Oogluikend
Hoofdstuk 1.
Steeds als ik
online een filmpje wil bekijken krijg ik de laatste tijd eerst een
donatieverzoek van het oogfonds te zien. Dal ligt aan mijn algoritme. Al mijn
hele, bijna zestigjarige, leven ben ik, met tussenpozen, in behandeling geweest
bij verschillende oogartsen. Ik ben geboren met ernstige bijziendheid. Oftewel
hoge myopie. Toen ik begin dertig was, is mijn dioptrie voor het laatst
vastgesteld op min zesentwintig. Ik weet niet beter en heb tot voor kort nooit
de behoefte gevoeld om over mijn aangeboren afwijking te schrijven of om er
anderszins over uit te wijden. Totdat allerlei complicaties, die soms samengaan
met hoge myopie, mijn struisvogelpolitiek onderuit haalden. Daarbij drukte een
doorverwijzing van een oogarts, uit mijn voorlaatste behandelcentrum, me nog
extra met mijn neus op de feiten. De kans op slechtziend- of blindheid is bij mij aanzienlijk groter dan
bij mensen zonder aangeboren hoge myopie. Dat is geen verzinsel van mij, was
het maar waar, maar de uitkomst van een kansberekening van een team van
wetenschappelijke oogonderzoekers van het Radboud UMC. Daar ben ik nu terecht
gekomen. Bij de crème de la crème van het oogartsendom. Vanaf heden heb ik niet meer één vaste oogarts als aanspreekpunt, maar
houdt een heel team van oculisten zich met mijn gezichtsvermogen bezig. Op
academisch niveau. Zelfs al deze geleerden tezamen geven me nou niet bepaald
het gevoel dat de toekomst van mijn ogen erg florissant is.
De afgelopen vier
jaar ben ik chronisch aan het tobben met mijn steeds wisselende zicht. Even los
van de herhaaldelijke erosies in mijn hoornvlies, waarmee ik ongeveer twee jaar
lang gemiddeld één keer per maand te kampen heb gehad en die mij in de tijdmachine
terug brachten naar toen ik eind twintig was. Toen doken ze voor het eerst op.
De zogenaamde ‘recidiverende erosies’. Mij hoef je niets meer te vertellen over
de impact van acute, allesoverheersende oogpijn. Uiteindelijk heeft de
oogchirurg uit het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in mijn woonplaats mij
verlost van deze chronische, korte, maar krachtige pijnexplosies. Dat gebeurde
terloops tijdens zijn staaroperaties, die minder voorspoedig verliepen.
Ondanks de
gruwelijke pijn en andere ellende aan mijn ogen, durf ik niet oprecht
zelfmedelijden te hebben. Ik voel me eerder gezegend op het moment dat ik
ervaringen van mijn blinde of
slechtziende medemens bekijk in online filmpjes, of beluister in podcasts. Met
correctie is mijn zicht volgens de meest recente metingen vijftig procent per
oog. Waarschijnlijk wel met fluctuaties in het rechteroog vanwege vocht achter
het netvlies, maar zelfs autorijden schijnt nog legaal te zijn. Toegegeven; ik
zit niet meer met veel overtuiging achter het stuur; rijd alleen nog op de mij
overbekende wegen; en ga uit principe nooit ’s nachts de weg op, maar dat doe
ik mezelf aan. Wat dat rijbewijs betreft lijd ik sowieso sinds de slagingsdatum
al aan een bedriegers syndroom.
Naast filmpjes en
podcasts over slechtziend- en blindheid ben ik recentelijk ook bijna iedere dag
online op zoek naar informatie over; mijn oogaandoeningen, de
toekomstverwachtingen; de gang van zaken tijdens de operaties en wat dies meer
zij. Dan kunnen mijn twee jong volwassen, thuiswonende, studerende kinderen mij
duizend keer afraden om op het internet naar gemeenplaatsen op zoek te gaan,
niemand houdt mij kennelijk tegen. Ook niet voor mijn bestwil, want ik struin
toch. Op die manier wordt mijn algoritme bepaald en zo krijg ik telkens opnieuw
die filmpjes van het oogfonds voorgeschoteld met de voice-over van een meneer
die ongemerkt steeds slechter gaat zien naarmate hij ouder wordt. Totdat hij
van anderen moet horen wat een prachtige bruid zijn dochter is, omdat hij zelfs
haar nauwelijks meer kan onderscheiden uit vage contouren in zijn gezichtsveld.
Daarna volgt het motto van het oogfonds:
‘Samen strijden
tegen blindheid’.
Dat klinkt goed
en tegelijkertijd wekt de doelstelling van het oogfonds in mijn geval gevoelens
van machteloosheid, angst en bevreemding op. Dit gaat niet over mij en toch
wel. Samen strijden tegen blindheid gaat ook over mijn ogen in de toekomst.
Eigenlijk is mijn myopie altijd dubbel geweest. Als kind al maakte ik mijn
belevingswereld los van mijn ogen op steeltjes. Als in een coping mechanisme in
- een hele lange - ontkenningsfase, die bijna noodzakelijk is om
te kunnen overleven in de dagelijkse gang van zaken. Maar nu mijn
pensioengerechtigde leeftijd nadert en de rest van mijn leven zich aandient,
lijkt die vlieger niet meer langer op te gaan.
Hoofdstuk 2.
Ouderdom komt
immers met gebreken. Maar gelukkig ook met inzicht. Een mens kan zich eigenlijk
niet langer los maken van de eigen ogen dan voor een oogartsenbezoek een
absolute vereiste is. In het echte leven staan alle zintuigen onlosmakelijk met elkaar in verbinding en wisselwerking.
Daar kun je lang, kort en tegelijkertijd al dan niet filosofisch over zijn.
Zoals onze pubers die zich een decennium of wat geleden voor de lol het hoofd
braken over dit soort zintuigelijke diepgang in de woonkeuken. Ze plachten hun
blessuretijd te doden in het gezelschap van de zoete inval van hun
leeftijdgenoten met prangende dilemma’s als:
Wat zou je liever zijn; doof of blind?
Ik zat in mijn kantoortje in de bijkeuken achter de pc en
probeerde om me niet door het maagdelijke gefilosofeer op de achtergrond te
laten afleiden. De meerderheid van de ongerepte, jeugdige passanten was overigens
liever doof dan blind.
In werkelijkheid heeft natuurlijk niemand een vrijwillige
keuze tussen blind of doof zijn of worden. Wat een sadistische patstelling zou
dat ook zijn. Zoiets als gedwongen kiezen tussen de liefde voor of een vader of
een moeder; één van de twee.
Of – zoals in de
roman Sophie’s choice (William Styron) – kiezen tussen een zoon of een dochter
in de holocaust. Wie moet dood en wie mag blijven leven? Kiest u maar!
Blind en/of doof dat ben of word je. Met dat gegeven zul
je moeten leren leven. Ik weet niet hoe erg dat is. Ik ben geboren met
ernstige, erfelijke bijziendheid en toch – of misschien juist wel daarom - verplaats me liever niet zonder meer in de
belevingswereld van iemand die blind of slechtziend is. Anders kan ik wel aan
de gang blijven in het licht van dat wat een medemens verder allemaal nog kan
mankeren. Pas als de betreffende persoon mij aanspreekt, ben ik bereid om een
stukje mee te leven. Wel altijd in de context. Meeleven in het totaalplaatje
zoals in elk normaal menselijk contact. Ik ken geen blinden- en slechtzienden van dichtbij en
uitgezonderd van horen zeggen heb ik dan ook geen diepgaand inzicht in hun specifieke
belevingswereld. Voornamelijk omdat ik -nog- niet één van hen ben. Door mijn
ernstige bijziendheid is mijn
wereldbeeld weer op een andere manier gekleurd.
Rond de eeuwwisseling is mijn dioptrie voor het laatst
vastgesteld op min zesentwintig. In de vorige eeuw waren mijn ogen volgens mij
nog volledig corrigeerbaar met bril of contactlenzen en vanaf het jaar tweeduizend
met artisanimplantaten (ingebouwde contactlenzen). Dat is inmiddels vijfentwintig
jaar geleden en ik durf tegenwoordig - uit vrees voor excessieve uitkomsten -
niet meer te vragen wat mijn actuele oogscore is. Al mijn hele leven betekent
een bezoekje aan de oogarts automatisch een verslechtering van mijn bril- en contactlenssterkte.
Dat blijft maar oplopen. Dan maakt een minnetje meer of minder ook niks meer
uit, zou je denken. Helaas! Hoe hoger de bijziendheid; hoe sterker de oogbol afwijkt
van de standaard. Met alle complicaties van dien. Totdat je voorgoed blind
dreigt te worden. Zoals ik nu. Op bijna zestigjarige leeftijd. De kans om
binnen afzienbare tijd blind te worden is vandaag in mijn geval groter dan dat ik
pas in staat – of bereid – zal zijn om in te zien als het ooit zover komt.
Wie kan er überhaupt in de toekomst kijken? Zelfs een
oogarts kan alleen prognoses maken en op basis daarvan opereren. In mijn geval
met betrekking tot glaucoom. Alleen zit er vocht achter het netvlies van het
rechteroog, waardoor de oogoperaties nu alweer vijf maanden in de wacht staan. Ondertussen
heb ik al verschillende soorten ontstekingsremmers op recept op het vocht
achter mijn netvlies losgelaten. Tot nu toe tevergeefs. Maar het voor- en
oogonderzoek gaat door. Je bent in behandeling bij een academisch ziekenhuis en
dat zul je weten ook. Bedachtzaamheid is het sleutelwoord. Zeker bij een risicogeval.
Ik heb ‘spannende’ ogen om met de behandelende chirurg te spreken. Aan mij om
de verborgen gebreken aan mijn ogen, die nu onmiskenbaar aan het licht zijn
gekomen, voorgoed te integreren in het leven van alledag.
Hoofdstuk 3.
Ik heb er bewust over gezwegen op facebook, terwijl ik twee
jaar geleden nog van alles deelde over het wel en wee rondom mijn toenmalige staaroperaties,
die niet verliepen zoals de meeste routine-ingrepen bij mijn facebookvrienden.
In de geholpen ogen van mijn facebookgroep stelt een staaroperatie namelijk nog
minder dan niks voor. Zelfs een verpleegster van het oogziekenhuis vond
merkbaar dat ik overdreef met mijn agitatie. Zij deed de intake in de
wachtruimte, vlak voor de staaroperatie aan het eerste oog en babbelde vrolijk
met een andere patiënt, terwijl ik onvast op de stoel naast het tweetal
plaatsnam. Na een minuut of vijf wendde ze zich spottend tot mij, toen ze dacht
dat ik om aandacht verlegen zat, omdat ik m’n tranen de vrije loop liet in het
voorportaal van de operatiekamer. Voor een staaroperatie die in mijn specifieke
geval als ‘risicovol’ te boek stond en waarvoor ik desondanks drie lange
maanden op een wachtlijst had gestaan. Net als alle niet risicovolle gevallen. Ik
was overigens pas opgeroepen, nadat ik zelf aan de telefonische bel getrokken
had.
‘In uw geval is de staaroperatie risicovol’, deelde
iemand van de afdeling ‘operatieplanning’ van Canisius Wilhelmina Ziekenhuis alias het
CWZ te Nijmegen mee aan de telefoon.
Vandaar dat ik drie maanden geleden net als iedereen
onderaan de wachtlijst geplaatst was natuurlijk! De tranen rolden dan ook
onbedwingbaar over mijn wangen. Niet als aandachttrekkers, vanwege venijn over dat
onderonsje tussen de zuster en de patiënt naast mij, maar als symptomen van een
hersenimplosie, omdat ik mezelf na een wachttijd van drie maanden helemaal gek
had weten te maken. Ik huilde ongecontroleerd van frustratie en zenuwen en het
laatste waar ik op zat te wachten was op geprefabriceerde empathie.
‘Ja, sorry, maar die meneer is een bekende van mij’,
verontschuldigde de verpleegster zich schalks.
‘Laat u zich door mij vooral niet afleiden’, piepte ik.
Niet erg overtuigend. Waarschijnlijk daar het onbegrip en
de onverschilligheid alom me nog verwarder maakte dan ik al was. Nou moet
gezegd worden dat mijn casus van het begin af aan ook wel erg afstak tegen het gemiddelde verloop van een
staaroperatie zoals geschetst werd op de informatiebijeenkomst in het
oogziekenhuis. Verplicht! Zonder deelname geen plekje op de wachtlijst.
Over mijn specifieke, risicovolle geval, heb ik mezelf
maar wijzer gemaakt met wat informatie van google in combinatie met mijn –
hopelijk – gezonde verstand. Het risico zat bij mij onder meer in de
artisanimplantaten (ingebouwde contactlenzen uit tweeduizend) die eerst uit de
ogen verwijderd moesten worden, alvorens een traditionele staaroperatie in
eenzelfde ingreep van start kon gaan. Voor elk oog onderging ik dus één afzonderlijke
staaroperatie, waarbij tegelijkertijd een artisanimplantaat en een biologische
lens verwijderd moesten worden. Daarna werd de kunstkijker geplaatst, hetgeen
in mijn ernstig bijziende ogen, met afwijkende oogvorm, nog een extra riskante
dimensie aan de staaroperatie gaf.
Volgens de standaard procedure was ik tijdens de
staaroperaties plaatselijk verdoofd en dus niet onder volledige narcose. We
hoefden ons geen enkele zorgen te malen aldus de dames van de verplichte informatiebijeenkomst, want ondanks dat staar
patiënten tijdens de ingreep bij bewustzijn zijn, ervaren zij zeker weten geen
pijn door de plaatselijke verdoving van het te opereren oog. Opnieuw vormde ik
een uitzondering op de regel. Middenin een relaxmodus, waarin ik achterover lag
te spacen over de waanzinnige caleidoscoop die de chirurg in mijn oog creëerde
tijdens de ingreep, werd ik ruw uit mijn zinsbegoocheling gerukt door een snerpende
pijnsensatie die begon bij het traanpunt in mijn oog. Vervolgens trok het
zure zeer door tot aan de rechterkant
van mijn neusschot. Nou was het zaak om rustig te blijven volgens de
instructies van de dames van de verplichte informatiebijeenkomst voor staar
patiënten. Alleen in uiterste noodgevallen was het ons zorgvragers geoorloofd
om tijdens de ingreep één enkele vraag te stellen. Let wel; nadat wij
uitsluitend de rechter onderarm met slap handje rustig hadden verheven. De
vraag die wij mochten stellen luidde:
‘Mag ik wat zeggen?’
Dat mocht van de chirurg die daarna zijn adem inhield.
Net nadat ik hem over mijn bijna ondraaglijke, trekkende pijn van het traanpunt
in mijn oog tot in mijn rechterneusschot had ingelicht, voelde ik iets gebeuren,
waardoor de ontspannen atmosfeer in de operatiekamer veranderde in een ondoordringbaar
dikke lucht, waarin SKY radio ineens heel overheersend van zich liet horen. De
chirurg reageerde direct op mijn pijnklacht met toediening van extra verdovende
druppels in mijn gedemonteerde oog. De
pijn verdween acuut. Vervolgens voelde ik van alles gebeuren in mijn rechter oog,
waarvan ik geen enkele handeling kon thuisbrengen. Na ongeveer een kwartier met
de gevoelslengte van een halve dag, gaf de chirurg het eindsein. Terwijl hij de
oogklem bij me verwijderde, vroeg hij doodleuk:
‘En, wat vond u ervan?’
Die vraag sloeg me nog verder uit het veld dan ik al was.
Ik besloot om net als de oogarts om de hete brij heen te draaien, zonder de
waarheid te verloochenen:
‘Ik ben wel blij dat u bestaat’, antwoordde ik dus
ontwijkend.
Daarna probeerde ik voorzichtig om door mijn zojuist
geopereerde rechter kijker te turen. Tot mijn grote schrik en afschuw keek ik letterlijk
in een zwart gat. Ik was blind aan één oog. Volgens de dames van de verplichte
informatiebijeenkomst zou ik wazig moeten zien direct na een staaroperatie.
Niet niks.
‘Ik zie niks!’, riep ik panisch uit.
‘Da’s heel normaal na een staaroperatie’, antwoordde een onbekende,
kille vrouwenstem uit het onheilspellende duister van de operatiekamer.
Ik geloofde er niks van. Niemand had mij voorbereid op
tijdelijke blindheid na een staaringreep. Ook niet de dames van de verplichte
informatiebijeenkomst.
Ondertussen werd ik de operatiekamer uitgereden, want er
was nog een hele rij wachtenden na mij. De oogarts kwam nog wel even naar me
toe met het nieuws dat het herstel van mijn oog wel ‘een tijdje’ zou gaan
duren. Ik was blij dat hij over herstel sprak. God- en de oogartszijdank zou ik
niet voorgoed blind blijven aan mijn rechter oog. Bij nader inzien had ik het
ook al eens eerder meegemaakt. Een oog vol met bloed, nadat negentien jaar
eerder een kleutertje met een hoge druk waterpistool in het poppetje van mijn rechter
oog had gespoten. Toen kon ik na een week weer met twee ogen zien. In het geval
van mijn bebloede rechter oog na de staaroperatie, duurde het ongeveer een
maand voordat mijn zicht weer min of meer was bijgetrokken.
Pas de dag na de eerste staaroperatie aan mijn rechter oog
hoorde ik van een andere oogarts – ik vermoed een soort crisisopvang oogarts - tijdens de controle dat mijn lenszakje was
ingescheurd gedurende de ingreep. Een zeldzame complicatie bij staaroperaties,
die het antwoord was op mijn vraag naar waar die memorabele pijnscheut - dwars
door de verdoving heen in het hart van de operatie - toch vandaan was gekomen.
Van mijn crisisopvang oogarts kreeg ik nog wat extra antibiotica oogzalf mee
voor de schaafwond op mijn hoornvlies die ik kennelijk eveneens had opgelopen
tijdens de operatie.
Ook nog een schaafwond op het hoornvlies dus. Naast een
ingescheurd lenszakje. Heimelijk vreesde ik dat mijn oorspronkelijke
staarchirurg alias oogarts genoeg had van mijn afwijkingen en mij had
overgedragen aan de kille vrouwenstem die in de zwarte roes in de o.k. na de
ingreep had beweerd dat blind zijn na een staaroperatie heel normaal was. Ik
zag spoken, want bij de tweede ingreep aan mijn linker oog was de oogarts gewoon
weer present in de operatiekamer, alwaar de wet van Murphy inmiddels in werking
was getreden. Dat kon niet anders, want in het linker oog ontwikkelde zich
tijdens de operatie een wondlek, waardoor mijn hoornvlies extra strak gehecht
moest worden om ooginfecties koste wat kost te voorkomen. Bovendien ontstond,
net als bij het rechter oog, een schaafwond op het linker hoornvlies. Deze keer
kreeg ik echter geen oogzalf om ontstekingen te voorkomen, maar een bandagelens
met oogdruppels. Pas na het verwijderen van de hechtingen kon ik weer
fatsoenlijk door mijn linker oog kijken. Dat was na zes weken. Ik ben dus in
totaal twee vette maanden volledig uit de roulatie geweest, vanwege een
originele slechtziendheidservaring. Eerst
veroorzaakt door het rechter- en daarna door het linker oog.
Als je vervolgens alles gehad dacht te hebben, bleek ik niet
lang na het begin van het staartraject aan glaucoom (verhoogde oogdruk) te
lijden. Dat riep om maatregelen oftewel medicatie in de vorm van oogdruk
verlagende oogdruppels. En laat ik nou een allergie hebben voor
conserveermiddel in oogdruppels.
Oogdruppels die van de ene op de andere dag onontbeerlijk waren geworden in
mijn dagelijkse leven. Noodzakelijk zelfs om de kans op onherstelbare glaucoomschade
in de zin van gezichtsuitval te minimaliseren. Een half jaar later bleek na
gezichtsveldonderzoek dat er in mijn beide ogen al flinke glaucoomschade
berokkend was door eerdere, jarenlange, onbehandelde, chronische, hoge oogdruk. Wilde
ik erger voorkomen dan was stoppen met druppelen geen optie. Conserveermiddel
of niet. Weken heb ik rondgelopen met geloken,
bloeddoorlopen ogen door overgevoeligheid voor licht, de sensatie alsof Klaas Vaak
onafgebroken zand in mijn gezicht stond te strooien en het waanidee dat mijn
kijkers constant in brand stonden. Bij de apotheek gaf men alleen thuis op
medische indicatie van de oogarts en dan moest ik nog van geluk spreken dat de
voorgeschreven oogdruppels überhaupt leverbaar waren. Hetgeen inderdaad vaker
niet dan wel het geval was. Mijn beklag over het minimalistische, Nederlandse medicijnenbeleid moest ik maar doen bij het demissionaire
kabinet. Dat werd niet met zoveel woorden gezegd, maar wel geïnsinueerd door
met name de oogarts. Tijdens één van de jachtige controles na de
staaroperaties, die in mijn geval nogal onalledaags verlopen waren, begon hij
over de toeslagenaffaire, de aardbevingsschade in Groningen en het feit dat de
oogontstekingsmedicatie via de apotheek op rantsoen was gezet. En
toegegeven; over het algemeen praat ik
ook liever over willekeurige politieke zaken dan over mijn gezondheid, maar
liever niet in de spreekkamer van mijn oogarts. Aldus had ik niet het gevoel
dat de oogarts echt open stond voor mijn zorgvragen. Bij spoed stond dan verder altijd de mogelijkheid open om
naar de afdeling oogheelkunde van het CWZ te bellen. Meestal stond ik dan al
gauw een uur in de wacht, om daarna heel welwillend van het kastje naar de muur
gestuurd te worden. Ik heb bewijsfoto’s van mijn rode, getormenteerde ogen op
moeten sturen naar het oogziekenhuis; om genade gesmeekt bij de oogarts, de
apotheek en de huisarts; hemel en aarde bewogen en na een horrorzomer van acuut
lijden en de daaruit voortvloeiende narigheid, mocht ik eindelijk met veel vijven en zessen mijn oogdruppels
tegen glaucoom - zonder conserveermiddel
- zelf ophalen en betalen van mijn eigen
risico bij de buurtapotheek.
De enquête die ik na de staaroperaties wel zo’n tien keer
bij herhaling kreeg opgestuurd in de mail via het oogziekenhuis, heb ik
uiteindelijk maar netjes sociaal wenselijk ingevuld om van het gezeur af te zijn, want
wat valt er nou eerlijk te vinden? Staaroperaties zijn een zegen. Hoe meer, hoe
beter, want dankzij dit soort oogingrepen kan niet alleen ik weer helder zien.
En hoe graag ik dat ook anders zou willen, besef ik heus wel dat de wereld niet
alleen om mij draait. Maar de route naar een beter inzicht doet denken aan een
achtbaan op een lopende band in ziekenhuisplunje met een rugnummer.
Hoofdstuk 4.
Zelfs op facebook raakte ik verstrikt in de chaos. De
blijken van medeleven waren echt superlief bedoeld, maar missen doel als maar
een enkeling snapt wat nou eigenlijk het probleem is. En de nodeloze adviezen
om naar een privékliniek, België of gewoon een andere oogarts te gaan, waren
nog niet eens het meest onhebbelijk. Nee, de privéberichtjes in Messenger
spanden de kroon. De verhalen over mislukte oogoperaties duikelden over elkaar
heen. Het ene macabere fiasco nog stugger dan het andere. Het merendeel van de
boodschappers was blind gebleven. Voor het leven getekend. Hoe konden al die gedupeerden
eigenlijk nog zelfstandig, blindelings berichtjes in Messenger typen? Ik kreeg
er serieuze angstdromen van. Soms heb ik ze nog.
‘Die mensen moeten hun ei ook kwijt, net als jij’, gooide
fijngevoelige zoonlief nog wat olie op het vuur.
Waarom?
‘Laat ze op hun eigen tijdlijn hun eieren leggen en zeker
niet in een persoonlijk berichtje aan mij’, beet ik – terecht uiteraard - van me af.
Panisch gooide ik vervolgens het meest kwetsbare deel van
mijn berichtgeving op facebook over de staaroperaties aan mijn ogen in de
virtuele prullenbak. Al vanaf dat ik een pen kan vasthouden, gebruik ik
geschreven taal om me te uiten. Ik weet niet precies waarom. Zoals ik ook nog
steeds niet weet waartoe wij op aarde zijn. Verder dan een correlatie tussen; bestaansrecht;
zingeving; en het uitleven van onze talenten, ben ik ook nog niet gekomen. Wel
weet ik zeker dat ik niet schrijf om van mijn oogafwijking een competitie te
maken. Ik heb een aversie tegen wedstrijdjes. Niet uit faalangst, want ik heb
vaak genoeg gewonnen. Of verloren. Het is maar hoe je de uitkomst bekijkt. Zoals
die keer in het jaar tweeduizend toen ik op mijn vijfendertigste in de
wachtkamer van een oogarts naast een medepatiënte van ongeveer twintig jaar
zat. We kwamen elkaar regelmatig tegen in de wachtkamer van het oogziekenhuis waar
we destijds allebei operatief artisanimplantaten – oftewel ingebouwde
contactlenzen – in onze ogen geplaatst kregen door een fameuze oogchirurg. Tijdens
zo’n wachttijd knoopte die medepatiënte een gesprek met me aan:
‘Weet je; ik krijg de artisanimplantaten vergoed van de
ziekenkostenverzekeraar. Jij ook?’
‘Nee’, antwoordde ik onaangenaam verrast:
Niet dat ik mijn ziekenkostenverzekeraar niet in
verschillende toonaarden had aangesproken en geschreven met het verzoek op
vergoeding van de oogingreep. Telkens kreeg ik nul op het rekest. Bij het
plaatsen van artisanimplantaten ging het
om een cosmetische operatie. Anders zet je toch gewoon een brik op? Een gewone
bril met jampotglazen. Een monsterbril. Wie mooi wil zijn moet immers pijn
lijden. Zowel lichamelijk als financieel. Punt uit. Nou waren die ingebouwde
contactlenzen in het jaar tweeduizend nog vrij revolutionair, relatief onbekend
en er was vijfentwintig jaar geleden, wat mij betreft, precies één oogchirurg
in heel Nederland te vinden die een licentie had om artisanimplantaten te
zetten. Ik was al blij dat deze oogarts bereid was gevonden om zich aan mijn
ernstig bijziende ogen te wagen. Uit respect durfde ik hem niet ook nog eens
lastig te vallen met een smeekbede voor een medische indicatie aan mijn ziekenkostenverzekeraar
ter vergoeding van de twintigduizend gulden die deze oogchirurg ons in die
jaren uiteindelijk in totaal gekost heeft. Of hij nou zijn geld via de
ziekenkostenverzekeraar of rechtstreeks uit de portemonnee van particuliere oogpatiënten betaald kreeg, dat
moest wat hem aanging toch lood om oud ijzer zijn geweest? En zijn salaris
gunde ik hem echt wel. Daar stond tegenover dat de ingreep in mijn ernstig
bijziende ogen, in mijn unieke geval, geenszins onder de noemer ‘cosmetische
operatie’ viel. Dat wist de betreffende
oogarts beter dan wie ook. Afgezien daarvan viel uit zijn houding tijdens de
consulten heel duidelijk op te maken dat hij over ogen ging en niet over kostenplaatjes.
Uitzonderingen daargelaten te oordelen naar mijn medepatiënte, maar in
andervrouws boeken is het duister lezen. Een extra hypotheek op het huis om de
oogingrepen te bekostigen leek mijn partner en mij uiteindelijk de beste
oplossing om een heleboel extra gemuggenzift – vooral voor onszelf - te
voorkomen.
Dat neemt niet weg dat ik desondanks licht dreigde te
steigeren in de directe nabijheid van een medelander, met eenzelfde soort
aandoening en ingreep, die haar operaties wel vergoed kreeg en ik dus niet. De
beladen stilte die volgde op mijn verontwaardigde reactie, werd gevuld door de
gewetenloze mede patiënte. Ongevraagd lichtte ze haar voorkeurspositie bij de
ziekenkostenverzekeraar nader toe:
‘Maar ja, ik heb natuurlijk ook wel heel slechte ogen. Zo
erg, dat had de oogarts nog nooit meegemaakt.’
Hoeveel hoger dan mijn min zesentwintig kun je gaan? Weleens
jampot brillenglazen gezien of gedragen met min zesentwintig? Even los van de
bedroevende esthetische ervaring en het afnemende draagcomfort in
wisselwerking met hoge dioptrie.
Bovendien valt uit monsterbrillen op een gegeven moment ook niet meer het optimale zicht van
kunstlenzen te halen. Hoeveel dioptrie moest je in het jaar tweeduizend in
Nederland hebben om artisanimplantaten vergoed te krijgen van de
ziekenkostenverzekeraar? Als ik niet zo brandend nieuwsgierig geweest was, dan
zou de vraag nooit gesteld zijn.
‘Hoeveel min heb je dan?’
‘Ik heb min zestien’, glunderde het meisje triomfantelijk.
‘En Jij?’, wilde ze voor de vorm nog wel van mij weten.
Voordat ik antwoord kon geven, werd het meisje gelukkig
de spreekkamer binnen geroepen. Kijk, hier had ik gewonnen en tegelijkertijd
verloren. Die status quo heeft niets te maken met competitie over wie wint met de
meest ernstige oogafwijking. Wel met oogkleppen. Daar schrijf ik dan weer wel over.
Over alles wat oogluikend wordt toegestaan onder het mom van wat niet weet wat
niet deert. Behalve als er geen vluchtweg is en er op de grond van de feiten
geen goud blinkt. Die realiteitszin loopt als een rode draad door het verhaal
van mijn medische oogtraject. Ik schrijf als onderdeel van het totaalplaatje en
niet vanuit een ziekelijke behoefte om mijn medische gegevens in de groep te
gooien of om oculisten uit wraaklust aan de schandpaal te nagelen. Ik zou
mezelf in de voet schieten. De kwaliteit van leven die ik van mijn kleutertijd
af aan al aan de inspanningen van oogartsen ontleen, is niet in woorden of geld
uit te drukken. Tenslotte schrijf ik zeker niet met rekenschap van eventuele traumatriggers bij lotgenoten. Wel bied ik
hiervoor bij voorbaat mijn oprechte excuses aan.
Toch heeft het weggooien van mijn facebookcolumns en
daarmee het verdringen van de ondoordachte commentaren, die zo kenmerkend zijn
voor de sociale media, op de lange termijn geen uitweg geboden. Langzaam maar
zeker raak ik overspoeld door de ervaringen van oog patiënten die wel van zich
laten horen op de sociale media. Mijn verhaal heb ik nog niet voorbij zien
komen. Als ik nog langer op de achtergrond blijf dan dreig ik op deze manier te
verdrinken in vervreemding van mezelf. Moet ik eerst blind of slechtziend zijn,
voordat ik recht van spreken heb? Of is ernstig bijziend erg genoeg? Gaat elke
vergelijking in wezen niet mank? Wat zou je liever zijn; doof of blind?
In mijn geval is ernstig bijziend gewoon een feit. Nooit
een keuze en onlosmakelijk geïntegreerd in mijn levensloop tot nu toe. Dat is
proza. Geen facebookcolumn. Dat moet nu maar eens vastgelegd worden op mijn
schrijversblog als in een totaalplaatje waarin het iedereen vrijstaat om al dan
niet mee te leven.
Hoofdstuk 5.
Vanaf mijn geboorte ben ik dus waarschijnlijk al ernstig
bijziend. Toch kreeg ik pas een bril op de kleuterschool. Toen was ik vier jaar
en ik ben geloof ik begonnen met min tien. Zeker weten doe ik dat niet, want
zowel mijn moeder als drie oudere broers zijn eveneens myopen en ben ik ben
thuis altijd het ondergeschoven kindje geweest. Wel heb ik gewonnen qua
sterkte. Tenminste dat heb ik als kleuter opgevangen toen ik onder de eettafel
een gesprek tussen mijn moeder en haar beste vriendin zat af te luisteren. In
mijn geboortejaar – negentienhonderdvijfenzestig - schijnt mijn moeder ‘de’
oogarts in Eindhoven van die jaren ‘ Aukes’ over mij geconsulteerd te hebben.
Ze had al drie ernstig bijziende zoons en wat moest ze nou met een meisje?
‘Nou mevrouw’, had
dr. Aukes gezegd;
‘Volgens de erfelijkheidsleer heeft een dochter veel
minder kans om uw myopie te erven dan een zoon’.
‘En wat blijkt nu?’, raasde mijn moeder tegen haar
meelevende beste vriendin:
‘Ze heeft de slechtste ogen van ons allemaal.’
Alsof mijn myopie de schuld was van dr. Aukes.
Veel verder heeft mijn moeder zich gedurende mijn
kindertijd – en in de rest van mijn leven - sowieso niet zo in mijn
persoonsgebonden bijziendheid verdiept. Ik was eigenlijk altijd meer zielig
voor haar. Dat zij haar bijziendheid aan al haar zoons had overgedragen, met een dochter als
bedreigend sluitstuk. Want in haar jonge jaren wist mijn moeder ze wel in haar
voordeel in te zetten. De slechte ogen van een damsel in distress. Terecht of
onterecht. Daar ga ik niet over. En ineens was haar spiegelkind geboren. Haar
enige dochter met de slechtste ogen van de hele familie. Sorry.
