Brieven aan het hiernamaals

 


8 februari 2019

Hans

Jij en ik zijn 36 jaar een stel geweest.

Toch zijn we pas na de geboorte van jouw meisje Robin - 16 jaar geleden - getrouwd.

Op een regenachtige ochtend in september in de besloten kring van 2 getuigen en een ambtenaar van de burgerlijke stand.

De inzegening vond plaats in het stadhuis van Eindhoven op de gratis trouwdonderdag van de gemeente.

Geen cent teveel aan het huwelijk.

Niet dat je een krent was, maar we trouwden voor de kinderen en de wet en niet omdat we geloofden dat onze liefde überhaupt nog sterker kon worden door een prijzige huwelijksvoltrekking en een trouwboekje dat overigens zelfs op de gratis trouwdonderdag niet voor niks was.

Het hapklare toespraakje van de ambtenaar van de burgerlijke stand was weer wel in het gratis trouwtotaal pakket inbegrepen.

Jij vond de hele ceremonie 3 keer niks.

‘Kunnen we niet een handtekening zetten en wegwezen’, hoorde ik je onder meer binnensmonds mompelen.

Zo bezorgde je me de slappe lach, zoals alleen jij dat kon.

Zoals ook jij alleen mij het gevoel kon geven dat alles mogelijk was in het leven en dat door jou niets ooit een verplichting zou worden.

Drie maanden na de geboorte van Robin zei je:

‘Dat doen we nog een keertje’.

Overrompeld snakte ik naar adem, omdat ik amper uit het kraambed van onze babydochter was opgestaan.

Maar Robin was ons goed bevallen en de vaderrol was je op het lijf geschreven.

Acht maanden later werd Trevor geboren of ‘mijn grote vriend’, om met jouw woorden te spreken.

Trevor is tot aan het einde toe jouw grote vriend gebleven.

Hans, jij was niet iemand waar mensen makkelijk om heen konden.

Jij liet je stem horen en je was je zeer wel bewust van het effect van jouw manier van optreden.

Jouw eerlijkheid viel niet altijd bij iedereen in goede aarde.

Sommige mensen vonden je bot.

Het kon je niks schelen.

‘Ze nemen me maar zoals ik ben, of niet, want ik laat anderen ook in hun waarde’, zei je.

Je had gelijk.

Zoals zo vaak.

En in werkelijkheid was je ook helemaal niet zo rechtlijnig als buitenstaanders soms dachten.

Je sprak tenminste thuis altijd met respect en warmte over de mensen om je heen en dan met name over jouw collega’s in de automatisering.

Je liet jezelf ook nooit ergens op voorstaan, terwijl bijna iedereen die jou goed kende onder de indruk was van jouw intelligentie en alertheid.

Je bezat een uniek bevattingsvermogen en een schat aan parate kennis.

Toch vond jij jezelf geen koploper en werden oplossingen op technische problemen op het werk volgens jou altijd in nauwe samenwerking met anderen gevonden.

Je zag jezelf als een schakel in de ictketting, zonder onnodig bescheiden te zijn.

Precies zo loyaal was je ook in onze relatie.

Jij en ik deden niet voor elkaar onder, terwijl ik toch een universitaire graad heb en jij na jouw vwo zonder hard te studeren door werkervaring en interne scholing rijker werd.

‘Je vergelijkt appels met peren’, beweerde je terecht.

Opnieuw had je gelijk.

Jij was immers degene die het brood op de plank bracht, zodat ik onbetaald mocht schrijven en tegelijkertijd thuis voor de kinderen kon zorgen.

Een tophuwelijk.

Ik kon mij niet gelukkiger prijzen.

Misschien is al mijn geluk nu opgebruikt.

Al zie ik je in gedachten bij wijze van reactie met je karakteristieke hoofd schudden.

En je zult wel weer gelijk hebben!

Voor de laatste keer.

In 36 jaar samen met jou heb ik genoeg reserves opgebouwd.

Natuurlijk moet ik door lopen op het pad dat wij samen al zo ver betreden hebben.

Voor de kinderen en mezelf.

Ik houd je voor de rest van mijn leven stevig vast tot aan de hemel.

Het geloof, de hoop en de liefde hebben ons geen kalme reis opgeleverd.

Maar het kan niet anders dan dat zij wel degelijk een behouden aankomst in het hiernamaals garanderen voor een prachtmens zoals jij.

Rust zacht liefde van mijn leven.

 

6 april 2019

Afstand

Ze bellen om te vragen hoe het met me gaat. Zo’n verplicht nummertje. Ze kennen mij niet echt via jou en ik verdraag ze niet meer.

‘Ze bedoelen het goed’, hoor ik je sussen.

Dan word ik ook boos op jou. Als iemand weet hoe ik ben, dan jij wel. Hoe heb je die mensen kunnen aanzetten tot bijstand van mij na jouw overlijden? Of heb je niks gevraagd? Dacht je niet aan mij gedurende die laatste contacten met jouw vrienden, kennissen en collega’s?

Natuurlijk niet. Gelukkig niet. Maar zij denken dat ik eenzaam ben. Zij weten niet dat ik graag alleen ben. Dat er niemand op aarde bestond, met wie ik zo perfect op mezelf kon zijn als bij jou.

Na jouw overlijden moet ik de vreemdelingen uit jouw buitenwereld ineens te woord staan over mijn gevoelsleven. Heel intiem. Op de meest ongelegen momenten op de dag. Net na een huilbui en een golf van overweldigend gemis, tijdens een drukke bezigheid in huis, een onverwachte maar welkome lachstuip of een middagdut. Het mobieltje is al op slot. De vaste telefoon blijft echter noodgedwongen aan. Er zijn mensen die ik wel wil spreken. Zoals de belastingconsulent en nog wat gasten die niet plichtmatig aan me vragen of ik het verdriet al een plekje heb weten te geven.

‘Zeg dan dat ze oprotten!’, roep je geërgerd.

Dat meen je niet, want deze mensen horen net zo goed bij jou. Trouwens zo bot zit ik niet in elkaar. Dat weet jij ook. Gisteren nog gaf ik telefonisch uitgebreid tekst en uitleg aan één van jouw beste vrienden. Over alle administratieve rompslomp en dat ik je zo vreselijk mis. Zijn aandachtspanne was beperkt en doorspekt met ongeduldige keelgeluidjes. Uiteindelijk onderbrak hij mij. Hij beweerde dat jij niet gewild zou hebben dat ik emotioneel zo onstabiel ben. Ook niet voor de kinderen, omdat het voor hen ook niet makkelijk is en dat ik daar maar eens aan moest denken. Ik moet wel de sterke vrouw blijven die jij volgens hem in mij zag. Zo van:

‘Kop op, joh’.

En ik nog schaapachtig meelachen, in de trant van:

 ‘Ja, je hebt wel gelijk!’

En toen moest hij snel opleggen, maar we houden contact. Waarom? Liever niet als je het mij vraagt.

‘Trek je er toch niks van aan!’, meesmuil jij.

Als jij dat zegt dan doe ik dat uiteraard. Niet.

Want ik snap alles. De wereld draait door met er zijn geen woorden voor. Voor het niet weten wat te zeggen, het machteloze medeleven, de angst voor de dood. Jij was niet mijn bezit. Anderen missen jou ook. Dus stel ik mezelf open voor jouw vrienden. Allemaal heel gecontroleerd, wees maar niet bang. Ik ben niet aan de drank of medicatie. Ik sta niet aan de rand van de afgrond, heb geen zelfmoordneigingen en ik probeer er zo goed zo kwaad als ik kan te zijn voor onze kinderen. Geef maar een teken hoor als ik nog meer moet doen om de favorieten uit jouw kring een goed gevoel over zichzelf te geven!

Terwijl we weinig gemeen hebben. Met uitzondering van de kinderen, niet eens jouw persoontje, want de professionele jij is niet de Hans met wie ik 36 jaar lang lief en leed heb gedeeld. Ze halen me naar beneden met hun standaard medeleven en die aangeboden hulp voor de vorm. Hun stroeve omgangsvormen geven mij het verlaten gevoel dat ik voor je moet vechten door in mezelf terug te keren. Gun me die afstand!

 

14 april 2019

Beklonken

Vandaag is het 10 weken en 2 dagen geleden dat jij het leven liet. Ik voel je nog altijd om mij heen. Dat is ook logisch. We leefden zo lang samen dat ik niet meer precies kan aangeven waar jij ophield en ik begon. Misschien doet die tweedeling er ook niet toe en is die fantastische, spirituele zielenwereld echt de realiteit in een hiernamaals. Het geloof in die alom besproken dimensie van het eeuwige licht is zo oud als de mensheid. Het stoffelijk overschot sterft, maar het eeuwige bewustzijn, in de vorm van een persoonsgebonden energie, zou het lichaam ontstijgen. Jij bent thuis gekomen.

Volgens onze kinderen doet het er helemaal niet toe waar jij nu bent. Je bent van de aardbodem verdwenen en dat is op zich al moeilijk genoeg. Ik geef ze geen ongelijk, maar stiekem blijf ik je zoeken buiten mezelf.

In mijn hoofd klinken echo’s van dezelfde stem die laatst weerklonk in een weergave van een familiefilm. Zo vertrouwd. Je geeft nog steeds antwoord op al mijn praktische vragen. Vriendelijk, plagerig, nukkig. Al naar gelang jouw stemming van het moment. In een flits geef je me het gezapige gevoel terug dat alles voorgoed beklonken is tussen ons. Daarna maakt de idee dat mijn opwellingen in werkelijkheid hallucinaties zijn een abrupt einde aan mijn euforie. Mijn ingebeelde spirituele ervaringen zijn waarschijnlijk waanbeelden gebaseerd op jarenlange, miljoenen, grote en kleine herinneringen met en aan jou.

Wie zal het zeggen?

Jij natuurlijk. Laat het verlangen naar herhaling en tastbaarheid maar bij mij. Maar laat mijn twijfel je er niet van weerhouden om mij zo vaak te bezoeken als je belieft

 

21 april 2019

Hallo Hans, hier aarde.

Toen ik je nog elke dag kon aanraken wilde ik nog weleens doem denken. Stel dat op een dag één van ons zou wegvallen? Jij deed er niet aan mee.

 ‘Wie dan leeft wie dan zorgt’, was jouw devies.

Terecht zoals vandaag wel blijkt. Jij bent overleden en ik leef en zorg nog. Ik wil ook niet in de rouw zijn, vanwege het woord en de associaties met grauw en grijs. Ik leef niet in een zwart gat. De zon schijnt, Robin en Trevor puberen en Kirby moet uitgelaten worden.

Ik heb het gazon gemaaid. Niet met één van jouw benzinemaaiers, maar met die elektrische. Je weet wel die grasmaaier waarvan het grasgroene snoer op wel twintig plaatsen gerepareerd is met grijze tape. Trevor voelde zich schuldig omdat hij geen puf had om de klus van mij over te nemen. Alsof ik hem zijn tegenzin zou nadragen. Hij neemt al zoveel hooi op zijn vork. Bovendien heeft hij weer last van hooikoorts. Al ontkent hij dat als vanouds in alle toonaarden. Hij heeft nog steeds ‘gewoon’ koorts. En een verstopte neus, waardoor hij nog wel onnodig lang met een jerrycan benzine heeft staan klooien om één van jouw pronkstukken aan de praat te krijgen. Ongehinderd door de benzinewalm, die hij door zijn hooikoorts dus niet waarnam. Robin en ik wel. Overal in huis raakten we bedwelmd. Robin zelfs tot boven op haar kamer waar ze de laatste weken keihard aan het zwoegen is voor haar eindexamen.

‘Nou, dat ' keihard zwoegen' zal wel meevallen! Tussen het skypen door zal ze haar studieboeken heus wel af en toe eens inkijken’, hoor ik jou relativeren.

Maar Trevor stond dus wel serieus keihard te zwoegen op de trek motors van jouw monstermaaiers. Desondanks sloeg geen van de acht ondingen lang genoeg aan om hun taak te kunnen volbrengen, waardoor de kinderen en ik voor niets high zaten te wezen. Trouwens; Trevor is het postuum alsnog roerend met jou eens dat het gazon maaien zonder benzine machine slavenarbeid is. Ondertussen had ik in een mum van tijd de klus geklaard met dat elektrische prulding.

Daarna borrelt het verdriet weer op. Of liever het gemis. Verdriet is nat en doet denken aan regen en tranen. Maar de zon achter de wolken schijnt de pijnscheuten niet weg. Gemis is geen laag of hoog drukgebied, maar de tussenliggende windkracht in gradaties, weet ik nu. Grillig en snerpend. Als een virus waartegen geen medicijn is opgewassen en dat uitgeziekt dient te worden. Zo wens ik de controle over mijn emoties terug. Om verslaving te voorkomen, want die onvoorspelbare pijnscheuten wortelen zich ook onwrikbaar in mijn hart, zodat jij aldoor heel dicht bij me blijft. Hierdoor zou het gemis toch geleidelijk veilig gelijkmatiger mogen worden.

Wanneer zou ik eindelijk volledig in staat zijn om 36 jaren rustig naast mij neer te leggen?

‘Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen!’, zou jij op deze typische Katinkavraag hoofdschuddend verzuchten.

Vervolgens zou je overgaan tot de orde van de dag.

 

26 april 2019

Koningsdag

Gisteren regende het op Koningsdag. Dus ook op de jaarlijkse rommelmarkt in het Goffertpark in Nijmegen. Weet je nog die keer dat het de hele Koninginnedag zo hardnekkig door bleef gieten dat het hele park bezaaid was met verlaten en verregende rommel? De rechtmatige eigenaren zaten thuis al lang en droog achter een oranje tompoes, terwijl jij met de kinderen - en nog een handjevol rommelmarkt jutters - de Dar te slim af waren door nog vanalles en nog wat naar gading van de vuilnisbelt te redden. Eén maal thuis deelde ik droge kleding uit aan een voldaan drietal in feeststemming. Hoeveel euro’s hadden jullie wel niet bespaard? Koninginnedag was nog leuker dan sinterklaas. De gratis oogst bestond onder meer uit; allerlei speelgoed, handig gereedschap, natte prenten- en leesboeken, peperdure elektronica, games en een hamsterkooi. We aten oranje roomsoesjes met gezichtjes. Het moet 2012 geweest zijn. Ik weet nog dat ik een wasmachine vol met geadopteerde knuffels van Robin moest draaien.

In de jaren daarna liet de zon het niet meer afweten op het Oranjefeest en kon je over de koppen in het Goffertpark lopen. Van parkeren is dan ook normaliter op de dag van de jaarlijkse rommelmarkt in de buurt van het park al helemaal geen sprake. Daarom confisqueerden Trevor en jij alvast op de vooravond van het Oranjefeest een parkeerplaats. De verse oogst kon zo opgeslagen worden in de kofferbak van jouw Citroen, waarna er weer onbezwaard op jacht gegaan kon worden. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Met uitzondering van Robin en ik. Wij hadden het in de regel na een uur wel gezien. In de beginjaren wilden we het jaarlijkse Goffertbezoek nog weleens afronden met een frietje, dat veel te duur en vet was, maar later aten we thuis wel een kroketje uit de airfryer.

Nadat Trevor en jij op de vooravond van Koninginne - of Koningsdag de Citroen geparkeerd hadden, liepen jullie traditiegetrouw, met hond Kirby aangelijnd, dat hele pokkeneind van de Goffert naar huis terug onder het genot van een milkshake. Vanzelfsprekend brachten jullie er ook één voor Robin mee. Bananensmaak. Ieder jaar was de milkshake 25 eurocent duurder.

Op het Oranjefeest zelf werd ik geacht om voor dag en dauw op te staan om jullie met de Renault bij het Goffertpark af te zetten. Jij zat naast me en Trevor achterin en jullie zweerden samen over mijn oriëntatie onvermogen en deden lacherig over mijn rijstijl. Ik keek jullie niet na op de plek van bestemming, maar maakte dat ik terug in mijn bed kwam.

Gisteren regende het niet de hele dag, alleen in de ochtend. ‘s Middags werden we verrast op een waterig zonnetje. Trevor wilde toch absurd vroeg naar de Goffert gaan. Uit gewenning neem ik aan. Ik had al sinds gisteren een knoop in mijn maag, die zich verdubbelde toen ik hem bij een troosteloze rommelmarkt afzette. Ik keek hem na, terwijl hij in de motregen in zijn uppie richting rommelmarkt liep met die rode trolley achter zich aan. Je weet wel dat schreeuwerige ding waarmee hij als kleuter al liep te sjouwen en waardoor hij in notime door de politie werd opgespoord toen we hem als zesjarig jongetje tussen de mensenmassa in de Goffert kwijt waren geraakt. Trevor is geen kleuter meer. Hij steekt met kop en schouders boven de menigte uit nu. Ik hoef niet meer bezorgd te zijn, maar toch ben ik thuis niet terug naar bed gegaan.

Na 2 uur belde Trevor met het verzoek of ik hem op wilde komen halen. Het regende niet meer. Hij had wel een goede oogst gehad. Veel spullen in zijn rode trolley die hij via marktplaats met winst zou kunnen doorverkopen.

‘Ik zal maar niet vragen of hij papa gemist heeft’, ventileerde ik onwillekeurig richting Robin, terwijl ik naar mijn autosleutels greep.

Meewarig keek Robin op van haar laptop en antwoordde:

‘Mam, ik snap dat het moeilijk is, maar je hoeft het drama niet ook nog eens extra op te zoeken’.

Ze heeft gelijk natuurlijk.

 

5 mei 2019

Tranendal

Na 3 maanden merk ik dat jouw overlijden wel is ingebed in de gewone gang van zaken van de mensen om ons heen. Voor mij is dat in zekere zin een opluchting, want dan heb ik tenminste niet meer het idee dat ik me groot moet houden. Ongestoord kan ik terug kruipen in mijn eigen (facebook)wereldje en ik hoef – bijna - niemand meer te woord te staan die ik vóór jouw laatste adem ook nauwelijks tot niet sprak. Op sommige dagen krabbel ik aardig overeind en wankel ik stapje voor stapje op weg naar mijn nieuwe leven zonder jouw lijfelijke aanwezigheid. Ik heb me ingeschreven voor een éénjarige master onderwijswijsbevoegdheid aan de docentenacademie van de Radbouduniversiteit hier in Nijmegen. Dat inschrijven gebeurde in het oude Berchmanianum klooster dat omgebouwd is tot academiegebouw. Wat een prachtig bouwwerk is dat! Dat heb je me nooit verteld toen jij daar vanuit je werk bij de ING een cursus volgde. Of misschien toch wel en heb ik niet geluisterd. Zoals sowieso wel vaker niet, realiseer ik me nu pas achteraf. Ik moest op de universiteit zijn om de echtheid van mijn doctoraal te laten verifiëren. Robin en Trevor waren er ook bij. Robin was net zo betoverd door het gebouw en de ambiance als ik. Dat is nog eens wat anders dan de fabriekshallen van de Katholieke Universiteit Tilburg.

‘Wat is er mis met fabriekshallen?!’, bromde jouw zoon op z’n Trevors.

Maar dan opeens heb ik een hele slechte dag. Alsof ik van binnen een tranendal opvul dat dan op een onbewaakt moment in stromen uit mijn ogen over mijn wangen vloeit. Er is ook geen houden aan. Niemand kan de kraan dichtdraaien. Ja, jij zou dat gekund hebben, maar je bent er dus niet meer. De kinderen weten dan totaal niet wat ze met me aan moeten en gooien me allerlei rationele wetenswaardigheden naar m’n verwarde hoofd. Jij zou ze meteen gesteund hebben. Het lijkt wel of ze op zulke momenten door jouw bezeten zijn, zo letterlijk hoor ik jou terug in hun nuchtere reacties. Ik doe er alles aan om te stoppen met huilen, want afzonderen is geen optie, omdat ik de kinderen in geen geval het idee wil geven dat ik langzaam aan het doordraaien ben.

Dat is namelijk niet zo. Tenminste dat hoop ik.

‘Er gaan elke dag mensen dood en de bejaardenhuizen zitten vol met weduwen en weduwenaars’, zei mijn moeder van 83 gisteren nog sussend tegen me tijdens mijn tweewekelijkse bezoek aan haar.

