsbert dacht na over een verdediging tegen de
aanval van Thea. Zijn stoppelkin rustte in de handpalmen. Uit
de mouwtjes van zijn slobberige korte T-shirt staken witte, slappe
behaarde driekwart, blote armen waarvan de ellenbogen op het kunststof
tafelblad steunden. Hij masseerde zijn jukbeenderen en leek op een knaagdier.
‘Meten is
weten.’
‘Ja, dat zeg
ik net. Walter heeft al een IQ test achter de rug’, herhaalde Thea bekoeld.
Het leek erop
alsof meester Gijsbert zijn harde vonnis van Walter al enigszins begon af te
zwakken.
‘Het gaat al
stukken beter hoor in de klas moet ik zeggen.’
‘Gelukkig
maar’, antwoordde Thea vermoeid.
Dit was water
naar de zee dragen. Het reactiepatroon van meester Gijsbert was te absurd voor
woorden. Er zat geen kop en staart aan. Nogmaals legde Thea uit waarom Walter
volgens haar in geen geval in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje of
wat voor een andere vorm van gesubsidieerde hulp van buitenaf dan ook. Ze sprak
langzaam en duidelijk en spelde haar woordkeuze nog net niet, zodat ze zich
achteraf niet kon verwijten dat zij meester Gijsbert niet ter wille was
geweest.
‘Mocht Walter
getest worden door professionals van het ‘Regionale Expertisecentrum’ dan komt
er dus waarschijnlijk uit naar voren dat hij een hoog IQ heeft.’
Meester
Gijsbert staarde wezenloos voor zich uit. Zijn mond stond half open. En wie
niet horen wil, die moest, wat Thea betreft, maar voelen:
‘Je weet toch
wat een IQ is?’
Meester
Gijsbert ontwaakte uit zijn trance:
‘Ja, ja, zeker
wel; een IQ is Intelligentie Quotiënt; een cijfer op een schaal. Maar je vindt
het wel goed dat ik een aanvraag indien voor een rugzakje?’
Zwijgend bleef
Thea meester Gijsbert een seconde of 10 star aankijken en dacht:
‘Zou hij
hardleers of Oost-Indisch doof zijn?’
‘Je doet je
best maar’, zei ze uiteindelijk toe.
Blij verrast
gaf meester Gijsbert Thea een vriendschappelijke schouderklop, waarmee hij haar
bijna uit het kinderstoeltje maaide. Ontsteld hervond Thea haar evenwicht en
wreef haar pijnlijke schouder. Meester Gijsbert zag de toekomstige samenwerking
al helemaal voor zich en trachtte Thea gerust te stellen:
‘Ik weet wat
ik doe hoor, ik ben jarenlang directeur geweest op een school voor moeilijk
lerende kinderen.’
‘Laat hem toch
lekker hobbyen’, stelde Bart voor.
‘Hij komt er
vanzelf achter dat hij zichzelf compleet voor gek zet met een aanvraag voor een
rugzakje. Zoveel vertrouwen heb ik dan nog wel in zo’n Expertisecentrum.’
Maar tot een
aanvraag bij het Regionale Expertisecentrum is het nooit gekomen. Wonderwilma
stak een stokje voor de plannen van meester Gijsbert. Alles wat meester
Gijsbert, na weken van onzekerheid, uiteindelijk nog nurks over het
eventuele rugzakje te missen had was een miezerige conclusie.
‘Wilma vindt
het niet nodig.’
‘Hoera voor
Wonderwilma’, triomfeerde Thea.
Niet
begrijpend hief meester Gijsbert één wenkbrauw. Hij liet zich in zijn plan van
Walteraanpak heus niet tegenhouden door zo’n fossiel als Wonderwilma, maar hij
had zijn tactiek aangepast aan de omstandigheden, daar de meeste vooraanstaande
ouders hem nog steeds – ook - buitenschools belaagden. Teneinde te
voorkomen dat Thea aldus niet weer cruciale wetenwaardigheden over het
leerproces van haar zoon zou mislopen, regelde meester Gijsbert na elke
schooldag in principe crisisoverleg over Walter in het klaslokaal van groep 3.
Alleen als Walter zich de betreffende schooldag perfect had getoond dan zou een
onderonsje niet nodig zijn geweest en dat was dus nooit. Met moeite maakte
meester Gijsbert zich dagelijks na de les los van zijn bewonderaars en wendde zich
in het bijzijn van de jaloerse buitenwacht met veel spreekwoordelijk
tromgeroffel tot Thea:
‘Ah, even de
neus laten zien en even bijkletsen; want een goede communicatie is de basis
voor een goede relatie’, bralde meester Gijsbert vergenoegd.
Hij bedoelde
natuurlijk dat hij hoe dan ook in geen geval opnieuw gedoe over Walter wilde
hebben met het oog op zijn reputatie in de onderwijswereld. Hij wilde moeder
Thea in het gareel houden. Ze mocht niet weer haar ongenoegen over hem bij
directrice Willy Bakbruin, Wonderwilma of wie dan ook spuien. Maar zijn
beweegredenen waren Thea om het even. Ze moest sowieso elke doordeweekse dag op
De Wielewaal zijn om de kinderen van te school halen en dan nam ze dat
crisisoverleg met meester Gijsbert wel op de koop toe. Haar doel was bereikt.
Walter was eindelijk bijgeschreven op de kaart van groep 3.
Desondanks
begon de stijfkoppigheid van Walter hem weer parten te spelen. In de loop van
zijn kleuterjaren had juffrouw Elsje het hevige verzet, dat Walter voornamelijk
op De Kleine Beer had tentoon gespreid, weten te reduceren tot een beetje
kleutergemok in de marge. Maar aan de start van de basisschool stak zijn
beruchte drift weer de kop op. In alle hevigheid. En dat terwijl de kleuter
Walter moeiteloos opstond uit bed. Probleemloos poetste hij twee maal daags
zijn tanden. Hij waste en kleedde zich als dat van hem gevraagd werd. Weliswaar
met wat hulp van Bart of Thea, maar daar was Walter kleuter voor. Ook liet hij
zich als een mak lammetje in één vloeiende beweging door naar school
begeleiden. Aan het eind van de kleuterperiode bij juf Elsje van De Wielewaal
blaakte Walter van zelfvertrouwen.
Maar in groep
3 kwam zijn getemde geestdrift weer tot leven. Walter transformeerde opnieuw
steeds vaker van een huiselijke brombeer in een driftkikkertje op school. Hij
werd hoe langer hoe bozer op meester Gijsbert, terwijl Thea juist het
tegengestelde had hopen te bewerkstelligen met haar protestactie tegen de
destructieve beoordeling in het eerste rapport van haar zoontje van
zes in groep 3. Een rapport dat meer weg had van een strafblad dan van een
evaluatie. Uiteraard had Walter het nodige meegekregen over de commotie rond
zijn schoolprestaties. Kleine potjes hebben grote oren. Bart deed er met zijn
doordachte, besmettelijke kalmte en zelfvertrouwen dan ook alles aan om ervoor
te zorgen dat zijn beer van een zoon niet aan zichzelf zou gaan twijfelen. Geen
eenvoudige opgave tegenover de oogkleppen van meester Gijsbert. Walter wilde
zijn vader wel geloven, maar hij kon zijn draai maar niet vinden in groep
3.
‘Mama, meester
Gijsbert zegt dat ik een sterretje ben’, deelde Walter in het wilde weg mee.
Hij streelde
de fluweelzachte, rimpelige vacht tussen de flaporen van de labrador die naast
hem op de bank lag. De zwarte snuit met rubberachtig dopje rustte op zijn
schoot.
‘Nou,
proficiat, vent’, vond Thea.
Het klonk ook
veelbelovend:
‘Een
sterretje’.
‘Da’s helemaal
niet leuk hoor.’
De hondenoren
liet Walter voor de lol een paar seconden recht overeind staan. De labrador
liet zich al het gehannes gelaten welgevallen tot in de berusting van een
monotoon, ronkend gesnurk.
‘O, niet?’
Thea verdeelde
de aandacht tussen Walter en haar pogingen om duo paren samen te stellen uit
een bonte diversiteit aan sokken in een wasmand.
‘De sterretjes
zijn de slechtsten van de klas, daarna komen de maantjes en de zonnetjes zijn
het beste.’
Verrast door
deze beeldende fantasie was Thea meteen één en al oor. Walter was er
het jongetje niet naar om in metaforen te praten. Walter dacht en communiceerde
in heldere problemen en kant en klare oplossingen.
‘Denk je dat
echt?’
Toch kon Thea
zich gewoon niet voostellen dat Walter geen onzin zat te verkondigen.
‘Meester
Gijsbert heeft vandaag drie lijstjes op het prikbord naast het digibord in de
klas gehangen. Mijn naam staat onder de sterretjes.’
‘Ow, help,
volgens mij is het echt waar’, wanhoopte Thea in gedachten.
Snel probeerde
ze zo waarachtig mogelijk in te spelen op de belevingswereld van Walter:
‘Ja, maar
schat dat betekent toch niet dat je de slechtste van de klas bent?’
‘Wel hoor’,
hield Walter stug vol.
‘Wie staan er
dan nog meer bij de sterretjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.
Haar latent
aanwezige onderdrukte kwaadheid over het beleid op De Wielewaal begon
de gemoedstoestand van Thea alweer te beïnvloeden. Het zou niet de
eerste keer zijn dat ze in het bijzijn van Walter haar woede ventileerde. Deze
keer haar furiositeit over het eventuele bestaan van een kwalificatiesysteem in
groep 3 van de basisschool. Sterretjes, maantjes en zonnetjes. De Über- en
Untermenschen. De sterretjes zijn voor altijd gebrandmerkt. Walter had zijn
vuur niet van een vreemde.
‘Jamille staat
erop en Jabir, Basum Anton, Amir, Emir en Ketifa en verder weet ik het niet’.
Hoezo
eigenaardig dat zo’n beetje alle kinderen met een migratie-achtergrond uit
groep 3 van De Wielewaal bij de sterretjes waren ingedeeld?!
‘En gaat er
nog iets met de sterretjes gebeuren?’
Thea zou bijna
weer in sprookjes gaan geloven.
‘De sterretjes
gaan allemaal naar juffrouw Wilma. Elke maandagmiddag en woensdagmorgen’
‘Is dat erg
dan?’
‘Neuh, leuker
als meester Gijsbert.’
‘Dan’,
verbeterde Thea automatisch.
‘Wat?’, vroeg
Walter verward.
‘Wat zegt u
mevrouw mama?!’
Belerend stak
Thea een vingertje in de lucht, maar Walter ontweek haar handig:
‘Wat jij
zegt!’
Walter lachte
gelukkig weer.
‘Als je
juffrouw Wilma niet meer leuk vindt dan waarschuw je papa of mij. Dan hoef je
niet meer naar de sterretjesgroep.’
‘Ik vind
meester Gijsbert niet leuk.’
‘Waarom niet?’
‘Ik krijg
altijd de schuld.’
‘Jij vindt
altijd dat je altijd de schuld krijgt; papa en ik noemen dat ‘het syndroom van
Calimero’.
‘Wat is
Calimero?’
‘Calimero is
een kuikentje uit een tekenfilm met veel zelfmedelijden. Zo van: Zij zijn groot
en ik ben klein en dat is niet eerlijk.’
Zorgvuldig
bracht Walter de hondenoren van Yolo weer in de juiste positie.
‘Ik had taal
weer niet af.’
‘Nou en, ik
krijg m’n sokkenselectie niet af.’
‘Ik kon het
best, maar ik zat alleen en toen kon ik mijn punt niet slijpen.’
‘Hoezo, waarom
schrijf je niet met een pen?’
‘We moeten met
potlood schrijven.’
‘Waarom?’
‘We moeten
gummen niet strepen.’
‘Nee, ik
bedoel; waarom zat je alleen?’
‘Ik zat op de
gang.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik
altijd de schuld krijg.’
Wie zondert
een kind van 6 nou af van de groep tijdens de les?
‘Maar hij had
geen straf’, verzekerde meester Gijsbert Thea tijdens het schooldagelijkse
crisisoverleg onder vier ogen in het lokaal van groep 3.
‘Waarom zet je
hem dan op de gang?’
Meester
Gijsbert gaf altijd een politiek correct antwoord. Thea werd er zo moe van.
‘Omdat de
groep onrustig was.’
‘Nou dan is
het toch logisch dat Walter vindt dat hij altijd de schuld krijgt?’
‘Ja, maar dat
is niet zo.’
‘Ja, maar dat
weet Walter toch niet?’
‘Ja, maar ik
dacht dat hij zich beter kon concentreren op de taaltoets als hij apart op de
gang zou zitten.’
‘Ja maar hij
zag allerlei dingen, zei hij. Die dingen moest hij eerst bekijken. Tekeningen
aan de muur die hij nog nooit gezien had. De directrice – Willy Bakbruin – kwam
voorbij lopen. Zij vroeg nog aan hem waarom hij zo alleen op de gang zat.
Daarna brak de punt van zijn potlood af en toen was de tijd om en had hij de
taaltaak niet af.’
‘Het was geen
taaltaak, maar een citotoets voor groep 3.’
‘Nog erger;
daar reken jij hem in zijn rapport weer op af. Dat hij zijn werk niet op tijd
afheeft.’
‘Hij kan juist
hartstikke goed rekenen.’
‘Was het een
rekentoets dan?’
‘Nee, het was
een taaltoets en hij had hem weer niet af.’
Thea
verkneep zich. Ze strekte haar bovenlichaam en maakte de nekspieren los door
met haar hoofd te tollen. Ze stokte toen haar blik op 3 lijsten naast het
digibord viel:
‘Wat betekent
dat?’
Ze knikte naar
de besproken lijsten met afzonderlijk sterretjes, maantjes en zonnetjes.
Meester Gijsbert leefde op:
‘Dat is een
indelingssysteem dat wij hier op De Wielewaal hanteren. De zonnetjes zijn de
hoogbegaafde kinderen. De maantjes behoeven af en toe weleens een steuntje in
de rug en de sterretjes zijn de leerlingen die het meeste zorg eisen.’
Thea stond op
en begaf zich naar de lijst om de indeling goed te kunnen bestuderen. Tim, het
klasgenootje met wie Walter een knipperlicht vriendschap deelde, was een
zonnetje. Thea had inmiddels met haar werk bij Huiswerksterk al wel zoveel
ervaring opgedaan om in te kunnen schatten dat Walter mentaal in geen geval
onderdeed voor Tim. Bovendien had de vechtscheiding van de ouders van Tim hem
een onvoorspelbare moeder en een depressieve vader opgeleverd. Thea wist uit
ervaring dat kinderen met een onstabiele thuisbasis wel degelijk extra zorg en
aandacht nodig hadden op school. Juist op school. Weg van de spanningen thuis.
Hoe hoogbegaafd ook. Ze hoefde maar naar haar oppaskinderen uit de begintijd
van Huiswerksterk te kijken. Jasmijn en Melvin. Zodoende durfde Thea die
begeerlijke hoogbegaafdheid in de meeste gevallen ook ernstig te betwijfelde.
Maar ja; de gesubsidieerde, roemruchte plusgroep van De Wielewaal moest ook
jaarlijks doorstroming vinden met een vers gekweekte toevoer uiteraard.
‘Wist jij dat
Walter denkt dat hij de slechtste van de klas is, omdat jij hem bij de
sterretjes hebt ingedeeld?’, vroeg Thea afgemeten aan meester Gijsbert.
‘Dat is
natuurlijk onzin’, grijnsde meester Gijsbert ongemakkelijk.
Zijn voelbare leedvermaak
dreef Thea tot razernij en een rigoureuze actie. Met drie korte rukken
trok ze de lijsten achter elkaar van de muur en scheurde de A-viertjes op
ooghoogte van meester Gijsbert in stukken. De snippers liet ze demonstratief in
de prullenbak onder het digibord verdwijnen. Meester Gijsbert vond haar zichtbaar
sensationeel. Hij liep rood aan en sidderde over zijn hele lichaam alsof hij in
vuur en vlam stond. Het scheelde niet veel of hij had Thea op locatie
besprongen. Haar mondelinge toelichting vormde evenwel een probaat
voorbehoedsmiddel:
‘Hoe jullie in
de lerarenkamer eensgezind over de kinderen denken en praten is niet mijn zaak.
Maar in het openbaar wens ik dat zowel de privacy van mijn kind als die van
anderen gerespecteerd wordt. Ik wil niet van andere kinderen weten of ze
zonnetjes, maantjes of sterretjes zijn en ik wil zeker niet dat andere ouders
weten dat mijn kind door jou – meester Gijsbert de grote - als een sterretje
bestempeld wordt.’
‘En wat dan
als Walter een zonnetje was geweest?’, waagde meester Gijsbert toch nog te
provoceren.
Hij zat gewoon
te treiteren. Zijn afgang bij Thea kon hij maar moeilijk verkroppen. En Thea
kon zich opeens helemaal voorstellen waarom Jade de interne coördinatrice aan
hem was blijven plakken. Soort zoekt soort.
‘Als Walter
een zonnetje was geweest dan zou ik de lijsten uiteraard hebben laten hangen’,
loog Thea op een dusdanig indringende wijze dat meester Gijsbert niet anders
kon dan haar ironie op z’n fatsoen trekken en haar tegemoet te komen.
‘Bij mijn
weten zijn er geen klachten van andere ouders, maar misschien heeft Walter mijn
klassikale uitleg niet begrepen en moet ik hem apart nog een keer extra
uitleggen wat een sterretje precies inhoudt?’, stelde meester Gijsbert
overdreven gedienstig voor, waardoor doorschemerde dat hij zijn schoolvoorbeeld
van een belofte bij voorbaat niet van plan was na te komen.
De giga
aandrang om - bij wijze van respons – met haar vuisten op het borstkastje van
meester Gijsbert in te timmeren, kon Thea maar ternauwernood onderdrukken. In
plaats daarvan zuchtte ze gefrustreerd.
‘Ja doe dat
maar. Maar niet op de gang graag.’
Bart moet
eerst moeite doen om zich Melvin voor de geest te halen voordat hij überhaupt
in staat is om een oordeel te vellen over het nieuws dat de beste jongen zijn
ravissante lichaam op het Internet te koop aanbiedt.
‘Ik heb Melvin
voor het laatst in levende lijve gezien toen hij 12 was. Ik weet nog dat hij
hier aan de keukentafel zat met een IPad. Hij is toch het kleine broertje van
je aller- eerste huiswerkklantje? Dat meisje kan ik me nog heel goed
herinneren. Treurwilgje toch?’
‘Nee, ze
heet Jasmijn’, antwoordt Thea verstrooid.
Ze is op de
zilverkleurige laptop in het bestand van de overbuurman naarstig op zoek naar
de illustrerende kiek van toyboy Melvin. Er is haast geboden, want Bart kan
zijn aandacht nooit lang op klanten van Huiswerksterk, of ongeacht welke andere
puber die hij niet zelf gemaakt heeft, houden. Hij is immuun geworden door de
constante in- en uitloop van jonge mensen in zijn heiligdom. Hij groet
ingetogen, maar ziet niemand anders dan zijn eigen kinderen met hier en daar en
zo nu en dan een vriend of vriendin die niet via Huiswerksterk ingeroosterd is.
Bovendien komt Melvin meestal ’s morgens op bezoek en dan is Bart óf al naar
zijn werk óf hij herkent gewoon de hele verschijning niet.
Thea vindt de
naaktfoto.
‘Kijk’, roept
ze triomfantelijk uit.
‘Hoe kom jij
aan die laptop?’
‘Dat leg ik
toch net uit, maar daar gaat het nou even niet om. Kijk nou!’
‘En wie heeft
de boel geopenbaard?’
‘Wie denk
je?’, stelt Thea ongedurig.
‘Nee, dan is
het goed. Walter weet wat hij doet.’
Bart heeft een
ongebreideld vertrouwen in de capaciteiten van zijn kinderen. Al vanaf hun
eerste ademstoot. Thea is wat minder zeker van haar zaak, maar dat zit in de
aard van het beestje. Behalve onvoorwaardelijke liefde staat voor Thea niets
vast totdat het tegendeel bewezen is. Eerst als haar kinderen laten zien wat ze
kunnen dan pas zijn ze capabel. Misschien dat Thea daarom bereid was om het
vervolg van de zogenaamde goede bedoelingen van meester Gijsbert van groep 3
toch nog aan te horen nadat haar woedestorm enigszins was gaan liggen. Meester
Gijsbert opperde dat Walter misschien in aanmerking zou kunnen komen voor een
rugzakje. In eerste instantie dacht Thea letterlijk aan een canvas buidel die
ruggelings gedragen wordt en ze zag eigenlijk niet zo goed in op wat voor een
manier Walter per sé met zo’n rugzakje geholpen zou zijn. Nadat meester
Gijsbert haarfijn uit de doeken had gedaan dat de term ‘rugzakje’ een metafoor
was voor persoonsgebonden subsidie aan, in dit geval, De Wielewaal van het ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voor kinderen met een lichamelijke,
zintuigelijke, verstandelijke handicap of psychische stoornis met gedrags- en
opvoedingsproblemen die niet op het speciale onderwijs terecht kunnen en
derhalve met hulp van noodgedwongen gefinancierde, persoonlijke begeleiding het
armlastige reguliere basisonderwijs toch nog kunnen doorlopen, snapte Thea nog
steeds niet waarom uitgerekend haar Walter met deze extra ondersteuning
geholpen zou zijn. Gelukkig voegde meester Gijsbert wel aan zijn uitleg toe dat
een kind nooit een rugzakje toegewezen kan krijgen zonder goedkeuring van een
‘Regionaal Expertisecentrum’ en dan nog lag de eindbeslissing over de
acceptatie van extra begeleiding bij de ouders. Enigszins gerustgesteld sprak
Thea haar bedenkingen uit:
‘Volgens mij
is niet Walter, maar De Wielewaal eerder geholpen met een rugzakje; want iedere
uitzondering is er één te veel. Lastenverlichting met geld van buitenaf is
natuurlijk altijd welkom hier op school. Even los van het leervermogen van
betreffende kind!?’
‘Nou, nou’,
schuddebuikte meester Gijsbert.
Hij
betwijfelde of Thea wel de bedreiging was voor wie Jade, de interne
coördinatrice van de Wielewaal, hem in eerste instantie gewaarschuwd had.
‘Dat wijf is
gevaarlijk gek’, wist Jade de i.c..
Meester
Gijsbert was Thea in de eerste 10 weken voor het debuutrapport van Walter dan
ook niet voor niks zogenaamd per ongeluk uit de weg gegaan. Er stond een
toekomstige directeurschap op een basisschool op het spel en meester Gijsbert
kon zich geen reputatieschade veroorloven. En in de buurt van hypergevoelige
mama’s die over zijn schouder stonden mee te hijgen was een cruciale fout snel
gemaakt. Toch viel Thea hem honderd procent mee. Hij had de dames wel moeilijker
meegemaakt. Dit exemplaar was tegen verwachting in kostelijk en stond open voor
discussie. En discussiëren was zijn stokpaardje. Als het erop aankwam dan lulde
hij werkelijk overal een punt aan. Maar Jade de i.c., met wie hij onbedoeld
toch al veel intiemer omging dan goed voor zijn carrière was, zou hij niet
wijzer maken dan ze is. Welbeschouwd viel er wel het nodige persoonlijke
voordeel voor meester Gijsbert te behalen bij een openlijke reddingsoperatie
van een zesjarige leerling uit zijn groep 3. Aan de ene kant zou hij zich,
dankzij zijn ervaring in onderwijs met moeilijk lerende kinderen, als kenner op
het gebied van leerstoornissen kunnen profileren. Hij zou vooral goede sier
maken bij Willy Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Niet onbelangrijk,
want na zijn benoeming als directeur op zijn aanstaande basisschool, zou
Bakbruin een naaste collega worden. En een loyale collega is belangrijker dan
een verloren leerling uit een achterstandswijk. Aan de andere kant hoopte
meester Gijsbert zich met hulp aan Walter pijnloos van Jade de i.c. te kunnen
losweken. Hij kon haar Walter alias ‘de probleem leerling’ uit
handen nemen. Hij zou de vijand verslaan en al doende Jade de i.c. overtroeven.
De aanlokkelijkheid van vooral dit vooruitzicht deed meester Gijsbert ter
plekke besluiten om zich over Walter te ontfermen.
Thea vond
echter dat ze meester Gijsbert tegen zichzelf in bescherming moest nemen. Een
gewaarschuwd mens telt voor twee en ze vermeldde plichtmatig:
‘Walter is
laatst nog getest door een team van een taalpracticum van het regionale
academische ziekenhuis, omdat hij nasaal praat. Uit de IQ test kwam naar voren
dat hij alle potentie in huis heeft die een intelligent mens benodigd om een
normale basisschool te kunnen volgen. Zonder rugzakje. Als hij al een taal- en
leerachterstand mocht hebben, zoals jij in zijn eerste rapport hebt genoteerd,
dan is er nog geen man overboord. Sterker nog; de score van de IQ test van
Walter lag ver boven het gemiddelde.’
Ondanks de
stelligheid waarmee Thea oreerde, luisterde Meester Gijsbert niet naar wat er
gezegd werd en beweerde voorbarig:
‘Ja, maar dat
zegt niks.’
‘Wat zegt dan
wel wat? Waarop baseer jij dan je onverbiddelijke oordeel over een zesjarig
jongetje?’
‘Ik weet wat
ik zie’, antwoordde meester Gijsbert vaag.
‘Misschien
moet je dan nog een keer kijken, want uitgaande van de bewezen intelligentie
van Walter mag hij toch wel in staat mogen worden geacht om een lagere school
zonder rugzakje te kunnen doorlopen!’, voer Thea uit.
Meester
Gijsbert zat op een krukje aan een lage lessenaar in het lokaal van groep 3
tegenover Thea. Ze was al minstens 10 keer van zithouding veranderd, want een
veel te klein kinderstoeltje gaf haar ongemak en de prognose van een gruwelijke
spierpijn morgen. Meester Gijsbert dacht na over een verdediging tegen de
aanval van Thea. Zijn stoppelkin rustte in de handpalmen. Uit
de mouwtjes van zijn slobberige korte T-shirt staken witte, slappe
behaarde driekwart, blote armen waarvan de ellenbogen op het kunststof
tafelblad steunden. Hij masseerde zijn jukbeenderen en leek op een knaagdier.
‘Meten is
weten.’
‘Ja, dat zeg
ik net. Walter heeft al een IQ test achter de rug’, herhaalde Thea bekoeld.
Het leek erop
alsof meester Gijsbert zijn harde vonnis van Walter al enigszins begon af te
zwakken.
‘Het gaat al
stukken beter hoor in de klas moet ik zeggen.’
‘Gelukkig
maar’, antwoordde Thea vermoeid.
Dit was water
naar de zee dragen. Het reactiepatroon van meester Gijsbert was te absurd voor
woorden. Er zat geen kop en staart aan. Nogmaals legde Thea uit waarom Walter
volgens haar in geen geval in aanmerking zou kunnen komen voor een rugzakje of
wat voor een andere vorm van gesubsidieerde hulp van buitenaf dan ook. Ze sprak
langzaam en duidelijk en spelde haar woordkeuze nog net niet, zodat ze zich
achteraf niet kon verwijten dat zij meester Gijsbert niet ter wille was
geweest.
‘Mocht Walter
getest worden door professionals van het ‘Regionale Expertisecentrum’ dan komt
er dus waarschijnlijk uit naar voren dat hij een hoog IQ heeft.’
Meester
Gijsbert staarde wezenloos voor zich uit. Zijn mond stond half open. En wie
niet horen wil, die moest, wat Thea betreft, maar voelen:
‘Je weet toch
wat een IQ is?’
Meester
Gijsbert ontwaakte uit zijn trance:
‘Ja, ja, zeker
wel; een IQ is Intelligentie Quotiënt; een cijfer op een schaal. Maar je vindt
het wel goed dat ik een aanvraag indien voor een rugzakje?’
Zwijgend bleef
Thea meester Gijsbert een seconde of 10 star aankijken en dacht:
‘Zou hij
hardleers of Oost-Indisch doof zijn?’
‘Je doet je
best maar’, zei ze uiteindelijk toe.
Blij verrast
gaf meester Gijsbert Thea een vriendschappelijke schouderklop, waarmee hij haar
bijna uit het kinderstoeltje maaide. Ontsteld hervond Thea haar evenwicht en
wreef haar pijnlijke schouder. Meester Gijsbert zag de toekomstige samenwerking
al helemaal voor zich en trachtte Thea gerust te stellen:
‘Ik weet wat
ik doe hoor, ik ben jarenlang directeur geweest op een school voor moeilijk
lerende kinderen.’
‘Laat hem toch
lekker hobbyen’, stelde Bart voor.
‘Hij komt er
vanzelf achter dat hij zichzelf compleet voor gek zet met een aanvraag voor een
rugzakje. Zoveel vertrouwen heb ik dan nog wel in zo’n Expertisecentrum.’
Maar tot een
aanvraag bij het Regionale Expertisecentrum is het nooit gekomen. Wonderwilma
stak een stokje voor de plannen van meester Gijsbert. Alles wat meester
Gijsbert, na weken van onzekerheid, uiteindelijk nog nurks over het
eventuele rugzakje te missen had was een miezerige conclusie.
‘Wilma vindt
het niet nodig.’
‘Hoera voor
Wonderwilma’, triomfeerde Thea.
Niet
begrijpend hief meester Gijsbert één wenkbrauw. Hij liet zich in zijn plan van
Walteraanpak heus niet tegenhouden door zo’n fossiel als Wonderwilma, maar hij
had zijn tactiek aangepast aan de omstandigheden, daar de meeste vooraanstaande
ouders hem nog steeds – ook - buitenschools belaagden. Teneinde te
voorkomen dat Thea aldus niet weer cruciale wetenwaardigheden over het
leerproces van haar zoon zou mislopen, regelde meester Gijsbert na elke
schooldag in principe crisisoverleg over Walter in het klaslokaal van groep 3.
Alleen als Walter zich de betreffende schooldag perfect had getoond dan zou een
onderonsje niet nodig zijn geweest en dat was dus nooit. Met moeite maakte
meester Gijsbert zich dagelijks na de les los van zijn bewonderaars en wendde zich
in het bijzijn van de jaloerse buitenwacht met veel spreekwoordelijk
tromgeroffel tot Thea:
‘Ah, even de
neus laten zien en even bijkletsen; want een goede communicatie is de basis
voor een goede relatie’, bralde meester Gijsbert vergenoegd.
Hij bedoelde
natuurlijk dat hij hoe dan ook in geen geval opnieuw gedoe over Walter wilde
hebben met het oog op zijn reputatie in de onderwijswereld. Hij wilde moeder
Thea in het gareel houden. Ze mocht niet weer haar ongenoegen over hem bij
directrice Willy Bakbruin, Wonderwilma of wie dan ook spuien. Maar zijn
beweegredenen waren Thea om het even. Ze moest sowieso elke doordeweekse dag op
De Wielewaal zijn om de kinderen van te school halen en dan nam ze dat
crisisoverleg met meester Gijsbert wel op de koop toe. Haar doel was bereikt.
Walter was eindelijk bijgeschreven op de kaart van groep 3.
Desondanks
begon de stijfkoppigheid van Walter hem weer parten te spelen. In de loop van
zijn kleuterjaren had juffrouw Elsje het hevige verzet, dat Walter voornamelijk
op De Kleine Beer had tentoon gespreid, weten te reduceren tot een beetje
kleutergemok in de marge. Maar aan de start van de basisschool stak zijn
beruchte drift weer de kop op. In alle hevigheid. En dat terwijl de kleuter
Walter moeiteloos opstond uit bed. Probleemloos poetste hij twee maal daags
zijn tanden. Hij waste en kleedde zich als dat van hem gevraagd werd. Weliswaar
met wat hulp van Bart of Thea, maar daar was Walter kleuter voor. Ook liet hij
zich als een mak lammetje in één vloeiende beweging door naar school
begeleiden. Aan het eind van de kleuterperiode bij juf Elsje van De Wielewaal
blaakte Walter van zelfvertrouwen.
Maar in groep
3 kwam zijn getemde geestdrift weer tot leven. Walter transformeerde opnieuw
steeds vaker van een huiselijke brombeer in een driftkikkertje op school. Hij
werd hoe langer hoe bozer op meester Gijsbert, terwijl Thea juist het
tegengestelde had hopen te bewerkstelligen met haar protestactie tegen de
destructieve beoordeling in het eerste rapport van haar zoontje van
zes in groep 3. Een rapport dat meer weg had van een strafblad dan van een
evaluatie. Uiteraard had Walter het nodige meegekregen over de commotie rond
zijn schoolprestaties. Kleine potjes hebben grote oren. Bart deed er met zijn
doordachte, besmettelijke kalmte en zelfvertrouwen dan ook alles aan om ervoor
te zorgen dat zijn beer van een zoon niet aan zichzelf zou gaan twijfelen. Geen
eenvoudige opgave tegenover de oogkleppen van meester Gijsbert. Walter wilde
zijn vader wel geloven, maar hij kon zijn draai maar niet vinden in groep
3.
‘Mama, meester
Gijsbert zegt dat ik een sterretje ben’, deelde Walter in het wilde weg mee.
Hij streelde
de fluweelzachte, rimpelige vacht tussen de flaporen van de labrador die naast
hem op de bank lag. De zwarte snuit met rubberachtig dopje rustte op zijn
schoot.
‘Nou,
proficiat, vent’, vond Thea.
Het klonk ook
veelbelovend:
‘Een
sterretje’.
‘Da’s helemaal
niet leuk hoor.’
De hondenoren
liet Walter voor de lol een paar seconden recht overeind staan. De labrador
liet zich al het gehannes gelaten welgevallen tot in de berusting van een
monotoon, ronkend gesnurk.
‘O, niet?’
Thea verdeelde
de aandacht tussen Walter en haar pogingen om duo paren samen te stellen uit
een bonte diversiteit aan sokken in een wasmand.
‘De sterretjes
zijn de slechtsten van de klas, daarna komen de maantjes en de zonnetjes zijn
het beste.’
Verrast door
deze beeldende fantasie was Thea meteen één en al oor. Walter was er
het jongetje niet naar om in metaforen te praten. Walter dacht en communiceerde
in heldere problemen en kant en klare oplossingen.
‘Denk je dat
echt?’
Toch kon Thea
zich gewoon niet voostellen dat Walter geen onzin zat te verkondigen.
‘Meester
Gijsbert heeft vandaag drie lijstjes op het prikbord naast het digibord in de
klas gehangen. Mijn naam staat onder de sterretjes.’
‘Ow, help,
volgens mij is het echt waar’, wanhoopte Thea in gedachten.
Snel probeerde
ze zo waarachtig mogelijk in te spelen op de belevingswereld van Walter:
‘Ja, maar
schat dat betekent toch niet dat je de slechtste van de klas bent?’
‘Wel hoor’,
hield Walter stug vol.
‘Wie staan er
dan nog meer bij de sterretjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.
Haar latent
aanwezige onderdrukte kwaadheid over het beleid op De Wielewaal begon
de gemoedstoestand van Thea alweer te beïnvloeden. Het zou niet de
eerste keer zijn dat ze in het bijzijn van Walter haar woede ventileerde. Deze
keer haar furiositeit over het eventuele bestaan van een kwalificatiesysteem in
groep 3 van de basisschool. Sterretjes, maantjes en zonnetjes. De Über- en
Untermenschen. De sterretjes zijn voor altijd gebrandmerkt. Walter had zijn
vuur niet van een vreemde.
‘Jamille staat
erop en Jabir, Basum Anton, Amir, Emir en Ketifa en verder weet ik het niet’.
Hoezo
eigenaardig dat zo’n beetje alle kinderen met een migratie-achtergrond uit
groep 3 van De Wielewaal bij de sterretjes waren ingedeeld?!
‘En gaat er
nog iets met de sterretjes gebeuren?’
Thea zou bijna
weer in sprookjes gaan geloven.
‘De sterretjes
gaan allemaal naar juffrouw Wilma. Elke maandagmiddag en woensdagmorgen’
‘Is dat erg
dan?’
‘Neuh, leuker
als meester Gijsbert.’
‘Dan’,
verbeterde Thea automatisch.
‘Wat?’, vroeg
Walter verward.
‘Wat zegt u
mevrouw mama?!’
Belerend stak
Thea een vingertje in de lucht, maar Walter ontweek haar handig:
‘Wat jij
zegt!’
Walter lachte
gelukkig weer.
‘Als je
juffrouw Wilma niet meer leuk vindt dan waarschuw je papa of mij. Dan hoef je
niet meer naar de sterretjesgroep.’
‘Ik vind
meester Gijsbert niet leuk.’
‘Waarom niet?’
‘Ik krijg
altijd de schuld.’
‘Jij vindt
altijd dat je altijd de schuld krijgt; papa en ik noemen dat ‘het syndroom van
Calimero’.
‘Wat is
Calimero?’
‘Calimero is
een kuikentje uit een tekenfilm met veel zelfmedelijden. Zo van: Zij zijn groot
en ik ben klein en dat is niet eerlijk.’
Zorgvuldig
bracht Walter de hondenoren van Yolo weer in de juiste positie.
‘Ik had taal
weer niet af.’
‘Nou en, ik
krijg m’n sokkenselectie niet af.’
‘Ik kon het
best, maar ik zat alleen en toen kon ik mijn punt niet slijpen.’
‘Hoezo, waarom
schrijf je niet met een pen?’
‘We moeten met
potlood schrijven.’
‘Waarom?’
‘We moeten
gummen niet strepen.’
‘Nee, ik
bedoel; waarom zat je alleen?’
‘Ik zat op de
gang.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik
altijd de schuld krijg.’
Wie zondert
een kind van 6 nou af van de groep tijdens de les?
‘Maar hij had
geen straf’, verzekerde meester Gijsbert Thea tijdens het schooldagelijkse
crisisoverleg onder vier ogen in het lokaal van groep 3.
‘Waarom zet je
hem dan op de gang?’
Meester
Gijsbert gaf altijd een politiek correct antwoord. Thea werd er zo moe van.
‘Omdat de
groep onrustig was.’
‘Nou dan is
het toch logisch dat Walter vindt dat hij altijd de schuld krijgt?’
‘Ja, maar dat
is niet zo.’
‘Ja, maar dat
weet Walter toch niet?’
‘Ja, maar ik
dacht dat hij zich beter kon concentreren op de taaltoets als hij apart op de
gang zou zitten.’
‘Ja maar hij
zag allerlei dingen, zei hij. Die dingen moest hij eerst bekijken. Tekeningen
aan de muur die hij nog nooit gezien had. De directrice – Willy Bakbruin – kwam
voorbij lopen. Zij vroeg nog aan hem waarom hij zo alleen op de gang zat.
Daarna brak de punt van zijn potlood af en toen was de tijd om en had hij de
taaltaak niet af.’
‘Het was geen
taaltaak, maar een citotoets voor groep 3.’
‘Nog erger;
daar reken jij hem in zijn rapport weer op af. Dat hij zijn werk niet op tijd
afheeft.’
‘Hij kan juist
hartstikke goed rekenen.’
‘Was het een
rekentoets dan?’
‘Nee, het was
een taaltoets en hij had hem weer niet af.’
Thea
verkneep zich. Ze strekte haar bovenlichaam en maakte de nekspieren los door
met haar hoofd te tollen. Ze stokte toen haar blik op 3 lijsten naast het
digibord viel:
‘Wat betekent
dat?’
Ze knikte naar
de besproken lijsten met afzonderlijk sterretjes, maantjes en zonnetjes.
Meester Gijsbert leefde op:
‘Dat is een
indelingssysteem dat wij hier op De Wielewaal hanteren. De zonnetjes zijn de
hoogbegaafde kinderen. De maantjes behoeven af en toe weleens een steuntje in
de rug en de sterretjes zijn de leerlingen die het meeste zorg eisen.’
Thea stond op
en begaf zich naar de lijst om de indeling goed te kunnen bestuderen. Tim, het
klasgenootje met wie Walter een knipperlicht vriendschap deelde, was een
zonnetje. Thea had inmiddels met haar werk bij Huiswerksterk al wel zoveel
ervaring opgedaan om in te kunnen schatten dat Walter mentaal in geen geval
onderdeed voor Tim. Bovendien had de vechtscheiding van de ouders van Tim hem
een onvoorspelbare moeder en een depressieve vader opgeleverd. Thea wist uit
ervaring dat kinderen met een onstabiele thuisbasis wel degelijk extra zorg en
aandacht nodig hadden op school. Juist op school. Weg van de spanningen thuis.
Hoe hoogbegaafd ook. Ze hoefde maar naar haar oppaskinderen uit de begintijd
van Huiswerksterk te kijken. Jasmijn en Melvin. Zodoende durfde Thea die
begeerlijke hoogbegaafdheid in de meeste gevallen ook ernstig te betwijfelde.
Maar ja; de gesubsidieerde, roemruchte plusgroep van De Wielewaal moest ook
jaarlijks doorstroming vinden met een vers gekweekte toevoer uiteraard.
‘Wist jij dat
Walter denkt dat hij de slechtste van de klas is, omdat jij hem bij de
sterretjes hebt ingedeeld?’, vroeg Thea afgemeten aan meester Gijsbert.
‘Dat is
natuurlijk onzin’, grijnsde meester Gijsbert ongemakkelijk.
Zijn voelbare leedvermaak
dreef Thea tot razernij en een rigoureuze actie. Met drie korte rukken
trok ze de lijsten achter elkaar van de muur en scheurde de A-viertjes op
ooghoogte van meester Gijsbert in stukken. De snippers liet ze demonstratief in
de prullenbak onder het digibord verdwijnen. Meester Gijsbert vond haar zichtbaar
sensationeel. Hij liep rood aan en sidderde over zijn hele lichaam alsof hij in
vuur en vlam stond. Het scheelde niet veel of hij had Thea op locatie
besprongen. Haar mondelinge toelichting vormde evenwel een probaat
voorbehoedsmiddel:
‘Hoe jullie in
de lerarenkamer eensgezind over de kinderen denken en praten is niet mijn zaak.
Maar in het openbaar wens ik dat zowel de privacy van mijn kind als die van
anderen gerespecteerd wordt. Ik wil niet van andere kinderen weten of ze
zonnetjes, maantjes of sterretjes zijn en ik wil zeker niet dat andere ouders
weten dat mijn kind door jou – meester Gijsbert de grote - als een sterretje
bestempeld wordt.’
‘En wat dan
als Walter een zonnetje was geweest?’, waagde meester Gijsbert toch nog te
provoceren.
Hij zat gewoon
te treiteren. Zijn afgang bij Thea kon hij maar moeilijk verkroppen. En Thea
kon zich opeens helemaal voorstellen waarom Jade de interne coördinatrice aan
hem was blijven plakken. Soort zoekt soort.
‘Als Walter
een zonnetje was geweest dan zou ik de lijsten uiteraard hebben laten hangen’,
loog Thea op een dusdanig indringende wijze dat meester Gijsbert niet anders
kon dan haar ironie op z’n fatsoen trekken en haar tegemoet te komen.
‘Bij mijn
weten zijn er geen klachten van andere ouders, maar misschien heeft Walter mijn
klassikale uitleg niet begrepen en moet ik hem apart nog een keer extra
uitleggen wat een sterretje precies inhoudt?’, stelde meester Gijsbert
overdreven gedienstig voor, waardoor doorschemerde dat hij zijn schoolvoorbeeld
van een belofte bij voorbaat niet van plan was na te komen.
De giga
aandrang om - bij wijze van respons – met haar vuisten op het borstkastje van
meester Gijsbert in te timmeren, kon Thea maar ternauwernood onderdrukken. In
plaats daarvan zuchtte ze gefrustreerd.
‘Ja doe dat
maar. Maar niet op de gang graag.’
HOOFDSTUK 12
Kinderen
onderling vergelijken mag dus niet. Althans niet vanuit didactisch perspectief.
Steeds als Thea op haar ervaringen bij Huiswerksterk dacht te kunnen bogen,
werd haar door een leerkracht, pedagoog, of andere deskundige een halt
toegeroepen. Maar verbieden werkt juist averechts. Alles welbeschouwd rezen er
trouwens amper noemenswaardige verschillen tussen het leerproces van Jasmijn en
Sabine, of Melvin en Walter. Behalve dan dat een buitenstaander minder
weerstand uitlokt bij de opvoeding dan een vader of moeder in de rol van
leerkracht. De huiswerk begeleiding van de kinderen van haar ex is Thea altijd
stukken makkelijker afgegaan dan de thuishulp aan Sabine en Walter. Walter
heeft nu nog de neiging om overal over in discussie te gaan. Maar de aarde is
rond totdat het tegendeel bewezen is en feitjes zijn feitjes. Sabine heeft er
nog altijd een handje van om weg te dromen boven haar huiswerk en ‘keurig
netjes’ komt niet voor in haar vocabulaire. Niet zo vreemd dat Sabine als
zesjarig meisje in groep 3 begon met een abominabel handschrift. Geen reden
voor de tactloze juffrouw Dorien van groep 3 - en later ook groep 4 – om Sabine
op weg te helpen. Integendeel, juffrouw Dorien besloot om het gestuntel van
Sabine onverbloemd aan de schandpaal te nagelen. Aan een lijntje dat hoog en
horizontaal gespannen was over de breedte van het hele klaslokaal werden de
allereerste pogingen tot een leesbaar handschrift van de 6-tot 7jarigen voor
alle ouders en andere bezoekers aan groep 3 van juf Dorien tentoon gespreid. Niet
te missen hingen de eerste probeersels van de kleintjes op uitgescheurde
schriftblaadjes naast elkaar te bungelen aan wasknijpers. Het aandoenlijke
gekrabbel en geklieder van Sabine stak halverwege de slinger vloekend af tegen
de schoolvoorbeelden van schoonschrift van alle andere meisjes uit de klas.
Zelfs de jongetjes, die meestal alleen onder dwang bereid zijn om het werk te
verzorgen, bakten er op het eerste gezicht meer van dan Sabine. Thea was dan
ook ziedend. Ze zag de andere moeders wel kijken. Het leedvermaak in de ogen;
het minachtende grimassen; het spastische bewegen van de benepen lippen. Ten
overstaan van bijna alle ouders van de kinderen van groep 3 nam de moeder van
Mathilde namens de meerderheid het voortouw. Niemand zou haar tegenspreken.
Haar dochter stond bekend als de beste van de klas. Mathilde was een typisch
Wielewaalkind en daarmee voorgeprogrammeerd plusgroep materiaal.
‘Tjeemp Thea,
die Sabine van jou heeft nog een lange weg te gaan. Zo te zien moet ze nog wel
even wat oefenen voordat ze mee kan komen!’
Thea wachtte
niet totdat het paars voor haar ogen was verdwenen, maar voer meteen uit.
‘Oefening
baart kunst, maar daarom stuur ik mijn dochter ook naar school. Ik ga haar niet
prematuur drillen zoals jij wel bij Mathilde gedaan hebt. Kijk maar naar haar
gepolijste schrijfstijl. De invloed van mammie dearest straalt ervan af!’
‘Nou ja, lange
tenen. Als jij ook wat meer met Sabine thuis zou oefenen zou dat het niveau in
de klas alleen maar te goede komen’, sneerde de moeder van Mathilde onder
meerstemmige bijval van de omstanders.
Juffrouw
Dorien schaarde zich letterlijk bij de mening van de meerderheid door fysiek
naast de moeder van Mathilde te gaan staan. Het koord met schrijfsels bleef dan
ook onveranderd nog een maand of twee in de gevarenzone van groep 3, gespannen
over het plafond, hangen. Achteraf had Thea gewoon ter plekke moeten eisen dat
de onthullende schrijfslinger verwijderd werd.
Uiteindelijk
kwam juffrouw Dorien de moeder van Sabine wel enigszins tegemoet. Onder vier
ogen met Thea beloofde ze met de hand op het hart dat ze in de toekomst de
ontwikkeling van het handschrift van Sabine nauwlettend in de gaten zou houden.
Ook beloofde juffrouw Dorien dat ze Sabine in het vervolg een beetje tegen de
kritiek van andere ouders in bescherming zou nemen op een toon
waarop een klein kind een leugentje om bestwil krijgt toebedeeld. Het enige dat
juffrouw Dorien in werkelijkheid ondernam om het handschrift van Sabine te
verbeteren was het inschakelen van de remedial teacher. Wonderwilma. Alweer!
Wonderwilma
kwam wederom, zag en overwon. Het handschrift van Sabine zou in de loop van de
basisschooljaren vanzelf wel recht trekken. Volgens Wonderwilma. Maar die
loopbaan ging Thea niet snel genoeg meer. Niet na de tentoonstelling in de
klas. Om herhaling en een minderwaardigheidscomplex bij Sabine te voorkomen,
moest Thea wel zelf met het handschrift van haar dochter aan de slag. Maar leer
je bloedeigen kind eens binnen de lijntjes te schrijven, zonder zelf het goede
voorbeeld te geven! Thea was geen kalligrafe. Juffrouw Dorien ook
niet waarschijnlijk, maar dat zullen we nooit zeker weten, daar ze helemaal
niet actief aan het verbeteren van het handschrift van Sabine toegekomen is.
Juffrouw Dorien had het veel te druk met de zonnetjes. Dus met de bolleboosjes
uit groep 3 waarvoor kosten noch moeite op De Wielewaal bespaard werden. Eén
voor allen en allen voor de plusgroep. De blessuretijd werd besteed aan de
achterblijvers. Oftewel aan de sterretjes die zo dringend bij de les betrokken
moesten worden dat juffrouw Dorien chronisch overbelast raakte. Aldus vielen de
maantjes in groep 3 van juffrouw Dorien tussen de wal en het schip. Sabine was
zo’n middelmaantje dat in de klas grotendeels aan haar lot werd overgelaten.
Dat ging best, maar zonder vingerwijzingen van juffrouw Dorien bleef ze over de
gebreken aan haar handschrift in het duister tasten.
Thea geloofde
niet dat er sprake was van kwaadwil bij juffrouw Dorien van Sabine in groep 3
en 4. Ze was geen slechte leerkracht, maar net als kleuterjuf Elsje
en meester Gijsbert, overgevoelig voor het klatergoud dat op De Wielewaal
blonk. In vertrouwen met Thea deed juffrouw Dorien het voorkomen alsof de
driedeling zonnetjes, maantjes en sterretjes in groep 3 maar een tijdelijke
status was, die zeker geen garantie bood voor de toekomst. De leerprestaties
van kinderen zijn over het algemeen net zo veranderlijk als het weer. Als Thea
juffrouw Dorien in de wandelgangen moest geloven dan had Sabine in
groep 3 en 4 nog alle kans om een zonnetje te worden. Theoretisch gezien dan,
want in de praktijk bleven alle topposities in groep 3 en 4 bezet door de
kinderen van vooraanstaande ouders uit de Wielewaalwijk. In hun gesprekken
thuis verwezen Bart en Thea inmiddels naar deze insiders als ‘opperouders’.
Juffrouw
Dorien had een zwak voor de opperouders met de bijbehorende kids. Ze hoefde
tijdens breng- en haalmomenten maar een paar guitige anekdotes over hun
weergaloze kroost ten beste te geven en juffrouw Dorien had alle
vooraanstaande. lachende papa’s, mama’s en verzorgers uit De Wielewaalwijk op
haar hand. Een zelfde geestigheid met Sabine uit de achterstandswijk in de
hoofdrol zou nog niet bij benadering hetzelfde effect bewerkstelligd hebben en
wie is er nou niet liever getapt? Vandaar dat juffrouw Dorien ook tijdens een
ouderavond maar niet uitgepraat raakte over de schelmse streken van een bosje
schitterende zonnetjes in groep 3. Alsof alleen de besten goed
genoeg waren om besproken te mogen worden. De opperouders van de uitverkoren
kleintjes grijnsden alsof ze niet anders verwacht hadden, maar Thea stoorde
zich aan het meeloopgedrag van juffrouw Dorien.
‘Je hebt toch
25 kinderen in de klas?’, vroeg Thea veelbetekenend na afloop van de ouderavond
aan juffrouw Dorien.
Een populaire
moeder uit het groepje van opperouders voegde zich belangstellend bij Thea en
juffrouw Dorien. Uit fatsoen probeerde Thea haar weerstand tegen dit ecomens te
onderdrukken. Ze was zo’n drammerige groenmoeder die overal een ‘biologische’
sticker op plakte. Zelfs op haar eigen dieselauto. Ze ging zichtbaar nooit naar
de kapper, maar droeg het haar in zo’n warrig knotje halverwege het
achterhoofd. Ze liet haar haren naar eigen zeggen de vrije loop. Zelfs onder
haar oksels en op haar scheenbenen en bovenlip. Kortom over haar hele lichaam.
Figuurlijk ook op haar tanden. In het bijzijn van het ecomens stond juffrouw
Dorien eigenlijk liever niet stil bij de opmerking van Thea, maar ze kon niet
anders. Uit plichtsbesef. Volgens de onderwijswet had Thea ten slotte ook recht
van spreken. Juffrouw Dorien nam even de tijd om over een gepast antwoord bij
zichzelf te rade te gaan. Tot agitatie van het ecomens dat ongeduldig voor haar
beurt sprak.
‘Weet je Thea,
sommige kinderen springen er gewoon uit en andere kinderen drijven gewoon met
de stroom mee en vallen niet op.’
Thea negeerde
haar zo hard mogelijk. Ze was al eens eerder in een woordenwisseling met het
ecomens verstrikt geraakt. Thea zou zich geen tweede keer laten verleiden om
zich tot haar bekrompen denkniveau te verlagen. Het ecomens leefde in haar
eigen wereldje waarin geen plaats was voor inclusiviteit. Zo was ze heilig
overtuigd van een elementair verschil tussen de psyche van jongens en meisjes.
‘Meisjes zijn
onderling veel gemener dan jongens’, beweerde ze stellig tijdens een
brengmoment in het klaslokaal van groep 3.
Thea voelde
zich aangesproken en vond dat ze in de bres moest springen voor Walter en
Sabine.
‘Dat heeft dan
alles met socialisatie, maar niets met geslacht te maken’, wierp ze het ecomens
voor de voeten.
Met een
spottende blik zocht het ecomens succesvol naar woordeloze steunbetuigingen van
mede opperouders, terwijl ze Thea op haar plaats zette.
‘Dat is geen
mening Thea, maar een feit.’
Het klonk als
een bedreiging. Het ecomens sprak uit ervaring. Ze was de volwassen uitvoering
van een gemeen meisje. Juffrouw Dorien kreeg een rood hoofd.
‘Ik was me er
helemaal niet van bewust dat ik kinderen naar voren schoof. Kun je het aan me
zien?’, hakkelde ze schuldbewust richting Thea.
Maar als het
erop aankwam dan had juffrouw Dorien geen ruggengraat, of een eigen mening. Wel
gevoel, want in de loop van 2 jaar werd ze steeds doller op Sabine. Andersom
wilde Sabine ook geen kwaad woord over juffrouw Dorien horen. Maar het leek wel
alsof die twee geheimhouding over hun wederzijdse sympathie hadden beklonken.
Uit gemakzucht. Om gedoe met de buitenwacht te voorkomen. Zelfs de schijn van
een voorkeurspositie moest voorkomen worden, hetgeen Thea onnodig vond. Waarom
mocht Sabine niet eens in de schijnwerpers worden gezet? Alleen
tijdens de 10 minutengesprekken was juffrouw Dorien tegen Thea lyrisch over
Sabine die de sfeer in de hele klas scheen te kunnen verlichten en die iedere
dag met een opgeruimd humeur op school verscheen. Hoe anders dan sommige
zonnetjes die elke ochtend in tranen en met pruilende lipjes het klaslokaal van
groep 3 binnenslopen in de schaduw van hun veeleisende opperouders.
Met een
bewonderenswaardige berusting loosde juffrouw Dorien de verdrietige hoopjes
naar hun stoeltjes in de kring, terwijl ze de tranen met tuiten van de
huilebalkjes aanhoudend verdedigde tegen het groeiende onbegrip van normale
ouders:
‘Beetje
faalangst.’
De dominerende
opperouders van de treurwilgjes lieten zich voor aanvang van de les niet
wegjagen. Thea moest telkens weer moeite doen om zich van commentaar te
onthouden. Misschien moesten deze zonnetjes een paar maandjes tot maantjes
gedegradeerd worden om een beetje tot zichzelf te kunnen komen?
In het centrum
van de kring stond een boekenbak die de grienende grietjes in
opdracht van hun toezichthouders deugdzaam doorploegden. De opperouders
dicteerden de geschikte kinderliteratuur. Er werd hardop naast en door elkaar
voorgelezen en tegen elkaar opgeboden. Elke morgen van iedere schooldag weer
opnieuw, terwijl Thea zwaaiend door het gangraam de aandacht van Sabine
probeerde te trekken. Soms scoorde Thea een luchtkusje, maar meestal zag Sabine
haar niet eens meer staan, omdat ze opging in een geanimeerd gesprek met
bevriende klasgenootjes. Allemaal medemaantjes die in de vroege ochtend ook
liever kletsten dan dat ze een prentenboek aan hun ouders voorlazen.
In de tijd dat
Jasmijn en Melvin de basisschool bezochten werden, bij Thea’s weten, de
kinderen nog niet ingedeeld in een classificatiesysteem van
zonnetjes, maantjes dan wel sterretjes. En zo ja dan waren zowel Jasmijn als
Melvin overduidelijk geen hoogvliegers geweest, maar wel gemaakt. Want ook voor
omhooggevallen jongens en meisjes geldt nog altijd de aloude zinssnede:
‘Middelmaat
siert de straat.’
Desondanks
hoorden beide kinderen vanaf hun eerste stapjes logischerwijs bij de top van
hun leerjaar op school. Of ze nou op de crèche, peuterspeelzaal of basisschool
toefden, moeder Beau droeg zorg voor de status. Beau wist precies wat bon ton
was; ze kende de juiste mensen met de goede connecties en wist steeds de pré te
krijgen. Beau behoorde tot de incrowd. Overal en altijd. Beau kende de
ongeschreven regels. Ze wist wie in en uit was en ze kon mensen naar de mond
praten. Ze kon gewetenloos vleien, roddelen en liegen met het gewenste effect
en precies de goede bewoording. Beau viel niet in de kuil die ze groef voor een
ander. Haar dochter Jasmijn was in vergelijking met Sabine dan ook het perfecte
meisjemeisje. Als Jasmijn ’s ochtends het huis verliet in een witte blouse op
een oudroze pantalon en met boterbloemetjes in haar ingevlochten blonde pieken
dan keerde ze in de namiddag weer in exact dezelfde, smetteloze staat van de
basisschool terug. Zelfs haar bewerkelijke kapsel zat nog onberispelijk in model.
En je zou gezworen hebben dat de pastel geel getinte kindermuiltjes, waar ze al
bijna uitgegroeid was, amper gedragen waren. Zo proper zagen de
spiksplinternieuwe stappers van Sabine er na een uur lopen al niet meer uit.
Zoals ook haar kleding aan het eind van een doodgewone dag geheid onder de
onbestemde vlekken zat. Haar goed gekapte, praktische kapsel was uit model en
haar bewegelijke vingertjes zagen blauw van de inkt. En met al zijn
eigenaardigheden kwam ook Walter niet eens bij het aangepaste gedrag van Melvin
in de buurt. Toch had Thea gedurende de beginjaren van Huiswerksterk zoveel
bewijslast jegens haar oppaskinderen weten te verzamelen dat ze sterk vermoedde
dat Jasmijn ook zo haar verborgen gebreken had. Van Melvin wist ze het nu wel
zeker. Jasmijn was altijd een zorgelijk kind geweest.
Bleek, kopschuw, huilerig. Haar introverte persoonlijkheid stoorde
Thea. Jasmijn was van kleins af aan berekenend en voelde zich bij het minste of
geringste achtergesteld door de hele wereld. Zover als Thea het kon beoordelen
had Jasmijn geen sterke band met haar moeder Beau, maar zeker weten deed ze het
niet, want ze had het tweetal nooit samen gezien. Toen Jasmijn 7 jaar was en
Thea een tijdje bij haar vader Pim woonde, kroop het afstandelijke meisje
weleens onverwacht heel dicht tegen haar nepmoeder aan. Bij gebrek aan beter
waarschijnlijk. Ongemakkelijk sloeg Thea dan een arm om de schouder van Jasmijn
zonder haar te willen aanmoedigen. De idee-fixe dat haar antipathie voor
Jasmijn zou doorlekken - en bij iedere volgende aanraking het kleine meisje
meer en meer zou bezoedelen - nam op den duur onhoudbare proporties aan. Thea
verkrampte over haar hele lichaam als Jasmijn in de buurt kwam. Het kind kon er
niets aan veranderen. Het was diep treurig dat Jasmijn genoegen moest nemen met
wat krampachtige genegenheid van een surrogaatmoeder, want vader Pim stomd niet
in voor Jasmijn, maar ook niet voor de tweejarige Melvin die soms opeens om
zich heen en begon te slaan en schoppen. In plaats van proberen hem tot bedaren
te brengen zag Pim de tweestrijd van zijn zoon met zichzelf een tijdje
afstandelijk aan, om vervolgens de deur van het vrijgezellenappartement achter
zich dicht te trekken. Thea bleef weer eens in haar eentje achter met een op
hol geslagen peuter en een emotioneel geremd 7 jarig meisje. Om van de nood een
deugd te maken leerde ze de twee tot rust komen met puzzels, prentenboeken of
een bordspelletje ‘Mens Erger Je Niet.’ Deze bezigheidstherapie werd na haar
scheiding van partner Pim verder uitgebreid met het oefenen van schoolwerk en
het maken huiswerkopdrachten. Zeven dagen in de week, twee uur per
dag na schooltijd en in de weekenden, met begeleiding van Thea. Voor Jasmijn
een dikke 4 jaar lang en voor Melvin iets meer dan 8 jaar. Die topprestaties op
de basisschool kwamen dus niet uit de lucht vallen. Er was geen alternatief.
Tegenwoordig
woont moeder Beau dus al weer een tijdje in Engeland met haar veel jongere
minnaar. Alias de 25jarige ex-vriend van Jasmijn. En vader Pim is
hertrouwd met ene Femke; de 50jarige stiefmoeder van Melvin. Ze bracht ook een
zelf gemaakt meisje van een andere man in de relatie mee dat vermoedelijk de
summiere aandacht die Pim te vergeven heeft van Melvin afsnoept. Thea zou geen
andere reden kunnen verzinnen waarom Melvin in de heren prostitutie zit.
‘Bemoei je er
niet mee’, waarschuwt Bart.
‘Waarom
niet?’, vraagt Thea onnozel.
‘Omdat je niet
weet wat voor een beerput je opentrekt.’
Maar zelfs al
zou Thea haar neus in de stinkende affaires van Melvin willen steken, dan zal
hij toch eerst weer eens onverwacht op bezoek moeten komen. Ze heeft hem al
twee weken niet gezien en de laptop van de overbuurman is ook nog niet
geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. Ze zou Melvin natuurlijk kunnen
bellen, maar ze heeft zijn mobiele nummer niet en Pim durft ze niet aan te
spreken met het laatste pikante nieuws over zijn zoon in haar achterhoofd. Ze
durft te zweren dat Pim geen flauw benul heeft van het erotische bijbaantje van
Melvin. Pim leeft in de naïeve veronderstelling dat zijn zoon keurig
het vmbo volgt en weer zoals vroeger huiswerkbegeleiding van Thea krijgt. Of
zoiets.
Ze heeft de
afgelopen veertien dagen al wel een paar keer op het punt gestaan om met de
laptop onder haar arm de straat over te steken en boudweg aan te bellen bij de
overbuurman. Ze weet dat het politiebezoek van twee weken geleden niet tot een
arrestatie van de beste man heeft geleid, want Thea ziet hem dagelijks gewoon
komen en gaan vanachter haar huiskamerraam. Van een afstand
lijkt hij niet onvriendelijk, maar hij is en blijft een pooier
natuurlijk en dus een gladjanus. Hij is klein van stuk; hartstikke kaal; maar
dan ook echt helemaal haarloos en zijn blote hoofd is egaal zonnebankbruin.
Thea houdt het
huis aan de overkant ook nauwlettend in de gaten omdat ze hoopt Melvin te zien
opduiken. Ze begint zich ongerust te maken. Niet dat Melvin normaliter elke dag
op de stoep staat, maar haar onderbuik schreeuwt om een teken van leven. Het is
net als met de kat. Pas als zij niet op komt dagen rond etenstijd is elk
tijdsbesef irrelevant. Onverhoeds zwaait de voordeur van het huis aan de
overkant open. Galant doet de overbuurman een dame uitgeleide. Hij volgt haar
op de voet. Zijn skinhead weerkaatst het novemberzonlicht terwijl hij de
voordeur achter zich afsluit. De vrouw komt Thea bekend voor, maar het is een
gangbaar type. Zo’n geplastificeerde vijftiger met een pittige, geflambeerde
coupe. Zo aan haar houding te zien is ze niet zijn geliefde. Er springen geen
vonken over en weer; maar eerder blikken van verstandhouding. Ze zal wel een
oude bekende zijn en ze wacht geduldig totdat de overbuurman de voordeur
afgesloten heeft. Ineens herkent Thea de stiefmoeder van Melvin. Femke.
Uitgerekend Femke heeft Thea totaal niet zien aankomen. Zou zij inmiddels
ingewijd zijn in het geheime dubbelleven van Melvin? De overbuurman zeult een
mega herfstboeket met zich mee. Tot stomme verbazing van Thea steekt het
tweetal de straat over en stopt bij haar woning. Femke buigt zich licht
voorover en zwaait vrolijk naar Thea die versteend van ontsteltenis opzichtig
achter het huiskamerraam staat. De voordeurbel gaat.
‘Dag
overbuurvrouw.’
De overbuurman
lacht breeduit. Sprakeloos schudt Thea de uitgestoken hand.
‘Ha, die
Thea’, zegt Femke alsof ze haar beste vriendin een bezoekje brengt.
‘Dit is Bink,
mijn broer. Mogen we even binnen komen?’
Stom doet Thea
een stapje achteruit. Schoorvoetend komt het span tot stilstand in de hal,
waarna Thea zwijgend voor gaat naar de huiskamer. Bij binnenkomst
ziet Bink meteen zijn zilverkleurige laptop op het bureau van Thea liggen.
‘Kijk eens
daar issie, mijn laptop’, roept hij verheugd.
Het grote
herfstboeket duwt hij van zich af tegen de borsten van Thea die de bloemen in
een reflex omarmt. Zijn laptop neemt hij meteen in beslag.
‘Koffie?’,
vraagt Thea vanachter het herfstboeket.
‘Doe geen
moeite’.
Onbehaaglijk
kijkt Femke om zich heen.
‘Ik krijg zo
leerlingen’, meldt Thea naar waarheid.
‘Dan gaan we
toch’, stelt Bink voor. Hij lijkt zich van geen kwaad bewust.
‘Dat boeket is
voor jou. Als dank voor de opslag van mijn laptop. Het moest even. Er staan
dingetjes op. Niets illegaals, maar toch, ik heb liever niet dat de informatie
in handen van de verkeerde mensen valt.’
‘Mijn zoon
zegt dat je gevoelige informatie veel beter van de harde schijf af kunt halen
en op een usbstick kunt zetten.’
Het is eruit
voordat Thea het goed en wel in de gaten heeft.
‘Daar was geen
tijd meer voor.’
Thea vlijt de
bos bloemen op de salontafel, verzamelt al haar moed en kijkt Bink doordringend
aan:
‘Gelukkig dat
Melvin toevallig op bezoek was tijdens die abrupte inval van de politie 2 weken
terug.’
De mondhoeken
van Bink zakken prompt naar beneden:
‘Gelukkig wel
ja’, bevestigt hij met klem.
‘De boekhouder
van Bink heeft hem een loer gedraaid’, legt Femke uit op een toon waarmee ze
Thea tot consideratie hoopt aan te zetten.
‘Heeft hij je
dat wijsgemaakt?’
Thea knikt
naar Bink. Femke is echter niet te vermurwen:
‘Er zitten
belastinggegevens in die laptop die justitie heus nog wel onder ogen krijgt.
Zodra ze weer rechtgetrokken zijn.’
‘En die foto’s
dan?’
Thea weet dat
ze zich met deze vraag op verboden terrein begeeft, maar ze brandt
van nieuwsgierigheid.
‘Welke
foto’s?’
Of Femke is
een enorm miskend acteertalent, óf ze weet echt van niks.
‘Foto’s van
toyboys!’
‘Ow, kom nou
toch Thea. Sinds wanneer is het downloaden van homo-erotiek strafbaar?’, blaast
Femke.
‘Kan je broer
ook voor zichzelf praten?’
Thea stelt de
vraag aan Bink die haar dreigend aanstaart:
‘Ja, sorry,
natuurlijk kan Bink voor zichzelf praten’, verontschuldigt Femke zich
gekalmeerd.
Thea moet met
tegenzin aan zichzelf toegeven dat Femke geen verkeerd persoon is. Nu lacht ze
zelfs ontwapenend en vervolgt:
‘Ik ben het
gewoon gewend om mijn kleine broertje tegen zichzelf in bescherming te nemen.
Terwijl Pim en ik juist zoveel aan Bink te danken hebben sinds Melvin ook uit
de kast gekomen is.’
‘Ja, dat helpt
enorm natuurlijk’, raaskalt Thea.
Ze weet niet
wat ze hoort. Opnieuw klinkt de voordeurbel.
‘Je leerling
is gearriveerd’, duidt Femke over haar schouder, terwijl ze de huiskamer
uitloopt. Thea blijft alleen met Bink achter:
‘Ik hoop dat
jouw whizzkid die jongens niet op usbstick gezet heeft’, gromt hij.
‘Laat mijn
zoon erbuiten’, walgt Thea.
‘En jij
Melvin’, dreigt Bink in het voorbijgaan.
‘En als ik het
niet doe?’
Bink staat oog
in oog met Thea. Ze ruikt zijn muffe adem als hij haar fluisterend terecht
wijst:
‘Wat voert
toyboy Melvin eigenlijk zo vaak in het huis van cougar Thea uit?’
Thea snakt en
hapt naar adem voordat ze kinderlijk verontwaardigd uitroept:
‘Niks.’
‘Maak dat je
poesje wijs’, finisht Bink suggestief.
Kinderen
onderling vergelijken mag dus niet. Althans niet vanuit didactisch perspectief.
Steeds als Thea op haar ervaringen bij Huiswerksterk dacht te kunnen bogen,
werd haar door een leerkracht, pedagoog, of andere deskundige een halt
toegeroepen. Maar verbieden werkt juist averechts. Alles welbeschouwd rezen er
trouwens amper noemenswaardige verschillen tussen het leerproces van Jasmijn en
Sabine, of Melvin en Walter. Behalve dan dat een buitenstaander minder
weerstand uitlokt bij de opvoeding dan een vader of moeder in de rol van
leerkracht. De huiswerk begeleiding van de kinderen van haar ex is Thea altijd
stukken makkelijker afgegaan dan de thuishulp aan Sabine en Walter. Walter
heeft nu nog de neiging om overal over in discussie te gaan. Maar de aarde is
rond totdat het tegendeel bewezen is en feitjes zijn feitjes. Sabine heeft er
nog altijd een handje van om weg te dromen boven haar huiswerk en ‘keurig
netjes’ komt niet voor in haar vocabulaire. Niet zo vreemd dat Sabine als
zesjarig meisje in groep 3 begon met een abominabel handschrift. Geen reden
voor de tactloze juffrouw Dorien van groep 3 - en later ook groep 4 – om Sabine
op weg te helpen. Integendeel, juffrouw Dorien besloot om het gestuntel van
Sabine onverbloemd aan de schandpaal te nagelen. Aan een lijntje dat hoog en
horizontaal gespannen was over de breedte van het hele klaslokaal werden de
allereerste pogingen tot een leesbaar handschrift van de 6-tot 7jarigen voor
alle ouders en andere bezoekers aan groep 3 van juf Dorien tentoon gespreid. Niet
te missen hingen de eerste probeersels van de kleintjes op uitgescheurde
schriftblaadjes naast elkaar te bungelen aan wasknijpers. Het aandoenlijke
gekrabbel en geklieder van Sabine stak halverwege de slinger vloekend af tegen
de schoolvoorbeelden van schoonschrift van alle andere meisjes uit de klas.
Zelfs de jongetjes, die meestal alleen onder dwang bereid zijn om het werk te
verzorgen, bakten er op het eerste gezicht meer van dan Sabine. Thea was dan
ook ziedend. Ze zag de andere moeders wel kijken. Het leedvermaak in de ogen;
het minachtende grimassen; het spastische bewegen van de benepen lippen. Ten
overstaan van bijna alle ouders van de kinderen van groep 3 nam de moeder van
Mathilde namens de meerderheid het voortouw. Niemand zou haar tegenspreken.
Haar dochter stond bekend als de beste van de klas. Mathilde was een typisch
Wielewaalkind en daarmee voorgeprogrammeerd plusgroep materiaal.
‘Tjeemp Thea,
die Sabine van jou heeft nog een lange weg te gaan. Zo te zien moet ze nog wel
even wat oefenen voordat ze mee kan komen!’
Thea wachtte
niet totdat het paars voor haar ogen was verdwenen, maar voer meteen uit.
‘Oefening
baart kunst, maar daarom stuur ik mijn dochter ook naar school. Ik ga haar niet
prematuur drillen zoals jij wel bij Mathilde gedaan hebt. Kijk maar naar haar
gepolijste schrijfstijl. De invloed van mammie dearest straalt ervan af!’
‘Nou ja, lange
tenen. Als jij ook wat meer met Sabine thuis zou oefenen zou dat het niveau in
de klas alleen maar te goede komen’, sneerde de moeder van Mathilde onder
meerstemmige bijval van de omstanders.
Juffrouw
Dorien schaarde zich letterlijk bij de mening van de meerderheid door fysiek
naast de moeder van Mathilde te gaan staan. Het koord met schrijfsels bleef dan
ook onveranderd nog een maand of twee in de gevarenzone van groep 3, gespannen
over het plafond, hangen. Achteraf had Thea gewoon ter plekke moeten eisen dat
de onthullende schrijfslinger verwijderd werd.
Uiteindelijk
kwam juffrouw Dorien de moeder van Sabine wel enigszins tegemoet. Onder vier
ogen met Thea beloofde ze met de hand op het hart dat ze in de toekomst de
ontwikkeling van het handschrift van Sabine nauwlettend in de gaten zou houden.
Ook beloofde juffrouw Dorien dat ze Sabine in het vervolg een beetje tegen de
kritiek van andere ouders in bescherming zou nemen op een toon
waarop een klein kind een leugentje om bestwil krijgt toebedeeld. Het enige dat
juffrouw Dorien in werkelijkheid ondernam om het handschrift van Sabine te
verbeteren was het inschakelen van de remedial teacher. Wonderwilma. Alweer!
Wonderwilma
kwam wederom, zag en overwon. Het handschrift van Sabine zou in de loop van de
basisschooljaren vanzelf wel recht trekken. Volgens Wonderwilma. Maar die
loopbaan ging Thea niet snel genoeg meer. Niet na de tentoonstelling in de
klas. Om herhaling en een minderwaardigheidscomplex bij Sabine te voorkomen,
moest Thea wel zelf met het handschrift van haar dochter aan de slag. Maar leer
je bloedeigen kind eens binnen de lijntjes te schrijven, zonder zelf het goede
voorbeeld te geven! Thea was geen kalligrafe. Juffrouw Dorien ook
niet waarschijnlijk, maar dat zullen we nooit zeker weten, daar ze helemaal
niet actief aan het verbeteren van het handschrift van Sabine toegekomen is.
Juffrouw Dorien had het veel te druk met de zonnetjes. Dus met de bolleboosjes
uit groep 3 waarvoor kosten noch moeite op De Wielewaal bespaard werden. Eén
voor allen en allen voor de plusgroep. De blessuretijd werd besteed aan de
achterblijvers. Oftewel aan de sterretjes die zo dringend bij de les betrokken
moesten worden dat juffrouw Dorien chronisch overbelast raakte. Aldus vielen de
maantjes in groep 3 van juffrouw Dorien tussen de wal en het schip. Sabine was
zo’n middelmaantje dat in de klas grotendeels aan haar lot werd overgelaten.
Dat ging best, maar zonder vingerwijzingen van juffrouw Dorien bleef ze over de
gebreken aan haar handschrift in het duister tasten.
Thea geloofde
niet dat er sprake was van kwaadwil bij juffrouw Dorien van Sabine in groep 3
en 4. Ze was geen slechte leerkracht, maar net als kleuterjuf Elsje
en meester Gijsbert, overgevoelig voor het klatergoud dat op De Wielewaal
blonk. In vertrouwen met Thea deed juffrouw Dorien het voorkomen alsof de
driedeling zonnetjes, maantjes en sterretjes in groep 3 maar een tijdelijke
status was, die zeker geen garantie bood voor de toekomst. De leerprestaties
van kinderen zijn over het algemeen net zo veranderlijk als het weer. Als Thea
juffrouw Dorien in de wandelgangen moest geloven dan had Sabine in
groep 3 en 4 nog alle kans om een zonnetje te worden. Theoretisch gezien dan,
want in de praktijk bleven alle topposities in groep 3 en 4 bezet door de
kinderen van vooraanstaande ouders uit de Wielewaalwijk. In hun gesprekken
thuis verwezen Bart en Thea inmiddels naar deze insiders als ‘opperouders’.
Juffrouw
Dorien had een zwak voor de opperouders met de bijbehorende kids. Ze hoefde
tijdens breng- en haalmomenten maar een paar guitige anekdotes over hun
weergaloze kroost ten beste te geven en juffrouw Dorien had alle
vooraanstaande. lachende papa’s, mama’s en verzorgers uit De Wielewaalwijk op
haar hand. Een zelfde geestigheid met Sabine uit de achterstandswijk in de
hoofdrol zou nog niet bij benadering hetzelfde effect bewerkstelligd hebben en
wie is er nou niet liever getapt? Vandaar dat juffrouw Dorien ook tijdens een
ouderavond maar niet uitgepraat raakte over de schelmse streken van een bosje
schitterende zonnetjes in groep 3. Alsof alleen de besten goed
genoeg waren om besproken te mogen worden. De opperouders van de uitverkoren
kleintjes grijnsden alsof ze niet anders verwacht hadden, maar Thea stoorde
zich aan het meeloopgedrag van juffrouw Dorien.
‘Je hebt toch
25 kinderen in de klas?’, vroeg Thea veelbetekenend na afloop van de ouderavond
aan juffrouw Dorien.
Een populaire
moeder uit het groepje van opperouders voegde zich belangstellend bij Thea en
juffrouw Dorien. Uit fatsoen probeerde Thea haar weerstand tegen dit ecomens te
onderdrukken. Ze was zo’n drammerige groenmoeder die overal een ‘biologische’
sticker op plakte. Zelfs op haar eigen dieselauto. Ze ging zichtbaar nooit naar
de kapper, maar droeg het haar in zo’n warrig knotje halverwege het
achterhoofd. Ze liet haar haren naar eigen zeggen de vrije loop. Zelfs onder
haar oksels en op haar scheenbenen en bovenlip. Kortom over haar hele lichaam.
Figuurlijk ook op haar tanden. In het bijzijn van het ecomens stond juffrouw
Dorien eigenlijk liever niet stil bij de opmerking van Thea, maar ze kon niet
anders. Uit plichtsbesef. Volgens de onderwijswet had Thea ten slotte ook recht
van spreken. Juffrouw Dorien nam even de tijd om over een gepast antwoord bij
zichzelf te rade te gaan. Tot agitatie van het ecomens dat ongeduldig voor haar
beurt sprak.
‘Weet je Thea,
sommige kinderen springen er gewoon uit en andere kinderen drijven gewoon met
de stroom mee en vallen niet op.’
Thea negeerde
haar zo hard mogelijk. Ze was al eens eerder in een woordenwisseling met het
ecomens verstrikt geraakt. Thea zou zich geen tweede keer laten verleiden om
zich tot haar bekrompen denkniveau te verlagen. Het ecomens leefde in haar
eigen wereldje waarin geen plaats was voor inclusiviteit. Zo was ze heilig
overtuigd van een elementair verschil tussen de psyche van jongens en meisjes.
‘Meisjes zijn
onderling veel gemener dan jongens’, beweerde ze stellig tijdens een
brengmoment in het klaslokaal van groep 3.
Thea voelde
zich aangesproken en vond dat ze in de bres moest springen voor Walter en
Sabine.
‘Dat heeft dan
alles met socialisatie, maar niets met geslacht te maken’, wierp ze het ecomens
voor de voeten.
Met een
spottende blik zocht het ecomens succesvol naar woordeloze steunbetuigingen van
mede opperouders, terwijl ze Thea op haar plaats zette.
‘Dat is geen
mening Thea, maar een feit.’
Het klonk als
een bedreiging. Het ecomens sprak uit ervaring. Ze was de volwassen uitvoering
van een gemeen meisje. Juffrouw Dorien kreeg een rood hoofd.
‘Ik was me er
helemaal niet van bewust dat ik kinderen naar voren schoof. Kun je het aan me
zien?’, hakkelde ze schuldbewust richting Thea.
Maar als het
erop aankwam dan had juffrouw Dorien geen ruggengraat, of een eigen mening. Wel
gevoel, want in de loop van 2 jaar werd ze steeds doller op Sabine. Andersom
wilde Sabine ook geen kwaad woord over juffrouw Dorien horen. Maar het leek wel
alsof die twee geheimhouding over hun wederzijdse sympathie hadden beklonken.
Uit gemakzucht. Om gedoe met de buitenwacht te voorkomen. Zelfs de schijn van
een voorkeurspositie moest voorkomen worden, hetgeen Thea onnodig vond. Waarom
mocht Sabine niet eens in de schijnwerpers worden gezet? Alleen
tijdens de 10 minutengesprekken was juffrouw Dorien tegen Thea lyrisch over
Sabine die de sfeer in de hele klas scheen te kunnen verlichten en die iedere
dag met een opgeruimd humeur op school verscheen. Hoe anders dan sommige
zonnetjes die elke ochtend in tranen en met pruilende lipjes het klaslokaal van
groep 3 binnenslopen in de schaduw van hun veeleisende opperouders.
Met een
bewonderenswaardige berusting loosde juffrouw Dorien de verdrietige hoopjes
naar hun stoeltjes in de kring, terwijl ze de tranen met tuiten van de
huilebalkjes aanhoudend verdedigde tegen het groeiende onbegrip van normale
ouders:
‘Beetje
faalangst.’
De dominerende
opperouders van de treurwilgjes lieten zich voor aanvang van de les niet
wegjagen. Thea moest telkens weer moeite doen om zich van commentaar te
onthouden. Misschien moesten deze zonnetjes een paar maandjes tot maantjes
gedegradeerd worden om een beetje tot zichzelf te kunnen komen?
In het centrum
van de kring stond een boekenbak die de grienende grietjes in
opdracht van hun toezichthouders deugdzaam doorploegden. De opperouders
dicteerden de geschikte kinderliteratuur. Er werd hardop naast en door elkaar
voorgelezen en tegen elkaar opgeboden. Elke morgen van iedere schooldag weer
opnieuw, terwijl Thea zwaaiend door het gangraam de aandacht van Sabine
probeerde te trekken. Soms scoorde Thea een luchtkusje, maar meestal zag Sabine
haar niet eens meer staan, omdat ze opging in een geanimeerd gesprek met
bevriende klasgenootjes. Allemaal medemaantjes die in de vroege ochtend ook
liever kletsten dan dat ze een prentenboek aan hun ouders voorlazen.
In de tijd dat
Jasmijn en Melvin de basisschool bezochten werden, bij Thea’s weten, de
kinderen nog niet ingedeeld in een classificatiesysteem van
zonnetjes, maantjes dan wel sterretjes. En zo ja dan waren zowel Jasmijn als
Melvin overduidelijk geen hoogvliegers geweest, maar wel gemaakt. Want ook voor
omhooggevallen jongens en meisjes geldt nog altijd de aloude zinssnede:
‘Middelmaat
siert de straat.’
Desondanks
hoorden beide kinderen vanaf hun eerste stapjes logischerwijs bij de top van
hun leerjaar op school. Of ze nou op de crèche, peuterspeelzaal of basisschool
toefden, moeder Beau droeg zorg voor de status. Beau wist precies wat bon ton
was; ze kende de juiste mensen met de goede connecties en wist steeds de pré te
krijgen. Beau behoorde tot de incrowd. Overal en altijd. Beau kende de
ongeschreven regels. Ze wist wie in en uit was en ze kon mensen naar de mond
praten. Ze kon gewetenloos vleien, roddelen en liegen met het gewenste effect
en precies de goede bewoording. Beau viel niet in de kuil die ze groef voor een
ander. Haar dochter Jasmijn was in vergelijking met Sabine dan ook het perfecte
meisjemeisje. Als Jasmijn ’s ochtends het huis verliet in een witte blouse op
een oudroze pantalon en met boterbloemetjes in haar ingevlochten blonde pieken
dan keerde ze in de namiddag weer in exact dezelfde, smetteloze staat van de
basisschool terug. Zelfs haar bewerkelijke kapsel zat nog onberispelijk in model.
En je zou gezworen hebben dat de pastel geel getinte kindermuiltjes, waar ze al
bijna uitgegroeid was, amper gedragen waren. Zo proper zagen de
spiksplinternieuwe stappers van Sabine er na een uur lopen al niet meer uit.
Zoals ook haar kleding aan het eind van een doodgewone dag geheid onder de
onbestemde vlekken zat. Haar goed gekapte, praktische kapsel was uit model en
haar bewegelijke vingertjes zagen blauw van de inkt. En met al zijn
eigenaardigheden kwam ook Walter niet eens bij het aangepaste gedrag van Melvin
in de buurt. Toch had Thea gedurende de beginjaren van Huiswerksterk zoveel
bewijslast jegens haar oppaskinderen weten te verzamelen dat ze sterk vermoedde
dat Jasmijn ook zo haar verborgen gebreken had. Van Melvin wist ze het nu wel
zeker. Jasmijn was altijd een zorgelijk kind geweest.
Bleek, kopschuw, huilerig. Haar introverte persoonlijkheid stoorde
Thea. Jasmijn was van kleins af aan berekenend en voelde zich bij het minste of
geringste achtergesteld door de hele wereld. Zover als Thea het kon beoordelen
had Jasmijn geen sterke band met haar moeder Beau, maar zeker weten deed ze het
niet, want ze had het tweetal nooit samen gezien. Toen Jasmijn 7 jaar was en
Thea een tijdje bij haar vader Pim woonde, kroop het afstandelijke meisje
weleens onverwacht heel dicht tegen haar nepmoeder aan. Bij gebrek aan beter
waarschijnlijk. Ongemakkelijk sloeg Thea dan een arm om de schouder van Jasmijn
zonder haar te willen aanmoedigen. De idee-fixe dat haar antipathie voor
Jasmijn zou doorlekken - en bij iedere volgende aanraking het kleine meisje
meer en meer zou bezoedelen - nam op den duur onhoudbare proporties aan. Thea
verkrampte over haar hele lichaam als Jasmijn in de buurt kwam. Het kind kon er
niets aan veranderen. Het was diep treurig dat Jasmijn genoegen moest nemen met
wat krampachtige genegenheid van een surrogaatmoeder, want vader Pim stomd niet
in voor Jasmijn, maar ook niet voor de tweejarige Melvin die soms opeens om
zich heen en begon te slaan en schoppen. In plaats van proberen hem tot bedaren
te brengen zag Pim de tweestrijd van zijn zoon met zichzelf een tijdje
afstandelijk aan, om vervolgens de deur van het vrijgezellenappartement achter
zich dicht te trekken. Thea bleef weer eens in haar eentje achter met een op
hol geslagen peuter en een emotioneel geremd 7 jarig meisje. Om van de nood een
deugd te maken leerde ze de twee tot rust komen met puzzels, prentenboeken of
een bordspelletje ‘Mens Erger Je Niet.’ Deze bezigheidstherapie werd na haar
scheiding van partner Pim verder uitgebreid met het oefenen van schoolwerk en
het maken huiswerkopdrachten. Zeven dagen in de week, twee uur per
dag na schooltijd en in de weekenden, met begeleiding van Thea. Voor Jasmijn
een dikke 4 jaar lang en voor Melvin iets meer dan 8 jaar. Die topprestaties op
de basisschool kwamen dus niet uit de lucht vallen. Er was geen alternatief.
Tegenwoordig
woont moeder Beau dus al weer een tijdje in Engeland met haar veel jongere
minnaar. Alias de 25jarige ex-vriend van Jasmijn. En vader Pim is
hertrouwd met ene Femke; de 50jarige stiefmoeder van Melvin. Ze bracht ook een
zelf gemaakt meisje van een andere man in de relatie mee dat vermoedelijk de
summiere aandacht die Pim te vergeven heeft van Melvin afsnoept. Thea zou geen
andere reden kunnen verzinnen waarom Melvin in de heren prostitutie zit.
‘Bemoei je er
niet mee’, waarschuwt Bart.
‘Waarom
niet?’, vraagt Thea onnozel.
‘Omdat je niet
weet wat voor een beerput je opentrekt.’
Maar zelfs al
zou Thea haar neus in de stinkende affaires van Melvin willen steken, dan zal
hij toch eerst weer eens onverwacht op bezoek moeten komen. Ze heeft hem al
twee weken niet gezien en de laptop van de overbuurman is ook nog niet
geretourneerd aan de rechtmatige eigenaar. Ze zou Melvin natuurlijk kunnen
bellen, maar ze heeft zijn mobiele nummer niet en Pim durft ze niet aan te
spreken met het laatste pikante nieuws over zijn zoon in haar achterhoofd. Ze
durft te zweren dat Pim geen flauw benul heeft van het erotische bijbaantje van
Melvin. Pim leeft in de naïeve veronderstelling dat zijn zoon keurig
het vmbo volgt en weer zoals vroeger huiswerkbegeleiding van Thea krijgt. Of
zoiets.
Ze heeft de
afgelopen veertien dagen al wel een paar keer op het punt gestaan om met de
laptop onder haar arm de straat over te steken en boudweg aan te bellen bij de
overbuurman. Ze weet dat het politiebezoek van twee weken geleden niet tot een
arrestatie van de beste man heeft geleid, want Thea ziet hem dagelijks gewoon
komen en gaan vanachter haar huiskamerraam. Van een afstand
lijkt hij niet onvriendelijk, maar hij is en blijft een pooier
natuurlijk en dus een gladjanus. Hij is klein van stuk; hartstikke kaal; maar
dan ook echt helemaal haarloos en zijn blote hoofd is egaal zonnebankbruin.
Thea houdt het
huis aan de overkant ook nauwlettend in de gaten omdat ze hoopt Melvin te zien
opduiken. Ze begint zich ongerust te maken. Niet dat Melvin normaliter elke dag
op de stoep staat, maar haar onderbuik schreeuwt om een teken van leven. Het is
net als met de kat. Pas als zij niet op komt dagen rond etenstijd is elk
tijdsbesef irrelevant. Onverhoeds zwaait de voordeur van het huis aan de
overkant open. Galant doet de overbuurman een dame uitgeleide. Hij volgt haar
op de voet. Zijn skinhead weerkaatst het novemberzonlicht terwijl hij de
voordeur achter zich afsluit. De vrouw komt Thea bekend voor, maar het is een
gangbaar type. Zo’n geplastificeerde vijftiger met een pittige, geflambeerde
coupe. Zo aan haar houding te zien is ze niet zijn geliefde. Er springen geen
vonken over en weer; maar eerder blikken van verstandhouding. Ze zal wel een
oude bekende zijn en ze wacht geduldig totdat de overbuurman de voordeur
afgesloten heeft. Ineens herkent Thea de stiefmoeder van Melvin. Femke.
Uitgerekend Femke heeft Thea totaal niet zien aankomen. Zou zij inmiddels
ingewijd zijn in het geheime dubbelleven van Melvin? De overbuurman zeult een
mega herfstboeket met zich mee. Tot stomme verbazing van Thea steekt het
tweetal de straat over en stopt bij haar woning. Femke buigt zich licht
voorover en zwaait vrolijk naar Thea die versteend van ontsteltenis opzichtig
achter het huiskamerraam staat. De voordeurbel gaat.
‘Dag
overbuurvrouw.’
De overbuurman
lacht breeduit. Sprakeloos schudt Thea de uitgestoken hand.
‘Ha, die
Thea’, zegt Femke alsof ze haar beste vriendin een bezoekje brengt.
‘Dit is Bink,
mijn broer. Mogen we even binnen komen?’
Stom doet Thea
een stapje achteruit. Schoorvoetend komt het span tot stilstand in de hal,
waarna Thea zwijgend voor gaat naar de huiskamer. Bij binnenkomst
ziet Bink meteen zijn zilverkleurige laptop op het bureau van Thea liggen.
‘Kijk eens
daar issie, mijn laptop’, roept hij verheugd.
Het grote
herfstboeket duwt hij van zich af tegen de borsten van Thea die de bloemen in
een reflex omarmt. Zijn laptop neemt hij meteen in beslag.
‘Koffie?’,
vraagt Thea vanachter het herfstboeket.
‘Doe geen
moeite’.
Onbehaaglijk
kijkt Femke om zich heen.
‘Ik krijg zo
leerlingen’, meldt Thea naar waarheid.
‘Dan gaan we
toch’, stelt Bink voor. Hij lijkt zich van geen kwaad bewust.
‘Dat boeket is
voor jou. Als dank voor de opslag van mijn laptop. Het moest even. Er staan
dingetjes op. Niets illegaals, maar toch, ik heb liever niet dat de informatie
in handen van de verkeerde mensen valt.’
‘Mijn zoon
zegt dat je gevoelige informatie veel beter van de harde schijf af kunt halen
en op een usbstick kunt zetten.’
Het is eruit
voordat Thea het goed en wel in de gaten heeft.
‘Daar was geen
tijd meer voor.’
Thea vlijt de
bos bloemen op de salontafel, verzamelt al haar moed en kijkt Bink doordringend
aan:
‘Gelukkig dat
Melvin toevallig op bezoek was tijdens die abrupte inval van de politie 2 weken
terug.’
De mondhoeken
van Bink zakken prompt naar beneden:
‘Gelukkig wel
ja’, bevestigt hij met klem.
‘De boekhouder
van Bink heeft hem een loer gedraaid’, legt Femke uit op een toon waarmee ze
Thea tot consideratie hoopt aan te zetten.
‘Heeft hij je
dat wijsgemaakt?’
Thea knikt
naar Bink. Femke is echter niet te vermurwen:
‘Er zitten
belastinggegevens in die laptop die justitie heus nog wel onder ogen krijgt.
Zodra ze weer rechtgetrokken zijn.’
‘En die foto’s
dan?’
Thea weet dat
ze zich met deze vraag op verboden terrein begeeft, maar ze brandt
van nieuwsgierigheid.
‘Welke
foto’s?’
Of Femke is
een enorm miskend acteertalent, óf ze weet echt van niks.
‘Foto’s van
toyboys!’
‘Ow, kom nou
toch Thea. Sinds wanneer is het downloaden van homo-erotiek strafbaar?’, blaast
Femke.
‘Kan je broer
ook voor zichzelf praten?’
Thea stelt de
vraag aan Bink die haar dreigend aanstaart:
‘Ja, sorry,
natuurlijk kan Bink voor zichzelf praten’, verontschuldigt Femke zich
gekalmeerd.
Thea moet met
tegenzin aan zichzelf toegeven dat Femke geen verkeerd persoon is. Nu lacht ze
zelfs ontwapenend en vervolgt:
‘Ik ben het
gewoon gewend om mijn kleine broertje tegen zichzelf in bescherming te nemen.
Terwijl Pim en ik juist zoveel aan Bink te danken hebben sinds Melvin ook uit
de kast gekomen is.’
‘Ja, dat helpt
enorm natuurlijk’, raaskalt Thea.
Ze weet niet
wat ze hoort. Opnieuw klinkt de voordeurbel.
‘Je leerling
is gearriveerd’, duidt Femke over haar schouder, terwijl ze de huiskamer
uitloopt. Thea blijft alleen met Bink achter:
‘Ik hoop dat
jouw whizzkid die jongens niet op usbstick gezet heeft’, gromt hij.
‘Laat mijn
zoon erbuiten’, walgt Thea.
‘En jij
Melvin’, dreigt Bink in het voorbijgaan.
‘En als ik het
niet doe?’
Bink staat oog
in oog met Thea. Ze ruikt zijn muffe adem als hij haar fluisterend terecht
wijst:
‘Wat voert
toyboy Melvin eigenlijk zo vaak in het huis van cougar Thea uit?’
Thea snakt en
hapt naar adem voordat ze kinderlijk verontwaardigd uitroept:
‘Niks.’
‘Maak dat je
poesje wijs’, finisht Bink suggestief.
HOOFDSTUK 13
Bink heeft
Thea met succes monddood gemaakt. In het verleden is ze al voor vanalles en nog
wat uitgemaakt, dus Thea zou niet raar staan te kijken als de buitenwacht ook
in het geval van Melvin niet al te veel aanmoediging behoeft om haar voor een
cougar aan te zien. Dat woord alleen al. Voordat je de betekenis goed en wel in
de smiezen hebt, treft de insinuatie meteen doel. Je raakt besmet met dat wat
er over je gefluisterd wordt.
Maar bij een
cougar ging die vlieger niet op. Daar was de pedofiele implicatie te
vunzig voor. Alleen een geesteszieke kan zich iets voorstellen bij seks met een
kind, puber of jong volwassene. De verhoudingen kloppen niet. Ze zijn
tegennatuurlijk in hun ontwikkelingsproces; statisch in ongelijkwaardigheid.
Pedofilie is machtswellust en Thea is een democrate. Zelfs in de
verbeelding. De wens is immers de verwekker van de gedachte.
Op die manier
gaf meester Gijsbert zijn wensdenken ook vleugels. Iedereen die het maar horen
wilde maakte hij op De Wielewaal wijs dat Walter met sprongen vooruit ging
dankzij het doordeweekse, dagelijkse crisisoverleg met moeder Thea na
schooltijd in het klaslokaal van groep 3. De openhartigheid van meester
Gijsbert leverde Thea aardig wat scheve ogen op. Veel gescheiden moeders zouden
maar al te graag met Thea ruilen. Crisisoverleg kon ook buiten in het stadspark
met een picknickmand erbij. Alsof meester Gijsbert de laatste man op aarde was
en dan nog zou Thea bedanken voor de eer. Met het verstrijken van de
schooldagen moest ze steeds langer wachten voordat meester Gijsbert vrij was.
Eerst liet hij alle alleenstaande, hitsige mama’s tegen zich aanrijden en dan
waren er nog de vaders van ouwe jongens krentenbrood die een schouderklopje
kwamen geven of halen of alle twee. Toen na 3 weken de wachttijd was opgelopen
tot een half uur, hield Thea het gezamenlijke crisisoverleg voor gezien. Ze
riep over de hoofden van de fanclub heen:
‘Ik geef wel
een gil als ik je nodig heb.’
Toen Thea was
uitgesproken kon ze het niet nalaten om, tot ergernis van veel toeschouwers,
een Duck face te trekken. Meester Gijsbert zag haar niet, maar hoorde haar wel.
‘Graag, dank
je wel voor je begrip’, hijgde hij opgewonden en niet mis te verstaan.
‘Geen dank,
graag gedaan’, grijnsde Thea.
Thea lachte
wel, maar stiekem vond ze meester Gijsbert niet sporen. Hij miste
een belangrijke schakel in de ketting van sociale omgangsnormen en als
kinderverzorgers dan toch om de haverklap spectrumautisme – of een andere vorm
van geestelijke afwijking – in hun omgeving in overweging dienden te nemen dan
was meester Gijsbert eigenlijk een kandidaat met de meeste potentie. Thea
geloofde namelijk allang niet meer dat meester Gijsbert expres onaangenaam
tegen Walter was. Hij werd ertoe gedreven door invloeden van buitenaf. Door
prikkels van vrouwen zoals Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal en
bijvoorbeeld de moeder van Tim. Jenny heette ze en ze vond zichzelf
onweerstaanbaar. Ze leefde gescheiden van de vader van haar 3 kinderen. Haar
had Thea in de eerste jaren van haar kinderen op De Wielewaal nog het beste
kunnen verdragen van het complete pakket van ouders en verzorgers. Ze was zo’n
omslachtig type, iets ouder dan Thea. De liefde van haar leven was laat op haar
pad gekomen en wat haar betreft niet snel genoeg weer opgerot. Hij liet haar
alleen achter in een herenhuis dat hij van te voren nog wel even eigenhandig
van onder tot boven volledig naar haar exclusieve smaak had
verbouwd. Verder hield Jenny nog een omgangsregeling, kinderoppas en een
flinke alimentatie aan de scheiding over. Haar ex restte een sociale huurwoning
en een depressie. Hij raakte zijn baan in de advocatuur kwijt en moest op een
houtje bijten om zijn schuld aan Jenny en de kinderen af te betalen. Jenny
daarentegen wist naast haar alimentatie ook nog één of andere vage, aanvullende
uitkering bij de gemeente los te peuteren, omdat ze uiteraard niet in staat was
te werken als alleenstaande moeder met 3 kinderen in een bewerkelijk herenhuis.
Daarom nam de gemeentekas ook nog eens de financiering van de kinderoppas van
het gescheiden stel over. Daarenboven stond het Jenny dag en nacht vrij om een
beroep te doen op een hele sleep mannelijke aanbidders en vrouwelijke
wannabees. Zij hoefde echt niet te smeken om meester Gijsbert. Zijn volledige
aandacht vloeide voort uit haar extravagante verschijning waar meester Gijsbert
geen verweer tegen had. Thea wel. Hoe graag ze Jenny ook mocht vanwege haar
authenticiteit en onverbloemd narcisme; overschaduwen liet ze zich niet door de
moeder van Tim. Want dat was wel wat Jenny bewust of onbewust constant
bewerkstelligde door zichzelf en haar kinderen naar de voorgrond te schuiven
ten koste van iedereen die ze op haar losgeslagen padje tegenkwam. Zoals die
keer dat Walter compleet onthutst uit het schoolgebouw op Thea af kwam rennen.
De vader van Tim was dood. Walter wist wie de vader van Tim was van de
naschoolse speeluurtjes bij zijn vriendje. Thea kende de vader van Tim ook. Hij
kwam zijn oudste zoontje Tim vaak ophalen bij Thea thuis en dan maakte hij een
babbeltje. Een zachtaardige, getormenteerde man. Achteraf had hij natuurlijk
geen zelfmoord gepleegd. Hij was van de trap gevallen toen hij ’s nachts in de
keuken een glaasje water wilde drinken. Een ongelukje.
‘Heeft hij
geen kraan vlak bij zijn bed of een wastafel in de badkamer? Waarom moet hij
naar beneden om een glaasje water te drinken?’ vroeg Walter oprecht verbaasd.
Thea wist niet
wat ze zeggen moest. Bij de poort van de speelplaats kwam ze juffrouw Elsje
tegen:
‘Is de vader
van Tim van de trap gevallen?’, hakkelde ze nog overdonderd van het slechte
nieuws..
‘Nee’, begon
Elsje.
Ze vervolgde:
‘Ik heb
begrepen dat hij een overdosis heeft genomen.’
Onverwachts
duikelde Walter tussen Thea en juffrouw Elsje op. Het hoofd vleide hij tegen de
buik van Thea. Geschokt drukte ze haar zoontje dichter tegen zich aan.
‘Hij is nog
steeds niet doof en ook niet dom Elsje’, waarschuwde Thea.
‘En toen is
hij van de trap gevallen’, ratelde juffrouw Elsje in één moeite door.
Ze ging door
de knieën en draaide Walter aan zijn schoudertjes naar zich toe. Met een
rustgevende blik zoemde juf Elsje in op de kinderogen van Walter in de hoop hem
te kalmeren. Hij lachte verlegen.
‘Wat is een
overdosis?’, vroeg Walter diezelfde avond nog nadat Thea de laatste zin van een
verhaaltje voor het slapen gaan voorgelezen had.
Thea moest er
eens goed voor gaan zitten op de rand van het IKEA meegroeibed van haar
zoon.
‘Een
overdosis; dat is zoiets als teveel van het goede. Snap je?’
Maar Walter
sliep al.
De dag daarop
wilde Tim bij Walter spelen. Jenny, de moeder van Tim, had er wel oren naar.
Zij had nog zoveel te regelen in verband met de begrafenis. En zo. Alle hulp en
extra aandacht dirigeerde ze extatisch naar zich toe. Thea had alvast
medelijden met haar. Voor straks als Jenny uiteindelijk alleen achter bleef met
haar 3 kinderen in de eeuwige stilte na het open einde. Toch voelde Thea zich
helemaal niet geroepen om toekomstige open plekken alvast voor Jenny in te
vullen. Walter stond ook niet te trappelen om een verdrietig
vriendje op te vangen. Tim was voor Walter sowieso maar een bepekte tijd
achtereen te verdragen. Gelukkig is een kind niet in staat tot lange termijn
planning en zonder bedenktijd had het hart van Thea al voor haar beurt
gesproken en toegezegd om Tim na school op te vangen gedurende de periode voor
de begrafenis:
‘Gecondoleerd
met Joop’, zei Thea nog.
‘Hij was niet
goed hoor’, verklaarde Jenny in de gauwigheid alsof daarmee het plotselinge
overlijden van Joop te bevatten zou zijn.
Aan Tim had
Thea geen kind. Bart had Walter op het hart gedrukt dat hij moest klikken als
zijn verknipte vriendje hem te gortig werd. In het verleden had Tim zijn
frustraties regelmatig op Walter afgereageerd op de momenten waarop hij de
nachten bij zijn moeder in het herenhuis doorbracht. Tijdens die bewuste
periodes bij zijn moeder was Tim op schooldagen ook zonderling. Zodra Tim
echter met zijn kleine broertje en zusje in de sociale huurwoning van zijn
vader Joop logeerde transformeerde hij weer in een normaal jongetje en het
vriendje van
Walter.
Er bestaat een
filmopname van de zesde verjaardag van Walter. Bij de voordeur neemt Tim
afscheid. Walter komt aanlopen met het sluitstuk van zijn partijtje; een
snoepzak. Het is hartje zomer en de atmosfeer kleurt iedereen in de film wat
frisser en lichter, maar Joop staat desondanks klein, uitgemergeld, grauwgrijs
en onbeduidend naast de twee jongetjes in de zonovergoten hal. Met zachte dwang
maant hij zijn zoon om de jarige job netjes te bedanken.
‘Ja,
natuurlijk; dag Walter; het was leuk; jij bent mijn beste vriend.’
Het iele
jongensstemmetje spreekt uit de grond van zijn hart. Tim neemt de snoepzak van
Walter over. Vervolgens omarmen de jongetjes elkaar. Spontaan. Bart filmt en
zoemt in op het getekende gezicht van Joop. Zijn ogen zijn vochtig. Hij lacht
zijn gele nicotinetanden bloot. Een close-up van de ontroering. Zelfs nu, 7
jaar later, schieten zowel Bart als Thea nog vol bij het zien van het
filmfragment. En dan te bedenken dat Tim het verjaardagsfeestje van Walter
bijna gemist had. Op navraag bij Jenny bleek ze de uitnodiging kwijtgeraakt.
Maar wat een gezeik ook. Want sowieso had haar ex Joop, en niet zij, de
kinderen in de week van het fuifje van Walter. Niet zo gek dus dat Thea al zo’n
voorgevoel had. Op de dag van het verjaardagsfeestje van Walter gaf ze Joop
voor de zekerheid een herinneringsbelletje.
‘We zijn
onderweg’, zei Joop meteen toe.
Hij was
hoorbaar overdonderd, maar hij voelde, in tegenstelling tot Jenny, wel aan dat
niet altijd alles van één kant kon komen. Zelfs zo goed dat hij tot besluit
maar helemaal definitief stopte met meeleven.
Op de
begrafenis van Joop zong groep 3 een afscheidsliedje. De 25 heldere stemmetjes
van het kinderkoor op het altaar klaterden als een verfrissende waterval over
de beladen sfeer in de kerk. Het louterende effect in combinatie met de gewijde
akoestiek in de heilige ruimte bracht iedereen in de ban van het kinderliedje
waaraan ook Walter uit volle borst meezong:
Ik voel je
heus wel stralen.
Al is je
sterretje nog zo klein.
Ik zal niet
meer verdwalen.
Jij zult mijn
lichtpuntje aan de hemel zijn.
Na de laatste
pianoklanken volgde een oorverdovend applaus. En terecht. Ook vanwege de lange
mis van bijna 2 uur die de kleintjes op de hard houten kerkbanken hadden moeten
uitzitten om uiteindelijk een optreden van jewelste te kunnen geven.
Wel bleef Thea
zich - al vanaf de bekendmaking van de datum van de ter aarde bestelling van de
vader van Tim – afvragen wat de geplande, complete bezetting van groep 3
eigenlijk op een begrafenis van een papa van één van hun klasgenootjes te
zoeken had. Ze vermoedde dat Jenny achter de gedachte van een
kinderrijk afscheid voor haar ex-man zat. Uit onvermogen. Ook van Willy
Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Anders ga je toch niet mee met die
ongein?! Wie verzint zoiets? Nou was Thea welhaast verplicht om ook aan de
begrafenisdienst deel te nemen. Voor je het wist had Walter zich weer
misdragen. Maar al die tijd voor de apotheose van de engelachtige kinderzang
had Walter braaf en stokstijf naast Thea op de smalle zitting van de kerkbank
afgewacht. Er was geen onvertogen woord over zijn lippen gekomen en hij was nog
net niet in slaap gevallen tijdens de toespraken van allerlei vreemde
volwassenen. Het liet Walter ook volstrekt koud dat andere jongetjes uit groep
3 gedichten voordroegen voor Tim en kaarsjes mochten aansteken voor Joop. De
zesjarige Jonas werd zelfs nog eens extra, apart naar het altaar geroepen,
omdat hij de steun en toeverlaat en het allerbeste vriendje van Tim zou zijn.
Thea wist niet waar ze het zoeken moest met haar ingehouden verontwaardiging.
Miskend keek ze een paar keer woedend in de richting van Jenny die in de
voorste kerkbank stug voor zich uit bleef staren met haar jongste zoon op
schoot. Tim gaf ook geen teken van leven. Hij keek niet één keer de kant van
Thea of Walter op, hoewel hij de afgelopen dagen praktisch bij hen gewoond had.
Maar terwijl Thea zich bedwong, maakte Walter een bevrijde indruk. Alsof hij
door de negatie van zijn aanwezigheid verlost was van een zware druk. Voor zijn
gevoel kon hij vanaf nu afstand nemen van Tim. Zo klein als hij was had hij aan
zijn plicht als vriendje voldaan. Vanaf vandaag stond Walter zichzelf weer toe
om zijn eigen gangetje te gaan. Tim zou vanzelf wel weer zijn kant opkomen.
Zoals zo vaak. Want zo gaan die dingen. Of Thea dat nou leuk vond of niet.
Een maand
later kreeg Walter tussen de middag abrupt een driftbui thuis. Hij wilde niet
meer naar school. Basta.
‘Je kunt ook
gewoon zeggen wat er loos is Walter.’
Thea was
ongeduldig. Ze waren al laat.
‘Hij zegt dat
hij van meester Gijsbert naast Tim moet zitten’, legde Sabine snel uit en tegen
Walter zei ze:
‘Schiet op
Walter; straks kom ik te laat op school, omdat jij niet mee wilt komen. Dan
moet ik nablijven. En hoe erg is het nou om naast je vriend in de klas te
zitten?!’
‘Tim maakt
steeds ruzie en dan krijg ik de schuld’, raasde Walter.
Thea voelde de
machteloze woedevulkaan alweer opborrelen in haar buik. Hoe kon meester
Gijsbert zo ondoordacht acteren? Tijdens één van de vele crisisbijeenkomsten na
school had meester Gijsbert van Thea vrij spel gekregen bij de disciplinering
van haar zoon in de klas. Indirect ook van Bart. Niet omdat Bart en Thea vonden
dat er zoveel mankeerde aan het gedrag of de persoonlijkheid van Walter, maar
omdat zij geen controle hadden op de gang van zaken in groep 3. Walter moest op
eigen houtje weerbaar worden. Tegen bloedzuigers zoals Tim. Meelopers, die zich
uit eigen belang aan de ander vastklampten; maar die een maatje lieten vallen
als een baksteen als de wind de andere kant uitwoei. Maar zelfs met de wind in
de rug, voelde Walter zich, naast aangetrokken, ook vaak geclaimd door Tim. Het
was alles of niets; water en vuur; haat en liefde tussen die twee en Walter zou
zich gevangen voelen als hij op school ook nog eens gedwongen werd om de hele
dag naast zijn wispelturige vriendje te zitten. Zeker omdat Tim niet de enige
was met wie Walter moest leren leven. Ook meester Gijsbert had een
gebruiksaanwijzing en was naast een asociale hork helaas geen unicum.
Knarsetandend
strekte Thea haar hand.
‘Ik beloof je
dat je niet meer naast Tim hoeft te zitten’, zwoor ze,
terwijl Walter aarzelend en huilerig inhaakte.
Sabine rende
de trappen in de Wielewaal op om nog net op tijd in het klaslokaal van groep 4
bij juffrouw Dorien te zijn, maar Walter zette zich schrap bij de eerste trede.
Thea kreeg een flashback naar de ingang van De Kleine Beer. Toen was Walter de
helft jonger dan nu; ze kon hem fysiek niet meer een richting op dwingen.
‘Ga nou mee
Walter’, smeekte ze.
‘Nee!’, gilde
hij.
‘Ik praat met
meester Gijsbert, echt’, beloofde Thea met de moed der wanhoop, want ze wist
natuurlijk niet zeker of meester Gijsbert wel direct aanspreekbaar was.
‘Nee, nee,
nee, nee!’, krijste Walter.
Hij zakte door
zijn benen en kwam plompverloren met zijn achterste op de trap terecht. Hij
rukte de plukken haren figuurlijk en bijna letterlijk uit zijn kop. Met een
paranoïde blik in die prachtige, blauwe ogen vol tranen keek hij Thea radeloos
aan. Zijn gezicht was behuild en rood gevlekt. De lessen waren begonnen. De
gangen waren leeg. Het gegil en hartverscheurende snikken van Walter echode
door het schoolgebouw. Het leek Thea sterk dat niemand iets meekreeg. Maar
ineens gaf Walter mee. Alsof hij zich met een schok realiseerde dat hij het
zelf was die de stilte verstoorde. Bedaard
en nog wat nasnikkend draaide hij zijn bovenlichaam een halve slag, trok zich
op aan de trapleuning en sjokte verslagen langs Thea af naar boven. In het
voorbijgaan greep Thea zijn klamme handje. Meester Gijsbert zag Walter staan
door het raam in de deur van het klaslokaal. Thea dook achter haar zoon op en
wenkte meester Gijsbert. Welwillend verscheen hij in de deuropening.
‘Hij wilde
niet naar school en nou schaamt hij zich’, verklaarde Thea op gedempte toon,
‘Och, jongen
dat hoeft toch niet’, riep meester Gijsbert tot verbazing van Thea welgemeend
uit.
‘Hij wil
namelijk niet naast Tim zitten’, ging Thea onverbloemd verder.
Walter kneep
haar hand fijn.
‘Ja, ik dacht
vanmorgen al; heb ik daar wel goed aan gedaan door die twee naast elkaar te
zetten’, bekende meester Gijsbert alsof iemand anders hem op het verkeerde been
had gezet.
Wie zou dat
nou toch geweest kunnen zijn? Jenny, de moeder van Tim natuurlijk.
‘Ach, had
Timmetje weer een time-out nodig en is Walter dan weer goed genoeg?’,
verifieerde Thea fijntjes.
‘Nou, nou,
Walter kan anders ook erg bezitterig zijn’, stamelde meester Gijsbert uit
zelfverdediging.
‘Reden temeer
om ze niet ook nog op een vaste plaats in de klas naast elkaar te zetten.’
Thea had
meester Gijsbert duidelijk in verlegenheid gebracht. Hij koos eieren voor zijn
geld, want zelfs hij zag wel in dat Thea op dit moment een grotere bedreiging
voor zijn toekomstige carrière als basisschooldirecteur vormde dan
Jenny, de moeder van Tim.
‘Ik ben het
met je eens dat die twee inderdaad maar beter niet naast elkaar moeten zitten’,
verklaarde hij plechtig en tegen Walter zei hij:
‘Ga maar naar
binnen jongen; dan leg ik wel aan Tim uit dat jij liever alleen zit.’
De dag daarop
moest en zou Walter zo snel mogelijk naar school. Vol enthousiasme rende hij ’s
morgens de trap op naar de eerste verdieping en het klaslokaal van groep 3. Uit
pure dankbaarheid droeg hij zijn vriendenboekje bij zich. Thea ziet de
zesjarige Walter tijdens het wegbrengen in haar herinnering nog deemoedig staan
opkijken naar het banale, uitdrukkingsloze smoelwerk van meester Gijsbert.
Wijdbeens stond hij voor de klas en staarde leeg over de krullenbol van Walter
heen. Het aandenken is een gestold minidrama als in een tableau vivant. De
kleine Walter in zijn kingsize spijkerbroek en kanariegele megasweater –
voordelig en op de groei aangeschaft - en meester Gijsbert op z’n beduimelde
sneakers en in z’n afgewassen T-shirt van Amnesty International. Na een paar
seconde haalde Walter dralend zijn vriendenboekje omhoog. Kort sloeg meester
Gijsbert de ogen neer. Hij wist wel degelijk wat de bedoeling van een
vriendenboekje was, want hij had bijna alle andere kinderen uit groep 3 al met
handgeschreven weetjes over zichzelf wijzer gemaakt. Schielijk keek hij weer
voor zich uit met de handen op de rug. Hij zag Walter zogenaamd niet staan. Ook
achteraf bezien kan Thea met de beste wil nog niet beoordelen of hij
opzettelijk bot was, of dat het poreuze brein van meester Gijsbert af en toe
gewoon de normale omgangsvormen even niet meer kon verwerken. Terneergeslagen
wendde Walter zich van meester Gijsbert af en botste tegen Tim op die naar het
vriendenboekje greep:
‘Zal ik in je
vriendenboekje schrijven?’
‘Doe, maar’,
vond Walter op een toon die aangaf dat hij alweer herstellende was van zijn
depressie.
‘Jij hebt al
in het vriendenboekje van Walter geschreven’, riep een ander kind dat zojuist
door een ouder in het klaslokaal van groep 3 afgeleverd werd.
Hierop griste
meester Gijsbert het vriendenboekje uit de handen van Tim en reikte Thea het
schriftje zijwaarts aan. Zonder oogcontact te maken. Ze had de hele tijd vanuit
het hoekje naast de geopende deur in het lokaal staan toekijken en zou gezworen
hebben dat hij haar niet had opgemerkt.
‘Ga zitten
Tim’, commandeerde hij en tegen Walter riep hij:
‘Jij wilde
toch geen vrienden meer met Tim zijn?’
Walter haalde
zijn schouders op. Na school kwam Tim spelen. Als vanouds. Vandaag de dag,
jaren later, hebben die twee nog steeds contact. Ze gaan niet eens naar
dezelfde middelbare school maar vinden elkaar wel via Skype of ze zoeken elkaar
sporadisch op. Vrienden voor het leven. Ondanks meester Gijsbert en moeder
Jenny.