Ik herinner me uit die periode nog dat ik op een bankje
achter de opengeslagen deur van het kleuterschoollokaal mijn slofjes zat aan te
doen. Ineens trok de juffrouw van groep één de deur los; liet de klink gaan en
sloeg haar handen voor haar mond.
‘Ow, Inneke’; murmelde ze overdonderd:
’Wat een flinke bril.’
Eindelijk zag ik mijn kans schoon:
‘Ik heet geen Inneke, ik ben Katinka!’.
Je weet wel die kleine kokette Katinka die dankzij die
flinke bril ter afsluiting de koe bij de
hoorns kon grijpen. Want voor de komst van mijn bril, bleef de juf me in mijn
prille kleuterschooldagen maar stug aanspreken als ‘Inneke’ . Daarna was ze telkens weer
onzichtbaar, voordat ik haar mijn ware identiteit had kunnen toefluisteren.
Mijn moeder was nog kwaad op me:
‘Waarom zeg je dat je Inneke heet?’
Met het verstrijken van mijn kinderjaren bleef de
dioptrieteller gestaag doorlopen. Aan het einde van mijn lagere schooltijd had
ik geloof ik min vijftien en kreeg mijn moeder bijna een toeval van de aanblik
van mijn nieuwste ‘jampotglazen’ bril.
‘Met zo’n monsterbril laat ik dat kind toch niet
rondlopen!’, huilde ze intens aangeslagen.
Ik zie mijn vader en mezelf nog verloren staan dralen in
de gang. We waren net terug van opticien Van Maaren. Daar moesten we in die
jaren per sé heen, want dhr. Van Maaren was een neef van mijn vader. Dat had te
maken met het onderhouden van familiebanden. Of zoiets. Ik bekeek mezelf in de
gangspiegel. Uiteraard met monsterbril. Zonder was de wereld een beslagen
autovoorruit bedekt met ijsbloemen. Ik had er dan ook geen idee van hoe ik
eruit zag in het echte leven. Dus zonder monsterbril. Mijn jongste broer en ik
probeerden die ware ik weleens te ontcijferen door met onze monsterbrillen te
jongleren voor de gangspiegel. Door de jampotglazen brillen te gebruiken als verrekijkers.
Tevergeefs. Niemand kwam op het idee om een foto van ons te maken zonder monsterbril.
Een kiekje van twee gezichten met twee paar blote ogen, waarmee mijn broer en
ik onszelf naderhand – met onze jampotglazen brillen terug op de neuzen – van
de foto in natura hadden kunnen identificeren. Maar zo’n foto bestond dus niet.
Dus wist ik veel wat ik miste. Wel was ik na elke nieuwe, aangepaste bril blij
dat ik weer helder zag. Alsof de glazenwasser goed bezig was geweest. In
weerwil van mijn overspannen moeder en monster- of jampotglazenbril. Mijn vader wist zich nooit
een houding te geven. Hij mocht ook geen mening over ogen hebben van mijn
moeder. Dat was haar territorium.
Aan het einde van de toenmalige zesde klas van de
basisschool (huidige groep acht) kreeg ik dan ook harde contactlenzen. Zachte
contactlenzen stonden eind jaren zeventig nog in de kinderschoenen en waren
veel minder vanzelfsprekend. De harde contactlenzen werden afgemeten en
aangeschaft bij neef opticien Van Maaren uiteraard. Maar dit keer op voorspraak
van mijn moeder. We schrijven negentienzevenenzeventig en ik was elf jaar. De
directeur van de Trudo basisschool te Eindhoven – dhr. Traa – was faliekant tegen.
Hij achtte mij veel te jong voor zoiets vooruitstrevends als contactlenzen,
maar mijn moeder vond dat hij zich met zijn eigen zaken moest bemoeien.
Ik herinner me een oefensessie samen met twee van mijn
broers en onder begeleiding van onze vader in de zaak van neef opticien van
Maaren op de vrije woensdagmiddag. We moesten leren hoe we de lenzen in en uit
onze ogen konden krijgen. Erg gestroomlijnd ging die bijeenkomst er niet aan
toe. Onze vader stond gemoedelijk te mijmeren over zijn jeugd in de dorpen
rondom Bladel met het luisterend oor van
zijn neef de opticien naast zich, terwijl mijn broers en ik een beetje aan zaten te klooien met die
harde, kunststofschijfjes balancerend op de wijsvingertopjes in de buurt van
drie paar ogen achter ieder een eigen verstelbare lichtspiegel. Op het moment
dat zo’n hard stukje kunststof eenmaal op z’n plek in één van de twee ogen zat,
dan kwamen de waterlanders. Aldus begon het belastte, tranende oog de
contactlens af te stoten door te;
knijpen, gloeien, rood aan te lopen en anderszins te protesteren. Dan
moest je op advies van neef opticien volharden en naar beneden blijven kijken.
Hield je die tegennatuurlijke misère lang genoeg vol, dan kon je met permissie
een stukje gaan wandelen door het centrum van Eindhoven. Voor het eerst in ons
leven zonder jampotglazen bril! Eindelijk zou ik kunnen zien hoe oogverblindend
mooi ik in werkelijkheid was. Na ongeveer een kwartier werd je – inclusief
harde contactlenzen in de getergde ogen natuurlijk - weer
terug verwacht in de zaak van neef opticien. Ik stond als eerste buiten. Nieuwsgierig
probeerde ik mezelf te ontwaren in de spiegeling van étalageruiten. In de zaak
van neef opticien was ik op commando alleen maar naar beneden, naar die typisch
jaren zeventig bruinoranje tapijttegels, blijven turen.
Bij C&A was het druk genoeg om ongemerkt naar binnen
te glippen. Ik griste een rok van een rek en dook een pashokje met spiegel in.
Verdwaasd staarde ik voor het eerst van mijn leven naar mijn onverhulde elfjarige
gezicht. Dit waren dus de ‘mooie ogen’
waarover mijn moeder mij in de loop van mijn kinderjaren terloops, maar
consequent, complimentjes had gegeven. Ze hadden sprookjesachtige vormen
aangenomen in mijn kinderlijke voorstellingsvermogen. Ik fantaseerde in de
richting van de betoverende kijkers van filmster Elisabeth Taylor. In
werkelijkheid lagen de pijlers van mijn ziel diep in hun kassen. Wat waren ze
klein, half geloken, waterig en wat leken ze kleurloos omgeven door een witte
afdruk van mijn montuur in een verder zongebruind gelaat, omdat ik mijn bril alleen voor het slapen gaan
afdeed. Ik zwom ook zonder gêne met monsterbril op mijn neus in het buiten
zwembad. Anders zag ik niks. Ja, mist. Mijn vader bevestigde tijdens de
zomervakantie touwtjes aan de pootjes van onze jampot glazen brillen, zodat
mijn jongste broer en ik vrijuit konden ravotten zonder dat onontbeerlijke
visuele hulpmiddel kwijt te raken. Mocht een jampotglazen bril toch onverhoopt
sneuvelen dan schroomde mijn vader niet om het monstermontuur weer met enorme,
afstekende, kleurloze schroeven in elkaar te flansen. Van reserves of de tweede
bril gratis hadden we nog nooit gehoord
in de jaren zeventig.
En zonder bril, in de mist, kon je weinig. Je kon je niet
oriënteren; zelfs niet in huis of in een andere bekende omgeving; geen
gezichten onderscheiden; en gek genoeg niet eten, de telefoon niet opnemen en
geen gesprek voeren. Wel kon je van heel dichtbij lezen in bed en microscopisch
nauwkeurig precisiewerk leveren. In geen tijd had je een draad in een naald; je
nagels gevijld, een teek bij de hond of een splinter uit een vinger
verwijderd.
Gepest met mijn bril ben ik niet noemenswaardig op de
basisschool. Ik werd weleens uitgescholden, maar niet meer dan andere kinderen
en ik wist altijd wel van me af te bijten. Soms leende ik mijn jampotglazen
bril op verzoek uit aan klasgenootjes. Maar na een wankel rondje – met
groeiende misselijkheid - over het
speelplein met mijn min vijftien dubbeldikke glazen bril op hun neus, was de
lol er al snel vanaf. Meestal was de conclusie iets in de trant van:
‘Knap dat jij de hele dag
door die wekpotglazen kan kijken!’
Dan lachte ik een beetje stoer, want ik kon me
moeilijk voor laten staan op mijn
aangeboren afwijking.
Na thuiskomst van neef opticien was het de bedoeling dat
we geleidelijk zouden overstappen van bril op lenzen. Dus om te beginnen een
uurtje per dag de lenzen in en zo langzaam opbouwen. Maar ik ging meteen voor
de volle zestien uur. Mijn moeder en oudste broer droegen toch ook de hele dag
probleemloos harde contactlenzen naar het scheen? Wat zij konden dat kon ik ook! Wel zat ik in het begin ’s morgens te dralen
boven het honderd procent wollen, Peruaanse kleed op de eettafel in de
huiskamer. Spiegel voor mijn neus en een bevochtigde, harde contactlens in de
aanval op mijn wijsvinger vlak voor een oog.
‘Ik durf nooit!’, zei ik tegen mijn oudste broer die
vroeg of het lukte.
‘Dat went vanzelf’, stelde hij me gerust.
Achteraf had hij niet vaak gelijk mijn oudste broer, maar
wat dat wennen aan het in- en uitzetten van harde contactlenzen betreft wel. Al
na een maand wipte ik mijn ‘kunstkijkers’ alias harde contactlenzen in een mum
van tijd in en uit mijn originele kijkers. Gedurende mijn tienerjaren viel er
regelmatig zomaar één uit en dan moest je de lens terugvinden met één werkend
en één mistig oog tussen; het onkruid van de stoeptegels, in de afvoer van de
wasbak, tussen de polyester vezels van een hoogpolig tapijt, of ergens in je
decolleté of blousemouw. Je ging net zolang door tot de harde contactlens weer
teruggevonden was. Eventuele omstanders waren altijd meer dan bereid om te
helpen zoeken, maar daar zat ik meestal niet op te wachten. Iedereen moest in
een straal van een meter of vier uit mijn buurt blijven, vanwege het immer
aanwezige vertrappingsgevaar van mijn kunstkijker. Zo’n ding bleef voor mij van
levensbelang en de vervangingsduur in die tijd was al gauw een maand. Was zo’n
ontsnapte contactlens eindelijk
getraceerd en in tact bevonden; dan moest het dingetje eerst gedesinfecteerd
alvorens het veilig terug in het oog geplaatst kon worden. Maar je zult altijd zien dat kraanwater, of liever
nog contactlenzeninzetvloeistof, meestal niet binnen handbereik is tijdens
noodgevallen. Dus dan ging zo’n
teruggevonden contactlens eerst in de mond, even onder de tong laten weken, en
daarna hup; linea recta terug het oog in. Hoeveel ooginfecties ik daarmee in
mijn jonge jaren geriskeerd heb wil ik, bijna vijftig jaar later, nog steeds
liever niet weten.
Hoofdstuk 6.
Gedurende mijn middelbare schooltijd raakte de harde
contactlenzen volledig geïntegreerd in mijn dagelijkse routine. Destijds sprak
ik nooit over mijn hoge bijziendheid. Ook al was ik de schaamte voorbij.
Bovendien liepen er heus wel wat meer myopen op mijn toenmalige middelbare
leerfabriek rond. Toch was ik nog steeds de onbetwistbare winnares met mijn min
vijftien. Tsja; in het land der blinden is éénoog koningin. Juist daarom had
ik helemaal geen behoefte aan
medestanders. Alsof je vanwege een gedeelde hoge bijziendheid automatisch een
band hebt. Of een myopen clubje annex praatgroepje. Ik moet er nog steeds niet
aan denken.
Misschien had ik makkelijk praten, omdat ik altijd automatisch op mijn broers en mijn
moeder kon terugvallen als referentiekader. Niet dat we thuis veel ervaringen
uitwisselden over de gezamenlijke ernstige bijziendheid, maar we deelden een
handicap. Daarmee gingen hebbelijkheden samen; zoals het metaforische bassin
vol met contactlenzeninzetvloeistof en
oogspoeling – oftewel Optrex – dat we welhaast in de loop van de gezinsjaren thuis door onze ogen gespoeld moeten
hebben. Sowieso waren wij, zonder
uitzondering, pas aanspreekbaar nadat wij onze kunstkijkers hadden geactiveerd.
Bij dit contactlenzenritueel hoorde eveneens het sporadisch laten vallen, en/of
verliezen van een kunstkijker. Het
overkwam ons allemaal wel eens en veroorzaakte ook binnenshuis gegarandeerd commotie
mocht vader toevallig niet in de buurt zijn. Hij was de enige thuis met normale
ogen. En vader stond erom bekend dat hij het verloren gewaande visuele
hulpmiddel hoe dan ook terug kon vinden. Die man liet zich niet afschrikken door;
het uitscheppen van afvoerputjes; het zeven van etensresten, of het uitkammen
van hoogpolige tapijten. Desnoods met een zaklamp bij de hand. Dankzij vader
was er altijd licht aan het einde van de tunnel. Hij flikte het maar mooi
iedere keer! Zoals een juwelier die de waarde van een diamant bepaalt, zo
inspecteerde vader, met een loep in zijn oog geklemd, vervolgens het gevonden kleinood op beschadigingen.
Om zijn ernstig bijziende vrouw en kinderen verder tegemoet te komen, hing hij het
hele huis vol met tl buizen. Sfeervol was anders. Althans voor hem als niet
myoop. Hij kon wel eens overprikkeld raken door een overdosis aan licht in huis. Ook natuurlicht.
Mensen zonder ernstige bijziendheid sloten vroeger de luxaflex in de keuken, of
de overgordijnen in de huiskamer om ’s zomers het felle zonlicht buiten te
sluiten. Zo ook mijn vader. Zijn zonsverduistering was echter nooit van lange
duur en heeft in het verleden tot onnodig veel woordenwisseling geleid. Onnodig
omdat mijn vader toch verloor tegen één van ons of tegen ons allemaal tegelijk.
Wij eisten zeeën van licht. Nee, wat zijn ogen betreft stond mijn vader alleen.
Totdat ik zelf ondervond hoe het in de praktijk aanvoelde om geen myopieconnectie
te hebben.
Tijdens een schooluitje in de bovenbouw van het VWO deelde
ik een slaapkamer in een vakantiehuisje met mijn beste schoolvriendin vanaf de
brugklas. Vlak voordat we in bed kropen, had ik mijn contactlenzen alvast uitgedaan.
Mijn oude monsterbril van de basisschool had ik niet bij me. Ik had er niets
meer aan. Zodra ik mijn harde contactlenzen uitdeed en de monsterbril op mijn
neus zette, begon alles om me heen; te draaien en zich te verdubbelen en
verkleinen. Volhouden had weinig zin, want na een minuut of vijf was ik echt
kotsmisselijk. Mijn jongste broer deelde precies dezelfde ervaring met mij. Het
was niet anders. Onze jampotglazenbrillen bleven voortaan symbolisch achter slot en grendel in het
rariteitenkabinet. Onder toezicht van mijn schoolvriendin, die zich al in haar
bed geïnstalleerd had, borg ik op de tast mijn gevulde contactlenzenpotje op in
mijn toilettasje. Dan maar dat kleine stukje van de lichtknop naar het bed
blindelings overbruggen. In de schimmige slaapkamer voelde ik hoe de argusogen van mijn schoolvriendin
mij doorpriemden. Op een gegeven moment kon ze zich niet meer langer inhouden:
‘Waarom ruik jij overal aan? Wat doe je? Ben je high of
zo?!’, riep ze op een vervreemd, neerbuigend toontje dat ik niet van haar
kende.
In dat soort situaties had ik nooit zin om mezelf kwetsbaar
op te stellen en gaf ik iedereen die de behoefte voelde om mijn kippige gedrag
naar eigen inzicht te interpreteren vrij spel.
Toch kon ik mijn harde contactlenzen in mijn tienerjaren
ook strategisch inzetten. Bijvoorbeeld vlak voor aanvang van de gymlessen. Dan
deed een korreltje mascara in mijn ooghoek wonderen. Mijn oog begon meteen te
tranen, trekken en knijpen en de gymlerares werd pas na de derde keer achterdochtig. Maar ze liet me daarna
desondanks nog minstens tien keer naar huis gaan vanwege een beurs oog. Zoals
ze ook nooit protesteerde dat wij meiden iedere week ongesteld waren tijdens
het zwemseizoen. Die onvoorspelbare
maandelijkse stonden ook! Op die manier heb ik nauwelijks gegymd of
gezwommen in de bovenbouw van het VWO. Ik droom dan ook nog weleens dat mijn
middelbare schooldiploma achteraf bezien ongeldig is. Die voldoende voor gym –
een mager zesje – was onrechtmatig verkregen door mij. Net voordat ik verplicht
word gesteld tot een herexamen in lichamelijke opvoeding schrik ik wakker. Dik veertig
jaar na dato.
Hoofdstuk 7.
Op een dag ergens in mijn kinderjaren stopte oogarts
Aukes, ver na zijn pensioen, met praktijk houden in Eindhoven en leek bij mij
thuis de wereld even stil te staan. Al snel bleek dat de patiëntengegevens van
moeder, drie broers en mij gewoon werden doorgesluisd naar een oogartsen
coöperatie in het centrum van de stad, met een inpandige optometrist annex contactlenzenspecialist.
Er was dus helemaal geen reden tot paniek. Wel was er sprake van het einde van
een tijdperk, want na dr. Aukes heb ik nooit meer meegemaakt dat de zit- en rug
kussentjes in de wachtkamer van de houten bankjes werden gehaald zodra de
particuliere zorgvragers het pand verlieten en het spreekuur voor de
ziekenfondspatiënten was aangebroken. Ook heb ik sindsdien voor altijd afscheid
mogen nemen van zo’n ouderwetse, giga proefbril op mijn neus tijdens mijn
levenslange oogmetingen. Inclusief ouderwetse, verwisselbare glazen die dr. Aukes
vliegensvlug op wenkbrauwhoogte met een klik in het proefmontuur verving door
dikkere of dunnere soortgenoten uit een grote voorraadbak op een bijzettafel
aan zijn rechterzijde. Dat wil zeggen; indien de sterkte nog niet naar zijn zin
was. En tenslotte is er nooit meer een oogarts in mijn leven gekomen die zoveel
indruk op mij heeft gemaakt als dr. Aukes. In mijn kinderogen was hij een
imposante, slanke reus met; een wit kapsel; zwarte, borstelige wenkbrauwen; en
een angstaanjagende bril waarachter grote, groen glinsterende kijkers als
knikkers. Hij noemde me nooit bij mijn naam. Ik was zusje.
‘Zo, zo, zusje’, dreigde hij bij ieder consult.
Tegelijkertijd was zijn vrouw steevast naarstig op zoek
naar het gezinsdossier tussen rijen kaartenbakken met patiëntengegevens. Dan
kun je er nog zo gemoedelijk en zorgzaam uitzien met een gezellig, grijs,
slordig knotje en een vriendelijke glimlach op het frisse gelaat, maar dat
biedt in die entourage ook geen garantie voor de kalme gemoedsrust van een
klein zusje met de slechtste ogen van de hele familie.
De oogarts die dr. Aukes na zijn uitgestelde pensioen
opvolgde was, in mijn geval, een vrouw en ze bleef bij me totdat ik eind twintig
was. Al die tijd heb ik nooit meer dan een paar zinnen per jaarlijks consult
met haar gewisseld. Inclusief begroeting en afscheid. Maar voordat ik bij haar
terecht kwam, werd ik volgens het protocol bij een optometrist binnengeroepen. Altijd dezelfde optometrist. Hij
was een gangbare, lange, harige, magere man met een Hitler snorretje. Zijn
achternaam ben ik kwijt en zijn voornaam heb ik nooit geweten. Na deze
optometrist ben ik in de loop der jaren talloze dubbelgangers van hem in het
wild tegen het lijf gelopen. Maar dat was uiterlijke schijn. Zo kon ik geen van
die evenbeelden op het eerste gezicht waarderen, vanwege de herinnering aan het
minzame optreden van het origineel. Naarmate ik zijn look-a-likes beter leerde
kennen, bleken ze zonder uitzondering leuker dan de oorspronkelijke optometrist
. Tot ver in mijn twintigste bleef hij mij benaderen als het prototype van ‘de
jeugd van tegenwoordig’. Hij was mijn kwelgeest. Bij hem zat ik iedere controle
afspraak weer op het strafbankje van de geweten- en hersenloze puber. Zuchtend
en hoofdschuddend mat hij plichtsgetrouw mijn ogen. Met een laatdunkende blik
op mijn uitbundige make-up en kledingkeuze uit die tijd, bestelde hij ieder
jaar, met veel optometristen ceremonieel, nieuwe, harde contactlenzen, die ik
na veertien dagen deemoedig bij hem kwam ophalen. En afrekenen. Houd me ten
goede; misschien hadden we hier te maken met de beste optometrist die Nederland
ooit gekend heeft, alleen ik kon dat niet beoordelen met mijn ernstige
bijziendheid. Ik wist niet wat ik wel en niet goed zag. Ik moest noodgedwongen
blindelings vertrouwen op de blauwe ogen van mijn optometrist. Als hij
tenminste blauwe ogen had. Ergens begin jaren tachtig herinner ik me nog een
bedrag van honderdtwintig gulden voor een paar nieuwe, harde contactlenzen. Uit
zijn arrogantie meende ik op te kunnen maken dat hij contactlenzen niet aan mij
besteed vond. Het tegendeel bleek waar. Dat werd duidelijk toen ik hem eens om
een reserve bril vroeg. Voor
noodgevallen.
‘Daar heb jij niks meer aan’, wist de optometrist.
‘Jawel’, beweerde ik eigenwijs.
‘Stel dat ik mijn contactlens kwijtraak. Dan moet ik weer
twee weken wachten totdat ik nieuwe heb. Dan moet ik veertien dagen kijken met één
oog. Dan heb ik liever een bril ter overbrugging.’
‘Dat lost niets op’, hield de optometrist stug vol.
Onderwijl heftig nee schuddend.
‘Mijn ouders betalen’, blufte ik.
‘Omdat je al jaren contactlenzen draagt zijn jouw ogen
naar de lenzen gaan staan. Je zou eerst weer geleidelijk aan een bril moeten
wennen. Met jouw sterkte kun je op korte termijn niet even gauw afwisselen
tussen bril en contactlenzen.’
Bleken mijn jongste broer en ik toch niet zulke
hypochonders te zijn als we zelf dachten. We hadden onder ons al vastgesteld dat
een bril dragen direct na contactlenzen bijna niet te doen was. Alsof we met
open ogen in een misselijk makende kermisattractie in actie opgesloten zaten.
Wisten wij veel. Uitgerekend dankzij de optometrist en zijn essentiële kennis over
het verschil in het effect van bril- en contactlenzengewenning bij hoge myopie,
ben ik mijn eigen inzichten een stuk serieuzer gaan nemen.
‘Je kunt eigenlijk nooit meer terug naar een bril’,
peinsde de optometrist hardop, terwijl hij zijn spitse kin masseerde.
‘Tuurlijk wel’, zei ik, omdat ik het uit principe nooit
met hem eens wilde zijn.
‘Nee’, volhardde
hij.
‘Contactlenzen zitten veel dichter op het oog dan een
bril; dus met een bril zie je altijd slechter dan met contactlenzen. Dat is met
jouw ernstige myopie niet meer optisch verantwoord.’
‘Is dat wat anders dan ethisch verantwoord?’, vroeg ik
nog steeds tegendraads.
‘Vanuit de optometrie gezien niet nee’, antwoordde de
optometrist droog.
Op die manier heb ik gedurende de jaren veel opgepikt van
mijn optometrist. Vermoedelijk heb ik hem daarom te kort gedaan door hem destijds
voornamelijk als mijn kwelgeest te zien. De praktische kennis die hij me en
passant bijbracht over mijn myopie bleek later in mijn leven cruciaal te zijn
en allerminst wijdverbreid of prioriteit bij mijn toekomstige oogzorg.
Hoofdstuk 8.
Omdat ik thuis niet de enige kostenpost was, zeker niet
op contactlenzengebied, heb ik weleens bij de optometrist nagevraagd waarom ik eigenlijk
na iedere meting weer nieuwe kunstkijkers nodig had. De aanschaf van nieuwe
contactlenzen om de twaalf maanden was echter bittere noodzaak volgens mijn
kwelgeest. Dankzij baanbrekend onderzoek werden er in rap tempo steeds betere,
zuurstof doorlatende, onontbeerlijke, contactlenzen ontwikkeld. De
belangrijkste oorzaak van mijn gulzige contactlenzenconsumptie was echter vooral mijn jaarlijks stijgende dioptrie.
‘Wat is mijn sterkte eigenlijk nu?’, vroeg ik op meerdere
momenten in de loop van de tijd aan hem.
Antwoord kreeg ik nooit. Gewoon niet. Wel raadde de
optometrist me telkens ontwijkend aan om; ‘misschien even met de oogarts te babbelen?’.
Helaas is dat babbeltje er nooit van gekomen. In mijn heugenis
is de vrouwelijke oogarts uit mijn middelbare school- en studentenjaren een vage
schim in de benauwenis van een oogartsenhok, die ineens voor me opdook achter
de meetapparatuur, nadat ik in de medische stoel had plaatsgenomen. Ze vroeg
nooit; op welke middelbare school ik zat. Later informeerde ze niet naar of ik
studeerde en zo ja wat. Mijn hobby’s boeiden haar niet en ze gaf tevens niet
het idee bijster geïnteresseerd te zijn
in mijn individuele beleving van mijn myopie. Ik op mijn beurt had geen idee of mijn oogarts getrouwd was,
kinderen had of een leven naast het oogartsendom. Niet uit desinteresse van
mijn kant, maar ik durfde haar geen persoonlijke vragen te stellen, uit angst
om haar in verlegenheid te brengen. Ik was immers een verweesde oog patiënt en
ik kon voor haar ook niet invullen waarom mijn ouders niet wat meer bij mijn
jeugdogen betrokken geweest waren en waarom ik altijd alleen op consult kwam. Misschien
had het met mijn afkomst te maken? Een ander milieu, waarover een oogarts
geleerd heeft niet openlijk te oordelen?
Toen ik rond mijn tweeëntwintigste bloedingen en daarmee heftige vervormingen kreeg
in mijn rechter oog zei ze:
‘Niet te zwaar tillen. Laat die wasmand maar staan!’
Ik probeerde me meteen voor te stellen hoeveel wasmanden zij thuis dagelijks tilde.
Ik studeerde in die tijd letteren en vroeg haar om een medische indicatie in
verband met eventuele toekomstige studievertraging en mogelijke financiële
compensatie. Ik moest toch iets; want ik zat met die vervormingen in het beeld
van mijn rechter oog en het zag er niet
naar uit dat de oogarts mij op korte termijn ging vertellen welke richting het ziekteverloop
van mijn oogaandoening op zou gaan
‘Je hebt bloedingen. Dat veroorzaakt die vervormingen’,
concludeerde de oogarts zo zakelijk mogelijk na inspectie van het rechter oog.
Ik kon desondanks horen dat ze hoog in haar emotie zat.
‘En dat heb ik gekregen omdat ik wasmanden til?
Ik hoorde hoe de oogarts heel discreet en ingehouden een beladen
pufje slaakte.
‘Die bloedingen in jouw rechter oog zijn ontstaan door
jouw hoge bijziendheid. Bij myopie valt het licht niet precies op het netvlies
maar ervoor, waardoor veraf kijken onscherp is.’
‘Echt?’
De cynische ondertoon van mijn uitroep kon ik niet
nalaten en zette de oogarts onbedoeld onder druk om nog sneller ter zake te
komen:
‘Jij bent bijziend omdat jouw oog te lang en de ooglens
te bol is. Dus door een combinatie van twee afwijkende oogvormen. Daar komen
vroeg of laat complicaties, zoals bloedingen, van. Ik vind dat ze wat vroeg
optreden in jouw geval, eerlijk gezegd. Daarom adviseer ik ook om niet te zwaar
te tillen. Vermijd druk op de ogen!’
Voor hoe lang? Voor de rest van mijn leven? Hoe ging ik
dat aanpakken? Wanneer stond er druk op de ogen en hoe voorkwam ik
overbelasting? Mocht ik nou niet meer bewegen? Hoeveel bloedingen en daarmee vervormingen
in mijn ogen zaten er nog aan te komen? Hoe moest dat met mijn autorijlessen? Kon ik in de toekomst nog wel
op een natuurlijke manier kinderen op de wereld zetten? Mocht ik überhaupt wel
zwanger worden? Ik had ook van de alcohol en de sigaretten moeten afblijven.
Roken en drinken is nooit een goed idee, maar helemaal niet met kans op nog
meer bloedingen in mijn ernstig bijziende ogen. Deze en nog honderd andere onbeantwoorde
vragen en acute onzekerheden brachten me direct na het advies van de oogarts,
om geen gewicht te dragen, dusdanig van mijn à propos dat ik overdonderd dekking
zocht achter iets tastbaars zoals die medische indicatie. Of ik van de oogarts
een bewijs van mijn oogaandoening kon krijgen voor mijn hoogleraren, zodat ik
in het licht van mijn aangetaste oog wat meer tijd kreeg voor de essays,
werkstukken en tentamens die het komende semester op mijn rooster stonden. De
oogarts kroop meteen in haar schulp.
‘Wat zie je dan?’, vroeg ze onwillig.
Woorden schoten op dat moment te kort bij mij. Als mijn
oogarts al niet snapte wat ik zag of niet; hoe moest ik het dan wel weten? Zodra ik een hand voor mijn ongeschonden
linker oog hield, zag ik weliswaar overduidelijk; zwevende neuzen en oren,
scheve voegen tussen de badkamertegels, flitsende sterretjes op
televisiebeelden, onlogische scheidingslijnen op asfalt en andere rare onregelmatigheden
in het zicht van mijn rechter, defecte oog, maar wie zegt dat ik me desondanks
niet vreselijk zat aan te stellen? Misschien toch de oogarts, omdat ze me
besloot door te verwijzen naar een professor van het UMC in Nijmegen. Het
Radboud. Ik schrok ervan en werd plotseling overvallen door een golf van
zelfmedelijden. In het bijzijn van de oogarts. Dat was misschien nog wel het
meest gênante.
‘En de optometrist zat me net nog uit te lachen’, pruilde
ik.
Weliswaar naar waarheid, want tijdens het gebruikelijke vooronderzoek, eerder die dag,
had de optometrist mijn radeloze relaas over de plotselinge vervormingen in
mijn rechter oog maar ‘fantastisch’ gevonden. Heel fantastisch. Bij de uitgang
van de oogartsenpost hield hij me nog staande. Zo helemaal niet in lijn met
zijn gangbare, formele omgangsvorm en op een dermate dwingende manier dat ik
hem niet kon ontlopen.
‘Ik geloof dat we elkaar zojuist niet goed begrepen
hebben’, probeerde hij op verzoenende toon en duidelijk op voorspraak van mijn
oogarts.
‘Ik geloof het juist niet’, besloot ik onvermurwbaar.
Hoofdstuk 9.
Het consult dat mijn toenmalige oogarts, ergens
halverwege de jaren tachtig, in het Radboud had gepland werd een ervaring als een
losse flodder die nog steeds nergens thuis hoort. De herinnering aan de
hoogachting waarmee ze de professor uit het Radboud destijds introduceerde, roept
bijna veertig jaar later nog weleens dezelfde weerstand bij mij op als toen ik
begin twintig was. Alsof mij toegestaan werd om op audiëntie te gaan bij de
koning van het land der blinden en slechtzienden. Aangenaam koninklijke
hoogheid en verlosser. Dit ben ik. Uw nederige onderdaan die in haar uppie, eerst
blindelings, met haar gedesoriënteerde zicht, moest afzien in de trein richting
Nijmegen, voordat er tot kennismaking kon worden overgegaan. Dralend op een
vreemd perron. Overigens pas nadat de onderdaan met haar beroerde vooruitzicht,
de lang verwachte afspraakbevestiging van het ziekenhuis had ontvangen. Dat
moet ergens begin negentienzesentachtig of zevenentachtig geweest zijn. Op een doordeweekse, gemiste college
dag met van dat druilerige, typische Nederlandse, waterkoude winterweer. Mijn
flashback is nergens versierd met sfeer- of kerstverlichting. November of
december zal het dus niet geweest zijn. Eerder januari of februari. Geen maart,
want er hing geen voorjaar in de lucht. Ik zie mezelf weer zitten op het bankje
voor het ziekenhuis. Weggedoken in de opstaande kraag van mijn modieuze, maar te
dunne Burberry trenchcoat. Handen diep in de jaszakken gestoken. Ik was op tijd
van huis vertrokken en dus veel te vroeg voor mijn afspraak.
Uiteindelijk heb ik de zeer gewaardeerde professor niet
gezien. Wel gehoord vanuit een hoek ergens in het hok van een arts-assistent of
een oogarts in opleiding. In ieder geval was hij niet de heldhaftige professor
van mijn Eindhovense oogarts. Dat had ik van het begin van het consult af aan al
snel door na een simpel rekensommetje. Alvorens een mens zichzelf professor mag
noemen moet hij of zij immers het één en ander gepubliceerd hebben in vakbladen.