Op weg naar huis begon ik op de snelweg al onbedaarlijk te huilen. Bij nader inzien denk ik dat die opmerking van ons moeder een lek in mijn tranenreservoir heeft gestoken. Ze bedoelt het goed. Dat weet ik heus wel. Of tenminste daar ga ik voor de lieve vrede maar vanuit en ook omdat ik volgens haar lange tenen heb. Maar het is juist die prietpraat die steeds opnieuw het dunne korstje van de verse wond rukt. Vooral als de ondoordachte uitspraken afkomstig zijn van mensen waar je niet omheen kunt. In goede en in slechte tijden.

In de huiskamer kwam Kirby – onze troosthond - heel dicht tegen me aan zitten op de bank. Eén maal in de keuken bij het koffiezetapparaat kringelden het katten duo Repel en Steeltje om me heen. Ik heb mijn tranen aan hun vachtjes afgeveegd. Ze lieten zich gewoon als vaatdoek gebruiken, terwijl katten in de regel toch niets moeten hebben van water. Dankzij onze drie huisintrigantjes is het me in het bijzijn van de kinderen uiteindelijk toch weer gelukt om tot mezelf te komen. Nou nog niet meer blijven liggen na het vallen, maar in het vervolg meteen weer opstaan. Ik begin het te leren. Je kunt trots op me zijn.

 

15 mei 2019

Op de eeuwigheid.

Vandaag – op 15 mei 2019– zou je 57 jaar geworden zijn. De kinderen en ik maken er geen heisa van, want jij verjaarde onder het motto:

‘Het leven is een feest, maar je moet zelf de slingers ophangen’.

Gelukkig deed je dat tijdens ons leven samen ook volop in overdrachtelijke zin, maar liever niet op officiële zon- en feestdagen. Het werkwoord ‘moeten’ stond niet in het lexicon van Hans Barten. Behalve onder de kopjes van Robin en Trevor. Zij zijn voor altijd de uitzonderingen die onze regels bevestigen.

Robin en Trevor zijn geboren in hartje zomer en wel respectievelijk op 20 augustus 2002 en op 20 juli 2003. Midden in de nacht bliezen jij en ik ballonnen op en verbonden ze met kleurige linten. Zo maakten we slingers. Jij hing ze aan het plafond en in de struiken en fruitbomen in de tuin. ’s Ochtends vroeg pakte jij de cadeautjes in, terwijl Robin en Trevor nog sliepen. Ik vertrok voor dag en dauw om de oma’s in Eindhoven op te halen. Oma Anita alias mijn moeder, oma Lies oftewel jouw moeder van wie we in 2015 afscheid moesten nemen en, niet te vergeten, jouw bruisende, loco moeder; tante Nolda toen ze nog onder ons was. Bij aankomst stond iedere zomer weer het opklapbare zwembad gevuld en wel uitnodigend te glunderen in een zonovergoten tuin. Automatisch denk ik nu terug aan die keer dat tante Nolda zich door de kinderen over liet over laten halen om in een zwempak van mij een duik te nemen in het schijnbare kikkerbadje. Eenmaal gewend aan het toch wel frisse water stond ze versteld van de weldaad en de bewegingsvrijheid in het huis, tuin en keukenbassin. Na afloop van het kinderfeestje bracht jij samen met de jarige job het damesgezelschap weer naar huis. Het was ieder jaar opnieuw behoorlijk hard aanpoten op 20 juli en 20 augustus voor papa en mama, maar tegelijkertijd de moeite voor de kinderen meer dan waard.

De verjaardagen van jou en mij lieten we toen allang zo onopvallend mogelijk aan ons voorbij gaan. Het leven vierden we toch wel samen en we zijn door schade en schande wijzer geworden in de beginjaren van onze relatie. Toen trokken we alles uit de kast. Honderden guldens gaven we 2 keer per jaar uit aan ons beider verjaardagfeestjes. Weet je nog dat we de kratten pils voor mijn broer Ben – die ook al overleden is – niet aangesleept kregen? Ik hoor nog hoe wijlen Frits achteraf opmerkte:

‘Ik ben toch een stevige drinker, maar die Ben van jullie drinkt mij er met gemak uit.’

Het was waar. Ben bleef zitten tot alle ingekochte flesjes Bavaria tot op de bodem leeg gedronken waren en nog stond hij tamelijk stevig op zijn benen en wankelde niet bij zijn vertrek. In de eerste jaren maakte hij pas om en nabij 5 uur in de morgen aanstalten om naar zijn eigen huis te gaan. Totdat wij minder kratten Bavaria inkochten. Hoe minder bier, hoe eerder Ben naar zijn stamcafé vluchtte. Hij was een ‘niveau’ drinker. Hoe constanter zijn alcoholtoevoer, hoe stabieler hij functioneerde. Volhardend kroop hij in het begin dan ook achter zijn stuur na een uurtje of zes onophoudelijk pimpelen in onze overbevolkte woonkamer. Machteloos bleven jij en ik hoofdschuddend achter in een van nicotine doordrongen nasleep van een geslaagde avond en nacht zuipen en lallen. Iedereen had het gezellig gevonden behalve jij en ik. We hadden niets meegekregen vanwege de drukte en de gastvrijheidslat die wij uit gebrek aan ervaring ietwat te hoog gelegd hadden.

Uitgedroogd, hongerig, slaperig, overwerkt, met pijnlijke spieren, tuitende oren en volkomen blut, ploften we bij het krieken van de dag naast elkaar op de neppa lederen driezitsbank - één van onze eerste, niet tweedehands winkelaankoop inclusief een gratis damesfiets – en overzagen de puinhopen van het door ons geïnitieerde bacchanaal. Ieder jaar minderden we met succes, totdat er na verloop van tijd geen uitspattingen meer op dat adres – op de achternamen Barten-Sliepenbeek - georganiseerd werden.

Dat adres was onze eerste – vooroorlogse - arbeiderswoning op de Bosboomstraat, nummer 70 in het Eindhovense stadsdeel Tongelre. Toen – in 1991 – was de arbeiderswoning op de Bosboomstraat nummer 70 een rijtjeshuis in een achterstandswijk waar we zeven vette jaren met elkaar de dagen sleten. Dus zeker geen ruim herenhuis met authentieke stijlkenmerken waarvoor hetzelfde kot – op Bosboomstraat 70 - laatst op Funda te koop werd aangeboden.

We schrijven de beginperiode van een zesendertigjarige relatie. Ik bedoel die onbezonnen tijd waarin we nog naïef genoeg waren om een extravagante housewarming party te houden ter inwijding van onze ‘starterswoning’. Ik moest wel op straat bij de voordeur op de wacht gaan staan, omdat de meeste verdwaalde gasten anders het feestgedruis door het dicht geparkeerde rijtjeshuizendoolhof mis dreigden te blijven lopen. Alle rijtjeshuizen leken van buiten – en van binnen – op elkaar als aanmaakblokjes en de huisnummering was op z’n zachtst gezegd onlogisch genoeg om voorgoed ontmoedigd en het spoor bijster te raken. In de verte hoorde ik de welluidende stem van mijn vriendin sinds de kleuterschool, Caroline, boven het geroezemoes van het stadsverkeer uit steeds dichterbij komen. Ik zag haar toen nog niet, maar hoorde haar wel vol afgrijzen tegen haar toekomstige man, Jan, uitroepen:

‘Woont zij HIER!’

Met de nadruk op de plaatsbepaling ‘hier’ welteverstaan. Het dedain stond bij aankomst van haar gezicht te lezen. Caroline zelf woonde inmiddels al lang en breed samen met Jan in een nieuwbouwwoning in Roosendaal. De inrichting van elke kamer voldeed aan de volmaakte toonzaal. Precies naar voorbeeld in de landelijke huis-aan-huiscatalogus van de IKEA.

Ik gaf niet voor niks de voorkeur aan jou boven al die andere leuke gasten uit mijn tijd. Jij was anders. Knapper en slimmer. Sowieso. En je had moed. Jij kleurde toch al dagelijks buiten de lijntjes door je keuze voor een relatie met mij en mijn slechte reputatie. Ik stond niet bekend als een net meisje. Jij durfal!

Jij en ik dreven de spot met mijn bezoedelde afkomst en vonden elkaar in eenzelfde soort stijlgevoel voor een georganiseerde puinhoop. Ik kon blindelings vertrouwen op jouw neus voor originele, kwalitatief hoogstaande tweedehands meubels en curiosa. Samen maakten we van onze standaard woning toch een uniek thuis. Desondanks heb ik me nooit ergens op laten voorstaan, in tegenstelling tot Caroline met haar geprefabriceerde blokkendoos inclusief bouwpakketinhoud. Ook heb ik haar niet direct aangesproken op haar minachtende uitroep op de avond van onze housewarming party. Ik weet niet of Caroline zich ervan bewust was dat ze met haar ondoordachte kreet van afschuw in de duisternis tegen de lamp gelopen was, maar ze schrok wel toen ze me ineens bij de voordeur buiten in het spotlicht van een lantaarnpaal op wacht zag staan. Vanaf dat moment is het snel bergafwaarts gegaan met onze vriendschap.

Toch heb ik Caroline nooit volledig uit mijn gedachtewereld gewist en toen we later weer contact kregen via facebook, riep ze online dezelfde vertrouwde tegenstrijdige emoties op als 20 jaar terug. Ik seinde al eerder aan jou door dat begin december van 2018 ook Caroline gestorven is. Dus nog voordat jij deze wereld verliet op 2 februari 2019. Achteraf maar goed dat we van niets wisten op het moment suprême. We hadden genoeg aan onszelf in die laatste weken van ons samenzijn.

Sinds ik weet van het overlijden van Caroline, leeft ze onveranderd voort in mijn achterhoofd als een zielsverschijning die ik in gang kan zetten zodra ik een herinnering naar keuze met haar wens te koesteren. Hetzelfde geldt voor; jouw moeder, Frits, Nolda, broer Ben en al die andere dierbaren uit mijn directe omgeving die jou al eerder waren voorgegaan in de trek naar de overkant.

Alleen jij valt niet te dagvaarden. Je komt en gaat wanneer het jou uitkomt. Ik ben volledig overgeleverd aan jouw intieme energie waarmee niets moet en alles mag. De lijfspreuk waarmee je nog steeds dag en nacht mijn emoties beheerst en mijn verbeelding uitdaagt. Ik hoef jouw geboortedatum niet te herdenken om jou niet te vergeten. Al mijn toekomstige secondes tikken hoe dan ook, continu voort op basis van mijn vanzelfsprekende verbintenis met jou.

Alzo santé Schatzl; op de eeuwigheid

 

21 mei 2019

As tot as.

Ergens in de loop van vandaag 21 mei 2019 wordt jouw as verstrooid in vak Baetus van het crematorium Waalstede in Nijmegen. We hebben niet voor een urn gekozen. Volgens de kinderen zou jij dat niet gewild hebben en ik ben nog steeds niet in staat om me langer dan twee seconden op de bestemming van jouw as te concentreren. Daarna klappen mijn luchtwegen dicht, stokt mijn adem en maakt het zuurstofgebrek mij licht in mijn hoofd. Ik kan niet meer denken en al helemaal niet aan dat jij dat bent die verstrooid wordt vandaag.

Aarde naar aarde, as tot as, stof tot stof.

Jij sprak nooit over de dood. Ook niet toen je wist dat je ongeneselijk ziek was. Jij ging voor kwaliteit van leven en ik ging met je mee. Toch had jij een spirituele kant die je heel goed voor de buitenwereld verborgen wist te houden en die je zelden tot bijna nooit aan mij liet zien.

Maar zonder enige geestelijke inslag zou jij nooit met zingen in het Eindhovense Tivoli kerkkoor begonnen zijn toen je een jaar of 10 was. Nou was het Tivolikoor ook niet zomaar een zangclubje, maar een jongenskoor dat in de jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw wereldberoemd was. Je bent zelfs samen met al die jongens van het koor - en de paters die je 44 jaar later allemaal nog bij naam en toenaam kende - op tournee geweest naar onder meer Tsjechoslowakije (1974), waar je al jong doordrongen raakte van het grote verschil tussen welvaart en welzijn. Je was 12 jaar en de koning te rijk met je rijksdaalder uit Holland, maar nooit meer ontving je zoveel warmte, vriendelijk- en gastvrijheid gratis en voor niks als van het povere Tsjechische luisterpubliek.

Het meeste zong je in de Tivolikerk in het Eindhovense stadsdeel Stratum. Elke zon- en feestdag uit je kinderjaren. Zonder misdienaar te zijn, kende jij jouw klassiekers en je bleef je hele leven in de ban van de pracht en praal van de katholieke kerk zonder overigens devoot of bezeten te zijn. Als er iemand met 2 voeten op de aarde stond, dan was jij het wel. Toch kwam jij met het idee om onze kinderen te laten dopen. Later hebben Robin en Trevor ook de communie gedaan.

‘Vanuit de eigen geloofsbeleving kun je het katholicisme en dus ook andere religies veel beter begrijpen en relativeren’, vond jij.

Dat vond ik ook. Demystificatie. Zowel het doopsel als de communie heeft onze kinderen niet geloviger, maar wel geestelijk rijker gemaakt.

Toch vond ik ze heel naïef griezelen bij de gedachte aan jouw as in een urn op de schouw in de kamer. Misschien hebben ze wel uit eigen belang voor de verstrooiing van jouw as gekozen?! Het zijn hartstikke leuke jong volwassenen, maar ze zijn het post puberdom nog niet ontgroeid. Uit zelfbescherming en levenslust zijn Robin en Trevor niet bereid om lang stil te staan bij schrijnende levensvragen. Laat staan bij de weerslag van het overlijden van hun vader. Ze hebben gevolglijk hoe langer hoe minder geduld met mij en mijn trage verdriet. Moeder doet zo raar de laatste tijd!

‘Natuurlijk missen we hem mam, maar alles was goed. Dat zei papa zelf ook!’

Jij zou hun houding voor de volle 100 procent gesteund hebben. Jij leefde ook altijd in het hier en nu. Alleen ik aarzelde en twijfel vandaag nog steeds. Zo nu en dan. De man van de DELA zag mij schrikken toen hij de hamvraag voor het eerst te berde bracht. Hier aan de keukentafel tijdens het babbeltje achteraf oftewel de evaluatie van de crematie.

‘Wat doen we met de as van uw man?’

Ik zal wel wit weggetrokken zijn, want na een pijnlijke stilte bedacht de man van de DELA zelf berustend een antwoord op zijn cruciale vraag:

‘Zo te zien heeft u er nog niet over nagedacht. Maar maakt u zich geen zorgen, u heeft de tijd.’

Tot hier toe dus. Vandaag verzandt jouw lieve lijf tot een deel van het geheel.

Op de aankondiging van de verstrooiing van de as staat geschreven dat ik het terrein van het crematorium tijdens openingsuren altijd mag bezoeken.

Een afspraak maken is niet nodig.

Daar word ik rustig van.

Ongedwongen past bij jou.

Wie weet wip ik nog weleens ooit even aan in vak Baetus van het crematorium Waalstede in Nijmegen en woel ik wat vrijblijvend in de aarde. Met mijn onbedekte handen en niet met mijn naakte joebeltenen (Dus in geen geval afzichtelijke crocs tussen opgehouden duimen en wijsvingers en vervolgens op een wijvig blote voeten drafje door het asveld. ) Die belofte staat.

Als het goed is dan hebben Robin en Trevor het voor vandaag bij nader inzien dus toch bij het rechte eind gehad.

 

14 juni 2019

Vaderdag

Soms is het leven gewoon bijna niet te doen zonder jou en niemand weet hoe lang ik nog moet. Ok, jij je zin; hoe lang ik nog mag. Natuurlijk hoop ik ooit weer met jou herenigd te worden en net als velen met mij probeer ik garanties voor een reünie te vinden in de spirituele wereld. Eigenlijk in het geloof; maar dat is ouderwets en ach als het beestje maar een naam heeft. Zelfs Stephen Hawkens schijnt op het randje van zijn dood nog bekeerd te zijn. Ineens leek de natuurkundige niet meer zo zeker van zijn vroegere, stellige overtuiging dat er geen leven na de dood is. We zouden allemaal in een zwart gat vallen. Toch zou Stephen Hawkins op zijn sterfbed signalen afgegeven hebben van een visioen dat verdacht veel weg had van de universele bijna doodervaring waar zoveel mensen wereldwijd al gewag van hebben gemaakt.

Helaas is zo’n wijdverbreid fenomeen als een typische bijna dood ervaring noch een garantie voor het bestaan van een oneindig bewustzijn - en daarmee van een hiernamaals -, noch het bewijs voor een zinsbegoocheling in de zin van een laatste stuiptrekking van de hersenen die zich niet laat meten met aardse, medische apparatuur. Ongelukkigerwijs weten we pas zeker of er daadwerkelijk een hiernamaals bestaat en hoe dat eruit ziet, nadat we zelf de laatste adem hier op aarde hebben uitgeblazen. Dat moment suprême is jammer genoeg wel te laat voor de overlevenden.

Maar wie weet hebben wij mensen inderdaad wel allemaal een ziel die over het sterven heen overleeft als een oneindig bewustzijn in een geestelijke wereld. Hoe is het anders mogelijk dat zoveel mensen los van elkaar op het randje van leven en dood getuigen van een gelijksoortige, onbeschrijfelijke, hemelse gewaarwording in de vorm van de internationale bijna doodervaring? Zo’n hiernamaals zou ook het mondiale verschijnsel ‘medium’ kunnen verklaren en de daaruit volgende ongelofelijke interactie met de overledenen uit de wereld van de geesten. En ja, de meeste mediums zijn charlatans, die zelfs na een ontmaskering in de eigen leugens blijven geloven, maar toch. Waar rook is, is vuur. Alleen maar omdat een leven na de dood niet wetenschappelijk bewezen kan worden, betekent dat toch nog niet dat er niets meer is na het eind? Hoop doet immers leven. Of laat ik jouw held Albert Einstein citeren in een poging om je van mijn fantomen te overtuigen:

‘Mijn religiositeit bestaat in een nederig bewonderen van de oneindige superieure geest die zich openbaart in het kleine beetje dat wij met ons zwakke, vluchtige verstand kunnen begrijpen van de werkelijkheid.’

In de afgelopen maanden heb ik je dan ook al verschillende keren teruggevonden. In een papegaaiachtig, kleurrijk vogeltje dat op een takje van de struik voor het huiskamerraam naar binnen tuurde en mij secondenlang bleef aanstaren; in het veertje in de eierdoos; in het identiteitsbewijs van Robin dat ik terugvond onder de driezitsbank waarop zij nooit zit; en in de muntjes die ineens opdoken op de koelkast, terwijl ik die plek vlak daarvoor nog leeggeruimd had. Ik zwijg over mijn bevindingen tegen de kinderen, want zij hebben me al snel na jouw overlijden voor gek verklaard. Ze brengen me in de war.

‘Zolang we leven zullen we nooit weten wat er is na de dood mam’, roepen ze geërgerd.

Ik weet niet waar die irritatie vandaan komt. Het zal de leeftijd wel zijn. Overlevingsdrang. Ze staan middenin het leven en kunnen uit zelfbehoud niet al te lang stil blijven staan bij jouw afwezigheid en de verbeeldingskracht van hun moeder. Jij geeft ze groot gelijk, dat weet ik wel. Maar naast een levendige fantasie, heb ik net zo goed inlevingsvermogen en herinner me heus hoe moeilijk het alleen al was om 15 en 16 jaar jong te zijn. Dat neemt echter niet weg dat ik met m’n 53 jarige levenservaring ook niet weet waar ik blijven moet met de afgelopen 36 jaar en met alles wat we samen hadden en deden. Zelfs als alle clichés over eeuwige liefde, levende herinneringen en verliesverwerking kloppen dan nog kan ik nooit meer met je bakkeleien. En stel dat er bovendien ook nog eens echt een hiernamaals blijkt te bestaan, oftewel een harmonieuze, geestelijke wereld waarin jij nu volmaakt gelukkig bent en waar onze zielen bij een weerzien straks zullen fuseren, dan nog kan ik hier op aarde nooit meer op jouw levende lijf terugvallen. Dat is een beklonken zaak. Wetenschappelijk bewijsbaar. Een bijkomstigheidje waarmee ik de komende jaren zal moeten leren leven wil ik niet doordraaien. Een vooruitzicht waarmee ik de ene dag beter kan omgaan dan de andere; maar over het algemeen word ik er niet gelukkig van moet ik eerlijk bekennen.