Walter liet
zich nooit uit over meester Gijsbert. Niet in positieve of negatieve zin. Hij
hield zich niet langer dan noodzakelijk met volwassenen bezig en richtte zich
op zijn leeftijdgenootjes. Tot blijdschap van Thea. Zo’n reactiepatroon is toch
een teken van een gezonde kindergeest. Wel werd er dus behoorlijk gevochten
door de kleine mannen van de generatie van Walter. Groep 3 telde 6 moslim
jongens. Vier Marokkanen en twee Turken. Hun ouders waren geen hoogopgeleide
immigranten; maar eerste generatie gastarbeiders. De wijk van De Wielewaal was
aan het verpauperen. De sociale woningbouw en studentenhuizen rukten op. Meneer
en mevrouw Hoogopgeleid hielden het voor gezien in het voormalige elysium en
verkochten hun panden aan huisjesmelkers. Vandaar dat het mogelijk was dat op
de befaamde Wielewaal iets meer dan 25 procent van 25 kinderen niet voldeed aan
het keurmerk. De 5 meisjes met een islamitische achtergrond uit groep 3 telde
Thea voor de goede orde niet mee. Zesjarige moslima’s zijn geen agressors. Hun
mannelijke equivalenten echter vaak wel. Bovendien dragen moslima’s voor hun
pubertijd nog geen hoofddoek en bleven er dus weinig kenmerken over waarmee zij
zich van de gemiddelde basisschoolleerling zouden kunnen onderscheiden.
In eerste
instantie had Walter een gruwelijke hekel aan al die gevechten om niks. Pootje
haken, stompen, met stenen gooien. En altijd waren de Marokkaantjes de
initiators. De Turkse jongens vochten lukraak en volgden dus niet blindelings
hun geloofsgenoten. Dan vochten ze met de Marokkaanse krachtpatsertjes mee en
dan weer met de van oorsprong Nederlandse blaaskaakjes. Wel moet gezegd worden
dat zowel de Marokkaantjes als de Turkjes standaard onderling één front
vormden, terwijl het zooitje ongeregeld met een Nederlandse achtergrond onder
elkaar ook nogal eens in de clinch lag. Het was een complete chaos op de
speelplaats in de pauze en zodra de school uit was. Een puinhoop waarvoor de
kiem al tijdens de kleuterjaren bij juffrouw Elsje gelegd was. Omdat De
Wielewaal een pestprotocol had, dat ook aan de kleintjes was uitgelegd in Jip
en Janneketaal, dacht Walter dat hij er goed aan deed om melding te doen van de
geweldpleging van zijn klasgenootjes. Hij kreeg geen gehoor. Bij geen enkele
leerkracht van De Wielewaal. Zelfs niet bij de directrice Willy Bakbruin.
Onbevreesd was Walter op haar afgestapt. De directrice Van De Wielewaal
alias Willy Bakbruin had hartelijk moeten lachen om die malle wijsneus en
wuifde zijn bezwaren in de wind:
‘Waar twee
vechten, zijn twee schuld jonge man.’
Ondertussen
werd een klasgenootje getackeld door een zesjarige jongetje van ouders met
ieder 2 paspoorten. Het gevloerde kereltje kwam zodanig gehorig met zijn
achterhoofd op de stenen terecht dat alle andere kinderen op de speelplaats
stil vielen. Hij werd afgevoerd met een ambulance. Het viel wel mee. Achteraf.
Een geluk bij een ongeluk en het keerpunt voor Walter. Vanaf dat moment besloot
hij terug te slaan. Mede namens de jongetjes die van huis uit wat minder
testosteron aanmaakten en zich elk speelkwartier opnieuw bibberend in de
zandbak onder de glijbaan verzamelden. Melvin, Thea’s Betuweflipje, was
vroeger bijvoorbeeld ook zo’n jongetje geweest dat liever voetbalde of
skateboardde dan oproer kraaide en dat altijd bakzeil trok na elke directe
confrontatie met gewelddadigheid. Zelfs het onderwijzend personeel liet zich
intimideren. Niet zozeer door een stelletje opgefokte vechtersbaasjes, als wel
door de feedback van de islamitische achterban. Een aanklacht tot discriminatie
bij het schoolbestuur of de onderwijsinspectie lag elke dag opnieuw weer op de
loer en kon een ieder op allerlei manieren de kop kosten. Toch was Walter
gewoon niet bang en hij liet zich door Bart aanmoedigen om voor zichzelf op te
komen. In wezen had hij ook geen andere keuze nadat hij net niet van de
schooltrap geduwd was door Amir en Emir; twee Marokkaanse neefjes. Hetzelfde
tweetal speelde het wel klaar om Walter op een onbewaakt moment met zijn hoofd
tussen de spijlen van de reling te klemmen. Met frisse tegenzin kwam
Walter in opstand. Al die voorziene moeite stond hem tegen. Waarom kregen de
raddraaiers niet gewoon straf? Volgens de regels van het pestprotocol zou dat
wel moeten! Een beetje onwennig begon hij licht tegen te strubbelen en
klungelig terug te slaan en vechten. De eerste keer nog met veel lachers aan de
zijlijn. Dat lachen is de omstanders naar verloop van tijd wel vergaan. Al
durfde zelden of nooit iemand openlijk op de hand van Walter te zijn. Angst was
hier echter naast een slechte raadgever ook de reden dat de hilariteit al na
twee keer meppen in puur respect omsloeg, want Walter won steeds weer. Juist
vanwege zijn grove bouw, forse postuur en logge motoriek bleek hij
angstaanjagend sterk te zijn. En tot verrassing van iedereen, Walter incluis,
ook nog eens trefzeker. Alle Marokkaantjes en Turkjes waren sowieso kleiner dan
hij. Hij hoefde de opgewonden standjes maar met één gestrekte arm van zich af
te houden en de vijand was uitgeschakeld. Bart probeerde zijn zoon wel bewust
te maken van zijn eigen kracht. Er hing nog steeds een boksbal in de
speelkamer.
Ondanks alle
oneffenheden in groep 3 bleef meester Gijsbert onverminderd favoriet van de
volwassenen. Dat nam echter niet weg dat hij moeite had met het werven van
hulpouders. Op De Wielewaal mochten ouders zich inschrijven als ‘helpende
handjes’ bij activiteiten op school. Dat kon op intekenlijsten die enkele dagen
voor aanvang van de nopende bedrijvigheid naast het klaslokaal van het
betreffende kind gehangen werden. Meester Gijsbert vergat evenwel het hele
schooljaar door om die intekenlijsten bijtijds op te hangen. Maar zelfs al zou
dat niet zo geweest zijn, dan nog had het animo geen opzien gebaard. Dat was
namelijk bij geen enkele leerkracht het geval. Ja, misschien bij Jan-Willem van
groep 8, maar die man was net een windvaantje; een ware onpersoonlijkheid.
Voorts had hij een streepje voor op meester Gijsbert omdat hij een vaste
aanstelling had. In Jan-Willem kon geïnvesteerd worden voor de toekomst van de
illustere blaagjes van de opgewaardeerde wijkwijven. Daartegenover zou die
invalgozer na een jaar weer vertrekken als het goed was. Hoe dan ook, meester
Gijsbert kwam handen tekort tijdens het kerstdiner dat op De Wielewaal op de
avond van de laatste schooldag voor de kerstvakantie in het klaslokaal gebruikt
werd. Traditiegetrouw werd de catering door de ouders verzorgd. Op een
lekkernijenlijst naast de intekenlijst moest wel elke ouder de voedselbijdrage
specificeren, zodat men zich op De Wielewaal een beeld kon vormen van het menu
van het kinderkerstdiner per afzonderlijke klas. De middag voor het kerstdiner
van De Wielewaal had Thea dan ook 5 uur aan één stuk door 100 flensjes met spek
en 100 flensjes met krentjes staan bakken. Juffrouw Dorien vond de 100 krenten-
en spekflensjes van Thea die bij Sabine in groep 4 terecht kwamen ‘veel te
excessief’. Toch had Thea zich strikt aan haar vooraankondiging op de
lekkernijenlijst gehouden.
‘Waarom zijn
mijn flensjes nou weer excessief en de minipizza’s, croissants of donuts van
andere ouders niet?’, vroeg Thea gepikeerd.
‘In jouw
spekpannenkoekjes zit spek’, antwoordde juffrouw Dorien nurks.
‘Nou en?’
‘Nou en? Nou
en? Er zitten ook moslims in groep 4 en zij mogen geen spek.’
Thea probeerde
nog om een grappige draai te geven aan de conversatie:
‘Van wie
niet?’
Een vader met
een uitgestreken gezicht kwam ook bij de lekkernijenlijst staan en scheen licht
op de zaak:
‘Van Allah’.
Op De
Wielewaal wist je nooit zeker of iemand leuk wilde zijn of gewoon geen gevoel
voor humor had. Voor de zekerheid ging Thea altijd van het laatste uit:
‘Nou dan eten
moslims toch krentenflensjes.’
‘Wat over is
neem je weer mee naar huis’, waarschuwde juffrouw Dorien.
‘Wat ben je
toch een schappelijk mens’, overdreef Thea op haar beurt.
’s Avonds na
het kerstdiner waren alle 100 flensjes in groep 4, van de pietluttige juffrouw
Dorien, schoon op. In groep 3 van meester Gijsbert was ook niet veel meer over.
Hier had Thea met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe de kleintjes zich te goed
hadden gedaan aan – onder meer – haar 100 flensjes. Meester Gijsbert had Thea
namelijk gesmeekt om hem bij te staan tijdens het kerstdiner in groep 3. Alsof
Thea niet al uitgeput genoeg was. Ze had de hele middag daarvoor in de keuken
gestaan. Ze kon geen flensjes meer zien. Nee zeggen tegen meester Gijsbert
lukte evenwel ook niet omdat ze in eerste instantie dacht dat hij echt omhoog
zat. Thea was de beroerdste niet. Naderhand bleek meester Gijsbert iets te
paniekerig aan de noodbel getrokken te hebben, want wel een dozijn helpende
handjes maakten van het kerstdiner licht werk. Vandaar dat Thea op een krukje
achter het buffet zat uit te rusten onder het genot van een heleboel groenvoer
waarvan de kinderen geen van allen zelfs nog maar een rauw worteltje, radijsje
of bloemkool roosje hadden verorberd. Walter had zijn bord beladen met 1 donut,
2 zoute stengels, een gevuld ei en 2 schuimkransjes. Meester Gijsbert zat
constant op de vingers van Walter te kijken en stuurde hem terug naar het
buffet. Hij moest een schuimkransje terug leggen. Nou is Walter – nog steeds –
dol op schuimkransjes. Ook omdat Thea ze nooit kocht of koopt. Ze kan er
namelijk niet vanaf blijven en voor ze het weet heeft ze de inhoud van een
kilozak gebunkerd. Thea weet ook zeker dat haar schuimkransjesverslaving
erfelijk is. Ze wil Walter behoeden voor een eetprobleem. Maar tijdens een
kerstdiner van groep 3 mocht Walter van haar best 2 schuimkransjes eten. Temeer
omdat hij niet eens een flensje genomen had. Flensjes kon Walter altijd thuis
nog eten. Andere kinderen hadden wel flensjes gekozen. Sommigen wel 3 flensjes
tegelijk. Een hoofddoekmoeder had de islamitische kinderen zelfs nog op de
mogelijkheid van krentenflensjes in plaats van de geloof gebonden, verboden,
vruchten, in de vorm van spekflensjes, gewezen. Gedwee nam Walter één van de
twee roze schuimkransjes van zijn bord en plaatste het behoedzaam terug in de
grote mand met wel 20 soortgenoten op het buffet.
‘Toe maar
jongen’, moedigde Thea hem aan, terwijl ze aan een worteltje knaagde.
Ongevraagd
schonk de hoofddoekmoeder nog wat chocomel in de beker van Walter bij. Ontlast
nam hij weer tegenover meester Gijsbert aan de lange rij aaneen geschoven
tafeltjes plaats. Net als de helft van de klas zat Walter met de rug naar het
buffet en Thea toe.
‘Niet zo
inhalig, Walter’, zeurde meester Gijsbert na.
De verlichting
van de kerstboom gaf zijn gezichtsuitdrukking een lugubere uitstraling.
‘Andere
kindjes lusten ook schuimkransjes.’
Walter kromde
zijn rug en Thea schoot haar zoon te hulp:
‘Ja, want hij
krijgt thuis niks te eten!’, galmde ze door het klaslokaal in kerstsfeer.
De
hoofddoekmoeder knikte;
‘Ik geloof er
niks van’, glunderde ze.
Ondertussen
pakte Tim, die een paar plaatsen in de rij van Walter verwijderd zat, een
schuimkransje van zijn bord. Met zijn elleboog stootte hij zijn buurman aan en
overhandigde hem onderhands het schuimkransje. Het jongetje naast Tim keek even
scheef naar wat precies onder de tafel aan hem doorgegeven was. De intentie had
hij al snel in de smiezen. Ruggelings ging het schuimkransje verder van
kinderhand naar kinderhand totdat het bij Walter op het bord terecht kwam.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat de heerlijkheden uit het
niets op zijn bord opdoken, zette Walter zonder aarzelen gretig zijn tanden in
het zojuist gearriveerde schuimkransje. Meester Gijsbert had niets door. Of hij
deed alsof; want binnen de kortste keren kon Walter de aanvoer niet meer
behapstukken en had hij wel 10 schuimkransjes op en naast zijn bord liggen. Ook
van Amir en Emir. Kinderen blijven kinderen en het zooitje ongeregeld, ook wel
bekend als de basisschoolgroep 3 van De Wielewaal, was nog niet verloren.
Maar aan alles
komt een eind en zo was ook de zomervakantie in zicht. Ondanks alle
hindernissen, bezwaren en kritiek was Walter onvoorwaardelijk over naar groep 4
en Sabine onherroepelijk naar groep 5. In de laatste schoolweek heerste dat
jaar onrust op het schoolplein vanwege een bericht in de schoolkrant oftewel de
nieuwsbrief van De Wielewaal. Met name de ouders van de kinderen van de klas
van Sabine klampten zich aan elkaar, en zelfs aan Thea, vast met een paniekblik
in de ogen. Vanaf het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie, zou de Wielewaal
niet langer 2 groepen 5 en 2 groepen 6 tellen. In plaats daarvan zou er, naast
nog maar 1 ‘reguliere’ groep 5 en 6, ook een combinatieklas 5 en 6 komen. De
reden voor deze samenvoeging waren bezuinigingen. De officiële lezing was dat
de zwakkere kinderen van De Wielewaal niet de dupe mochten worden van die
gemene aanstaande overheidsbeknibbelingen op onderwijs. Zonder extra
maatregelen zou de remedial teacher – Wonderwilma – naar huis gestuurd moeten
worden. Vandaar dat directrice Willy op het idee van die combinatieklas was
gekomen. Op die manier kon Wonderwilma gewoon doorbetaald worden en bleef de
remedial teaching op De Wielewaal floreren ondanks de geplande
bezuinigingen. In werkelijkheid was er overduidelijk geen geld meer voor 2
groepen 5 en 2 groepen 6. Met of zonder Wonderwilma en met of zonder haar
klandizie. Althans niet voor de 4 leerkrachten die nodig zouden zijn voor 4
groepen verdeeld over een kleine 72 kinderen. En geen enkele zichzelf respecterende
basisschool kan zich klassen van maar 18 kinderen per aangestelde leerkracht
permitteren zonder van decadentie verdacht te worden. In minder eufemistische
bewoordingen; het leerlingenaantal van De Wielewaal begon terug te lopen.
Misschien was de wijk aan verjonging toe? Links- of rechtsom. Sabine werd ook
uitverkoren voor de combinatieklas en ze zou Jan-Willem als meester
krijgen.
Thea werd niet
warm of koud van de plaatsing van Sabine in de combinatieklas 5/6 na de
zomervakantie, maar de betroffen opperouders – dus de insiders – waren in rep
en roer. Dit besluit van directrice Willy Bakbruin was buiten hun medeweten om
gemaakt. Dat ging zomaar niet. Daar moest overheen geplast worden! Wel begreep
Thea van de opperouders dat Jan-Willem een geluk bij een ongeluk was. Hij
was een oude rot uit groep 8 van De Wielewaal en een hartstikke leuke vent
aldus een grote groep vooraanstaande, hitsige wijkwijven. Ook de heersende
papakliek zag in de doorsnee Jan-Willem unaniem een klasbak en waarschijnlijk
een onuitputtelijke bron van herkenning. Thea was weleens per ongeluk naast
Jan-Willem terecht gekomen toen ze een plekje zocht om ongestoord op haar
kinderen te wachten op de speelplaats. Hurkend strikte hij een veter van een
schoentje aan een kleutervoet. Thea wist toen nog niet dat hij een onderwijzer
van De Wielewaal was. Ze dacht dat hij ook op zijn kinderen stond te wachten.
Toen Jan-Willem klaar was met strikken en overeind kwam zag hij Thea naast zich
staan. Hij mimede dat hij schrok van haar aanblik. Vervolgens begon hij
plagerig zomaar zachtjes het ‘Theo en Thea’ liedje in de buurt van haar
gehooringang te slissen alsof hij hazentandjes had:
‘Hallo, wij
zijn Theo en Thea.
Is dat niet
leuk.
Hiep, piep,
hoera.
Wij zingen een
vrolijk liedje.
Klap in je
handen.
hopsasa.
Tsjonge,
jonge, jonge.
Is het al
begonnen?
Heb je ook
weleens een leverworst gewonnen?
Hiep, piep,
hoera.
Theo, Thea.
Ahaha,
aaaaaaaaaaaaaaah.’
Thea grimaste.
Omdat ze vond dat ze uit beleefdheid moest reageren zei ze opgelaten:
‘Ik heet
toevallig Thea’.
Olijk stak
Jan-Willem zijn hand naar haar uit:
‘Aangenaam ik
ben Jan-Willem.’
De dames die
op de speelplaats in de buurt van Thea stonden werden onrustig. Sommige
begonnen de aandacht van Jan-Willem naar zich toe te trekken.
‘Willempie!’
‘JeeWee!’
Betrapt
waggelde Jan-Willem vervolgens met een gênant Charlie Chaplin loopje het
schoolgebouw in.
‘Leuke vent;
gewoon zonde dat hij niet langer in groep 8 staat’, zwijmelde een moeder in een
kokerrok, netkousen en op naaldhakken.
‘Hoezo, gaat
hij weg!’, schrok een andere moeder zo heftig dat het plamuur op haar gezicht
scheurend protesteerde.
‘Nee, nou ja,
hij gaat naar die combinatieklas.’
‘Ow, dat méén
je niet. Nou gáát Friselda eindelijk naar groep 8 en nou krijgt ze wéér geen
meester.’
In de ijdele
hoop de uitloop van mascara en eyeliner te voorkomen, wapperde de gedupeerde
moeder hevig teleurgesteld en driftig met haar gelakte, lange nagels in de
buurt van haar betraande ogen.
‘Ik lijk zeker
wel een pierrot?’, snoof ze.
‘Nee hoor’,
jokten de vriendinnen om haar heen.
Thea stond
erbij en versteld van de vertoning. Voor ze het wist had ze haar mond weer
voorbijgepraat:
‘Wat is er zo
speciaal aan die Jan-Willem?’’, vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
‘Alsof jij dat
niet weet!’, riep iemand verontwaardigd.
Thea was zich
van geen kwaad bewust en zocht met opgetrokken wenkbrauwen om zich heen naar
een antwoord. Misschien omdat Jan-Willem een leerkracht van het mannelijk
geslacht was? Maar dan wel een gangbaar type in een spijkerbroek en een T-shirt
net als meester Gijsbert. Met dit verschil dat er bij meester Jan-Willem zelfs
niet eens op borsthoogte een politiek correcte opdruk op zijn hemdje stond.
Bink heeft
Thea met succes monddood gemaakt. In het verleden is ze al voor vanalles en nog
wat uitgemaakt, dus Thea zou niet raar staan te kijken als de buitenwacht ook
in het geval van Melvin niet al te veel aanmoediging behoeft om haar voor een
cougar aan te zien. Dat woord alleen al. Voordat je de betekenis goed en wel in
de smiezen hebt, treft de insinuatie meteen doel. Je raakt besmet met dat wat
er over je gefluisterd wordt.
Maar bij een
cougar ging die vlieger niet op. Daar was de pedofiele implicatie te
vunzig voor. Alleen een geesteszieke kan zich iets voorstellen bij seks met een
kind, puber of jong volwassene. De verhoudingen kloppen niet. Ze zijn
tegennatuurlijk in hun ontwikkelingsproces; statisch in ongelijkwaardigheid.
Pedofilie is machtswellust en Thea is een democrate. Zelfs in de
verbeelding. De wens is immers de verwekker van de gedachte.
Op die manier
gaf meester Gijsbert zijn wensdenken ook vleugels. Iedereen die het maar horen
wilde maakte hij op De Wielewaal wijs dat Walter met sprongen vooruit ging
dankzij het doordeweekse, dagelijkse crisisoverleg met moeder Thea na
schooltijd in het klaslokaal van groep 3. De openhartigheid van meester
Gijsbert leverde Thea aardig wat scheve ogen op. Veel gescheiden moeders zouden
maar al te graag met Thea ruilen. Crisisoverleg kon ook buiten in het stadspark
met een picknickmand erbij. Alsof meester Gijsbert de laatste man op aarde was
en dan nog zou Thea bedanken voor de eer. Met het verstrijken van de
schooldagen moest ze steeds langer wachten voordat meester Gijsbert vrij was.
Eerst liet hij alle alleenstaande, hitsige mama’s tegen zich aanrijden en dan
waren er nog de vaders van ouwe jongens krentenbrood die een schouderklopje
kwamen geven of halen of alle twee. Toen na 3 weken de wachttijd was opgelopen
tot een half uur, hield Thea het gezamenlijke crisisoverleg voor gezien. Ze
riep over de hoofden van de fanclub heen:
‘Ik geef wel
een gil als ik je nodig heb.’
Toen Thea was
uitgesproken kon ze het niet nalaten om, tot ergernis van veel toeschouwers,
een Duck face te trekken. Meester Gijsbert zag haar niet, maar hoorde haar wel.
‘Graag, dank
je wel voor je begrip’, hijgde hij opgewonden en niet mis te verstaan.
‘Geen dank,
graag gedaan’, grijnsde Thea.
Thea lachte
wel, maar stiekem vond ze meester Gijsbert niet sporen. Hij miste
een belangrijke schakel in de ketting van sociale omgangsnormen en als
kinderverzorgers dan toch om de haverklap spectrumautisme – of een andere vorm
van geestelijke afwijking – in hun omgeving in overweging dienden te nemen dan
was meester Gijsbert eigenlijk een kandidaat met de meeste potentie. Thea
geloofde namelijk allang niet meer dat meester Gijsbert expres onaangenaam
tegen Walter was. Hij werd ertoe gedreven door invloeden van buitenaf. Door
prikkels van vrouwen zoals Jade de interne coördinatrice van De Wielewaal en
bijvoorbeeld de moeder van Tim. Jenny heette ze en ze vond zichzelf
onweerstaanbaar. Ze leefde gescheiden van de vader van haar 3 kinderen. Haar
had Thea in de eerste jaren van haar kinderen op De Wielewaal nog het beste
kunnen verdragen van het complete pakket van ouders en verzorgers. Ze was zo’n
omslachtig type, iets ouder dan Thea. De liefde van haar leven was laat op haar
pad gekomen en wat haar betreft niet snel genoeg weer opgerot. Hij liet haar
alleen achter in een herenhuis dat hij van te voren nog wel even eigenhandig
van onder tot boven volledig naar haar exclusieve smaak had
verbouwd. Verder hield Jenny nog een omgangsregeling, kinderoppas en een
flinke alimentatie aan de scheiding over. Haar ex restte een sociale huurwoning
en een depressie. Hij raakte zijn baan in de advocatuur kwijt en moest op een
houtje bijten om zijn schuld aan Jenny en de kinderen af te betalen. Jenny
daarentegen wist naast haar alimentatie ook nog één of andere vage, aanvullende
uitkering bij de gemeente los te peuteren, omdat ze uiteraard niet in staat was
te werken als alleenstaande moeder met 3 kinderen in een bewerkelijk herenhuis.
Daarom nam de gemeentekas ook nog eens de financiering van de kinderoppas van
het gescheiden stel over. Daarenboven stond het Jenny dag en nacht vrij om een
beroep te doen op een hele sleep mannelijke aanbidders en vrouwelijke
wannabees. Zij hoefde echt niet te smeken om meester Gijsbert. Zijn volledige
aandacht vloeide voort uit haar extravagante verschijning waar meester Gijsbert
geen verweer tegen had. Thea wel. Hoe graag ze Jenny ook mocht vanwege haar
authenticiteit en onverbloemd narcisme; overschaduwen liet ze zich niet door de
moeder van Tim. Want dat was wel wat Jenny bewust of onbewust constant
bewerkstelligde door zichzelf en haar kinderen naar de voorgrond te schuiven
ten koste van iedereen die ze op haar losgeslagen padje tegenkwam. Zoals die
keer dat Walter compleet onthutst uit het schoolgebouw op Thea af kwam rennen.
De vader van Tim was dood. Walter wist wie de vader van Tim was van de
naschoolse speeluurtjes bij zijn vriendje. Thea kende de vader van Tim ook. Hij
kwam zijn oudste zoontje Tim vaak ophalen bij Thea thuis en dan maakte hij een
babbeltje. Een zachtaardige, getormenteerde man. Achteraf had hij natuurlijk
geen zelfmoord gepleegd. Hij was van de trap gevallen toen hij ’s nachts in de
keuken een glaasje water wilde drinken. Een ongelukje.
‘Heeft hij
geen kraan vlak bij zijn bed of een wastafel in de badkamer? Waarom moet hij
naar beneden om een glaasje water te drinken?’ vroeg Walter oprecht verbaasd.
Thea wist niet
wat ze zeggen moest. Bij de poort van de speelplaats kwam ze juffrouw Elsje
tegen:
‘Is de vader
van Tim van de trap gevallen?’, hakkelde ze nog overdonderd van het slechte
nieuws..
‘Nee’, begon
Elsje.
Ze vervolgde:
‘Ik heb
begrepen dat hij een overdosis heeft genomen.’
Onverwachts
duikelde Walter tussen Thea en juffrouw Elsje op. Het hoofd vleide hij tegen de
buik van Thea. Geschokt drukte ze haar zoontje dichter tegen zich aan.
‘Hij is nog
steeds niet doof en ook niet dom Elsje’, waarschuwde Thea.
‘En toen is
hij van de trap gevallen’, ratelde juffrouw Elsje in één moeite door.
Ze ging door
de knieën en draaide Walter aan zijn schoudertjes naar zich toe. Met een
rustgevende blik zoemde juf Elsje in op de kinderogen van Walter in de hoop hem
te kalmeren. Hij lachte verlegen.
‘Wat is een
overdosis?’, vroeg Walter diezelfde avond nog nadat Thea de laatste zin van een
verhaaltje voor het slapen gaan voorgelezen had.
Thea moest er
eens goed voor gaan zitten op de rand van het IKEA meegroeibed van haar
zoon.
‘Een
overdosis; dat is zoiets als teveel van het goede. Snap je?’
Maar Walter
sliep al.
De dag daarop
wilde Tim bij Walter spelen. Jenny, de moeder van Tim, had er wel oren naar.
Zij had nog zoveel te regelen in verband met de begrafenis. En zo. Alle hulp en
extra aandacht dirigeerde ze extatisch naar zich toe. Thea had alvast
medelijden met haar. Voor straks als Jenny uiteindelijk alleen achter bleef met
haar 3 kinderen in de eeuwige stilte na het open einde. Toch voelde Thea zich
helemaal niet geroepen om toekomstige open plekken alvast voor Jenny in te
vullen. Walter stond ook niet te trappelen om een verdrietig
vriendje op te vangen. Tim was voor Walter sowieso maar een bepekte tijd
achtereen te verdragen. Gelukkig is een kind niet in staat tot lange termijn
planning en zonder bedenktijd had het hart van Thea al voor haar beurt
gesproken en toegezegd om Tim na school op te vangen gedurende de periode voor
de begrafenis:
‘Gecondoleerd
met Joop’, zei Thea nog.
‘Hij was niet
goed hoor’, verklaarde Jenny in de gauwigheid alsof daarmee het plotselinge
overlijden van Joop te bevatten zou zijn.
Aan Tim had
Thea geen kind. Bart had Walter op het hart gedrukt dat hij moest klikken als
zijn verknipte vriendje hem te gortig werd. In het verleden had Tim zijn
frustraties regelmatig op Walter afgereageerd op de momenten waarop hij de
nachten bij zijn moeder in het herenhuis doorbracht. Tijdens die bewuste
periodes bij zijn moeder was Tim op schooldagen ook zonderling. Zodra Tim
echter met zijn kleine broertje en zusje in de sociale huurwoning van zijn
vader Joop logeerde transformeerde hij weer in een normaal jongetje en het
vriendje van
Walter.
Er bestaat een
filmopname van de zesde verjaardag van Walter. Bij de voordeur neemt Tim
afscheid. Walter komt aanlopen met het sluitstuk van zijn partijtje; een
snoepzak. Het is hartje zomer en de atmosfeer kleurt iedereen in de film wat
frisser en lichter, maar Joop staat desondanks klein, uitgemergeld, grauwgrijs
en onbeduidend naast de twee jongetjes in de zonovergoten hal. Met zachte dwang
maant hij zijn zoon om de jarige job netjes te bedanken.
‘Ja,
natuurlijk; dag Walter; het was leuk; jij bent mijn beste vriend.’
Het iele
jongensstemmetje spreekt uit de grond van zijn hart. Tim neemt de snoepzak van
Walter over. Vervolgens omarmen de jongetjes elkaar. Spontaan. Bart filmt en
zoemt in op het getekende gezicht van Joop. Zijn ogen zijn vochtig. Hij lacht
zijn gele nicotinetanden bloot. Een close-up van de ontroering. Zelfs nu, 7
jaar later, schieten zowel Bart als Thea nog vol bij het zien van het
filmfragment. En dan te bedenken dat Tim het verjaardagsfeestje van Walter
bijna gemist had. Op navraag bij Jenny bleek ze de uitnodiging kwijtgeraakt.
Maar wat een gezeik ook. Want sowieso had haar ex Joop, en niet zij, de
kinderen in de week van het fuifje van Walter. Niet zo gek dus dat Thea al zo’n
voorgevoel had. Op de dag van het verjaardagsfeestje van Walter gaf ze Joop
voor de zekerheid een herinneringsbelletje.
‘We zijn
onderweg’, zei Joop meteen toe.
Hij was
hoorbaar overdonderd, maar hij voelde, in tegenstelling tot Jenny, wel aan dat
niet altijd alles van één kant kon komen. Zelfs zo goed dat hij tot besluit
maar helemaal definitief stopte met meeleven.
Op de
begrafenis van Joop zong groep 3 een afscheidsliedje. De 25 heldere stemmetjes
van het kinderkoor op het altaar klaterden als een verfrissende waterval over
de beladen sfeer in de kerk. Het louterende effect in combinatie met de gewijde
akoestiek in de heilige ruimte bracht iedereen in de ban van het kinderliedje
waaraan ook Walter uit volle borst meezong:
Ik voel je
heus wel stralen.
Al is je
sterretje nog zo klein.
Ik zal niet
meer verdwalen.
Jij zult mijn
lichtpuntje aan de hemel zijn.
Na de laatste
pianoklanken volgde een oorverdovend applaus. En terecht. Ook vanwege de lange
mis van bijna 2 uur die de kleintjes op de hard houten kerkbanken hadden moeten
uitzitten om uiteindelijk een optreden van jewelste te kunnen geven.
Wel bleef Thea
zich - al vanaf de bekendmaking van de datum van de ter aarde bestelling van de
vader van Tim – afvragen wat de geplande, complete bezetting van groep 3
eigenlijk op een begrafenis van een papa van één van hun klasgenootjes te
zoeken had. Ze vermoedde dat Jenny achter de gedachte van een
kinderrijk afscheid voor haar ex-man zat. Uit onvermogen. Ook van Willy
Bakbruin. De directrice van De Wielewaal. Anders ga je toch niet mee met die
ongein?! Wie verzint zoiets? Nou was Thea welhaast verplicht om ook aan de
begrafenisdienst deel te nemen. Voor je het wist had Walter zich weer
misdragen. Maar al die tijd voor de apotheose van de engelachtige kinderzang
had Walter braaf en stokstijf naast Thea op de smalle zitting van de kerkbank
afgewacht. Er was geen onvertogen woord over zijn lippen gekomen en hij was nog
net niet in slaap gevallen tijdens de toespraken van allerlei vreemde
volwassenen. Het liet Walter ook volstrekt koud dat andere jongetjes uit groep
3 gedichten voordroegen voor Tim en kaarsjes mochten aansteken voor Joop. De
zesjarige Jonas werd zelfs nog eens extra, apart naar het altaar geroepen,
omdat hij de steun en toeverlaat en het allerbeste vriendje van Tim zou zijn.
Thea wist niet waar ze het zoeken moest met haar ingehouden verontwaardiging.
Miskend keek ze een paar keer woedend in de richting van Jenny die in de
voorste kerkbank stug voor zich uit bleef staren met haar jongste zoon op
schoot. Tim gaf ook geen teken van leven. Hij keek niet één keer de kant van
Thea of Walter op, hoewel hij de afgelopen dagen praktisch bij hen gewoond had.
Maar terwijl Thea zich bedwong, maakte Walter een bevrijde indruk. Alsof hij
door de negatie van zijn aanwezigheid verlost was van een zware druk. Voor zijn
gevoel kon hij vanaf nu afstand nemen van Tim. Zo klein als hij was had hij aan
zijn plicht als vriendje voldaan. Vanaf vandaag stond Walter zichzelf weer toe
om zijn eigen gangetje te gaan. Tim zou vanzelf wel weer zijn kant opkomen.
Zoals zo vaak. Want zo gaan die dingen. Of Thea dat nou leuk vond of niet.
Een maand
later kreeg Walter tussen de middag abrupt een driftbui thuis. Hij wilde niet
meer naar school. Basta.
‘Je kunt ook
gewoon zeggen wat er loos is Walter.’
Thea was
ongeduldig. Ze waren al laat.
‘Hij zegt dat
hij van meester Gijsbert naast Tim moet zitten’, legde Sabine snel uit en tegen
Walter zei ze:
‘Schiet op
Walter; straks kom ik te laat op school, omdat jij niet mee wilt komen. Dan
moet ik nablijven. En hoe erg is het nou om naast je vriend in de klas te
zitten?!’
‘Tim maakt
steeds ruzie en dan krijg ik de schuld’, raasde Walter.
Thea voelde de
machteloze woedevulkaan alweer opborrelen in haar buik. Hoe kon meester
Gijsbert zo ondoordacht acteren? Tijdens één van de vele crisisbijeenkomsten na
school had meester Gijsbert van Thea vrij spel gekregen bij de disciplinering
van haar zoon in de klas. Indirect ook van Bart. Niet omdat Bart en Thea vonden
dat er zoveel mankeerde aan het gedrag of de persoonlijkheid van Walter, maar
omdat zij geen controle hadden op de gang van zaken in groep 3. Walter moest op
eigen houtje weerbaar worden. Tegen bloedzuigers zoals Tim. Meelopers, die zich
uit eigen belang aan de ander vastklampten; maar die een maatje lieten vallen
als een baksteen als de wind de andere kant uitwoei. Maar zelfs met de wind in
de rug, voelde Walter zich, naast aangetrokken, ook vaak geclaimd door Tim. Het
was alles of niets; water en vuur; haat en liefde tussen die twee en Walter zou
zich gevangen voelen als hij op school ook nog eens gedwongen werd om de hele
dag naast zijn wispelturige vriendje te zitten. Zeker omdat Tim niet de enige
was met wie Walter moest leren leven. Ook meester Gijsbert had een
gebruiksaanwijzing en was naast een asociale hork helaas geen unicum.
Knarsetandend
strekte Thea haar hand.
‘Ik beloof je
dat je niet meer naast Tim hoeft te zitten’, zwoor ze,
terwijl Walter aarzelend en huilerig inhaakte.
Sabine rende
de trappen in de Wielewaal op om nog net op tijd in het klaslokaal van groep 4
bij juffrouw Dorien te zijn, maar Walter zette zich schrap bij de eerste trede.
Thea kreeg een flashback naar de ingang van De Kleine Beer. Toen was Walter de
helft jonger dan nu; ze kon hem fysiek niet meer een richting op dwingen.
‘Ga nou mee
Walter’, smeekte ze.
‘Nee!’, gilde
hij.
‘Ik praat met
meester Gijsbert, echt’, beloofde Thea met de moed der wanhoop, want ze wist
natuurlijk niet zeker of meester Gijsbert wel direct aanspreekbaar was.
‘Nee, nee,
nee, nee!’, krijste Walter.
Hij zakte door
zijn benen en kwam plompverloren met zijn achterste op de trap terecht. Hij
rukte de plukken haren figuurlijk en bijna letterlijk uit zijn kop. Met een
paranoïde blik in die prachtige, blauwe ogen vol tranen keek hij Thea radeloos
aan. Zijn gezicht was behuild en rood gevlekt. De lessen waren begonnen. De
gangen waren leeg. Het gegil en hartverscheurende snikken van Walter echode
door het schoolgebouw. Het leek Thea sterk dat niemand iets meekreeg. Maar
ineens gaf Walter mee. Alsof hij zich met een schok realiseerde dat hij het
zelf was die de stilte verstoorde. Bedaard
en nog wat nasnikkend draaide hij zijn bovenlichaam een halve slag, trok zich
op aan de trapleuning en sjokte verslagen langs Thea af naar boven. In het
voorbijgaan greep Thea zijn klamme handje. Meester Gijsbert zag Walter staan
door het raam in de deur van het klaslokaal. Thea dook achter haar zoon op en
wenkte meester Gijsbert. Welwillend verscheen hij in de deuropening.
‘Hij wilde
niet naar school en nou schaamt hij zich’, verklaarde Thea op gedempte toon,
‘Och, jongen
dat hoeft toch niet’, riep meester Gijsbert tot verbazing van Thea welgemeend
uit.
‘Hij wil
namelijk niet naast Tim zitten’, ging Thea onverbloemd verder.
Walter kneep
haar hand fijn.
‘Ja, ik dacht
vanmorgen al; heb ik daar wel goed aan gedaan door die twee naast elkaar te
zetten’, bekende meester Gijsbert alsof iemand anders hem op het verkeerde been
had gezet.
Wie zou dat
nou toch geweest kunnen zijn? Jenny, de moeder van Tim natuurlijk.
‘Ach, had
Timmetje weer een time-out nodig en is Walter dan weer goed genoeg?’,
verifieerde Thea fijntjes.
‘Nou, nou,
Walter kan anders ook erg bezitterig zijn’, stamelde meester Gijsbert uit
zelfverdediging.
‘Reden temeer
om ze niet ook nog op een vaste plaats in de klas naast elkaar te zetten.’
Thea had
meester Gijsbert duidelijk in verlegenheid gebracht. Hij koos eieren voor zijn
geld, want zelfs hij zag wel in dat Thea op dit moment een grotere bedreiging
voor zijn toekomstige carrière als basisschooldirecteur vormde dan
Jenny, de moeder van Tim.
‘Ik ben het
met je eens dat die twee inderdaad maar beter niet naast elkaar moeten zitten’,
verklaarde hij plechtig en tegen Walter zei hij:
‘Ga maar naar
binnen jongen; dan leg ik wel aan Tim uit dat jij liever alleen zit.’
De dag daarop
moest en zou Walter zo snel mogelijk naar school. Vol enthousiasme rende hij ’s
morgens de trap op naar de eerste verdieping en het klaslokaal van groep 3. Uit
pure dankbaarheid droeg hij zijn vriendenboekje bij zich. Thea ziet de
zesjarige Walter tijdens het wegbrengen in haar herinnering nog deemoedig staan
opkijken naar het banale, uitdrukkingsloze smoelwerk van meester Gijsbert.
Wijdbeens stond hij voor de klas en staarde leeg over de krullenbol van Walter
heen. Het aandenken is een gestold minidrama als in een tableau vivant. De
kleine Walter in zijn kingsize spijkerbroek en kanariegele megasweater –
voordelig en op de groei aangeschaft - en meester Gijsbert op z’n beduimelde
sneakers en in z’n afgewassen T-shirt van Amnesty International. Na een paar
seconde haalde Walter dralend zijn vriendenboekje omhoog. Kort sloeg meester
Gijsbert de ogen neer. Hij wist wel degelijk wat de bedoeling van een
vriendenboekje was, want hij had bijna alle andere kinderen uit groep 3 al met
handgeschreven weetjes over zichzelf wijzer gemaakt. Schielijk keek hij weer
voor zich uit met de handen op de rug. Hij zag Walter zogenaamd niet staan. Ook
achteraf bezien kan Thea met de beste wil nog niet beoordelen of hij
opzettelijk bot was, of dat het poreuze brein van meester Gijsbert af en toe
gewoon de normale omgangsvormen even niet meer kon verwerken. Terneergeslagen
wendde Walter zich van meester Gijsbert af en botste tegen Tim op die naar het
vriendenboekje greep:
‘Zal ik in je
vriendenboekje schrijven?’
‘Doe, maar’,
vond Walter op een toon die aangaf dat hij alweer herstellende was van zijn
depressie.
‘Jij hebt al
in het vriendenboekje van Walter geschreven’, riep een ander kind dat zojuist
door een ouder in het klaslokaal van groep 3 afgeleverd werd.
Hierop griste
meester Gijsbert het vriendenboekje uit de handen van Tim en reikte Thea het
schriftje zijwaarts aan. Zonder oogcontact te maken. Ze had de hele tijd vanuit
het hoekje naast de geopende deur in het lokaal staan toekijken en zou gezworen
hebben dat hij haar niet had opgemerkt.
‘Ga zitten
Tim’, commandeerde hij en tegen Walter riep hij:
‘Jij wilde
toch geen vrienden meer met Tim zijn?’
Walter haalde
zijn schouders op. Na school kwam Tim spelen. Als vanouds. Vandaag de dag,
jaren later, hebben die twee nog steeds contact. Ze gaan niet eens naar
dezelfde middelbare school maar vinden elkaar wel via Skype of ze zoeken elkaar
sporadisch op. Vrienden voor het leven. Ondanks meester Gijsbert en moeder
Jenny.
Walter liet
zich nooit uit over meester Gijsbert. Niet in positieve of negatieve zin. Hij
hield zich niet langer dan noodzakelijk met volwassenen bezig en richtte zich
op zijn leeftijdgenootjes. Tot blijdschap van Thea. Zo’n reactiepatroon is toch
een teken van een gezonde kindergeest. Wel werd er dus behoorlijk gevochten
door de kleine mannen van de generatie van Walter. Groep 3 telde 6 moslim
jongens. Vier Marokkanen en twee Turken. Hun ouders waren geen hoogopgeleide
immigranten; maar eerste generatie gastarbeiders. De wijk van De Wielewaal was
aan het verpauperen. De sociale woningbouw en studentenhuizen rukten op. Meneer
en mevrouw Hoogopgeleid hielden het voor gezien in het voormalige elysium en
verkochten hun panden aan huisjesmelkers. Vandaar dat het mogelijk was dat op
de befaamde Wielewaal iets meer dan 25 procent van 25 kinderen niet voldeed aan
het keurmerk. De 5 meisjes met een islamitische achtergrond uit groep 3 telde
Thea voor de goede orde niet mee. Zesjarige moslima’s zijn geen agressors. Hun
mannelijke equivalenten echter vaak wel. Bovendien dragen moslima’s voor hun
pubertijd nog geen hoofddoek en bleven er dus weinig kenmerken over waarmee zij
zich van de gemiddelde basisschoolleerling zouden kunnen onderscheiden.
In eerste
instantie had Walter een gruwelijke hekel aan al die gevechten om niks. Pootje
haken, stompen, met stenen gooien. En altijd waren de Marokkaantjes de
initiators. De Turkse jongens vochten lukraak en volgden dus niet blindelings
hun geloofsgenoten. Dan vochten ze met de Marokkaanse krachtpatsertjes mee en
dan weer met de van oorsprong Nederlandse blaaskaakjes. Wel moet gezegd worden
dat zowel de Marokkaantjes als de Turkjes standaard onderling één front
vormden, terwijl het zooitje ongeregeld met een Nederlandse achtergrond onder
elkaar ook nogal eens in de clinch lag. Het was een complete chaos op de
speelplaats in de pauze en zodra de school uit was. Een puinhoop waarvoor de
kiem al tijdens de kleuterjaren bij juffrouw Elsje gelegd was. Omdat De
Wielewaal een pestprotocol had, dat ook aan de kleintjes was uitgelegd in Jip
en Janneketaal, dacht Walter dat hij er goed aan deed om melding te doen van de
geweldpleging van zijn klasgenootjes. Hij kreeg geen gehoor. Bij geen enkele
leerkracht van De Wielewaal. Zelfs niet bij de directrice Willy Bakbruin.
Onbevreesd was Walter op haar afgestapt. De directrice Van De Wielewaal
alias Willy Bakbruin had hartelijk moeten lachen om die malle wijsneus en
wuifde zijn bezwaren in de wind:
‘Waar twee
vechten, zijn twee schuld jonge man.’
Ondertussen
werd een klasgenootje getackeld door een zesjarige jongetje van ouders met
ieder 2 paspoorten. Het gevloerde kereltje kwam zodanig gehorig met zijn
achterhoofd op de stenen terecht dat alle andere kinderen op de speelplaats
stil vielen. Hij werd afgevoerd met een ambulance. Het viel wel mee. Achteraf.
Een geluk bij een ongeluk en het keerpunt voor Walter. Vanaf dat moment besloot
hij terug te slaan. Mede namens de jongetjes die van huis uit wat minder
testosteron aanmaakten en zich elk speelkwartier opnieuw bibberend in de
zandbak onder de glijbaan verzamelden. Melvin, Thea’s Betuweflipje, was
vroeger bijvoorbeeld ook zo’n jongetje geweest dat liever voetbalde of
skateboardde dan oproer kraaide en dat altijd bakzeil trok na elke directe
confrontatie met gewelddadigheid. Zelfs het onderwijzend personeel liet zich
intimideren. Niet zozeer door een stelletje opgefokte vechtersbaasjes, als wel
door de feedback van de islamitische achterban. Een aanklacht tot discriminatie
bij het schoolbestuur of de onderwijsinspectie lag elke dag opnieuw weer op de
loer en kon een ieder op allerlei manieren de kop kosten. Toch was Walter
gewoon niet bang en hij liet zich door Bart aanmoedigen om voor zichzelf op te
komen. In wezen had hij ook geen andere keuze nadat hij net niet van de
schooltrap geduwd was door Amir en Emir; twee Marokkaanse neefjes. Hetzelfde
tweetal speelde het wel klaar om Walter op een onbewaakt moment met zijn hoofd
tussen de spijlen van de reling te klemmen. Met frisse tegenzin kwam
Walter in opstand. Al die voorziene moeite stond hem tegen. Waarom kregen de
raddraaiers niet gewoon straf? Volgens de regels van het pestprotocol zou dat
wel moeten! Een beetje onwennig begon hij licht tegen te strubbelen en
klungelig terug te slaan en vechten. De eerste keer nog met veel lachers aan de
zijlijn. Dat lachen is de omstanders naar verloop van tijd wel vergaan. Al
durfde zelden of nooit iemand openlijk op de hand van Walter te zijn. Angst was
hier echter naast een slechte raadgever ook de reden dat de hilariteit al na
twee keer meppen in puur respect omsloeg, want Walter won steeds weer. Juist
vanwege zijn grove bouw, forse postuur en logge motoriek bleek hij
angstaanjagend sterk te zijn. En tot verrassing van iedereen, Walter incluis,
ook nog eens trefzeker. Alle Marokkaantjes en Turkjes waren sowieso kleiner dan
hij. Hij hoefde de opgewonden standjes maar met één gestrekte arm van zich af
te houden en de vijand was uitgeschakeld. Bart probeerde zijn zoon wel bewust
te maken van zijn eigen kracht. Er hing nog steeds een boksbal in de
speelkamer.
Ondanks alle
oneffenheden in groep 3 bleef meester Gijsbert onverminderd favoriet van de
volwassenen. Dat nam echter niet weg dat hij moeite had met het werven van
hulpouders. Op De Wielewaal mochten ouders zich inschrijven als ‘helpende
handjes’ bij activiteiten op school. Dat kon op intekenlijsten die enkele dagen
voor aanvang van de nopende bedrijvigheid naast het klaslokaal van het
betreffende kind gehangen werden. Meester Gijsbert vergat evenwel het hele
schooljaar door om die intekenlijsten bijtijds op te hangen. Maar zelfs al zou
dat niet zo geweest zijn, dan nog had het animo geen opzien gebaard. Dat was
namelijk bij geen enkele leerkracht het geval. Ja, misschien bij Jan-Willem van
groep 8, maar die man was net een windvaantje; een ware onpersoonlijkheid.
Voorts had hij een streepje voor op meester Gijsbert omdat hij een vaste
aanstelling had. In Jan-Willem kon geïnvesteerd worden voor de toekomst van de
illustere blaagjes van de opgewaardeerde wijkwijven. Daartegenover zou die
invalgozer na een jaar weer vertrekken als het goed was. Hoe dan ook, meester
Gijsbert kwam handen tekort tijdens het kerstdiner dat op De Wielewaal op de
avond van de laatste schooldag voor de kerstvakantie in het klaslokaal gebruikt
werd. Traditiegetrouw werd de catering door de ouders verzorgd. Op een
lekkernijenlijst naast de intekenlijst moest wel elke ouder de voedselbijdrage
specificeren, zodat men zich op De Wielewaal een beeld kon vormen van het menu
van het kinderkerstdiner per afzonderlijke klas. De middag voor het kerstdiner
van De Wielewaal had Thea dan ook 5 uur aan één stuk door 100 flensjes met spek
en 100 flensjes met krentjes staan bakken. Juffrouw Dorien vond de 100 krenten-
en spekflensjes van Thea die bij Sabine in groep 4 terecht kwamen ‘veel te
excessief’. Toch had Thea zich strikt aan haar vooraankondiging op de
lekkernijenlijst gehouden.
‘Waarom zijn
mijn flensjes nou weer excessief en de minipizza’s, croissants of donuts van
andere ouders niet?’, vroeg Thea gepikeerd.
‘In jouw
spekpannenkoekjes zit spek’, antwoordde juffrouw Dorien nurks.
‘Nou en?’
‘Nou en? Nou
en? Er zitten ook moslims in groep 4 en zij mogen geen spek.’
Thea probeerde
nog om een grappige draai te geven aan de conversatie:
‘Van wie
niet?’
Een vader met
een uitgestreken gezicht kwam ook bij de lekkernijenlijst staan en scheen licht
op de zaak:
‘Van Allah’.
Op De
Wielewaal wist je nooit zeker of iemand leuk wilde zijn of gewoon geen gevoel
voor humor had. Voor de zekerheid ging Thea altijd van het laatste uit:
‘Nou dan eten
moslims toch krentenflensjes.’
‘Wat over is
neem je weer mee naar huis’, waarschuwde juffrouw Dorien.
‘Wat ben je
toch een schappelijk mens’, overdreef Thea op haar beurt.
’s Avonds na
het kerstdiner waren alle 100 flensjes in groep 4, van de pietluttige juffrouw
Dorien, schoon op. In groep 3 van meester Gijsbert was ook niet veel meer over.
Hier had Thea met eigen ogen kunnen aanschouwen hoe de kleintjes zich te goed
hadden gedaan aan – onder meer – haar 100 flensjes. Meester Gijsbert had Thea
namelijk gesmeekt om hem bij te staan tijdens het kerstdiner in groep 3. Alsof
Thea niet al uitgeput genoeg was. Ze had de hele middag daarvoor in de keuken
gestaan. Ze kon geen flensjes meer zien. Nee zeggen tegen meester Gijsbert
lukte evenwel ook niet omdat ze in eerste instantie dacht dat hij echt omhoog
zat. Thea was de beroerdste niet. Naderhand bleek meester Gijsbert iets te
paniekerig aan de noodbel getrokken te hebben, want wel een dozijn helpende
handjes maakten van het kerstdiner licht werk. Vandaar dat Thea op een krukje
achter het buffet zat uit te rusten onder het genot van een heleboel groenvoer
waarvan de kinderen geen van allen zelfs nog maar een rauw worteltje, radijsje
of bloemkool roosje hadden verorberd. Walter had zijn bord beladen met 1 donut,
2 zoute stengels, een gevuld ei en 2 schuimkransjes. Meester Gijsbert zat
constant op de vingers van Walter te kijken en stuurde hem terug naar het
buffet. Hij moest een schuimkransje terug leggen. Nou is Walter – nog steeds –
dol op schuimkransjes. Ook omdat Thea ze nooit kocht of koopt. Ze kan er
namelijk niet vanaf blijven en voor ze het weet heeft ze de inhoud van een
kilozak gebunkerd. Thea weet ook zeker dat haar schuimkransjesverslaving
erfelijk is. Ze wil Walter behoeden voor een eetprobleem. Maar tijdens een
kerstdiner van groep 3 mocht Walter van haar best 2 schuimkransjes eten. Temeer
omdat hij niet eens een flensje genomen had. Flensjes kon Walter altijd thuis
nog eten. Andere kinderen hadden wel flensjes gekozen. Sommigen wel 3 flensjes
tegelijk. Een hoofddoekmoeder had de islamitische kinderen zelfs nog op de
mogelijkheid van krentenflensjes in plaats van de geloof gebonden, verboden,
vruchten, in de vorm van spekflensjes, gewezen. Gedwee nam Walter één van de
twee roze schuimkransjes van zijn bord en plaatste het behoedzaam terug in de
grote mand met wel 20 soortgenoten op het buffet.
‘Toe maar
jongen’, moedigde Thea hem aan, terwijl ze aan een worteltje knaagde.
Ongevraagd
schonk de hoofddoekmoeder nog wat chocomel in de beker van Walter bij. Ontlast
nam hij weer tegenover meester Gijsbert aan de lange rij aaneen geschoven
tafeltjes plaats. Net als de helft van de klas zat Walter met de rug naar het
buffet en Thea toe.
‘Niet zo
inhalig, Walter’, zeurde meester Gijsbert na.
De verlichting
van de kerstboom gaf zijn gezichtsuitdrukking een lugubere uitstraling.
‘Andere
kindjes lusten ook schuimkransjes.’
Walter kromde
zijn rug en Thea schoot haar zoon te hulp:
‘Ja, want hij
krijgt thuis niks te eten!’, galmde ze door het klaslokaal in kerstsfeer.
De
hoofddoekmoeder knikte;
‘Ik geloof er
niks van’, glunderde ze.
Ondertussen
pakte Tim, die een paar plaatsen in de rij van Walter verwijderd zat, een
schuimkransje van zijn bord. Met zijn elleboog stootte hij zijn buurman aan en
overhandigde hem onderhands het schuimkransje. Het jongetje naast Tim keek even
scheef naar wat precies onder de tafel aan hem doorgegeven was. De intentie had
hij al snel in de smiezen. Ruggelings ging het schuimkransje verder van
kinderhand naar kinderhand totdat het bij Walter op het bord terecht kwam.
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat de heerlijkheden uit het
niets op zijn bord opdoken, zette Walter zonder aarzelen gretig zijn tanden in
het zojuist gearriveerde schuimkransje. Meester Gijsbert had niets door. Of hij
deed alsof; want binnen de kortste keren kon Walter de aanvoer niet meer
behapstukken en had hij wel 10 schuimkransjes op en naast zijn bord liggen. Ook
van Amir en Emir. Kinderen blijven kinderen en het zooitje ongeregeld, ook wel
bekend als de basisschoolgroep 3 van De Wielewaal, was nog niet verloren.
Maar aan alles
komt een eind en zo was ook de zomervakantie in zicht. Ondanks alle
hindernissen, bezwaren en kritiek was Walter onvoorwaardelijk over naar groep 4
en Sabine onherroepelijk naar groep 5. In de laatste schoolweek heerste dat
jaar onrust op het schoolplein vanwege een bericht in de schoolkrant oftewel de
nieuwsbrief van De Wielewaal. Met name de ouders van de kinderen van de klas
van Sabine klampten zich aan elkaar, en zelfs aan Thea, vast met een paniekblik
in de ogen. Vanaf het nieuwe schooljaar, na de zomervakantie, zou de Wielewaal
niet langer 2 groepen 5 en 2 groepen 6 tellen. In plaats daarvan zou er, naast
nog maar 1 ‘reguliere’ groep 5 en 6, ook een combinatieklas 5 en 6 komen. De
reden voor deze samenvoeging waren bezuinigingen. De officiële lezing was dat
de zwakkere kinderen van De Wielewaal niet de dupe mochten worden van die
gemene aanstaande overheidsbeknibbelingen op onderwijs. Zonder extra
maatregelen zou de remedial teacher – Wonderwilma – naar huis gestuurd moeten
worden. Vandaar dat directrice Willy op het idee van die combinatieklas was
gekomen. Op die manier kon Wonderwilma gewoon doorbetaald worden en bleef de
remedial teaching op De Wielewaal floreren ondanks de geplande
bezuinigingen. In werkelijkheid was er overduidelijk geen geld meer voor 2
groepen 5 en 2 groepen 6. Met of zonder Wonderwilma en met of zonder haar
klandizie. Althans niet voor de 4 leerkrachten die nodig zouden zijn voor 4
groepen verdeeld over een kleine 72 kinderen. En geen enkele zichzelf respecterende
basisschool kan zich klassen van maar 18 kinderen per aangestelde leerkracht
permitteren zonder van decadentie verdacht te worden. In minder eufemistische
bewoordingen; het leerlingenaantal van De Wielewaal begon terug te lopen.
Misschien was de wijk aan verjonging toe? Links- of rechtsom. Sabine werd ook
uitverkoren voor de combinatieklas en ze zou Jan-Willem als meester
krijgen.
Thea werd niet
warm of koud van de plaatsing van Sabine in de combinatieklas 5/6 na de
zomervakantie, maar de betroffen opperouders – dus de insiders – waren in rep
en roer. Dit besluit van directrice Willy Bakbruin was buiten hun medeweten om
gemaakt. Dat ging zomaar niet. Daar moest overheen geplast worden! Wel begreep
Thea van de opperouders dat Jan-Willem een geluk bij een ongeluk was. Hij
was een oude rot uit groep 8 van De Wielewaal en een hartstikke leuke vent
aldus een grote groep vooraanstaande, hitsige wijkwijven. Ook de heersende
papakliek zag in de doorsnee Jan-Willem unaniem een klasbak en waarschijnlijk
een onuitputtelijke bron van herkenning. Thea was weleens per ongeluk naast
Jan-Willem terecht gekomen toen ze een plekje zocht om ongestoord op haar
kinderen te wachten op de speelplaats. Hurkend strikte hij een veter van een
schoentje aan een kleutervoet. Thea wist toen nog niet dat hij een onderwijzer
van De Wielewaal was. Ze dacht dat hij ook op zijn kinderen stond te wachten.
Toen Jan-Willem klaar was met strikken en overeind kwam zag hij Thea naast zich
staan. Hij mimede dat hij schrok van haar aanblik. Vervolgens begon hij
plagerig zomaar zachtjes het ‘Theo en Thea’ liedje in de buurt van haar
gehooringang te slissen alsof hij hazentandjes had:
‘Hallo, wij
zijn Theo en Thea.
Is dat niet
leuk.
Hiep, piep,
hoera.
Wij zingen een
vrolijk liedje.
Klap in je
handen.
hopsasa.
Tsjonge,
jonge, jonge.
Is het al
begonnen?
Heb je ook
weleens een leverworst gewonnen?
Hiep, piep,
hoera.
Theo, Thea.
Ahaha,
aaaaaaaaaaaaaaah.’
Thea grimaste.
Omdat ze vond dat ze uit beleefdheid moest reageren zei ze opgelaten:
‘Ik heet
toevallig Thea’.
Olijk stak
Jan-Willem zijn hand naar haar uit:
‘Aangenaam ik
ben Jan-Willem.’
De dames die
op de speelplaats in de buurt van Thea stonden werden onrustig. Sommige
begonnen de aandacht van Jan-Willem naar zich toe te trekken.
‘Willempie!’
‘JeeWee!’
Betrapt
waggelde Jan-Willem vervolgens met een gênant Charlie Chaplin loopje het
schoolgebouw in.
‘Leuke vent;
gewoon zonde dat hij niet langer in groep 8 staat’, zwijmelde een moeder in een
kokerrok, netkousen en op naaldhakken.
‘Hoezo, gaat
hij weg!’, schrok een andere moeder zo heftig dat het plamuur op haar gezicht
scheurend protesteerde.
‘Nee, nou ja,
hij gaat naar die combinatieklas.’
‘Ow, dat méén
je niet. Nou gáát Friselda eindelijk naar groep 8 en nou krijgt ze wéér geen
meester.’
In de ijdele
hoop de uitloop van mascara en eyeliner te voorkomen, wapperde de gedupeerde
moeder hevig teleurgesteld en driftig met haar gelakte, lange nagels in de
buurt van haar betraande ogen.
‘Ik lijk zeker
wel een pierrot?’, snoof ze.
‘Nee hoor’,
jokten de vriendinnen om haar heen.
Thea stond
erbij en versteld van de vertoning. Voor ze het wist had ze haar mond weer
voorbijgepraat:
‘Wat is er zo
speciaal aan die Jan-Willem?’’, vroeg ze aan niemand in het bijzonder.
‘Alsof jij dat
niet weet!’, riep iemand verontwaardigd.
Thea was zich
van geen kwaad bewust en zocht met opgetrokken wenkbrauwen om zich heen naar
een antwoord. Misschien omdat Jan-Willem een leerkracht van het mannelijk
geslacht was? Maar dan wel een gangbaar type in een spijkerbroek en een T-shirt
net als meester Gijsbert. Met dit verschil dat er bij meester Jan-Willem zelfs
niet eens op borsthoogte een politiek correcte opdruk op zijn hemdje stond.
HOOFDSTUK 14
Pas een week
voor de zomervakantie wist meester Gijsbert van groep 3 zeker dat hij de
benoeming tot directeur van een basisschool in een andere provincie van het
land in de pocket had. Hij liep op wolkjes door de gangen van de school, voor
zover een houten Klaas kan zwieren natuurlijk. In zijn vlucht over de
traptreden schoot hij Thea aan die zich in tegengestelde richting naar beneden
begaf.
‘Jou, wil ik
nog even spreken’, deelde hij uitgelaten mede.
Thea voelde
zich direct aangevallen.
‘Mevrouw Jou,
als ik u niet ontrief’, meesmuilde ze schaapachtig.
Voor het eerst
sinds de pakweg 20 onderonsjes produceerde meester Gijsbert een
ongecontroleerde schaterlach die Thea aan een zeehond deed denken.
‘Waarom?’,
vroeg ze afstandelijk en met grote ogen.
‘Alle kinderen
krijgen deze week hun eindrapport. Dat van Walter wil ik graag persoonlijk aan
jou overhandigen nadat we samen een praatje gemaakt hebben. Om misverstanden te
voorkomen.’
Alsof blunders
niet het hele schooljaar lang in groep 3 van meester Gijsbert aan de orde van
de dag waren geweest. In navolging van de ergste dwaling van de valse
beschuldigingen op het eerste rapport, had Meester Gijsbert zich nog zo vaak
vergaloppeerd met Walter, dat Thea niet eens meer de moeite nam om hem erop aan
te spreken. Het meest recente incident ging over een traktatie van meester
Gijsbert een week geleden. Zijn vijftigste verjaardag moest groots gevierd
worden in de klas met een pinata en aardbeienijs. Het schepijs stond in 2
stapels van 8 gesloten literverpakkingen op een tafel voorin de klas. Klaar om
verdeeld te worden over ongeveer 25 kuipjes van koek. De 2 paar
helpende handjes met ieder een ijsschep stonden klaar in de startblokken. Alles
gebruiksgereed en in afwachting van het groene licht van meester Gijsbert.
Eerst kregen alle kleintjes een feestelijke puntmuts met een elastiekje onder
de kin en daarna moest iedereen stil zijn. Op het nippertje nam Walter het
laatste woord. Helemaal fout natuurlijk.
‘Ha, lekker,
wit!’, riep hij spontaan.
Thuis at hij
vaak schepijs als toetje.
‘Dat is geen
wit, Walter, dat is aardbeienijs; dat is rood’, onderwees meester Gijsbert
geërgerd.
‘Wit’, sprak
Walter zachtjes tegen.
Eén van de
helpende handjes was Jenny; de moeder van Tim. Achteraf zou ze uitgebreid
verslag doen van het gebeuren aan Thea. Nu zei ze belerend:
‘Aardbeien
zijn rood Walter, dus dan zal het schepijs ook wel rood zijn, denk je niet?’
‘Ijs is wit’,
antwoordde Walter koppig.
Sommige
kinderen begonnen te gniffelen.
‘Normaal
gesproken is ijs inderdaad wit. Maar deze keer niet. Dit is rood ijs. Of roze.
Maar niet wit. Het is namelijk aardbeienijs. En aardbeien zijn rood. Dus dan is
aardbeienijs ook rood’, tierde meester Gijsbert.
Hij dreigde
buiten zichzelf te raken van razernij over dit kleine ettertje. Stijfkoppig
schudde Walter het hoofd – het feesthoedje wipte vrolijk mee - onder
begeleiding van een kort maar krachtig:
‘Nee, het ijs
is wit.’
Met ingehouden
razernij greep meester Gijsbert een literpakijs van de stapel op zijn bureau en
stoof richting Walter die in zijn schoolbank verschrikt achteruit week.
Uitzinnig duwde meester Gijsbert de aanduiding op het deksel onder de neus van
Walter. Oorverdovend hard spelde hij de woorden;
’s c h e
p i j s m e t a a r d b e i e n s m a a k’.
Zijn
rechtervinger fungeerde als aanwijsstok.
‘Het is wit’,
herhaalde Walter onderkoeld.
Meester
Gijsbert ontplofte. Als Jenny niet zo contentieus in haar weergave van de
feitelijke gebeurtenissen geweest was, dan zou ze beweerd hebben dat zijn
hersenpan explodeerde. Hij wees naar de deur:
‘Eruit
wijsneus’! Ga jij maar op de gang feest vieren! In je eentje! Ga uit m’n ogen!’
In een drafje
verdween Walter naar de gang. Na 2 minuten vond Jenny hem in de ruimte achter
de trap. Hij zat samen gedoken; met zijn knieën tegen zijn neus en zijn armen
ineengeslagen om zijn opgetrokken onderbenen. Het feesthoedje stond nog recht
op zijn piekenbol.
‘Kom je een
ijsje eten, Walter’, smeekte Jenny.
Ze kon dus
best hartelijk zijn als ze wilde. Smeuïg deed Jenny verslag van de woedende
wijze waarop meester Gijsbert het deksel van de eerste literverpakking schepijs
rukte nadat Walter het klaslokaal verlaten had. De mond van meester Gijsbert
zakte open. Stomverbaasd keek hij van de inhoud van de verpakking; naar het
etiket op het deksel; naar de helpende handjes. Want wat bleek? Het schepijs
was spierwit. Meester Gijsbert had het kunnen weten, want ‘schepijs met
aardbeiensmaak’ is niet hetzelfde als ‘aardbeienijs’. Tim stak zijn nek uit en
riep voorbarig door de klas:
‘Ik wil Walter
wel even gaan halen!’
‘Niks ervan,
ik ga wel’, had Jenny gezegd.
‘Ja dat ijs
dat ken ik. Da’s van de Euroshopper. Goedkoop, maar dan weer wel zonder
kunstmatige kleurstoffen. Dat hebben wij thuis ook regelmatig. Geen wonder dat
Walter van wit aardbeienijs sprak. Hij herkende de verpakking natuurlijk’,
verklaarde Thea.
Een klaagzang
van medeleven speelde op in haar hartstreek. Met moeite betoomde Thea een
luidkeelse aanklacht. In plaats daarvan forceerde ze een quasi terloopse
opmerking:
‘Wat is het
toch een eikel die Gijsbert.’
‘Nou ja, ik
vind het gewoon niks voor hem om zo onredelijk boos te worden, maar ik vind hem
wel een heel geschikte onderwijzer’, beweerde Jenny ijskoud.
Haar ogen
verrieden het tegendeel. Ze schitterden van sensatielust, maar weerhielden Thea
er niet van om een diepe hartenkreet te slaken:
‘En, heeft
Walter nog een aardbeienijsje gegeten?’
Jenny begon te
gniffelen: ‘Hij wilde niet meer binnenkomen.’
‘Ach, en dan
laten jullie een kind van 6 gewoon lekker in de kou staan?’
‘Het is buiten
anders al dagen 30 graden.’
‘Figuurlijk
gesproken Jenny’, steunde Thea.
Nee natuurlijk
niet, hij wilde niet meekomen, maar naar huis lopen’, lachte Jenny in haar
vuistje.
‘Wat zeg je,
Jenny, dat meen je niet, hij moet de rondweg oversteken!’
Thea was in
shock. Bij wijze van geruststelling sloeg Jenny hoofdschuddend een stuk of 10
keer zachtjes met een gemanicuurde hand op haar schouder. Haar armbanden
rinkelden.
‘Wind je niet
zo op meid. Toos heeft Walter tegengehouden. Hij is verder de hele middag op de
speelplaats bij groep 4 gebleven.’
Geërgerd nam
Thea een paar passen afstand van Jenny en kwam zo ook onder haar resterende,
misplaatste schouderklopjes uit.
‘En wie mag
Toos dan wel wezen als ik vragen mag?’
‘Je weet wel
ouwe Toos van groep 4’, lichtte Jenny welwillend toe.
Thea wist het
beter.
‘Dorien is van
groep 4’.
Jenny besloot
er bij te gaan zitten op de rand van een stenen plantenbak op het schoolplein.
Geduldig legde ze aan Thea uit hoe de vork nu precies in de steel zat.
‘Ja van die
andere groep 4; Toos staat al jaren voor de klas. Volgens mij is ze de
pensioengerechtigde leeftijd allang gepasseerd. Ze schijnt geen afstand te
kunnen nemen van het lesgeven op De Wielewaal. Tim en Walter komen volgend
schooljaar bij haar in groep 4 terecht. Wist je dat niet? Groep 4 van Juffrouw
Toos en groep 4 van juffrouw Dorien gaan fuseren. Er bestaat dan nog maar één
groep 4 op De Wielewaal, met Toos aan het hoofd dus. Dorien gaat freewheelen.’
Thea herademde
opgelucht. Juffrouw Toos had kleine Walter tenminste niet aan zijn lot
overgelaten. Kennelijk kende De Wielewaal ook onderwijzend personeel met gezond
verstand.
‘Lang leve
Toos’, jubelde Thea vol frisse moed.
Niet
verwonderlijk dus dat Thea het einde van groep 3 met ongeduld tegemoet zag en
dat ze min of meer verslagen in de stoel tegenover meester Gijsbert plaatsnam.
Voor de twintigste en nog wat keer en het allerlaatst samen in een verlaten
klaslokaal. De jaloezieën voor de hoge ramen aan de straatkant filterden het
felle zomerzonlicht tot een fletskleurige, betrokken sfeer. Morgen na school
werd de jaarafsluiting in de speeltuin gevierd. In de gang stond een wachtrij
ouders die ook nog het één en ander met meester Gijsbert te bespreken had. Thea
zag de papa’s en mama’s staan dralen en gluren door de raamwerk in de
binnenmuren en ze vervloekte het merkbare verlangen van meester Gijsbert om
zich te wentelen in de bewondering van zijn aanbidders in plaats van zich
omringd te weten met het veelzeggende zwijgen van Thea. Hij kuchte en wees, met
een behaarde wijsvinger, op een alinea in het eindrapport van Walter. Er stond:
‘Walter heeft
deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve
taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ja, dat heb
ik gelezen’, bevestigde Thea mat.
Deze alinea
interesseerde haar niet. Ze had het hele rapport in een flits ingezien. Alleen
de handgeschreven conclusie op de laatste bladzijde was ingeslagen
als de bliksem.
‘Da’s toch
goed nieuws?’, vond meester Gijsbert gemaakt opgewekt. Zijn adem stokte.
‘Wat bedoel
je?’, vroeg Thea afwezig.
Haar hersenen
waren nog steeds bezig met het verwerken van het slotoordeel.
Resoluut
draaide meester Gijsbert het rapport van Walter naar zich toe en las met
onvaste stem voor:
‘Walter heeft
deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve
taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ik kan wel
lezen hoor’, wist Thea stoïcijns.
‘Nou dan?’
Meester
Gijsbert begon geïrriteerd te raken. Hij had al een paar keer onbedwingbaar
naar de gang en de verlossing gelonkt.
‘Wat is het
verschil tussen passieve en actieve taalontwikkeling als ik vragen mag?’, wilde
Thea weleens weten.
‘Nou uh,
Walter heeft zichzelf overtroffen in het laatste semester.’
‘Dat is geen
antwoord op mijn vraag’, vond Thea vermoeid.
‘Hij kan het
allemaal wel’.
Zijn antwoord
klonk als een gokje. Maar Thea was er nou toch en beet zich vast in haar
ongenoegen:
‘Dus als ik
het goed begrijp dan is het verschil tussen passieve en actieve
taalontwikkeling het leerproces?’
‘Dat volg ik
niet helemaal’.
Onrustig
schoof meester Gijsbert over de zitting van zijn kinderstoeltje. Zijn knieën
ketsten af en aan tegen de vlakke handen in de tussenruimte van zijn wiebelende
benen. Thea bleef onverzettelijk.
‘Laat ik het
anders formuleren. Hoeveel andere kinderen uit de klas hebben de
woordenschattoets verder nog uitmuntend gemaakt?’
‘Niemand.
Alleen Walter!’
Meester
Gijsbert was er ineens als de kippen bij om Walter de hemel in te prijzen in de
hoop dat dit nog een kans op vrijspraak bood.
‘Maar Walter
blijft gewoon een sterretje. We maken geen zonnetje van hem of zo?’, wilde Thea
nadrukkelijk weten, terwijl ze tegelijkertijd het hoofd schudde om haar ergste
vermoedens kracht bij te zetten.
Prompt schoot
meester Gijsbert in de zelfverdediging:
‘Ja, dat is
het beleid van De Wielewaal. Ik ben hier straks weg. Ik aanvaard het
directeurschap van een middelgrote basisschool buiten de provincie. Ik kan hier
niks meer aan doen.’
‘Natuurlijk
niet, jij kunt nergens iets aan doen’, zei Thea met klem.
‘Ik heb m’n
best gedaan. Voor de zekerheid heb ik alle rapporten ook nog met Jade
doorgenomen. Jade is de interne coördinatrice’, pruilde meester Gijsbert.
‘Ach ja, die
Jade, smaalde Thea.
Net als haar
klasgenootjes kwam Sabine het schoolgebouw uit gehuppeld met een enorme
zonnebloem in haar hand. Het effect van de uitgelaten zonnebloemen op het
zonovergoten speelplein was een luchtig en kunstzinnig schouwspel van kleuren
en licht a la Vincent van Gogh. De zonnebloemen waren een afscheidscadeautje
van juffrouw Dorien. De kinderen uit groep 3 van meester Gijsbert daarentegen
droegen allemaal een blanco gesloten envelop bij zich. Briefgeheim. Naar
strenge instructies van meester Gijsbert mocht de envelop pas thuis geopend
worden. Op de achterbank van de auto verbrak Walter de betovering en scheurde
de omslag open. De inhoud was een portretfoto van meester Gijsbert. Hoe
narcistisch kan een mens zijn?! Op de achterkant van de foto stond in de hanenpoten
van meester Gijsbert geschreven:
‘Ik vond het
leuk om je in de klas te hebben.’
Walter werd
niet eens onder persoonlijke titel aangesproken. ’s Avonds na het
speeltuinfeest mocht hij de foto van meester Gijsbert ritueel verbranden in de
vuurkorf uit de achtertuin onder het toeziend oog van Sabine, Bart en Thea.
Wie zou er
eigenlijk in het turbulente dubbelleven van Melvin een oogje in het
zeil houden? Hij is ook nog maar een net uit het ei gebarsten kind. Een tiener.
Achttien jaar. Hoe langer de periode waarin Melvin niets van zich laat horen;
hoe moeilijker Thea zichzelf kan wijsmaken dat ze zich niet ongerust maakt. Dat
ze geen moederlijke gevoelens koestert voor haar voormalige pleegzoon. Ze kijkt
anders naar haar eigen kinderen. Het contact met hen hangt als een permanente
zender in de lucht. Soms is het windstil, maar de verbinding blijft constant in
beweging; vloeiend of druppelgewijs en steeds over en weer. Van Melvin ontvangt
Thea als een soort matriarchaal opvangstation slechts sporadisch noodsignalen.
Ze heeft hem op één arm gedragen en getroost toen hij nog liever naar zijn
moeder wilde. Als peuter heeft ze hem wakker geschud uit zijn koortsdromen. Op
de basisschool kweekte ze bij hem het gevoel dat hij de wereld aankon. Zo
ontkiemde de tijdloze basis waarop Melvin met tussenpozen terug valt. Haar
Betuwe Flipje. Het is slopend om incidenteel nodig te zijn en te blijven door
het gros van de tijd afstand te houden en overbodigheid te aanvaarden. De
kinderen lopen hem op school ook niet toevallig tegen het begeerlijke lijf en
zijn vader Pim kan ze ook niet zomaar bellen. Wat moet ze zeggen?
‘Hay Pim. Wist
je al dat jouw zoon zijn lichaam verkoopt? Aan mannen en vrouwen.
Oudere mannen en vrouwen. Hij is een gigolo, een toyboy. Hoe ik dat weet? Heb
je even? Want het gaat ook jouw zwager aan. De broer van Femke. O, jullie zijn
niet getrouwd? Een samenlevingscontract? Ja, ja, nou in ieder geval woont de
broer van Femke tegenover mij in de straat. Toevallig toch? Welke broer? Femke
heeft meerdere broers? Hij heet Bink. Ja. Dat is haar jongste broer? Die
homoseksueel ja, dat vertelde hij. Trouwens was Melvin niet onlangs uit de kast
gekomen. Niet? Femke zei van wel toen ze laatst bij mij op bezoek was. Wat
Femke bij mij deed? Nou, ja, da’s een lang verhaal. Maar om het kort te houden;
heb jij recentelijk nog iets van Melvin vernomen? Oh, je dacht dat hij bij mij
bij Huiswerksterk zat? Niet dus. Hij is nooit geweest ook. Ergo; ik heb Melvin
al meer dan 2 weken niet gezien of gesproken. Of ik zijn mobiele nummer heb?
Nee. Waarom ik jou dan niet eerder gebeld heb? Ik heb zelf ook een gezin Pim.
Weet je wat; dag Pim.’
De enige die
Thea kan aanspreken over Melvin zonder zichzelf verdacht te maken, is Jasmijn.
De grote zus van Melvin. Ze weet van Melvin dat Jasmijn een peperduur
appartement heeft gehuurd boven de Albert Heijn vlakbij het centrum van de
stad. Melvin was enthousiast over het nieuwe huisadres van zijn zus, omdat hij
sindsdien in de weekends na het stappen vrijuit bij haar mag neerstrijken. Toch
weer sympathiek van Jasmijn. Misschien kent Thea haar toch niet zo goed als ze
denkt. Ineens realiseert ze zich dat ze al een dik decennium geleden voor het
laatst oog in oog heeft gestaan met haar voormalige stiefdochter die nu al weer
meer dan zes maanden 22 jaar moet zijn. De laatste keer dat Thea telefonisch
contact had met Jasmijn was korter geleden. Zo’n 5 jaar. Jasmijn zal 17 geweest
zijn. Thea las op het facebookaccount van het stedelijk gymnasium dat Jasmijn
cum laude geslaagd was. Ze voelde zich min of meer aangesproken. Op haar manier
had ze in de basisschooljaren van Jasmijn toch bij mogen dragen aan dit succesverhaal.
Daar kwam nog bij dat deze episode in haar leven samenviel met het einde van
haar basisschoolhuiswerk met Melvin. Hij mocht zich na die zomervakantie van 5
jaar terug ook op het stedelijk gymnasium gaan bewijzen. Thea herinnert zich
die periode nog zo goed omdat toen de eerste ideeën voor Huiswerksterk voor
middelbare scholieren door haar hoofd begonnen te spoken. Thea had in de
tussenliggende tijdsspanne van het vertrek van Melvin en het begin van
Huiswerksterk helemaal geen inkomsten meer. Maar omdat Bart gelukkig niet
slecht verdiende liet ze toch een bos ‘duizend schonen’ en een heliumballon in
hartvorm op het thuisadres van Pim, ook de vader van Jasmijn,
bezorgen. Om haar tevens mondeling te feliciteren, belde Thea een dag later naar
het vaste telefoonnummer van Pim. Volgens hem was Jasmijn net terug van de
diploma-uitreiking. Op de achtergrond klonk een geroezemoes van stemmen,
muziek, voetstappen en rinkelen van serviesgoed, terwijl Pim probeerde om
Jasmijn aan de telefoon te krijgen:
‘Thea voor je,
Jasmijn!’
‘Wie?’
‘Thea, die ken
je toch nog wel van de huiswerkbegeleiding?’
Thea hoorde
een vraagteken en vervolgens de overdracht van de telefoon.
‘Dag, u
spreekt met Jasmijn!?’
‘Hey
studiebol; ik ben wel trots op je hoor. Je bent het allereerste eindproduct van
Huiswerksterk’, tetterde Thea roekeloos in haar mobiel, hoewel de moed
eigenlijk al in haar schoenen gezonken was.
Zo te horen
was Jasmijntje haar oude huiswerkbegeleidster glad vergeten.
‘Ik heb alleen
huiswerkbegeleiding van u gehad op de basisschool toch?!’, antwoordde de
zuinige stem van Jasmijn behoudend.
Aan de
klankleur viel wel duidelijk te merken dat ze rekening hield met toehoorders om
haar heen.
‘Jaah, ik dol
ook maar een beetje’.
‘Haha.’
‘Nou meid, ik
zie je.’
‘Dankuwel.’
En omdat
pijnlijke misstappen niet uitnodigen tot herhaling had Thea
sindsdien niets meer van zich laten horen.
Thea kan niets
anders bedenken dan vanaf nu maar dagelijks bij de bewuste AH onder de flat van
Jasmijn te shoppen. Zodoende hoopt ze dat ze Jasmijn vandaag of morgen
toevallig expres tegen komt. Daarna zou Thea terug kunnen vallen op haar
eventuele improvisatietalent. Liever vindt Thea aanknopingspunten met Melvin
via de sociale media, maar dat blijkt zoeken naar een speld in een hooiberg. In
tegenstelling tot de naam van het escortbureau van de overbuurman. De service
van Bink is 24 uur per dag, 7 dagen in de week online en opereert onder de naam
G-spotgigolo; afgekort GSG. Maar daar houdt het voor Thea dan ook weer meteen
bij op, want ze komt niet verder dan de homepage op de website. Voor meer
informatie en toegang tot het echte leven moet ze eerst inloggen met haar
emailaccount en daarna waarschijnlijk online betalen en/of allerlei
persoonlijke gegevens invullen. Dat is hetzelfde als een vingerafdruk op een
plaats delict achterlaten. Hierdoor zou Bink niet alleen een tastbaar bewijs
hebben waarmee hij zijn vijftigjarige overbuurvrouw kan chanteren en de mond
snoeren, maar zou Thea ook worden gedwongen om aan Bart te bekennen dat ze
zich, ondanks zijn afrader om haar neus in een wespennest te steken, toch op
glad ijs begeven heeft. Niet dat Bart zijn vrouw na al die jaren zonder meer
voor een potentiële cougar zou aanzien, maar Thea wil hem niet op ideeën
brengen. Ze zit niet op een huwelijkscrisis te wachten. Trouwens, als ze met
haar IP-adres en tegen betaling zou inloggen op de website van G-spotgigolo’s,
hoe verklaart ze dat dan aan haar kinderen? Zeker Walter zou zich vertwijfeld
achter de oren krabben. Hij wil met recht dat zijn moeder in hem en niet in
twijfelachtige toyboys investeert. Temeer daar hij dat GSG account natuurlijk
in een handomdraai en gratis en voor niks, hartstikke anoniem en met liefde en
plezier voor haar zou hebben gehackt. Reden te meer voor Thea om een omweg te
nemen. Ze wil haar bloedjes van pubertjes niet aanzetten tot criminele
praktijken.
Maar als
ongeluk in een klein hoekje zit; dan zit het geluk in de rest van het universum
en al op de allereerste dag waarop Thea met haar Renault de parkeerplaats van
de Albert Heijn vlakbij het centrum oprijdt, ziet ze in haar
achteruitkijkspiegel een lange, blonde Lijs lopen met een fiets aan haar hand.
Een volgroeide versie van de Jasmijn van 10 jaar geleden als het ware. Nog
dezelfde lijzige manier van bewegen, nog altijd hyperslank, natuurlijk blond
met steile pieken tot over de schouders en even smetteloos als de sierpop van
toen. Alsof ze net uit de verpakking is gehaald. Thea heeft tijd nodig om haar
auto te parkeren. Maar juist voordat Jasmijn het terrein van een
fietsenstalling dreigt te betreden, lukt het Thea om de aandacht op zich te
vestigen door tamelijk geëxalteerd te joelen:
‘Ben jij dat
Jasmijn!?’
‘Wat, leuk
Thea!’, roept Jasmijn tot grote verrassing van Thea spontaan uit.
De enscenering
van de ontmoeting alsmede het beroerde acteertalent van Thea ontgaan haar
blijkbaar totaal.
‘Hoe is het
met jou?’ wil Thea eigenlijk helemaal niet weten nadat ze zich door Jasmijn
heeft laten begroeten met drie luchtkusjes.
‘Goed. Ik woon
hierboven.’
‘Echt?’
‘Je bent nog
niets veranderd’, zegt Thea, omdat ze niet meteen over Melvin wil beginnen.
‘Kom anders
even een bakkie doen?’
Tijdens het
praten heeft Jasmijn kans gezien om haar fiets in de stalling achter te laten
en ze gunt Thea geen ruimte om haar uitnodiging af te slaan.
‘Ik heb niet
zoveel tijd’, sputtert Thea tegen, terwijl ze achter Jasmijn aan
over de galerij naar de voordeur van haar appartement loopt.
‘Tijd kun je
zelf maken!’, lacht Jasmijn over haar schouder.
Ze opent de
voordeur, laat Thea voorgaan en vervolgt:
‘Dat zei je
vroeger altijd tegen ons als we in tijdnood zaten met het huiswerk.’
‘Echt? Wat een
onzin kraamde ik vroeger uit dan!’
Plichtmatig
kijkt Thea om zich heen in het sobere appartement. Een open keuken; een sofa,
een rotan stoel, flat screen en een bijzettafeltrio.
‘Waar zit
meneer Jasmijn?’
‘Je bent ook
nog niks veranderd’, glundert Jasmijn.
‘Hoezo?’
Als kind leek
Jasmijn alleen doordrongen te zijn van de fysieke aanwezigheid van Thea. Een
menselijke metafoor voor een rots in de branding. Alsof het wezen van Thea er
niet toe deed en de persoonlijkheid van haar nepmoeder en later
huiswerkbegeleidster op een ander plan stond, waarin Jasmijn zich weigerde te
verdiepen. Er was geen interactie tussen hen. Thea had de moed opgegeven en
Jasmijn had nooit de moeite durven nemen uit loyaliteit met een moeder die er
niet voor haar was. Begrijpelijk daar niet van. Maar in het hier en nu, zoveel
jaren later, blijkt ze evenwel niet zo inwisselbaar voor Jasmijn te zijn
geweest als Thea zichzelf toentertijd, misschien wel uit gemakzucht
en bindingsangst, wijsmaakte. Klaarblijkelijk had ze Jasmijn toch niet volledig
onverschillig gelaten.
‘Je bent nog
steeds even direct’, plaagt Jasmijn.
Ze reddert in
de open keuken. Niet zonder de nodige weerstand wringt Thea zich
ondertussen in de rotanstoel. Het vederlichte rieten kuipje zucht, puft, steunt
en kraakt onder de bewegingen en het gewicht van Thea. Het hinderlijke,
kobaltblauwe kussen dat ze vanachter haar stuitje uit de rugleuning van de
stoel tevoorschijn tovert, plaatst ze beleefdheidshalve op haar bovenbenen.
‘Mijn meneer
Jasmijn is nu mijn ex. Hij is bij mijn moeder ingetrokken!’, zegt Jasmijn die
een mok met koffie op een bijzettafeltje naast Thea in de rotanstoel neerzet.
‘Ja, dat
vertelde Melvin laatst!’
Thea zit op
hete kolen. Ze zoekt een aanknopingspunt om naar Melvin te vragen. Jasmijn hapt
niet toe. Ze neemt plaats op de sofa tegenover Thea en nipt dromerig van haar
koffie. De rood, wit, blauw, geel geblokte Mondriaan mok houdt ze met beide
handen tegen haar kin. Genoeglijk knijpt ze met haar ogen:
‘Ik heb er een
scheutje whisky in gedaan.’
‘Ik ruik het’.
‘Wat studeer
je?’, hervat Thea de conversatie snel om een pijnlijke stilte te voorkomen.
‘Ik heb een
sabbatical’.
‘Waarvan?’
Jasmijn
grinnikt ontwijkend.
‘Je geeft geen
antwoord op mijn vraag!’, verklaart Thea ongedurig.
‘Ik studeer
geneeskunde’, geeft Jasmijn met een verveelde blik toe.
‘Indrukwekkend.’
‘Saai.’
‘Als je iets
niet snapt, of hulp nodig hebt met huiswerk; dan weet je me te vinden’, grimast
Thea.
‘Binnenkort ga
ik een half jaartje naar mama in Oxford. Ze heeft een bed and breakfast in
Oxford.’
Thea kijkt
Jasmijn onderzoekend aan.
‘Je moeder
runt die tent samen met jouw ex-vriendje, begreep ik van Melvin?’
‘Ja, dat is
wel moeilijk’, bekent Jasmijn dociel.
Ze neemt een
flinke teug van haar whiskykoffie. Aanleiding voor Thea om eindelijk de
prangende vraag te stellen:
‘Hoe is het
eigenlijk met Melvin?’
Jasmijn slikt:
‘Ja, dat gaat
gelukkig beter nu.’
‘Hoezo, ging
het niet goed met hem dan?’, hapert Thea.
‘Hij ligt al
een week in het ziekenhuis, wist je dat niet?’
Nu is het de
beurt van Thea om een slok van haar koffie met een vleugje alcohol te nemen
alvorens ze zo en passant mogelijk vraagt:
‘Heeft hij een
ongeluk gehad?’
‘Nee, hij is
vorige week in de nacht van zaterdag op zondag bij een gevecht betrokken
geweest.’
‘Bij een
gevecht betrokken geweest?’, papegaait Thea ontzet.
De
zinsbegoocheling van Bink als scheidsrechter aan de kant van een bende woedende
toyboys in een bloederig gevecht met Melvin, probeert Thea van zich af te
zetten door met haar hoofd te schudden. Jasmijn merkt dat Thea overrompeld is
door het nieuws en verkondigt met een quasi opbeurende ondertoon:
‘Mama zou
eerst uit Oxford naar Nederland komen, maar dat hoeft niet meer. Het gaat echt
goed met Melvin nu.’
‘Weet jij dat
hij…’
De stem van
Thea trilt.
Ze wil zeggen:
‘Weet jij dat
Melvin een toyboy is?’
Maar Jasmijn
valt haar in de rede:
‘Ja, ik weet
dat Melvin homoseksueel is. Je ziet het niet aan hem. Hij is niet gaygay.’
‘Ging het
gevecht daarover?’
‘Zou kunnen’,
schokschoudert Jasmijn.
‘Wat is er dan
precies gebeurt?’
Jasmijn
kreunt, omdat ze natuurlijk al ontelbare keren verslag heeft moeten doen, maar
vervult voor de zoveelste keer haar zusterlijke plicht:
‘Melvin is
kort bewusteloos geweest, maar lang genoeg voor de daders om te kunnen
ontsnappen. Een anonieme voorbijganger heeft alarm geslagen en zich daarna uit
de voeten gemaakt. De daders heeft Melvin niet kunnen identificeren. Toen de
politie kwam hebben ze hem, afgaande op zijn gekerm en dus op het gehoor, op
moeten sporen. Hij hield zich verscholen in de bosjes achter het gazon bij de
houten banken in het stadspark. Meteen na een eerste inspectie van zijn
verwondingen heeft de politie een ambulance gebeld.’
‘Was hij dan
zo ernstig toegetakeld?’
Jasmijn maakt
haar handen vrij om de opsomming op haar vingers af te tellen:
‘Hij heeft een
zware hersenschudding; een gebroken oogkas, neus en kaak, gekneusde ribben en
een maagbloeding. Is dat ernstig genoeg voor je?!’
‘Me dunkt’,
bekrachtigt Thea.
‘Was hij
alleen of met een vriendje?’
‘Hij heeft
geen vriendje; is dit een verhoor of zo?
De plotselinge
prikkelbaarheid van Jasmijn herkent Thea van vroeger. Ze laat zich er niet door
van de wijs brengen:
‘Waren er
verder geen getuigen?’
Gepikeerd
besluit Jasmijn om een einde aan de ondervraging te maken en stelt vinnig voor:
‘Weet je wat;
vraag het hem lekker zelf. Overmorgen komt hij hier bij mij in het appartement
uitzieken en dan kun je hem zo lang overhoren als je wilt’.
Pas een week
voor de zomervakantie wist meester Gijsbert van groep 3 zeker dat hij de
benoeming tot directeur van een basisschool in een andere provincie van het
land in de pocket had. Hij liep op wolkjes door de gangen van de school, voor
zover een houten Klaas kan zwieren natuurlijk. In zijn vlucht over de
traptreden schoot hij Thea aan die zich in tegengestelde richting naar beneden
begaf.
‘Jou, wil ik
nog even spreken’, deelde hij uitgelaten mede.
Thea voelde
zich direct aangevallen.
‘Mevrouw Jou,
als ik u niet ontrief’, meesmuilde ze schaapachtig.
Voor het eerst
sinds de pakweg 20 onderonsjes produceerde meester Gijsbert een
ongecontroleerde schaterlach die Thea aan een zeehond deed denken.
‘Waarom?’,
vroeg ze afstandelijk en met grote ogen.
‘Alle kinderen
krijgen deze week hun eindrapport. Dat van Walter wil ik graag persoonlijk aan
jou overhandigen nadat we samen een praatje gemaakt hebben. Om misverstanden te
voorkomen.’
Alsof blunders
niet het hele schooljaar lang in groep 3 van meester Gijsbert aan de orde van
de dag waren geweest. In navolging van de ergste dwaling van de valse
beschuldigingen op het eerste rapport, had Meester Gijsbert zich nog zo vaak
vergaloppeerd met Walter, dat Thea niet eens meer de moeite nam om hem erop aan
te spreken. Het meest recente incident ging over een traktatie van meester
Gijsbert een week geleden. Zijn vijftigste verjaardag moest groots gevierd
worden in de klas met een pinata en aardbeienijs. Het schepijs stond in 2
stapels van 8 gesloten literverpakkingen op een tafel voorin de klas. Klaar om
verdeeld te worden over ongeveer 25 kuipjes van koek. De 2 paar
helpende handjes met ieder een ijsschep stonden klaar in de startblokken. Alles
gebruiksgereed en in afwachting van het groene licht van meester Gijsbert.
Eerst kregen alle kleintjes een feestelijke puntmuts met een elastiekje onder
de kin en daarna moest iedereen stil zijn. Op het nippertje nam Walter het
laatste woord. Helemaal fout natuurlijk.
‘Ha, lekker,
wit!’, riep hij spontaan.
Thuis at hij
vaak schepijs als toetje.
‘Dat is geen
wit, Walter, dat is aardbeienijs; dat is rood’, onderwees meester Gijsbert
geërgerd.
‘Wit’, sprak
Walter zachtjes tegen.
Eén van de
helpende handjes was Jenny; de moeder van Tim. Achteraf zou ze uitgebreid
verslag doen van het gebeuren aan Thea. Nu zei ze belerend:
‘Aardbeien
zijn rood Walter, dus dan zal het schepijs ook wel rood zijn, denk je niet?’
‘Ijs is wit’,
antwoordde Walter koppig.
Sommige
kinderen begonnen te gniffelen.
‘Normaal
gesproken is ijs inderdaad wit. Maar deze keer niet. Dit is rood ijs. Of roze.
Maar niet wit. Het is namelijk aardbeienijs. En aardbeien zijn rood. Dus dan is
aardbeienijs ook rood’, tierde meester Gijsbert.
Hij dreigde
buiten zichzelf te raken van razernij over dit kleine ettertje. Stijfkoppig
schudde Walter het hoofd – het feesthoedje wipte vrolijk mee - onder
begeleiding van een kort maar krachtig:
‘Nee, het ijs
is wit.’
Met ingehouden
razernij greep meester Gijsbert een literpakijs van de stapel op zijn bureau en
stoof richting Walter die in zijn schoolbank verschrikt achteruit week.
Uitzinnig duwde meester Gijsbert de aanduiding op het deksel onder de neus van
Walter. Oorverdovend hard spelde hij de woorden;
’s c h e
p i j s m e t a a r d b e i e n s m a a k’.
Zijn
rechtervinger fungeerde als aanwijsstok.
‘Het is wit’,
herhaalde Walter onderkoeld.
Meester
Gijsbert ontplofte. Als Jenny niet zo contentieus in haar weergave van de
feitelijke gebeurtenissen geweest was, dan zou ze beweerd hebben dat zijn
hersenpan explodeerde. Hij wees naar de deur:
‘Eruit
wijsneus’! Ga jij maar op de gang feest vieren! In je eentje! Ga uit m’n ogen!’
In een drafje
verdween Walter naar de gang. Na 2 minuten vond Jenny hem in de ruimte achter
de trap. Hij zat samen gedoken; met zijn knieën tegen zijn neus en zijn armen
ineengeslagen om zijn opgetrokken onderbenen. Het feesthoedje stond nog recht
op zijn piekenbol.
‘Kom je een
ijsje eten, Walter’, smeekte Jenny.
Ze kon dus
best hartelijk zijn als ze wilde. Smeuïg deed Jenny verslag van de woedende
wijze waarop meester Gijsbert het deksel van de eerste literverpakking schepijs
rukte nadat Walter het klaslokaal verlaten had. De mond van meester Gijsbert
zakte open. Stomverbaasd keek hij van de inhoud van de verpakking; naar het
etiket op het deksel; naar de helpende handjes. Want wat bleek? Het schepijs
was spierwit. Meester Gijsbert had het kunnen weten, want ‘schepijs met
aardbeiensmaak’ is niet hetzelfde als ‘aardbeienijs’. Tim stak zijn nek uit en
riep voorbarig door de klas:
‘Ik wil Walter
wel even gaan halen!’
‘Niks ervan,
ik ga wel’, had Jenny gezegd.
‘Ja dat ijs
dat ken ik. Da’s van de Euroshopper. Goedkoop, maar dan weer wel zonder
kunstmatige kleurstoffen. Dat hebben wij thuis ook regelmatig. Geen wonder dat
Walter van wit aardbeienijs sprak. Hij herkende de verpakking natuurlijk’,
verklaarde Thea.
Een klaagzang
van medeleven speelde op in haar hartstreek. Met moeite betoomde Thea een
luidkeelse aanklacht. In plaats daarvan forceerde ze een quasi terloopse
opmerking:
‘Wat is het
toch een eikel die Gijsbert.’
‘Nou ja, ik
vind het gewoon niks voor hem om zo onredelijk boos te worden, maar ik vind hem
wel een heel geschikte onderwijzer’, beweerde Jenny ijskoud.
Haar ogen
verrieden het tegendeel. Ze schitterden van sensatielust, maar weerhielden Thea
er niet van om een diepe hartenkreet te slaken:
‘En, heeft
Walter nog een aardbeienijsje gegeten?’
Jenny begon te
gniffelen: ‘Hij wilde niet meer binnenkomen.’
‘Ach, en dan
laten jullie een kind van 6 gewoon lekker in de kou staan?’
‘Het is buiten
anders al dagen 30 graden.’
‘Figuurlijk
gesproken Jenny’, steunde Thea.
Nee natuurlijk
niet, hij wilde niet meekomen, maar naar huis lopen’, lachte Jenny in haar
vuistje.
‘Wat zeg je,
Jenny, dat meen je niet, hij moet de rondweg oversteken!’
Thea was in
shock. Bij wijze van geruststelling sloeg Jenny hoofdschuddend een stuk of 10
keer zachtjes met een gemanicuurde hand op haar schouder. Haar armbanden
rinkelden.
‘Wind je niet
zo op meid. Toos heeft Walter tegengehouden. Hij is verder de hele middag op de
speelplaats bij groep 4 gebleven.’
Geërgerd nam
Thea een paar passen afstand van Jenny en kwam zo ook onder haar resterende,
misplaatste schouderklopjes uit.
‘En wie mag
Toos dan wel wezen als ik vragen mag?’
‘Je weet wel
ouwe Toos van groep 4’, lichtte Jenny welwillend toe.
Thea wist het
beter.
‘Dorien is van
groep 4’.
Jenny besloot
er bij te gaan zitten op de rand van een stenen plantenbak op het schoolplein.
Geduldig legde ze aan Thea uit hoe de vork nu precies in de steel zat.
‘Ja van die
andere groep 4; Toos staat al jaren voor de klas. Volgens mij is ze de
pensioengerechtigde leeftijd allang gepasseerd. Ze schijnt geen afstand te
kunnen nemen van het lesgeven op De Wielewaal. Tim en Walter komen volgend
schooljaar bij haar in groep 4 terecht. Wist je dat niet? Groep 4 van Juffrouw
Toos en groep 4 van juffrouw Dorien gaan fuseren. Er bestaat dan nog maar één
groep 4 op De Wielewaal, met Toos aan het hoofd dus. Dorien gaat freewheelen.’
Thea herademde
opgelucht. Juffrouw Toos had kleine Walter tenminste niet aan zijn lot
overgelaten. Kennelijk kende De Wielewaal ook onderwijzend personeel met gezond
verstand.
‘Lang leve
Toos’, jubelde Thea vol frisse moed.
Niet
verwonderlijk dus dat Thea het einde van groep 3 met ongeduld tegemoet zag en
dat ze min of meer verslagen in de stoel tegenover meester Gijsbert plaatsnam.
Voor de twintigste en nog wat keer en het allerlaatst samen in een verlaten
klaslokaal. De jaloezieën voor de hoge ramen aan de straatkant filterden het
felle zomerzonlicht tot een fletskleurige, betrokken sfeer. Morgen na school
werd de jaarafsluiting in de speeltuin gevierd. In de gang stond een wachtrij
ouders die ook nog het één en ander met meester Gijsbert te bespreken had. Thea
zag de papa’s en mama’s staan dralen en gluren door de raamwerk in de
binnenmuren en ze vervloekte het merkbare verlangen van meester Gijsbert om
zich te wentelen in de bewondering van zijn aanbidders in plaats van zich
omringd te weten met het veelzeggende zwijgen van Thea. Hij kuchte en wees, met
een behaarde wijsvinger, op een alinea in het eindrapport van Walter. Er stond:
‘Walter heeft
deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve
taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ja, dat heb
ik gelezen’, bevestigde Thea mat.
Deze alinea
interesseerde haar niet. Ze had het hele rapport in een flits ingezien. Alleen
de handgeschreven conclusie op de laatste bladzijde was ingeslagen
als de bliksem.
‘Da’s toch
goed nieuws?’, vond meester Gijsbert gemaakt opgewekt. Zijn adem stokte.
‘Wat bedoel
je?’, vroeg Thea afwezig.
Haar hersenen
waren nog steeds bezig met het verwerken van het slotoordeel.
Resoluut
draaide meester Gijsbert het rapport van Walter naar zich toe en las met
onvaste stem voor:
‘Walter heeft
deze keer de toets voor de woordenschat uitmuntend gemaakt. Zijn passieve
taalontwikkeling is nu op niveau. Nu de actieve taalontwikkeling nog.’
‘Ik kan wel
lezen hoor’, wist Thea stoïcijns.
‘Nou dan?’
Meester
Gijsbert begon geïrriteerd te raken. Hij had al een paar keer onbedwingbaar
naar de gang en de verlossing gelonkt.
‘Wat is het
verschil tussen passieve en actieve taalontwikkeling als ik vragen mag?’, wilde
Thea weleens weten.
‘Nou uh,
Walter heeft zichzelf overtroffen in het laatste semester.’
‘Dat is geen
antwoord op mijn vraag’, vond Thea vermoeid.
‘Hij kan het
allemaal wel’.
Zijn antwoord
klonk als een gokje. Maar Thea was er nou toch en beet zich vast in haar
ongenoegen:
‘Dus als ik
het goed begrijp dan is het verschil tussen passieve en actieve
taalontwikkeling het leerproces?’
‘Dat volg ik
niet helemaal’.
Onrustig
schoof meester Gijsbert over de zitting van zijn kinderstoeltje. Zijn knieën
ketsten af en aan tegen de vlakke handen in de tussenruimte van zijn wiebelende
benen. Thea bleef onverzettelijk.
‘Laat ik het
anders formuleren. Hoeveel andere kinderen uit de klas hebben de
woordenschattoets verder nog uitmuntend gemaakt?’
‘Niemand.
Alleen Walter!’
Meester
Gijsbert was er ineens als de kippen bij om Walter de hemel in te prijzen in de
hoop dat dit nog een kans op vrijspraak bood.
‘Maar Walter
blijft gewoon een sterretje. We maken geen zonnetje van hem of zo?’, wilde Thea
nadrukkelijk weten, terwijl ze tegelijkertijd het hoofd schudde om haar ergste
vermoedens kracht bij te zetten.
Prompt schoot
meester Gijsbert in de zelfverdediging:
‘Ja, dat is
het beleid van De Wielewaal. Ik ben hier straks weg. Ik aanvaard het
directeurschap van een middelgrote basisschool buiten de provincie. Ik kan hier
niks meer aan doen.’
‘Natuurlijk
niet, jij kunt nergens iets aan doen’, zei Thea met klem.
‘Ik heb m’n
best gedaan. Voor de zekerheid heb ik alle rapporten ook nog met Jade
doorgenomen. Jade is de interne coördinatrice’, pruilde meester Gijsbert.
‘Ach ja, die
Jade, smaalde Thea.
Net als haar
klasgenootjes kwam Sabine het schoolgebouw uit gehuppeld met een enorme
zonnebloem in haar hand. Het effect van de uitgelaten zonnebloemen op het
zonovergoten speelplein was een luchtig en kunstzinnig schouwspel van kleuren
en licht a la Vincent van Gogh. De zonnebloemen waren een afscheidscadeautje
van juffrouw Dorien. De kinderen uit groep 3 van meester Gijsbert daarentegen
droegen allemaal een blanco gesloten envelop bij zich. Briefgeheim. Naar
strenge instructies van meester Gijsbert mocht de envelop pas thuis geopend
worden. Op de achterbank van de auto verbrak Walter de betovering en scheurde
de omslag open. De inhoud was een portretfoto van meester Gijsbert. Hoe
narcistisch kan een mens zijn?! Op de achterkant van de foto stond in de hanenpoten
van meester Gijsbert geschreven:
‘Ik vond het
leuk om je in de klas te hebben.’
Walter werd
niet eens onder persoonlijke titel aangesproken. ’s Avonds na het
speeltuinfeest mocht hij de foto van meester Gijsbert ritueel verbranden in de
vuurkorf uit de achtertuin onder het toeziend oog van Sabine, Bart en Thea.
Wie zou er
eigenlijk in het turbulente dubbelleven van Melvin een oogje in het
zeil houden? Hij is ook nog maar een net uit het ei gebarsten kind. Een tiener.
Achttien jaar. Hoe langer de periode waarin Melvin niets van zich laat horen;
hoe moeilijker Thea zichzelf kan wijsmaken dat ze zich niet ongerust maakt. Dat
ze geen moederlijke gevoelens koestert voor haar voormalige pleegzoon. Ze kijkt
anders naar haar eigen kinderen. Het contact met hen hangt als een permanente
zender in de lucht. Soms is het windstil, maar de verbinding blijft constant in
beweging; vloeiend of druppelgewijs en steeds over en weer. Van Melvin ontvangt
Thea als een soort matriarchaal opvangstation slechts sporadisch noodsignalen.
Ze heeft hem op één arm gedragen en getroost toen hij nog liever naar zijn
moeder wilde. Als peuter heeft ze hem wakker geschud uit zijn koortsdromen. Op
de basisschool kweekte ze bij hem het gevoel dat hij de wereld aankon. Zo
ontkiemde de tijdloze basis waarop Melvin met tussenpozen terug valt. Haar
Betuwe Flipje. Het is slopend om incidenteel nodig te zijn en te blijven door
het gros van de tijd afstand te houden en overbodigheid te aanvaarden. De
kinderen lopen hem op school ook niet toevallig tegen het begeerlijke lijf en
zijn vader Pim kan ze ook niet zomaar bellen. Wat moet ze zeggen?
‘Hay Pim. Wist
je al dat jouw zoon zijn lichaam verkoopt? Aan mannen en vrouwen.
Oudere mannen en vrouwen. Hij is een gigolo, een toyboy. Hoe ik dat weet? Heb
je even? Want het gaat ook jouw zwager aan. De broer van Femke. O, jullie zijn
niet getrouwd? Een samenlevingscontract? Ja, ja, nou in ieder geval woont de
broer van Femke tegenover mij in de straat. Toevallig toch? Welke broer? Femke
heeft meerdere broers? Hij heet Bink. Ja. Dat is haar jongste broer? Die
homoseksueel ja, dat vertelde hij. Trouwens was Melvin niet onlangs uit de kast
gekomen. Niet? Femke zei van wel toen ze laatst bij mij op bezoek was. Wat
Femke bij mij deed? Nou, ja, da’s een lang verhaal. Maar om het kort te houden;
heb jij recentelijk nog iets van Melvin vernomen? Oh, je dacht dat hij bij mij
bij Huiswerksterk zat? Niet dus. Hij is nooit geweest ook. Ergo; ik heb Melvin
al meer dan 2 weken niet gezien of gesproken. Of ik zijn mobiele nummer heb?
Nee. Waarom ik jou dan niet eerder gebeld heb? Ik heb zelf ook een gezin Pim.
Weet je wat; dag Pim.’
De enige die
Thea kan aanspreken over Melvin zonder zichzelf verdacht te maken, is Jasmijn.
De grote zus van Melvin. Ze weet van Melvin dat Jasmijn een peperduur
appartement heeft gehuurd boven de Albert Heijn vlakbij het centrum van de
stad. Melvin was enthousiast over het nieuwe huisadres van zijn zus, omdat hij
sindsdien in de weekends na het stappen vrijuit bij haar mag neerstrijken. Toch
weer sympathiek van Jasmijn. Misschien kent Thea haar toch niet zo goed als ze
denkt. Ineens realiseert ze zich dat ze al een dik decennium geleden voor het
laatst oog in oog heeft gestaan met haar voormalige stiefdochter die nu al weer
meer dan zes maanden 22 jaar moet zijn. De laatste keer dat Thea telefonisch
contact had met Jasmijn was korter geleden. Zo’n 5 jaar. Jasmijn zal 17 geweest
zijn. Thea las op het facebookaccount van het stedelijk gymnasium dat Jasmijn
cum laude geslaagd was. Ze voelde zich min of meer aangesproken. Op haar manier
had ze in de basisschooljaren van Jasmijn toch bij mogen dragen aan dit succesverhaal.
Daar kwam nog bij dat deze episode in haar leven samenviel met het einde van
haar basisschoolhuiswerk met Melvin. Hij mocht zich na die zomervakantie van 5
jaar terug ook op het stedelijk gymnasium gaan bewijzen. Thea herinnert zich
die periode nog zo goed omdat toen de eerste ideeën voor Huiswerksterk voor
middelbare scholieren door haar hoofd begonnen te spoken. Thea had in de
tussenliggende tijdsspanne van het vertrek van Melvin en het begin van
Huiswerksterk helemaal geen inkomsten meer. Maar omdat Bart gelukkig niet
slecht verdiende liet ze toch een bos ‘duizend schonen’ en een heliumballon in
hartvorm op het thuisadres van Pim, ook de vader van Jasmijn,
bezorgen. Om haar tevens mondeling te feliciteren, belde Thea een dag later naar
het vaste telefoonnummer van Pim. Volgens hem was Jasmijn net terug van de
diploma-uitreiking. Op de achtergrond klonk een geroezemoes van stemmen,
muziek, voetstappen en rinkelen van serviesgoed, terwijl Pim probeerde om
Jasmijn aan de telefoon te krijgen:
‘Thea voor je,
Jasmijn!’
‘Wie?’
‘Thea, die ken
je toch nog wel van de huiswerkbegeleiding?’
Thea hoorde
een vraagteken en vervolgens de overdracht van de telefoon.
‘Dag, u
spreekt met Jasmijn!?’
‘Hey
studiebol; ik ben wel trots op je hoor. Je bent het allereerste eindproduct van
Huiswerksterk’, tetterde Thea roekeloos in haar mobiel, hoewel de moed
eigenlijk al in haar schoenen gezonken was.
Zo te horen
was Jasmijntje haar oude huiswerkbegeleidster glad vergeten.
‘Ik heb alleen
huiswerkbegeleiding van u gehad op de basisschool toch?!’, antwoordde de
zuinige stem van Jasmijn behoudend.
Aan de
klankleur viel wel duidelijk te merken dat ze rekening hield met toehoorders om
haar heen.
‘Jaah, ik dol
ook maar een beetje’.
‘Haha.’
‘Nou meid, ik
zie je.’
‘Dankuwel.’
En omdat
pijnlijke misstappen niet uitnodigen tot herhaling had Thea
sindsdien niets meer van zich laten horen.
Thea kan niets
anders bedenken dan vanaf nu maar dagelijks bij de bewuste AH onder de flat van
Jasmijn te shoppen. Zodoende hoopt ze dat ze Jasmijn vandaag of morgen
toevallig expres tegen komt. Daarna zou Thea terug kunnen vallen op haar
eventuele improvisatietalent. Liever vindt Thea aanknopingspunten met Melvin
via de sociale media, maar dat blijkt zoeken naar een speld in een hooiberg. In
tegenstelling tot de naam van het escortbureau van de overbuurman. De service
van Bink is 24 uur per dag, 7 dagen in de week online en opereert onder de naam
G-spotgigolo; afgekort GSG. Maar daar houdt het voor Thea dan ook weer meteen
bij op, want ze komt niet verder dan de homepage op de website. Voor meer
informatie en toegang tot het echte leven moet ze eerst inloggen met haar
emailaccount en daarna waarschijnlijk online betalen en/of allerlei
persoonlijke gegevens invullen. Dat is hetzelfde als een vingerafdruk op een
plaats delict achterlaten. Hierdoor zou Bink niet alleen een tastbaar bewijs
hebben waarmee hij zijn vijftigjarige overbuurvrouw kan chanteren en de mond
snoeren, maar zou Thea ook worden gedwongen om aan Bart te bekennen dat ze
zich, ondanks zijn afrader om haar neus in een wespennest te steken, toch op
glad ijs begeven heeft. Niet dat Bart zijn vrouw na al die jaren zonder meer
voor een potentiële cougar zou aanzien, maar Thea wil hem niet op ideeën
brengen. Ze zit niet op een huwelijkscrisis te wachten. Trouwens, als ze met
haar IP-adres en tegen betaling zou inloggen op de website van G-spotgigolo’s,
hoe verklaart ze dat dan aan haar kinderen? Zeker Walter zou zich vertwijfeld
achter de oren krabben. Hij wil met recht dat zijn moeder in hem en niet in
twijfelachtige toyboys investeert. Temeer daar hij dat GSG account natuurlijk
in een handomdraai en gratis en voor niks, hartstikke anoniem en met liefde en
plezier voor haar zou hebben gehackt. Reden te meer voor Thea om een omweg te
nemen. Ze wil haar bloedjes van pubertjes niet aanzetten tot criminele
praktijken.
Maar als
ongeluk in een klein hoekje zit; dan zit het geluk in de rest van het universum
en al op de allereerste dag waarop Thea met haar Renault de parkeerplaats van
de Albert Heijn vlakbij het centrum oprijdt, ziet ze in haar
achteruitkijkspiegel een lange, blonde Lijs lopen met een fiets aan haar hand.
Een volgroeide versie van de Jasmijn van 10 jaar geleden als het ware. Nog
dezelfde lijzige manier van bewegen, nog altijd hyperslank, natuurlijk blond
met steile pieken tot over de schouders en even smetteloos als de sierpop van
toen. Alsof ze net uit de verpakking is gehaald. Thea heeft tijd nodig om haar
auto te parkeren. Maar juist voordat Jasmijn het terrein van een
fietsenstalling dreigt te betreden, lukt het Thea om de aandacht op zich te
vestigen door tamelijk geëxalteerd te joelen:
‘Ben jij dat
Jasmijn!?’
‘Wat, leuk
Thea!’, roept Jasmijn tot grote verrassing van Thea spontaan uit.
De enscenering
van de ontmoeting alsmede het beroerde acteertalent van Thea ontgaan haar
blijkbaar totaal.
‘Hoe is het
met jou?’ wil Thea eigenlijk helemaal niet weten nadat ze zich door Jasmijn
heeft laten begroeten met drie luchtkusjes.
‘Goed. Ik woon
hierboven.’
‘Echt?’
‘Je bent nog
niets veranderd’, zegt Thea, omdat ze niet meteen over Melvin wil beginnen.
‘Kom anders
even een bakkie doen?’
Tijdens het
praten heeft Jasmijn kans gezien om haar fiets in de stalling achter te laten
en ze gunt Thea geen ruimte om haar uitnodiging af te slaan.
‘Ik heb niet
zoveel tijd’, sputtert Thea tegen, terwijl ze achter Jasmijn aan
over de galerij naar de voordeur van haar appartement loopt.
‘Tijd kun je
zelf maken!’, lacht Jasmijn over haar schouder.
Ze opent de
voordeur, laat Thea voorgaan en vervolgt:
‘Dat zei je
vroeger altijd tegen ons als we in tijdnood zaten met het huiswerk.’
‘Echt? Wat een
onzin kraamde ik vroeger uit dan!’
Plichtmatig
kijkt Thea om zich heen in het sobere appartement. Een open keuken; een sofa,
een rotan stoel, flat screen en een bijzettafeltrio.
‘Waar zit
meneer Jasmijn?’
‘Je bent ook
nog niks veranderd’, glundert Jasmijn.
‘Hoezo?’
Als kind leek
Jasmijn alleen doordrongen te zijn van de fysieke aanwezigheid van Thea. Een
menselijke metafoor voor een rots in de branding. Alsof het wezen van Thea er
niet toe deed en de persoonlijkheid van haar nepmoeder en later
huiswerkbegeleidster op een ander plan stond, waarin Jasmijn zich weigerde te
verdiepen. Er was geen interactie tussen hen. Thea had de moed opgegeven en
Jasmijn had nooit de moeite durven nemen uit loyaliteit met een moeder die er
niet voor haar was. Begrijpelijk daar niet van. Maar in het hier en nu, zoveel
jaren later, blijkt ze evenwel niet zo inwisselbaar voor Jasmijn te zijn
geweest als Thea zichzelf toentertijd, misschien wel uit gemakzucht
en bindingsangst, wijsmaakte. Klaarblijkelijk had ze Jasmijn toch niet volledig
onverschillig gelaten.
‘Je bent nog
steeds even direct’, plaagt Jasmijn.
Ze reddert in
de open keuken. Niet zonder de nodige weerstand wringt Thea zich
ondertussen in de rotanstoel. Het vederlichte rieten kuipje zucht, puft, steunt
en kraakt onder de bewegingen en het gewicht van Thea. Het hinderlijke,
kobaltblauwe kussen dat ze vanachter haar stuitje uit de rugleuning van de
stoel tevoorschijn tovert, plaatst ze beleefdheidshalve op haar bovenbenen.