Daarvoor had deze jonge man eenvoudigweg nog niet lang genoeg geleefd. Hij was
van mijn generatie. Misschien dat hij daarom niet wist wat hij met de
bloedingen en daarmee de vervormingen in
mijn rechter oog aan moest? Om nog maar te zwijgen van de doorverwijzing van mijn Eindhovense oogarts.
Hij liet me een poosje alleen om de professor erbij te halen.
‘Momentje’, kondigde hij aan.
‘O, jee, nou gaat het gebeuren’, dacht ik op mijn hoede.
Maar toen mijn generatiegenoot terug kwam, gebeurde er in
eerste instantie, tijdens een wachttijd van bijna ondraaglijke spanning, helemaal
niks. Na tien minuten van pijnlijke stilte verscheen er in tweede instantie een
gedaante in een deuropening. Ik zag sowieso al niet bijster goed met die
vervormingen in mijn rechter oog, maar tijdens mijn consult bij het UMC zag ik
dubbel zo slecht en wazig. Dat tijdelijke
belabberde zicht was te wijten aan pupil verwijdende medicatie, die ik
van mijn generatiegenoot in mijn ogen gedruppeld had gekregen. Zoals in die
periode gebruikelijk bij elk oogartsenbezoek. Daarvoor had ik mijn harde
contactlenzen zolang uit mijn ernstig bijziende ogen moeten verwijderen en in
mijn lenzenpotje gedaan. De contouren van mijn generatiegenoot kon ik al amper scherp
stellen en hij zat veel dichterbij – naast zijn meetapparatuur - dan de vage
figuur in de deuropening die achteraf de gevierde prof. bleek te zijn geweest. Mij
viel de aanwezigheid van een tweede silhouet in de ruimte pas op toen er nogal lukraak
een donderend stemgeluid mijn richting uitkwam:
‘Niet opereren. Er is laatst nog iemand blind gebleven.
Gewoon naar huis gaan.’
Ik vermoed dat de professor met zichzelf praatte, want ik
zag mijn generatiegenoot nog niet zo snel
in de operatiekamer in de weer.
‘En nou?’, vroeg ik in het algemeen, terwijl ik mijn
deceptie over de anticlimax, die dit consult toch was, probeerde te
overstemmen.
‘Je hebt een hele goede oogarts in Eindhoven hoor; daar
kun je gewoon op vertrouwen’, concludeerde de prof.
Aan het afnemende volume van zijn stem en zijn tred
hoorde ik dat hij onderwijl het oogartsenhok verliet. Hoe moest ik me nou
verdedigen tegen zijn aanval? De prof deed het met zijn uitspraken voorkomen alsof
ik niet tevreden was met mijn Eindhovense oogarts. Alsof ik op eigen initiatief
naar hem was toegekomen. Alsof ik wist wie hij was? Gekrenkt voer ik daarom,
bij gebrek aan beter, alsnog tegen mijn generatiegenoot uit:
‘Mijn oogarts in Eindhoven heeft me doorverwezen naar
hem. Ik ben niet degene die om een consult bij de professor gevraagd heeft. Ik
weet niet eens wie die beste man is en wat hij al dan niet kan. Ik ben hier
niet uit vrije wil.’
Met plaatsvervangende schaamte wendde mijn
generatiegenoot zijn blik af. Dat decorum kon ik dan nog wel invullen met mijn
voorstellingsvermogen door de medicatiemist en de vervormingen in mijn blote, ernstig bijziende ogen heen.
Hoofdstuk 10.
Thuis raakte mijn middelste broer overstuur van mijn verslag van de domper in het UMC en
trok daarmee alle aandacht van mijn moeder naar zich toe.
‘Waarom is hij van slag over iets dat mij is overkomen?’,
vroeg ik nog naar de bekende weg.
‘Jij bent niet de enige op de wereld met slechte ogen,
jonge dame!’, antwoordde mijn moeder op haar vertrouwde, bestraffende wijze.
Alleen mijn vader wilde wel uit mijn mond horen wat
precies de diagnose van de professor in het UMC geweest was. Hij keek me
bezorgd aan. Dat was dat. Over tot de orde van de dag.
Kort na mijn tripje naar het Radboud had ik een
vervolgconsult bij mijn Eindhovense oogarts.
‘Je leert er wel mee leven’, troostte de optometrist me
tijdens het vooronderzoek.
‘Hoe dan?!’, wilde ik weleens weten van iemand die
duidelijk niet uit persoonlijke ervaring sprak.
‘De hersenen passen zich aan en op een gegeven
moment zie je de vervormingen niet
meer’.
Hij had gelijk. Na een aantal maanden zag ik de
vervormingen in mijn rechter oog alleen nog maar als ik erop lette. Langzaam
maar zeker raakte ik dagelijks hoe langer hoe minder tijd kwijt met dubben over
de toekomst van mijn devaluerende ogen en verminderde zicht. Het leven in het
hier en nu begon zich weer op te dringen. Mijn studie hervatte ik zonder ooit
gebruik te hebben gemaakt van mijn medische indicatie. Kinderen krijgen was
geen angstdroom meer, maar werd als voorheen verre toekomstmuziek. Met frisse tegenzin
begon ik opnieuw aan rijlessen.
‘Welkom terug bij de rijschool voor blinden- en
slechtzienden’, grijnsde mijn rijinstructeur alias Ad van de Wildenberg oftewel
‘de ouwe’, zoals zijn zoon hem noemde als hij weleens voor zijn vader inviel.
Toen ik open kaart probeerde te spelen over mijn ernstige
bijziendheid , kapte de ouwe me af:
‘Ach, scheid toch uit; jij kunt gewoon autorijden!’
Een rijinstructeur met een knipoog, een hele hoop slappe
humor en een voorliefde voor keiharde smartlappen op de autoradio tijdens de
rijlessen, die me uiteindelijk wel aan een rijbewijs heeft geholpen. Daarmee leverde
hij meteen een mega bijdrage aan mijn groeiende vertrouwen dat met vervormingen
in een oog inderdaad best te leren leven viel. Precies zoals de optometrist
voorspeld had. Geen wonder dat hij mij tot ver in mijn twintigste als een
onhandelbaar kind behandelde. Nooit was ik bereid om zonder meer wat van hem
aan te nemen. Ik stelde me inderdaad nogal puberaal op in zijn nabijheid. Het
feit dat de optometrist het prototype van een mansplainer was pleitte mij op
mijn beurt wel weer enigszins vrij. Zo hieven hij en ik elkaar op.
Mijn Eindhovense oogarts probeerde zich op de vlakte te
houden over mijn uitgesproken afknapper bij de professor van het Radboud, maar ze
kon niet voor mij verbergen dat ze zich bezwaard voelde. Met zijn betoonde
desinteresse in mijn ernstig bijziende ogen met bloedingen annex vervormingen had
de prof. niet alleen mij maar ook de hulpvraag van een collega-oogarts niet
serieus genomen. Daarmee was de volledige eindverantwoordelijkheid voor de afhandeling van mijn patiëntendossier op de
schouders van mijn Eindhovense oogarts terecht gekomen. Daar zou ik in haar
gezondheidsstappers ook zenuwachtig van geworden
zijn. Ze begon de controles van mijn
ogen dan ook geleidelijk over te dragen aan andere oculisten in het oogcentrum.
Indien de gelegenheid zich voordeed uiteraard en nooit met opgave van een
reden. Wel drukte ze me met klem op het hart dat ik vooral nooit in paniek
mocht raken bij vreemde gewaarwordingen. Voor haar doen was ze tamelijk
stellig.
‘Als er wat is dan bel je. Je krijgt voortaan voorrang en
kunt hier dag en nacht bij elke oogarts terecht. Iedereen weet van jouw
situatie. Dus je hoeft niet eens speciaal naar mij te vragen!’.
Haar aanbod stelde me volledig op mijn ongemak. Waarom
werd aan mij dit privilege verleend en bijvoorbeeld niet aan mijn moeder en
broers? Stonden er dan nog zoveel bloedvaatjes in mijn ogen op korte termijn op
knappen? Kon mijn oogarts de spanning zelf misschien niet aan? Warhoofdig werd
ik ervan. Zoals op een zonnige, vrije zomerdag in mijn studententijd, waarop ik
tegen het middaguur wakker werd met wederom verse, flikkerende sterretjes in
mijn rechter oog. Niet meer op de achtergrond, nee de flitsende glinstertjes waren
terug heel prominent aanwezig in mijn gezichtsveld. Routinematig deed ik mijn
contactlenzen in en tuurde verdwaasd in de spiegel boven mijn wasbak om mijn
gezicht versierd te zien met een doorzichtige, schitterende, zilverkleurige cirkelrand
in beeld. Als ik het euvel afdekte met mijn vlakke hand, dan was mijn linker
gezichtsveld normaal. Jammer genoeg geen rondvormige barst in de spiegel dus. Zoals
beloofd kon ik na een noodoproep meteen terecht bij mijn Eindhovense oogarts. De
optometrist mocht ik overslaan.
‘Je hebt oogmigraine met aura!’, bitste mijn Eindhovense
oogarts berispend, nadat ze uitgemeten en uitgekeken was.
‘Sorry’, prevelde ik automatisch.
Al snapte ik niet zo goed waarom ik mijn
verontschuldigingen zou moeten aanbieden. Dit was mijn allereerste oogmigraine
met aura. Ik wist niet eens dat zoiets bestond. Was ik nou paranormaal begaafd?
Trok die oogmigraine met aura vanzelf weg?
‘Dus ik ben voor niks op consult gekomen?’, vroeg ik daarom
maar voor de zekerheid.
Het zwijgen van de oogarts dat volgde op mijn vraag, nam
ik maar op als een bevestiging en als een teken om op te stappen. Wat kocht ik
nou voor haar zoethoudertjes? Fijn, dat ik te allen tijde een beroep kon doen
op de oogartsen van de oogartsenpost. In noodgevallen. Wat was daar eigenlijk zo
vermeldingswaardig aan geweest? Feitelijk kon de hele goegemeente bij
oogspoedjes een beroep doen op een oculist van de oogartsenpost. Ik had niet
eens het voorrecht op domme vragen, want die bestonden niet. Zelfs geen domme
vragen over oogmigraine. Met aura. Domme patiënten bestonden wel. Vandaar dat
de oogarts mij na een korte inspectieronde woordeloos liet gaan natuurlijk.
Onder meer naar de andere oculisten van het oogcentrum.
Bij de oogarts van mijn moeder of van één van mijn broers. Ik voelde me
ontheemd. Mijn eigen oogarts zei al nooit veel, maar uit deze oculisten kwam
helemaal geen geluid. In sacrale stilte werden mijn ogen bestudeerd en als de
oogarts in kwestie zich afwendde met zijn meetapparatuur dan begreep ik dat het
tijd was om op te stappen. Thuis kon ik geen kwaad woord kwijt over de
oogartsen van mijn moeder of broers. Vakmanschap is meesterschap en daar had ik
geen verstand van. Mondje dicht dus. Ik kon niet anders. Uit geldingsdrang
begon ik bijna te verlangen naar het standaard gekissebis vooraf met de
optometrist tijdens de jaarlijkse controles. Gevalletje Stockholm syndroom.
Hoofdstuk 11.
Het tij keerde toen Hans – oftewel de liefde van mijn
leven - zich met mijn ernstige myopie begon te bemoeien. Op een volstrekt
andere manier trouwens dan de jongere broer van Hans. Deze broer was toen al
bijna eerste stuurman bij de marine. Ik kende hem van de middelbare school toen
je nog met hem kon keten. Die lach ging er wel vanaf toen de rangen in
plakplaatjes op borsthoogte van zijn bedrijfskleding toenamen. Ergens in de
beginjaren van mijn stevige verkering deelde hij mij met een stalen gezicht mee
dat ik beter niet verder met Hans in zee kon gaan. Aye aye kapitein.
‘Jij hebt toch een erfelijke afwijking aan je ogen? Stel
dat Hans kinderen van je wil? Dat wil je toch niet in de familie hebben? Bezint
eer ge begint.’
Na deze mededeling stond ik paf als in verbijsterd over
zoveel ondoordachte revelaties uit de mond van iemand die ik in de toekomst
liever ook niet als zwager zou hebben. Alsof ik mijn ernstige bijziendheid
trouwens ooit met hem besproken had. Ik had echter ook geen geheim van mijn
slechte ogen gemaakt. Was liefde maar niet alleen blind, maar ook doof. Kon ik
mijn eigen oren überhaupt geloven? Was mijn zwager in spé wel helemaal goed bij
zijn verstand?
‘Nee, dat is hij duidelijk niet’, lachte Hans mijn
frustraties weg.
Niet lang daarna woonden Hans en ik samen. Alles was
nieuw. Mogelijk dat ik daarom niet goed oplette toen ik voor de kledingkast in
de slaapkamer kleding stond uit te zoeken. Ik maakte een zwieper met een kleerhanger
en raakte mijn open oog met het haakje. Sterker nog; ik raakte mijn toch al
zwakkere rechter oog met het kleerhangerhaakje. Meteen daarna had ik rechts wazig
beeld. Mijn rechter kunstkijker was ik dus kwijt. Waarschijnlijk was de lens tijdens
de klap met het kleerhangerhaakje uit mijn oog geschoten. Ik moest een poosje op
de bedrand bijkomen met dichtgeknepen ogen. Mijn rechter oog traande, prikte en
vlamde. Door met contactlenzen inzetvloeistof uit een flacon in mijn rechter oog
te spuiten probeerde ik de boel een beetje te koelen en verzachten. Dat hielp
wel iets. Op handen en knieën lukte het me bovendien om mijn contactlens terug
te vinden tegen de plint onderlangs de slaapkamerwand. Terug inzetten ging
ineens niet meer. Niet zo vreemd, want ik bespeurde in het tegenlicht voor het slaapkamerraam een
beschadiging met kartelrandjes in het centrum van de harde contactlens. Zonder
visueel hulpmiddel kon ik namelijk met mijn blote ernstig ‘bijziende’ rechter oog
van dichtbij microscopisch nauwkeurig zien. Een goede nachtrust bleek een
afdoende medicijn tegen de naweeën van de kleerhangerklap in mijn biologische
rechter oog. Nu nog een nieuwe kunstkijker.
De wachttijd voor vervangende, harde contactlenzen was van twee weken in negentienzevenenzeventig
verminderd tot zeven dagen in negentienzesennegentig.
Na een week functioneren met maar één oog, wist ik niet hoe snel ik mijn tweede,
nieuwbakken kunstkijker moest ophalen bij de optometrist. Met maar één functionerend
oog kun je geen diepte inschatten. Mettertijd went een metaforisch ooglapje ook
wel weer, maar niet na zeven dagen. In dat tijdsbestek blijft de geschonken koffie
of thee gegarandeerd tot over de rand van de mok gutsen. Alle overige
dagelijkse handelingen komen eveneens in een onhandig, tweedimensionaal perspectief te staan. Hoe
sneller ik mijn wereld dus weer in drie dimensies kon beleven, hoe beter.
Mijn euforie was echter van korte duur. Met geen
mogelijkheid kon ik de nieuwe, harde contactlens langer dan vijftien minuten in
mijn rechter oog houden. Daarbij was dat kwartier eveneens geen doen. Al bij
het inzetten van de hagel nieuwe contactlens begon de irritatie te stijgen. Een
gevoel alsof mijn hoornvlies door een onzichtbare dunschiller bestookt werd. De
sensatie hakte onvergetelijk diep in mijn pijngeheugen. Het rechter oog klapte
dicht en vulde zich met traanwater dat leek te koken in de lava van een vulkaanuitbarsting.
Met de grootst mogelijke moeite kreeg ik mijn ooglid omhoog om met veel
gesnotter de gloednieuwe, harde contactlens uit mijn tranenvuurzee te peuteren. Volgens Hans viel
er niets bijzonders te bespeuren aan de nieuwkomer. Geen krasje, sneetje of
ander oneffenheidje achter zijn vergrootglas. Misschien had de optometrist een
foutje gemaakt bij zijn bestelling?
Nou maakte mijn vaste optometrist uit die jaren geen
fouten en zo ja dan gaf hij ze niet toe. Hij stond erop dat ik eerst op consult
kwam, zodat hij mijn rechter oog kon bekijken, waaraan hij niets bijzonders
zag. Niet zo gek, want de gruwelijke pijn was wederom al na een nacht
doorslapen compleet opgelost.
‘Een eigenschap van lichamelijke pijn is dat je na
verloop van tijd de intensiteit vergeet’, merkte Hans later op.
Dat is maar gedeeltelijk waar. Lichamelijke pijn heeft
wel degelijk een geheugen, dat zich nestelt in je lijf en dat zich fysiek
openbaart zodra de eerste prikkels zich terug aandienen. Maar dat wist ik toen
nog niet. Toen schaamde ik me een beetje, omdat ik wellicht overdreef. Niet dat
ik daarom bereid was om ten overstaan van de optometrist de nieuwbakken harde contactlens
ter illustratie nog een keer in mijn rechter oog te plaatsen.
‘Kan ik niet gewoon overstappen op zachte contactlenzen?’,
stelde ik na een eurekamomentje aan mijn optometrist voor.
Zachte contactlenzen waren halverwege de jaren negentig
al lang niet meer zo exclusief als zo’n negentien jaar daarvoor. Als prépuber had ik toen de beperkte keuze gehad
tussen of een jampotglazenbril of harde contactlenzen. Nu ik volwassen heette
te zijn, droegen sommige mensen uit mijn kennissen- en vriendenkring
probleemloos zachte contactlenzen. Nooit een vuiltje aan de lucht. Dat leek me
wel wat, want inmiddels had ik, naarmate de jaren van harde contactlenzendracht
verstreken waren, leren functioneren met toenemende irritatie van de ogen.
Zelfs tot op het punt waarop ik mijn harde contactlenzen om en nabij het uur
met veel vloeistof moest reinigen en opnieuw inzetten om ze nog langer in mijn
ogen te kunnen verdragen. Soms lukte zo’n opfrissertje niet tijdig.
Bijvoorbeeld tijdens mondelinge tentamens, voordrachten, of sollicitatiegesprekken. Kortom gedurende bezigheden die langer dan zestig minuten in
beslag namen en ook niet zomaar onderbroken konden worden. Op zulke ongelukkige
momenten ondervond ik aan der lijve hoe de contactlenzen in mijn ogen uitdroogden.
Ze verwerden tot stugge vellen schuurpapier op mijn hoornvlies. Daarna was het
een kwestie van een paar keer onwillekeurig knipperen om mijn harde contactlenzen
gegarandeerd beurtelings uit mijn ogen te wissen. Met mijn hoge bijziendheid
kon ik ze figuurlijk en bijna letterlijk uit mijn zicht zien verdwijnen. Of ze
schoven van de iris af naar het wit in één of andere hoek van een oogbol,
alwaar ze zich vacuüm zogen en je ze bijna niet meer te pakken kreeg. Heel precair
als je toevallig net over een druk kruispunt reed. Eigenlijk was het een
aflopende zaak met die harde contactlenzen, maar de ontwenning ging dermate
geleidelijk, dat het groeiende ongemak nauwelijks opviel in de waan van de dag.
Tot aan de helse hel die de nieuwste harde contactlens in mijn rechter oog had
aangericht. Had de optometrist misschien nog ergens wat reserve opties voor mij
in petto? Nee, dat niet, maar desondanks deelde hij mijn enthousiasme voor
zachte contactlenzen niet. Goh. Zou dat toevallig ook iets met zijn behouden
instelling te maken kunnen hebben? Hoe kwam ik daar nou bij? Als er iemand een
progressief, probleemoplossend vermogen had dan was het mijn toenmalige
optometrist wel. Over het algemeen was er niets mis met zachte contactlenzen,
maar door mijn hoge myopie waren ze niet geschikt voor mij.
‘Hoezo dan?’, wilde ik uiteraard weten.
‘Zachte contactlenzen
zijn in jouw geval te kostbaar,’ antwoordde de optometrist na een korte
denkpauze.
Nogmaals; hoezo dan? Wat wist de optometrist van mijn
bestedingsruimte? Had ik even mazzel dat de optometrist, naar eigen zeggen, de
beroerdste niet was. Ondanks dat noch de optometrist, noch de
contactlenzenfabrikant iets te verwijten viel, zou mijn kunstkijker kosteloos
vervangen worden. Service van de oogartsenpost. De garantie die nog lang niet
verlopen was, zou ook wel meegespeeld hebben bij de tegemoetkoming, maar laat
ik niet afdwalen naar cynisme.
De contactlens van de waarborg - die na weer twee weken wachten arriveerde –
liep wederom in geen tijd uit op een
pijneruptie. Hierna wapperden alle rode vlaggen mijn kant op. Na de grondige
contactlensinspectie van mijn onberispelijke optometrist kon dat niet anders. Ik
ging aan mezelf twijfelen en bleef daarom aanvankelijk stug proberen om de
harde lens zo lang mogelijk in mijn oog te houden. Langzaam maar gestaag werd de contactlens in vijftien
minuten dusdanig afgestoten door mijn lichaam dat ik bijna flauw dreigde te
vallen van die inmiddels overbekende korte, maar o zo heftige, snerpende oogpijn,
die mijn kaken keer op keer deed verstijven, mijn oren liet suizen en die mij acuut,
zij het tijdelijk, naar mijn snelle dood deed verlangen. Waar was ik mee bezig?
Wat deed ik mezelf aan? Ik belde mijn oogarts en kon de dag erop bij haar en de
optometrist op controle komen. Dus ik was niet op dezelfde dag van de
oogexplosie welkom. Toch nam ik daar in het begin genoegen mee, want zodra de
angel uit het rechter oog verwijderd was, werd de pijn eveneens een stuk minder.
Van een wegtrekkertje van uitputting op de bank na zo’n martelgang, wilde ik
ook nogal eens opknappen. Tenminste als de gelegenheid tot bankhangen zich
voordeed. Een goede nachtrust deed de rest. De dag daarop kon ik dan nog steeds
met maar één oog tegemoet zien. Desondanks was ik blij, want pijnvrij.
Noch de optometrist noch de oogarts konden de oorzaak van
mijn oogexplosie van de dag ervoor detecteren. Tenminste dat nam ik aan, want ik
kreeg, zoals verwacht, van beiden geen reactie op mijn vraag naar de uitkomst
van het consult. Wel werd ik voor mijn gevoel veroordeeld.
‘Contactlens twee weken uitlaten!’, verordende de oogarts.
Dat was haar remedie. Alsof het niks was. Ik kon niets
zeggen door de ingeslikte teleurstelling als een brok in mijn keel. Ik zag de
wereld alweer voor me met maar één functionerend oog. Of moest ik dan toch maar
zolang een bril opzetten? Welke bril? De laatste keer dat bij mij een bril was
afgemeten was op mijn elfde jaar. Van de optometrist had ik begrepen dat mijn
dioptrie sindsdien jaarlijks consequent gestegen was. Vandaar dat ik gestopt
was met fantaseren over een reserve bril voor noodgevallen. Temeer daar ik met
mijn hoge myopie eerst een gewenning van contactlenzendracht naar een bril zou
moeten overbruggen. Een monsterbril die bovendien niet optisch verantwoord was
met mijn sterkte in vergelijking met de alternatieven, aldus de optometrist. En
als de optometrist het zei dan wist de oogarts het beter. Moest ik haar dan
wijzer maken dan ze was? Ze moet toch een vermoeden hebben gehad van de visuele
beperking die dat ene oog en de daaruit voortvloeiende, platte wereld voor me opleverde? Waarom had mijn oogarts nooit de motivatie om
verder dan binnen de lijntjes van de gemiddelde myoop over mijn bijziende ogen na
te denken? Vond ze soms dat zachte heelmeesters in mijn geval maar stinkende
wonden zouden maken? Wat kon mij het eigenlijk schelen wat zij vond? Waarom
kwam ze mij nou nooit eens tegemoet? Als ik iets van haar geleerd heb, dan is
het wel dat wie zichzelf spaart nooit rente krijgt in de vorm van bijvoorbeeld
mijn loyaliteit. Voorlopig voelde ik me echter vooral machteloos.
‘Wat zijn nou twee weken op een mensenleven’, troostte ik
mezelf dus maar in gedachte.
Hoofdstuk 12.
Als ik toen geweten had hoeveel langer dan twee weken de
situatie voor mij nog uitzichtloos zou
blijven, dan had ik destijds geëist dat er op stel en sprong een noodbril bij
mij zou worden afgemeten.
Want na twee weken van zichtonthouding, ging het alweer
jammerlijk mis met een harde contactlens in mijn rechter oog. De pijn liep
binnen een kwartier wederom op van mild naar tomeloos heftig. Opnieuw belde ik
naar de oogartsenpost en nogmaals kon ik de dag na de foltering bij mijn
optometrist en oogarts terecht. Voor de tweede keer kreeg ik het advies om mijn
harde contactlens twee weken niet te dragen. Dit grapje herhaalde zich daarna
nog drie keer. Aan het einde van het liedje functioneerde ik in totaal ruim drie
maanden achtereen maar zozo met één oog. Er was al een soortement van berusting
opgetreden. Behalve in het vooruitzicht op een belangrijke afspraak voor een
contract bij een uitgever, waarvoor ik toch echt twee ogen nodig meende te
hebben. Nadat ik er met kunst- en vliegwerk in geslaagd was om de laatste
loodjes van mijn debuutroman te wegen met maar één oog, was ik wel klaar met
dat literaire gestuntel. Veelzeggend was de lovende recensie die later over
mijn debuut in het Eindhovens Dagblad verscheen. Het enige kritiekpuntje was
dat de eerste auteur die foutloos schrijft nog geboren zou moeten worden, maar dat
ik - zei de gek - toch wel voor eeuwig en altijd de kroon zou blijven spannen
in het rijk der spellingsbrekers. In de eerste druk van mijn debuutroman schijn
ik het zelfs klaar gespeeld te hebben om een paar dt fouten te maken. Hoe diep
kan een zichzelf respecterend auteur zinken? Zulks stond voor iedereen te lezen in de
krant. Een smet op mijn blazoen van afgestudeerd taal- en
literatuurwetenschapper. Door de grond ben ik gegaan. Tot diep onderin de put.
Leg de reden van de spellingsfouten maar eens uit aan iemand die niet ernstig
bijziend is en die niet de drang voelt om foutloos creatief te schrijven met maar één functionerend oog. Zeker
in een tijdperk waarin de toepassing van de online spellingscontrole nog geen
vanzelfsprekendheid was. Daar komt bij dat niemand zo blind is voor eigen
gemaakte spellingsfouten als de auteur zelf. Zelfs onder normale
omstandigheden. Hier zou je de hulp van een redactrice van een literaire uitgeverij
verwachten. Vreemde ogen dwingen tot inzicht. Ben je gek. Mijn redactrice uit
die jaren liet het merendeel van de spellingsfouten net zo makkelijk staan,
terwijl ze mijn typoscript, als ik haar moest geloven, wel tien keer had
doorspit. Daar hoorde je niemand over. Zij stond niet met naam en toenaam voor
iedereen te kakken in de regionale krant.
Maar goed, mijn toenmalige redactrice was dan ook niet
ernstig bijziend. In elk geval niet in de tweede helft van de jaren negentig. Dat weet ik honderd procent
zeker. Anders zou ze mijn beknopte ontboezeming over mijn hoge myopie wel
gezien hebben voor wat het was. Namelijk een verkapt excuus voor de belabberde
spelling van mijn schrijfsels en geen ziek verzinsel van een geflipte,
egocentrische debutante met een aandachtprobleempje. Het ongeloof van de
redactrice was bijna tastbaar. Minachtend beaamde ze dat de hoeveelheid spellingsfouten
in mijn typoscript inderdaad opzienbarend was voor een vermeend literair auteur.
Ze waren zelfs op het secretariaat van de uitgeverij het gesprek van het seizoen.
Ik kon mezelf wel voor m’n kop slaan voor mijn naïeve openhartigheid. Door haar
sceptische houding leek mijn ernstige bijziendheid wel een zwaktebod.
‘O jeetje, ik zou me zo kwetsbaar voelen’, hoonde ze.
‘Ja, maar dit gaat niet over jou’, probeerde ik mijn
weerloosheid met een lolletje af te kappen.
De redactrice kon er niet mee lachen. Erger nog; ze rook
bloed. Nodeloos te vermelden dat zij en ik geen besties waren. Mijn misplaatse
grap maakte dan ook voor de redactrice
de weg vrij om mijn slechte ogen zo vaak mogelijk in de redactiebesprekingen tussen
haar en mij te benadrukken met quasi betrokken opmerkingen, zoals:
‘Jeetje, als het schrijven nog maar lukt met dat ene
oog.’
of:
‘Dat moet toch praktisch onmogelijk zijn om alleen naar Amsterdam te komen met die ogen
van jou,’
of:
‘Je moet wel voorzichtig schrijven; wees zuinig op je
ogen.’
En tijdens een woordenwisseling riep ze zomaar, compleet
contekstloos, uit:
‘En ik heb laatst nog wel zo lang met je aan de telefoon
gezeten over je ogen en zo.’
Was die redactrice maar zo obsessief met de correctie van
de spellingsfouten in het typoscript van mijn debuutroman bezig geweest. Dat
had mij een jammerlijke afgang in de regionale krant bespaard. Mijn moeder
heeft de eerste druk van mijn debuut uiteindelijk opgeschoond onder het motto:
‘Fouten maken verleer je nooit’.
Veel spellingsfouten waren trouwens volgens mijn moeder
eigenlijk typefouten. Het kan dus wel. De feiten onder ogen zien. Zelfs met
ernstige, erfelijke bijziendheid, waar mijn moeder tenminste wel over kon
meepraten.
Hoofdstuk 13.
Met het oog op de geplande contractbespreking bij de
uitgever waagde ik met de moed der wanhoop een zoveelste poging tot het
plaatsen van de contactlens in mijn rechter oog. Deze keer moest en zou mijn
kunstkijker op z’n minst een paar uur -
met opfrispauzes – blijven zitten. Ik wilde op en top voorbereid op de
uitgeverij verschijnen en goed zien wat ik er zich om mij heen afspeelde. Tegelijkertijd
hoopte ik met twee ogen te voorkomen dat ik weer in de verkeerde trein richting
andere kant van Nederland zou eindigen, zoals me eerder gebeurde vanwege dat denkbeeldige
ooglapje. Toch doemde het visioen van het land van éénoog al snel terug aan de horizon, want direct na
het plaatsen van de rechter harde contactlens kwam de pijn in de verte weer
opzetten. Koppig bleef ik langer dan ooit tevoren stand houden. Totdat mijn rechter
oogleden zich aan elkaar vast zogen en potzicht aaneen gehecht bleven. Ik kreeg
mijn rechter oog niet meer open! De paniekvlagen en pijnscheuten schoten door
mijn lijf. Ze overschreeuwden elkaar en ik kon mezelf niet meer horen denken.
Strompelend kwam ik in de badkamer terecht. Ik moest rustig blijven. Er zat een
contactlens opgesloten achter de samengeknepen leden van mijn explosieve rechter
oog. Die kunstkijker moest eruit voordat de boel ging ontploffen. Een
vervelende bijkomstigheid was wel dat ik nauwelijks zag wat ik aan het doen
was. Synchroon met hun getergde partner lieten de leden van het linker oog zich
eveneens dichtvallen. Tussentijds woedde achter mijn geloken rechter oog een
storm op een verhitte tranenzee. Om de harde contactlens te pakken te krijgen
moest ik mijn rechter boven ooglid zien te lichten. Daartoe kon ik niets anders
verzinnen dan om zo’n mini bakje met Optrex oogspoeling tegen de stijf dichtgeknepen,
kolvende, rechter tranenballon te houden. Ik vond de fles Optrex blindelings op
het planchet van de wastafel en rook dat het geen micellair water of een ander synthetisch
middel was dat mijn oog zou bijten en verslinden. Afgaande op mijn tastzin had
het spoelbakje ondersteboven op de dop van de fles Optrex gezeten en stond het
na wat gehannes nu op het planchet. Tijdens het schenken verdween de halve inhoud
van de fles kostbare Optrex gorgelend in het afvoerputje van de wasbak, maar ik
voelde met mijn wijsvinger in het nat van het spoelbakje dat er ook een paar
milliliter goed terecht was gekomen. Daarna drukte ik het gevulde spoelbakje zo
stevig mogelijk tegen mijn oogkas. Mijn geloken rechter oogleden verzachtten en
weekten tot een spleetje door het vocht. De Optrex vermengde zich met de hete
tranen uit de smalle opening in mijn rechter oog. Snel liet ik alles uit mijn handen vallen. Met
behulp van de linker duim en wijsvinger trok ik mijn oogleden zo ver mogelijk
van elkaar. Met de wijsvinger van de andere hand lukte het me zo om de
boosdoener uit mijn rigide rechter oog te wippen. Samen met een waterval van een
mengsel van tranen en Optrex. Hebbes.
Intussen belde Hans met de oogartsenpost en eiste een acuut
spoedconsult. Nog op dezelfde dag. Dus niet morgen en ook niet gisteren, maar
vandaag. Toch ging dat niet gebeuren als het aan de assistente van de oogarts
lag.
‘Ik heb toch altijd voorrang!’, riep ik nasaal vanaf de ligbank,
terwijl ik met mijn ogen dicht en hoofd achterover in mijn nek tevergeefs
trachtte om de pijn te verbijten.