‘Jij komt er doorheen, want jij bent sterk’, hoor ik je zeggen.

‘Ik vind het altijd zo lekker makkelijk om mij sterk te noemen’, zou ik smalen.

‘Zeg dan dooddoener’, dring jij lachend aan.

‘Een dooddoener ja. En waar moet ik trouwens doorheen komen? Door het leven? Waarom moet ik daar sterk voor zijn? We overleven het leven toch niet.’

‘En toch wordt het beter’, houd jij koppig voet bij stuk.

‘Maar nooit meer zo goed als met jou’, zwelg ik.

‘Wees blij dat je het meegemaakt hebt. De meeste mensen maken zoiets nooit mee’, schamper jij zo pijnlijk nuchter als alleen jij kunt zijn.

Het zal niet de eerste keer zijn dat jouw logica mij tot uitersten drijft. Weet je nog dat je het langer vertikte om met Trevor in een attractie te gaan, nadat je in het Tivoli kinderpretpark de finale van een viertal ritjes in de BeeBee ternauwernood had doorstaan? Je was kotsmisselijk, maar Trevor kon er nog steeds geen genoeg van krijgen. Niet van de BeeBee in het Tivolipark; de Python in de Efteling en tenslotte van de MP Xpress in Movietown. Ook bekend als de grootste achtbaan van Europa. Hij mocht nog niet alleen in dat soort reuze-attracties met zijn 9 jaar, maar wilde zo graag. Hij voldeed immers aan de lengtenorm van 1 meter 20.

‘Sorry jongen, ik heb veel voor je over, maar ik heb gezondheidsgrenzen’, gaf je schaamteloos toe.

‘Ik wil best alleen gaan’, stelde Trevor leukweg voor.

Een vreemde Duitse papa zag mij verstarren en bood vriendelijk aan om onze zoon in de MP Xpress te begeleiden, maar dat ging dan weer over mijn grenzen heen. Hij had waarschijnlijk de beste bedoelingen, die gemoedelijke Duitse papa, maar ik heb ook mijn trots.

‘Weet je het zeker?’, informeerde jij nog bezorgd.

Ik wist het niet zeker. Helemaal toen ik niet meer terug kon krabbelen en daarna pas merkte dat alle passagiers in de achtbaan werden vastgeketend in een soort schommelstoeltje met de benen vrij.

‘Gaat het jongen?’ piepte ik angstig aan het begin van de rit.

‘Vet cool mama’, schreeuwde Trevor opgetogen.

Zijn kleine beentjes raakten mijn verkrampte kuiten tijdens een horrortocht van 1 minuut met de gevoelslengte van een uur. We gingen over de kop, werden heen en weer geschud, van boven naar beneden gesjeesd en trotseerden de wetten van de zwaartekracht. Ik was ervan overtuigd dat ik ter plekke in het luchtledige ten onder zou gaan en dat we kleine Trevor onderweg kwijt waren geraakt. Gelukkig bleef hij regelmatig ‘vet cool mama’ roepen, zodat ik tenminste zeker wist dat het mijn verstand was dat zojuist aan mijn oren voorbij kwam suizen. Aan de finish van de agonie werd ik belaagd en bevrijd uit mijn boeien door twee verlossers van Movietown. EHBO. Ik zag groen. Maar hee, Trevor was over the moon and back geweest en daar ging het jou en mij maar om.

‘Ik zeg niks’, was het eerste dat je na de tornado in de MP Xpres tegen me zei.

Lollig als altijd. Ik vond je een droogkloot! Zelfs op Vaderdag.

‘Allemaal commercie’, vond jij.

We gaven elkaar wel cadeaus op Vader – en Moederdag. Als voorbeeld voor de kinderen. Dat je ook weleens wat voor een ander over moet hebben! Ik werd bijvoorbeeld standaard verwend met handdoeken of een lekker luchtje uit het geurenassortiment van de Wibra.

Zondag is het Vaderdag. Vorig jaar kreeg je van ons zo’n groen afdeknet voor over de tweedehands aanhangwagen cadeau, weet je nog? Bij de Action voor 7,95. We wisten niet waar je het gelaten had toen we laatst naar de stort reden.

‘Je moet een afdeknet over de los liggende spullen in de aanhangwagen hebben; dat is verplicht mam’, beweerde Trevor.

Ik nam het direct van hem aan, want hij wist ook precies hoe hij met de trekhaak om moest gaan. Dat had hij geleerd nadat jullie samen de aanhangwagen op de Wolfkuilseweg bijna verloren waren tijdens een eerste oefenritje. Al doende leert men. Dus om een bekeuring te voorkomen, kocht ik na lang wikken en wegen een nieuw afdeknet bij de Hema. Bij de Action waren die dingen al een jaar uitverkocht. De Hema? Ja, de Hema. Vanwege de Actionachtige prijs vooral. Ook 7,95 en geen 39 euro zoals bij De Gamma. Ik heb niet aan prijs en kwaliteit vergelijk gedaan. Wat kan er nou verkeerd gaan met een afdeknet?

Tijdens het opruimen van jouw doehetzelf schuurtje van dat bouwpakket uit China in de achtertuin een week of wat geleden, vond ik het 1 jaar oude Vaderdag cadeau terug. Dat zul je altijd zien! Nou hebben we 2 groene afdeknetten van 7,95 per stuk. Dat kan er dus alsnog verkeerd gaan met een afdeknet. Misschien in het vervolg wat eerder een hint vanuit de geestenwereld geven over waar jij je spullen opgeslagen hebt graag.

 

27 juni 2019

Mijn probleem

Ik laat me graag vanalles vertellen door iedereen. Het meeste neem ik ook direct voor waar aan. Je zou kunnen zeggen dat ik een naïeve instelling heb. Zij het tijdelijk. Ik ben goedgelovig van nature; totdat het tegendeel bewezen wordt. Meestal gebeurt dat door ervaring; door zaken aan den lijve te onderwinden dus. Ik word door de realiteit ingehaald en met de neus op de feiten gedrukt; hetgeen altijd een louterend effect op mij heeft. Niets valt ooit mee of tegen. Alles is in werkelijkheid compleet anders dan ze beweren. Het proces fascineert me. Daarom schrijf ik er ook over natuurlijk.

Zo week mijn werkelijkheid al eerder af van de norm bij; het behalen van mijn rijbewijs en examens; de liefde; de eerste keer; onze trouwdag; de aankoop en verkoop van een huis; de verhuizingen; mijn zwangerschappen; de bevallingen; mijn relatie met jou; de opvoeding van de kinderen; de zoektocht naar een baan buitenshuis en ga zo maar door op al die betreden paden en mijlpalen in een mensenleven waarmee iedereen eigen ervaringen heeft. Toch blijft die algemene deler de boventoon voeren.

Laat ik een voorbeeld geven. Ik had geen benul van het bestaan van een universeel moederverbond. Voor de komst van ons eerste kind was ik gewaarschuwd voor de illusie van de roze wolk, waar ik desondanks zo lang mogelijk op bleef rondzweven. Ook was ik voorbereid op het einde van mijn existentie als individu na levering door de ooievaar. Een afhankelijkheid die ik overigens tot op heden koester. Verder leefde ik in zalige onwetendheid over de rituelen rond mijn roeping. Totdat ik in mijn kraamtijd in aanraking kwam met een onuitgesproken soort intuïtief moederpact, waarvan ik na de geboorte van onze dochter als vanzelfsprekend deelgenoot werd gemaakt. Zonder aanmoediging van mijn zijde overigens. De eerste kraambezoeksters gaven al meteen signalen af van een mega verschuiving in mijn connectie met de vrouwelijke buitenwacht. Van het ene op het andere moment hoorde ik erbij. Waarbij? Bijvoorbeeld bij jouw moeder, in conclaaf met al haar vriendinnen en de 7 zussen. Plotseling was zowaar mijn tegenpool, in dit geval in de hoedanigheid van mijn prominente schoonmoeder, begaan met mijn zielenroerselen. Hoewel? Misschien was ze achteraf niet zozeer in mij, maar in haar kleinkind geïnteresseerd met wie het contact in de toekomst onverbiddelijk via mij zou moeten gaan verlopen. Zelfs jouw moeder kon niet om die natuurwet heen. Ze was niet achterlijk. Maar daar gaat het niet om. Je weet dat ik geen hekel aan haar had en dat we elkaar – los van jou - respecteerden, maar dikke vriendinnen zijn we nooit geworden. Dat doet er ook niet meer toe. Het gaat erom dat ik op mijn kraambed ineens mocht zeuren over de ongemakjes in mijn leven, zonder meteen minzaam te worden afgedaan als een gestudeerde, aanstellerige juffrouw. Ik was één met andere mama’s geworden. Vanaf nu wist ik wat het was. Ik kon en mocht over het moederschap meepraten.

Maar dat deed ik niet. Wel liet ik in het ziekenhuis, door de naweeën half onderuit gezakt in mijn kraambed, noodgedwongen de wilde bevallingsverhalen van de vele ervaringsdeskundigen om mij heen langs mij af gaan. De ruis klonk niet alsof ik zelf zojuist een tamelijk heftige bevalling met een vacuüm extractie had ondergaan. Toch was dat wel het geval. Zo’n scheve gewaarwording is typisch voor mij. Een blijvertje. Ook na de geboorte van ons tweede kind. Hij werd met een spoed keizersnede gehaald nog wel. Daar had ik niet om gevraagd. Maakt niet uit. Alles is toch anders bij mij dan bij anderen. Minder wereldschokkend. Zowel psychisch als lichamelijk.

Ik heb dat nooit goed kunnen wegstoppen. Het verschil tussen de beleving van anderen en de eigen ervaring.

‘Anderen doen er niet toe’, hoor ik jou weer zeggen.

Waarmee je suggereert dat ik me niet moet laten afleiden. Waarvan eigenlijk?

‘Van jezelf’, antwoord jij.

Niettemin sta ik niet op mezelf. Ik ben de som van dat wat anderen van mij maken. Of voor mijn part ben ik de uitkomst van hetgeen ik uit mijn sociale omgeving oppik.

‘Onzin, je hebt toch een eigen mening’, brom jij.

Jawel en die eigen mening is mijn persoonlijkheid, karakter, geweten of misschien zelfs wel mijn ziel. Het is de ondubbelzinnige waarheid over mijn gevoelswereld, waaraan ik met behulp van taal gestalte probeer te geven. Zodra ik mijn emoties in een vorm giet, krijgen zij bestaansrecht.

Dat geldt zeker voor de chronische. ongrijpbare pijn die is komen opzetten vlak na jouw overlijden. Ik rechtvaardig mijn verdriet door over jou te schrijven en publiceren op facebook. Ik eis geen luisterend oor, noch een virtuele arm om mijn schouder. Het staat al mijn denkbeeldige vrienden op facebook vrij om na een vluchtige blik op mijn verse post door te scrollen. Dat neemt niet weg dat ik iedere like of reactie waardeer. Vanwege het positieve korte termijn effect. Zo’n bondige zalving zonder bijbedoelingen werkt honderd keer beter dan een vluchtig en ongemakkelijk telefoontje uit plichtsbesef van verre vrienden, vage kennissen, jouw collega’s of van familieleden uit jouw of mijn kamp.

Inmiddels is de boodschap in het echte leven overgekomen en alles weer bij het oude voor de buitenwereld. Ik word met rust gelaten. Niemand uit mijn directe, tastbare omgeving vraagt nog naar mijn welbevinden zoals ze vlak na jouw overlijden wel min of meer plachten te doen. Althans ik neem aan dat ik op mijn wenken bediend word, want als iedereen uit pure desinteresse niets meer van zich laat horen dan is de echte wereld nog slechter dan ik dacht. Alhoewel ik de reële mensen ook wel weer begrijp. Ik liep vroeger ook niet over van medeleven met het verdriet van anderen. Waar was ik eigenlijk bang voor? Besmetting? Vermoedelijk wel. Daarbij was ik waarschijnlijk ook weer heilig overtuigd van het hoge waarheidsgehalte van de clichés over verliesverwerking. Ik werd niet geacht weg te lopen voor het leed van de nabestaanden. Van de weersomstuit zette ik de sprint erin. Op de vlucht voor mijn onvermogen om opeens intense gevoelens te moeten uitwisselen met mensen met wie ik voorheen helemaal niets had. Zo werkt dat van beide kanten niet.

Vandaag weet ik dat een rouwproces bestaat uit het ontwarren van een kluwen aan emoties die net zo persoonlijk is als bij wijze van spreken empathie of kraamtranen. Hoe sympathieker mijn medemens, hoe intenser ik bereid ben om mee te leven. Mijn kraamtijd betreft onze 2 kinderen in het bijzonder en niet alle pas geboren baby’s in het algemeen. En mijn hartzeer gaat over jou en niet over mijn vader, jouw ouders, mijn oudste broer, mijn beste jeugdvriendin en alle andere overledenen die jou zijn voorgegaan of nog zullen volgen.

Toen ik jong en onervaren was wist ik zeker dat ik ter plekke zou sterven zonder jouw liefde. Tegenwoordig ben ik oud en wijs en ik leef nog steeds dankzij de onsterfelijkheid van jouw liefde.

‘Je moet gewoon ademen en dan leef je vanzelf’, wist ons aller Toon Hermans het al zo mooi te vertellen.

Dat neem ik natuurlijk weer direct van hem aan. En ik adem heel diep in en uit en probeer over te stappen op de normale gang van zaken alhier door bijvoorbeeld bij jouw zoon te informeren of het niet eens tijd wordt om weer een bezoek te brengen aan de – Turkse – buurtkapper van jullie. Trevor wordt zichtbaar treurig van de gedachte alleen al:

‘Dan willen ze weer weten waarom papa er niet bij is. Dat was laatst ook al zo moeilijk. Dan begrijpen ze me weer niet, omdat iedereen door elkaar heen praat in de zaak en de meesten amper Nederlands spreken. Ik heb geen zin om het uit te leggen. Het is pijnlijk. Niet voor mij, maar voor hen. Ik kom voor een knipbeurt en niet voor een gesprek met diepgang over de dood van mijn vader in gebrekkig Nederlands!’

Of zoals laatst toen we op verzoek van Trevor een kringloopwinkel bezochten waar ik nog nooit geweest was, maar hij wel. Samen met jou uiteraard tijdens de vele strooptochten die jullie gezamenlijk in het weekend en op feestdagen ondernamen door rommelmarkten en vintagewinkels. Trevor werd de winkel binnengehaald als de verloren zoon en het duurde niet lang of hij was in een geanimeerd gesprek verwikkeld over de kwaliteitsverschillen in platenspelers en hun omloop met de handelaar en nog wat stamgasten. Na een kwartier had ik de uitgestalde koopwaar in de oververhitte tweedehands winkel al uit en te na bekeken en wachtte op een afstandje af totdat Trevor klaar was met socialiseren:

‘Is dat je moeder?’, vroeg de winkelier tegen het eind van het gesprek met een hoofdknik in mijn richting.

Hij wachtte het antwoord niet af:

‘Je lijkt op haar.’

En tegen mij vervolgde hij;

‘Hij lijkt niet op zijn vader. Tenminste niet van de buitenkant. Wel van de binnenkant, want die twee weten heel veel van geluidsapperatuur. Ik ken zijn vader goed. Doe hem maar de hartelijke groeten van mij. Ik hoop dat hij er de volgende keer weer bij is.’

Trevor lachte zuur en wuifde wat om zich heen bij wijze van reactie. Zonder woorden vluchtten hij en ik vervolgens de kringloopwinkel uit. Wat moet je zeggen op zo’n moment? Niemand wil van een gesprek over platenspelers overgaan op een rouwbericht. Ook Trevor en ik niet. Alsof jouw hele, grandioze leven uiteindelijk alleen maar op die rot kanker zou neerkomen.

Integendeel. Je was voor iedereen iemand anders. Ik kan raden wat je betekende voor je collega’s in de ICT. Ik zag dat je door het vuur ging voor je vrienden. Ik was getuige van je overgave aan onze kinderen, maar niemand heeft jou gekend zoals ik jou 36 jaar lang heb mogen meemaken. Tot vervelends toe. Zoals ’s nachts, want jarenlang heb ik als vanzelfsprekend het bed met je gedeeld. Soms met mijn hoofd naast jouw blote voeteneind met mijn vingers in m’n oren om jouw aanhoudende gesnurk te dempen.

‘Je snurkt zelf ook’, zei je de volgende ochtend verontwaardigd.

‘Vrouwen snurken niet!’, bloosde ik betrapt.

‘Jawel, hoor’, wisten de kinderen zich te herinneren van mijn middagdutjes op de bank in de huiskamer.

En kijk daar heb je mijn struikelblok weer: het verschil tussen de beleving van anderen en de eigen ervaring.

‘Wat had je anders verwacht’, roep je wanhopig.

‘In ieder geval niet deze tegenwerking’, steun ik vol zelfmedelijden.

‘Er is niets anders! Dit is alles wat je kunt verwachten. Denk je dat anderen zoveel meer krijgen?’, stel je meedogenloos.

Ik sla je met je eigen woorden om de oren:

‘Ik dacht dat anderen er niet toe deden!?’

Jouw toon mindert vaart:

‘Voor mij niet, nee.’

‘Da’s nou precies het probleem, want jij bent er niet meer’, eindig ik.

Dat is nou precies mijn probleem.

Jij bent er niet meer.

 

 

 

4 juli 2019

Het kan dus wel.

In de 4 laatste weken van jouw leven kreeg je palliatieve psychische hulp aangeboden via het CWZ. Van een beginnende psychologe. Het deerde je niet. Je vond het wel verfrissend. Mijn argwaan waaide je weg.

‘Ik heb jou toch’.

Maar wat weet ik nou van de dood? Bovendien zat ik constant m’n ergernis over de onkunde van dat psychologische kind te verbijten. Je was geen experiment. Je was echt. Binnen afzienbare tijd zou je er niet meer zijn. Echter wordt het niet. Zo lag ik naast je op ons bed toen je door de verse psychologe gebeld werd voor jouw wekelijkse check up. Je was net een week uit het ziekenhuis en zou bijna aan de chemo beginnen. Niet om je beter te maken, maar in de hoop de kwaliteit van jouw resterende leven te optimaliseren.

‘Hoe voel je je nou?’, hoorde ik de debutante onzeker vragen.

‘Hij voelt zich toppie’, antwoordde ik in gedachten en met gekromde tenen.

‘Gaat wel’, hoorde ik jou ontwijkend antwoorden.

Ik stond op en verliet de slaapkamer, omdat ik het gesprek niet langer kon aanhoren en ik je niet wilde belasten met mijn irritaties.

‘Weet je zeker dat je niet liever een ervaren psycholoog wilt spreken?’, probeerde ik later voorzichtig.

Je kende me te goed:

‘Laat mij nou, zij is prima. Ze doet niets verkeerd.’

‘Nee, maar ze draagt ook niets bij’, liet ik me toch nog extra kennen.

‘Ze is prima’, herhaalde jij met stemverheffing.

‘Ze vraagt hoe het met je is? Wat is dat voor een vraag aan iemand die terminaal is?’

‘Wat moet ze dan vragen? Ik vind het juist prettig. Zo’n vraag geeft me het gevoel dat ik er nog ben’, concludeerde jij koppig, waarna jij je ogen sloot en even niet meer aanspreekbaar was.

En zo leerde ik in de loop van die fatale laatste 4 weken dat de afstand tussen ons al in gang gezet was. Voor het eerst in onze 36jarige relatie gebood je me indirect om de weg van de minste weerstand te kiezen. Het was alsof ik als enige nog het verzet voelde tegen alles wat ‘hoort’. Weerstand tegen regeltjes en clichés. Geen geduld met goede bedoelingen, onkunde en onvermogen van mensen die eigenlijk beter weten moeten. Een afkeer van groepsgesprekken en generalisaties. Het afscheid had onze tijd moeten zijn en niet een leermomentje voor debutanten.

‘Wat is dat nou toch allemaal?’, was het eerste dat de huisarts op de ochtend na jouw overlijden aan de telefoon aan me vroeg.

Ik voelde me net een demente bejaarde. Guttogut. Of ze me nog moest bellen in de loop van mijn rouwproces?

‘Nou liever niet nee!’, snauwde ik naar waarheid.