‘Mijn meneer
Jasmijn is nu mijn ex. Hij is bij mijn moeder ingetrokken!’, zegt Jasmijn die
een mok met koffie op een bijzettafeltje naast Thea in de rotanstoel neerzet.
‘Ja, dat
vertelde Melvin laatst!’
Thea zit op
hete kolen. Ze zoekt een aanknopingspunt om naar Melvin te vragen. Jasmijn hapt
niet toe. Ze neemt plaats op de sofa tegenover Thea en nipt dromerig van haar
koffie. De rood, wit, blauw, geel geblokte Mondriaan mok houdt ze met beide
handen tegen haar kin. Genoeglijk knijpt ze met haar ogen:
‘Ik heb er een
scheutje whisky in gedaan.’
‘Ik ruik het’.
‘Wat studeer
je?’, hervat Thea de conversatie snel om een pijnlijke stilte te voorkomen.
‘Ik heb een
sabbatical’.
‘Waarvan?’
Jasmijn
grinnikt ontwijkend.
‘Je geeft geen
antwoord op mijn vraag!’, verklaart Thea ongedurig.
‘Ik studeer
geneeskunde’, geeft Jasmijn met een verveelde blik toe.
‘Indrukwekkend.’
‘Saai.’
‘Als je iets
niet snapt, of hulp nodig hebt met huiswerk; dan weet je me te vinden’, grimast
Thea.
‘Binnenkort ga
ik een half jaartje naar mama in Oxford. Ze heeft een bed and breakfast in
Oxford.’
Thea kijkt
Jasmijn onderzoekend aan.
‘Je moeder
runt die tent samen met jouw ex-vriendje, begreep ik van Melvin?’
‘Ja, dat is
wel moeilijk’, bekent Jasmijn dociel.
Ze neemt een
flinke teug van haar whiskykoffie. Aanleiding voor Thea om eindelijk de
prangende vraag te stellen:
‘Hoe is het
eigenlijk met Melvin?’
Jasmijn slikt:
‘Ja, dat gaat
gelukkig beter nu.’
‘Hoezo, ging
het niet goed met hem dan?’, hapert Thea.
‘Hij ligt al
een week in het ziekenhuis, wist je dat niet?’
Nu is het de
beurt van Thea om een slok van haar koffie met een vleugje alcohol te nemen
alvorens ze zo en passant mogelijk vraagt:
‘Heeft hij een
ongeluk gehad?’
‘Nee, hij is
vorige week in de nacht van zaterdag op zondag bij een gevecht betrokken
geweest.’
‘Bij een
gevecht betrokken geweest?’, papegaait Thea ontzet.
De
zinsbegoocheling van Bink als scheidsrechter aan de kant van een bende woedende
toyboys in een bloederig gevecht met Melvin, probeert Thea van zich af te
zetten door met haar hoofd te schudden. Jasmijn merkt dat Thea overrompeld is
door het nieuws en verkondigt met een quasi opbeurende ondertoon:
‘Mama zou
eerst uit Oxford naar Nederland komen, maar dat hoeft niet meer. Het gaat echt
goed met Melvin nu.’
‘Weet jij dat
hij…’
De stem van
Thea trilt.
Ze wil zeggen:
‘Weet jij dat
Melvin een toyboy is?’
Maar Jasmijn
valt haar in de rede:
‘Ja, ik weet
dat Melvin homoseksueel is. Je ziet het niet aan hem. Hij is niet gaygay.’
‘Ging het
gevecht daarover?’
‘Zou kunnen’,
schokschoudert Jasmijn.
‘Wat is er dan
precies gebeurt?’
Jasmijn
kreunt, omdat ze natuurlijk al ontelbare keren verslag heeft moeten doen, maar
vervult voor de zoveelste keer haar zusterlijke plicht:
‘Melvin is
kort bewusteloos geweest, maar lang genoeg voor de daders om te kunnen
ontsnappen. Een anonieme voorbijganger heeft alarm geslagen en zich daarna uit
de voeten gemaakt. De daders heeft Melvin niet kunnen identificeren. Toen de
politie kwam hebben ze hem, afgaande op zijn gekerm en dus op het gehoor, op
moeten sporen. Hij hield zich verscholen in de bosjes achter het gazon bij de
houten banken in het stadspark. Meteen na een eerste inspectie van zijn
verwondingen heeft de politie een ambulance gebeld.’
‘Was hij dan
zo ernstig toegetakeld?’
Jasmijn maakt
haar handen vrij om de opsomming op haar vingers af te tellen:
‘Hij heeft een
zware hersenschudding; een gebroken oogkas, neus en kaak, gekneusde ribben en
een maagbloeding. Is dat ernstig genoeg voor je?!’
‘Me dunkt’,
bekrachtigt Thea.
‘Was hij
alleen of met een vriendje?’
‘Hij heeft
geen vriendje; is dit een verhoor of zo?
De plotselinge
prikkelbaarheid van Jasmijn herkent Thea van vroeger. Ze laat zich er niet door
van de wijs brengen:
‘Waren er
verder geen getuigen?’
Gepikeerd
besluit Jasmijn om een einde aan de ondervraging te maken en stelt vinnig voor:
‘Weet je wat;
vraag het hem lekker zelf. Overmorgen komt hij hier bij mij in het appartement
uitzieken en dan kun je hem zo lang overhoren als je wilt’.
HOOFDSTUK 15
Het gesprek
met Jasmijn wil niet meer vlotten en Thea is blij dat haar mobiel van zich laat
horen. Ze graaft in haar schoudertas en voorspelt:
‘Dit is het
belletje waarop ik zat te wachten. Dit moet ik even afhandelen.’
Krakend en
piepend protesteert het rotankuipje tegen het vertrek van Thea inclusief
mobiel naar de open keuken. De urgentie van het telefoontje is een smoesje
natuurlijk. Nieuwsgierig bekijkt Thea de nummermelding. Ze identificeert de
afzender. Het is Elco van de Stichting Huiswerk Begeleiding (SHB).
Huiswerksterk is aangesloten bij de SHB waar Elco tussenpersoon is. Hij leidt
zowel de geldstromen in banen als de verdeling van de middelbare scholieren.
Zonder hem helpt Thea studenten die hulp nodig hebben in de bètavakken
razendsnel van de wal in de sloot. Ongehinderd door enig inzicht in de wis- en
natuurkunde. Juist daarom zorgt een man als Elco ervoor dat vooral de Whizzkids
de kant van Thea op komen. Uitgerekend de wiskundeknobbeltjes hebben meestal weer
wel een duwtje in de rug nodig bij de alfavakken. Voor wat betreft; woordjes
leren; grammatica en ontleden bij de talen; inzicht in geschiedenis en
aardrijkskunde; definities uit de kop knallen; samenvattingen maken en betogen
schrijven ben je bij Thea aan het juiste adres. Zodra er in het verleden echter
een formule bij het huiswerk in zicht kwam dan haakte Thea af en rende ze –
ongeacht het niveau A,B, of C - op Bart af en bestookte hem met vragen die hij
wel kon beantwoorden, maar niet één, twee, drie. En dat moet wel als je
huiswerkbegeleiding geeft. Omdat Bart er naast zijn fulltime baan bij het
rekencentrum dus nog een dagtaak als huiswerksterkbegeleider bij
dreigde te krijgen, schakelde Thea de SHB in tegen een maandelijkse vergoeding van
100 euro. Zo kwam ze in contact met bemiddelaar Elco in de rol van
werkvoorbereider, maar ook in de hoedanigheid van boekhouder die zijn
schuldeisers nooit teleurstelt. Sommige ouders betalen - zelfs met volledige
financiële dekking van de overheid - alleen onder dwang en een
effectief incassobureau is geen overbodige luxe. In verband met Jasmijn die
vanuit de keuken kan meeluisteren, begroet Thea haar beller uitbundig en
luidruchtig. De jongere versie van Jasmijn mag dan niet veel indruk op
haar gemaakt hebben, maar de ongezonde nieuwsgierigheid van haar vroegere
oppaskind is Thea niet vergeten.
‘Hey,
Elcootje, hoe issie!?’
‘Hey Thee,
alles kits; moeje luisteren.’
‘Ik luister’.
‘De vader van
Moona Tahiri heeft een andere huiswerkbegeleidster voor zijn dochter geëist.’
De adem van
Thea stokt en ze pruttelt verbluft:
‘Okay, waarom?
Moona gaat juist hartstikke goed vooruit op school sinds ze huiswerkbegeleiding
krijgt. Wat heb ik nou weer verkeerd gedaan?’
‘Ik denk niet
zo veel; Moona en haar familie zijn Syrische immigranten van de eerste
lichting. Ze wonen al vijf jaar in Nederland. Maar die vader is streng
islamitisch en hij was niet erg te spreken over jou. En dan druk ik me nog
voorzichtig uit.’
‘Pardon?’
Thea is
stupéfait.
‘Laat gaan
Thea; ik handel de achterstallige betaling af en jij krijgt vanaf volgende week
iemand anders in plaats van Moona.’
Thea keert
zich voor een paar seconden in zichzelf en haar herinneringen aan de
huiswerkbegeleiding met Moona. Een plichtsgetrouw, ingetogen, niet onbeleefd
13jarig meisje met een hoofddoek. Bij Thea’s weten is er in al die tijd van
huiswerkbegeleiding geen onvertogen woord gevallen tussen Moona en haar.
‘Hoezo nu
ineens? Ze komt al meer dan een jaar bij mij over de vloer. Dat hoef ik toch
niet te pikken Elco?’
‘Natuurlijk
niet, maar ik zou het wel doen. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk
kan?’
‘Wat zei hij
dan over mij? Ik bedoel; ik heb natuurlijk weleens met Moona over haar
thuisland gepraat en haar geloof. Ze heeft me uitgelegd wat het verschil is
tussen de soenitische en de sjiitische islam in Syrië. Misschien had ze dat
niet mogen doen van haar vader?’
Beklemd gaat
Elco overstag:
‘Was het maar
waar. De waarheid is veel platter. De vader van Moona noemde jou een hoer en je
zou omgaan met hoerenlopers.’
‘Wat? En
zoiets moet ik gewoon naast me neerleggen?’
‘Graag’,
gelast Elco:
‘En Thea, als
je het niet voor jezelf doet; doe het dan voor de SHB en voor mijn
gemoedsrust.’
‘Natuurlijk
Elco; alles voor jouw gemoedsrust’, bitst Thea beledigd voordat ze de
verbinding verbreekt en meteen naar het nummer van Moona Tahiri belt.
Moona neemt
niet op. Thea spreekt een bericht in:
‘Ik kom nu
naar je toe Moona. Wat is er aan de hand? Kun je me ook in mijn gezicht zeggen
wat ik verkeerd heb gedaan? Je kunt toch eerlijk tegen me zijn?’
Een afsluitend
piepgeluid maakt een einde aan de monoloog van Thea. Onbevredigd stuurt ze voor
de zekerheid nog een sms’je achter haar voicemailbericht aan. Ze ijsbeert door
de mini open keuken en botst bijna tegen Jasmijn op die ineens recht voor haar
neus opduikt. Lang, blond en marginaal:
‘Alles in
orde?’
Stroef wurmt
Thea zich langs het ontwijkende voorkomen van Jasmijn en murmelt
verontschuldigend:
‘Ik moet
gaan!’
De familie
Tahiri woont in een Vinex wijk. Het adres heeft Thea nog in haar tomtom staan,
daar ze Moona weleens naar huis heeft gebracht, omdat ze toch toevallig die
kant uit moest. De woonerven zijn netjes, verlaten en allemaal eender. Op de
straatnaambordjes leest Thea modieuze vondsten als; het Tokkeltje; de Wijksoep;
Kruidenberg en Wigwam. De huisartsenpraktijk wordt aangeduid als de Hulpstulp.
Bij het ‘Vindersdal’, heeft Thea haar bestemming bereikt. Het huis van Moona
zit potdicht en geeft een weinig uitnodigende indruk, maar Thea heeft nog niet
gebeld of de voordeur opent op een kier. Moona steekt haar beige hoofdoekhoofd
door de opening en begroet Thea woordeloos met een schuldbewuste oogopslag.
‘Kunnen we
praten?’
De toon van
Thea is afstandelijk. Schelden doet geen pijn, maar wat je zegt ben je zelf. Of
iets in die trant, want de vader van Moona zal wel geen hoer zijn. Misschien
een hoerenloper? Moona trekt haar gesluierde kapsel terug en de voordeur valt
in het slot. Van de weeromstuit schiet het hart van Thea in haar keel en ze
krijgt het niet meer weggeslikt. Ze wordt licht in haar hoofd en overvallen
door het verlangen om op te stijgen; of door de grond te zakken; of op te
lossen in het luchtledige. Als dat zou kunnen! Hoewel ze zich niet echt kan
herinneren wat ze precies verkeerd heeft gedaan. Ze wil opheldering. Of
eigenlijk ook niet. Thea maakt aanstalten om de terugreis over het tuinpad naar
haar Renault te aanvaarden. Maar precies op dat moment komt er weer beweging in
de voordeur. Pal voor de neus van Thea verschijnt een broekie van zo op het
eerste oog amper 12 jaar. Hij ziet Thea niet staan en marcheert naar buiten met
Moona volgend in zijn schaduw. In het voorbij gaan murmelt ze nauwelijks
verstaanbaar vanuit haar mondhoek richting Thea:
‘We gaan naar
het plantsoentje. Daar staat een bankje.’
Ze trekt Thea
aan haar arm mee in haar volgroute.
‘Wie is dat?’
Thea knikt
voor zich uit naar het kleine ventje.
‘Mijn
broertje.’
‘Nou
gezellig’, spot Thea.
Moona
inspecteert de geperforeerde ijzeren zitting van het plantsoenbankje voordat ze
plaatsneemt. Thea denkt aan de houten bankjes uit haar jeugdjaren en dat je
altijd op je hoede moest zijn voor afdrukken van geïmpregneerde
vogeluitwerpselen in de natte planken. Zo’n moderne, ijzeren zitting met
allemaal gaatjes laat tenminste geen onuitwisbare fecaliënsporen na. Aandachtig
speelt Moona met haar armbanden en creëert onbewust het geluid van een
tamboerijn. Het broertje van Moona leunt drie meter van het bankje verwijderd
tegen een boom en verdiept zich in het schermpje van zijn IPhone.
‘Vangt hij
Pokémons?’
Thea weet ook
wel dat het jongetje door het ouderlijk gezag is opgedragen om op zijn oudere
zus te passen, maar ze wil uitleg van Moona.
‘Zeg het dan!’
Moona laat
haar armbanden rinkelen. Het jochie diept een aansteker en een pakje sigaretten
uit zijn jaszak. Tegen de wind steekt hij uit het vuistje één van de rokertjes op. Dit heeft hij vaker
gedaan. Hij lijkt op een dwerg met een Big Mac of op een kind van twaalf met
een sigaret. Af en toe kijkt hij scheef naar zijn zusje samen met de vrouw van
middelbare leeftijd op het bankje in het plantsoen. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes
ter bescherming tegen de uitgeblazen wolken sigarettenrook uit zijn eigen
mummelmondje. Thea houdt de behoefte om deze blaag over haar knie te leggen
bijna niet meer verborgen.
‘Je komt niet
meer bij me voor huiswerkhulp heb ik begrepen?’
‘Nee’,
antwoordt Moona.
‘Je bent
helemaal klaar voor het eindexamen VMBO dus?’
‘Nee,
natuurlijk niet’, lacht Moona schalks.
Thea vangt een
glimp van de vertrouwde Moona op en ontspant een beetje.
‘Er zijn
woorden thuis; ik kan het niet uitleggen’, smiespelt Moona met het oog op haar
broertje.
‘Dus alleen
omdat jullie thuis woorden hebben neemt jouw vader het recht om mij een hoer te
noemen?’, roept Thea verontwaardigd uit.
Ze verheft
haar stem expres. Net zo goed met het oog op het broertje van Moona. Nerveus
gaat Moona verzitten. Het broertje lurkt ongemoeid van zijn sigaret en appt.
‘Hij bedoelt
niet jou. Hij bedoelt een lange, blonde man die ik bij jou in de keuken heb
gezien. Weet je nog dat ik op woensdag het eerste uur uitval had en dan naar
Huiswerksterk kwam? Hij was er altijd.’
Moona dempt
haar stem nog steeds.
‘Melvin?’,
vraagt Thea op normale gesprekstoon.
‘Ja, hij kwam
mijn broer tegen op de sportschool.’
‘En dat is een
misdaad omdat?’
‘Uh ja, ze
raakten bevriend.’
‘Is Melvin een
bekende van dat kaboutertje daar!?’
Dreigend richt
Thea met haar rechterhand een denkbeeldig pistool op het hoofd van het broertje
van Moona. Uit effectbejag knijpt ze één oog dicht. Niet langer dan een seconde
laat het ventje zich van zijn IPhone afleiden. Moona kijkt angstig weg
en richt zich weer op haar armbandenconcert.
‘Ik heb 4
broers.’
‘Ja en toen?
Ik bedoel wat heeft Melvin met jouw huiswerk te maken?’
‘Melvin is een
alkalb alkafir.’
‘En dat is?’
Thea heeft wel
zo’n donkerbruin vermoeden. Maar iedereen is onschuldig totdat het tegendeel
bewezen is. Moona aarzelt.
‘Ik weet niet
zo goed hoe ik het netjes moet vertalen.’
‘Tell it like it is!’
Thea weet dat
Moona redelijk Engels kan verstaan.
‘Een
ongelovige hond’, zegt Moona toch wel enigszins beschaamd.
‘Tis maar hoe
je het bekijkt. Neem mij nou; ik ben bijvoorbeeld katholiek. Melvin
oorspronkelijk ook. Volgens mij. Maar jouw vader heeft wel in zoverre gelijk
dat noch Melvin, noch ik vijf keer per dag op de knieën in de richting van
Mekka zit te bidden.’
‘Melvin is een
man.’
‘Nou, nou,
overdrijven is ook een vak. Hoe weet jouw vader trouwens dat ik Melvin ken?’
‘Van mij.’
‘Hoe dan ook;
je wordt bedankt.’
‘Ik deed het
voor mijn broer. Ik hoopte mijn vader milder te stemmen. Ik dacht dat het goed
was om jouw naam te noemen.’
Thea luistert
niet meer. Ze tuurt onwillekeurig naar het armbandenspel van Moona en opeens
herkent ze een manchetknoop in de vorm van een klokje. Het is als een knoeperd
van een sieraad bevestigd tussen de veel kleinere bedeltjes aan een
goudkleurige schakelarmband van Moona.
‘Waarom heb je
een manchetknoop aan een armband gehangen?’
Thea wijst
naar het blauwe uurwerkje in de vergulde omlijsting aan één van de
bedelarmbanden van Moona. Niet begrijpend neemt Moona de manchetknoop tussen
duim en wijsvinger.
‘Dat is een
miniklokje; een cadeautje van mijn broer.’
‘Welke broer.
De vriend van Melvin zeker?’
‘Aadam’,
mijmert Moona liefdevol.
Ze staart
wazig voor zich uit.
‘Dat is een
mannensieraad’, waarschuwt Thea.
‘Nee’, schudt
Moona zelfingenomen.
De
onverbeterlijke huiswerkbegeleidster in Thea speelt op.
‘Moet ik je
uitleggen wat een manchetknoop is?’
Thea heeft een
Aha-erlebnis. Ze heeft iets dergelijks al een keer meegemaakt.
‘Nee hoor’,
weet Moona zeker.
Thea kan zich
niet langer beheersen en ze snauwt:
‘Manchetknopen
zijn mannensieraden. Ik weet niet hoe dat in jullie cultuur geregeld is, maar
hier in het westen is dat nou eenmaal zo. Wen er maar aan. En als je het niet
gelooft vergelijk het dan maar met een hoofddoek. Islamitische mannen gaan toch
ook niet met een hidjab op hun kop over straat?’
Met een
neerbuigende blik op haar gezicht zoekt Moona de ogen van Thea en verklaart
ongenaakbaar:
‘Het is niet soenna
voor mannen om goud te dragen.’
‘Kun je ook
gewoon Nederlands met me praten Moona? Zo niet dan bid ik zo meteen hardop een
Rozenkransje voor je met een hele hoop Weesgegroetjes en als je daarna nog niet
genezen bent nog dozijntje Onze Vaders erachteraan ook!’
Moona giechelt
zenuwachtig; maar de bewoording die ze kiest voor de uitleg van geloofsrituelen
is doordacht en doorspekt van onherroepelijke eerbied:
‘Soenna
betekent het juiste pad van de profeet. Goud voor mannen is niet soenna. Wij
vrouwen mogen wel goud dragen.’
‘Die
manchetknoop is niet van goud. Het ding is verguld. In feite nep goud, Mag dat
ook niet? En waar is de andere helft van het tweetal? Manchetknopen komen het
best tot hun recht in een relatie. Ze komen in tweeën. In paartjes snap je
wel?’
Thea vraagt
naar de bekende weg. Ze heeft een week of 3 geleden inderdaad al eerder het
imago van de manchetknoop moeten oppoetsen herinnert ze zich nu. Voor Melvin.
Daarna kocht hij een setje manchetknopen. Voor 50 euro. Handje contantje in
ruil voor blauwe mini klokjes in vergulde kleine kastjes. Moona draagt één van
die manchetknopen aan haar goudkleurige bedelarmband. Meer kan Thea voorlopig
nog niet maken van de brij aan onsamenhangende informatie die momenteel met een
noodgang haar overwerkte hersenen ingepompt worden.
‘Ik mis
Aadam’, fluistert Moona.
Ze pinkt een
traantje weg.
‘Drama Queen’,
wil Thea zeggen omdat ze weinig opheeft met irrationele emotiegolven, maar ze
slikt haar schimpscheut in, omdat Moona er echt verdrietig uitziet met dat
bleke snoetje omrandt door de kleurloze hidjab.
‘Waar is Aadam
dan?’
Thea praat nu
wel zacht. Uit medeleven.
‘Sanadhhab’,
commandeert het broertje.
Thea was hem
helemaal vergeten. Hij wordt door Moona op zijn wenken bediend en daarmee is
ook meteen een non verbale vertaling van zijn vreemde spraakgebruik voor Thea
aanschouwelijk gemaakt. Moona zegt tijdens het opstaan zonder schroom en op
normale gesprekstoon:
‘Hij is bij
zijn geloofsbroeders en bereidt zich overzee voor op de heilige
oorlog.’
Een
geradicaliseerde moslim hoort thuis in het wereldnieuws; niet in haar
achtertuin. Thea kent Aadam niet, maar aan Moona is ze toch gewend geraakt in
de afgelopen maanden. De eeuwige hoofddoek of hidjab werd onzichtbaar naar
verloop van de huiswerkbegeleiding. Uiterlijkheden vervagen sneller dan
uitstraling. En Moona had een onweerlegbaar streng islamitische opvoeding
genoten. Onomstotelijk omdat de religie vanuit de islamitische
geloofsgemeenschap niet ter discussie mag staan. Kortom een moslim mag niet kritisch
naar de islam kijken en al helemaal niet naar de op- en aanmerkingen van
buitenstaanders luisteren. Thea weet uit eerdere gesprekken met Moona dat zij
wel degelijk in staat is om buiten de islamitische institutie te treden en van
een afstand naar zichzelf te kijken. Thea is er zich echter ook constant van
bewust dat Moona dit vermogen zelden tot nooit gebruikt en nog minder laat
zien. En zo wel dan is de begeleidende schaamte groot; alsof Moona een
doodzonde begaat door hardop over haar geloof na te denken. Toch heeft Moona
voor Thea zelfs de verschillen tussen uiteenlopende stromingen binnen de islam
uit de doeken gedaan. Maar tijdens de uitleg was er geen sprake van een
gelijkwaardige interactie tussen het jonge meisje met de hidjab en de westerse
vrouw van middelbare leeftijd. Moona klapte uit de school of dicht. Ongezegd,
maar onherroepelijk afhankelijk van het vermogen van Thea om mee te liften op
de overtuigingen van Moona zonder vragen, of commentaar. Wat Thea betreft is
een dergelijke, hautaine uitstraling een gevolg van een bepaalde opvoeding en
geen geloofskwestie. Zo’n houding is symptomatisch voor alle moslims die ooit
met Huiswerksterk te maken hebben gehad en dan hoopt een begeleidster als Thea
toch dat de hoogmoed geen epidemische vormen gaat aannemen onder de jongeren.
De mentaliteit en niet de religie zorgt hier voor de aanpassingsprobleempjes en
het superioriteitsgevoel van jongens en meisjes als Moona. Een hinderlijk, tot
een taboe verworden, cultuurverschil, waarbij de moslimleerlingen
nog een heleboel zouden kunnen leren van andersdenkende klanten van
Huiswerksterk. Zo niet dan blijft dit sociale onderscheid tussen wel
of niet islamitisch latent aanwezig en een bron van ergernis voor beide
partijen. De Tweede Wereldoorlog is bijvoorbeeld een penibel, maar
onoverkomelijk onderdeel van het geschiedenishuiswerk. Met name de holocaust.
De meeste niet islamitische leerlingen lezen niet emotieloos over de
hoofdstukken over Het Derde Rijk van Hitler Duitsland en de Jodenvervolging in
de geschiedenisboeken heen. Thea voelt de betrokkenheid, verbijstering en de
afschuw bij bijna alle kinderen groeien met de toename van hun kennis over de
gebeurtenissen in de wereld in de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw. Bij bijna
alle kinderen. Niet bij allemaal. En nooit bij de islamitische klantjes van
Huiswerksterk. Sommigen blijven flegmatisch aantekeningen maken en anderen
durven zelfs aanvankelijk de Jodenvervolging te betwijfelen. Maar in dat geval
heeft Thea de week erop wel een paar historische beelden over de
concentratiekampen gedownload van Youtube. Het aanzien van het voorportaal van
de hel; de afslachting van 6 miljoen mensen. Thea hoopt dat het helpt; alhoewel
ze merkt dat ze afgestompt raakt. Dat ze steeds vaker geen puf meer heeft om
moslims wegwijs te maken in haar achterland dat vanuit de Nederlandse islam hoe
dan ook toch in een niemandsland vol ongelovige honden en hoeren blijkt uit te
monden.
Thea gelooft
niet in inburgering. Empathie valt niet af te dwingen. Medeleven dat voel je
voor de mensen om je heen. Voor hen die de zender en de ontvanger na staan. De
holocaust is de geschiedenis van Europa en niet van het Midden-Oosten. De
overgroot opa van Moona en Aadam heeft niet in het verzet tegen de Duitsers gezeten,
geen Joden opgevangen, gedwongen voor de bezetters moeten werken of een
concentratiekamp overleefd. Hij is misschien onderdeel geweest van andere
culturele mijlpalen elders in de wereld. Historische gebeurtenissen waar Walter
of Sabine dan weer geen benul van hebben. Zaken waarvan haar kinderen wat Thea
betreft pas notitie hoeven en kunnen nemen vanuit een eigen identiteit. Een
basis. Zelfvertrouwen. Dat hoeft niet op een religie gebaseerd te zijn. Walter
en Sabine dienen echter wel kennis te nemen van hun herkomst alvorens zij in
staat kunnen worden geacht om op gelijke voet met medelanders met een andere
culturele achtergrond te integreren. En zowel Bart als Thea en dus ook
hun kinderen hebben nou een maal een katholieke achtergrond.
Zo’n katholiek
fundament staat voor een geloofsbeleving in progressie. Zo zong Bart begin
jaren 70 als kleine man in een katholiek, kerkelijk jongenskoor. Automatisch
woonde hij hierdoor alle missen op zon- en feestdagen in de plaatselijke kerk
bij. Gaandeweg is hij hierdoor uitgegroeid tot een liefhebber van de
rooms-katholieke liturgie. Heel anders dan zijn familie die met de komst van de
flowerpower en de vrije gedachte steeds minder plichtsgetrouw de kerk bezocht.
Tot diep in de vijftiger jaren waren de gematigde rooms-katholieke papa’s,
mama’s, opa’s, oma’s, ooms, tantes en andere oudere familieleden gebonden aan 7
dagen kerkbezoek in de week. Naarmate de jaren verstreken nam het bezoek aan
het huis van God steeds verder af tot een periode waarin alleen de zondag nog
een sociale must was. Die geloofsdruk gold ook nog in de zestiger jaren. De
kleutertijd van Bart en Thea. Maar niet lang daarna ging het gestaag
bergafwaarts met het aantal hoedjes, sjaaltjes en petjes in de rooms-katholieke
kerk op zondag. Hoe meer economische welvaart; hoe minder katholieken in de
kerk. De paaseucharistie en de nachtmis daargelaten die nog tot halverwege de
jaren tachtig volle roomse kerken hebben weten te trekken. Maar de kleine Bart
liet zich niet temperen in zijn hartstocht voor de pracht en praal van het
katholisme. Met uitzondering van die ene keer dan toen hij aan zijn moeder liet
weten dat hij graag ook nog misdienaar wilde worden en later misschien wel
priester als hij groot was. De schoonmoeder van Thea zag haar recht op
kleinkinderen al ontnomen door het celibaat en uit eigen belang verzekerde ze
haar zoon dat hij met een dergelijke beroepskeuze zijn grote hobby wel voorgoed
op zijn buik zou kunnen schrijven. Als je uitslapen tenminste een hobby noemen
kunt. Hoe dan ook: Bart hield en houdt boven alles van uitslapen.
‘Een priester
moet elke ochtend om 6 uur uit bed; en een misdienaar trouwens ook’, loog de
moeder van Bart er zondig op los.
Dat was voor
Bart reden genoeg om zich niet kandidaat te stellen tot misdienaar
en toch maar af te zien van zijn roeping tot het priesterschap. Het kerkelijke
jongenskoor is hij wel trouw gebleven totdat hij de baard in de keel
kreeg.
Nochtans zag
Bart zijn kinderen graag gedoopt. Schoonmoeder ook blij en Thea had geen
bezwaar. Tot ontsteltenis van haar eigen moeder. Zoals zoveel huisvrouwen in
het katholieke zuiden van de jaren 50 en 60, dacht de moeder van Thea dat ze na
haar pensioen voorgoed afstand had kunnen nemen van het geloof. Ze vergat even
dat haar hele leven van het begin tot op heden doorspekt is geweest van
rooms-katholieke gebruiken, gewoonten, waarden, normen en regels. Zelfs het
verzet in de Goddeloze jaren stond niet los van religie. Hoe kan een mens een
levensstijl van de ene op de andere dag van zich af schudden? Juist daarom
wilde ze niets weten van de motivatie van Thea en Bart om zowel Sabine als
Walter een kijkje in de keuken van een geloof te gunnen. In dit geval het plaatselijk
overheersende rooms-katholieke geloof; want wat je van ver haalt is niet per
definitie beter.
‘Je hebt mij
toch ook laten dopen? Ik heb mijn communie en het vormsel gedaan en je hebt me
naar katholieke scholen gestuurd’, hielp Thea haar moeder herinneren.
‘Dacht je dat
ik een keus had? Dacht je dat er ook maar één enkele rooms-katholieke vrouw een
keus had?’, steunde de moeder van Thea met gevoel voor dramatiek.
‘Je had kunnen
weigeren’.
Eigenlijk wist
Thea wel beter natuurlijk.
‘Dat heb ik
later toch ook gedaan’, pochte haar moeder met opgeheven kin.
‘Te laat’,
pestte Thea.
‘Ooit gehoord
van sociale controle? Daar is geen enkel kind tegen opgewassen.’
‘Ow, eng; wat
was de straf? Met blote voeten naar bed?’
‘Zalig zijn de
simpelen van ziel’, schamperde moeder.
‘Je had ook
non kunnen worden’, vond Thea praktisch.
‘Ja, spot er
maar mee, maar nonnen dat waren de meest gedreven onderwijzeressen aller
tijden’, overdreef de moeder van Thea.
Zoiets lijkt
verdacht veel op een haat-liefde verhouding met het rooms katholieke geloof.
Die gespletenheid is typerend voor vrouwen van de generatie van de moeder en
schoonmoeder van Thea. Hoewel sommige gewezen huisvrouwen het woord van God
iets ruimer interpreteerden dan anderen. De schoonmoeder van Thea was het
rooms-katholicisme overkomen. Ze deed het grootste deel van haar leven wat er
van haar gevraagd werd en toen de geloofsmentaliteit vervaagde; hield ze zomaar
op met het voldoen aan de ouderwetse norm. Zoals het merendeel van de kudde. Op
een gegeven moment ging schoonmoeder niet eens meer regelmatig naar de kerk;
maar volgde de paus vanaf de bank op haar breedbeeld t.v. Net als die andere
oma van haar kleinkinderen. Met dit verschil dat de moeder van Thea chronisch
verbitterd is over de beperkingen die haar in het verleden door pastoors en
Godvrezende geloofsgenoten werden opgelegd. Haar grootste struikelblok vormt de
verplichtingen van het huwelijk en het moederschap. Alsof een onzichtbare hand
permanent de loop van een geladen pistool in haar rug drukte. Zonder die
pressie zou ze zeker weten nooit 4 kinderen gebaard en gezoogd hebben om na de
vierde worp, naar eigen zeggen, de rest van haar leven als een ‘uitgemolken
koe’ te moeten slijten. Bovendien wordt ze nog dagelijks achtervolgd door het
oordeel van een non nadat haar oudere broer op 16jarige leeftijd, vlak na de
tweede wereldoorlog, aan hersenvliesontsteking was overleden.
‘Bid maar tot
God mijn kind; bid voor vergeving.’
De 81jarige
moeder van Thea kan er zich bijna 70 jaar later nog kwaad over maken. Ze valt
in herhaling tegen dovemansoren:
‘Zo’n
smeekbede is toch mosterd na de maaltijd!’.
Waarschijnlijk
is Thea de enige die zich realiseert dat haar moeder tot op de dag van vandaag
niet begrijpt waarom God uit zichzelf niet wat vergevingsgezinder had
kunnen zijn ten aanzien van haar enige broer.
Het dualisme
van de moeder van Thea ten aanzien van het katholicisme kwam eens te meer uit
de verf gedurende het doopsel van haar kleinkinderen. Sabine en Walter zijn om
praktische redenen op dezelfde dag gedoopt. De moeder van Thea kwam weliswaar
opdagen in de kerk en op het doopfeest, maar ze sprak de hele dag geen stom
woord tegen niemand. Zodra de andere bezoekers aanstalten maakten om haar aan
te spreken dan dook ze weg achter de vader van Thea die zich in allerlei
sociaal acceptabele bochten wrong om de caperiolen van zijn vrouw te
compenseren. Thea werd overvallen door de kinderachtige opstelling van haar
moeder, maar ze was niet onder de indruk. Bart en zij hadden haar niet willen
belasten, maar ook niet negeren. Alleen daarom hadden zij de moeder van Thea
gevraagd of ze de peetmoeder van Walter wilde zijn. Ze had nee kunnen zeggen en
wegblijven van het doopfeest van haar kleinkinderen. Niemand zou haar dat
kwalijk genomen hebben. Maar na al die jaren was eigen initiatief in
geloofszaken nog steeds een brug te ver. Had oma echter werkelijk zo rigoureus
gebroken met het religieuze verleden als ze beweerde, dan had ze veel beter
letterlijk en figuurlijk afstand kunnen nemen van het sacrament van de
christelijke initiatie van haar kleinkinderen. Nu dreigde ze voor de rest van
haar leven niet meer serieus te worden genomen door de buitenwacht. Vooral
tijdens de after party wist de moeder van Thea alle negatieve aandacht op zich
te vestigen door tartend, stilzwijgend in een hoekje te gaan zitten bouderen.
‘Gaat het wel
goed met jouw moeder?’, vroeg de broer van Bart.
‘Toch geen beginnende
Alzheimer?’
‘Gevalletje
kont tegen de krib’, prevelde vader in het oor van Thea die in de keuken hapjes
prepareerde.
‘Ze denken dat
je aan het dementeren bent mam’, verwittigde Thea haar moeder later
toen het doopfeest al lang en breed achter de rug was.
Alles wat
moeder daarop te zeggen had was:
’Puh.’
Toch nam ze de
waarschuwing van Thea ter harte en tegen de tijd dat Sabine zo’n zes jaar later
haar communie deed had ze haar afkeer in banen weten te leiden. De moeder van
Thea was niet van plan om er meer woorden aan vuil te maken dan
noodzakelijk, maar niemand – in het bijzonder haar dochter Thea niet - hoefde moeder
uit te leggen dat de erfenis van een religieus verleden niet hetzelfde is als
inzicht in de tijdloze symboliek van de geloofsrituelen. Zo kende Thea haar
moeder tenminste weer.
Het gesprek
met Jasmijn wil niet meer vlotten en Thea is blij dat haar mobiel van zich laat
horen. Ze graaft in haar schoudertas en voorspelt:
‘Dit is het
belletje waarop ik zat te wachten. Dit moet ik even afhandelen.’
Krakend en
piepend protesteert het rotankuipje tegen het vertrek van Thea inclusief
mobiel naar de open keuken. De urgentie van het telefoontje is een smoesje
natuurlijk. Nieuwsgierig bekijkt Thea de nummermelding. Ze identificeert de
afzender. Het is Elco van de Stichting Huiswerk Begeleiding (SHB).
Huiswerksterk is aangesloten bij de SHB waar Elco tussenpersoon is. Hij leidt
zowel de geldstromen in banen als de verdeling van de middelbare scholieren.
Zonder hem helpt Thea studenten die hulp nodig hebben in de bètavakken
razendsnel van de wal in de sloot. Ongehinderd door enig inzicht in de wis- en
natuurkunde. Juist daarom zorgt een man als Elco ervoor dat vooral de Whizzkids
de kant van Thea op komen. Uitgerekend de wiskundeknobbeltjes hebben meestal weer
wel een duwtje in de rug nodig bij de alfavakken. Voor wat betreft; woordjes
leren; grammatica en ontleden bij de talen; inzicht in geschiedenis en
aardrijkskunde; definities uit de kop knallen; samenvattingen maken en betogen
schrijven ben je bij Thea aan het juiste adres. Zodra er in het verleden echter
een formule bij het huiswerk in zicht kwam dan haakte Thea af en rende ze –
ongeacht het niveau A,B, of C - op Bart af en bestookte hem met vragen die hij
wel kon beantwoorden, maar niet één, twee, drie. En dat moet wel als je
huiswerkbegeleiding geeft. Omdat Bart er naast zijn fulltime baan bij het
rekencentrum dus nog een dagtaak als huiswerksterkbegeleider bij
dreigde te krijgen, schakelde Thea de SHB in tegen een maandelijkse vergoeding van
100 euro. Zo kwam ze in contact met bemiddelaar Elco in de rol van
werkvoorbereider, maar ook in de hoedanigheid van boekhouder die zijn
schuldeisers nooit teleurstelt. Sommige ouders betalen - zelfs met volledige
financiële dekking van de overheid - alleen onder dwang en een
effectief incassobureau is geen overbodige luxe. In verband met Jasmijn die
vanuit de keuken kan meeluisteren, begroet Thea haar beller uitbundig en
luidruchtig. De jongere versie van Jasmijn mag dan niet veel indruk op
haar gemaakt hebben, maar de ongezonde nieuwsgierigheid van haar vroegere
oppaskind is Thea niet vergeten.
‘Hey,
Elcootje, hoe issie!?’
‘Hey Thee,
alles kits; moeje luisteren.’
‘Ik luister’.
‘De vader van
Moona Tahiri heeft een andere huiswerkbegeleidster voor zijn dochter geëist.’
De adem van
Thea stokt en ze pruttelt verbluft:
‘Okay, waarom?
Moona gaat juist hartstikke goed vooruit op school sinds ze huiswerkbegeleiding
krijgt. Wat heb ik nou weer verkeerd gedaan?’
‘Ik denk niet
zo veel; Moona en haar familie zijn Syrische immigranten van de eerste
lichting. Ze wonen al vijf jaar in Nederland. Maar die vader is streng
islamitisch en hij was niet erg te spreken over jou. En dan druk ik me nog
voorzichtig uit.’
‘Pardon?’
Thea is
stupéfait.
‘Laat gaan
Thea; ik handel de achterstallige betaling af en jij krijgt vanaf volgende week
iemand anders in plaats van Moona.’
Thea keert
zich voor een paar seconden in zichzelf en haar herinneringen aan de
huiswerkbegeleiding met Moona. Een plichtsgetrouw, ingetogen, niet onbeleefd
13jarig meisje met een hoofddoek. Bij Thea’s weten is er in al die tijd van
huiswerkbegeleiding geen onvertogen woord gevallen tussen Moona en haar.
‘Hoezo nu
ineens? Ze komt al meer dan een jaar bij mij over de vloer. Dat hoef ik toch
niet te pikken Elco?’
‘Natuurlijk
niet, maar ik zou het wel doen. Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk
kan?’
‘Wat zei hij
dan over mij? Ik bedoel; ik heb natuurlijk weleens met Moona over haar
thuisland gepraat en haar geloof. Ze heeft me uitgelegd wat het verschil is
tussen de soenitische en de sjiitische islam in Syrië. Misschien had ze dat
niet mogen doen van haar vader?’
Beklemd gaat
Elco overstag:
‘Was het maar
waar. De waarheid is veel platter. De vader van Moona noemde jou een hoer en je
zou omgaan met hoerenlopers.’
‘Wat? En
zoiets moet ik gewoon naast me neerleggen?’
‘Graag’,
gelast Elco:
‘En Thea, als
je het niet voor jezelf doet; doe het dan voor de SHB en voor mijn
gemoedsrust.’
‘Natuurlijk
Elco; alles voor jouw gemoedsrust’, bitst Thea beledigd voordat ze de
verbinding verbreekt en meteen naar het nummer van Moona Tahiri belt.
Moona neemt
niet op. Thea spreekt een bericht in:
‘Ik kom nu
naar je toe Moona. Wat is er aan de hand? Kun je me ook in mijn gezicht zeggen
wat ik verkeerd heb gedaan? Je kunt toch eerlijk tegen me zijn?’
Een afsluitend
piepgeluid maakt een einde aan de monoloog van Thea. Onbevredigd stuurt ze voor
de zekerheid nog een sms’je achter haar voicemailbericht aan. Ze ijsbeert door
de mini open keuken en botst bijna tegen Jasmijn op die ineens recht voor haar
neus opduikt. Lang, blond en marginaal:
‘Alles in
orde?’
Stroef wurmt
Thea zich langs het ontwijkende voorkomen van Jasmijn en murmelt
verontschuldigend:
‘Ik moet
gaan!’
De familie
Tahiri woont in een Vinex wijk. Het adres heeft Thea nog in haar tomtom staan,
daar ze Moona weleens naar huis heeft gebracht, omdat ze toch toevallig die
kant uit moest. De woonerven zijn netjes, verlaten en allemaal eender. Op de
straatnaambordjes leest Thea modieuze vondsten als; het Tokkeltje; de Wijksoep;
Kruidenberg en Wigwam. De huisartsenpraktijk wordt aangeduid als de Hulpstulp.
Bij het ‘Vindersdal’, heeft Thea haar bestemming bereikt. Het huis van Moona
zit potdicht en geeft een weinig uitnodigende indruk, maar Thea heeft nog niet
gebeld of de voordeur opent op een kier. Moona steekt haar beige hoofdoekhoofd
door de opening en begroet Thea woordeloos met een schuldbewuste oogopslag.
‘Kunnen we
praten?’
De toon van
Thea is afstandelijk. Schelden doet geen pijn, maar wat je zegt ben je zelf. Of
iets in die trant, want de vader van Moona zal wel geen hoer zijn. Misschien
een hoerenloper? Moona trekt haar gesluierde kapsel terug en de voordeur valt
in het slot. Van de weeromstuit schiet het hart van Thea in haar keel en ze
krijgt het niet meer weggeslikt. Ze wordt licht in haar hoofd en overvallen
door het verlangen om op te stijgen; of door de grond te zakken; of op te
lossen in het luchtledige. Als dat zou kunnen! Hoewel ze zich niet echt kan
herinneren wat ze precies verkeerd heeft gedaan. Ze wil opheldering. Of
eigenlijk ook niet. Thea maakt aanstalten om de terugreis over het tuinpad naar
haar Renault te aanvaarden. Maar precies op dat moment komt er weer beweging in
de voordeur. Pal voor de neus van Thea verschijnt een broekie van zo op het
eerste oog amper 12 jaar. Hij ziet Thea niet staan en marcheert naar buiten met
Moona volgend in zijn schaduw. In het voorbij gaan murmelt ze nauwelijks
verstaanbaar vanuit haar mondhoek richting Thea:
‘We gaan naar
het plantsoentje. Daar staat een bankje.’
Ze trekt Thea
aan haar arm mee in haar volgroute.
‘Wie is dat?’
Thea knikt
voor zich uit naar het kleine ventje.
‘Mijn
broertje.’
‘Nou
gezellig’, spot Thea.
Moona
inspecteert de geperforeerde ijzeren zitting van het plantsoenbankje voordat ze
plaatsneemt. Thea denkt aan de houten bankjes uit haar jeugdjaren en dat je
altijd op je hoede moest zijn voor afdrukken van geïmpregneerde
vogeluitwerpselen in de natte planken. Zo’n moderne, ijzeren zitting met
allemaal gaatjes laat tenminste geen onuitwisbare fecaliënsporen na. Aandachtig
speelt Moona met haar armbanden en creëert onbewust het geluid van een
tamboerijn. Het broertje van Moona leunt drie meter van het bankje verwijderd
tegen een boom en verdiept zich in het schermpje van zijn IPhone.
‘Vangt hij
Pokémons?’
Thea weet ook
wel dat het jongetje door het ouderlijk gezag is opgedragen om op zijn oudere
zus te passen, maar ze wil uitleg van Moona.
‘Zeg het dan!’
Moona laat
haar armbanden rinkelen. Het jochie diept een aansteker en een pakje sigaretten
uit zijn jaszak. Tegen de wind steekt hij uit het vuistje één van de rokertjes op. Dit heeft hij vaker
gedaan. Hij lijkt op een dwerg met een Big Mac of op een kind van twaalf met
een sigaret. Af en toe kijkt hij scheef naar zijn zusje samen met de vrouw van
middelbare leeftijd op het bankje in het plantsoen. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes
ter bescherming tegen de uitgeblazen wolken sigarettenrook uit zijn eigen
mummelmondje. Thea houdt de behoefte om deze blaag over haar knie te leggen
bijna niet meer verborgen.
‘Je komt niet
meer bij me voor huiswerkhulp heb ik begrepen?’
‘Nee’,
antwoordt Moona.
‘Je bent
helemaal klaar voor het eindexamen VMBO dus?’
‘Nee,
natuurlijk niet’, lacht Moona schalks.
Thea vangt een
glimp van de vertrouwde Moona op en ontspant een beetje.
‘Er zijn
woorden thuis; ik kan het niet uitleggen’, smiespelt Moona met het oog op haar
broertje.
‘Dus alleen
omdat jullie thuis woorden hebben neemt jouw vader het recht om mij een hoer te
noemen?’, roept Thea verontwaardigd uit.
Ze verheft
haar stem expres. Net zo goed met het oog op het broertje van Moona. Nerveus
gaat Moona verzitten. Het broertje lurkt ongemoeid van zijn sigaret en appt.
‘Hij bedoelt
niet jou. Hij bedoelt een lange, blonde man die ik bij jou in de keuken heb
gezien. Weet je nog dat ik op woensdag het eerste uur uitval had en dan naar
Huiswerksterk kwam? Hij was er altijd.’
Moona dempt
haar stem nog steeds.
‘Melvin?’,
vraagt Thea op normale gesprekstoon.
‘Ja, hij kwam
mijn broer tegen op de sportschool.’
‘En dat is een
misdaad omdat?’
‘Uh ja, ze
raakten bevriend.’
‘Is Melvin een
bekende van dat kaboutertje daar!?’
Dreigend richt
Thea met haar rechterhand een denkbeeldig pistool op het hoofd van het broertje
van Moona. Uit effectbejag knijpt ze één oog dicht. Niet langer dan een seconde
laat het ventje zich van zijn IPhone afleiden. Moona kijkt angstig weg
en richt zich weer op haar armbandenconcert.
‘Ik heb 4
broers.’
‘Ja en toen?
Ik bedoel wat heeft Melvin met jouw huiswerk te maken?’
‘Melvin is een
alkalb alkafir.’
‘En dat is?’
Thea heeft wel
zo’n donkerbruin vermoeden. Maar iedereen is onschuldig totdat het tegendeel
bewezen is. Moona aarzelt.
‘Ik weet niet
zo goed hoe ik het netjes moet vertalen.’
‘Tell it like it is!’
Thea weet dat
Moona redelijk Engels kan verstaan.
‘Een
ongelovige hond’, zegt Moona toch wel enigszins beschaamd.
‘Tis maar hoe
je het bekijkt. Neem mij nou; ik ben bijvoorbeeld katholiek. Melvin
oorspronkelijk ook. Volgens mij. Maar jouw vader heeft wel in zoverre gelijk
dat noch Melvin, noch ik vijf keer per dag op de knieën in de richting van
Mekka zit te bidden.’
‘Melvin is een
man.’
‘Nou, nou,
overdrijven is ook een vak. Hoe weet jouw vader trouwens dat ik Melvin ken?’
‘Van mij.’
‘Hoe dan ook;
je wordt bedankt.’
‘Ik deed het
voor mijn broer. Ik hoopte mijn vader milder te stemmen. Ik dacht dat het goed
was om jouw naam te noemen.’
Thea luistert
niet meer. Ze tuurt onwillekeurig naar het armbandenspel van Moona en opeens
herkent ze een manchetknoop in de vorm van een klokje. Het is als een knoeperd
van een sieraad bevestigd tussen de veel kleinere bedeltjes aan een
goudkleurige schakelarmband van Moona.
‘Waarom heb je
een manchetknoop aan een armband gehangen?’
Thea wijst
naar het blauwe uurwerkje in de vergulde omlijsting aan één van de
bedelarmbanden van Moona. Niet begrijpend neemt Moona de manchetknoop tussen
duim en wijsvinger.
‘Dat is een
miniklokje; een cadeautje van mijn broer.’
‘Welke broer.
De vriend van Melvin zeker?’
‘Aadam’,
mijmert Moona liefdevol.
Ze staart
wazig voor zich uit.
‘Dat is een
mannensieraad’, waarschuwt Thea.
‘Nee’, schudt
Moona zelfingenomen.
De
onverbeterlijke huiswerkbegeleidster in Thea speelt op.
‘Moet ik je
uitleggen wat een manchetknoop is?’
Thea heeft een
Aha-erlebnis. Ze heeft iets dergelijks al een keer meegemaakt.
‘Nee hoor’,
weet Moona zeker.
Thea kan zich
niet langer beheersen en ze snauwt:
‘Manchetknopen
zijn mannensieraden. Ik weet niet hoe dat in jullie cultuur geregeld is, maar
hier in het westen is dat nou eenmaal zo. Wen er maar aan. En als je het niet
gelooft vergelijk het dan maar met een hoofddoek. Islamitische mannen gaan toch
ook niet met een hidjab op hun kop over straat?’
Met een
neerbuigende blik op haar gezicht zoekt Moona de ogen van Thea en verklaart
ongenaakbaar:
‘Het is niet soenna
voor mannen om goud te dragen.’
‘Kun je ook
gewoon Nederlands met me praten Moona? Zo niet dan bid ik zo meteen hardop een
Rozenkransje voor je met een hele hoop Weesgegroetjes en als je daarna nog niet
genezen bent nog dozijntje Onze Vaders erachteraan ook!’
Moona giechelt
zenuwachtig; maar de bewoording die ze kiest voor de uitleg van geloofsrituelen
is doordacht en doorspekt van onherroepelijke eerbied:
‘Soenna
betekent het juiste pad van de profeet. Goud voor mannen is niet soenna. Wij
vrouwen mogen wel goud dragen.’
‘Die
manchetknoop is niet van goud. Het ding is verguld. In feite nep goud, Mag dat
ook niet? En waar is de andere helft van het tweetal? Manchetknopen komen het
best tot hun recht in een relatie. Ze komen in tweeën. In paartjes snap je
wel?’
Thea vraagt
naar de bekende weg. Ze heeft een week of 3 geleden inderdaad al eerder het
imago van de manchetknoop moeten oppoetsen herinnert ze zich nu. Voor Melvin.
Daarna kocht hij een setje manchetknopen. Voor 50 euro. Handje contantje in
ruil voor blauwe mini klokjes in vergulde kleine kastjes. Moona draagt één van
die manchetknopen aan haar goudkleurige bedelarmband. Meer kan Thea voorlopig
nog niet maken van de brij aan onsamenhangende informatie die momenteel met een
noodgang haar overwerkte hersenen ingepompt worden.
‘Ik mis
Aadam’, fluistert Moona.
Ze pinkt een
traantje weg.
‘Drama Queen’,
wil Thea zeggen omdat ze weinig opheeft met irrationele emotiegolven, maar ze
slikt haar schimpscheut in, omdat Moona er echt verdrietig uitziet met dat
bleke snoetje omrandt door de kleurloze hidjab.
‘Waar is Aadam
dan?’
Thea praat nu
wel zacht. Uit medeleven.
‘Sanadhhab’,
commandeert het broertje.
Thea was hem
helemaal vergeten. Hij wordt door Moona op zijn wenken bediend en daarmee is
ook meteen een non verbale vertaling van zijn vreemde spraakgebruik voor Thea
aanschouwelijk gemaakt. Moona zegt tijdens het opstaan zonder schroom en op
normale gesprekstoon:
‘Hij is bij
zijn geloofsbroeders en bereidt zich overzee voor op de heilige
oorlog.’
Een
geradicaliseerde moslim hoort thuis in het wereldnieuws; niet in haar
achtertuin. Thea kent Aadam niet, maar aan Moona is ze toch gewend geraakt in
de afgelopen maanden. De eeuwige hoofddoek of hidjab werd onzichtbaar naar
verloop van de huiswerkbegeleiding. Uiterlijkheden vervagen sneller dan
uitstraling. En Moona had een onweerlegbaar streng islamitische opvoeding
genoten. Onomstotelijk omdat de religie vanuit de islamitische
geloofsgemeenschap niet ter discussie mag staan. Kortom een moslim mag niet kritisch
naar de islam kijken en al helemaal niet naar de op- en aanmerkingen van
buitenstaanders luisteren. Thea weet uit eerdere gesprekken met Moona dat zij
wel degelijk in staat is om buiten de islamitische institutie te treden en van
een afstand naar zichzelf te kijken. Thea is er zich echter ook constant van
bewust dat Moona dit vermogen zelden tot nooit gebruikt en nog minder laat
zien. En zo wel dan is de begeleidende schaamte groot; alsof Moona een
doodzonde begaat door hardop over haar geloof na te denken. Toch heeft Moona
voor Thea zelfs de verschillen tussen uiteenlopende stromingen binnen de islam
uit de doeken gedaan. Maar tijdens de uitleg was er geen sprake van een
gelijkwaardige interactie tussen het jonge meisje met de hidjab en de westerse
vrouw van middelbare leeftijd. Moona klapte uit de school of dicht. Ongezegd,
maar onherroepelijk afhankelijk van het vermogen van Thea om mee te liften op
de overtuigingen van Moona zonder vragen, of commentaar. Wat Thea betreft is
een dergelijke, hautaine uitstraling een gevolg van een bepaalde opvoeding en
geen geloofskwestie. Zo’n houding is symptomatisch voor alle moslims die ooit
met Huiswerksterk te maken hebben gehad en dan hoopt een begeleidster als Thea
toch dat de hoogmoed geen epidemische vormen gaat aannemen onder de jongeren.
De mentaliteit en niet de religie zorgt hier voor de aanpassingsprobleempjes en
het superioriteitsgevoel van jongens en meisjes als Moona. Een hinderlijk, tot
een taboe verworden, cultuurverschil, waarbij de moslimleerlingen
nog een heleboel zouden kunnen leren van andersdenkende klanten van
Huiswerksterk. Zo niet dan blijft dit sociale onderscheid tussen wel
of niet islamitisch latent aanwezig en een bron van ergernis voor beide
partijen. De Tweede Wereldoorlog is bijvoorbeeld een penibel, maar
onoverkomelijk onderdeel van het geschiedenishuiswerk. Met name de holocaust.
De meeste niet islamitische leerlingen lezen niet emotieloos over de
hoofdstukken over Het Derde Rijk van Hitler Duitsland en de Jodenvervolging in
de geschiedenisboeken heen. Thea voelt de betrokkenheid, verbijstering en de
afschuw bij bijna alle kinderen groeien met de toename van hun kennis over de
gebeurtenissen in de wereld in de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw. Bij bijna
alle kinderen. Niet bij allemaal. En nooit bij de islamitische klantjes van
Huiswerksterk. Sommigen blijven flegmatisch aantekeningen maken en anderen
durven zelfs aanvankelijk de Jodenvervolging te betwijfelen. Maar in dat geval
heeft Thea de week erop wel een paar historische beelden over de
concentratiekampen gedownload van Youtube. Het aanzien van het voorportaal van
de hel; de afslachting van 6 miljoen mensen. Thea hoopt dat het helpt; alhoewel
ze merkt dat ze afgestompt raakt. Dat ze steeds vaker geen puf meer heeft om
moslims wegwijs te maken in haar achterland dat vanuit de Nederlandse islam hoe
dan ook toch in een niemandsland vol ongelovige honden en hoeren blijkt uit te
monden.
Thea gelooft
niet in inburgering. Empathie valt niet af te dwingen. Medeleven dat voel je
voor de mensen om je heen. Voor hen die de zender en de ontvanger na staan. De
holocaust is de geschiedenis van Europa en niet van het Midden-Oosten. De
overgroot opa van Moona en Aadam heeft niet in het verzet tegen de Duitsers gezeten,
geen Joden opgevangen, gedwongen voor de bezetters moeten werken of een
concentratiekamp overleefd. Hij is misschien onderdeel geweest van andere
culturele mijlpalen elders in de wereld. Historische gebeurtenissen waar Walter
of Sabine dan weer geen benul van hebben. Zaken waarvan haar kinderen wat Thea
betreft pas notitie hoeven en kunnen nemen vanuit een eigen identiteit. Een
basis. Zelfvertrouwen. Dat hoeft niet op een religie gebaseerd te zijn. Walter
en Sabine dienen echter wel kennis te nemen van hun herkomst alvorens zij in
staat kunnen worden geacht om op gelijke voet met medelanders met een andere
culturele achtergrond te integreren. En zowel Bart als Thea en dus ook
hun kinderen hebben nou een maal een katholieke achtergrond.
Zo’n katholiek
fundament staat voor een geloofsbeleving in progressie. Zo zong Bart begin
jaren 70 als kleine man in een katholiek, kerkelijk jongenskoor. Automatisch
woonde hij hierdoor alle missen op zon- en feestdagen in de plaatselijke kerk
bij. Gaandeweg is hij hierdoor uitgegroeid tot een liefhebber van de
rooms-katholieke liturgie. Heel anders dan zijn familie die met de komst van de
flowerpower en de vrije gedachte steeds minder plichtsgetrouw de kerk bezocht.
Tot diep in de vijftiger jaren waren de gematigde rooms-katholieke papa’s,
mama’s, opa’s, oma’s, ooms, tantes en andere oudere familieleden gebonden aan 7
dagen kerkbezoek in de week. Naarmate de jaren verstreken nam het bezoek aan
het huis van God steeds verder af tot een periode waarin alleen de zondag nog
een sociale must was. Die geloofsdruk gold ook nog in de zestiger jaren. De
kleutertijd van Bart en Thea. Maar niet lang daarna ging het gestaag
bergafwaarts met het aantal hoedjes, sjaaltjes en petjes in de rooms-katholieke
kerk op zondag. Hoe meer economische welvaart; hoe minder katholieken in de
kerk. De paaseucharistie en de nachtmis daargelaten die nog tot halverwege de
jaren tachtig volle roomse kerken hebben weten te trekken. Maar de kleine Bart
liet zich niet temperen in zijn hartstocht voor de pracht en praal van het
katholisme. Met uitzondering van die ene keer dan toen hij aan zijn moeder liet
weten dat hij graag ook nog misdienaar wilde worden en later misschien wel
priester als hij groot was. De schoonmoeder van Thea zag haar recht op
kleinkinderen al ontnomen door het celibaat en uit eigen belang verzekerde ze
haar zoon dat hij met een dergelijke beroepskeuze zijn grote hobby wel voorgoed
op zijn buik zou kunnen schrijven. Als je uitslapen tenminste een hobby noemen
kunt. Hoe dan ook: Bart hield en houdt boven alles van uitslapen.
‘Een priester
moet elke ochtend om 6 uur uit bed; en een misdienaar trouwens ook’, loog de
moeder van Bart er zondig op los.
Dat was voor
Bart reden genoeg om zich niet kandidaat te stellen tot misdienaar
en toch maar af te zien van zijn roeping tot het priesterschap. Het kerkelijke
jongenskoor is hij wel trouw gebleven totdat hij de baard in de keel
kreeg.
Nochtans zag
Bart zijn kinderen graag gedoopt. Schoonmoeder ook blij en Thea had geen
bezwaar. Tot ontsteltenis van haar eigen moeder. Zoals zoveel huisvrouwen in
het katholieke zuiden van de jaren 50 en 60, dacht de moeder van Thea dat ze na
haar pensioen voorgoed afstand had kunnen nemen van het geloof. Ze vergat even
dat haar hele leven van het begin tot op heden doorspekt is geweest van
rooms-katholieke gebruiken, gewoonten, waarden, normen en regels. Zelfs het
verzet in de Goddeloze jaren stond niet los van religie. Hoe kan een mens een
levensstijl van de ene op de andere dag van zich af schudden? Juist daarom
wilde ze niets weten van de motivatie van Thea en Bart om zowel Sabine als
Walter een kijkje in de keuken van een geloof te gunnen. In dit geval het plaatselijk
overheersende rooms-katholieke geloof; want wat je van ver haalt is niet per
definitie beter.
‘Je hebt mij
toch ook laten dopen? Ik heb mijn communie en het vormsel gedaan en je hebt me
naar katholieke scholen gestuurd’, hielp Thea haar moeder herinneren.
‘Dacht je dat
ik een keus had? Dacht je dat er ook maar één enkele rooms-katholieke vrouw een
keus had?’, steunde de moeder van Thea met gevoel voor dramatiek.
‘Je had kunnen
weigeren’.
Eigenlijk wist
Thea wel beter natuurlijk.
‘Dat heb ik
later toch ook gedaan’, pochte haar moeder met opgeheven kin.
‘Te laat’,
pestte Thea.
‘Ooit gehoord
van sociale controle? Daar is geen enkel kind tegen opgewassen.’
‘Ow, eng; wat
was de straf? Met blote voeten naar bed?’
‘Zalig zijn de
simpelen van ziel’, schamperde moeder.
‘Je had ook
non kunnen worden’, vond Thea praktisch.
‘Ja, spot er
maar mee, maar nonnen dat waren de meest gedreven onderwijzeressen aller
tijden’, overdreef de moeder van Thea.
Zoiets lijkt
verdacht veel op een haat-liefde verhouding met het rooms katholieke geloof.
Die gespletenheid is typerend voor vrouwen van de generatie van de moeder en
schoonmoeder van Thea. Hoewel sommige gewezen huisvrouwen het woord van God
iets ruimer interpreteerden dan anderen. De schoonmoeder van Thea was het
rooms-katholicisme overkomen. Ze deed het grootste deel van haar leven wat er
van haar gevraagd werd en toen de geloofsmentaliteit vervaagde; hield ze zomaar
op met het voldoen aan de ouderwetse norm. Zoals het merendeel van de kudde. Op
een gegeven moment ging schoonmoeder niet eens meer regelmatig naar de kerk;
maar volgde de paus vanaf de bank op haar breedbeeld t.v. Net als die andere
oma van haar kleinkinderen. Met dit verschil dat de moeder van Thea chronisch
verbitterd is over de beperkingen die haar in het verleden door pastoors en
Godvrezende geloofsgenoten werden opgelegd. Haar grootste struikelblok vormt de
verplichtingen van het huwelijk en het moederschap. Alsof een onzichtbare hand
permanent de loop van een geladen pistool in haar rug drukte. Zonder die
pressie zou ze zeker weten nooit 4 kinderen gebaard en gezoogd hebben om na de
vierde worp, naar eigen zeggen, de rest van haar leven als een ‘uitgemolken
koe’ te moeten slijten. Bovendien wordt ze nog dagelijks achtervolgd door het
oordeel van een non nadat haar oudere broer op 16jarige leeftijd, vlak na de
tweede wereldoorlog, aan hersenvliesontsteking was overleden.
‘Bid maar tot
God mijn kind; bid voor vergeving.’
De 81jarige
moeder van Thea kan er zich bijna 70 jaar later nog kwaad over maken. Ze valt
in herhaling tegen dovemansoren:
‘Zo’n
smeekbede is toch mosterd na de maaltijd!’.
Waarschijnlijk
is Thea de enige die zich realiseert dat haar moeder tot op de dag van vandaag
niet begrijpt waarom God uit zichzelf niet wat vergevingsgezinder had
kunnen zijn ten aanzien van haar enige broer.
Het dualisme
van de moeder van Thea ten aanzien van het katholicisme kwam eens te meer uit
de verf gedurende het doopsel van haar kleinkinderen. Sabine en Walter zijn om
praktische redenen op dezelfde dag gedoopt. De moeder van Thea kwam weliswaar
opdagen in de kerk en op het doopfeest, maar ze sprak de hele dag geen stom
woord tegen niemand. Zodra de andere bezoekers aanstalten maakten om haar aan
te spreken dan dook ze weg achter de vader van Thea die zich in allerlei
sociaal acceptabele bochten wrong om de caperiolen van zijn vrouw te
compenseren. Thea werd overvallen door de kinderachtige opstelling van haar
moeder, maar ze was niet onder de indruk. Bart en zij hadden haar niet willen
belasten, maar ook niet negeren. Alleen daarom hadden zij de moeder van Thea
gevraagd of ze de peetmoeder van Walter wilde zijn. Ze had nee kunnen zeggen en
wegblijven van het doopfeest van haar kleinkinderen. Niemand zou haar dat
kwalijk genomen hebben. Maar na al die jaren was eigen initiatief in
geloofszaken nog steeds een brug te ver. Had oma echter werkelijk zo rigoureus
gebroken met het religieuze verleden als ze beweerde, dan had ze veel beter
letterlijk en figuurlijk afstand kunnen nemen van het sacrament van de
christelijke initiatie van haar kleinkinderen. Nu dreigde ze voor de rest van
haar leven niet meer serieus te worden genomen door de buitenwacht. Vooral
tijdens de after party wist de moeder van Thea alle negatieve aandacht op zich
te vestigen door tartend, stilzwijgend in een hoekje te gaan zitten bouderen.
‘Gaat het wel
goed met jouw moeder?’, vroeg de broer van Bart.
‘Toch geen beginnende
Alzheimer?’
‘Gevalletje
kont tegen de krib’, prevelde vader in het oor van Thea die in de keuken hapjes
prepareerde.
‘Ze denken dat
je aan het dementeren bent mam’, verwittigde Thea haar moeder later
toen het doopfeest al lang en breed achter de rug was.
Alles wat
moeder daarop te zeggen had was:
’Puh.’
Toch nam ze de
waarschuwing van Thea ter harte en tegen de tijd dat Sabine zo’n zes jaar later
haar communie deed had ze haar afkeer in banen weten te leiden. De moeder van
Thea was niet van plan om er meer woorden aan vuil te maken dan
noodzakelijk, maar niemand – in het bijzonder haar dochter Thea niet - hoefde moeder
uit te leggen dat de erfenis van een religieus verleden niet hetzelfde is als
inzicht in de tijdloze symboliek van de geloofsrituelen. Zo kende Thea haar
moeder tenminste weer.
HOOFDSTUK 16
Tegenwoordig
kijkt men op katholieke basisscholen zoals De Wielewaal – en ook Het
Kleurenpalet trouwens – niet op een religie meer of minder. Het merendeel van
de ouders van groep 4 van Sabine werd dan ook niet warm of koud van de
schriftelijke oproep tot de communie van de geestelijke leiding van de
parochiekerk. Ze legden de brief onverschillig naast zich neer. Daartegenover
raakten sommige islamitische ouders wel
van slag van het traditionele rooms-katholieke inschrijfformulier waarmee hun
kinderen kwamen aanzetten. Enkele moslims waren zelfs in hun eer aangetast. Wat
had dit te betekenen? Dalila, de moeder van een Marokkaans vriendinnetje van
Sabine, propte zelfs op de speelplaats het, zojuist van haar dochtertje
ontvangen, A-viertje ten overstaan van Thea demonstratief tot een balletje en
mikte het in de buitenafvalbak. Toen droeg Dalila nog geen hoofddoek. Ze is een
dochter van eerste generatie Marokkanen; en naar eigen zeggen in Nederland
geboren en getogen. Sterker nog: ze is in de witte wijk opgegroeid en schijnt
zelfs haar basisschooljaren op De Wielewaal gesleten te hebben. Haar dochter
Zarah zat vanaf het begin op De Wielewaal en in groep 4 bij Sabine in de klas.
Zodra de gelegenheid zich voordeed dan zochten de 2 meisjes elkaar
op. Nou schiep Thea er niet bepaald genoegen in om welke ontluikende
vriendschap dan ook in de kiem te smoren, maar als dat betekende dat ze
consequent haar mening voor zich moest houden ten opzichte van de islamitische
medelander, dan maar geen Marokkaans beste vriendinnetje voor Sabine. Thea was
niet van willens om van haar hart een moordkuil te maken en ze ventileerde
luidkeels:
‘Wat dit te
betekenen heeft? Heb je er eigenlijk wel bij stilgestaan dat De Wielewaal nog
steeds een roomse school is?’
‘Een wat voor
school!?’, hikte Dalila spottend.
Ze had meteen
lachers op haar hand.
‘Rooms-Katholiek’,
verduidelijkte Thea minzaam.
‘Geloof doet
niet ter zake’.
Deze insteek
in de conversatie was afkomstig van een vader die zich al herhaaldelijk aan
iedereen had voorgesteld als Gerrit Pronken. Hij was professor én
hoogleraar in de geschiedenis. Dat wist inmiddels dus iedereen. Hij was voor de
tweede keer getrouwd met een katholieke, veel jongere vrouw. Ze kwam uit één
van de Balkan landen. Wat je ver haalt is lekker. Zijn zoontje zat bij Walter
in de klas. Professor G. Pronken had er een handje van om zich bij voorkeur te
mengen in zaken waar hij alleen indirect iets mee te maken had.
‘Dat moet
uitgerekend jij vertellen’, smaalde Thea.
‘Wat moet
uitgerekend ik vertellen?’
De professor
koos voor defensieve actie alsof hij eigenlijk wilde zeggen:
‘Doe niet net
of je me kent; jij minkukel van een vrouwspersoon.’
‘Jij als oude
rot in het vak moet toch weten dat religie door de eeuwen heen wel degelijk ter
zake heeft gedaan.’
Thea was niet
van plan om zich zomaar aan de kant te laten zetten door een geleerde opa en
wat geamuseerde, simpele zielen op het schoolplein.
‘Iedere ouder
bepaalt zelf of hij of zij een kind ter communie laat gaan’, bestemde de
geleerde opa.
‘Ja’, vond
Dalila olijk en zogenaamd eensgezind met die bemoeizuchtige oude man.
Geëxalteerd
vervolgde ze met een schalkse knipoog:
‘Dat moet
iedereen toch zelf weten Thea.’
Met tegenzin
wist Thea voor de lieve vrede een zuur grimlachje op haar lippen te toveren.
Stiekem had ze steeds meer moeite met de moeder van Zarah. Dalila was zichtbaar
stukken jonger dan Thea en dat liet ze merken ook. Maar dat was niet de reden
van de antipathie die ze bij Thea opriep. Thea vocht een verloren strijd tegen
de grillige verborgen agenda van Dalila die aan ongrijpbare veranderingen en
onpeilbare stemmingswisselingen onderhevig was. Het soort pretenties dat door
sociaal debiele mannen ook wel uitgelegd wordt als ‘het fascinerende
gedragspatroon van de ondoorgrondelijke vrouw’. Een eufemistische manier om te
verbloemen dat niemand ooit wist waar hij of zij bij de typische, exotische
Dalila aan toe was. Ook Zarah en haar 2 oudere zusjes niet. Nog een zegen dat
de kinderen konden terugvallen op hun Marokkaanse oma die vaak in plaats van de
moderne Dalila in donkere gewaden en hijab aan de poort van De Wielewaal opdook
om haar kleinkinderen van school op te halen. Op het speelplein herenigde de
oma van Zarah zich meestal met thuislandgenoten die elkaar in de bescherming
van hun wapperende lappen onderling luidkeels begroetten met een onverstaanbare
Arabische tongval die geen buitenstaander duldde. Herkenbaar, éénkennig
groepsgedrag van De Kleine Beer en Het Kleurenpalet. Ook islamitische
medelanders doen dus niet voor elkaar onder. Zelden stond de oma van Zarah ook
weleens alleen op het speelplein in klederdracht op haar 3 kleindochters te
wachten tussen de casual geklede ouders. Ze leek op een ingeklapte, zwarte
parasol op een druk bevolkt, zonnig terras. Zarah schaamde zich dan altijd een
beetje voor haar afwijkende oma ten opzichte van Sabine en Thea. Maar de
grootmoeder van Zarah deed Thea juist nostalgisch aan haar eigen oma
terugdenken die op een gelijksoortige manier, in een lange astrakan – uit
vervlogen, betere tijden – en een hoedje, tot haar 92ste in weer en wind de
straten onveilig maakte. Heel soms, als de grootmoeder van Zarah niet vergezeld
ging van één van haar vriendinnen, placht ze de ongesluierde ouders om haar
heen wel te groeten door vriendelijk knikkend te glimlachen. Thea kon zich bij
dit markante wezen juist heel goed een verwante huiselijke kneuterigheid als
vroeger bij haar oma voorstellen. Bij zo’n flagrante sfeertekening
doet de klederdracht of het land van herkomst er helemaal niet toe.
Onder invloed
van het thuisfront was Zarah niet in staat om de minachting van haar
moeder Dalila voor de aanstaande communie van Sabine te verdoezelen. Op
dwingend verzoek van de zevenjarige Sabine nam Thea in de middagpauze
regelmatig klasgenootjes van school mee naar huis voor de lunch en Zarah was
meestentijds de gelukkige. Zarah was een charmant kind, met een rappe tong. Ze
was prachtig om te zien. Met een exuberante bos pikzwart haar en een gezellige
bolle toet met vurige hout kooltjes als mysterieuze blikvangers. Bij nadere
kennismaking ontpopte Zarah zich wel een beetje te lethargisch naar de smaak
van Thea. Zarah zou dan ook niet haar keuze geweest zijn, maar Thea was Sabine
niet. Sabine liet zich meestal geamuseerd overspoelen door de non-stop woordenstroom
van haar vriendinnetje. Het feit dat Zarah een moslima van Marokkaanse afkomst
is, begon pas een rol te spelen toen de communie van Sabine in aantocht was.
‘Ik ga morgen
ook met Sabine afpreken.’
Tijdens een
lunch op een dinsdag bij Thea aan de keukentafel probeerde Zarah de
woensdagmiddag alvast te reserveren.
‘Ja, maar
morgen heeft Sabine een afspraak’, sprak Thea namens haar dochter die net haar
tandjes in een broodje gezond had gezet.
‘Bij de
dokter?’
Zarah draaide
aan het deksel van de pot met honing.
‘Nee,
nieuwsgierig aagje’, lachte Thea.
‘Ze moet
oefenen voor haar communie’, lichtte Walter namens zijn zusje toe.
‘Wat is dat?’
‘Dan krijg je
veel cadeautjes’, antwoordde Sabine, terwijl ze een paar achtergebleven,
kleverige julienne peentjes om haar mond een handje na hielp op weg naar
binnen.
‘Ik doe ook
mijn communie als ik in groep 4 zit’, deelde Walter mee.
‘Waarom?’
Thea vond
Zarah schattig met haar donkere, peilloze, sprankelende kijkers op scherp in
dat onschuldige snoetje. Wat wist zo’n kind nou van verschillende religies;
laat staan van het verschil tussen de islam en het katholicisme? Krampachtig
probeerde Thea een zo eenvoudig mogelijk beeld van het traject van een
gemiddelde 7jarige communicant voor Zarah te verduidelijken:
‘Sabine gaat
vanaf morgen 12 weken lang elke woensdagmiddag naar de katholieke moskee.’
Niet alleen de
zevenjarige Zarah keek Thea aan alsof ze Koeterwaals sprak.
’Ik dacht dat
ik naar de kerk moest’, riep Sabine verontwaardigd uit.
‘Klopt, de
katholieke kerk.’
‘Dat is toch
geen moskee’, vond Zarah.
‘Nee, dat is
ook zo’, gaf Thea toe.
‘Zarah gaat
iedere zondag naar een school bij de moskee’, liet Sabine haar moeder voor de
goede orde even weten.
Tot voel- en
zichtbaar ongenoegen van Zarah.
‘O ja? Nou
daar leer je zeker over de koran? Morgen begint Sabine met eenzelfde soort
lessen. Maar dan over de bijbel. Samen met andere leeftijdgenootjes die straks
ook de communie doen.’
‘Dan mag ik
tosti’s eten’, vulde Sabine vrolijk aan.
‘Dat mag ik
allang’, pochte Zarah.
‘Nee, Sabine
je bedoelt hosties’, lachte Thea.
‘Wat zijn
hosties?’
Het gezicht
van Walter betrok.
‘Een hostie is
een klein stukje deeg dat in de kerk aan de katholieken wordt uitgedeeld
tijdens de dienst.’
‘Waarom?’,
wilde Walter vervolgens natuurlijk weten.
Ook namens
Zarah en Sabine die Thea nietszeggend aan zaten te kijken. Ondertussen pijnigde
Thea haar hersens over een kindvriendelijke uitleg van de katholieke
geloofsbelijdenis.
‘Mensen kunnen
niet zonder eten. Dus niet zonder brood. Maar ook niet zonder God. Dus eten de
mensen een hostie in de kerk omdat alleen maar hardop dankjewel zeggen zo karig
is.’
‘Is een hostie
niet vies?’, wilde Sabine zeker weten.
‘Het smaakt
naar snoeppapier’, realiseerde Thea zich ineens.
Tegelijkertijd
viel haar plotseling op dat Zarah zo in zichzelf gekeerd van haar honingboterham
pitste. Thea wilde Zarah niet buitensluiten en vroeg:
‘Hebben jullie
in de islam geen communie?’
‘Weet ik
niet’, fluisterde Zarah gereserveerd.
Voor Thea
reden genoeg om door te draven in haar poging om Zarah bij het gesprek te
betrekken:
‘Hoe heet dat
ook alweer in de islam; shahada toch? De geloofsbelijdenis? Krijg je daarom
elke zondag les van een imam? In het katholieke geloof noemden wij dat vroeger
de zondagsschool’.
Met die
opmerking hoopte Thea de aandacht van het pijnpunt af te leiden. Al begreep ze
ook niet precies waar de schoen wrong.
‘Er is maar
één God’, kondigde Zarah verward aan.
‘Je kunt de
islam en het katholicisme toch met elkaar vergelijken’, probeerde
Thea.
Ofschoon ze
vreesde dat ze veel te moeilijk deed voor drie kinderen uit de onderbouw van de
basisschool.
‘Sabine gaat
samen met een priester en andere kinderen verhalen uit de kinderbijbel lezen.
De bijbel is net zoiets als de koran.’
Zarah zat
heftig met haar hoofd te schudden en Thea begon zich te ergeren aan het taaie
kind. Walter pikte haar irritatie op en gooide nog wat olie op het vuur:
‘De
katholieken; dat zijn toch de beste mam?’
Om niet in
lachen uit te barsten nam Thea een slok van haar koffie. Walter had haar weer
met beide benen op de grond gezet.
‘Welnee’,
beweerde ze ginnegappend.
‘Ik wil niet
in de kinderbijbel lezen; ik wil met Zarah spelen!’, meldde Sabine onverwacht.
‘Ach joh; je
gaat het best leuk vinden.’
Thea moest
toch iets zeggen.
‘Koranlessen
zijn zo erg.’
Dat was Zarah.
‘Je moet
Arabisch lezen. Da’s andersom. Van bladzijde 2 naar bladzijde 1 en beneden
beginnen tot naar boven.’
‘Echt?’
Walter
geloofde er niks van en Sabine hing aan de lippen van Zarah.
‘Niet waar
toch mama?’, vond Walter.
‘Ik geloof
Zarah wel hoor’, antwoordde Thea diplomatiek.
‘Moet ik ook
abracadabra lezen?’
Door toedoen
van Zarah gedroeg Sabine zich alsof ze door haar moeder in een val gelokt was.
‘Je hoorde
toch wat Zarah net zei?’
‘Wat dan?’,
vroeg Walter bedremmeld.
Met kinderen
over religie praten is onbegonnen werk. Ergo; over het geloof praten met wie
dan ook is sowieso geen beginnen aan. Thea gaf zich gewonnen.
‘Zarah zei net
dat de koran en de bijbel niet hetzelfde boek zijn. Dus de communie zal ook wel
totaal anders zijn dan de shahada.’
Niet zo gek
dus dat Thea compleet werd overvallen door de reactie van Zarah die prompt na
het laatste islamitische woord, als een muis met een kat in het vizier, van
tafel schoot en in het gangtoilet te verdween. Met een klik liet ze het
ludieke, vooroorlogse deurslot in de bezetstand vallen. Een half uur later zat
Zarah nog op de w.c.. Aan de piepgeluiden te horen speelde ze het spelletje
‘blokken’ ook wel bekend als ‘tetris’ op een préhistorisch gamecomputertje van
Bart dat hij in een ladekastje in de hoek van het toilet bewaarde. Het was
bedoeld voor algemeen gebruik. Laat zo’n niet religieus spelletje nou
verslavend zijn zonder aanschijns des persoons.
In groep 4 van
25 kinderen deden, naast Sabine, och arme twee andere kinderen de communie. Een
jaar later was de oogst nog kariger. Walter ontpopte zich als de enige
vertegenwoordiger van De Wielewaal in het kerkclubje met geloofsgenootjes. De
rest werd geworven op andere basisscholen verdeeld over de hele stad. In het
katholieke achterland van Bart en Thea in de jaren 60 en 70 werd het volledige
communicantenbestand in de parochie zonder uitzondering door hun toenmalige
‘tweede klas’ bezet. Daar ontkwam pak weg veertig jaar geleden geen katholieke
basisschool aan. Dan had Pater Ward het in de 21ste eeuw een
stuk moeilijker. Pater Ward was echter Godzijdank voor geen kleintje vervaard en wist zowel
voor de communieronde van Sabine als, het jaar daarop, van Walter, her en der
12 kinderen bijeen te sprokkelen voor de katholieke geloofsbelijdenis. Zonder
zich verder af te laten leiden door de sociale media kweet pater Ward zich
vervolgens geestdriftig aan zijn taak. Tot op de dag van de communie bleef
pater Ward het woord van God verkondigen aan de gerekruteerde 7 tot 8jarigen.
Tijdloos en universeel. Met de nodige terughoudendheid stond Thea dan ook met
Sabine aan haar hand voor de open poorten van de kerk. Mocht er pure devotie
van haar verwacht worden dan kon ze de communie van haar kinderen wel vergeten.
Thea was gedoopt. Ze had haar communie gedaan en ze was gevormd. Hier hield
haar conformisme aan het uiterlijke geloofsvertoon op. Bart en zij waren niet
voor de kerk getrouwd, maar gaven elkaar het jawoord in het plaatselijke
stadhuis op een doordeweekse, druilerige werkdag in september. Bij de keuze van
de huwelijksdatum speelde vooral de slogan ‘donderdag gratis trouwdag’ van de
gemeente een de doorslaggevende rol. Ondertussen verschoonde schoonmoeder thuis
de piepkleine Sabine die toen net 4 weken en 6 dagen op de wereld was. Thea had
geen maagdelijk, witte trouwjurk en Bart foeterde in de file op weg naar de
plechtigheid dat hij het weer, verkeer en het hele gedoe ‘3 keer niks’ vond.
Zodra er evenwel een kind of meer in het spel is dan blijkt een huwelijk gewoon
op alle fronten praktischer dan een samenlevingscontract. Met of zonder
kerkelijke inzegening. Maar Sabine en Walter moesten wel gedoopt worden en de
communie zou er bij beiden ook komen. Ondanks de scepsis van bijna alle
familieleden. Vanalles hadden ze van Bart en Thea kunnen verwachten, maar geen
zedig doopsel of de heilige communie van hun kroost. Zeker niet na die sobere
trouwerij. Eén van de zussen van de vader van Thea was het meest begaan met het
religieuze lot van Sabine en Walter. In haar jonge jaren was tante Agnes non
geweest. Haar habijt had ze al decennia terug ingeruild voor een huwelijk met
oom Vincent. Toen echter het massale seksuele misbruik van minderjarige
parochianen door geestelijken binnen de katholieke kerk publiekelijk aan het
licht kwam, had tante Agnes het naar eigen zeggen voorgoed gehad met het
katholicisme. En eigenlijk ook wel met iedereen die haar rigide opvattingen
niet terstond deelde. Desondanks hielden Thea en Bart vast aan hun overtuiging
dat kinderen gebaat zijn bij inzicht in het concept van een geloof. Zij waren
niet meer opgegroeid met hel en verdoemenis zoals tante Agnes.
Bart had zich als koorknaap voor eeuwig laten inpalmen door de
pracht en praal van de katholieke kerk. Ook roomse geloofsrituelen blijven hem
fascineren en rangschikken de memorabele geluksmomenten uit zijn kindertijd. En
Thea koestert zoveel warme herinneringen aan haar oma met haar devotie voor
‘ons lief heertje’ en haar levenslange vrije interpretatie van de catechese dat
ze haar kinderen een kijkje in de vindingrijke keuken van het katholicisme niet
wilde onthouden. Opdat ze opgroeien met het besef dat religie niet
als machtsverklaring van een God bedoeld is, maar dat geloof voortvloeit uit
een gemeenschappelijk onderbuikgevoel, waarvan jong volwassenen op eigen
initiatief al dan geen afstand kunnen nemen.
Pater Ward gaf
al tijdens de eerste ontmoeting met de groep blijk van het soort natuurlijke
overwicht op kinderen waar menig leerkracht jaloers op mag zijn. Toch vroeg hij
om ouderhulp tijdens de bijeenkomsten op woensdagmiddag in de weken tot aan de
datum van de communie. En alsof dat nog niet genoeg was, werd hij permanent
bijgestaan en op de voet gevolgd door ene Ingrid. Ingrid was een onwrikbaar,
kerkelijk in de echt verbonden moeder van 3 kinderen. Ingrid straalde
ouderwetse deugd, gemeenschapszin en vroomheid uit. Wat overigens niet per
definitie volgzaam gedrag impliceert. Ingrid aanbad God. Uit naastenliefde
betuttelde ze pater Ward, zijn communicanten en andere betrokkenen. Kortom:
haar medemensen. En dat allemaal op vrijwillige basis. Pater Ward liet de
bedillerige Ingrid tot op zekere hoogte tegen zich aanleunen, maar hij was
duidelijk de gezagdrager. Hij was er het type niet na om aanbeden te willen
worden en je zag dat hij de bemoedering van Ingrid moeiteloos in banen wist te
leiden. Prijzenswaardig voor een man die nog nooit een seksuele relatie met een
ander heeft gehad. En zo wel dan toch héééél lang geleden. Als het goed is.
Thea vermoedde dat pater Ward met Ingrid aan zijn zijde onder meer de slechte
reputatie van de katholieke kerk wenste op te krikken. Ingrid gold als
een geloofwaardige toezichthoudster op het transparante optreden van
pater Ward. Door ouders zoveel mogelijk bij de religieuze kinderkransjes te
betrekken hoopte hij ze over de achterdochtige streep te helpen. Thea was dan
ook vaak van de partij. Maar niet omdat ze bang was voor seksueel misbruik van
Sabine of Walter door pater Ward. Nee, Thea was eerder huiverig voor
uitsluiting door onaangepast gedrag van haar kant. Mede door de aanwezigheid
van de karakteristieke, moederkloekerige huishoudster alias gouvernante in een
modern jasje, oftewel Ingrid, zag ze de welbekende kritische bui van Het
Kleurenpalet en De Wielewaal over Sabine en Walter al weer hangen. Het hele
riedeltje van steken onder water zou de revue uiteraard opnieuw kunnen
passeren. De mankerende taalontwikkeling zou het voorlezen in de kerk door
Sabine of Walter wel weer in de weg staan. En je zou zien dat de kinderen van
Bart en Thea natuurlijk niet stil konden zitten in de kerk omdat Sabine en
Walter algemeen bekend voor galg en rad opgroeiden in die achterstandswijk en
dat ze dan van Ingrid een voorbeeld moesten nemen aan de andere,
voorbeeldige communicanten uit de betere buurten van de stad. Wie
weet begon Walter wel ineens te slaan, omdat hij te snel geïrriteerd raakte van
alle voorbeeldige kindjes om hem heen. Dus was Thea op haar hoede, in de buurt
en te allen tijde bereid om zich als bastion van vrijzinnigheid voor Sabine en
Walter op te werpen.
Onterecht. De
tweewekelijkse kerkbezoekjes op woensdagmiddag werden net zo vertrouwd voor de
2 kinderen van Bart en Thea als de visites aan de 2 alleenstaande oma’s om de
14 dagen. Verplichte nummertjes, maar niet vervelend en bij de oma’s meestal
bezegeld met speelgoedcadeautjes en andere verwennerijen voor Sabine en Walter.
De oma’s waren lief en zorgzaam. Ieder op hun eigen manier. Zo ook pater Ward
en zelfs Ingrid. Pater Ward kon inspirerend prachtige verhalen uit de
kinderbijbel vertellen en Ingrid zorgde tijdens elke bijeenkomst voor snoep,
koeken en limonade. Als vanzelf hervonden Sabine en Walter zichzelf in een
tolerante, kleine gemeenschap van communicanten waarin de kinderen onderling
net zo van elkaar verschilden als in de groepen van De Wielewaal. Zelfs Bruce
uit de klas van Sabine die ook deelnam aan de voorbereidingen op de eerste
heilige communie viel niet buiten de boot. En dat terwijl het doopsel er na
zijn geboorte vanwege vechtscheidingsperikelen bij was ingeschoten. Met
plaatsvervangende schaamte hoorde Thea op de speelplaats het verloop van de
huwelijksbreuk uit de gedetailleerde bron van de hoogblonde moeder van Bruce
aan. Janet was 4 maal getrouwd geweest en even zoveel keer gescheiden van 4
verschillende Antilliaanse mannen van wie ze elk een kind had. Haar eerste zoon
kwam ernstig geestelijk gehandicapt ter wereld; gevolgd door haar 2 mooie
meiden en tenslotte het perfecte wenskindje; Bruce. Een knap, getint jongetje
dat precies even oud is als Sabine. Op 7 jarige leeftijd schept een gedeelde
verjaardag een band en Bruce speelde dan ook weleens bij Bart en Thea thuis,
omdat Sabine als klein meisje nou een maal iedereen en alles mee naar huis
sleepte. Uit zichzelf ging Bruce nooit weg en Janet was slecht ter been, omdat
ze naar eigen zeggen leed aan allerlei onduidelijke, ongeneselijke aandoeningen
en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Daarom was Thea genoodzaakt om vriendje
Bruce bij iedere voorgenomen speelgelegenheid te halen en brengen. Omdat Thea
echter zelf ook nog een leven heeft, probeerde ze de speelmomenten tussen Bruce
en Sabine tot het minimum te beperken. Tot onbegrip van Janet. Als reactie op
de terughoudendheid van Thea verspreidde zij de roddel op De Wielewaal dat de
ouders van Sabine met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid racisten
waren. Bruce was immers een halfbloedje en ook nog eens hoogbegaafd. Dat kon
gajes als Bart en Thea natuurlijk niet uitstaan. Vieze uitkeringstrekkers met
die vechtmachine als zoon. Die Walter dus die ze op een kwaliteitsschool als De
Wielewaal openlijk van Wonderwilma lieten profiteren. Die Tokkiefamilie die
huisden in die verpauperde gelukszoekersbuurt; vol met Turken en Marokkanen en
andere minderwaardige buitenlanders.
Op een dag zag
Thea geen kans om Bruce rond etenstijd naar huis te brengen en ze had ook geen
zin om hem weer aan de eettafel aan te laten schuiven. Bruce at voor 10.
Desondanks had hij altijd kritiek op wat hij van Thea voorgeschoteld kreeg. Hij
hield niet van ‘Hollands’ eten.
‘Dan breng ik
je wel even naar huis. Dan eet je daar lekker Antilliaans’, sneerde Bart.
‘Sabine; jij
rijdt even met papa en Bruce mee’, gebood Thea.
Bij Bart was
de maat duidelijk vol en dan kon hij nogal kort door de bocht reageren. De
directe aanwezigheid van Sabine zou hem afremmen. Bruce kon zijn schoenen niet
vinden. Afgeleid kroop hij terug op een krukje naast Walter achter de
gamecomputer.
‘Trek je
schoenen eens aan Bruce’, beval Thea vanachter het fornuis.
‘Ik blijf hier
eten’, talmde Bruce.
‘Ik dacht het
niet!’, donderde Bart.
Gealarmeerd
begon Sabine aan de arm van Bruce te sjorren:
‘Kom nou
Bruce.’
Bruce
verroerde zich pas toen Walter vanaf zijn gamecomputer reageerde:
‘Ga naar huis
Bruce; je kunt toch niet van mij winnen!’
Bruce sloeg
liever op de vlucht dan zijn nederlaag te erkennen en Thea zou Thea niet zijn
als ze weer eens geen medelijden had.
‘Hij is pas 7
jaar. Hij kan er niets aan doen!’, riep ze Bart op weg naar zijn auto nog na.
Bart smakte
het portier van zijn Citroen onnodig hard dicht. Sabine en Bruce kropen naast
elkaar op de achterbank. In woonwijk van Bruce aangekomen realiseerde Bart zich
ineens dat hij geen idee had van het huisadres van het vriendje van zijn
dochter.
‘Waar woon je
precies Bruce?’, vroeg hij zo neutraal mogelijk.
‘Weet ik
niet’, grijnsde Bruce in de achteruitkijkspiegel.
‘Dat weet je
wel!’, beweerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Mama en ik
hebben jou al zo vaak naar huis gebracht. Ik weet het zelfs’, vervolgde Sabine
bestraffend.
‘Is het nog
ver? Welke kant moet ik op? Het lijkt hier wel een doolhof’, wilde Bart met
groeiend ongeduld weten.
‘Nog maar 3
straten of zo; je moet hier afslaan, toch Bruce?’, probeerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Hallo, Sabine
vraagt je wat Bruce!’, daverde Bart vanachter het stuur.
‘Ik ben het
vergeten’, bokte Bruce plagerig.
Met een harde
knal raakte de uitlaat van de Citroen de rand van een verkeersdrempel.
Onbesuisd ging Bart vol op de rem.
‘Eruit’, beval
hij.
Bruce bleef
zitten waar hij zat en keek star voor zich uit. Sabine besloot haar vader
behulpzaam te zijn, omdat ze ook niet snapte wat Bruce bezielde. Hij was vlak
bij zijn woonhuis. Dat wist ze wel.
‘Je moet hier
uitstappen en zelf naar huis lopen Bruce. Het is niet ver. Weet je nog?’,
probeerde Sabine voorzichtig.
Haar rustige
aanpak had succes. Terecht gewezen vond Bruce zijn weg uit de auto en maakte
dat hij weg kwam. Hij liet een donkere, natte vlek achter op zijn voormalige
zitplaats naast Sabine op de gestoffeerde licht blauwe achterbank van de
Citroen. Bruce had in zijn broek geplast.
‘Waarom doet
hij dan ook zo vervelend’, pruttelde Bart schuldbewust na, terwijl hij met een
plantenspuit gevuld met verdunde spiritus en een duizend dingen doekje in de
weer ging.
‘Je moet hem
maar niet meer te spelen vragen’, vond Thea.
Berustend had
Sabine gegiecheld:
‘Na vandaag
durft hij vast niet eens meer’.
Het ongelukje
van Bruce wierp Thea in gedachten terug naar de herfstvakantie uit
die periode. Sabine was net 7 en Walter 6. Ze mochten alle twee een vriendje of
vriendinnetje uitnodigen voor een hele dag plezier in Monkeytown; een
indoorspeeltuin. Sabine koos voor Ronnie en Walter voor Tim. Dat Tim op het
laatste moment verhinderd was, zal wel weer aan mama Jenny gelegen hebben. Het
leven is echter te kort om overal heisa van te maken en dus belde Thea in de
gauwigheid alle klasgenootjes van Walter net zolang totdat ze een
plaatsvervanger voor Tim bereid had gevonden om met Walter mee te gaan naar
Monkeytown. Elfie werd de gelukkige. Haar vader was psychiater en haar moeder
psycholoog. Het prototype van een vlot koppel dat zich voordeed als een
ruimdenkend stel. Thea vond het wel meevallen. Zo sprak het feit dat het
echtpaar openlijk wegliep met meester Gijsbert wat haar betreft niet in hun
voordeel. De moeder van Elfie had eens langs haar neus weg tegen Thea
opgemerkt:
‘Ik zou me
niet zo druk maken over Walter. Gijsbert is erg goed met onhandelbare
kinderen.’
Thea hapte
meteen:
‘Ik weet niet
wie jij onhandelbaar vindt; maar Walter is in ieder geval niet onhandelbaar.’
Met een
minzaam knikje onthield de moeder van Elfie zich van verder commentaar, maar de
grote psychiater en vader van Elfie vond het nodig om het hardnekkige
vooroordeel, dat over Walter op De Wielewaal de rondte deed, er bij Thea nog
eens extra in te wrijven.
‘Goed visweer
vandaag!’
Zijn leuke
opmerking was eigenlijk gewoon een verkapte instemming met de kromme mening van
zijn vrouw de psychologe. Enfin Elfie had haar ouders niet uitgezocht. Het was
een grappig meisje en ze kon prima met Walter opschieten. Zo had Walter ook een
introducee voor Monkeytown. Bart had een vrije dag thuis voor zichzelf en Thea
nestelde zich met haar ereader en een thermoskan aan een tafeltje in de
indoorspeeltuin in de buurt van het uitgelaten grut. Monkeytown bood een grote
apenkooi met spring- en luchtkussens; klimtouwen, schommels, een ballenbak,
raceautootjes; kortom prima toeven op een lange, druilerige herfstvakantiedag
voor 4 energiebommetjes. De kinderen zagen rood van de pret en opwinding. Wel
fluisterde Sabine al na een uur in het oor van Thea:
‘Volgens mij
heeft Elfie in haar broek geplast.’
‘Vast niet.’
Thea stelde
vooral zichzelf gerust, want ze had geen schone broek bij zich. Sabine en
Walter waren misschien niet de snelsten van hun generatie, maar op de leeftijd
van 6 en 7 jaar waren ze toch echt zindelijk. Voor de zekerheid besloot Thea de
eerst volgende keer om Elfie toch maar even aan haar tengere bovenarmpje tegen
te houden tijdens haar oeverloze stormgangetjes van en naar de ballenbak. Op
het bipsgebied van het spijkerbroekje prijkte een donkere, zichtbaar doorweekte
vlek.
‘Je hebt in je
broek geplast Elfie’, constateerde Thea nuchter.
‘Weet ik’,
antwoordde Elfie diffuus en weg was ze weer.
Op dringend,
telefonisch verzoek van Thea moest Bart zijn vrije tijd opofferen om op te
komen draven met een droge onderbroek en een jeans van Sabine die hij echt niet
zonder een zoektocht door de kledingkast van zijn dochter en de nodige
instructies van zijn vrouw gevonden had. Daar kwam nog bij dat een ritje naar
en van Monkeytown bij elkaar een uur rijden in beslag nam.
‘Sorry’, zei
Thea toen Bart eindelijk gearriveerd was.
Bij de ingang
van Monkeytown had Bart ook nog eens gelazer gehad, omdat hij geen
toegangsbewijs kon laten zien.
‘Ik baal hier
dus van’, mopperde goedzak Bart.
De jeans van
Sabine was Elfie veel te groot. Niemand had een riem voorhanden. Een inventieve
receptioniste van Monkeytown kwam met het idee om een grijze vuilniszak in
reepjes te knippen. Gezamenlijk vlochten en knoopten de dames een
plastic ceintuur die ervoor zorgde dat de schone jeans van Elfie niet steeds op
half elf hing tijdens het ravotten.
‘Waar is je
Eager Beaver!’, gruwelde de moeder van Elfie meteen nadat ze de voordeur
opende.
‘Ik kan niet
bij de bel’, had Elfie gejammerd, omdat Thea haar eigenlijk alleen maar voor
haar huis had willen afzetten.
Het was leuk
geweest in Mokeytown. Naarmate het einde naderde was Elfie wel steeds meer in
zichzelf gekeerd geraakt. Ze was moe gespeeld natuurlijk en begon spontaan te
huilen toen ze haar moeder in de deuropening vol afschuw de handen voor de mond
zag slaan.
‘Ze heeft in
haar broek geplast’, suste Thea op een toontje waarmee ze eigenlijk wilde
zeggen:
‘Stel je niet
zo aan mens.’
Tegelijkertijd
reikte ze de moeder van Elfie een plastic zak aan:
‘Hier is je
Eager Beaver.’
Anders had ze
de natte spijkerbroek echt wel aan Elfie meegegeven. Ze was niet van plan om
ook nog de was te doen voor mevrouw. Psychologe of niet.
‘Naar boven
jij, douchen’, grauwde de moeder van Elfie.
Met een
klaaglijk jankgeluid als van een gewond diertje stormde Elfie de trap achter
haar moeder, die nog in de hal bij de voordeur stond, op. Wat een domper op het
eind van een leuke herfstvakantiedag.
‘Ze heeft toch
niet expres in haar broek geplast’, getuigde Thea verbouwereerd.
‘Natuurlijk
heeft ze dat wel expres gedaan’, gilde de moeder van Elfie hysterisch.
Inhalig griste
ze de plastic tas uit de hand van Thea waarna ze de voordeur met een klap
dichtsmeet. Pal voor de neus van Thea die zich voor de zoveelste keer
overvallen wist door haar eigen naïviteit.
Om
Indianenverhalen te voorkomen probeerde Thea de valse sanitaire stop van Bruce
in de Citroën van Bart wat tactvoller aan te pakken dan het
plasincident van Elfie in het speelparadijs. Bart bedoelde het niet zo kwaad.
Al zou hij dat zelf nooit toegeven. Thea kon zich niet voorstellen dat Bruce
zijn natte broek thuis voor zijn moeder verborgen had weten te houden. Voordat
de opstelling van Bart publiekelijk aan de kaak gesteld zou worden, had Thea
graag haar kant van het verhaal uit de doeken gedaan. Toch ontweek Janet een
eventuele evaluatie van het plasincident op alle mogelijke manieren. Misschien was ze bang voor een schadeclaim
vanwege de urinevlek die Bruce op de zitting van de achterbank van de Citroën
van Bart wel moest hebben achtergelaten. Ontmoedigd door het ontwijkgedrag van
Janet, gaf Thea uiteindelijk haar pogingen om het roddelletsel voor Bart te
beperken maar op.
‘Laat ze toch
denken en zeggen over mij wat ze willen’, vond Bart en hij meende wat hij zei.
Maar Thea werd
er pas wat geruster op toen duidelijk werd dat Janet deze keer eens niet
gebruik maakte van de mogelijkheid om de papa en mama van Sabine bij de ouders
van De Wielewaal nog zwarter te maken dan ze figuurlijk gezien al waren. Janet
had het ineens veel te druk met belangrijkere zaken om zich met roddel en
achterklap bezig te houden. Pater Ward van
de communicantenbegeleiding gaf hiertoe de aanzet. Bruce zou op
korte termijn namelijk gedoopt worden. Bruce moest gedoopt worden, want anders
kon hij zijn communie niet doen. Precies hetzelfde gold voor Miranda; dat
andere kind uit groep 4 van De Wielewaal dat samen met Bruce onder toeziend oog
van, onder meer, alle aanstaande communicanten en hun aanhang tijdens een
officiële, zondagse kerkdienst gedoopt zou worden.
De 7jarige
Miranda droeg een witte jurk ter gelegenheid van haar doopfeest. Een lang
voluptueus, strapless gewaad dat werd opgevuld met een petticoat en een
voorgevormde b.h. met kanten schouderbandjes. Net als Bruce heeft Miranda een
donkere vader en een blanke moeder. Ook haar ouders zijn gescheiden. Toch
schiepen deze overeenkomsten geen band tussen de moeders van Bruce en Miranda.
Ten eerste bestond er een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de 45 jarige
Janet en de 25 jarige moeder van Miranda; Dolly genaamd. Ten tweede fluisterde
Miranda in elk luisterend oor dat haar echte vader een moslim is en in Marokko
woont. Nou zoog Miranda wel meer uit haar duimpje. Zowat iedereen die haar
ontmoette ontkwam niet aan haar levendige fantasie en andere symptomen van
vermoedelijke ADHD, maar Thea zou niet weten waarom dit specifieke,
fabelachtige verhaal niet op waarheid zou kunnen berusten. Waarom was Miranda
anders nog niet gedoopt, terwijl moeder Dolly wel serieus van plan was om haar
dochter de communie te laten doen? Moeder Dolly leek wel verdacht veel op zo’n
hypermoderne twen die haar neus echt niet ophaalde voor een multiculturele
oriëntatie op liefdesgebied zonder zich het hoofd te breken over futiliteiten
zoals verschillende religieuze achtergronden. En dat Miranda niet al te vaak op
de bijeenkomsten ter voorbereiding van de communie verscheen was nog tot daar
aan toe. Maar toen Dolly en haar dochter het op een gegeven moment zelfs lieten
afweten op een speciale bijeenkomst in de kerk, waarbij aanwezigheid van
betrokkenen toch een vereiste van Ward geweest was, greep de pater in het
bijzijn van alle aanwezigen ongevraagd naar de mobiel van zijn rechterhand
Ingrid. Met een verbeten blik hield hij de telefoon aan zijn oor. Hij kreeg de
voicemail. Thea zat toevallig tegenover pater Ward aan tafel. Lacherig en
merkbaar opgelaten praatte hij de ingesproken boodschap na:
‘We zijn er
niet en als we er wel zijn dan nemen we de telefoon lekker toch niet aan.’
Toch kon de
moeder Dolly niet anders dan van huis uit katholiek zijn. Dat werd wel
duidelijk uit de stoet verwanten die routinematig achter het sprookjesprinsesje
- dochter Miranda - de kerk in hobbelden. Twee kleinere uitvoeringen van
Miranda droegen de voile sleep die als een vitragegordijn uit haar kunstig
gekapte kroeshaar ontsproot. Sabine wist niet wat ze zag en ook niet wat ze
moest vinden. Ze stond naast Thea in de kerkbank en fluisterde:
‘Okay?’
‘Wil je ook
zo’n prinsessenjurk; straks met je communie?’, grapte Thea binnensmonds.
‘Hoeft niet’,
twijfelde Sabine.
Bart stond 2
plaatsen verwijderd van Sabine in de kerkbank. Voor Walter langs wendde hij
zich tot zijn dochter en fluisterde plagerig:
‘Je weet in
ieder geval zeker dat je te kijk loopt in zo’n jurk.’
Sabine schrok
er van:
‘Doe dan maar
niet.’
Walter besloot
zich ook in de conversatie te mengen:
‘Moet ik nou
weer net zo lang stilzitten in de kerk als laatst bij de vader van
Tim?’
‘Je kunt
anders ook doopsuikerzakjes vullen bij Ingrid en de kleutertjes in de refter?’,
stelde Bart bevallig voor.
‘Misschien
moet ik dat maar doen’, zei Walter ook nog.
Maar hij bleef
braaf in de kerkbank staan. Met rechts van hem in het gelid zijn vader
opgesteld en links van hem zijn moeder en zusje. Totdat hij in navolging van de
andere bezoekers eindelijk kon gaan zitten. Net als Sabine hield hij de
doopviering ternauwernood vol. Hij werd er merkbaar niet vrolijker van. Het
uitzicht van de uitzinnig uitgedoste Miranda maakte de bezoeking voor jonge
kinderen nog enigszins draaglijk. Ook Bruce was een bezienswaardigheid. Hij
droeg een driedelig glanzend grijs kostuum met alles erop en eraan.
‘Miranda en
Bruce gaan trouwen’, zwijmelde Sabine.
‘Ze worden
gedoopt toch?’, aarzelde Walter.
Die sjieke
outfit van Bruce had Janet met hulp van het halve ouderbestand van
De Wielewaal op de kop kunnen tikken voor 750 euro. Op een zeker moment stond
bijna iedereen in hilarische stemming op het speelplein met de mobiel in de
hand te googelen onder luid gelamenteer van Janet omdat ze almaar niets naar
haar gading voor de doop van Bruce kon vinden. Janet had totaal niet in de
gaten dat ze zichzelf belachelijk maakte met haar pretentieuze zoektocht naar
passende communiekleding.
‘Ik zoek ook
even gezellig mee. Het mag wat kosten, heb ik begrepen’, ginnegapte een vader.
‘Geef je ook
een afterparty, lieve schat?’, riep een tweede lolbroek uit het groepje ouders
naar Janet.
Op een
afstandje van het kliekje koesterde Janet de gefingeerde betrokkenheid om zich
heen. Zomaar ineens leefde ze in de waan dat ze in het middelpunt van de
belangstelling mocht staan. Thea probeerde Janet af te leiden van de
pesterijtjes door haar een paar goedbedoelde, serieuze zoeksleutels aan te
bieden. Ze drong zich op de voorgrond en verwees Janet via haar mobiel door
naar enkele van haar online contacten die ze had weten op te doen dankzij haar
webshop in vintage spullen. Janet nam niet eens de moeite om interesse te
veinzen. Ze gaapte verveeld en lonkte naar andere moeders en vaders op wie ze
zo nodig indruk moest maken. Ze koos ervoor om Thea verder te negeren en
zodoende een gebaar te maken naar de kudde.
‘Kom gerust
langs.’
Vol branie had
Janet iedereen op de speelplaats uitgenodigd op het doopfeest van haar zoon.
‘Horen jullie
dat? Iedereen is uitgenodigd. Gratis eten en drinken; Janet betaalt’, joelde de
nar van het gezelschap.
‘Hier. Ik heb
iets gevonden!’, gilde een moeder.
Hysterisch
zwaaide ze met haar mobiel in de lucht:
‘Een
glitterpak; bij een herenmodezaak; maat 176.’
‘Laat zien’,
commandeerde Janet opgewonden.
‘Wat kost
het?’, vroeg weer iemand anders.
‘750
eurootjes’, proestte de grappige moeder.
‘Mijn trouwpak
kostte nog niet eens 750 euro’, voegde iemand ongevraagd aan de conversatie
toe’
‘Wij
katholieken kijken niet op een paar eurootjes, toch Janet?!’, spotte de nar van
de speelplaats op misleidende toon, terwijl hij Janet quasi vriendschappelijk
porde.
‘Wat een gaaf
pak’, kirde Janet.
Ze was
stekeblind voor de ironie. Janet werd uitgelachen en niet toegelachen en Thea
stond machteloos.
‘Laat mij een
kostuum voor je regelen, Janet. Ik kan je veel geld besparen’, probeerde Thea
nog tevergeefs.
‘Goedkoop is
duurkoop’, snoof Janet.
Ze haalde haar
neus op voor Thea. Letterlijk en figuurlijk. En de andere moeders moesten Janet
hierin toch wel gemeend gelijk geven. Helaas. Pindakaas Thea! Het doopkostuum
van Bruce waarvoor Janet dus uiteindelijk 750 euro betaalde, kon immers ook
dienen als communiepak. Ter kostenbesparing. Het gevolg was wel dat Bruce werd
overtroffen door Miranda, want zij droeg op haar communie niet hetzelfde als
tijdens haar doop. Voor de tweede keer in zijn haute couture gehuld,
stak Bruce bijna jammerlijk af naast Miranda in een communiejurk die nog
uitzinniger en extravaganter was dan haar doopjurk. Roze getint dit keer met
een popeline lange ballonrok bezaaid met honderden kleine handmatig bevestigde
satijnen roosjes; een strak met veters ingeregen fluwelen corselet als
bovenlijfje met baleinen en afhangende pofmouwtjes. Het geheel werd afgemaakt
met witte operahandschoenen. Sabine vond het plaatje van Miranda ontzaglijk
mooi, maar voelde zich toch veiliger in een comfortabele streetlook van
Supertrash. Sabine leek op zichzelf, maar dan pas gewassen en gestreken. Maar
juffrouw Dorien van De Wielewaal was duidelijk teleurgesteld.
‘Dit is toch
zeker niet jouw communiejurk, Sabine?’, vroeg ze tam naar de bekende weg in de
ontluistering van een schoolse maandag na het weekend van de communie.
Juffrouw
Dorien had natuurlijk gehoopt op een tweede spektakel a la Miranda. Eerder die
morgen was Miranda al met veel bombarie in haar roze communiegewaad op school
verschenen. Aangemoedigd door de meesmuilende opperouders in de gangen van De
Wielewaal, was het onderwijzend personeel net pas bijgekomen van het
schouwspel. Miranda hing nu in afwachting van aanvang van de lessen, bedolven
onder het popeline van haar sprookjesjurk, ondersteboven aan het klimrek op de
speelplaats. Ze droeg een kanten onderbroek met lange pijpjes. Haar
operahandschoenen slingerden in de zandbak. Het onderwijsteam van de Wielewaal
had zich graag een tweede keer op een maandagmorgen willen verkneukelen over en
vergapen aan een heuse communicant. Niet verkeerd oppakken hoor! Maar Sabine
was geen toetje op de sluimerende exaltatie. Ze viel alleen maar op omdat ze
hippe, frisse, nieuwe kleding droeg, waarvan de herkomst duidelijk niet uit een
confectiezaak was. Een outfit die Thea uiteraard voor een kwart van de
vraagprijs via haar slinkse, online wegen op de kop had weten te tikken. Op
dezelfde manier vond Thea een jaar later ook een communiepak voor 25 euro voor
Walter. Voor zover Thea kon inschatten was het kostuum praktisch identiek aan
het communiepak van Bruce dat 750 euro had gekost. Een enorm prijsverschil dat
Thea ook maar moeilijk kon geloven. Het enige onderscheid leek de kleur te zijn.
Het kostuum van Walter was glanzend zwart in plaats van glanzend grijs. Niemand
van De Wielewaal geloofde Thea. Niemand van De Wielewaal nam dan ook de moeite
om de outfit van Walter tijdens zijn communie in de kerk een jaar later te
vergelijken met het kostuum dat Bruce twaalf maanden eerder had gedragen.
Walter voelde ook geen behoefte om zijn communiekleren op school te showen.
Nauwelijks een half jaar verder was Walter nog net niet ver genoeg uit zijn
communiepak gegroeid om niet te kunnen stralen op het kerstdiner van groep 5.
Drie maanden later legde Thea de boel nog een keer uit. Voor carnaval. Zodat
Walter als gangster of maffiabaas verkleed kon gaan. Tot zover het communiepak
van Walter ter waarde van 25 euro.
Op de avond
van de kerstviering van de groepen - 6 - van Sabine en - 5 - van haar broer,
beklom Walter dus in het volle ornaat van zijn communiepak naast zijn zus en
achter Thea de trappen van De Wielewaal. Zij wisten toen nog niet dat zij op
dat moment op de voet gevolgd werden door moeder Janet en zoon Bruce die ook op
weg waren naar het kerstdiner. Alsof de duivel ermee speelde. Bruce droeg geen
kostuum, maar een spijkerbroek op een wit overhemd met een vlinderstrikje en
een jacquet. Janet was nog niet goed en wel op de eerste verdieping gearriveerd
of ze schoot Thea aan:
‘Dat kostuum
van Walter!’
Janet hapte
naar adem. Thea deed alsof ze van gisteren was:
‘Jeetje Janet,
denk aan je hart’.
Janet zocht
met één hand steun aan het uiteinde van de trapleuning. Met haar andere hand
drukte ze op haar sleutelbeen. Ze hijgde en pufte.
‘Dat kostuum
van Walter lijkt wel hetzelfde als het communiepak van Bruce.’
‘Dat kan
kloppen’, antwoordde Thea droog.
‘Hoe kom jij
eraan?’
‘Dat heb ik
toch verteld? Ben je het vergeten?’, vroeg Thea zogenaamd verbaasd.
‘O ja? Dat
weet ik dan zeker niet meer. Vond je het geen duur pak? Ik heb er 750 euro voor
betaald en Bruce heeft het maar 2 keer aangehad. Nou hangt het maar te hangen
in de kast. Gestoomd en wel. Bruce is er nou al helemaal uitgegroeid.’
‘Ach Janet,
wat kan ik zeggen of wat wil je horen?’
‘Het is wel
hetzelfde pak, he?’, vreesde Janet.
‘Tsja, wat wil
je ook Janet; als je van mij niet wilt aannemen dat goedkoop niet altijd
duurkoop is’, grijnsde Thea.
Tegenwoordig
kijkt men op katholieke basisscholen zoals De Wielewaal – en ook Het
Kleurenpalet trouwens – niet op een religie meer of minder. Het merendeel van
de ouders van groep 4 van Sabine werd dan ook niet warm of koud van de
schriftelijke oproep tot de communie van de geestelijke leiding van de
parochiekerk. Ze legden de brief onverschillig naast zich neer. Daartegenover
raakten sommige islamitische ouders wel
van slag van het traditionele rooms-katholieke inschrijfformulier waarmee hun
kinderen kwamen aanzetten. Enkele moslims waren zelfs in hun eer aangetast. Wat
had dit te betekenen? Dalila, de moeder van een Marokkaans vriendinnetje van
Sabine, propte zelfs op de speelplaats het, zojuist van haar dochtertje
ontvangen, A-viertje ten overstaan van Thea demonstratief tot een balletje en
mikte het in de buitenafvalbak. Toen droeg Dalila nog geen hoofddoek. Ze is een
dochter van eerste generatie Marokkanen; en naar eigen zeggen in Nederland
geboren en getogen. Sterker nog: ze is in de witte wijk opgegroeid en schijnt
zelfs haar basisschooljaren op De Wielewaal gesleten te hebben. Haar dochter
Zarah zat vanaf het begin op De Wielewaal en in groep 4 bij Sabine in de klas.
Zodra de gelegenheid zich voordeed dan zochten de 2 meisjes elkaar
op. Nou schiep Thea er niet bepaald genoegen in om welke ontluikende
vriendschap dan ook in de kiem te smoren, maar als dat betekende dat ze
consequent haar mening voor zich moest houden ten opzichte van de islamitische
medelander, dan maar geen Marokkaans beste vriendinnetje voor Sabine. Thea was
niet van willens om van haar hart een moordkuil te maken en ze ventileerde
luidkeels:
‘Wat dit te
betekenen heeft? Heb je er eigenlijk wel bij stilgestaan dat De Wielewaal nog
steeds een roomse school is?’
‘Een wat voor
school!?’, hikte Dalila spottend.
Ze had meteen
lachers op haar hand.
‘Rooms-Katholiek’,
verduidelijkte Thea minzaam.
‘Geloof doet
niet ter zake’.