Met oogleden zo zwaar als lood onderging ik een
pijnfestijn dat het daglicht niet meer kon verdragen. Uit mijn rechter
ooghoek rolden kokend, hete tranen. De
martelgang had de schijn van een zandmannetje dat om de twee tellen een
zweepslag in mijn rechter oog uitdeelde.
‘Ik bel de huisarts wel’, probeerde Hans mij gerust te
stellen.
Hans had alle vertrouwen in zijn huisarts die hij al van kindsbeen
af aan consulteerde. Ik was de nieuwkomer in de huisartsenpraktijk na mijn
verhuizing en stond op dat moment precies een week ingeschreven. De huisarts
van Hans had ik nog nooit ontmoet op het betreffende crisismoment. Ook stond er
geen kennismaking op de planning. Dat zou de huisarts achteraf gezien niet
alleen op prijs gesteld hebben, maar dat had hij eigenlijk niks meer dan usance
gevonden. Hij straalde zijn ongenoegen naderhand op mij uit, maar aankaarten
was niet aan hem. Wel regelde hij dat Hans en ik alsnog op dezelfde dag bij
mijn oogarts terecht konden. De optometrist stond mij al op te wachten. Zonder
mij te zien, richtte hij zijn energie direct volledig op het negeren van Hans.
Alsof hij nog nooit een vreemde had ontmoet.
‘Ik wil mevrouw alleen ontvangen’, verkondigde hij uit de
hoogte.
Daar het flauwvallen me nader stond dan het protesteren,
wankelde ik alvast de bekende richting van het meethokje uit, dat sowieso niet
meer dan twee personen verdroeg. Hans bleef verbouwereerd over zoveel platheid in
de wachtkamer staan. Hij had geen weerstand op kunnen bouwen zoals ik, in de
loop van bijna twee decennia, tegen de gebruikelijke miscommunicatie die
regeerde op de oogartsenpost. Wat kun je ook verwachten van een dertigplusser die
nog nooit in zijn leven met oogartsen in contact is geweest? Wist hij veel wie
de optometrist was.
‘Ik dacht dat jouw oogarts een vrouw was!’, riep Hans me
nog confuus na.
Hoofdstuk 14.
De optometrist zag me pas toen ik netjes op mijn gekende
stoel in het meethokje zat. Ik depte mijn tranende, geloken ogen met een mouw
van mijn blouse; beet hard op mijn tong in een irrationele poging om mezelf te
verdoven of om mezelf van de oogpijn af te leiden en haalde mijn neus op. Ik
voelde de ontzetting van de optometrist tegenover me als een energetische
bruisbal op me afkomen. Hij hield afstand; dumpte een doos Kleenex in mijn schoot; en verdween
zonder woorden. Vermoedelijk om mij zo snel mogelijk naar mijn oogarts door te
sluizen. Daar bleef ik dan alleen achter in de benauwenis van dat meethok; keurig
in de houding gedrukt in de medische stoel; met een aanhoudende zandlawine in
mijn rechter oog; en dacht:
‘Als ik zo meteen van dit meethok naar het hok van de oogarts
moet lopen…Die paar meter...Dat red ik niet.’
Meteen daarna verscheen mijn oogarts in het meethok. Zou
ze gedachten hebben kunnen lezen? Dat ze daarom altijd zo weinig woorden
gebruikte? Ik herkende haar bijna niet buiten de vertrouwde habitat van haar
eigen hok door het spleetje van mijn gezonde linker oog. Maar de sprakeloosheid
waarmee ze zich aan mijn rechter ooglid waagde, beloofde niet nog meer buitensporigheden
harerzijds. Haar koele, latex hand rustte op mijn jukbeen en contrasteerde met
de hitte die mijn rechter oog
uitstraalde. Met één of ander wattenstaafje lukte het haar om mijn rechter oogleden
net ver genoeg uiteen te krijgen om een oogdruppel met verdoving in de pijnbron
achter te laten. De vulkaan ging meteen liggen. Acuut was ik pijnvrij. Ik
herademde zonder te begrijpen en probeerde om de handelingen van de oogarts
voor me te observeren. In plaats daarvan zag ik een soort spatel op mijn rechter
oog afkomen. Daarna begon het schrapen. Pijnloos, maar hoorbaar. Net als de gelijkmatige,
snelle ademhaling van mijn oogarts achter een mondkapje, terwijl ze kalm de hele
oppervlakte van mijn oog schoon raspte. Met mijn linker oog zag ik een schaduwbeeld
van onder naar boven en van links naar rechts gaan met een efficiëntie die ik
nooit achter mijn oogarts gezocht zou hebben. Ze nam uitgebreid de tijd om zich
aan haar taak te kwijten. Ik had geen idee wat ze aan het doen was. Pas nadat
ze de spatel had weggelegd, schoof ze het mondkapje onder haar kin en nam het
woord:
‘Ik heb het bovenste laagje van je hoornvlies
afgeschraapt. Het hing helemaal aan flarden. Zo meteen komt de optometrist en
die zal het oog verbinden.’
Dit gezegd hebbende maakte ze direct aanstalten om het
meethok te verlaten. Die houding, alsmede het verwijtende toontje waarop ik
haar woorden had ontvangen, maakten een hoop nodeloze ontreddering in me
wakker.
‘Wat moet ik nou doen?’, wanhoopte ik.
‘Je moet niet in paniek raken en naar beneden blijven
kijken. Zeker als straks de verdoving is uitgewerkt’, antwoordde de oogarts lekker
geruststellend ook.
Wat kon dat mens toch op mijn zenuwen werken met haar
heksendansjes om de hete brij heen constant.
‘Nou moet ik zeker weer twee weken geen contactlens in
mijn rechter oog dragen!’, riep ik onnodig hard, terwijl ik me los rukte uit de medische stoel.
‘Je kunt zo niet weg! Straks loop je een infectie op! Er
moet verband op je oog!’, schreeuwde de oogarts nu ook.
Ik werd er stil van en liet me aan m’n schouder terug in
de medische stoel duwen door de optometrist. Hij was ineens terug van
weggeweest in mijn beperkte blikveld. Vermoedelijk om mijn gevijlde oog te komen
verbinden, terwijl de oogarts zich uit de voeten maakte. Hierna zou ik haar
nooit meer terug zien. Later op die gedenkwaardige dag schijnt ze in een confrontatie
met Hans nog gezegd te hebben:
‘Waar bemoeit u zich mee meneer? Ik heb altijd een hele
goede band met Katinka gehad!’
Was dit een klucht? Voor de zekerheid vroeg ik aan Hans
of hij de laatste woorden van mijn oogarts wilde herhalen. Vervolgens schoot ik
in een schaterlach. De tranen van het lachen liepen vanachter mijn oogverband over
mijn wangen. Of het waren ellendetranen, want na een korte periode van zalige
verdoving draaide mijn oogagonie terug op volle toeren. Hoe dan ook was ik
geraakt door mijn oogarts. Bijna twintig jaar was ze mijn oogarts geweest. Had
ze even zo lang heimelijk mijn voornaam geweten? Andersom wist ik niets van
haar of van ons. Zo heb ik me eveneens gewoon nooit gerealiseerd dat zij en ik al
die jaren zo’n goede band hadden met elkaar. Over miscommunicatie gesproken.
Hoofdstuk 15.
Dat was de kern van het probleem. Hans en ik werden in
complete ignorantie over de conditie van mijn ernstig bijziende, gehavende rechter
oog door de oogarts en de optometrist de straat op gestuurd. Weliswaar met een enorm
hoofdverband, maar dat maakte de situatie ook niet overzichtelijker. Als ik
Hans moest geloven dan had het windsel
om mijn coiffure sowieso nog het meest weg
van een onflatteuze haarband als houvast voor een oogkapje dat de optometrist provisorisch
met tape ter hoogte van mijn rechter wenkbrauw had bevestigd. Alleen dat
oogkapje was cruciaal tegen infecties in mijn bewerkte rechter oog. De rest was
opsmuk. Ziezo. Over de vraag over hoe wij nu verder moesten zouden Hans en ik
pas uitsluitsel krijgen als de rust was wedergekeerd.
‘Over twee weken zeker!’, protesteerde ik voor een tweede
keer, maar met afnemend bravoure vanwege de toenemende pijn.
In de auto op de parkeerplaats bij de oogartsenpost kon Hans
niets anders bedenken dan om de huisarts een tweede keer die dag te
beraadslagen. Het liep tegen de middag van een verzengende zomerdag. Het felle
zonlicht viel mijn gezonde linker oog aan. Naast me zat Hans zich achter het
stuur van de stilstaande auto te bezinnen over zijn vervolgstrategie. De motor
liet hij stationair draaien ten behoeve van de airco. De schrale wind blies
door de gaatjes van het zuurstof doorlatende, plastic kapje voor mijn getergde rechter
oog heen. Een gewaarwording alsof de pijnbron ook nog eens gezandstraald werd.
De bijrijder stoel had ik in de ligstand gezet. Kon ik maar flauwvallen als het
mij uitkwam.
‘Nou, dan ga ik maar op zoek naar een telefooncel’, aarzelde
Hans.
‘Je hebt toch een mobiel van de zaak?’
Een geweldige uitvinding vond ik de mobiele telefoon in
de tweede helft van de jaren negentig.
‘Ja, maar ik heb geen bereik’.
Begrijpelijk dat Hans niet stond te springen om zich
opnieuw in de arena te begeven.
‘Zet je de airco wat lager voor je weggaat?
Met mijn onderarm trachtte ik mijn gesloten, blote, linker
oog extra te beschermen tegen de zonnestralen door de autoruiten. Uit
voorzienigheid, om onbewust toch wat reserves op te bouwen, vermoed ik. Na de
schraapsessie bij de oogarts en met het wegebben van de verdoving, diende zich namelijk,
in mijn rechter oog, achter het kapje, langzaam maar zeker een nieuwkomer onder
de pijnsensaties aan. Elke oogbeweging liet hoe langer hoe meer een gevoel na
alsof er spieren knapten. Temeer daar oogbewegingen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Vergelijkbaar met knipperen. Meestal knipper je met twee ogen tegelijkertijd. Eenzelfde
soort automatisme treedt op als je naar links, rechts, boven of beneden kijkt. Zodra
ik mijn linker oogbol roerde dan bewoog mijn zieke rechter oogbol onverbiddelijk
mee en andersom. Dus naast de chronische, schrijnende steken, moest ik sinds de
uitwerking van de verdoving ook nog een soortement spierpijnscheuten in mijn rechter
oog doorstaan die in mijn fysieke pijngeheugen geen weerga kenden. De enige
manier om min of meer verlichting te krijgen was om me niet te verroeren en te
blijven liggen waar ik lag, of hangen waar ik hing en gewoon te blijven ademen
om niet te stikken. Met de ogen dicht.
Hans zei mijn naam. Zijn stem kwam van ver. Ik opende
mijn linker oog en sloot het meteen weer na paar alarmsteken. De zeurende pijn,
met uitschieters en de hinderlijke druk van het kapje op mijn rechter oog klikte mijn geheugen aan. Ik zou
wel in slaap gevallen zijn in de bijrijder stoel van de auto van Hans. Ondanks de
broeierige atmosfeer in de kleine ruimte, voelde ik de koude rillingen over
mijn rug gaan. Ik probeerde rechtop te zitten, maar Hans eiste dat ik bleef
liggen.
‘We gaan naar het Diaconessenziekenhuis’, begon hij.
‘Hoe dat zo?’
‘Mag de airco hoger?’, smeekte Hans verhit.
‘Zolang dat ding niet almaar in mijn zere oog blaast vind
ik alles best’, gaf ik bibberig toe.
Direct daarna voelde ik de wind uit de airco weer
agressief mijn rechter oog inwaaien. Maar Hans kwam meteen tot rust en tot de
kern van de commotie die ik had weten te veroorzaken, terwijl ik, me van geen
kwaad bewust, in zijn auto lag te slapen:
‘Die oogarts van jou wilde eerst niet uit haar hok
komen’.
‘Dat wil die oogarts van mij nooit. Ja, bij hoge
uitzondering. Zoals vandaag, om mij te pijnigen in het meethok van de optometrist’,
overdreef ik.
‘Nou dan had ze vandaag twee uitschieters. Ze moest
uiteindelijk wel uit haar hok komen om mij die medische gegevens van jou te
overhandigen, want de huisarts heeft een afspraak voor ons geregeld bij een
vriend van hem die deze week te gast is in het Diakonessenziekenhuis. Normaliter
is hij oogarts en professor in het UMC van Maastricht.’
‘Toe maar’, schamperde ik, vanwege de onaangename
associatie met mijn eerdere wanbezoek aan de oogarts en professor van het UMC
van Nijmegen.
Hans negeerde mijn cynisme. Hij had een
gevecht gewonnen. Een strijd om mijn medische gegevens. Die winst wilde hij
pakken ook.
‘In het begin werd ik stug genegeerd door iedereen van die
oogartsen samenzwering. Dus ik de huisarts voor de derde keer terugbellen.
Gelukkig had ik dit keer wel bereik met m’n mobiel. Anders had ik weer helemaal
naar die telefooncel aan de andere kant van de wijk moeten banjeren in dat
broeikaseffect daarbuiten. De huisarts wilde direct doorverbonden worden met de
oogarts. Wat hem betreft mocht de oogarts jouw gegevens ook naar hem faxen. Dan
zou de huisarts jouw medische gegevens wel weer naar zijn vriend de professor
en oogarts in het Diaconessenziekenhuis faxen. Maar dat was moeilijk, moeilijk,
moeilijk. Dus kwam mevrouw de oogarts uiteindelijk toch haar hok uit om mij persoonlijk
de medische gegevens van jou te overhandigen. Op voorspraak van de huisarts
uiteraard. Daar kan ze niet onderuit. Dat is ze wettelijk verplicht.’
Het verslag van Hans klonk tamelijk heftig en ik
onderdrukte een glimp van empathie voor de oogarts. Terwijl Hans en de huisarts
natuurlijk de ware strijders in dit verhaal zijn.
‘Waarom was het moeilijk, moeilijk, moeilijk om mijn
medische gegevens te faxen?’, wilde ik voor de volledigheid nog wel weten.
‘Jouw medische gegevens bestaan uit een stapel onsamenhangende
kattenbelletjes en vage situatieschetsen in de vorm van vlekkerige oogtekeningen.
Dat ziet er echt heel amateuristische uit. Zoiets fax je niet,’ grinnikte Hans
‘Hoe weet jij dat?’, vroeg ik niet overtuigd.
‘Omdat ik jouw medische gegevens heb meegekregen voor die
oogarts in het Diakonessenziekenhuis. Ik heb ze bekeken. Voor zover mogelijk. Ze
liggen in het handschoenenvak’.
‘Sorry, maar ik kan even niks bekijken vanwege tijdelijke
slechtziendheid’, bitste ik heetgebakerd en machteloos.
Hoofdstuk 16.
De wachtkamer van de oogafdeling van het Diaconessenziekenhuis was bomvol. Ik ben niet
anders gewend dan volle wachtkamers bij de oogarts. Het heeft weinig zin om me
over het lange wachten op te winden. Ik vergelijk de standaard overvolle wachtkamer
van de oogarts tegenwoordig vaak met een file. Iedereen heeft er een hekel aan.
Toch kun je vaak niet anders dan erin staan. Meestal kun je geen kant op en dan
ben je geneigd om je rot te ergeren, maar dat hoeft niet. Tenzij een lotgenoot
in de wachtkamer van de oogarts een praatje met me probeert aan te gaan uit verveling.
Dan moet ik echt alles op alles zetten om niet te imploderen van ingehouden
ergernis. Als kind van twaalf ben ik in de wachtkamer van de oogartsenpost eens
door een vergeelde, bejaarde man, die naast me zat, aangesproken met de
woorden:
‘Ach meisje, wees maar blij dat jij nog goede ogen hebt’.
Terwijl hij sprak, rook ik oude kaas en nicotine. Om zijn
woorden kracht bij te zetten klopte hij met zijn broze, geaderde hand op mijn
knie. Ik droeg toen al contactlenzen, dus geen bewijsmateriaal in de vorm van
een monsterbril op mijn neus en die lieve opa bedoelde het zo goed. Hij kreeg
bijval van alle aanwezigen. Allemaal bejaarden.
‘Ja, ja gezondheid
is een groot goed. Jonge mensen beseffen niet hoe rijk ze zijn. Ik moest maar
zuinig op mijn ogen zijn en ze goed de kost geven, want voor ik het wist zou ik
oud zijn en gebrekkig!’
Ik zal wel een zuur lachje geproduceerd hebben uit
zelfprotectie. Het leek wel of ik in de conversatiezaal van een bejaardentehuis
terecht was gekomen. Een jong ding met het gevoel alsof ze onder een extra
belegen kaasstolp zat. Die ervaring heb ik waarschijnlijk niet zo goed verwerkt.
Zo zijn er wel meer verhalen uit een wachtkamerverleden waarvan ik nog steeds niet
vrolijk word. Ze zijn het oprakelen niet waard. Met uitzondering van die ene keer.
Nog verder terug in de tijd. Ik was negen jaar en droeg nog een monsterbril. Op
die dag, in mijn tijdreisje terug, zat ik met mijn moeder in de wachtkamer van
oogarts Aukes. We waren alleen. Mijn moeder las in een boek en ik gebruikte de
zwartwit geblokte wachtkamervloer als hinkelbaan. Totdat ik net op tijd ontkwam
aan een klap van een openslaande deur. Ik werd belaagd door een groep van een stuk of tien luidruchtige,
generatiegenootjes. Aan hun houding en uiterlijk herkende ik het syndroom van
down. Een meisje bij mij uit de buurt had down. Ik werd meteen in de groep
opgenomen vanwege mijn monsterbril. De generatiegenootjes met het down syndroom
en ik deelden onze jampotglazen brillen. Weliswaar in allerlei soorten en
maten, maar we waren allemaal overduidelijk ernstig bijziend. Hoera! Kennelijk
was ik de enige van de aanwezige kinderen die zich totaal misplaatst voelde op
het feestje van herkenning. Eén van twee begeleidsters probeerde mijn moeder
bij de gezellige boel te betrekken door haar aan te spreken:
‘Ja, ja, ernstige bijziendheid blijft toch een typisch
kenmerk van het down syndroom’.
Deze toenaderingspoging legde mijn moeder stoïcijns naast
zich neer. Ik was minder succesvol, want een kind en gevoelig voor groepsdruk.
De connectie tussen down en myopie nam ik heel persoonlijk op. Op het eerste
gezicht leek ik op ze. Schud zo’n imago maar eens van je af zonder vluchtroute.
Lang leve de huidige IPhone.
Helaas hadden we in de jaren negentig ook nog geen WIFI
toen ik met mijn volwassen oog blessure in de wachtkamer naast Hans zat af te
zien. Wel stapels tijdschriften om de wachttijd te verdrijven, die ik niet kon lezen
vanwege de oog problemen. De contactlens in mijn gezonde linker oog had ik
tussentijds uit mijn biologische kijker verwijderd en opgeborgen in mijn
contactlenzenpotje, in de hoop om rust te creëren voor mijn dolgedraaide,
pijnlijke oogspieren. Je zou kunnen
zeggen dat ik mijn slechtziendheid mezelf aandeed met de bedoeling om zo min
mogelijk in de verleiding te komen om mijn verzwikte oogbollen te bewegen. Met
mijn oren was evenwel niets mis en ik ving een opmerking van een verpleegster
tegen haar collega op:
‘We hebben een spoedgeval’.
Ik kromp verder ineen naast Hans en concentreerde me nog
intenser op de linoleumvloer. Omdat ik nog niet helemaal onder het juk van mijn
ex-oogarts uit was, bleef ik gehoorzaam naar beneden kijken. Dat moest immers
van haar om paniek te voorkomen.
‘Er is een spoedgeval’, probeerde ik Hans voor te
bereiden.
Hij had nog een grotere hekel aan wachten dan ik.
‘Ja, dat ben jij’, smaalde hij.
Precies op het moment dat ik Hans wilde antwoorden dat
hij me niet moest laten lachen, werd mijn naam omgeroepen.
Aldus kwamen Hans en ik terecht bij de professor en
oogarts uit het UMC te Maastricht die destijds te gast was in het
Diaconessenziekenhuis in Eindhoven. Hij had een kalme uitstraling. Meteen bij
binnenkomst voelde ik dat hij op ooghoogte contact maakte. In weerwil van de
pijn in mijn rechter oog, die een comeback had gemaakt als nooit tevoren,
voelde ik me direct beter. In een handdruk was ik op magische wijze van een
paar ogen op voetjes met een heleboel ruis eromheen in mezelf getransformeerd.
En Hans was geen indringer meer die zich overal buiten diende te houden.
Ik werd verlost van mijn hoofdtooi en het bijbehorende
oogkapje. Daarna was er voor de tweede keer die dag de kick van die zalige,
verdovende oogdruppels. Ik sperde beide ogen wagenwijd open van puur genot. Ik
zag geen meetapparatuur, maar dat was begrijpelijk zonder kunstkijkers. Daarbij
gebruikte de professor een ooglampje om mijn rechter oog te inspecteren.
Vervolgens hoorde ik hem zijn bureaustoel van me af rijden. Vanuit die positie
sprak hij zowel Hans als mij toe. Mijn
hart klopte in mijn keel, want ik had zo’n voorgevoel dat dit het uur van de
waarheid zou zijn, waarop ik eindelijk te horen zou krijgen wat er in naam van
de wetenschap mis was met mijn rechter oog.
‘Heb je recentelijk letsel gehad in je rechter oog?’
vroeg de professor.
Het silhouet van Hans bewoog. Hij gaf iets aan de
professor. Vermoedelijk de map met mijn medische gegevens.
‘Ja, ik heb ongeveer drie maanden geleden mijn rechter
harde contactlens uit mijn oog geslagen met een kleerhanger haakje’, antwoordde
ik ongeduldig.
Aan het geschift van papieren kon ik horen hoe de prof door mijn dossier bladerde. De
sfeer raakte bekneld.
‘Wat een zooitje!’
Zei hij dat echt?
‘Ja’, beaamde Hans: ‘Ik vond het ook nogal
onoverzichtelijk allemaal.’
Het klonk alsof de professor mijn map in de prullenbak
mikte, maar volgens Hans naderhand, frisbeede hij in werkelijkheid mijn medische
gegevens naar een bureau en wendde zich tot een whiteboard.
‘Dat ziet ze niet!’, waarschuwde Hans.
Beschaamd klikte de professor de dop terug op de stift
die hij kennelijk in zijn hand had en begon aan zijn hoorcollege :
‘Door de klap van dat haakje is er een wond op jouw
hoornvlies ontstaan. Die wond is niet goed genezen. Misschien weet je al dat
het hoornvlies uit verschillende laagjes bestaat. Het epitheel is de bovenste
laag en in jouw geval is de kleefstof tussen deze laag en de laag eronder niet voldoende
hersteld. Daardoor laat er iedere keer een flard van het epitheel los zodra je
een harde contactlens op jouw hoornvlies plaatst. Je krijgt dan steeds een
schaafwond op je hoornvlies. In medische termen spreken we dan van een
recidiverende erosie.’
De uitleg was mijn acute verlossing uit een denkbeeldige
dwangbuis, waarvan ik voorheen niet eens had beseft dat ik erin vast gesnoerd
had gezeten. Ik begon onbedaarlijk te huilen, met lange uithalen en diepe
snikken. Hans bood me een pakje met papieren zakdoekjes aan.
‘Het doet zo pijn’, snotterde ik.
‘Ja, dat doet zeer. Het hoornvlies is een extreem
gevoelig gebied met een hoge concentratie van pijnzenuwen. Hierdoor reageert
het oog ook zo snel op prikkels’, beaamde de professor zonder aarzeling.
Onder normale omstandigheden had ik me allang weten te
beheersen. Al was het maar uit schaamte. Dat ik nou ineens gehoord en gezien
werd door een wildvreemde oogarts en professor was geen vrijbrief om alle
remmen op mijn emoties maar meteen los te laten. Al was de zilte tranenstroom
wel een weldaad voor mijn ogen. Trouwens, die professor zou mij straks, weer terug op zijn
honk in Maastricht, snel genoeg vergeten zijn en Hans hield ik toch niet voor
de gek. Vreemd genoeg begon de huilbui, direct na het besluit om me niet meer
langer te generen, af te nemen. Ik snoot mijn neus. Mijn adem stokte nog wat
na. De professor kwam op zijn rijdende stoel weer dichterbij en druppelde wat
extra verdovend middel in mijn rechter oog. Ik zie mezelf nog herhaaldelijk, blindelings naar dat potje
wondermiddel in zijn opgeheven, ontwijkende rechter hand mis grijpen.
‘Kan ik dat potje niet mee naar huis krijgen?’, smeekte
ik.
‘Geen denken aan, je hebt al meer dan genoeg gehad voor
vandaag’, wist de professor streng.
Er viel een korte stilte waarin ik met een schok tot een
ingrijpende realisatie kwam.
‘Nou kan zeker nooit meer contactlenzen dragen?’
‘Je kunt proberen om je contactlens een tijdje uit het
rechter oog te laten, in de hoop dat het hoornvlies zich hersteld.’
Ik voelde de tranen alweer opwellen. Wanhoopstranen deze
keer. Hans nam het woord van me over.
‘Dat heeft ze dus al een stuk of zes keer geprobeerd.
Iedere keer met een herstelperiode van twee weken. Dan moet ze steeds alles
doen met maar één oog. Ze ziet niks zonder contactlens, vanwege haar hoge
bijziendheid en ze heeft geen reservebril. Maar iedere keer als ze na veertien
dagen recupereren die contactlens inzet, dan gaat het weer mis. Hoe kan dat
dan?’
Na een pauze kwam de professor toch vrij snel met een
antwoord:
‘Ja waarschijnlijk toch door de harde contactlens en een
permanent zwakke plak in het oog. Een harde contactlens beweegt tijdens het
dragen namelijk over het hoornvlies. Dus ook over de zwakke plek op de epitheel
laag. Vergelijk het met je huid. Stel je hebt een litteken en daar wrijf je
overheen. Op een gegeven moment krijg je een schaafwond door de wrijving. Zo is
dat ook met een recidiverende erosie in het oog. Dat kan zelfs al gebeuren door
gesloten oogleden. Tijdens de remslaap beweegt de oogbol tegen het gesloten
ooglid aan. Na het ontwaken heeft de patiënt een schaafwond op het hoornvlies.’
‘Wat is daar tegen te doen?’
Hans was hoorbaar ontzet en ik voelde me voornamelijk serieus
genomen en verdoofd.
‘Soms is een bandagelens een oplossing. Dat is een zachte
contactlens over de oppervlakte van het hele oog als een soort pleister op de
wond.’
Hier kwam ik weer de conversatie binnen. Zonder filters.
Mogelijk door; de adrenaline in mijn bloed; verdovende oogdruppels;
pijnfluctuaties en andere emoties van die dag. Ik zei gewoon wat in me opkwam.
Alsof ik niet bij de oogarts zat:
‘Maar dan kan ik toch veel beter overstappen op zachte
contactlenzen?’
Aan een verschuiving in de ambiance merkte ik dat de
professor mij opeens met andere ogen bekeek. Ik was gepromoveerd van een
hulpbehoevende patiënt tot een vindingrijk iemand. Ik kon zijn goedkeurig
wegdragen.
‘Het is in jouw geval sowieso een heel goed idee om over
te stappen op zachte contactlenzen. In de eerste plaats omdat zachte
contactlenzen net als bandagelenzen niet bewegen over de oppervlakte van je
oog. Zachte contactlenzen zitten vast op het oog in tegen stelling tot harde
contactlenzen. Met zachte contactlenzen zou je in de toekomst dus inderdaad een
recidiverende erosie kunnen voorkomen.
Een tweede bijkomende reden om over te stappen op zachte contactlenzen is de
bolling van je oog. Hoe hoger de bijziendheid, hoe boller het oog en hoe
moeilijker een harde contactlens passend gemaakt kan worden. De rand van de
harde, rigide contactlens kan het hoornvlies van het bolle oog gaan irriteren. Maar
de harde contactlens kan ook spontaan uitvallen vanwege de onbuigzaamheid op
het bolle, ernstig bijziende oog.’
‘Ja, daar heb ik ook last van. Om het uur’.
Het enthousiasme waarmee ik rapporteerde zal wel gelegen
hebben aan de positieve energie die het luchten van mijn hart opleverde. En aan
het begrip.
Ondertussen plaatste de professor een nieuw plastic oogkapje
op mijn rechter oog dat hij vast tapete. De hoofdtooi liet hij achterwege,
terwijl hij verduidelijkte wat mijn voormalige oogarts eerder die dag precies
had uitgevoerd.
‘Het hoornvlies is vanochtend al schoongemaakt. Dat wil
zeggen dat de oogarts de restanten van het epitheellaagje, dat al aan flarden
hing, van het hoornvlies heeft verwijderd. Het is de bedoeling dat het nu weer
egaal herstelt, zoals ook de huid weer netjes terug groeit na een verwonding. Het
oog is zonder epitheel laag uitermate kwetsbaar, want het mist een essentieel
beschermlaagje. Vandaar dat oogkapje om infecties te voorkomen.’
‘Oh, dat was dat geschraap in mijn rechteroog’, dacht ik afwezig en onverhoeds
niet langer in staat om mijn aandacht nog
bij interacties met de buitenwacht te houden.
Wat verlangde ik naar mijn koele bed onder de
palfondventilator en een goede nachtrust. Op het moment dat ik echter thuis plat op mijn rug onder het frisse,
knisperige, donsdek lag, kwam ik weer volledig tot mijn positieven door de
terugkerende oogpijn die de verdoving, voor de tweede keer die dag, alarmerend
loeiend verdrong. Daar schrik je wel wakker van. Braaf slikte ik de
paracetamolletjes die Hans me aanreikte met een glaasje water. Ik voelde me
geborgen. Ook omdat de professor mij de dag daarop zowaar terug wilde zien ter
controle. Niettemin kon ik het niet nalaten om mijn gelijk toch nog te halen.
‘Weet je dat ik de optometrist van de oogartsenpost drie
maanden geleden al om zachte contactlenzen gevraagd heb? Ze waren niet geschikt
voor mij. Zei hij.’
‘Probeer te slapen’, antwoordde Hans.
Voordat ik wegzakte in een dromenloze diepe, ruststand, trad
de optometrist nog één keer op de voorgrond in mijn hoofd. Ach, bij verhaal
halen over al dan geen zachte contactlenzen, zou hij wel weer een draai aan de
waarheid in zijn richting geven. Dat hij en ik elkaar verkeerd begrepen hadden.
Zoals gewoonlijk.
Ook zoals gewoonlijk was het zeer de volgende ochtend
verdwenen. Weg. Foetsie. Geen ziertje pijn meer. Deze keer was ik echter
wantrouwig direct na het ontwaken, omdat de oogellende gisteren intenser was geweest dan ooit
tevoren. Behoedzaam liet ik mijn rechter oog achter het oogkapje meebewegen met
het linker. Ik was veilig. Ook toen ik heel voorzichtig overeind kwam en
onvast, met een licht hoofd, mijn linker harde contactlens inzette, zodat ik
tenminste ook nog een beetje kon zien wat ik deed.
De professor kon zijn ogen niet geloven, terwijl ik hem
heimelijk bestudeerde. Gisteren had ik hem niet gezien. Zijn uiterlijk kwam
feilloos overeen met mijn voorstellingsvermogen. Het ongeloof van de professor
verzin ik trouwens niet. Al ben ik in de loop van dertig jaren na deze anekdote
vaak ongelovig aangekeken door betweters. Maar dat filmpje van de professor die
met zijn lampje in mijn rechter oog scheen liegt nog altijd niet. Waar kwam
zijn verwarde blik anders vandaan? Of het cartoonistische schudden met zijn hoofd
als husselde hij zijn herseninhoud? Daarna de check, double check van mijn
medische gegevens.
‘Het hoornvlies is volledig hersteld’, zei hij tenslotte
op een toon alsof hij er niet van zou staan te kijken als ik ter plekke in
Jomanda de gebedsgenezeres zou
veranderen.’
‘Dan weten we meteen waarom de oogarts en de optometrist
van Katinka al die overige keren dat ze een recidiverende erosie had, haar
nooit serieus genomen hebben’, merkte Hans op met een stembuiging richting
ingehouden kwaadheid.
Niet begrijpend trok de professor zijn wenkbrauwen hoog
op.
‘Ze kon nooit op de dag zelf van de verwonding bij de
oogarts terecht’, lichtte Hans toe.
Ik was al voorbij mijn oude oogartsenpost.
‘Kan ik dan nu zachte contactlenzen laten aanmeten?’
‘Niet vandaag. Ik zou eerst een maandje wachten om de
boel goed te laten genezen.’
De intonatie van de professor was een stuk minder
empathisch dan de dag ervoor. Onterecht vond ik, want ik zag nog steeds met
maar één oog.
‘Waar kan ik te zijner tijd dan zachte contactlenzen
laten afmeten?’
‘Misschien kun je daarvoor jouw oogarts consulteren?’
Ja, daar zat ik op te wachten. Terug naar het hol van de
leeuw. Als ik Hans toch niet had gehad. Hij wond tenminste nooit ergens doekjes
om.