Je schijnt open te moeten staan voor hulp van anderen. Niet mijn sterkste kant geloof ik. Je lacht:

‘Ik begrijp echt wel wat je bedoelt, maar maak het jezelf niet zo moeilijk. Gewoon ja en amen zeggen en daarna precies doen wat je zelf wilt’, knipoog je.

Ik zei nog wel tegen de huisarts dat ze mijn afwijzing niet persoonlijk moest nemen.

‘Nee, dat zal ik niet doen, want ik heb je inmiddels wel een beetje leren kennen’, antwoordde ze op een volwassen toon ineens.

Het kan dus wel.

 

8 juli 2019

Propjes

Als ik de deskundigen zou vragen dan zal het er allemaal wel bij horen. Het feit dat ik me overal toe moet zetten sinds jij overleden bent. Ik hoorde Femke van der Laan (weduwe van de burgemeester van Amsterdam) bij Pauw zitten verkondigen dat ze middenin haar rouwproces om Eberhart uit pure wanhoop weleens niets anders deed in een week dan voor haar (kleine) kinderen zorgen en een stukje voor de krant schrijven. Dat zou voor mij een normale werkweek kunnen zijn, waarin ik van mezelf vind dat ik productief bezig ben geweest. Toen jij nog leefde deed ik namelijk in een normale werkweek niet veel meer dan voor jou en de kinderen zorgen en aan mijn facebookfeuilleton ‘KINDERSPEL’ schrijven. En het huishouden natuurlijk, maar Femke van der Laan zal wel een werkster hebben en vaak uit eten gaan, dus dat telt niet. Verschil moet er kennelijk zijn.

Zo is Femke dankzij haar achtergrond ook verzekerd van een groot lezerspubliek voor haar roman; ‘Een Stad vol Ballonnen’, terwijl ik maar een beperkt groepje liefhebbers met mijn facebookfeuilleton bereik. Ik ben niet jaloers. Was ik dat maar. Die hele letterencharade doet me gewoon helemaal niks meer.

Voordat ik in september aan mijn éénjarige opleiding tot docente Nederlands met een onderwijsbevoegdheid aan de docentenacademie van de Radboud Universiteit begin – kosten 2200 euro die ik van onze spaarcentjes zelf mag ophoesten – probeer ik mijn facebookfeuilleton KINDERSPEL te voltooien. Het is nu of nooit meer. Het liefste bleef ik de hele dag in bed liggen, want onze jongvolwassen kinderen hebben nu zomervakantie en zij kunnen in plaats van mij voor Kirby en de katjes zorgen en ik moet volgens de deskundigen precies doen wat ik zelf wil. Dat recht heb ik vanwege mijn verdriet. De gevolgen van dergelijk egocentrisch gedrag moet ik dan ook wel zelf dragen. Dat wordt er niet bij verteld.

Dus sleur ik mezelf iedere dag als eerste hier in huis uit ons tweepersoonsbed en werk routinematig mijn dagtaak af. Daarna probeer ik te schrijven. Het gaat wel. Het moet wel, want ik weet dat jij van mij verwacht dat ik doorga. En ja, ik realiseer me dat het slim is om binnenkort een onderwijsbevoegdheid te gaan halen en dat die 2200 euro een verstandige investering in de toekomst is. En nee, je hebt ons niet berooid achter gelaten. Als ik echt niet wil, dan hoef ik geen betaalde arbeid te verrichten. Ook niet op de lange termijn. Geld is niet belangrijk en een beetje minder kan altijd. Maar als de kinderen straks het huis uit zijn en ik alleen van mijn weduwetoelage en het vrijblijvende schrijven moet leven zonder jouw feedback dan vrees ik dat ik verdrink in het aloude geleur met mijn schrijfsels. Dat hoereren hangt me na al die jaren zo eindeloos de keel uit. Jij was degene die mij energie gaf en de volgekrabbelde propjes voor mij uit de prullenmand haalde en gladstreek weet je nog? Dankzij jou weet ik wat ik waard ben. En wetenschap is nu eenmaal het einde van het geloof.

 

16 juli 2019

Dromen

Vanochtend tijdens het ontwaken kon ik me zowaar een droom herinneren. Jij kwam erin voor en ik vond het de normaalste zaak van de wereld dat je naast me zat. In plaats van je stevig vast te pakken en je te vertellen dat ik je vreselijk gemist heb de afgelopen maanden, werd al mijn aandacht afgeleid door de aanblik van een bord friet onder mijn neus. De hoop goudgebakken staafjes van uiteenlopende lengtes kan ik me weer zo voor de geest halen. Met duim en wijsvinger lichtte ik een frietje van de stapel op. Het kan niet anders dan dat jij ook een portie tot je aan het nemen was. Je was een frietenman. Zeker weten doe ik het echter niet, want ik heb niet op je gelet. Je was er gewoon op de manier waarop ik dat 36 jaar lang gewend ben geweest.

Ik schoot wakker terwijl ik op mijn buik lag met mijn gezicht van jouw kant van het bed afgewend. Op de tast probeerde ik te achterhalen of je je misschien verslapen had. Mijn wekkerradio gaf aan dat het al 11.30 uur was. Geen ramp, want we hebben zomervakantie en vermoedelijk had je vrij genomen? We zijn allemaal nachtbrakers en uitslapers hier in huis. Maar jouw warme, lieve lijf was helemaal niet tastbaar naast mij. Natuurlijk niet.

Nou moet ik die hele dag nog door, terwijl ik het liefste in bed blijf liggen in de hoop op een nieuwe droom over jou. Hoe onbenullig ook. Een mens schijnt tijdens elke slaapronde te dromen, maar ik kan me er zo weinig van herinneren. Waarom liet jij trouwens niets uit jezelf los toen je naast me zat tijdens het frietfestijn? Je had me best kunnen vertellen waar jouw nieuwe thuis nu is. Je had me weleens uit mogen nodigen, want een voordeel van een slecht droomgeheugen is wel dat het beetje dat blijft hangen ook echt beklijft.

Zo is er een ingebakken les over doorgaan. Ik mag niet stil blijven staan in het woud der herinneringen, want anders zie ik op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer. Doorgaan is het devies. Dus dat doen we dan maar. Alsof er een keuze is.

 

22 juli 2019

Emoties

Menselijke gevoelens aan beesten toeschrijven is niet gepast. Toch heb ik mezelf sinds jouw overlijden al vaker betrapt op de overtuiging dat onze boxador Kirby jou zoekt en dus mist. Misschien het poezenduo Repel en Steeltje hier in de woning ook wel, maar zij hebben de kattenluikjes en zijn uithuiziger dan Kirby, waardoor ik ze minder goed op de vacht kan zitten met mijn observaties. Zo heb ik al een paar keer gemerkt dat Kirby onrustig wordt als ze op straat donkerharige mannen van jouw postuur in het vizier krijgt. Je had een prachtige bos donker haar. Weet je nog dat ik opmerkte:

‘Ik zou willen dat ik jouw haar had?’

Waarop jij antwoordde;

‘Ik niet, want dan zou ik kaal zijn.’

Toen Kirby en ik daarnet terug kwamen van een wandeling door de spoorkuil stond er een tweetal Marokkaanse mannen op de stoep voor de voordeur. Ze stonden naast een brommer met de ruggen naar ons toe. Ik zag geen (verplichte) helmen.

‘Wat wil je ook met Marokkanen, hè’, zou jij gegrinnikt hebben.

Hierop zouden de kinderen je beticht hebben van discriminatie en ik zou niet zeggen dat je maar een grapje maakte. Toch? Maar goed, de ene Marokkaan nam met een enorme beenzwaai plaats achter het stuur van de brommer en de andere donkerharige man stapte achterop. Ik dacht onwillekeurig aan al die keren dat jij met Kirby aan je zijde hier in de tuin het gras gemaaid had met een benzinemachine. Telkens als jij de benzinemotor met veel kabaal aan de praat kreeg, danste Kirby vrolijk blaffend rondjes om jou en de machine heen. Een blij hondenleven is gauw vervuld.

Op het moment dat de voorste Marokkaan achter het stuur zich licht ophief en de motor deed aanslaan door even achteruit te trappen, nam Kirby ineens een enorme spurt richting de donkerharige mannen voor op de stoep. Uiteraard zat Kirby aan de rolriem, maar aan het einde van de lijn trok ze me toch pardoes de straat over. Godzijdank was de rolriem precies lang genoeg om Kirby op tijd te stoppen in haar enthousiasme. Vlak achter de mannen op de brommer bleef ze verstijfd staan. Een tel later sjeesden de heren weg. Helmloos. Gebiologeerd keek Kirby ze na. Ze dacht dat jij het was. Jij met jouw benzine maaimachine. Noem het stimulus respons. Maar dan nog. Respons door een herinnering aan een prettige stimulus. Dat was jij voor Kirby. Ik probeerde een snik te onderdrukken. Waarom weet ik niet, want er was verder niemand in de buurt. Prompt keerde Kirby op haar schreden terug en sprong tegen me op. Alsof ze me wilde troosten. Als dat geen emoties zijn dan weet ik het niet meer.

 

25 juli 2019

Gebakken peren.

Airconditioning door het hele huis. Dat was het eerste dat je liet installeren toen we hier in oktober 2005 kwamen wonen. Voorheen, dat was nog op de Leenderweg in Eindhoven, hadden we in de slaapkamers van die ouderwetse ventilators aan de plafonds bevestigd. In de mega huiskamer gebruikten we een draagbare airco die zoveel kabaal maakte dat we de televisie op de hoogste geluidsstand niet meer konden verstaan. De vorige bewoners van Leenderweg 262 waren liefhebbers van schrootjes geweest. We gingen het risico maar niet aan om te kijken wat erachter de houten plankjes aan de muren en de plafonds zat. Het geld om een stukadoor te kunnen betalen moest eerst nog door jou verdiend worden. Om het geheel zolang toch een authentieke finishing touch te geven, had ik de schrootjes in de keuken en de gang smaragd groen geverfd. In de kamer was alles wit. Min of meer. Zelfs het landelijke plafond van geperst stro. De constructie zoog als een spons. Weet je nog hoe we gezwoegd hebben om het grijze plafond toch enigszins wit te krijgen? De emmers witte verf waren niet aan te slepen. Desondanks was de vooroorlogse schrootjes woning op de Leenderweg een sauna in de zomer. Dan is zo’n airconditioning voor ongeacht welke woning ook bijna geen overbodige luxe meer te noemen. Zowaar de huisdieren weten hier in huis op zijn tijd hun plaats in de buurt van de airco beter te waarderen dan een plekje onder de zon.

Vorig jaar om deze tijd meende jij dat er wat mis was met de airconditioning in dit Nijmeegse huis. Volgens jou was er sprake van een verminderd vermogen. De kinderen en ik dachten van niet. Dus had het gezin Barten weer een probleem, want tijdens de zomermaanden van vorig jaar liepen we allemaal sowieso al vaker op onze tenen dan normaal. De kinderen puberden; ik voelde dat ik intenser op jouw zenuwen werkte dan je wilde toegeven; en ik op mijn beurt vond jou soms zelfs onredelijk. De oncoloog vertelde me na jouw overlijden dat de darmkanker ongeveer in deze periode zijn intrede moet hebben gedaan. Met die wetenschap had ik geduldiger moeten zijn. Maar ik wist van niks en ging als vanouds recht tegen je in. We botsten. Er waren spanningen, maar die verdwenen ook weer.

De mensen van Klimate hier in Nijmegen kwamen, repareerden kosteloos een klein lek in het aircosysteem en vulden de boel bij met vloeistof, teneinde het koelvermogen weer te herstellen. Je kreeg dus gelijk en haalde je schouders op.

‘Wat gezegd is in een ruzie, blijft in een ruzie’, was jouw devies.

Die houding van jou heeft een enorme bijdrage geleverd aan de kracht van onze 36jarige relatie, want we konden afschuwelijke dingen zeggen en beweren tegen elkaar tijdens een ruzie.

'Tegen elkaar ja', hoor ik jou relativeren.

En dan zijn we nou weer met elkaar.

Toch wil ik je graag met terugwerkende kracht heel hartelijk bedanken voor jouw koppigheid met betrekking tot het vermogen van de airco van een jaar terug. Dankzij die typische halsstarrigheid van jou, is de schade beperkt gebleven en zitten de kinderen, huisdieren en ik nu niet met de gebakken peren.

 

21 augustus 2019

Alles of niets

Ruim een half jaar zonder jou en het leven is er niet leuker op geworden. Laat staan makkelijker. Relatief gezien heb ik niets te klagen. Er waren pieken en er zijn dalen, maar goed; 1 haar in je soep is veel; maar 1 haar op je hoofd is weinig.

Dat neemt echter niet weg dat ik sinds jouw overlijden erg weinig steun heb ondervonden uit mijn directe omgeving. Dan heb ik het niet over de opkikkertjes op facebook die altijd even oplichten, maar over de eigenzinnigheid van de mensen uit de echte wereld. Ze nemen geen contact met me op uit interesse in mij, maar om hun eigen verhaal kwijt te kunnen. Het mag 2 zinnen over jou gaan en misschien nog een woord of wat over mij en daarna gaan we over tot de orde van de dag. Dat wil zeggen; we gaan over op onderwerpen die de ander aangaan. Vakantie, uit eten, het werk, de hypotheek, de aanschaf van een nieuwe auto, camper of boot. Populaire thema’s, vertel mij wat, maar ook voor jouw overlijden was ik al meer voor spontane interactie. Dat hoef ik jou niet te vertellen. Er is geen andere toegang tot mij dan met een gesprek zonder taboes of begrensde topics. Anders kun je me net zo goed met rust laten. Ik word niet gelukkig van dat geouwehoer in de ruimte. Ergo. ik heb er zelfs last van als ik door anderen gedwongen word om een stompzinnig gesprek te voeren. Laatst werd ik weer gebeld met de vraag over hoe het nou met me was en dat ik gerust ook zelf eens contact op mocht nemen met de betreffende persoon. Los van het feit dat ik dus helemaal geen zin heb in prietpraat, - nooit gehad ook - snap ik echt wel dat de betreffende beller niet tot in de details wil weten wat de diepste roerselen van mijn ziel zijn. Wat de persoon in kwestie dan wel wil is mij een raadsel. Voor een gesprek over koetjes en kalfjes ga je naar je stamkroeg, maar bel je toch niet met een kersverse weduwe, lijkt mij. Fout. Ik moet en zal aan de banaliteit van de gangbare liefde en aandacht geloven alsof de enige weg om nog echt gehoord te worden de gang naar de psychiater is.

In mijn ogen is een psychiater echter ook maar een mens, met wie menselijkheden binnen een standaard kostenplaatje besproken kunnen worden. Indien gewenst. Aldus eveneens niet op mij van toepassing. Laat mij toch in mijn vet gaar smoren en zoek een ander tijdverdrijf, zou ik willen zeggen tegen de gevoellozen uit mijn wereld, als ik niet zo vriendelijk en voorkomend was van nature.

Vind je het gek dat ik hier op facebook regelmatig een update plaats over mijn rouwproces, Als ik dat niet zou doen, was ik allang uit elkaar geploft van opgekropte emoties. Dat kan ik de kinderen niet aandoen. Niet na jou. Bovendien zijn het leuke kinderen, met wie ik nog het beste van gedachten kan wisselen van allemaal. Zelfs over jou. Tot op zekere hoogte. Jij was hun vader, maar mijn liefde van mijn leven.

Ben ik daarom eenzaam? Als dat zo is dan ben ik gelukkig niet de enige, wat nog helemaal niet betekent dat ik daarom aan een praatgroep met lotgenoten wil deelnemen. Wat wil ik dan? Kletsen met jou. Hier aan de keukentafel. Over vanalles en nog wat. Melig, serieus, hartstochtelijk, geërgerd, betrokken. Alles of niets. Niets dus.

 

18 oktober 2019

Wie dan leeft, wie dan zorgt.

Sinds jouw overlijden word ik elke dag minder bang om te leven. De blinde paniek die mij overkwam op het moment dat jij jouw laatste adem blies, verliest langzaam maar zeker grip op mijn keel. Ik haal weer adem. Mijn onbevangenheid was al tanende na de dood van broer Ben en heeft nu grotendeels plaats gemaakt voor gelatenheid. Zelfs nu het levenslicht van mijn moeder binnen afzienbare tijd gedoofd zal zijn, loop ik rond met het mantra; Wie dan leeft, wie dan zorgt.

Ik barst gemiddeld 4 keer op een dag in tranen uit. Soms zie ik ineens een gezichtsuitdrukking van je voor me. Je lacht of bent boos. Maakt niet uit. Het gaat om de gemene pijn van het besef dat ik jouw lieve tronie nooit meer ouder dan 56 jaar zal zien worden. Dan weer weerklinken de dingen die je zei; de discussies, ruzies en gesprekken die we hadden in de loop van onze 36 jaar samen. Er zijn ook momenten dat ik helemaal niet specifiek aan je denk, maar dat de tranen spontaan over mijn wangen rollen als ik sta te koken of de trap stofzuig. Op die ogenblikken ben je nog dichter bij me dan wanneer ik me onderdompel in de bedwelming van mijn mantra. Inmiddels kan ik mijn verdriet zelfs sturen en moet het wel heel raar lopen als de buitenwacht nog lucht van krijgt van mijn rouw, zonder dat ik mijn hart op facebook open natuurlijk.

Ik geloof niet meer dat de mensen uit mijn directe omgeving expres weglopen voor het verdriet van een ander. Al was het alleen maar uit morele verplichting en de gedachte dat je een medemens niets moet aandoen wat je zelf ook niet zou kunnen verdragen. Maar ik kan en wil nou eenmaal niet met iedereen door één deur. Hetzelfde geldt denk ik voor wie dan ook. Jij was en blijft de kern van mijn leven. De kring van mensen in het hier en nu verzacht de nawerking van het gedoofde brandpunt, maar jij blijft mijn essentie. Zo treed ik de toekomst dan maar tegemoet.

‘We will cross that bridge when we get there’, zei jij altijd in het Engels, omdat; ‘wie dan leeft, wie dan zorgt’ zo typisch Nederlands klinkt.

Los van het feit dat jij niet meer leeft en toch nog steeds zorgt. Voor de kinderen en voor mij. Ik hoor wel wat je zegt en adviseert. Zonder woorden. Op mijn gevoel.

‘Ja, mam je bent hartstikke paranormaal’, schampert Trevor.

‘Para-abnormaal’, voegt Robin lacherig toe.

Ze pesten me nog steeds. Jouw nazaten. Ik zal maar niet verder over ze uitweiden uit respect voor hun privacy die jij ook altijd zo hoog in het vaandel had staan. En ik weet wel dat jij en ik zijn ook jong geweest zijn. 

‘Ik had toch altijd gedacht dat ik ons pap – je vader is 69 geworden - qua leeftijd wel voorbij zou streven’, mijmerde je, nadat je op de hoogte was van de dodelijke ernst van jouw ziekte.

Ik sloeg je met je eigen woorden om jouw oren:

‘Denken moet je aan een paard overlaten; dat heeft een groter hoofd.

 

26 oktober 2019

Waar geen wil is, ben ik weg.

Het is voorbij. Ik doel op mijn avontuur aan de docentenacademie van de Radbouduniversiteit in Nijmegen. Ik betaalde vooruit voor een kans om in één jaar mijn onderwijsbevoegdheid te halen, zodat ik in augustus van 2020 met recht op vacatures voor docente Nederlands zou kunnen solliciteren. Na het overlijden van mijn man aan het begin van dit jaar, moest het roer namelijk om. Mijn man was kostwinner, waardoor ik in mijn hele 54jarige leven nog nooit noemenswaardige betaalde arbeid heb verricht. Ik heb ruim 30 jaar terug wel gestudeerd en schopte het tot drs. in de taal- en literatuurwetenschappen. Aldus zag ik mij, na het behalen van mijn onderwijsbevoegdheid, nog wel tot aan mijn pensioengerechtigde leeftijd Nederlandse les geven op een middelbare school.

Dat zelfbeeld is niet veranderd. Maar die docentenacademie ga ik bij nader inzien niet trekken. In de dunne 2 maanden die ik op de universiteit heb rondgelopen als overjarige studente, was ik, noodgedwongen, alleen maar bezig met randvoorwaarden.