Deze insteek
in de conversatie was afkomstig van een vader die zich al herhaaldelijk aan
iedereen had voorgesteld als Gerrit Pronken. Hij was professor én
hoogleraar in de geschiedenis. Dat wist inmiddels dus iedereen. Hij was voor de
tweede keer getrouwd met een katholieke, veel jongere vrouw. Ze kwam uit één
van de Balkan landen. Wat je ver haalt is lekker. Zijn zoontje zat bij Walter
in de klas. Professor G. Pronken had er een handje van om zich bij voorkeur te
mengen in zaken waar hij alleen indirect iets mee te maken had.
‘Dat moet
uitgerekend jij vertellen’, smaalde Thea.
‘Wat moet
uitgerekend ik vertellen?’
De professor
koos voor defensieve actie alsof hij eigenlijk wilde zeggen:
‘Doe niet net
of je me kent; jij minkukel van een vrouwspersoon.’
‘Jij als oude
rot in het vak moet toch weten dat religie door de eeuwen heen wel degelijk ter
zake heeft gedaan.’
Thea was niet
van plan om zich zomaar aan de kant te laten zetten door een geleerde opa en
wat geamuseerde, simpele zielen op het schoolplein.
‘Iedere ouder
bepaalt zelf of hij of zij een kind ter communie laat gaan’, bestemde de
geleerde opa.
‘Ja’, vond
Dalila olijk en zogenaamd eensgezind met die bemoeizuchtige oude man.
Geëxalteerd
vervolgde ze met een schalkse knipoog:
‘Dat moet
iedereen toch zelf weten Thea.’
Met tegenzin
wist Thea voor de lieve vrede een zuur grimlachje op haar lippen te toveren.
Stiekem had ze steeds meer moeite met de moeder van Zarah. Dalila was zichtbaar
stukken jonger dan Thea en dat liet ze merken ook. Maar dat was niet de reden
van de antipathie die ze bij Thea opriep. Thea vocht een verloren strijd tegen
de grillige verborgen agenda van Dalila die aan ongrijpbare veranderingen en
onpeilbare stemmingswisselingen onderhevig was. Het soort pretenties dat door
sociaal debiele mannen ook wel uitgelegd wordt als ‘het fascinerende
gedragspatroon van de ondoorgrondelijke vrouw’. Een eufemistische manier om te
verbloemen dat niemand ooit wist waar hij of zij bij de typische, exotische
Dalila aan toe was. Ook Zarah en haar 2 oudere zusjes niet. Nog een zegen dat
de kinderen konden terugvallen op hun Marokkaanse oma die vaak in plaats van de
moderne Dalila in donkere gewaden en hijab aan de poort van De Wielewaal opdook
om haar kleinkinderen van school op te halen. Op het speelplein herenigde de
oma van Zarah zich meestal met thuislandgenoten die elkaar in de bescherming
van hun wapperende lappen onderling luidkeels begroetten met een onverstaanbare
Arabische tongval die geen buitenstaander duldde. Herkenbaar, éénkennig
groepsgedrag van De Kleine Beer en Het Kleurenpalet. Ook islamitische
medelanders doen dus niet voor elkaar onder. Zelden stond de oma van Zarah ook
weleens alleen op het speelplein in klederdracht op haar 3 kleindochters te
wachten tussen de casual geklede ouders. Ze leek op een ingeklapte, zwarte
parasol op een druk bevolkt, zonnig terras. Zarah schaamde zich dan altijd een
beetje voor haar afwijkende oma ten opzichte van Sabine en Thea. Maar de
grootmoeder van Zarah deed Thea juist nostalgisch aan haar eigen oma
terugdenken die op een gelijksoortige manier, in een lange astrakan – uit
vervlogen, betere tijden – en een hoedje, tot haar 92ste in weer en wind de
straten onveilig maakte. Heel soms, als de grootmoeder van Zarah niet vergezeld
ging van één van haar vriendinnen, placht ze de ongesluierde ouders om haar
heen wel te groeten door vriendelijk knikkend te glimlachen. Thea kon zich bij
dit markante wezen juist heel goed een verwante huiselijke kneuterigheid als
vroeger bij haar oma voorstellen. Bij zo’n flagrante sfeertekening
doet de klederdracht of het land van herkomst er helemaal niet toe.
Onder invloed
van het thuisfront was Zarah niet in staat om de minachting van haar
moeder Dalila voor de aanstaande communie van Sabine te verdoezelen. Op
dwingend verzoek van de zevenjarige Sabine nam Thea in de middagpauze
regelmatig klasgenootjes van school mee naar huis voor de lunch en Zarah was
meestentijds de gelukkige. Zarah was een charmant kind, met een rappe tong. Ze
was prachtig om te zien. Met een exuberante bos pikzwart haar en een gezellige
bolle toet met vurige hout kooltjes als mysterieuze blikvangers. Bij nadere
kennismaking ontpopte Zarah zich wel een beetje te lethargisch naar de smaak
van Thea. Zarah zou dan ook niet haar keuze geweest zijn, maar Thea was Sabine
niet. Sabine liet zich meestal geamuseerd overspoelen door de non-stop woordenstroom
van haar vriendinnetje. Het feit dat Zarah een moslima van Marokkaanse afkomst
is, begon pas een rol te spelen toen de communie van Sabine in aantocht was.
‘Ik ga morgen
ook met Sabine afpreken.’
Tijdens een
lunch op een dinsdag bij Thea aan de keukentafel probeerde Zarah de
woensdagmiddag alvast te reserveren.
‘Ja, maar
morgen heeft Sabine een afspraak’, sprak Thea namens haar dochter die net haar
tandjes in een broodje gezond had gezet.
‘Bij de
dokter?’
Zarah draaide
aan het deksel van de pot met honing.
‘Nee,
nieuwsgierig aagje’, lachte Thea.
‘Ze moet
oefenen voor haar communie’, lichtte Walter namens zijn zusje toe.
‘Wat is dat?’
‘Dan krijg je
veel cadeautjes’, antwoordde Sabine, terwijl ze een paar achtergebleven,
kleverige julienne peentjes om haar mond een handje na hielp op weg naar
binnen.
‘Ik doe ook
mijn communie als ik in groep 4 zit’, deelde Walter mee.
‘Waarom?’
Thea vond
Zarah schattig met haar donkere, peilloze, sprankelende kijkers op scherp in
dat onschuldige snoetje. Wat wist zo’n kind nou van verschillende religies;
laat staan van het verschil tussen de islam en het katholicisme? Krampachtig
probeerde Thea een zo eenvoudig mogelijk beeld van het traject van een
gemiddelde 7jarige communicant voor Zarah te verduidelijken:
‘Sabine gaat
vanaf morgen 12 weken lang elke woensdagmiddag naar de katholieke moskee.’
Niet alleen de
zevenjarige Zarah keek Thea aan alsof ze Koeterwaals sprak.
’Ik dacht dat
ik naar de kerk moest’, riep Sabine verontwaardigd uit.
‘Klopt, de
katholieke kerk.’
‘Dat is toch
geen moskee’, vond Zarah.
‘Nee, dat is
ook zo’, gaf Thea toe.
‘Zarah gaat
iedere zondag naar een school bij de moskee’, liet Sabine haar moeder voor de
goede orde even weten.
Tot voel- en
zichtbaar ongenoegen van Zarah.
‘O ja? Nou
daar leer je zeker over de koran? Morgen begint Sabine met eenzelfde soort
lessen. Maar dan over de bijbel. Samen met andere leeftijdgenootjes die straks
ook de communie doen.’
‘Dan mag ik
tosti’s eten’, vulde Sabine vrolijk aan.
‘Dat mag ik
allang’, pochte Zarah.
‘Nee, Sabine
je bedoelt hosties’, lachte Thea.
‘Wat zijn
hosties?’
Het gezicht
van Walter betrok.
‘Een hostie is
een klein stukje deeg dat in de kerk aan de katholieken wordt uitgedeeld
tijdens de dienst.’
‘Waarom?’,
wilde Walter vervolgens natuurlijk weten.
Ook namens
Zarah en Sabine die Thea nietszeggend aan zaten te kijken. Ondertussen pijnigde
Thea haar hersens over een kindvriendelijke uitleg van de katholieke
geloofsbelijdenis.
‘Mensen kunnen
niet zonder eten. Dus niet zonder brood. Maar ook niet zonder God. Dus eten de
mensen een hostie in de kerk omdat alleen maar hardop dankjewel zeggen zo karig
is.’
‘Is een hostie
niet vies?’, wilde Sabine zeker weten.
‘Het smaakt
naar snoeppapier’, realiseerde Thea zich ineens.
Tegelijkertijd
viel haar plotseling op dat Zarah zo in zichzelf gekeerd van haar honingboterham
pitste. Thea wilde Zarah niet buitensluiten en vroeg:
‘Hebben jullie
in de islam geen communie?’
‘Weet ik
niet’, fluisterde Zarah gereserveerd.
Voor Thea
reden genoeg om door te draven in haar poging om Zarah bij het gesprek te
betrekken:
‘Hoe heet dat
ook alweer in de islam; shahada toch? De geloofsbelijdenis? Krijg je daarom
elke zondag les van een imam? In het katholieke geloof noemden wij dat vroeger
de zondagsschool’.
Met die
opmerking hoopte Thea de aandacht van het pijnpunt af te leiden. Al begreep ze
ook niet precies waar de schoen wrong.
‘Er is maar
één God’, kondigde Zarah verward aan.
‘Je kunt de
islam en het katholicisme toch met elkaar vergelijken’, probeerde
Thea.
Ofschoon ze
vreesde dat ze veel te moeilijk deed voor drie kinderen uit de onderbouw van de
basisschool.
‘Sabine gaat
samen met een priester en andere kinderen verhalen uit de kinderbijbel lezen.
De bijbel is net zoiets als de koran.’
Zarah zat
heftig met haar hoofd te schudden en Thea begon zich te ergeren aan het taaie
kind. Walter pikte haar irritatie op en gooide nog wat olie op het vuur:
‘De
katholieken; dat zijn toch de beste mam?’
Om niet in
lachen uit te barsten nam Thea een slok van haar koffie. Walter had haar weer
met beide benen op de grond gezet.
‘Welnee’,
beweerde ze ginnegappend.
‘Ik wil niet
in de kinderbijbel lezen; ik wil met Zarah spelen!’, meldde Sabine onverwacht.
‘Ach joh; je
gaat het best leuk vinden.’
Thea moest
toch iets zeggen.
‘Koranlessen
zijn zo erg.’
Dat was Zarah.
‘Je moet
Arabisch lezen. Da’s andersom. Van bladzijde 2 naar bladzijde 1 en beneden
beginnen tot naar boven.’
‘Echt?’
Walter
geloofde er niks van en Sabine hing aan de lippen van Zarah.
‘Niet waar
toch mama?’, vond Walter.
‘Ik geloof
Zarah wel hoor’, antwoordde Thea diplomatiek.
‘Moet ik ook
abracadabra lezen?’
Door toedoen
van Zarah gedroeg Sabine zich alsof ze door haar moeder in een val gelokt was.
‘Je hoorde
toch wat Zarah net zei?’
‘Wat dan?’,
vroeg Walter bedremmeld.
Met kinderen
over religie praten is onbegonnen werk. Ergo; over het geloof praten met wie
dan ook is sowieso geen beginnen aan. Thea gaf zich gewonnen.
‘Zarah zei net
dat de koran en de bijbel niet hetzelfde boek zijn. Dus de communie zal ook wel
totaal anders zijn dan de shahada.’
Niet zo gek
dus dat Thea compleet werd overvallen door de reactie van Zarah die prompt na
het laatste islamitische woord, als een muis met een kat in het vizier, van
tafel schoot en in het gangtoilet te verdween. Met een klik liet ze het
ludieke, vooroorlogse deurslot in de bezetstand vallen. Een half uur later zat
Zarah nog op de w.c.. Aan de piepgeluiden te horen speelde ze het spelletje
‘blokken’ ook wel bekend als ‘tetris’ op een préhistorisch gamecomputertje van
Bart dat hij in een ladekastje in de hoek van het toilet bewaarde. Het was
bedoeld voor algemeen gebruik. Laat zo’n niet religieus spelletje nou
verslavend zijn zonder aanschijns des persoons.
In groep 4 van
25 kinderen deden, naast Sabine, och arme twee andere kinderen de communie. Een
jaar later was de oogst nog kariger. Walter ontpopte zich als de enige
vertegenwoordiger van De Wielewaal in het kerkclubje met geloofsgenootjes. De
rest werd geworven op andere basisscholen verdeeld over de hele stad. In het
katholieke achterland van Bart en Thea in de jaren 60 en 70 werd het volledige
communicantenbestand in de parochie zonder uitzondering door hun toenmalige
‘tweede klas’ bezet. Daar ontkwam pak weg veertig jaar geleden geen katholieke
basisschool aan. Dan had Pater Ward het in de 21ste eeuw een
stuk moeilijker. Pater Ward was echter Godzijdank voor geen kleintje vervaard en wist zowel
voor de communieronde van Sabine als, het jaar daarop, van Walter, her en der
12 kinderen bijeen te sprokkelen voor de katholieke geloofsbelijdenis. Zonder
zich verder af te laten leiden door de sociale media kweet pater Ward zich
vervolgens geestdriftig aan zijn taak. Tot op de dag van de communie bleef
pater Ward het woord van God verkondigen aan de gerekruteerde 7 tot 8jarigen.
Tijdloos en universeel. Met de nodige terughoudendheid stond Thea dan ook met
Sabine aan haar hand voor de open poorten van de kerk. Mocht er pure devotie
van haar verwacht worden dan kon ze de communie van haar kinderen wel vergeten.
Thea was gedoopt. Ze had haar communie gedaan en ze was gevormd. Hier hield
haar conformisme aan het uiterlijke geloofsvertoon op. Bart en zij waren niet
voor de kerk getrouwd, maar gaven elkaar het jawoord in het plaatselijke
stadhuis op een doordeweekse, druilerige werkdag in september. Bij de keuze van
de huwelijksdatum speelde vooral de slogan ‘donderdag gratis trouwdag’ van de
gemeente een de doorslaggevende rol. Ondertussen verschoonde schoonmoeder thuis
de piepkleine Sabine die toen net 4 weken en 6 dagen op de wereld was. Thea had
geen maagdelijk, witte trouwjurk en Bart foeterde in de file op weg naar de
plechtigheid dat hij het weer, verkeer en het hele gedoe ‘3 keer niks’ vond.
Zodra er evenwel een kind of meer in het spel is dan blijkt een huwelijk gewoon
op alle fronten praktischer dan een samenlevingscontract. Met of zonder
kerkelijke inzegening. Maar Sabine en Walter moesten wel gedoopt worden en de
communie zou er bij beiden ook komen. Ondanks de scepsis van bijna alle
familieleden. Vanalles hadden ze van Bart en Thea kunnen verwachten, maar geen
zedig doopsel of de heilige communie van hun kroost. Zeker niet na die sobere
trouwerij. Eén van de zussen van de vader van Thea was het meest begaan met het
religieuze lot van Sabine en Walter. In haar jonge jaren was tante Agnes non
geweest. Haar habijt had ze al decennia terug ingeruild voor een huwelijk met
oom Vincent. Toen echter het massale seksuele misbruik van minderjarige
parochianen door geestelijken binnen de katholieke kerk publiekelijk aan het
licht kwam, had tante Agnes het naar eigen zeggen voorgoed gehad met het
katholicisme. En eigenlijk ook wel met iedereen die haar rigide opvattingen
niet terstond deelde. Desondanks hielden Thea en Bart vast aan hun overtuiging
dat kinderen gebaat zijn bij inzicht in het concept van een geloof. Zij waren
niet meer opgegroeid met hel en verdoemenis zoals tante Agnes.
Bart had zich als koorknaap voor eeuwig laten inpalmen door de
pracht en praal van de katholieke kerk. Ook roomse geloofsrituelen blijven hem
fascineren en rangschikken de memorabele geluksmomenten uit zijn kindertijd. En
Thea koestert zoveel warme herinneringen aan haar oma met haar devotie voor
‘ons lief heertje’ en haar levenslange vrije interpretatie van de catechese dat
ze haar kinderen een kijkje in de vindingrijke keuken van het katholicisme niet
wilde onthouden. Opdat ze opgroeien met het besef dat religie niet
als machtsverklaring van een God bedoeld is, maar dat geloof voortvloeit uit
een gemeenschappelijk onderbuikgevoel, waarvan jong volwassenen op eigen
initiatief al dan geen afstand kunnen nemen.
Pater Ward gaf
al tijdens de eerste ontmoeting met de groep blijk van het soort natuurlijke
overwicht op kinderen waar menig leerkracht jaloers op mag zijn. Toch vroeg hij
om ouderhulp tijdens de bijeenkomsten op woensdagmiddag in de weken tot aan de
datum van de communie. En alsof dat nog niet genoeg was, werd hij permanent
bijgestaan en op de voet gevolgd door ene Ingrid. Ingrid was een onwrikbaar,
kerkelijk in de echt verbonden moeder van 3 kinderen. Ingrid straalde
ouderwetse deugd, gemeenschapszin en vroomheid uit. Wat overigens niet per
definitie volgzaam gedrag impliceert. Ingrid aanbad God. Uit naastenliefde
betuttelde ze pater Ward, zijn communicanten en andere betrokkenen. Kortom:
haar medemensen. En dat allemaal op vrijwillige basis. Pater Ward liet de
bedillerige Ingrid tot op zekere hoogte tegen zich aanleunen, maar hij was
duidelijk de gezagdrager. Hij was er het type niet na om aanbeden te willen
worden en je zag dat hij de bemoedering van Ingrid moeiteloos in banen wist te
leiden. Prijzenswaardig voor een man die nog nooit een seksuele relatie met een
ander heeft gehad. En zo wel dan toch héééél lang geleden. Als het goed is.
Thea vermoedde dat pater Ward met Ingrid aan zijn zijde onder meer de slechte
reputatie van de katholieke kerk wenste op te krikken. Ingrid gold als
een geloofwaardige toezichthoudster op het transparante optreden van
pater Ward. Door ouders zoveel mogelijk bij de religieuze kinderkransjes te
betrekken hoopte hij ze over de achterdochtige streep te helpen. Thea was dan
ook vaak van de partij. Maar niet omdat ze bang was voor seksueel misbruik van
Sabine of Walter door pater Ward. Nee, Thea was eerder huiverig voor
uitsluiting door onaangepast gedrag van haar kant. Mede door de aanwezigheid
van de karakteristieke, moederkloekerige huishoudster alias gouvernante in een
modern jasje, oftewel Ingrid, zag ze de welbekende kritische bui van Het
Kleurenpalet en De Wielewaal over Sabine en Walter al weer hangen. Het hele
riedeltje van steken onder water zou de revue uiteraard opnieuw kunnen
passeren. De mankerende taalontwikkeling zou het voorlezen in de kerk door
Sabine of Walter wel weer in de weg staan. En je zou zien dat de kinderen van
Bart en Thea natuurlijk niet stil konden zitten in de kerk omdat Sabine en
Walter algemeen bekend voor galg en rad opgroeiden in die achterstandswijk en
dat ze dan van Ingrid een voorbeeld moesten nemen aan de andere,
voorbeeldige communicanten uit de betere buurten van de stad. Wie
weet begon Walter wel ineens te slaan, omdat hij te snel geïrriteerd raakte van
alle voorbeeldige kindjes om hem heen. Dus was Thea op haar hoede, in de buurt
en te allen tijde bereid om zich als bastion van vrijzinnigheid voor Sabine en
Walter op te werpen.
Onterecht. De
tweewekelijkse kerkbezoekjes op woensdagmiddag werden net zo vertrouwd voor de
2 kinderen van Bart en Thea als de visites aan de 2 alleenstaande oma’s om de
14 dagen. Verplichte nummertjes, maar niet vervelend en bij de oma’s meestal
bezegeld met speelgoedcadeautjes en andere verwennerijen voor Sabine en Walter.
De oma’s waren lief en zorgzaam. Ieder op hun eigen manier. Zo ook pater Ward
en zelfs Ingrid. Pater Ward kon inspirerend prachtige verhalen uit de
kinderbijbel vertellen en Ingrid zorgde tijdens elke bijeenkomst voor snoep,
koeken en limonade. Als vanzelf hervonden Sabine en Walter zichzelf in een
tolerante, kleine gemeenschap van communicanten waarin de kinderen onderling
net zo van elkaar verschilden als in de groepen van De Wielewaal. Zelfs Bruce
uit de klas van Sabine die ook deelnam aan de voorbereidingen op de eerste
heilige communie viel niet buiten de boot. En dat terwijl het doopsel er na
zijn geboorte vanwege vechtscheidingsperikelen bij was ingeschoten. Met
plaatsvervangende schaamte hoorde Thea op de speelplaats het verloop van de
huwelijksbreuk uit de gedetailleerde bron van de hoogblonde moeder van Bruce
aan. Janet was 4 maal getrouwd geweest en even zoveel keer gescheiden van 4
verschillende Antilliaanse mannen van wie ze elk een kind had. Haar eerste zoon
kwam ernstig geestelijk gehandicapt ter wereld; gevolgd door haar 2 mooie
meiden en tenslotte het perfecte wenskindje; Bruce. Een knap, getint jongetje
dat precies even oud is als Sabine. Op 7 jarige leeftijd schept een gedeelde
verjaardag een band en Bruce speelde dan ook weleens bij Bart en Thea thuis,
omdat Sabine als klein meisje nou een maal iedereen en alles mee naar huis
sleepte. Uit zichzelf ging Bruce nooit weg en Janet was slecht ter been, omdat
ze naar eigen zeggen leed aan allerlei onduidelijke, ongeneselijke aandoeningen
en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Daarom was Thea genoodzaakt om vriendje
Bruce bij iedere voorgenomen speelgelegenheid te halen en brengen. Omdat Thea
echter zelf ook nog een leven heeft, probeerde ze de speelmomenten tussen Bruce
en Sabine tot het minimum te beperken. Tot onbegrip van Janet. Als reactie op
de terughoudendheid van Thea verspreidde zij de roddel op De Wielewaal dat de
ouders van Sabine met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid racisten
waren. Bruce was immers een halfbloedje en ook nog eens hoogbegaafd. Dat kon
gajes als Bart en Thea natuurlijk niet uitstaan. Vieze uitkeringstrekkers met
die vechtmachine als zoon. Die Walter dus die ze op een kwaliteitsschool als De
Wielewaal openlijk van Wonderwilma lieten profiteren. Die Tokkiefamilie die
huisden in die verpauperde gelukszoekersbuurt; vol met Turken en Marokkanen en
andere minderwaardige buitenlanders.
Op een dag zag
Thea geen kans om Bruce rond etenstijd naar huis te brengen en ze had ook geen
zin om hem weer aan de eettafel aan te laten schuiven. Bruce at voor 10.
Desondanks had hij altijd kritiek op wat hij van Thea voorgeschoteld kreeg. Hij
hield niet van ‘Hollands’ eten.
‘Dan breng ik
je wel even naar huis. Dan eet je daar lekker Antilliaans’, sneerde Bart.
‘Sabine; jij
rijdt even met papa en Bruce mee’, gebood Thea.
Bij Bart was
de maat duidelijk vol en dan kon hij nogal kort door de bocht reageren. De
directe aanwezigheid van Sabine zou hem afremmen. Bruce kon zijn schoenen niet
vinden. Afgeleid kroop hij terug op een krukje naast Walter achter de
gamecomputer.
‘Trek je
schoenen eens aan Bruce’, beval Thea vanachter het fornuis.
‘Ik blijf hier
eten’, talmde Bruce.
‘Ik dacht het
niet!’, donderde Bart.
Gealarmeerd
begon Sabine aan de arm van Bruce te sjorren:
‘Kom nou
Bruce.’
Bruce
verroerde zich pas toen Walter vanaf zijn gamecomputer reageerde:
‘Ga naar huis
Bruce; je kunt toch niet van mij winnen!’
Bruce sloeg
liever op de vlucht dan zijn nederlaag te erkennen en Thea zou Thea niet zijn
als ze weer eens geen medelijden had.
‘Hij is pas 7
jaar. Hij kan er niets aan doen!’, riep ze Bart op weg naar zijn auto nog na.
Bart smakte
het portier van zijn Citroen onnodig hard dicht. Sabine en Bruce kropen naast
elkaar op de achterbank. In woonwijk van Bruce aangekomen realiseerde Bart zich
ineens dat hij geen idee had van het huisadres van het vriendje van zijn
dochter.
‘Waar woon je
precies Bruce?’, vroeg hij zo neutraal mogelijk.
‘Weet ik
niet’, grijnsde Bruce in de achteruitkijkspiegel.
‘Dat weet je
wel!’, beweerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Mama en ik
hebben jou al zo vaak naar huis gebracht. Ik weet het zelfs’, vervolgde Sabine
bestraffend.
‘Is het nog
ver? Welke kant moet ik op? Het lijkt hier wel een doolhof’, wilde Bart met
groeiend ongeduld weten.
‘Nog maar 3
straten of zo; je moet hier afslaan, toch Bruce?’, probeerde Sabine.
Bruce zweeg.
‘Hallo, Sabine
vraagt je wat Bruce!’, daverde Bart vanachter het stuur.
‘Ik ben het
vergeten’, bokte Bruce plagerig.
Met een harde
knal raakte de uitlaat van de Citroen de rand van een verkeersdrempel.
Onbesuisd ging Bart vol op de rem.
‘Eruit’, beval
hij.
Bruce bleef
zitten waar hij zat en keek star voor zich uit. Sabine besloot haar vader
behulpzaam te zijn, omdat ze ook niet snapte wat Bruce bezielde. Hij was vlak
bij zijn woonhuis. Dat wist ze wel.
‘Je moet hier
uitstappen en zelf naar huis lopen Bruce. Het is niet ver. Weet je nog?’,
probeerde Sabine voorzichtig.
Haar rustige
aanpak had succes. Terecht gewezen vond Bruce zijn weg uit de auto en maakte
dat hij weg kwam. Hij liet een donkere, natte vlek achter op zijn voormalige
zitplaats naast Sabine op de gestoffeerde licht blauwe achterbank van de
Citroen. Bruce had in zijn broek geplast.
‘Waarom doet
hij dan ook zo vervelend’, pruttelde Bart schuldbewust na, terwijl hij met een
plantenspuit gevuld met verdunde spiritus en een duizend dingen doekje in de
weer ging.
‘Je moet hem
maar niet meer te spelen vragen’, vond Thea.
Berustend had
Sabine gegiecheld:
‘Na vandaag
durft hij vast niet eens meer’.
Het ongelukje
van Bruce wierp Thea in gedachten terug naar de herfstvakantie uit
die periode. Sabine was net 7 en Walter 6. Ze mochten alle twee een vriendje of
vriendinnetje uitnodigen voor een hele dag plezier in Monkeytown; een
indoorspeeltuin. Sabine koos voor Ronnie en Walter voor Tim. Dat Tim op het
laatste moment verhinderd was, zal wel weer aan mama Jenny gelegen hebben. Het
leven is echter te kort om overal heisa van te maken en dus belde Thea in de
gauwigheid alle klasgenootjes van Walter net zolang totdat ze een
plaatsvervanger voor Tim bereid had gevonden om met Walter mee te gaan naar
Monkeytown. Elfie werd de gelukkige. Haar vader was psychiater en haar moeder
psycholoog. Het prototype van een vlot koppel dat zich voordeed als een
ruimdenkend stel. Thea vond het wel meevallen. Zo sprak het feit dat het
echtpaar openlijk wegliep met meester Gijsbert wat haar betreft niet in hun
voordeel. De moeder van Elfie had eens langs haar neus weg tegen Thea
opgemerkt:
‘Ik zou me
niet zo druk maken over Walter. Gijsbert is erg goed met onhandelbare
kinderen.’
Thea hapte
meteen:
‘Ik weet niet
wie jij onhandelbaar vindt; maar Walter is in ieder geval niet onhandelbaar.’
Met een
minzaam knikje onthield de moeder van Elfie zich van verder commentaar, maar de
grote psychiater en vader van Elfie vond het nodig om het hardnekkige
vooroordeel, dat over Walter op De Wielewaal de rondte deed, er bij Thea nog
eens extra in te wrijven.
‘Goed visweer
vandaag!’
Zijn leuke
opmerking was eigenlijk gewoon een verkapte instemming met de kromme mening van
zijn vrouw de psychologe. Enfin Elfie had haar ouders niet uitgezocht. Het was
een grappig meisje en ze kon prima met Walter opschieten. Zo had Walter ook een
introducee voor Monkeytown. Bart had een vrije dag thuis voor zichzelf en Thea
nestelde zich met haar ereader en een thermoskan aan een tafeltje in de
indoorspeeltuin in de buurt van het uitgelaten grut. Monkeytown bood een grote
apenkooi met spring- en luchtkussens; klimtouwen, schommels, een ballenbak,
raceautootjes; kortom prima toeven op een lange, druilerige herfstvakantiedag
voor 4 energiebommetjes. De kinderen zagen rood van de pret en opwinding. Wel
fluisterde Sabine al na een uur in het oor van Thea:
‘Volgens mij
heeft Elfie in haar broek geplast.’
‘Vast niet.’
Thea stelde
vooral zichzelf gerust, want ze had geen schone broek bij zich. Sabine en
Walter waren misschien niet de snelsten van hun generatie, maar op de leeftijd
van 6 en 7 jaar waren ze toch echt zindelijk. Voor de zekerheid besloot Thea de
eerst volgende keer om Elfie toch maar even aan haar tengere bovenarmpje tegen
te houden tijdens haar oeverloze stormgangetjes van en naar de ballenbak. Op
het bipsgebied van het spijkerbroekje prijkte een donkere, zichtbaar doorweekte
vlek.
‘Je hebt in je
broek geplast Elfie’, constateerde Thea nuchter.
‘Weet ik’,
antwoordde Elfie diffuus en weg was ze weer.
Op dringend,
telefonisch verzoek van Thea moest Bart zijn vrije tijd opofferen om op te
komen draven met een droge onderbroek en een jeans van Sabine die hij echt niet
zonder een zoektocht door de kledingkast van zijn dochter en de nodige
instructies van zijn vrouw gevonden had. Daar kwam nog bij dat een ritje naar
en van Monkeytown bij elkaar een uur rijden in beslag nam.
‘Sorry’, zei
Thea toen Bart eindelijk gearriveerd was.
Bij de ingang
van Monkeytown had Bart ook nog eens gelazer gehad, omdat hij geen
toegangsbewijs kon laten zien.
‘Ik baal hier
dus van’, mopperde goedzak Bart.
De jeans van
Sabine was Elfie veel te groot. Niemand had een riem voorhanden. Een inventieve
receptioniste van Monkeytown kwam met het idee om een grijze vuilniszak in
reepjes te knippen. Gezamenlijk vlochten en knoopten de dames een
plastic ceintuur die ervoor zorgde dat de schone jeans van Elfie niet steeds op
half elf hing tijdens het ravotten.
‘Waar is je
Eager Beaver!’, gruwelde de moeder van Elfie meteen nadat ze de voordeur
opende.
‘Ik kan niet
bij de bel’, had Elfie gejammerd, omdat Thea haar eigenlijk alleen maar voor
haar huis had willen afzetten.
Het was leuk
geweest in Mokeytown. Naarmate het einde naderde was Elfie wel steeds meer in
zichzelf gekeerd geraakt. Ze was moe gespeeld natuurlijk en begon spontaan te
huilen toen ze haar moeder in de deuropening vol afschuw de handen voor de mond
zag slaan.
‘Ze heeft in
haar broek geplast’, suste Thea op een toontje waarmee ze eigenlijk wilde
zeggen:
‘Stel je niet
zo aan mens.’
Tegelijkertijd
reikte ze de moeder van Elfie een plastic zak aan:
‘Hier is je
Eager Beaver.’
Anders had ze
de natte spijkerbroek echt wel aan Elfie meegegeven. Ze was niet van plan om
ook nog de was te doen voor mevrouw. Psychologe of niet.
‘Naar boven
jij, douchen’, grauwde de moeder van Elfie.
Met een
klaaglijk jankgeluid als van een gewond diertje stormde Elfie de trap achter
haar moeder, die nog in de hal bij de voordeur stond, op. Wat een domper op het
eind van een leuke herfstvakantiedag.
‘Ze heeft toch
niet expres in haar broek geplast’, getuigde Thea verbouwereerd.
‘Natuurlijk
heeft ze dat wel expres gedaan’, gilde de moeder van Elfie hysterisch.
Inhalig griste
ze de plastic tas uit de hand van Thea waarna ze de voordeur met een klap
dichtsmeet. Pal voor de neus van Thea die zich voor de zoveelste keer
overvallen wist door haar eigen naïviteit.
Om
Indianenverhalen te voorkomen probeerde Thea de valse sanitaire stop van Bruce
in de Citroën van Bart wat tactvoller aan te pakken dan het
plasincident van Elfie in het speelparadijs. Bart bedoelde het niet zo kwaad.
Al zou hij dat zelf nooit toegeven. Thea kon zich niet voorstellen dat Bruce
zijn natte broek thuis voor zijn moeder verborgen had weten te houden. Voordat
de opstelling van Bart publiekelijk aan de kaak gesteld zou worden, had Thea
graag haar kant van het verhaal uit de doeken gedaan. Toch ontweek Janet een
eventuele evaluatie van het plasincident op alle mogelijke manieren. Misschien was ze bang voor een schadeclaim
vanwege de urinevlek die Bruce op de zitting van de achterbank van de Citroën
van Bart wel moest hebben achtergelaten. Ontmoedigd door het ontwijkgedrag van
Janet, gaf Thea uiteindelijk haar pogingen om het roddelletsel voor Bart te
beperken maar op.
‘Laat ze toch
denken en zeggen over mij wat ze willen’, vond Bart en hij meende wat hij zei.
Maar Thea werd
er pas wat geruster op toen duidelijk werd dat Janet deze keer eens niet
gebruik maakte van de mogelijkheid om de papa en mama van Sabine bij de ouders
van De Wielewaal nog zwarter te maken dan ze figuurlijk gezien al waren. Janet
had het ineens veel te druk met belangrijkere zaken om zich met roddel en
achterklap bezig te houden. Pater Ward van
de communicantenbegeleiding gaf hiertoe de aanzet. Bruce zou op
korte termijn namelijk gedoopt worden. Bruce moest gedoopt worden, want anders
kon hij zijn communie niet doen. Precies hetzelfde gold voor Miranda; dat
andere kind uit groep 4 van De Wielewaal dat samen met Bruce onder toeziend oog
van, onder meer, alle aanstaande communicanten en hun aanhang tijdens een
officiële, zondagse kerkdienst gedoopt zou worden.
De 7jarige
Miranda droeg een witte jurk ter gelegenheid van haar doopfeest. Een lang
voluptueus, strapless gewaad dat werd opgevuld met een petticoat en een
voorgevormde b.h. met kanten schouderbandjes. Net als Bruce heeft Miranda een
donkere vader en een blanke moeder. Ook haar ouders zijn gescheiden. Toch
schiepen deze overeenkomsten geen band tussen de moeders van Bruce en Miranda.
Ten eerste bestond er een aanzienlijk leeftijdsverschil tussen de 45 jarige
Janet en de 25 jarige moeder van Miranda; Dolly genaamd. Ten tweede fluisterde
Miranda in elk luisterend oor dat haar echte vader een moslim is en in Marokko
woont. Nou zoog Miranda wel meer uit haar duimpje. Zowat iedereen die haar
ontmoette ontkwam niet aan haar levendige fantasie en andere symptomen van
vermoedelijke ADHD, maar Thea zou niet weten waarom dit specifieke,
fabelachtige verhaal niet op waarheid zou kunnen berusten. Waarom was Miranda
anders nog niet gedoopt, terwijl moeder Dolly wel serieus van plan was om haar
dochter de communie te laten doen? Moeder Dolly leek wel verdacht veel op zo’n
hypermoderne twen die haar neus echt niet ophaalde voor een multiculturele
oriëntatie op liefdesgebied zonder zich het hoofd te breken over futiliteiten
zoals verschillende religieuze achtergronden. En dat Miranda niet al te vaak op
de bijeenkomsten ter voorbereiding van de communie verscheen was nog tot daar
aan toe. Maar toen Dolly en haar dochter het op een gegeven moment zelfs lieten
afweten op een speciale bijeenkomst in de kerk, waarbij aanwezigheid van
betrokkenen toch een vereiste van Ward geweest was, greep de pater in het
bijzijn van alle aanwezigen ongevraagd naar de mobiel van zijn rechterhand
Ingrid. Met een verbeten blik hield hij de telefoon aan zijn oor. Hij kreeg de
voicemail. Thea zat toevallig tegenover pater Ward aan tafel. Lacherig en
merkbaar opgelaten praatte hij de ingesproken boodschap na:
‘We zijn er
niet en als we er wel zijn dan nemen we de telefoon lekker toch niet aan.’
Toch kon de
moeder Dolly niet anders dan van huis uit katholiek zijn. Dat werd wel
duidelijk uit de stoet verwanten die routinematig achter het sprookjesprinsesje
- dochter Miranda - de kerk in hobbelden. Twee kleinere uitvoeringen van
Miranda droegen de voile sleep die als een vitragegordijn uit haar kunstig
gekapte kroeshaar ontsproot. Sabine wist niet wat ze zag en ook niet wat ze
moest vinden. Ze stond naast Thea in de kerkbank en fluisterde:
‘Okay?’
‘Wil je ook
zo’n prinsessenjurk; straks met je communie?’, grapte Thea binnensmonds.
‘Hoeft niet’,
twijfelde Sabine.
Bart stond 2
plaatsen verwijderd van Sabine in de kerkbank. Voor Walter langs wendde hij
zich tot zijn dochter en fluisterde plagerig:
‘Je weet in
ieder geval zeker dat je te kijk loopt in zo’n jurk.’
Sabine schrok
er van:
‘Doe dan maar
niet.’
Walter besloot
zich ook in de conversatie te mengen:
‘Moet ik nou
weer net zo lang stilzitten in de kerk als laatst bij de vader van
Tim?’
‘Je kunt
anders ook doopsuikerzakjes vullen bij Ingrid en de kleutertjes in de refter?’,
stelde Bart bevallig voor.
‘Misschien
moet ik dat maar doen’, zei Walter ook nog.
Maar hij bleef
braaf in de kerkbank staan. Met rechts van hem in het gelid zijn vader
opgesteld en links van hem zijn moeder en zusje. Totdat hij in navolging van de
andere bezoekers eindelijk kon gaan zitten. Net als Sabine hield hij de
doopviering ternauwernood vol. Hij werd er merkbaar niet vrolijker van. Het
uitzicht van de uitzinnig uitgedoste Miranda maakte de bezoeking voor jonge
kinderen nog enigszins draaglijk. Ook Bruce was een bezienswaardigheid. Hij
droeg een driedelig glanzend grijs kostuum met alles erop en eraan.
‘Miranda en
Bruce gaan trouwen’, zwijmelde Sabine.
‘Ze worden
gedoopt toch?’, aarzelde Walter.
Die sjieke
outfit van Bruce had Janet met hulp van het halve ouderbestand van
De Wielewaal op de kop kunnen tikken voor 750 euro. Op een zeker moment stond
bijna iedereen in hilarische stemming op het speelplein met de mobiel in de
hand te googelen onder luid gelamenteer van Janet omdat ze almaar niets naar
haar gading voor de doop van Bruce kon vinden. Janet had totaal niet in de
gaten dat ze zichzelf belachelijk maakte met haar pretentieuze zoektocht naar
passende communiekleding.
‘Ik zoek ook
even gezellig mee. Het mag wat kosten, heb ik begrepen’, ginnegapte een vader.
‘Geef je ook
een afterparty, lieve schat?’, riep een tweede lolbroek uit het groepje ouders
naar Janet.
Op een
afstandje van het kliekje koesterde Janet de gefingeerde betrokkenheid om zich
heen. Zomaar ineens leefde ze in de waan dat ze in het middelpunt van de
belangstelling mocht staan. Thea probeerde Janet af te leiden van de
pesterijtjes door haar een paar goedbedoelde, serieuze zoeksleutels aan te
bieden. Ze drong zich op de voorgrond en verwees Janet via haar mobiel door
naar enkele van haar online contacten die ze had weten op te doen dankzij haar
webshop in vintage spullen. Janet nam niet eens de moeite om interesse te
veinzen. Ze gaapte verveeld en lonkte naar andere moeders en vaders op wie ze
zo nodig indruk moest maken. Ze koos ervoor om Thea verder te negeren en
zodoende een gebaar te maken naar de kudde.
‘Kom gerust
langs.’
Vol branie had
Janet iedereen op de speelplaats uitgenodigd op het doopfeest van haar zoon.
‘Horen jullie
dat? Iedereen is uitgenodigd. Gratis eten en drinken; Janet betaalt’, joelde de
nar van het gezelschap.
‘Hier. Ik heb
iets gevonden!’, gilde een moeder.
Hysterisch
zwaaide ze met haar mobiel in de lucht:
‘Een
glitterpak; bij een herenmodezaak; maat 176.’
‘Laat zien’,
commandeerde Janet opgewonden.
‘Wat kost
het?’, vroeg weer iemand anders.
‘750
eurootjes’, proestte de grappige moeder.
‘Mijn trouwpak
kostte nog niet eens 750 euro’, voegde iemand ongevraagd aan de conversatie
toe’
‘Wij
katholieken kijken niet op een paar eurootjes, toch Janet?!’, spotte de nar van
de speelplaats op misleidende toon, terwijl hij Janet quasi vriendschappelijk
porde.
‘Wat een gaaf
pak’, kirde Janet.
Ze was
stekeblind voor de ironie. Janet werd uitgelachen en niet toegelachen en Thea
stond machteloos.
‘Laat mij een
kostuum voor je regelen, Janet. Ik kan je veel geld besparen’, probeerde Thea
nog tevergeefs.
‘Goedkoop is
duurkoop’, snoof Janet.
Ze haalde haar
neus op voor Thea. Letterlijk en figuurlijk. En de andere moeders moesten Janet
hierin toch wel gemeend gelijk geven. Helaas. Pindakaas Thea! Het doopkostuum
van Bruce waarvoor Janet dus uiteindelijk 750 euro betaalde, kon immers ook
dienen als communiepak. Ter kostenbesparing. Het gevolg was wel dat Bruce werd
overtroffen door Miranda, want zij droeg op haar communie niet hetzelfde als
tijdens haar doop. Voor de tweede keer in zijn haute couture gehuld,
stak Bruce bijna jammerlijk af naast Miranda in een communiejurk die nog
uitzinniger en extravaganter was dan haar doopjurk. Roze getint dit keer met
een popeline lange ballonrok bezaaid met honderden kleine handmatig bevestigde
satijnen roosjes; een strak met veters ingeregen fluwelen corselet als
bovenlijfje met baleinen en afhangende pofmouwtjes. Het geheel werd afgemaakt
met witte operahandschoenen. Sabine vond het plaatje van Miranda ontzaglijk
mooi, maar voelde zich toch veiliger in een comfortabele streetlook van
Supertrash. Sabine leek op zichzelf, maar dan pas gewassen en gestreken. Maar
juffrouw Dorien van De Wielewaal was duidelijk teleurgesteld.
‘Dit is toch
zeker niet jouw communiejurk, Sabine?’, vroeg ze tam naar de bekende weg in de
ontluistering van een schoolse maandag na het weekend van de communie.
Juffrouw
Dorien had natuurlijk gehoopt op een tweede spektakel a la Miranda. Eerder die
morgen was Miranda al met veel bombarie in haar roze communiegewaad op school
verschenen. Aangemoedigd door de meesmuilende opperouders in de gangen van De
Wielewaal, was het onderwijzend personeel net pas bijgekomen van het
schouwspel. Miranda hing nu in afwachting van aanvang van de lessen, bedolven
onder het popeline van haar sprookjesjurk, ondersteboven aan het klimrek op de
speelplaats. Ze droeg een kanten onderbroek met lange pijpjes. Haar
operahandschoenen slingerden in de zandbak. Het onderwijsteam van de Wielewaal
had zich graag een tweede keer op een maandagmorgen willen verkneukelen over en
vergapen aan een heuse communicant. Niet verkeerd oppakken hoor! Maar Sabine
was geen toetje op de sluimerende exaltatie. Ze viel alleen maar op omdat ze
hippe, frisse, nieuwe kleding droeg, waarvan de herkomst duidelijk niet uit een
confectiezaak was. Een outfit die Thea uiteraard voor een kwart van de
vraagprijs via haar slinkse, online wegen op de kop had weten te tikken. Op
dezelfde manier vond Thea een jaar later ook een communiepak voor 25 euro voor
Walter. Voor zover Thea kon inschatten was het kostuum praktisch identiek aan
het communiepak van Bruce dat 750 euro had gekost. Een enorm prijsverschil dat
Thea ook maar moeilijk kon geloven. Het enige onderscheid leek de kleur te zijn.
Het kostuum van Walter was glanzend zwart in plaats van glanzend grijs. Niemand
van De Wielewaal geloofde Thea. Niemand van De Wielewaal nam dan ook de moeite
om de outfit van Walter tijdens zijn communie in de kerk een jaar later te
vergelijken met het kostuum dat Bruce twaalf maanden eerder had gedragen.
Walter voelde ook geen behoefte om zijn communiekleren op school te showen.
Nauwelijks een half jaar verder was Walter nog net niet ver genoeg uit zijn
communiepak gegroeid om niet te kunnen stralen op het kerstdiner van groep 5.
Drie maanden later legde Thea de boel nog een keer uit. Voor carnaval. Zodat
Walter als gangster of maffiabaas verkleed kon gaan. Tot zover het communiepak
van Walter ter waarde van 25 euro.
Op de avond
van de kerstviering van de groepen - 6 - van Sabine en - 5 - van haar broer,
beklom Walter dus in het volle ornaat van zijn communiepak naast zijn zus en
achter Thea de trappen van De Wielewaal. Zij wisten toen nog niet dat zij op
dat moment op de voet gevolgd werden door moeder Janet en zoon Bruce die ook op
weg waren naar het kerstdiner. Alsof de duivel ermee speelde. Bruce droeg geen
kostuum, maar een spijkerbroek op een wit overhemd met een vlinderstrikje en
een jacquet. Janet was nog niet goed en wel op de eerste verdieping gearriveerd
of ze schoot Thea aan:
‘Dat kostuum
van Walter!’
Janet hapte
naar adem. Thea deed alsof ze van gisteren was:
‘Jeetje Janet,
denk aan je hart’.
Janet zocht
met één hand steun aan het uiteinde van de trapleuning. Met haar andere hand
drukte ze op haar sleutelbeen. Ze hijgde en pufte.
‘Dat kostuum
van Walter lijkt wel hetzelfde als het communiepak van Bruce.’
‘Dat kan
kloppen’, antwoordde Thea droog.
‘Hoe kom jij
eraan?’
‘Dat heb ik
toch verteld? Ben je het vergeten?’, vroeg Thea zogenaamd verbaasd.
‘O ja? Dat
weet ik dan zeker niet meer. Vond je het geen duur pak? Ik heb er 750 euro voor
betaald en Bruce heeft het maar 2 keer aangehad. Nou hangt het maar te hangen
in de kast. Gestoomd en wel. Bruce is er nou al helemaal uitgegroeid.’
‘Ach Janet,
wat kan ik zeggen of wat wil je horen?’
‘Het is wel
hetzelfde pak, he?’, vreesde Janet.
‘Tsja, wat wil
je ook Janet; als je van mij niet wilt aannemen dat goedkoop niet altijd
duurkoop is’, grijnsde Thea.
HOOFDSTUK 17
Niet lang na
de communie van Walter kreeg pater Ward van hogerhand een andere bestemming
toegewezen en hij verdween uit het stadsbeeld. Thea volgt hem op facebook. Hij
verricht zendingswerk in het buitenland. Een inspirerend mens. Niet eens zozeer
vanwege zijn religieuze bezieling; maar omdat hij de zeldzame gave bezit om te
differentiëren tussen mensen zonder te discrimineren. Hij kreeg Walter zover
dat hij, weliswaar onder protest, zonder te haperen voorlas in de kerk tijdens
zijn communie en Sabine mocht solo zingen. Op voorspraak van pater Ward
speelden de kinderen van Thea zelfs de rollen van Jozef en Maria in het
kerstspel tijdens de kindermis. Onvergetelijk blijft de ontwapenende
schaterlach van Walter alias Jozef tijdens de kerstvoorstelling. Eén van de
mede communicanten was verkleed als herdertje en had de opdracht om een
kartonnen ster op een steeltje in de lucht te houden bij wijze van uithangbord
voor de alom bekende bezoekers aan het stalletje. Je zag het kleine herdertje
op het altaar vechten om de boel stabiel in de lucht te houden; maar de
zwaartekracht liet de metafoor voor de heilige nacht met een klap op de kruin
van Jozef terecht komen. Een seconde lang hield het publiek in de kerkbanken de
adem in; niemand zou die arme Jozef na die optater een huilbui verweten hebben.
Langzaam begon Walter geluid te maken. Steeds krachtiger lachgaste zijn
aanstekelijke bulderbulk als een aangeslagen crossmotortje door de kerk.
Opgelucht lachten de kerkgangers met Walter mee.
Ondertussen
werd Sabine digitaal vereeuwigd terwijl ze opging in haar rol als poppenmoeder
Maria met het kindje Jezus. Voor de gelegenheid had Sabine haar babyborn in
bruikleen gegeven en op advies van Ingrid zonder poppenkleertjes in een witte
lap gewikkeld. Toen het moment was aangebroken dat de 3 wijzen uit het Oosten
een blik op het kindje Jezus kwamen werpen; rukte Maria welwillend haar
pasgeborene aan het plastic linkerbeen uit de kribbe teneinde haar gasten een
goed beeld te kunnen geven van de baby. Naakt en wel bungelde het kindje Jezus
langer dan nodig aan één poppenbeen aan de hand van Maria in de gewijde
kerklucht. Als Sabine op dat moment niet uit haar rol was gevallen dan was de
cruciale fout nog wel gauw, gauw te verdoezelen geweest. Maar Sabine bleef
verstijfd, in haar respectloze houding, met het naakte kindje Jezus op zijn
kop, niet begrijpend turen in de richting van regisseuse Ingrid
die in de sfeerverlichting stond opgesteld in een hoekje van de kerk
achter het altaar. Ingrid gesticuleerde als een malle en haar witte
reflecterende blousemouwen, als noodsignalen voor een rampscenario, trokken
niet alleen de aandacht van Maria, maar van iedereen in de kerk. Het duurde
even alvorens een beschaamde Maria zich aangesproken voelde en ze haar babyborn
betrapt terug in de witte lap rolde. Een tweede lachsalvo galmde door de kerk.
De kinderen van Bart en Thea vielen in de smaak bij het grote publiek. Tot
ongenoegen van Ingrid aan de zijlijn. In tegenstelling tot pater Ward had zij
wel specifieke voorkeuren ontwikkeld en die golden niet voor Walter en Sabine.
Dat liet ze merken ook. Met name aan Thea, die niet veel meer aanmoediging
nodig had om zich direct na de communie van Walter terug te trekken uit het
kerkleven. Als de wiedeweerga weer ondergaan in de echte wereld. Haar doel was
bereikt. Een pregnante geloofsbeleving voor en met haar kinderen.
‘Moet je nou
ook elke zondag verplicht naar de kerk?’, vroeg een wereldvreemde moeder op een
onbewaakt moment op de speelplaats.
‘Zeker’, loog
Thea met een uitgestreken gezicht.
De moeder van
Zarah stond er ook bij met zo’n houding alsof ze ver boven de ongelovigen om
haar heen verheven was. Ook boven Thea. Maar dat had Thea helemaal aan zichzelf
te danken. Vond Dalila, want Thea was zich van geen kwaad bewust. Ze had gewoon
gevraagd waarom Zarah zoveel moeite leek te hebben met de communie van Sabine
en nou was Dalila in haar eer aangetast. Waar haalde Thea überhaupt het gore
lef vandaan om kritiek te uiten op de geloofsbeleving van een klein,
islamitisch meisje dat zich bij vreemden zogenaamd tijdens de hele middagpauze
in de toiletgelegenheid zou hebben opgesloten uit frustratie. Dalila kon hier
heel kort over zijn; in de eerste plaats kende zij maar één geloof; de Islam,
maar één profeet, Mohammed en maar één Allah en dat gold uiteraard ook voor
haar kroost.
‘Tsja en wat
een boerin niet kent dat vreet zij niet’, wierp Thea er tegen beter weten fluks
tussenin.
Ten tweede
vond Dalila het niet normaal en niet erg hygiënisch om pocketgames open en
bloot op het toilet te laten rondslingeren. Op die toer moest Thea er ook niet
raar van staan te kijken dat toiletbezoekers in de verleiding kwamen om dan
maar zo lang mogelijk de w.c. te bezetten.
‘Heb jij dat
verteld? Nou krijgt Zarah vet straf’, riep Sabine, nadat Thea haar hart gelucht
had bij Bart tijdens het avondeten.
‘Hoe kom je
daar nou bij?, vroeg Thea afgeleid.
‘Zarah mag
vast niet de hele middag op de w.c. zitten van haar moeder.’
‘Het w.c.’,
verbeterde Walter.
‘De w.c., toch
mama?’, vroeg Sabine verontwaardigd. Zij was meestal iets vlugger op taalgebied
dan Walter. Thea deed haar best om geslachtsneutraal te blijven.
‘Het is wel
‘het water closet’ en niet ‘de water closet’, peinsde Thea.
‘Zie je wel’,
triomfeerde Walter.
Maar Thea was
nog niet uitgepraat:
‘Maar in de
volksmond gebruiken we toch ‘de w.c.’.’
Nu was het de
beurt van Sabine om te zegepralen:
‘Dissed
jonguh!’
‘Waarom zou
Zarah trouwens straf krijgen? Alleen maar omdat ik verteld heb dat ze hier de
hele middagpauze op het toilet heeft gezeten? Da’s toch niet de moraal van mijn
anekdote? Van mij mag Zarah hier best de hele middagpauze op de w.c. zitten. De
reden waarom is alleen een ander verhaal.’
Thea zocht
steun van Bart, maar ze kreeg het niet voor elkaar om oogcontact met
hem te maken. Hij prakte zijn eten met zoveel overgave dat zijn volledige
aandacht opgesoupeerd werd. Sabine verklaarde zich nader:
‘De moeder van
Zarah is super schoon.’
Thea voelde
zich aangesproken:
‘Oh, en ik
niet?’
Bart besloot
om zich ook eens met de lopende zaken te gaan bemoeien:
‘Niet zoals
die moeder van Zarah.’
‘En dat kan
jij beoordelen; omdat?’
‘Dat is een
gevoel.’
‘Waarom? Omdat
ze Marokkaanse is? Is ze daarom een betere huisvrouw?’
‘Nee, niet
omdat ze een Marokkaanse is!’
Nou keek Bart
zijn vrouw wel aan. Zijn ogen spoten vuur. Acuut begonnen bij Thea tranen van
kwaadheid en vernedering gevaarlijk te branden, maar ze verbeet zich. Wat dacht
Bart wel niet.
‘Wat ‘voel’
jij dan wat ik niet voel als je in de buurt van Dalila komt?’, wilde ze in een
niet mis te verstane aanloop naar razernij weten
‘Als ik in de
buurt van Dalila kom dan voel ik een bekrompen dame; een control freak met
smetvrees. En ik weet trouwens niet waarom jij en ik nou ineens weer ruzie
hebben met elkaar’, gromde Bart heetgebakerd.
‘Nou je het
zegt. Dalila komt niet erg relaxed over, nee!’, bond Thea in.
Op stel en
sprong zakte haar bloeddruk weer naar een normaal niveau. Gekalmeerd richtte ze
zich tot Sabine en vroeg zogenaamd langs haar neus weg:
‘Is het dan zo
schoon bij Zarah thuis?’
‘Gewoon’,
schokschouderde Sabine, terwijl ze de groente over haar bord verspreidde zodat
het net leek alsof ze een paar hapjes gezond gegeten had.
‘Schoner dan
bij ons?’
Sabine zette
een glas water aan haar lippen en schudde het hoofd. Na de laatste slok zei ze:
‘We moeten
altijd stil zijn bij Zarah thuis.’
‘Waarom?’
‘Dan slaapt
haar moeder.’
‘Toch niet
altijd? De moeder van Zarah heeft toch een baan?’
‘De moeder van
Zarah denkt dat ze een prinsesje op de erwt uit duizend en één nacht is.’
Dat was Bart
weer. Thea vond hem bevooroordeeld:
‘Hoezo? Ze
heeft een baan als gemeentefunctionaris en ze zit in de gemeenteraad voor de
PvdA.’
Bart zweeg en
bestookte Thea met zo’n blik van:
‘Ik zeg niks
meer.’
‘Op een keer
sliep ze niet en toen werd ze boos op me’, bekende Sabine.
‘Waarom. Omdat
je haar wakker had gemaakt?’
Opnieuw was
Thea op haar teentjes getrapt. Als zij Dalila niet kon aanspreken over Zarah
zonder een gratis cultuurcursus; dan mocht miss moslima haar Sabientje ook niet
vrijuit bekritiseren.
‘Nee; we aten
boterhammen aan tafel en ik deed dit.’
Ter
illustratie begon Sabine uitvoerig haar mes schoon te likken.
‘Maar dan zat
er Nutella aan’.
‘En toen?’,
vroeg Walter gefascineerd.
‘Toen begon
haar moeder te gillen’, antwoordde Sabine gemoedereerd.
‘Ze zei dat ik
een vies varken was.’
‘Nou, da’s in
ieder geval een heel slim dier’, grinnikte Bart.
Thea was
alleen maar verbouwereerd. Met een liefdevol gebaar vlijde ze een haarlok, die
net niet in de appelmoes hing, achter het oor van haar dochter en vroeg vol
empathie:
‘Waarom heb je
dat niet eerder verteld?’
‘Vergeten.’
‘Zie je nou
wel dat de moeder van Zarah gestoord is’, stelde Bart voor eens en altijd vast.
‘Wat heb je
toen gedaan?’
Thea had
intens medelijden met haar kleine meisje. Sabine was pas 7 jaar. Zevenjarige
kinderen worden geacht om te leren van ondoordachte foutjes zoals;
veel te lang met een gamecomputertje bij een gastgezin op het toilet zitten; of
tijdens het uit eten bij een ander een keukenmes besmeurd met chocoladepasta
schoonlikken.
‘Ik heb niets
gedaan’, antwoordde Sabine onaangedaan en ze vervolgde droog:
‘Zarah zei dat
haar moeder wel vaker zomaar boos werd. Dus.’
Walter keek
Sabine niet begrijpend aan:
‘Dus?’
‘Boeien!’,
verduidelijkte Sabine.
‘Ik ben trots
op je meid’, schaterde Bart.
Ondanks de
antipathie van Thea voor Dalila en andersom, bleef de vriendschap tussen hun
dochters in de loop van de basisschooljaren op De Wielewaal voortkabbelen. De
twee meisjes werden chronisch en vaak tegen hun zin op elkaar teruggeworpen
door de exclusieve omstandigheden op een witte school. Zowel Zarah als Sabine
kwamen na groep 4 van juffrouw Dorien in een combinatieklas van 5 en 6 van
meester Jan Willem terecht en in deze groep werd de denkbeeldige driedeling
tussen geniale zonnetjes, middelmatige maantjes en afgeschreven sterretjes pas
echt nageleefd. Uiteraard onder supervisie van de opperouders ter verzekering
van een voorkeursbehandeling voor hun kroost. Naar verluid zou het in de
combinatieklas van meester Jan-Willem wemelen van de plusgroep kandidaatjes.
Allemaal zonnetjes dus die op een wachtlijst voor de plusgroep terecht kwamen
daar de club voor intelligente kinderen op De Wielewaal een plafond van 30
genieën kende. Dit bij gebrek aan leerkrachten. Alleen maantje Sabine en
maantje Zarah uit groep 5 van de combiklas 5 en 6 stonden samen met een stuk of
4 misplaatste sterretjes niet op de beruchte wachtlijst voor hoogbegaafden.
Aldus raakten Zarah en Sabine noodgedwongen op elkaars steun aangewezen in de
competitieve sfeer die de combiklas 5 en 6 van meester Jan-Willem kenmerkte.
Het werd maar niet gezellig in de groep. Meester Jan-Willem scheen echter niet
te doorzien dat hij de situatie niet verbeterde door steeds beter naar de
pijpen van de opperouders te dansen.
Er werd
onophoudelijk gepusht en gepromoot door de opperouders. ’s Morgens tijdens het
wegbrengen, in de middagpauze, ‘ s middags bij het ophalen, aan de telefoon, in
de mail; de opperouders doken overal op om Jan-Willem hun wil en wet op te
leggen. Je zou bijna medelijden met hem gekregen hebben ware het niet dat
normale ouders vonden dat een schoolmeester toch in staat mocht worden geacht
om zijn eigen boontjes te doppen. Wie nam trouwens opperouders serieus?
Achteraf een cruciale fout, want je kunt wel openlijk anti-plusgroep zijn,
zoals de ouders van Sabine, maar daarmee was het sprookje van de maakbare
geniale basisschoolleerling de wereld nog niet uit. Volgens de gangbare roddels
was hier bij Bart en Thea overduidelijk sprake van de kift. Natuurlijk. En de
ouders van Zarah hadden al helemaal geen recht van spreken.
De papa van
Zarah woonde sinds zijn scheiding weer terug in Marokko. Hij was hertrouwd met
een inheemse dame met wie hij eindelijk een lang verwachte, zeer begeerde zoon
en stamhouder had weten te produceren. Hij keek nauwelijks nog naar zijn
dochters in Nederland om. Daar kwam nog bij dat de mama van Zarah heel druk was
met de ontplooiing van haar eigen ik. Zodoende schoot de opvoeding van Zarah -
haar jongste telg - er weleens bij in. Laat staan dat Dalila tijd had om zich
bij de opperouders van De Wielewaal in te werken. Zarah zat nog geen maand bij
meester Jan-Willem in de klas of haar moeder kreeg een relatie met een
generatiegenoot van Bart en Thea. Sindsdien investeerde de jeugdige Dalila al
haar vrije tijd baatzuchtig in haar tandarts met een Nederlandse, gereformeerde
achtergrond, een ex-vrouw, twee volwassen zonen en een bloeiende praktijk. Haar
tweede huwelijk en haar vierde kindje waren op komst. Twee geloven op één
kussen en dan sliep daar straks ook nog eens een handenbinder tussen. Dus moesten
de andere twee tienerdochters van de zwangere Dalila zolang maar een beetje
zorgzaam zijn voor de kleine Zarah. Geen basis voor een toekomstige
plusgroepleerlinge op De Wielewaal dus.
Al na een week
in het nieuwe schooljaar van de combigroep 5 en 6 vonden de ouders het leuk om
meester Jan-Willem om te dopen tot Jeewee. Meester Jan-Willem had
geen bezwaar, want hij was in de voorafgaande jaren op De Wielewaal al lang aan
de bijnaam gewend geraakt. De kinderen van het nieuwe schooljaar uit de
combigroep 5 en 6 moesten nog wel even overtuigd worden van de traditie, maar
de ouders hielden voet bij stuk en na een week of 3 sprak niemand op De
Wielewaal meester Jan-Willem nog fatsoenlijk op zijn roepnaam aan. Zelfs de
collega’s van Jeewee en directrice Willy hielden de traditionele bijnaam van
Jan-Willem in ere om terreur van heerszuchtige ouders te beletten. Jeewee kwam
sowieso over als een man die zich dag in, dag uit in allerlei bochten wrong om
ellende te voorkomen. In zijn vergeefse pogingen om overal onderuit te komen
werd hij in geen tijd volledig in beslag genomen door een stuk of wat
tirannieke ouders en hun volgelingen. In plaats van dat de interne
coördinatrice deze horrorouders terugfloot, was Jade juist de spil van het
plusgroep complot, want niemand anders dan zij kon hoogbegaafdheid kweken. Tot
dan toe zou een normaal denkend mens toch gezworen hebben dat intelligentie en
domheid persoonsgebonden eigenschappen zijn. Zoals de kleur van iemands
ogen, lichaamsbouw, een vingerafdruk of zoiets als aanleg. Alleen omkeerbaar
door kunstgrepen. Denkelijk was Jade te ver heen om haar leugen los te laten
voor de banaliteiten des levens. En met haar een heleboel wanhopige ouders met
een vervormd, maakbaar wereldbeeld waarin hun schatten van ongecompliceerde,
gewone kinderen niet speciaal genoeg waren. Jade wierp zich vol overgave en
overtuiging op als; de redster in nood; de reïncarnatie van Florence
Nightingale; de moeder aller moeders; het middelpunt van de belangstelling en
De Wielewaal. Jade zou de uitverkoren kinderen geniaal maken in de plusgroep.
Jeewee zou het voorwerk doen. Jade had de touwtjes strak in handen en Jeewee
speelde het spelletje mee. Hij was de populaire gast. Niet te oud en niet te
jong. De verdrietige clown. De gekke bekkentrekker. Het naïeve kind onder de
kinderen, maar stiekem het stereotype van een verdomd goede onderwijzer. Dat
was een algemeen gedeeld geheim, want Jeewee wist hoegenaamd van
niks en kwam van nergens. Zolang hij maar geen heisa kreeg en elke schooldag na
de laatste bel de deur achteloos en zelfvoldaan achter zich kon sluiten.
Vanaf het
allereerste moment dat Sabine in de combiklas zat was ze onrustig. Thea had na
het wegbrengen ’s morgens in De Wielewaal haar rug nog niet gekeerd of Sabine
lichtte haar hielen. Vanuit haar ooghoeken zag Thea haar dochter wegschieten in
het buurtlokaal van de andere groep 5. Jeewee was nooit getuige van de
dagelijkse vlucht van Sabine, want hij was altijd omringd door ouders. Door
precies op de lestijd weer op haar plekje in het lokaal van de combiklas 5 en 6
terug te keren, zorgde Sabine er kennelijk voor dat ze onopgemerkt bleef door
Jeewee. Zo klein als ze was maakte Sabine zich pas zichtbaar als het
erop aankwam. Zo kon ze ongestoord haar gang blijven gaan. Juist bij Jeewee die
elke ochtend vlak voor aanvang van de lessen verdronk in de aandacht van
ouders. Bijna net zoals meester Gijsbert uit groep 3 van Walter zich in het
verleden in de dubieuze belangstelling van het merendeel van de verzorgers van
De Wielewaal had kunnen wentelen. Het verschil was dat Jeewee zich geen
passende houding wist aan te meten. De verkrampte uitdrukking van zijn pose
verried het schoolverleden van een eenzame jongeling. Jeewee was nooit de
populaire durfal geweest die hij zo graag had willen zijn. Tenminste dat was
zijn uitstraling. Hij zag eruit als een opgewaardeerde antiheld met een
minderwaardigheidscomplex. Jeewee vond zichzelf ontegenzeglijk een onbeduidend
mannetje tot aan het kantelpunt van zijn intrede als onderwijzer op De
Wielewaal. Sindsdien moest hij van de ene op de andere dag wel leren omgaan met
opdringerige ouders als een vervelende bijkomstigheid van het onderwijswerk met
kinderen in een leeftijdscategorie waaraan hij tenminste kon relateren. En
hoewel hij de vermeende eensgezindheid van de verzorgers zichtbaar op een
kinderlijke manier wantrouwde, deed hij er alles aan om te voorkomen dat hij de
mist in kon gaan. Hij voelde zich niet thuis bij grote mensen, maar hij
doorstond hun aanwezigheid, want zodra hij de deur van het klaslokaal achter
zich dicht trok was hij als een vis in het water. Op zijn leerlingen kwam hij
dan ook allesbehalve onwetend, onbetrouwbaar of onprofessioneel over.
‘Jeewee is
raar’, merkte Sabine wel regelmatig op.
En dan zei
Walter geheid:
‘Hij heet
eigenlijk Jan-Willem toch?’
Volgens Thea
was Jeewee gewoon nooit volwassen geworden. Daar besloot ze het maar bij te
laten, want Sabine had geen problemen met haar schoolmeester.
Integendeel. Hij maakte haar verblijf in de combiklas juist draaglijk, want
veel van de kinderen waarmee Sabine vanaf groep 2 intensief had opgetrokken
waren niet bij haar in de combiklas 5 en 6 terecht gekomen, maar in de complete
groep 5. Vandaar dat ze ’s ochtends op school stug naar de buurtjes bleef
lonken zonder het vooruitzicht om onder haar vaste stekje bij Jeewee uit te
komen. Jade de interne coördinatrice was niet te vermurwen. Sabine was nou een
maal in groep 5 van de combinatieklas neergezet en afspraak is afspraak. Zarah
was er toch ook nog? En zo’n combiklas zou juist stimulerend werken op het
leervermogen van Sabine. In de combiklas was ze immers maar een maantje tussen
voornamelijk zonnetjes? Het kleine maantje zou kunnen opgaan in de
overweldigende straling van het zonnelicht en uiteindelijk verdwijnen! Want dat
voornamelijk zonnetjes in de combiklas geplaatst zouden zijn, was inmiddels een
algemeen gedeeld geheim dat veel scheve ogen van buitenstaanders opriep. Daarom
mocht Sabine zich wel gelukkig prijzen tussen het puikje. Alleen pientere kinds
konden de uitdaging aan van een combiklas met een leerkracht - Jeewee in dit
geval – die de aandacht consequent over twee verschillende leeftijdsgroepen
verdelen moest. De maantjes en sterretjes in de combiklas waren niet voor niks
op de vingers van één hand te tellen. Niet zo gek dus dat Thea er tijdens het
wegbrengen, elke schooldag opnieuw, de klok op gelijk kon zetten dat Sabine bij
de buren binnen wipte. Even een praatje maken met haar vroegere klasgenootjes
in de complete groep 5, of - zo men wil in de lijn van de interne
coördinatrice Jade - met haar
gelijkgestemde medemaantjes.
Al het begin
is moeilijk en daar kwam nog bij dat Sabine in de eerste week van groep 5 haar
8ste verjaardag vierde. Omdat Bart en Thea niet langer
machteloos wilden toezien op de ontwenningsverschijnselen van de overgang van
groep 4 naar combi-5 van hun dochter, mocht Sabine zoveel kinderen op haar
verjaardagsfeestje uitnodigen als ze maar wilde. Allemans vriendinnetje Sabine
nodigde in totaal 20 kinderen van De Wielewaal uit die allemaal naar
speelparadijs de Dolle Dries mochten komen voor een woensdagmiddagje zwemmen en
spelen in de open lucht met een frietje, limonade, een kinderijsje en een
snoepzak toe. De 8 meisjes uit de nieuwe combinatieklas kregen een uitnodiging
en de overige 12 van de 20 feestgangers kwamen uit de complete groep 5. Die 12
dat waren de oude bekenden van Sabine, waaronder haar beste vriendje Ronnie.
Hij was één van die oude klasgenootjes uit de andere. complete groep 5, waarvan
ze zo moeilijk afstand kon doen en die ze elke morgen op school nog even
persoonlijk in het lokaal van de buren kwam begroeten. Er was maar één meisje
niet op komen dagen. Mathilde; een gedoodverfd zonnetje uit de combinatieklas.
Zo’n huilmeisje dat elke ochtend voor het klaslokaal stond te janken, omdat ze
geen idee had hoe ze een zonnetje moest zijn en blijven.
‘Jeewee is zo
begripvol’, fleemde haar moeder elke ochtend geëxalteerd.
‘Hij ziet er
anders helemaal niet begripvol uit’, vond Thea oprecht.
Jeewee nam
elke morgen voor aanvang van de lessen middenin het oudergewoel
plichtsgetrouw en volgens het protocol naast de pruilende Mathilde – en nog een
stuk of wat treurwilgjes die per dag in aantal fluctueerden - aan de leestafel
plaats met een gezichtsuitdrukking alsof hij liever overal elders wilde zijn
dan in de buurt van een stuk of wat, over het paard getilde, middelmatige
schoolkinderen. Hij liet zich ook bij de minste of geringste flauwe op- of
aanmerking van een geinige papa of een flirterige mama afleiden.
‘Hij is
toevallig heel begripvol naar Mathilde toe’, beklemtoonde de moeder van
Mathilde nogmaals.
‘Ik wist niet
dat je kwaad werd’, grapte Thea.
Maar de moeder
van Mathilde was dus wel kwaad en wel zo erg dat ze haar dochter weghield van
het verjaarspartijtje van Sabine. Niet dat Mathilde gemist werd. Alle andere
genodigden waren namelijk wel op komen dagen. Er zijn maar weinig ouders niet
te porren voor een hele woensdagmiddag vrijaf.
Ondertussen
kwamen Bart en Thea in de Dolle Dries oren en ogen tekort.
‘Dit is
topsport’, hijgde Bart.
Hij was
nauwelijks klaar met het aanduwen van de bootschommels of hij werd alweer door
gillende kinderstemmetjes naar het springkussen gesommeerd.
‘Dit was eens
en nooit weer!’, beloofde Thea hem, terwijl ze het blote ruggetje van Zarah
insmeerde met zonnebrandcrème.
‘Moet ik een
bovenstukje aan in het zwembad?’, vroeg Zarah.
Ze hield met
beide handen haar zwarte krullenbos in een staart omhoog in de lucht.
‘Nee, hoor, je
hebt toch nog geen borstjes’, vond Thea.
‘Maar ik bind
wel even je haar vast. Blijf even zo staan.’
‘Goed’, zei
Zarah afwachtend.
Thea zocht in
haar strandtas op de hoek van een houten picknicktafel naar een borstel en een
elastiekje. Intussen was een bejaard stel in badkleding tegenover elkaar aan
dezelfde tafel aangeschoven. Ze deelden frietjes met mayonaise uit een plastic
bakje dat de man tussen hen ingezet had. Hij was min of meer kaal afgewerkt met
een grijze dons krans. Hij had een driedubbele kin en een bleke bierbuik die
uit zijn neon gele shorts bubbelde. De vrouw torste een enorme boezem in een
voorgevormd bloemetjesprint badpak geperst. Ze was behangen met sieraden en zat
vol in de make-up. Het zilver paarse haar in een strak permanent.
‘Kijk een Turk
zonder jurk!’ deelde hij luidkeels met zijn metgezel.
Hij knikte
naar de rug van Zarah.
‘Kijk dan!’,
beaamde zij.
Met een
opgerolde Story in haar linkerhand waaierde oma zichzelf koelte toe.
Tegelijkertijd tuitte ze haar oudroze rimpellippen en blies gebakken lucht naar
een dampend frietje tussen de duim en wijsvinger van haar rechterhand. De
lengte en de knalrode kleur van haar nagels waren indrukwekkend. Al herkauwend
bestudeerden opa en oma het ranke lijfje van Zarah die met haar rug naar hen
toestond. Nadat ze haar hap eindelijk weggewerkt had, merkte oma doodleuk ook:
‘Of het is een
Marokkaantje. Je ziet het niet. Het verschil.’
‘Is er
verschil dan?’
De aandacht
van opa verplaatste zich weer naar het bakje friet in het midden van de
picknicktafel.
Zarah stond
onbewogen in alleen maar haar bikinibroekje. Toen Thea haar benaderde met de
borstel en het elastiekje werd ze van dichtbij op een paranormale manier de
gespitste oren en de ogen in de rug bij Zarah gewaar. Zarah stond op
scherp. In de nabijheid van Thea liet Zarah in een verlossende reflex haar
krullenbos los. Het zwarte lange haar viel als een defensieve boerka over haar
slanke ruggetje. Thea bespeurde gefriemel in de buurt van haar vrije hand.
Zarah zocht steun. Thea schoot vol. Aangeslagen drukte ze de kleine vingertjes.
Daarna wrong ze haar hand vastberaden los en vlocht de weelderige
haardos zorgvuldig in een compacte knot. Haar tranen slikte Thea in. Tussendoor
zond ze woeste blikken naar het zure koppel.
‘Konden
blikken maar doden!’, wenste ze de oudjes hardop toe.
Betrapt keek
het duo weg. Zarah kwam steeds dichter tegen Thea aan staan. Het gracieuze
lijfje trilde in een toenemende mate ondanks de broeierige hitte. Thea voelde
zich totaal lamlendig.
‘Kom je nog,
Zarah!’ kirde Sabine monter vanuit de verte boven alle schelle kindergeluiden
in de zinderende atmosfeer van de Dolle Dries uit.
Ze rees bruin,
bruisend en nat op uit het kikkerbadje en hield uitnodigend een strandbal aan
de onbewolkte zomerhemel. De rood met witte stippen schitterden in de zon.
Gelouterd ontwaakte Zarah uit haar trance:
‘Ik kom
eraan’, beloofde ze.
‘Doe jij maar
eerst effe lekker een bovenstukje aan’, troostte Thea verlost.
Een week
na de verjaardag van Sabine was de schitterende afwezigheid op haar feestje met
de naam Mathilde aan de beurt. Mathilde werd ook 8 jaar, maar om één of andere
reden werd er meer notitie van deze verjaardag genomen dan van de geboortedag
van Sabine. ’s Ochtends tijdens het wegbrengen zag Thea in het lokaal van de
gloednieuwe combiklas 5 en 6 de naam van het allerbeste huilmeisje alias
Mathilde in veelkleurige letters, omringd met foto’s van ballonen, groot op het
digibord staan. De moeder van Mathilde had ook een aankondiging aan de
afbeelding op het digibord toegevoegd. Het was het adres van een dierenpark.
Verder stond er te lezen:
‘Aan de mama’s
en papa’s van alle meisjes van de combinatieklas 5 en 6. Uw dochter is
vanmiddag vanaf 13.00 uur van harte welkom in dierenpark ‘De Groene Heuvels’
ter gelegenheid van de 8ste verjaardag van onze dochter Mathilde. Een mooie
gelegenheid om alle meisjes aan elkaar en de nieuwe samenstelling van groep 5
en 6 te laten wennen. Daarom zal Jeewee ook tot 18.00 van de partij zijn.’
Overrompeld
snelde Thea nog vlugger dan normaal het gebouw van De Wielewaal uit. Er zou
tussen alle verplichtingen van die betreffende woensdagmorgen ook nog een
cadeautje voor Mathilde gekocht moeten worden. Daarbij zou in de gauwigheid nog
een huiswerkbezoek van een leerling die middag om 13.00 uur verzet moeten
worden. Thea kon de kleine Sabine moeilijk in haar eentje met een retourtje op
de trein naar De Groene Heuvels zetten. Tot aan het middaguur rende Thea van
hot naar her om geen tijd te verliezen en om 12 uur stond ze bezweet maar
voldaan klaar om Walter en Sabine op te vangen voor de lunch. Daarna was Thea
vrij om Sabine naar ‘De Groene Heuvels’ te brengen. Het kleinigheidje voor
Mathilde – een vriendinnenboekje van Hello Kitty, waarvan Thea eerst zo naïef
was om te denken dat het getal op het prijskaartje het artikelnummer in plaats
van de absurd hoge prijs was – lag ook al ingepakt en wel te wachten om
weggegeven te worden. Zoals gewoonlijk was Walter veel eerder buiten dan Sabine
en hij zat al in de auto. Hutjemutje blokkeerden de meisjes van de
combinatieklas 5 en 6 de uitgang van de speelplaats. Opgewonden kakelend en
kwetterend uit voorpret over het feestje
bij De Groene Heuvels vergaten ze de tijd en hun ouders en verzorgers die
vertederd stonden mee te genieten. Breeduit lachend kwam Dalila naast Thea
staan:
‘Gekke
grieten. Zeg, Thea, kun jij Zarah anders ook even meenemen naar De Groene
Heuvels? Ik heb vanmiddag een vergadering van de gemeenteraad.’
Bij wijze van
antwoord woelde Thea in haar schoudertas. Ze was haar kattenbelletje met het
adres van het dierenpark kwijt.
‘Als ik het
adres kan vinden wel ja’, zei ze gejaagd toe.
‘Dat adres
staat ook op de uitnodiging’, zei een andere moeder.
‘Welke
uitnodiging? Die op het digibord?’, vroeg Thea verdwaasd.
‘Nee, die
aparte uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds’, wist een hippievader met
teenslippers en een paardenstaart.
‘Ik heb geen
uitnodiging gehad van het Wereld Natuur Fonds!’
Thea begon de
kluts kwijt te raken.
‘Het is ook
geen uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds; het is een kaart van het Wereld
Natuur Fonds. Kijk!’
Dalila drukte
een briefkaart onder de neus van Thea. Op de voorkant stond een baby-olifantje
en in het hoekje het logo met de panda van Het Wereld Natuurfonds. Op de
achterkant werd Zarah in het schoonschrift van Mathilde op persoonlijke titel
uitgenodigd voor een partijtje in dierenpark De Groene Heuvels ter gelegenheid
van haar 8ste verjaardag. Thea draaide de kaart om en om en probeerde zichzelf
te kalmeren:
‘Volgens mij
heeft Sabine zo’n uitnodiging nooit gehad.’
Desondanks
vond de hippievader het nodig om zich verder met de zaken van Thea te bemoeien:
‘Sabine heeft
die uitnodiging wel gehad. Dat moet wel, want alle meisjes van de nieuwe
combinatieklas zijn uitgenodigd.’
‘Alle
meisjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.
‘Alle meisjes
van groep 5 sowieso en zelfs van groep 6’, beweerde de hippievader overtuigend.
Opgehitst hief
Thea de uitnodiging van Zarah in de lucht en riep naar Sabine:
‘Sabine heb
jij ooit zo’n uitnodiging gehad!?’
Gealarmeerd
kwam Sabine dichterbij om de uitnodiging van Zarah goed te kunnen bekijken.
‘Nee’, besloot
ze; ‘Nooit gehad.’
Grimmig baande
Thea zich een weg naar de moeder van Mathilde die met een groepje ouders stond
te ginnegappen.
‘Zeg Greet;
Sabine heeft deze uitnodiging nooit gehad?’
‘Nee, dat kan kloppen’, antwoordde de moeder
van Mathilde met een afgeknepen stemmetje en net iets te snel.
Ineens waren
alle ogen op het speelplein op Thea gericht. Iedereen was gestopt met keuvelen
en Thea voelde zich draaierig worden. Ze had een gewaarwording waarbij het leek
alsof ze in een bubbel terecht gekomen was. Een luchtbel waarin de druk steeds
sneller steeg en het zuurstofgehalte afnam. Het geklop in haar slapen nam
hinderlijke vormen aan en ze kreeg het benauwd. De bubbel dreigde per seconde
krachtiger uiteen te barsten en Thea hield zich ternauwernood staande tussen de
zwijgende meerderheid. De tijd om haar oren te geloven en de realiteit te
bevatten ontglipte haar. Geluid maken lukte vreemd genoeg wel min of meer. Thea
recapituleerde. Ze scherpte haar stem aan de holle leegte om haar heen:
‘Dus Sabine is
het enige meisje uit de nieuwe combinatieklas 5 en 6 dat niet op de verjaardag
van Mathilde is uitgenodigd?’
De vader van
Mathilde stond er ook bij. Hij hield zich meestal afzijdig. Soms als hij zich
veilig waande dan gluurde hij met zijn röntgenblik de moeders om zich heen uit
de kleren. Ook Thea voelde zich vaak onheus door hem bejegend. Non verbaal wel
te verstaan. Voor de verandering trok hij vandaag zijn mond open:
‘Mathilde was
vorige week ook niet op de verjaardag van Sabine.’
Bam! De bubbel
barstte uiteen. Thea hapte naar adem en beet gesterkt door een lading verse
zuurstof van zich af:
‘Mathilde was
wél uitgenodigd bij Sabine. Zij - maar ik denk eerder haar lieve mama - koos er zelf voor om te schitteren door
afwezigheid. Nou kan Sabine de dienst niet terugbetalen, want Sabine kan niet
uit zichzelf wegblijven, want Sabine is niet uitgenodigd door Mathilde of ik
denk eerder door haar lieve mama!’
De röntgenogen
van de vader van Mathilde verwerden tot spleetjes en hij tuitte zijn lippen.
Langzaam maar zeker veranderde zijn focus van Thea naar de moeder van zijn
dochter Mathilde. Hij was duidelijk om de speeltuin geleid. Maar de moeder van
Mathilde zou zich niet laten kennen. Met tegenzin richtte ze zich tot Sabine en
ging voor het oog van alle aanwezigen in het centrum van de speelplaats door de
knieën:
‘Volgende keer
beter, Sabientje; je moet maar zo denken; het kan niet elke week feest zijn!’
Na deze
bevoogdende woorden richtte de moeder van Mathilde zich op, draaide een halve
slag op haar Birkenstocks en blies over haar knokige schoudertje richting Thea:
‘Misverstandje.’
Bekoeld gingen
de ouders met hun kinderen uiteen. Op weg naar De Groene Heuvels. Thea bleef
staan wortelschieten op de stenen tegels met het zicht op Sabine die een paar
meter verderop vereenzaamd op het speelplein verslagen om zich heen keek. De
gebruinde armpjes hingen slap langs het lieve lijfje van dat vertrouwde, kleine
meisje in haar zomerse outfit in felle kleurtjes. De uitgeplozen donkerblonde
vlecht hing op half elf. Zo ook haar rugzakje in de vorm van een zacht groene
troetelbeer. De mollige, stevige beentjes leken verstard in haar smoezelige,
afgetrapte roze K3 sneakers. Op dat moment begon er een melodietje door de op
hol geslagen hersens van Thea te spelen. De tekst was van Annie M.G. Schmidt:
‘Ik zou je het
liefste in een doosje willen doen.’
Thea zou haar
dochter het liefste in een doosje willen doen. Of een andere mama voor haar
willen zoeken. Zo eentje die nooit ruzie zoekt of stomme opmerkingen maakt. Een
normale mama die probleemloos overal bij hoort. Een matchmama.
‘Ik heb nog
een verrassing voor je’, beloofde Thea terwijl ze kalmpjes op haar dochter
afliep.
Hoewel ze
eigenlijk veel liever op Sabine af zou stormen en haar hartstochtelijk tegen
het hart wilde drukken.
‘Toppie’,
antwoordde Sabine automatisch.
‘Een heel duur
vriendinnenboekje van Hello Kitty. Dat heeft niemand anders hier.’
‘Toppie’,
herhaalde Sabine.
Met haar ogen
volgde ze Zarah die als laatste het speelplein verliet. Zarah kon gelukkig nog
op het nippertje met de papa van Lotte uit groep 6 meerijden naar De Groene
Heuvels.
‘Dag Zarah,
dag Lotte’, groette Sabine binnensmonds en daardoor veel te zacht.
Maar dat gaf
niet, want Zarah en Lotte zagen Sabine toch al niet meer staan.
Niet lang na
de communie van Walter kreeg pater Ward van hogerhand een andere bestemming
toegewezen en hij verdween uit het stadsbeeld. Thea volgt hem op facebook. Hij
verricht zendingswerk in het buitenland. Een inspirerend mens. Niet eens zozeer
vanwege zijn religieuze bezieling; maar omdat hij de zeldzame gave bezit om te
differentiëren tussen mensen zonder te discrimineren. Hij kreeg Walter zover
dat hij, weliswaar onder protest, zonder te haperen voorlas in de kerk tijdens
zijn communie en Sabine mocht solo zingen. Op voorspraak van pater Ward
speelden de kinderen van Thea zelfs de rollen van Jozef en Maria in het
kerstspel tijdens de kindermis. Onvergetelijk blijft de ontwapenende
schaterlach van Walter alias Jozef tijdens de kerstvoorstelling. Eén van de
mede communicanten was verkleed als herdertje en had de opdracht om een
kartonnen ster op een steeltje in de lucht te houden bij wijze van uithangbord
voor de alom bekende bezoekers aan het stalletje. Je zag het kleine herdertje
op het altaar vechten om de boel stabiel in de lucht te houden; maar de
zwaartekracht liet de metafoor voor de heilige nacht met een klap op de kruin
van Jozef terecht komen. Een seconde lang hield het publiek in de kerkbanken de
adem in; niemand zou die arme Jozef na die optater een huilbui verweten hebben.
Langzaam begon Walter geluid te maken. Steeds krachtiger lachgaste zijn
aanstekelijke bulderbulk als een aangeslagen crossmotortje door de kerk.
Opgelucht lachten de kerkgangers met Walter mee.
Ondertussen
werd Sabine digitaal vereeuwigd terwijl ze opging in haar rol als poppenmoeder
Maria met het kindje Jezus. Voor de gelegenheid had Sabine haar babyborn in
bruikleen gegeven en op advies van Ingrid zonder poppenkleertjes in een witte
lap gewikkeld. Toen het moment was aangebroken dat de 3 wijzen uit het Oosten
een blik op het kindje Jezus kwamen werpen; rukte Maria welwillend haar
pasgeborene aan het plastic linkerbeen uit de kribbe teneinde haar gasten een
goed beeld te kunnen geven van de baby. Naakt en wel bungelde het kindje Jezus
langer dan nodig aan één poppenbeen aan de hand van Maria in de gewijde
kerklucht. Als Sabine op dat moment niet uit haar rol was gevallen dan was de
cruciale fout nog wel gauw, gauw te verdoezelen geweest. Maar Sabine bleef
verstijfd, in haar respectloze houding, met het naakte kindje Jezus op zijn
kop, niet begrijpend turen in de richting van regisseuse Ingrid
die in de sfeerverlichting stond opgesteld in een hoekje van de kerk
achter het altaar. Ingrid gesticuleerde als een malle en haar witte
reflecterende blousemouwen, als noodsignalen voor een rampscenario, trokken
niet alleen de aandacht van Maria, maar van iedereen in de kerk. Het duurde
even alvorens een beschaamde Maria zich aangesproken voelde en ze haar babyborn
betrapt terug in de witte lap rolde. Een tweede lachsalvo galmde door de kerk.
De kinderen van Bart en Thea vielen in de smaak bij het grote publiek. Tot
ongenoegen van Ingrid aan de zijlijn. In tegenstelling tot pater Ward had zij
wel specifieke voorkeuren ontwikkeld en die golden niet voor Walter en Sabine.
Dat liet ze merken ook. Met name aan Thea, die niet veel meer aanmoediging
nodig had om zich direct na de communie van Walter terug te trekken uit het
kerkleven. Als de wiedeweerga weer ondergaan in de echte wereld. Haar doel was
bereikt. Een pregnante geloofsbeleving voor en met haar kinderen.
‘Moet je nou
ook elke zondag verplicht naar de kerk?’, vroeg een wereldvreemde moeder op een
onbewaakt moment op de speelplaats.
‘Zeker’, loog
Thea met een uitgestreken gezicht.
De moeder van
Zarah stond er ook bij met zo’n houding alsof ze ver boven de ongelovigen om
haar heen verheven was. Ook boven Thea. Maar dat had Thea helemaal aan zichzelf
te danken. Vond Dalila, want Thea was zich van geen kwaad bewust. Ze had gewoon
gevraagd waarom Zarah zoveel moeite leek te hebben met de communie van Sabine
en nou was Dalila in haar eer aangetast. Waar haalde Thea überhaupt het gore
lef vandaan om kritiek te uiten op de geloofsbeleving van een klein,
islamitisch meisje dat zich bij vreemden zogenaamd tijdens de hele middagpauze
in de toiletgelegenheid zou hebben opgesloten uit frustratie. Dalila kon hier
heel kort over zijn; in de eerste plaats kende zij maar één geloof; de Islam,
maar één profeet, Mohammed en maar één Allah en dat gold uiteraard ook voor
haar kroost.
‘Tsja en wat
een boerin niet kent dat vreet zij niet’, wierp Thea er tegen beter weten fluks
tussenin.
Ten tweede
vond Dalila het niet normaal en niet erg hygiënisch om pocketgames open en
bloot op het toilet te laten rondslingeren. Op die toer moest Thea er ook niet
raar van staan te kijken dat toiletbezoekers in de verleiding kwamen om dan
maar zo lang mogelijk de w.c. te bezetten.
‘Heb jij dat
verteld? Nou krijgt Zarah vet straf’, riep Sabine, nadat Thea haar hart gelucht
had bij Bart tijdens het avondeten.
‘Hoe kom je
daar nou bij?, vroeg Thea afgeleid.
‘Zarah mag
vast niet de hele middag op de w.c. zitten van haar moeder.’
‘Het w.c.’,
verbeterde Walter.
‘De w.c., toch
mama?’, vroeg Sabine verontwaardigd. Zij was meestal iets vlugger op taalgebied
dan Walter. Thea deed haar best om geslachtsneutraal te blijven.
‘Het is wel
‘het water closet’ en niet ‘de water closet’, peinsde Thea.
‘Zie je wel’,
triomfeerde Walter.
Maar Thea was
nog niet uitgepraat:
‘Maar in de
volksmond gebruiken we toch ‘de w.c.’.’
Nu was het de
beurt van Sabine om te zegepralen:
‘Dissed
jonguh!’
‘Waarom zou
Zarah trouwens straf krijgen? Alleen maar omdat ik verteld heb dat ze hier de
hele middagpauze op het toilet heeft gezeten? Da’s toch niet de moraal van mijn
anekdote? Van mij mag Zarah hier best de hele middagpauze op de w.c. zitten. De
reden waarom is alleen een ander verhaal.’
Thea zocht
steun van Bart, maar ze kreeg het niet voor elkaar om oogcontact met
hem te maken. Hij prakte zijn eten met zoveel overgave dat zijn volledige
aandacht opgesoupeerd werd. Sabine verklaarde zich nader:
‘De moeder van
Zarah is super schoon.’
Thea voelde
zich aangesproken:
‘Oh, en ik
niet?’
Bart besloot
om zich ook eens met de lopende zaken te gaan bemoeien:
‘Niet zoals
die moeder van Zarah.’
‘En dat kan
jij beoordelen; omdat?’
‘Dat is een
gevoel.’
‘Waarom? Omdat
ze Marokkaanse is? Is ze daarom een betere huisvrouw?’
‘Nee, niet
omdat ze een Marokkaanse is!’
Nou keek Bart
zijn vrouw wel aan. Zijn ogen spoten vuur. Acuut begonnen bij Thea tranen van
kwaadheid en vernedering gevaarlijk te branden, maar ze verbeet zich. Wat dacht
Bart wel niet.
‘Wat ‘voel’
jij dan wat ik niet voel als je in de buurt van Dalila komt?’, wilde ze in een
niet mis te verstane aanloop naar razernij weten
‘Als ik in de
buurt van Dalila kom dan voel ik een bekrompen dame; een control freak met
smetvrees. En ik weet trouwens niet waarom jij en ik nou ineens weer ruzie
hebben met elkaar’, gromde Bart heetgebakerd.
‘Nou je het
zegt. Dalila komt niet erg relaxed over, nee!’, bond Thea in.
Op stel en
sprong zakte haar bloeddruk weer naar een normaal niveau. Gekalmeerd richtte ze
zich tot Sabine en vroeg zogenaamd langs haar neus weg:
‘Is het dan zo
schoon bij Zarah thuis?’
‘Gewoon’,
schokschouderde Sabine, terwijl ze de groente over haar bord verspreidde zodat
het net leek alsof ze een paar hapjes gezond gegeten had.
‘Schoner dan
bij ons?’
Sabine zette
een glas water aan haar lippen en schudde het hoofd. Na de laatste slok zei ze:
‘We moeten
altijd stil zijn bij Zarah thuis.’
‘Waarom?’
‘Dan slaapt
haar moeder.’
‘Toch niet
altijd? De moeder van Zarah heeft toch een baan?’
‘De moeder van
Zarah denkt dat ze een prinsesje op de erwt uit duizend en één nacht is.’
Dat was Bart
weer. Thea vond hem bevooroordeeld:
‘Hoezo? Ze
heeft een baan als gemeentefunctionaris en ze zit in de gemeenteraad voor de
PvdA.’
Bart zweeg en
bestookte Thea met zo’n blik van:
‘Ik zeg niks
meer.’
‘Op een keer
sliep ze niet en toen werd ze boos op me’, bekende Sabine.
‘Waarom. Omdat
je haar wakker had gemaakt?’
Opnieuw was
Thea op haar teentjes getrapt. Als zij Dalila niet kon aanspreken over Zarah
zonder een gratis cultuurcursus; dan mocht miss moslima haar Sabientje ook niet
vrijuit bekritiseren.
‘Nee; we aten
boterhammen aan tafel en ik deed dit.’
Ter
illustratie begon Sabine uitvoerig haar mes schoon te likken.
‘Maar dan zat
er Nutella aan’.
‘En toen?’,
vroeg Walter gefascineerd.
‘Toen begon
haar moeder te gillen’, antwoordde Sabine gemoedereerd.
‘Ze zei dat ik
een vies varken was.’
‘Nou, da’s in
ieder geval een heel slim dier’, grinnikte Bart.
Thea was
alleen maar verbouwereerd. Met een liefdevol gebaar vlijde ze een haarlok, die
net niet in de appelmoes hing, achter het oor van haar dochter en vroeg vol
empathie:
‘Waarom heb je
dat niet eerder verteld?’
‘Vergeten.’
‘Zie je nou
wel dat de moeder van Zarah gestoord is’, stelde Bart voor eens en altijd vast.
‘Wat heb je
toen gedaan?’
Thea had
intens medelijden met haar kleine meisje. Sabine was pas 7 jaar. Zevenjarige
kinderen worden geacht om te leren van ondoordachte foutjes zoals;
veel te lang met een gamecomputertje bij een gastgezin op het toilet zitten; of
tijdens het uit eten bij een ander een keukenmes besmeurd met chocoladepasta
schoonlikken.
‘Ik heb niets
gedaan’, antwoordde Sabine onaangedaan en ze vervolgde droog:
‘Zarah zei dat
haar moeder wel vaker zomaar boos werd. Dus.’
Walter keek
Sabine niet begrijpend aan:
‘Dus?’
‘Boeien!’,
verduidelijkte Sabine.
‘Ik ben trots
op je meid’, schaterde Bart.
Ondanks de
antipathie van Thea voor Dalila en andersom, bleef de vriendschap tussen hun
dochters in de loop van de basisschooljaren op De Wielewaal voortkabbelen. De
twee meisjes werden chronisch en vaak tegen hun zin op elkaar teruggeworpen
door de exclusieve omstandigheden op een witte school. Zowel Zarah als Sabine
kwamen na groep 4 van juffrouw Dorien in een combinatieklas van 5 en 6 van
meester Jan Willem terecht en in deze groep werd de denkbeeldige driedeling
tussen geniale zonnetjes, middelmatige maantjes en afgeschreven sterretjes pas
echt nageleefd. Uiteraard onder supervisie van de opperouders ter verzekering
van een voorkeursbehandeling voor hun kroost. Naar verluid zou het in de
combinatieklas van meester Jan-Willem wemelen van de plusgroep kandidaatjes.
Allemaal zonnetjes dus die op een wachtlijst voor de plusgroep terecht kwamen
daar de club voor intelligente kinderen op De Wielewaal een plafond van 30
genieën kende. Dit bij gebrek aan leerkrachten. Alleen maantje Sabine en
maantje Zarah uit groep 5 van de combiklas 5 en 6 stonden samen met een stuk of
4 misplaatste sterretjes niet op de beruchte wachtlijst voor hoogbegaafden.
Aldus raakten Zarah en Sabine noodgedwongen op elkaars steun aangewezen in de
competitieve sfeer die de combiklas 5 en 6 van meester Jan-Willem kenmerkte.
Het werd maar niet gezellig in de groep. Meester Jan-Willem scheen echter niet
te doorzien dat hij de situatie niet verbeterde door steeds beter naar de
pijpen van de opperouders te dansen.
Er werd
onophoudelijk gepusht en gepromoot door de opperouders. ’s Morgens tijdens het
wegbrengen, in de middagpauze, ‘ s middags bij het ophalen, aan de telefoon, in
de mail; de opperouders doken overal op om Jan-Willem hun wil en wet op te
leggen. Je zou bijna medelijden met hem gekregen hebben ware het niet dat
normale ouders vonden dat een schoolmeester toch in staat mocht worden geacht
om zijn eigen boontjes te doppen. Wie nam trouwens opperouders serieus?
Achteraf een cruciale fout, want je kunt wel openlijk anti-plusgroep zijn,
zoals de ouders van Sabine, maar daarmee was het sprookje van de maakbare
geniale basisschoolleerling de wereld nog niet uit. Volgens de gangbare roddels
was hier bij Bart en Thea overduidelijk sprake van de kift. Natuurlijk. En de
ouders van Zarah hadden al helemaal geen recht van spreken.
De papa van
Zarah woonde sinds zijn scheiding weer terug in Marokko. Hij was hertrouwd met
een inheemse dame met wie hij eindelijk een lang verwachte, zeer begeerde zoon
en stamhouder had weten te produceren. Hij keek nauwelijks nog naar zijn
dochters in Nederland om. Daar kwam nog bij dat de mama van Zarah heel druk was
met de ontplooiing van haar eigen ik. Zodoende schoot de opvoeding van Zarah -
haar jongste telg - er weleens bij in. Laat staan dat Dalila tijd had om zich
bij de opperouders van De Wielewaal in te werken. Zarah zat nog geen maand bij
meester Jan-Willem in de klas of haar moeder kreeg een relatie met een
generatiegenoot van Bart en Thea. Sindsdien investeerde de jeugdige Dalila al
haar vrije tijd baatzuchtig in haar tandarts met een Nederlandse, gereformeerde
achtergrond, een ex-vrouw, twee volwassen zonen en een bloeiende praktijk. Haar
tweede huwelijk en haar vierde kindje waren op komst. Twee geloven op één
kussen en dan sliep daar straks ook nog eens een handenbinder tussen. Dus moesten
de andere twee tienerdochters van de zwangere Dalila zolang maar een beetje
zorgzaam zijn voor de kleine Zarah. Geen basis voor een toekomstige
plusgroepleerlinge op De Wielewaal dus.
Al na een week
in het nieuwe schooljaar van de combigroep 5 en 6 vonden de ouders het leuk om
meester Jan-Willem om te dopen tot Jeewee. Meester Jan-Willem had
geen bezwaar, want hij was in de voorafgaande jaren op De Wielewaal al lang aan
de bijnaam gewend geraakt. De kinderen van het nieuwe schooljaar uit de
combigroep 5 en 6 moesten nog wel even overtuigd worden van de traditie, maar
de ouders hielden voet bij stuk en na een week of 3 sprak niemand op De
Wielewaal meester Jan-Willem nog fatsoenlijk op zijn roepnaam aan. Zelfs de
collega’s van Jeewee en directrice Willy hielden de traditionele bijnaam van
Jan-Willem in ere om terreur van heerszuchtige ouders te beletten. Jeewee kwam
sowieso over als een man die zich dag in, dag uit in allerlei bochten wrong om
ellende te voorkomen. In zijn vergeefse pogingen om overal onderuit te komen
werd hij in geen tijd volledig in beslag genomen door een stuk of wat
tirannieke ouders en hun volgelingen. In plaats van dat de interne
coördinatrice deze horrorouders terugfloot, was Jade juist de spil van het
plusgroep complot, want niemand anders dan zij kon hoogbegaafdheid kweken. Tot
dan toe zou een normaal denkend mens toch gezworen hebben dat intelligentie en
domheid persoonsgebonden eigenschappen zijn. Zoals de kleur van iemands
ogen, lichaamsbouw, een vingerafdruk of zoiets als aanleg. Alleen omkeerbaar
door kunstgrepen. Denkelijk was Jade te ver heen om haar leugen los te laten
voor de banaliteiten des levens. En met haar een heleboel wanhopige ouders met
een vervormd, maakbaar wereldbeeld waarin hun schatten van ongecompliceerde,
gewone kinderen niet speciaal genoeg waren. Jade wierp zich vol overgave en
overtuiging op als; de redster in nood; de reïncarnatie van Florence
Nightingale; de moeder aller moeders; het middelpunt van de belangstelling en
De Wielewaal. Jade zou de uitverkoren kinderen geniaal maken in de plusgroep.
Jeewee zou het voorwerk doen. Jade had de touwtjes strak in handen en Jeewee
speelde het spelletje mee. Hij was de populaire gast. Niet te oud en niet te
jong. De verdrietige clown. De gekke bekkentrekker. Het naïeve kind onder de
kinderen, maar stiekem het stereotype van een verdomd goede onderwijzer. Dat
was een algemeen gedeeld geheim, want Jeewee wist hoegenaamd van
niks en kwam van nergens. Zolang hij maar geen heisa kreeg en elke schooldag na
de laatste bel de deur achteloos en zelfvoldaan achter zich kon sluiten.
Vanaf het
allereerste moment dat Sabine in de combiklas zat was ze onrustig. Thea had na
het wegbrengen ’s morgens in De Wielewaal haar rug nog niet gekeerd of Sabine
lichtte haar hielen. Vanuit haar ooghoeken zag Thea haar dochter wegschieten in
het buurtlokaal van de andere groep 5. Jeewee was nooit getuige van de
dagelijkse vlucht van Sabine, want hij was altijd omringd door ouders. Door
precies op de lestijd weer op haar plekje in het lokaal van de combiklas 5 en 6
terug te keren, zorgde Sabine er kennelijk voor dat ze onopgemerkt bleef door
Jeewee. Zo klein als ze was maakte Sabine zich pas zichtbaar als het
erop aankwam. Zo kon ze ongestoord haar gang blijven gaan. Juist bij Jeewee die
elke ochtend vlak voor aanvang van de lessen verdronk in de aandacht van
ouders. Bijna net zoals meester Gijsbert uit groep 3 van Walter zich in het
verleden in de dubieuze belangstelling van het merendeel van de verzorgers van
De Wielewaal had kunnen wentelen. Het verschil was dat Jeewee zich geen
passende houding wist aan te meten. De verkrampte uitdrukking van zijn pose
verried het schoolverleden van een eenzame jongeling. Jeewee was nooit de
populaire durfal geweest die hij zo graag had willen zijn. Tenminste dat was
zijn uitstraling. Hij zag eruit als een opgewaardeerde antiheld met een
minderwaardigheidscomplex. Jeewee vond zichzelf ontegenzeglijk een onbeduidend
mannetje tot aan het kantelpunt van zijn intrede als onderwijzer op De
Wielewaal. Sindsdien moest hij van de ene op de andere dag wel leren omgaan met
opdringerige ouders als een vervelende bijkomstigheid van het onderwijswerk met
kinderen in een leeftijdscategorie waaraan hij tenminste kon relateren. En
hoewel hij de vermeende eensgezindheid van de verzorgers zichtbaar op een
kinderlijke manier wantrouwde, deed hij er alles aan om te voorkomen dat hij de
mist in kon gaan. Hij voelde zich niet thuis bij grote mensen, maar hij
doorstond hun aanwezigheid, want zodra hij de deur van het klaslokaal achter
zich dicht trok was hij als een vis in het water. Op zijn leerlingen kwam hij
dan ook allesbehalve onwetend, onbetrouwbaar of onprofessioneel over.
‘Jeewee is
raar’, merkte Sabine wel regelmatig op.
En dan zei
Walter geheid:
‘Hij heet
eigenlijk Jan-Willem toch?’
Volgens Thea
was Jeewee gewoon nooit volwassen geworden. Daar besloot ze het maar bij te
laten, want Sabine had geen problemen met haar schoolmeester.
Integendeel. Hij maakte haar verblijf in de combiklas juist draaglijk, want
veel van de kinderen waarmee Sabine vanaf groep 2 intensief had opgetrokken
waren niet bij haar in de combiklas 5 en 6 terecht gekomen, maar in de complete
groep 5. Vandaar dat ze ’s ochtends op school stug naar de buurtjes bleef
lonken zonder het vooruitzicht om onder haar vaste stekje bij Jeewee uit te
komen. Jade de interne coördinatrice was niet te vermurwen. Sabine was nou een
maal in groep 5 van de combinatieklas neergezet en afspraak is afspraak. Zarah
was er toch ook nog? En zo’n combiklas zou juist stimulerend werken op het
leervermogen van Sabine. In de combiklas was ze immers maar een maantje tussen
voornamelijk zonnetjes? Het kleine maantje zou kunnen opgaan in de
overweldigende straling van het zonnelicht en uiteindelijk verdwijnen! Want dat
voornamelijk zonnetjes in de combiklas geplaatst zouden zijn, was inmiddels een
algemeen gedeeld geheim dat veel scheve ogen van buitenstaanders opriep. Daarom
mocht Sabine zich wel gelukkig prijzen tussen het puikje. Alleen pientere kinds
konden de uitdaging aan van een combiklas met een leerkracht - Jeewee in dit
geval – die de aandacht consequent over twee verschillende leeftijdsgroepen
verdelen moest. De maantjes en sterretjes in de combiklas waren niet voor niks
op de vingers van één hand te tellen. Niet zo gek dus dat Thea er tijdens het
wegbrengen, elke schooldag opnieuw, de klok op gelijk kon zetten dat Sabine bij
de buren binnen wipte. Even een praatje maken met haar vroegere klasgenootjes
in de complete groep 5, of - zo men wil in de lijn van de interne
coördinatrice Jade - met haar
gelijkgestemde medemaantjes.
Al het begin
is moeilijk en daar kwam nog bij dat Sabine in de eerste week van groep 5 haar
8ste verjaardag vierde. Omdat Bart en Thea niet langer
machteloos wilden toezien op de ontwenningsverschijnselen van de overgang van
groep 4 naar combi-5 van hun dochter, mocht Sabine zoveel kinderen op haar
verjaardagsfeestje uitnodigen als ze maar wilde. Allemans vriendinnetje Sabine
nodigde in totaal 20 kinderen van De Wielewaal uit die allemaal naar
speelparadijs de Dolle Dries mochten komen voor een woensdagmiddagje zwemmen en
spelen in de open lucht met een frietje, limonade, een kinderijsje en een
snoepzak toe. De 8 meisjes uit de nieuwe combinatieklas kregen een uitnodiging
en de overige 12 van de 20 feestgangers kwamen uit de complete groep 5. Die 12
dat waren de oude bekenden van Sabine, waaronder haar beste vriendje Ronnie.
Hij was één van die oude klasgenootjes uit de andere. complete groep 5, waarvan
ze zo moeilijk afstand kon doen en die ze elke morgen op school nog even
persoonlijk in het lokaal van de buren kwam begroeten. Er was maar één meisje
niet op komen dagen. Mathilde; een gedoodverfd zonnetje uit de combinatieklas.
Zo’n huilmeisje dat elke ochtend voor het klaslokaal stond te janken, omdat ze
geen idee had hoe ze een zonnetje moest zijn en blijven.
‘Jeewee is zo
begripvol’, fleemde haar moeder elke ochtend geëxalteerd.
‘Hij ziet er
anders helemaal niet begripvol uit’, vond Thea oprecht.
Jeewee nam
elke morgen voor aanvang van de lessen middenin het oudergewoel
plichtsgetrouw en volgens het protocol naast de pruilende Mathilde – en nog een
stuk of wat treurwilgjes die per dag in aantal fluctueerden - aan de leestafel
plaats met een gezichtsuitdrukking alsof hij liever overal elders wilde zijn
dan in de buurt van een stuk of wat, over het paard getilde, middelmatige
schoolkinderen. Hij liet zich ook bij de minste of geringste flauwe op- of
aanmerking van een geinige papa of een flirterige mama afleiden.
‘Hij is
toevallig heel begripvol naar Mathilde toe’, beklemtoonde de moeder van
Mathilde nogmaals.
‘Ik wist niet
dat je kwaad werd’, grapte Thea.
Maar de moeder
van Mathilde was dus wel kwaad en wel zo erg dat ze haar dochter weghield van
het verjaarspartijtje van Sabine. Niet dat Mathilde gemist werd. Alle andere
genodigden waren namelijk wel op komen dagen. Er zijn maar weinig ouders niet
te porren voor een hele woensdagmiddag vrijaf.
Ondertussen
kwamen Bart en Thea in de Dolle Dries oren en ogen tekort.
‘Dit is
topsport’, hijgde Bart.
Hij was
nauwelijks klaar met het aanduwen van de bootschommels of hij werd alweer door
gillende kinderstemmetjes naar het springkussen gesommeerd.
‘Dit was eens
en nooit weer!’, beloofde Thea hem, terwijl ze het blote ruggetje van Zarah
insmeerde met zonnebrandcrème.
‘Moet ik een
bovenstukje aan in het zwembad?’, vroeg Zarah.
Ze hield met
beide handen haar zwarte krullenbos in een staart omhoog in de lucht.
‘Nee, hoor, je
hebt toch nog geen borstjes’, vond Thea.
‘Maar ik bind
wel even je haar vast. Blijf even zo staan.’
‘Goed’, zei
Zarah afwachtend.
Thea zocht in
haar strandtas op de hoek van een houten picknicktafel naar een borstel en een
elastiekje. Intussen was een bejaard stel in badkleding tegenover elkaar aan
dezelfde tafel aangeschoven. Ze deelden frietjes met mayonaise uit een plastic
bakje dat de man tussen hen ingezet had. Hij was min of meer kaal afgewerkt met
een grijze dons krans. Hij had een driedubbele kin en een bleke bierbuik die
uit zijn neon gele shorts bubbelde. De vrouw torste een enorme boezem in een
voorgevormd bloemetjesprint badpak geperst. Ze was behangen met sieraden en zat
vol in de make-up. Het zilver paarse haar in een strak permanent.
‘Kijk een Turk
zonder jurk!’ deelde hij luidkeels met zijn metgezel.
Hij knikte
naar de rug van Zarah.
‘Kijk dan!’,
beaamde zij.
Met een
opgerolde Story in haar linkerhand waaierde oma zichzelf koelte toe.
Tegelijkertijd tuitte ze haar oudroze rimpellippen en blies gebakken lucht naar
een dampend frietje tussen de duim en wijsvinger van haar rechterhand. De
lengte en de knalrode kleur van haar nagels waren indrukwekkend. Al herkauwend
bestudeerden opa en oma het ranke lijfje van Zarah die met haar rug naar hen
toestond. Nadat ze haar hap eindelijk weggewerkt had, merkte oma doodleuk ook:
‘Of het is een
Marokkaantje. Je ziet het niet. Het verschil.’
‘Is er
verschil dan?’
De aandacht
van opa verplaatste zich weer naar het bakje friet in het midden van de
picknicktafel.
Zarah stond
onbewogen in alleen maar haar bikinibroekje. Toen Thea haar benaderde met de
borstel en het elastiekje werd ze van dichtbij op een paranormale manier de
gespitste oren en de ogen in de rug bij Zarah gewaar. Zarah stond op
scherp. In de nabijheid van Thea liet Zarah in een verlossende reflex haar
krullenbos los. Het zwarte lange haar viel als een defensieve boerka over haar
slanke ruggetje. Thea bespeurde gefriemel in de buurt van haar vrije hand.
Zarah zocht steun. Thea schoot vol. Aangeslagen drukte ze de kleine vingertjes.
Daarna wrong ze haar hand vastberaden los en vlocht de weelderige
haardos zorgvuldig in een compacte knot. Haar tranen slikte Thea in. Tussendoor
zond ze woeste blikken naar het zure koppel.
‘Konden
blikken maar doden!’, wenste ze de oudjes hardop toe.
Betrapt keek
het duo weg. Zarah kwam steeds dichter tegen Thea aan staan. Het gracieuze
lijfje trilde in een toenemende mate ondanks de broeierige hitte. Thea voelde
zich totaal lamlendig.
‘Kom je nog,
Zarah!’ kirde Sabine monter vanuit de verte boven alle schelle kindergeluiden
in de zinderende atmosfeer van de Dolle Dries uit.
Ze rees bruin,
bruisend en nat op uit het kikkerbadje en hield uitnodigend een strandbal aan
de onbewolkte zomerhemel. De rood met witte stippen schitterden in de zon.
Gelouterd ontwaakte Zarah uit haar trance:
‘Ik kom
eraan’, beloofde ze.
‘Doe jij maar
eerst effe lekker een bovenstukje aan’, troostte Thea verlost.
Een week
na de verjaardag van Sabine was de schitterende afwezigheid op haar feestje met
de naam Mathilde aan de beurt. Mathilde werd ook 8 jaar, maar om één of andere
reden werd er meer notitie van deze verjaardag genomen dan van de geboortedag
van Sabine. ’s Ochtends tijdens het wegbrengen zag Thea in het lokaal van de
gloednieuwe combiklas 5 en 6 de naam van het allerbeste huilmeisje alias
Mathilde in veelkleurige letters, omringd met foto’s van ballonen, groot op het
digibord staan. De moeder van Mathilde had ook een aankondiging aan de
afbeelding op het digibord toegevoegd. Het was het adres van een dierenpark.
Verder stond er te lezen:
‘Aan de mama’s
en papa’s van alle meisjes van de combinatieklas 5 en 6. Uw dochter is
vanmiddag vanaf 13.00 uur van harte welkom in dierenpark ‘De Groene Heuvels’
ter gelegenheid van de 8ste verjaardag van onze dochter Mathilde. Een mooie
gelegenheid om alle meisjes aan elkaar en de nieuwe samenstelling van groep 5
en 6 te laten wennen. Daarom zal Jeewee ook tot 18.00 van de partij zijn.’
Overrompeld
snelde Thea nog vlugger dan normaal het gebouw van De Wielewaal uit. Er zou
tussen alle verplichtingen van die betreffende woensdagmorgen ook nog een
cadeautje voor Mathilde gekocht moeten worden. Daarbij zou in de gauwigheid nog
een huiswerkbezoek van een leerling die middag om 13.00 uur verzet moeten
worden. Thea kon de kleine Sabine moeilijk in haar eentje met een retourtje op
de trein naar De Groene Heuvels zetten. Tot aan het middaguur rende Thea van
hot naar her om geen tijd te verliezen en om 12 uur stond ze bezweet maar
voldaan klaar om Walter en Sabine op te vangen voor de lunch. Daarna was Thea
vrij om Sabine naar ‘De Groene Heuvels’ te brengen. Het kleinigheidje voor
Mathilde – een vriendinnenboekje van Hello Kitty, waarvan Thea eerst zo naïef
was om te denken dat het getal op het prijskaartje het artikelnummer in plaats
van de absurd hoge prijs was – lag ook al ingepakt en wel te wachten om
weggegeven te worden. Zoals gewoonlijk was Walter veel eerder buiten dan Sabine
en hij zat al in de auto. Hutjemutje blokkeerden de meisjes van de
combinatieklas 5 en 6 de uitgang van de speelplaats. Opgewonden kakelend en
kwetterend uit voorpret over het feestje
bij De Groene Heuvels vergaten ze de tijd en hun ouders en verzorgers die
vertederd stonden mee te genieten. Breeduit lachend kwam Dalila naast Thea
staan:
‘Gekke
grieten. Zeg, Thea, kun jij Zarah anders ook even meenemen naar De Groene
Heuvels? Ik heb vanmiddag een vergadering van de gemeenteraad.’
Bij wijze van
antwoord woelde Thea in haar schoudertas. Ze was haar kattenbelletje met het
adres van het dierenpark kwijt.
‘Als ik het
adres kan vinden wel ja’, zei ze gejaagd toe.
‘Dat adres
staat ook op de uitnodiging’, zei een andere moeder.
‘Welke
uitnodiging? Die op het digibord?’, vroeg Thea verdwaasd.
‘Nee, die
aparte uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds’, wist een hippievader met
teenslippers en een paardenstaart.
‘Ik heb geen
uitnodiging gehad van het Wereld Natuur Fonds!’
Thea begon de
kluts kwijt te raken.
‘Het is ook
geen uitnodiging van het Wereld Natuur Fonds; het is een kaart van het Wereld
Natuur Fonds. Kijk!’
Dalila drukte
een briefkaart onder de neus van Thea. Op de voorkant stond een baby-olifantje
en in het hoekje het logo met de panda van Het Wereld Natuurfonds. Op de
achterkant werd Zarah in het schoonschrift van Mathilde op persoonlijke titel
uitgenodigd voor een partijtje in dierenpark De Groene Heuvels ter gelegenheid
van haar 8ste verjaardag. Thea draaide de kaart om en om en probeerde zichzelf
te kalmeren:
‘Volgens mij
heeft Sabine zo’n uitnodiging nooit gehad.’