‘U hebt haar medische gegevens toch gezien? Gisteren
sprak u zelf van een zooitje. Weet u geen andere oogarts?’
Hoofdstuk 17.
Er kwam een andere oogarts. Niet
zomaar een oculist, maar een roemruchte medicus met een indrukwekkende staat
van dienst en een jeugdige, modieuze, flitsende uitstraling. Hij en zijn
ondersteunende team huisden in een particulier, pretentieus, futuristisch ooglasercentrum
dat nog geen twee straten van de vooroorlogse starterswoning van Hans en
mij, in een volksbuurt, verwijderd was. Deze quasi science fiction oogarts zou
ik pas in levende lijve ontmoeten, nadat er al lang en breed zachte
contactlenzen bij mij afgemeten en geleverd waren door een optometrist van het
futuristisch ooglasercentrum die net niet helemaal de tegenpool van mijn voormalige
kwelgeest was. Zowel uiterlijk als met zijn dienstbare opstelling. Maar
luisteren naar harde contactlenzenperikelen en verhalen over recidiverende
erosies deed hij evenmin. Misschien ligt het aan mijn uitvoerige
verteltrant? Wie weet neem ik teveel
zijstraten en kom ik niet snel genoeg van rotondes af? Hoe het ook zij, voor ik het wist
zat ik wederom in mijn vertrouwde modus van woordeloze oogmetingen.
‘Je moet aandacht opeisen. Dat doen andere oog patiënten
ook’, stelde Hans als vanzelfsprekend.
‘Dat doe ik toch. Ik kom binnen met een heel verhaal,
maar niemand wil het horen. ’, wanhoopte ik.
‘Je geeft veel te veel informatie. Je moet het simpel
houden’, wist Hans.
‘Ok, als in hoe simpeler een probleem, hoe makkelijker de
diagnose? Zal ik voortaan dan maar mezelf consulteren? Dan ben ik meteen
niemand meer tot last.’
Ik zwolg tijdelijk in zelfmedelijden. Hans maakte meestal
korte metten met die instelling.
‘Nee, nee, er worden zachte contactlenzen voor je
afgemeten en besteld. Niet zo ondankbaar meisje van dertig .‘
De zachte contactlenzen vielen tegen. Daarin moest ik
mijn voormalige kwelgeest dan weer wel, zij het met tegenzin, stiekem gelijk
geven. Harde contactlenzen bieden beter zicht bij hoge myopie en ze zijn veel makkelijker
in het onderhoud. Je kunt je nog eens een slordigheidje zonder ingrijpende
consequenties veroorloven. Zo niet bij zachte contactlenzen. De enige keer dat
ik vergat om mijn zachte contactlenzen ’s nachts te bewaren in vloeistof, vond
ik, tot mijn ontzetting, de volgende ochtend twee propjes in mijn lenzendoosje
terug in plaats van twee doorzichtige, lichtblauwe, mini-ufo’s van polymeer. In
navolging van deskundig advies, bevochtigde ik de verfomfaaide dingsigheidjes,
die nog het meeste weg hadden van opgedroogde, hobbylijmdruppels, met bewaarvloeistof. Als door
een wonder zag ik de zachte contactlenzen door het vocht in hun compartimentjes
weer terug in de originele, flexibele, staat transformeren. Mij gaf dat een wegwerp
gevoel, terwijl we het hier toch over mijn kunstkijkers hadden en niet over daglenzen.
Mijn zachte contactlenzen waren ontworpen om minstens een jaar mee te kunnen
gaan. Dus om stabiel te zijn en niet om bij het minste of geringste van vorm te
veranderen. Zo word je wel onzeker van een eigen kijk op de zaak. Daar stond
dan weer wel tegenover dat zachte contactlenzen niet spontaan uit het oog sprongen.
Integendeel; zachte contactlenzen zogen zich in de loop van de dag dusdanig
vacuüm in het bolle, ernstig bijziende oog, dat ze alleen maar met een zuignap van
het hoornvlies te scheiden waren. Of je
moest de grijptechniek van duim en wijsvinger onder de knie krijgen. Voor de
zekerheid. Want stel dat je het zuignapje voor de zoveelste keer was vergeten
of kwijt geraakt? Dat vond ik nog het ergste. Dat geklungel om die zachte
contactlenzen op een pijnloze manier uit mijn ogen te krijgen. Ik werd er
telkens een beetje iebel van. Zo ook van het zogenaamde draagcomfort van zachte
contactlenzen. Of beter; draagongemak in mijn ernstig bijziende geval van
afwijkende oogvormen. Alle dagen met zachte contactlenzen leefde ik met een
sjorrende sensatie in mijn ogen. Wellicht was de zachte contactlens
binnenstebuiten gekeerd? Want dat was schering en inslag. Dan stond je weer
half blind te zoeken naar de juiste vorm. Toch was dat geen garantie voor een
oplossing van het gevoel alsof de zachte contactlenzen langzaam maar zeker fuseerden
met mijn hoornvlies. Dat kon toch niet goed zijn? Daarbij peuterde ik tijdens
het in- en uitzetten meerdere keren per dag met mijn vingers aan mijn hoornvlies.
Of ik trok eraan met een zuignapje door het verwijderen van de zachte
contactlenzen. In mijn angstbeeld lag er dan ook altijd wel een recidiverende
erosie op de loer. Soms diende het eerste zeer zich in werkelijkheid of in een
zinsbegoocheling al aan met steken uit mijn pijngeheugen. In een opwelling belde
ik naar het toekomstgerichte ooglasercentrum van mijn nieuwe sci-fi-oogarts.
Vroeger had ik immers toestemming om dag en nacht bij mijn voormalige oogarts op consult te komen. Nou
ja, wel even vantevoren een afspraak maken. Waarom was ik ook weer vertrokken?
Want om een afspraak te maken bij dit alternatief; bij dit particulier,
pretentieus, futuristisch ooglasercentrum van die jeugdige, modieuze,
flitsende, beroemde oculist; moest ik eerst toestemming aan een huisarts vragen
voor een oogartsconsult. Mijn validiteit moest doorgelicht worden. Niet één
keer, maar telkens weer. Dat waren de nieuwe regeltjes van het toekomstgerichte
ooglasercentrum.
Mijn tussenpersoon bij oogproblemen was de huisarts van
mijn Hans, omdat ik verhuisd was. Mijn voormalige,
vertrouwde huisarts, uit de praktijk van
mijn ouderlijk huis, heeft zich in de periode dat ik hem in mijn jongere jaren consulteerde
intensief met mijn gezondheid beziggehouden. Dus ook met de problematiek rond
mijn ernstig bijziende ogen. Ik hoefde maar te kikken of hij trok aan de
oogartsenbel. Sowieso regelde hij verwijskaarten voor de hele familie Myopie en
die werden jaarlijks automatisch verlengd. De huisarts van Hans daarentegen was
absoluut niet bezig met mijn persoontje. Hij was veel meer betrokken bij het wel en wee van mijn schoonouders
en bij Hans. Vanaf de eerste ontmoeting benaderde hij me als een indringster in
zijn praktijk, hetgeen ik in eerste instantie niet begreep, omdat hij zich
samen met Hans bij mijn voormalige oogartsenpost zo overtuigend hard had gemaakt voor het doorsluizen
van mijn medische gegevens voor een second opinion van de professor van het UMC
in Maastricht. Door zijn afwijzende houding wist ik niet meer waar ik met mijn
oprechte dankbaarheid voor zijn doorslaggevende inzet blijven moest. In de
jaren die volgden heeft de huisarts van Hans in mijn geval verder alleen nog
zorg gedragen voor een onnodig grote
afstand tussen de sci-fi-oogarts en mij. Net als de professor was de sci-fi-oogarts
namelijk een vriend van de huisarts van Hans. De huisarts van Hans had mij dan
ook niet naar zomaar wat oculisten doorverwezen, maar naar het neusje van de
zalm. Het was het oude liedje dat mijn voormalige oogarts tien jaar eerder ook
al over haar professor in het Radboud had gezongen en ik kende mijn plaats. Het
liefste had ik dan ook een grote boog om de huisarts van Hans heen gemaakt op
weg naar mijn nieuwe optometrist, maar ik kon hem niet passeren. De huisarts
van Hans had als taak om mij bij oogcalamiteiten steeds te checken op
waarheidsgehalte alvorens mij door te verwijzen naar het futuristisch ooglasercentrum
en daar zou hij zich aan kwijten ook. Ondertussen zocht ik naar houvast. Of naar
geruststelling, of roept u maar. Ik was in die nadagen van de recidiverende
erosies zo heidens bang voor een herhaling van de bloedstollende pijn die zich
had ingebed in mijn traumageheugen, dat ik mijn kijk op de realiteit regelmatig
uit het oog verloor. Dan is een hulpvraag naar een beetje ondersteuning in de
vorm van een snelcontrole tussendoor in mijn oog door een optometrist, in een
futuristisch ooglasercentrum op loopafstand, toch niet teveel gevraagd? Alleen in Utopia dramt een
oog patiënt dan niet door. Gevolglijk moest ik noodgedwongen bij elke paniekgolf
eerst contact opnemen met het
tussenstation huisartsenpost om uiteindelijk bij mijn nieuwe optometrist
terecht te mogen komen. Dat lukte iedere keer wel, maar niet zonder dat ik
steeds de doktersassistente moest trotseren die de huisarts altijd tegen mij in
bescherming meende te moeten nemen. Alsof ik voor mijn lol zo vaak mogelijk naar
een arts wilde. Huisarts, oogarts, maakte niet uit. Gevalletje hypochondrie. Of
misschien dacht de doktersassistente wel dat ik een gratis ooglaserbehandeling
binnen wilde harken. Wist zij veel dat een ooglaserbehandeling maar tot min tien
ging (en gaat). Ik zou haar niet wijzer maken dan ze al was en liet haar desnoods denken dat ik een arts aan de haak
probeerde te slaan. Zoals de waardin is vertrouwt zij haar gasten. Een geluk
bij dat stuk ongeluk was zo’n traditionele brillenwinkel annex ouderwetse
opticien die zich naast het toekomst gerichte ooglasercentrum bevond. De opticien
en ik hadden elkaar beter leren kennen toen ik mijn reservebril bij hem
aanschafte.
Hoofdstuk 18.
De afmeting van mijn reservebrillenglazen was, na het
herstel van mijn recidiverende erosies en de aanschaf van zachte contactlenzen,
het volgende agendapunt dat ik zo snel mogelijk hoopte af te kunnen vinken. Ik
wist uit ervaring dat ik hiervoor met mijn hoge myopie niet gewoon een gangbare
opticien binnen kon stappen zonder medische indicatie. Het heeft een jaar
geduurd voordat ik mijn zin kreeg bij het futuristisch ooglasercentrum.
Wellicht wilde ik weer teveel tegelijkertijd, maar ik moest en zou een reservebril hebben. Al was
het alleen maar voor mijn gemoedsrust. Dan kon mijn nieuwe optometrist zijn
wenkbrauwen nog zo hoog optrekken. Van mijn leven ging ik niet meer rondlopen
met maar één oog in het geval van een toekomstige recidiverende erosie. Wat een
gestuntel was dat drie maanden lang geweest. Dan maar wennen aan een bril. Twee
ogen zien altijd meer dan één. Hier kon de optometrist zich dan weer wel
enigszins in vinden. Zijn eventuele
bezwaren tegen een reservebril voor mijn ernstig bijziende ogen zou hij
echter liever tegen de sci-fi-oogarts
aanhouden alvorens een beslissing te nemen. De sci-fi-oogarts op zijn beurt
bepaalde zelf wel of een oog patiënt al dan geen recht had op een reservebril.
Er werd een consult met hem ingepland door een mevrouw die kennelijk werkzaam
was bij het futuristisch ooglasercentrum en die acteerde dat zij en ik elkaar
al jaren kenden. Ze noemde me bij mijn voornaam en scheen op de hoogte te zijn van
mijn ernstige bijziendheid en andere saillante details uit mijn medische
dossier. Haar benaderingswijze maakte dat ik in mijn schulp kroop. Begrijp me
niet verkeerd; hoe informeler de interactie hoe liever, maar er moet wel sprake
zijn van een wisselwerking. Hoe diep ik ook groef in mijn geheugen, er daagde
geen herinnering aan een eerdere kennismaking, terwijl ik toch al een dik jaar ingeschreven
stond in het patiëntenbestand van het
futuristisch ooglasercentrum. Opgeteld had ik de optometrist vier keer bezocht
en nooit eerder was ik aangesproken door mijn nieuwe beste vriendin. Alsof ik een
pionnetje was dat door mocht naar een afspraak met
de sci-fi-oogarts in een hiërarchisch bordspel. Eindelijk zou ik de spil van
het ooglasercentrum gaan ontmoeten. Zou ik überhaupt wel in staat zijn om de
plechtigheid naar behoren te eerbiedigen?
Niet dat de sci-fi-oogarts in het echt zoveel respect
eiste. Het was de zaligmakende entourage om hem heen waar ik nooit goed mee heb
leren omgaan tijdens mijn consulten aan hem. Zijn indrukwekkende hoeveelheid
ingelijste diploma’s aan de muren van de wachtkamer bijvoorbeeld. Of de gladde
sfeer van status, geld en cosmetische ooglaserbehandelingen die de medewerksters achter de balie hoog stonden te
houden. De sci-fi-oogarts zelf gaf eerder een nonchalante dan een arrogante indruk
en in de speling van zijn uitgestrekte, verlichte spreekkamer voelde ik me minder
gelimiteerd dan in het krappe hok van mijn voormalige oogarts. Hoewel ik er al
snel achter kwam dat er eigenlijk eveneens geen sprake was van een letterlijke spreekkamer
in deze geavanceerde ruimte. Ook de sci-fi-oogarts zat om een praatje verlegen.
Terwijl ik mijn wens voor een reservebril vol vuur motiveerde met mijn angst
voor eventuele recidiverende erosies, keek hij me vorsend aan, om me op een
willekeurig moment in mijn verhaal laconiek te onderbreken:
‘En bevallen de zachte contactlenzen?’
Hij had een opmerkelijk zachte stem herinner ik me nog.
Gelukkig heb ik perfecte oren.
‘Ze zullen wel moeten bevallen. Ik kan geen harde
contactlenzen meer verdragen vanwege die recidiverende erosies’, antwoordde ik
lichtelijk verstoord door zijn klakkeloze onderbreking.
‘Wees maar blij dat je harde contactlenzen in je ogen
had. Anders was je nu wel verder van huis geweest met dat kleerhangerhaakje in
je oog’, schamperde de sci-fi-oogarts.
Over te veel informatie gesproken.
‘Ja, en als de hemel op ons hoofd valt dan hebben we
allemaal een blauwe hoed, zegt mijn moeder altijd’, sneerde ik terug.
De sci-fi-oogarts keek me aan alsof hij twijfelde aan
mijn verstand.
‘Maar ik wil dus een reservebril’, besloot ik.
De sci-fi-oogarts slaakte een diepe zucht, maar ging toch
vrij moeiteloos overstag toen ik aangaf
dat ik niet op groen licht van de ziekenkostenverzekeraar zat te wachten. Geen
gedoe over geld dus, want daar hebben we allemaal een broertje dood aan.
Let op ‘myopia gravior’ stond er op het briefje met oogmetingen
dat ik van de sci-fi-oogarts had meegekregen voor de opticien. Op hetzelfde
briefje stond ook mijn dioptrie te lezen. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik
zwart op wit onder ogen dat ik min zesentwintig heb. In werkelijkheid stond er
min negenentwintig, maar drie jaar later bleek, bij weer een andere oculist, dat
de sci-fi-oogarts mijn dioptrie min drie te hoog afgemeten had.
‘Wat houdt myopia gravior en min negenentwintig in voor
mijn reservebril?’, vroeg ik aan de opticien.
‘Dat je er niet sowieso niet uitziet met dat ding op je
neus’, antwoordde de opticien droog.
‘Nog steeds niet?’
‘Nog steeds niet.’
‘Maar er zijn tegenwoordig toch van die speciaal geslepen
glazen in de handel, waardoor je bijna niet meer kunt zien dat je een hoge
dioptrie hebt? Dat stond laatst zelfs in het Eindhovens Dagblad?’
Wie probeerde ik hier eigenlijk te overtuigen?
‘Verwacht er maar niet teveel van!’, meesmuilde de opticien.
Hij werd mijn toevluchtsoord voor spoedjes. Voor als ik ter
plekke ineen dreigde te storten van ingebeelde of levensechte recidiverende
erosies. Bij de sci-fi-oogarts hoefde ik niet aan te kloppen met mijn
oogangsten. Tenminste als ik mijn nieuwe beste vriendin aan de telefoon van het
ooglasercentrum moest geloven. Volgens haar diende ik eerst toestemming van de
huisarts van Hans te blijven vragen voor ondersteuning. Dat was de procedure en
daar werd niet van afgeweken. Maar de huisarts van Hans was volgens mij niet zo
bekend met recidiverende erosies. Af en toe scheen hij met een lampje in mijn
oog. Vervolgens zweeg hij mysterieus om mij daarna telkens alsnog, in weerwil
van zijn twijfel, doorgang tot het ooglasercentrum te verlenen. Soms kon ik zelfs
telefonisch doorverwezen worden, maar dat hing van de agenda van de huisarts
van Hans en de bokkenpruik van zijn assistente af. Dus bij acute nood nam ik
liever een korte afslag en viel ik terug
op mijn nostalgische opticien die wel de tijd nam om de staat van mijn
hoornvlies te beoordelen met zijn meetapparatuur. Gratis, terwijl hij de
controles van mij best in rekening had mogen brengen. Daar wilde hij niet van
weten. Hij wilde wel dat hij meer voor mij kon doen. Dat hoefde echt niet.
Want; placebo-effect of niet; ik kon er weer een tijdje mee door.
Hoofdstuk 19.
Rond de eeuwwisseling dook ineens de ultieme oplossing
voor niet alleen mijn draagongemak van zowel harde- als zachte contactlenzen, maar
ook voor mijn angst voor recidiverende erosies op. En wel in de in de vorm van implantaatlenzen. Oftewel;
artisanimplantaten. Mijn middelste broer was al in behandeling bij een oogarts die
landelijke bekendheid genoot vanwege het plaatsen van deze zogenaamde
intra-oculaire lenzen om refractie oogafwijkingen te corrigeren. Ik had ook wel
oren naar zo’n implantaat. Vanwege mijn ernstige bijziendheid was een ooglaserbehandeling
nooit een optie geweest.
Ooglaserbehandelingen gaan maar tot min tien (en plus zes), maar nu gloorde er hoop aan de horizon in de
vorm van een nieuw alternatief voor contactlenzen bij ernstige myopen. Artisanimplantaten
dus. Voor meer informatie kon ik echter niet bij mijn broer terecht. Ik moest
mijn eigen boontjes maar doppen. Mijn moeder was het nog met hem eens ook. Mijn
middelste broer had de artisanimplantaten als eerste ontdekt. Dus mijn
middelste broer had het alleenrecht op artisanimplantaten. Hoe kinderachtig kun
je zijn en durf je wel met steun van mammie? Ik zei nog:
‘Ok staat genoteerd, maar als ik in de toekomst een
levensreddende operatie moet ondergaan, dan was ik ook eerst. Dan mag broerlief
daarna net zo goed nooit meer gereanimeerd worden.’
Dit ging natuurlijk niet over implantaatlenzen, maar over
familieproblemen en daar gaat dit verhaal dan weer niet over. Na dit onbegrijpelijke
conflict heb ik dan ook een jaar nauwelijks tot geen contact meer gezocht met het thuisfront. Zij
ook niet met mij trouwens. Ze snapten sowieso niks van het drama rond mijn
ogen. Maar als ik ze de problematiek wilde uitleggen dan gaven ze niet thuis.
In de daarop volgende maanden bleef het draagcomfort van mijn zachte contactlenzen op
en neer gaan. Totdat ze op een dag weer
dusdanig opspeelden dat ik onvermijdelijk voor de zesde of zevende keer bij mijn
tussenstation huisartsenpost terecht kwam. Ik dacht aan de artisanimplantaten
van mijn middelste broer en aan het pretentieus, particulier futuristisch ooglasercentrum
van de sci-fi-oogarts. Zou de sci-fi-oogarts misschien ook artisanimplantaten
kunnen plaatsen? Om dat te weten te kunnen komen moest ik hem wel eerst te
spreken zien te krijgen. De assistente van de huisarts van Hans was weer
onverbiddelijk:
‘De huisarts wil eerst graag even met je babbelen’.
Zoals gewoonlijk kreeg ik stante pede jeuk over mijn hele
lichaam van haar typerende Jip en
Janneke taalgebruik.
‘Ja, maar dat wil ik niet. Ik wil graag direct doorverwezen
worden naar de oogarts.’
‘Ja, maar misschien hoeft dat niet’, wist de assistente
op een toon die deed vermoeden dat zij de huisarts van Hans had ingefluisterd
dat hij weleens wat kritischer naar mij mocht kijken.
‘En dat bepaal jij?’, wilde ik vragen, maar hield me in
en gaf me gewonnen.
‘Plan maar een afspraak in dan’.
Voor de zekerheid nam ik mijn reservebril mee, omdat ik
een sterk vermoeden had dat de huisarts van Hans in het geval van hoge myopie
de klok had horen luiden, maar niet wist waar de klepel hing. Of hij wist niet
dat ik min zesentwintig heb. Hoe dan ook; de huisarts van Hans had zich tot dan
toe volgens mij nog nooit in mijn medische dossier verdiept. Hij zag mij als in
een momentopname. Als een schim waaraan je geen gedachten vuil maakte en die gewantrouwd moest worden. Tijdens een doorverwijsconsult,
waarbij hij, vermoedelijk voor de vorm, weer eens met een ooglampje in de weer
was geweest, keek hij me plotseling doordringend aan en verkondigde streng:
‘Moet je eens goed luisteren; de sci-fi-oogarts heeft een
hele goede reputatie!’
De boodschap kwam luid en duidelijk op mij over. Ik
diende mijn fatsoen te houden. Natuurlijk kwam mijn gevoel in opstand. Ik deed
niets verkeerd en ik liep noch bij de huisarts noch bij de sci-fi-oogarts de
deur plat. Zeven consulten verdeeld over drie jaar leek me niet overdreven in
mijn geval. De ervaring had mij inmiddels echter ook geleerd dat zelfbeklag
geen soelaas biedt. Vandaar dat ik me wederom focuste op de vraag waarom deze
deugdelijke huisarts van Hans destijds dat gevecht over mijn medische gegevens
met mijn voormalige oogarts was aangegaan als hij zoveel moeite met mijn optreden
had? Dat kon toch niet alleen uit toewijding aan Hans en zijn ouders zijn
geweest? Zijn artseneed zal verder een rol gespeeld hebben bij zijn
daadkrachtige optreden en misschien zijn rechtvaardigheidsgevoel, maar ik vroeg
me af waarom hij mij daarvoor telkens de rekening bleef presenteren? Dat de
huisarts van Hans mij niet mocht dat kon ik accepteren. Niet iedereen hoeft mij
aardig te vinden. Niet iedereen heeft smaak. Over de huisarts van Hans werd
gezegd dat hij door de wol geverfd was en zo zag hij er ook uit. Hij liep toen
al tegen de pensioengerechtigde leeftijd. Ik nam daarom aan dat hij zijn
aversie tegen bepaalde patiënten uit zijn praktijk in de loop van de jaren dus
ook echt wel had leren parkeren. Er moest dus iets anders meespelen bij zijn geëtaleerde
minachting voor mij. Zijn berisping raakte me niet echt en de reputatie van de
sci-fi-oogarts liet ik van me afglijden, omdat zij symptomen waren.
Waarvan? Ik lag wakker en piekerde me suf. Waarom bleef de
huisarts van Hans mij van het begin af aan als een indringster in zijn praktijk
behandelen? Ineens zat ik rechtop in
bed. Omdat het plotselinge antwoord mij zomaar uit mijn gepeins had geschud. De
huisarts van Hans was op het matje geroepen bij zijn meerderen over zijn drastische
optreden bij mijn voormalige oogartsenpost. Blindelings was hij op het woord
van Hans afgegaan, omdat hij mij destijds nog niet persoonlijk had ontmoet. In
de luwte van de commotie rond mijn recidiverende erosies, was hij aan het
twijfelen geslagen over zijn eigen, deskundige oordeel. Ik neem aan dat zijn
vriend de professor uit het UMC van Maastricht hem niet achteraf nog op de
hoogte had gesteld van de toestand rond mijn ernstig bijziende ogen. Zo
belangrijk ben ik nooit geweest. Had zijn assistente niet ook al laten
doorschemeren dat hij zich, vermoedelijk net als Hans, voor mijn aanstellerige
karretje had laten spannen? Hij had zich laten ringeloren door een goudzoekster
met een oogprobleempje dat ze graag opgelost zou zien met een ooglaserbehandeling die ze alleen in natura
kon betalen. Hij wist toch wat voor armlastig vlees hij in de kuip had uit de volkswijk
waar Hans en ik een rijtjeshuis bewoonden. Nee, hij was zijn huisartsenboekje
inderdaad ver te buiten gegaan en dat was mijn schuld.
Vermoedelijk zou ik in de ogen van de huisarts van Hans altijd
schuldig zijn gebleven als ik dat babbeltje met hem niet was aangegaan. Ik deed
verslag van de zuigende werking van zachte contactlenzen. Dat ik bang was voor
recidiverende erosies. Dat ik ze soms voelde aankomen en dat ik vervolgens, uit
voorzorg en eigen beweging, mijn zachte contactlens een week uitliet, omdat ik
uit ervaring bijna zeker wist dat een oogarts hetzelfde zou adviseren. Dat ik
dan de keuze had tussen mijn reservebril of kijken met maar één oog. Dat functioneren
met mijn reservebril eigenlijk geen doen was. Terwijl ik praatte zag ik het
misprijzen op het gezicht van de huisarts van Hans groeien. Bij de vermelding
van mijn reservebril hief hij zijn hand. Hij ging wat zeggen op een toon
waarmee je normaliter geen vrouw van vierendertig
bij haar volle verstand aanspreekt.
‘Mijn dochter heeft voor haar middelbare schooldiploma, afgelopen
mei, eveneens contactlenzen gekregen. Dat was een hele beslissing! Zij is ook
ernstig bijziend en ook een beetje ijdel. Ze heeft min zes en de overgang van
een bril op contactlenzen is inderdaad wennen. Het liefste zou mijn dochter ook
een ooglaserbehandeling ondergaan. Maar als het een dagje niet lukt met de
lenzen, dan raden mijn vrouw en ik haar toch altijd aan om haar bril weer een poosje
te dragen. Niet leuk. Dat snappen mijn vrouw en ik best. Maar kom, kom, even
door de zure appel heen bijten en dan komt het wel weer goed. De dag daarna.’
Het was nu of nooit en ik wilde dat ik geen mensenkennis had
gehad. Ergens voelde ik mededogen voor de huisarts van Hans, zijn vrouw en zijn
dochter en tegelijkertijd hoopte ik nooit in mijn leven nader kennis met dit beklemmende
trio te hoeven maken.
‘Ik zal mijn reservebril even opzetten’, kondigde ik aan,
terwijl ik mijn brillenkoker uit mijn schoudertas haalde en voor me op tafel
legde.
De huisarts van Hans zat tegenover me. Helemaal
voorbereid om mijn bril te bejubelen, die hij natuurlijk op voorhand prima vond
staan. Op het moment dat ik mijn reserve monsterbril op mijn neus plaatste verdween
hij door de jampotglazen uit het zicht in een mistige stilte die per seconde aan
beladenheid toenam. Ik zag even niks, omdat ik achter mijn reservebril tegelijkertijd
mijn zachte contactlenzen droeg. Hoe had ik anders heelhuids en uit eigen
beweging in de spreekkamer van de huisarts van Hans terecht kunnen komen? Na
tien tellen nam ik het monstermontuur met de jampotglazen weer voor mijn ogen
weg en keek in het wit weggetrokken gezicht van de huisarts van Hans tegenover
me. Zijn mond stond open en zijn ogen waren groot. Ik schudde een paar keer van
nee en hij spiegelde me en deinde langzaam mee. Met moeite onderdrukte ik een
lachkriebel. Tegelijkertijd steeg de radeloosheid naar mijn keel. Na een kort moment van verstarren, verbrak de
huisarts van Hans zijn sprakeloosheid:
‘Hoe kan ik je helpen?’, slikte hij.
Zo te horen zag hij me eindelijk als de volwassen vrouw
met een legitieme hulpvraag die ik al die tijd al geweest was.
‘Ik zou graag doorverwezen willen worden naar de
sci-fi-oogarts’, antwoordde ik op gepaste afstand.
Hoofdstuk 20.
De sci-fi-oogarts ving me op. Op een nogal onconventionele manier. En dan
te bedenken dat ik na mijn laatste, confronterende consult bij de huisarts van
Hans absoluut niet verwacht had om met open armen ontvangen te worden bij het ooglasercentrum.
Onuitgesproken gaf de sci-fi-oogarts mij echter de indruk dat hij aan mijn kant
stond. De rest was ballast. Zo was de opening naar een gesprek over
artisanimplantaten in zijn ruime, verlichte spreekkamer, met zicht op de
uitgang, eenvoudig gemaakt. De operatie
zou in het Catharinaziekenhuis door de sci-fi-oogarts uitgevoerd worden en
negenduizend gulden gaan kosten. Declaraties bij de ziekenkostenverzekeraar
hadden geen zin, want artisanimplantaten vielen onder experimentele en cosmetische
ingrepen. Hier klapperde ik even met mijn oren. Ik stond al niet te springen om
geopereerd te worden en dan bleek er ook nog sprake te zijn van een experiment.
Zesentwintig jaar geleden was het plaatsen van artisanimplantaten dus niet
bepaald een beproefde methode. Tegelijkertijd kon ik niet wachten op
lesimplantaten. Ook uit cosmetische overwegingen, maar toch voornamelijk om optimaal
rendement uit mijn ernstig bijziende
ogen te kunnen halen. En alsof dat allemaal niet enerverend genoeg was, mocht
ik de hele zwik aan het einde van de streep uit eigen zak bekostigen. Dat was
niet niks, maar de sci-fi oogarts had een aanbieding. Stel dat ik ook nog
gelaserd moest worden, om de puntjes op de i te zetten zogezegd, dan zouden de
kosten bij de negenduizend gulden – die sowieso voor de artisanimplantaten
betaald moesten worden - inbegrepen zijn. Laat ik nou tot die middag in de
spreekkamer van de sci-fi-oogarts in de veronderstelling geleefd hebben dat
laseren niet weggelegd was voor mij vanwege mijn hoge myopie. Dat bleek niet
ver bezijden de waarheid. Evenwel in combinatie met artisanimplantaten werd
laseren bij ernstige bijziendheid weer een ander verhaal. Sommige
oogafwijkingen zijn niet volledig te corrigeren met alleen lensimplantaten.
Bijvoorbeeld in het geval van cilindervorming; waarbij een wereldbeeld min of
meer vertekend wordt waargenomen. Cilindervorming is wel met laser recht te
trekken, nadat de artisanimplantaten al in het oog geplaatst zijn. Dan praatte
je al snel over vijf- tot zesduizend gulden voor de laser bovenop de kosten
voor de lensimplantaten. Wauw en bij mij zou die laser dan een gratis extraatje
kunnen zijn. Tenminste als er sprake was van cilindervorming in mijn ogen en
dat kon ik zelf niet beoordelen. De implicaties van de onderhandelingen kon ik
destijds sowieso niet acuut doorgronden. Bij mij overheerste in de spreekkamer voornamelijk
associaties met denkbeeldige tarieven als in een prijskaartje dat aan mijn
gezichtsvermogen bungelde. Ik was een speciale aanbieding. Naast mijn gretigheid
om van die chronische contactlenzenellende verlost te zijn, schoten er dan ook alarmsignalen
door mijn hoofd. De sci-fi oogarts was de slager die zijn eigen vlees keurde.
Hij en niemand anders bepaalde immers of ik al dan geen cilindervorming in mijn
ogen had. Zo nee, dan behoefde ik ook geen extra laserbehandeling naast de
artisanimplantaten. Dan was de sci- fi oogarts ook niemand verplicht om zijn grandioze
belofte na te komen om vijf- tot zesduizend gulden aan mij cadeau te doen.
Hans liet me die negatieve gedachte meteen weer
verdringen. Hij vond bij voorbaat al dat we voor het plaatsen van
artisanimplantaten bij de sci-fi-oogarts moesten zijn. Hans werkte in de
automatisering. Hij was een techneut. Hij zag de technische oplossing van lensimplantaten
in mijn ogen al helemaal zitten. Dan maar een extra hypotheek op het rijtjeshuis
in de volksbuurt.
Tegen het einde van het consult nam het gesprek over de
artisanimplantaten met de sci-fi-oogarts een precaire wending. Zojuist had ik
een beslissing genomen die de rest van mijn leven zou gaan beïnvloeden. Dit was
menens. Zo ook de hoofdrol van de sci-fi-oogarts en op een onbewaakt moment was
er een intieme wind gaan waaien in de spreekkamer. De sci-fi-oogarts zat bij me
in de buurt en hij schoof de meetapparatuur naar opzij om zich zonder enige
aarzeling nog verder naar mij in de patiëntenstoel toe te buigen. Op
empathische wijze sprak hij mij toe met die zijdezachte stem van hem vlak bij mijn
oor:
‘Zal ik dan bij jou een paar lensimplantaatjes plaatsen?’