Om te beginnen heb ik op 2 september een valse start gemaakt op de eerste stageschool die mij toegewezen werd. Het was de bedoeling dat ik na 2 weken van observeren een uurtje of 4 per week met begeleiding van een werkplekbegeleidster – de desbetreffende lerares Nederlands – met de lesstof voor de bovenbouw van de havo en het vwo aan de slag zou gaan. Voor het tweede deel van de stage – zelfstandig voor de klas staan –, in de tweede helft van het leerjaar, was ik nog niet eens aangenomen op dezelfde middelbare school, terwijl het overgrote deel van mijn – gemiddeld 33 jaar jongere - medestudenten wel voor 12 maanden onder de pannen waren op één en dezelfde stageplek. Maar goed, ik ben ook niet meer de jongste en men zou mij op de stageschool vanzelf leren kennen en waarderen. Dan zou het met die zelfstandige stage ook wel goed komen. Dacht ik.

Verkeerd gedacht. Mijn werkplekbegeleidster was een regelrechte trut. Ik kan haar helaas niet mooier maken dan ze is. Uit respect voor de algemene privacyrechten van de mensheid, zal haar naam hier niet vermeld worden, maar insiders weten gelukkig wel wie ik bedoel. Verder hoef ik me niet druk te maken over een eventuele ten lastenlegging voor smaad, daar ik vanwege mijn vermeende onbenulligheid toch nooit door mensen uit het vak gelezen word. Wat niet weet wat niet deert. Toch?

Nou kan ik over het algemeen tamelijk afdoende met trutjes afrekenen. Dat komt door mijn achtergrond. Veel mensen weten niet dat ik in een grijs verleden bij de Nederlandse Vrouwenraad in Den Haag heb gewerkt. Ik ben door de wol geverfd, zullen we maar zeggen, want een betere leerschool om met trutjes om te gaan dan de NVR ga je niet vinden.

Het punt was alleen dat ik geen kant op kon op mijn eerste stageschool. Ik was een stagiaire en in de eerste 2 weken werd ik geacht om 3 dagen in de week achterin de klas te zitten, te observeren en pootjes te geven. De overige 2 werkdagen waren bestemd voor de werkcolleges op de docentenacademie. Geen plezierreisje, maar nog wel overzichtelijk. De nukken van mijn truttige werkplekbegeleidster waren echter een ander verhaal. Ik was bereid om me aan de regeltjes van de docentenacademie en de stageschool te onderwerpen. Dus ik was respectvol en stelde me beleefd, flexibel en kwetsbaar op. Wie wil, kan alles. En als er iemand wilde, dan was ik het wel. Desalniettemin was mijn motivatie niet opgewassen tegen het instabiele humeur van mijn werkplekbegeleidster. Gedurende mijn observatieperiode begon het vooruitzicht, om nog een half jaar, 3 dagen in de week, overgeleverd te zijn aan de grillen van mijn snauwerige werkplekbegeleidster, mij dan ook steeds meer tegen te staan. Toen mijn werkplekbegeleidster na verloop van 2 weken nog steeds niet was uitgekafferd, was voor mij de maat vol. Voor haar overigens ook, want naar haar mening zou ik totaal geen rekening houden met de grilligheid van het onderwijs.

Maar daar was geen sprake van. Ik was best bereid om me geheel en al te schikken naar de stemmingswisselingen, beschikbare uren en andere onredelijkheden van mijn narcistische werkplekbegeleidster, ware het niet dat ik ook nog een stageplan en een examenhandleiding van de docentenacademie na te leven had. Maar daar had mijn werkplekbegeleidster geen boodschap aan.

‘Ik heb het druk! Denk je dat ik tijd heb om een stageplan en een examenhandleiding van jou te lezen?!’, liet ze zich op het laatst hysterisch gaan.

‘Nou dan lees je het niet’, antwoordde ik tam, terwijl ik er achteraan dacht:

‘Maar dan dien ik wel even een klacht in bij de docentenacademie.’

Zo gezegd, zo gedaan. Zeker nadat mijn fijngevoelige werkplekbegeleidster - die zo op het oog overigens ook nog zo’n 20 jaar jonger geweest moet zijn dan ik – mij afgebekt en wel, moederziel alleen achterliet in de gangen van die immense middelbare school. Het liefste was ik huiswaarts gevlucht, natuurlijk. Ik voelde me een verbaal mishandelde bejaarde die het zich niet kon veroorloven om zich te laten kennen, omdat ze anders met zekerheid aan het kortste eind zou trekken. Vandaar dat ik op eigen houtje maar op zoek ben gegaan naar de vergaderruimte alwaar een bijeenkomst van sectie Nederlands zou plaatsvinden, waarvoor ik eerder op de dag door mijn werkplekbegeleidster al ontboden was. Zij kwam halverwege de bespreking binnenvallen. Bekoeld. Zij wel.

Nadat ik mijn beklag over haar vijandige omgangsvormen had gedaan in een mail aan de docentenacademie, die achteraf door alle betrokkenen voornamelijk ‘te lang’ werd gevonden, volgden de onvermijdelijke afrondings- evaluatie en afscheidsgesprekken. Allemaal babbeltjes die ik – als rechtgeaarde auteur – op mijn beurt dan weer als ‘te tijdrovend’ ervoer. Nou en? Ik was maar een lastige stagiaire die het waagde om veel te lang van schrijfstof te zijn. Alsof al die geleerde docenten van de academie niks beters te doen hebben dan hun kostbare spreekuren opofferen aan de hersenspinsels van een belegen studente.

Desondanks stelden de professionals van de docentenacademie na de nodige beraadslagingen een andere stageschool voor. Overigens kon ik met persmissie eerst een weekje bijkomen van mijn valse start.

Jammer dat ik niet meteen op de tweede stageschool terecht gekomen ben. Mijn werkplekbegeleider was dit keer een capabele, maar vooral een vriendelijke man. Meer heeft een stagiaire van 54 van de docentenacademie van de éénjarige master eigenlijk niet nodig. Alhoewel? Ook op deze school werd ik, na een soortement van sollicitatiegesprek, slechts voor het eerste half jaar, het begeleide deel, aangenomen. Voor de zelfstandige stage zouden we wel zien.

Ook moest ik, begrijpelijk, van voren af aan beginnen met observeren. Weer 2 weken zitten en kijken. Ik begon achterin de klas te hallucineren over mijn oude middelbare school in de periode 1978-1984. Back to the future, waardoor ik langzaam maar zeker behoorlijk achter begon te lopen op mijn medestudenten die inmiddels al volop met begeleiding van de hun toegewezen werkplekbegeleider aan het lesgeven waren op hun stageschool. Mij werd echter herhaaldelijk met klem op het hart gedrukt dat ik me totaal niet druk hoefde te maken over de verplicht gestelde uren in het stageplan, want in werkelijkheid kwamen die deellessen niet zo nauw. Ik stond inmiddels alom bekend als een controlfrikkerige stagiaire die te weinig rekening hield met de grilligheid van het onderwijs. Wie zou die uitvlucht om het eigen botte gedrag te rechtvaardigen toch in de wereld geholpen hebben? Bovendien vraag ik me nog steeds af wat het nut is van een groots gelanceerd stageplan en een examen handleiding als niemand zich ook maar bij benadering aan de regeltjes houdt. Enfin, wie ben ik nou helemaal in het grotere geheel? Niemand. Dus als iedereen maar wat aanrommelt, dan trek ik mijn plan zelf wel.

Want bij mijn docenten van de academie kon ik ook niet terecht. Zelfs niet bij die ene professor van mijn leeftijd die speciaal aangesteld was om beginnende docenten te motiveren met oppeppende werkcolleges ( een soort academische Emiel Ratelband) en die precies het tegenovergestelde uitstraalde van dat wat ze doceerde.

‘Alles wat je doet is goed’, beweerde ze, maar ze voelde zich wel aangevallen toen ik eerlijk mijn mening gaf.

Voor straf sloeg ze mijn opgestoken hand over. Dat was ook wennen trouwens. Dat schoolse karakter van de hedendaagse universiteit, Vroeger was heus niet alles beter, maar toen ik, in de tweede helft van de jaren 80 van de vorige eeuw, letteren studeerde aan de Katholieke Universiteit van Tilburg werd ik voor voller aangezien dan vandaag, 30 jaar later, aan de docentenacademie van de Radboud universiteit in Nijmegen.

Te laat kwam ik tot de ontdekking dat de professor die ik tegen me in het harnas had gejaagd, volgens haar eigen zeggen niet de minste was op de docentenacademie. Ook beweerde zij niet zo iemand te zijn die erop stond dat studenten al haar publicaties kenden, waarmee ze bewust haar macht wilde laten doorschemeren. Voor machtsmisbruik van haar zijde hoefde echter niemand te vrezen.

Niemand, behalve ik dan. Bij mij informeerde ze naar mijn stageperikelen om mij vervolgens op mijn gevorderde leeftijd te wijzen. Ze wilde weten of ik me wel ‘respectvol’ had opgesteld op de eerste stageschool. Door schade en schande wijzer geworden, probeerde ik in de daaropvolgende colleges uit haar persoonlijke space te blijven. Ze liet echter niet los en beet zich vast in mijn ‘moeizame leerontwikkeling’. Uit beleefdheid besloot ik haar van het vervolg van mijn stageworstelingen op de hoogte te stellen.

‘Zo is het leven!’, was haar cynische reactie op mijn relaas.

Ik besloot rustig te blijven en respectvol en dienstbaar en bovenal de verstandigste en antwoordde:

‘Ik vind dit niet zo leuk. Op jouw verzoek stel ik me kwetsbaar op en dan zeg jij: ‘Zo is het leven!’ Wat weet jij van mijn leven?’

Sindsdien kan ik haar ondersteuning vergeten, dat spreekt voor zich. Eigenlijk wil ik ook niets liever dan haar erbij vergeten. Zij mag dan wel een onderwijsbevoegdheid hebben en ik niet, maar ik geef toch de voorkeur aan mijn manier van met mensen omgaan. Dan maar geen onderwijsbevoegdheid en dan maar geen betaalde baan als lerares Nederlands voor de klas.

Het bericht van 7 oktober dat mijn 84jarige moeder ongeneselijk ziek is, gaf de doorslag aan mijn besluit om de docentenacademie de rug toe te keren. Zij is dus niet de oorzaak van mijn capitulatie. Hoewel iedereen die mijn besluit toejuicht graag wil geloven van wel. Maar wie van hen geeft zonder meer een betaalde baan op voor de palliatieve hulp aan een dierbare? Als ik voldoening en een beetje zekerheid had gekregen van mijn opleiding aan de docentenacademie, dan had ik mijn studie nooit volledig ingeruild voor de mantelzorg aan mijn moeder. Die studie had dan zelfs een steuntje in de rug kunnen zijn, waarvoor mijn moeder, die op haar 75ste nog Spaans heeft gestudeerd, alle begrip van de wereld zou hebben opgebracht. Door samenlopen van omstandigheden heeft de docentenacademie niet mogen zijn. Waar een wil is, is een weg, maar waar geen wil is, ben ik weg.

 

9 november 2019

Maar ja, het leven gaat door, hè!?  

Van de week belde weer één van jouw kennissen. Ik weet niet waarom. Waarschijnlijk uit een soort morele verplichting. Ik heb nog steeds de neiging om in hun zogenaamde medeleven te trappen. Dan ben ik in eerste instantie blij met het vooruitzicht om met een oude bekende van jou over jou van gedachten te kunnen wisselen. Van die ijdele hoop kom ik dan al snel terug, omdat die mensen helemaal niet met dezelfde Hans als ik bezig zijn. Als ze überhaupt al met jou bezig zijn.

‘Ach, uit het oog uit het hart’, hoor ik jou vergoelijkend en begripvol sussen, maar tot nu toe wordt elk gesprek met mensen uit jouw kliek na 2 zinnen als een soort postume krachtmeting. Een machtsstrijd tussen de belevenissen van één van hen en jouw levensverhaal. En ik zit er tussenin. Tussen het leven en de dood. Alsof ik me moet verdedigen waarom ik nog steeds zo intensief met jou bezig ben. Na bijna 10 maanden. Alsof jij niet onvervangbaar bent. Alsof ik je ooit ga vergeten! Natuurlijk ga ik door met leven, maar nooit meer op de optimale manier waarop wij samen waren.

Als ik dan bedenk met hoeveel warmte en respect jij hier thuis tegen mij en de kinderen altijd over jouw vrienden, kennissen en collega’s sprak, dan doet de vervreemding die zij aanwakkeren extra pijn. Ook al zullen ze dan waarschijnlijk heus wel goede bedoelingen hebben en zitten zij en ik gewoon niet op dezelfde golflengte. Dat is nou juist precies het probleem. Laat me toch met rust. Ik heb genoeg aan onze kinderen, mezelf en mijn eigen herinneringen. Jij en ik hebben ze samen ingekleurd. Dat wil ik graag zo houden en daar komt geen vreemdeling bij te pas.

Zo ben ik altijd geweest en op die manier is het vandaag vanzelf 9 november geworden. De dag waarop Caroline haar 54ste verjaardag gevierd zou hebben. Ware het niet dat ze amper een jaar geleden op 3 december gestorven is. Daar kwam ik, na jouw overlijden op 2 februari van dit jaar, via facebook ergens in maart pas achter toen ik Caroline van jouw heengaan op de hoogte wilde brengen. Ik was niet vergeten dat ze ziek was, maar Caroline en ik waren te ver uit elkaar gegroeid, om de kluwen rode vriendschapsdraad uit onze kinder-, jeugd-, en jong volwassenjaren weer op te pakken en te ontwarren.

Nadat ik 54 jaar geleden op 31 oktober 1965 ter wereld was gekomen, zag Caroline 9 dagen later voor het eerst het levenslicht. En wel in een paar huizen verderop op de Hastelweg in Eindhoven. De moeder van Caroline kreeg dezelfde gemoedelijke vroedvrouw als mijn moeder in de 9 dagen daarvoor.

‘Nee maar’, schijnt de vroedvrouw quasi verrast uitgeroepen te hebben bij de aanblik van de blakende baby Caroline:

‘Hier een paar huizen verderop is 9 dagen geleden ook zo’n dikkertje geboren.’

Voor zover als ik me kan herinneren zijn Caroline en ik in elkaars gezelschap altijd een dikkertjesduo gebleven. Totdat ik na onze scheiding, die toen al 20 jaar aan de gang was, op een foto van haar stuitte op facebook.

‘Wat zie je er fantastisch uit’, appte ik haar.

‘Ik ben ziek’, antwoordde Caroline tot mijn grote schok.

Vervolgens gaf ze me direct te kennen dat ze me ontzettend graag nog één keer in levende lijve zou zien:

‘Voordat ik deze wereld verlaat’, eindigde ze.

Ik verstijfde helemaal. Ik had haar zo lang al niet meer ontmoet of gesproken. Ik was laf.

‘Je gaat niet dood’, typte ik terug.

Maar ze ging wel dood. Net als jij 2 maanden later.

Sindsdien lijkt de vrijheid om te zijn wie ik ben beperkt te zijn tot mijn reactie op het scrupuleuze medeleven van mensen die jou op een manier herinneren die mij in de weg zit. Caroline zou geweten hebben wat ik bedoel. Zij wist jarenlang wie jij in mijn ogen was. En jij wist wie zij was. We kenden elkaar. Maar ja, het leven gaat door, hè!?

 

17 november 2019

Nie Wieder

Het gemis van jou fysieke aanwezigheid wordt hoe langer hoe sterker. Ik voer gesprekken met je in mijn hoofd en je praat terug. In jouw eigen woorden of in mijn verbeelding. Daarover heb ik gisteren nog een hele discussie met Trevor gehad. Over het verschil tussen feit en fictie en dat wetenschap het einde van het geloof is. Trevor wordt boos als ik ga ‘zweven’, zoals hij dat noemt en ik erger me aan zijn starre ratio. Ik hoop alleen maar dat er meer is tussen hemel en aarde. Zeker weten doe ik dat uiteraard niet, hetgeen mijn zweven tot een geloof maakt. Ik zou niet snappen dat voor elke levensvraag een wetenschappelijke oplossing gevonden kan worden. Maar met een bewezen feit is de lading van het ongewisse nog niet gedekt. Toch zijn Trevor en ik uiteindelijk wel nader tot elkaar gekomen. Hij staat nu wat minder afwijzend tegenover mijn zogenaamde ‘gevoeligheid’ en ik begrijp nu waarom hij de afgelopen maanden bij vlagen vreselijk woedend op me werd. Hoe kon ik nou zo afwijzend tegenover de wetenschap staan? Wie neemt spiritualiteit nou serieus? Ik mag dan wel zijn moeder zijn, maar daarom ben ik toch niet minder dan hij in staat om nuchter na te denken? Gisteren heb ik hem eindelijk duidelijk kunnen maken dat mijn geloof in een oneindig bewustzijn vaak een bevrijding is van dat klinische intellect dat bij mij voor jouw overlijden juist vaker wel dan niet de boventoon voerde. Dus ik begrijp de scepsis van onze zoon echt wel. Trevor is jong en hij leeft - net als onze Robin - bij voorkeur in het hier en nu. Mijn zweverigheid was in de ogen van onze kinderen een aanval op hun berustende rouwproces. Alsof zij de nagedachtenis van hun vader niet op de juiste manier zouden hooghouden en ik met m’n openlijke tranen de waarheid in pacht meende te hebben. Terwijl het tegendeel waar is. De waarheid bestaat niet en ik doe ook maar wat.

Bijvoorbeeld op de, sporadische, rationele momenten, waarop ik twijfel. Dan schiet ik spontaan vol bij de gedachte dat je van de aardbodem verdwenen bent. Wie zegt dat ik je ooit nog zal terugzien? Daar kom ik pas achter na mijn dood. Dus wat maakt het uit of je op me wacht of niet? Als er geen oneindig bewustzijn is, dan heb ik er toch geen weet van.

Het is dus maar beter dat na jouw overlijden de spirituele perioden overheersen. Denkpauzes waarin ik mijn intuïtie laat spreken. Dan is jouw impact of geestelijke aanwezigheid overal merkbaar. Maar dan nog ik kan je nog steeds nooit meer aanraken; of tegen jouw warme, stevige lijf aankruipen met mijn hoofd op je schouder en de geur van je haar in mijn neus. Je stem galmt permanent door mijn hoofd; je woorden klinken moeiteloos na, maar voor jouw fysieke afwezigheid valt geen surrogaat te bedenken. Geen foto- of filmopname weegt op tegen het verlangen naar een terloopse knipoog, een levensechte por in m’n zij of een onverwachte arm om me heen van jou. Dus omhels ik de kinderen wat vaker dan 10 maanden geleden toen je nog bij ons was. We houden elkaar een paar seconden langer stevig vast. Of ik knuffel de huisbeesten. Hond Kirby is een dankbaar slachtoffer, maar ook de katten; Repel en Steeltje zoeken me de laatste tijd opvallend vaak uit zichzelf op voor een portie kopjes en wat geknor. Dieren voelen menselijk verdriet aan. Vooral katten. Dat komt omdat katten paranormaal begaafd zijn; dat weet je toch?

‘Oh, dat verklaart waarom ik een voorkeur heb voor honden?!’, hoor ik jou antwoorden.

Waarmee maar weer bewezen is dat jouw kinderen een aardje naar hun vaartje hebben. Ook omdat ze mij – geheel naar jouw voorbeeld - onvoorwaardelijk gesteund hebben toen ik afgelopen maandag tot 2 keer toe gebeld werd door iemand van de docentenacademie. Ik zou, volgens een klacht van de schoolopleider van mijn eerste stageschool, namen uit onderwijscircuit in mijn facebookartikel vermeld hebben. Dat artikel is mijn persoonlijke verhaal over mijn falen tot het behalen van een onderwijsbevoegdheid en jij kent mij goed genoeg om te weten dat ik heus niet zo dom ben om namen te noemen. Ik heb ook m’n beroepseer als schrijfster. Bovendien vind ik het vermelden van de namen van de protagonisten in mijn onderwijsavontuur veel te veel eer op mijn intieme tijdlijn.