Desondanks
vond de hippievader het nodig om zich verder met de zaken van Thea te bemoeien:
‘Sabine heeft
die uitnodiging wel gehad. Dat moet wel, want alle meisjes van de nieuwe
combinatieklas zijn uitgenodigd.’
‘Alle
meisjes?’, vroeg Thea voor de zekerheid.
‘Alle meisjes
van groep 5 sowieso en zelfs van groep 6’, beweerde de hippievader overtuigend.
Opgehitst hief
Thea de uitnodiging van Zarah in de lucht en riep naar Sabine:
‘Sabine heb
jij ooit zo’n uitnodiging gehad!?’
Gealarmeerd
kwam Sabine dichterbij om de uitnodiging van Zarah goed te kunnen bekijken.
‘Nee’, besloot
ze; ‘Nooit gehad.’
Grimmig baande
Thea zich een weg naar de moeder van Mathilde die met een groepje ouders stond
te ginnegappen.
‘Zeg Greet;
Sabine heeft deze uitnodiging nooit gehad?’
‘Nee, dat kan kloppen’, antwoordde de moeder
van Mathilde met een afgeknepen stemmetje en net iets te snel.
Ineens waren
alle ogen op het speelplein op Thea gericht. Iedereen was gestopt met keuvelen
en Thea voelde zich draaierig worden. Ze had een gewaarwording waarbij het leek
alsof ze in een bubbel terecht gekomen was. Een luchtbel waarin de druk steeds
sneller steeg en het zuurstofgehalte afnam. Het geklop in haar slapen nam
hinderlijke vormen aan en ze kreeg het benauwd. De bubbel dreigde per seconde
krachtiger uiteen te barsten en Thea hield zich ternauwernood staande tussen de
zwijgende meerderheid. De tijd om haar oren te geloven en de realiteit te
bevatten ontglipte haar. Geluid maken lukte vreemd genoeg wel min of meer. Thea
recapituleerde. Ze scherpte haar stem aan de holle leegte om haar heen:
‘Dus Sabine is
het enige meisje uit de nieuwe combinatieklas 5 en 6 dat niet op de verjaardag
van Mathilde is uitgenodigd?’
De vader van
Mathilde stond er ook bij. Hij hield zich meestal afzijdig. Soms als hij zich
veilig waande dan gluurde hij met zijn röntgenblik de moeders om zich heen uit
de kleren. Ook Thea voelde zich vaak onheus door hem bejegend. Non verbaal wel
te verstaan. Voor de verandering trok hij vandaag zijn mond open:
‘Mathilde was
vorige week ook niet op de verjaardag van Sabine.’
Bam! De bubbel
barstte uiteen. Thea hapte naar adem en beet gesterkt door een lading verse
zuurstof van zich af:
‘Mathilde was
wél uitgenodigd bij Sabine. Zij - maar ik denk eerder haar lieve mama - koos er zelf voor om te schitteren door
afwezigheid. Nou kan Sabine de dienst niet terugbetalen, want Sabine kan niet
uit zichzelf wegblijven, want Sabine is niet uitgenodigd door Mathilde of ik
denk eerder door haar lieve mama!’
De röntgenogen
van de vader van Mathilde verwerden tot spleetjes en hij tuitte zijn lippen.
Langzaam maar zeker veranderde zijn focus van Thea naar de moeder van zijn
dochter Mathilde. Hij was duidelijk om de speeltuin geleid. Maar de moeder van
Mathilde zou zich niet laten kennen. Met tegenzin richtte ze zich tot Sabine en
ging voor het oog van alle aanwezigen in het centrum van de speelplaats door de
knieën:
‘Volgende keer
beter, Sabientje; je moet maar zo denken; het kan niet elke week feest zijn!’
Na deze
bevoogdende woorden richtte de moeder van Mathilde zich op, draaide een halve
slag op haar Birkenstocks en blies over haar knokige schoudertje richting Thea:
‘Misverstandje.’
Bekoeld gingen
de ouders met hun kinderen uiteen. Op weg naar De Groene Heuvels. Thea bleef
staan wortelschieten op de stenen tegels met het zicht op Sabine die een paar
meter verderop vereenzaamd op het speelplein verslagen om zich heen keek. De
gebruinde armpjes hingen slap langs het lieve lijfje van dat vertrouwde, kleine
meisje in haar zomerse outfit in felle kleurtjes. De uitgeplozen donkerblonde
vlecht hing op half elf. Zo ook haar rugzakje in de vorm van een zacht groene
troetelbeer. De mollige, stevige beentjes leken verstard in haar smoezelige,
afgetrapte roze K3 sneakers. Op dat moment begon er een melodietje door de op
hol geslagen hersens van Thea te spelen. De tekst was van Annie M.G. Schmidt:
‘Ik zou je het
liefste in een doosje willen doen.’
Thea zou haar
dochter het liefste in een doosje willen doen. Of een andere mama voor haar
willen zoeken. Zo eentje die nooit ruzie zoekt of stomme opmerkingen maakt. Een
normale mama die probleemloos overal bij hoort. Een matchmama.
‘Ik heb nog
een verrassing voor je’, beloofde Thea terwijl ze kalmpjes op haar dochter
afliep.
Hoewel ze
eigenlijk veel liever op Sabine af zou stormen en haar hartstochtelijk tegen
het hart wilde drukken.
‘Toppie’,
antwoordde Sabine automatisch.
‘Een heel duur
vriendinnenboekje van Hello Kitty. Dat heeft niemand anders hier.’
‘Toppie’,
herhaalde Sabine.
Met haar ogen
volgde ze Zarah die als laatste het speelplein verliet. Zarah kon gelukkig nog
op het nippertje met de papa van Lotte uit groep 6 meerijden naar De Groene
Heuvels.
‘Dag Zarah,
dag Lotte’, groette Sabine binnensmonds en daardoor veel te zacht.
Maar dat gaf
niet, want Zarah en Lotte zagen Sabine toch al niet meer staan.
HOOFDSTUK 18
Op hoge poten
verscheen Thea de volgende morgen aan de leestafel van Jeewee. Hij zou eens
niet gepreoccupeerd zijn met opperouders en treurwilges. Het huilmeisje
Mathilde voorop. Maar Thea liet zich door niets of niemand meer tegenhouden.
‘Kan ik je
even spreken?’
Jeewee had de
neiging om weg te duiken zodra hij Thea in zijn nabijheid wist. Als het
onvermijdelijke dan toch zijn pad sporadisch kruiste dan keek hij haar bij
voorkeur niet recht in de ogen. Het vluchtgedrag van Jeewee herleidde Thea naar
hun allereerste kennismaking op het speelplein. Jeewee zong een liedje van het
beroemde theater en televisie duo voor kinderen: ‘Theo en Thea’. Tamelijk
onorthodox danste hij er publiekelijk een paar zwoele pasjes bij. Naar eigen
choreografe. Wel grappig eigenlijk. In elk geval te verwachten van een
onderwijzer en zeker niet pijnlijk genoeg om er een maand of 3 later nog steeds
een rood hoofd over te krijgen. Toch kleurde Jeewee gegarandeerd in oneindig
veel tinten rood afhankelijk van de intensiteit van zijn contacten met Thea.
Zijn instinctieve gedragspatroon werkte op haar zenuwen. Over zijn
aanstellerige introductie op het speelplein kon een hele berg zand. Vervolgens
zou ze graag op normale voet met de meester van haar dochter willen omgaan.
‘Hij gaat
helemaal voor je’, beweerde Bart vermaakt.
‘Wat een
onzin’, stelde Thea vast.
‘Waarom is dat
onzin? Ik ben toch ook voor je gegaan?’
‘Dat was
wederzijds. Als ik niet gereageerd had, dan zou je gestopt zijn.’
‘Dan zou ik je
nog leuk gevonden hebben.’
‘Jij hebt nog
nooit een rood hoofd gekregen door mijn aanwezigheid. Ook niet bij de eerste
keer. Ik was er toch zelf bij!!’
‘En wat wil je
daarmee zeggen?’
‘Dat Jeewee
zijn zogenaamde romantische gevoelens ook gewoon voor zich kan houden. Met of
zonder rooie kop. Laat hij zijn verliefdheden op een ander projecteren. Iemand
die er gevoelig voor is.’
‘Wat ben je
toch prozaïsch. Trouwens jij bent er toch gevoelig voor?’, betoonde Bart
gelaten.
‘Ik bedoel
natuurlijk dat hij zijn gevoelens op iemand moet projecteren die zijn
verliefdheid beantwoordt.’
‘Dat kun jij
helemaal niet bepalen, Thea’, verkondigde Bart plagerig.
‘Wat verwacht
jij dan? Dat ik me inlaat met Jeewee. Nou sorry hoor, maar als je op me
uitgekeken bent dan zoek ik wel even naar een ander type dan Jeewee als je het
niet erg vindt, maar ook als je het wel erg vindt.’
‘Ik ben niet
op je uitgekeken’, antwoordde Bart droog.
‘Waarom drijf
je me dan in de armen van Jeewee?’
‘Ik drijf je
niet in de armen van Jeewee. Je moet je alleen niet zo druk maken. Volgens mij
is die Jeewee helemaal niet op zoek naar een minnares. Jij bent zijn muze. Hij
aanbidt je! Jij kunt er niets aan doen dat hij jou heeft uitverkoren.’
‘Ik kan zorgen
dat hij me leert kennen, dan heeft hij na 5 minuten door dat er niets te
aanbidden valt.’
‘Werkt niet’,
voorspelde Bart.
Thea werd
ongedurig.
‘Wat werkt dan
wel?’
‘Niets. Je
moet gewoon jezelf zijn en als die Jeewee daar niet mee om kan gaan dan is dat
zijn probleem.’
Maar die
redenatie bood geen harnas tegen de ondefinieerbare betovering die Jeewee
beving in de buurt van Thea. Weerloos voerde hij stukje bij beetje tijdens
iedere ontmoeting de spanning doelloos verder op. Zonder woorden
smeekte hij Thea om zijn stopcontact te zijn. Serieus op hem ingaan was geen
optie voor Thea. Ze zou zich belachelijk kunnen maken. Wat haalde ze zich in
haar hoofd? Overgangsperikelen. Waanbeelden. Ze was toch zeker geen 18jarige
stoeipoes meer of wel? Ze had al opgelet of hij andere vrouwen ook zo
dubbelhartig benaderde. De meeste moeders vielen als een blok voor zijn
clowneske optreden. Over het algemeen werd Jeewee er nog joliger van. De
geinporem. Ook Thea was best bereid om mee te werken aan een versoepeling van
de omgangsvormen door automatisch in een deuk te liggen om de slapstick van
Jeewee. Ze wilde heus weleens uit haar dak gaan. Of net doen alsof. Ze kreeg
echter de kans niet, want Jeewee zag Thea zogenaamd nauwelijks staan, terwijl
zelfs de grootste sociale onbenul kon getuigen dat het tegendeel waar was.
Jeewee stond gewoon tijd te winnen. Hij was een strategie aan het bepalen. Thea
mocht in geen geval iets van zijn adoratie merken. Of juist wel. Jeewee kwam er
nooit uit. Met Thea in het vizier stond hij geheid in dubio. Dat
maakte het niet minder irritant dat zij hem daarom nooit direct te spreken
kreeg. Er was altijd nog wel een wachtende, dwepende of veeleisende ouder voor
haar. Meestal hield Thea haar spreekbeurt voor gezien; maar soms bleef ze
ongedurig staan wachten zonder ooit het gevoel kwijt te raken dat ze van een
soort geheime orde van eenzame moeders dankbaar moest zijn dat ze überhaupt bij
Jeewee op audiëntie mocht. Zo’n leuke man! En Jeewee deed alsof zijn neus
bloedde. Hij had Thea niet nodig! Kijk maar. Telkens waren er honderd en één
lopende bijzaken belangrijker dan die ene vraag of die korte opmerking van Thea
en steeds weer liet Jeewee een andere kant van zichzelf zien. Dan weer
verstrooid, af en toe grappig, zenuwachtig, neurotisch, afstandelijk, toegankelijk,
gedienstig, of kortaf. Allemaal invalshoeken tot een interactie waar geen
neutrale gesprekspartner ook maar een kant mee op kan. Niet eens kwaad worden.
Waarom zou een moeder met goed fatsoen boos worden op iemand die
verliefd op haar zou kunnen zijn? Moest ze een gesprek aangaan met Jeewee over
wat hij voor haar voelde? Over wat zij dacht dat hij voor haar voelde? Hij zou
zijn adoratie liefjes ontkennen en zich heimelijk gestreeld weten door haar
aandacht. Dan zou dat macabere lachje weer om zijn lippen spelen net als die
keer toen haar dochter en zij met tweeën achterbleven bij Jeewee in het
klaslokaal van de combigroep 5 en 6. Basisschool De Wielewaal was uit. Sabine
liet Thea na haar klassentaak een handwerkcreatie zien. Het hing aan de muur.
Sabine en Thea stonden met de ruggen naar Jeewee toe die aan zijn lessenaar
zat. Bij binnenkomst van Thea had hij zich zoals verwacht onzichtbaar gemaakt
achter zijn leesbril en een nakijkschriftje. Slaggelings vulde zijn anders zo
getemperde stem moeiteloos de holle ruimte van het lege lokaal. De nekharen van
Thea rezen ten berde.
‘Ja, ja Thea;
jouw dochter is me toch een creabea, maar ik denk toch dat ik voor jou ga;
mooie Thea.’
‘Je bent echt
raar, Jeewee’, meesmuilde Sabine terwijl ze haar moeder het lokaal begon uit te
loodsen.
‘Ik lach wel,
maar ik vind het niet leuk’, bekende Thea naar waarheid.
Bij wijze van
reactie zond Jeewee haar een korte blik toe die vergezeld ging van een
onheilspellend lachje. Grimmig.
‘Silence of
the lambs’, huiverde Thea in gedachte.
Ze besloot
haar make-up voortaan pas aan te brengen nadat ze de kinderen ’s morgens in de
lokalen van De Wielewaal had afgezet. Haar bovenkleding droeg ze hoog gesloten.
Tevergeefs. Mocht Thea onverwacht passeren dan bleef Jeewee en plein publiek
verstijven. Bij wat meer diepgang in de vorm van een dialoogje in de
schoolgangen of gedurende andere openbare ontmoetinkjes in De Wielewaal
veranderde er ook niets. Jeewee reageerde onveranderlijk spastisch en
onvoorspelbaar op de aanwezigheid van Thea. Het zou een kwestie van een paar
roddels over en weer worden, voordat Thea zich officieel de woede en jaloezie
van wel 20 moeders van De Wielewaal op de hals had gehaald alleen maar vanwege
haar quasi onweerstaanbare verschijning. Thea keek in de spiegel en ze zag
niets bijzonders. In ieder geval geen reden voor een puberale verliefdheid van
een man van bijna 50. Een vlam die ook niet geblust werd in de resterende jaren
van Sabine en Walter op De Wielewaal. En Bart en Thea konden moeilijk hun
kinderen van school halen alleen maar omdat moeder de vrouw geen trek zei te
hebben in een dagelijkse confrontatie met het ideaalbeeld van Jeewee. In het
uitgaansleven zou ze met een grote boog om hem heengelopen zijn.
‘Misschien
lijk ik op zijn moeder’, peinsde Thea.
‘Ja of op zijn
vrouw’, vulde Bart aan.
‘Nee, niet op
zijn vrouw’, vond Thea.
‘Waarom wel op
zijn moeder, maar niet op zijn vrouw?’
Bart begon er
een sport in te zien om Thea wat Jeewee betreft op een dwaalspoor te zetten.
‘Hij heeft
zijn vrouw toch al? Als ik op haar zou lijken dan hoeft hij niet meer verliefd
op mij te worden.’
‘Ja, ja, maar
zijn moeder heeft hij toch ook al? Zelfs nog langer dan zijn vrouw.’
‘Misschien
heeft hij een oedipuscomplex’.
‘Misschien is
hij gewoon verliefd op je.’
‘Vervelend
hoor!’, gaf Thea eindelijk aan zichzelf toe.
Jeewee wist
dan ook niet waar hij het zoeken moest toen Thea aankondigde dat ze hem even
wilde spreken.
‘Dat kan
zeker’, stamelde hij, terwijl hij bewegingsloos bleef zitten tussen de
treurwilgjes en opperouders aan de leestafel.
‘Onder vier
ogen’, had Thea aan haar verzoek toe willen voegen.
Maar naar zijn
zwijmelstaat te oordelen zou hij bij nader inzien tijdens een onderonsje met
Thea weleens in katzwijm kunnen vallen. De facto was niemand in dit geval
gebaat bij privacy. De goegemeente mocht best weten dat Thea niet meer voor
zichzelf in kon staan in de buurt van de moeder van Mathilde.
‘Gisteren was
Sabine het enige meisje dat niet op het verjaarspartijtje van Mathilde was
uitgenodigd’, begon Thea dus maar te spuien waar iedereen bij was.
De opperouders
waren zogenaamd met elkaar in gesprek. Ze deden alsof ze niet meeluisterden.
Huilmeisje Mathilde wilde wat zeggen, maar Jeewee voorkwam net op tijd dat ze
haar mond voorbij zou praten:
‘Even niet,
Mathilde.’
Om oogcontact
te vermijden staarde Jeewee vanuit zijn zithouding glazig over de rand van zijn
leesbril naar omhoog langs de schouder van Thea af die naast hem stond en
verklaarde met gedempte stem:
‘Een
verjaardagsfeestje is een buitenschoolse activiteit. Een leerkracht gaat niet
over de uitnodigingen.’
‘Jij was wel
uitgenodigd heb ik begrepen’, provoceerde Thea.
Alhoewel ze
onwillekeurig veel minder gas gaf dan ze oorspronkelijk van plan was geweest.
Ze kon Jeewee moeilijk verbieden om naar verjaardagsfeestjes te gaan in zijn
eigen tijd. Getroffen trok Jeewee de wenkbrauwen omhoog en zweeg gekweld. Thea
besloot om hem uit zijn droom te helpen:
‘Maar het gaat
hier niet om jou, maar om Sabine. Ik vind dat ze het recht heeft om boos te
zijn.’
Jeewee had
zich hersteld door weer absent voor zich uit te turen. Hij knikte wel
begripvol.
‘Wat wil je
dat ik doe?’
‘Ik wil dat
jij je als een onderwijzer gedraagt’, dacht Thea.
Tegen beter
weten in had ze gehoopt een stichtelijk sulletje van het kaliber
buigrietje toch nog op ideeën te kunnen brengen. Jeewee had zijn kans gehad en
Thea was voorbereid op zijn onvermogen tot kleur bekennen.
‘Momenteel zit
Sabine in het groepje bij Mathilde. Ik wil dat je die 2 uit elkaar haalt en
houdt. Dan maar geen eenheid in de nieuwe combigroep 5 en 6. Ik ben niet
begonnen met roet in het eten gooien.’
De moeder van
Mathilde wrong zich tussen de andere opperouders naar het hoofd van de
leestafel en klampte Jeewee aan.
‘Ik heb een
vraagje’.
‘Ik ben even
in gesprek’, antwoordde Jeewee licht geïrriteerd.
‘Nou zeg,
Jeewee, je hoeft niet zo te doen hoor na gisteren in De Groene Heuvels’,
jeremieerde de moeder van Mathilde luidkeels.
Jeewee werd
pimpelpaars. Tot grote hilariteit van de omringende opperouders.
‘Wat hebben
jullie gisteren uitgevoerd in De Groene Heuvels?’, wilde een grappige papa
weleens weten.
‘Of moet ik
soms zeggen ‘op’ De Groene Heuvels?’
‘Helemaal
niets hoor!’, antwoordde de moeder van Mathilde op zo’n toontje van:
‘Ga door, ga
door; want ik vind het zo leuk.’
‘Ik heb jullie
anders wel een tijdje gemist’, grapte een bakfietspapa.
Een moeder met
touwhaar zette ineens uit volle borst een kinderliedje in:
‘In een groen,
groen, groen, groen knollenland; daar zaten 2 haasjes heel parmant’.
Haar aanzet
ging op in het geroezemoes in het lokaal van de combigroep, maar de vader van Mathilde;
de gluurder met de röntgenogen welteverstaan; stond in de buurt en vulde
de moeder met het touwhaar spoedig met nadruk aan:
‘En de één die
blies de fluitefluitefluit.’
Daarna
eindigden een stuk of wat omstanders gezamenlijk met:
‘En de ander
sloeg de trommel!’
Nou moest
Jeewee toch ook wel lachen ondanks Thea die haar perceptievermogen ernstig in
twijfel stond te trekken. Dit kon niet waar zijn.
‘Geloof het
nou maar’, zei haar realiteitszin.
‘Ik geef het
op en ga naar huis’, besloot haar overlevingsdrang.
Intussen leek
Walter bij juffrouw Toos in groep 4 in rustiger vaarwater terecht gekomen.
Juffrouw Toos was een onderwijzeres van weinig volwassen woorden die volgens de
optekeningen al meer dan 30 jaar op De Wielewaal voor groep 4 stond. Ze had de
uitstraling van een goede fee en het voorkomen van een rockchick uit vervlogen
tijden. Ze liep in ongebleekte indigo spijkerbroeken. Steevast in plooi
gestreken. De soepele jackjes waarin je haar kon uittekenen waren
zienderogen van nappaleer; in plaats van het moderne neppa. Juffrouw Toos droeg
het lange natuurlijk blonde haar met zilvergrijze strepen hoog opgestoken met
behulp van een Indiase haarklem op een manier waarop ze de suggestie wekte dat
ze haar lokken elk moment los zou kunnen schudden. Een angstaanjagende gedachte
daar juffrouw Toos broodmager was en breekbaar leek. Ze gaf van
buiten altoos de indruk dat ze op het punt stond om op te geven en aldus
vroegtijdig met pensioen te gaan. Maar schijn bedriegt. Juffrouw Toos woelde
haar onvaste bos nooit los en ze brak ook niet. Het oude zooitje ongeregeld van
meester Gijsbert was onder de pannen. De gevechten op het speelplein tussen de
beruchte felle ventjes uit de klas van Walter stopten per direct onder
supervisie van juffrouw Toos. En Walter met zijn gecompliceerde aanwezigheid
veroverde vanaf dag 1 in groep 4 een gepokt en gemazeld onderwijzeressenhart.
Maar juffrouw Toos was veel te veel schooljuf om haar voorkeuren te laten
prevaleren. Integendeel. Walter moest aan de slag. Hij deed niets liever. De eerste
twee maanden van het nieuwe schooljaar in groep 4 verliepen dan ook nagenoeg
probleemloos voor Walter. Sporadisch deed juffrouw Toos enthousiast, maar
zakelijk verslag van zijn schoolprestaties en met een gerust hart kon Thea wat
Walter betreft eindelijk een beetje achterover leunen. Mede dankzij de
terughoudendheid van juffrouw Toos ten aanzien van alle ouders en niet alleen
van Thea. Alhoewel het er in het begin wel de schijn van had dat juffrouw Toos
zich extra gewapend had tegen de bemoeienis van juist moeder Thea. Met het oog
op de vele onderonsjes in het leslokaal van groep 3 vorig schooljaar tussen
meester Gijsbert en Thea natuurlijk. Juffrouw Toos had haar borst als het ware
al nat gemaakt. De gemanifesteerde gereserveerdheid van Thea moest dan welhaast
net zo’n prettige verrassing voor juffrouw Toos geweest zijn als vice versa.
Vandaar dat Thea zich deze keer voor de verandering eens geen enkele kopzorgen
maakte over de eerste oudergesprekken van dat schooljaar.
Ontspannen zat
ze op een krukje in de schoolgang vlak bij de dichte deur van het klaslokaal
van Jeewee en wachtte op haar beurt voor het 10 minutengesprek over Sabine.
Daarna zou Walter in het lokaal van groep 4 bij juffrouw Toos besproken worden.
Thea liet de afspraken ieder schooljaar zonder tussentijd te verliezen op
elkaar aansluiten door zich bijtijds in te schrijven voor de 10
minutengesprekken op de intekenlijsten naast de betreffende klaslokalen. Ze was
5 minuten te vroeg en speelde met haar mobiel. Het liefst zou ze even door de
gangramen gluren ter identificatie van de ouders die haar voor waren gegaan.
Het gonzen van gedempte stemmen prikkelden haar nieuwsgierigheid. Ze zou haar
oor rustig en ongegeneerd aan de deur van het lokaal te luisteren hebben gelegd
als ze niet constant gegroet werd door ouderparen die haar op de gang
passeerden.
‘Goede avond’,
knikte Thea telkens kort terug.
De meeste
passanten kende ze niet eens van dichtbij. Het viel haar wel op dat heel veel
papa’s en mama’s gezamenlijk het 10 minutengesprek van hun kind bezochten. Ook
de ouders van wie algemeen bekend was dat ze gescheiden leefden. Maar Thea was
alleen, want Bart had een hekel aan 10 minutengesprekken en dat mocht van zijn
vrouw. Op haar beurt liet Thea zoveel vervelende huis- tuin en keukenklusjes
aan Bart over dat zo’n ouder gesprek in haar uppie in geen vergelijk stond.
Onaangekondigd doemde de interne coördinatrice, onze oude vertrouwde Jade,
achter een voorbijgaand ouderpaar in de schoolgang pal voor Thea op.
‘Ben je er nu
al?’, vroeg ze gejaagd.
‘Wat een
vreemde vraag’, dacht Thea, terwijl ze zittend vanaf haar krukje opkeek naar
Jade die nerveus voor haar oprees.
‘Ik heb zo een
10 minutengesprek met Jeewee en nee ik ben niet te vroeg. Dus.’
Jade luisterde
niet naar het antwoord.
‘Je bent veel
te vroeg hoor. Je hoeft toch pas over een kwartier bij Toos te zijn?’
‘Ja, maar ik
zeg nogmaals dat ik zo meteen eerst een afspraak bij Jeewee heb’, benadrukte
Thea verdwaald.
‘Nou moet je
hier al die tijd gaan zitten wachten.’
Verward keek
Jade om zich heen. Ze deed eerst een stap naar links en besloot toen toch naar
rechts te gaan. Ze verdween in het lokaal van groep 4 een paar deuren verder in
de schoolgang. Niet lang daarna overtrof het geroezemoes in deze gesloten
ruimte de geluidsbarrières rond de avondklok van De Wielewaal. Thea kon
duidelijk drie stemmen onderscheiden; de afgemeten stem van Jade; het
kalmerende geluid van Toos en het schorre doorrookte gekras van Wonderwilma.
Aan de fluctuaties in de intonatie te oordelen waren de drie dames in een
heftige discussie verwikkeld, maar Thea kon niet woordelijk verstaan wat er
gezegd werd. Globaal begreep Thea dat Jade iets van plan was dat Wonderwilma
faliekant tegen de borst stuitte. Juffrouw Toos probeerde de kwestie in der
minne te schikken. Veel tijd om het mysterie te ontrafelen werd Thea echter
niet geboden, want de deur van het lokaal van de combiklas 5 en 6 vloog open
door toedoen van Jeewee die voorop liep om professor G. Pronken en zijn jonge
buitenlandse vrouw uitgeleide te doen. Thea geloofde haar ogen niet. Ze kende
de professor en zijn vrouw alleen van hun zoontje, Marcus, in de groep van
Walter. Walter en Marcus lagen elkaar wel, maar met de professor had Thea al
verschillende keren op de speelplaats publiekelijk in de clinch gelegen. Thea
vond Geert Pronken een blaaskaak. Hoogleraar in de geschiedenis aan de lokale
universiteit of niet. Tot dan toe had ze er geen sjoege van gehad dat het
weledel geleerde echtpaar tevens een dochter – Allagonda – in groep 6 van de combiklas
met Jeewee te bespreken had. Ze begon zich minder relaxed te voelen. De avond
mocht dan nog maar amper begonnen zijn; de merkwaardige wendingen als in een
absurdistische droom logen er nu al niet om. De professor deed alsof Thea niet
bestond en stak zijn neus in de lucht, terwijl hij met een neerbuigend
wegwerpgebaar afscheid van Jeewee nam. Achter zijn rug om probeerde zijn vrouw
stiekem oogcontact met Thea te maken. Ze had het niet makkelijk natuurlijk als
geïmporteerde bruid tussen de opperouders van De Wielewaal. Thea lachte
breeduit naar haar. De professor snoof en Jeewee nam overduidelijk aanstoot aan
het opgeblazen optreden van Gerrit Pronken. Overigens niet uit hoffelijkheid
jegens Thea; want hij verwelkomde haar onnodig geërgerd. Professor Pronken was
nou een maal een irritant individu dat bij niemand in de koude kleren ging
zitten en Jeewee projecteerde zijn emoties zoals gewoonlijk maar weer eens op
zijn favoriete muze Thea. En zij dacht onwillekeurig aan Bart en dat hij haar
zoiets nooit zou flikken.
Het 10 minuten
gesprek van Jeewee met Thea over Sabine leek op een langzame dans van
tegenpolen. Een trage Weense wals die continu haperde, omdat Jeewee aldoor
vergat om de leiding te nemen die Thea hem steeds terug gaf. Hij zat op een
uitbrander te wachten of een handleiding voor Sabine of in ieder geval op iets
anders dan Thea hem te bieden had. Naarmate de 10 minuten vorderden werd Jeewee
steeds losser. Alsof hij de dans ontsprongen was, terwijl Thea bijna overliep
van frustratie. Ze werd over één kam geschoren met de heersende opperouders.
Jeewee zag geen frictie of verschil tussen Thea en de rest. En zo wel dan deed
Thea er niet toe, want haar dochter kwam best mee in de combinatieklas 5 en 6.
Fijn toch? Standaard procedure dus maar? Op die toer begreep Thea tevens steeds
minder van de heersende, onuitgesproken liefdestaal in het verlaten lokaal van
de combiklas 5 en 6. Thea raakte dusdanig gedesoriënteerd van de rondzwevende
onderhuidse dubbele signalen in de beklemmende ruimte, dat ze dichtklapte en zichzelf
niet meer kon zijn. In zo’n gemoedstoestand was Thea niet eens meer in staat om
Jeewee welverdiend lik op stuk te geven vanwege zijn terloopse bewering over
Sabine:
‘Sabine is een
leuk kind om erbij te hebben.’
Zei hij dat
echt? Thea schudde het hoofd. Herstel! Hoezo was haar dochter een leuk kind om
erbij te hebben? Waar bij te hebben? Alleen maar leuk? Toen Sabine geboren werd
draaide de hele wereld van Bart en Thea ondersteboven. Alles veranderde nadat
dat kleine wezentje het eerste ademstootje had geproduceerd. Los van de
navelstreng. Onherroepelijk en duurzaam in het hier en nu. Nog nooit eerder
waren de nachten zo kort en de dagen zo roerig geweest. Sabine is en was de
hoofdzaak van het hedendaagse bestaan; de essentie van de existentie; de spil
van het allerbeste; het neusje van de zalm; de kwintessens van het dagelijkse
reilen en zeilen; zonder Sabine geen leven. Zo’n wensmeisje wordt ernstig
tekort gedaan als ze alleen maar goed genoeg is om leuk ‘erbij’ te hebben. Deze
negatie was zo bot dat Thea zich bijna geroepen voelde om Jeewee naar de keel
te vliegen. Figuurlijk: door hem letterlijk in ieder geval met een snerende
reactie monddood te maken. In het geval van meester Gijsbert was zo’n
wraakactie zonder problemen in geen tijd afgevinkt geweest, maar bij Jeewee
schoten woorden tekort. Het gesprek wilde niet vlotten met als gevolg dat Thea
5 minuten te laat bij haar afspraak met Toos over Walter in het lokaal van
groep 4 arriveerde.
‘Je bent te
laat’, zei Toos waardoor ze meteen verried dat ze zichzelf niet was.
‘Dat is mijn
schuld niet’, sputterde Thea tegen.
Ze voelde zich
heel klein worden. Niet kinderachtig, maar minderwaardig. Jade was ook
aanwezig. Ze zat naast juffrouw Toos achter twee aaneen geschoven lessenaars.
Haar nieuwe carrière look - het stijlvolle mantelpakje met modieuze details -
had het al een maand na de komst van directrice Willy verloren van haar oude,
vertrouwde gele te heet gewassen lamswollen truitje en zwarte polyester
stretchbroek.
‘Ik zit er
even bij’, zei ze.
‘Ik zie het’,
zuchtte Thea.
Ze had geen
verweer.
‘Op dat moment
had je weg moeten gaan aan’, wist Bart achteraf.
Thea
voelde zich alleen maar heel slap worden. De ontspannen toestand aan het begin
van de avond was getransformeerd in vertwijfeling en onbegrip.
‘Wij maken ons
zorgen om Walter’, begon Jade.
Thea merkte
dat ze ergens onderweg terrein verloren was aan Jade. Ze was te vroeg
achterover gaan zitten met het gevolg dat ze tegen haar zin in een sneltrein
terecht gekomen was, waarvan ze de handrem niet kon vinden. Ze had geen
overzicht meer op de dingen om haar heen. De controle op haar kind was op hol
geslagen. Het geruis in haar hoofd werd gekmakend. Ze klampte zich vast aan een
denkbeeldige strohalm. Een mantra.
‘Rustig
blijven, rustig blijven, rustig blijven.’
Teneinde wat
stoom af te blazen blaatte Thea de stelling van Jade na:
‘Wij maken ons
zorgen om Walter.’
Na een korte,
pijnlijke stilte met de gevoelslengte van een uur vroeg ze:
‘Wie zijn
wij?’
‘Wij van De
Wielewaal’, antwoordde Jade eigenmachtig.
Juffrouw Toos
snakte naar adem en drukte een zakdoekbolletje onder haar neusgaten. Ze ontweek
de vragende ogen van Thea.
‘Wilma heeft
het druk’, vervolgde Jade gemelijk.
‘Hou op Jade’,
riep Thea.
Het eeuwige
gemanipuleer van Jade lag zo dik op haar geslijm, gelieg, getrek en gedraai dat
het resultaat sidderde door haar zintuigen en het laatste beetje flexibiliteit
uit haar geduld trok. Thea had een sterk
vermoeden dat de verborgen motieven van Jade alles behalve zuiver waren. Ze
besloot de gok te wagen.
‘Ik heb Wilma
allang te kennen gegeven dat ik Walter niet laat testen op dyslexie.’
Bingo. Jade
had haar repliek meteen klaar. Opgeklopt en uit het hoofd geleerd.
‘Waarom niet?
Dyslexie is geen schande hoor.’
‘Dyslexie
bestaat niet. Althans niet in de wijze en de groten getale waarop jullie het
doen voorkomen. En ik ga mijn zoon geen dyslexieverklaring laten aansmeren
alleen omdat jullie te beroerd zijn om mijn kind fatsoenlijk taalonderwijs te
bieden.’
Thea had zich
tot juffrouw Toos gericht die zich hierdoor gedwongen voelde om ook iets te
zeggen:
‘Ik heb
vertrouwen in Jade.’
Ze klonk zo
majestueus dat Thea er alleen maar opstandiger van werd.
‘Fijn voor je
Toos. Ik niet.’
Jade liet zich
niet van de wijs brengen door nevenzaken en ging stug door met haar propaganda:
‘Heel veel
kinderen zijn heel blij met een dyslexieverklaring. De opluchting is vaak
groot.’
‘De
opluchting?’, herkauwde Thea terwijl ze zich achter de oren krabbelde.
‘Opluchting
over het feit dat de kinderen eindelijk een reden hebben waarom ze moeilijk mee
kunnen komen in de klas’, beweerde Jade zonder te blikken of blozen.
‘Ja maar,
Walter kan prima meekomen in de klas. Tenminste als ik juffrouw Toos moet
geloven.’
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos nogmaals bij wijze van reactie.
Hierop keek
Jade even geïrriteerd naar opzij alsof ze wilde zeggen:
‘Kop houwe,
ouwe’.
Vervolgens
beet ze Thea toe:
‘Walter gaat
niets voor niks naar de remedial teacher; laten we wel wezen Thea. En als de
vader van Walter en jij niet bereid zijn om jullie zoon te laten testen, dan
moeten we de begeleiding nog eens goed evalueren.’
‘Is dat een
dreigement?’, vroeg Thea nog tamelijk beheerst gezien de gemoedstoestand waarin
ze zich bevond.
Die vraag trok
Jade meteen op haar fatsoen:
‘Nee
natuurlijk niet. Maar Walter zou echt weleens geholpen kunnen zijn met een
dyslexieverklaring.’
‘Je bedoelt
met een proeve van onbekwaamheid?’
‘Je beledigt
hier heel veel leerlingen en ouders mee Thea’, waarschuwde Jade bestraffend.
Theatraal keek
Thea zoekend om zich heen.
‘Zie jij
ouders of leerlingen die mij kunnen horen?’
‘Heel veel
kinderen zijn heel erg blij met een
dyslexieverklaring en daarmee uit.’
Het leek er
even op dat Jade met de vuist op tafel zou slaan. Maar Thea liet zich niet
intimideren. De adrenaline spoot door haar aderen.
‘Niet de
kinderen maar hun ouders zijn blij. Blij dat hun kinderen onder de pannen zijn
bij mensen die wel bereid zijn om hun kroost tenminste gewoon lezen en schrijven te leren. Net zoals
wij vroeger allemaal hebben leren lezen
en schrijven van docenten die nog nooit van dyslexie gehoord hadden. Waar komt
al die dyslectici überhaupt ineens vandaan?’
Hier liet Jade
zich kort door Thea uit de tent lokken om haar eigen straatje schoon te vegen.
‘Walter krijgt
meer dan deugdelijk taalonderwijs op De Wielewaal van Toos en Wilma.’
‘Je suggereert
net nog dat Wilma het te druk heeft voor Walter. Daar komt nog bij dat ik me
geen buitensporige zorgen maak om Walter. Zijn vader trouwens ook niet. Jullie
zijn de zorgenpietjes op De Wielewaal. Jullie maken je zorgen om Walter. Daarom
zit jij nu op mij in te praten Jade. Waar is Wilma trouwens? Ik heb jullie
eerder op de avond ruzie horen maken? Ging dat misschien over mijn kind? Over
mijn Walter?’
Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos voor de derde keer.
Driemaal is
scheepsrecht. Tot op het bot getergd sprong Thea op van haar stoel:
‘Wat willen
jullie toch van mij!’
Jade stond ook
op en liep met open armen op Thea af. Alle registers trok Jade open om haar zin
door te drijven. Terugdeinzend probeerde Thea haar tevergeefs te ontwijken.
Door haar afweermechanisme wist ze de omarming gelukkig wel tot een minimale
aanraking te beperken. Jade liet zich echter niet weg zetten en bloedzuigerig
fleemde ze:
‘Stel nou dat
je Walter laat testen en hij krijgt een dyslexieverklaring. Zo’n
dyslexieverklaring is essentieel; want alleen met een dyslexieverklaring kan
hij hulp krijgen van buitenaf. Hulp van een echte expert.’
‘Een echte
expert’ werd regelrechte woordpornografie door de uitspraak van Jade. Ze kwam
bijna klaar met een echte expert in haar mond. Het avondeten van Thea begon in
haar maag op te spelen.
‘Wilma is toch
ook een echte expert?’, kokhalsde ze.
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, herhaalde juffrouw Toos alweer.
Thea gaf zelf
maar het antwoord op haar vraag:
‘Maar jij
bedoelt natuurlijk een echte expert die niet op de loonlijst van De Wielewaal
staat?! Een echte expert die daarom niet door De Wielewaal betaald hoeft te
worden, maar wel door mijn ziekenkosten verzekering?’
Jade vertoonde
geen schijn van schaamte. Ze deed niet eens moeite om de keiharde berekening te
ontkennen.
‘Zoals ik al
zei; Wilma heeft het druk. En wat maakt het jullie nou uit? Het is niet alsof
de maandelijkse premie er meer of minder om wordt.’
‘Ik heb
vertrouwen in Jade.’
Dat was
juffrouw Toos voor de vijfde keer. Misschien was het toch de leeftijd.
‘Ik wil graag
zelf bepalen wat mij wel of niet iets uitmaakt en een dyslexieverklaring maakt
mij wel degelijk wat uit. En Walter ook als hij straks op de middelbare school
zit.’
Jade viel Thea
in de rede:
‘Zover zijn we
nog niet.’
Thea negeerde
haar en oreerde ongegeneerd verder;
‘Walter zou
door een eventuele dyslexieverklaring onnodig een minderwaardigheidscomplex
kunnen ontwikkelen. Onterecht; want hij
kan gewoon leren lezen en schrijven. Net als iedereen, want hij heeft geen
dyslexie.’
‘O nee? Dat
valt nog te bezien’, weersprak Jade op provocerende toon.
‘Weet je wat
ook nog te bezien valt Jade? De mening van de onderwijsinspectie over de
prestaties van Walter. En dan nog wat! Mocht Walter niet voldoen aan de
gemiddelde eisen van groep 4 dan laten jullie hem maar een jaartje doubleren.
Hij is verdorie net 7 jaar geworden. Dan maar geen vroege vogel meer. Met of
zonder Wilma. En wat die overbelasting van Wilma betreft; misschien moeten
jullie als team nóg beter jullie best doen. Allemaal nóg een extra tandje
bijzetten. Of neem nóg een tweede remedial teacher aan? Want wie heeft het
tegenwoordig tenslotte niet druk, druk, druk? Ik heb het ook razend druk. Toch
komt niemand van het onderwijsteam bij mij de ramen lappen. Of regel anders een
glazenwasser via een vrijgevige weldoener. Mag ook, maar gebeurt niet. Dus ik
bedoel maar.’
Het wachten
was nu op een zesde motie van vertrouwen aan Jade, maar juffrouw Toos was
uitgepraat. Ze was de enige van het trio die nog niet was opgesprongen. Bedrukt
zat ze op haar plek en peuterde aan haar zakdoekbolletje. Ook Jade zag er verward uit; alsof ze de
uitkomst van het 10 minuten gesprek nog even in alle rust moest verwerken. Voor
de goede orde onderging de wolf in schaapskleren nog gauw een
gedaanteverwisseling
‘Ik moet je
helaas laten gaan lieve schat, want de tijd dringt’, fleemde Jade en met een
poezelig lachje gaf ze nog een laatste draai aan haar slijmerige goedmakertje.
‘Kun je er met
iemand over praten? Praat erover met je mannetje of met een ‘dinnetjes’, maar
zorg in elk geval dat je er een onderonsje over maakt met iemand.’
Jade pinkte
een denkbeeldig pluisje van Thea’s schouder.
‘Reken maar
van yes. Breek jij je schattige hoofdje maar vast over mijn eerst volgende
aanspreekpunt lievige Jade’, verkondigde Thea met verontrustende stelligheid.
Op hoge poten
verscheen Thea de volgende morgen aan de leestafel van Jeewee. Hij zou eens
niet gepreoccupeerd zijn met opperouders en treurwilges. Het huilmeisje
Mathilde voorop. Maar Thea liet zich door niets of niemand meer tegenhouden.
‘Kan ik je
even spreken?’
Jeewee had de
neiging om weg te duiken zodra hij Thea in zijn nabijheid wist. Als het
onvermijdelijke dan toch zijn pad sporadisch kruiste dan keek hij haar bij
voorkeur niet recht in de ogen. Het vluchtgedrag van Jeewee herleidde Thea naar
hun allereerste kennismaking op het speelplein. Jeewee zong een liedje van het
beroemde theater en televisie duo voor kinderen: ‘Theo en Thea’. Tamelijk
onorthodox danste hij er publiekelijk een paar zwoele pasjes bij. Naar eigen
choreografe. Wel grappig eigenlijk. In elk geval te verwachten van een
onderwijzer en zeker niet pijnlijk genoeg om er een maand of 3 later nog steeds
een rood hoofd over te krijgen. Toch kleurde Jeewee gegarandeerd in oneindig
veel tinten rood afhankelijk van de intensiteit van zijn contacten met Thea.
Zijn instinctieve gedragspatroon werkte op haar zenuwen. Over zijn
aanstellerige introductie op het speelplein kon een hele berg zand. Vervolgens
zou ze graag op normale voet met de meester van haar dochter willen omgaan.
‘Hij gaat
helemaal voor je’, beweerde Bart vermaakt.
‘Wat een
onzin’, stelde Thea vast.
‘Waarom is dat
onzin? Ik ben toch ook voor je gegaan?’
‘Dat was
wederzijds. Als ik niet gereageerd had, dan zou je gestopt zijn.’
‘Dan zou ik je
nog leuk gevonden hebben.’
‘Jij hebt nog
nooit een rood hoofd gekregen door mijn aanwezigheid. Ook niet bij de eerste
keer. Ik was er toch zelf bij!!’
‘En wat wil je
daarmee zeggen?’
‘Dat Jeewee
zijn zogenaamde romantische gevoelens ook gewoon voor zich kan houden. Met of
zonder rooie kop. Laat hij zijn verliefdheden op een ander projecteren. Iemand
die er gevoelig voor is.’
‘Wat ben je
toch prozaïsch. Trouwens jij bent er toch gevoelig voor?’, betoonde Bart
gelaten.
‘Ik bedoel
natuurlijk dat hij zijn gevoelens op iemand moet projecteren die zijn
verliefdheid beantwoordt.’
‘Dat kun jij
helemaal niet bepalen, Thea’, verkondigde Bart plagerig.
‘Wat verwacht
jij dan? Dat ik me inlaat met Jeewee. Nou sorry hoor, maar als je op me
uitgekeken bent dan zoek ik wel even naar een ander type dan Jeewee als je het
niet erg vindt, maar ook als je het wel erg vindt.’
‘Ik ben niet
op je uitgekeken’, antwoordde Bart droog.
‘Waarom drijf
je me dan in de armen van Jeewee?’
‘Ik drijf je
niet in de armen van Jeewee. Je moet je alleen niet zo druk maken. Volgens mij
is die Jeewee helemaal niet op zoek naar een minnares. Jij bent zijn muze. Hij
aanbidt je! Jij kunt er niets aan doen dat hij jou heeft uitverkoren.’
‘Ik kan zorgen
dat hij me leert kennen, dan heeft hij na 5 minuten door dat er niets te
aanbidden valt.’
‘Werkt niet’,
voorspelde Bart.
Thea werd
ongedurig.
‘Wat werkt dan
wel?’
‘Niets. Je
moet gewoon jezelf zijn en als die Jeewee daar niet mee om kan gaan dan is dat
zijn probleem.’
Maar die
redenatie bood geen harnas tegen de ondefinieerbare betovering die Jeewee
beving in de buurt van Thea. Weerloos voerde hij stukje bij beetje tijdens
iedere ontmoeting de spanning doelloos verder op. Zonder woorden
smeekte hij Thea om zijn stopcontact te zijn. Serieus op hem ingaan was geen
optie voor Thea. Ze zou zich belachelijk kunnen maken. Wat haalde ze zich in
haar hoofd? Overgangsperikelen. Waanbeelden. Ze was toch zeker geen 18jarige
stoeipoes meer of wel? Ze had al opgelet of hij andere vrouwen ook zo
dubbelhartig benaderde. De meeste moeders vielen als een blok voor zijn
clowneske optreden. Over het algemeen werd Jeewee er nog joliger van. De
geinporem. Ook Thea was best bereid om mee te werken aan een versoepeling van
de omgangsvormen door automatisch in een deuk te liggen om de slapstick van
Jeewee. Ze wilde heus weleens uit haar dak gaan. Of net doen alsof. Ze kreeg
echter de kans niet, want Jeewee zag Thea zogenaamd nauwelijks staan, terwijl
zelfs de grootste sociale onbenul kon getuigen dat het tegendeel waar was.
Jeewee stond gewoon tijd te winnen. Hij was een strategie aan het bepalen. Thea
mocht in geen geval iets van zijn adoratie merken. Of juist wel. Jeewee kwam er
nooit uit. Met Thea in het vizier stond hij geheid in dubio. Dat
maakte het niet minder irritant dat zij hem daarom nooit direct te spreken
kreeg. Er was altijd nog wel een wachtende, dwepende of veeleisende ouder voor
haar. Meestal hield Thea haar spreekbeurt voor gezien; maar soms bleef ze
ongedurig staan wachten zonder ooit het gevoel kwijt te raken dat ze van een
soort geheime orde van eenzame moeders dankbaar moest zijn dat ze überhaupt bij
Jeewee op audiëntie mocht. Zo’n leuke man! En Jeewee deed alsof zijn neus
bloedde. Hij had Thea niet nodig! Kijk maar. Telkens waren er honderd en één
lopende bijzaken belangrijker dan die ene vraag of die korte opmerking van Thea
en steeds weer liet Jeewee een andere kant van zichzelf zien. Dan weer
verstrooid, af en toe grappig, zenuwachtig, neurotisch, afstandelijk, toegankelijk,
gedienstig, of kortaf. Allemaal invalshoeken tot een interactie waar geen
neutrale gesprekspartner ook maar een kant mee op kan. Niet eens kwaad worden.
Waarom zou een moeder met goed fatsoen boos worden op iemand die
verliefd op haar zou kunnen zijn? Moest ze een gesprek aangaan met Jeewee over
wat hij voor haar voelde? Over wat zij dacht dat hij voor haar voelde? Hij zou
zijn adoratie liefjes ontkennen en zich heimelijk gestreeld weten door haar
aandacht. Dan zou dat macabere lachje weer om zijn lippen spelen net als die
keer toen haar dochter en zij met tweeën achterbleven bij Jeewee in het
klaslokaal van de combigroep 5 en 6. Basisschool De Wielewaal was uit. Sabine
liet Thea na haar klassentaak een handwerkcreatie zien. Het hing aan de muur.
Sabine en Thea stonden met de ruggen naar Jeewee toe die aan zijn lessenaar
zat. Bij binnenkomst van Thea had hij zich zoals verwacht onzichtbaar gemaakt
achter zijn leesbril en een nakijkschriftje. Slaggelings vulde zijn anders zo
getemperde stem moeiteloos de holle ruimte van het lege lokaal. De nekharen van
Thea rezen ten berde.
‘Ja, ja Thea;
jouw dochter is me toch een creabea, maar ik denk toch dat ik voor jou ga;
mooie Thea.’
‘Je bent echt
raar, Jeewee’, meesmuilde Sabine terwijl ze haar moeder het lokaal begon uit te
loodsen.
‘Ik lach wel,
maar ik vind het niet leuk’, bekende Thea naar waarheid.
Bij wijze van
reactie zond Jeewee haar een korte blik toe die vergezeld ging van een
onheilspellend lachje. Grimmig.
‘Silence of
the lambs’, huiverde Thea in gedachte.
Ze besloot
haar make-up voortaan pas aan te brengen nadat ze de kinderen ’s morgens in de
lokalen van De Wielewaal had afgezet. Haar bovenkleding droeg ze hoog gesloten.
Tevergeefs. Mocht Thea onverwacht passeren dan bleef Jeewee en plein publiek
verstijven. Bij wat meer diepgang in de vorm van een dialoogje in de
schoolgangen of gedurende andere openbare ontmoetinkjes in De Wielewaal
veranderde er ook niets. Jeewee reageerde onveranderlijk spastisch en
onvoorspelbaar op de aanwezigheid van Thea. Het zou een kwestie van een paar
roddels over en weer worden, voordat Thea zich officieel de woede en jaloezie
van wel 20 moeders van De Wielewaal op de hals had gehaald alleen maar vanwege
haar quasi onweerstaanbare verschijning. Thea keek in de spiegel en ze zag
niets bijzonders. In ieder geval geen reden voor een puberale verliefdheid van
een man van bijna 50. Een vlam die ook niet geblust werd in de resterende jaren
van Sabine en Walter op De Wielewaal. En Bart en Thea konden moeilijk hun
kinderen van school halen alleen maar omdat moeder de vrouw geen trek zei te
hebben in een dagelijkse confrontatie met het ideaalbeeld van Jeewee. In het
uitgaansleven zou ze met een grote boog om hem heengelopen zijn.
‘Misschien
lijk ik op zijn moeder’, peinsde Thea.
‘Ja of op zijn
vrouw’, vulde Bart aan.
‘Nee, niet op
zijn vrouw’, vond Thea.
‘Waarom wel op
zijn moeder, maar niet op zijn vrouw?’
Bart begon er
een sport in te zien om Thea wat Jeewee betreft op een dwaalspoor te zetten.
‘Hij heeft
zijn vrouw toch al? Als ik op haar zou lijken dan hoeft hij niet meer verliefd
op mij te worden.’
‘Ja, ja, maar
zijn moeder heeft hij toch ook al? Zelfs nog langer dan zijn vrouw.’
‘Misschien
heeft hij een oedipuscomplex’.
‘Misschien is
hij gewoon verliefd op je.’
‘Vervelend
hoor!’, gaf Thea eindelijk aan zichzelf toe.
Jeewee wist
dan ook niet waar hij het zoeken moest toen Thea aankondigde dat ze hem even
wilde spreken.
‘Dat kan
zeker’, stamelde hij, terwijl hij bewegingsloos bleef zitten tussen de
treurwilgjes en opperouders aan de leestafel.
‘Onder vier
ogen’, had Thea aan haar verzoek toe willen voegen.
Maar naar zijn
zwijmelstaat te oordelen zou hij bij nader inzien tijdens een onderonsje met
Thea weleens in katzwijm kunnen vallen. De facto was niemand in dit geval
gebaat bij privacy. De goegemeente mocht best weten dat Thea niet meer voor
zichzelf in kon staan in de buurt van de moeder van Mathilde.
‘Gisteren was
Sabine het enige meisje dat niet op het verjaarspartijtje van Mathilde was
uitgenodigd’, begon Thea dus maar te spuien waar iedereen bij was.
De opperouders
waren zogenaamd met elkaar in gesprek. Ze deden alsof ze niet meeluisterden.
Huilmeisje Mathilde wilde wat zeggen, maar Jeewee voorkwam net op tijd dat ze
haar mond voorbij zou praten:
‘Even niet,
Mathilde.’
Om oogcontact
te vermijden staarde Jeewee vanuit zijn zithouding glazig over de rand van zijn
leesbril naar omhoog langs de schouder van Thea af die naast hem stond en
verklaarde met gedempte stem:
‘Een
verjaardagsfeestje is een buitenschoolse activiteit. Een leerkracht gaat niet
over de uitnodigingen.’
‘Jij was wel
uitgenodigd heb ik begrepen’, provoceerde Thea.
Alhoewel ze
onwillekeurig veel minder gas gaf dan ze oorspronkelijk van plan was geweest.
Ze kon Jeewee moeilijk verbieden om naar verjaardagsfeestjes te gaan in zijn
eigen tijd. Getroffen trok Jeewee de wenkbrauwen omhoog en zweeg gekweld. Thea
besloot om hem uit zijn droom te helpen:
‘Maar het gaat
hier niet om jou, maar om Sabine. Ik vind dat ze het recht heeft om boos te
zijn.’
Jeewee had
zich hersteld door weer absent voor zich uit te turen. Hij knikte wel
begripvol.
‘Wat wil je
dat ik doe?’
‘Ik wil dat
jij je als een onderwijzer gedraagt’, dacht Thea.
Tegen beter
weten in had ze gehoopt een stichtelijk sulletje van het kaliber
buigrietje toch nog op ideeën te kunnen brengen. Jeewee had zijn kans gehad en
Thea was voorbereid op zijn onvermogen tot kleur bekennen.
‘Momenteel zit
Sabine in het groepje bij Mathilde. Ik wil dat je die 2 uit elkaar haalt en
houdt. Dan maar geen eenheid in de nieuwe combigroep 5 en 6. Ik ben niet
begonnen met roet in het eten gooien.’
De moeder van
Mathilde wrong zich tussen de andere opperouders naar het hoofd van de
leestafel en klampte Jeewee aan.
‘Ik heb een
vraagje’.
‘Ik ben even
in gesprek’, antwoordde Jeewee licht geïrriteerd.
‘Nou zeg,
Jeewee, je hoeft niet zo te doen hoor na gisteren in De Groene Heuvels’,
jeremieerde de moeder van Mathilde luidkeels.
Jeewee werd
pimpelpaars. Tot grote hilariteit van de omringende opperouders.
‘Wat hebben
jullie gisteren uitgevoerd in De Groene Heuvels?’, wilde een grappige papa
weleens weten.
‘Of moet ik
soms zeggen ‘op’ De Groene Heuvels?’
‘Helemaal
niets hoor!’, antwoordde de moeder van Mathilde op zo’n toontje van:
‘Ga door, ga
door; want ik vind het zo leuk.’
‘Ik heb jullie
anders wel een tijdje gemist’, grapte een bakfietspapa.
Een moeder met
touwhaar zette ineens uit volle borst een kinderliedje in:
‘In een groen,
groen, groen, groen knollenland; daar zaten 2 haasjes heel parmant’.
Haar aanzet
ging op in het geroezemoes in het lokaal van de combigroep, maar de vader van Mathilde;
de gluurder met de röntgenogen welteverstaan; stond in de buurt en vulde
de moeder met het touwhaar spoedig met nadruk aan:
‘En de één die
blies de fluitefluitefluit.’
Daarna
eindigden een stuk of wat omstanders gezamenlijk met:
‘En de ander
sloeg de trommel!’
Nou moest
Jeewee toch ook wel lachen ondanks Thea die haar perceptievermogen ernstig in
twijfel stond te trekken. Dit kon niet waar zijn.
‘Geloof het
nou maar’, zei haar realiteitszin.
‘Ik geef het
op en ga naar huis’, besloot haar overlevingsdrang.
Intussen leek
Walter bij juffrouw Toos in groep 4 in rustiger vaarwater terecht gekomen.
Juffrouw Toos was een onderwijzeres van weinig volwassen woorden die volgens de
optekeningen al meer dan 30 jaar op De Wielewaal voor groep 4 stond. Ze had de
uitstraling van een goede fee en het voorkomen van een rockchick uit vervlogen
tijden. Ze liep in ongebleekte indigo spijkerbroeken. Steevast in plooi
gestreken. De soepele jackjes waarin je haar kon uittekenen waren
zienderogen van nappaleer; in plaats van het moderne neppa. Juffrouw Toos droeg
het lange natuurlijk blonde haar met zilvergrijze strepen hoog opgestoken met
behulp van een Indiase haarklem op een manier waarop ze de suggestie wekte dat
ze haar lokken elk moment los zou kunnen schudden. Een angstaanjagende gedachte
daar juffrouw Toos broodmager was en breekbaar leek. Ze gaf van
buiten altoos de indruk dat ze op het punt stond om op te geven en aldus
vroegtijdig met pensioen te gaan. Maar schijn bedriegt. Juffrouw Toos woelde
haar onvaste bos nooit los en ze brak ook niet. Het oude zooitje ongeregeld van
meester Gijsbert was onder de pannen. De gevechten op het speelplein tussen de
beruchte felle ventjes uit de klas van Walter stopten per direct onder
supervisie van juffrouw Toos. En Walter met zijn gecompliceerde aanwezigheid
veroverde vanaf dag 1 in groep 4 een gepokt en gemazeld onderwijzeressenhart.
Maar juffrouw Toos was veel te veel schooljuf om haar voorkeuren te laten
prevaleren. Integendeel. Walter moest aan de slag. Hij deed niets liever. De eerste
twee maanden van het nieuwe schooljaar in groep 4 verliepen dan ook nagenoeg
probleemloos voor Walter. Sporadisch deed juffrouw Toos enthousiast, maar
zakelijk verslag van zijn schoolprestaties en met een gerust hart kon Thea wat
Walter betreft eindelijk een beetje achterover leunen. Mede dankzij de
terughoudendheid van juffrouw Toos ten aanzien van alle ouders en niet alleen
van Thea. Alhoewel het er in het begin wel de schijn van had dat juffrouw Toos
zich extra gewapend had tegen de bemoeienis van juist moeder Thea. Met het oog
op de vele onderonsjes in het leslokaal van groep 3 vorig schooljaar tussen
meester Gijsbert en Thea natuurlijk. Juffrouw Toos had haar borst als het ware
al nat gemaakt. De gemanifesteerde gereserveerdheid van Thea moest dan welhaast
net zo’n prettige verrassing voor juffrouw Toos geweest zijn als vice versa.
Vandaar dat Thea zich deze keer voor de verandering eens geen enkele kopzorgen
maakte over de eerste oudergesprekken van dat schooljaar.
Ontspannen zat
ze op een krukje in de schoolgang vlak bij de dichte deur van het klaslokaal
van Jeewee en wachtte op haar beurt voor het 10 minutengesprek over Sabine.
Daarna zou Walter in het lokaal van groep 4 bij juffrouw Toos besproken worden.
Thea liet de afspraken ieder schooljaar zonder tussentijd te verliezen op
elkaar aansluiten door zich bijtijds in te schrijven voor de 10
minutengesprekken op de intekenlijsten naast de betreffende klaslokalen. Ze was
5 minuten te vroeg en speelde met haar mobiel. Het liefst zou ze even door de
gangramen gluren ter identificatie van de ouders die haar voor waren gegaan.
Het gonzen van gedempte stemmen prikkelden haar nieuwsgierigheid. Ze zou haar
oor rustig en ongegeneerd aan de deur van het lokaal te luisteren hebben gelegd
als ze niet constant gegroet werd door ouderparen die haar op de gang
passeerden.
‘Goede avond’,
knikte Thea telkens kort terug.
De meeste
passanten kende ze niet eens van dichtbij. Het viel haar wel op dat heel veel
papa’s en mama’s gezamenlijk het 10 minutengesprek van hun kind bezochten. Ook
de ouders van wie algemeen bekend was dat ze gescheiden leefden. Maar Thea was
alleen, want Bart had een hekel aan 10 minutengesprekken en dat mocht van zijn
vrouw. Op haar beurt liet Thea zoveel vervelende huis- tuin en keukenklusjes
aan Bart over dat zo’n ouder gesprek in haar uppie in geen vergelijk stond.
Onaangekondigd doemde de interne coördinatrice, onze oude vertrouwde Jade,
achter een voorbijgaand ouderpaar in de schoolgang pal voor Thea op.
‘Ben je er nu
al?’, vroeg ze gejaagd.
‘Wat een
vreemde vraag’, dacht Thea, terwijl ze zittend vanaf haar krukje opkeek naar
Jade die nerveus voor haar oprees.
‘Ik heb zo een
10 minutengesprek met Jeewee en nee ik ben niet te vroeg. Dus.’
Jade luisterde
niet naar het antwoord.
‘Je bent veel
te vroeg hoor. Je hoeft toch pas over een kwartier bij Toos te zijn?’
‘Ja, maar ik
zeg nogmaals dat ik zo meteen eerst een afspraak bij Jeewee heb’, benadrukte
Thea verdwaald.
‘Nou moet je
hier al die tijd gaan zitten wachten.’
Verward keek
Jade om zich heen. Ze deed eerst een stap naar links en besloot toen toch naar
rechts te gaan. Ze verdween in het lokaal van groep 4 een paar deuren verder in
de schoolgang. Niet lang daarna overtrof het geroezemoes in deze gesloten
ruimte de geluidsbarrières rond de avondklok van De Wielewaal. Thea kon
duidelijk drie stemmen onderscheiden; de afgemeten stem van Jade; het
kalmerende geluid van Toos en het schorre doorrookte gekras van Wonderwilma.
Aan de fluctuaties in de intonatie te oordelen waren de drie dames in een
heftige discussie verwikkeld, maar Thea kon niet woordelijk verstaan wat er
gezegd werd. Globaal begreep Thea dat Jade iets van plan was dat Wonderwilma
faliekant tegen de borst stuitte. Juffrouw Toos probeerde de kwestie in der
minne te schikken. Veel tijd om het mysterie te ontrafelen werd Thea echter
niet geboden, want de deur van het lokaal van de combiklas 5 en 6 vloog open
door toedoen van Jeewee die voorop liep om professor G. Pronken en zijn jonge
buitenlandse vrouw uitgeleide te doen. Thea geloofde haar ogen niet. Ze kende
de professor en zijn vrouw alleen van hun zoontje, Marcus, in de groep van
Walter. Walter en Marcus lagen elkaar wel, maar met de professor had Thea al
verschillende keren op de speelplaats publiekelijk in de clinch gelegen. Thea
vond Geert Pronken een blaaskaak. Hoogleraar in de geschiedenis aan de lokale
universiteit of niet. Tot dan toe had ze er geen sjoege van gehad dat het
weledel geleerde echtpaar tevens een dochter – Allagonda – in groep 6 van de combiklas
met Jeewee te bespreken had. Ze begon zich minder relaxed te voelen. De avond
mocht dan nog maar amper begonnen zijn; de merkwaardige wendingen als in een
absurdistische droom logen er nu al niet om. De professor deed alsof Thea niet
bestond en stak zijn neus in de lucht, terwijl hij met een neerbuigend
wegwerpgebaar afscheid van Jeewee nam. Achter zijn rug om probeerde zijn vrouw
stiekem oogcontact met Thea te maken. Ze had het niet makkelijk natuurlijk als
geïmporteerde bruid tussen de opperouders van De Wielewaal. Thea lachte
breeduit naar haar. De professor snoof en Jeewee nam overduidelijk aanstoot aan
het opgeblazen optreden van Gerrit Pronken. Overigens niet uit hoffelijkheid
jegens Thea; want hij verwelkomde haar onnodig geërgerd. Professor Pronken was
nou een maal een irritant individu dat bij niemand in de koude kleren ging
zitten en Jeewee projecteerde zijn emoties zoals gewoonlijk maar weer eens op
zijn favoriete muze Thea. En zij dacht onwillekeurig aan Bart en dat hij haar
zoiets nooit zou flikken.
Het 10 minuten
gesprek van Jeewee met Thea over Sabine leek op een langzame dans van
tegenpolen. Een trage Weense wals die continu haperde, omdat Jeewee aldoor
vergat om de leiding te nemen die Thea hem steeds terug gaf. Hij zat op een
uitbrander te wachten of een handleiding voor Sabine of in ieder geval op iets
anders dan Thea hem te bieden had. Naarmate de 10 minuten vorderden werd Jeewee
steeds losser. Alsof hij de dans ontsprongen was, terwijl Thea bijna overliep
van frustratie. Ze werd over één kam geschoren met de heersende opperouders.
Jeewee zag geen frictie of verschil tussen Thea en de rest. En zo wel dan deed
Thea er niet toe, want haar dochter kwam best mee in de combinatieklas 5 en 6.
Fijn toch? Standaard procedure dus maar? Op die toer begreep Thea tevens steeds
minder van de heersende, onuitgesproken liefdestaal in het verlaten lokaal van
de combiklas 5 en 6. Thea raakte dusdanig gedesoriënteerd van de rondzwevende
onderhuidse dubbele signalen in de beklemmende ruimte, dat ze dichtklapte en zichzelf
niet meer kon zijn. In zo’n gemoedstoestand was Thea niet eens meer in staat om
Jeewee welverdiend lik op stuk te geven vanwege zijn terloopse bewering over
Sabine:
‘Sabine is een
leuk kind om erbij te hebben.’
Zei hij dat
echt? Thea schudde het hoofd. Herstel! Hoezo was haar dochter een leuk kind om
erbij te hebben? Waar bij te hebben? Alleen maar leuk? Toen Sabine geboren werd
draaide de hele wereld van Bart en Thea ondersteboven. Alles veranderde nadat
dat kleine wezentje het eerste ademstootje had geproduceerd. Los van de
navelstreng. Onherroepelijk en duurzaam in het hier en nu. Nog nooit eerder
waren de nachten zo kort en de dagen zo roerig geweest. Sabine is en was de
hoofdzaak van het hedendaagse bestaan; de essentie van de existentie; de spil
van het allerbeste; het neusje van de zalm; de kwintessens van het dagelijkse
reilen en zeilen; zonder Sabine geen leven. Zo’n wensmeisje wordt ernstig
tekort gedaan als ze alleen maar goed genoeg is om leuk ‘erbij’ te hebben. Deze
negatie was zo bot dat Thea zich bijna geroepen voelde om Jeewee naar de keel
te vliegen. Figuurlijk: door hem letterlijk in ieder geval met een snerende
reactie monddood te maken. In het geval van meester Gijsbert was zo’n
wraakactie zonder problemen in geen tijd afgevinkt geweest, maar bij Jeewee
schoten woorden tekort. Het gesprek wilde niet vlotten met als gevolg dat Thea
5 minuten te laat bij haar afspraak met Toos over Walter in het lokaal van
groep 4 arriveerde.
‘Je bent te
laat’, zei Toos waardoor ze meteen verried dat ze zichzelf niet was.
‘Dat is mijn
schuld niet’, sputterde Thea tegen.
Ze voelde zich
heel klein worden. Niet kinderachtig, maar minderwaardig. Jade was ook
aanwezig. Ze zat naast juffrouw Toos achter twee aaneen geschoven lessenaars.
Haar nieuwe carrière look - het stijlvolle mantelpakje met modieuze details -
had het al een maand na de komst van directrice Willy verloren van haar oude,
vertrouwde gele te heet gewassen lamswollen truitje en zwarte polyester
stretchbroek.
‘Ik zit er
even bij’, zei ze.
‘Ik zie het’,
zuchtte Thea.
Ze had geen
verweer.
‘Op dat moment
had je weg moeten gaan aan’, wist Bart achteraf.
Thea
voelde zich alleen maar heel slap worden. De ontspannen toestand aan het begin
van de avond was getransformeerd in vertwijfeling en onbegrip.
‘Wij maken ons
zorgen om Walter’, begon Jade.
Thea merkte
dat ze ergens onderweg terrein verloren was aan Jade. Ze was te vroeg
achterover gaan zitten met het gevolg dat ze tegen haar zin in een sneltrein
terecht gekomen was, waarvan ze de handrem niet kon vinden. Ze had geen
overzicht meer op de dingen om haar heen. De controle op haar kind was op hol
geslagen. Het geruis in haar hoofd werd gekmakend. Ze klampte zich vast aan een
denkbeeldige strohalm. Een mantra.
‘Rustig
blijven, rustig blijven, rustig blijven.’
Teneinde wat
stoom af te blazen blaatte Thea de stelling van Jade na:
‘Wij maken ons
zorgen om Walter.’
Na een korte,
pijnlijke stilte met de gevoelslengte van een uur vroeg ze:
‘Wie zijn
wij?’
‘Wij van De
Wielewaal’, antwoordde Jade eigenmachtig.
Juffrouw Toos
snakte naar adem en drukte een zakdoekbolletje onder haar neusgaten. Ze ontweek
de vragende ogen van Thea.
‘Wilma heeft
het druk’, vervolgde Jade gemelijk.
‘Hou op Jade’,
riep Thea.
Het eeuwige
gemanipuleer van Jade lag zo dik op haar geslijm, gelieg, getrek en gedraai dat
het resultaat sidderde door haar zintuigen en het laatste beetje flexibiliteit
uit haar geduld trok. Thea had een sterk
vermoeden dat de verborgen motieven van Jade alles behalve zuiver waren. Ze
besloot de gok te wagen.
‘Ik heb Wilma
allang te kennen gegeven dat ik Walter niet laat testen op dyslexie.’
Bingo. Jade
had haar repliek meteen klaar. Opgeklopt en uit het hoofd geleerd.
‘Waarom niet?
Dyslexie is geen schande hoor.’
‘Dyslexie
bestaat niet. Althans niet in de wijze en de groten getale waarop jullie het
doen voorkomen. En ik ga mijn zoon geen dyslexieverklaring laten aansmeren
alleen omdat jullie te beroerd zijn om mijn kind fatsoenlijk taalonderwijs te
bieden.’
Thea had zich
tot juffrouw Toos gericht die zich hierdoor gedwongen voelde om ook iets te
zeggen:
‘Ik heb
vertrouwen in Jade.’
Ze klonk zo
majestueus dat Thea er alleen maar opstandiger van werd.
‘Fijn voor je
Toos. Ik niet.’
Jade liet zich
niet van de wijs brengen door nevenzaken en ging stug door met haar propaganda:
‘Heel veel
kinderen zijn heel blij met een dyslexieverklaring. De opluchting is vaak
groot.’
‘De
opluchting?’, herkauwde Thea terwijl ze zich achter de oren krabbelde.
‘Opluchting
over het feit dat de kinderen eindelijk een reden hebben waarom ze moeilijk mee
kunnen komen in de klas’, beweerde Jade zonder te blikken of blozen.
‘Ja maar,
Walter kan prima meekomen in de klas. Tenminste als ik juffrouw Toos moet
geloven.’
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos nogmaals bij wijze van reactie.
Hierop keek
Jade even geïrriteerd naar opzij alsof ze wilde zeggen:
‘Kop houwe,
ouwe’.
Vervolgens
beet ze Thea toe:
‘Walter gaat
niets voor niks naar de remedial teacher; laten we wel wezen Thea. En als de
vader van Walter en jij niet bereid zijn om jullie zoon te laten testen, dan
moeten we de begeleiding nog eens goed evalueren.’
‘Is dat een
dreigement?’, vroeg Thea nog tamelijk beheerst gezien de gemoedstoestand waarin
ze zich bevond.
Die vraag trok
Jade meteen op haar fatsoen:
‘Nee
natuurlijk niet. Maar Walter zou echt weleens geholpen kunnen zijn met een
dyslexieverklaring.’
‘Je bedoelt
met een proeve van onbekwaamheid?’
‘Je beledigt
hier heel veel leerlingen en ouders mee Thea’, waarschuwde Jade bestraffend.
Theatraal keek
Thea zoekend om zich heen.
‘Zie jij
ouders of leerlingen die mij kunnen horen?’
‘Heel veel
kinderen zijn heel erg blij met een
dyslexieverklaring en daarmee uit.’
Het leek er
even op dat Jade met de vuist op tafel zou slaan. Maar Thea liet zich niet
intimideren. De adrenaline spoot door haar aderen.
‘Niet de
kinderen maar hun ouders zijn blij. Blij dat hun kinderen onder de pannen zijn
bij mensen die wel bereid zijn om hun kroost tenminste gewoon lezen en schrijven te leren. Net zoals
wij vroeger allemaal hebben leren lezen
en schrijven van docenten die nog nooit van dyslexie gehoord hadden. Waar komt
al die dyslectici überhaupt ineens vandaan?’
Hier liet Jade
zich kort door Thea uit de tent lokken om haar eigen straatje schoon te vegen.
‘Walter krijgt
meer dan deugdelijk taalonderwijs op De Wielewaal van Toos en Wilma.’
‘Je suggereert
net nog dat Wilma het te druk heeft voor Walter. Daar komt nog bij dat ik me
geen buitensporige zorgen maak om Walter. Zijn vader trouwens ook niet. Jullie
zijn de zorgenpietjes op De Wielewaal. Jullie maken je zorgen om Walter. Daarom
zit jij nu op mij in te praten Jade. Waar is Wilma trouwens? Ik heb jullie
eerder op de avond ruzie horen maken? Ging dat misschien over mijn kind? Over
mijn Walter?’
Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei juffrouw Toos voor de derde keer.
Driemaal is
scheepsrecht. Tot op het bot getergd sprong Thea op van haar stoel:
‘Wat willen
jullie toch van mij!’
Jade stond ook
op en liep met open armen op Thea af. Alle registers trok Jade open om haar zin
door te drijven. Terugdeinzend probeerde Thea haar tevergeefs te ontwijken.
Door haar afweermechanisme wist ze de omarming gelukkig wel tot een minimale
aanraking te beperken. Jade liet zich echter niet weg zetten en bloedzuigerig
fleemde ze:
‘Stel nou dat
je Walter laat testen en hij krijgt een dyslexieverklaring. Zo’n
dyslexieverklaring is essentieel; want alleen met een dyslexieverklaring kan
hij hulp krijgen van buitenaf. Hulp van een echte expert.’
‘Een echte
expert’ werd regelrechte woordpornografie door de uitspraak van Jade. Ze kwam
bijna klaar met een echte expert in haar mond. Het avondeten van Thea begon in
haar maag op te spelen.
‘Wilma is toch
ook een echte expert?’, kokhalsde ze.
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, herhaalde juffrouw Toos alweer.
Thea gaf zelf
maar het antwoord op haar vraag:
‘Maar jij
bedoelt natuurlijk een echte expert die niet op de loonlijst van De Wielewaal
staat?! Een echte expert die daarom niet door De Wielewaal betaald hoeft te
worden, maar wel door mijn ziekenkosten verzekering?’
Jade vertoonde
geen schijn van schaamte. Ze deed niet eens moeite om de keiharde berekening te
ontkennen.
‘Zoals ik al
zei; Wilma heeft het druk. En wat maakt het jullie nou uit? Het is niet alsof
de maandelijkse premie er meer of minder om wordt.’
‘Ik heb
vertrouwen in Jade.’
Dat was
juffrouw Toos voor de vijfde keer. Misschien was het toch de leeftijd.
‘Ik wil graag
zelf bepalen wat mij wel of niet iets uitmaakt en een dyslexieverklaring maakt
mij wel degelijk wat uit. En Walter ook als hij straks op de middelbare school
zit.’
Jade viel Thea
in de rede:
‘Zover zijn we
nog niet.’
Thea negeerde
haar en oreerde ongegeneerd verder;
‘Walter zou
door een eventuele dyslexieverklaring onnodig een minderwaardigheidscomplex
kunnen ontwikkelen. Onterecht; want hij
kan gewoon leren lezen en schrijven. Net als iedereen, want hij heeft geen
dyslexie.’
‘O nee? Dat
valt nog te bezien’, weersprak Jade op provocerende toon.
‘Weet je wat
ook nog te bezien valt Jade? De mening van de onderwijsinspectie over de
prestaties van Walter. En dan nog wat! Mocht Walter niet voldoen aan de
gemiddelde eisen van groep 4 dan laten jullie hem maar een jaartje doubleren.
Hij is verdorie net 7 jaar geworden. Dan maar geen vroege vogel meer. Met of
zonder Wilma. En wat die overbelasting van Wilma betreft; misschien moeten
jullie als team nóg beter jullie best doen. Allemaal nóg een extra tandje
bijzetten. Of neem nóg een tweede remedial teacher aan? Want wie heeft het
tegenwoordig tenslotte niet druk, druk, druk? Ik heb het ook razend druk. Toch
komt niemand van het onderwijsteam bij mij de ramen lappen. Of regel anders een
glazenwasser via een vrijgevige weldoener. Mag ook, maar gebeurt niet. Dus ik
bedoel maar.’
Het wachten
was nu op een zesde motie van vertrouwen aan Jade, maar juffrouw Toos was
uitgepraat. Ze was de enige van het trio die nog niet was opgesprongen. Bedrukt
zat ze op haar plek en peuterde aan haar zakdoekbolletje. Ook Jade zag er verward uit; alsof ze de
uitkomst van het 10 minuten gesprek nog even in alle rust moest verwerken. Voor
de goede orde onderging de wolf in schaapskleren nog gauw een
gedaanteverwisseling
‘Ik moet je
helaas laten gaan lieve schat, want de tijd dringt’, fleemde Jade en met een
poezelig lachje gaf ze nog een laatste draai aan haar slijmerige goedmakertje.
‘Kun je er met
iemand over praten? Praat erover met je mannetje of met een ‘dinnetjes’, maar
zorg in elk geval dat je er een onderonsje over maakt met iemand.’
Jade pinkte
een denkbeeldig pluisje van Thea’s schouder.
‘Reken maar
van yes. Breek jij je schattige hoofdje maar vast over mijn eerst volgende
aanspreekpunt lievige Jade’, verkondigde Thea met verontrustende stelligheid.
HOOFDSTUK 19
De onverwachte
aanval van de interne coördinatrice Jade voelde als een dolk in de rug van
Thea. Haar complete emotionele huishouding was van slag. Allerlei onlogische
gevoelens passeerden de revue in de nachten dat Thea na de confrontatie op bed
naar de kleurloze binnenkant van haar oogleden lag te staren. Het
grootste deel van de tijd was ze des duivels met een vleugje schaamte over haar
ongeremde reacties. Ze had zichzelf laten kennen door ongecontroleerde
uitspraken te doen die haar kwetsbaar maakten. Alsof ze op medelijden van Jade
of juffrouw Toos zat te wachten. Ze voelde zich juist verraden door juffrouw
Toos die tot aan de avond van het 10 minutengesprek alleen maar vol lof over
Walter was geweest. Ze haatte Jade om haar sluwheid of om haar domheid. Thea
was niet zeker meer van haar eigen mensenkennis. De conversatie tijdens het 10
minutengesprek bleef zich als een oorwurm in haar hoofd afspelen. Letterlijk;
zin voor zin; woord voor woord.
‘En toen zei
Jade: ‘Wij maken ons zorgen om Walter!’
En ik vroeg
ik: ‘Wie zijn we?’
Ondertussen
bleef juffrouw Toos maar benadrukken dat ze zoveel vertrouwen had in Jade.
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei ze tot vervelends toe.
Daarop meldde
ik: ‘Fijn voor je Toos, ik niet.’
‘Waarom niet?
Dyslectie is geen schande hoor.’
‘Dat was Jade.
Misschien bedoelde ze het goed? Maar als ik toch zeker weet dat Walter niet
dyslectisch is? Was ik soms niet duidelijk genoeg?’
Thea werd
tureluurs van zichzelf en het permanente gemaal in haar hoofd. Het dagelijkse
reilen en zeilen en de kinderen bestierde ze in die dagen op de automatische
piloot. Bart probeerde naar Thea te luisteren zoveel hij kon; maar ook hij was
gedupeerd als vader van Walter. Bovendien dreef Thea hem tot uitersten met haar
recidiverende reacties.
‘Hoe wil je
een oplossing vinden als een cirkelredenering juist het probleem is?!’, brulde
hij meer dan eens in de vele woordenwisselingen uit die tijd.
Bart was al
bezig met oplossingen; maar Thea zat vast in de oorzaak van het
probleem. Bart was zeker van zijn zaak:
‘Walter is
niet het probleem’.
Nee, dat wist
Thea ook wel. In ieder geval niet haar probleem. Wel haar zoon. Ze herkende hem
niet in de verslagen van Jade. Jade sprak over Walter in relatie tot
statistieken, gemiddeldes, cijfertjes en grafieken die ze zelf ongetwijfeld
maar half doorzag, maar die ze te berde bracht, omdat ze door haar werkgever
geacht werd te besparen zoals zo ongeveer elke basisschoolleiding door de
overheid opgedragen was om te economiseren. Dus ook de staf van De
Wielewaal. Jade zag nauwgezet op de besparingen toe, zodat er in ieder geval
niet beknibbeld zou worden op haar en haar werkuren van een interne
coördinatrice die haar tijd verdeed met het op stang jagen van onschuldige
ouders zoals Bart en Thea. Laat anderen maar de dupe zijn van de bezuinigingen
in het basisonderwijs. Desnoods een 7jarige jongetje – Walter bijvoorbeeld -
dat de termijnen van een ander kind bij de remedial teacher in vaste dienst
- Wonderwilma in dit geval - opsnoepte, terwijl hij door zijn ouders
toch top fit verzekerd was. Bij Walter thuis konden ze net zo goed via de
ziekenkostenverzekeraar een externe dyslectie expert – of verder wat voor een
therapie of specialist dan ook – inhuren en bekostigen.
Thea was en
blijft er echter 100 procent van overtuigd dat Walter geen leerbeperking in de
vorm van dyslexie had en heeft. Waarom zou ze dan op kosten van de
ziekenkostenverzekeraar een dyslectie expert of anderszins hulp van buitenaf
moeten inhuren? Voor wie? Voor het personeel van De Wielewaal? Ter ontlasting?
Vanuit dat principe had Thea beter überhaupt geen kinderen kunnen baren. Ter
kostenbesparing? Voor dat veel besproken hongerloontje van het
onderwijzend personeel maakte de aanwezigheid van een lastpak met de naam
‘Walter’ meer of minder ook niet noemenswaardig veel meer uit. Slechter kon het
met het onderwijs in Nederland toch niet meer gesteld zijn als je de
nieuwsberichten in de media moest geloven. Als je het Thea vroeg dan gold dat
ook voor de expertise van veel docenten. Kennis wordt duur betaald! Haar
zekerheden over de leercapaciteiten van Walter en Sabine baseert Thea nu nog
bijna volledig op haar ervaringen bij Huiswerksterk. De taalfouten die Walter
als groentje in zijn schoolwerk maakte leken bovendien sprekend op de missers
van Melvin in zijn tijd. Zelfs Jasmijn, die nou toch medicijnen studeert,
schreef weleens een au in plaats van een ou of verwarde de sch met een g. Zulke
taalfoutjes zijn een vaak voorkomend gevolg van een leerproces. Meestal bij
kinderen die logisch ingesteld zijn. Het principe van 1 en 1 is 2 hoef je
Walter niet uit te leggen bij wijze van spreken. Maar het verschil in
schrijfwijze tussen leiden en lijden, bijvoorbeeld, ligt iets minder voor de
hand. Intuïtieve kinderen zoals Sabine daarentegen breken zich het hoofd niet
over de vraag of het onderscheid tussen leiden en lijden wel steekhoudend is.
De leerstof is wat het is. Sabine hoeft niet te snappen dat ze moet leren te
accepteren wat ze niet veranderen kan. Walter is daar wat minder flexibel in,
maar daarom is hij nog niet leesblind. Daarom heeft hij wel extra goed
taalonderwijs nodig. Net als elk kind eigenlijk. Te beginnen op een basisschool
en niet onder de paraplu van een ziekenkosten verzekeraar. Kinderen hebben
recht op onderwijs zonder pressie. De druk op ouders om hun kinderen ‘ziek’ te
laten verklaren zo gauw ze niet voldoen aan de eis van middelmatigheid en te
veel geld gaan kosten, kan iedereen wel missen als kiespijn.
Tot aan de dag
van de uitbarsting met Jade en juffrouw Toos leefde Thea dan ook in de heilige
overtuiging dat haar opvattingen over het onderwijs bij mensen die zelf na
kunnen denken toch onderhuids gemeengoed waren. Hier en daar vertoonde haar
ideaalbeeld door schade en schande al wel de nodige blauwe plekken; maar van
onherstelbaar letsel was nog geen sprake geweest. Thea hield haar
Huiswerksterkvisie juist overeind dankzij de onuitgesproken invloed
van de volhardende dinosaurussen om haar heen. Onder meer uit de
onderwijswereld. Vrouwen als Wonderwilma en juffrouw Toos. Op de beruchte
avond van de 10 minutengesprekken in groep 4 en 5 van Walter en Sabine had Thea
echter flinke schade opgelopen in de vorm van een zinsbegoocheling. Een
onuitwisbaar drogbeeld waarin ze letterlijk en figuurlijk tegen muren stond te
praten. De waangedachte vrat aan haar illusies als de zwerende wond door de
gewortelde lemmet van het mes in haar rug en niets is zo funest voor een goede
relatie als zelfverloochening.
Thea deed haar
best om vooruit te denken en gebeurtenissen uit het verleden niet onophoudelijk
te herkauwen om haar man tegemoet te komen. Op zijn beurt probeerde Bart om de
boel voor zijn vrouw min of meer te analyseren. Compromissen bieden evenwel een
puike paraplu, maar resulteren in een armzalig dak. Het huwelijk van Bart en
Thea dreigde zich verre van ideaal te ontwikkelingen. Enerzijds daar Thea dus
niet kon loslaten, maar anderzijds ook omdat Bart nogal fel van leer kon
trekken bij de minste of geringste zweem van een zogenaamde terugval van zijn
vrouw. Beide partners zaten muurvast in hun eigen verwerkingsproces. Daar kwam
nog bij dat Bart stug volhield dat hij helemaal nergens problemen mee had. Hij
beweerde nog net niet dat Thea zich aanstelde, maar hij vond wel dat ze gewoon
zijn instructies moest opvolgen teneinde de opvoeding van hun kinderen zonder
emotionele schade te kunnen overleven. Intuïtief wist Thea dat Bart gelijk had,
maar wat kon ze anders doen dan haar eigen ritme volgen? Ze voelde zich in de
steek gelaten in die periode van haar huwelijk. Om haar zelfmedelijden
enigszins in banen te leiden vroeg Thea op korte termijn een tweede
oudergesprek met juffrouw Toos aan. Ze eiste met klem een tête-à-tête zonder de
interne coördinatrice Jade. Het werd een fiasco. Juffrouw Toos acteerde
dusdanig overdreven zakelijk en afstandelijk dat haar optreden op het botte af
rauw op Thea’s dak viel. Thea kon aan alles merken dat juffrouw Toos onder druk
van Jade stond. En intimidatie was Jade naar inschatting van Thea op het lijf
geschreven. Het breekbare figuurtje van juffrouw Toos zag eruit als een
dankbaar slachtoffer. Om haar zelfvertrouwen buiten de muren van het klaslokaal
van groep 4 aan het wankelen te brengen waren een paar steken onder water vermoedelijk
al genoeg geweest. Iets in de trant van:
‘Voor jouw
salaris 10 anderen’.
En hoeveel zou
zo’n salaris van een doorgewinterde onderwijzeres nou meer zijn dan de
inkomsten van een beginnende jonge hond voor de klas? Dat zal op jaarbasis ook
geen verschil van een ton maken. Verder sloeg een dergelijke hint als een tang
op een varken natuurlijk. Er was maar één juffrouw Toos. Zij had een roeping.
Dat stond buiten kijf en in combinatie met haar inzicht en ervaring is zo’n
bijdrage onbetaalbaar. Haar onderwijzeressenhart bonkte als het ware door haar
maskerade heen.
‘Laat Walter
toch aan mij over’, zei haar aura.
Haar woorden
spraken de intentie tegen:
‘Jade bedoelt
het goed.’
Ook deze
uitspraak repeteerde juffrouw Toos net iets te vaak om nog
geloofwaardig te zijn op dezelfde manier waarop ze eerder tijdens het 10
minutengesprek lukraak was blijven volhouden dat ze zoveel vertrouwen in Jade
had. En hoeveel respect Thea ook spontaan kon opbrengen voor de
professionaliteit, de respectabele leeftijd en zelfs de rubberen ruggengraat
van juffrouw Toos, ze had tijdelijk geen reserves meer voor mededogen. Uit
piëteit zou ze juffrouw Toos een klacht bij de onderwijsinspectie, of het algemene
bestuur bij de stichting waaronder De Wielewaal valt, besparen, maar Thea moest
onderhand wel haar ei kwijt bij een neutraal persoon die haar precaire kwestie
ook niet direct aan de grote klok zou hangen. De vertrouwensarts die namens de
GGD aan De Wielewaal verbonden was zou een optie kunnen zijn.
De
vertrouwensarts van de gemeentelijke gezondheidsdienst – Jojanneke - beweerde dat ze een luisterend oor had, maar
niet via de telefoon en dat het misschien handiger was dat Thea even bij haar
op kantoor aanwipte. Dat praatte wat makkelijker. Thea liep zowat over van de
jarenlang opgekropte emoties en al haar zintuigen waren geladen. Jojanneke, of
wie dan ook, hoefde het startschot maar te geven en ze zou weg schieten. Van
het begin tot het einde. Zonder de dingen los van elkaar te zien die volgens
Bart niets met elkaar van doen hadden. Er was in de ogen van de vader van haar
kinderen geen verbinding tussen het oude zeer van De Kleine Beer of Het
Kleurenpalet en de onverwerkte ontwikkelingen op De Wielewaal. Als Thea niet in
staat was om de slachtofferrol van zich af te schudden dan zou ze niet alleen
zichzelf, maar ook Bart en, erger, de kinderen gek maken.
‘Dat doet
iedereen’, suste Jojanneke.
Alhoewel ze
een vertrouwensarts was en geen psychiater. Ze was ook niet meer de jongste.
Desondanks had de vertrouwensarts een langere adem dan wie Thea verder ook
kende. Het zag er namelijk naar uit dat ze bestand was tegen de ratjetoe aan
feiten, fictie, gebeurtenissen en muizenissen die Thea haar in korte tijd
voorschotelde. Tussendoor hanteerde Jojanneke haar mobiel omdat haar oude
moeder heel slecht lag en ze bereikbaar moest zijn in geval van overlijden.
Jojanneke was tussen de regels door sowieso erg mededeelzaam over haar
privéleven. Haar vertrouwelijkheden nam Thea op als aanmoediging om haar
ontgoocheling verder uit te diepen. Geen onderwijskracht hoefde haar kinderen
op handen te dragen. Haar bescheidenheid was evenwel geen vrij briefje om Sabine
en Walter dus maar ondergeschikt te maken aan leerlingen van ouders die wel het
onderste uit de kan van leerkrachten eisten. Want bij opvoeden is
een onsje voorbeeld uit de praktijk van het echte leven beter dan een kilo
mooie woorden van de wereldvreemde, interne coördinatrice Jade. En
Bart en Thea mochten in die periode dan de nodige strubbelingen hebben gehad
samen, over één ding waren ze het nog wel eens; met Jade wilde geen
van tweeën nog iets te maken hebben. Jojanneke stelde haar gerust.
‘Jij kunt er
niets aan doen dat je hypersensitief bent.’
‘Dat is nou
juist waarom ik hier zit en niet bij een psychiater. Ik geloof niet dat ik
hypersensitief ben alleen maar omdat ik kritiek heb op het beleid van de
basisschool van mijn kinderen. In zoverre er sprake is van een beleid
natuurlijk.’
‘Maar je hebt
wel het recht om boos te zijn.’
Doordat
Jojanneke naarstig haar best deed om oprecht te klinken, werd de licht
ontvlambare achterdocht van Thea weer aangewakkerd.
‘Waarom? Omdat
ik het recht heb om boos te zijn of omdat ik met recht boos ben?’
‘Ik heb zelf 3
dochters grootgebracht en ik kan nou nog boos worden over sommige akkefietjes
op de basisschool. Dan werd 1 van mijn dochters bijvoorbeeld steeds naast een
meisje in de klas neergezet dat niemand aardig vond. Alleen maar omdat mijn
dochter een sociaal kind is. Op zo’n moment stapte ik ook met lood in mijn
schoenen op de juf af en dan werd ik heus net zo goed niet altijd even aardig
benaderd. Zo zijn er misschien wel 10 van dat soort akkefietjes met een
optelsom van een megaprobleem. Ik herinner me ook nog de uitspraak van de juf
uit groep 3 van mijn jongste. Mijn dochter zou het buskruit niet uitgevonden
hebben. Ik word er nou nog emo van. Dus ja; je bent met recht boos.’
In de oren van
Thea weerklonk geringschatting uit het verhaal van Jojanneke. Minimalisatie van
haar knelpunten. Onbedoeld; dus recht in de roos. Jojanneke werd ook weleens
‘emo’. Nee, dan is het goed.
‘Ben je boos.
Pluk een roos. Zet haar op je hoed. Dan ben je morgen weer goed’, rijmde Thea
monotoon, terwijl ze naast zich uit het raam keek.
‘Waar ben je
bang voor?’, vroeg Jojanneke ineens heel gericht.
‘Dat mijn
kinderen op de basisschool het mikpunt van de ontlading van leerkrachten worden
als gevolg van mijn kritische opstelling. Het zou niet de eerste keer
zijn.’
‘Dat is een
reële angst denk ik. Het probleem is alleen dat mensen zoals de interne
coördinatrice overal rondlopen. Op een nieuwe basisschool kom je haar weer
tegen, maar dan is haar naam geen Jade maar Mies of Jopie. Denk je dat het
elders zoveel beter is?’
‘Slechter kan
het niet worden’, schamperde Thea.
De mobiel van
Jojanneke liet weer van zich horen. Thea ratelde verder:
‘Ze willen bij
De Wielewaal niets liever dan dat ik met mijn kinderen vertrek naar – alweer –
een andere basisschool. En mocht onverhoopt de nood aan de man komen dan zeker
niet met de stille trom. Waarom denk je dat ik hier zit? Juist om escalatie te
voorkomen.’
‘Ik denk dat
je er verstandig aan gedaan hebt om hier te komen. Niemand kan jou verplichten
om Walter – of Sabine – te onderwerpen aan wat voor een soort medische toetsen
of testjes dan ook. Zelfs een arts niet. Er staat nergens, in geen enkel
schoolreglement, geschreven dat ouders de plicht hebben om in dyslectie te
geloven’, legde Jojanneke uit terwijl ze een berichtje op haar mobiel
ontcijferde en iets in begon te toetsen.
‘Vrijheid van
meningsuiting’, declameerde Thea.
Het lijkt zo
vanzelfsprekend. Nu hield Jojanneke haar mobiel tegen haar oor en kneep
bemoedigend met haar oogleden naar Thea onder begeleiding van de woorden:
‘Houd je
gedachten even vast.’
Thea doorstond
deze onderbreking - en de vele telefonische interrupties die nog zouden volgen
op haar relaas - stoïcijns en zonder commentaar. Maar het was
belachelijk: Jojanneke in een schizofrene spagaat tussen haar dochterrol als
stervensbegeleidster en haar arbeidsplicht als vertrouwensarts. Het was Thea
een raadsel waarom Jojanneke zich vandaag niet had laten vervangen. Haar
reactiepatroon verried dat ze doorgaans, onder normale omstandigheden, een
kundige vertrouwensarts was. Onder voorwaarde van volledige inzet. Een
vervanger voor Jojanneke op de sterfdag van haar moeder was wel zo normaal
geweest. Hoe het ook zij; de tijd was linksom of rechtsom rijp voor de kroniek
van Thea. Desnoods op facebook.
‘Laten we even
het verstand erbij houden’, lachte Jojanneke
zenuwachtig.
‘Denk aan de
kinderen. Het belang van de kinderen staat voorop.’
‘Ach ja, de
kinderen.’
Thea veinsde
vergeetachtigheid en sloeg met de handpalm op haar voorhoofd.
Jojanneke
stelde een gesprek voor als sluitstuk. Een gesprek tussen directrice Willy en
de interne coördinatrice Jade van De Wielewaal.
‘Ik zit je net
uit te leggen dat Bart en ik niets meer met Jade te maken willen hebben. Praat
ik Chinees of zo?’
‘Je zult wel
moeten Thea, want Jade is nou een maal de interne coördinatrice van De
Wielewaal. Of je wilt of niet.’
Thea woelde
door haar kapsel en masseerde haar hoofdhuid. Ze had jeuk onder haar
schedelpan.
‘Wat heb ik
hier nou aan? Al dat geblaat. Heb jij je schaapjes al op het droge? Blah, blah,
blah?’
‘Vanaf vandaag
sta je niet meer alleen. Ik sta achter je, Je kunt me altijd bellen of mailen’,
beloofde Jojanneke theatraal.
‘Ook ’s
nachts?’, spotte Thea en ze dacht:
‘Wat als jouw
moeder vandaag of morgen ook echt komt te overlijden?’
Wie van de
twee was er ook weer een psychisch crisisgeval?
‘Ik meen het
Thea! Bij mij kun je in ieder geval jezelf zijn!’, antwoordde Jojanneke niet
gehinderd door enige introspectie. Ze vervolgde:
‘Ik kan ook
het woord voor je doen bij de directie van De Wielewaal als je wilt, maar zo te
horen kun je dat prima zelf.’
Zo was de
cirkel weer rond. Een vertrouwensarts bood dus ook al geen soelaas aan de
groeiende weerzin tegen de moeizame gesprekken op De Wielewaal. Elk wissewasje
ontwikkelde zich tot enorme bergen waar een schappelijk mens geen schot in leek
te krijgen. Een specifieke geur, bepaalde uitspraak, stemgeluid of andere
aanleiding kan Thea nog steeds even tomeloos in de contramine werpen als toen,
tijdens de reeks beproevingen op de basisschool van haar kinderen. Moedeloos
ervoer Thea de bijeenkomsten hoe vaker hoe heftiger als oeverloos. Uitgezogen
werd ze door de leerkrachten van haar kinderen die altijd open meenden te
moeten staan voor nieuwe, hippe invloeden. Terwijl Thea totaal niet bezig was
met indruk maken of discussiëren alleen maar om het praten tot aan sokken met
gaten. Ze werd niet high van een goed gesprek. Want ook onderwijspraatjes
vullen geen gaatjes. Niemand kon haar zelfs bij benadering uitleggen wat in de
onderwijswereld ongeveer met dyslectie of wat dan ook bedoeld werd. Om maar
eens een pijnpuntje te noemen. Dyslectie was persoonsgebonden. Voor iedereen
anders. Net als een mening of de waarheid. Relatief noemde Einstein dat toch?
Wel leerde Thea zich schikken in de onderwijsretoriek. Ze kreeg inzicht in
vergadertechnieken. Ze maakte zich het deduceren van een constante
informatiestroom tot een paar kernpunten eigen. Zo ontstond als vanzelf een
automatisme. Ondanks de aversie tegen de babbeltjes in de ruimte. Toch dat
warme bed uit. In weer en wind voor de kinderen. De sluimerende sleur van de trage,
grillige buitenwereld overwonnen. Het ene been voor het andere en de routine
komt vanzelf. De ogen sluitend voor een mogelijke vlucht in de alcohol of
verdovende middelen. Wetende dat er morgen weer een dag is. Opnieuw met een kop
en een staart als gegeven. Volg het voorgeschreven stramien en dan zal alles
ooit misschien vanzelf beter gaan. Op de nuchtere maag 2 stapjes vooruit en 3
stapjes terug. Precies zo; vanuit dat inzicht gaat Thea vandaag met frisse
tegenzin bij Melvin op ziekenbezoek in het appartement van Jasmijn.
Het luxe, hoge
opblaasbare matras van Melvin beslaat bijna de complete woonkamer in het
appartement van Jasmijn boven de Albert Heijn. Melvin blijft roerloos op zijn
rug boven op het dons dek zonder overtrek liggen. Thea heeft de neiging om
Melvin te bestoken met vragen, maar de sfeer in huize Jasmijn is niet erg
uitnodigend. Misschien wil Jasmijn zolang wat donsdek overtrekken van haar
lenen? Waarom ligt Melvin eigenlijk niet in een verstelbaar ziekenhuisbed en
waarom niet thuis bij zijn vader en stiefmoeder? In plaats daarvan opent Thea
het gesprek met de woorden:
‘Ik heb laatst
Femke nog gesproken.’
‘Ik ook’,
antwoordt Melvin droog en zwaar.
Hij verroert
zich nauwelijks en als hij beweegt dan in slow motion. Om zijn linker onderarm
draagt hij een brace. Melvin ziet er weliswaar minder gehavend uit dan Thea
verwacht had, toch heeft zijn 17jarige gelaat de lome trekken van
een oude man, maar dan zonder rimpels, door de gelige plekken en andere sporen
van herstel van de verwondingen en breuken in zijn gezicht. Zijn vroegere
Betuwe Flipje glans is spoorloos.
‘Samen met
Bink.’
Voor de
fruitmand die Thea voor Melvin heeft opgemaakt vindt ze een plekje op de
vensterbank. Vanuit haar ooghoeken probeert ze een soortement reactie uit de
logge mimiek van Melvin op te maken. Sloom plaatst hij de rug van zijn gezonde
hand op zijn voorhoofd. In zijn slagader staat nog steeds dezelfde uitroep
gekerfd;
‘Enough.’
Melvin heeft
er nog altijd genoeg van. Geen plakplaatje, maar een echte tattoo. Hij sluit
zijn ogen. Bij zijn slapen glinstert vocht. Transpiratie of tranen? Hij huilt
mogelijk of hij ademt met horten en kleine stootjes vanwege het strakke verband
om zijn borstkas dat zich onder zijn doorzichtige witte T-shirt aftekent.
‘Hoe was het
met Bink?’, wil Jasmijn vanuit de open keuken weten.
Ze schikt de
bos duizend schonen die Thea voor haar meebracht.
De koffie
pruttelt in een ouderwets filterapparaat. Hun samenzijn is vanzelfsprekend en
ongemakkelijk. Zoals vanouds. Alsof Thea nooit weggeweest is en de
huiswerkagenda elke minuut getrokken kan worden.
‘Hij kwam voor
zijn laptop.’
Melvin
verslikt zich en verkrampt over zijn hele lichaam omdat hij moet hoesten.
Paniekerig komt Jasmijn vanuit de keuken aanrennen en blijft onverrichter zaken
met haar armen in de lucht zwaaiend bij het hoge luchtbed van Melvin staan. Ook
Thea springt op uit het rotan kuipstoeltje. Kermend krimpt Melvin ineen en hapt
naar adem. Na 2 keer flink inhaleren tussen het piepen en proesten door, neemt
de paniek af. In de foetushouding komt hij tot rust. De zweetdruppels parelen
op zijn donkerrode voorhoofd. Thea kijkt om zich heen en grijpt naar een
aangebroken pakje appelsap met een rietje op de vensterbank naast haar
fruitmand.
‘Wil je wat
drinken?’, vraagt ze onhandig.
‘Hij heeft
zijn ribben gebroken. Weet je wel hoe pijn dat doet’, snauwt Jasmijn.
‘Een mens moet
toch drinken!’, sputtert Thea ontmoedigd tegen, terwijl ze in haar kuipje terug
kruipt.
‘Wil je wat
drinken Melvin?’, vraagt Jasmijn nu op haar beurt.
De pot verwijt
de ketel dat hij zwart ziet.
‘Nee’, krast
Melvin schor.
Jasmijn buigt
zich voorover tot op een millimeter afstand van het gezicht van Melvin.
‘Gaat het
wel?’
Prompt wendt
Melvin zijn hoofd af en draait zich krampachtig op zijn andere zij.
‘Jaha’, steunt
hij geërgerd.
Jasmijn geeft
het op. Ze loopt om het luxe matras in het midden van de woonkamer heen en
neemt plaats op het puntje van de bank. Met gebogen hoofd en een
blik vol medelijden strijkt ze door de blonde kuif van haar broer. Liefkozend
prevelt ze:
‘Wat hebben ze
je toch toegetakeld broertje.’
‘Ze?’
Heeft Thea
iets gemist? Over de rug van Melvin probeert Jasmijn onbeholpen om conversatie
met Thea te maken.
‘Waar ken jij
Bink eigenlijk van, Thea?’
Thea komt,
buitengesloten als ze zich voelt, meteen met een wedervraag op de proppen:
‘Waar ken jij
Bink eigenlijk van Jasmijn?’
‘Hij is haar
overbuurman’, murmelt Melvin zo snel als hij in zijn toestand kan, in de hoop
de zinspeling van Thea bijtijds voor Jasmijn te ondervangen.
Te laat.
‘Bink is mijn
stiefoom en ik wist niet dat hij bij je in de straat woonde’, antwoordt Jasmijn
argeloos en tegelijkertijd aangebrand.
‘Ik kende hem
eerst ook niet, totdat Melvin zijn laptop bij mij in bewaring gaf, omdat
de politie een inval bij Bink in huis deed.’
Bewust slaat
Thea een toon aan alsof ze verslag doet over koetjes en kalfjes. Zij kan ook
mooi weer spelen, maar dan wel vanwege haar eigen, unieke beweegredenen.
Jasmijn acteert dat ze Thea niet goed verstaan heeft.
‘Wat zeg je
nou?’
‘Je hebt me
wel gehoord.’
Traagzaam rolt
Melvin weer op zijn rug.
‘Walter heeft
ingebroken neem ik aan?’, informeert hij hakkelend.
‘Walter? Dat
is een kind. Heeft Walter bij Bink ingebroken?’, vraagt Jasmijn onnozel.
‘Op de laptop
van Bink’, verbetert Melvin geïrriteerd.
Hij schudt
zijn achterhoofd dieper in het kussen en slikt benard. Zijn ademsappel lijkt op
een onderhuidse speerpunt. Melvin is niet slank meer, maar mager. Thea
bedenkt dat ze beter een stuk of 10 pakjes gebraden gehakt in plaats van een
mand met ingewikkeld fruit voor hem mee had kunnen brengen.
‘Walter is
geen kind meer. Hij is 12 en een puber; of op z’n minst een tiener. Zal ik een
kiwi voor je pellen Melvin?’
‘Dat doe ik
wel’, zegt Jasmijn en zonder het groene licht van Melvin af te wachten vist ze
3 kiwi’s uit de fruitmand op de vensterbank en begeeft zich weer naar de
keuken.
‘Zeg het
maar!’
Melvin tracht
rechtop te gaan zitten. Halverwege stopt hij met proberen en steunt op zijn
gezonde onderarm. Afwachtend kijkt hij Thea aan. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen
en troebel.
‘Wat wil je
dat ik zeg?’
‘Wat dacht je
toen je me zag zitten tussen de toyboys van G-spotgigolo?’
De uitspraak
van deze prangende vraag kost Melvin teveel energie om zijn bovenlijf nog
langer overeind te houden. Hij strekt de ongedeerde arm en laat zijn
bovenlichaam achterover terug in het veerkrachtige luchtbed terecht komen.
‘Nou, gewoon;
ik dacht: Heey kijk eens wie we daar hebben.’
Melvin trekt
een scheve mond en balkt. Thea begrijpt dat hij lacht. De rij met kaarsrechte,
witte voortanden is Godzijdank nog intact.
‘Prostitutie
is niet strafbaar’, deelt Jasmijn laconiek mee.
Met een
schaaltje gevuld met stukjes geschilde kiwi neemt ze weer terug plaats op de
bank.
‘Weet jij
ervan?’
Zo neutraal
mogelijk probeert Thea hoogte te krijgen van de morele mores van Melvin en
Jasmijn.
‘Dat Bink een
escortservice leidt? Jazeker.’
Jasmijn brengt
een partje kiwi naar de gezwollen lippen van Melvin. Kregel heft Melvin zijn
gewonde arm in de brace en slaat met het effect van een knuppel in een
slagbalspel het aangeboden fruit van zich af. Haastig vindt Jasmijn het
uitgevlogen restje kiwi aan het voeteneind van het luchtbed. Uit de achterzak
van haar spijkerbroek diept ze een stuk keukenrol om de vochtige kiwisporen om
haar heen te deppen.
‘Thea bedoelt
de naaktfoto van mij op de website van G-spotgigolo’, beklemtoont Melvin.
‘Ik ben alleen
geïnteresseerd in een platonische relatie met mijn broer. Ik ga echt geen
naaktfoto’s van hem zitten bekijken’, exponeert Jasmijn met het vredesgebaar
richting Thea.
‘Wat vind je
dan van de herenliefde tegen betaling?’
Als dan toch
alles moet kunnen dan ook de taboes ter tafel wat Thea betreft.
‘Seks is geen
liefde’, smaalt Jasmijn.
Melvin
produceert een hikkend spotgeluid en richt vervolgens het woord tot Thea:
‘Seks betaalt
de rekeningen. En de huur van dit appartement.’
‘Werk jij ook
voor Bink?’, vraagt Thea vol ongeloof aan Jasmijn.
‘Ik ben geen
jonge God’, bijt Jasmijn rancuneus.
‘Ze is niet
hoerig genoeg’, verduidelijkt Melvin nichterig.
‘Homo’,
scheldt Jasmijn schaamteloos.
Nuffig
distantieert ze zich van haar broer door zo ver mogelijk in het hoekje van de
bank te verdwijnen met het fruitschaaltje in haar schoot.
‘Wat zeggen
jullie ouders hiervan?’
Thea hoort
zelf hoe belachelijk ze klinkt.
‘Ze zijn trots
op ons’, monkelt Melvin.
Jasmijn
grijnslacht eensgezind met Melvin en tegelijkertijd haatdragend. Thea moet
ineens aan moeder Beau en haar 25 jaar jongere vriend denken. De ex-vriend van
Jasmijn.
‘En Femke dan,
de zus van Bink en jullie stiefmoeder; mijn opvolgster en generatiegenote; de 2de echtgenote
van Pim.’
‘Wat is er met
Femke?’
Jasmijn en
Melvin wisselen een blik van verstandhouding. Thea zwijgt. In wat voor een
wereld is ze beland? Zonder inzicht. Dit zal dan wel het wespennest zijn waar
Bart voor waarschuwde. Ze besluit eerst zoveel mogelijk feiten te verzamelen om
ze daarna in de afwezigheid van mensen om haar heen te verwerken en op een
rijtje te zetten. Oordelen kan altijd nog.
‘Misschien kan
Femke helpen?’, oppert ze voorzichtig.
‘Femke helpt
al door ons met rust te laten.’
Jasmijn is in
een meisjesachtige rol geschoten waarin ze niet langer in staat is om een
geheimpje niet te verklappen.
‘Waarom zou
Femke jullie met rust laten? Alleen maar om haar broer Bink in bescherming te
nemen? Ligt Melvin daarom op een luchtbed, in plaats van op een stevig matras?
Dit is toch een marteling voor Melvin in zijn toestand? Dat jij dat niet ziet
Jasmijn als toekomstig arts?’
Ondanks haar
voornemen om vooralsnog neutraal te blijven klinkt Thea toch verontwaardigd.
Jasmijn kijkt Thea uitdagend aan.
‘We hebben
niet zoveel te kiezen, Thea’.
Zo vurig heeft
Thea haar nog nooit gezien. Melvin probeert vanuit zijn liggende positie de
drift van ijn zus met een vlakke hand in de lucht te dirigeren. De ontlading
van Jasmijn valt nochtans niet meer te temperen en ze draaft verder door:
‘Iedereen laat
ons namelijk maar wat aanrommelen. Femke voorop uit eigen belang. Jullie vieze,
oude wijven zijn toch allemaal één pot nat!’
De onverwachte
aanval van de interne coördinatrice Jade voelde als een dolk in de rug van
Thea. Haar complete emotionele huishouding was van slag. Allerlei onlogische
gevoelens passeerden de revue in de nachten dat Thea na de confrontatie op bed
naar de kleurloze binnenkant van haar oogleden lag te staren. Het
grootste deel van de tijd was ze des duivels met een vleugje schaamte over haar
ongeremde reacties. Ze had zichzelf laten kennen door ongecontroleerde
uitspraken te doen die haar kwetsbaar maakten. Alsof ze op medelijden van Jade
of juffrouw Toos zat te wachten. Ze voelde zich juist verraden door juffrouw
Toos die tot aan de avond van het 10 minutengesprek alleen maar vol lof over
Walter was geweest. Ze haatte Jade om haar sluwheid of om haar domheid. Thea
was niet zeker meer van haar eigen mensenkennis. De conversatie tijdens het 10
minutengesprek bleef zich als een oorwurm in haar hoofd afspelen. Letterlijk;
zin voor zin; woord voor woord.
‘En toen zei
Jade: ‘Wij maken ons zorgen om Walter!’
En ik vroeg
ik: ‘Wie zijn we?’
Ondertussen
bleef juffrouw Toos maar benadrukken dat ze zoveel vertrouwen had in Jade.
‘Ik heb
vertrouwen in Jade’, zei ze tot vervelends toe.
Daarop meldde
ik: ‘Fijn voor je Toos, ik niet.’
‘Waarom niet?
Dyslectie is geen schande hoor.’
‘Dat was Jade.
Misschien bedoelde ze het goed? Maar als ik toch zeker weet dat Walter niet
dyslectisch is? Was ik soms niet duidelijk genoeg?’
Thea werd
tureluurs van zichzelf en het permanente gemaal in haar hoofd. Het dagelijkse
reilen en zeilen en de kinderen bestierde ze in die dagen op de automatische
piloot. Bart probeerde naar Thea te luisteren zoveel hij kon; maar ook hij was
gedupeerd als vader van Walter. Bovendien dreef Thea hem tot uitersten met haar
recidiverende reacties.
‘Hoe wil je
een oplossing vinden als een cirkelredenering juist het probleem is?!’, brulde
hij meer dan eens in de vele woordenwisselingen uit die tijd.
Bart was al
bezig met oplossingen; maar Thea zat vast in de oorzaak van het
probleem. Bart was zeker van zijn zaak:
‘Walter is
niet het probleem’.
Nee, dat wist
Thea ook wel. In ieder geval niet haar probleem. Wel haar zoon. Ze herkende hem
niet in de verslagen van Jade. Jade sprak over Walter in relatie tot
statistieken, gemiddeldes, cijfertjes en grafieken die ze zelf ongetwijfeld
maar half doorzag, maar die ze te berde bracht, omdat ze door haar werkgever
geacht werd te besparen zoals zo ongeveer elke basisschoolleiding door de
overheid opgedragen was om te economiseren. Dus ook de staf van De
Wielewaal. Jade zag nauwgezet op de besparingen toe, zodat er in ieder geval
niet beknibbeld zou worden op haar en haar werkuren van een interne
coördinatrice die haar tijd verdeed met het op stang jagen van onschuldige
ouders zoals Bart en Thea. Laat anderen maar de dupe zijn van de bezuinigingen
in het basisonderwijs. Desnoods een 7jarige jongetje – Walter bijvoorbeeld -
dat de termijnen van een ander kind bij de remedial teacher in vaste dienst
- Wonderwilma in dit geval - opsnoepte, terwijl hij door zijn ouders
toch top fit verzekerd was. Bij Walter thuis konden ze net zo goed via de
ziekenkostenverzekeraar een externe dyslectie expert – of verder wat voor een
therapie of specialist dan ook – inhuren en bekostigen.
Thea was en
blijft er echter 100 procent van overtuigd dat Walter geen leerbeperking in de
vorm van dyslexie had en heeft. Waarom zou ze dan op kosten van de
ziekenkostenverzekeraar een dyslectie expert of anderszins hulp van buitenaf
moeten inhuren? Voor wie? Voor het personeel van De Wielewaal? Ter ontlasting?
Vanuit dat principe had Thea beter überhaupt geen kinderen kunnen baren. Ter
kostenbesparing? Voor dat veel besproken hongerloontje van het
onderwijzend personeel maakte de aanwezigheid van een lastpak met de naam
‘Walter’ meer of minder ook niet noemenswaardig veel meer uit. Slechter kon het
met het onderwijs in Nederland toch niet meer gesteld zijn als je de
nieuwsberichten in de media moest geloven. Als je het Thea vroeg dan gold dat
ook voor de expertise van veel docenten. Kennis wordt duur betaald! Haar
zekerheden over de leercapaciteiten van Walter en Sabine baseert Thea nu nog
bijna volledig op haar ervaringen bij Huiswerksterk. De taalfouten die Walter
als groentje in zijn schoolwerk maakte leken bovendien sprekend op de missers
van Melvin in zijn tijd. Zelfs Jasmijn, die nou toch medicijnen studeert,
schreef weleens een au in plaats van een ou of verwarde de sch met een g. Zulke
taalfoutjes zijn een vaak voorkomend gevolg van een leerproces. Meestal bij
kinderen die logisch ingesteld zijn. Het principe van 1 en 1 is 2 hoef je
Walter niet uit te leggen bij wijze van spreken. Maar het verschil in
schrijfwijze tussen leiden en lijden, bijvoorbeeld, ligt iets minder voor de
hand. Intuïtieve kinderen zoals Sabine daarentegen breken zich het hoofd niet
over de vraag of het onderscheid tussen leiden en lijden wel steekhoudend is.
De leerstof is wat het is. Sabine hoeft niet te snappen dat ze moet leren te
accepteren wat ze niet veranderen kan. Walter is daar wat minder flexibel in,
maar daarom is hij nog niet leesblind. Daarom heeft hij wel extra goed
taalonderwijs nodig. Net als elk kind eigenlijk. Te beginnen op een basisschool
en niet onder de paraplu van een ziekenkosten verzekeraar. Kinderen hebben
recht op onderwijs zonder pressie. De druk op ouders om hun kinderen ‘ziek’ te
laten verklaren zo gauw ze niet voldoen aan de eis van middelmatigheid en te
veel geld gaan kosten, kan iedereen wel missen als kiespijn.