De assistente van de huisarts van Hans zou hier wellicht
een scene uit een doktersromannetje in herkend hebben. Zesentwintig jaar later
kan men in dit geval wellicht zelfs spreken van grensoverschrijdend gedrag. Ik zou
zowel de sci-fi-oogarts als mezelf tekort doen met dergelijke kwalificaties. Hoewel
het niets meer uitmaakt, want elke beschamende onthulling is al verjaard voor
de rechtbank. Los van de verzachtende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld het
feit dat lensimplantaten zesentwintig jaar geleden nog een experimenteel
fenomeen waren. Ook voor de sci-fi-oogarts. Bovendien was één of andere blokkade op onverklaarbare wijze
een paar seconden opgeheven geweest en waren hij en ik simpelweg overweldigd door
emoties waarmee voornamelijk de
sci-fi-oogarts finaal de mist in is gegaan.
Een paar dagen later ontving ik namelijk een brief met
daarop het logo van het Catharinaziekenhuis. Daarin stond te lezen dat ik
ingepland was voor een operatie die uitgevoerd zou worden door de
sci-fi-oogarts. Ik stond in de wachtrij voor een staaroperatie. Ik las de zin
nog eens. Een staaroperatie. Bij een staaroperatie wordt de bezoedelde, biologische
lens vervangen door een kunstlens. Ik had begrepen dat bij mij de biologische
lens juist zou blijven zitten en dat er lensimplantaten extra in beide ogen
bijgezet zouden worden. Dat is dus wat anders dan een staaroperatie. Mijn
biologische lenzen waren nog kraakhelder. Destijds had ik dan ook nog helemaal
geen staar. Staar zou ik tweeëntwintig jaar later pas ontwikkelen. Erg
geruststellend was het niet om in een erkend ziekenhuis als een staarpatiënt te
boek te staan, terwijl ik in werkelijkheid een vierendertigjarige hyper myoop
was. Trouwens; als we dan toch op de staartoer
gingen dan kon de operatie ook net zo goed gedeclareerd worden bij de
ziekenkostenverzekeraar, want staaroperaties werden in negentiennegenennegentig
dus wel degelijk vergoed. Net als tegenwoordig. Dat zou Hans en mij dan weer
mooi negenduizend gulden gescheeld hebben toen. Maar dan nog. Stel dat er
complicaties zouden optreden? De sci-fi-oogarts maakte zich wel erg belangrijk.
Wie zou me kunnen redden als hij de benen nam bij missers? Dan was ik mooi in
de aap gelogeerd. Had de sci-fi-oogarts niet van een experimentele ingreep
gesproken? Suf getobd hoopte ik ten einde raad oplossingen te vinden bij het patiëntenbureau
van het Catharinaziekenhuis.
Een kort maar krachtig relaas over de perikelen rond mijn
ernstig bijziende ogen is nooit
makkelijk geweest, maar werd na verloop van tijd ondoenlijk. De mevrouw van het
patiëntenbureau, aan de andere kant van de telefoonlijn, had geen boodschap aan
een uitvoerig verslag over de medische stand van zaken van mijn ogen.
‘Misschien moet ik u doorverbinden met de afdeling
oogheelkunde?’, onderbrak ze me al snel.
Maar de aanhouder wint en het kernprobleem drong gelukkig
wel volledig tot haar door. Ik stond ingepland voor een operatie door de
sci-fi-oogarts tegen staar in het Catharinaziekenhuis, terwijl ik helemaal geen
staar had. Daar kon de mevrouw van het patiëntenbureau wel wat mee. Op dezelfde
dag belde ze me terug. Ze had de hele middag haar best gedaan om de
sci-fi-oogarts in het Catharinaziekenhuis te pakken te krijgen om hem ter
verantwoording te roepen, maar hij dook iedere keer voor haar weg in kamertjes achter
allerlei deuren waar privé op stond. Haar lacherige rapportage werkte
aanstekelijk, terwijl ik eigenlijk zin had om te huilen. Helemaal toen twee
dagen later opnieuw een envelop met het logo van het Catharinaziekenhuis in de
brievenbus lag. De inhoud loog er niet om:
Beste mevrouw Sliepenbeek,
Ik heb geen licentie voor het plaatsen van
artisanimplantaten.
Met vriendelijke groet,
De sci-fi-oogarts.
Hoofdstuk 21.
Zo zijn Hans en ik alsnog bij de oogarts van mijn
middelste broer terecht gekomen. Ik kon probleemloos een afspraak maken bij het
Lorentzziekenhuis in Zeist. Dit keer zowaar zonder bemiddeling van de huisarts
van Hans.
‘Ik heb nog een Sliepenbeek in mijn patiënten bestand’,
was één van de eerste zinnen die deze allround oogarts tegen mij sprak.
‘Dat is mijn broer’, was alles wat ik daarover kwijt
wilde.
Mijn middelste broer droeg al een poosje
artisanimplantaten en daar deed hij bij navraag behoorlijk blasé over. In
tegenstelling tot over de financiering van de lenzen en de implantaties. Ik had
begrepen dat hij zijn implantaatlenzen wel degelijk vergoed had gekregen van
zijn ziekenkostenverzekeraar. Net als dat meisje van twintig dat mij had
aangesproken in de wachtkamer van de allround oogarts. Zij kreeg haar
artisanimplantaten gratis, omdat de allround oogarts, volgens haar, nog nooit
een patiënt met zo’n hoge sterkte als haar min zestien had meegemaakt. Als ik
haar moest geloven was hij meteen voor haar op de verzekeringsbres gesprongen.
Waarom dan niet net zo goed voor mij op de vergoedingsbarricade geklommen? Met
mijn fabelachtige min zesentwintig. Waarschijnlijk omdat de brutalen de halve
wereld hebben. Ik heb de allround oogarts nooit op de man af willen vragen om de
medische noodzaak van artisanimplantaten voor mij te bevestigen bij mijn ziekenkostenverzekeraar.
De allround oogarts gaf Hans en mij niet het idee zijn kostbare tijd aan
vergelijkend ziekenkostenverzekeringsonderzoek
te willen verspillen. Hij was eerst en vooral oogarts. En een goed verstaander
heeft maar een half woord nodig. Financiële rompslomp in de spreekkamer zou
trouwens ook weleens tot uitstel van het behandeltraject kunnen leiden, vreesde
ik. En van uitstel komt afstel. Hoewel mijn middelste broer het gevecht over
geld kennelijk wel was aangegaan. Met succes, want hij kon zijn behandelingen
bij de allround oogarts wel declareren. Dat had hij, naar eigen zeggen, absoluut
niet aan een medische indicatie van de allround oogarts te danken, maar aan
zichzelf en zijn genialiteit. Mijn middelste broer had namelijk de allerbeste,
eersterangs ziekenkostenverzekering van Nederland op weten te sporen. Die
zoektocht had tijd en inspanning gekost en Hans en ik werden al moedeloos van
de gedachte alleen al. Voor ons was het niet zo makkelijk om op eigen houtje van
ziekenkostenverzekeraar te veranderen, vanwege bindende afspraken met de
werkgever van Hans. Dus hielden we het maar bij het regelen van de extra
hypotheek op dat rijtjeshuis van ons in de volksbuurt om mijn oogoperaties te
bekostigen. Onderaan de rekening van de allround oogarts prijkte een totaalbedrag
van twintigduizend gulden. Ik geloof tien duizend gulden voor de
artisanimplantaten; duizend gulden ziekenhuiskosten; en negenduizend gulden
voor de laserbehandeling die de concurrentie mij cadeau had willen doen. Indien
nodig.
‘De sci-fi-oogarts bood mij de laserbehandeling gratis
aan’, meldde ik spottend bij de allround oogarts.
Hij begreep me verkeerd. Ik zat vast in mijn klikstand.
Ik was nog niet klaar met spuien van mijn ongenoegens over de misleiding door de
sci- fi- oogarts. Ik probeerde het gevoel alsof mijn ogen in de ramsj lagen
door de financiële onderhandelingen over de operaties te overschreeuwen. Tegen
dovemansoren, want de allround oogarts reageerde met een zuinig mondje:
‘Nou, dat zullen we nog weleens zien dan.’
Meteen voelde ik me weer teruggeworpen op mijn status van
onmondig paar ogen op voetjes in de aanbieding. Voortaan was Hans echter voortdurend
aan mijn zijde tijdens mijn oogconsulten. Voornamelijk vanwege de afstand. De
allround oogarts praktiseerde in Zeist en Driebergen. Best een eind rijden op
en neer vanuit Eindhoven en niet te doen voor een myoop in haar eentje tijdens
een behandeltraject aan haar ogen. Daarnaast fungeerde Hans als mijn vertaler. Hans
kende mijn associatieve manier van denken, die vaak lijnrecht tegenover zijn lineaire
redenaties stond. Hans was niet voor niets een techneut. Net als de gemiddelde oculist.
Hij kon veel beter met het bondige resultaat van meten is weten omgaan dan ik. Zonder
zijn ontcijfering zat ik me weer onnodig op te winden. Voor we het wisten raakte
ik verstrikt in allerlei bijzaken, waarmee ik het mezelf, volgens Hans, alleen
maar moeilijker maakte. Die realisatie nam niet weg dat ik de opmerking van de
allround oogarts moeilijk kon verteren:
‘Nou, dat zullen we nog weleens zien dan.’
Wat zullen we nog weleens zien dan? Had ik om een aalmoes
gevraagd? Moest ik eerst voldoen aan de standaarden? Welke standaarden?
Oogstandaarden? Gedragstandaarden? Moest ik mijn kredietwaardigheid bewijzen of
juist ontkrachten? Of insinueerde de allround oogarts dat we nog moesten zien
of ik überhaupt een laserbehandeling
nodig had? Als mijn oogafwijking geen laserbehandeling vereiste, dan hoefden we
niet verder te zien en dan hoefde er niks gratis weggegeven te worden.
‘Je moet de uitspraken van de allround oogarts niet zo
persoonlijk opnemen’, wakkerde Hans mijn frustratie ongewild nog wat aan.
‘Het zijn toch mijn ogen? Hoe kan ik mijn ogen nou niet
persoonlijk opnemen!’, raasde ik.
Mij zou de allround oogarts niet meer horen over geld,
ziekenkostenverzekeraars en gratis lensimplantaten of laserbehandelingen. Want natuurlijk
was een laserbehandeling nodig naast lensimplantaten. Na vooronderzoek in het
Lorentzziekenhuis bleek ik, jawel: cilindervorming in beide ogen te hebben. Dus
blik op oneindig en verstand op nul. Hans
en ik gingen voor zowel de artisanimplantaten als de laserbehandeling. Als Hans
en ik een uitdaging aangingen, dan deden we het grondig. Mijn middelste broer
kwam nog in opstand:
‘Mij is helemaal nooit een laserbehandeling aangeboden.’
‘Dat zou je anders wel verwachten van jouw premium, exclusieve
ziekenkostenpakket’, spotte Hans met een uitgestreken gezicht.
Hoofdstuk 22.
De laserbehandelingen die ik onderging werden eveneens
door de allround oogarts uitgevoerd, maar niet in het Lorentzziekenhuis. Net
als de sci-fi-oogarts uit Eindhoven zwaaide deze vierde toonaangevende oculist
in mijn leven de scepter in een ooglasercentrum dat de naam Retina droeg.
Retina was gelokaliseerd in Driebergen. Het Lorentzziekenhuis stond in Zeist. Het
behandeltraject heeft een half jaar geduurd van eind negentiennegenennegentig
tot begin tweeduizend en Hans en ik zijn ongeveer twintig keer op en neer
geweest om de allround oogarts te consulteren. Afwisselend óf in Driebergen, óf
in Zeist en weer terug naar Eindhoven. Achteraf was het maar goed dat Hans en
ik toen nog kinderloos waren; om maar te zwijgen van alle vakantiedagen die de
liefde van mijn leven heeft opgeofferd om mij bij mijn oogavontuur te
ondersteunen. Tegenwoordig zou een dergelijke lange-afstandsingreep nogal omslachtig
zijn in het licht van de huidige indrukwekkende hoeveelheid privé oogklinieken
voor lensimplantaten en ooglaserbehandelingen verdeeld over heel Nederland. Ver
gezocht ook. Bij mijn weten was er echter in hetzelfde Nederland van zesentwintig
jaar geleden slechts één enkele oogarts te vinden die een licentie had om
artisanimplantaten te plaatsen en dat was de allround oogarts in Zeist en
Driebergen. Niet voor niks, want als licentie zijn pseudoniem was geweest, dan
zou ik dat direct een schot in de roos gevonden hebben. Ik had in elk geval nog
nooit eerder een oculist ontmoet die mij zo ver wist te krijgen dat ik in een
mum van tijd moeiteloos de regie uit handen liet vallen. Wat een verademing dat
de allround oogarts de koers bepaalde. Dat er überhaupt een route voor het
verkrijgen van levenskwaliteit met mijn ernstig bijziende ogen in de wereld
geroepen was. Mijn gewichtige oogexpeditie voelde zelfs wat lichter aan door de
ongekunstelde manier waarop de allround oogarts gedurende de vele controles een
vast aanspreekpunt bleef op één van zijn posten bij Retina of in het
Lorentzziekenhuis. De zorgvuldigheid waarop de allround oogarts opereerde was
dan ook tekenend voor hem. Omdat het plaatsen van artisanimplantaten zich
destijds nog in de experimentele fase bevond, benadrukte hij het belang van voorzichtigheid.
Daarom koos hij ervoor om de artisanimplantaten onder volledige narcose in twee
sessies te plaatsen. Beide poliklinisch en ik was blij toe. Mijn middelste
broer pochte over de overnachtingen in het Lorentzziekenhuis die hij na het
plaatsen van de gratis artisanimplantaten dankzij zijn exclusieve ziekenkostenverzekering
eveneens vergoed had gekregen. Op die manier schiep hij bij mijn ouders en twee
andere broers wel het idee-fixe dat ik me liet uitbuiten, terwijl hij de fikser
was. Mijn middelste broer – de geweldenaar - regelde twee kosteloze overnachtingen
in het Lorentzziekenhuis en bespaarde een hotel. In mijn ogen was dat
vergelijkbaar met een zwerver die een plekje in de daklozenopvang wist te
bemachtigen in plaats van wederom een nachtje in de cel te belanden. De partijdigheid
van vooral mijn ouders was allang niet zorgwekkend meer. Eerder lachwekkend. Ik
was vierendertig en niet meer verplicht om mijn bestedingspatroon ten opzichte
van het thuisfront te verantwoorden. Er zijn grenzen. Zelfs aan codependentie.
De kostbare energie die hiermee bespaard is gebleven had geen ziekenkostenverzekeraar
mij ooit kunnen vergelden.
De laserbehandeling bij Retina werd normaliter wel in één
keer uitgevoerd aan twee ogen tegelijkertijd. Uitzonderingen daargelaten en
daar was ik met mijn geplande artisanimplantaten er één van. De moeilijkheid
begon al direct bij de eerste stap van de laserbehandeling. Om te beginnen
moesten er inkepingen, of zogenaamde flapjes, in het hoornvlies gelaserd
worden. Deze flapjes werden gemaakt om de oogbolling in de diepere lagen van het hoornvlies met de
laser te kunnen aanpassen aan de juiste dioptrie of om cilindervorming te
corrigeren. Nou wilde het ingewikkelde geval dat de flapjes in mijn ogen dienden
te gebeuren alvorens de artisanimplantaten in het oog geplaatst werden. De allround
oogarts kon ongetwijfeld precies uitleggen hoe en waarom, maar ik zat allang
aan de taks van mijn informatieverwerking. Zo geloofde ik ook graag dat het corrigeren
van mijn cilinder met de laser alleen maar kon plaatsvinden nadat de
lensimplantaten al in mijn ogen gezet waren. Dus de flapjes moesten voor de
artisanimplantaties en de lasercorrecties erna. Het slechte nieuws was dat na
stap één van de procedure; dus na het laseren van de flapjes in het hoornvlies,
geen contactlenzen meer gedragen konden worden. Ik zag mezelf al doelloos voor
bepaalde tijd in de dikke mist dolen zonder mijn kunstkijkers. Mijn reserve
monsterbril met jampotglazen was in het uiterste geval van overmacht geen
populaire optie. In de praktijk zag ik bar slecht door dat ding. Ik
functioneerde beter met maar één oog. Weer een punt voor mijn voormalige
kwelgeest. Veel liever stelde ik daarom eigenhandig een rooster op, waarbij ook
de laserbehandeling stap voor stap in oog voor oog plaatsvond. Dat rooster
leverde ik – met medeweten van de allround oogarts - in bij de interne
coördinatrice van Retina. Met mondelinge toelichting, die ze halverwege beleefd
onderbrak:
‘Ja, dat snap ik zelfs’, zei ze lukraak.
Dat vond ik knap. Vooral omdat er op dat punt in mijn
uitleg nog helemaal niet zoveel te begrijpen viel. De nieuwe huisarts die Hans
en ik in die episode bezochten, omdat we inmiddels weer een huizencategorie
verder in Eindhoven verhuisd waren, had iets meer tact, maar zijn reactie kwam
op hetzelfde neer. Toen ik hem mijn oogverhaal wilde doen, viel hij me in de
rede met de dooddoener:
‘Ja, houd maar op, ik hoor het al; u weet er meer van dan
ik!’
Mij best, dan ging ik toch niet meer naar de huisarts.
Met mijn handgeschreven rooster kon ik
er in ieder geval honderd procent zeker van zijn niet compleet slechtziend door
het leven te moeten gaan gedurende het behandeltraject. Er was steeds één
functionerend oog ingeroosterd. Dat was te doen, wist ik van mijn eerdere
recidiverende erosies. In het rooster stond het rechter oog voorop. Op naar
Retina voor een flapje. Vanuit het Lorentzziekenhuis werd op een andere datum de
operatie voor het plaatsen van een artisanimplantaat in het betreffende oog met
het flapje ingepland. Tenslotte volgde na een poosje de corrigerende laserbehandeling
weer bij Retina. Aansluitend herhaalde hetzelfde procedé zich bij het linker oog.
Tel allerlei vooronderzoeken en de controles bij die zes behandelingen op. Dan
lijkt de uitkomst van de ingeroosterde twintig
keer heen en weer van Eindhoven naar Zeist of Driebergen al wat minder buiten
proportioneel.
Niettemin was er sprake van een onorthodox aantal
onderonsjes met de allround oogarts. De sessies bij Retina en in het
Lorentzziekenhuis hebben dan ook een onuitwisbare indruk op me gemaakt. Niet
alleen vanwege het resultaat. Hoewel mijn zicht in de loop van de ingrepen hoe
langer hoe beter werd en haarscherp eindigde. Het succes zat voor mij veel meer
in de gelijkmatigheid van mijn visie. Ik was wel vaker kraak heldere beelden
gewaar geworden, maar nooit langer dan een paar minuten achtereen. De
duurzaamheid van het strakke beeld alsmede het feit dat ik niet langer contactlenzen
in mijn ogen hoefde te verdragen, vormden voor mij de belangrijkste toegevoegde
waarde van artisanimplantaten. Niet het gangbare stereotype van een
slechtziende; van de hulpeloze patiënte die na een wonderbaarlijke oogoperatie in
een volledig nieuwe kosmos van visualisaties werd geworpen. Dat dit ongelofelijke
cliché werkelijk leefde, illustreerde een anekdote van een verpleegster uit het
Lorentzziekenhuis. Ze verscheen aan mijn ziekenhuisbed toen ik net ontwaakte
uit mijn narcose. Ik was geholpen aan mijn eerste oog dat potdicht achter een verband
verborgen zat. Pas de volgende morgen zou ik het verbonden oog, na een
nachtrust thuis, mogen onthullen. In het andere oog dat niet geopereerd was,
had ik mijn zachte contactlens nog niet ingezet, daar ik amper de kans had
gehad om bij te komen van de narcose. Ik leefde dus in het duister van één
verbonden, geopereerd oog en in de mist van één onbehandeld oog zonder
kunstkijker.
‘Hoeveel vingers steek ik op’, wilde de zuster gekscherend
weten.
Ze bracht thee en een boterham met kaas volgens prescriptie. Aan mij om de maaltijd
te verorberen. Liefst met smaak. Daarna mochten Hans en ik huiswaarts.
’Ik zie nog niks’, antwoordde ik zo uitgeslapen mogelijk.
‘Dan moet jij morgen eens kijken’, voorspelde de zuster
met de belofte van een openbaring in haar stem.
Ze kwam nog wat dichter bij het hoofdeinde staan en
vervolgde op amicale toon:
‘We hadden hier laatst ook een man met min zesentwintig
en nadat hij de lensimplantaten gekregen had en wakker werd uit narcose, keek hij
zijn vrouw aan, die naast zijn bed zat en zei:
‘Nou zie ik pas dat ik al die jaren met moeders mooiste
getrouwd ben geweest’.’
Wat een slechte humor was dat. Ik stelde me zo voor dat
Hans zijn mondhoeken beleefdheidshalve een seconde hooghield. En ik lachte
tegen mijn zin mee met de gierende verpleegster die bijna stikte in haar eigen
mopje.
‘Wat zie je?’, vroeg de allround oogarts de dag daarop euforisch
tijdens de controle.
Zijn gelukzaligheid stoorde me. Ik voelde me opgelaten. Bovendien
hadden de vervormingen uit het tijdperk van mijn bloedingen zich die ochtend na
het verwijderen van het oogverband ineens weer aangemeld. Ze flikkerden als een
zilveren kerstslinger middenin het kraak heldere beeld van mijn nieuwe oog.
‘Het went wel weer’, sprak ik mezelf troostend toe.
Ik wilde er niet over beginnen. Ik zou geen partypooper
zijn. Verder reikte mijn aanpassingsvermogen niet. Het stereotype beeld van de
voormalige slechtziende in extase, weerspiegelde opdringerig in de ogen van de
allround oogarts.
‘Wat zie je?’
Van alle vragen die de allround oogarts had kunnen
stellen; getuigde dit exemplaar toch wel van een mega blinde vlek in zijn realiteitszin.
‘Wat zie je?’
Die vraag! Wat wilde de allround oogarts van me horen?
Wat moest ik zeggen? Moest ik uit mijn patiëntenstoel springen en uitroepen:
‘Mijn God, nu pas zie ik het licht?’
In plaats daarvan koos ik voor de ontnuchterende waarheid:
‘Ik heb hiervoor altijd een bril of contactlenzen
gedragen. Anders zou ik vijfendertig levensjaren lang een ongeleid projectiel
geweest zijn, vrees ik.’
Hans stond merkbaar aan de kant van de allround oogarts.
Maar ik was niet ondankbaar. Tijdelijk wel weer helemaal terug geworpen op mijn
positie van een paar ogen op voetjes. Pas nadat alles achter de rug was, kwam
Hans op zijn onuitgesproken veroordeling van mij terug:
‘Jij ziet helemaal niet zoveel beter’.
Hij kon het weten. Hij maakte mij elke dag mee.
‘Maar wel consequent’, antwoordde ik vergevingsgezind.
Dat kon ik dan weer alleen weten. Die consistentie in het
zicht was een permanente gelukzaligheid. Hoewel ik na de plaatsing van de
artisanimplantaten en de laserbehandeling niet meer in een fysiek boek kon
lezen. Daarvoor gebruikte ik in het begin nog stiekem een leesbril van de
Action. Heimelijk, omdat de allround oogarts vond dat ik mijn blote ogen moest
trainen. Maar als ik dan vervolgens de prijzen in de supermarkt niet ontcijferd
kreeg, dan begon ik behoorlijk te twijfelen aan het nut van die zelfkastijding.
De verleiding om te capituleren werd dan wel
erg groot met een wegwerpbrilletje binnen handbereik. Het verlichtte
scherm van een E-Reader bood enigszins soelaas bij het lezen. Toch hield ik dat
zogenaamde ‘blote oog trainen’ niet lang vol en algauw was ik een vaste klant
bij zo’n brillenwinkel keten. Eerst bij Van Maaren en later bij Pearl.
Kapitalen heb ik de afgelopen jaren besteed aan speciale computer- en leesbrilglazen
en fancy monturen. Desondanks was en bleef ik dik tevreden met mijn
lensimplantaten. Ze kwamen de belofte na van een toekomst vol
bewegingsvrijheid, waarbij ik me niet
bezig hoefde houden met; heftige schommelingen in de kwaliteit van mijn
zicht, het in-en uitzetten van contactlenzen, de chronische aanschaf van
contactlenzen inzet- en bewaarvloeistof, reserve monsterbrillen, recidiverende
erosies, onwetende huisartsen, sprakeloze oculisten en schrandere
optometristen. Wel jammer dat de allround oogarts nooit gevraagd heeft naar
mijn persoonlijke bevindingen. De onderonsjes bleven aan de oppervlakte van
zijn belevingswereld.
‘Ik vind het zo goed dat we het nulpunt bereikt hebben
met jouw ogen’, fluisterde hij me bijvoorbeeld in aan het einde van het
traject.
Zijn ongetwijfeld, onbedoelde verkapte compliment aan
zichzelf, weerhield mij ervan om mijn erkentelijkheid jegens hem uit te
spreken. In plaats daarvan antwoordde ik kriegelig:
‘Ja, dat was toch ook het uitgangspunt.’
Zijn blik verstarde. Ik beledigde hem, maar niet expres. Hij
deed hetzelfde bij mij, want de allround oogarts begroette me op een ander
moment net zo makkelijk ijskoud als:
‘Eén van zijn succesnummers’.
Daar zat ik dan muurvast in zijn hokje van perfecte
oogpatiënte. Op mijn vrijpostigheden na. En de allround oogarts was bijna mijn ideale
oculist geweest; als hij me tenminste niet tot één van zijn succesnummers had
gedegradeerd.
Hoofdstuk 23.
Ongeveer drieëntwintig jaar lang heb ik van mijn
artisanimplantaten kunnen profiteren. Alsof ik was genezen van mijn ernstige
bijziendheid, hetgeen natuurlijk een drogbeeld was. Mijn afwijkende oogvorm
moest uiteraard wel in de gaten gehouden worden. De eerste paar jaren na het
behandeltraject in Zeist en Driebergen consulteerden Hans en ik nog samen de
allround oogarts. Op zijn advies jaarlijks in het Lorentzziekenhuis in Zeist.
‘Omdat het plaatsen van artisanimplantaten nog in de
experimentele fase is, weten andere oogartsen vaak niet waar ze kijken moeten’,
legde hij uit.
Ik suggereerde maar niet:
‘In mijn ogen misschien?’
In plaats daarvan probeerde ik de cryptische, beladen
sfeer in de spreekkamer van het Lorentzziekenhuis op aanraden van Hans niet
persoonlijk te nemen. Dat resulteerde onverbiddelijk in afstandelijke
routinecontroles die hoe langer hoe moeilijker in het drukke leven van Hans en
mij vielen te integreren. Niet lang nadat de artisanimplantaten veilig en wel
in mijn ogen zaten, waren Hans en ik in twee jaar tijd ouders geworden van twee
kinderen. Een dochter en een zoon die mijn hoge myopie overigens, Godzijdank,
niet geërfd hebben. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zat ik op de
blauwroze wolk. Heel anders dan de postnatale depressies waarvoor mijn moeder mij
had gewaarschuwd.
‘En dat heb ik allemaal te danken aan de
artisanimplantaten’, verzuchtte ik op een keer zweverig.
Hans trok zijn wenkbrauwen op:
‘Je hebt toch wel opgelet tijdens de biologielessen?’
Niet speciaal nee, maar ik was er jaren lang vanuit
gegaan dat ik niet op een normale manier zou kunnen bevallen. Toen ik begin
twintig was en getroffen werd door bloedingen in mijn rechteroog, had mijn
Eindhovense oogarts mij verboden om me nog langer in te spannen of zwaar te
tillen om erger te voorkomen. Zonder tijdslimiet of andere specificaties. Naar
mijn eigen vrije interpretatie van haar verordening zou kinderen krijgen in
mijn geval weleens een bezwaar kunnen zijn, want hoe moest dat goed komen met
de te verwachten mega druk op mijn ogen tijdens een eventuele bevalling? In
mijn voorstellingsvermogen zag ik al enorme bloeduitstortingen in beide ogen door
het persen. Die bloedingen zouden uitmonden in vervormingen en dan zou ik toch
hartstikke slecht kunnen zien? Hoe moest ik mijn toekomstige kinderen dan
opvoeden? Voor de komst van de allround oogarts kon niemand mij geruststellen. Men
begreep niet eens waar ik me druk om maakte.
‘Om niets’, verduidelijkte
de allround oogarts ten langen leste.
Hij gaf aan dat de oogbloedingen die ik vijftien jaar
eerder in mijn rechteroog had gehad geen direct oorzakelijk verband hebben met
de druk op het oog tijdens het persen bij een bevalling. Wat geloofde ik hem
graag. Nou heb ik uiteindelijk niet bijster veel hoeven te persen bij een
vacuüm extractie en een spoedkeizersnee, maar ik heb destijds ook geen extra
bloedingen aan mijn twee bevallingen overgehouden.
Met twee peuters zat ik echter wel wat minder flexibel in
mijn dagbesteding. Hetzelfde gold voor Hans die vanwege een nieuwe
onregelmatige dienstregeling op zijn werk ook nog eens steeds moeilijker
vanzelfsprekend tijd kon vrijmaken om met mij op en neer naar het
Lorentzziekenhuis in Zeist te rijden ter controle van mijn artisanimplantaten.
Zelf achter het stuur kruipen was geen optie, omdat ik waarschijnlijk pupil
vergrotende oogdruppels voor de controles zou krijgen. Het wazige zicht dat
daaruit voortvloeide bleef meestal wel de hele dag nazeuren en dat was heel
griezelig autorijden. De spookrijders kwamen me keihard tegemoet op de snelweg.
De oplossing lag voor de hand, omdat Hans, de peuters en
ik in de tussentijd verhuisd waren van Eindhoven naar het onovertroffen
Nijmegen. Het heerlijke Havana aan de Waal. Studenten- en universiteitsstad. Met een universitair
medisch centrum, oftewel het Radboud UMC. Hetzelfde Radboud waar ik vijfentwintig
jaar eerder op de gerenommeerde afdeling oogheelkunde was afgewezen vanwege de
bloedingen in mijn rechteroog. Hans belde voor mij naar de oogafdeling van het
Lorentzziekenhuis in de hoop om – desnoods na een afspraak - aan de telefoon
met de allround oogarts te kunnen
bespreken welke oogarts wij het beste in Nijmegen konden consulteren, want ik
kon me er niet toe zetten om contact op te nemen met het Lorentzziekenhuis. Ik
schoof een vervolgconsult aan de oogarts elke dag voor me uit in de ijdele hoop
dat de noodzaak tot controle van mijn ogen vanzelf zou verdwijnen. Maar Hans maakte
zich zorgen en vond dat ik jaarlijks gecontroleerd moest worden, zoals de
allround oogarts trouwens zelf geadviseerd had. Welke oculist in Nijmegen adviseerde de allround oogarts ons
dan? Maar de directe manier van onderhandelen van Hans was not done in het
Lorentzziekenhuis. De allround oogarts kreeg hij niet meer te spreken. Ik had
al zo’n voorgevoel. Uit het oog uit het hart. Hans reageerde minder emotioneel
en hield voet bij stuk:
‘De allround oogarts kan toch wel een naam van een
oogarts hier in Nijmegen doorgeven. Hoe moeilijk kan het zijn?’
Niet makkelijk
in ieder geval. Uiteindelijk kregen we via de secretaresse een naam door. Van
een vrouwelijke oogarts in het Radboud UMC op
loopafstand van mijn nieuwe woonadres. Wat kon er dan nog verkeerd gaan? Op de mismatch
met de vrouwelijke oogarts na dan. Door haar zou ik me weer opnieuw laten
afpoeieren in het Radboud. De buitensporige wachttijd was niet nieuw. Wel dat
ik geen verplicht vooronderzoek hoefde te ondergaan bij een optometrist en dus
ook geen pupil vergrotende druppels kreeg toegediend. Toen de oogarts uiteindelijk opdook en zich niet aan me
voorstelde, kon ik zelfs die
veronachtzaamheid nog billijken, maar het dedain waarmee ze me van top
tot teen opnam, alsof ik een hersenloze slavin van de cosmetische industrie
verpersoonlijkte, of een aandachtshoer op oorlogspad, schoot bij mij in het
verkeerde keelgat. Ze had een uitdrukking op haar gezicht alsof ze wilde
zeggen:
‘Zo geniaal als ik, ga jij nooit worden.’
Juist toen ik ad rem uit de hoek wilde komen, schoof ze bruusk
de meetapparatuur voor mijn gezicht. Voordat ik het goed en wel in de gaten
had, was ze er alweer klaar mee en sloot het consult af met maar één zin in de klankkleur
van een peuterleidster:
‘Dat heeft de allround oogarts mooi gedaan’.
Wat mij betreft had ze beter kunnen zeggen:
‘Dat heeft
Pygmalion mooi gedaan’.