Omdat echter de meeste docenten van de academie uit principe niet op facebook zitten en niemand eigenlijk precies wist welke namen er genoemd werden en waarom, heb ik, na het eerste telefoongesprek, mijn controversiële, maar naamloze relaas naar de woordvoerster gemaild. Uit zelfverdediging. Daarna waren de rapen pas echt goed gaar. Een tweede telefoongesprek met dezelfde woordvoerster volgde. Van withete woede struikelde ze over haar eigen verwijten. Ik had dan misschien geen namen genoemd in mijn relaas; maar de toon in mijn facebookartikel sloeg alles. Dat was helemaal niet de toon die ze van mij gewend was uit de vele persoonlijke gesprekken die wij samen in het verleden gevoerd hadden. Maar ja, ik was maar een stagiaire en ik moest dienstbaar, respectvol en vriendelijk zijn. Schrijfster ben ik daarentegen al meer dan 30 jaren en op het gebied van schrijfstijlen hoeft niemand mij meer iets te vertellen. Desondanks voelde de woordvoerster van de docentenacademie zich verraden, gescandeerd en geschokt. Dat staat haar vrij, het punt is alleen dat ik uitgerekend haar nergens op aanval. Ik heb haar zelfs tijdens dat laatste telefoongesprek te kennen gegeven dat ik haar luisterende oor steeds zeer op prijs gesteld heb. Alleen had ik er geen moer aan. Haar begrip voor mijn situatie heeft me geen stap verder geholpen en het feit dat ze me nu telefonisch in mijn vrijheid van meningsuiting probeerde te beperken, maakte onze relatie er, wat mij betreft, ook niet vriendschappelijker op.

Maar de woordvoerster was nog niet klaar, want hoe durfde ik het in mijn botte hersens te halen om een docente Nederlands van een stageschool ergens in Nederland een trut te noemen? Wie dacht ik eigenlijk dat ik was? We hebben het hier wel met mensen te maken. Als ik maar wist dat de kwestie op directieniveau van de docentenacademie heel hoog werd opgevat. En of onze zoon, die op de achtergrond riep dat ik (z’n moeder dus) alleen maar de waarheid had opgeschreven, z’n brutale mond wilde houden, want dat was wel zo netjes.

Over geschokt gesproken. Weet jij nog dat we in 1987 in Berlijn waren? Herinner jij je nog hoeveel indruk de muur en een dagtrip naar Oost-Berlijn op ons maakte? De beperkte vrijheid van meningsuiting hing als een grauwe sluier over de DDR.

‘Nie wieder!’, antwoordde de BDR.

Die tweestrijd, die ervaar ik nu zelf. Ik kan het nog steeds niet helemaal bevatten. Dat ik tot 2 keer toe op het matje geroepen ben door een woordvoerster van de docentenacademie van de Radbouduniversiteit over een onbenullig facebookartikel. En dat terwijl ik al bijna een maand ben uitgeschreven aan de Radbouduniversiteit! Dankzij jou en de kinderen weet ik wat mij in de toekomst te doen staat. Volharden.

 

20 november 2019

Zo is het gekomen.

‘Is dat papa?!’, riep Robin bewonderend uit, toen ik haar op een jeugdfoto van jou wees.

De foto is gemaakt op het balkon van de flat van jouw vriend Peter op de dag van jouw vwo-diploma-uitreiking.

‘Vlak voordat we verkering kregen’, antwoordde ik niet zonder trots over mijn goede smaak.

Ik heb jou versierd in 1982. Ik heb je gewoon gebeld om te vragen of je met me uit wilde gaan.

‘Da’s goed’, vond je.

Achteraf realiseerde ik me pas wat ik gedaan had. Ik, een meisje van 16, had het initiatief genomen tot een afspraakje met een hunk van 20. Iedereen verklaarde me voor gek:

‘Wat heb je gedaan?!’, smaalde een goede schoolvriendin herhaaldelijk.

Waarmee ze me nog maar eens extra liet voelen hoe bespottelijk mijn eerste stap op het gebied van de romantiek wel was. Ik kon wel janken. Helemaal na jouw besluit, waarmee je ons eerste afspraakje afrondde

Je vond me wel leuk, maar verder niks. Ik was in jouw ogen sowieso te jong, want ‘pas’ 16 en jij was net 20 geworden. Je had me nog uitgenodigd op jouw verjaardag annex examenfeest. Na 8 jaar was je eindelijk geslaagd voor het vwo. Ik zou dat schooljaar na de zomervakantie van 4 havo naar 5 vwo gaan. Jouw broer Twan vierde tegelijkertijd met jou het behalen van zijn havodiploma. Het feest vond plaats op zijn zolderkamer bij jullie thuis. Mijn broer Hans was uiteraard ook uitgenodigd, want medebandlid van de The Majestics. Rock and roll. Ik was een groupie en in de zevende hemel, omdat je me kennelijk zag staan. Waarom had je me anders uitgenodigd? Met trillende vingers drukte ik op de deurbel van jouw huis. Mijn broer Hans stond naast me en had niks in de gaten. Twan deed de deur open.

‘Waar is Hans?’, wilde ik direct teleurgesteld weten.

‘Ow, Hans, ja Hans is even zijn vriendin ophalen’, gniffelde Twan met leedvermaak in zijn ogen.

Ik ging door de grond. Die avond praatte ik voornamelijk met de derde Hans uit de band. De basgitarist. Hans de Werdt. Hij schijnt mijn relatiegehalte in die dagen weleens tegen jou aangehouden te hebben:

‘Misschien moest ik maar eens verkering met Katinka nemen?’

Jij hebt hem dat toen ten stelligste afgeraden:

‘Nee, want dan kan je het niet uitmaken zonder gedoe te krijgen met haar broer (Hans Sliepenbeek) en dan is er weer ruzie in de band.’

Op die avond rond 15 mei in 1982 op de zolderkamer van Twan, werd ik, omringd door feestvierende leeftijdgenoten, voor het eerst en het laatst in mijn leven dronken. Ik kwam je moeder nog tegen in mijn gang naar beneden naar het toilet:

‘Dag mevrouw’, prevelde ik

‘Die Katinka, da’s een leuke griet’, heeft je moeder je later te kennen gegeven.

Tsja, de tijden zijn veranderd. Bovendien was jouw moeder een kastelijnsdochter; en dan kijk je kennelijk niet op een glaasje wijn meer of minder.

Amper 2 weken later was het uit met jouw vriendin en greep ik mijn kans schoon. Een impuls. Mijn moeder was laaiend op me. Hoe dorst ik mezelf zo goedkoop weg te geven? Een paar dagen later belde je me. Dat ging toen nog via de vaste huistelefoon die bij ons in de gang stond. Broer Hans nam de telefoon op en kwam tam de huiskamer binnen wandelen:

‘Hans Barten aan de telefoon’, zei hij.

Wijzer geworden door de gebruikelijke pesterijen van broerlief, besloot ik hem niet te geloven en bleef stoïcijns naar de televisie staren:

‘Hans Barten aan de telefoon!’, herhaalde hij na een minuut of 5 met klem.

Wakker geschud, sprong ik op en snelde naar de gang.

‘Je zegt NEE!’, riep mijn moeder mij gebiedend na.

Ik luisterde niet naar haar, maar naar de muziek in mijn oren uit de hoorn van de telefoon:

‘Wil je nog een keer met me uitgaan, want ik vind jou toch wel leuk als je begrijpt wat ik bedoel?, vroeg je bedeesd.

En zo is het gekomen. 

 

6 mei 2020

 Mam

Voor mij is het nooit eenvoudig geweest om ten opzichte van jou de juiste toon te vinden. Ook al was ik dan jouw enige dochter en jongste kind. Alles wat ik tegen je zei zou tegen me gebruikt kunnen worden. Al zolang als ik me kan herinneren. Ook vandaag, bij jouw afscheidsceremonie, had ik me het liefst verdekt opgesteld. Veilig verschuild achter het imago dat jij in de loop van 84 jaar zo zorgvuldig van jezelf hebt opgebouwd. Want waarom zou ik je niet in je waarde laten?

Ik heb zielsveel van je gehouden. Je was mijn moeder. Maar los daarvan was je ook een sociaal bewogen mens; vrijgevig, met gevoel voor humor en een vlijmscherpe geest die tot aan jouw sterfbed op volle toeren is blijven draaien.

Toch viel je niet zomaar te peilen en wist ik eigenlijk nooit waar ik bij jou aan toe was. Die permanente onberekenbaarheid heeft de moeder-dochterrelatie tussen jou en mij onherstelbaar uit balans gebracht. Daarom neem ik vandaag geen afscheid van een perfecte moeder. Je was geen perfecte moeder, maar een mens van vlees en bloed. Ik heb je in ieder geval nooit in willen ruilen voor een prototype van een volmaakte moeder.

Hoewel jij meestal afwezig was op cruciale momenten in mijn leven. Als ik het lef had om je te confronteren met mijn teleurstelling dan wist ik één ding zeker:

Dat je me na een uitbrander vertwijfeld achter zou laten met een nasmaak van pijn en spijt. Vandaar dat ik naar verloop van tijd ben opgehouden om jouw motieven te doorgronden. Jij en ik waren tot elkaar veroordeeld. Moeder en dochter. Twee tegenpolen. Er zat voor ons niets anders op dan elkaar te leren accepteren voor wie we waren.

Jij leefde in een eigen wereld die begon op de Mathildelaan in Eindhoven op 7 oktober 1935. Als kind van een Duitse moeder had je het extra moeilijk in de oorlogsjaren. Vlak na de oorlog stierf jouw oudere broer op 15jarige leeftijd en bleef jij als enig kind achter met opa en oma op de Bennekelstraat in Eindhoven.

Je was een leergierig meisje. Zo pienter dat de nonnen je een klas over lieten slaan op de lagere school. Ondanks jouw slechte, bijziende ogen en afgezien van jouw jampotglazen ziekenfondsbrilletje, wist je indruk te maken op de veeleisende kloosterlingen uit jouw basisschooltijd.

Jouw oogafwijking heb je aan al je kinderen doorgegeven en daar baalde je van. Alsof die erfenis jouw schuld was en alsof we niet ook een heleboel positiefs van jou hebben meegekregen. Ik heb zoveel van je geleerd

Tegenwoordig zou je met jouw capaciteiten het stempel ‘hoogbegaafd kind’ op de basisschool opgedrukt hebben gekregen. Toch kon je niet door studeren. Vanwege de tijdsgeest en sociale druk. Een gedegen vervolgopleiding was niet weggelegd voor ‘ons soort mensen’ in de jaren vlak na de Tweede Wereld Oorlog. Zeker niet voor een katholiek meisje uit een arbeidersmilieu.

In je latere leven heb je die studieblokkade eigenhandig stukje bij beetje opgeheven. Bijvoorbeeld door je, tijdens jouw jonge jaren als moeder en huisvrouw, te begraven in de oneindige collectie boeken van jouw echtgenoot en onze vader. Al snel ontwikkelde je een eigen smaak en kon bijna niemand meer aan jouw belezenheid tippen.

Tussen de soep en de aardappelen door, haalde je bovendien begin jaren 70 een diploma VWO via de avondschool. Je had toen al 16 tropenjaren als huisvrouw en thuiswerkende moeder achter de rug. Je was 38 met 4 kinderen in de leeftijd van 7 tot 15 jaar. Dankzij jouw autodidactische initialieven op leergebied en de diploma’s die je als volwassene alsnog had weten te behalen, kon je nu eindelijk aan een carrière buiten de deur beginnen.

Je werd aangenomen als directie-secretaresse en later gepromoveerd tot acceptante bij de UAP. Oftewel de Union Alliance de Paris. Een Franse verzekeringsmaatschappij met filialen over heel West-Europa en ook in Eindhoven.

Tussentijds bleef je cursussen voor de UAP volgen en haalde je nog een graad in het middelbaar onderwijs voor de Frans taal. Ook waagde jij je op latere leeftijd nog aan Spaanse taalverwerving. Niet zo verwonderlijk dus dat zowel Frankrijk als Spanje bovenaan jouw lijst met favoriete vakantielanden stonden.

Bij de UAP heb jij je tot aan je pensioen verdienstelijk gemaakt. Dat studeren dat deed je erbij. Voor de lol. Je had een talenknobbel waarvan ik in mijn middelbare schooltijd nog regelmatig misbruik heb mogen maken. Want zo was je ook. Heel scheutig met het delen van kennis en je liet je nooit op jouw prestaties voorstaan.

Na jouw pensioengerechtigde leeftijd, in de herfst van jouw leven, beleefde je diepe dalen. In maart 2007 – het jaar van jullie gouden bruiloft - overleed jouw echtgenoot en onze vader.

Zeven jaar later - in januari 2014 -moesten we afscheid nemen van Ben. Jouw eerste zoon en onze oudste broer.

In 2005 begonnen de bloedingen in je bijziende ogen. In die periode onderging je ook een staaroperatie. In de tijd erna ontwikkelde je een netvliesaandoening waardoor je hoe langer hoe slechter ging zien.

Gelukkig waren er ook pieken in jouw pensioenjaren in de gedaantes van 4 kleinkinderen. Ik zag je opleven in jouw rol van oma, maar zweeg. Uit zelfbehoud stond ik altijd op gepaste afstand in contact met jou. Ik probeerde jouw teruggetrokken leven in jouw heiligdom op de Botenlaan, te respecteren, zonder mezelf tekort te doen, terwijl jouw wereld met het verstrijken van de jaren steeds exclusiever werd. Soms mocht ik meedoen, maar meestal werd ik buiten gesloten. Ongetwijfeld onbedoeld en versterkt door mijn eigen toedoen. Alles welbeschouwd hebben jij en ik er toch steeds samen voor gezorgd dat we elkaar nooit helemaal uit het oog verloren.

Ook niet in de blessuretijd waarin jouw dagen voortkabbelden met familiebezoekjes, verjaardagen vieren, kruiswoord puzzelen en breien op de bank tijdens het televisie kijken. Vaker wel dan niet onder het genot van een goed glas wijn. Of je luisterde naar klassieke muziek of Franse chansons.

Daarbij heb jij in de laatste 25 jaar van jouw leven ook heel wat kilometers gemaakt in Eindhoven. Door de stad banjerend in jouw zorgvuldig aangeschafte wandelschoenen. Altijd een stevige shopper aan je schouder. Steevast keurig gekapt, met gemanicuurde nagels en de wenkbrauwen in vorm. Op die manier deed je ook boodschappen. Zo bestierde je het huishouden. Verzorgd, kordaat.

Jaar in, jaar uit.

Week in, week uit.

Dag in, dag uit.

Je wilde niks weten van een poetsvrouw of thuishulp.

Ook niet toen je ongeneselijk ziek werd.

Alles moest zonder poespas blijven draaien.

Zelfs na 7 oktober 2019.

Op jouw 84ste verjaardag nota bene.

De dag waarop we na jouw opname in het ziekenhuis te horen kregen dat jouw dagen geteld waren.

Zeven maanden geleden.

Wat een moed en levenskracht heb ik sindsdien van je kunnen bewonderen tijdens jouw doodsstrijd mam.

Terwijl je wist dat je niet kon winnen van die roekeloze sadist.

Kanker is een meedogenloze sluipmoordenaar, waaraan jij je op woensdag 29 april jongstleden uiteindelijk toch gewonnen hebt moeten geven.

En opeens verschijn je weer tegenover me aan de keukentafel.

Ik laad me op aan jouw aloude credo:

‘Je hebt je best gedaan, kind.

Meer kon je niet doen!’

Hetzelfde geldt voor jou:

‘Je hebt je best gedaan, mam.

Meer kon je niet doen!’

Rust nu maar zacht.

Het is je van harte gegund.

 

31 oktober 2020

Halloween

Vandaag word ik 55 jaar. Op Halloween. Jarenlang leefde ik in onwetendheid over dit paranormale verkleedfeest dat in de loop van de tijd uit Amerika is overgewaaid en dat zich langzaam maar zeker ook in West-Europa heeft ingeburgerd. Ik vind het een on-Hollands gedoe waarvan het beginsel waarschijnlijk – onder meer - terug te voeren is op ‘Allerzielen’ uit de katholieke traditie. Van oudsher worden op 2 november binnen het katholicisme de doden herdacht op Allerzielen. De dag na ‘Allerheiligen’ en 2 dagen na Halloween dus. Drie seizoensgebonden metaforen voor het hiernamaals of het leven met de dood in een waas van mistige herfsttinten. Eind oktober, begin november markeert de tijd van het jaar waarin het etherische vlies tussen leven en dood zo dun is dat de blokkade bijna wordt opgeheven voor iedereen die open staat voor een spiritueel contact met de overkant. Zulks wekt verwarrende sensaties op van; hemel en hel; heilige geesten en duivels; heksen en spoken; gruwel en horror en bewerkte pompoenen. Die prikkeling van de fantasie is een sinister sprookje. Een griezeling in de zin van; een uitvergroting van de realiteit; een parodie op het spirituele gebied tussen hemel en aarde en een huiverend eerbetoon aan de dood in het algemeen en van iemand in het bijzonder.

Mijn 84jarige moeder is zo iemand in het bijzonder. Een paar dagen geleden kwam ze in een flits voorbij in de Albert Heijn. Op klaarlichte dag. Hier in Nijmegen, terwijl ze in Eindhoven woonde. Ik werd getroffen door haar vertrouwde, kordate uitstraling, terwijl ik me een weg baande tussen de winkelende mensenmassa. Verhit graaide ik naar mijn dagelijkse boodschappen, toen ik plotseling net niet over een oud dametje struikelde. Het nevelige mensje hield zich dapper aan haar karretje staande in het hol van de kudde mondkapjes in de AH en vroeg niet om hulp, maar zocht woordeloos naar een uitweg. Ik herkende mijn moeder. Precies op die manier moet zij zich tot vlak voor haar overlijden in de AH gemanifesteerd hebben. Tenger en breekbaar, maar te trots om steun te accepteren. Totdat ze niet meer anders kon met een terminale ziekte onder de leden en nog nauwelijks zitvlees om thuis op een stoel tot rust te kunnen komen. Natuurlijk zou mijn moeder een mondkapje gedragen hebben als dat tijdens de eerste lockdown al verplicht was geweest. Tegen het einde vroeg ze nog aan de huisarts:

‘Wat nou als ik corona krijg?’

De huisarts snapte de vraag niet. Ik wel. Mijn moeder dacht niet aan zichzelf, maar was bang dat haar sterfbed op de valreep nog een corona besmettingshaard zou worden ook.

Op 29 april van dit jaar is mijn moeder gestorven aan alvleesklierkanker. Dik een jaar na jouw overlijden op 2 februari van 2019. Jij was en blijft de liefde van mijn leven. Ruim 36 jaar lang waren jij en ik een stel. Vanaf dat jij 20 en ik 16 jaar was. Maar daarvoor, als klein meisje, dweepte ik met mijn moeder. Achteraf had ik een ongezonde adoratie voor haar. Een blinde bewondering die mijn moeder voedde en altijd vanzelfsprekend heeft gevonden. Ze merkte niet dat ik afhaakte naarmate de jaren verstreken. Dat los maken was een pijnlijk proces dat er uiteindelijk wel toe heeft geleid dat ik vandaag de dag lang niet zoveel met haar bezig ben als met jou. Jij en ik hebben elkaar nooit voor lief genomen en ik mis de aanwezigheid van mijn moeder niet, zoals ik jou presentie ontbeer met elke vezel van mijn lichaam. Dat de herinnering aan mijn moeder me evenwel niet koud laat, weet ik nu, dankzij de verschijning van mijn moeders evenbeeld in de Albert Heijn. In een momentopname raakte ik doordrongen van de energie van mijn moeder. Met mijn hart in mijn keel en mijn adem ontnomen, stond ik ter plekke met moeite mijn tranen te bedwingen. Alsof mijn moeder mij via de oude vrouw kwam bezoeken en - als vanouds - terecht kwam wijzen. Even haar puntjes op de i. Op haar hittepetitterige manier, dus niet vanaf een sprekersstoel maar in de supermarkt. Ze is niet ongemerkt voorbij gegaan. Er zijn verschillende manieren waarop zielen elkaar kunnen raken.