Tot aan de dag
van de uitbarsting met Jade en juffrouw Toos leefde Thea dan ook in de heilige
overtuiging dat haar opvattingen over het onderwijs bij mensen die zelf na
kunnen denken toch onderhuids gemeengoed waren. Hier en daar vertoonde haar
ideaalbeeld door schade en schande al wel de nodige blauwe plekken; maar van
onherstelbaar letsel was nog geen sprake geweest. Thea hield haar
Huiswerksterkvisie juist overeind dankzij de onuitgesproken invloed
van de volhardende dinosaurussen om haar heen. Onder meer uit de
onderwijswereld. Vrouwen als Wonderwilma en juffrouw Toos. Op de beruchte
avond van de 10 minutengesprekken in groep 4 en 5 van Walter en Sabine had Thea
echter flinke schade opgelopen in de vorm van een zinsbegoocheling. Een
onuitwisbaar drogbeeld waarin ze letterlijk en figuurlijk tegen muren stond te
praten. De waangedachte vrat aan haar illusies als de zwerende wond door de
gewortelde lemmet van het mes in haar rug en niets is zo funest voor een goede
relatie als zelfverloochening.
Thea deed haar
best om vooruit te denken en gebeurtenissen uit het verleden niet onophoudelijk
te herkauwen om haar man tegemoet te komen. Op zijn beurt probeerde Bart om de
boel voor zijn vrouw min of meer te analyseren. Compromissen bieden evenwel een
puike paraplu, maar resulteren in een armzalig dak. Het huwelijk van Bart en
Thea dreigde zich verre van ideaal te ontwikkelingen. Enerzijds daar Thea dus
niet kon loslaten, maar anderzijds ook omdat Bart nogal fel van leer kon
trekken bij de minste of geringste zweem van een zogenaamde terugval van zijn
vrouw. Beide partners zaten muurvast in hun eigen verwerkingsproces. Daar kwam
nog bij dat Bart stug volhield dat hij helemaal nergens problemen mee had. Hij
beweerde nog net niet dat Thea zich aanstelde, maar hij vond wel dat ze gewoon
zijn instructies moest opvolgen teneinde de opvoeding van hun kinderen zonder
emotionele schade te kunnen overleven. Intuïtief wist Thea dat Bart gelijk had,
maar wat kon ze anders doen dan haar eigen ritme volgen? Ze voelde zich in de
steek gelaten in die periode van haar huwelijk. Om haar zelfmedelijden
enigszins in banen te leiden vroeg Thea op korte termijn een tweede
oudergesprek met juffrouw Toos aan. Ze eiste met klem een tête-à-tête zonder de
interne coördinatrice Jade. Het werd een fiasco. Juffrouw Toos acteerde
dusdanig overdreven zakelijk en afstandelijk dat haar optreden op het botte af
rauw op Thea’s dak viel. Thea kon aan alles merken dat juffrouw Toos onder druk
van Jade stond. En intimidatie was Jade naar inschatting van Thea op het lijf
geschreven. Het breekbare figuurtje van juffrouw Toos zag eruit als een
dankbaar slachtoffer. Om haar zelfvertrouwen buiten de muren van het klaslokaal
van groep 4 aan het wankelen te brengen waren een paar steken onder water vermoedelijk
al genoeg geweest. Iets in de trant van:
‘Voor jouw
salaris 10 anderen’.
En hoeveel zou
zo’n salaris van een doorgewinterde onderwijzeres nou meer zijn dan de
inkomsten van een beginnende jonge hond voor de klas? Dat zal op jaarbasis ook
geen verschil van een ton maken. Verder sloeg een dergelijke hint als een tang
op een varken natuurlijk. Er was maar één juffrouw Toos. Zij had een roeping.
Dat stond buiten kijf en in combinatie met haar inzicht en ervaring is zo’n
bijdrage onbetaalbaar. Haar onderwijzeressenhart bonkte als het ware door haar
maskerade heen.
‘Laat Walter
toch aan mij over’, zei haar aura.
Haar woorden
spraken de intentie tegen:
‘Jade bedoelt
het goed.’
Ook deze
uitspraak repeteerde juffrouw Toos net iets te vaak om nog
geloofwaardig te zijn op dezelfde manier waarop ze eerder tijdens het 10
minutengesprek lukraak was blijven volhouden dat ze zoveel vertrouwen in Jade
had. En hoeveel respect Thea ook spontaan kon opbrengen voor de
professionaliteit, de respectabele leeftijd en zelfs de rubberen ruggengraat
van juffrouw Toos, ze had tijdelijk geen reserves meer voor mededogen. Uit
piëteit zou ze juffrouw Toos een klacht bij de onderwijsinspectie, of het algemene
bestuur bij de stichting waaronder De Wielewaal valt, besparen, maar Thea moest
onderhand wel haar ei kwijt bij een neutraal persoon die haar precaire kwestie
ook niet direct aan de grote klok zou hangen. De vertrouwensarts die namens de
GGD aan De Wielewaal verbonden was zou een optie kunnen zijn.
De
vertrouwensarts van de gemeentelijke gezondheidsdienst – Jojanneke - beweerde dat ze een luisterend oor had, maar
niet via de telefoon en dat het misschien handiger was dat Thea even bij haar
op kantoor aanwipte. Dat praatte wat makkelijker. Thea liep zowat over van de
jarenlang opgekropte emoties en al haar zintuigen waren geladen. Jojanneke, of
wie dan ook, hoefde het startschot maar te geven en ze zou weg schieten. Van
het begin tot het einde. Zonder de dingen los van elkaar te zien die volgens
Bart niets met elkaar van doen hadden. Er was in de ogen van de vader van haar
kinderen geen verbinding tussen het oude zeer van De Kleine Beer of Het
Kleurenpalet en de onverwerkte ontwikkelingen op De Wielewaal. Als Thea niet in
staat was om de slachtofferrol van zich af te schudden dan zou ze niet alleen
zichzelf, maar ook Bart en, erger, de kinderen gek maken.
‘Dat doet
iedereen’, suste Jojanneke.
Alhoewel ze
een vertrouwensarts was en geen psychiater. Ze was ook niet meer de jongste.
Desondanks had de vertrouwensarts een langere adem dan wie Thea verder ook
kende. Het zag er namelijk naar uit dat ze bestand was tegen de ratjetoe aan
feiten, fictie, gebeurtenissen en muizenissen die Thea haar in korte tijd
voorschotelde. Tussendoor hanteerde Jojanneke haar mobiel omdat haar oude
moeder heel slecht lag en ze bereikbaar moest zijn in geval van overlijden.
Jojanneke was tussen de regels door sowieso erg mededeelzaam over haar
privéleven. Haar vertrouwelijkheden nam Thea op als aanmoediging om haar
ontgoocheling verder uit te diepen. Geen onderwijskracht hoefde haar kinderen
op handen te dragen. Haar bescheidenheid was evenwel geen vrij briefje om Sabine
en Walter dus maar ondergeschikt te maken aan leerlingen van ouders die wel het
onderste uit de kan van leerkrachten eisten. Want bij opvoeden is
een onsje voorbeeld uit de praktijk van het echte leven beter dan een kilo
mooie woorden van de wereldvreemde, interne coördinatrice Jade. En
Bart en Thea mochten in die periode dan de nodige strubbelingen hebben gehad
samen, over één ding waren ze het nog wel eens; met Jade wilde geen
van tweeën nog iets te maken hebben. Jojanneke stelde haar gerust.
‘Jij kunt er
niets aan doen dat je hypersensitief bent.’
‘Dat is nou
juist waarom ik hier zit en niet bij een psychiater. Ik geloof niet dat ik
hypersensitief ben alleen maar omdat ik kritiek heb op het beleid van de
basisschool van mijn kinderen. In zoverre er sprake is van een beleid
natuurlijk.’
‘Maar je hebt
wel het recht om boos te zijn.’
Doordat
Jojanneke naarstig haar best deed om oprecht te klinken, werd de licht
ontvlambare achterdocht van Thea weer aangewakkerd.
‘Waarom? Omdat
ik het recht heb om boos te zijn of omdat ik met recht boos ben?’
‘Ik heb zelf 3
dochters grootgebracht en ik kan nou nog boos worden over sommige akkefietjes
op de basisschool. Dan werd 1 van mijn dochters bijvoorbeeld steeds naast een
meisje in de klas neergezet dat niemand aardig vond. Alleen maar omdat mijn
dochter een sociaal kind is. Op zo’n moment stapte ik ook met lood in mijn
schoenen op de juf af en dan werd ik heus net zo goed niet altijd even aardig
benaderd. Zo zijn er misschien wel 10 van dat soort akkefietjes met een
optelsom van een megaprobleem. Ik herinner me ook nog de uitspraak van de juf
uit groep 3 van mijn jongste. Mijn dochter zou het buskruit niet uitgevonden
hebben. Ik word er nou nog emo van. Dus ja; je bent met recht boos.’
In de oren van
Thea weerklonk geringschatting uit het verhaal van Jojanneke. Minimalisatie van
haar knelpunten. Onbedoeld; dus recht in de roos. Jojanneke werd ook weleens
‘emo’. Nee, dan is het goed.
‘Ben je boos.
Pluk een roos. Zet haar op je hoed. Dan ben je morgen weer goed’, rijmde Thea
monotoon, terwijl ze naast zich uit het raam keek.
‘Waar ben je
bang voor?’, vroeg Jojanneke ineens heel gericht.
‘Dat mijn
kinderen op de basisschool het mikpunt van de ontlading van leerkrachten worden
als gevolg van mijn kritische opstelling. Het zou niet de eerste keer
zijn.’
‘Dat is een
reële angst denk ik. Het probleem is alleen dat mensen zoals de interne
coördinatrice overal rondlopen. Op een nieuwe basisschool kom je haar weer
tegen, maar dan is haar naam geen Jade maar Mies of Jopie. Denk je dat het
elders zoveel beter is?’
‘Slechter kan
het niet worden’, schamperde Thea.
De mobiel van
Jojanneke liet weer van zich horen. Thea ratelde verder:
‘Ze willen bij
De Wielewaal niets liever dan dat ik met mijn kinderen vertrek naar – alweer –
een andere basisschool. En mocht onverhoopt de nood aan de man komen dan zeker
niet met de stille trom. Waarom denk je dat ik hier zit? Juist om escalatie te
voorkomen.’
‘Ik denk dat
je er verstandig aan gedaan hebt om hier te komen. Niemand kan jou verplichten
om Walter – of Sabine – te onderwerpen aan wat voor een soort medische toetsen
of testjes dan ook. Zelfs een arts niet. Er staat nergens, in geen enkel
schoolreglement, geschreven dat ouders de plicht hebben om in dyslectie te
geloven’, legde Jojanneke uit terwijl ze een berichtje op haar mobiel
ontcijferde en iets in begon te toetsen.
‘Vrijheid van
meningsuiting’, declameerde Thea.
Het lijkt zo
vanzelfsprekend. Nu hield Jojanneke haar mobiel tegen haar oor en kneep
bemoedigend met haar oogleden naar Thea onder begeleiding van de woorden:
‘Houd je
gedachten even vast.’
Thea doorstond
deze onderbreking - en de vele telefonische interrupties die nog zouden volgen
op haar relaas - stoïcijns en zonder commentaar. Maar het was
belachelijk: Jojanneke in een schizofrene spagaat tussen haar dochterrol als
stervensbegeleidster en haar arbeidsplicht als vertrouwensarts. Het was Thea
een raadsel waarom Jojanneke zich vandaag niet had laten vervangen. Haar
reactiepatroon verried dat ze doorgaans, onder normale omstandigheden, een
kundige vertrouwensarts was. Onder voorwaarde van volledige inzet. Een
vervanger voor Jojanneke op de sterfdag van haar moeder was wel zo normaal
geweest. Hoe het ook zij; de tijd was linksom of rechtsom rijp voor de kroniek
van Thea. Desnoods op facebook.
‘Laten we even
het verstand erbij houden’, lachte Jojanneke
zenuwachtig.
‘Denk aan de
kinderen. Het belang van de kinderen staat voorop.’
‘Ach ja, de
kinderen.’
Thea veinsde
vergeetachtigheid en sloeg met de handpalm op haar voorhoofd.
Jojanneke
stelde een gesprek voor als sluitstuk. Een gesprek tussen directrice Willy en
de interne coördinatrice Jade van De Wielewaal.
‘Ik zit je net
uit te leggen dat Bart en ik niets meer met Jade te maken willen hebben. Praat
ik Chinees of zo?’
‘Je zult wel
moeten Thea, want Jade is nou een maal de interne coördinatrice van De
Wielewaal. Of je wilt of niet.’
Thea woelde
door haar kapsel en masseerde haar hoofdhuid. Ze had jeuk onder haar
schedelpan.
‘Wat heb ik
hier nou aan? Al dat geblaat. Heb jij je schaapjes al op het droge? Blah, blah,
blah?’
‘Vanaf vandaag
sta je niet meer alleen. Ik sta achter je, Je kunt me altijd bellen of mailen’,
beloofde Jojanneke theatraal.
‘Ook ’s
nachts?’, spotte Thea en ze dacht:
‘Wat als jouw
moeder vandaag of morgen ook echt komt te overlijden?’
Wie van de
twee was er ook weer een psychisch crisisgeval?
‘Ik meen het
Thea! Bij mij kun je in ieder geval jezelf zijn!’, antwoordde Jojanneke niet
gehinderd door enige introspectie. Ze vervolgde:
‘Ik kan ook
het woord voor je doen bij de directie van De Wielewaal als je wilt, maar zo te
horen kun je dat prima zelf.’
Zo was de
cirkel weer rond. Een vertrouwensarts bood dus ook al geen soelaas aan de
groeiende weerzin tegen de moeizame gesprekken op De Wielewaal. Elk wissewasje
ontwikkelde zich tot enorme bergen waar een schappelijk mens geen schot in leek
te krijgen. Een specifieke geur, bepaalde uitspraak, stemgeluid of andere
aanleiding kan Thea nog steeds even tomeloos in de contramine werpen als toen,
tijdens de reeks beproevingen op de basisschool van haar kinderen. Moedeloos
ervoer Thea de bijeenkomsten hoe vaker hoe heftiger als oeverloos. Uitgezogen
werd ze door de leerkrachten van haar kinderen die altijd open meenden te
moeten staan voor nieuwe, hippe invloeden. Terwijl Thea totaal niet bezig was
met indruk maken of discussiëren alleen maar om het praten tot aan sokken met
gaten. Ze werd niet high van een goed gesprek. Want ook onderwijspraatjes
vullen geen gaatjes. Niemand kon haar zelfs bij benadering uitleggen wat in de
onderwijswereld ongeveer met dyslectie of wat dan ook bedoeld werd. Om maar
eens een pijnpuntje te noemen. Dyslectie was persoonsgebonden. Voor iedereen
anders. Net als een mening of de waarheid. Relatief noemde Einstein dat toch?
Wel leerde Thea zich schikken in de onderwijsretoriek. Ze kreeg inzicht in
vergadertechnieken. Ze maakte zich het deduceren van een constante
informatiestroom tot een paar kernpunten eigen. Zo ontstond als vanzelf een
automatisme. Ondanks de aversie tegen de babbeltjes in de ruimte. Toch dat
warme bed uit. In weer en wind voor de kinderen. De sluimerende sleur van de trage,
grillige buitenwereld overwonnen. Het ene been voor het andere en de routine
komt vanzelf. De ogen sluitend voor een mogelijke vlucht in de alcohol of
verdovende middelen. Wetende dat er morgen weer een dag is. Opnieuw met een kop
en een staart als gegeven. Volg het voorgeschreven stramien en dan zal alles
ooit misschien vanzelf beter gaan. Op de nuchtere maag 2 stapjes vooruit en 3
stapjes terug. Precies zo; vanuit dat inzicht gaat Thea vandaag met frisse
tegenzin bij Melvin op ziekenbezoek in het appartement van Jasmijn.
Het luxe, hoge
opblaasbare matras van Melvin beslaat bijna de complete woonkamer in het
appartement van Jasmijn boven de Albert Heijn. Melvin blijft roerloos op zijn
rug boven op het dons dek zonder overtrek liggen. Thea heeft de neiging om
Melvin te bestoken met vragen, maar de sfeer in huize Jasmijn is niet erg
uitnodigend. Misschien wil Jasmijn zolang wat donsdek overtrekken van haar
lenen? Waarom ligt Melvin eigenlijk niet in een verstelbaar ziekenhuisbed en
waarom niet thuis bij zijn vader en stiefmoeder? In plaats daarvan opent Thea
het gesprek met de woorden:
‘Ik heb laatst
Femke nog gesproken.’
‘Ik ook’,
antwoordt Melvin droog en zwaar.
Hij verroert
zich nauwelijks en als hij beweegt dan in slow motion. Om zijn linker onderarm
draagt hij een brace. Melvin ziet er weliswaar minder gehavend uit dan Thea
verwacht had, toch heeft zijn 17jarige gelaat de lome trekken van
een oude man, maar dan zonder rimpels, door de gelige plekken en andere sporen
van herstel van de verwondingen en breuken in zijn gezicht. Zijn vroegere
Betuwe Flipje glans is spoorloos.
‘Samen met
Bink.’
Voor de
fruitmand die Thea voor Melvin heeft opgemaakt vindt ze een plekje op de
vensterbank. Vanuit haar ooghoeken probeert ze een soortement reactie uit de
logge mimiek van Melvin op te maken. Sloom plaatst hij de rug van zijn gezonde
hand op zijn voorhoofd. In zijn slagader staat nog steeds dezelfde uitroep
gekerfd;
‘Enough.’
Melvin heeft
er nog altijd genoeg van. Geen plakplaatje, maar een echte tattoo. Hij sluit
zijn ogen. Bij zijn slapen glinstert vocht. Transpiratie of tranen? Hij huilt
mogelijk of hij ademt met horten en kleine stootjes vanwege het strakke verband
om zijn borstkas dat zich onder zijn doorzichtige witte T-shirt aftekent.
‘Hoe was het
met Bink?’, wil Jasmijn vanuit de open keuken weten.
Ze schikt de
bos duizend schonen die Thea voor haar meebracht.
De koffie
pruttelt in een ouderwets filterapparaat. Hun samenzijn is vanzelfsprekend en
ongemakkelijk. Zoals vanouds. Alsof Thea nooit weggeweest is en de
huiswerkagenda elke minuut getrokken kan worden.
‘Hij kwam voor
zijn laptop.’
Melvin
verslikt zich en verkrampt over zijn hele lichaam omdat hij moet hoesten.
Paniekerig komt Jasmijn vanuit de keuken aanrennen en blijft onverrichter zaken
met haar armen in de lucht zwaaiend bij het hoge luchtbed van Melvin staan. Ook
Thea springt op uit het rotan kuipstoeltje. Kermend krimpt Melvin ineen en hapt
naar adem. Na 2 keer flink inhaleren tussen het piepen en proesten door, neemt
de paniek af. In de foetushouding komt hij tot rust. De zweetdruppels parelen
op zijn donkerrode voorhoofd. Thea kijkt om zich heen en grijpt naar een
aangebroken pakje appelsap met een rietje op de vensterbank naast haar
fruitmand.
‘Wil je wat
drinken?’, vraagt ze onhandig.
‘Hij heeft
zijn ribben gebroken. Weet je wel hoe pijn dat doet’, snauwt Jasmijn.
‘Een mens moet
toch drinken!’, sputtert Thea ontmoedigd tegen, terwijl ze in haar kuipje terug
kruipt.
‘Wil je wat
drinken Melvin?’, vraagt Jasmijn nu op haar beurt.
De pot verwijt
de ketel dat hij zwart ziet.
‘Nee’, krast
Melvin schor.
Jasmijn buigt
zich voorover tot op een millimeter afstand van het gezicht van Melvin.
‘Gaat het
wel?’
Prompt wendt
Melvin zijn hoofd af en draait zich krampachtig op zijn andere zij.
‘Jaha’, steunt
hij geërgerd.
Jasmijn geeft
het op. Ze loopt om het luxe matras in het midden van de woonkamer heen en
neemt plaats op het puntje van de bank. Met gebogen hoofd en een
blik vol medelijden strijkt ze door de blonde kuif van haar broer. Liefkozend
prevelt ze:
‘Wat hebben ze
je toch toegetakeld broertje.’
‘Ze?’
Heeft Thea
iets gemist? Over de rug van Melvin probeert Jasmijn onbeholpen om conversatie
met Thea te maken.
‘Waar ken jij
Bink eigenlijk van, Thea?’
Thea komt,
buitengesloten als ze zich voelt, meteen met een wedervraag op de proppen:
‘Waar ken jij
Bink eigenlijk van Jasmijn?’
‘Hij is haar
overbuurman’, murmelt Melvin zo snel als hij in zijn toestand kan, in de hoop
de zinspeling van Thea bijtijds voor Jasmijn te ondervangen.
Te laat.
‘Bink is mijn
stiefoom en ik wist niet dat hij bij je in de straat woonde’, antwoordt Jasmijn
argeloos en tegelijkertijd aangebrand.
‘Ik kende hem
eerst ook niet, totdat Melvin zijn laptop bij mij in bewaring gaf, omdat
de politie een inval bij Bink in huis deed.’
Bewust slaat
Thea een toon aan alsof ze verslag doet over koetjes en kalfjes. Zij kan ook
mooi weer spelen, maar dan wel vanwege haar eigen, unieke beweegredenen.
Jasmijn acteert dat ze Thea niet goed verstaan heeft.
‘Wat zeg je
nou?’
‘Je hebt me
wel gehoord.’
Traagzaam rolt
Melvin weer op zijn rug.
‘Walter heeft
ingebroken neem ik aan?’, informeert hij hakkelend.
‘Walter? Dat
is een kind. Heeft Walter bij Bink ingebroken?’, vraagt Jasmijn onnozel.
‘Op de laptop
van Bink’, verbetert Melvin geïrriteerd.
Hij schudt
zijn achterhoofd dieper in het kussen en slikt benard. Zijn ademsappel lijkt op
een onderhuidse speerpunt. Melvin is niet slank meer, maar mager. Thea
bedenkt dat ze beter een stuk of 10 pakjes gebraden gehakt in plaats van een
mand met ingewikkeld fruit voor hem mee had kunnen brengen.
‘Walter is
geen kind meer. Hij is 12 en een puber; of op z’n minst een tiener. Zal ik een
kiwi voor je pellen Melvin?’
‘Dat doe ik
wel’, zegt Jasmijn en zonder het groene licht van Melvin af te wachten vist ze
3 kiwi’s uit de fruitmand op de vensterbank en begeeft zich weer naar de
keuken.
‘Zeg het
maar!’
Melvin tracht
rechtop te gaan zitten. Halverwege stopt hij met proberen en steunt op zijn
gezonde onderarm. Afwachtend kijkt hij Thea aan. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen
en troebel.
‘Wat wil je
dat ik zeg?’
‘Wat dacht je
toen je me zag zitten tussen de toyboys van G-spotgigolo?’
De uitspraak
van deze prangende vraag kost Melvin teveel energie om zijn bovenlijf nog
langer overeind te houden. Hij strekt de ongedeerde arm en laat zijn
bovenlichaam achterover terug in het veerkrachtige luchtbed terecht komen.
‘Nou, gewoon;
ik dacht: Heey kijk eens wie we daar hebben.’
Melvin trekt
een scheve mond en balkt. Thea begrijpt dat hij lacht. De rij met kaarsrechte,
witte voortanden is Godzijdank nog intact.
‘Prostitutie
is niet strafbaar’, deelt Jasmijn laconiek mee.
Met een
schaaltje gevuld met stukjes geschilde kiwi neemt ze weer terug plaats op de
bank.
‘Weet jij
ervan?’
Zo neutraal
mogelijk probeert Thea hoogte te krijgen van de morele mores van Melvin en
Jasmijn.
‘Dat Bink een
escortservice leidt? Jazeker.’
Jasmijn brengt
een partje kiwi naar de gezwollen lippen van Melvin. Kregel heft Melvin zijn
gewonde arm in de brace en slaat met het effect van een knuppel in een
slagbalspel het aangeboden fruit van zich af. Haastig vindt Jasmijn het
uitgevlogen restje kiwi aan het voeteneind van het luchtbed. Uit de achterzak
van haar spijkerbroek diept ze een stuk keukenrol om de vochtige kiwisporen om
haar heen te deppen.
‘Thea bedoelt
de naaktfoto van mij op de website van G-spotgigolo’, beklemtoont Melvin.
‘Ik ben alleen
geïnteresseerd in een platonische relatie met mijn broer. Ik ga echt geen
naaktfoto’s van hem zitten bekijken’, exponeert Jasmijn met het vredesgebaar
richting Thea.
‘Wat vind je
dan van de herenliefde tegen betaling?’
Als dan toch
alles moet kunnen dan ook de taboes ter tafel wat Thea betreft.
‘Seks is geen
liefde’, smaalt Jasmijn.
Melvin
produceert een hikkend spotgeluid en richt vervolgens het woord tot Thea:
‘Seks betaalt
de rekeningen. En de huur van dit appartement.’
‘Werk jij ook
voor Bink?’, vraagt Thea vol ongeloof aan Jasmijn.
‘Ik ben geen
jonge God’, bijt Jasmijn rancuneus.
‘Ze is niet
hoerig genoeg’, verduidelijkt Melvin nichterig.
‘Homo’,
scheldt Jasmijn schaamteloos.
Nuffig
distantieert ze zich van haar broer door zo ver mogelijk in het hoekje van de
bank te verdwijnen met het fruitschaaltje in haar schoot.
‘Wat zeggen
jullie ouders hiervan?’
Thea hoort
zelf hoe belachelijk ze klinkt.
‘Ze zijn trots
op ons’, monkelt Melvin.
Jasmijn
grijnslacht eensgezind met Melvin en tegelijkertijd haatdragend. Thea moet
ineens aan moeder Beau en haar 25 jaar jongere vriend denken. De ex-vriend van
Jasmijn.
‘En Femke dan,
de zus van Bink en jullie stiefmoeder; mijn opvolgster en generatiegenote; de 2de echtgenote
van Pim.’
‘Wat is er met
Femke?’
Jasmijn en
Melvin wisselen een blik van verstandhouding. Thea zwijgt. In wat voor een
wereld is ze beland? Zonder inzicht. Dit zal dan wel het wespennest zijn waar
Bart voor waarschuwde. Ze besluit eerst zoveel mogelijk feiten te verzamelen om
ze daarna in de afwezigheid van mensen om haar heen te verwerken en op een
rijtje te zetten. Oordelen kan altijd nog.
‘Misschien kan
Femke helpen?’, oppert ze voorzichtig.
‘Femke helpt
al door ons met rust te laten.’
Jasmijn is in
een meisjesachtige rol geschoten waarin ze niet langer in staat is om een
geheimpje niet te verklappen.
‘Waarom zou
Femke jullie met rust laten? Alleen maar om haar broer Bink in bescherming te
nemen? Ligt Melvin daarom op een luchtbed, in plaats van op een stevig matras?
Dit is toch een marteling voor Melvin in zijn toestand? Dat jij dat niet ziet
Jasmijn als toekomstig arts?’
Ondanks haar
voornemen om vooralsnog neutraal te blijven klinkt Thea toch verontwaardigd.
Jasmijn kijkt Thea uitdagend aan.
‘We hebben
niet zoveel te kiezen, Thea’.
Zo vurig heeft
Thea haar nog nooit gezien. Melvin probeert vanuit zijn liggende positie de
drift van ijn zus met een vlakke hand in de lucht te dirigeren. De ontlading
van Jasmijn valt nochtans niet meer te temperen en ze draaft verder door:
‘Iedereen laat
ons namelijk maar wat aanrommelen. Femke voorop uit eigen belang. Jullie vieze,
oude wijven zijn toch allemaal één pot nat!’
HOOFDSTUK 20
Thea kan
Jasmijn geen ongelijk geven. De voorbeeldvrouwen om haar heen gedragen zich
werkelijk onsmakelijk gezien hun leeftijd. Als het waar is dat stiefmoeder
Femke in het verleden weleens gebruik heeft gemaakt van de diensten die Bink
haar met zijn escortservice in de vorm van toyboys aanbiedt; dan zou Thea in de
schoenen van Jasmijn ook gaan twijfelen aan de ethiek van de grote mensen om
haar heen. Zelfs al zou Femke misschien alleen maar die ene keer gezwicht zijn
voor de verleiding van het jonge, sappige vlees; dan is dat naar mening van
Thea toch nog één keer te veel. Maar misschien heeft zij makkelijk praten. Zij
voelt zich nooit alleen maar aangetrokken tot een perfect lijf. Tot de daad op
zich. Perfectie is stagnatie. Primitief. Want dat is toch alles wat seks met
een toyboy moet zijn. De geslachtsdaad op basis van lust. En dan ook nog eens
onevenredig gericht op de goesting van een dame op leeftijd en haar
bankrekening. Niemand krijgt Thea namelijk aan haar verstand gebracht dat een
jonge mooiboy vrijwillig in bed op een milf zit te wachten voor een lekker,
diepgaand gesprek; of de stomend hete geslachtsdaad als hij met een simpele
vingerknip iets veel strakkers kan krijgen dat nog lang niet tegen de
houdbaarheidsdatum aanzit. Die afkorting alleen al zegt genoeg.
Milf. Mother I would like to fuck. In het Nederlands zeg je dan:
‘Moeder ik wil
neuken.’
Dan zou Thea
willen zeggen:
‘Da’s goed
jongen; zoek jij maar eens een leuk vriendinnetje of vriendje van je eigen
leeftijd om mee te spelen.’
Maar vrouwen
zoals Femke en ook Beau, de moeder van Jasmijn die er vandoor is met haar
25jarige ex-vriendje, dus niet. Dit zijn echte milfen en dat zijn vrouwen die
vanaf een bepaalde gevorderde leeftijd direct met de portemonnee staan te
zwaaien als er door de jeugd geneukt moet worden en dat is niet aflatend. Als
de milfjes goed geschoten hebben dan mogen ze zelf tegen betaling met de benen
wijd. Thea zal er niks van zeggen. Ze kijkt wel link uit, want dan wil zij
stiekem ook natuurlijk. Je mag überhaupt niet oordelen over de seksuele
uitspattingen van een ander, maar Thea vindt er toch wat van. Alhoewel Jasmijn
het medeleven van haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster niet zou
accepteren. En ook dat kan Thea zich levendig voorstellen. Jasmijn zou zich wel
heimelijk afvragen wat een vijftigjarige moeder van 2 kinderen naast het
ziekbed van Melvin verloren heeft en ze is slim genoeg om de voorkeur van Thea
voor haar broer boven zichzelf op te snuiven. Thea heeft ook geen rationele
verklaring voor haar voorliefde voor Melvin. Ze weet alleen dat Melvin vanaf de
eerste seconde van zijn aanwezigheid in haar leven al beslag legt op haar
zorgzaamheid met de latente dwang van een gulzige zuigeling. Als peuter was
zijn honger aan de oppervlakte eenvoudig gestild met een fruithapje en zijn
dorst gelest met opvolgmelk, maar de onderhuidse begerigheid groeide met Melvin
mee tot op heden. Nog steeds vraagt hij onophoudelijk om aandacht en
onberedeneerd blijft Thea ontvankelijk voor zijn verhulde weeklacht. Dat is alles
en al veel te veel, omdat Thea niet de moeder van Melvin is en deze jonge
mensen net iets te vaak met de misvormde seksuele moraal van de ouderen om hen
heen geconfronteerd zijn om hun oude kinderjuf
en huiswerkbegeleidster niet te wantrouwen.
Over
achterdocht kan Thea meepraten. Ze is zelf vaak genoeg bedrogen uitgekomen
nadat ze haar hoop op de verkeerde mensen in zette. Bart had haar al meerdere
malen gewaarschuwd:
‘Ga er nou
eens vanuit dat je alleen staat. Dan is alle hulp, elk klein beetje steun pure
winst.’
‘Praat voor
jezelf’, placht Thea dan getergd te antwoorden.
De
levenswijsheden van haar man irriteerden haar, omdat hij natuurlijk gelijk had,
maar ook Bart was niets menselijks vreemd. Alsof hij flierefluitend over het
misbruik van vertrouwen in zijn leven heenstapte.
‘Ik ga er in
ieder geval wel een stuk makkelijker mee om dan jij’, vond Bart.
‘Waarom is
dat?’
Thea had de
vraag nog niet gesteld of ze zou willen dat ze op een delete toets kon drukken;
want daar had je het al.
‘Ik heb een
vertrouwensbasis in mijn jeugd gekregen van mijn ouders en jij niet.’
Voor de
zoveelste keer gebruikte Bart haar belabberde jeugd als een excuus voor het
verschil tussen haar wankele weerstand en zijn onverzettelijkheid. De
referentie naar haar chaotische achterland bracht Thea steevast buiten
zinnen.
‘Ik kan mijn
jeugd niet meer veranderen’, bitste ze weerloos.
‘Dat weet ik.’
Precies dat
wilde Thea nooit weten. Ze was zich echt wel bewust van haar onschuld. Ergens.
‘Ik heb niets
verkeerd gedaan’, repeteerde ze de herhaaldelijke verzekering van Bart uit het
verleden in een poging om hem in het heden voor te zijn.
‘Daarom wil ik
dit keer wel met je mee naar dat gesprek met de directie van De Wielewaal’,
kondigde Bart aan.
‘Ja, maar
Jojanneke; de vertrouwensarts heeft me verzekerd dat ik op haar kan rekenen.
Juist nu sta ik niet alleen. Zij staat achter me. Dat heeft ze woordgetrouw zo
gezegd.’
‘Kijk en dan
ga je hier de mist weer in’, wist Bart de helderziende.
De interne
coördinatrice van De Wielewaal - Jade - zat timide aan het hoekje van de
vergadertafel en had niets te missen. Aan haar houding te oordelen had ze flink
op haar falie gehad van iemand. Geen kik gaf ze. Op haar gezicht stond
zelfmedelijden te lezen. Geen wroeging. Het huilen stond haar nader dan het
lachen. Het leek Thea sterk dat directrice Willy in dit geval de boosdoener
was, want zij was net zo verbaasd over de nederige opstelling van de interne
coördinatrice als de ouders van Walter en Sabine. Willy werd er zelfs een
beetje melig en sloom van. Lethargisch wierp ze zich met heel haar bovenlijf
over de vergadertafel van de I.C. Jade tot Bart en Thea en sloeg een
denkbeeldige vlieg weg uit haar blikveld. Ze leek iets provocerends te willen
zeggen. Zoiets als:
‘Gooi maar in
m’n pet. Het zal mijn tijd wel duren.’
Alsof ze
laveloos was. Mogelijk van een met alcohol geïnjecteerde sinaasappel. Hoe moest
je anders ongemerkt aan je promillage komen als directrice van een
basisschool? Thea had weleens ergens opgevangen dat de geur van sterke drank
geneutraliseerd wordt in zo’n zelfgemaakt vruchtenlikeurtje. De dikke schil van
de sinaasappel en de scherpe lucht van het vruchtvlees verbloemen de
toegevoegde alcohol in het sap. Voor consumptie boor je met een schaar een
ingang in de schil; rietje erin en zuigen maar. Maar nee; dat zou toch te gek
voor woorden zijn geweest.
‘Vertel eens,
jullie zijn boos’, begon Willy.
Ze sprak niet
met dubbele tong. Gelukkig. Directrice Willy praatte altijd haastig; kortaf
bijna; niet staccato, maar afgewogen, zuinig en effectief. Minder is meer en
wel heel vaak. Dat principe. Zoals afgesproken nam Bart het woord.
‘Ik vind het
belachelijk hoe jullie Thea behandeld hebben’, zei hij.
Dat snapte
directrice Willy wel en ze knikte meelevend, maar Thea greep meteen in. Niet op
die toer.
‘Dat is
helemaal niet aan de orde’, viel ze in, terwijl ze nog zo van plan was geweest
om nu eens niet te vervallen in monologen.
Willy staarde
Thea welwillend aan. Jade op haar beurt zat met gesloten ogen te wachten tot ze
gevild zou worden. Maar Thea vond haar niet belangrijk genoeg. Het kwam er na
een kwartier uitleg van de kant van Thea op neer dat zij – met alle
steun van Bart - vond dat ouders het recht hebben om zelf te
beslissen aan welke medische onderzoeken zij hun kind(eren) onderwerpen.
‘Dit is een
basisschool en geen ziekenhuis. Medische zaken vallen - bij mijn weten – onder
een ander departement’, besloot ze.
‘Toch heeft
Jade het beste voor met Walter’, zei Willy.
‘The road to hell is paved with good intentions.’
Dat was Bart.
‘Zachte
heelmeesters maken stinkende wonden’, vertaalde Thea.
‘Ja, ik kan
wel Engels’, beet Willy haar toe.
‘Dat valt me
dan weer mee van je’, grapte Bart.
Directrice
Willy lachte mondjesmaat en Jade de I.C. durfde alweer schichtig om zich heen
te kijken alsof het grootste gevaar geweken was. Ter afsluiting kreeg Jade van
Willy het vonnis om een evaluatie van het gesprek te schrijven en de opdracht
om dit soort futiliteiten voortaan met Bart en Thea via de mail af te handelen.
Jade knikte berouwvol, maar haar verwijtende ogen stelden niet bepaald gerust
tijdens het afsluitende handjes schudden. Ze waren eerder de voorbodes van
revanche.
In haar
evaluatie trachtte Jade dan ook haar gram te halen; terwijl het mailtje in
werkelijkheid alleen maar de ergste vermoedens van Thea onderschreef. Het
eindverslag was een verdraaiing van de feiten; een regelrechte leugen.
‘De ouders van
Walter geven in het gesprek aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de
ontwikkelingen van hun zoon. Zij zeggen echter nog niet open te staan voor
oriëntatie op buitenschoolse ondersteuning ter verbetering van de
leerprestaties van Walter. Wij blijven de ontwikkelingen van Walter nauwlettend
in de gaten houden.’
‘Dat geloof je
toch niet!’
Thea slaakte
een kreet van afgrijzen in het oor van Bart naast wie ze eensgezind het bewuste
mailtje van Jade las.
‘Laat mij nou
maar reageren’, zei Bart, terwijl hij ter bescherming van de trommelvliezen
zijn oorschelp dichtdrukte.
‘Waarom nou
weer’, gilde Thea hysterisch.
Het gebonk in
haar linkerborst was zo heftig dat ze bang was dat haar hart het
lichaam uit zou kloppen.
‘Ik zit hier
gewoon te hyperventileren’, overdreef Thea.
‘Snap je nou
waarom ik beter meteen een reactie terug stuur in plaats van jij!’, suste Bart
niet onder de indruk.
‘Ach ja, jouw
lik op stuk beleid’, sudderde Thea weinig overtuigd maar verslagen na.
Zijn aandacht
was volledig gericht op het redigeren van de evaluatie van Jade. Hij streepte
zinnen virtueel door met rode lijnen en zijn bezwaren typte hij in een groen
lettertype in de kantlijn. Zijn verbeterde versie luidde als volgt:
‘De interne
coördinatrice – Jade Joosten - van De Wielewaal geeft aan dat zij zich zorgen
maakt over de leerprestaties van Walter. In tegenstelling tot de juffrouw
(Toos) van groep 4 van onze zoon. Zij heeft tot nu toe alleen nog maar over de
vooruitgang van Walter aan ons gerapporteerd. Vandaar dat wij ons voorlopig –
nog - geen zorgen maken over Walter. Mocht dat in de toekomst onverhoopt wel
het geval zijn dan zullen wij ons pas oriënteren op buitenschoolse
ondersteuning ter verbetering van de leerprestaties van Walter als wij het idee
hebben dat vanuit het basisschoolwezen alle mogelijkheden benut en uitgeput
zijn. Mochten wij desondanks in het belang van een vlot verloop van de komende
basisschooljaren van Walter – noodgedwongen - toch uit moeten wijken naar de
medische wereld ter verbetering van de leerprestaties van onze zoon dan doen
wij dat – al dan niet - uit vrije wil. Wij veroordelen de wijze waarop wij door
de directie van De Wielewaal onder druk en op een dwaalspoor gezet zijn (en nog
worden).’
‘Nou als dit
schrijven niet helpt dan weet ik het ook niet meer’, zuchtte Thea met de moed
der wanhoop.
Nog geen half
uur nadat Bart zijn mailtje verzonden had; ontving hij alweer een schrijven
terug. Niet op naam van Jade of van Willy maar van de afzender; ‘de directie
van De Wielewaal’ tussen aanhalingstekens.
‘Closing of de
ranks’, voorspelde Bart.
‘Jij altijd
met je Engels; je bedoelt dat de gelederen zich sluiten, maar dat geloof ik
niet. Er wordt toch niemand aangevallen?’
Thea nam met
een wonderspons de salontafel af. Vanuit zijn relaxstoel bracht Bart zijn
mobiel in veiligheid. Zijn geopende laptop lag op schoot.
‘Jij werkt
duidelijk niet met volwassenen’, zei hij hoofdschuddend.
‘Leg uit.’
Uitgedaagd
kwam Thea overeind uit haar gebogen werkhouding. De bezoedelde wonderspons
gooide ze over van haar linker in haar rechterhand – beiden omsloten door
knalgele, latex keuken handschoenen - en weer terug.
‘Kom op Thea;
wij vallen het beleid van De Wielewaal en dan in het bijzonder Jade de
I.C. aan. We komen in opstand tegen de manier waarop zij hun
plannetje voor buitenschoolse begeleiding voor Walter aan ons op willen
dringen. Wij zijn lastig. Niet gewoon vervelend zoals de meeste ouders die met
bosje rozen nog wel te sussen zijn. Nee, echt een doorn in het oog van de
interne coördinatrice en daarmee van de directrice.’
‘Prima toch?’,
vond Thea.
‘Nou, schiet
op; lees met me mee’, beval Bart.
Thea ontdeed
zich van de keuken handschoenen en met de snerpende geur van bewerkt rubber aan
haar 10 geboden en in haar neusgaten, ging ze op zoek naar haar computerbril.
Geduldig wachtte Bart met het openen van het mailtje totdat Thea eindelijk weer
naast hem stond. Ze lazen:
‘Ik geloof
niet dat het de bedoeling is om te gaan strepen in een eindverslag. Volgens de
vertrouwensarts – Jojanneke Klaassen - staat de professionele mening van Jade
Joosten – interne coördinatrice van De Wielewaal – over Walter ook absoluut
niet ter discussie.’
‘Wat?’
Thea snapte er
echt helemaal niets meer van.
‘Wat een
k-wijf die Jade’, schold Bart.
Zijn lontje
was opgebrand en de bom gebarsten. Hij voer uit tegen zijn vrouw bij gebrek aan
slechter:
‘Dit antwoord
is dus door Jade de interne coördinatrice geschreven zonder medeweten van
directrice Willy onder de noemer ‘de directie van De Wielewaal’. Dat lijkt me
duidelijk. Met Jade wil ik niets meer te maken hebben. Mocht ze nog maar een
vinger naar Walter – of Sabine – uitsteken dan gaat er een gigantische, dikke,
vette klacht naar iedereen die maar luisteren wil!’
Bart begon
meteen met het intikken van zijn repliek.
‘Waarom begint
Jade in haar verdediging over het contact tussen mij en Jojanneke de
vertrouwensarts?’, vroeg Thea zich hardop af.
Bart negeerde
haar. Toch voelde Thea zich niet onder echtelijk vuur liggen. De driftbuien van
Bart liet Thea zoals zo vaak over zich heen komen als een verfrissend onweer na
een tropisch hete dag. Bart zou vanzelf uitrazen, terwijl zij een zoektocht
naar een rode draad ondernam. Ze moest snappen wat het probleem was. Al was het
alleen maar om bij de tijd te blijven, want als Bart en zij niet alert
reageerden dan kregen zij straks het stempel van ongeschikte ouders voor
Walter; de bron van alle commotie. Heimelijk voelde Thea zich
schuldig.
‘Schuldgevoel
is naar binnen gekeerde kwaadheid’, las Thea ooit eens ergens.
Geen idee
waarom uitgerekend deze wijsheid was blijven hangen. Mogelijk vanwege het hoge
waarheidsgehalte, want Thea was voornamelijk kwaad op zichzelf. Zij had zich
overvallen geweten tijdens het 10 minutengesprek met juffrouw Toos van groep 4.
Ze had op haar hoede moeten zijn. Zonder vooraankondiging zat Jade de interne
coördinatrice er zomaar bij. Zo’n strakke actie had Thea van Jade kunnen
verwachten. Ineens ontstond er ruzie over een dyslectie verklaring. En nu; een
gesprek met een vertrouwensarts en een bijeenkomst met de directie van De
Wielewaal later, was de leerontwikkeling van Walter naar de achtergrond
verdwenen en speelde Jade Joosten zich op als de verloren
onschuld. Thea ziet Jade de interne coördinatrice weer fietsen naast
meester Gijsbert van groep 3. Hand en hand. Zo naïef was ze dus ook niet. Wat
zou hij haar ingefluisterd hebben? Wilde meester Gijsbert alsnog via Jade zijn
gelijk halen over Walter? Misschien had Jade wel een reden om opnieuw indruk op
meester Gijsbert te maken. Was zijn interesse in haar verlopen? Dacht ze hem
terug te winnen door Walter een hak te zetten? Was ze jaloers op Thea? Och,
Thea voelde de vinnige blikken wel in haar rug prikken nadat ze Jade in de
gangen van De Wielewaal voorbij was gelopen.
‘Uiterlijk is
niet belangrijk’, placht Thea dan tegen zichzelf te zeggen, maar Jade leed
kennelijk onder een minderwaardigheidscomplex.
Mogelijk had
meester Gijsbert weleens in het bijzijn van zijn minnares – de interne
coördinatrice van De Wielewaal
- laten vallen dat hij Thea een mooiere vrouw vond dan Jade. Gewoon,
om haar te stangen na een robbertje seks bijvoorbeeld, want zo geniepig schatte
Thea meester Gijsbert wel in. Los van het feit dat meester Gijsbert zelf de
erotiek van een hork uitstraalde, had Thea in dat geval willen zeggen:
‘Wat je ziet
dat heb je nog niet!’
Maar Thea zou
ook weleens teveel fantasie kunnen hebben en volgens dat scenario was Jade
hoogstens een sluw mens met een beperkte hersencapaciteit en een grote wrok
jegens de ouders van Walter.
Al die tijd
had juffrouw Toos van groep 4 de lippen stijf opeen gesloten gehouden. In de
verbeelding van Thea pulkte ze nog steeds onafgebroken beteuterd aan haar
zakdoekbolletje. En waar bleef Wonderwilma? De interne remedial teacher van
Walter? Gepreoccupeerd verdween zij achter de gesloten deuren van lege lokalen
met Thea in het vooruitzicht of ze klampte tijdens een vluchtweg andere, minder
ingewikkelde ouders met zorgkinderen aan. Maar dat deed ze ook al voor de grote
ruzie over dyslectie. Thea was het spoor bijster.
‘Die
fantastische Jojanneke van jou heeft zich natuurlijk door Jade laten om lullen.
Weer zo’n stomme trut’, tierde Bart.
Zijn laptop
wiebelde op zijn schoot onder het geestdriftige geklop op het toetsenbord.
‘Wat typ je
nou?’, vertwijfelde Thea.
‘Ik typ dat we
niets meer met Jade de interne coördinatrice te maken willen hebben.’
‘Dreig je met
een klacht anders?’
Thea hoopte
van niet. Als het niet ging zoals het moest, dan moest het maar zoals het ging,
maar ze wist uit ervaring dat het indienen van een klacht het begin van een
lange adem inluidt. Officieel bezwaar maken werkt alleen maar moeizame
procedures, oeverloze gesprekken, slepende frustraties, duurzame verzuring en
nooit genoegdoening in de hand.
‘Ik dreig
nooit. Misschien moet jij dat vriendinnetje van jou – die vertrouwensarts - ook
maar even aanspreken op de schending van jouw privacy.’
‘Jojanneke?’
‘Jojanneke ja,
ze zou toch altijd achter je staan? Hoezo bespreekt zij onze problematiek dan
met Jade Joosten? Hoe komt Jojanneke erbij dat de professionaliteit van Jade
Joosten in deze kwestie niet ter discussie staat? Waar bemoeit zij zich mee? Ze
is een intrigante in plaats van een vertrouwensarts als je het mij
vraagt.’
‘Misschien.’
‘Daar gaat ze
weer!’
Bart had de
gewoonte om tegen een afwezige, derde persoon te praten als hij zich aan Thea
ergerde.
‘Sta je in
directe verbinding met God?’, ruziede zij dan terug.
Omdat ze niet
uit kon staan dat hij zomaar over haar gevoelens heen walste. Zij was verraden
door Jojanneke en niet hij. Mocht ze dan alstublieft even in een hoekje gaan
zitten huilen?
‘Nou nee,
eigenlijk niet. Gewoon meteen je mening zeggen dan heb je daarna ook geen
behoefte meer om te zwelgen; wat ik je brom.’
‘Ja, maar
Jojanneke heeft toch feitelijk niks verkeerd gedaan? Ik heb haar bemiddeling
toegezegd. Ze mag toch wel met de directie van De Wielewaal over de kwestie
rond Walter praten? Ze staat geregistreerd als de vertrouwensarts van De
Wielewaal?’
Wat wilde Thea
hier eigenlijk zeggen?
‘Nou zeg je
het goed; Jojanneke mag met de directie van De Wielewaal over de kwestie rond
Walter praten, maar niet over ons en wie of wat er naar onze mening ter
discussie staat. Wat mij betreft staat de professionaliteit van Jade Joosten –
de interne coördinatrice – wel degelijk ter discussie. Maar goed; als jij het
niet met me eens bent; dan niet.’
‘Ik raak
telkens de tel kwijt’, bekende Thea.
‘Dat komt
omdat de directie van De Wielewaal de aandacht van het wezenlijke probleem
probeert af te leiden. Zogenaamd om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat
wordt managers verkeerd aangeleerd op de managementcursus. Nooit toegeven dat
je fout zit, want dan ben je verkocht.’
‘Waar wordt
dan mijn aandacht vanaf geleid?’
Thea zocht
naar het ijkpunt in de conversatie. De verstilde gewaarwording van
puzzelstukjes die langzaam maar zeker op hun plek vallen. Alleen Bart kon en
kan haar die zekerheid geven.
‘Jouw aandacht
wordt afgeleid van het feit dat de interne coördinatrice jouw privacy
geschonden heeft en jouw rechten als moeder met voeten treedt. Alleen uit eigen
belang. Niet om Walter te helpen, maar juist om via een omweg van de
zorgverzekeraar onder extra kosten voor goed taalonderwijs aan Walter uit te
kunnen komen. Zowel Jade als Willy doen niets anders dan wijzen naar Walter en
zijn zogenaamde probleem. Geen seconde zijn de dames bereid om de hand in eigen
boezem te steken. Niet eens voor de schone schijn. Terwijl Walter in
werkelijkheid geen probleem heeft en een normaal leerproces doormaakt. Maar dat
maakt niet meer uit; Jade en Willy zorgen er wel voor dat Walter een probleem
heeft en zo niet dan krijgt hij nog wel een probleem. Desnoods zijn jij en ik
de aanstichters; maar Walter heeft vanaf nu hoe dan ook een stempel. Met of
zonder dyslectie verklaring; vanaf vandaag valt Walter in het hokje zorggeval
door toedoen van Jade en Willy en met steun van dat Jojannekemens.’
‘Je hebt
gelijk’, prevelde Thea na een korte denkpauze en een vertraagd inzicht.
De
waarheidsgetrouwe schets van Bart had de stress uit haar poriën doen vloeien.
Ze werd licht in haar hoofd van de frisse wind die ze met spierpijn in haar
borstkas in ademde. De aantijgingen van Bart werden niet minder aannemelijk
door de reacties van Jojanneke die om te beginnen pas na 4 keer tevergeefs
bellen en 3 appjes te bereiken viel. Na het accepteren van het gesprek maakte
Jojanneke aan de telefoon een aanloop naar een uitvoerig verslag van de reden
van het verzaken van haar plichten als vertrouwensarts. Omdat Thea nog steeds
vond dat juist een vertrouwensarts in staat moet zijn om privé en werk
gescheiden te houden smoorde ze de karakteristieke, amicale ontboezemingen van
Jojanneke in de kiem. Natuurlijk is Thea begaan met het ziekbed van wie dan
ook, maar de sterfelijkheid van de moeder van Jojanneke had op dat moment even
niet haar prioriteit.
‘Ik dacht dat
je achter me zou staan?’
‘Ik sta ook
achter je’, probeerde Jojanneke recht te praten wat krom was.
‘Walter is
toch het spilletje hier en daarna komen wij; de ouders?’
‘Jazeker.’
‘Waarom worden
Bart en ik dan opeens met de jouw inzichten over de interne coördinatrice van
De Wielewaal geconfronteerd?’
‘Dit begrijp
ik niet’, aarzelde Jojanneke met trillende stem.
‘Jade beweert
zwart op wit dat jij haar bevestigd hebt in haar standpunten over Walter.’
‘Nou nog
eens’, draalde Jojanneke.
Thea ademde
diep in en uit alvorens ze het hoge woord eruit gooide:
‘Jij hebt
gezegd dat de professionaliteit van Jade helemaal niet ter discussie staat.’
‘Nee, dat is
toch ook zo?’
‘Wat staat er
dan volgens jou wel ter discussie?’
‘Helemaal niks
toch?’
‘Heeft Jade
jou dat wijsgemaakt?’
‘Nou ja, Jade
was wel bang dat er veel meer aan de hand was dan er in werkelijkheid speelt,
ja’, bekende Jojanneke.
‘Nou gelukkig
maar dat je Jade gerust hebt kunnen stellen. Weer een probleempje uit de wereld
geholpen. Of niet? Misschien hoopte Jade wel dat Bart de kinderen en mij elke
dag alle hoeken van het huis in een achterstandswijk laat zien. Uiteraard na
het nuttigen van een stuk of 20 pilsjes. En dat ik dat misbruik aan jou
toevertrouwd zou hebben, zodat jij de crisis dan weer aan Jade - oftewel de
heilige moeder Theresa van De Wielewaal - kon doorspelen.’
‘Thea, je
draaft door!’
‘Het zou wel
makkelijker geweest zijn voor Jade. Dan had ze haar misstappen tenminste weer
kunnen laten verdwijnen in de dwalingen van de meeste ouders die bij jou
terecht komen. Zoals ze waarschijnlijk gewend is en normaliter niet anders
doet. Maar vertel eens Jojanneke: Waarom heb ik eigenlijk m’n ongenoegen bij
jou – vertrouwensarts van De Wielewaal – neergelegd?’
Het cynisme
van de uitspraken van Thea liet de geluidsgolven van de telefoonverbinding
sidderen en kraken.
‘Ja maar Jade
mag toch ook haar kijk op de zaak aan mij uitleggen?’
Thea voelde
een vulkaan vanuit haar onderbuik opborrelen. Ze greep naar haar linkerborst om
de kramp, die ook weer opspeelde, te onderdrukken.
‘Waar staat
dat ‘vertrouwen’ in de titel ‘vertrouwensarts’ eigenlijk voor? Ik kan nu zonder
meer een klacht tegen je indienen en dan heb jij ook eens een probleempje
helemaal voor jou alleen Jojanneke.’
‘Ik heb mijn
plichten niet verzaakt’, blufte Jojanneke verontwaardigd.
‘Je hebt mijn
problemen met Jade Joosten – de interne coördinatrice van De Wielewaal –
gebagatelliseerd. Ik mag dan wel geen arts of jurist zijn, maar ik weet wel hoe
het rechtssysteem in elkaar zit. Ik heb het recht om serieus genomen te worden.
Net zo goed als wie dan ook en zeker als Jade.’
‘Jade is
verdorie de interne coördinatrice van De Wielewaal!’, blies Jojanneke
corrigerend en met dedain.
Ze werd kwaad
en dreigde uit haar rol te vallen.
‘Voor mijn
part is ze de presidente van de Verenigde Staten. Jij hebt je door Jade laten
misleiden en je hebt achter mijn rug om met haar over mijn vertrouwelijkheden
aan jou gepraat. Hoe onbenullig Jade en jij die vertrouwelijkheden ook mogen
vinden.’
Dat laatste
was speculatie, maar omdat Jojanneke niet tegensputterde, vermoedde Thea dat ze
dichter bij de waarheid zat dan ze aanvankelijk ingeschat had. Dus benadrukte
ze de ernst van de overtreding nog eens extra.
‘Dat is een
kwalijke zaak.’
‘Dat ligt
eraan. Mijn dochters hebben ook weleens ruzie en dat kan ik prima bemiddelen.
Mijn dochters kijken alle drie heel verschillend tegen mij aan. Dat mag. Daar
ben ik hun moeder voor’, lispelde Jojanneke paniekerig en huilerig.
Thea kon ook
wel janken van de ellende die zij niet veroorzaakt had, maar ze besloot de
verstandigste te zijn.
‘Je zit er
compleet doorheen Jojanneke. Als ik jou was dan zou ik eens een beetje afstand
nemen van de problemen van anderen. Sterkte met je moeder. En wat mij betreft?
Ik bel je nog wel een keer. Jij hebt na jouw misser met Walter nog een
goedmakertje bij mij uitstaan.’
Na dit open
einde volgde een lange periode van een beladen stilte die Thea aanvloog zodra
ze haar Renault voor de deur van De Wielewaal parkeerde. Ze had zich heilig
voorgenomen om de basisschool van haar kinderen nooit meer - met ook maar één
voet – te betreden. Laat staan de speelplaats. Hier had ze zichzelf keer op
keer belachelijk gemaakt. Op deze plek was ze te kakken gezet door mensen die
er een sport in zagen om anderen te overtroeven en liefst de grond in te
trappen. Haar incasseringsvermogen draaide overuren om te voorkomen dat het
kuddegedrag aan haar zou gaan vreten. Er was geen ruimte meer om reserves op te
bouwen en daardoor transformeerde De Wielewaal in een onneembare vesting met
een onzichtbare muur. In die denkbeeldige schutting bevond zich een
hersluitbare opening waarin haar kinderen elke morgen opgingen, terwijl Thea
verstard in de auto bleef zitten navelstaren. Sabine en Walter moesten nu
noodgedwongen zelf de opperouders in de gangen van De Wielewaal trotseren.
Zonder de steun van mama. Nadat de laatste glimp van herkenning was verdwenen
maakte de walging van Thea de omheining tot een ontoegankelijke barrière. De
opening was opgelost en had haar kinderen opgeslokt. Pas tussen de middag en na
schooltijd openbaarde er zich een tijdelijke uitweg in de fictieve haag. Dan
kropen Sabine en Walter weer voetje voor voetje uit het gat in het
horrorraster. Ze moesten toch op een normale manier naar school kunnen?
Elke schooldag
kwam Walter als eerste naar buiten. Ongedeerd en in balans. Hij speelde vaak
met Tim, maar maakte nog meer hechte vriendschappen in dat jaar in groep 4 bij
juffrouw Toos. Met Marcus; de schroomvallige zoon van professor Pronken. En met
Huib niet te vergeten. Huib was in eerste instantie bevriend met Sabine en hij
had een moeder die kon toveren. Ze was naar eigen zeggen een echte heks. Thea
kon dat beamen op basis van een ervaring die ze met de moeder van Huib had
gehad. De moeder van Huib was een ware Hollandse schone. Een feminazi. Een
geradicaliseerde feministe als het ware. Een vrouwenvrouw met sproeten en een
uitgeplozen bos blonde kroeskrullen. Ze was nooit getrouwd geweest met de vader
van Huib, waarmee ze sinds kort ook niet meer samen leefde in één huis. De
moeder van Huib meende de frequentie en de duur van de speelbezoekjes van haar
zoontje aan Sabine te kunnen bepalen. Het moest altijd in het huis van Bart en
Thea. Nooit bij haar. En wat Thea betreft beter ook niet enkel in de kind-onverschillige
aanwezigheid van de vader van Huib. Telkens als deze onmiskenbare
vrouwenverslinder – inclusief lange, donkere manen, tandpasta smile en
zonnebank gebruinde teint - zijn 8jarige zoon ophaalde dan kwam de
alcoholgeur bij het openen van de voordeur Thea als eerste tegemoet. Uit
bezorgdheid had Thea weleens op het punt gestaan om zelfs Huibje niet mee te
geven met de beschonken vader in zijn dure slee.
‘Wat zou die
man nou doen voor de kost?’ peinsde Thea hardop in het bijzijn van Bart.
‘Ik vermoed
iets met mensen’, grapte Bart.
‘Hij is
advocaat beweert Huibje, maar ik kan me er zo weinig bij voorstellen’,
vervolgde Thea.
‘Bij de
advocatuur, of bij de vader van Huibje?’
‘Bij de vader
van Huibje als advocaat.’
‘Ik ‘wil’ me
er niets bij voorstellen, maar een mens ontkomt er niet aan bij de verschijning
van de vader van Huibje. Neerlands hoop in bange dagen’, schertste Bart
zuchtend.
‘En dan te
bedenken dat de moeder van Huibje een echte heks is. Als we Huibje tenminste
moeten geloven.’
‘Kijk, daar
heb je het al.’
‘Laat los,
laat gaan’, hield Thea zichzelf dus maar voor.
Uit
zelfbescherming en machteloosheid. De 2 overheersende emoties uit de
basisschooltijd van haar kroost. Want uiteraard werd Sabine niet uitgenodigd op
het verjaardagsfeestje van Huibje, terwijl hij dat wel aan haar beloofd had. En
niet één keer, maar, aan de lopende band, over een periode van 2 weken iedere
dag wel zo’n 10 keer. Zo vaak dat Sabine een mega tegenzin in het
verjaardagsfeestje van Huibje ontwikkelde. Op de grote dag ontvingen
3 meisjes en 6 jongens uit de toenmalige groep 4 van Sabine voor
aanvang van de les in het klaslokaal van juffrouw Dorien wel een officiële
uitnodiging voor het feestje van Huibje. Sabine werd overgeslagen. Hoewel
Sabine al gegeten en gedronken had voordat het feestje van Huibje überhaupt
aangebroken was, deed het toch pijn om buiten een kliekje uitverkorenen
gesloten te worden. De verwarring stond op het gezicht van het 7 jarige meisje
te lezen. Had zij zich niet braaf aan de instructies van haar moeder gehouden?
Op geen enkel van de circa 100 momenten dat Huibje weer begon te zaniken over
zijn aanstaande verjaardag en de grote eer die Sabine zou toekomen doordat zij
ook werd uitgenodigd, was het kleine 7jarige meisje gillend weggerend. Nee,
Sabine had de onverdeelde voorpret van Huibje keer op keer over zich heen laten
komen. Uit beleefdheid. Ze zou ook gewoon op dat stomme partijtje van Huibje
zijn komen opdagen. Dat moest Sabine van Thea. Dat hoort bij de opvoeding.
Alleen snapten moeder en dochter toen nog niet dat een uitnodiging voor een
verjaardagsfeestje op De Wielewaal geen kinderspel was. Daar hoorde op een
Wielewaalwaardige wijze voor gevochten te worden. Thea zou wel nooit leren om
zich te houden aan de spelregels van de opperouders. Temeer daar ze geen idee
had van de werking van de code, die ook op ieder willekeurig tijdstip leek te
veranderen. Ondanks het onbenul van Thea had de moeder van Huibje de
brutaliteit om op dezelfde dag van het bewuste verjaardagsfeestje nog te bellen
met de mededeling dat haar zoon de woensdag daarop met Sabine kwam spelen. Helaas
voor de moeder van Huibje trof ze niet Thea maar Bart aan de lijn.
‘Huibje komt
woensdag aanstaande bij Sabientje spelen’, kondigde de moeder van Huibje aan.
‘Nee’,
weersprak Bart.
‘Jawel hoor,
Huibje komt heel vaak bij Sabientje spelen’, hield de moeder van Huibje
doodleuk vol.
‘Vanaf vandaag
niet meer’, verzekerde Bart haar.
‘Hoezo niet?
Waar slaat dat op?’, wilde de moeder van Huibje ongeduldig weten.
‘Op de
verjaardag van Huib, waarop Sabine niet is uitgenodigd’, legde Bart rustig uit.
De moeder van
Huibje kon haar oren niet geloven:
‘Ik kan toch
niet de hele klas uitnodigen? Kom op zeg!’
Bart bleef
kalm:
‘Nee, niet de
hele klas, maar wel Sabine. Los van het feit dat mijn vrouw en ik al
maandenlang jouw zoon bijna iedere woensdagmiddag gratis opvangen, omdat Huib
zo nodig hier thuis met onze dochter moet afspreken van jou, bleef Huib maar
zeuren over dat toekomstige partijtje van hem. Sabine moest en zou komen. Huib
heeft haar wel 100 keer gevraagd en nou puntje bij paaltje komt krijgen een
paar klasgenootjes een uitnodiging, maar Sabine wordt buitengesloten. En dan
zullen mijn vrouw en ik jouw kind verder gratis onderdak blijven verlenen? Wij
zijn wel goed, maar niet gek.’
De moeder van
Huibje maakte een spottende keelgeluid en antwoordde vanuit de hoogte:
‘Huibje kan
zoveel zeggen!’
‘Ja, hij zegt
ook dat jij een heks bent. Da’s dan weer wel recht in de roos’, oordeelde Bart
in dit geval terecht dus.
‘Ow, op die
manier!’, snerpte de heks.
‘Precies op
die manier’, besloot Bart droog.
Niet lang na
zijn 8ste verjaardag bleef Huib zitten in groep 4 en sloot hij
vriendschap met Walter, Marcus en Tim uit zijn doubleerklas. In geen geval
mocht Huibje echter met Walter – het broertje van Sabine met die lompe boer van
een vader - spelen van de heks. Maar toverkracht of niet; de 4 mannekes
ontdekten het online gamen via skype na school. Daarvoor hoefden geen van
vieren het ouderlijk huis te verlaten. Ze zijn er – met tussenpozen - tot op
heden nog steeds druk mee.
Thea kan
Jasmijn geen ongelijk geven. De voorbeeldvrouwen om haar heen gedragen zich
werkelijk onsmakelijk gezien hun leeftijd. Als het waar is dat stiefmoeder
Femke in het verleden weleens gebruik heeft gemaakt van de diensten die Bink
haar met zijn escortservice in de vorm van toyboys aanbiedt; dan zou Thea in de
schoenen van Jasmijn ook gaan twijfelen aan de ethiek van de grote mensen om
haar heen. Zelfs al zou Femke misschien alleen maar die ene keer gezwicht zijn
voor de verleiding van het jonge, sappige vlees; dan is dat naar mening van
Thea toch nog één keer te veel. Maar misschien heeft zij makkelijk praten. Zij
voelt zich nooit alleen maar aangetrokken tot een perfect lijf. Tot de daad op
zich. Perfectie is stagnatie. Primitief. Want dat is toch alles wat seks met
een toyboy moet zijn. De geslachtsdaad op basis van lust. En dan ook nog eens
onevenredig gericht op de goesting van een dame op leeftijd en haar
bankrekening. Niemand krijgt Thea namelijk aan haar verstand gebracht dat een
jonge mooiboy vrijwillig in bed op een milf zit te wachten voor een lekker,
diepgaand gesprek; of de stomend hete geslachtsdaad als hij met een simpele
vingerknip iets veel strakkers kan krijgen dat nog lang niet tegen de
houdbaarheidsdatum aanzit. Die afkorting alleen al zegt genoeg.
Milf. Mother I would like to fuck. In het Nederlands zeg je dan:
‘Moeder ik wil
neuken.’
Dan zou Thea
willen zeggen:
‘Da’s goed
jongen; zoek jij maar eens een leuk vriendinnetje of vriendje van je eigen
leeftijd om mee te spelen.’
Maar vrouwen
zoals Femke en ook Beau, de moeder van Jasmijn die er vandoor is met haar
25jarige ex-vriendje, dus niet. Dit zijn echte milfen en dat zijn vrouwen die
vanaf een bepaalde gevorderde leeftijd direct met de portemonnee staan te
zwaaien als er door de jeugd geneukt moet worden en dat is niet aflatend. Als
de milfjes goed geschoten hebben dan mogen ze zelf tegen betaling met de benen
wijd. Thea zal er niks van zeggen. Ze kijkt wel link uit, want dan wil zij
stiekem ook natuurlijk. Je mag überhaupt niet oordelen over de seksuele
uitspattingen van een ander, maar Thea vindt er toch wat van. Alhoewel Jasmijn
het medeleven van haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster niet zou
accepteren. En ook dat kan Thea zich levendig voorstellen. Jasmijn zou zich wel
heimelijk afvragen wat een vijftigjarige moeder van 2 kinderen naast het
ziekbed van Melvin verloren heeft en ze is slim genoeg om de voorkeur van Thea
voor haar broer boven zichzelf op te snuiven. Thea heeft ook geen rationele
verklaring voor haar voorliefde voor Melvin. Ze weet alleen dat Melvin vanaf de
eerste seconde van zijn aanwezigheid in haar leven al beslag legt op haar
zorgzaamheid met de latente dwang van een gulzige zuigeling. Als peuter was
zijn honger aan de oppervlakte eenvoudig gestild met een fruithapje en zijn
dorst gelest met opvolgmelk, maar de onderhuidse begerigheid groeide met Melvin
mee tot op heden. Nog steeds vraagt hij onophoudelijk om aandacht en
onberedeneerd blijft Thea ontvankelijk voor zijn verhulde weeklacht. Dat is alles
en al veel te veel, omdat Thea niet de moeder van Melvin is en deze jonge
mensen net iets te vaak met de misvormde seksuele moraal van de ouderen om hen
heen geconfronteerd zijn om hun oude kinderjuf
en huiswerkbegeleidster niet te wantrouwen.
Over
achterdocht kan Thea meepraten. Ze is zelf vaak genoeg bedrogen uitgekomen
nadat ze haar hoop op de verkeerde mensen in zette. Bart had haar al meerdere
malen gewaarschuwd:
‘Ga er nou
eens vanuit dat je alleen staat. Dan is alle hulp, elk klein beetje steun pure
winst.’
‘Praat voor
jezelf’, placht Thea dan getergd te antwoorden.
De
levenswijsheden van haar man irriteerden haar, omdat hij natuurlijk gelijk had,
maar ook Bart was niets menselijks vreemd. Alsof hij flierefluitend over het
misbruik van vertrouwen in zijn leven heenstapte.
‘Ik ga er in
ieder geval wel een stuk makkelijker mee om dan jij’, vond Bart.
‘Waarom is
dat?’
Thea had de
vraag nog niet gesteld of ze zou willen dat ze op een delete toets kon drukken;
want daar had je het al.
‘Ik heb een
vertrouwensbasis in mijn jeugd gekregen van mijn ouders en jij niet.’
Voor de
zoveelste keer gebruikte Bart haar belabberde jeugd als een excuus voor het
verschil tussen haar wankele weerstand en zijn onverzettelijkheid. De
referentie naar haar chaotische achterland bracht Thea steevast buiten
zinnen.
‘Ik kan mijn
jeugd niet meer veranderen’, bitste ze weerloos.
‘Dat weet ik.’
Precies dat
wilde Thea nooit weten. Ze was zich echt wel bewust van haar onschuld. Ergens.
‘Ik heb niets
verkeerd gedaan’, repeteerde ze de herhaaldelijke verzekering van Bart uit het
verleden in een poging om hem in het heden voor te zijn.
‘Daarom wil ik
dit keer wel met je mee naar dat gesprek met de directie van De Wielewaal’,
kondigde Bart aan.
‘Ja, maar
Jojanneke; de vertrouwensarts heeft me verzekerd dat ik op haar kan rekenen.
Juist nu sta ik niet alleen. Zij staat achter me. Dat heeft ze woordgetrouw zo
gezegd.’
‘Kijk en dan
ga je hier de mist weer in’, wist Bart de helderziende.
De interne
coördinatrice van De Wielewaal - Jade - zat timide aan het hoekje van de
vergadertafel en had niets te missen. Aan haar houding te oordelen had ze flink
op haar falie gehad van iemand. Geen kik gaf ze. Op haar gezicht stond
zelfmedelijden te lezen. Geen wroeging. Het huilen stond haar nader dan het
lachen. Het leek Thea sterk dat directrice Willy in dit geval de boosdoener
was, want zij was net zo verbaasd over de nederige opstelling van de interne
coördinatrice als de ouders van Walter en Sabine. Willy werd er zelfs een
beetje melig en sloom van. Lethargisch wierp ze zich met heel haar bovenlijf
over de vergadertafel van de I.C. Jade tot Bart en Thea en sloeg een
denkbeeldige vlieg weg uit haar blikveld. Ze leek iets provocerends te willen
zeggen. Zoiets als:
‘Gooi maar in
m’n pet. Het zal mijn tijd wel duren.’
Alsof ze
laveloos was. Mogelijk van een met alcohol geïnjecteerde sinaasappel. Hoe moest
je anders ongemerkt aan je promillage komen als directrice van een
basisschool? Thea had weleens ergens opgevangen dat de geur van sterke drank
geneutraliseerd wordt in zo’n zelfgemaakt vruchtenlikeurtje. De dikke schil van
de sinaasappel en de scherpe lucht van het vruchtvlees verbloemen de
toegevoegde alcohol in het sap. Voor consumptie boor je met een schaar een
ingang in de schil; rietje erin en zuigen maar. Maar nee; dat zou toch te gek
voor woorden zijn geweest.
‘Vertel eens,
jullie zijn boos’, begon Willy.
Ze sprak niet
met dubbele tong. Gelukkig. Directrice Willy praatte altijd haastig; kortaf
bijna; niet staccato, maar afgewogen, zuinig en effectief. Minder is meer en
wel heel vaak. Dat principe. Zoals afgesproken nam Bart het woord.
‘Ik vind het
belachelijk hoe jullie Thea behandeld hebben’, zei hij.
Dat snapte
directrice Willy wel en ze knikte meelevend, maar Thea greep meteen in. Niet op
die toer.
‘Dat is
helemaal niet aan de orde’, viel ze in, terwijl ze nog zo van plan was geweest
om nu eens niet te vervallen in monologen.
Willy staarde
Thea welwillend aan. Jade op haar beurt zat met gesloten ogen te wachten tot ze
gevild zou worden. Maar Thea vond haar niet belangrijk genoeg. Het kwam er na
een kwartier uitleg van de kant van Thea op neer dat zij – met alle
steun van Bart - vond dat ouders het recht hebben om zelf te
beslissen aan welke medische onderzoeken zij hun kind(eren) onderwerpen.
‘Dit is een
basisschool en geen ziekenhuis. Medische zaken vallen - bij mijn weten – onder
een ander departement’, besloot ze.
‘Toch heeft
Jade het beste voor met Walter’, zei Willy.
‘The road to hell is paved with good intentions.’
Dat was Bart.
‘Zachte
heelmeesters maken stinkende wonden’, vertaalde Thea.
‘Ja, ik kan
wel Engels’, beet Willy haar toe.
‘Dat valt me
dan weer mee van je’, grapte Bart.
Directrice
Willy lachte mondjesmaat en Jade de I.C. durfde alweer schichtig om zich heen
te kijken alsof het grootste gevaar geweken was. Ter afsluiting kreeg Jade van
Willy het vonnis om een evaluatie van het gesprek te schrijven en de opdracht
om dit soort futiliteiten voortaan met Bart en Thea via de mail af te handelen.
Jade knikte berouwvol, maar haar verwijtende ogen stelden niet bepaald gerust
tijdens het afsluitende handjes schudden. Ze waren eerder de voorbodes van
revanche.
In haar
evaluatie trachtte Jade dan ook haar gram te halen; terwijl het mailtje in
werkelijkheid alleen maar de ergste vermoedens van Thea onderschreef. Het
eindverslag was een verdraaiing van de feiten; een regelrechte leugen.
‘De ouders van
Walter geven in het gesprek aan dat zij zich ernstig zorgen maken over de
ontwikkelingen van hun zoon. Zij zeggen echter nog niet open te staan voor
oriëntatie op buitenschoolse ondersteuning ter verbetering van de
leerprestaties van Walter. Wij blijven de ontwikkelingen van Walter nauwlettend
in de gaten houden.’
‘Dat geloof je
toch niet!’
Thea slaakte
een kreet van afgrijzen in het oor van Bart naast wie ze eensgezind het bewuste
mailtje van Jade las.
‘Laat mij nou
maar reageren’, zei Bart, terwijl hij ter bescherming van de trommelvliezen
zijn oorschelp dichtdrukte.
‘Waarom nou
weer’, gilde Thea hysterisch.
Het gebonk in
haar linkerborst was zo heftig dat ze bang was dat haar hart het
lichaam uit zou kloppen.
‘Ik zit hier
gewoon te hyperventileren’, overdreef Thea.
‘Snap je nou
waarom ik beter meteen een reactie terug stuur in plaats van jij!’, suste Bart
niet onder de indruk.
‘Ach ja, jouw
lik op stuk beleid’, sudderde Thea weinig overtuigd maar verslagen na.
Zijn aandacht
was volledig gericht op het redigeren van de evaluatie van Jade. Hij streepte
zinnen virtueel door met rode lijnen en zijn bezwaren typte hij in een groen
lettertype in de kantlijn. Zijn verbeterde versie luidde als volgt:
‘De interne
coördinatrice – Jade Joosten - van De Wielewaal geeft aan dat zij zich zorgen
maakt over de leerprestaties van Walter. In tegenstelling tot de juffrouw
(Toos) van groep 4 van onze zoon. Zij heeft tot nu toe alleen nog maar over de
vooruitgang van Walter aan ons gerapporteerd. Vandaar dat wij ons voorlopig –
nog - geen zorgen maken over Walter. Mocht dat in de toekomst onverhoopt wel
het geval zijn dan zullen wij ons pas oriënteren op buitenschoolse
ondersteuning ter verbetering van de leerprestaties van Walter als wij het idee
hebben dat vanuit het basisschoolwezen alle mogelijkheden benut en uitgeput
zijn. Mochten wij desondanks in het belang van een vlot verloop van de komende
basisschooljaren van Walter – noodgedwongen - toch uit moeten wijken naar de
medische wereld ter verbetering van de leerprestaties van onze zoon dan doen
wij dat – al dan niet - uit vrije wil. Wij veroordelen de wijze waarop wij door
de directie van De Wielewaal onder druk en op een dwaalspoor gezet zijn (en nog
worden).’
‘Nou als dit
schrijven niet helpt dan weet ik het ook niet meer’, zuchtte Thea met de moed
der wanhoop.
Nog geen half
uur nadat Bart zijn mailtje verzonden had; ontving hij alweer een schrijven
terug. Niet op naam van Jade of van Willy maar van de afzender; ‘de directie
van De Wielewaal’ tussen aanhalingstekens.
‘Closing of de
ranks’, voorspelde Bart.
‘Jij altijd
met je Engels; je bedoelt dat de gelederen zich sluiten, maar dat geloof ik
niet. Er wordt toch niemand aangevallen?’
Thea nam met
een wonderspons de salontafel af. Vanuit zijn relaxstoel bracht Bart zijn
mobiel in veiligheid. Zijn geopende laptop lag op schoot.
‘Jij werkt
duidelijk niet met volwassenen’, zei hij hoofdschuddend.
‘Leg uit.’
Uitgedaagd
kwam Thea overeind uit haar gebogen werkhouding. De bezoedelde wonderspons
gooide ze over van haar linker in haar rechterhand – beiden omsloten door
knalgele, latex keuken handschoenen - en weer terug.
‘Kom op Thea;
wij vallen het beleid van De Wielewaal en dan in het bijzonder Jade de
I.C. aan. We komen in opstand tegen de manier waarop zij hun
plannetje voor buitenschoolse begeleiding voor Walter aan ons op willen
dringen. Wij zijn lastig. Niet gewoon vervelend zoals de meeste ouders die met
bosje rozen nog wel te sussen zijn. Nee, echt een doorn in het oog van de
interne coördinatrice en daarmee van de directrice.’
‘Prima toch?’,
vond Thea.
‘Nou, schiet
op; lees met me mee’, beval Bart.
Thea ontdeed
zich van de keuken handschoenen en met de snerpende geur van bewerkt rubber aan
haar 10 geboden en in haar neusgaten, ging ze op zoek naar haar computerbril.
Geduldig wachtte Bart met het openen van het mailtje totdat Thea eindelijk weer
naast hem stond. Ze lazen:
‘Ik geloof
niet dat het de bedoeling is om te gaan strepen in een eindverslag. Volgens de
vertrouwensarts – Jojanneke Klaassen - staat de professionele mening van Jade
Joosten – interne coördinatrice van De Wielewaal – over Walter ook absoluut
niet ter discussie.’
‘Wat?’
Thea snapte er
echt helemaal niets meer van.
‘Wat een
k-wijf die Jade’, schold Bart.
Zijn lontje
was opgebrand en de bom gebarsten. Hij voer uit tegen zijn vrouw bij gebrek aan
slechter:
‘Dit antwoord
is dus door Jade de interne coördinatrice geschreven zonder medeweten van
directrice Willy onder de noemer ‘de directie van De Wielewaal’. Dat lijkt me
duidelijk. Met Jade wil ik niets meer te maken hebben. Mocht ze nog maar een
vinger naar Walter – of Sabine – uitsteken dan gaat er een gigantische, dikke,
vette klacht naar iedereen die maar luisteren wil!’
Bart begon
meteen met het intikken van zijn repliek.
‘Waarom begint
Jade in haar verdediging over het contact tussen mij en Jojanneke de
vertrouwensarts?’, vroeg Thea zich hardop af.
Bart negeerde
haar. Toch voelde Thea zich niet onder echtelijk vuur liggen. De driftbuien van
Bart liet Thea zoals zo vaak over zich heen komen als een verfrissend onweer na
een tropisch hete dag. Bart zou vanzelf uitrazen, terwijl zij een zoektocht
naar een rode draad ondernam. Ze moest snappen wat het probleem was. Al was het
alleen maar om bij de tijd te blijven, want als Bart en zij niet alert
reageerden dan kregen zij straks het stempel van ongeschikte ouders voor
Walter; de bron van alle commotie. Heimelijk voelde Thea zich
schuldig.
‘Schuldgevoel
is naar binnen gekeerde kwaadheid’, las Thea ooit eens ergens.
Geen idee
waarom uitgerekend deze wijsheid was blijven hangen. Mogelijk vanwege het hoge
waarheidsgehalte, want Thea was voornamelijk kwaad op zichzelf. Zij had zich
overvallen geweten tijdens het 10 minutengesprek met juffrouw Toos van groep 4.
Ze had op haar hoede moeten zijn. Zonder vooraankondiging zat Jade de interne
coördinatrice er zomaar bij. Zo’n strakke actie had Thea van Jade kunnen
verwachten. Ineens ontstond er ruzie over een dyslectie verklaring. En nu; een
gesprek met een vertrouwensarts en een bijeenkomst met de directie van De
Wielewaal later, was de leerontwikkeling van Walter naar de achtergrond
verdwenen en speelde Jade Joosten zich op als de verloren
onschuld. Thea ziet Jade de interne coördinatrice weer fietsen naast
meester Gijsbert van groep 3. Hand en hand. Zo naïef was ze dus ook niet. Wat
zou hij haar ingefluisterd hebben? Wilde meester Gijsbert alsnog via Jade zijn
gelijk halen over Walter? Misschien had Jade wel een reden om opnieuw indruk op
meester Gijsbert te maken. Was zijn interesse in haar verlopen? Dacht ze hem
terug te winnen door Walter een hak te zetten? Was ze jaloers op Thea? Och,
Thea voelde de vinnige blikken wel in haar rug prikken nadat ze Jade in de
gangen van De Wielewaal voorbij was gelopen.
‘Uiterlijk is
niet belangrijk’, placht Thea dan tegen zichzelf te zeggen, maar Jade leed
kennelijk onder een minderwaardigheidscomplex.
Mogelijk had
meester Gijsbert weleens in het bijzijn van zijn minnares – de interne
coördinatrice van De Wielewaal
- laten vallen dat hij Thea een mooiere vrouw vond dan Jade. Gewoon,
om haar te stangen na een robbertje seks bijvoorbeeld, want zo geniepig schatte
Thea meester Gijsbert wel in. Los van het feit dat meester Gijsbert zelf de
erotiek van een hork uitstraalde, had Thea in dat geval willen zeggen:
‘Wat je ziet
dat heb je nog niet!’
Maar Thea zou
ook weleens teveel fantasie kunnen hebben en volgens dat scenario was Jade
hoogstens een sluw mens met een beperkte hersencapaciteit en een grote wrok
jegens de ouders van Walter.
Al die tijd
had juffrouw Toos van groep 4 de lippen stijf opeen gesloten gehouden. In de
verbeelding van Thea pulkte ze nog steeds onafgebroken beteuterd aan haar
zakdoekbolletje. En waar bleef Wonderwilma? De interne remedial teacher van
Walter? Gepreoccupeerd verdween zij achter de gesloten deuren van lege lokalen
met Thea in het vooruitzicht of ze klampte tijdens een vluchtweg andere, minder
ingewikkelde ouders met zorgkinderen aan. Maar dat deed ze ook al voor de grote
ruzie over dyslectie. Thea was het spoor bijster.
‘Die
fantastische Jojanneke van jou heeft zich natuurlijk door Jade laten om lullen.
Weer zo’n stomme trut’, tierde Bart.
Zijn laptop
wiebelde op zijn schoot onder het geestdriftige geklop op het toetsenbord.
‘Wat typ je
nou?’, vertwijfelde Thea.
‘Ik typ dat we
niets meer met Jade de interne coördinatrice te maken willen hebben.’
‘Dreig je met
een klacht anders?’
Thea hoopte
van niet. Als het niet ging zoals het moest, dan moest het maar zoals het ging,
maar ze wist uit ervaring dat het indienen van een klacht het begin van een
lange adem inluidt. Officieel bezwaar maken werkt alleen maar moeizame
procedures, oeverloze gesprekken, slepende frustraties, duurzame verzuring en
nooit genoegdoening in de hand.
‘Ik dreig
nooit. Misschien moet jij dat vriendinnetje van jou – die vertrouwensarts - ook
maar even aanspreken op de schending van jouw privacy.’
‘Jojanneke?’
‘Jojanneke ja,
ze zou toch altijd achter je staan? Hoezo bespreekt zij onze problematiek dan
met Jade Joosten? Hoe komt Jojanneke erbij dat de professionaliteit van Jade
Joosten in deze kwestie niet ter discussie staat? Waar bemoeit zij zich mee? Ze
is een intrigante in plaats van een vertrouwensarts als je het mij
vraagt.’
‘Misschien.’
‘Daar gaat ze
weer!’
Bart had de
gewoonte om tegen een afwezige, derde persoon te praten als hij zich aan Thea
ergerde.
‘Sta je in
directe verbinding met God?’, ruziede zij dan terug.
Omdat ze niet
uit kon staan dat hij zomaar over haar gevoelens heen walste. Zij was verraden
door Jojanneke en niet hij. Mocht ze dan alstublieft even in een hoekje gaan
zitten huilen?
‘Nou nee,
eigenlijk niet. Gewoon meteen je mening zeggen dan heb je daarna ook geen
behoefte meer om te zwelgen; wat ik je brom.’
‘Ja, maar
Jojanneke heeft toch feitelijk niks verkeerd gedaan? Ik heb haar bemiddeling
toegezegd. Ze mag toch wel met de directie van De Wielewaal over de kwestie
rond Walter praten? Ze staat geregistreerd als de vertrouwensarts van De
Wielewaal?’
Wat wilde Thea
hier eigenlijk zeggen?
‘Nou zeg je
het goed; Jojanneke mag met de directie van De Wielewaal over de kwestie rond
Walter praten, maar niet over ons en wie of wat er naar onze mening ter
discussie staat. Wat mij betreft staat de professionaliteit van Jade Joosten –
de interne coördinatrice – wel degelijk ter discussie. Maar goed; als jij het
niet met me eens bent; dan niet.’
‘Ik raak
telkens de tel kwijt’, bekende Thea.
‘Dat komt
omdat de directie van De Wielewaal de aandacht van het wezenlijke probleem
probeert af te leiden. Zogenaamd om de gemoederen tot bedaren te brengen. Dat
wordt managers verkeerd aangeleerd op de managementcursus. Nooit toegeven dat
je fout zit, want dan ben je verkocht.’
‘Waar wordt
dan mijn aandacht vanaf geleid?’
Thea zocht
naar het ijkpunt in de conversatie. De verstilde gewaarwording van
puzzelstukjes die langzaam maar zeker op hun plek vallen. Alleen Bart kon en
kan haar die zekerheid geven.
‘Jouw aandacht
wordt afgeleid van het feit dat de interne coördinatrice jouw privacy
geschonden heeft en jouw rechten als moeder met voeten treedt. Alleen uit eigen
belang. Niet om Walter te helpen, maar juist om via een omweg van de
zorgverzekeraar onder extra kosten voor goed taalonderwijs aan Walter uit te
kunnen komen. Zowel Jade als Willy doen niets anders dan wijzen naar Walter en
zijn zogenaamde probleem. Geen seconde zijn de dames bereid om de hand in eigen
boezem te steken. Niet eens voor de schone schijn. Terwijl Walter in
werkelijkheid geen probleem heeft en een normaal leerproces doormaakt. Maar dat
maakt niet meer uit; Jade en Willy zorgen er wel voor dat Walter een probleem
heeft en zo niet dan krijgt hij nog wel een probleem. Desnoods zijn jij en ik
de aanstichters; maar Walter heeft vanaf nu hoe dan ook een stempel. Met of
zonder dyslectie verklaring; vanaf vandaag valt Walter in het hokje zorggeval
door toedoen van Jade en Willy en met steun van dat Jojannekemens.’
‘Je hebt
gelijk’, prevelde Thea na een korte denkpauze en een vertraagd inzicht.
De
waarheidsgetrouwe schets van Bart had de stress uit haar poriën doen vloeien.
Ze werd licht in haar hoofd van de frisse wind die ze met spierpijn in haar
borstkas in ademde. De aantijgingen van Bart werden niet minder aannemelijk
door de reacties van Jojanneke die om te beginnen pas na 4 keer tevergeefs
bellen en 3 appjes te bereiken viel. Na het accepteren van het gesprek maakte
Jojanneke aan de telefoon een aanloop naar een uitvoerig verslag van de reden
van het verzaken van haar plichten als vertrouwensarts. Omdat Thea nog steeds
vond dat juist een vertrouwensarts in staat moet zijn om privé en werk
gescheiden te houden smoorde ze de karakteristieke, amicale ontboezemingen van
Jojanneke in de kiem. Natuurlijk is Thea begaan met het ziekbed van wie dan
ook, maar de sterfelijkheid van de moeder van Jojanneke had op dat moment even
niet haar prioriteit.
‘Ik dacht dat
je achter me zou staan?’
‘Ik sta ook
achter je’, probeerde Jojanneke recht te praten wat krom was.
‘Walter is
toch het spilletje hier en daarna komen wij; de ouders?’
‘Jazeker.’
‘Waarom worden
Bart en ik dan opeens met de jouw inzichten over de interne coördinatrice van
De Wielewaal geconfronteerd?’
‘Dit begrijp
ik niet’, aarzelde Jojanneke met trillende stem.
‘Jade beweert
zwart op wit dat jij haar bevestigd hebt in haar standpunten over Walter.’
‘Nou nog
eens’, draalde Jojanneke.
Thea ademde
diep in en uit alvorens ze het hoge woord eruit gooide:
‘Jij hebt
gezegd dat de professionaliteit van Jade helemaal niet ter discussie staat.’
‘Nee, dat is
toch ook zo?’
‘Wat staat er
dan volgens jou wel ter discussie?’
‘Helemaal niks
toch?’
‘Heeft Jade
jou dat wijsgemaakt?’
‘Nou ja, Jade
was wel bang dat er veel meer aan de hand was dan er in werkelijkheid speelt,
ja’, bekende Jojanneke.
‘Nou gelukkig
maar dat je Jade gerust hebt kunnen stellen. Weer een probleempje uit de wereld
geholpen. Of niet? Misschien hoopte Jade wel dat Bart de kinderen en mij elke
dag alle hoeken van het huis in een achterstandswijk laat zien. Uiteraard na
het nuttigen van een stuk of 20 pilsjes. En dat ik dat misbruik aan jou
toevertrouwd zou hebben, zodat jij de crisis dan weer aan Jade - oftewel de
heilige moeder Theresa van De Wielewaal - kon doorspelen.’
‘Thea, je
draaft door!’
‘Het zou wel
makkelijker geweest zijn voor Jade. Dan had ze haar misstappen tenminste weer
kunnen laten verdwijnen in de dwalingen van de meeste ouders die bij jou
terecht komen. Zoals ze waarschijnlijk gewend is en normaliter niet anders
doet. Maar vertel eens Jojanneke: Waarom heb ik eigenlijk m’n ongenoegen bij
jou – vertrouwensarts van De Wielewaal – neergelegd?’
Het cynisme
van de uitspraken van Thea liet de geluidsgolven van de telefoonverbinding
sidderen en kraken.
‘Ja maar Jade
mag toch ook haar kijk op de zaak aan mij uitleggen?’
Thea voelde
een vulkaan vanuit haar onderbuik opborrelen. Ze greep naar haar linkerborst om
de kramp, die ook weer opspeelde, te onderdrukken.
‘Waar staat
dat ‘vertrouwen’ in de titel ‘vertrouwensarts’ eigenlijk voor? Ik kan nu zonder
meer een klacht tegen je indienen en dan heb jij ook eens een probleempje
helemaal voor jou alleen Jojanneke.’
‘Ik heb mijn
plichten niet verzaakt’, blufte Jojanneke verontwaardigd.
‘Je hebt mijn
problemen met Jade Joosten – de interne coördinatrice van De Wielewaal –
gebagatelliseerd. Ik mag dan wel geen arts of jurist zijn, maar ik weet wel hoe
het rechtssysteem in elkaar zit. Ik heb het recht om serieus genomen te worden.
Net zo goed als wie dan ook en zeker als Jade.’
‘Jade is
verdorie de interne coördinatrice van De Wielewaal!’, blies Jojanneke
corrigerend en met dedain.
Ze werd kwaad
en dreigde uit haar rol te vallen.
‘Voor mijn
part is ze de presidente van de Verenigde Staten. Jij hebt je door Jade laten
misleiden en je hebt achter mijn rug om met haar over mijn vertrouwelijkheden
aan jou gepraat. Hoe onbenullig Jade en jij die vertrouwelijkheden ook mogen
vinden.’
Dat laatste
was speculatie, maar omdat Jojanneke niet tegensputterde, vermoedde Thea dat ze
dichter bij de waarheid zat dan ze aanvankelijk ingeschat had. Dus benadrukte
ze de ernst van de overtreding nog eens extra.
‘Dat is een
kwalijke zaak.’
‘Dat ligt
eraan. Mijn dochters hebben ook weleens ruzie en dat kan ik prima bemiddelen.
Mijn dochters kijken alle drie heel verschillend tegen mij aan. Dat mag. Daar
ben ik hun moeder voor’, lispelde Jojanneke paniekerig en huilerig.
Thea kon ook
wel janken van de ellende die zij niet veroorzaakt had, maar ze besloot de
verstandigste te zijn.
‘Je zit er
compleet doorheen Jojanneke. Als ik jou was dan zou ik eens een beetje afstand
nemen van de problemen van anderen. Sterkte met je moeder. En wat mij betreft?
Ik bel je nog wel een keer. Jij hebt na jouw misser met Walter nog een
goedmakertje bij mij uitstaan.’
Na dit open
einde volgde een lange periode van een beladen stilte die Thea aanvloog zodra
ze haar Renault voor de deur van De Wielewaal parkeerde. Ze had zich heilig
voorgenomen om de basisschool van haar kinderen nooit meer - met ook maar één
voet – te betreden. Laat staan de speelplaats. Hier had ze zichzelf keer op
keer belachelijk gemaakt. Op deze plek was ze te kakken gezet door mensen die
er een sport in zagen om anderen te overtroeven en liefst de grond in te
trappen. Haar incasseringsvermogen draaide overuren om te voorkomen dat het
kuddegedrag aan haar zou gaan vreten. Er was geen ruimte meer om reserves op te
bouwen en daardoor transformeerde De Wielewaal in een onneembare vesting met
een onzichtbare muur. In die denkbeeldige schutting bevond zich een
hersluitbare opening waarin haar kinderen elke morgen opgingen, terwijl Thea
verstard in de auto bleef zitten navelstaren. Sabine en Walter moesten nu
noodgedwongen zelf de opperouders in de gangen van De Wielewaal trotseren.
Zonder de steun van mama. Nadat de laatste glimp van herkenning was verdwenen
maakte de walging van Thea de omheining tot een ontoegankelijke barrière. De
opening was opgelost en had haar kinderen opgeslokt. Pas tussen de middag en na
schooltijd openbaarde er zich een tijdelijke uitweg in de fictieve haag. Dan
kropen Sabine en Walter weer voetje voor voetje uit het gat in het
horrorraster. Ze moesten toch op een normale manier naar school kunnen?
Elke schooldag
kwam Walter als eerste naar buiten. Ongedeerd en in balans. Hij speelde vaak
met Tim, maar maakte nog meer hechte vriendschappen in dat jaar in groep 4 bij
juffrouw Toos. Met Marcus; de schroomvallige zoon van professor Pronken. En met
Huib niet te vergeten. Huib was in eerste instantie bevriend met Sabine en hij
had een moeder die kon toveren. Ze was naar eigen zeggen een echte heks. Thea
kon dat beamen op basis van een ervaring die ze met de moeder van Huib had
gehad. De moeder van Huib was een ware Hollandse schone. Een feminazi. Een
geradicaliseerde feministe als het ware. Een vrouwenvrouw met sproeten en een
uitgeplozen bos blonde kroeskrullen. Ze was nooit getrouwd geweest met de vader
van Huib, waarmee ze sinds kort ook niet meer samen leefde in één huis. De
moeder van Huib meende de frequentie en de duur van de speelbezoekjes van haar
zoontje aan Sabine te kunnen bepalen. Het moest altijd in het huis van Bart en
Thea. Nooit bij haar. En wat Thea betreft beter ook niet enkel in de kind-onverschillige
aanwezigheid van de vader van Huib. Telkens als deze onmiskenbare
vrouwenverslinder – inclusief lange, donkere manen, tandpasta smile en
zonnebank gebruinde teint - zijn 8jarige zoon ophaalde dan kwam de
alcoholgeur bij het openen van de voordeur Thea als eerste tegemoet. Uit
bezorgdheid had Thea weleens op het punt gestaan om zelfs Huibje niet mee te
geven met de beschonken vader in zijn dure slee.
‘Wat zou die
man nou doen voor de kost?’ peinsde Thea hardop in het bijzijn van Bart.
‘Ik vermoed
iets met mensen’, grapte Bart.
‘Hij is
advocaat beweert Huibje, maar ik kan me er zo weinig bij voorstellen’,
vervolgde Thea.
‘Bij de
advocatuur, of bij de vader van Huibje?’
‘Bij de vader
van Huibje als advocaat.’
‘Ik ‘wil’ me
er niets bij voorstellen, maar een mens ontkomt er niet aan bij de verschijning
van de vader van Huibje. Neerlands hoop in bange dagen’, schertste Bart
zuchtend.
‘En dan te
bedenken dat de moeder van Huibje een echte heks is. Als we Huibje tenminste
moeten geloven.’
‘Kijk, daar
heb je het al.’
‘Laat los,
laat gaan’, hield Thea zichzelf dus maar voor.
Uit
zelfbescherming en machteloosheid. De 2 overheersende emoties uit de
basisschooltijd van haar kroost. Want uiteraard werd Sabine niet uitgenodigd op
het verjaardagsfeestje van Huibje, terwijl hij dat wel aan haar beloofd had. En
niet één keer, maar, aan de lopende band, over een periode van 2 weken iedere
dag wel zo’n 10 keer. Zo vaak dat Sabine een mega tegenzin in het
verjaardagsfeestje van Huibje ontwikkelde. Op de grote dag ontvingen
3 meisjes en 6 jongens uit de toenmalige groep 4 van Sabine voor
aanvang van de les in het klaslokaal van juffrouw Dorien wel een officiële
uitnodiging voor het feestje van Huibje. Sabine werd overgeslagen. Hoewel
Sabine al gegeten en gedronken had voordat het feestje van Huibje überhaupt
aangebroken was, deed het toch pijn om buiten een kliekje uitverkorenen
gesloten te worden. De verwarring stond op het gezicht van het 7 jarige meisje
te lezen. Had zij zich niet braaf aan de instructies van haar moeder gehouden?
Op geen enkel van de circa 100 momenten dat Huibje weer begon te zaniken over
zijn aanstaande verjaardag en de grote eer die Sabine zou toekomen doordat zij
ook werd uitgenodigd, was het kleine 7jarige meisje gillend weggerend. Nee,
Sabine had de onverdeelde voorpret van Huibje keer op keer over zich heen laten
komen. Uit beleefdheid. Ze zou ook gewoon op dat stomme partijtje van Huibje
zijn komen opdagen. Dat moest Sabine van Thea. Dat hoort bij de opvoeding.
Alleen snapten moeder en dochter toen nog niet dat een uitnodiging voor een
verjaardagsfeestje op De Wielewaal geen kinderspel was. Daar hoorde op een
Wielewaalwaardige wijze voor gevochten te worden. Thea zou wel nooit leren om
zich te houden aan de spelregels van de opperouders. Temeer daar ze geen idee
had van de werking van de code, die ook op ieder willekeurig tijdstip leek te
veranderen. Ondanks het onbenul van Thea had de moeder van Huibje de
brutaliteit om op dezelfde dag van het bewuste verjaardagsfeestje nog te bellen
met de mededeling dat haar zoon de woensdag daarop met Sabine kwam spelen. Helaas
voor de moeder van Huibje trof ze niet Thea maar Bart aan de lijn.
‘Huibje komt
woensdag aanstaande bij Sabientje spelen’, kondigde de moeder van Huibje aan.
‘Nee’,
weersprak Bart.
‘Jawel hoor,
Huibje komt heel vaak bij Sabientje spelen’, hield de moeder van Huibje
doodleuk vol.
‘Vanaf vandaag
niet meer’, verzekerde Bart haar.
‘Hoezo niet?
Waar slaat dat op?’, wilde de moeder van Huibje ongeduldig weten.
‘Op de
verjaardag van Huib, waarop Sabine niet is uitgenodigd’, legde Bart rustig uit.
De moeder van
Huibje kon haar oren niet geloven:
‘Ik kan toch
niet de hele klas uitnodigen? Kom op zeg!’
Bart bleef
kalm:
‘Nee, niet de
hele klas, maar wel Sabine. Los van het feit dat mijn vrouw en ik al
maandenlang jouw zoon bijna iedere woensdagmiddag gratis opvangen, omdat Huib
zo nodig hier thuis met onze dochter moet afspreken van jou, bleef Huib maar
zeuren over dat toekomstige partijtje van hem. Sabine moest en zou komen. Huib
heeft haar wel 100 keer gevraagd en nou puntje bij paaltje komt krijgen een
paar klasgenootjes een uitnodiging, maar Sabine wordt buitengesloten. En dan
zullen mijn vrouw en ik jouw kind verder gratis onderdak blijven verlenen? Wij
zijn wel goed, maar niet gek.’
De moeder van
Huibje maakte een spottende keelgeluid en antwoordde vanuit de hoogte:
‘Huibje kan
zoveel zeggen!’
‘Ja, hij zegt
ook dat jij een heks bent. Da’s dan weer wel recht in de roos’, oordeelde Bart
in dit geval terecht dus.
‘Ow, op die
manier!’, snerpte de heks.
‘Precies op
die manier’, besloot Bart droog.
Niet lang na
zijn 8ste verjaardag bleef Huib zitten in groep 4 en sloot hij
vriendschap met Walter, Marcus en Tim uit zijn doubleerklas. In geen geval
mocht Huibje echter met Walter – het broertje van Sabine met die lompe boer van
een vader - spelen van de heks. Maar toverkracht of niet; de 4 mannekes
ontdekten het online gamen via skype na school. Daarvoor hoefden geen van
vieren het ouderlijk huis te verlaten. Ze zijn er – met tussenpozen - tot op
heden nog steeds druk mee.
HOOFDSTUK 21
Mochten
kinderen in hun zesde leerjaar de schoolopdracht tot het maken van een
allereerste werkstukje krijgen dan is de betreffende basisschool er vroeg bij.
In het geval van De Wielewaal vonden de opperouders van de combinatieklas van
Jeewee dat het de reputatie van de school alleen maar ten goede zou komen als
niet alleen de gedeeltelijke groep 6, maar ook de kinderen van de halve groep 5
meteen maar vroegtijdig met deze taak opgezadeld werden. Uiteraard konden de
opperouders op alle steun van Jeewee rekenen. Thea vond het belachelijk dat
haar dochter op 8jarige leeftijd al in staat moest zijn om een verslag te
schrijven, maar Sabine leek zich geen zorgen te maken over de opdracht op zich.
Veel problematischer was de bedoeling dat er samengewerkt zou worden en zo kon
het werkstuk bijna niet anders dan een prestigeproject worden voor de
huilmeisjes van de combigroep 5 en 6. Al 2 maanden voor de deadline was het
verslag het gesprek van de dag en Sabine verveelde zich te pletter bij haar
combiklasgenootjes die de hele dag in een competentiestrijd verwikkeld waren.
Ze ontvluchtte haar combigroep nog vaker en langer dan op gewone schooldagen.
Tijdens het speelkwartier en na schooltijd richtte ze zich volledig op haar
maatjes uit de andere, onverdeelde, groep 5. Zelfs Zarah, het enige niet
gelikte meisje uit de combiklas 5 en 6, raakte bevangen door de heersende
prestatiekoorts. Ze begon sowieso pretenties te krijgen en bevelen uit te delen
aan Sabine. Samen met haar moeder Dalila had Zarah bepaald dat het werkstuk
over de verwerking van cacao zou moeten gaan en dat Sabine daarbij de 2de stem
zou vormen. Eigenlijk was Sabine meer te vinden voor een compositie over
katten, maar moeder Dalila zou een klasse uitje naar de cacaofabriek in
Zaandijk voor haar dochter Zarah kunnen regelen via een kennisje uit de
gemeenteraad. Zo gezegd als kroon op de chocoladeresearch van de twee
vriendinnen. Thea leek zo’n klassikaal uitstapje een beetje te veel van het
goede, maar ze wilde niet nog meer kwaad bloed zetten. Ze had andere zorgen.
Sinds een week of vier klaagde Sabine bijna elke schooldag over buikpijn.
Omdat Thea
zich gedeisd hield en al maanden niet op het speelplein of in het schoolgebouw
geweest was, had ze nog minder sjoege van de lopende zaken, roddels of de
positie van haar kinderen in de klas dan voorheen. In de periode voor haar
boycot kon ze de stemming om zich heen nog peilen aan de hand van de gesprekken
en reacties in de wandelgangen. Als geen ander kan Thea overal en altijd de
sfeer proeven. Of ze nou wil of niet. Juist die eigenschap werd haar grootste
struikelblok op de roerige Wielewaal. Na haar afmars was dan ook een innerlijke
rust opgetreden die haar zoveel energie gaf dat ze zichzelf niet zo 1,2,3 terug
in het hol van de leeuw zag treden. Te meer daar Walter schijnbaar geen
problemen bij juffrouw Toos gaf. Of andersom. Dat kan natuurlijk ook. Aan
juffrouw Toos had Thea te kennen gegeven dat ze zich niet meer op de Wielewaal
zou vertonen. Dringende zaken en de 10 minutengesprekken moesten voortaan maar
met Bart afgehandeld worden. Het neutrale gezicht van Juffrouw Toos betrok;
hetgeen Thea afdeed met de woorden:
‘Ja, voor Bart
is het ook niet leuk.’
Nu echter de
werkstukperikelen van de combigroep 5 en 6 in het maagdarmkanaal van Sabine
begonnen op te spelen, besloot Thea om toch maar weer eens een paar eerste
voorzichtige pasjes in het Wielewaalleven te zetten. Te beginnen op het
speelplein. Ze werd aangestaard door de opperouders alsof ze uit de dood
herrezen was en acuut een stokje kwam steken voor de fikse machtsverschuivingen
die tijdens haar afwezigheid hadden plaatsgevonden. Professor Pronken was het
nieuwe opperhoofd. Als nooit tevoren doemde zijn grijze kop ferm boven het
klootjesvolk op het speelplein en in de gangen van De Wielewaal op. Gelijk een
baken in woelige baren gehuld in die eeuwige legergroene bodywarmer tussen de
T-shirts met politiek correcte opdruk en hysterische tuniekjes. Professor
Pronken negeerde Thea zo nadrukkelijk dat er niet aan zijn tegenwoordigheid;
zijn nieuwe houding; de volgepompte borst, geheven kin en ongenaakbare blik te
ontkomen viel. Napoleon Pronken. Ook Jeewee drong zich weer aan Thea op met een
zelfgenoegzame grijns op zijn smoelwerk. Twee minuten daarvoor had Thea hem nog
helemaal op zien gaan in zijn beroemde speelplein voetbalspel met –
voornamelijk – de jongens van groep 8 en hier en daar een teamsport minnend
meisje. Jeewee staarde Thea alleen maar narrig aan, terwijl hij net deed alsof
hij één en al oor was voor de klachten die een oppermoeder in zijn linkeroor
spuide. Om zijn lippen speelde een sarcastisch lachje, maar zijn ogen verrieden
gekwetste trots. Hij was door Thea in de steek gelaten en nu was het te laat.
Zonder het tegenwicht van haar controversiële dagelijkse popop gedurende de
werkweek, was hij inmiddels al lang en breed bezweken voor de tirannie van de
opperouders.
‘Hoe gaat het
met Sabine?’, vroeg Thea opstandig.
‘Kijk daar
komt ze al’, knikte Jeewee ontwijkend.
Vervolgens
keerde hij haar de rug toe om zich heel overdreven in de problematiek van weer
een nieuwe jonkvrouw in nood te verdiepen. Thea beet op haar vuist om te
voorkomen dat ze spontaan op hem in zou beuken. Haar drift werd echter pas goed
getemperd door het bedrukte gezichtje van Sabine. Ze zag een beetje pips.
‘Hoe is het
met je buik?’
‘Gaat wel.’
Ze wreef over
haar darmstreek met het gebaar en de gezichtsuitdrukking van een hoogzwangere
vrouw en vroeg vermoeid:
‘Moeten we nog
wachten op Walter?’
‘Walter is
naar de speeltuin met Tim; kom op meid; we gaan naar huis.’
Voordat Thea
de hand van Sabine kon pakken, zoefde Zarah voorbij en splitste in de
gauwigheid een drietal bibliotheek boeken in de maag van haar lotgenote.
Beduusd voorkwam Sabine dat de boeken op de tegels van het speelplein zouden
glijden door ze plat op haar buik tegen te houden.
‘Hey, wat moet
dat Zarah!’, riep Thea het voormalige vriendinnetje van Sabine na.
Zarah nam pas
op plaats, aarzelde, maar besloot toen toch maar om gehoor te geven aan de
oproep van Thea door stil te blijven staan. Pedant hief ze een vinnig kinnetje.
De heldere kijkers flonkerden arrogant in het felle zonlicht.
‘Dat zijn
biebboeken over chocolade’, zei ze plechtig.
‘Ja, en wat
moeten wij ermee?’
‘Ze moeten
verlengd worden.’
‘Dus?’
Uitdagend
plaatste Zarah haar handen in de zij en slaakte een diepe zucht. Ze wierp het
hoofd in de nek.
‘We doen het
werkstuk toch sammuh!’
‘Hoe ver zijn
jullie al?’, vroeg Thea aan Sabine.
‘We hebben nog
niks’, pruilde Sabine.
‘Hoezo hebben
jullie nog niks?’
De afgelopen
maand hadden Zarah en Sabine elke woensdagmiddag afgesproken om samen aan het
werkstuk te werken. De ene keer bij Sabine en de andere woensdag bij Zarah. Om
en om. Thea had de meisjes geholpen met het gieten van chocoladefiguurtjes. In
een speciaal smeltoventje, dat Sabine ooit van sinterklaas had gekregen toen
hij bij oma had gereden, lukte het met veel vijven en zessen om de chocolade
min of meer op de goede temperatuur te krijgen. Ondertussen glipten de meisjes
naar de trampoline in de tuin en vergaten het chocoladeproject. Met het nodige
geklieder en ongelijkmatig scheutig verdeelde Thea de gesmolten chocolade over
de latex vormpjes. Pas nadat de chocolade hartjes, beertjes en klavertjes vier
uitgehard en eetbaar waren lukte het Thea om de vriendinnen weer naar binnen en
aan de keukentafel te lokken. Giechelend herschikten de meisjes na iedere hap
de slinkende oogst die op een dienblad was uitgestald, terwijl Thea de keuken
kuiste. Om te voorkomen dat het tweetal zich in een recordtempo ziek zou eten,
mocht Zarah de helft van de resterende chocolade figuurtjes mee naar huis
nemen. Het deel van Sabine verdween tijdelijk in de koelkast. Thea leefde in de
ijdele hoop dat het proces leerzaam was geweest. Tegelijkertijd wist ze wel
beter. Persoonlijk zag ze ook niet zoveel verband tussen de theorie van een
werkstuk over chocolade en de praktijk van het gebruik van een speelgoed
smeltoventje. Erg veel zin om nog meer kwaliteit van haar schaarse vrije tijd
met een would-be werkstuk voor dummy’s te verdoen had Thea echter ook niet.
Desondanks probeerde ze de meisjes toch nog aan te sporen om in ieder geval een
paar kernpunten op papier te zetten en al vast een opzet te maken. Misschien
kon er gegoogeld worden? De IPads van Huiswerksterk waren beschikbaar en
mochten geleend worden. Vooral Zarah reageerde stekelig op de bemoeienissen van
Thea.
‘We mogen niet
googelen van Jeewee. We moeten boeken uit de schoolbibliotheek halen.’
‘Natuurlijk
mag je ook weetjes opzoeken op het internet. Wat een onzin’, sneerde Thea die
haar ergernis over de basale kopzorgen in de combiklas 5 en 6 soms niet kon
verbergen.
Zeker niet in
haar eigen huis. De opperouders van De Wielewaal waren in staat om werkelijk
overal een probleem van te maken.
Zarah was
Oost-Indisch doof, maar Sabine was al half overstag.
‘Maar het kan
toch alle twee? We kunnen toch boeken lenen over chocolade en ook weetjes
opzoeken met google’, stelde de schat voor.
‘Mijn moeder
heeft al een brief geschreven naar de chocoladefabriek’, antwoordde Zarah bij
wijze van excuus.
Net zo min als
de waarschijnlijkheid dat het eten van chocolaatjes een praktische bijdrage zou
leveren aan een verslag over de verwerking van cacao; zou een klassikaal uitje
naar een chocoladefabriek een voor de hand liggend instrument zijn bij de
succesvolle voltooiing van het werkstuk van Sabine en Zarah. Misschien dat een
uitje naar de fabriek met alleen de makers van het werkstuk sneller rond zou
zijn geweest via de vriendin van Dalila uit de gemeenteraad? Of dan toch
stukken effectiever. Waarom zou Dalila de hele klas op sleeptouw willen nemen?
Maar hey, Thea bleef stug weigeren om een party pooper zijn.
‘Cool’, vond
Sabine.
‘Mijn moeder
is veel beter als de jouwne’, stookte Zarah niet zacht genoeg voor de oren van
Thea die op dat moment ook in de huiskamer aanwezig was.
‘De jouwe’,
verbeterde Sabine geërgerd.
Thea besloot
het laatste woord te nemen.
‘Dan die van
jou’, zei ze gelaten.
Sedertdien
bleef het stil rond de brief van Dalila aan de chocoladefabriek.
‘Ga er maar
vanuit dat het klasse uitje naar de chocoladefabriek niet doorgaat’,
waarschuwde Thea verbeten.
Ze begon
schreeuwende hoofdpijn te krijgen van Dalila met haar intimidatie van kleine
meisjes. Bovendien had ze haar buik vol van het constante onderhuidse gestoef
van miss moslima. Hoofd- en buikpijn. Psychosomatische reacties in dit geval.
Een vergelijkbare allergische reactie als van Sabine eigenlijk. Uit zelfbehoud
of verdediging van het ego. Zo ook de arrogantie van Zarah die aanstalten
maakte om de benen te nemen van het speelplein. Thea hield haar overdrachtelijk
tegen door Sabine ten gehore van alle aanwezigen een essentiële vraag te
stellen die Zarah ook direct aanging:
‘Dus jullie
hebben nog steeds niks op papier? Wat hebben jullie eigenlijk uitgevoerd op de
woensdagen bij Zarah thuis?’
Sabine kromp
ineen. Gedeeltelijk van de buikkrampen vermoedelijk. Echter denkelijk ook van
een schuldgevoel dat Thea de laatste tijd wel vaker bij haar dochter bespeurde
maar dat ze niet kon duiden. Sabine kermde wanhopig.
‘We hebben met
waterballonnen gespeeld. Adiva had mijn nagels gelakt en we hebben met Erum
door de wijk gefietst, dat heb ik toch verteld?’
‘Ja, dat is
ook helemaal niet erg, rustig maar’, suste Thea gepikeerd.
Alsof Sabine
wat te duchten had van het strenge regime van Dalila; de moeder van een
vriendinnetje nota bene.
‘Wat vindt
jouw moeder hier eigenlijk van Zarah?’
‘Hoezo?’
‘Haar moeder
was werken’, bekende Sabine.
Nu pas. Thea
werd overvallen door een onbehagelijk gevoel.
‘Wie hield er
dan toezicht op jullie die afgelopen woensdagen bij Zarah thuis?’
Thea zocht met
haar ogen eerst een reactie van Sabine. Toen dat antwoord uitbleef
keek ze vragend naar Zarah en weer terug. Aangespoord door de ongewenste stilte
begon Thea te gissen:
‘Was je nieuwe
papa misschien thuis?’
Ze had Zarah
zo bekoorlijk mogelijk benaderd, maar het 8 jarige kind reageerde meteen als
een katje dat niet zonder handschoenen aangehaald kan worden:
‘Mijn nieuwe
vader is tandarts. Hij is altijd thuis. Hij werkt in zijn praktijk!’
‘Hij was aan
het werk dus; wie was er dan wel beschikbaar voor jullie?’
Thea begon
haar geduld te verliezen en Sabine zag de bui al hangen.
‘Adiva en Erum
waren er ook’, bekende ze dus maar snel.
‘Adiva is 11
en Erum is 10!’, riep Thea verbijsterd uit.
‘Ma h am’,
sommeerde Sabine beschaamd.
Was Thea nou
zo burgerlijk of ging Dalila gewoon te ver? Wie maakte een meisje van 11 nou
een hele middag verantwoordelijk voor 2 kinderen van 8 en nog een zusje – Erum
- van 10? Burgerlijk of niet; Thea had iets te veel
voorstellingsvermogen om niet te huiveren bij de gedachte aan wat er allemaal
had kunnen gebeuren. Ze had ook niet naar de wensen van Sabine moeten luisteren
die per sé op de hoek van de laan van het nieuwe, sjieke huis van Zarah afgezet
en weer opgehaald wilde worden. Ze had mee moeten lopen. Aan moeten bellen. Ze
had de oppas moeten controleren. Natuurlijk waren de meisjes geen baby’s meer,
maar ze konden zich ook nog lang niet mondig en mobiel genoeg tegen pedofielen
of andere rare snuiters verweren. Had Zarah nou gewoon met Sabine bij haar oma
afgesproken; dan had Thea de meisjes nog in de veiligheid van de sociale
wijkcontrole rond De Wielewaal geweten. Maar Zarah woonde sinds kort met haar
zusjes en Dalila bij de tandarts in een villawijk aan de rand van de stad,
waar, behalve patiënten, overdag geen normaal volwassen mens te vinden was.
Allemaal fulltime aan het werk. Waar bleef Dalila nou met haar zedenpreken en
levenslessen?
‘Adiva en Erum
helpen met het werkstuk over chocolade. Ik heb het al bijna af! We hebben
Sabine niet nodig’, snoefde Zarah voor het oor en oog van alle aanwezigen en
dan in het bijzonder van Jeewee.
‘Laat zien’,
beval Thea zo luchtig mogelijk ter verdoezeling van haar machteloosheid.