Ik voelde dan ook geen enkele behoefte om naar een vervolgconsult
in of via het Radboud te vragen, dat zij overigens ook niet aanbood. Achteraf
vraag ik me zelfs af of de allround oogarts mijn medische gegevens wel had
doorgesluisd naar het Radboud. Daar ga je wel vanuit als brave burger, maar
door schade en schande wijs geworden, waag ik dat inmiddels toch te
betwijfelen. Na de zoveelste deceptie heb ik ruim twaalf jaar geen oogarts meer
bezocht. Dat ik daar uiteindelijk alleen mezelf zuiver mee heb gehad, blijkt
vandaag wel uit het achterstallig onderhoud aan mijn ernstig bijziende ogen. Niemand
heeft de glaucoomschade gewild die ik
hierdoor heb opgelopen. Maar ik zit er nou wel mee opgescheept voor de rest van
mijn leven.
Hoofdstuk 24
Ook vandaag zijn de vooroordelen over zogenaamde
cosmetische ingrepen de wereld nog niet uit. Hebben patiënten daarom na een
cosmetische ingreep minder recht op nazorg? Hoe ijdel mag je zijn en wie
bepaalt dat? Was niet alles ijdelheid? Trouwens
je bent niet altijd als vanzelfsprekend mooier zonder ‘normale’ bril. Je bent wel meestal
beter af zonder monsterbril met jampotglazen. Hoe dan ook heb ik geen
toestemming nodig van moraalridders, die ruim vijfentwintig jaar na dato
sowieso achter de feiten aanrennen. Zo zat ik amper anderhalf jaar geleden in
een spreekkamer van de oogafdeling van het CWZ. Ik had geen idee of de persoon
die ik op die dag consulteerde een
optometrist of een oogarts was. Na mijn staaroperaties in
tweeduizenddrieëntwintig had ik – vanwege complicaties - al zoveel verschillende oogartsen en
optometristen op de afdeling oogheelkunde in het CWZ geconsulteerd dat het mij om het even was wie
mij verder hielp. De naambordjes op de deuren waren veelal blanco, of klopten
niet. De dame in kwestie stelde ik een vraag over de schaafwonden op het
hoornvlies van beide ogen, die ik had opgelopen tijdens mijn staaroperaties. De
schaafwonden hadden volgens haar te maken met mijn relatief dunne hoornvlies.
Dat was nieuw voor mij, dus ik vroeg:
‘Is mijn relatief dunne hoornvlies gerelateerd aan mijn
hoge myopie?’
Het antwoord dat ik vervolgens kreeg, kan ik nou nog niet
thuisbrengen:
‘We moeten ons afvragen of we die
ooglaserbehandeling bij u indertijd
überhaupt wel hadden moeten laten uitvoeren.’
Op mij komt zo’n Freudiaans antwoord over als een waardeoordeel.
De relatie tussen de schaafwonden op
mijn hoornvlies uit tweeduizenddrieëntwintig tot mijn laserbehandeling uit het
jaar tweeduizend raakt hoogstwaarschijnlijk kant noch wal. En wie zijn ‘we’ die
zich moeten afvragen of ‘we’ die laserbehandeling indertijd bij mij überhaupt
wel uit hadden moeten voeren? Ze doelde waarschijnlijk op het oogheelkundige
universum. Welke bijdrage leverde deze mevrouw eigenlijk aan het grotere
oogheelkundige geheel?
‘Bent u oogarts?’ vroeg ik daarom niet naar de bekende
weg dus, maar dat wist die mevrouw niet.
‘Nee, ik ben optometrist’, antwoordde ze, na een korte
slikpauze, hoorbaar op haar teentjes getrapt.
Niet dat er wat mis is met optometristen. Mijn kwelgeest
bleek achteraf ook een onuitputtelijke bron van medische oogkennis te zijn
geweest. Desondanks was ik enigszins
gerustgesteld. Wel ben ik vervolgens opgestapt. Hoe ouder ik word, hoe minder respect
ik kan opbrengen voor oogartsen of optometristen die mij als een paar ogen op
voetjes blijven behandelen.
Niemand heeft mij zesentwintig jaar geleden in de val van
een cosmetische ingreep gelokt. Ik heb rond de eeuwwisseling uit medische
noodzaak gekozen voor artisanimplantaten en een laserbehandeling. Een
behandeltraject waarop het etiket ‘cosmetische ingreep’ was geplakt. Al lang en
breed voor mijn deelname. Onterecht vind ik nog steeds. Hoewel Shakespeare al
schreef:
‘What’s in a name?’
En laten we voor de volledigheid vooral het rollende geld
niet vergeten als we het beestje dan toch bij de naam willen noemen. Hing de
vergoeding bij artisanimplantaten nog van de ziekenkostenzekeraar af, bij het
ooglaseren ben ik vijfentwintig jaar geleden helemaal niemand tegengekomen die
de ingreep niet uit eigen zak bekostigde. Retina in Driebergen was indertijd de
uitkomst voor de correctie van een dioptrie tot min tien en plus zes. Daar
hoefde over het algemeen geen patiënten met artisanimplantaten uit het
Lorentzziekenhuis aan toegevoegd te worden. Boven de min tien werd je sowieso
over het algemeen niet meer als interessant gezien. Meer als visueel beperkt.
Maar we discrimineren niet. Zolang ik maar betaalde. Bij Retina kwam gewoon
niemand zonder eigen geld binnen. Het particuliere ooglasercentrum moest dus
wel exclusiviteit, status en splendeur uitstralen als lokkertjes; om te kunnen
blijven draaien. In tegenstelling tot het openbare Lorentzziekenhuis waar de oogpatiënten
vanzelf wel bleven toestroomden.
De opgedofte entourage bij Retina imponeerde me niet. Dat
is geen koketterie. Ik heb er alles aan gedaan om leuk mee te doen met de
kunstmatige gedragscode tussen de klanten en het team bij Retina. Totdat ik
merkte dat de omgangsvormen geen grapjes waren, maar een soort kansspelen met
winnaars en verliezers. Zelfs de allround oogarts trok zijn witte jas uit en
speelde mee. Het toppunt van pijnlijk was het ‘vluggertje’ waarover hij repte, nadat
één van mijn oogcontroles snel gepiept was. Ik acteerde dat ik hem niet gehoord
had en dacht:
‘Val nou alsjeblieft niet uit de rol van oogarts in het
belang van de goede verstandhoudingen.’
Prompt herhaalde hij zijn ongevoeglijke dubbelzinnigheid.
In het bijzijn van Hans nota bene:
‘Dat was een vluggertje!’
Ik kon er nog steeds niet mee lachen en besloot vanaf het
vluggertje om ook geen moeite meer te doen om erbij te horen. Waarom zou ik
eigenlijk?
Want in de ontvangstruimte van Retina zat ik nooit op
mijn gemak. Hoe ik ook mijn best deed om mijn schaduwzijde te verdringen. Tijdens
het wachten nam mijn zelfvertrouwen stelselmatig af. Was mijn kapsel eigenlijk
wel haute coiffure en mijn kleding haute couture? Thuis voor vertrek zag ik meestentijds
maar de helft van mezelf in de spiegel vanwege mijn operatierooster. Eén oog
was vaker wel buiten werking dan niet en aan Hans had ik niks. In zijn ogen zag
ik er altijd prima uit. Bij Retina was dat ineens niet goed genoeg meer voor
me. Make-up was verboden, dus dat scheelde weer hoofdbrekers. Stel je voor;
laser met oogschaduw, mascara en eyeliner. Toch had ik bij Retina voornamelijk
associaties met een schoonheids- of kapsalon. In de ontvangstruimte werd de
klant omgeven door flatterende sfeerverlichting en vitrines met oogcrèmes en
andere schoonheidsproducten. De toonkasten stonden her en der opgesteld tussen
de vele eigentijdse, elegante kuipstoeltjes, waarin Hans vanwege zijn lengte
aldoor nogal opgevouwen zat. Bij de balie prijkten rekken met merkmonturen en designer
zonnebrillen. En in het midden van de wachtruimte was een klaterende fontein
die mij pas tegen het einde van mijn sessies opviel toen ik het waterballet
ternauwernood wist te ontwijken.
Om te kunnen laseren werd het epitheellaagje bij de
klanten van Retina van het hoornvlies geschraapt. Na de laser zaten we in een
aparte, afgesloten ruimte bij elkaar in veredelde strandstoelen. We kregen
allemaal valiumtabletten om de schrijnende pijn van het verwijderde bovenste
laagje van het hoornvlies te kunnen verdragen. Het zeer was bekend van mijn
recidiverende erosies, maar minder penetrant, want kunstmatig aangebracht. Niet
ongeremd. Ik was dus erger gewend en had in het verleden de pijn net zo goed
weten te doorstaan met een eenvoudig paracetamolletje. Nooit met valium. Dat was
één keer en nooit meer. Ik werd er ter plekke paranoïde van. Die
achtervolgingswaan nam ik vervolgens mee naar huis en heeft een week
aangehouden. Ik was er zeker van dat er overal afluisterapparatuur verstopt was
en lag voornamelijk tijdelijke waanzinnig in bed huilend in mijn kussen te
bijten. Dat Retinagebeuren begon me behoorlijk op te breken. De schone schijn
kon ik niet meer ophouden. De verveling steeg me naar mijn hoofd. Mijn tuin
lonkte. De hond wilde naar het bos. Mijn schrijfwerk schreeuwde om aandacht. Kortom;
ik wilde mijn leven terug. Mij moest je gewoon niet bij al die mooie sier
willen betrekken. Waarom legde niemand mij uit hoe ik eventjes in het keurslijf
van uiterlijke Retinaschijn kon passen? Nu moest ik noodgedwongen constant
terugvallen op mijn eigen voorwaarden. Had me dan ook met rust gelaten. Ik was oud
en wijs genoeg om mijn eigen bestedingspatroon te bepalen. Op de bekostiging
van de ooglaserbehandeling na dan. Maar zo werkte de nouveau riche van Retina dan
weer niet. Alhoewel ik wel in mijn vuistje lachte, omdat Hans onbedoeld iedere
keer met het nieuwste model auto kwam aanzetten in Driebergen. Hans werkte in
de detachering en hij reed verplicht in een representatieve auto van de zaak.
Omdat zijn eigenlijke auto in revisie was met een ingewikkeld technisch
probleem bij de garage van de lease-maatschappij, had hij recht op vervanging
van een model in een gelijkwaardige prijsklasse. Hetzelfde plaatsvervangende model
was niet altijd voor lange tijd voorhanden. Vandaar dat Hans gedurende een
kwartaal om de veertien dagen een andere prijzige substituutauto meekreeg. Precies in de periode dat hij en ik
om de haverklap heen en weer moesten van Eindhoven naar Zeist of Driebergen. Hans
vermaakte zich wel met al die uiteenlopende modellen en ik verkneukelde me
vanwege de indruk die de verschillende wagens maakten op de buitenwacht. Vraag
me echter niet naar de automerken. De scheve en/of vragende ogen bij de klanten
en het team van Retina waren iedere keer een extra bonus. Waar deden Hans en ik
het van? Waar kwamen die bolides toch steeds vandaan? Toch had het plezier een
keerzijde. Alsof ik tegen mijn zin in de polonaise meegetrokken werd. En ik
wilde niet vervelend zijn; maar ik had ook recht van spreken. Wij hadden net zo
goed uit eigen zak geïnvesteerd in een ooglaserbehandeling.
‘Dat zeg je niet!’, riep de allround oogarts mij achteraf
tot de orde in het Lorentzziekenhuis.
Wat bezielde hem om mij opeens op een bestraffende toon
aan te spreken? De witte jas die hij in het Lorentzziekenhuis wel droeg en bij
Retina niet? Ik maakte zelf wel uit wat ik wel en niet zei. Zowel bij Retina
als in het Lorentzziekenhuis. De allround oogarts ging me toch niet vertellen
dat ik mijn ‘fatsoen’ moest houden? Ik had hem hoger ingeschat dan de huisarts
van Hans destijds. Al mijn opgekropte frustratie borrelde van mijn onderbuik
naar mijn strottenhoofd. Hans zag het gebeuren en wist niet waar hij kijken
moest, maar ik was in vorm. Het vluggertje dook weer op in mijn geheugen. Samen
met nog een handjevol platte tonggelukjes uit de vlotte omgangstaal bij Retina.
Ik ging eens goed zitten in mijn patiëntenstoel. Ik ving de verongelijkte blik van de allround oogarts en
nam de tijd om mijn repliek grondig te articuleren:
‘Ja, maar er zijn ook dingen tegen mij gezegd, die je
niet zegt!’
Hoofdstuk 25.
Dingen die je niet zegt. Ook niet tegen jezelf, terwijl
de intuïtie signalen afgeeft zoals steken in de onderbuik of een trekkend
gevoel in de buurt van het hart. Dat soort seintjes wilde ik niet weten.
Ondertussen herkende ik mijn zeventienjarige dochter niet tussen haar
jaargenoten bij haar diploma-uitreiking. Ik goochelde tevergeefs met mijn
leesbril; poetste de glazen, maar kwam
er niet uit. Van de ene op de andere dag viel het me ook op dat ik ongewoon
veel moeite had om me te oriënteren in onbekende ruimtes en plaatsen. Ik leefde
in een roes. Een rouwroes, want begin tweeduizendnegentien ben ik weduwe
geworden. Hans stond niet langer meer fysiek aan mijn zijde. Een jaar later
stierf mijn moeder en kondigde de Coronapandemie zich aan. Hoeveel sociaal
acceptabele redenen heeft een mens nog meer nodig om zichzelf toe te staan zich
terug te trekken? Het liefste door onkruid te wieden in de tuin. Op mijn knieën
tussen het groen en maar wroeten in de aarde. Geen precisiewerk waar je ook
niet bijster lang bij stil hoefde te staan in de wind om mijn oren die het
rumoer om me heen verstomde. Totdat ik zand van een graspol, of een insect, of
zoiets in mijn linker oog kreeg. Het was dertig mei; de zaterdag voor
Pinksteren tweeduizendtwintig.
In de keuken vond ik een flacon contactlenzeninzetvloeistof.
De flacons stonden door het hele huis. Al minstens een decennium daarvoor was
ik weer begonnen met de aanschaf en het gebruik van dat goedje. Niet om mijn
contactlenzen in te zetten. Ik droeg immers
implantaatlenzen. Sindsdien was wrijven in mijn ogen taboe. en had ik
bij irritatie, jeuk of uitdroging om de haverklap contactlenzeninzetvloeistof
nodig om mijn ogen te bevochtigen. Gemiddeld
tien keer druppelen per dag. Vandaar dat ik de aller goedkoopste uitvoering van
contactlenzeninzetvloeistof in kwartliter flessen bij de Action aanschafte. Ik
wist heus wel dat er kunsttranen in de handel waren, maar een dertig millimeter
potje van dat spul was zelfs bij het Kruidvat drie keer duurder dan een
voordeelflacon van tweehonderdvijftig milliliter contactlenzeninzetvloeistof.
Van het geld dat ik op die manier bespaarde, konden de kinderen en ik na tien
jaar makkelijk veertien dagen naar Ibiza. Als we daar tenminste behoefte aan
hadden gehad.
Met mijn hoofd schuin boven de gootsteen spoot ik
straaltjes contactlenzeninzetvloeistof uit de flacon in de hoek van de
traanbuis van mijn linker oog. Daar raasde een zandstorm. Er kwam weinig
verlichting, want het leek alsof de contactlenzeninzetvloeistof samenklonterde
met het tuinafval in mijn oog. Vervolgens scheen de substantie zich als stroop
of hobbylijm op te hopen onder de benedenrand van mijn linker ooglid.
Kraanwater bood eveneens geen soelaas. De waterval was te vluchtig en
oppervlakkig om de aangekoekte klontjes vuil uit mijn linker oog mee te nemen.
Alsof dat nog niet pijnlijk genoeg was, werd hierdoor het gebied rondom en in
mijn linker oog ook nog schraal. Het getroffen oog begon te protesteren. Het
trilde, traande en vertroebelde. Mijn oogleden werden zwaar en mijn oogbol sloeg
op hol. Natuurlijk wierp deze oogexplosie mij terug naar mijn recidiverende
erosies in het rechter oog van eind jaren negentig, maar dit kon niet hetzelfde
zijn. Deze keer was ik met geen kleerhangerhaakje of een harde contactlens bij
mijn hoornvlies in de buurt geweest. Bovendien was dit mijn linker en niet mijn
rechter oog van toen. Ik hield me groot ten opzichte van mijn twee, verontruste,
jongvolwassen kinderen van zeventien en achttien. Het ging alweer en na een
nachtrust zou alles pico bello in orde zijn. Zo was het me immers eind jaren
negentig ook telkens vergaan met mijn recidiverende erosies.
In de nacht van zaterdag dertig op zondag eenendertig mei
tweeduizendtwintig heb ik letterlijk en figuurlijk geen oog dicht gedaan. Hoe
zwaar mijn oogleden ook werden; het linker oog liet zich niet volledig sluiten.
Door het spleetje hoopten zich dikke druppels
vocht samen op mijn wimpers.
‘Goed zo’, dacht ik; ‘op deze manier spoelt het oog
schoon.’
Maar de druppels waren te traag om troep uit mijn linker
oog te laten vloeien en ik kon de stand van zaken allang niet meer overzien in
de spiegel. Het was alsof er een tijdbommetje in mijn linker oogkas bonkte.
Hoeveel ijszakken ik ook op het linker oog legde die nacht of flacons
contactlenzeninzetvloeistof er nog doorheen jaagde, niets bracht verlichting. Bij
het ochtendkrieken, op de tast onderweg
naar de vaste telefoon om de huisartsenpost te bellen, realiseerde ik me ineens
dat het hele riedeltje van miscommunicatie en onbegrip rond mijn recidiverende
erosies van eind jaren negentig zich vanaf eerste Pinksterdag
tweeduizendtwintig weer dreigde te herhalen. Met dit verschil dat ik er dit
keer alleen voorstond als onervaren weduwe.
Pas op weg naar de huisartsenpost bij het CWZ besefte ik
hoe gevaarlijk ik bezig was door gedachteloos achter het stuur te kruipen met een
overdosis paracetamol en een oog dat op exploderen stond. Ik vocht met de zonneklep
in de auto om de ochtendlichtinval te reguleren. Het beloofde een mooie zondag
te worden, maar daar had ik geen oog voor. Een geluk bij een ongeluk was de
stilte in de stad en op de wegen. Het was eerste Pinksterdag , middenin de
lockdown en Nijmegen sliep nog. Althans grotendeels, want er kwam een
politiewagen voor me rijden met op het dak een lichtbalk met de melding:
‘Rechts aanhouden’.
Bleek ik al een poos nodeloos links te rijden. Tsjonge,
jonge, wat een overtreding. Maar ik voelde me wel betrapt. Mijn verkeersgedrag was roekeloos. Stel dat ik was
aangehouden met dat toegetakelde linker oog van mij. Ik zou aangezien zijn voor
een slachtoffer van huiselijk geweld in
de ontkenningsfase. Een zonnebril droeg ik niet om zo min mogelijk licht aan
mijn gezonde rechter oog te onthouden. De autorit terug naar huis kan ik me
niet meer herinneren. Een vrouwelijke huisarts had me een veertiendaagse
antibioticakuur in de vorm van oogcrème
voorgeschreven. Volgens haar was mijn linker oog licht ontstoken. Thuis
op de slaapkamer deponeerde ik knoeierig
een kwak antibioticacrème in mijn linker oog. De kinderen waren nog in
diepe rust verzonken in hun eigen slaapkamers. De verwachte verzachting stelde
teleur, terwijl ik me plat achterover op bed liet vallen. In die houding viel
ik als een blok in slaap.
Het herstel ging bedroevend langzaam. Het vermoeden dat
ik allergisch was voor het conserveermiddel in de oogmedicatie werd, wonder
boven wonder, serieus genomen tijdens een controle van mijn ontstoken linker
oog door een vrouwelijke oogarts in het CWZ. De conserveermiddelvrije ooggel
die ze mij voorschreef hielp enigszins, maar het bleef kwakkelen met het linker
oog. Heel vaak was er een zweem van een beginnende recidiverende erosie, maar die
aankondiging verdrong ik zo goed en zo kwaad als dat mogelijk was. Ik schafte
dure natuurlijke ooggel- en druppels van A Vogel aan om mijn ogen soepel en
vochtig te houden. Goedkope contactlenzeninzetvloeistof
raakte ik niet meer aan. Wel liet ik me verleiden tot de luxe aanschaf van Optrex.
Zoals vroeger. Wellicht om mezelf te verwennen met een nostalgisch
oogbadje? Alles om mijn pijngeheugen te
verzachten en het inscheuren van het hoornvlies te voorkomen. Al was ik dan
ondertussen gemiddeld honderd euro per maand aan zelfmedicatie kwijt.
Misschien had ik beter oogdruppels op recept kunnen
vragen aan mijn nieuwe vrouwelijke oogarts bij het CWZ? Na mijn eerste
oogartsenbezoek sinds jaren had ik echter alweer mijn bekomst gehad van
oogklinieken. De optometriste die de intake deed, ontnam mij met één zin alle
hoop op een update van de communicatie skills binnen de oogzorg gedurende de vele jaren van mijn afwezigheid. Ik dacht:
‘Ik licht die mevrouw even kort in over de
voorgeschiedenis van mijn ernstig bijziende ogen.’
Het leek me namelijk sterk dat ze bij de oogkliniek van het
CWZ mijn medische gegevens ergens konden achterhalen. Ik wist zelf niet eens
waar ze gebleven waren. Dus vandaar mijn mondelinge toelichting op het wel en
wee van mijn licht ontstoken, ernstig bijziende linker oog, waarin zich ook nog
eens een lensimplantaat bevond. Ik was amper begonnen met praten of mevrouw de
optometriste onderbrak me met een vinnig:
‘Ja hoor eens, dat hoef ik allemaal niet te weten!’
In de wereld van schone schijn zou ik ongetwijfeld stug
door zijn blijven babbelen. Of ik had stampei kunnen maken door op mijn oog
patiënten recht te gaan staan. Het
patiënten recht om gehoord te worden. In het echte leven voelde ik me heel
klein worden. Luistervinken genoeg in de rijtjes stoelen tegen de muren van de wachtkamergangen.
Ondanks de relatieve Coronarust. Ik kon alleen maar stil vallen en denken:
‘Ok, ik zeg al niks meer.’
De betreffende mevrouw de optometriste was jammer genoeg geen ééndagsvlieg in het
CWZ. In de jaren die volgden moest ik nog veel vaker bij haar zijn voor metingen
en ander vooronderzoek. Er heerste elke keer een gewapende vrede tussen ons. Ze
gaf me het gevoel dat ze me in de categorie van demente bejaarde had afgedaan en
ik vond haar aanwezigheid vooral storend. Ik moest steeds alle zeilen bij
zetten om niet tegen haar uit te varen. Telkens als ik op een stoeltje in de
gangen van het CWZ zat te wachten op mijn beurt bij de oogarts, kwam ze
tientallen malen voorbij gestiefeld. Heen, de hoek om en weer terug. Alert om
zich heen kijkend als een cipier. Haar tred kon ik inmiddels uittekenen. Ze
groette nooit. Dus trok ik mijn symbolisch uitgestoken hand al snel voorgoed
terug. Meestal zeg ik hallo tegen bijna iedereen, uit angst dat ik een bekende
mis. Ik ben slecht in het identificeren van gezichten in het openbaar. Stemmen
herken ik uit duizenden. Alleen wisselden mevrouw de optometriste en ik na de eerste
misser nooit meer een woord met elkaar. Het is niet zo moeilijk te raden dat ze
mij van het begin af aan niet zag zitten. Zij op haar beurt bleef mij
voornamelijk een doorn in het oog vanwege haar opvallend, ambetante uitstraling.
De angst voor een recidiverende erosie nam toe. Uit de
krochten van mijn lange termijngeheugen had ik een beslissende ontmoeting gediept.
Het was het spoedconsult van Hans en mij eind jaren negentig bij de gastoogarts
en professor van het UMC in Maastricht. Vanaf toen kon ik pas het verband
leggen tussen een klap met een kleerhangerhaakje en een slecht geheelde wond in
mijn rechter oog. Deze beschadiging van het hoornvlies was niet egaal en slecht
gehecht, waardoor de bovenste laag - het epitheel – herhaaldelijk los kwam door
de schuivende beweging van mijn harde contactlens. Het helse zeer van deze
recidiverende erosies liet mijn pijngeheugen op volle toeren draaien. Wie weet
had er dit keer, in plaats van een kleerhangerhaakje, wel een insect in mijn
oog huis gehouden na mijn uitschieter met de graspol. Daar zou ik dan best eens
een litteken of een slecht geheelde onregelmatigheid in het hoornvlies aan over
hebben kunnen houden. Voor de verandering niet in het rechter, maar in het
linker oog. Omdat de recidiverende erosies zich drieëntwintig jaar geleden met een soortgelijke licht
stekende pijn aandienden als ik nu gewaar werd, vreesde ik het ergste voor de
nabije toekomst. Ook zonder de wrijving van harde contactlenzen die ik dus niet
meer droeg, zou het epitheel, aldus de professor destijds, alsnog kunnen
inscheuren. En wel tijdens het slapen; door de schuring van het gesloten ooglid
gedurende de remslaap tegen het hoornvlies. Zoals een litteken op de huid ook
gaat bloeden als je er lang genoeg overheen wrijft. Al tijdens het openen van
het ooglid voelde ik op een dag middenin de snikhete zomer van
tweeduizendtwintig dat het goed mis was.
Hoofdstuk 26.
Mijn hoornvlies hing aan flarden. Met die woorden had mijn
Eindhovense oogarts destijds de voorganger van mijn huidige recidiverende
erosie beschreven. Dat er in werkelijkheid een scheurtje in het epitheel zat,
was wellicht iets dichter bij de waarheid, maar de kwelling was er niet minder
om. Dat kon de telefoniste van de oogkliniek van het CWZ echter een zorg wezen.
Ik moest en zou eerst naar de huisarts. In de loop van drieëntwintig jaar was
er dus geen steek veranderd aan het omslachtige gerouleer met oogpatiënten en
hun medische gegevens. Want als er na mijn linker oogontsteking nog geen
medisch dossier van mij was aangelegd bij de oogkliniek van het CWZ, dan wist
ik het ook niet meer. Volgens de kinderen had de nodeloze doorverwijzing naar
de huisarts, in plaats van meteen naar de oogarts, met de Coronacrisis te maken.
Hoe dan ook; ik moest eerst een uur in de wachtkamer van de huisarts met een
mondkapje op gaan zitten afwachten, terwijl de marteling in mijn linker oog mij
weer helemaal terugbracht naar het trauma van drieëntwintig jaar geleden.
De behandelend huisarts was een vervangster van mijn
eigenlijke huisarts, wat geen probleem was. Ik heb twee deeltijd huisartsen en
eentje ervan ken ik wel min of meer van het sterfbed van Hans, maar niet met
betrekking tot mijn ernstige bijziendheid. Dus de echte huisarts had ook niet
beter geweten dan de vervangende huisarts. Haar lichtte ik nauwelijks in over
mijn toestand. De pijniging in mijn linker oog slurpte mijn volledige aandacht
en energie op en ik was blij dat ik mocht liggen op zo’n onderzoeksbed in de
spreekkamer van de vervangende huisarts. Mijn linker oog werd verdoofd en
meteen zakte ik weg in een lethargische roes. Met een spateltje stipte de
vervangende huisarts vervolgens een fluoriserend goedje in de rand van het
onderste, linker ooglid om het één en ander duidelijk door een lampje te zien
oplichten. Veel bedenktijd nam ze niet. Ze vond dat ik met spoed naar de
oogkliniek van het CWZ moest. Liever gisteren dan vandaag. Dat had ik haar ook
wel vantevoren kunnen vertellen, maar dan had ik misschien wel een extra
verdoving gemist. Nu kreeg ik er twee. Straks bij het CWZ nog één. Tevens was ik
blij toe met de urgentie, want morgen zou de recidiverende erosie weer genezen
en het bewijs verdwenen zijn. Zo ging dat vroeger immers ook na een nachtje
slapen. Maar vroeger was alles anders, realiseerde ik me ineens. Vandaag zou
nachtrust weleens niet meer het beste medicijn tegen recidiverende erosies
kunnen zijn. Juist vanwege de wrijving van mijn gesloten ooglid tegen het
hoornvlies tijdens de remslaap. Na elke slaapronde zou mijn epitheel weer
opnieuw inscheuren. Als die bezoeking voor mij in het verschiet lag, dan restte
mij nul blessuretijd. Ik begon in cirkeltjes te draaien. Zouden dit de eerste
tekenen van de waanzin zijn?
Dochter Robin begeleidde mij in de taxi naar de
oogkliniek van het CWZ. Neem maar van mij aan dat autorijden met een ontstoken
oog nog wel min of meer doenlijk is, maar chaufferen met een recidiverende
erosie is vragen om verkeersslachtoffers. En de voorspelbare hobbelende,
propvolle stadsbus zou mijn linker oog kwelling tot een regelrechte martelgang
maken. Daar kwam nog bij dat we allerlei vragenlijsten in verband met Corona
moesten invullen en QR codes scannen toen we eenmaal bij het CWZ waren
aangekomen. Dat had ik alleen nooit gekund. Mijn gezonde rechter oog deed niet
aan compensatie van het beschadigde linker oog en mijn zicht was belabberd.
Zelfs de taxichauffeur kon ik niet betalen, want het scherm van mijn mobiel viel
niet te ontcijferen voor mij en contant geld was uitgesloten vanwege Covid. En
die felle zon maar schijnen op mijn oververhitte hersenpan. Hulpeloos kroop ik
weg achter mijn zonnebril en gaf de controle uit handen aan Robin.
Hoewel de oogkliniek van het CWZ door de Coronacrisis zo goed als uitgestorven
leek, moest ik toch nog een uur wachten voordat ik weer huiswaarts kon. Wel
moet gezegd worden dat de vrouwelijke oogarts, die mij eerder van mijn
ontsteking in het linker oog had afgeholpen, ook deze tweede keer weer de tijd
voor mij nam. Eerder was ze al met mij meegegaan in mijn allergie voor
conserveermiddel in oogmedicatie en dit keer onderkende ze tevens mijn angst
voor nieuwe recidiverende erosies. Haar remedie was een herhaalrecept voor een
soort oogvaseline. Deze dikke substantie moest ik iedere nacht voor het slapen
gaan op mijn hoornvlies aanbrengen. Aldus ontstond er een beschermlaagje vet
tussen het hoornvlies en het ooglid. Daarmee zouden schuring en dus
recidiverende erosies voorkomen kunnen worden. Tegen mijn droge ogen kreeg ik druppels
voor overdag. Eveneens op herhaalrecept.
Een jaar lang leefde ik van herhaalrecept naar
herhaalrecept. Ik druppelde overdag en ’s nacht vette ik mijn linker oog in met
de voorgeschreven crème. Het gebruik van de oogmedicatie was geen onverdeeld
genoegen. Vooral de oogcrème die ik ’s nachts aanbracht jeukte en voelde
korrelig aan. Daarbij ontnam het vet al het zicht. Dat is geen probleem tijdens
het slapen, maar na het ontwaken duurde het nog een halve dag voordat de dikke
laag oogvaseline in mijn linker kijker was opgelost. Zoon Trevor dacht dat de
lucht in mijn slaapkamer misschien te droog was. Die droge lucht zou tijdens
het slapen wellicht de naweeën van de ontsteking en de recidiverende erosie in
mijn linker oog kunnen uitlokken. Trevor wist voor mij een lucht bevochtigingsapparaat op de kop te tikken. Hartverwarmend
natuurlijk dat hij met me mee zocht naar remedies, maar van het lucht
bevochtigingsapparaat werd ik mogelijk nog onrustiger dan ik al was. Het ding
stond te stampen en te wasemen, terwijl ik sliep. Gevolglijk kreeg ik
nachtmerries over het slaapkamerbehang dat door het verhoogde vochtgehalte van
de muren loskwam en over schimmelvorming met paddenstoelen in zwarte aanslag. Als
ik vervolgens wakker schoot tussen de klamme lakens dan voelde ik regelmatig in
de verte een recidiverende erosie op komen zetten. De voorzorgsmaatregelen ten
spijt en ongeacht de reserve waarmee ik ’s ochtends mijn oogleden lichtte. De
machteloosheid die me dan overviel was overweldigend. Er restte me niets anders
dan stokstijf te blijven liggen met de ogen open. En maar knipperen om de boel
te versoepelen. Knipperen en tellen. Schaapjes tellen. Als ik geluk had dan
viel ik opnieuw in slaap en was een uurtje later het gevaar geweken. Bij pech dan
zeurde mijn linker oog de hele dag na en durfde ik nauwelijks te leven. Laat staan achter het
stuur te kruipen of in de tuin te werken. Dat laatste deed ik zelfs op goede
dagen alleen nog maar met een beschermende duikbril op. De buren vonden me toch
al excentriek. Als ik heel eerlijk ben
dan is de duikbril tot op de dag van vandaag mijn voorbehoedsmiddel bij tuinwerkzaamheden. Hoe vaak het onding ook
beslaat. Alles beter dan dat ik weer iets onbestemds in één van mijn ogen krijg
tijdens het onkruid wieden.