Zo raak jij me niet dieper of intensiever tijdens Allerheiligen, Allerzielen, of op Halloween, mijn verjaardag dus, dan normaal. Ook niet op onverwachte momenten, zoals de geest van mijn moeder. Aan jou denk ik constant en consequent. Jij bent nu zo goed als 2 jaar geleden overleden en je staat dagelijks bijna dichter bij me dan toen je nog in persoon naast me aanwezig was. Hetgeen niet betekent dat ik jouw lichamelijke aanwezigheid niet overal tevergeefs zoek. Nergens meer dat warme lijf met die beschermende armen. Nooit meer jouw jongensachtige smeekbede om een knuffel en mijn neus in jouw nek voor een snuifje van jouw geur. Jouw gedoofde stemgeluid. De tussenopmerkingen doorspekt met jouw gevoel voor humor. Ik ben vergroeid met jouw wezen, waardoor jouw dood zo definitief is, dat ik de leegte heb begraven in dat gat in mijn hart dat jij hebt achtergelaten toen je stierf. Wel kan ik jouw reactiepatroon op mij, of op een situatie in een wereld zonder jou, raden. Ook krijg ik antwoord op al mijn huidige vragen alsof je nog tegenover me zit aan de keukentafel of naast me in bed ligt. Al word ik er onveranderd niet wijzer van. Net als vroeger tasten we samen in het duister en zo duik je eigenlijk overal op. Ik hoor wat je zegt of zei, of zeggen zou. Kortom, ik kan je overal invullen en ik weet nog steeds niet zeker of je alleen maar in mijn hoofd voortleeft of werkelijk weer tot een oneindig bewustzijn teruggekeerd bent.

Waarom niet beiden? Als rouwen al een proces is met een begin en een einde dan is de finish wellicht de berusting in het ongewisse. Laatst zei de kapster nog tegen me:

‘Je weet nooit wie er nog op je pad komt!’

‘In ieder geval geen nieuwe liefde’, verzekerde ik haar.

‘Dat weet je niet’, antwoordde de kapster bijna teleurgesteld.

‘Niet meer in dit leven’, hoorde ik mezelf schamperen.

‘Waarom niet? Je ziet er toch ‘nog’ goed uit?’, probeerde de kapster mij – of eigenlijk zichzelf - op te peppen.

‘Voor mijn leeftijd’, spotte ik.

Nu voer ik uit voorzorg denkbeeldige gesprekken met mijn eventuele toekomstige aanbidder, waarin ik hem afschrik met een korte uitleg over waarom jij onvervangbaar bent. Dat moet genoeg zijn. Zeker met al die datingsites en keuzes te over op de sociale media van tegenwoordig. In zoverre heb ik mijn levensloop nog wel in de hand. Met berusting in het ongewisse bedoel ik dan ook niet dat ik stiekem zit te hopen op de onverwachte komst van een tweede zielsverwant als een verlengstuk van jou. Zo iemand moet nog geboren worden met jouw ziel. Wat overblijft is mijn huidige leven als een restant van mijn relatie met jou. Het hier en nu dat ik met het verstrijken van de seconden, minuten, uren, dagen en nachten, weken en maanden na jouw dood hoe langer hoe meer heb leren waarderen. Je zou trots op me zijn. Ik ben niet alleen. We hebben elkaar altijd al opgezocht en terug gevonden.

 

12 november 2020

Spraakbericht

 

Of ik het illegale seksfilmpje van de bekende Nederlander Fred van Leer onbekeken zou laten als ik de kans kreeg? Nee, natuurlijk niet, maar ik zou de opname niet doorsturen. De kinderen en ik hebben nog gezocht of we de beelden ergens op de sociale media te pakken konden krijgen. Door alle commotie rondom de compromitterende registratie van een seksueel actieve Fred van Leer, won onze nieuwsgierigheid het van de alom gepropageerde fatsoensnormen. We hebben het veel besproken filmpje niet gespot op de sociale media. Wel was er een hoop ruis over het zogenaamd aanstootgevende beeldmateriaal en de anonieme schoften die het seksfilmpje zonder toestemming van Fred van Leer in omloop zouden hebben gebracht. Het plasfilmpje van televisiediva Patricia Paay heb ik indertijd wel onder ogen gekregen. Een hoop gezeik om niks als je het mij vraagt. (Let op de woordspeling.) Zo valt de inhoud van het filmpje van Fred van Leer volgens mij ook wel mee. Zolang er geen sprake is van misbruik, heb ik geen mening over de slaapkamergeheimen van anderen. Wel stel ik me zo voor dat de openbaring van de seksuele voorkeuren van Patricia Paay en Fred van Leer op de sociale media niet in hun koude kleren is gaan zitten.

Ik leef zelfs mee uit ervaring. Niet dat er seksueel getinte video’s met mij in de hoofdrol op het internet de ronde doen, maar ik herken de schaamte over de publieke ontmanteling door de eigen stomme schuld. En dan de wetenschap dat niemand gaat geloven dat er van jouw kant geen opzet in het spel was. Dat je jezelf niet per ongeluk expres aan de sociale media hebt blootgegeven uit narcisme en/of exhibitionisme.

Mijn publieke blunder stamt van een jaar geleden toen ik op mijn 54ste nog een onderwijsbevoegdheid dacht te kunnen halen als lerares Nederlands aan de docentenacademie van de Radbouduniversiteit. Ik zat in een appgroep met voornamelijk medestudenten vakdidactiek Nederlands. Ik was de enige 50plusser tussen verder allemaal twens en een vakdocent van einde 30. De jeugdige onbezonnenheid die mij omringde maakte me niet onzeker. Het gemak waarmee mijn medestudenten met alle online lesprogramma’s, digitale roosters, het digibord en met de vele relevante apps op hun mobiel omgingen, bezorgde me echter wel permanent een rusteloos gevoel. Mijn moeizame inhaalrace ten spijt. Zo goed zo kwaad als in een periode van een maand mogelijk was, had mijn zoon, van toen 16, mij voorbereid en wegwijs gemaakt op de digitale snelweg richting online programma’s als Brightspace en Onenote. Tegelijkertijd probeerde ik ook nog om mijn behendigheid op mijn mobiel te verbeteren. Voordat mijn man en de vader van onze kinderen op 2 februari van 2019 stierf, gebruikte ik nooit een IPhone. In de loop van 30 jaar ben ik een huismus in de hoedanigheid van schrijfster en moeder geweest. In al die jaren voldeed de vaste huistelefoon prima. Maar als de nood aan de vrouw is, dan is de redding nabij en ik ben allang geen digibeet meer. Er is bij mij alleen geen sprake van routine, omdat ik me in het verleden nooit in het gebruik van computers en mobieltjes hoefde te bekwamen. Mijn overleden man was immers een ouwe rot in het automatseringswezen. Een ICTer van het eerste uur. Meer dan 30 jaar faciliteerde hij mijn werkzaamheden thuis. Mijn huis- en boekhouding. Totdat hij niet meer kon. Ik had mijn thuissituatie ook liever bij het oude gelaten.

Onze 2 kinderen – nu 17 en 18 – waren in oktober van 2019 dan ook niet echt verbaasd over mijn flater. Wel vinden ze het nog steeds een unieke prestatie om met een IPhone onopzettelijk een spraakbericht van 7 uur op te nemen. Op die manier was mijn tape onbedoeld tot een hoorspel uitgegroeid dat in de appgroep vakdidactiek Nederlands door alle leden naar believen beluisterd kon worden. Een medestudente wees mij erop in een appje:

‘Katinka volgens mij heb jij jouw spraakbericht aan laten staan.’

Ik wist niet eens wat een spraakbericht was. Ik kon me nog wel herinneren dat ik die middag met het touchscreen van mijn IPhone in gevecht was geweest. Ik verveelde me in afwachting van een vertrouwelijk gesprek met mijn studieadviseuse. Mijn stage op een middelbare school ergens in Nederland dreigde op een fiasco uit te lopen. Met mijn stagebegeleidster – een lerares Nederlands van pakweg 35 jaar die ik bij voor mezelf tot mevrouw Gewichtig had gedoopt - was geen land te bezeilen. Ze behandelde me als een lastige middelbare scholiere van 16. Aanvankelijk onderging ik de degradatie, maar zelfs het aanpassingsvermogen van een 54jarige drs. in de Letteren heeft grenzen. Dus ik moest wel in actie komen, want ik was de stagiaire, de mindere en de oudste. Ik zou hoe dan ook aan het kortste eind trekken. Ik moest maken dat ik wegkwam op een andere stageschool nu het nog kon aan het begin van het studiejaar. Liefst zonder poespas of evaluatiegesprek op een middelbare school waar ik als overjarige stagiare overduidelijk niets te zoeken had. Ik hoefde niet te winnen. In tegenstelling tot mevrouw Gewichtig.

Het gesprek met de studieadviseuse alias mijn vertrouwenspersoon bij de docentenacademie duurde dik 2 uur. Mevrouw Gewichtig alsmede de betreffende middelbare school zijn constant aan de orde geweest en bij naam genoemd. Zoiets moet kunnen in een vertrouwelijk gesprek. Ik weet nog precies hoe ik mijn grieven geformuleerd heb en wat ik gezegd heb. Zo ben ik nou eenmaal. Altijd op mijn hoede. De vertrouwenspersoon op haar beurt deed mij haarfijn uit de doeken wat mijn juridische positie was en dat ik geacht werd om discreet te blijven over de perikelen op de stageschool naar buiten toe. Voor mij geen enkel probleem. Ik ben de discretie zelve.

Niet zo vreemd dus dat ik weken later even helemaal knock-out ging, omdat mijn voormalige vertrouwenspersoon volkomen onverwacht razend van woede aan mijn vaste telefoon hing met een beschuldiging van smaad. Voor mij een symbolische kopstoot. Mevrouw Gewichtig had met terugwerkende kracht een klacht tegen mij ingediend bij de docentenacademie. Ik zou haar met naam en toenaam genoemd hebben op de sociale media. Ik had weliswaar een betoog geschreven over mijn slechte ervaringen bij mijn poging om op latere leeftijd, omringd door de jonge academici van tegenwoordig, alsnog een onderwijsbevoegdheid te halen en dat op facebook geplaatst, maar daarbij had ik geen namen genoemd. Ik ben niet achterlijk. Op het moment dat mijn vertrouwenspersoon mij telefonisch ter verantwoording riep, vroeg ik me oprecht af wat haar bezielde. De naam van mevrouw Gewichtig komt in mijn hele aanklacht ten aanzien van de docentenacademie op facebook niet voor. Nogmaals: Ik noem bewust geen namen in geschreven tekst op internet. Mevrouw Gewichtig komt alleen maar cryptisch aan de orde. Een goed verstaander heeft tenslotte maar een half woord nodig. Bovendien had ik de docentenacademie op de dag van het aanmatigende telefoontje van de vertrouwenspersoon allang vaarwel gezegd. Kennelijk legde mevrouw Gewichtig heel wat meer gewicht in de schaal dan ik; de onbenullige persoon die de paranoia van een hysterische stagebegeleidster schaamteloos in de schoenen geschoven kreeg. Zelfs nadat ik alle banden met de docentenacademie verbroken had en weer op vrije voeten was. Waarom? Omdat mevrouw Gewichtig een onderwijsbevoegdheid heeft en ik niet?

Mevrouw Gewichtig bleef mij achtervolgen. Al eerder, op mijn nieuwe – tweede – stageschool, werd ik ook al tegen mijn wil met haar in verbinding gebracht. Wat was er echt mis gegaan op de eerste stageschool? Wat waren mijn verborgen gebreken? Uiteindelijk werd ook de tweede stageschool geen succes, maar dat had niks meer met mijn nieuwe stagebegeleider te maken. Dit keer een man. Een ervaren leraar Nederlands van mijn leeftijd. Dat scheelt toch een slok op een borrel. Als ik meteen bij hem terecht was gekomen en mevrouw Gewichtig nooit had ontmoet, dan had ik nu een onderwijsbevoegdheid gehad. Dat weet ik zeker. En als mijn 84 jarige moeder in oktober van 2019 niet te horen had gekregen dat ze niet meer lang te leven had, dan was het me zelfs ook na het debacle op de eerste stageschool absoluut gelukt om het tij te keren met mijn tweede kans. Maar als dan is koffiedik kijken. Voor mijn gevoel was ik in de echte wereld intussen te ver achter geraakt om mezelf nog overtuigend te kunnen onderwerpen aan het digitale tijdperk, het rigide regime van de docentenacademie en de puberale insteek van een stageschool. Wat mevrouw Gewichtig betreft was het kwaad op de tweede stageschool ook al geschied. Mijn onbenullige verschijning zat onlosmakelijk aan haar vast. Tot mijn grote ongenoegen kwam mevrouw Gewichtig in de wandelgangen van de tweede stageschool regelmatig ter sprake. Ons kent ons. Met voor en achternaam. Zo ook wel honderd keer tijdens mijn vertrouwelijke apartje met de studieadviseuse. Hetzelfde onderonsje dat per abuis als spraakbericht in de appgroep vakdidactiek Nederlands terecht gekomen is.

Ik flipte helemaal toen ik me realiseerde wat ik gedaan had door per ongeluk de opnameknop van mijn IPhone aan te raken. Robin spoelde wat heen en weer in het spraakbericht op mijn mobiel. Naast het vertrouwelijke gesprek met de studieadviseuse waren ook de nodige korte privébabbeltjes en kibbeltjes tussen de kinderen en mij te horen. Afgewisseld door uren van geroezemoes met op het achtergrond het ritmische tikken van de keukenklok boven de eettafel waarop mijn telefoon het grootste gedeelte van de opnametijd veilig in mijn schoudertas opgeborgen was geweest.

‘Mam, doe rustig, niemand gaat een spraakbericht van 7 uur afluisteren’, probeerde Trevor mij te bedaren.

Het spraakbericht had hij al verwijderd en hij vroeg mijn medestudenten onder mijn naam in de app om hetzelfde te doen.

‘Dan kennen jullie mijn medestudenten nog niet’, kermde ik.

Ineens realiseerde ik me dat mijn docent vakdidactiek Nederlands ook in de app zat en dat hij dus net zo goed toegang tot mijn spraakbericht had. Ik voelde me niet goed worden.

‘Mam, doe normaal. Wat ben je toch een boomer. Zo interessant ben je echt niet. Niemand gaat de tijd nemen om jouw spraakbericht af te spelen. Geloof ons nou maar’, hield Robin vol.

Soms vraag ik me af of het wel zo’n goed idee was om onze kinderen aan te leren om toch vooral open en eerlijk te zijn. Trevor stootte mij aan en hield het scherm van mijn mobiel onder mijn neus.

‘Hier, je hebt al een appje terug op mijn verzoek om het spraakbericht weg te gooien.’

Mijn leesbril moest eraan te pas komen. De reactie kwam van een medestudente die mij eerder ook al hypocriet had geleken:

‘Kan gebeuren meid. En ja, Katinka ik ga serieus de tijd nemen om een spraakbericht van 7 uur af te luisteren. Maar niet heus’.

‘Zie je nou wel. Zij snappen dat je dat spraakbericht per ongeluk hebt opgenomen en niet expres hebt doorgestuurd’, vergoelijkte Trevor.

Ik kwam tot de conclusie dat het geen zin had om mijn kinderen nog langer te belasten met mijn eigen stupiditeiten. Ze hadden geen gelijk. Zo ver als ze zijn op de digitale snelweg, zo naïef is hun geloof in de gepropageerde politieke correctheid van de buitenwacht. In de dagen na het spraakberichtincident in de app, kon ik tijdens de werkcolleges precies aanwijzen wie van mijn medestudenten de luistervinken waren. Het verraad zat in een neerbuigend gebaar, een lollige opmerking en een subtiel buitensluiten. Even stond ik voor een afgrond. Nog één stapje verder en ik zou vallen zonder vangnet. Maar de woorden die mijn recentelijk overleden man in dit geval gesproken zou hebben brachten me weer bij mijn positieven:

‘Trek het je niet aan en laat het gaan, want je hebt niets met opzet verkeerd gedaan.’

Pas sinds de Fred van Leeraffaire realiseer ik me wat vorig jaar de studieadviseuse alias de vertrouwenspersoon van de docentenacademie getriggerd moet hebben om mij op het matje te roepen en zelfs te dreigen met represailles van hogerhand. Overigens zonder dat ze zelf de toedracht goed besefte, want mijn vertrouwenspersoon ging er bijna prat op dat ze persoonlijk zo min mogelijk met de sociale media te maken wilde hebben. In eerste instantie werd de vertrouwenspersoon dan ook mijn hoek ingestuurd door de klacht van mevrouw Gewichtig, maar in tweede instantie niet eens zozeer door de inhoud van mijn verhaal op facebook, terwijl aanvankelijk wel alle vingers die kant uitwezen. Bij nader inzien is het veel aannemelijker dat mijn spraakbericht over de tong is gegaan. In combinatie met mijn bericht op facebook is dat vuurwerk natuurlik. Zeker omdat mevrouw Gewichtig in dat spraakbericht wel tot uitentreuren bij naam genoemd wordt. Ben ik even blij dat het geval van Fred van Leer ons leert dat het verspreiden van opnames op de sociale media zonder toestemming strafbaar is. En daar zitten we dan nu in de geruchtenmolen: de vertrouwenspersoon, mevrouw Gewichtig en ik. Alleen ik hoef me nergens meer voor te schamen.

 

2 februari 2021

Twee jaar later.

Bij het krieken van zaterdag 2 februari 2019 blies jij jouw laatste adem uit. Vandaag precies 2 jaar geleden. De kinderen en ik zaten aan weerszijden van jouw bed in het CWZ. Hier in Nijmegen. In de wetenschap dat je ernstig ziek was, hadden we hemel en aarde bewogen om je op het nippertje met een ambulance naar de eerste hulp te kunnen krijgen. We wisten niet dat je op 2 februari 2019 al dood zou gaan. We dachten dat je een inzinking had en met een medisch steuntje in de rug wel weer snel aanspreekbaar zou zijn. Die uitgezaaide endeldarmkanker had zich toen pas vijf weken geleden geopenbaard. Ook was op dat moment amper anderhalve maand bij ons bekend dat je terminaal was. Tot aan 28 december 2018 leefden wij nog in zalige onwetendheid over de sluipmoordenaar die jouw darmflora saboteerde. Vlak voor de jaarwisseling van 2018 naar 2019 verzekerde een overmoedige zaalarts van het CWZ mij tijdens jouw ziekenhuisopname in de eerste twee weken van de beproeving nog terloops dat je niet op stel en sprong dood zou gaan. In de daaropvolgende vier weken in jouw vertrouwde thuisomgeving stond er zelfs nog kwaliteit van leven op de planning. Januari 2019. Mogelijk gemaakt door een met spoed aangebrachte stoma en pijnbestrijding in de vorm van oxycodon. De lopende chemokuren waren tevergeefs. Bleek achteraf. Wat is kwaliteit van leven? De kinderen en ik voldeden aan jouw levensstandaard, maar kennelijk bieden in het verleden behaalde successen geen garantie voor de toekomst. De dienstdoende arts van de spoedeisende hulp keek me in de vroege ochtend van zaterdag 2 februari 2019 doordringend aan toen hij meedeelde dat jij op het punt stond om te gaan sterven.

Wat moest ik zeggen? Alsof mijn wilskracht of wanhoop iets konden veranderen aan een acute bloedvergiftiging door falen van jouw lever vol metastasen. Zesendertig dagen en nachten aan een stuk had je gevochten tegen pijn, ongemak en het ongewisse. Ik streed met je mee. Dusdanig intens en met zoveel vlagen van verstandverbijstering, afgewisseld met vertraagde inzichten, dat jij en ik uiteindelijk niets meer tegen de aflopende zaak wisten in te brengen. Uit zelfbescherming keek ik niet meer voor- of achteruit. Alleen maar om me heen. Naar jouw levenloze lichaam en naar onze verslagen kinderen met hun bleke smoeltjes naast jouw stoffelijk overschot.

In de afgelopen twee jaar heb ik het terrein bij het crematorium waar jouw as is uitgestrooid niet bezocht. Eerlijk gezegd ben ik de confrontatie met de eindigheid van jouw leven bewust niet aangegaan. De voorstelling van jouw lichaam dat in vlammen is opgegaan wil nog altijd niet landen bij mij. De kinderen vonden de gedachte aan een urn belachelijk en wisten zeker dat jij niet als een restje stof in een stenen pot op de schouw had willen staan. Dat klopt wel volgens mij, maar ik kan er niet diep op ingaan. Het is voor mij niet te bevatten dat je bent opgelost. Liefde is tastbaar. Iemand die zoveel voor mij betekent moet nog ergens zijn. Ik ben niet ineens gestopt met van je te houden. Van het totaalplaatje. Van je karakter, je uitstraling, maar ook van het uiterlijk dat je met zoveel verve droeg. Dat begeerlijke, warme lijf dat ik zo goed kende en dat ik letterlijk en figuurlijk hartstochtelijk heb liefgehad.