Rustig liep ze
op Zarah af. Voor zichzelf vergoelijkte ze de hoogmoed van het 8 jarige meisje
met de overweging dat opboksen tegen 2 oudere zusjes misschien vroegtijdig wat
meer uitgesproken gedrag bij een kind uitlokte. Alhoewel Dalila deze attitude
van haar dochter nooit zou goedkeuren. Laat staan dat ze in de schoenen van
Thea de brutaliteiten van vreemde kinderen zou accepteren zonder moord en brand
te schreeuwen. Zarah was regelrecht onderdanig in het blikveld van haar moeder.
Maar achter de rug van de haar oppermoeder Dalila om trok Zarah gezichten en
rolde wat met haar ogen. Dat zou lachen worden straks in de puberteit.
‘Dat is nu al
dolle pret in de privésfeer, reken maar’, had Bart weleens gespeculeerd naar
aanleiding van het lijdzame verzet van Zarah tegen haar dominante moeder.
‘Ja, duhuh,
dat werkstuk heb ik thuis op de laptop van mijn moeder staan!’
Met
geaffecteerd tonggeklak rondde Zarah haar statement af.
‘Als jij het
werkstuk liever in je eentje maakt, zonder Sabine, waarom moet Sabine dan jouw
bibliotheekboeken terug brengen?’
Zarah kon het
heen en weer krijgen van Thea. Zo klein als ze was. Jeewee begon cirkeltjes om
het drietal te draaien. Misschien had hij het nodige meegekregen over de
crisis, maar voor hetzelfde geld had hij het weer op zijn heupen en probeerde
hij om lachers op zijn hand te krijgen. Thea kon er geen zinnig woord over
zeggen. Net zo min als over het gedrag van Zarah trouwens die met een
samenzweerderig lachje in zijn richting tevergeefs steun zocht bij Jeewee.
‘Ik ben toch
verhuisd en de boeken zijn van de schoolbieb. Ze moeten vandaag terug.’
Stellig rukte
Thea de boeken uit de handen van Sabine en duwde ze terug in de onwillige armen
van Zarah.
‘Je kunt je
boeken in elk filiaal in de stad terug brengen. Dat hoeft helemaal niet in de
schoolbibliotheek. Trouwens je kunt toch zelf naar de schoolbibliotheek lopen
voordat je naar huis gaat?’
Sabine keek
schichtig om zich heen in de angst dat iemand het conflict tussen Zarah en haar
moeder op de voet volgde. Zo te zien was dat niet het geval en Jeewee kon het
kennelijk allemaal niets schelen. Hij liep gewoon rondjes op het speelplein.
‘De schoolbieb
is vandaag dicht mam’, siste Sabine ter redding van haar eigen kindergezichtje.
Thea werd niet
bepaald rustiger van de disloyaliteit van haar dochter.
‘Dus moet jij
maar opdraaien voor het feit dat Zarah haar boeken anders te laat inlevert?’
‘30 eurocent
boete, maar’, smaalde Zarah.
‘Kijk eens
aan. Geen probleem dus Zarah?! Dan breng jij morgen fijn helemaal zelf jouw
boeken terug naar de schoolbibliotheek?! Dan betaal jij morgen toch gewoon die
luttele 30 eurocent boete?!’
Meer dan de
trillende onderlip van Zarah had Thea niet nodig om meteen al weer spijt van
haar principiële optreden te hebben. Ze vond een oplossing:
‘Maar je kunt
de boeken toch ook gewoon vandaag – op tijd – bij de bibliotheek in dat
overdekte winkelcentrum vlak bij jou in de buurt inleveren?’
Thea was nog
niet uitgepraat of Zarah smeet de biebboeken op de tegels van het
speelplein. Het leesvoer eindigde - geopend op willekeurige
bladzijden - voor de voeten van Sabine die haastig in beweging kwam door te
bukken om de educatie behoedzaam dicht te vouwen en te verzamelen. Met gebalde
vuisten stampvoette Zarah:
‘Ami
tanzazir fi alssayara’.
Of zoiets.
Jeewee schoot eindelijk te hulp.
‘Haar moeder
wacht op haar in de auto,’ zei hij tegen iedereen die maar luisteren wilde,
behalve tegen Thea.
‘Is dat een
vrije vertaling?’, wilde zij desondanks oprecht van hem weten.
‘Nee hoor’,
antwoordde Sabine in plaats van Jeewee.
Ze wees naar
de ingang van het schoolplein:
‘De moeder van
Zarah staat daar.’’
‘Je mag niet
wijzen, Sabine’, antwoordde Thea geheel terzijde.
Dalila daagde
op in de poortopening van het speelplein. Superslank, klein van stuk maar
majestueus door haar stilettohakken, exotisch en autoritair. Haar aura vuurde
dieprode flitsen tegen een zwarte achtergrond. Dalila was niet blij en Zarah
vloog op haar af als een slaafse dienares op haar meesteres. Thea had miss
moslima graag even op haar verantwoordelijkheden aangesproken, maar Zarah en
haar moeder hadden haast. Ook Jeewee hield zijn surveillance op het speelplein
opeens voor gezien voor die dag. Thea nam de lectuur over chocolade van haar
gedesillusioneerde dochter over en met een vrije arm drukte ze troostend de
mollige schoudertjes van Sabine.
‘We gaan naar
de centrale bibliotheek in de stad. We brengen de boeken over chocolade onder
de naam van Zarah terug en we lenen een stapel leesvoer over katten’, bepaalde
ze.
‘Ik heb
buikpijn’, piepte Sabine.
‘Straks niet
meer’, voorspelde Thea.
Bij de auto
barstte Sabine in huilen uit:
‘Ik kan geen
werkstuk maken. Ook niet over katten’, snotterde ze intens verdrietig.
De tranen
lieten streperige sporen na op haar smoezelige bolle wangetjes.
‘Natuurlijk
wel.’
Wat moest Thea
anders zeggen?
‘Dat mag niet
van Jeewee. We moeten samen werken van Jeewee.’
Thea bedwong
zich, maar ze wilde eigenlijk zeggen:
‘Jan-Willem
kan m’n rug op.’
Metaforisch
bedoeld uiteraard.
‘Ik schrijf
wel een mailtje aan Jeewee’, beloofde Thea.
In haar
handtas vond ze papieren zakdoekjes waarmee ze Sabine de neus liet snuiten. De
tranen bleven stromen en Thea zakte door haar knieën, totdat ze op ooghoogte
met Sabine vastbesloten raakte om dit hardnekkige verdriet voor eens en altijd
te doorgronden en daardoor de wereld uit te helpen.
‘Lieve schat
je hebt laatst een laptop van papa gekregen. Je kunt inmiddels al meer kunstjes
met dat ding uithalen dan ik. Je googelt gewoon wat informatie over katten en
huisdierenhobby’s of weet ik veel van het internet en klaar is je werkstuk. Ik
help je wel!’
‘Ik moet
schrijven met de h a n d !’, snikte Sabine.
‘Ow, nou, dat
kan je toch. Je kunt toch schrijven. Je zit in groep 5’.
‘Ja, maar ik
kan niet m o o i schrijven’.
Sabine weende
hartverscheurend. Vermetel wreef ze met haar knuistjes door haar betraande
ogen.
‘Nou en,
schrijven is schrijven. Dat kun je of dat kun je niet.’
In een
flashback zag Thea weer het allereerste onleesbare schrijfsel van Sabine in
groep 3 van juffrouw Dorien in het lokaal aan de waslijn hangen tussen al het
schoonschrift.
Iedereen kan
mooi schrijven, behalve ik’, hield Sabine verdrietig vol.
Ze haalde haar
neus op.
‘We gaan
gewoon een beetje oefenen en dan lukt het vanzelf.’
Sabine
twijfelde. Ze hikte en snotterde nog wat na.
‘Vertrouw nou
maar op je ouwe moeder’, zwoer Thea stoer; maar stiekem nam ze zich voor om
voortaan niet meer voor het Wielewaaleffect op haar kinderen weg te lopen. Heksen
en spoken als nooit tevoren zou ze. Op het speelplein 4 maal schooldaags, met
uitzondering van maar 2 keer op woensdag, en ‘s ochtends in de wandelgangen.
Vanaf morgen weer. De herwonnen gemoedsrust ten spijt. De kinderen hadden haar
nodig als tegengif voor de terreur van de opperouders. Een pijnlijke hereniging
met juffrouw Toos zou ze voorkomen door Walter niet naar zijn plaats in het
lokaal te begeleiden. Ze zou hem voor de deur afzetten. Ondanks het feit dat de
meeste ouders en verzorgers die intense controle tot aan de schoolbanken nog
steeds niet hadden losgelaten. Elke morgen. Een harde kern deed na de
middagpauze het schoolgebouw zelfs nog een tweede maal per dag aan. Zou het
kunnen dat deze fanatiekelingen verder niets te doen hadden de hele dag? Of
troffen zij speciale regelingen met hun baas, waardoor zij - dankzij flexibele werktijden
- zich niet aflatend op de basisschool van hun kinderen met de gang van
zaken konden bemoeien? Hoe dan ook; op deze manier was het ook geen kunst
voor Thea om onopvallend een lijfelijk contact met Jeewee uit de weg te gaan.
Meester Jan-Willem werd als vanouds non-stop belaagd en in beslag genomen door
wie maar zin had om hem lastig te vallen of aan te spreken. Daar kon geen Thea
tussendoor. Uiteraard moest Bart wel de 10 minutengesprekken blijven doen. Zo
hoefde Thea nooit meer een leerkracht van De Wielewaal in de ogen te kijken. Ze
was de schok van de doorgedraaide onderwijswereld, met voortdurend corrigerende
speldenprikjes en permanent de kous op kop, nog lang niet te boven. Daarna zou ze nog weerstand op moeten bouwen
tegen het vervolg van de basisschoolterreur. Bart was minder breekbaar. Gehard
door zijn beroepservaring met volwassenen. Heel anders dan Thea die zich
grotendeels met kinderen en pubers bezig hield en houdt. Privé en door
Huiswerksterk. Een gesprek met meerderjarigen was voor Thea normaliter een
evaluatie; een uitlaatklep. Omgekeerd zag Bart communicatie toch vooral als
middel dat het doel heiligt. In dit geval het herstel van de verziekte relatie
met de directie van De Wielewaal. Met als einddoel een zakelijk contact. Toch
hield Bart de boot af.
‘Een lagere
school is geen commercieel bedrijf dat afhankelijk is van een strakke
marktwerking en gladde winst, maar voorlopig zal ik die rapportbesprekingen van
je overnemen’, beloofde hij dan ook met de nadruk op ‘voorlopig’.
Maar de ouders
stak Thea naar de kroon. Aan hen was zij geen dank of verantwoording
verschuldigd. Sterker nog; Het ouderlijke gepush in de combiklas 5 en 6 kwam
Sabine zinnebeeldig, in de vorm van de perikelen rond het werkstuk over
chocolade, dusdanig de neus uit dat Thea niet anders kon dan aan de noodrem
trekken. Vanwege haar recent gekweekte leerkrachtschuwheid verwoordde ze haar
ongenoegen begrijpelijkerwijs duizend keer liever in een mailtje dan zich - na
weer onnodig lang in de wacht gezet te worden - nogmaals in een pijnlijk
rendez-vous met Don Jeewee te begeven.
Naast het
opgeblazen werkstuk was er namelijk nog een ander gevoelig dingetje dat Thea
bij Jeewee aan de kaak wilde stellen en wel de dubbele moraal van veel ouders
op De Wielewaal en in het specifieke geval dat van Dalila, de moeder van Zarah.
In de eerste
lente op De Wielewaal van de 5jarige Sabine en 4jarige Walter, liet Thea haar
kinderen spontaan zonder kleren in het pierenbadje van de wijkspeeltuin
spetteren en spatteren. Ze was voor het eerst onvoorbereid met haar kleintjes
in de grote speeltuin. Het pierenbadje was een aangename verrassing. Het was
mei. Veel te heet voor de tijd van het jaar en Thea had geen badkleding bij
zich. Sommige kinderen van de naschoolse opvang speelden ook in hun blootje en
de toezichthouders knepen een oogje dicht en waren scheutig met
zonnebrandcrème. In de beslotenheid van de speeltuin en omgeven met
jongerenwerkers, ouders en verzorgers van kleine kinderen leek de enscenering
volkomen onschuldig en natuurlijk. Maar zout lijkt ook sprekend op suiker en zo
bleek achteraf dat er al dagen lang een onguur type in de buurt van de
speeltuin rond hing in de struiken. Handen in de bioscoopzakken van zijn
flodderbroek en maar loeren door de onbegroeide ruitcontouren van het Heras
hekwerk naar de kleintjes in het pierenbad.
Het nieuws
schudde Thea wakker. In de ware zin van het woord en ze kon 2 nachten lang de
slaap niet vatten. Pas nadat ze zich had voorgenomen om nooit meer zo naïef en
ondoordacht met haar kinderen in de boze buitenwereld te treden, doezelde ze de
3de nacht in een lichte koortsdroom waarbij ze Sabine kwijt was en tijdens haar
zoektocht ook Walter uit het oog verloor in de speeltuin van De Wielewaal.
Toen de zomer
voor de derde keer na het incident in alle hevigheid was teruggekeerd, had Bart
inmiddels voor een opklapbaar zwembad in de tuin gezorgd. Op een zonovergoten
woensdagmorgen belde Dalila met de vraag of haar dochter Zarah die middag mocht
komen zwemmen. Ze had al met Sabine afgesproken en Dalila liet Zarah liever
niet over aan de naschoolse opvang met dit mooie weer.
‘Natuurlijk
kan Zarah komen zwemmen. Maar waarom vertrouw je de naschoolse opvang niet?’
vroeg Thea nieuwsgierig.
‘Nou ja, doorgaans
vertrouw ik de naschoolse opvang wel, maar niet met dit weer.’
‘Hoezo niet?’,
drong Thea nog nietsvermoedend aan.
‘Toen het een
tijdje geleden ook zo zonnig was lieten ze Zarah en andere oppaskinderen gewoon
in hun blootje in het pierenbadje van De Wielewaalspeeltuin spelen, terwijl er
een kinderlokker rondliep. Ik vind dat gewoon onverantwoord. En dan hadden ze
van de naschoolse opvang als excuus dat er ook begeleidende ouders stonden toe
te kijken zonder in te grijpen. Het is maar goed dat ik niet weet wie die
ouders waren!’
‘Ik weet dat
nog. Ik wat erbij’, bekende Thea met tegenzin en snel genoeg om niet terug te
kunnen krabbelen.
‘Vind jij dat
normaal?’, vroeg Dalila na een korte pijnlijke stilte uit de hoogte.
‘Achteraf
gezien was het niet slim, nee, maar het was bloedheet en we hadden geen
badkleding bij ons. Trouwens wat is normaal? En die kinderlokker liep niet
rond, maar stond verdekt opgesteld in de bosjes.’
‘Je kunt toch
nadenken, Thea?’
Thea besloot
het geheven vingertje van Dalila te ontwijken
‘Vergeet je
niet om Zarah voor vanmiddag een badpak mee te geven?’
Nou was Thea
niet per sé op wraak belust, maar door de werkstukperikelen van de laatste tijd
begon ze zich wel af te vragen waar Dalila haar kapsones op dacht te baseren.
‘Was het
werken aan het werkstuk met Zarah toch wel leuk de laatste keer dat je bij haar
was?’
Thea deed haar
best om luchtig over te komen. Ze wilde Sabine niet smoren met haar
overbezorgdheid. En ze hoopte dat haar dochter in staat was om het
bibliotheekboekenvoorval met Zarah te zien voor wat het was. Een probleem van
Zarah dat niets met Supersabientje te maken had.
‘Jawel hoor.
Het waterballongevecht in het plantsoen was leuk.’
Nagenietend
begon Sabine zich weer te verkneukelen bij de herinnering aan de afgelopen
woensdagmiddag bij Zarah in de wijk. Thea was blij dat het werkstuk en daarmee
de buikpijn even vergeten werden.
‘Hebben jullie
een waterballongevecht gehouden? Je was helemaal niet meer nat toen ik je
ophaalde’, babbelde Thea met Sabine mee.
‘Zarah mag van
haar moeder haar kleren niet nat maken’, wist Sabine onlogisch.
Thea staarde
haar dochter niet begrijpend aan.
‘Het was wel
warm, maar binnen een tijdsbestek van een uur droogt geen kledingstuk op. Hoe
kun je nou een waterballongevecht houden zonder doorweekt te raken?’
‘We hebben
onze kleren uitgedaan’, legde Sabine onbekommerd uit.
‘Toen waren
jullie bloot?’
‘Ja.’
‘In de
achtertuin?’
‘Nee, in het
park.’
‘En wie was
erbij?’
‘Zarah.’
‘En wie nog
meer?’
‘Niemand.’
‘Waar was de
moeder van Zarah?’
‘Ik weet niet.
Werken denk ik. De moeder van Zarah werkt heel hard.’
Ja en toen was
het stil.
‘Waarom zeg je
nou niks meer mama?’, vroeg het 8jarige meisje ongerust.
’Ik moet even
een mailtje aan Jeewee schrijven’, bracht Thea met moeite uit.
‘Beste
Jan-Willem,
Sabine zou
samen met Zarah een werkstuk over chocolade maken. De samenwerking gaat niet
goed. Zodra de meisjes hier zijn doen ze niets anders dan lol maken. Van werken
aan een werkstuk komt niets terecht en als ik Sabine daarop wijs dan begint
Zarah erg bazig en betweterig te reageren. Liever bemoei ik me dan ook niet met
het huiswerk van het tweetal, maar ik vind wel dat mijn dochter zich door Zarah
laat ondermijnen. Helaas kan ik ook niet op de huiswerkbegeleiding van Dalila
(de moeder van Zarah) rekenen, want zij laat de meisjes in haar nieuwe woning
aan de rand van de stad gewoon aan hun lot over en gaat doodleuk naar haar
werk. Buiten mijn medeweten heeft Sabine al twee woensdagmiddagen zonder
volwassen begeleiding met Zarah door de buitenwijk gestruind. Iedereen mag mij
overbezorgd vinden, maar ik acht mijn 8jarige dochter te klein om,
bijvoorbeeld, in haar nakie waterballongevechten in het plantsoen te houden.
Laat staan zonder privacy of primaire lichaamsbedekking zoals, in dit geval,
een onderbroekje. Achteraf heeft Sabine aan mij toegegeven dat Zarah en zij
woensdag jongstleden wel degelijk in Evakostuum op een grasveldje in het park
met waterballonnen gespeeld hebben. Het was warm weer. Ze besloten in hun
blootje de straat op te gaan, omdat ze de kleren droog wilden houden. Alleen
maar om te voorkomen dat Dalila - de afwezige boze moeder van Zarah – bij
thuiskomst een fit zou krijgen. Blijkt naderhand. Sinds ik op de hoogte ben
gebracht; weet ik niet waar ik het zoeken moet. Mijn razernij, veroorzaakt door
2 meisjes van 8 jaar – zonder oppas – die dachten dat streaken beter was dan
een nat pak en zo – zonder toezicht - door Jan en Alleman van straat opgepikt
hadden kunnen worden, kan ik echter onmogelijk bij Dalila droppen. Ten eerste
is ze moeilijker aan te spreken of te bereiken dan de president van de
Verenigde Staten en ten tweede weet Dalila zich, in de zeldzame
gevallen dat ze wel bereid is om mij te woord te staan, uit elke benarde
situatie te redden door in de slachtofferrol te vervallen. Dalila heeft het
druk; want 3 dochters; want gescheiden van haar Marokkaanse man; want hertrouwd
met een Nederlandse tandarts met een drukke praktijk; want net verhuisd; want
zwanger van haar 4de kind; want 2 banen (1 als ambtenaar van de
gemeente en 2 als gemeente raadslid voor de PvdA) etc, en ga zo nog maar een
tijdje door. Vandaar dat ik voor mijn gevoel niet anders kan dan de
samenwerking tussen Sabine en Zarah opheffen.
Zarah heeft
haar werkstuk over chocolade sowieso bijna af. Naar eigen zeggen heeft ze de
hulp van Sabine niet nodig. En Sabine heeft op haar beurt de buik vol van
chocolade. Letterlijk en figuurlijk. Ze zou veel liever een verhaal over haar 2
katten schetsen en ik zou het zeer op prijs stellen als ik haar bij het tot
stand komen van het werkstuk behulpzaam mag zijn. Ten eerste omdat Sabine door
toedoen van Zarah vertraging heeft opgelopen en de deadline van het werkstuk nu
wel erg kort dag is. Ten tweede omdat Sabine pas in groep 5 zit en in haar
achtste levensjaar welhaast een genie moet zijn om – net als Zarah en de rest
van de wonderkinderen uit groep 5 en 6 – in haar uppie een leesbaar verslag te
kunnen produceren. Bovendien denkt Sabine dat ze moeite heeft met schoon
schrijven. Ze leeft met het waanidee meer tijd nodig te hebben dan andere
kinderen om het verslag met de hand te noteren. Sabine is een heel slim meisje,
maar ze maakt een normale leerontwikkeling door en daar zou ik haar graag, naar
eigen inzicht en overtuiging, in willen blijven ondersteunen.
Nog dezelfde
middag ontving Thea een mailtje van Jeewee retour.
Hallo Thea,
Hartelijk
bedankt voor jouw mail en je eerlijke en duidelijke uitleg. Keurig beschreven
in gedegen algemeen beschaafd Nederlands zonder taal- en spellingsfouten.
Morgen zal ik Zarah en Sabine even apart aanspreken. Ik denk dat het een goed
plan is om de samenwerking te beëindigen. Natuurlijk vind ik het fijn dat je
bereid bent om Sabine te helpen met het werkstuk. Ook mag Sabine haar werkstuk
over katten 2 weken later dan gepland online inleveren. Sabine mag het
handschrift overslaan.’
Met
vriendelijke groeten, Jan-Willem.
Die Jeewee;
wat een lieverd was hij toch ook. Dankzij zijn reactie was Sabine meteen van
haar buikpijn genezen en ze zocht opgelucht de trampoline op, terwijl Thea aan
een weerwoord werkte. Ze had Sabine weliswaar verteld dat ze het verslag over
poezen in haar uppie mocht schrijven van haar schoolmeester, maar niet dat ze
door Jeewee ontheven was van de traditionele schrijfplicht met de
hand. Terwijl het oefenen van dat onvaste handschrift van Sabine het enige was
dat gezien haar leeftijd met betrekking tot dat pretentieuze werkstuk in groep
5 relevant was. Wat een gemakzucht toch weer en zo typerend voor de hedendaagse
docent. Enerzijds werd een kind afgerekend op een abominabel handschrift en
zelfs naar een expert gestuurd. Zoals de kleuter Walter zomaar de
fysiotherapeute Pleuni op zijn dak kreeg. Met zijn zwakke, fijne motoriek.
Dyspraxie wordt dat tegenwoordig genoemd. Dat is weer eens wat anders dan
dyslexie of dyscalculie. Met andere woorden: De 4 jarige Walter kon nog geen
knoop aannaaien en een strikdiploma was veel te hoog gegrepen. Wat was het
devies van Pleuni ook alweer geweest? Oefening baart kunst. Oefenen, oefenen en
nog eens oefenen met kleuren, tekenen, kleien, kraaltjes rijgen, borduren en
hamertje tik. Al dat gefröbel waaraan zowel Walter als Sabine vanaf de eerste
dag dat ze het levenslicht aanschouwden een gloeiende hekel hebben gehad. Niet
zo vreemd dat er in den beginne wel het één en ander op hun handschrift aan te
merken viel. Anderzijds werd Sabine door haar meester in groep 5 van elke
inspanning gevrijwaard door haar maar vooral niet met de hand te laten
schrijven ter verbetering van haar handschrift, terwijl de rest van de klas wel
een handgeschreven werkstuk diende af te leveren. Dus in plaats van het
schrijfmonster om zeep te helpen door het gevecht met de pen aan te gaan; liet
Jeewee de fantomen welig tieren door ze in het speciale geval van Sabine te
laten voortbestaan. Waarom? Omdat hij een kindervriend wilde zijn? Thea gaf
Jeewee het voordeel van de twijfel. Hij wist vast niet beter. Voor de lieve
vrede was Thea dan ook best bereid om in een korte maar krachtige
ontvangstbevestiging een toegefelijke toon aan te slaan. Tevens zou ze Jeewee
in een post scriptum te kennen geven dat Sabine haar werkstuk wel degelijk
online zou inleveren, maar dat ze de uitdraai vervolgens ook met de hand zou
overschrijven. Niet alleen het typoscript, maar ook het manuscript zou Sabine
daarna ter beoordeling aan haar schoolmeester overleggen.
‘Wat goed dat
je Sabine op deze manier wilt helpen met haar handschrift’, mailde Jeewee weer
terug.
Om te
voorkomen dat de frequentie van het mailverkeer bij één van de twee betrokkenen
een ongewenste indruk zou gaan wekken, reageerde Thea maar niet meer. Jeewee
zou zich weleens onterecht vanalles kunnen gaan inbeelden. Voor zover hij dat
al niet deed tenminste. In ieder geval hield hij zich min of meer aan zijn
afspraak en riep de beide meisjes de dag erna bij zich. Wonderlijk genoeg sprak
hij het tweetal niet afzonderlijk toe. Zarah kreeg een flinke uitbrander in het
bijzijn van Sabine. De functie van de aanwezigheid van Sabine bij zijn
uitbrander aan Zarah werd niet helemaal duidelijk. Mogelijk dat het de
bedoeling was dat Sabine verslag moest doen aan haar moeder? Heb je al gehoord
van de puike aanpak van Jeewee? Wat een krachtpatser. Hoewel de plotselinge
kordate aanpak van Jeewee voor het duo niet zo goed te rijmen viel met zijn
gebruikelijke, jolige manier van optreden. Tijdens zijn donderpreek zocht Zarah
zo nu en dan steun van Sabine met een half geamuseerde en half verbaasde
mimiek. Ze was niet bijster onder de indruk van de tirade van Jeewee.
‘Ja, want haar
moeder schreeuwt elke dag veel harder naar haar’, verduidelijkte Sabine later
in een rapportage aan Thea.
Maar voor zijn
doen gaf Jeewee toch in klare Jip en Janneketaal aan het tweetal te kennen dat
het afgelopen was met de samenwerking.
‘Sabine maakt
een werkstuk over katten en jij gaat alleen verder met chocolade’, mopperde hij
bozig en een octaaf lager dan normaal specifiek tegen Zarah.
Na het vonnis
stak Sabine in naam van vriendschap dan ook maar haar hand naar Zarah uit en
opperde:
‘Goedmaken?’
‘Is goed’, gaf
Zarah voorzichtig toe.
De meester zou
geen Jeewee heten als hij dat voor zijn gevoel niet mooi had opgelost.
Mochten
kinderen in hun zesde leerjaar de schoolopdracht tot het maken van een
allereerste werkstukje krijgen dan is de betreffende basisschool er vroeg bij.
In het geval van De Wielewaal vonden de opperouders van de combinatieklas van
Jeewee dat het de reputatie van de school alleen maar ten goede zou komen als
niet alleen de gedeeltelijke groep 6, maar ook de kinderen van de halve groep 5
meteen maar vroegtijdig met deze taak opgezadeld werden. Uiteraard konden de
opperouders op alle steun van Jeewee rekenen. Thea vond het belachelijk dat
haar dochter op 8jarige leeftijd al in staat moest zijn om een verslag te
schrijven, maar Sabine leek zich geen zorgen te maken over de opdracht op zich.
Veel problematischer was de bedoeling dat er samengewerkt zou worden en zo kon
het werkstuk bijna niet anders dan een prestigeproject worden voor de
huilmeisjes van de combigroep 5 en 6. Al 2 maanden voor de deadline was het
verslag het gesprek van de dag en Sabine verveelde zich te pletter bij haar
combiklasgenootjes die de hele dag in een competentiestrijd verwikkeld waren.
Ze ontvluchtte haar combigroep nog vaker en langer dan op gewone schooldagen.
Tijdens het speelkwartier en na schooltijd richtte ze zich volledig op haar
maatjes uit de andere, onverdeelde, groep 5. Zelfs Zarah, het enige niet
gelikte meisje uit de combiklas 5 en 6, raakte bevangen door de heersende
prestatiekoorts. Ze begon sowieso pretenties te krijgen en bevelen uit te delen
aan Sabine. Samen met haar moeder Dalila had Zarah bepaald dat het werkstuk
over de verwerking van cacao zou moeten gaan en dat Sabine daarbij de 2de stem
zou vormen. Eigenlijk was Sabine meer te vinden voor een compositie over
katten, maar moeder Dalila zou een klasse uitje naar de cacaofabriek in
Zaandijk voor haar dochter Zarah kunnen regelen via een kennisje uit de
gemeenteraad. Zo gezegd als kroon op de chocoladeresearch van de twee
vriendinnen. Thea leek zo’n klassikaal uitstapje een beetje te veel van het
goede, maar ze wilde niet nog meer kwaad bloed zetten. Ze had andere zorgen.
Sinds een week of vier klaagde Sabine bijna elke schooldag over buikpijn.
Omdat Thea
zich gedeisd hield en al maanden niet op het speelplein of in het schoolgebouw
geweest was, had ze nog minder sjoege van de lopende zaken, roddels of de
positie van haar kinderen in de klas dan voorheen. In de periode voor haar
boycot kon ze de stemming om zich heen nog peilen aan de hand van de gesprekken
en reacties in de wandelgangen. Als geen ander kan Thea overal en altijd de
sfeer proeven. Of ze nou wil of niet. Juist die eigenschap werd haar grootste
struikelblok op de roerige Wielewaal. Na haar afmars was dan ook een innerlijke
rust opgetreden die haar zoveel energie gaf dat ze zichzelf niet zo 1,2,3 terug
in het hol van de leeuw zag treden. Te meer daar Walter schijnbaar geen
problemen bij juffrouw Toos gaf. Of andersom. Dat kan natuurlijk ook. Aan
juffrouw Toos had Thea te kennen gegeven dat ze zich niet meer op de Wielewaal
zou vertonen. Dringende zaken en de 10 minutengesprekken moesten voortaan maar
met Bart afgehandeld worden. Het neutrale gezicht van Juffrouw Toos betrok;
hetgeen Thea afdeed met de woorden:
‘Ja, voor Bart
is het ook niet leuk.’
Nu echter de
werkstukperikelen van de combigroep 5 en 6 in het maagdarmkanaal van Sabine
begonnen op te spelen, besloot Thea om toch maar weer eens een paar eerste
voorzichtige pasjes in het Wielewaalleven te zetten. Te beginnen op het
speelplein. Ze werd aangestaard door de opperouders alsof ze uit de dood
herrezen was en acuut een stokje kwam steken voor de fikse machtsverschuivingen
die tijdens haar afwezigheid hadden plaatsgevonden. Professor Pronken was het
nieuwe opperhoofd. Als nooit tevoren doemde zijn grijze kop ferm boven het
klootjesvolk op het speelplein en in de gangen van De Wielewaal op. Gelijk een
baken in woelige baren gehuld in die eeuwige legergroene bodywarmer tussen de
T-shirts met politiek correcte opdruk en hysterische tuniekjes. Professor
Pronken negeerde Thea zo nadrukkelijk dat er niet aan zijn tegenwoordigheid;
zijn nieuwe houding; de volgepompte borst, geheven kin en ongenaakbare blik te
ontkomen viel. Napoleon Pronken. Ook Jeewee drong zich weer aan Thea op met een
zelfgenoegzame grijns op zijn smoelwerk. Twee minuten daarvoor had Thea hem nog
helemaal op zien gaan in zijn beroemde speelplein voetbalspel met –
voornamelijk – de jongens van groep 8 en hier en daar een teamsport minnend
meisje. Jeewee staarde Thea alleen maar narrig aan, terwijl hij net deed alsof
hij één en al oor was voor de klachten die een oppermoeder in zijn linkeroor
spuide. Om zijn lippen speelde een sarcastisch lachje, maar zijn ogen verrieden
gekwetste trots. Hij was door Thea in de steek gelaten en nu was het te laat.
Zonder het tegenwicht van haar controversiële dagelijkse popop gedurende de
werkweek, was hij inmiddels al lang en breed bezweken voor de tirannie van de
opperouders.
‘Hoe gaat het
met Sabine?’, vroeg Thea opstandig.
‘Kijk daar
komt ze al’, knikte Jeewee ontwijkend.
Vervolgens
keerde hij haar de rug toe om zich heel overdreven in de problematiek van weer
een nieuwe jonkvrouw in nood te verdiepen. Thea beet op haar vuist om te
voorkomen dat ze spontaan op hem in zou beuken. Haar drift werd echter pas goed
getemperd door het bedrukte gezichtje van Sabine. Ze zag een beetje pips.
‘Hoe is het
met je buik?’
‘Gaat wel.’
Ze wreef over
haar darmstreek met het gebaar en de gezichtsuitdrukking van een hoogzwangere
vrouw en vroeg vermoeid:
‘Moeten we nog
wachten op Walter?’
‘Walter is
naar de speeltuin met Tim; kom op meid; we gaan naar huis.’
Voordat Thea
de hand van Sabine kon pakken, zoefde Zarah voorbij en splitste in de
gauwigheid een drietal bibliotheek boeken in de maag van haar lotgenote.
Beduusd voorkwam Sabine dat de boeken op de tegels van het speelplein zouden
glijden door ze plat op haar buik tegen te houden.
‘Hey, wat moet
dat Zarah!’, riep Thea het voormalige vriendinnetje van Sabine na.
Zarah nam pas
op plaats, aarzelde, maar besloot toen toch maar om gehoor te geven aan de
oproep van Thea door stil te blijven staan. Pedant hief ze een vinnig kinnetje.
De heldere kijkers flonkerden arrogant in het felle zonlicht.
‘Dat zijn
biebboeken over chocolade’, zei ze plechtig.
‘Ja, en wat
moeten wij ermee?’
‘Ze moeten
verlengd worden.’
‘Dus?’
Uitdagend
plaatste Zarah haar handen in de zij en slaakte een diepe zucht. Ze wierp het
hoofd in de nek.
‘We doen het
werkstuk toch sammuh!’
‘Hoe ver zijn
jullie al?’, vroeg Thea aan Sabine.
‘We hebben nog
niks’, pruilde Sabine.
‘Hoezo hebben
jullie nog niks?’
De afgelopen
maand hadden Zarah en Sabine elke woensdagmiddag afgesproken om samen aan het
werkstuk te werken. De ene keer bij Sabine en de andere woensdag bij Zarah. Om
en om. Thea had de meisjes geholpen met het gieten van chocoladefiguurtjes. In
een speciaal smeltoventje, dat Sabine ooit van sinterklaas had gekregen toen
hij bij oma had gereden, lukte het met veel vijven en zessen om de chocolade
min of meer op de goede temperatuur te krijgen. Ondertussen glipten de meisjes
naar de trampoline in de tuin en vergaten het chocoladeproject. Met het nodige
geklieder en ongelijkmatig scheutig verdeelde Thea de gesmolten chocolade over
de latex vormpjes. Pas nadat de chocolade hartjes, beertjes en klavertjes vier
uitgehard en eetbaar waren lukte het Thea om de vriendinnen weer naar binnen en
aan de keukentafel te lokken. Giechelend herschikten de meisjes na iedere hap
de slinkende oogst die op een dienblad was uitgestald, terwijl Thea de keuken
kuiste. Om te voorkomen dat het tweetal zich in een recordtempo ziek zou eten,
mocht Zarah de helft van de resterende chocolade figuurtjes mee naar huis
nemen. Het deel van Sabine verdween tijdelijk in de koelkast. Thea leefde in de
ijdele hoop dat het proces leerzaam was geweest. Tegelijkertijd wist ze wel
beter. Persoonlijk zag ze ook niet zoveel verband tussen de theorie van een
werkstuk over chocolade en de praktijk van het gebruik van een speelgoed
smeltoventje. Erg veel zin om nog meer kwaliteit van haar schaarse vrije tijd
met een would-be werkstuk voor dummy’s te verdoen had Thea echter ook niet.
Desondanks probeerde ze de meisjes toch nog aan te sporen om in ieder geval een
paar kernpunten op papier te zetten en al vast een opzet te maken. Misschien
kon er gegoogeld worden? De IPads van Huiswerksterk waren beschikbaar en
mochten geleend worden. Vooral Zarah reageerde stekelig op de bemoeienissen van
Thea.
‘We mogen niet
googelen van Jeewee. We moeten boeken uit de schoolbibliotheek halen.’
‘Natuurlijk
mag je ook weetjes opzoeken op het internet. Wat een onzin’, sneerde Thea die
haar ergernis over de basale kopzorgen in de combiklas 5 en 6 soms niet kon
verbergen.
Zeker niet in
haar eigen huis. De opperouders van De Wielewaal waren in staat om werkelijk
overal een probleem van te maken.
Zarah was
Oost-Indisch doof, maar Sabine was al half overstag.
‘Maar het kan
toch alle twee? We kunnen toch boeken lenen over chocolade en ook weetjes
opzoeken met google’, stelde de schat voor.
‘Mijn moeder
heeft al een brief geschreven naar de chocoladefabriek’, antwoordde Zarah bij
wijze van excuus.
Net zo min als
de waarschijnlijkheid dat het eten van chocolaatjes een praktische bijdrage zou
leveren aan een verslag over de verwerking van cacao; zou een klassikaal uitje
naar een chocoladefabriek een voor de hand liggend instrument zijn bij de
succesvolle voltooiing van het werkstuk van Sabine en Zarah. Misschien dat een
uitje naar de fabriek met alleen de makers van het werkstuk sneller rond zou
zijn geweest via de vriendin van Dalila uit de gemeenteraad? Of dan toch
stukken effectiever. Waarom zou Dalila de hele klas op sleeptouw willen nemen?
Maar hey, Thea bleef stug weigeren om een party pooper zijn.
‘Cool’, vond
Sabine.
‘Mijn moeder
is veel beter als de jouwne’, stookte Zarah niet zacht genoeg voor de oren van
Thea die op dat moment ook in de huiskamer aanwezig was.
‘De jouwe’,
verbeterde Sabine geërgerd.
Thea besloot
het laatste woord te nemen.
‘Dan die van
jou’, zei ze gelaten.
Sedertdien
bleef het stil rond de brief van Dalila aan de chocoladefabriek.
‘Ga er maar
vanuit dat het klasse uitje naar de chocoladefabriek niet doorgaat’,
waarschuwde Thea verbeten.
Ze begon
schreeuwende hoofdpijn te krijgen van Dalila met haar intimidatie van kleine
meisjes. Bovendien had ze haar buik vol van het constante onderhuidse gestoef
van miss moslima. Hoofd- en buikpijn. Psychosomatische reacties in dit geval.
Een vergelijkbare allergische reactie als van Sabine eigenlijk. Uit zelfbehoud
of verdediging van het ego. Zo ook de arrogantie van Zarah die aanstalten
maakte om de benen te nemen van het speelplein. Thea hield haar overdrachtelijk
tegen door Sabine ten gehore van alle aanwezigen een essentiële vraag te
stellen die Zarah ook direct aanging:
‘Dus jullie
hebben nog steeds niks op papier? Wat hebben jullie eigenlijk uitgevoerd op de
woensdagen bij Zarah thuis?’
Sabine kromp
ineen. Gedeeltelijk van de buikkrampen vermoedelijk. Echter denkelijk ook van
een schuldgevoel dat Thea de laatste tijd wel vaker bij haar dochter bespeurde
maar dat ze niet kon duiden. Sabine kermde wanhopig.
‘We hebben met
waterballonnen gespeeld. Adiva had mijn nagels gelakt en we hebben met Erum
door de wijk gefietst, dat heb ik toch verteld?’
‘Ja, dat is
ook helemaal niet erg, rustig maar’, suste Thea gepikeerd.
Alsof Sabine
wat te duchten had van het strenge regime van Dalila; de moeder van een
vriendinnetje nota bene.
‘Wat vindt
jouw moeder hier eigenlijk van Zarah?’
‘Hoezo?’
‘Haar moeder
was werken’, bekende Sabine.
Nu pas. Thea
werd overvallen door een onbehagelijk gevoel.
‘Wie hield er
dan toezicht op jullie die afgelopen woensdagen bij Zarah thuis?’
Thea zocht met
haar ogen eerst een reactie van Sabine. Toen dat antwoord uitbleef
keek ze vragend naar Zarah en weer terug. Aangespoord door de ongewenste stilte
begon Thea te gissen:
‘Was je nieuwe
papa misschien thuis?’
Ze had Zarah
zo bekoorlijk mogelijk benaderd, maar het 8 jarige kind reageerde meteen als
een katje dat niet zonder handschoenen aangehaald kan worden:
‘Mijn nieuwe
vader is tandarts. Hij is altijd thuis. Hij werkt in zijn praktijk!’
‘Hij was aan
het werk dus; wie was er dan wel beschikbaar voor jullie?’
Thea begon
haar geduld te verliezen en Sabine zag de bui al hangen.
‘Adiva en Erum
waren er ook’, bekende ze dus maar snel.
‘Adiva is 11
en Erum is 10!’, riep Thea verbijsterd uit.
‘Ma h am’,
sommeerde Sabine beschaamd.
Was Thea nou
zo burgerlijk of ging Dalila gewoon te ver? Wie maakte een meisje van 11 nou
een hele middag verantwoordelijk voor 2 kinderen van 8 en nog een zusje – Erum
- van 10? Burgerlijk of niet; Thea had iets te veel
voorstellingsvermogen om niet te huiveren bij de gedachte aan wat er allemaal
had kunnen gebeuren. Ze had ook niet naar de wensen van Sabine moeten luisteren
die per sé op de hoek van de laan van het nieuwe, sjieke huis van Zarah afgezet
en weer opgehaald wilde worden. Ze had mee moeten lopen. Aan moeten bellen. Ze
had de oppas moeten controleren. Natuurlijk waren de meisjes geen baby’s meer,
maar ze konden zich ook nog lang niet mondig en mobiel genoeg tegen pedofielen
of andere rare snuiters verweren. Had Zarah nou gewoon met Sabine bij haar oma
afgesproken; dan had Thea de meisjes nog in de veiligheid van de sociale
wijkcontrole rond De Wielewaal geweten. Maar Zarah woonde sinds kort met haar
zusjes en Dalila bij de tandarts in een villawijk aan de rand van de stad,
waar, behalve patiënten, overdag geen normaal volwassen mens te vinden was.
Allemaal fulltime aan het werk. Waar bleef Dalila nou met haar zedenpreken en
levenslessen?
‘Adiva en Erum
helpen met het werkstuk over chocolade. Ik heb het al bijna af! We hebben
Sabine niet nodig’, snoefde Zarah voor het oor en oog van alle aanwezigen en
dan in het bijzonder van Jeewee.
‘Laat zien’,
beval Thea zo luchtig mogelijk ter verdoezeling van haar machteloosheid.
Rustig liep ze
op Zarah af. Voor zichzelf vergoelijkte ze de hoogmoed van het 8 jarige meisje
met de overweging dat opboksen tegen 2 oudere zusjes misschien vroegtijdig wat
meer uitgesproken gedrag bij een kind uitlokte. Alhoewel Dalila deze attitude
van haar dochter nooit zou goedkeuren. Laat staan dat ze in de schoenen van
Thea de brutaliteiten van vreemde kinderen zou accepteren zonder moord en brand
te schreeuwen. Zarah was regelrecht onderdanig in het blikveld van haar moeder.
Maar achter de rug van de haar oppermoeder Dalila om trok Zarah gezichten en
rolde wat met haar ogen. Dat zou lachen worden straks in de puberteit.
‘Dat is nu al
dolle pret in de privésfeer, reken maar’, had Bart weleens gespeculeerd naar
aanleiding van het lijdzame verzet van Zarah tegen haar dominante moeder.
‘Ja, duhuh,
dat werkstuk heb ik thuis op de laptop van mijn moeder staan!’
Met
geaffecteerd tonggeklak rondde Zarah haar statement af.
‘Als jij het
werkstuk liever in je eentje maakt, zonder Sabine, waarom moet Sabine dan jouw
bibliotheekboeken terug brengen?’
Zarah kon het
heen en weer krijgen van Thea. Zo klein als ze was. Jeewee begon cirkeltjes om
het drietal te draaien. Misschien had hij het nodige meegekregen over de
crisis, maar voor hetzelfde geld had hij het weer op zijn heupen en probeerde
hij om lachers op zijn hand te krijgen. Thea kon er geen zinnig woord over
zeggen. Net zo min als over het gedrag van Zarah trouwens die met een
samenzweerderig lachje in zijn richting tevergeefs steun zocht bij Jeewee.
‘Ik ben toch
verhuisd en de boeken zijn van de schoolbieb. Ze moeten vandaag terug.’
Stellig rukte
Thea de boeken uit de handen van Sabine en duwde ze terug in de onwillige armen
van Zarah.
‘Je kunt je
boeken in elk filiaal in de stad terug brengen. Dat hoeft helemaal niet in de
schoolbibliotheek. Trouwens je kunt toch zelf naar de schoolbibliotheek lopen
voordat je naar huis gaat?’
Sabine keek
schichtig om zich heen in de angst dat iemand het conflict tussen Zarah en haar
moeder op de voet volgde. Zo te zien was dat niet het geval en Jeewee kon het
kennelijk allemaal niets schelen. Hij liep gewoon rondjes op het speelplein.
‘De schoolbieb
is vandaag dicht mam’, siste Sabine ter redding van haar eigen kindergezichtje.
Thea werd niet
bepaald rustiger van de disloyaliteit van haar dochter.
‘Dus moet jij
maar opdraaien voor het feit dat Zarah haar boeken anders te laat inlevert?’
‘30 eurocent
boete, maar’, smaalde Zarah.
‘Kijk eens
aan. Geen probleem dus Zarah?! Dan breng jij morgen fijn helemaal zelf jouw
boeken terug naar de schoolbibliotheek?! Dan betaal jij morgen toch gewoon die
luttele 30 eurocent boete?!’
Meer dan de
trillende onderlip van Zarah had Thea niet nodig om meteen al weer spijt van
haar principiële optreden te hebben. Ze vond een oplossing:
‘Maar je kunt
de boeken toch ook gewoon vandaag – op tijd – bij de bibliotheek in dat
overdekte winkelcentrum vlak bij jou in de buurt inleveren?’
Thea was nog
niet uitgepraat of Zarah smeet de biebboeken op de tegels van het
speelplein. Het leesvoer eindigde - geopend op willekeurige
bladzijden - voor de voeten van Sabine die haastig in beweging kwam door te
bukken om de educatie behoedzaam dicht te vouwen en te verzamelen. Met gebalde
vuisten stampvoette Zarah:
‘Ami
tanzazir fi alssayara’.
Of zoiets.
Jeewee schoot eindelijk te hulp.
‘Haar moeder
wacht op haar in de auto,’ zei hij tegen iedereen die maar luisteren wilde,
behalve tegen Thea.
‘Is dat een
vrije vertaling?’, wilde zij desondanks oprecht van hem weten.
‘Nee hoor’,
antwoordde Sabine in plaats van Jeewee.
Ze wees naar
de ingang van het schoolplein:
‘De moeder van
Zarah staat daar.’’
‘Je mag niet
wijzen, Sabine’, antwoordde Thea geheel terzijde.
Dalila daagde
op in de poortopening van het speelplein. Superslank, klein van stuk maar
majestueus door haar stilettohakken, exotisch en autoritair. Haar aura vuurde
dieprode flitsen tegen een zwarte achtergrond. Dalila was niet blij en Zarah
vloog op haar af als een slaafse dienares op haar meesteres. Thea had miss
moslima graag even op haar verantwoordelijkheden aangesproken, maar Zarah en
haar moeder hadden haast. Ook Jeewee hield zijn surveillance op het speelplein
opeens voor gezien voor die dag. Thea nam de lectuur over chocolade van haar
gedesillusioneerde dochter over en met een vrije arm drukte ze troostend de
mollige schoudertjes van Sabine.
‘We gaan naar
de centrale bibliotheek in de stad. We brengen de boeken over chocolade onder
de naam van Zarah terug en we lenen een stapel leesvoer over katten’, bepaalde
ze.
‘Ik heb
buikpijn’, piepte Sabine.
‘Straks niet
meer’, voorspelde Thea.
Bij de auto
barstte Sabine in huilen uit:
‘Ik kan geen
werkstuk maken. Ook niet over katten’, snotterde ze intens verdrietig.
De tranen
lieten streperige sporen na op haar smoezelige bolle wangetjes.
‘Natuurlijk
wel.’
Wat moest Thea
anders zeggen?
‘Dat mag niet
van Jeewee. We moeten samen werken van Jeewee.’
Thea bedwong
zich, maar ze wilde eigenlijk zeggen:
‘Jan-Willem
kan m’n rug op.’
Metaforisch
bedoeld uiteraard.
‘Ik schrijf
wel een mailtje aan Jeewee’, beloofde Thea.
In haar
handtas vond ze papieren zakdoekjes waarmee ze Sabine de neus liet snuiten. De
tranen bleven stromen en Thea zakte door haar knieën, totdat ze op ooghoogte
met Sabine vastbesloten raakte om dit hardnekkige verdriet voor eens en altijd
te doorgronden en daardoor de wereld uit te helpen.
‘Lieve schat
je hebt laatst een laptop van papa gekregen. Je kunt inmiddels al meer kunstjes
met dat ding uithalen dan ik. Je googelt gewoon wat informatie over katten en
huisdierenhobby’s of weet ik veel van het internet en klaar is je werkstuk. Ik
help je wel!’
‘Ik moet
schrijven met de h a n d !’, snikte Sabine.
‘Ow, nou, dat
kan je toch. Je kunt toch schrijven. Je zit in groep 5’.
‘Ja, maar ik
kan niet m o o i schrijven’.
Sabine weende
hartverscheurend. Vermetel wreef ze met haar knuistjes door haar betraande
ogen.
‘Nou en,
schrijven is schrijven. Dat kun je of dat kun je niet.’
In een
flashback zag Thea weer het allereerste onleesbare schrijfsel van Sabine in
groep 3 van juffrouw Dorien in het lokaal aan de waslijn hangen tussen al het
schoonschrift.
Iedereen kan
mooi schrijven, behalve ik’, hield Sabine verdrietig vol.
Ze haalde haar
neus op.
‘We gaan
gewoon een beetje oefenen en dan lukt het vanzelf.’
Sabine
twijfelde. Ze hikte en snotterde nog wat na.
‘Vertrouw nou
maar op je ouwe moeder’, zwoer Thea stoer; maar stiekem nam ze zich voor om
voortaan niet meer voor het Wielewaaleffect op haar kinderen weg te lopen. Heksen
en spoken als nooit tevoren zou ze. Op het speelplein 4 maal schooldaags, met
uitzondering van maar 2 keer op woensdag, en ‘s ochtends in de wandelgangen.
Vanaf morgen weer. De herwonnen gemoedsrust ten spijt. De kinderen hadden haar
nodig als tegengif voor de terreur van de opperouders. Een pijnlijke hereniging
met juffrouw Toos zou ze voorkomen door Walter niet naar zijn plaats in het
lokaal te begeleiden. Ze zou hem voor de deur afzetten. Ondanks het feit dat de
meeste ouders en verzorgers die intense controle tot aan de schoolbanken nog
steeds niet hadden losgelaten. Elke morgen. Een harde kern deed na de
middagpauze het schoolgebouw zelfs nog een tweede maal per dag aan. Zou het
kunnen dat deze fanatiekelingen verder niets te doen hadden de hele dag? Of
troffen zij speciale regelingen met hun baas, waardoor zij - dankzij flexibele werktijden
- zich niet aflatend op de basisschool van hun kinderen met de gang van
zaken konden bemoeien? Hoe dan ook; op deze manier was het ook geen kunst
voor Thea om onopvallend een lijfelijk contact met Jeewee uit de weg te gaan.
Meester Jan-Willem werd als vanouds non-stop belaagd en in beslag genomen door
wie maar zin had om hem lastig te vallen of aan te spreken. Daar kon geen Thea
tussendoor. Uiteraard moest Bart wel de 10 minutengesprekken blijven doen. Zo
hoefde Thea nooit meer een leerkracht van De Wielewaal in de ogen te kijken. Ze
was de schok van de doorgedraaide onderwijswereld, met voortdurend corrigerende
speldenprikjes en permanent de kous op kop, nog lang niet te boven. Daarna zou ze nog weerstand op moeten bouwen
tegen het vervolg van de basisschoolterreur. Bart was minder breekbaar. Gehard
door zijn beroepservaring met volwassenen. Heel anders dan Thea die zich
grotendeels met kinderen en pubers bezig hield en houdt. Privé en door
Huiswerksterk. Een gesprek met meerderjarigen was voor Thea normaliter een
evaluatie; een uitlaatklep. Omgekeerd zag Bart communicatie toch vooral als
middel dat het doel heiligt. In dit geval het herstel van de verziekte relatie
met de directie van De Wielewaal. Met als einddoel een zakelijk contact. Toch
hield Bart de boot af.
‘Een lagere
school is geen commercieel bedrijf dat afhankelijk is van een strakke
marktwerking en gladde winst, maar voorlopig zal ik die rapportbesprekingen van
je overnemen’, beloofde hij dan ook met de nadruk op ‘voorlopig’.
Maar de ouders
stak Thea naar de kroon. Aan hen was zij geen dank of verantwoording
verschuldigd. Sterker nog; Het ouderlijke gepush in de combiklas 5 en 6 kwam
Sabine zinnebeeldig, in de vorm van de perikelen rond het werkstuk over
chocolade, dusdanig de neus uit dat Thea niet anders kon dan aan de noodrem
trekken. Vanwege haar recent gekweekte leerkrachtschuwheid verwoordde ze haar
ongenoegen begrijpelijkerwijs duizend keer liever in een mailtje dan zich - na
weer onnodig lang in de wacht gezet te worden - nogmaals in een pijnlijk
rendez-vous met Don Jeewee te begeven.
Naast het
opgeblazen werkstuk was er namelijk nog een ander gevoelig dingetje dat Thea
bij Jeewee aan de kaak wilde stellen en wel de dubbele moraal van veel ouders
op De Wielewaal en in het specifieke geval dat van Dalila, de moeder van Zarah.
In de eerste
lente op De Wielewaal van de 5jarige Sabine en 4jarige Walter, liet Thea haar
kinderen spontaan zonder kleren in het pierenbadje van de wijkspeeltuin
spetteren en spatteren. Ze was voor het eerst onvoorbereid met haar kleintjes
in de grote speeltuin. Het pierenbadje was een aangename verrassing. Het was
mei. Veel te heet voor de tijd van het jaar en Thea had geen badkleding bij
zich. Sommige kinderen van de naschoolse opvang speelden ook in hun blootje en
de toezichthouders knepen een oogje dicht en waren scheutig met
zonnebrandcrème. In de beslotenheid van de speeltuin en omgeven met
jongerenwerkers, ouders en verzorgers van kleine kinderen leek de enscenering
volkomen onschuldig en natuurlijk. Maar zout lijkt ook sprekend op suiker en zo
bleek achteraf dat er al dagen lang een onguur type in de buurt van de
speeltuin rond hing in de struiken. Handen in de bioscoopzakken van zijn
flodderbroek en maar loeren door de onbegroeide ruitcontouren van het Heras
hekwerk naar de kleintjes in het pierenbad.
Het nieuws
schudde Thea wakker. In de ware zin van het woord en ze kon 2 nachten lang de
slaap niet vatten. Pas nadat ze zich had voorgenomen om nooit meer zo naïef en
ondoordacht met haar kinderen in de boze buitenwereld te treden, doezelde ze de
3de nacht in een lichte koortsdroom waarbij ze Sabine kwijt was en tijdens haar
zoektocht ook Walter uit het oog verloor in de speeltuin van De Wielewaal.
Toen de zomer
voor de derde keer na het incident in alle hevigheid was teruggekeerd, had Bart
inmiddels voor een opklapbaar zwembad in de tuin gezorgd. Op een zonovergoten
woensdagmorgen belde Dalila met de vraag of haar dochter Zarah die middag mocht
komen zwemmen. Ze had al met Sabine afgesproken en Dalila liet Zarah liever
niet over aan de naschoolse opvang met dit mooie weer.
‘Natuurlijk
kan Zarah komen zwemmen. Maar waarom vertrouw je de naschoolse opvang niet?’
vroeg Thea nieuwsgierig.
‘Nou ja, doorgaans
vertrouw ik de naschoolse opvang wel, maar niet met dit weer.’
‘Hoezo niet?’,
drong Thea nog nietsvermoedend aan.
‘Toen het een
tijdje geleden ook zo zonnig was lieten ze Zarah en andere oppaskinderen gewoon
in hun blootje in het pierenbadje van De Wielewaalspeeltuin spelen, terwijl er
een kinderlokker rondliep. Ik vind dat gewoon onverantwoord. En dan hadden ze
van de naschoolse opvang als excuus dat er ook begeleidende ouders stonden toe
te kijken zonder in te grijpen. Het is maar goed dat ik niet weet wie die
ouders waren!’
‘Ik weet dat
nog. Ik wat erbij’, bekende Thea met tegenzin en snel genoeg om niet terug te
kunnen krabbelen.
‘Vind jij dat
normaal?’, vroeg Dalila na een korte pijnlijke stilte uit de hoogte.
‘Achteraf
gezien was het niet slim, nee, maar het was bloedheet en we hadden geen
badkleding bij ons. Trouwens wat is normaal? En die kinderlokker liep niet
rond, maar stond verdekt opgesteld in de bosjes.’
‘Je kunt toch
nadenken, Thea?’
Thea besloot
het geheven vingertje van Dalila te ontwijken
‘Vergeet je
niet om Zarah voor vanmiddag een badpak mee te geven?’
Nou was Thea
niet per sé op wraak belust, maar door de werkstukperikelen van de laatste tijd
begon ze zich wel af te vragen waar Dalila haar kapsones op dacht te baseren.
‘Was het
werken aan het werkstuk met Zarah toch wel leuk de laatste keer dat je bij haar
was?’
Thea deed haar
best om luchtig over te komen. Ze wilde Sabine niet smoren met haar
overbezorgdheid. En ze hoopte dat haar dochter in staat was om het
bibliotheekboekenvoorval met Zarah te zien voor wat het was. Een probleem van
Zarah dat niets met Supersabientje te maken had.
‘Jawel hoor.
Het waterballongevecht in het plantsoen was leuk.’
Nagenietend
begon Sabine zich weer te verkneukelen bij de herinnering aan de afgelopen
woensdagmiddag bij Zarah in de wijk. Thea was blij dat het werkstuk en daarmee
de buikpijn even vergeten werden.
‘Hebben jullie
een waterballongevecht gehouden? Je was helemaal niet meer nat toen ik je
ophaalde’, babbelde Thea met Sabine mee.
‘Zarah mag van
haar moeder haar kleren niet nat maken’, wist Sabine onlogisch.
Thea staarde
haar dochter niet begrijpend aan.
‘Het was wel
warm, maar binnen een tijdsbestek van een uur droogt geen kledingstuk op. Hoe
kun je nou een waterballongevecht houden zonder doorweekt te raken?’
‘We hebben
onze kleren uitgedaan’, legde Sabine onbekommerd uit.
‘Toen waren
jullie bloot?’
‘Ja.’
‘In de
achtertuin?’
‘Nee, in het
park.’
‘En wie was
erbij?’
‘Zarah.’
‘En wie nog
meer?’
‘Niemand.’
‘Waar was de
moeder van Zarah?’
‘Ik weet niet.
Werken denk ik. De moeder van Zarah werkt heel hard.’
Ja en toen was
het stil.
‘Waarom zeg je
nou niks meer mama?’, vroeg het 8jarige meisje ongerust.
’Ik moet even
een mailtje aan Jeewee schrijven’, bracht Thea met moeite uit.
‘Beste
Jan-Willem,
Sabine zou
samen met Zarah een werkstuk over chocolade maken. De samenwerking gaat niet
goed. Zodra de meisjes hier zijn doen ze niets anders dan lol maken. Van werken
aan een werkstuk komt niets terecht en als ik Sabine daarop wijs dan begint
Zarah erg bazig en betweterig te reageren. Liever bemoei ik me dan ook niet met
het huiswerk van het tweetal, maar ik vind wel dat mijn dochter zich door Zarah
laat ondermijnen. Helaas kan ik ook niet op de huiswerkbegeleiding van Dalila
(de moeder van Zarah) rekenen, want zij laat de meisjes in haar nieuwe woning
aan de rand van de stad gewoon aan hun lot over en gaat doodleuk naar haar
werk. Buiten mijn medeweten heeft Sabine al twee woensdagmiddagen zonder
volwassen begeleiding met Zarah door de buitenwijk gestruind. Iedereen mag mij
overbezorgd vinden, maar ik acht mijn 8jarige dochter te klein om,
bijvoorbeeld, in haar nakie waterballongevechten in het plantsoen te houden.
Laat staan zonder privacy of primaire lichaamsbedekking zoals, in dit geval,
een onderbroekje. Achteraf heeft Sabine aan mij toegegeven dat Zarah en zij
woensdag jongstleden wel degelijk in Evakostuum op een grasveldje in het park
met waterballonnen gespeeld hebben. Het was warm weer. Ze besloten in hun
blootje de straat op te gaan, omdat ze de kleren droog wilden houden. Alleen
maar om te voorkomen dat Dalila - de afwezige boze moeder van Zarah – bij
thuiskomst een fit zou krijgen. Blijkt naderhand. Sinds ik op de hoogte ben
gebracht; weet ik niet waar ik het zoeken moet. Mijn razernij, veroorzaakt door
2 meisjes van 8 jaar – zonder oppas – die dachten dat streaken beter was dan
een nat pak en zo – zonder toezicht - door Jan en Alleman van straat opgepikt
hadden kunnen worden, kan ik echter onmogelijk bij Dalila droppen. Ten eerste
is ze moeilijker aan te spreken of te bereiken dan de president van de
Verenigde Staten en ten tweede weet Dalila zich, in de zeldzame
gevallen dat ze wel bereid is om mij te woord te staan, uit elke benarde
situatie te redden door in de slachtofferrol te vervallen. Dalila heeft het
druk; want 3 dochters; want gescheiden van haar Marokkaanse man; want hertrouwd
met een Nederlandse tandarts met een drukke praktijk; want net verhuisd; want
zwanger van haar 4de kind; want 2 banen (1 als ambtenaar van de
gemeente en 2 als gemeente raadslid voor de PvdA) etc, en ga zo nog maar een
tijdje door. Vandaar dat ik voor mijn gevoel niet anders kan dan de
samenwerking tussen Sabine en Zarah opheffen.
Zarah heeft
haar werkstuk over chocolade sowieso bijna af. Naar eigen zeggen heeft ze de
hulp van Sabine niet nodig. En Sabine heeft op haar beurt de buik vol van
chocolade. Letterlijk en figuurlijk. Ze zou veel liever een verhaal over haar 2
katten schetsen en ik zou het zeer op prijs stellen als ik haar bij het tot
stand komen van het werkstuk behulpzaam mag zijn. Ten eerste omdat Sabine door
toedoen van Zarah vertraging heeft opgelopen en de deadline van het werkstuk nu
wel erg kort dag is. Ten tweede omdat Sabine pas in groep 5 zit en in haar
achtste levensjaar welhaast een genie moet zijn om – net als Zarah en de rest
van de wonderkinderen uit groep 5 en 6 – in haar uppie een leesbaar verslag te
kunnen produceren. Bovendien denkt Sabine dat ze moeite heeft met schoon
schrijven. Ze leeft met het waanidee meer tijd nodig te hebben dan andere
kinderen om het verslag met de hand te noteren. Sabine is een heel slim meisje,
maar ze maakt een normale leerontwikkeling door en daar zou ik haar graag, naar
eigen inzicht en overtuiging, in willen blijven ondersteunen.
Nog dezelfde
middag ontving Thea een mailtje van Jeewee retour.
Hallo Thea,
Hartelijk
bedankt voor jouw mail en je eerlijke en duidelijke uitleg. Keurig beschreven
in gedegen algemeen beschaafd Nederlands zonder taal- en spellingsfouten.
Morgen zal ik Zarah en Sabine even apart aanspreken. Ik denk dat het een goed
plan is om de samenwerking te beëindigen. Natuurlijk vind ik het fijn dat je
bereid bent om Sabine te helpen met het werkstuk. Ook mag Sabine haar werkstuk
over katten 2 weken later dan gepland online inleveren. Sabine mag het
handschrift overslaan.’
Met
vriendelijke groeten, Jan-Willem.
Die Jeewee;
wat een lieverd was hij toch ook. Dankzij zijn reactie was Sabine meteen van
haar buikpijn genezen en ze zocht opgelucht de trampoline op, terwijl Thea aan
een weerwoord werkte. Ze had Sabine weliswaar verteld dat ze het verslag over
poezen in haar uppie mocht schrijven van haar schoolmeester, maar niet dat ze
door Jeewee ontheven was van de traditionele schrijfplicht met de
hand. Terwijl het oefenen van dat onvaste handschrift van Sabine het enige was
dat gezien haar leeftijd met betrekking tot dat pretentieuze werkstuk in groep
5 relevant was. Wat een gemakzucht toch weer en zo typerend voor de hedendaagse
docent. Enerzijds werd een kind afgerekend op een abominabel handschrift en
zelfs naar een expert gestuurd. Zoals de kleuter Walter zomaar de
fysiotherapeute Pleuni op zijn dak kreeg. Met zijn zwakke, fijne motoriek.
Dyspraxie wordt dat tegenwoordig genoemd. Dat is weer eens wat anders dan
dyslexie of dyscalculie. Met andere woorden: De 4 jarige Walter kon nog geen
knoop aannaaien en een strikdiploma was veel te hoog gegrepen. Wat was het
devies van Pleuni ook alweer geweest? Oefening baart kunst. Oefenen, oefenen en
nog eens oefenen met kleuren, tekenen, kleien, kraaltjes rijgen, borduren en
hamertje tik. Al dat gefröbel waaraan zowel Walter als Sabine vanaf de eerste
dag dat ze het levenslicht aanschouwden een gloeiende hekel hebben gehad. Niet
zo vreemd dat er in den beginne wel het één en ander op hun handschrift aan te
merken viel. Anderzijds werd Sabine door haar meester in groep 5 van elke
inspanning gevrijwaard door haar maar vooral niet met de hand te laten
schrijven ter verbetering van haar handschrift, terwijl de rest van de klas wel
een handgeschreven werkstuk diende af te leveren. Dus in plaats van het
schrijfmonster om zeep te helpen door het gevecht met de pen aan te gaan; liet
Jeewee de fantomen welig tieren door ze in het speciale geval van Sabine te
laten voortbestaan. Waarom? Omdat hij een kindervriend wilde zijn? Thea gaf
Jeewee het voordeel van de twijfel. Hij wist vast niet beter. Voor de lieve
vrede was Thea dan ook best bereid om in een korte maar krachtige
ontvangstbevestiging een toegefelijke toon aan te slaan. Tevens zou ze Jeewee
in een post scriptum te kennen geven dat Sabine haar werkstuk wel degelijk
online zou inleveren, maar dat ze de uitdraai vervolgens ook met de hand zou
overschrijven. Niet alleen het typoscript, maar ook het manuscript zou Sabine
daarna ter beoordeling aan haar schoolmeester overleggen.
‘Wat goed dat
je Sabine op deze manier wilt helpen met haar handschrift’, mailde Jeewee weer
terug.
Om te
voorkomen dat de frequentie van het mailverkeer bij één van de twee betrokkenen
een ongewenste indruk zou gaan wekken, reageerde Thea maar niet meer. Jeewee
zou zich weleens onterecht vanalles kunnen gaan inbeelden. Voor zover hij dat
al niet deed tenminste. In ieder geval hield hij zich min of meer aan zijn
afspraak en riep de beide meisjes de dag erna bij zich. Wonderlijk genoeg sprak
hij het tweetal niet afzonderlijk toe. Zarah kreeg een flinke uitbrander in het
bijzijn van Sabine. De functie van de aanwezigheid van Sabine bij zijn
uitbrander aan Zarah werd niet helemaal duidelijk. Mogelijk dat het de
bedoeling was dat Sabine verslag moest doen aan haar moeder? Heb je al gehoord
van de puike aanpak van Jeewee? Wat een krachtpatser. Hoewel de plotselinge
kordate aanpak van Jeewee voor het duo niet zo goed te rijmen viel met zijn
gebruikelijke, jolige manier van optreden. Tijdens zijn donderpreek zocht Zarah
zo nu en dan steun van Sabine met een half geamuseerde en half verbaasde
mimiek. Ze was niet bijster onder de indruk van de tirade van Jeewee.
‘Ja, want haar
moeder schreeuwt elke dag veel harder naar haar’, verduidelijkte Sabine later
in een rapportage aan Thea.
Maar voor zijn
doen gaf Jeewee toch in klare Jip en Janneketaal aan het tweetal te kennen dat
het afgelopen was met de samenwerking.
‘Sabine maakt
een werkstuk over katten en jij gaat alleen verder met chocolade’, mopperde hij
bozig en een octaaf lager dan normaal specifiek tegen Zarah.
Na het vonnis
stak Sabine in naam van vriendschap dan ook maar haar hand naar Zarah uit en
opperde:
‘Goedmaken?’
‘Is goed’, gaf
Zarah voorzichtig toe.
De meester zou
geen Jeewee heten als hij dat voor zijn gevoel niet mooi had opgelost.
HOOFDSTUK 22
Hoe leg je aan
een 8 jarig meisje uit dat katten in de loop van de eeuwen gedomesticeerd zijn?
Wat zijn eeuwen? Waarom komen katten altijd op hun pootjes terecht en hoezo
hebben ze 9 levens? Waar komen al die soorten en maten vandaan en wat is het
verschil tussen een lapjespoes en een rooie kater? Gelukkig was Thea niet voor
één gat te vangen
‘Weet je wat?
We maken van elke vraag een hoofdstuk.’
‘Goed’, begon
Sabine ijverig.
Aangemoedigd
brainstormde Thea verder:
‘Bij elke
moeilijke term; schrijf jij in je eigen woorden mijn uitleg op.’
Sabine zat zo
machtig lief met haar Stabilo (ergonomische balpen) in de starthouding aan de
keukentafel.
‘Wat is een
term?’
Thea masseerde
haar slapen. 10 Huiswerksterk klanten achter elkaar op één middag vergden
minder inspanning dan het bedenken van een paar woorden voor het werkstuk van
Sabine. Elke zin werd een martelgang van een generatiekloof; van langs elkaar
af praten, oeverloze uitleg en wederzijds onbegrip. In haar afgewogen pogingen
om zoveel mogelijk aan het niveau van haar dochter tegemoet te komen, bleef
Thea steeds een verkeerde toon aan slaan.
‘Ik ben heus
niet dom hoor’, gilde Sabine op de top van haar frustratie.
‘Nee, zeg ik
dat dan!’, schreeuwde Thea hysterisch terug.
‘Niet met
zoveel woorden’, zei Bart tot overmaat van ramp.
Hij smeerde
boterhammen aan het aanrecht en stond met zijn rug naar Sabine en Thea toe.
Thea vond dat
hij het conflict onnodig uitvergrootte.
‘Doe jij het
dan als je het zo goed weet?!’
Bart was zich
van geen kwaad bewust en hij antwoordde over zijn schouder:
‘Waarom zou
ik? Alleen maar om de andere ouders van de combiklas 5 en 6 te overtreffen?!
Goh; Sabine; hebben je vader en moeder dat werkstuk helemaal zelf gemaakt?’
‘Ik probeer
juist om Sabine zoveel mogelijk zelf te laten doen,’ protesteerde Thea.
‘Doe geen
moeite; ik kan niks zelf, want ik ben zo dom toch?!’, resumeerde Sabine niet
gehinderd door enige consideratie met de goede bedoelingen van haar moeder.
Dit keer
schrok Thea van de volwassen, ironische ondertoon van de opmerking van Sabine.
‘Wat ben je
toch geobsedeerd door ‘dom’ en ‘slim’, vond ze.
Bokkig gooide
Sabine de Stabilo van zich af. De pen stuiterde over de keukentafel op de
grond. Onverzettelijk kruiste ze de armen voor haar borst en mokte:
‘Jij bent pas
dom mama.’
Een verbale
opdonder die Thea haastig weg probeerde te moffelen met een geintje:
‘Stel dat je
gelijk hebt, dan heb ik er zelf in ieder geval geen weet van’.
‘Je moeder is
best slim hoor; ze zegt alleen af en toe domme dingen en raap die pen eens even
op’, gebood Bart, terwijl hij over de Stabilo heenstapte
op weg naar de koelkast.
‘Nou, even
dan’, mokte Sabine terwijl ze de daad bij haar woorden voegde.
Ondertussen
had Thea tot 10 geteld. Ze herstelde zich:
‘Maar nee,
Sabine, even serieus. Je bent juist hartstikke slim. Alles wat ik aan je uitleg
dat snap je. Dat merk ik aan de manier waarop je de dingen in je eigen woorden
kunt na vertellen en opschrijven. Maar het is logisch dat je niet uit jezelf
weet wat bijvoorbeeld ‘gedomesticeerd’ of ‘erfelijkheid’ betekent. Dat kun je
niet bedenken. Dat zijn feitjes. Bovendien ben je gezien je leeftijd gewoon
niet in staat om in je hoofd bepaalde verbindingen te leggen die je wel nodig
hebt om een samenhangend geheel van je werkstuk te maken.’
Na dit vurige
betoog keek Sabine haar moeder onbewogen aan en antwoordde lauw:
‘De leidster
van de plusgroep zegt dat de kinderen van de plusgroep uit mijn klas wel
helemaal zelf een werkstuk kunnen maken.’
‘Wie is de
leidster van de plusgroep?’
Bart vroeg het
aan Thea, maar Sabine gaf antwoord.
‘Juffrouw
Jade.’
‘Nee, dat is
toch de interne coördinatrice van De Wielewaal?’, wist Thea zeker.
‘Oh, maar Jade
kan zoveel; ze is hoogbegaafd net als ‘sommige ouders’ van de kinderen van de
plusgroep uit de combinatieklas 5/6 die al wel helemaal zelf een werkstuk
kunnen maken. Ouders in plaats van ‘sommige kinderen’. Dat bedoelt Jade zeker,
verbeterde Bart droogjes, waarna hij Sabine een roze, plastic Hello Kittybord
met daarop een boterham met chocoladepasta voorschotelde.
‘Waar bemoeit
dat Jademens zich mee?’, pruttelde Thea verontwaardigd.
‘Ze is de
leidster van de plusgroep én ze komt weleens helpen in groep 5 en 6. We mogen
haar bijvoorbeeld ook om tips en tops vragen bij het werkstukproject.’
Aan het slot
van haar lofzang voor Jade hapte Sabine voldaan in haar boterham.
Thea zweeg beledigd. Ze voelde zich teruggefloten door haar 8jarige dochter. Ze
kon moeilijk een boekje open doen over de narcistische trekjes van de interne
coördinatrice van De Wielewaal zonder Sabine te belasten met een negatief beeld
van Jade. Sabine had nog een drieënhalf jarige weg te gaan op basisschool De
Wielewaal die vermoedelijk - ook zonder besef van de vloek van Jade - al niet
zonder slag of stoot zou verlopen. Waarom de zaken in de toekomst complexer
maken dan hoogst noodzakelijk? Maar daar dacht Bart blijkbaar anders over. Hij
wendde zich tot zijn dochter en meesmuilde:
‘En dan te
bedenken dat Jade zelf zo dom is dat ik haar in staat zie om
te struikelen over draadloos internet.’
‘Jade zegt dat
dom niet bestaat’, grinnikte Sabine al minder overtuigd van haar zaak.
In haar
mondhoeken plakten restjes chocoladepasta.
‘Oh, maar dat
klopt. De meeste mensen hebben alleen een beetje meer moeite met nadenken dan
ik’, snoefde Bart tijdens zijn gang naar de huiskamer gewapend met een stapel
belegde boterhammen op een rood plastic Cars bord van Walter.
‘Sommige
kinderen uit mijn klas hebben ook meer moeite met nadenken dan ik,’ realiseerde
Sabine zich vergenoegd naar aanleiding van de egotripperij van Bart.
‘Wie zichzelf
niet kietelt die lacht nooit’, concludeerde Thea.
Ze was
opgelucht dat Bart met zijn typische humor de escalatie van een ruzie – die
overigens lastig te duiden was - tussen moeder en dochter had weten te
voorkomen.
Ergens in die
traagzame voorbereidingstijd van het kattenwerkstuk werd Thea op een ochtend
gebeld door Dalila; de moeder van Zarah. Nadat Dalila zichzelf had aangemeld,
viel er en stilte die Thea als pijnlijk ervoer. Ze vreesde dat Dalila aan de
telefoon hing om verhaal te halen over het aandeel van Thea in de stukgelopen
samenwerking tussen Zarah en Sabine betreffende het werkstuk over chocolade.
Onterecht zo bleek toen Dalila eindelijk het initiatief nam en het seconden
lange zwijgen verbrak:
‘Ik wilde je
wat vragen?’
‘Vragen staat
vrij.’
Ondanks de
amicale toon van Dalila hield Thea een slag om de arm. De vriendelijkheid kon
een valstrik zijn. Bij miss moslima moest een ieder op de tellen passen.
‘Sabine gaat
niet naar de schoolopvang op De Wielewaal tussen de middag toch?’
‘Nee’,
antwoordde Thea zuinig.
‘Maar Zarah
heeft al wel vaak tussen de middag bij Sabine geluncht.’
‘Jawel’,
bekende Thea en waarschijnlijk was dat al te veel gezegd.
‘Kunnen we
daar geen vaste afspraken over maken?’
‘Waarom?’
Het hart van
Thea ontnam haar wederom de vrije adem door in haar luchtpijp repetitief
aan te kloppen als een persisterende voorbode van een naderend onheil.
‘Nou die 2
euro voor de tussen schoolse opvang, terwijl Zarah bij jou lunchte, die krijg
ik niet meer terug. Dan kan ik in het vervolg toch beter 50 eurocent aan jou
betalen en de tussen schoolse opvang afzeggen? Dat scheelt mij ook weer klauwen
met geld.’
‘Kost dat 2
euro per dag?’
‘Een
weekstrippenkaart kost 7 euro; maar normaliter betaal je voor de opvang 2 euro
per kind per dag ja. En ik heb 3 meiden op De Wielewaal. Hoewel, mijn oudste,
Adiva, volgend schooljaar naar de middelbare gaat. Maar dan nog zit ik met
Zarah en Erum.’
‘Dus dat geld
moet je vooraf betalen en als je een middaguurtje opvang overslaat dan krijg je
het niet meer terug?’, vroeg Thea ongelovig.
‘In zekere zin
niet, want Zarah is steeds vergeten te vermelden wanneer ze tussen de middag
geen gebruik zou maken van de opvang op school. Haar strippenkaart wordt toch
gewoon iedere dag afgevinkt. Ook als Zarah met Sabine mee naar huis gaat in de
middagpauze. Ik vind dat heel erg slecht.’
‘Ja en?’,
contesteerde Thea met trillende stem, omdat ze intuïtief aanvoelde dat Dalila
niet in staat was om zonder weerwoord de absurditeit van haar eigen irreële
verwachtingspatroon in te zien.
‘Als ik nou
met jou vaste opvangdata afspreek dan kunnen Zarah en Erum toch even goed
tussen de middag bij jou terecht?’
‘Nee
natuurlijk niet!’, beet Thea ietwat te fel toe.
Jammer van die
onnodige uithaal, maar de kans om haar opgekropte venijn te luchten liet ze
zich niet ontnemen. Dalila schrok er van.
‘Hoezo niet?
Ik betaal je er heus wel voor. Ik dacht zelf aan 50 eurocent per kind per dag.
Dat komt dan voor jou op 4 euro verdiensten per schoolweek. Ze nemen natuurlijk
hun eigen lunch mee.’
‘In mijn
Renault is slechts plaats voor 5 kinderen. Wat doe ik dan als Walter ook eens
iemand mee wil nemen voor de lunch tussen de middag?’
‘Wie is
Walter?’
‘Walter is de
broer van Sabine.’
‘Hoe oud?’
‘Hoezo?’
‘Zit hij ook
op De Wielewaal?’
‘Ja.’
‘Ow, al die
meiden en dan een jonge knul ertussen.’
‘Dat bedoel
ik. Niet leuk voor een knulletje van 7 jaar.’
‘Ow, hij is
pas zeven jaar? Maar dan nog’, aarzelde Dalila opgelucht.
‘Wat bedoel
jij dan?’
Thea hield
zich bewust van de domme. Ze had geen andere verdediging tegen zoveel
agressieve preutsheid.
‘De meeste
jongens hebben heus wel een fiets’, antwoordde Dalila ontwijkend en praktisch.
Thea had
Dalila niet naar haar bedoelingen gevraagd in afwachting van een antwoord, maar
om tijd te winnen. Ze kon zo snel geen goede argumenten verzinnen om het
voorstel van Dalila resoluut edoch niet onbeleefd af te wijzen.
‘Zarah en Erum
hebben toch ook een fiets?’
Linksom of
rechtsom; Thea was echter hoe dan ook niet van plan om haar vrijheid op te
geven voor de grillen van een positief gediscrimineerd, hoogzwanger
carrièredrama dat op de rand van een burn-out en aan de vooravond van een
postnatale depressie stond.
‘Ja, maar ik
laat Zarah niet alleen komen. En al helemaal niet op de fiets. We zijn net
verhuisd. We wonen nu op ruim een half uur fietsen van De Wielewaal vandaan. Ik
breng ze naar school voor m’n werk en ik haal ze op na mijn werk met de auto.
Trouwens het zusje van Zarah moet tussen de middag ook ergens blijven. Of je
neemt Erum erbij of je krijgt geen van tweeën.’
‘Nou geen van
tweeën dus, dag Dalila.’
‘Wacht even,
je weet toch dat ik zwanger ben van Edwin; een Nederlandse man?’
‘Ja, die
beroemde tandarts, ja’, antwoordde Thea ongeduldig.
Hoewel ze toch
wel benieuwd was naar de ontboezeming die op deze mededeling van Dalila zou
volgen.
‘Ik zag je
laatst staan toen je Zarah op kwam halen bij De Wielewaal. Je bent nog zo slank
als een den. Hoe ver ben je?’
‘Zestien
weken, maar ik toon nooit.’
‘Jemig zeg dat
wel, met 16 weken kon je mij bij alle twee de zwangerschappen vooruit rollen’,
overdreef Thea giechelend.
Dalila had
geen oor voor ongein:
‘Mijn broers
zijn het niet met mijn huwelijk en de zwangerschap eens. Edwin is een
Nederlander. Hij is ook nog ongelovig. Nou ja, ik bedoel, geen moslim of zo.
Nou sturen ze constant nare berichtjes naar Zarah en Erum. Edwin en ik hebben
mijn broers meteen geblokkeerd, maar daarom voelen de meisjes zich nog niet
veilig bij hun oma waar ze hun ooms nog wel constant in het eggie tegen komen.
Mijn moeder - de oma van Zarah en Erum – woont vlak bij De Wielewaal.
Natuurlijk zijn mijn meisjes nog wel welkom bij hun oma tussen de middag. Maar
nou hun ooms zo lelijk doen is een bezoekje aan oma zonder begeleiding van
Edwin of mij te veel gevraagd van die kleintjes. Jade, de interne
coördinatrice, en Jeewee zijn ook van de toestanden op de hoogte. Zij dachten
meteen aan jou. Zarah en Sabine zijn ten slotte vriendinnen. Dat is de enige
reden dat ik je bel.’
De
bekonkelende klankkleur van de bekentenis stond Thea tegen. Ze wist ook zeker
dat Dalila loog over de referenties van Jade en Jeewee. Onuitstaanbaar en
manipulatief ja, maar Thea schatte de beide leerkrachten toch professioneel
genoeg in om openlijk en niet zonder persoonlijk gewin veel te ver over de
grens van de privacy van ouders en het betamelijke te treden.
‘Hoeveel
broers heb je?’
‘Twee.’
Dalila klonk
gehaast alsof ze eigenlijk verwacht had dat Thea na haar onthullingen meteen
overstag zou zijn gegaan.
‘Hoe oud?’
Thea is zelf
de jongste uit een gezin van 4 kinderen met 3 oudere broers.
’30 en 28,
hoezo?’
‘Dus 2
volwassen mannen van 30 en 28 intimideren hun nichtjes van 8 en 10 jaar met
berichtjes via de telefoon? Omdat jij met een Nederlandse man hertrouwd bent?
Dat laten je moeder en jij gewoon gebeuren?’
‘Tsja, het is
moeilijk met het islamitische geloof; eerwraak en zo’, beweerde Dalila leukweg.
Met moeite
bleef Thea serieus.
‘Ja dat ken ik
wel van het katholieke geloof. Alleen laten wij katholieke vrouwen ons in onze
geloofsgemeenschap niet wegzetten door een paar irritante macho-opneukertjes.
Dat hoeven wij niet te pikken van onze vader die in de hemel zijt. Uw naam
worde geheiligd. Uw rijke kome. Uw wil geschiedde op aarde zoals in
de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld zoals
ook wij anderen hun schuld vergeven en leidt ons niet in bekoring maar verlos
ons van het kwade.’
Aan de andere
kant van de lijn was te horen dat Dalila moeilijk slikte. Thea sloot af:
‘Amen.’
‘Mijn moeder
zegt er ook wat van’, beweerde Dalila nu een tikje geïntimideerd.
‘Jij zeker
niet?’, schamperde Thea.
In de
herinnering van Thea doemde het beeld van de moeder van Dalila; oma van Zarah;
een oude vrouw in haar fantasieloze gewaden op het speelplein van De Wielewaal
op. De gure westen wind speelde met haar donkere hoofdtooi en zij lachte en
knikte vriendelijk. Voor elk wat wils. Haar soortgenoten begroette ze met een
wentelend tonggeluid, nog veel meer Arabisch kabaal en rode appelwangetjes.
Ondertussen
had Dalila zich aan de andere zijde van de telefoonverbinding weer hersteld en
ze verklaarde hautain:
‘Mijn moeder
vindt dat al haar kinderen een eigen leven moeten leiden’.
‘Wat
vooruitstrevend van haar’, prees Thea spottend.
Dalila liet
niet los:
‘Toch laat ik
Erum en Zarah beter voorlopig niet tussen de middag bij mijn moeder eten. De
kans dat ze mijn broers tegen komen is gewoon te riskant.’
‘Ik wil me
nergens mee bemoeien, maar waarom stuur je Erum en Zarah niet naar een
basisschool die dichter in de buurt van de tandartsenpraktijk van je nieuwe
echtgenoot ligt?’
Dalila nam
even de tijd om haar gesprekspartner woordeloos terug op de door
haar gewenste afstand te delegeren:
‘We zien wel.
Ik wil graag dat je over mijn voorstel nadenkt. Laat je op korte termijn weten
wanneer Zarah en Erum welkom zijn?’
Om een hoop
opgekropte frustraties en onnodige hoofdbrekers te voorkomen dwong Thea
zichzelf om assertief te zijn. In een flits dacht ze aan het lik op stuk beleid
dat Bart altijd propageert. Meteen reageren om slapeloze nachten te voorkomen.
Een lekker leven heb je zelf in de hand. Karma. Miss moslima was een uit de
kluiten gewassen cultuurshock met een hele riedel valse noten op haar zang.
‘Nee, ik doe
het niet.’
‘Wat zeg je?’
‘Nee.’
‘En als ik er
nou 25 eurocent bovenop doe. Per kind?’
‘Nee.’
‘1 euro per
kind en dat is mijn laatste voorstel.’
‘Nee Dalila’.
‘Ja, als ik 1
euro 25 moet neertellen dan kan ik Erum en Zarah net zo goed op de tussen
schoolse opvang van De Wielewaal laten zitten’, realiseerde Dalila zich
beteuterd.
‘Doe dat dan
maar’, stelde Thea lieflijk voor.
‘Hoeveel wil
je hebben dan? 1 euro 50 per kind? Vooruit.’
‘Mijn vrijheid
is niet te koop. Ik wil mijn tijd graag zelf indelen. Bovendien heb ik net als
jij ook een baan en een gezin en een huishouden en een leven. Dag Dalila.’
Nadat de
verbinding verbroken was moest Thea even bijkomen van het zojuist gevoerde
gesprek. Een verlammende kwaadheid hield haar slokdarm in een wurggreep. Ze had
de keuze om Bart uit een vergadering te bellen en haar hart uit te storten of
op eigen kracht weer opstaan en haar kroontje rechtzetten. Bart zou naar haar
luisteren. Zoals zo vaak. Frequent genoeg zelfs voor Thea om zijn
steunbetuigingen te kunnen dromen. Peptalk is equivalent aan liefkozen met
woorden. Knuffelen op commando niettemin mist uitwerking. Zeker in een
tussendoor telefoontje tijdens een vergadering. Thea kon zelf ook wel bedenken
dat ze adequaat gereageerd had op Dalila. Maar de vernedering was een ander
verhaal. Alsof Thea een dienstmeid of een kinderjuf was die zich voor een appel
en een ei maar te schikken had naar de agenda van ene miss moslima.
‘Je weet zelf
wel beter toch?’, zou Bart haar kriegelig corrigeren.
‘Natuurlijk’,
wist Thea zo langzamerhand helemaal niet zo zeker meer.
In
werkelijkheid zei Bart alleen maar waar de situatie op stond. De vraag was
alleen of Thea op dat moment behoefte had aan feitelijkheden.
‘Je moet dit
soort confrontaties van je afzetten. Je hebt er alleen maar jezelf mee. Denk je
nou echt dat Dalila verder nog één gedachte aan jou vuil maakt? Ze is pisnijdig
omdat ze haar zin niet heeft kunnen doordrijven. Ze is allang weer op zoek naar
een nieuw slachtoffer. Jij hebt je niet laten piepelen. Je kunt trots op jezelf
zijn. Jij hebt laten merken wat je vindt en daar moet je het bij laten.’
‘Wat je vindt
moet je naar het politiebureau brengen’, sputterde Thea tegen omdat
ze niet wist bij wie ze anders haar gram moest halen.
‘Ja en daarna
hoor je nooit meer iets van je aangifte. De misdaad is al georganiseerd, nu de
politie nog,’ monkelde Bart.
Gevolglijk
borg Thea haar rancune op in het hokje ‘miss moslima’ ergens in haar
achterhoofd. Oneerlijk en net goed. Sinds Dalila moet elke islamitische vrouw
zich voor Thea 10 keer zo hard bewijzen om haar de pedanterie van de algemeen
erkende underdog te doen vergeten. Tot op heden heeft nog geen enkele moslima
de behoefte laten zien om überhaupt zelfs maar één enkele poging te willen
ondernemen om Westerse vrouwen zoals Thea tegemoet te willen komen. Buigen komt
de eer te na. Waarom zou Thea die andere wang dan ook nog moeten aanbieden?
Katholieken zijn net zo goed gelovig als islamieten, maar gelijkerwijs niet
gek.
Het werkstuk
over katten kwam op tijd af. Digitaal en met de hand geschreven door Sabine op
speciaal stevig, roze lijntjespapier met poezenkopjes in de kantlijnen. Het
ontwerp had Bart de nodige hoofdbrekers gekost, maar het overschrijfwerk
werd er voor Sabine wel een stuk uitdagender door. Haar handschrift verbeterde
zienderogen naarmate het verslag vorderde. De illustraties en de lay-out nam
Sabine eigenhandig voor haar rekening. Thea zou niet eens geweten hebben hoe ze
pagina’s in Word kon indelen of foto’s en tekeningen van het internet zou
moeten downloaden of verplaatsen naar een document. Sabine ontpopte zich als
een getalenteerd illustrator met oog voor detail en verhoudingen. Het kind was
pas 8 jaar en ze vertaalde haar creatieve brein naar de meest uiteenlopende
online toepassingen alsof ze nooit anders gedaan had.
Aansluitend
bleef het heel lang stil. Klaarblijkelijk was de storm in de combigroep 5 en 6
op het werkstukkenfestijn gaan liggen. Een vroege zomerzon liet in mei het
felle licht al op het einde van het schooljaar schijnen en er gold een
tropenrooster. Na het middaguur werd het al dagen aan een stuk te warm om te
leren of zelfs maar te bewegen. Zonder het voetbalspel van Jeewee met zijn
volgelingen leek het blanco speelplein met grijze tegels op een
oververhitte, sidderende bakplaat. De teamleden van de naschoolse opvang wisten
niet hoe snel ze met hun groepjes overblijfkinderen naar de wijkspeeltuin
moesten vluchten voor een waterballonnengevecht. Met zomerkleren aan uiteraard.
Een jeugdwerker droeg zelfs een opgerolde tuinslang over zijn schouder. Achter
hem verscheen Sabine. Ze liep tegen het licht in op Thea af met haar pols als
een zonneklep tussen haar wenkbrauwen en drukte haar moeder een strookje papier
in de hand. Thea herinnerde zich geen recente aankondiging voor een
luizencontrole; dus een alarmbriefje kon het niet zijn. Thea las:
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’
‘Van wie is
dit?’
Vanuit haar
tenen voelde Thea haar onderdrukte woede jegens het team van De Wielewaal
opnieuw opborrelen. Waar in het verleden toch vooral een sluimerende
verzoeningsgezindheid Thea tijdens een driftbui wist te temperen; bereikte haar
frustratie nu een compromisloos verzadigingspunt. Eigenlijk was geestdodend wel
een afdoende simplificatie van het proces dat uiteindelijk tot die clichématige
uitspraak leidde:
‘Ik word er zo
moe van!’
‘Dat briefje
is van Jeewee’.
De ondertoon
van Sabine klonk niet best. Ze was terecht aangeslagen en boos. Het liefst was
Thea meteen op de aanstichter meester Jan-Willem de verschrikkelijke afgestapt,
maar Walter was inmiddels ook uit school gearriveerd en hij maande zijn moeder
en zus aan om haast te maken. Hij wilde zo snel mogelijk thuis zwemmen in het
opklapbare Bestway gezinszwembad dat Bart, dit jaar vroeger dan andere jaren
vanwege het prille zomerweer, in de tuin had opgebouwd. Zijn vriendje Tim zou
over 5 minuten door moeder Jenny bij de voordeur van het huis van Walter
afgezet worden. Jenny zou haar zoon Tim gewoon voor een gesloten deur van een
speeladres achter laten. Desnoods de hele woensdagmiddag als Thea niet in actie
kwam. Bovendien herinnerde Thea zich ineens dat Ronnie uit de andere groep 5
ook zou komen zwemmen die middag. Sabine had hem gevraagd.
Of Ronnie
voorwaar op zou komen dagen, hing eveneens van zijn moeder af. Al naar gelang
de stand van haar denkbeeldige stemmingsmuts. Maud kon zich schappelijk
opstellen als ze wilde, maar ze was één van de snelste meeloopmoeders die Thea
van De Wielewaal kende. Maud was een soort roddelgraadmeter. Als Ronnie niet
mocht komen spelen dan kon Thea er zeker van zijn dat haar nietige persoontje
weer eens van top tot teen over de tong ging bij de ouders van de kinderen van
De Wielewaal. Moeder Thea was terug uit de gratie. Thea had weer wat gezegd op
het verkeerde moment. Of ze had; niet gereageerd, verkeerd gekeken, of ze had
iets van de opperouders aan. Of niet. Of ze was juist hot. Of te cool. Maud zou
er beter aan doen om zich te distantiëren van het roddelcircuit. Maud hoorde er
toch niet bij. Haar gedweep met de consorten van De Wielewaal maakte echt geen
verschil voor haar reputatie. Dat had Thea haar wel kunnen vertellen. Al was ze
stinkend rijk geweest dan nog was ze niet geslepen genoeg om het schimmenspel
van de incrowd te beheersen. Maud was geen controversiële vrouw of een mens met
een spraakmakende uitstraling en verder viel er ook niet veel aan de moeder van
Ronnie te beleven. Ze woonde niet in de opgewaardeerde kakwijk bij De
Wielewaal, maar, net als Bart en Thea, elders in een gerenoveerde volkswijk met
haar gezinnetje en ze was maar gewoon hulp op een kinderdagverblijf bij haar in
de straat. Heimelijk had Thea medelijden met de ukjes uit dat
kinderdagverblijf, want Maud was nooit van harte vriendelijk en vaak chagrijnig
met een ontevreden uitdrukking die permanent in haar gezicht leek gegraveerd
als in een deprimerende portretfoto. Wel was ze altijd bereid om als hulpouder
in te springen bij buitenschoolse activiteiten van De Wielewaal. Dat moet gezegd.
Desondanks had Maud niet alleen niets te vertellen bij de populaire papa’s en
mama’s, maar was ze zelfs bij de groupies van de opperouders geen blijvertje.
In het ergste geval droop ze af en wachtte in de schaduw op een hernieuwde kans
om een greep naar de populariteit te doen.
Op die
schaduwplek was de dochter van Thea ineens wel goed genoeg voor haar zoon.
Zolang als het duurde. Maar in de schijnwerpers moest Ronnie zoveel mogelijk
met de betuttelde kinderen van de ouderkliek spelen die Maud met niet aflatende
moeite voor een afspraakje met haar zoon had weten om te kopen. Ze kon echter
niet voorkomen dat Ronnie tijdens de speelkwartiertjes op school een zwak voor
Sabine ontwikkelde en andersom. Zij het beide met de nodige reserves. Sabine
omdat Ronnie op zijn moeder leek en bijgevolg een kuddedier was. Ronnie omdat
hij naar voorbeeld van zijn moeder dacht dat het nodig was om zijn beste
vriendinnetje Sabine naar believen af te stoten om bij de nazaten van de
opperouders en hun volgelingen in de smaak te vallen
In haar hart
vond Thea het vriendje van haar dochter een beetje sneu. Bij Bart en Thea thuis
deed Ronnie niets liever dan make-up en verkleedtrucjes. Dan liep hij
vervolgens de hele woensdagmiddag met gestifte lippen en glitter oogschaduw in
een prinsessenjurk van Sabine rond. Moet kunnen natuurlijk; maar of de
opperouders er ook zo over dachten bleef een vraag voor Thea en een weet voor
Maud. In ieder geval nodigde de kortzichtige inborst van Maud niet uit tot een
open gesprek over het onderwerp transseksualiteit. Ronnie beweerde minstens 1
keer per speelbezoek over zichzelf dat hij in een verkeerd lichaam geboren was.
‘Ik had
eigenlijk een meisje moeten zijn’, placht hij, liefst in het volle ornaat van
een sprookjesjurk uit de verkleedkist van Sabine en in het gehoorbereik van
moeder Thea, herhaaldelijk te laten vallen.
Na verloop van
zo’n stuk of 10 van die make-up - en verkleeduitspattingen bij haar thuis begon
Thea in het geval van Ronnie echter te twijfelen aan het
natuurverschijnsel waardoor een meisje in het lichaam van een jongen geboren
wordt of vice versa. Het gedrag en daarmee de provocaties van Ronnie leken
eerder op aandachttrekkerij dan op geslachtsgebonden genotsbeleving. De
prinsessenjurk en de make-up veranderden niets anders dan het uiterlijk van een
seksloos jongetje. Ronnie bleef zichzelf. Geen transgender, maar wel een
verloren kind met een wanhopige schreeuw om affectie. Thea was zelfs nog zo gek
geweest om voor Ronnie te proberen om Maud op een eerlijke, vriendschappelijke
manier aan te spreken op het opvallende speelgedrag van het vriendje van haar
dochter. Thea kwam niet verder dan wat prietpraat. Ze bood koffie aan.
Misschien bliefde Maud een gebakje?
Dat ene
roomsoesje was mogelijk al ietwat te beklemmend geweest, want na twee keer een
bakkie doen op verzoek van Thea begon Maud een muur om zich heen op te trekken.
Zij zat niet te wachten op een vriendelijk woord van Thea en Ronnie had Sabine
heus ook niet nodig hoor. Ronnie en Sabine zaten niet – meer – bij elkaar in de
klas. Sabine zat immers in de combigroep en Ronnie in de complete groep 5
alwaar hij de vriendjes volgens moeder Maud voor het uitkiezen had. Bovendien
genoot Ronnie thuis de overweldigende aanwezigheid van zijn schat van een
oudere zus. Happy. Wie kende Happy nou niet? Het superzusje van Ronnie dat op
een schandalige wijze consequent door Maud werd voorgetrokken. Het was Happy
voor, Happy na. Nou was Happy niet al te snugger. Ze zat op De Wielewaal een
groep hoger dan Ronnie; in de complete groep 6 – dus niet in de splitsing 5/6
bij Jeewee -, terwijl ze al bijna 12 jaar was. Ze was hinderlijk op de
voorgrond aanwezig, zodat je haar wel moest kennen of je wilde of niet en ze
kon eigenlijk niet aan de potentie van haar jongere broertje Ronnie tippen.
Maar wist Ronnie veel; hij leed slechts onder een dwangneurose die hem
dicteerde in een meisje te moeten transformeren om net als Happy een kans te
maken op de onvoorwaardelijke liefde van zijn moeder. Om dezelfde reden liet
hij zijn beste vriendinnetje Sabine bij het minste of geringste stikken. Zonder
zelf te snappen waarom, terwijl Sabine keek, zag, begreep, haar eigen
conclusies trok en langzaam maar zeker steeds weerbaarder werd.
Thuis achter
haar p.c. spuide Thea met tussenpozen haar kwaadheid in een mail aan Jeewee. De
open tuindeuren achter haar zogen een doffe, tropische temperatuur de huiskamer
binnen. Op de achtergrond poedelden 4 kinderen in het opklapbare zwembad in de
tuin. Haar gemoed verdoofde door het gekir, gekletter en geroep tijdens de
korte pauzes die Thea zichzelf vanwege de hitte wel moest gunnen, wilde ze niet
ontploffen. Zolang ze achterover in haar bureaustoel wat voor zich uit
mijmerde, terwijl ze loom van haar Lipton met klontjes en een rietje lurkte,
leek het commentaar van Jeewee op het kattenwerkstuk een futiliteit. Zodra ze
zich echter weer op de voltooiing van haar mail richtte en zich hernieuwd in de
kritiek op de inspanningen van Sabine verdiepte; laaide het vuur in haar toch
al gloeiende hersenpan weer op. Meteen bij thuiskomst had ze naar De Wielewaal
gebeld in de hoop Jeewee aan de telefoon te krijgen. Volgens de conciërge was
hij toevallig net weg.
‘Jeewee is
toevallig net weg? Een kwartier nadat de kinderen vervroegd naar huis zijn in
verband met een tropenrooster?’, betwijfelde Thea.
‘Ja’,
antwoordde de conciërge veel te stellig en snel om het vermoeden van
instructies van Jeewee bij Thea weg te nemen.
Thea vreesde
dat ze niet hallucineerde. Het betrof hier wel Jeewee die normaliter praktisch
op school woonde; die de tijd nam om zich met ouders te omringen en die
overduidelijk energie putte uit de middelpuntvliedende kracht van het centrum
van de belangstelling. Mogelijk gemaakt door opperouders en hun gehoorzame
kinderen. Die gouwe vent van een Jeewee, wiens deur van het klaslokaal bij
Thea’s weten nog nooit voor zessen ‘s avonds gesloten was geweest. Dezelfde
Jeewee zou vandaag – een schooldag – onvoorzien in het vroege middaguur al met
de noorderzon vertrokken zijn? De conciërge kon Thea nog meer vertellen.
Alhoewel; Als Jeewee bang was en vluchtte voor de reacties van Bart of Thea
waarom dan toch dat snoeiharde commentaar op het werkstuk over katten van een
8jarig meisje schrijven? Voor de 20ste keer vouwde Thea het verfomfaaide
strookje papier uiteen, streek het glad op het bureaublad en controleerde nog
maar eens voor de zekerheid of de beoordeling wel echt zo beledigend was als
Thea dacht.
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.
Haar
furiositeit nam alleen maar toe. Des te meer omdat de kwaadheid van Sabine ook
nog overdrachtelijk latent aanwezig was. Thea hoefde haar dochter maar even een
blik van verstandhouding te geven of het snoetje van Sabine betrok in de
verbeten stand van die morgen op het speelplein toen ze het berichtje van
Jeewee net gelezen had. Omdat Thea elk moment dreigde over te koken besloot ze
om deze keer Bart wel lastig te vallen met een telefoontje naar zijn werk.
‘Ik ben een spoedgeval’,
begon ze.
‘Dat ben je
toch altijd’, vond Bart gelaten.
‘O.k., nou
luister even, dan lees ik je voor wat Jeewee op het poezenwerkstuk van ons
kleine meisje te zeggen had:
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken’.’
Nadat Thea het
commentaar van Jeewee had voorgelezen nam Bart even de tijd om te antwoorden.
‘Ben je van
slag of probeer je weer 2 dingen tegelijk te doen?’
Thea deed een
mislukte poging om leuk te zijn.
‘Wat een zak
die Jeewee.’
‘Jij vond hem
aardig’, antwoordde Thea met terugwerkende kracht naar de initiële
reactie van Bart op Jeewee van een paar maanden terug.
Toen had Bart
de meester van zijn dochter voor de eerste keer een handje mogen geven tijdens
het 2de 10 minutengesprek van het 5de schooljaar van Sabine. Zijn vrouw
deed namelijk helemaal geen 10 minutengesprekken meer. Zonder aanzien des
persoons. Iemand moest het doen.
‘Aardig? Nee,
ik zei dat hij geen kwaad kan.’
‘Nou wel dus;
ik zou m’n mensenkennis nog maar eens gaan opfrissen als ik jou was Bart.’
‘Wat een zak’,
herhaalde Bart.
‘Dus ik
overdrijf niet?’
‘Nee.’
‘Heeft hij die
onzin met de hand geschreven?’
‘Nee, het is
een uitdraai van Word, op een afgeknipt strookje.’
‘Ach dan heeft
hij natuurlijk allerlei opmerkingen over verschillende werkstukken van de
kindertjes onder elkaar gezet, uitgeprint en in stroken uitgeknipt.
Zuinig. Met de invloedrijke bezieling van Jade de interne coördinatrice van De
Wielewaal natuurlijk.
‘Laten we het
in vredesnaam simpel houden’, suste Thea smekend.
‘Niet in
vredesnaam.’
‘Dus ik kan
gewoon met m’n hatemail verder gaan?’
‘Als jij het
niet doet dan doe ik het’, waarschuwde Bart grimmig.
Thea stuurde
Bart een copietje van haar mailtje aan Jeewee door.
‘Beste
Jan-Willem,
De beoordeling
van het werkstuk van Sabine over katten vind ik beneden alle peil. Je adviseert
Sabine om de volgende keer meer in haar eigen woorden te zeggen (schrijven).
Suggereer je hiermee dat Sabine het werkstuk over katten niet zelf geschreven
heeft? Natuurlijk heb ik haar geholpen en haar de moeilijke termen steeds
uitgelegd. Overigens met jouw toestemming (zie de vorige mailwisseling). Sabine
heeft mij iedere keer feedback gegeven. Daarna heeft ze helemaal zelf de zinnen
geformuleerd en 2 keer op papier gezet. 1 keer getypt en geprint in Word en de
2de maal met de hand geschreven. Dat laatste – haar veel bekritiseerde
handschrift - komt zelfs niet eens aan de orde in jouw commentaar. Met de
plaatjes en de lay-out hebben Bart en ik haar zowaar helemaal niet geholpen.
Zou Sabine misschien over bepaalde talenten kunnen beschikken waar jij geen oog
voor hebt, omdat je het te druk hebt met de kinderen uit de plusgroep?
‘Je bent veel
te mild’, mailde Bart terug in een reactie op de copy aan de brief naar Jeewee.
Juist toen
Thea een gevat antwoord naar Bart terug wilde sturen, ontving ze al een repliek
van Jeewee. Alsof hij thuis al helemaal op een boze ouderreactie was ingesteld.
‘Beste Thea,
Jammer dat
jouw toon zo vijandig is. Sabine heeft een goed werkstuk gemaakt en dat heb ik
haar ook laten weten. Tevens heb ik haar wat leerzame tips en tops gegeven. Ik
zie niet in wat de kinderen van de plusgroep hiermee te maken hebben. Zij
krijgen extra aandacht van Jade; de interne coördinatrice. Ik verdeel mijn
aandacht evenredig over de 28 kinderen van groep 5 en 6.’
Bart, die nog
steeds op zijn werk was, had de mail ook gelezen:
‘Laat ik me er
maar weer eens even mee bemoeien’, berichtte hij; indirect refererend naar zijn
eerdere interventies in het mailverkeer met directrice Willy en intern
coördinatrice Jade van De Wielewaal.
Toen had de
acute bemoeienis van Bart eveneens niet veel verlichting gebracht. Toch heeft
ook de vader van Walter en Sabine het volste recht om zijn ontgoocheling te
ventileren. Met of zonder gewenst resultaat. Althans dat vond Thea. Een
kwartier later las ze wat Bart geantwoord had:
‘Beste
Jan-Willem,
Jammer dat de
beoordeling van het werkstuk van Sabine op ons zo kleinerend over komt.
Sabine heeft het gevoel dat ze alles verkeerd gedaan heeft en dat reken ik jou
aan. Jammer dat je de kinderen van de plusgroep laat bepalen wat er in groep 5
en 6 gebeurt. Jammer ook dat je geen oog hebt voor kinderen die niet constant
door hun ouders naar voren worden geschoven.‘
Opnieuw kreeg
Thea geen kans om te reageren. Voordat ze haar man schertsend voor een beest
uit kon maken, had Jeewee had zijn online antwoord al weer klaar:
‘Geachte Bart
en Thea,
Mijn
commentaar is niet kleinerend bedoeld. Ik snap die vijandigheid niet. Ik wens
mij niet verder te laten beledigen.’
Dit keer greep
Thea naar haar mobiel om met Bart te communiceren:
‘Wat een zak’,
verzuchtte hij.
‘Dat heb je
nou al 3 keer gezegd’, zei Thea, terwijl ze een halve slag draaide op haar
bureaustoel.
Achter haar
doemde Sabine op als een glibberig zeehondje in een roze badpak. Haar
paardenstaart hing druipend half stok. Rond haar blote, witte voetjes lieten de
chloorwater druppels uit het zwembad pareltjes op het wafelparket na
‘Het is bijna
vakantie toch?’
‘Bijna’.
‘Ronnie vraagt
of ik over ben.'
‘Ja zeker
volgend jaar ga je naar de combigroep 6/7.’
Aan dit
antwoord had Thea verder nog willen toevoegen dat ze toevallig wel met papa aan
de telefoon was; dat Sabine dat toch ook wel zelf kon zien; en dat ze het
parket voorgoed bedierf door hier al chloor druppelend, want recht uit het
zwembad, in de huiskamer te gaan staan wortelschieten. Voor de 3de keer
die middag werd Thea echter geen gelegenheid geboden om voor zichzelf te
spreken. Maar 3 maal is niet voor niks scheepsrecht. Met een scheef hoofd
leegde Sabine met haar wijsvinger nog wat water uit haar rechter oor om daarna
onomwonden een mededeling aan haar moeder en vader – die via de mobiel
meeluisterde – te doen:
‘Ik wil
volgend schooljaar naar de andere groep 6.’
Hoe leg je aan
een 8 jarig meisje uit dat katten in de loop van de eeuwen gedomesticeerd zijn?
Wat zijn eeuwen? Waarom komen katten altijd op hun pootjes terecht en hoezo
hebben ze 9 levens? Waar komen al die soorten en maten vandaan en wat is het
verschil tussen een lapjespoes en een rooie kater? Gelukkig was Thea niet voor
één gat te vangen
‘Weet je wat?
We maken van elke vraag een hoofdstuk.’
‘Goed’, begon
Sabine ijverig.
Aangemoedigd
brainstormde Thea verder:
‘Bij elke
moeilijke term; schrijf jij in je eigen woorden mijn uitleg op.’
Sabine zat zo
machtig lief met haar Stabilo (ergonomische balpen) in de starthouding aan de
keukentafel.
‘Wat is een
term?’
Thea masseerde
haar slapen. 10 Huiswerksterk klanten achter elkaar op één middag vergden
minder inspanning dan het bedenken van een paar woorden voor het werkstuk van
Sabine. Elke zin werd een martelgang van een generatiekloof; van langs elkaar
af praten, oeverloze uitleg en wederzijds onbegrip. In haar afgewogen pogingen
om zoveel mogelijk aan het niveau van haar dochter tegemoet te komen, bleef
Thea steeds een verkeerde toon aan slaan.
‘Ik ben heus
niet dom hoor’, gilde Sabine op de top van haar frustratie.
‘Nee, zeg ik
dat dan!’, schreeuwde Thea hysterisch terug.
‘Niet met
zoveel woorden’, zei Bart tot overmaat van ramp.
Hij smeerde
boterhammen aan het aanrecht en stond met zijn rug naar Sabine en Thea toe.
Thea vond dat
hij het conflict onnodig uitvergrootte.
‘Doe jij het
dan als je het zo goed weet?!’
Bart was zich
van geen kwaad bewust en hij antwoordde over zijn schouder:
‘Waarom zou
ik? Alleen maar om de andere ouders van de combiklas 5 en 6 te overtreffen?!
Goh; Sabine; hebben je vader en moeder dat werkstuk helemaal zelf gemaakt?’
‘Ik probeer
juist om Sabine zoveel mogelijk zelf te laten doen,’ protesteerde Thea.
‘Doe geen
moeite; ik kan niks zelf, want ik ben zo dom toch?!’, resumeerde Sabine niet
gehinderd door enige consideratie met de goede bedoelingen van haar moeder.
Dit keer
schrok Thea van de volwassen, ironische ondertoon van de opmerking van Sabine.
‘Wat ben je
toch geobsedeerd door ‘dom’ en ‘slim’, vond ze.
Bokkig gooide
Sabine de Stabilo van zich af. De pen stuiterde over de keukentafel op de
grond. Onverzettelijk kruiste ze de armen voor haar borst en mokte:
‘Jij bent pas
dom mama.’
Een verbale
opdonder die Thea haastig weg probeerde te moffelen met een geintje:
‘Stel dat je
gelijk hebt, dan heb ik er zelf in ieder geval geen weet van’.
‘Je moeder is
best slim hoor; ze zegt alleen af en toe domme dingen en raap die pen eens even
op’, gebood Bart, terwijl hij over de Stabilo heenstapte
op weg naar de koelkast.
‘Nou, even
dan’, mokte Sabine terwijl ze de daad bij haar woorden voegde.
Ondertussen
had Thea tot 10 geteld. Ze herstelde zich:
‘Maar nee,
Sabine, even serieus. Je bent juist hartstikke slim. Alles wat ik aan je uitleg
dat snap je. Dat merk ik aan de manier waarop je de dingen in je eigen woorden
kunt na vertellen en opschrijven. Maar het is logisch dat je niet uit jezelf
weet wat bijvoorbeeld ‘gedomesticeerd’ of ‘erfelijkheid’ betekent. Dat kun je
niet bedenken. Dat zijn feitjes. Bovendien ben je gezien je leeftijd gewoon
niet in staat om in je hoofd bepaalde verbindingen te leggen die je wel nodig
hebt om een samenhangend geheel van je werkstuk te maken.’
Na dit vurige
betoog keek Sabine haar moeder onbewogen aan en antwoordde lauw:
‘De leidster
van de plusgroep zegt dat de kinderen van de plusgroep uit mijn klas wel
helemaal zelf een werkstuk kunnen maken.’
‘Wie is de
leidster van de plusgroep?’
Bart vroeg het
aan Thea, maar Sabine gaf antwoord.
‘Juffrouw
Jade.’
‘Nee, dat is
toch de interne coördinatrice van De Wielewaal?’, wist Thea zeker.
‘Oh, maar Jade
kan zoveel; ze is hoogbegaafd net als ‘sommige ouders’ van de kinderen van de
plusgroep uit de combinatieklas 5/6 die al wel helemaal zelf een werkstuk
kunnen maken. Ouders in plaats van ‘sommige kinderen’. Dat bedoelt Jade zeker,
verbeterde Bart droogjes, waarna hij Sabine een roze, plastic Hello Kittybord
met daarop een boterham met chocoladepasta voorschotelde.
‘Waar bemoeit
dat Jademens zich mee?’, pruttelde Thea verontwaardigd.
‘Ze is de
leidster van de plusgroep én ze komt weleens helpen in groep 5 en 6. We mogen
haar bijvoorbeeld ook om tips en tops vragen bij het werkstukproject.’
Aan het slot
van haar lofzang voor Jade hapte Sabine voldaan in haar boterham.
Thea zweeg beledigd. Ze voelde zich teruggefloten door haar 8jarige dochter. Ze
kon moeilijk een boekje open doen over de narcistische trekjes van de interne
coördinatrice van De Wielewaal zonder Sabine te belasten met een negatief beeld
van Jade. Sabine had nog een drieënhalf jarige weg te gaan op basisschool De
Wielewaal die vermoedelijk - ook zonder besef van de vloek van Jade - al niet
zonder slag of stoot zou verlopen. Waarom de zaken in de toekomst complexer
maken dan hoogst noodzakelijk? Maar daar dacht Bart blijkbaar anders over. Hij
wendde zich tot zijn dochter en meesmuilde:
‘En dan te
bedenken dat Jade zelf zo dom is dat ik haar in staat zie om
te struikelen over draadloos internet.’
‘Jade zegt dat
dom niet bestaat’, grinnikte Sabine al minder overtuigd van haar zaak.
In haar
mondhoeken plakten restjes chocoladepasta.
‘Oh, maar dat
klopt. De meeste mensen hebben alleen een beetje meer moeite met nadenken dan
ik’, snoefde Bart tijdens zijn gang naar de huiskamer gewapend met een stapel
belegde boterhammen op een rood plastic Cars bord van Walter.
‘Sommige
kinderen uit mijn klas hebben ook meer moeite met nadenken dan ik,’ realiseerde
Sabine zich vergenoegd naar aanleiding van de egotripperij van Bart.
‘Wie zichzelf
niet kietelt die lacht nooit’, concludeerde Thea.
Ze was
opgelucht dat Bart met zijn typische humor de escalatie van een ruzie – die
overigens lastig te duiden was - tussen moeder en dochter had weten te
voorkomen.
Ergens in die
traagzame voorbereidingstijd van het kattenwerkstuk werd Thea op een ochtend
gebeld door Dalila; de moeder van Zarah. Nadat Dalila zichzelf had aangemeld,
viel er en stilte die Thea als pijnlijk ervoer. Ze vreesde dat Dalila aan de
telefoon hing om verhaal te halen over het aandeel van Thea in de stukgelopen
samenwerking tussen Zarah en Sabine betreffende het werkstuk over chocolade.
Onterecht zo bleek toen Dalila eindelijk het initiatief nam en het seconden
lange zwijgen verbrak:
‘Ik wilde je
wat vragen?’
‘Vragen staat
vrij.’
Ondanks de
amicale toon van Dalila hield Thea een slag om de arm. De vriendelijkheid kon
een valstrik zijn. Bij miss moslima moest een ieder op de tellen passen.
‘Sabine gaat
niet naar de schoolopvang op De Wielewaal tussen de middag toch?’
‘Nee’,
antwoordde Thea zuinig.
‘Maar Zarah
heeft al wel vaak tussen de middag bij Sabine geluncht.’
‘Jawel’,
bekende Thea en waarschijnlijk was dat al te veel gezegd.
‘Kunnen we
daar geen vaste afspraken over maken?’
‘Waarom?’
Het hart van
Thea ontnam haar wederom de vrije adem door in haar luchtpijp repetitief
aan te kloppen als een persisterende voorbode van een naderend onheil.
‘Nou die 2
euro voor de tussen schoolse opvang, terwijl Zarah bij jou lunchte, die krijg
ik niet meer terug. Dan kan ik in het vervolg toch beter 50 eurocent aan jou
betalen en de tussen schoolse opvang afzeggen? Dat scheelt mij ook weer klauwen
met geld.’