En opeens was het weer raak. Op een ochtend in de zomer
van tweeduizendeenentwintig. Nog steeds in de Coronacrisis en wederom moest ik
eerst naar de huisarts, voordat ik met mijn zoveelste recidiverende erosie bij
de oogkliniek van het CWZ terecht kon. Ook deze keer moest ik ongeveer een uur in
de wachtkamer zitten wegkwijnen, voordat een vervangende huisarts tijd had
gevonden om de ernst van mijn oogkwetsuur in te schatten. Deze vervangende
huisarts was een uitzonderlijk vriendelijk meisje dat volgens mij vers van de universiteit
kwam. Opnieuw liet ik me uitgeput op het onderzoeksbed in een zijruimte van de spreekkamer
van de vervangende huisarts vallen. Zoals verwacht werd ik eerst verdoofd met
druppels, daarna kwam ze met een spateltje op mijn linker oog af. Net als de
eerste vervangende huisarts zou ze om te beginnen een lichtgevend middeltje in
de onderste rand van mijn linker ooglid achterlaten, om de schade aan mijn
hoornvlies beter te kunnen overzien met een lampje. Althans dat was de normale
gang van zaken. Als er iemand in deze kwestie ervaringsdeskundige is, dan ben
ik het tenslotte wel. In tegenstelling tot de vervangende huisarts. Zij kwam
duidelijk net kijken. In plaats van het fluoriserend middeltje voorzichtig in
de benedenrand van mijn ooglid aan te stippen, schraapte de vervangende
huisarts namelijk voluit met het spateltje over de complete oppervlakte van mijn
hoornvlies. Niet expres mag ik hopen, maar met de bedoeling het oplichtende
goedje in mijn oog aan te brengen. En in weerwil van alle onwetendheid, moet
deze actie toch ontstaan zijn in een
moment van verstandsverbijstering. Door de verdoving voelde ik geen pijn, maar
wel het verder loslaten van het epitheel als een velletje van een nagelriem.
Uit haar geschokte gezichtsuitdrukking, vlak bij mijn gezonde rechter oog, kon
ik opmaken dat de vervangende huisarts van pure paniek niet wist waar ze
blijven moest. Omdat ik toch al een recidiverende erosie had, maakte dat extra gedolven
stukje epitheel ook niks meer uit. Wel stoorde ik me aan de besluiteloosheid
van die vervangende huisarts met een bezoedeld oogspateltje in haar trillende latex
hand.
‘Kunt u me dan nu doorverwijzen naar de oogarts van het
CWZ?’, vroeg ik daarom zo ingetogen mogelijk in een poging om op die wijze een sarcastische
oprisping te onderdrukken.
Als de wiedeweerga maakte de vervangende huisarts dat ze
naar haar bureau kwam. Ik hoorde haar bellen met de oogkliniek van het CWZ,
terwijl ik nog even bleef liggen. De verdoving begon weg te ebben. De snerpende
tintelingen, krassende prikkels en andersoortige snijdende sensaties, volgden elkaar alweer
steeds sneller op in mijn gewonde linker oog. De stem van de vervangende
huisarts klonk gehaast en huilerig. Ik hoopte dat ze in staat was om haar
tranen in te houden tot ik weg was en dat er daarna iemand klaar zat om haar op
te vangen.
‘Kan mevrouw Sliepenbeek mogelijk binnenkort op consult
komen?’, hoorde ik haar soebatten aan de lijn met iemand van de oogkliniek.
‘Vandaag of morgen graag’, smeekte ze schuldbewust,
‘Vandaag!’, corrigeerde ik haar vanuit mijn ligpositie in
het zijkamertje.
‘Vandaag’, papegaaide de vervangende huisarts haastig.
Het kon. Halleluja. Nou alleen nog een taxi en een
pijngrens regelen.
De rust in het CWZ tijdens de Coronagolven heb ik
eigenlijk achteraf pas naar waarde weten in te schatten. Nadat alles terug
normaal was en mijn medepatiënten en ik weer met de benen buiten de overbevolkte
wachtgangen van de oogkliniek hingen. Maar ook tijdens de rustige Coronaperiode
was elke seconde die ik langer moest uitzitten, met die onbehandelde, ontplofte
recidiverende erosie in mijn linker oog, er één teveel. Ten langen leste werd
ik geholpen door weer een substituut oogarts. Zwijgzaam en hautain. Alsof hij per ongeluk in
een streekziekenhuis terecht was gekomen vanwege de Coronacrisis, terwijl hij
eigenlijk in een privékliniek thuis hoorde. Ik viel bij hem in de smaak om de
verkeerde redenen. Sommige mensen denken uit mijn voorkomen op te kunnen maken
dat ik goed in de slappe was zit. Een teken dat uitgerekend zij geen verstand
van geld hebben.
‘Ik zal morgen een bandagelens in je oog doen’, concludeerde
hij na een korte inspectie van mijn linker oog met eenzelfde soort lampje als
de vervangende huisarts had gebruikt.
De substituut oogarts klonk verveeld. Mijn
oogproblematiek was voor hem duidelijk een dertien in een dozijntje. De neiging
om mijn enthousiasme over zijn oplossing te ventileren onderdrukte ik dus maar.
Kennelijk ging hij er vanuit dat ik wist wat een bandagelens is. Toevallig was
dat ook zo dankzij de uitleg van een oogarts en professor uit de vorige eeuw van
het UMC in Maastricht. Halverwege de jaren negentig legde deze professor al aan
Hans en mij uit dat een bandagelens een soort reuze, zachte contactlens over de
oppervlakte van het hoornvlies is. Een zachte contactlens blijft namelijk vast
op het oog zitten. Als een pleister op een wond. Applaus voor mezelf dat ik die
verborgen kennis op het juiste moment uit mijn hersenspinsels had weten op te
rakelen. Die vondst scheelde de gereserveerde, substituut oogarts weer een hoop
uitleg.
‘Waarom krijg ik niet nu meteen een bandagelens?’
Ik zeurde van beroerdigheid.
‘Ik zal je verdoven’, omzeilde de substituut oogarts mijn
vraag onaangedaan, waarna hij traag in actie kwam.
‘De verdoving duurt altijd maar zo kort’, klaagde ik bij
voorbaat gulzig naar meer.
Met de lippen stijf opeen geklemd gebaarde de substituut
oogarts dat ik mijn hoofd naar achteren moest doen, zodat hij me kon
druppelen.
‘Zo meteen haal ik de rest van het epitheel van je
hoornvlies en krijg je verband op je oog.’
Verzonken in de verdoving vond ik ineens alles best. De
open plekken vulde ik zelf maar hardop in:
‘Ow, het hoornvlies moet eerst genezen en daarom kan ik
pas morgen een bandagelens krijgen.’
Als een voorgeprogrammeerde robot praatte de substituut oogarts monotoon langs
mij af.
‘De bandagelens vanaf morgen dag en nacht inhouden. En je
krijgt druppels mee. Vervolgens wordt hier in het CWZ het komende half jaar lang
iedere maand een vervangende bandagelens in je linker oog geplaatst.’
Hoe vaak in mijn leven had ik nou al een recidiverende
erosie gehad? Ik schat een stuk of twintig keer. Daarnaast was het epitheel
minstens vijf keer compleet uit het oog geschraapt door een oogarts. De
oogverdoving is altijd effectief maar veel te kort. Daarna steevast een etmaal
van langzaam afnemende ondraaglijke pijn. Toen ik eind twintig was, zat ik in
de eerste fase van mijn recidiverende erosies en waren mijn harde contactlenzen
de boosdoeners. Harde contactlenzen bewegen constant over de oppervlakte van
het oog en door schuring over het hoornvlies kwam het epitheel telkens los.
Zodra ik mijn harde contactlens uit het oog verwijderde, kon het hoornvlies zich
herstellen. Nachtrust was het toverwoord. Tijdens de tweede fase van mijn
recidiverende erosies van tweeduizendtwintig tot begin tweeduizenddrieëntwintig,
bood nachtrust juist geen soelaas meer. Integendeel. In deze episode werden de
recidiverende erosies veroorzaakt door de wrijving van het gesloten ooglid over
het hoornvlies tijdens de remslaap. Met tussenpozen, want toen de substituut
oogarts mijn linker oog schoongeraspt en verbonden had, heb ik na thuiskomst
aan één stuk door geslapen. De angst om met een gescheurd hoornvlies wakker te
worden zat verstopt achter het verband over mijn bewerkte linker oog. Een
diepe, helende nachtrust lang
Tijdens de vervolgafspraak de dag daarop was de
substituut oogarts niet langer alleen. Hij had iemand bij zich. Een stagiaire
vermoed ik. Wellicht om te observeren hoe een bandagelens bij een patiënt te
plaatsen. Zeker een aangename afleiding voor de substituut oogarts, want hij
was een stuk energieker dan de dag daarvoor. Ook spraakzamer tot mijn
ongenoegen. Hij acteerde alsof hij en ik elkaar al jaren kenden:
‘Ja, want deze mevrouw is heel aardig’, beweerde hij uit
het niets over mij tegen de stagiaire .
‘Dat hoop je maar’.
Het was eruit voordat ik er erg in had. Wie verwachtte er
dan ook van een oog patiënte dat ze zich tegelijkertijd met een bandagelens als
met lieftalligheid bezighield? Alles
welbeschouwd kwamen zijn woorden op mij toch voornamelijk over als een
dreigement. Alsof de substituut oogarts eigenlijk wilde zeggen:
‘Durf eens niet heel aardig te zijn tegen mij in het
bijzijn van mijn stagiaire.’
Lang hoefde ik de façade niet hoog te houden, want de
bandagelens was in twee seconden in mijn oog geplaatst. Dat had ik makkelijk
zelf gekund. Misschien een suggestie om
moeite en kosten te besparen voor de maand daarop; als de bandagelens vervangen
moest worden. Desnoods liet ik me door de introverte mevrouw de optometriste controleren
in het CWZ om daarna in een mum van tijd
ter plekke eigenhandig een nieuwe bandagelens in mijn linker oog te doen. Dat
scheelde de substituut oogarts weer een hoop theater.
In de eerste maand na het plaatsen van de bandagelens versliep
ik me elke dag tot diep in de middag. Ze zeggen dat je slaap niet kunt inhalen.
Niettemin had mijn bioritme verdacht veel weg van een inhaalrace in slaapuren. Eindelijk
waande ik me veilig in dromenland door de bescherming in mijn oog. Diep
wegedoken in het onderbewustzijn dankzij de bandagelens. Een pleister op de
wond. Er was geen enkele sprake van pijn of een trekkerig gevoel. Hoe was dat
mogelijk met een permanente bandagelens? Dag en nacht in mijn linker oog
aanwezig, terwijl ik vroeger alleen overdag al zoveel last had gehad van zachte
contactlenzen die zich vacuüm zogen aan de oogbollen. Tegen het einde van de
eerste maand betwijfelde ik of de bandagelens überhaupt nog wel in mijn linker oog
zat. In de spiegel zag ik in elk geval niks zitten. Nogal wiedes zoals bleek
tijdens het vervolgconsult bij de substituut oogarts.
‘De bandagelens zit niet meer in het linker oog’.
Het reactievermogen van de substituut oogarts was nog
even vertraagd als een maand geleden. Ik zweeg en de substituut oogarts keek mij
vanaf zijn krukje op wieltjes de spreekkamer uit.
‘Ik heb niet gemerkt dat ik de bandagelens verloren ben.
Ook niet wanneer dus. Dat kan gisteren gebeurd zijn, maar ook twee weken
geleden’, zei ik onzeker.
‘Heb je pijn?’, zuchtte de substituut oogarts landerig.
‘Op dit moment niet nee’.
‘Dan is het probleem toch opgelost?’
‘Hoezo, ik zou toch een half jaar lang iedere maand een
verse bandagelens krijgen?’
‘Je hebt toch geen pijn meer zeg je net?’
De substituut oogarts zag niet in wat mijn probleem was.
Dan hield het consult op natuurlijk. Waarom tutoyeerde hij me eigenlijk? Ik had
z’n moeder kunnen zijn en doorzag opeens wat een over het paard getild kind hij
eigenlijk nog steeds was. Vroeger negeerde ik het wangedrag van mijn eigen
kleuters dus waarom niet van de
substituut oogarts?
‘Ik ben bang dat de recidiverende erosie terug komt’, gaf ik daarom zo neutraal
mogelijk aan.
‘Die komt niet terug’, beweerde de substituut oogarts
stellig.
Waarom zou ik hem geloven? Op dat moment ging de deur
open en kwam de introverte mevrouw de optometriste binnen stormen. Ze negeerde
mij zoals gewoonlijk en richtte zich met een hogedruk stem tot de substituut
oogarts:
‘Je moet komen, want die meneer hiernaast heeft een
oogdruk van veertig.’
De substituut oogarts verstijfde denk ik. In ieder geval
kwam hij niet in actie. De introverte mevrouw de optometriste verliet de
spreekkamer weer. Ze liet de deur open staan. Denkelijk was het haar bedoeling
dat de substituut oogarts haar zou volgen. In plaats daarvan keek hij me
besluiteloos aan. Hij verwachtte toch niet van mij dat ik zijn vervolgacties
ging bepalen? Als ik hem was geweest dan had ik me verontschuldigd en was ik
naar mijn spoedgeval gegaan. Maar dat deed hij niet. Ik besloot om zijn besluiteloosheid
uit te buiten.
‘Moet ik trouwens niet jaarlijks gecontroleerd worden
vanwege mijn ernstige bijziendheid? Ik ben al zo’n twaalf jaar niet meer naar
een oogarts geweest’.
De substituut oogarts wreef een paar keer met beide
handen over zijn bovenbenen.
‘Nee, dat doen we tegenwoordig niet meer’.
Ik wist zeker dat hij raaskalde en dat ik moest
aandringen, omdat dat goed was voor de gezondheid van mijn ogen. Maar ik wilde
deze substituut oogarts helemaal nooit meer onder ogen komen. Wel had ik zin om
hem zijn desinteresse in te peperen. Ik weet niet waarom ik aanvoelde dat de
naam van de allround-oogarts weleens een goede realiteitstroef zou kunnen zijn tegen
de air van de substituut oogarts? Intuïtie misschien?
‘Ik kom van de allround oogarts en de allround oogarts
zei dat ik jaarlijks gecontroleerd moet
worden.’
Zonder aarzeling liep hij in de val:
‘Nou, dan ga je toch lekker naar de allround oogarts!’
Ach kijk eens aan, meneer de substituut oogarts was in
zijn eer aangetast.
‘Is de allround oogarts niet met pensioen? Volgens mij is
hij inmiddels met pensioen?’, vroeg ik bête.
‘Nee’, wist de substituut oogarts zeker, terwijl hij
schichtig de open deur in de gaten hield.
‘Nee, De allround oogarts is niet met pensioen.’
De introverte mevrouw de optometriste verscheen weer in
de deuropening.
‘Een oogdruk van veertig!’, herhaalde ze met klem.
Met tegenzin verhief de substituut oogarts zich van zijn
wieltjeskruk en liet mij alleen achter in de spreekkamer, waar ik me nog even
wentelde in mijn bewezen scherpzinnigheid. Het prestige van de allround oogarts
was wel degelijk bekend bij de substituut oogarts. Sterker nog; de status van
de allround oogarts was parate kennis. Hij wist destijds - in
tweeduizendeenentwintig - zelfs zeker dat de allround oogarts nog niet met
pensioen was. Wat zal de allround oogarts naast hoge ogen veel jaloezie geoogst
hebben als pionier in artisanimplantaties en ooglaseren destijds. Tegenwoordig
moet de landelijke buit over veel meer oculisten, optometristen en opticiens
verdeeld worden dan rond de eeuwwisseling natuurlijk. Volgens AI zijn er binnen
Zorgkaart Nederland vijfentwintig jaar later honderddrieëndertig privé oogklinieken bekend. Overigens is de
allround oogarts volgens Google het jaar daarop – in tweeduizendtweeëntwintig –
wel met pensioen gegaan. De substituut oogarts is niet lang daarna naar een
privé oogkliniek vertrokken. Ook volgens Google. Zo zie je maar dat intuïtie meer zegt dan het
oog ziet.
Hoofdstuk 27.
De recidiverende erosies in mijn linker oog bleven latent
aanwezig. De medicatie van mijn herhaalrecepten gebruikte ik niet meer. Ik vond
extra hydratatie ooggel van A Vogel en daar kwam ik de nacht meestal redelijk
goed mee door. De kosten waren wat mij betreft allang ondergeschikt geraakt aan
de baten. Vaak had ik ’s morgens een
zeurende pijn op steeds dezelfde plek in mijn linker oog. Alarmerend,
maar met genoeg ooggel liep de boel meestentijds nog wel gesmeerd. Toch
scheurde mijn hoornvlies nog vier keer in tijdens het jaar na de bandagelens. Dan
kon ik niets anders dan de hele dag in bed te blijven liggen met het
achtergrondgeluid van Storytel of podcasts. Ondertussen bleef ik mijn linker
oog consequent hydrateren met ooggel. Mijn voorraad hield ik angstvallig op
peil. Want hoe droger het oog, hoe groter de kans op een recidiverende erosie.
Ik verwerd tot een ooggeljunkie met een onoverzichtelijk oogprobleem.
Regelmatig werd ik geplaagd door
angstige voorgevoelens over nog veel meer verborgen gebreken die mijn ogen voor
mij in petto hadden. Ik kon steeds minder op mijn gezichtsvermogen vertrouwen.
Mijn moeder had staar gehad en maculadegeneratie. Waarom zou die ellende mij
bespaard blijven? Alleen was mijn moeder begin zeventig toen zij voor het eerst
werd aangevallen door haar oogziektes en ik ben nog niet eens zestig. Dus
stopte ik de onrust weg achter de dagelijkse beslommeringen en bleef ik me
afvragen waarom mijn lees- en computerbrillen zo vaak besloegen. Lezen in een
fysiek boek, een tijdschrift of een echte krant kan ik al jaren niet meer. Ook
niet met een leesbril. Mijn leesbril gebruik ik ook vandaag bijvoorbeeld nog
achter de Singer om te voorkomen dat er een machinenaald in mijn oog springt. De kans is
klein, maar wat is de waarschijnlijkheid dat een mens in hetzelfde leven eerst een
kleerhangerhaakje in het rechter oog krijgt en dertig jaar later een graspolletje in het linker oog? Lang leve; de online berichtgeving, lectuur en
literatuur op de verstelbare beeldschermen van de personal computer, de
telefoon en de ereader. Met verlichting.
Aan mijn schermtijd geen limiet en aan vergrootglazen geen gebrek. Ze liggen op
vaste plekken verspreid door het huis. En dan is er nog de visuele steun van
twee verstelbare vergrootglaslampen die ik in tweeduizendzeventien met
moederdag van Hans cadeau heb gekregen. Voor het betere priegelwerk.
In september tweeduizendnegentien werd ik nog eens extra
met mijn neus op de feiten van allerlei sluimerende visuele problemen gedrukt
door een kort avontuur op de docentenacademie van de Radbouduniversiteit. In
een jaar tijd hoopte ik een
onderwijsbevoegdheid te halen. Als nieuwbakken weduwe dacht ik mij nuttiger te
kunnen maken als lerares dan als de schrijfster die ik al bijna mijn hele leven
ben. Zonder inkomsten. Dus het moest er maar eens van komen. Het initiatief werd
geen succes. Ik blijk toch teveel vergroeid te zijn met de vrijheden van het
schrijverschap. Dan maar geen vetpot door eventuele bijverdiensten als lerares
Nederlands. Dankzij de nalatenschap van Hans hoef ik niet te verhongeren en als
ik schrijf dan kan ik mijn gezichtsvermogen toespitsen op een toetsenbord en een
beeldscherm. Een studente van de docentenacademie daarentegen moet de ogen constant
de kost geven. Met name het reilen en zeilen op de middelbare school waar ik
stage liep vormde een visueel obstakel. Het digibord kon ik alleen van heel
dichtbij lezen en bedienen. De beeldschermen van de laptops van de scholieren
waren de helft van de tijd vaag en ik
mocht blij zijn dat ik een kwart van de drukletters in schoolboeken meekreeg. Het
begon zelfs op te vallen dat ik telkens verdwaalde in de gangen op zoek naar
het juiste klaslokaal.
‘Lukt het wel
allemaal, Katinka?’, vroegen enkele leraren en leraressen onderzoekend.
Wat als ik geantwoord had:
‘Nou nee eigenlijk niet?’
In plaats daarvan probeerde ik de problematiek rond mijn zicht zo goed en zo
kwaad als mogelijk te maskeren. Mijn ogen waren bijzaak en tenslotte niet de
reden waarom mijn initiatief op de docentenacademie een fiasco werd. Voor de
klas staan is namelijk geen probleem. Uitleggen kan ik wel. Luid en duidelijk.
Orde houden en boeien ook. Vraag maar aan mijn stagebegeleider. Wat hem betreft kon ik na twee weken al een
onderwijsbevoegdheid krijgen. Maar dat ging nooit gebeuren als het aan een
professor van mijn leeftijd aan de docentenacademie lag. Niet na twee weken en
ook niet na een jaar. Of ik moest mijn provocerende houding veranderen. Zij
wist van de artisanimplantaten die ik toen nog droeg. Had ik nooit moeten vertellen,
maar voor mij hebben implantaatlenzen dik drieëntwintig jaar een essentiële bijdrage
geleverd aan mijn kwaliteit van leven. Dus waarom zou ik ze verzwijgen? Voor
bevooroordeelde dames als de professor? Moest ik me wat aantrekken van haar
behoefte om mijn visuele beperking als munitie te gebruiken om mij in haar motivatieklasje
in het gareel te krijgen? Ik was geen vijfentwintig meer zoals haar overige
leerlingen, maar vierenvijftig. Daarenboven ook enigszins te eigenzinnig om onder
de radar van de professor uit te komen, want nu moest ik acteren dat ik in haar
superioriteit geloofde. Ik deed niet bijster veel moeite.
‘Kun je het zien Katinka?’, wilde ze wel twintig keer op willekeurige
momenten in een vol werkcollegelokaal van me weten.
Jazeker, ik zag niet veel, maar uitgerekend op het
digibord van het werkcollegelokaal zag ik alles. Al de zelfhulpschema’s van
mevrouw de professor. Vers van het internet geplukt. Stuk voor stuk terug te
vinden op openbare spirituele websites. Voor iedere dolende ziel toegankelijk. Hoe
blind kun je zijn?
’s Nachts was
alles pikkedonker of diffuus door onnatuurlijk licht. Op een winteravond kon ik
achter het stuur naar huis zomaar de rijbaanmarkering niet meer ontcijferen. En
nee, ik had niet gedronken, maar ik werd toch aangehouden, omdat ik opvallend zigzaggend
en met horten en stoten over het wegdek reed. Na een blaastest en een
verontschuldiging mocht ik weer gaan. Ik betrapte mezelf erop dat ik eigenlijk
gehoopt had op een begeleid ritje naar huis in de politiewagen. Mijn auto stond
morgen bij daglicht vast ook nog wel bij het tankstation. Wel zo veilig.
In november tweeduizendtweeëntwintig maakte ik eindelijk een
afspraak bij Specsavers in het Nijmeegse winkelcentrum Dukenburg. In een
opwelling, want ik was toch in de buurt en ik kon een oogmeting maar beter
gehad hebben. Toen had ik nog de illusie dat mijn oogdilemma’s opgelost zouden
zijn met nieuwe glazen in zowel mijn computer- als leesbril. Er moesten ook
andere brilmonturen komen vond ik.
Monturen met neusvleugeltjes deze keer. Neusvleugeltjes waren beter voor de
luchttoevoer had ik bedacht en daardoor zouden mijn brillenglazen vervolgens minder
beslaan. Mijn toenmalige lees- en computerbrillen hadden geen neusvleugeltjes
en besloegen om de tien minuten. De
brilpoetsdoekjes konden wel degelijk op. Desalniettemin groeide mijn weerstand
naarmate de datum van mijn afspraak bij Specsavers dichterbij kwam. Mijn
oogafwijking is op zich al confronterend, maar tijdens een meting bij een
opticien voel ik me compleet ontheemd. Al met al krijgt zoiemand ook maar ongevraagd een
ernstige myoop in de schoot geworpen op een doordeweekse dag. Alleen maar om
een simpel lees- en, of computerbrilletje af te meten.
Deze keer was er niet alleen sprake van vervreemding,
maar sloeg zelfs de teller door bij mijn oogmeting. De opticien kon er met zijn
verstand niet bij en ik dacht:
‘Weet je wat, laat maar zitten’.
Of ik in de ontvangstruimte wilde plaatsnemen, zodat de
opticien een briefje kon krabbelen aan de huisarts? Nee, dat wilde ik niet.
Alles in mij kwam in opstand. Moest ik
me nou ook al door een willekeurige verkoper uit een brillenketen laten
behandelen als een paar ogen op voetjes? Op mijn aandringen mocht de opticien
eigenlijk niet zeggen dat hij aan staar dacht. Maar hij zei het wel. Vanaf dat
moment wist ik zeker dat ik staar had. Als ik de opticien moest geloven dan zag
ik nog maar dertig procent. Dat klonk als bijna blind en dat zou ik dan zelf
niet in de gaten hebben? Dat was toch
van de gekke? Alles leek wel van de gekke vanaf dat bankje in het hoekje van
die brillentoko, terwijl ik wachtte op een briefje over mijn ernstig bijziende
ogen voor één van mijn twee deeltijdhuisartsen. Ofschoon mijn ernstig bijziende
ogen sinds eerste pinksterdag tweeduizendtwintig gewoon in behandeling hoorden
te zijn bij de oogkliniek van het CWZ. Trouwens als ik de opticien moest
geloven dan was er ook iets niet in orde met mijn oogdruk. Of het moest aan
zijn meetapparatuur liggen, maar dat betwijfelde hij. Dus de oogdruk moest ook gecontroleerd
worden door een oogarts volgens hem. Waarom had de substituut oogarts de
oogcontrole een jaar eerder dan ook nagelaten? Waarom had hij geen
vervolgconsult voor mij willen regelen? Waarom had hij beweerd dat jaarlijkse
controle van mijn ernstig bijziende ogen tegenwoordig niet meer nodig was?
Waarom hechtte ik nog waarde aan de mening van de substituut oogarts? Hij had mij
immers ook verzekerd dat mijn recidiverende erosies passé waren na de
bandagelens. Dat was ook niet waar.
Op de terugweg van Dukenburg naar huis reed ik bijna een
fietser aan, omdat ik ineens nog maar dertig procent zag. De fietser was een
jonge gast op een elektrische fiets en hij zwaaide me verzoenend uit. Dat zag
ik allemaal gebeuren. Zie je wel dat ik niet blind was. Het krabbeltje van
de opticien van Specsavers gaf ik af aan
de balie van de huisartsenpost. Ik vroeg of ik de huisarts kon spreken. Ik
wilde best even wachten. Maar nee, dat kon pas later op de dag tijdens een
telefonisch consult. Ik was niet de enige patiënt. Dat rotzinnetje heb ik net
iets te vaak moeten aanhoren om er nog op te reageren.
‘Het ene oor in en het andere oor uit’, zou mijn oma
gezegd hebben.
In de wachttijd tot aan het telefoontje van de huisarts zat
ik me maar op te winden over de artisanimplantaten in mijn ogen in combinatie
met een staaringreep. Online kon ik niks
vinden. Ik belde met telefonistes van verschillende privé oogklinieken en zelfs
van een UMC. Logischerwijs hadden zij geen antwoord op de specifieke vragen die
ik op ze afvuurde, maar ik draafde desondanks door. De toehoorders beweerden stuk
voor stuk best begrip te hebben voor mijn geestelijke desoriëntatie, terwijl ze
me eigenlijk gewoon knettergek vonden.
‘Ja mevrouw, dat kan ik me voorstellen’, weerklonk het
telkens quasi deemoedig .
Ineens voelde ik me stokoud worden. Als dit mijn voorland
was, misschien moest ik dan wat vaker de luwte opzoeken en een pantser laten
groeien. In ieder geval niet meer zo doordraaien teneinde mezelf in de toekomst
een beetje te sparen. Ik ben niet trots op de monoloog van een kwartier waarmee ik de huisarts bestookt
heb toen ik haar eindelijk aan de lijn kreeg. Ik hoop niet dat ze mijn
uitgesproken ongenoegens over de gezondheidszorg heeft opgenomen voor
trainingsdoeleinden. De essentie van mijn verhaal was tamelijk
persoonsgebonden. Het kwam erop neer dat ik me een buitenaards wezen voelde. Of
een paar ogen op voetjes. Daar kun je denkelijk net zo weinig mee als
zorgverlener dan als zorgvrager. Daar sta je dan met je geldingsdrang. Als ik
terugdenk aan mijn pompeuze alleenspraak dan krijg ik nog kippenvel. Zo’n
gefrustreerd zelfgesprek aan de telefoon leidt helemaal nergens toe. Want die
afspraak met de staaroogarts van het CWZ was er uiteindelijk ook wel gekomen
zonder mijn verbale ontploffing.
Op de ochtend voor de staaroperatie aan mijn linker oog
scheurde mijn hoornvlies voor de vierde keer in het jaar na de bandagelens in.
Een recidiverende erosie vlak voordat ik onder het mes moest. Trevor en ik
zaten naast elkaar op een bankje in een
bushokje en ik speelde mooi weer. We moesten wel met het streekvervoer, omdat
de taxi’s staakten en noch Trevor noch Robin een rijbewijs bezitten. Het was
begin april tweeduizenddrieëntwintig en de zon scheen ongenadig hard. Ik
verborg de oogkwetsuur achter mijn zonnebril en bad dat de operatie niet
geannuleerd zou worden. Ik snoot mijn neus en Trevor vroeg of ik huilde van de
zenuwen. Ik knikte, maar daar trapte de
verpleegster in het voorportaal naar de operatiekamer niet in:
‘U hebt een beschadiging in uw oog. Dat kan niet’, beet
ze me nerveus toe.
‘Het is niet erg’, snotterde ik, terwijl ik mijn linker
oog amper open kon houden.
De pijn viel wel mee. Ik neem aan dankzij de medicatie
die al in mijn oog gedruppeld was voor de ingreep die ochtend. Niet veel later werd
ik tot mijn grote opluchting toch de operatiekamer ingereden alwaar de
staaroogarts me al opwachtte bij het hoofdeinde. Hij ontfermde zich over mijn
gehavende linker oog en vroeg zachtmoedig:
‘Weet u nog waar die beschadiging in uw oog van komt?’
De opluchting dat de oneffenheid onder het epitheel van
het hoornvlies na dik twee jaar eindelijk
werd opgemerkt, nam bijna alle beklemming voor de staaroperatie weg.
Ik heb in de tuin gewerkt’, zei ik alleen maar.
‘Ahah’, antwoordde de staaroogarts, zoals typische
oculisten dus nooit breedsprakig zijn.
En ja er ontstond een wondlek in mijn linker oog tijdens
de staaroperatie. Die moest gehecht worden. De staaroogarts heeft het
hoornvlies, naar eigen zeggen, vervolgens
extra strak gehecht om de oneffenheid onder het epitheel daarna af te
vlakken met een bandagelens. De hechting en het daarmee samenhangende slechte
zicht hebben zes weken geduurd. De flashbacks naar de blote oogversluieringen
uit mijn jonge jaren hadden voor mij niet gehoeven, maar sedertdien heb ik
nooit meer voortekenen van recidiverende erosies in de vorm van zeurende
pijnsteken gehad. Ook niet tijdens de laserbehandeling die ik op vierentwintig
december jongstleden nog in het CWZ heb ondergaan in de hoop om mijn oogdruk te
verlagen. Tevergeefs, maar de recidiverende erosies bleven weg.
Ergens tijdens
een controle plaatste de staaroogarts terloops nog een opmerking met betrekking
tot mijn recidiverende erosies. Hij zei stellig:
‘Ik heb het toch
zeker zelf gezien’, alsof hij zichzelf nog eens overtuigde.
Uit die uitspraak maak ik op dat mijn recidiverende
erosies, van tweeduizendtwintig tot en met begin tweeduizenddrieëntwintig, bij
de oogkliniek van het CWZ niet door alle betrokkenen serieus genomen zijn. Alsof
ik dat niet aldoor gevoeld heb. Al moet ik volgens mijn kinderen niet teveel
waarde hechten aan een enkele uitspraak.
‘Het zijn maar woorden, mam.’
‘Juist daarom’, denk ik dan.
Dat is de enige zekerheid.
Tot slot is er nog een update over de medische stand van
mijn ogen vanuit het Radboud UMC. In augustus van dit jaar ben ik aan nastaar
in mijn linker oog geholpen. Dat was wel nodig ook. De glaucoomoperaties gaan vooralsnog
niet door, vanwege het hoge risicogehalte. Dat blijft dus druppelen. De oorzaak
van het vocht achter het netvlies van mijn rechter oog blijkt maculaire retinoschisis
te zijn. Ook in relatie tot deze gezichtsbeperkende aandoening is een operatie
riskant vanwege mijn ernstige bijziendheid. De keuze is gelukkig niet meer aan
mij, maar aan de specialisten van het Radboud UMC.
Reacties
Een reactie posten