‘Kost dat 2
euro per dag?’
‘Een
weekstrippenkaart kost 7 euro; maar normaliter betaal je voor de opvang 2 euro
per kind per dag ja. En ik heb 3 meiden op De Wielewaal. Hoewel, mijn oudste,
Adiva, volgend schooljaar naar de middelbare gaat. Maar dan nog zit ik met
Zarah en Erum.’
‘Dus dat geld
moet je vooraf betalen en als je een middaguurtje opvang overslaat dan krijg je
het niet meer terug?’, vroeg Thea ongelovig.
‘In zekere zin
niet, want Zarah is steeds vergeten te vermelden wanneer ze tussen de middag
geen gebruik zou maken van de opvang op school. Haar strippenkaart wordt toch
gewoon iedere dag afgevinkt. Ook als Zarah met Sabine mee naar huis gaat in de
middagpauze. Ik vind dat heel erg slecht.’
‘Ja en?’,
contesteerde Thea met trillende stem, omdat ze intuïtief aanvoelde dat Dalila
niet in staat was om zonder weerwoord de absurditeit van haar eigen irreële
verwachtingspatroon in te zien.
‘Als ik nou
met jou vaste opvangdata afspreek dan kunnen Zarah en Erum toch even goed
tussen de middag bij jou terecht?’
‘Nee
natuurlijk niet!’, beet Thea ietwat te fel toe.
Jammer van die
onnodige uithaal, maar de kans om haar opgekropte venijn te luchten liet ze
zich niet ontnemen. Dalila schrok er van.
‘Hoezo niet?
Ik betaal je er heus wel voor. Ik dacht zelf aan 50 eurocent per kind per dag.
Dat komt dan voor jou op 4 euro verdiensten per schoolweek. Ze nemen natuurlijk
hun eigen lunch mee.’
‘In mijn
Renault is slechts plaats voor 5 kinderen. Wat doe ik dan als Walter ook eens
iemand mee wil nemen voor de lunch tussen de middag?’
‘Wie is
Walter?’
‘Walter is de
broer van Sabine.’
‘Hoe oud?’
‘Hoezo?’
‘Zit hij ook
op De Wielewaal?’
‘Ja.’
‘Ow, al die
meiden en dan een jonge knul ertussen.’
‘Dat bedoel
ik. Niet leuk voor een knulletje van 7 jaar.’
‘Ow, hij is
pas zeven jaar? Maar dan nog’, aarzelde Dalila opgelucht.
‘Wat bedoel
jij dan?’
Thea hield
zich bewust van de domme. Ze had geen andere verdediging tegen zoveel
agressieve preutsheid.
‘De meeste
jongens hebben heus wel een fiets’, antwoordde Dalila ontwijkend en praktisch.
Thea had
Dalila niet naar haar bedoelingen gevraagd in afwachting van een antwoord, maar
om tijd te winnen. Ze kon zo snel geen goede argumenten verzinnen om het
voorstel van Dalila resoluut edoch niet onbeleefd af te wijzen.
‘Zarah en Erum
hebben toch ook een fiets?’
Linksom of
rechtsom; Thea was echter hoe dan ook niet van plan om haar vrijheid op te
geven voor de grillen van een positief gediscrimineerd, hoogzwanger
carrièredrama dat op de rand van een burn-out en aan de vooravond van een
postnatale depressie stond.
‘Ja, maar ik
laat Zarah niet alleen komen. En al helemaal niet op de fiets. We zijn net
verhuisd. We wonen nu op ruim een half uur fietsen van De Wielewaal vandaan. Ik
breng ze naar school voor m’n werk en ik haal ze op na mijn werk met de auto.
Trouwens het zusje van Zarah moet tussen de middag ook ergens blijven. Of je
neemt Erum erbij of je krijgt geen van tweeën.’
‘Nou geen van
tweeën dus, dag Dalila.’
‘Wacht even,
je weet toch dat ik zwanger ben van Edwin; een Nederlandse man?’
‘Ja, die
beroemde tandarts, ja’, antwoordde Thea ongeduldig.
Hoewel ze toch
wel benieuwd was naar de ontboezeming die op deze mededeling van Dalila zou
volgen.
‘Ik zag je
laatst staan toen je Zarah op kwam halen bij De Wielewaal. Je bent nog zo slank
als een den. Hoe ver ben je?’
‘Zestien
weken, maar ik toon nooit.’
‘Jemig zeg dat
wel, met 16 weken kon je mij bij alle twee de zwangerschappen vooruit rollen’,
overdreef Thea giechelend.
Dalila had
geen oor voor ongein:
‘Mijn broers
zijn het niet met mijn huwelijk en de zwangerschap eens. Edwin is een
Nederlander. Hij is ook nog ongelovig. Nou ja, ik bedoel, geen moslim of zo.
Nou sturen ze constant nare berichtjes naar Zarah en Erum. Edwin en ik hebben
mijn broers meteen geblokkeerd, maar daarom voelen de meisjes zich nog niet
veilig bij hun oma waar ze hun ooms nog wel constant in het eggie tegen komen.
Mijn moeder - de oma van Zarah en Erum – woont vlak bij De Wielewaal.
Natuurlijk zijn mijn meisjes nog wel welkom bij hun oma tussen de middag. Maar
nou hun ooms zo lelijk doen is een bezoekje aan oma zonder begeleiding van
Edwin of mij te veel gevraagd van die kleintjes. Jade, de interne
coördinatrice, en Jeewee zijn ook van de toestanden op de hoogte. Zij dachten
meteen aan jou. Zarah en Sabine zijn ten slotte vriendinnen. Dat is de enige
reden dat ik je bel.’
De
bekonkelende klankkleur van de bekentenis stond Thea tegen. Ze wist ook zeker
dat Dalila loog over de referenties van Jade en Jeewee. Onuitstaanbaar en
manipulatief ja, maar Thea schatte de beide leerkrachten toch professioneel
genoeg in om openlijk en niet zonder persoonlijk gewin veel te ver over de
grens van de privacy van ouders en het betamelijke te treden.
‘Hoeveel
broers heb je?’
‘Twee.’
Dalila klonk
gehaast alsof ze eigenlijk verwacht had dat Thea na haar onthullingen meteen
overstag zou zijn gegaan.
‘Hoe oud?’
Thea is zelf
de jongste uit een gezin van 4 kinderen met 3 oudere broers.
’30 en 28,
hoezo?’
‘Dus 2
volwassen mannen van 30 en 28 intimideren hun nichtjes van 8 en 10 jaar met
berichtjes via de telefoon? Omdat jij met een Nederlandse man hertrouwd bent?
Dat laten je moeder en jij gewoon gebeuren?’
‘Tsja, het is
moeilijk met het islamitische geloof; eerwraak en zo’, beweerde Dalila leukweg.
Met moeite
bleef Thea serieus.
‘Ja dat ken ik
wel van het katholieke geloof. Alleen laten wij katholieke vrouwen ons in onze
geloofsgemeenschap niet wegzetten door een paar irritante macho-opneukertjes.
Dat hoeven wij niet te pikken van onze vader die in de hemel zijt. Uw naam
worde geheiligd. Uw rijke kome. Uw wil geschiedde op aarde zoals in
de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schuld zoals
ook wij anderen hun schuld vergeven en leidt ons niet in bekoring maar verlos
ons van het kwade.’
Aan de andere
kant van de lijn was te horen dat Dalila moeilijk slikte. Thea sloot af:
‘Amen.’
‘Mijn moeder
zegt er ook wat van’, beweerde Dalila nu een tikje geïntimideerd.
‘Jij zeker
niet?’, schamperde Thea.
In de
herinnering van Thea doemde het beeld van de moeder van Dalila; oma van Zarah;
een oude vrouw in haar fantasieloze gewaden op het speelplein van De Wielewaal
op. De gure westen wind speelde met haar donkere hoofdtooi en zij lachte en
knikte vriendelijk. Voor elk wat wils. Haar soortgenoten begroette ze met een
wentelend tonggeluid, nog veel meer Arabisch kabaal en rode appelwangetjes.
Ondertussen
had Dalila zich aan de andere zijde van de telefoonverbinding weer hersteld en
ze verklaarde hautain:
‘Mijn moeder
vindt dat al haar kinderen een eigen leven moeten leiden’.
‘Wat
vooruitstrevend van haar’, prees Thea spottend.
Dalila liet
niet los:
‘Toch laat ik
Erum en Zarah beter voorlopig niet tussen de middag bij mijn moeder eten. De
kans dat ze mijn broers tegen komen is gewoon te riskant.’
‘Ik wil me
nergens mee bemoeien, maar waarom stuur je Erum en Zarah niet naar een
basisschool die dichter in de buurt van de tandartsenpraktijk van je nieuwe
echtgenoot ligt?’
Dalila nam
even de tijd om haar gesprekspartner woordeloos terug op de door
haar gewenste afstand te delegeren:
‘We zien wel.
Ik wil graag dat je over mijn voorstel nadenkt. Laat je op korte termijn weten
wanneer Zarah en Erum welkom zijn?’
Om een hoop
opgekropte frustraties en onnodige hoofdbrekers te voorkomen dwong Thea
zichzelf om assertief te zijn. In een flits dacht ze aan het lik op stuk beleid
dat Bart altijd propageert. Meteen reageren om slapeloze nachten te voorkomen.
Een lekker leven heb je zelf in de hand. Karma. Miss moslima was een uit de
kluiten gewassen cultuurshock met een hele riedel valse noten op haar zang.
‘Nee, ik doe
het niet.’
‘Wat zeg je?’
‘Nee.’
‘En als ik er
nou 25 eurocent bovenop doe. Per kind?’
‘Nee.’
‘1 euro per
kind en dat is mijn laatste voorstel.’
‘Nee Dalila’.
‘Ja, als ik 1
euro 25 moet neertellen dan kan ik Erum en Zarah net zo goed op de tussen
schoolse opvang van De Wielewaal laten zitten’, realiseerde Dalila zich
beteuterd.
‘Doe dat dan
maar’, stelde Thea lieflijk voor.
‘Hoeveel wil
je hebben dan? 1 euro 50 per kind? Vooruit.’
‘Mijn vrijheid
is niet te koop. Ik wil mijn tijd graag zelf indelen. Bovendien heb ik net als
jij ook een baan en een gezin en een huishouden en een leven. Dag Dalila.’
Nadat de
verbinding verbroken was moest Thea even bijkomen van het zojuist gevoerde
gesprek. Een verlammende kwaadheid hield haar slokdarm in een wurggreep. Ze had
de keuze om Bart uit een vergadering te bellen en haar hart uit te storten of
op eigen kracht weer opstaan en haar kroontje rechtzetten. Bart zou naar haar
luisteren. Zoals zo vaak. Frequent genoeg zelfs voor Thea om zijn
steunbetuigingen te kunnen dromen. Peptalk is equivalent aan liefkozen met
woorden. Knuffelen op commando niettemin mist uitwerking. Zeker in een
tussendoor telefoontje tijdens een vergadering. Thea kon zelf ook wel bedenken
dat ze adequaat gereageerd had op Dalila. Maar de vernedering was een ander
verhaal. Alsof Thea een dienstmeid of een kinderjuf was die zich voor een appel
en een ei maar te schikken had naar de agenda van ene miss moslima.
‘Je weet zelf
wel beter toch?’, zou Bart haar kriegelig corrigeren.
‘Natuurlijk’,
wist Thea zo langzamerhand helemaal niet zo zeker meer.
In
werkelijkheid zei Bart alleen maar waar de situatie op stond. De vraag was
alleen of Thea op dat moment behoefte had aan feitelijkheden.
‘Je moet dit
soort confrontaties van je afzetten. Je hebt er alleen maar jezelf mee. Denk je
nou echt dat Dalila verder nog één gedachte aan jou vuil maakt? Ze is pisnijdig
omdat ze haar zin niet heeft kunnen doordrijven. Ze is allang weer op zoek naar
een nieuw slachtoffer. Jij hebt je niet laten piepelen. Je kunt trots op jezelf
zijn. Jij hebt laten merken wat je vindt en daar moet je het bij laten.’
‘Wat je vindt
moet je naar het politiebureau brengen’, sputterde Thea tegen omdat
ze niet wist bij wie ze anders haar gram moest halen.
‘Ja en daarna
hoor je nooit meer iets van je aangifte. De misdaad is al georganiseerd, nu de
politie nog,’ monkelde Bart.
Gevolglijk
borg Thea haar rancune op in het hokje ‘miss moslima’ ergens in haar
achterhoofd. Oneerlijk en net goed. Sinds Dalila moet elke islamitische vrouw
zich voor Thea 10 keer zo hard bewijzen om haar de pedanterie van de algemeen
erkende underdog te doen vergeten. Tot op heden heeft nog geen enkele moslima
de behoefte laten zien om überhaupt zelfs maar één enkele poging te willen
ondernemen om Westerse vrouwen zoals Thea tegemoet te willen komen. Buigen komt
de eer te na. Waarom zou Thea die andere wang dan ook nog moeten aanbieden?
Katholieken zijn net zo goed gelovig als islamieten, maar gelijkerwijs niet
gek.
Het werkstuk
over katten kwam op tijd af. Digitaal en met de hand geschreven door Sabine op
speciaal stevig, roze lijntjespapier met poezenkopjes in de kantlijnen. Het
ontwerp had Bart de nodige hoofdbrekers gekost, maar het overschrijfwerk
werd er voor Sabine wel een stuk uitdagender door. Haar handschrift verbeterde
zienderogen naarmate het verslag vorderde. De illustraties en de lay-out nam
Sabine eigenhandig voor haar rekening. Thea zou niet eens geweten hebben hoe ze
pagina’s in Word kon indelen of foto’s en tekeningen van het internet zou
moeten downloaden of verplaatsen naar een document. Sabine ontpopte zich als
een getalenteerd illustrator met oog voor detail en verhoudingen. Het kind was
pas 8 jaar en ze vertaalde haar creatieve brein naar de meest uiteenlopende
online toepassingen alsof ze nooit anders gedaan had.
Aansluitend
bleef het heel lang stil. Klaarblijkelijk was de storm in de combigroep 5 en 6
op het werkstukkenfestijn gaan liggen. Een vroege zomerzon liet in mei het
felle licht al op het einde van het schooljaar schijnen en er gold een
tropenrooster. Na het middaguur werd het al dagen aan een stuk te warm om te
leren of zelfs maar te bewegen. Zonder het voetbalspel van Jeewee met zijn
volgelingen leek het blanco speelplein met grijze tegels op een
oververhitte, sidderende bakplaat. De teamleden van de naschoolse opvang wisten
niet hoe snel ze met hun groepjes overblijfkinderen naar de wijkspeeltuin
moesten vluchten voor een waterballonnengevecht. Met zomerkleren aan uiteraard.
Een jeugdwerker droeg zelfs een opgerolde tuinslang over zijn schouder. Achter
hem verscheen Sabine. Ze liep tegen het licht in op Thea af met haar pols als
een zonneklep tussen haar wenkbrauwen en drukte haar moeder een strookje papier
in de hand. Thea herinnerde zich geen recente aankondiging voor een
luizencontrole; dus een alarmbriefje kon het niet zijn. Thea las:
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.’
‘Van wie is
dit?’
Vanuit haar
tenen voelde Thea haar onderdrukte woede jegens het team van De Wielewaal
opnieuw opborrelen. Waar in het verleden toch vooral een sluimerende
verzoeningsgezindheid Thea tijdens een driftbui wist te temperen; bereikte haar
frustratie nu een compromisloos verzadigingspunt. Eigenlijk was geestdodend wel
een afdoende simplificatie van het proces dat uiteindelijk tot die clichématige
uitspraak leidde:
‘Ik word er zo
moe van!’
‘Dat briefje
is van Jeewee’.
De ondertoon
van Sabine klonk niet best. Ze was terecht aangeslagen en boos. Het liefst was
Thea meteen op de aanstichter meester Jan-Willem de verschrikkelijke afgestapt,
maar Walter was inmiddels ook uit school gearriveerd en hij maande zijn moeder
en zus aan om haast te maken. Hij wilde zo snel mogelijk thuis zwemmen in het
opklapbare Bestway gezinszwembad dat Bart, dit jaar vroeger dan andere jaren
vanwege het prille zomerweer, in de tuin had opgebouwd. Zijn vriendje Tim zou
over 5 minuten door moeder Jenny bij de voordeur van het huis van Walter
afgezet worden. Jenny zou haar zoon Tim gewoon voor een gesloten deur van een
speeladres achter laten. Desnoods de hele woensdagmiddag als Thea niet in actie
kwam. Bovendien herinnerde Thea zich ineens dat Ronnie uit de andere groep 5
ook zou komen zwemmen die middag. Sabine had hem gevraagd.
Of Ronnie
voorwaar op zou komen dagen, hing eveneens van zijn moeder af. Al naar gelang
de stand van haar denkbeeldige stemmingsmuts. Maud kon zich schappelijk
opstellen als ze wilde, maar ze was één van de snelste meeloopmoeders die Thea
van De Wielewaal kende. Maud was een soort roddelgraadmeter. Als Ronnie niet
mocht komen spelen dan kon Thea er zeker van zijn dat haar nietige persoontje
weer eens van top tot teen over de tong ging bij de ouders van de kinderen van
De Wielewaal. Moeder Thea was terug uit de gratie. Thea had weer wat gezegd op
het verkeerde moment. Of ze had; niet gereageerd, verkeerd gekeken, of ze had
iets van de opperouders aan. Of niet. Of ze was juist hot. Of te cool. Maud zou
er beter aan doen om zich te distantiëren van het roddelcircuit. Maud hoorde er
toch niet bij. Haar gedweep met de consorten van De Wielewaal maakte echt geen
verschil voor haar reputatie. Dat had Thea haar wel kunnen vertellen. Al was ze
stinkend rijk geweest dan nog was ze niet geslepen genoeg om het schimmenspel
van de incrowd te beheersen. Maud was geen controversiële vrouw of een mens met
een spraakmakende uitstraling en verder viel er ook niet veel aan de moeder van
Ronnie te beleven. Ze woonde niet in de opgewaardeerde kakwijk bij De
Wielewaal, maar, net als Bart en Thea, elders in een gerenoveerde volkswijk met
haar gezinnetje en ze was maar gewoon hulp op een kinderdagverblijf bij haar in
de straat. Heimelijk had Thea medelijden met de ukjes uit dat
kinderdagverblijf, want Maud was nooit van harte vriendelijk en vaak chagrijnig
met een ontevreden uitdrukking die permanent in haar gezicht leek gegraveerd
als in een deprimerende portretfoto. Wel was ze altijd bereid om als hulpouder
in te springen bij buitenschoolse activiteiten van De Wielewaal. Dat moet gezegd.
Desondanks had Maud niet alleen niets te vertellen bij de populaire papa’s en
mama’s, maar was ze zelfs bij de groupies van de opperouders geen blijvertje.
In het ergste geval droop ze af en wachtte in de schaduw op een hernieuwde kans
om een greep naar de populariteit te doen.
Op die
schaduwplek was de dochter van Thea ineens wel goed genoeg voor haar zoon.
Zolang als het duurde. Maar in de schijnwerpers moest Ronnie zoveel mogelijk
met de betuttelde kinderen van de ouderkliek spelen die Maud met niet aflatende
moeite voor een afspraakje met haar zoon had weten om te kopen. Ze kon echter
niet voorkomen dat Ronnie tijdens de speelkwartiertjes op school een zwak voor
Sabine ontwikkelde en andersom. Zij het beide met de nodige reserves. Sabine
omdat Ronnie op zijn moeder leek en bijgevolg een kuddedier was. Ronnie omdat
hij naar voorbeeld van zijn moeder dacht dat het nodig was om zijn beste
vriendinnetje Sabine naar believen af te stoten om bij de nazaten van de
opperouders en hun volgelingen in de smaak te vallen
In haar hart
vond Thea het vriendje van haar dochter een beetje sneu. Bij Bart en Thea thuis
deed Ronnie niets liever dan make-up en verkleedtrucjes. Dan liep hij
vervolgens de hele woensdagmiddag met gestifte lippen en glitter oogschaduw in
een prinsessenjurk van Sabine rond. Moet kunnen natuurlijk; maar of de
opperouders er ook zo over dachten bleef een vraag voor Thea en een weet voor
Maud. In ieder geval nodigde de kortzichtige inborst van Maud niet uit tot een
open gesprek over het onderwerp transseksualiteit. Ronnie beweerde minstens 1
keer per speelbezoek over zichzelf dat hij in een verkeerd lichaam geboren was.
‘Ik had
eigenlijk een meisje moeten zijn’, placht hij, liefst in het volle ornaat van
een sprookjesjurk uit de verkleedkist van Sabine en in het gehoorbereik van
moeder Thea, herhaaldelijk te laten vallen.
Na verloop van
zo’n stuk of 10 van die make-up - en verkleeduitspattingen bij haar thuis begon
Thea in het geval van Ronnie echter te twijfelen aan het
natuurverschijnsel waardoor een meisje in het lichaam van een jongen geboren
wordt of vice versa. Het gedrag en daarmee de provocaties van Ronnie leken
eerder op aandachttrekkerij dan op geslachtsgebonden genotsbeleving. De
prinsessenjurk en de make-up veranderden niets anders dan het uiterlijk van een
seksloos jongetje. Ronnie bleef zichzelf. Geen transgender, maar wel een
verloren kind met een wanhopige schreeuw om affectie. Thea was zelfs nog zo gek
geweest om voor Ronnie te proberen om Maud op een eerlijke, vriendschappelijke
manier aan te spreken op het opvallende speelgedrag van het vriendje van haar
dochter. Thea kwam niet verder dan wat prietpraat. Ze bood koffie aan.
Misschien bliefde Maud een gebakje?
Dat ene
roomsoesje was mogelijk al ietwat te beklemmend geweest, want na twee keer een
bakkie doen op verzoek van Thea begon Maud een muur om zich heen op te trekken.
Zij zat niet te wachten op een vriendelijk woord van Thea en Ronnie had Sabine
heus ook niet nodig hoor. Ronnie en Sabine zaten niet – meer – bij elkaar in de
klas. Sabine zat immers in de combigroep en Ronnie in de complete groep 5
alwaar hij de vriendjes volgens moeder Maud voor het uitkiezen had. Bovendien
genoot Ronnie thuis de overweldigende aanwezigheid van zijn schat van een
oudere zus. Happy. Wie kende Happy nou niet? Het superzusje van Ronnie dat op
een schandalige wijze consequent door Maud werd voorgetrokken. Het was Happy
voor, Happy na. Nou was Happy niet al te snugger. Ze zat op De Wielewaal een
groep hoger dan Ronnie; in de complete groep 6 – dus niet in de splitsing 5/6
bij Jeewee -, terwijl ze al bijna 12 jaar was. Ze was hinderlijk op de
voorgrond aanwezig, zodat je haar wel moest kennen of je wilde of niet en ze
kon eigenlijk niet aan de potentie van haar jongere broertje Ronnie tippen.
Maar wist Ronnie veel; hij leed slechts onder een dwangneurose die hem
dicteerde in een meisje te moeten transformeren om net als Happy een kans te
maken op de onvoorwaardelijke liefde van zijn moeder. Om dezelfde reden liet
hij zijn beste vriendinnetje Sabine bij het minste of geringste stikken. Zonder
zelf te snappen waarom, terwijl Sabine keek, zag, begreep, haar eigen
conclusies trok en langzaam maar zeker steeds weerbaarder werd.
Thuis achter
haar p.c. spuide Thea met tussenpozen haar kwaadheid in een mail aan Jeewee. De
open tuindeuren achter haar zogen een doffe, tropische temperatuur de huiskamer
binnen. Op de achtergrond poedelden 4 kinderen in het opklapbare zwembad in de
tuin. Haar gemoed verdoofde door het gekir, gekletter en geroep tijdens de
korte pauzes die Thea zichzelf vanwege de hitte wel moest gunnen, wilde ze niet
ontploffen. Zolang ze achterover in haar bureaustoel wat voor zich uit
mijmerde, terwijl ze loom van haar Lipton met klontjes en een rietje lurkte,
leek het commentaar van Jeewee op het kattenwerkstuk een futiliteit. Zodra ze
zich echter weer op de voltooiing van haar mail richtte en zich hernieuwd in de
kritiek op de inspanningen van Sabine verdiepte; laaide het vuur in haar toch
al gloeiende hersenpan weer op. Meteen bij thuiskomst had ze naar De Wielewaal
gebeld in de hoop Jeewee aan de telefoon te krijgen. Volgens de conciërge was
hij toevallig net weg.
‘Jeewee is
toevallig net weg? Een kwartier nadat de kinderen vervroegd naar huis zijn in
verband met een tropenrooster?’, betwijfelde Thea.
‘Ja’,
antwoordde de conciërge veel te stellig en snel om het vermoeden van
instructies van Jeewee bij Thea weg te nemen.
Thea vreesde
dat ze niet hallucineerde. Het betrof hier wel Jeewee die normaliter praktisch
op school woonde; die de tijd nam om zich met ouders te omringen en die
overduidelijk energie putte uit de middelpuntvliedende kracht van het centrum
van de belangstelling. Mogelijk gemaakt door opperouders en hun gehoorzame
kinderen. Die gouwe vent van een Jeewee, wiens deur van het klaslokaal bij
Thea’s weten nog nooit voor zessen ‘s avonds gesloten was geweest. Dezelfde
Jeewee zou vandaag – een schooldag – onvoorzien in het vroege middaguur al met
de noorderzon vertrokken zijn? De conciërge kon Thea nog meer vertellen.
Alhoewel; Als Jeewee bang was en vluchtte voor de reacties van Bart of Thea
waarom dan toch dat snoeiharde commentaar op het werkstuk over katten van een
8jarig meisje schrijven? Voor de 20ste keer vouwde Thea het verfomfaaide
strookje papier uiteen, streek het glad op het bureaublad en controleerde nog
maar eens voor de zekerheid of de beoordeling wel echt zo beledigend was als
Thea dacht.
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken.
Haar
furiositeit nam alleen maar toe. Des te meer omdat de kwaadheid van Sabine ook
nog overdrachtelijk latent aanwezig was. Thea hoefde haar dochter maar even een
blik van verstandhouding te geven of het snoetje van Sabine betrok in de
verbeten stand van die morgen op het speelplein toen ze het berichtje van
Jeewee net gelezen had. Omdat Thea elk moment dreigde over te koken besloot ze
om deze keer Bart wel lastig te vallen met een telefoontje naar zijn werk.
‘Ik ben een spoedgeval’,
begon ze.
‘Dat ben je
toch altijd’, vond Bart gelaten.
‘O.k., nou
luister even, dan lees ik je voor wat Jeewee op het poezenwerkstuk van ons
kleine meisje te zeggen had:
‘Je hebt een
goed werkstuk over poezen gemaakt. Probeer de volgende keer meer in je eigen
woorden te zeggen en zelf je plaatjes uit te zoeken’.’
Nadat Thea het
commentaar van Jeewee had voorgelezen nam Bart even de tijd om te antwoorden.
‘Ben je van
slag of probeer je weer 2 dingen tegelijk te doen?’
Thea deed een
mislukte poging om leuk te zijn.
‘Wat een zak
die Jeewee.’
‘Jij vond hem
aardig’, antwoordde Thea met terugwerkende kracht naar de initiële
reactie van Bart op Jeewee van een paar maanden terug.
Toen had Bart
de meester van zijn dochter voor de eerste keer een handje mogen geven tijdens
het 2de 10 minutengesprek van het 5de schooljaar van Sabine. Zijn vrouw
deed namelijk helemaal geen 10 minutengesprekken meer. Zonder aanzien des
persoons. Iemand moest het doen.
‘Aardig? Nee,
ik zei dat hij geen kwaad kan.’
‘Nou wel dus;
ik zou m’n mensenkennis nog maar eens gaan opfrissen als ik jou was Bart.’
‘Wat een zak’,
herhaalde Bart.
‘Dus ik
overdrijf niet?’
‘Nee.’
‘Heeft hij die
onzin met de hand geschreven?’
‘Nee, het is
een uitdraai van Word, op een afgeknipt strookje.’
‘Ach dan heeft
hij natuurlijk allerlei opmerkingen over verschillende werkstukken van de
kindertjes onder elkaar gezet, uitgeprint en in stroken uitgeknipt.
Zuinig. Met de invloedrijke bezieling van Jade de interne coördinatrice van De
Wielewaal natuurlijk.
‘Laten we het
in vredesnaam simpel houden’, suste Thea smekend.
‘Niet in
vredesnaam.’
‘Dus ik kan
gewoon met m’n hatemail verder gaan?’
‘Als jij het
niet doet dan doe ik het’, waarschuwde Bart grimmig.
Thea stuurde
Bart een copietje van haar mailtje aan Jeewee door.
‘Beste
Jan-Willem,
De beoordeling
van het werkstuk van Sabine over katten vind ik beneden alle peil. Je adviseert
Sabine om de volgende keer meer in haar eigen woorden te zeggen (schrijven).
Suggereer je hiermee dat Sabine het werkstuk over katten niet zelf geschreven
heeft? Natuurlijk heb ik haar geholpen en haar de moeilijke termen steeds
uitgelegd. Overigens met jouw toestemming (zie de vorige mailwisseling). Sabine
heeft mij iedere keer feedback gegeven. Daarna heeft ze helemaal zelf de zinnen
geformuleerd en 2 keer op papier gezet. 1 keer getypt en geprint in Word en de
2de maal met de hand geschreven. Dat laatste – haar veel bekritiseerde
handschrift - komt zelfs niet eens aan de orde in jouw commentaar. Met de
plaatjes en de lay-out hebben Bart en ik haar zowaar helemaal niet geholpen.
Zou Sabine misschien over bepaalde talenten kunnen beschikken waar jij geen oog
voor hebt, omdat je het te druk hebt met de kinderen uit de plusgroep?
‘Je bent veel
te mild’, mailde Bart terug in een reactie op de copy aan de brief naar Jeewee.
Juist toen
Thea een gevat antwoord naar Bart terug wilde sturen, ontving ze al een repliek
van Jeewee. Alsof hij thuis al helemaal op een boze ouderreactie was ingesteld.
‘Beste Thea,
Jammer dat
jouw toon zo vijandig is. Sabine heeft een goed werkstuk gemaakt en dat heb ik
haar ook laten weten. Tevens heb ik haar wat leerzame tips en tops gegeven. Ik
zie niet in wat de kinderen van de plusgroep hiermee te maken hebben. Zij
krijgen extra aandacht van Jade; de interne coördinatrice. Ik verdeel mijn
aandacht evenredig over de 28 kinderen van groep 5 en 6.’
Bart, die nog
steeds op zijn werk was, had de mail ook gelezen:
‘Laat ik me er
maar weer eens even mee bemoeien’, berichtte hij; indirect refererend naar zijn
eerdere interventies in het mailverkeer met directrice Willy en intern
coördinatrice Jade van De Wielewaal.
Toen had de
acute bemoeienis van Bart eveneens niet veel verlichting gebracht. Toch heeft
ook de vader van Walter en Sabine het volste recht om zijn ontgoocheling te
ventileren. Met of zonder gewenst resultaat. Althans dat vond Thea. Een
kwartier later las ze wat Bart geantwoord had:
‘Beste
Jan-Willem,
Jammer dat de
beoordeling van het werkstuk van Sabine op ons zo kleinerend over komt.
Sabine heeft het gevoel dat ze alles verkeerd gedaan heeft en dat reken ik jou
aan. Jammer dat je de kinderen van de plusgroep laat bepalen wat er in groep 5
en 6 gebeurt. Jammer ook dat je geen oog hebt voor kinderen die niet constant
door hun ouders naar voren worden geschoven.‘
Opnieuw kreeg
Thea geen kans om te reageren. Voordat ze haar man schertsend voor een beest
uit kon maken, had Jeewee had zijn online antwoord al weer klaar:
‘Geachte Bart
en Thea,
Mijn
commentaar is niet kleinerend bedoeld. Ik snap die vijandigheid niet. Ik wens
mij niet verder te laten beledigen.’
Dit keer greep
Thea naar haar mobiel om met Bart te communiceren:
‘Wat een zak’,
verzuchtte hij.
‘Dat heb je
nou al 3 keer gezegd’, zei Thea, terwijl ze een halve slag draaide op haar
bureaustoel.
Achter haar
doemde Sabine op als een glibberig zeehondje in een roze badpak. Haar
paardenstaart hing druipend half stok. Rond haar blote, witte voetjes lieten de
chloorwater druppels uit het zwembad pareltjes op het wafelparket na
‘Het is bijna
vakantie toch?’
‘Bijna’.
‘Ronnie vraagt
of ik over ben.'
‘Ja zeker
volgend jaar ga je naar de combigroep 6/7.’
Aan dit
antwoord had Thea verder nog willen toevoegen dat ze toevallig wel met papa aan
de telefoon was; dat Sabine dat toch ook wel zelf kon zien; en dat ze het
parket voorgoed bedierf door hier al chloor druppelend, want recht uit het
zwembad, in de huiskamer te gaan staan wortelschieten. Voor de 3de keer
die middag werd Thea echter geen gelegenheid geboden om voor zichzelf te
spreken. Maar 3 maal is niet voor niks scheepsrecht. Met een scheef hoofd
leegde Sabine met haar wijsvinger nog wat water uit haar rechter oor om daarna
onomwonden een mededeling aan haar moeder en vader – die via de mobiel
meeluisterde – te doen:
‘Ik wil
volgend schooljaar naar de andere groep 6.’
HOOFDSTUK 23
Thea wendt
zich tot Jasmijn. Een vreemdeling voor haar persoonlijk die ze desondanks door
en door kan lezen. En andersom weet Jasmijn maar al te goed wie Thea is. Maar
ze zoeken elkaar niet.
‘Ik ben niet
de vijand hier, Jasmijn.’
‘Wie dan? Mijn
moeder zeker of Femke? Wat kom je hier eigenlijk doen?’
De scherpe
vraag stevent rechtstreeks op het hart van Thea af. Met als gevolg een dof,
verdoofd gevoel door haar hele lijf. In slow motion tracht Thea het vege lijf
uit het rotan kuipje te verlossen. Blindelings tast ze naast de leuning het
laminaat af op zoek naar haar schoudertas.
‘Ik kom op
ziekenbezoek bij Melvin.’
Haar geprevel
klinkt als een schietgebedje.
‘Ach, schiet
toch op oud vel!’, scheldt Jasmijn terwijl ze voorovergebogen op het bankje de
verbijsterde blik van Thea ontwijkt.
Thea verheft
zich en wankelt op haar benen. De felle reactie van Jasmijn heeft haar slappe
knieën bezorgd. Ze onderzoekt het bewegingsloze, horizontale lijf op het luxe
matras in de woonkamer van het appartement van Jasmijn. Correctie; het
appartement van Melvin; hij bekostigt de huur van de flat van zijn zus met seks
tegen betaling. Normaliter, maar nu dus even niet. Momenteel ligt hij gehavend
en roerloos op zijn rug en heeft zijn ogen gesloten.
‘Je kunt wel
iets zeggen Melvin?’, spoort Thea hem verwijtend aan.
Hij zwijgt,
maar Jasmijn windt er geen doekjes om. Ze gaat er net als Thea maar even bij
staan. Ineens kijkt ze haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster wel recht in
de ogen. Thea ziet onzekerheid, angst en agressie.
‘Wat moet hij
zeggen? Hij wil dat je oprot en ik ook.’
‘Ik ben al
weg’, belooft Thea voorbarig.
‘Wat heeft
Thea jou eigenlijk aangedaan, Jasmijn?’ informeert Melvin onverwacht en
afvallig.
Zijn stem vult
de ruimte als van een voice-over in een film. Jasmijn doet alsof ze hem niet
gehoord heeft en richt zich opnieuw rechtstreeks tot Thea. Haar vuurspuwende
ogen zijn veranderd in na sudderende vonkjes. Haar indirecte antwoord op de
vraag van Melvin heeft een verontschuldigende naklank:
‘Je moet niet
net doen of je mijn moeder bent.’
‘Je kunt veel
van me zeggen, maar ik heb nooit gedaan alsof ik je moeder ben’, meesmuilt
Thea.
‘Waarom wel
bij Melvin, eigenlijk?’
Jasmijn zakt
door haar knieën. Ze zit weer en knikt naar het rotan kuipje. Thea negeert het
verzoeningsgebaar. Ze blijft liever staan. In die houding wekt ze tenminste
niet de indruk dat ze op een volgende krachtterm zit te wachten.
‘Hoe kom je
erbij dat ik bij Melvin ooit gedaan heb alsof ik zijn moeder ben?’
Melvin opent
zijn ogen, komt half overeind op zijn gezonde arm.
‘Kun je wat
kussens in mijn rug duwen Thea?’
Thea wisselt
een blik van verstandhouding die Jasmijn mist omdat zij - in plaats van de oude
kinderjuf en huiswerkbegeleidster - Melvin wel te hulp schiet.
‘Misschien is
het omgedraaid. Misschien doet Melvin wel alsof ik zijn moeder ben’, insinueert
Thea, terwijl Jasmijn 3 kussens trapsgewijs achter het schouderblad van Melvin
opstapelt.
Melvin nestelt
zich in de ruggensteun.
‘Lekker zo?
Wat zei je Thea?’
‘Wanneer ga je
naar Beau? Je hebt toch een sabbatical en daarom ging je toch een half jaartje
naar je moeder in Oxford?’
‘Binnenkort.’
Het vuur in
Jasmijn is gedoofd. Ze reageert weer precies zo mak en afstandelijk zoals ze
vroeger als kind meestal kon zijn. Met uitzondering van die plotselinge
aanhaligheid naar Thea toe. De schrijnende knuffeltjes die ze bij haar
surrogaat moeder kwam innen en waarvan Thea bang was dat ze verraderlijk en
schadelijk voor het kleine meisje zouden zijn. Thea vermoedde dat het kind
voelde dat de affiniteit van haar kinderjuf geen spontaniteit was, maar een
morele verplichting. Na ruim 15 jaar heeft Jasmijn zich vandaag
gerevancheerd. De bruuske afwijzing weerklink in het hoofd van Thea:
‘Hij wil dat
je oprot en ik ook!’
Alsof het oude
vel de rimpels en levervlekken zomaar kan strijken en gummen. Wat heeft Thea
bij Melvin en Jasmijn verloren? Haar jonge jaren? Wat houdt haar tegen om
gewoon weg te lopen en deze menselijke wanhoopjes aan hun ondergang over te
laten? Met jaloezie op de jeugd heeft haar bemoeienis niets te maken. Juist het
schamele beetje aan levenservaring dat Thea in de groei van haar jaren heeft
opgedaan weerhoudt haar er van om het tweetal in de steek te laten. Zo’n
overhaaste beslissing zou aan haar knagen tot aan haar laatste ademstoot.
Precies daarom blijft ze hier staan graven. Voor haar geweten en zodat Jasmijn
en Melvin kunnen zien dat zoiets als onvoorwaardelijke verbintenissen echt
bestaan. Hiervoor moeten alle taboes en geheimen boven het grondwater
uitgediept worden. En terwijl Thea daar zo aan het voeteneinde van het luxe
opblaasbare matras van Melvin in de vluchthouding vanalles staat af te wegen,
krijgt ze ineens een heldere ingeving. Eureka. Nu is het zaak om goed te
improviseren.
‘Zeg Melvin
heb jij nog iets aan die manchetknopen gehad die je toen van mij gekocht hebt?’
Melvin negeert
de vraag:
‘Ik wil toch
wel wat kiwi, Jasmijn.’
Opgetogen
vindt Jasmijn het bakje met groenvoer op de vensterbank naast de fruitmand van
Thea. Opnieuw hevelt ze tussen duim en wijsvinger een partje kiwi op tot aan de
geschonden mond van Melvin. Automatisch tuit ze haar eigen volle, gestifte
lippen in de waarschijnlijk onbewuste hoop dat Melvin haar voorbeeld volgt als
in een spiegeling. Talmend opent hij zijn mond om het stukje kiwi op het juiste
moment razendsnel naar binnen te zuigen.
‘Floep’, lacht
Jasmijn.
Verbeten
blijft Melvin zijn zus aanstaren, terwijl hij stroeve kaakbewegingen maakt.
‘Je weet wel
die manchetknopen met klokjes?’, dringt Thea aan.
Jasmijn komt
moeizaam van haar hurken en valt terug in het bankje. Zo te zien is Melvin nog
wel even bezig met het verstouwen van het eerste stukje kiwi.
‘Ik heb laatst
een manchetknoop van je gevonden Melvin. Verguld en met een blauw uurwerk. Waar
heb ik dat ding ook alweer gelaten?’, merkt Jasmijn terloops op.
Ze fronst haar
wenkbrauwen en inspecteert de omgeving. Een opgestoken wijsvinger voorspelt
uitsluitsel. In vier passen is Jasmijn bij een ladekastje in de hoek van
het appartement. Ze diept 1 manchetknoop in een plastic zakje uit een lade en
duwt het in de handen van Thea, terwijl ze weer positie inneemt naast het
ziekbed van haar broer.
‘Ik heb je er
toch 2 verkocht?’, vraagt Thea onnozel.
‘Ja, hèhè,
manchetknopen komen altijd met z’n tweeën.’
Jasmijn, de
tuttebel; draait met haar ogen en klikt met haar tong. Ineens verstard haar
gezichtsuitdrukking. Het lijkt erop dat er een lampje gaat branden in het lange
termijn geheugen van haar hersenen.
‘Nou weet ik
weer waar dat zakje vandaan komt.’
Luidruchtig
verwerkt Melvin het stukje fruit tussen zijn gebroken kaken. Of de strubbeling
een afleidingsmanoeuvre is, of echt met zoveel kabaal gepaard moet gaan wordt
niet helemaal duidelijk. Nadat de kiwi hap verwerkt is, laat Melvin zich
vermoeid met het achterhoofd in de stapel kussens vallen. Toch luistert hij.
Het is te zien aan zijn afwachtende hanghouding.
‘Hoe overleef
jij het avondeten?’, wil de moeder in Thea even terzijde weten.
‘Hij heeft
vloeibaar voedsel; maar hij mag al voorzichtig aan een fruithapje beginnen.’
Moeiteloos
glijdt Jasmijn in de functie van arts in opleiding. Die rol past haar goed.
Vragend houdt Thea haar het plastic zakje met de manchetknoop nog maar eens
voor ogen. Bij wijze van herinnering.
‘Waar komt dat
zakje nou vandaan?’
‘Het zat bij
de kleren die Melvin op de bewuste avond droeg. Later hebben we het
teruggekregen in het ziekenhuis. In een papieren zak. Femke vroeg of ik de was
wilde doen vanwege al dat bloed! De manchetknoop zat apart in dat plastic zakje.
Keurig beschermd tegen de bloederige rest. Het was alles wat Melvin aan
sieraden bij zich droeg zeiden ze in het ziekenhuis.’
‘Wat droeg je
dan Melvin? Een maatkostuum?’
De ironie
ontgaat Jasmijn. Ze antwoordt voor haar broer:
‘Nee, hij
droeg een T-shirt en een spijkerbroek.’
Plotseling
laat Melvin van zich horen.
‘Ow, dan heb
ik die manchetknopen in de kontzak van mijn jeans laten zitten, nadat ik ze van
jou, Thea, gekocht had’, verzint hij als een volleerd leugenaar.
Hij heeft veel
te snel een antwoord klaar.
Hoezo één
manchetknoop?’
Jasmijn stelt
de hamvraag zonder het zelf in de gaten te hebben.’
‘Zal ik die
andere wel verloren hebben’, liegt
Melvin.
‘Ik zag laatst
het tweelingbroertje van deze manchetknoop aan de armband van een leerlinge van
mij. Ze droeg hem als bedeltje.’
Thea praat
tergend langzaam en overdreven duidelijk. Jasmijn probeert het ongezegde te
doorgronden.
‘Nou, da’s ook
toevallig. Het zijn hartstikke unieke manchetknopen, met die klokjes en zo’,
constateert ze met grote ogen van oprechte verwondering.
‘Ja, je koopt
ze niet zomaar bij de Action. Zeker niet in een sieradendoosje. De
manchetknopen zaten in een fluwelen sieradendoosje toen jouw broer ze van mij
kocht’, benadrukt Thea met de bedoeling om Melvin in het nauw te drijven.
Melvin vat de
hint, maar zijn reacties worden er niet milder om:
‘Ja en? Dan
zal het doosje wel uit mijn kontzak geflikkerd zijn toen ik in elkaar geramd
werd in het stadpark en toen zal die leerlinge die andere manchetknoop wel
ergens in de buurt van waar ik in elkaar geslagen ben gevonden hebben.’
‘Ach wat
uitzonderlijk. En dan is deze manchetknoop uit zichzelf uit het doosje weer
terug in jouw achterzak gesprongen’, oppert Thea quasi opgetogen, terwijl ze
met het plastic zakje met maar 1 manchetknoop tussen duim en wijsvinger voor
haar neus in de lucht schommelt.
‘Wie zegt dat
die manchetknoop in mijn kontzak zat?’, bokt Melvin.
‘Jij’,
antwoordt Jasmijn achterdochtig
‘Misschien lag
hij wel gewoon naast mij op de grond.’
Triomfantelijk
stuurt Melvin een stroeve knipoog richting Thea. Hij lijkt op een boze Gremlin.
Hier breekt
Jasmijn op eigen initiatief in op de zinsbegoocheling. Ze is zeker van haar
zaak:
‘Nee,
natuurlijk niet Melvin; je droeg die manchetknoop bij je. Anders zou de politie
dat ding heus wel in beslag genomen hebben als belastend materiaal. Je lag voor
pampus in de bosjes van het park. We dachten dat je…’
Jasmijn neemt
een slikpauze en Melvin valt geërgerd voor haar in.
‘Jullie
dachten dat ik er geweest was.’
‘Nou wij niet
alleen’, getuigt Jasmijn:
‘Dus, als er
een manchetknoop in de buurt van jouw lichaam gelegen zou hebben dan zou dat
sieraad toch evengoed van de dader hebben kunnen zijn? Belangrijk
bewijsmateriaal. Net als, bijvoorbeeld, jouw verdwenen mobiel, je gestolen
portemonnee of een eventueel sieradendoosje. En daar heeft de politie ook geen
melding van gemaakt. Dat ze 1 van de 3 gevonden hebben.’
Door toedoen
van Jasmijn moet Thea ineens aan Columbo denken. De verstrooide, Amerikaanse
inspecteur op de televisie uit de jaren 70 die op een kostelijke wijze allerlei
chaotische moordzaken oplost. Dat doet Columbo bij voorkeur door zijn
verdachten te stalken en te bestoken met vragen die de daders dan altijd veel
te uitvoerig proberen te beantwoorden om zichzelf te vrijwaren. Melvin is
precies zoals zo’n beklaagde van Columbo. Hij probeert de waarheid te
verdoezelen met een vergezochte leugen.
‘Je leest te
veel detectives en je hebt teveel vertrouwen in de politie, Jasmijn.’
Melvin sluit
zijn valse getuigenis af met een langgerekte kreun.
‘Ik wil
eigenlijk wel slapen nu.’
‘Heb je al
aangifte gedaan van de mishandeling?’
‘Daar is de
deur Thea’.
Melvin gaapt
omslachtig zonder hand voor zijn mond.
‘Papa heeft de
politie al 3 keer naar het ziekenhuis gestuurd, maar Melvin wil steeds geen
aangifte doen’, legt Jasmijn vertwijfeld aan Thea uit.
‘Pim?’
‘Ja, papa ja,
wat denk je nou? Dat hij de satan is, omdat hij niet elke seconde van de dag in
het leven van zijn kinderen aanwezig is?’
Thea kiest
ervoor om niet opnieuw op de post puberale provocaties van Jasmijn in te gaan.
‘Je moet
aangifte doen Melvin.’
‘Snurk,
snurk’, zegt Melvin.
Hij steekt de
middelvinger van de hand aan zijn gezonde arm naar Thea op. Thea kaatst de bal
terug.
‘Knor, knor,
bedoel je zeker.’
‘Waar gaat dit
over?’, wil Jasmijn verontrust weten.
‘Over dat
varkensvlees in de islam onrein en verboden is; net als homoseksualiteit.’
Thea praat
tegen Jasmijn, maar ze houdt overzicht op het achterover gelegen lichaam van
Melvin. Hij verbergt zijn ogen inmiddels onder zijn ongedeerde onderarm. Bij
Jasmijn begint het één en ander te dagen. Sprakeloos zoekt ze naar antwoorden
bij Thea, dan weer bij Melvin en weer terug. Tot besluit richt ze zich tot
Thea:
‘Hoe kom je
erbij?’
‘Van mijn
Syrische leerlinge bij Huiswerksterk.’
‘Ik snap het
niet’, zegt Jasmijn, terwijl ze geïrriteerd met haar hoofd schudt. Ze is het
niet gewend om iets niet te bevatten. Thea heeft haar volle aandacht.
‘De Syrische
leerlinge heet Moona en zij vertelde mij dat het dragen van goud niet soenna is
voor moslims. Wel voor moslima’s. Vrouwen mogen wel goud dragen van de profeet,
maar mannen niet. Daarentegen mogen mannen in de islam wel weer andere dingen
die moslima’s niet mogen van de profeet, maar daar gaat het nou niet over. In
ieder geval was Aadam vast heel vereerd met het feit dat zijn vriendje Melvin
hun liefde wilde bezegelen met de ene helft – dus 1 manchetknoop - van een
paartje dat in wezen onafscheidelijk is. Heel romantisch gedacht. Maar hij
mocht het sieraad van de profeet dus niet bij zich dragen. Nou mag Aadam van
zijn geloof wel goud aan een vrouw cadeau doen. Daarom schonk de Syrische Aadam
de vergulde manchetknoop aan zijn zusje Moona oftewel mijn Syrische leerlinge –
inclusief hoofddoek – bij Huiswerksterk. Bij zijn zusje zou de metafoor van de
liefde tussen Aadam en vriend Melvin gewaarborgd zijn zonder dat de zedige
Moona het zelf door had.’
‘Niet soenna?’,
herhaalt Jasmijn niet begrijpend.
‘Not done,
oftewel; niet het juiste pad van de profeet.’
Dan richt Thea
zich tot Melvin en zegeviert.
‘Wist jij ook
niet toch?!’
‘Heb je het
haar verteld?’
Melvin praat
nasaal door een verstopte neus en klinkt alsof hij huilt. Zijn borstkas gaat
zachtjes schokkend op en neer. Melvin piept nu bij iedere ademstoot als een
muisje in de val. Onhandig wrijft Jasmijn over zijn in een sportbroek gehulde
bovenbeen. Ze is snel van begrip. Altijd al geweest.
‘Nee, ik heb
het haar niet verteld. Waarom zou ik?’, sust Thea.
Ze wacht een
paar seconde om aansluitend eindelijk het hoge woord eruit te gooien:
‘Maar jij moet
wel naar de politie gaan en aangifte doen.’
‘Nee, ik moet
helemaal niets’.
Melvin vermant
zich. Schrander haalt hij zijn neus op, veegt zijn ogen droog en
komt weer wat verder overeind in de kussensteun. Lodderig staart hij Thea een
paar seconden aan.
‘En jij doet
ook niets’, beveelt hij vervolgens.
Jasmijn komt
tussenbeide:
‘Begrijp ik
nou goed dat jij een Syrisch vriendje hebt?’
‘Had’,
verbetert Thea.
‘Hebt’,
herstelt Melvin snibbig en tegen Jasmijn zegt hij doodleuk:
‘Hij heet
Aadam.’
‘Woont hij in
een AZC?’
‘Nee, hij is
al 5 jaar in Nederland. Ik ken hem van de sportschool.’
‘Ook
gezellig’, vindt Jasmijn confuus.
‘En heeft
Aadam de laatste tijd nog contact met je opgenomen?’
Thea raakt
opnieuw een gevoelige snaar, maar ze moet doorbijten. Melvin kan zijn eigen
kracht pas leren kennen als doorzetten de enige keus is.
‘Ik heb een
nieuwe telefoon. Mijn oude mobiel is gejat op die avond in het stadspark weet
je nog!? Of ze hebben hem in de vijver gekwakt. Weet ik veel.’
‘Aadam kan hem
dus niet onder zijn oude nummer bereiken; dat is wat Melvin bedoelt.’
‘Ik snap wat
Melvin bedoelt Jasmijn.’
‘Ik kan hem
Godverdomme evengoed niet bereiken’, vloekt Melvin vanonder zijn onderarm.
‘Misschien kan
Thea wat voor je doen via dat zusje van Aadam?’, oppert Jasmijn onder
begeleiding van bemoedigende klopjes die plaats hebben gemaakt voor haar
knullige gewrijf op het bovenbeen van Melvin.
‘Ik kan je het
telefoonnummer van Moona geven, maar het lijkt me geen goed idee om haar te
bellen over haar broer Aadam!’, antwoordt Thea, terwijl ze probeert om aan het
voeteneind van het luxe matras plaats te nemen.
Ze zit niet
makkelijk. Ze zakt diep door in het matras en ze heeft nergens steun. Het
gebroken lichaam van Melvin beweegt ook smartelijk mee met haar caperiolen. Ze
zal toch even stevig moeten zitten alvorens ze Melvin wijzer maakt. Jasmijn
kijkt het gestuntel van Thea smalend aan.
‘Pak een
barkruk’, stelt ze voor.
De scheidslijn
tussen de kleine huiskamer en het open keukentje wordt gevormd door een plank
van lawaaibomenhout. Een ieniemienie keukenblokje opgeleukt met twee ranke
barkrukjes die zo hoog op de pootjes staan dat Thea met de voetjes van de vloer
eindelijk zit. Nog steeds niet comfortabel, maar ze zal waarschijnlijk toch
niet meer lang welkom zijn.
‘Waarom?’,
opent Jasmijn na een pijnlijke stikte de conversatie maar weer eens.
‘Waarom wat?’
‘Waarom is het
geen goed idee om Melvin te laten bellen naar het zusje van Aadam?’
Jasmijn
spreekt de naam van het vriendje van haar broer uit alsof hij al een lid van de
familie is. Teder. Beschermend.
‘Ik neem aan
dat je het oude telefoonnummer hebt aangehouden bij de aanschaf van je nieuwe
mobiel, Melvin?’
Opnieuw is het
een moment stil.
‘Waarom geeft
hier niemand direct antwoord op een simpele vraag?!, valt Jasmijn getergd uit.
Na deze
uitroep, maant ze Melvin aan om antwoord te geven.
‘Nou?’
‘Wat nou?’
‘Heb je nog
hetzelfde mobiele nummer?’
‘Ja hoor!’
Om haar
bedoeling te onderstrepen gebaart Thea met gespreide handen haar gelijk naar
Jasmijn:
‘Nou dan kan
Aadam toch gewoon contact met Melvin opnemen? Als hij zou willen, of kunnen?
Niet nodig om zijn zusje te alarmeren. Niet nodig om slapende honden wakker te
maken’, licht Thea toe.
Melvin
verschuilt zijn gezicht nog steeds onder zijn bovenarm.
‘Enough’,
schreeuwt de tattoo op zijn polsslagader.
‘Heb je de
daders herkent?’, vraagt Thea aan de tattoo.
Melvin zegt
niks. Geen ja. Maar ook geen nee.
‘We denken
toch dat het bekenden van de escortservice zijn’, biecht Jasmijn op.
Ze slaat een
conversatietoon aan.
‘Pim en jij?’,
vraagt Thea op dezelfde toonhoogte.
‘Bink en ik’,
verbetert Jasmijn.
Ze bloost.
‘Bink is okay
Thea, wat je ook van hem denkt. Hij is er voor ons. Voor Melvin en mij. Meer
dan een gewone stiefoom.’
‘Meer dan een
vader’, vult Melvin onvast aan.
Hij praat door
zijn gebroken neus. Hij huilt.
‘Waarom help
je hem dan niet uit jouw boze droom Melvin?’
‘Hoezo mijn
boze droom?’
Eindelijk komt
Melvin tevoorschijn vanonder zijn arm. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en flets.
Zijn mond trilt.
‘Aadam heeft 3
broers.’
‘Ik heb niets
te maken met de broers van Aadam.’
‘Als je wat
weet, zeg het dan gewoon Thea’, blaast Jasmijn vermoeid.
Thea negeert
haar. Ze is er bijna. Het is toch nog een gok om op dat moment haar vermoedens
voor de voeten van Melvin te smijten:
‘Je hebt ze
herkend toch?’
‘Rot op stomme
ouwehoer.’
Degene die de
uitdrukking; ‘schelden doet geen pijn’, heeft bedacht is zelf zeker nooit
beschimpt. Thea kan de onbezonnen jeugd niet meer verkroppen. Ze hoeft zich
helemaal niets te laten welgevallen door dat vervelende, etterige, rot ventje
van amper 18 jaar!
‘Wat denk je
dat die machomoslims met jouw Aadam hebben uitgevoerd nadat hij jou met hulp
van zijn aanstichters het ziekenhuis in geslagen heeft?’’
‘Zeg het nou
gewoon Thea’, smeekt Jasmijn.
‘Nadat Aadam
zijn geliefde in opdracht van de profeet en onder druk en met hulp van zijn
broers heeft afgestraft; heeft hij zich overzee bij zijn geloofsgenoten gevoegd
alwaar hij zich voorbereid op de heilige oorlog. Allahoe Akbar!’
Vol afgrijzen
tuurt Melvin over de schouder van Thea, langs haar wang af in het oneindige. De
tranen druppelen nu schaamteloos uit zijn ooghoeken in zijn oorschelpen en zijn
neus loopt leeg. Zijn vertrokken mond is verkrampt in een radeloze kreet zonder
geluid. Jasmijn reikt haar broer een uitgevouwen papieren zakdoekje aan, waarin
hij prompt zijn gezicht verstopt.
Een moment
lang heeft Thea spijt. Moona heeft inderdaad toegegeven dat ze Aadam moet
missen, omdat hij zich tegenwoordig fulltime toelegt op de jihad. Verder heeft
ze maar wat geroepen. Giswerk. En het feit dat Aadam eigenhandig bij de
mishandeling betrokken zou zijn geweest was een verzinsel van het ergste soort.
Een speculatie om Melvin terug te pakken met zijn nodeloze gescheld. Maar
Melvin trapt in de val.
‘Hij heeft
mijn leven gered’, loeit hij dof in zijn Kleenex.
Het hart van
Thea slaat een slag over.
‘Bedoel je dat
Aadam de dader is?’, stamelt Jasmijn vervuld van afschuw.
‘Niet alleen.
Zonder hem hadden ze me dood getrapt’.
‘Zonder hem
zou dit allemaal niet gebeurd zijn’, nuanceert Thea voor de goede orde.
Met een ruk
laat Melvin zijn maskerade vallen en dreigt:
‘Je houdt je
bek erover dicht.’
‘Radicalisering
gaat ons allemaal aan. Je hebt een burgerplicht om dit te melden bij de
vreemdelingenpolitie of weet ik veel.’
‘Als ik eraan
ga dan ga jij er ook aan Thea. Dan zal ik eens een boekje bij je leuke
gezinnetje open doen over onze ochtenden samen in jouw woonkeuken. Keer op keer
en op en neer.’
Melvin heeft
een donkerpaars, gezwollen gezicht en
hij blaast als een opgefokte stier in de arena. Hij raaskalt door de helse pijn
van de lans in zijn halsslagader. Thea is de matador. Het rode doek is
gevallen. Uit alle poriën van het lichaam van Melvin vloeit vocht. Bloed, zweet
en tranen. De laatste stuiptrekkingen van verzet.
Bij de
voordeur kijkt Thea nog een keer om naar Jasmijn die nog steeds naast het luxe
matras van Melvin op de bank zit. Ze omvat zijn hand. Hij ligt achterover en
kreunt. Huilt. Kermt. Jasmijn was net 7 en bleef haar surrogaatmama roerloos
staan nakijken in de deuropening van het appartement van Pim met dezelfde half
openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, waarvan Thea toen
dacht dat die haar nooit meer op een onbewaakt moment zouden kunnen
overweldigen.
‘Ik ben de
heilige maagd Maria niet en ik kan de wereld niet te redden. Ik heb gedaan wat
in mijn macht ligt’, besluit Thea waarna ze de poort van de uitvlucht achter
zich in het slot laat vallen.
Ze neemt de
trap naar omlaag, want de lift laat te lang op zich wachten voor de tijdelijke
paranoia die haar voortjaagt uit de irrationele angst dat Jasmijn en zelfs
Melvin met al zijn gebroken botten haar zullen blijven achtervolgen tot in de
eeuwigheid. Amen. Beneden gekomen blijft ze staan in de trappenhal met haar rug
tegen de muur om op adem te komen. Ze heeft zicht op de brievenbussen met
sloten en naamplaatsjes van het appartementencomplex. Een bewoner opent de
voordeur, knikt ingetogen, controleert zijn post met veel sleutelgerinkel en
verdwijnt in de lift. Droeg de vreemdeling nou een lange ouderwetse regenjas
losjes over zijn schouders met daaronder een 3delig pak en een stropdas?
Aktetas onder de oksel geklemd. Zo iemand draagt standaard ook ongetwijfeld
twee manchetknopen; ter sluiting van de boorden aan de mouwen van zijn
overhemd. Zoals het hoort. Niet de ene manchetknoop in de kontzak van zijn
spijkerbroek als het symbool van de liefde voor de ander die het tweede deel
van het duosieraad bij zijn zusje in bewaring geeft. Uit schaamte en
zelfverloochening. Wat een zinloze ontknoping. Met deze uitkomst is de waarheid
niet meer dan een achterhaalde realiteit. Net zo cru als een leugen. Maar wat
had Thea dan verwacht? Dat Melvin het licht zou zien? En uit welke hoek zou de
wind dan moeten waaien naar inschatting van Thea? Niet uit de extreem
Islamitische hoek in ieder geval. Voor je het wist vecht Melvin ook in de
heilige oorlog. Zoals Aadam. De jihad als bliksemafleider of als heropvoedingsstrategie.
Of een zelfmoordpoging. Voor Aadam, niet voor Melvin, want hij heeft vandaag
juist onbedoeld de eerste stap naar een doorbraak gezet door zijn demonen te
trotseren. En nee, ze zijn niet bezweken, maar Melvin ook niet. Hij ademt nog,
ergert zich aan Jasmijn, haat zijn vader en zijn moeder en kan Thea wel
schieten. Hij is er nog, met zeeën van tijd om zijn immuunsysteem te voeden met
weerstand en flexibiliteit. Met yin en yang; de dingen die elkaar aanvullen;
het evenwicht of de balans. Hoe zweverig ook; Thea gelooft in de kracht van de
zelfredzaamheid. Ook bij haar eigen kinderen. En dat zijn wel de laatste twee
mensen op aarde die ze aan hun lot over zou laten.
Toch was Thea
niet in staat om Sabine direct op haar wenken te bedienen toen ze aangaf dat ze
in het nieuwe schooljaar het liefst in de andere groep 6 zou beginnen. Niet dat
Bart en Thea aan de oprechtheid van hun dochter twijfelden; maar ze wisten zo
goed als zeker dat de rest van De Wielwaalwereld dat wel zou doen. Want zijn
kinderen niet net zo veranderlijk als het weer in Nederland? Wel als je de
waard moet geloven die zijn gasten meet met de eigen oogkleppen. Getuige de
vijandige beoordeling van het kattenwerkstuk door Jeewee. Hij vond
ontegensprekelijk niet dat Sabine het overgrote deel van het resultaat op haar
naam mocht schrijven. Hoewel; misschien vond niet Jeewee maar Jade - de interne
coördinatrice van De Wielewaal – op de achtergrond wel van niet; of een
overrompelde opperouder die zich illegaal met het werkstukkenproject bemoeid
had was kritisch geweest. Professor Pronken bijvoorbeeld die zijn dochter
Allagonda en haar volgelingen uit groep 6 - en zelfs uit 5 - van de
combiklas met veel ruchtbaarheid van heel dichtbij begeleid had. En als er
iemand werkstukken naar waarde in kon schatten dan was het professor Pronken –
hoofd emeritus van de geschiedenisfaculteit van de plaatselijke universiteit -
wel uiteraard. Daar kon geen weldenkend mens, zoals Bart of Thea, of een
onderwijzer zonder lef van De Wielewaal, tegenop. Gevolglijk dat een werkstuk
over katten, op eigen initiatief van de 8jarige Sabine, niet onbesmeurd door de
keuring van de hoogleraar heen kwam. De kinderwerkstukken die bejubeld werden
gingen allemaal over de Romeinse tijd. De specialisatie van professor Pronken.
Het dagelijkse leven in de Romeinse tijd, de rechtspraak in de Romeinse tijd,
de kleding in de Romeinse tijd; de goden uit de Romeinse tijd; de keizers uit
de Romeinse tijd; het politieke stelsel in de Romeinse tijd. Professor Pronken
had zelfs al eens een hele morgen in de combigroep 5 en 6 langdradig verteld
over dit alles en nog veel meer over de Romeinse tijd. Een jaar later zou hij
precies hetzelfde lesje in de groep van zijn jongere zoon Marcus en diens
klasgenoot Walter afdraaien. Dat was tevens de eerste keer van een
onvermijdelijke reeks botsingen tussen Walter en de vader van zijn vriendje.
Tijdens de primeur, in groep 5 dus, kreeg Walter stevig op zijn lazer van de
professor. De hele klas was onder de indruk. Zelfs Walter. Toch weerhield de
uitbrander het jongetje er voortaan Goddank niet van om zijn mening te blijven
zeggen en vragen te blijven stellen. Hoezeer de lijpe professor zich ook door
het toen achtjarige kind geprovoceerd bleef voelen in de loop van de
Wielewaaljaren. Zozeer dat professor Pronken tot in groep 8 met Walter het
conflict bleef aangaan. Schandalig; maar afgezien daarvan niet de moeite van
het riskeren van een chronisch verhoogde bloeddruk waard. En zoals Walter
vanwege zijn persoonlijkheid niet kon stoppen met hardop kritisch zijn, zou
Sabine zich na het gediskwalificeerde kattenwerkstuk opnieuw blijven bewijzen.
Misschien niet voor professor Pronken en zijn beperkingen, maar wel voor de
rest van de wereld.
Voor zijn
zelfvertrouwen zat Walter voorlopig goed bij juffrouw Toos. Sabine
was een ander geval. Sabine was misschien dan wel ‘leuk’ om erbij te hebben –
om met Jeewee te spreken - dat betekende niet automatisch dat het meisje zich
op haar gemak voelde tussen de oververtegenwoordigde deugneusjes in de
combiklas 5/6. Ze was en zou nooit een teer poppetje worden dat bij elk
hobbeltje op haar levensweg de uitvlucht van de tranen koos en dat thuis nog
wat extra schoolopdrachten ter hand nam om haar faalangst te bekrachtigen.
Sabientje was niet neurotisch; maar ze kweekte wel een gloeiende aversie tegen
de truttigheid waarmee de huilmeisjes uit de combigroep 5 en 6 haar nu al bijna
een schooljaar lang omgaven.
‘Als je echt
naar de andere groep wilt volgend schooljaar, dan moet dat zelf aan meester
Jan-Willem vragen. Durf je dat?’
Thea kon het
antwoord zelf geven. Ze wist dat de kleine Sabine het voortouw kon en zou
nemen. Het kind had pit genoeg. Al vanaf haar geboortedag zette ze regelmatig
‘eigen initiatief’ in om het zichzelf zo makkelijker en aangenaam mogelijk te
maken. De weg van de minste weerstand was en is daarbij haar tweede natuur.
Vandaar ook de verwijtende wedervraag die Thea had kunnen voorspellen.
‘Waarom loop
je niet met me mee?’
‘Omdat Jeewee
denkt dat papa en ik willen dat jij volgend jaar naar de andere groep 6 gaat en
niet jij zelf.’
‘Maar ik wil
het zelf en Marga mag ook.’
‘Wie is Marga.
Ik ken geen Marga.’
‘Marga zit nou
nog in de hele groep 5. Bij Ronnie en de anderen. Ze haalt alleen maar
uitmuntend. Ze mag volgend schooljaar naar groep 7. Ze mag een jaar overslaan.
Ze komt nu alvast kijken in de combiklas 5 en 6.’
‘Ach ja; da’s
waar ook; de combigroep is een de verzamelklas voor hoogbegaafde kinderen met
een paar alibi’s. Dus dan komt die Marga nogal wiedes na de grote vakantie in
de combinatieklas 6 en 7. Zo’n slimme meid kan natuurlijk niet in een gewone
groep 6 of 7 blijven zitten. En in de combiklas gaat iedereen over natuurlijk!’
‘Nee, hoor
Jamie en Edin blijven zitten in groep 5.’
‘Nee maar. Dan
zijn Jamie en Edin dus de alibi’s!’
Thea deed
alsof ze van haar stoel viel van verbazing. Jammer alleen dat Sabine allang
niet meer ontvankelijk was voor de acteerprestaties van haar moeder. Ze liet
zich niet van haar à propos brengen en maakte van de losse gelegenheid gebruik
om zich op de inhoud van de snoeptrommel te concentreren, terwijl ze vroeg:
‘Wat zijn
alibi’s?’
‘Alibi’s zijn
een soort sorry’s. Geen snoepjes dus, maar het bewijs dat groep 5/6 helemaal
niet zo hoogbegaafd is als ze willen doen voorkomen.’
Sabine zette
haar tanden in een reepje trekdrop dat ze roekeloos verslond. Het tweede reepje
hield ze pal voor haar mond in de wacht, terwijl ze eerst sprak:
‘Jamie en Edin
komen volgend jaar bij Walter in de klas. En Marga gaat na de vakantie niet
naar groep 6 waar ze eigenlijk hoort, maar naar groep 7 van de combiklas.’
‘En toen
verzon jij dat jij dat vrij gekomen plekje in de homogene groep 6 mooi kunt
bezetten volgend schooljaar?’
Thea was
ontroerd door de vindingrijkheid van haar dochtertje.
‘Homogene?’
‘Complete.’
‘Ja, want
Marga gaat toch naar de combigroep?’, bevestigde Sabine zelfvoldaan.
‘Krijgt de
combigroep 6/7 eigenlijk volgend jaar ook Jeewee als meester?’
Smikkelend en
smakkend haalde Sabine haar schouders op en groepeerde een handje vol kleurige
gummieberen voor zich op de keukentafel.
‘Iedereen
zeurt erover. Iedereen uit de groepen 5 en 6. En alle papa’s en mama’s bij de
deur van de klas ‘s morgens.’
Een combinatie
van kunstmatige geurstoffen in de snoepadem van Sabine walmde Thea tegemoet.
‘Wat zegt
Jeewee zelf dan?’
‘Dat het een
verrassing is wie volgend jaar de meester of juffrouw van groep 6 en 7 wordt.’
Al kauwend
liet Sabine achter elkaar een stuk of 5 gummieberen in haar mond verdwijnen.
‘En wie wordt
dan volgend jaar de meester of juffrouw van de homogene groep 6?’
‘Juffrouw
Dorien’, smakte Sabine stellig in haar geurwolk van synthetisch snoep.
‘Alweer; het
is wel juffrouw Dorien voor en na. In groep 3 en 4 en nu ook al bijna in groep
6’, antwoordde Thea plagerig.
‘Is niet erg.’
Sabine trok
gekke bekken om achtergebleven stukjes gelei van haar kiezen te manoeuvreren.
Haar wijsvingertje hielp een handje.
‘Nou dat lijkt
me dan een uitgemaakte zaak’, lachte Thea, terwijl ze haar geraffineerde kleine
meisje innig tegen zich aan drukte.
Aan het
doortastende optreden van Sabine kan het niet gelegen hebben dat Thea zich na
een week afvroeg of ze misschien toch niet te hard van stapel gelopen was met
haar ‘uitgemaakte zaak’. Ze hoopte dat het beladen stilzwijgen uit het
Wielewaalkamp geïnterpreteerd kon worden als een denkpauze voor iedereen die
zich beroepshalve in het welbevinden van Sabine behoorde te verdiepen. Die
bemoeienis vroeg wellicht om de nodige tijd voor alle ego’s om eens flink over
de pretentieloze wens van een klein kind heen te urineren. De enige die in deze
kwestie tot snelle actie overging was de 8jarige Sabine. Amper 24 uur na haar
besluit liet ze haar meester onomwonden en met alle steun van haar vader en
moeder weten dat ze na de zomervakantie liever naar de andere groep 6 wilde.
‘Nou dan
moeten je vader en moeder maar even een afspraakje met Jade de interne
coördinatrice regelen.’
Dat was alles
wat Jeewee te missen had gehad. Alsof het verzoek van een 8jarig kind om van
klas te wisselen de normaalste zaak van de wereld was.
‘Hoort hij de
noodkreet van het kind dan niet?!’, riep Thea theatraal uit.
‘Welke
noodkreet?’, vroeg Bart argeloos.
‘Ach kom op
Bart; je gaat me toch niet vertellen dat Sabine met haar verzoek om naar een
andere groep overgeplaatst te worden geen unicum is?!’
‘Jeewee zal
wel gedacht hebben; ‘één keer moet de eerste keer zijn’, merkte Bart droog op.
‘Volgens mij
denkt Jeewee niet zoveel. Anders zou hij toch wel willen weten wat hier
speelt.’
‘Jeewee weet
allang wat er speelt.’
‘O, ja? Als
Jeewee dan zo goed weet wat er speelt volgens jou. Waarom zegt hij dan tegen
Sabine dat wij contact op moeten nemen met Jade? Wij leven in onmin met Jade
weet je nog?!’, stelde Thea demonstratief.
‘Jeewee kan
natuurlijk niet weten dat wij niets meer met Jade te maken willen hebben. En
Jade is wel de interne coördinatrice.’
‘Natuurlijk
weet hij dat wel. Zo groot is De Wielewaal nou ook weer niet’, protesteerde
Thea onwennig.
Normaliter was
Bart de persoon met de meest vooropgestelde meningen van de twee
gesprekspartners.
‘Wat doet dat
er nou toe? Misschien heb je wel gelijk, maar laten we ons niet verliezen in
bijzaken. Wat kan zo’n meester nou anders doen dan een kind doorverwijzen naar
zijn superieur als het naar hem toekomt met de vermelding dat het volgend jaar
naar de andere groep 6 wil? Hoe zuiver zijn de motieven van het kind? Misschien
projecteert Sabine onze wensen wel op haar verzoek om overgeplaatst te worden.
Direct of indirect. Vergeet niet dat Jeewee het prototype van een angsthaas
is.’
‘Een angsthaas
is niet erg; maar Jeewee is een windhaantje. En natuurlijk handelt Sabine onder
invloed van ons. Wij zijn haar ouders. Jeewee is toch zo’n goede
onderwijzer? Een goede onderwijzer hoeft niet alle kinderen uit zijn
klas van a tot z te doorgronden, maar geen leerling uit zijn groep mag een
absolute vreemde voor hem zijn. Hij kent Sabine toch? Hij had escalatie kunnen
voorzien. En niet omdat ze niet mee kan komen met de gepolijste kinderen uit de
combiklas, maar vanwege de constante druk van de opperouders op hun kinderen en
daarmee op de groepsdynamiek die Jeewee daardoor weer niet in bedwang kan
houden.’
‘Hoe kan hij
nou iets overzien wat hij zelf niet onder controle heeft? Hij heeft nog meer
last van de opperouders dan Sabine, dat weet ik dan weer voor jou. Op een
schaal van 1 tot 10 is die Jeewee een 5. Geen vlees; geen vis. Neutraal en daar
is ook wat voor te zeggen. Dan valt nooit echt iets tegen. Of mee.’
‘Je bent nogal
te spreken over mijn aanbidder’, snerpte Thea beledigd.
‘Dat komt
omdat we onze voorliefde voor jou delen’, meesmuilde Bart.
Soms overviel
hij haar met zijn gemakzuchtige en selectieve onverschilligheid.
‘Laten we dan
maar hopen dat jullie tweetjes in de toekomst niet nog meer verborgen
overeenkomsten hebben’, griezelde Thea.
Nog dezelfde
dag stuurde ze een berichtje naar directrice Willy:
Beste Willy,
Sabine (groep
5) heeft vandaag alweer meer dan een week geleden aan haar meester (Jan-Willem)
te kennen gegeven dat ze na de zomervakantie in de andere groep 6 (dus niet de
combiklas 6/7) geplaatst wil worden. U kunt alle gewenste informatie die u
nodig heeft om tot een weloverwogen besluit te komen bij meester Jan-Willem
inwinnen. In afwachting van uw inwilliging verblijven wij, met vriendelijke
groeten.’
Thea wendt
zich tot Jasmijn. Een vreemdeling voor haar persoonlijk die ze desondanks door
en door kan lezen. En andersom weet Jasmijn maar al te goed wie Thea is. Maar
ze zoeken elkaar niet.
‘Ik ben niet
de vijand hier, Jasmijn.’
‘Wie dan? Mijn
moeder zeker of Femke? Wat kom je hier eigenlijk doen?’
De scherpe
vraag stevent rechtstreeks op het hart van Thea af. Met als gevolg een dof,
verdoofd gevoel door haar hele lijf. In slow motion tracht Thea het vege lijf
uit het rotan kuipje te verlossen. Blindelings tast ze naast de leuning het
laminaat af op zoek naar haar schoudertas.
‘Ik kom op
ziekenbezoek bij Melvin.’
Haar geprevel
klinkt als een schietgebedje.
‘Ach, schiet
toch op oud vel!’, scheldt Jasmijn terwijl ze voorovergebogen op het bankje de
verbijsterde blik van Thea ontwijkt.
Thea verheft
zich en wankelt op haar benen. De felle reactie van Jasmijn heeft haar slappe
knieën bezorgd. Ze onderzoekt het bewegingsloze, horizontale lijf op het luxe
matras in de woonkamer van het appartement van Jasmijn. Correctie; het
appartement van Melvin; hij bekostigt de huur van de flat van zijn zus met seks
tegen betaling. Normaliter, maar nu dus even niet. Momenteel ligt hij gehavend
en roerloos op zijn rug en heeft zijn ogen gesloten.
‘Je kunt wel
iets zeggen Melvin?’, spoort Thea hem verwijtend aan.
Hij zwijgt,
maar Jasmijn windt er geen doekjes om. Ze gaat er net als Thea maar even bij
staan. Ineens kijkt ze haar oude kinderjuf en huiswerkbegeleidster wel recht in
de ogen. Thea ziet onzekerheid, angst en agressie.
‘Wat moet hij
zeggen? Hij wil dat je oprot en ik ook.’
‘Ik ben al
weg’, belooft Thea voorbarig.
‘Wat heeft
Thea jou eigenlijk aangedaan, Jasmijn?’ informeert Melvin onverwacht en
afvallig.
Zijn stem vult
de ruimte als van een voice-over in een film. Jasmijn doet alsof ze hem niet
gehoord heeft en richt zich opnieuw rechtstreeks tot Thea. Haar vuurspuwende
ogen zijn veranderd in na sudderende vonkjes. Haar indirecte antwoord op de
vraag van Melvin heeft een verontschuldigende naklank:
‘Je moet niet
net doen of je mijn moeder bent.’
‘Je kunt veel
van me zeggen, maar ik heb nooit gedaan alsof ik je moeder ben’, meesmuilt
Thea.
‘Waarom wel
bij Melvin, eigenlijk?’
Jasmijn zakt
door haar knieën. Ze zit weer en knikt naar het rotan kuipje. Thea negeert het
verzoeningsgebaar. Ze blijft liever staan. In die houding wekt ze tenminste
niet de indruk dat ze op een volgende krachtterm zit te wachten.
‘Hoe kom je
erbij dat ik bij Melvin ooit gedaan heb alsof ik zijn moeder ben?’
Melvin opent
zijn ogen, komt half overeind op zijn gezonde arm.
‘Kun je wat
kussens in mijn rug duwen Thea?’
Thea wisselt
een blik van verstandhouding die Jasmijn mist omdat zij - in plaats van de oude
kinderjuf en huiswerkbegeleidster - Melvin wel te hulp schiet.
‘Misschien is
het omgedraaid. Misschien doet Melvin wel alsof ik zijn moeder ben’, insinueert
Thea, terwijl Jasmijn 3 kussens trapsgewijs achter het schouderblad van Melvin
opstapelt.
Melvin nestelt
zich in de ruggensteun.
‘Lekker zo?
Wat zei je Thea?’
‘Wanneer ga je
naar Beau? Je hebt toch een sabbatical en daarom ging je toch een half jaartje
naar je moeder in Oxford?’
‘Binnenkort.’
Het vuur in
Jasmijn is gedoofd. Ze reageert weer precies zo mak en afstandelijk zoals ze
vroeger als kind meestal kon zijn. Met uitzondering van die plotselinge
aanhaligheid naar Thea toe. De schrijnende knuffeltjes die ze bij haar
surrogaat moeder kwam innen en waarvan Thea bang was dat ze verraderlijk en
schadelijk voor het kleine meisje zouden zijn. Thea vermoedde dat het kind
voelde dat de affiniteit van haar kinderjuf geen spontaniteit was, maar een
morele verplichting. Na ruim 15 jaar heeft Jasmijn zich vandaag
gerevancheerd. De bruuske afwijzing weerklink in het hoofd van Thea:
‘Hij wil dat
je oprot en ik ook!’
Alsof het oude
vel de rimpels en levervlekken zomaar kan strijken en gummen. Wat heeft Thea
bij Melvin en Jasmijn verloren? Haar jonge jaren? Wat houdt haar tegen om
gewoon weg te lopen en deze menselijke wanhoopjes aan hun ondergang over te
laten? Met jaloezie op de jeugd heeft haar bemoeienis niets te maken. Juist het
schamele beetje aan levenservaring dat Thea in de groei van haar jaren heeft
opgedaan weerhoudt haar er van om het tweetal in de steek te laten. Zo’n
overhaaste beslissing zou aan haar knagen tot aan haar laatste ademstoot.
Precies daarom blijft ze hier staan graven. Voor haar geweten en zodat Jasmijn
en Melvin kunnen zien dat zoiets als onvoorwaardelijke verbintenissen echt
bestaan. Hiervoor moeten alle taboes en geheimen boven het grondwater
uitgediept worden. En terwijl Thea daar zo aan het voeteneinde van het luxe
opblaasbare matras van Melvin in de vluchthouding vanalles staat af te wegen,
krijgt ze ineens een heldere ingeving. Eureka. Nu is het zaak om goed te
improviseren.
‘Zeg Melvin
heb jij nog iets aan die manchetknopen gehad die je toen van mij gekocht hebt?’
Melvin negeert
de vraag:
‘Ik wil toch
wel wat kiwi, Jasmijn.’
Opgetogen
vindt Jasmijn het bakje met groenvoer op de vensterbank naast de fruitmand van
Thea. Opnieuw hevelt ze tussen duim en wijsvinger een partje kiwi op tot aan de
geschonden mond van Melvin. Automatisch tuit ze haar eigen volle, gestifte
lippen in de waarschijnlijk onbewuste hoop dat Melvin haar voorbeeld volgt als
in een spiegeling. Talmend opent hij zijn mond om het stukje kiwi op het juiste
moment razendsnel naar binnen te zuigen.
‘Floep’, lacht
Jasmijn.
Verbeten
blijft Melvin zijn zus aanstaren, terwijl hij stroeve kaakbewegingen maakt.
‘Je weet wel
die manchetknopen met klokjes?’, dringt Thea aan.
Jasmijn komt
moeizaam van haar hurken en valt terug in het bankje. Zo te zien is Melvin nog
wel even bezig met het verstouwen van het eerste stukje kiwi.
‘Ik heb laatst
een manchetknoop van je gevonden Melvin. Verguld en met een blauw uurwerk. Waar
heb ik dat ding ook alweer gelaten?’, merkt Jasmijn terloops op.
Ze fronst haar
wenkbrauwen en inspecteert de omgeving. Een opgestoken wijsvinger voorspelt
uitsluitsel. In vier passen is Jasmijn bij een ladekastje in de hoek van
het appartement. Ze diept 1 manchetknoop in een plastic zakje uit een lade en
duwt het in de handen van Thea, terwijl ze weer positie inneemt naast het
ziekbed van haar broer.
‘Ik heb je er
toch 2 verkocht?’, vraagt Thea onnozel.
‘Ja, hèhè,
manchetknopen komen altijd met z’n tweeën.’
Jasmijn, de
tuttebel; draait met haar ogen en klikt met haar tong. Ineens verstard haar
gezichtsuitdrukking. Het lijkt erop dat er een lampje gaat branden in het lange
termijn geheugen van haar hersenen.
‘Nou weet ik
weer waar dat zakje vandaan komt.’
Luidruchtig
verwerkt Melvin het stukje fruit tussen zijn gebroken kaken. Of de strubbeling
een afleidingsmanoeuvre is, of echt met zoveel kabaal gepaard moet gaan wordt
niet helemaal duidelijk. Nadat de kiwi hap verwerkt is, laat Melvin zich
vermoeid met het achterhoofd in de stapel kussens vallen. Toch luistert hij.
Het is te zien aan zijn afwachtende hanghouding.
‘Hoe overleef
jij het avondeten?’, wil de moeder in Thea even terzijde weten.
‘Hij heeft
vloeibaar voedsel; maar hij mag al voorzichtig aan een fruithapje beginnen.’
Moeiteloos
glijdt Jasmijn in de functie van arts in opleiding. Die rol past haar goed.
Vragend houdt Thea haar het plastic zakje met de manchetknoop nog maar eens
voor ogen. Bij wijze van herinnering.
‘Waar komt dat
zakje nou vandaan?’
‘Het zat bij
de kleren die Melvin op de bewuste avond droeg. Later hebben we het
teruggekregen in het ziekenhuis. In een papieren zak. Femke vroeg of ik de was
wilde doen vanwege al dat bloed! De manchetknoop zat apart in dat plastic zakje.
Keurig beschermd tegen de bloederige rest. Het was alles wat Melvin aan
sieraden bij zich droeg zeiden ze in het ziekenhuis.’
‘Wat droeg je
dan Melvin? Een maatkostuum?’
De ironie
ontgaat Jasmijn. Ze antwoordt voor haar broer:
‘Nee, hij
droeg een T-shirt en een spijkerbroek.’
Plotseling
laat Melvin van zich horen.
‘Ow, dan heb
ik die manchetknopen in de kontzak van mijn jeans laten zitten, nadat ik ze van
jou, Thea, gekocht had’, verzint hij als een volleerd leugenaar.
Hij heeft veel
te snel een antwoord klaar.
Hoezo één
manchetknoop?’
Jasmijn stelt
de hamvraag zonder het zelf in de gaten te hebben.’
‘Zal ik die
andere wel verloren hebben’, liegt
Melvin.
‘Ik zag laatst
het tweelingbroertje van deze manchetknoop aan de armband van een leerlinge van
mij. Ze droeg hem als bedeltje.’
Thea praat
tergend langzaam en overdreven duidelijk. Jasmijn probeert het ongezegde te
doorgronden.
‘Nou, da’s ook
toevallig. Het zijn hartstikke unieke manchetknopen, met die klokjes en zo’,
constateert ze met grote ogen van oprechte verwondering.
‘Ja, je koopt
ze niet zomaar bij de Action. Zeker niet in een sieradendoosje. De
manchetknopen zaten in een fluwelen sieradendoosje toen jouw broer ze van mij
kocht’, benadrukt Thea met de bedoeling om Melvin in het nauw te drijven.
Melvin vat de
hint, maar zijn reacties worden er niet milder om:
‘Ja en? Dan
zal het doosje wel uit mijn kontzak geflikkerd zijn toen ik in elkaar geramd
werd in het stadpark en toen zal die leerlinge die andere manchetknoop wel
ergens in de buurt van waar ik in elkaar geslagen ben gevonden hebben.’
‘Ach wat
uitzonderlijk. En dan is deze manchetknoop uit zichzelf uit het doosje weer
terug in jouw achterzak gesprongen’, oppert Thea quasi opgetogen, terwijl ze
met het plastic zakje met maar 1 manchetknoop tussen duim en wijsvinger voor
haar neus in de lucht schommelt.
‘Wie zegt dat
die manchetknoop in mijn kontzak zat?’, bokt Melvin.
‘Jij’,
antwoordt Jasmijn achterdochtig
‘Misschien lag
hij wel gewoon naast mij op de grond.’
Triomfantelijk
stuurt Melvin een stroeve knipoog richting Thea. Hij lijkt op een boze Gremlin.
Hier breekt
Jasmijn op eigen initiatief in op de zinsbegoocheling. Ze is zeker van haar
zaak:
‘Nee,
natuurlijk niet Melvin; je droeg die manchetknoop bij je. Anders zou de politie
dat ding heus wel in beslag genomen hebben als belastend materiaal. Je lag voor
pampus in de bosjes van het park. We dachten dat je…’
Jasmijn neemt
een slikpauze en Melvin valt geërgerd voor haar in.
‘Jullie
dachten dat ik er geweest was.’
‘Nou wij niet
alleen’, getuigt Jasmijn:
‘Dus, als er
een manchetknoop in de buurt van jouw lichaam gelegen zou hebben dan zou dat
sieraad toch evengoed van de dader hebben kunnen zijn? Belangrijk
bewijsmateriaal. Net als, bijvoorbeeld, jouw verdwenen mobiel, je gestolen
portemonnee of een eventueel sieradendoosje. En daar heeft de politie ook geen
melding van gemaakt. Dat ze 1 van de 3 gevonden hebben.’
Door toedoen
van Jasmijn moet Thea ineens aan Columbo denken. De verstrooide, Amerikaanse
inspecteur op de televisie uit de jaren 70 die op een kostelijke wijze allerlei
chaotische moordzaken oplost. Dat doet Columbo bij voorkeur door zijn
verdachten te stalken en te bestoken met vragen die de daders dan altijd veel
te uitvoerig proberen te beantwoorden om zichzelf te vrijwaren. Melvin is
precies zoals zo’n beklaagde van Columbo. Hij probeert de waarheid te
verdoezelen met een vergezochte leugen.
‘Je leest te
veel detectives en je hebt teveel vertrouwen in de politie, Jasmijn.’
Melvin sluit
zijn valse getuigenis af met een langgerekte kreun.
‘Ik wil
eigenlijk wel slapen nu.’
‘Heb je al
aangifte gedaan van de mishandeling?’
‘Daar is de
deur Thea’.
Melvin gaapt
omslachtig zonder hand voor zijn mond.
‘Papa heeft de
politie al 3 keer naar het ziekenhuis gestuurd, maar Melvin wil steeds geen
aangifte doen’, legt Jasmijn vertwijfeld aan Thea uit.
‘Pim?’
‘Ja, papa ja,
wat denk je nou? Dat hij de satan is, omdat hij niet elke seconde van de dag in
het leven van zijn kinderen aanwezig is?’
Thea kiest
ervoor om niet opnieuw op de post puberale provocaties van Jasmijn in te gaan.
‘Je moet
aangifte doen Melvin.’
‘Snurk,
snurk’, zegt Melvin.
Hij steekt de
middelvinger van de hand aan zijn gezonde arm naar Thea op. Thea kaatst de bal
terug.
‘Knor, knor,
bedoel je zeker.’
‘Waar gaat dit
over?’, wil Jasmijn verontrust weten.
‘Over dat
varkensvlees in de islam onrein en verboden is; net als homoseksualiteit.’
Thea praat
tegen Jasmijn, maar ze houdt overzicht op het achterover gelegen lichaam van
Melvin. Hij verbergt zijn ogen inmiddels onder zijn ongedeerde onderarm. Bij
Jasmijn begint het één en ander te dagen. Sprakeloos zoekt ze naar antwoorden
bij Thea, dan weer bij Melvin en weer terug. Tot besluit richt ze zich tot
Thea:
‘Hoe kom je
erbij?’
‘Van mijn
Syrische leerlinge bij Huiswerksterk.’
‘Ik snap het
niet’, zegt Jasmijn, terwijl ze geïrriteerd met haar hoofd schudt. Ze is het
niet gewend om iets niet te bevatten. Thea heeft haar volle aandacht.
‘De Syrische
leerlinge heet Moona en zij vertelde mij dat het dragen van goud niet soenna is
voor moslims. Wel voor moslima’s. Vrouwen mogen wel goud dragen van de profeet,
maar mannen niet. Daarentegen mogen mannen in de islam wel weer andere dingen
die moslima’s niet mogen van de profeet, maar daar gaat het nou niet over. In
ieder geval was Aadam vast heel vereerd met het feit dat zijn vriendje Melvin
hun liefde wilde bezegelen met de ene helft – dus 1 manchetknoop - van een
paartje dat in wezen onafscheidelijk is. Heel romantisch gedacht. Maar hij
mocht het sieraad van de profeet dus niet bij zich dragen. Nou mag Aadam van
zijn geloof wel goud aan een vrouw cadeau doen. Daarom schonk de Syrische Aadam
de vergulde manchetknoop aan zijn zusje Moona oftewel mijn Syrische leerlinge –
inclusief hoofddoek – bij Huiswerksterk. Bij zijn zusje zou de metafoor van de
liefde tussen Aadam en vriend Melvin gewaarborgd zijn zonder dat de zedige
Moona het zelf door had.’
‘Niet soenna?’,
herhaalt Jasmijn niet begrijpend.
‘Not done,
oftewel; niet het juiste pad van de profeet.’
Dan richt Thea
zich tot Melvin en zegeviert.
‘Wist jij ook
niet toch?!’
‘Heb je het
haar verteld?’
Melvin praat
nasaal door een verstopte neus en klinkt alsof hij huilt. Zijn borstkas gaat
zachtjes schokkend op en neer. Melvin piept nu bij iedere ademstoot als een
muisje in de val. Onhandig wrijft Jasmijn over zijn in een sportbroek gehulde
bovenbeen. Ze is snel van begrip. Altijd al geweest.
‘Nee, ik heb
het haar niet verteld. Waarom zou ik?’, sust Thea.
Ze wacht een
paar seconde om aansluitend eindelijk het hoge woord eruit te gooien:
‘Maar jij moet
wel naar de politie gaan en aangifte doen.’
‘Nee, ik moet
helemaal niets’.
Melvin vermant
zich. Schrander haalt hij zijn neus op, veegt zijn ogen droog en
komt weer wat verder overeind in de kussensteun. Lodderig staart hij Thea een
paar seconden aan.
‘En jij doet
ook niets’, beveelt hij vervolgens.
Jasmijn komt
tussenbeide:
‘Begrijp ik
nou goed dat jij een Syrisch vriendje hebt?’
‘Had’,
verbetert Thea.
‘Hebt’,
herstelt Melvin snibbig en tegen Jasmijn zegt hij doodleuk:
‘Hij heet
Aadam.’
‘Woont hij in
een AZC?’
‘Nee, hij is
al 5 jaar in Nederland. Ik ken hem van de sportschool.’
‘Ook
gezellig’, vindt Jasmijn confuus.
‘En heeft
Aadam de laatste tijd nog contact met je opgenomen?’
Thea raakt
opnieuw een gevoelige snaar, maar ze moet doorbijten. Melvin kan zijn eigen
kracht pas leren kennen als doorzetten de enige keus is.
‘Ik heb een
nieuwe telefoon. Mijn oude mobiel is gejat op die avond in het stadspark weet
je nog!? Of ze hebben hem in de vijver gekwakt. Weet ik veel.’
‘Aadam kan hem
dus niet onder zijn oude nummer bereiken; dat is wat Melvin bedoelt.’
‘Ik snap wat
Melvin bedoelt Jasmijn.’
‘Ik kan hem
Godverdomme evengoed niet bereiken’, vloekt Melvin vanonder zijn onderarm.
‘Misschien kan
Thea wat voor je doen via dat zusje van Aadam?’, oppert Jasmijn onder
begeleiding van bemoedigende klopjes die plaats hebben gemaakt voor haar
knullige gewrijf op het bovenbeen van Melvin.
‘Ik kan je het
telefoonnummer van Moona geven, maar het lijkt me geen goed idee om haar te
bellen over haar broer Aadam!’, antwoordt Thea, terwijl ze probeert om aan het
voeteneind van het luxe matras plaats te nemen.
Ze zit niet
makkelijk. Ze zakt diep door in het matras en ze heeft nergens steun. Het
gebroken lichaam van Melvin beweegt ook smartelijk mee met haar caperiolen. Ze
zal toch even stevig moeten zitten alvorens ze Melvin wijzer maakt. Jasmijn
kijkt het gestuntel van Thea smalend aan.
‘Pak een
barkruk’, stelt ze voor.
De scheidslijn
tussen de kleine huiskamer en het open keukentje wordt gevormd door een plank
van lawaaibomenhout. Een ieniemienie keukenblokje opgeleukt met twee ranke
barkrukjes die zo hoog op de pootjes staan dat Thea met de voetjes van de vloer
eindelijk zit. Nog steeds niet comfortabel, maar ze zal waarschijnlijk toch
niet meer lang welkom zijn.
‘Waarom?’,
opent Jasmijn na een pijnlijke stikte de conversatie maar weer eens.
‘Waarom wat?’
‘Waarom is het
geen goed idee om Melvin te laten bellen naar het zusje van Aadam?’
Jasmijn
spreekt de naam van het vriendje van haar broer uit alsof hij al een lid van de
familie is. Teder. Beschermend.
‘Ik neem aan
dat je het oude telefoonnummer hebt aangehouden bij de aanschaf van je nieuwe
mobiel, Melvin?’
Opnieuw is het
een moment stil.
‘Waarom geeft
hier niemand direct antwoord op een simpele vraag?!, valt Jasmijn getergd uit.
Na deze
uitroep, maant ze Melvin aan om antwoord te geven.
‘Nou?’
‘Wat nou?’
‘Heb je nog
hetzelfde mobiele nummer?’
‘Ja hoor!’
Om haar
bedoeling te onderstrepen gebaart Thea met gespreide handen haar gelijk naar
Jasmijn:
‘Nou dan kan
Aadam toch gewoon contact met Melvin opnemen? Als hij zou willen, of kunnen?
Niet nodig om zijn zusje te alarmeren. Niet nodig om slapende honden wakker te
maken’, licht Thea toe.
Melvin
verschuilt zijn gezicht nog steeds onder zijn bovenarm.
‘Enough’,
schreeuwt de tattoo op zijn polsslagader.
‘Heb je de
daders herkent?’, vraagt Thea aan de tattoo.
Melvin zegt
niks. Geen ja. Maar ook geen nee.
‘We denken
toch dat het bekenden van de escortservice zijn’, biecht Jasmijn op.
Ze slaat een
conversatietoon aan.
‘Pim en jij?’,
vraagt Thea op dezelfde toonhoogte.
‘Bink en ik’,
verbetert Jasmijn.
Ze bloost.
‘Bink is okay
Thea, wat je ook van hem denkt. Hij is er voor ons. Voor Melvin en mij. Meer
dan een gewone stiefoom.’
‘Meer dan een
vader’, vult Melvin onvast aan.
Hij praat door
zijn gebroken neus. Hij huilt.
‘Waarom help
je hem dan niet uit jouw boze droom Melvin?’
‘Hoezo mijn
boze droom?’
Eindelijk komt
Melvin tevoorschijn vanonder zijn arm. Zijn ogen zijn bloeddoorlopen en flets.
Zijn mond trilt.
‘Aadam heeft 3
broers.’
‘Ik heb niets
te maken met de broers van Aadam.’
‘Als je wat
weet, zeg het dan gewoon Thea’, blaast Jasmijn vermoeid.
Thea negeert
haar. Ze is er bijna. Het is toch nog een gok om op dat moment haar vermoedens
voor de voeten van Melvin te smijten:
‘Je hebt ze
herkend toch?’
‘Rot op stomme
ouwehoer.’
Degene die de
uitdrukking; ‘schelden doet geen pijn’, heeft bedacht is zelf zeker nooit
beschimpt. Thea kan de onbezonnen jeugd niet meer verkroppen. Ze hoeft zich
helemaal niets te laten welgevallen door dat vervelende, etterige, rot ventje
van amper 18 jaar!
‘Wat denk je
dat die machomoslims met jouw Aadam hebben uitgevoerd nadat hij jou met hulp
van zijn aanstichters het ziekenhuis in geslagen heeft?’’
‘Zeg het nou
gewoon Thea’, smeekt Jasmijn.
‘Nadat Aadam
zijn geliefde in opdracht van de profeet en onder druk en met hulp van zijn
broers heeft afgestraft; heeft hij zich overzee bij zijn geloofsgenoten gevoegd
alwaar hij zich voorbereid op de heilige oorlog. Allahoe Akbar!’
Vol afgrijzen
tuurt Melvin over de schouder van Thea, langs haar wang af in het oneindige. De
tranen druppelen nu schaamteloos uit zijn ooghoeken in zijn oorschelpen en zijn
neus loopt leeg. Zijn vertrokken mond is verkrampt in een radeloze kreet zonder
geluid. Jasmijn reikt haar broer een uitgevouwen papieren zakdoekje aan, waarin
hij prompt zijn gezicht verstopt.
Een moment
lang heeft Thea spijt. Moona heeft inderdaad toegegeven dat ze Aadam moet
missen, omdat hij zich tegenwoordig fulltime toelegt op de jihad. Verder heeft
ze maar wat geroepen. Giswerk. En het feit dat Aadam eigenhandig bij de
mishandeling betrokken zou zijn geweest was een verzinsel van het ergste soort.
Een speculatie om Melvin terug te pakken met zijn nodeloze gescheld. Maar
Melvin trapt in de val.
‘Hij heeft
mijn leven gered’, loeit hij dof in zijn Kleenex.
Het hart van
Thea slaat een slag over.
‘Bedoel je dat
Aadam de dader is?’, stamelt Jasmijn vervuld van afschuw.
‘Niet alleen.
Zonder hem hadden ze me dood getrapt’.
‘Zonder hem
zou dit allemaal niet gebeurd zijn’, nuanceert Thea voor de goede orde.
Met een ruk
laat Melvin zijn maskerade vallen en dreigt:
‘Je houdt je
bek erover dicht.’
‘Radicalisering
gaat ons allemaal aan. Je hebt een burgerplicht om dit te melden bij de
vreemdelingenpolitie of weet ik veel.’
‘Als ik eraan
ga dan ga jij er ook aan Thea. Dan zal ik eens een boekje bij je leuke
gezinnetje open doen over onze ochtenden samen in jouw woonkeuken. Keer op keer
en op en neer.’
Melvin heeft
een donkerpaars, gezwollen gezicht en
hij blaast als een opgefokte stier in de arena. Hij raaskalt door de helse pijn
van de lans in zijn halsslagader. Thea is de matador. Het rode doek is
gevallen. Uit alle poriën van het lichaam van Melvin vloeit vocht. Bloed, zweet
en tranen. De laatste stuiptrekkingen van verzet.
Bij de
voordeur kijkt Thea nog een keer om naar Jasmijn die nog steeds naast het luxe
matras van Melvin op de bank zit. Ze omvat zijn hand. Hij ligt achterover en
kreunt. Huilt. Kermt. Jasmijn was net 7 en bleef haar surrogaatmama roerloos
staan nakijken in de deuropening van het appartement van Pim met dezelfde half
openstaande mond en die wezenloze uitdrukking in haar ogen, waarvan Thea toen
dacht dat die haar nooit meer op een onbewaakt moment zouden kunnen
overweldigen.
‘Ik ben de
heilige maagd Maria niet en ik kan de wereld niet te redden. Ik heb gedaan wat
in mijn macht ligt’, besluit Thea waarna ze de poort van de uitvlucht achter
zich in het slot laat vallen.
Ze neemt de
trap naar omlaag, want de lift laat te lang op zich wachten voor de tijdelijke
paranoia die haar voortjaagt uit de irrationele angst dat Jasmijn en zelfs
Melvin met al zijn gebroken botten haar zullen blijven achtervolgen tot in de
eeuwigheid. Amen. Beneden gekomen blijft ze staan in de trappenhal met haar rug
tegen de muur om op adem te komen. Ze heeft zicht op de brievenbussen met
sloten en naamplaatsjes van het appartementencomplex. Een bewoner opent de
voordeur, knikt ingetogen, controleert zijn post met veel sleutelgerinkel en
verdwijnt in de lift. Droeg de vreemdeling nou een lange ouderwetse regenjas
losjes over zijn schouders met daaronder een 3delig pak en een stropdas?
Aktetas onder de oksel geklemd. Zo iemand draagt standaard ook ongetwijfeld
twee manchetknopen; ter sluiting van de boorden aan de mouwen van zijn
overhemd. Zoals het hoort. Niet de ene manchetknoop in de kontzak van zijn
spijkerbroek als het symbool van de liefde voor de ander die het tweede deel
van het duosieraad bij zijn zusje in bewaring geeft. Uit schaamte en
zelfverloochening. Wat een zinloze ontknoping. Met deze uitkomst is de waarheid
niet meer dan een achterhaalde realiteit. Net zo cru als een leugen. Maar wat
had Thea dan verwacht? Dat Melvin het licht zou zien? En uit welke hoek zou de
wind dan moeten waaien naar inschatting van Thea? Niet uit de extreem
Islamitische hoek in ieder geval. Voor je het wist vecht Melvin ook in de
heilige oorlog. Zoals Aadam. De jihad als bliksemafleider of als heropvoedingsstrategie.
Of een zelfmoordpoging. Voor Aadam, niet voor Melvin, want hij heeft vandaag
juist onbedoeld de eerste stap naar een doorbraak gezet door zijn demonen te
trotseren. En nee, ze zijn niet bezweken, maar Melvin ook niet. Hij ademt nog,
ergert zich aan Jasmijn, haat zijn vader en zijn moeder en kan Thea wel
schieten. Hij is er nog, met zeeën van tijd om zijn immuunsysteem te voeden met
weerstand en flexibiliteit. Met yin en yang; de dingen die elkaar aanvullen;
het evenwicht of de balans. Hoe zweverig ook; Thea gelooft in de kracht van de
zelfredzaamheid. Ook bij haar eigen kinderen. En dat zijn wel de laatste twee
mensen op aarde die ze aan hun lot over zou laten.
Toch was Thea
niet in staat om Sabine direct op haar wenken te bedienen toen ze aangaf dat ze
in het nieuwe schooljaar het liefst in de andere groep 6 zou beginnen. Niet dat
Bart en Thea aan de oprechtheid van hun dochter twijfelden; maar ze wisten zo
goed als zeker dat de rest van De Wielwaalwereld dat wel zou doen. Want zijn
kinderen niet net zo veranderlijk als het weer in Nederland? Wel als je de
waard moet geloven die zijn gasten meet met de eigen oogkleppen. Getuige de
vijandige beoordeling van het kattenwerkstuk door Jeewee. Hij vond
ontegensprekelijk niet dat Sabine het overgrote deel van het resultaat op haar
naam mocht schrijven. Hoewel; misschien vond niet Jeewee maar Jade - de interne
coördinatrice van De Wielewaal – op de achtergrond wel van niet; of een
overrompelde opperouder die zich illegaal met het werkstukkenproject bemoeid
had was kritisch geweest. Professor Pronken bijvoorbeeld die zijn dochter
Allagonda en haar volgelingen uit groep 6 - en zelfs uit 5 - van de
combiklas met veel ruchtbaarheid van heel dichtbij begeleid had. En als er
iemand werkstukken naar waarde in kon schatten dan was het professor Pronken –
hoofd emeritus van de geschiedenisfaculteit van de plaatselijke universiteit -
wel uiteraard. Daar kon geen weldenkend mens, zoals Bart of Thea, of een
onderwijzer zonder lef van De Wielewaal, tegenop. Gevolglijk dat een werkstuk
over katten, op eigen initiatief van de 8jarige Sabine, niet onbesmeurd door de
keuring van de hoogleraar heen kwam. De kinderwerkstukken die bejubeld werden
gingen allemaal over de Romeinse tijd. De specialisatie van professor Pronken.
Het dagelijkse leven in de Romeinse tijd, de rechtspraak in de Romeinse tijd,
de kleding in de Romeinse tijd; de goden uit de Romeinse tijd; de keizers uit
de Romeinse tijd; het politieke stelsel in de Romeinse tijd. Professor Pronken
had zelfs al eens een hele morgen in de combigroep 5 en 6 langdradig verteld
over dit alles en nog veel meer over de Romeinse tijd. Een jaar later zou hij
precies hetzelfde lesje in de groep van zijn jongere zoon Marcus en diens
klasgenoot Walter afdraaien. Dat was tevens de eerste keer van een
onvermijdelijke reeks botsingen tussen Walter en de vader van zijn vriendje.
Tijdens de primeur, in groep 5 dus, kreeg Walter stevig op zijn lazer van de
professor. De hele klas was onder de indruk. Zelfs Walter. Toch weerhield de
uitbrander het jongetje er voortaan Goddank niet van om zijn mening te blijven
zeggen en vragen te blijven stellen. Hoezeer de lijpe professor zich ook door
het toen achtjarige kind geprovoceerd bleef voelen in de loop van de
Wielewaaljaren. Zozeer dat professor Pronken tot in groep 8 met Walter het
conflict bleef aangaan. Schandalig; maar afgezien daarvan niet de moeite van
het riskeren van een chronisch verhoogde bloeddruk waard. En zoals Walter
vanwege zijn persoonlijkheid niet kon stoppen met hardop kritisch zijn, zou
Sabine zich na het gediskwalificeerde kattenwerkstuk opnieuw blijven bewijzen.
Misschien niet voor professor Pronken en zijn beperkingen, maar wel voor de
rest van de wereld.
Voor zijn
zelfvertrouwen zat Walter voorlopig goed bij juffrouw Toos. Sabine
was een ander geval. Sabine was misschien dan wel ‘leuk’ om erbij te hebben –
om met Jeewee te spreken - dat betekende niet automatisch dat het meisje zich
op haar gemak voelde tussen de oververtegenwoordigde deugneusjes in de
combiklas 5/6. Ze was en zou nooit een teer poppetje worden dat bij elk
hobbeltje op haar levensweg de uitvlucht van de tranen koos en dat thuis nog
wat extra schoolopdrachten ter hand nam om haar faalangst te bekrachtigen.
Sabientje was niet neurotisch; maar ze kweekte wel een gloeiende aversie tegen
de truttigheid waarmee de huilmeisjes uit de combigroep 5 en 6 haar nu al bijna
een schooljaar lang omgaven.
‘Als je echt
naar de andere groep wilt volgend schooljaar, dan moet dat zelf aan meester
Jan-Willem vragen. Durf je dat?’
Thea kon het
antwoord zelf geven. Ze wist dat de kleine Sabine het voortouw kon en zou
nemen. Het kind had pit genoeg. Al vanaf haar geboortedag zette ze regelmatig
‘eigen initiatief’ in om het zichzelf zo makkelijker en aangenaam mogelijk te
maken. De weg van de minste weerstand was en is daarbij haar tweede natuur.
Vandaar ook de verwijtende wedervraag die Thea had kunnen voorspellen.
‘Waarom loop
je niet met me mee?’
‘Omdat Jeewee
denkt dat papa en ik willen dat jij volgend jaar naar de andere groep 6 gaat en
niet jij zelf.’
‘Maar ik wil
het zelf en Marga mag ook.’
‘Wie is Marga.
Ik ken geen Marga.’
‘Marga zit nou
nog in de hele groep 5. Bij Ronnie en de anderen. Ze haalt alleen maar
uitmuntend. Ze mag volgend schooljaar naar groep 7. Ze mag een jaar overslaan.
Ze komt nu alvast kijken in de combiklas 5 en 6.’
‘Ach ja; da’s
waar ook; de combigroep is een de verzamelklas voor hoogbegaafde kinderen met
een paar alibi’s. Dus dan komt die Marga nogal wiedes na de grote vakantie in
de combinatieklas 6 en 7. Zo’n slimme meid kan natuurlijk niet in een gewone
groep 6 of 7 blijven zitten. En in de combiklas gaat iedereen over natuurlijk!’
‘Nee, hoor
Jamie en Edin blijven zitten in groep 5.’
‘Nee maar. Dan
zijn Jamie en Edin dus de alibi’s!’
Thea deed
alsof ze van haar stoel viel van verbazing. Jammer alleen dat Sabine allang
niet meer ontvankelijk was voor de acteerprestaties van haar moeder. Ze liet
zich niet van haar à propos brengen en maakte van de losse gelegenheid gebruik
om zich op de inhoud van de snoeptrommel te concentreren, terwijl ze vroeg:
‘Wat zijn
alibi’s?’
‘Alibi’s zijn
een soort sorry’s. Geen snoepjes dus, maar het bewijs dat groep 5/6 helemaal
niet zo hoogbegaafd is als ze willen doen voorkomen.’
Sabine zette
haar tanden in een reepje trekdrop dat ze roekeloos verslond. Het tweede reepje
hield ze pal voor haar mond in de wacht, terwijl ze eerst sprak:
‘Jamie en Edin
komen volgend jaar bij Walter in de klas. En Marga gaat na de vakantie niet
naar groep 6 waar ze eigenlijk hoort, maar naar groep 7 van de combiklas.’
‘En toen
verzon jij dat jij dat vrij gekomen plekje in de homogene groep 6 mooi kunt
bezetten volgend schooljaar?’
Thea was
ontroerd door de vindingrijkheid van haar dochtertje.
‘Homogene?’
‘Complete.’
‘Ja, want
Marga gaat toch naar de combigroep?’, bevestigde Sabine zelfvoldaan.
‘Krijgt de
combigroep 6/7 eigenlijk volgend jaar ook Jeewee als meester?’
Smikkelend en
smakkend haalde Sabine haar schouders op en groepeerde een handje vol kleurige
gummieberen voor zich op de keukentafel.
‘Iedereen
zeurt erover. Iedereen uit de groepen 5 en 6. En alle papa’s en mama’s bij de
deur van de klas ‘s morgens.’
Een combinatie
van kunstmatige geurstoffen in de snoepadem van Sabine walmde Thea tegemoet.
‘Wat zegt
Jeewee zelf dan?’
‘Dat het een
verrassing is wie volgend jaar de meester of juffrouw van groep 6 en 7 wordt.’
Al kauwend
liet Sabine achter elkaar een stuk of 5 gummieberen in haar mond verdwijnen.
‘En wie wordt
dan volgend jaar de meester of juffrouw van de homogene groep 6?’
‘Juffrouw
Dorien’, smakte Sabine stellig in haar geurwolk van synthetisch snoep.
‘Alweer; het
is wel juffrouw Dorien voor en na. In groep 3 en 4 en nu ook al bijna in groep
6’, antwoordde Thea plagerig.
‘Is niet erg.’
Sabine trok
gekke bekken om achtergebleven stukjes gelei van haar kiezen te manoeuvreren.
Haar wijsvingertje hielp een handje.
‘Nou dat lijkt
me dan een uitgemaakte zaak’, lachte Thea, terwijl ze haar geraffineerde kleine
meisje innig tegen zich aan drukte.
Aan het
doortastende optreden van Sabine kan het niet gelegen hebben dat Thea zich na
een week afvroeg of ze misschien toch niet te hard van stapel gelopen was met
haar ‘uitgemaakte zaak’. Ze hoopte dat het beladen stilzwijgen uit het
Wielewaalkamp geïnterpreteerd kon worden als een denkpauze voor iedereen die
zich beroepshalve in het welbevinden van Sabine behoorde te verdiepen. Die
bemoeienis vroeg wellicht om de nodige tijd voor alle ego’s om eens flink over
de pretentieloze wens van een klein kind heen te urineren. De enige die in deze
kwestie tot snelle actie overging was de 8jarige Sabine. Amper 24 uur na haar
besluit liet ze haar meester onomwonden en met alle steun van haar vader en
moeder weten dat ze na de zomervakantie liever naar de andere groep 6 wilde.
‘Nou dan
moeten je vader en moeder maar even een afspraakje met Jade de interne
coördinatrice regelen.’
Dat was alles
wat Jeewee te missen had gehad. Alsof het verzoek van een 8jarig kind om van
klas te wisselen de normaalste zaak van de wereld was.
‘Hoort hij de
noodkreet van het kind dan niet?!’, riep Thea theatraal uit.
‘Welke
noodkreet?’, vroeg Bart argeloos.
‘Ach kom op
Bart; je gaat me toch niet vertellen dat Sabine met haar verzoek om naar een
andere groep overgeplaatst te worden geen unicum is?!’
‘Jeewee zal
wel gedacht hebben; ‘één keer moet de eerste keer zijn’, merkte Bart droog op.
‘Volgens mij
denkt Jeewee niet zoveel. Anders zou hij toch wel willen weten wat hier
speelt.’
‘Jeewee weet
allang wat er speelt.’
‘O, ja? Als
Jeewee dan zo goed weet wat er speelt volgens jou. Waarom zegt hij dan tegen
Sabine dat wij contact op moeten nemen met Jade? Wij leven in onmin met Jade
weet je nog?!’, stelde Thea demonstratief.
‘Jeewee kan
natuurlijk niet weten dat wij niets meer met Jade te maken willen hebben. En
Jade is wel de interne coördinatrice.’
‘Natuurlijk
weet hij dat wel. Zo groot is De Wielewaal nou ook weer niet’, protesteerde
Thea onwennig.
Normaliter was
Bart de persoon met de meest vooropgestelde meningen van de twee
gesprekspartners.
‘Wat doet dat
er nou toe? Misschien heb je wel gelijk, maar laten we ons niet verliezen in
bijzaken. Wat kan zo’n meester nou anders doen dan een kind doorverwijzen naar
zijn superieur als het naar hem toekomt met de vermelding dat het volgend jaar
naar de andere groep 6 wil? Hoe zuiver zijn de motieven van het kind? Misschien
projecteert Sabine onze wensen wel op haar verzoek om overgeplaatst te worden.
Direct of indirect. Vergeet niet dat Jeewee het prototype van een angsthaas
is.’
‘Een angsthaas
is niet erg; maar Jeewee is een windhaantje. En natuurlijk handelt Sabine onder
invloed van ons. Wij zijn haar ouders. Jeewee is toch zo’n goede
onderwijzer? Een goede onderwijzer hoeft niet alle kinderen uit zijn
klas van a tot z te doorgronden, maar geen leerling uit zijn groep mag een
absolute vreemde voor hem zijn. Hij kent Sabine toch? Hij had escalatie kunnen
voorzien. En niet omdat ze niet mee kan komen met de gepolijste kinderen uit de
combiklas, maar vanwege de constante druk van de opperouders op hun kinderen en
daarmee op de groepsdynamiek die Jeewee daardoor weer niet in bedwang kan
houden.’
‘Hoe kan hij
nou iets overzien wat hij zelf niet onder controle heeft? Hij heeft nog meer
last van de opperouders dan Sabine, dat weet ik dan weer voor jou. Op een
schaal van 1 tot 10 is die Jeewee een 5. Geen vlees; geen vis. Neutraal en daar
is ook wat voor te zeggen. Dan valt nooit echt iets tegen. Of mee.’
‘Je bent nogal
te spreken over mijn aanbidder’, snerpte Thea beledigd.
‘Dat komt
omdat we onze voorliefde voor jou delen’, meesmuilde Bart.
Soms overviel
hij haar met zijn gemakzuchtige en selectieve onverschilligheid.
‘Laten we dan
maar hopen dat jullie tweetjes in de toekomst niet nog meer verborgen
overeenkomsten hebben’, griezelde Thea.
Nog dezelfde
dag stuurde ze een berichtje naar directrice Willy:
Beste Willy,
Sabine (groep
5) heeft vandaag alweer meer dan een week geleden aan haar meester (Jan-Willem)
te kennen gegeven dat ze na de zomervakantie in de andere groep 6 (dus niet de
combiklas 6/7) geplaatst wil worden. U kunt alle gewenste informatie die u
nodig heeft om tot een weloverwogen besluit te komen bij meester Jan-Willem
inwinnen. In afwachting van uw inwilliging verblijven wij, met vriendelijke
groeten.’

Reacties
Een reactie posten