We zaten met zijn vieren aan de keukentafel. De kinderen, de begrafenisondernemer en ik. Het was zaterdagmiddag 2 februari 2019 en jouw doodsstrijd van de afgelopen vijf weken sidderde na in al mijn zintuigen. De begrafenisondernemer zat tegenover mij op jouw oude plek. Hij wist zich pas een houding te geven toen ik tijdens het schenken van een kop koffie met vaste hand kennelijk de indruk bij hem wekte een sterke weduwe te zijn. Zijn selectieve waarneming blokkeerde me. Ik kroop nog verder terug in mijn schulp, want dat wat hij verkoos te zien was mijn automatische piloot. In werkelijkheid was ik in shock en balanceerde aan de rand van een zwart gat. Ik had zojuist een trauma van hartverscheurende mantelzorg achter de rug. Mijn ziel en zaligheid waren compleet afgemat. Uitgeput was ik overgebleven met twee ontredderde pubers van 15 en 16. Mijn leven was aan stukken geslagen. Ik had het idee dat ik nog maar voor de helft aanwezig was. De andere helft was met jou afgestorven. Doodgebloed. Weggevaagd. Incompleet nu werd ik vervolgens geacht om de begrafenis van de liefde van mijn leven te regelen met een wildvreemde. De bloemen, de kist. De koffietafel met alleen maar cake of ook belegde broodjes en kroketten? Zeg het maar. Hoeveel bezoekers dacht ik ongeveer te mogen onthalen? Wat was het budget? Voor jou alleen het allerbeste toch? Ik was verdoofd en praktisch. Na een relatie van ruim 36 jaar kon ik jouw bescheiden wensen dromen. De kinderen dachten mee en ik wilde ze niet in de steek laten door ze de boventoon te laten voeren. Ik moest erbij blijven van mezelf. Dat lukte redelijk tot aan de slotbespreking over de urn. De begrafenisondernemer merkte niet dat ik dichtklapte. Hij had zijn laptop alweer opgeborgen. Zijn klus op die zaterdagmiddag 2 februari 2019 was sneller dan normaal geklaard. Toen mijn slotakkoord uitbleef, nam hij zelf het heft in handen en rondde de bijeenkomst zakelijk af.

‘Er is geen haast bij de keuze aangaande een urn of verstrooiing, Neemt u rustig de tijd’, zei hij, waarna hij de voordeur achter zich dichttrok.

Je neemt geen tijd. Tijd krijg je en in ons geval was het niet genoeg.

‘Ik ben nog niet klaar’, vertrouwde je me toe op jouw ziekbed.

Wat moest ik daarop zeggen? Als een razende zocht ik naar protest in mijn imploderende hoofd. Ik vond geen woorden en zweeg ontdaan en opstandig. Langzaam maar zeker verzeilde ik in een soort hysterische verdwazing. Een schrijnende bedwelming afgewisseld met panische golven van vertwijfeling. Alsof een oneindig gevoelsleven onophoudelijk wordt uitgehold tot een droomloze slaap erop volgt. Of de achtbaan van de rouw gaat over de kop door een onbedaarlijke huilbui die toch ook verlichting brengt met een tranenzee die de aangekoekte ellende stukje bij beetje losweekt en het aandenken verheldert. Op het ritme van die golfbewegingen zijn twee jaar verstreken. Naar verloop van maanden begon de dynamiek van emoties in heftigheid af te nemen met steeds grotere pauzes tussen mijn paniekaanvallen. Inmiddels ben ik weer vaker kalm dan gespannen. Zoals vroeger met jou aan mijn zijde. Weet je nog?

Direct na jouw overtocht ben ik me gaan verdiepen in de dood. Waar ben je gebleven zonder mij? Hoe moet ik verder leven voor de kinderen? Ze hebben al geen vader meer. Met wie moet ik nog praten, lachen, ruziën en discussiëren op gelijk niveau? Bij wie kan ik nou mezelf zijn? Wie anders dan jij kan mij verdragen met al mijn onhebbelijkheden? Wie zorgt er voor mij als ik later oud ben en gebrekkig? Niet de kinderen mag ik hopen. Zij bouwen straks een eigen leven op. We zijn weliswaar te hecht om elkaar ooit uit het oog te verliezen, maar God verhoede dat ik in de toekomst een verplichting voor Robin en Trevor word. En een nieuwe liefde is geen optie. Niet op onze manier.

Aldus dwalend en vragend op het internet laat ik me al twee jaar troosten door het algoritme van het spiritualisme. Ik spit door de verhalen van mediums en hun vermeende contact met overledenen. Uitermate kritisch beluister ik online podcasts over reïncarnatie; betwijfel getuigenissen van bijna-doodervaringen en neem de schetsen van het hiernamaals met moeite serieus. Daar ergens tussen bevind jij je nu. Onbereikbaar dichtbij, terwijl je me dag en nacht omgeeft Ondanks de rouw ben ik na jouw overlijden geen seconde alleen geweest en mogelijk ben ik wel compleet doorgedraaid na 2 februari 2019. Ik weet niet zeker of je me hoort als ik met je praat en of je ook echt wat terugzegt. Ik ga op mijn gevoel af als ik vermoed dat jij mijn intuïtie voedt. Er is geen onomstotelijk bewijs voor leven na de dood. Alles is een kwestie van persoonlijke perceptie. Onschatbare waarneming waarmee ik in de afgelopen twee jaren dermate vergroeid ben dat ik met zekerheid levenslang niet meer van mijn geloof in ons af zal vallen.

 

10 februari 2021

Citroën

Hier in de straat wordt amper gestrooid. Bovendien heeft koning winter in de nacht van zondag op maandag dusdanig geheerst dat alle geparkeerde auto’s zijn ingesneeuwd. Als ingevroren blikjes staan ze onbruikbaar voor de omheining van de spoorkuil die onevenredig veel opwaaiende sneeuw heeft tegengehouden. Daarna is de vorst ingetreden voor een solide ijsblokkade van sneeuwophopingen. Vanuit het slaapkamerraam keek ik uit op een man die tevergeefs met een schepje de bevroren berg sneeuw rond de wielen van zijn auto probeerde af te vlakken. Zijn auto staat in het parkeervlak tegenover ons huis. Op de plek waar vroeger meestal jouw Citroën te vinden was. Ik zou hem best te hulp geschoten zijn als ik dacht dat zulks zin had, maar Trevor en ik hadden eerder die zondag al twee scheppen geruïneerd op dat sneeuwbeton dus ik deed niks en keek toe hoe hij na zijn vergeefse ruimpogingen met veel kabaal zijn auto startte. In de ijdele hoop achteruit uit te kunnen parkeren reed hij voortvarend een centimeter of twee naar voren. Vervolgens een verwoede draai aan het stuur, een klap van het portier en daarna viel het stil. Nou staat zijn auto scheef in het parkeervlak. Nog steeds muurvast in een sneeuwberg. De man heeft de moed opgegeven tot de dooi intreedt. Hij kwam me niet bekend voor als buurtbewoner. Het is te hopen voor hem dat hij bij zijn vriendin en niet bij zijn moeder op bezoek was. Ook met het oog op de avondklok.

Die lockdown is trouwens ook de oorzaak dat er geen paden gebaand worden in het gepekelde ijs op de rijweg hier in de straat. Dus blijft mijn karretje laf op de oprit staan. In tegenstelling tot alle andere geparkeerde auto’s tegen de omheining van de spoorkuil is mijn occasion niet ingesneeuwd. Mijn auto stond uit de wind Als ik zou willen zou ik zo weg kunnen rijden. Als jij nog geleefd zou hebben, dan had je me allang het verkeer in gekregen. Zo was jij dan ook wel weer op van die idyllische wintermomentjes:.

‘Stel je niet zo aan. Je kunt toch autorijden? In z’n twee dan komt alles goed’, zei je dan.

‘Ja, maar ik heb niet eens winterbanden’, zie ik mezelf stuiteren.

‘Laat je toch niets wijsmaken!’, hoor ik jou tegenwerpen..

Trevor lachte me ook nog uit, omdat ik meende dat die ingesneeuwde auto op jouw vroegere parkeerplaats een Citroën was. Je reed het liefste in Citroëns. Altijd tweedehandsjes uiteraard. Aan het einde van je leven had je een XM of een DS dat mag ik kwijt zijn. Je was zelfs lid van de Citroënclub, maar je ging nooit naar de clubdagen. Je wilde niet geassocieerd worden met mannen die naar hun Citroën refereerde als ‘De Dame’. Je betaalde wel contributie en ik vond weleens een opengeslagen clubblad op de salontafel. Vlak na jouw overlijden hebben we jouw laatste Citroën van jouw vertrouwde parkeerplaats tegenover ons huis weg laten slepen. We kregen er nog 50 euro voor Het kentekenbewijs vond ik pas terug toen het niet meer nodig was.

Jaren geleden kocht je voor mij ook een tweede hands Citroën. Een XM of een DS dat mag ik kwijt zijn. Ik reed erin en dat is meer dan ik van jouw Citroën kon zeggen. Ik kreeg achter het stuur van jouw Citroën altijd associaties met de cockpit van een straaljager. Met een schietstoel en een heel smal vizier bij wijze van overzicht op de weg. Mijn eigen Citroën voldeed wat beter, maar was geen lang leven beschoren. Voor geen goud nam ik daarna jouw aanbod aan om jouw Citroën te lenen. Ik durfde niet. Dus schafte jij voor mij mijn huidige occasion aan. Een Renault nog wat. Kan ik tenminste ook zien waar ik rijd.

Vandaag ben jij er niet meer om mij de weg op te jagen en moed in te spreken en dus bagger ik voor de dagelijkse boodschappen naar de ALDI aan het einde van de straat. Voorlopig geen koopjes jagen en prijzen vergelijken bij de Albert Heijn, Jumbo of Lidl, maar hey; ik mag wel in mijn handen wrijven dat er bij mij in de buurt tenminste één supermarkt op loopafstand te vinden is. Bij alle thuisbezorgdiensten zijn er nog 500 wachtenden voor mij en ben ik ergens tegen 22 februari aan de beurt. Toch kan ik niet anders dan elke dag op strooptocht uit. Hamsteren is onmogelijk daar de tocht naar de supermarkt door het sneeuwberglandschap ook zonder overvol beladen boodschappentassen niet onder doet voor een intense workout voor gevorderden.

‘Je hebt niet voor niks een auto’, laat jij mij hoofdschuddend vanaf jouw wolk weten.

Ik stop aan de voordeur om op adem te komen. Op zoek naar mijn huissleutel plaats ik twee zware shoppers aan weerszijden van mijn moonboots in de sneeuw. Ik draai me om en kijk naar jouw oude parkeerplaats met daarop de scheef geparkeerde, ingesneeuwde auto van de vreemdeling. Als ik door de spleetjes van mijn ogen tuur dan lijkt het toch alsof jouw vertrouwde Citroën daar staat. Het is net of je weer even thuisgekomen bent

 

Lerarentekort

17 maart 2021

Over het algemeen heb ik een gelijkmatig humeur, maar zo nu en dan word ik overvallen door een herinnering die me een oppepper kan geven, of die een opgekropte kwaadheid losmaakt. Dat laatste heeft alleen maar zin als ik de losgekomen woede aan de oppervlakte ook in de diepte verwerk. Hoe? Door mijn frustratie recht in de ogen te kijken door er een anekdote van te maken.

Uit het niets lijkt wel, word ik vandaag geplaagd door een flashback naar de docentenacademie, alwaar ik na de dood van mijn echtgenoot Hans Barten twee jaar geleden, nog een blauwe maandag een poging heb gewaagd om een onderwijsbevoegdheid te behalen. Let wel; ik was toen 53 jaar en niet bepaald de jongste student aan de Radbouduniversiteit ooit. Ik had crisisoverleg met een vertrouwenspersoon van de opleiding, omdat mijn begeleidster op de middelbare school waar ik ergens in Nederland stage liep (niet in Nijmegen), mij behandelde als een demente bejaarde. Of als een onmondige tiener. Kies maar. Hoe dan ook; het boterde niet tussen de drukbezette, jonge docente Nederlands en mij. Een kersverse, alleenstaande weduwe met twee thuiswonende volwassenen in wording. Op een gegeven moment komt de stagebegeleidster in de klas, waarin ik achterin al tien dagen haar onderwijsstrategieën zat te observeren, na de les naar me toe en vraagt me ineens hoezo ik weduwe zeg te zijn. Terughoudend vertel ik haar kort en zakelijk waaraan Hans eerder dat jaar (2019) is overleden. De stagebegeleidster luistert met een half oor en kijkt een beetje viezig. Tegen het einde van mijn antwoord valt ze me verveeld in de rede. Ik hoef haar niets te vertellen. Ze weet alles van kanker door een familielid van haar. Een tante. Tot slot doet ze een minzame belofte:

‘Ik moet nu verder, maar we zullen het hier nog wel vaker over hebben.’

Ik begrijp dat dit een zoenoffer is, maar ik heb het gevoel dat mijn keel wordt dichtgeknepen. Ik moet er gewoon niet aan denken om nog vaker met dit onmens over het overlijden van de liefde van mijn leven te moeten babbelen.

Tijdens het crisisoverleg was dit één van de vele geschetste futiliteiten die ik gebruikte om voor mijn vertrouwenspersoon op de docentenacademie mijn onmogelijke positie ten opzichte van mijn stagebegeleidster op de middelbare stageschool te illustreren. Het zijn de kleine dingen die het doen.

‘Had ik dan moeten verzwijgen dat ik weduwe ben?!’, riep ik wanhopig uit.

Het antwoord van de vertrouwenspersoon kan me nu nog in een shocktoestand terugbrengen.

‘Nou ja, je had kunnen volstaan met te zeggen dat je een alleenstaande moeder van twee pubers bent. Misschien kun je op een nieuwe stageschool beginnen als gescheiden vrouw van middelbare leeftijd in plaats van als weduwe.’

Serieus? Aan zulke bovenmenselijke eisen kan zelfs een fruitige, jonge briljante docent in wording niet voldoen. Zo los je het lerarentekort nooit op natuurlijk.

 

9 mei 2021

Moeder

Sinds haar overlijden een jaar geleden op 29 april 2020, ben ik minder met haar bezig. Ze heeft haar rust verdiend, maar niet als moeder. Ik heb van haar gehouden. Noodgedwongen, omdat ik haar dochter was en dus via haar uitgroeide tot wie ik ben. Maar ook zomaar. Af en toe. Als we tranen lachten samen. Toch lag haar verraad aan mij altijd op de loer. De afgunst vanwege mijn kansen die zij nooit kreeg. Alle aandacht die ze opeiste en mij misgunde. Met haar rotopmerkingen tot gevolg. Ze kon zich voorstellen dat niemand mij aardig vond. Ach een mens zegt weleens wat. Niet zo diep graven jongedame.

Na de komst van haar kleinkinderen groef ik niet meer. De kans om oma te zijn wilde ik haar niet ontnemen. Ik wist dat ze het in zich had, want ik heb zelf jarenlang haar moeder als een lieve oma ervaren.

‘Nou zo lief was ze anders niet als moeder!’, sprak mijn moeder vroeger vaak kwaad over haar moeder.

Hetzelfde kon ik van haar zeggen tegen de kinderen. Maar dat deed ik niet.

‘Jij bent altijd veel te aardig tegen oma’, merkten mijn kinderen op.

Een cadeautje van het universum. Tussen haar en mij was er een beleefde afstand in de laatste jaren, die zij nog weleens probeerde te overbruggen met een sneer naar het verleden.

Na de begrafenis van mijn man in februari 2019 gaf ze me met tranen in haar stem voor het eerst in mijn leven een welgemeend compliment aan de telefoon;

‘Je hebt het goed gedaan. Ik was zo trots op je tijdens de plechtigheid.’

Haar liefde uitte zich niet langer meer in onderdrukte jaloezie, maar in medelijden. Mijn bloed stolde. Ik weet niet wat ik erger vond.

 

15 mei 2021

Wat als.

Vandaag zou je 59 jaar geworden zijn. Je zou je eerste prik al gehad hebben vanwege diabetes type 2. Voor jouw part Astrazeneca. Zo zou je tenminste weer met een gerust hart sociaal hebben kunnen verkeren. Op rak.

Naar rommelmarkten. Of kringloopwinkels afstruinen met je zoon. Dat thuiswerken zou wat jou betreft inmiddels ook wel teveel van het goede geworden zijn. Skypen vond je prima, maar niet als het verplicht is. Zelfs in de automatisering moet je elkaar soms ook in het echt onder ogen kunnen komen.

We zouden geen verjaardag bezoek hebben ontvangen, want dat deden we onszelf al jaren niet meer aan. Het liefst waren we uit eten gegaan. Inmiddels niet meer naar Macdonalds, maar misschien wel met de kinderen naar de Wereldkeuken, de Tapasbar of de Chinees. Helaas kan dat uit eten gaan even niet, vanwege de gedeeltelijke lockdown, waar jij helemaal achter zou hebben gestaan. Vermoedelijk hadden we een Chinese rijsttafel laten bezorgen. Of ik was achter het fornuis gaan staan voor zelfgemaakte Chinese tomatensoep, nasi, saté en fujung hai. Jouw lievelingseten.

Aan tafel zou de recent verbroken relatie van Robin met haar vriendje nog even ter sprake komen. Jij zou niet rouwig om de breuk zijn, maar dat achteraf niet meer aan Robin laten merken. In plaats daarvan zou je haar laten weten hoe trots je op haar bent. Specifiek op haar gevoel voor eigenwaarde waarmee ze haar ex de mond heeft gesnoerd. Robin zou zich verbijten, totdat ik over het komende eindexamen van Trevor zou beginnen. Jij zou direct bij mij aandringen om mij niet onnodig sappel te maken. Trevor is een grote jongen. Iedere examenkandidaat kan een zenuwachtige moeder sowieso missen als kiespijn. Trevor zou het natuurlijk weer roerend met je eens zijn.

Daarna zouden we met z’n vieren over muziekstijlen verder praten en over politiek. Waarschijnlijk zou je nog steeds SP gestemd hebben. Hoewel je in 2018 nog jouw lidmaatschap van de SP in Nijmegen had opgezegd. De nieuwe gemeentelijke lijsttrekster vond jij niet geloofwaardig. Ik vond dat hetzelfde gold voor Lilian Marijnissen in de landelijke politiek. Dat vond jij weer van niet. Bovendien zou je de ontmaskering van de toeslagenaffaire door voornamelijk Renske Leijten van de SP hebben toegejuicht. Dat weet ik bijna zeker. In de jaren 90 van de vorige eeuw ben je immers op de SP gaan stemmen, omdat deze politieke partij als enige opkwam voor de werknemers die massaal bij de DAF in Eindhoven ontslagen werden. Ook zo mensonterend. Vergelijkbaar met de toeslagenaffaire. Toch is mijn stem dit jaar niet naar de SP gegaan. Het kabinet is gevallen over de toeslagenaffaire; de slachtoffers krijgen een schadevergoeding; en de regering belooft meer openheid van zaken. Wat willen we nou nog meer? Over het antwoord op deze vraag zouden jij en ik redetwisten.

Je zou me niet veroordelen, dat weet ik wel. Daar staat tegenover dat ik me ook niet in een hokje zou laten wegzetten. Misschien dat ik je had kunnen overtuigen? Of andersom. Was ook goed geweest.

Na het eten zouden jij en ik een detective kijken, die vantevoren door jou was opgenomen; Morse, Wallander, Silent Witness, Frost, Waking the Death, Tatort of één of andere thriller die momenteel ‘hot’ is. De kinderen zouden bij ons komen zitten met ieder een laptop op de schoot.

We zouden ook voor iets op Netflix hebben kunnen kiezen, want dat doe ik tegenwoordig steeds vaker. Jij en ik hebben samen pas één seizoen van The Crown gekeken. We zouden hebben kunnen starten met bingewatchen dus. Jij op jouw relaxstoel, met ook jouw laptop binnen handbereik, en ik languit op de driezitsbank. Ik vermoed dat je ‘Undercover’ ook wel onderhoudende schiettelevisie zou hebben gevonden. Of Weissensee op Netflix. Deze serie zou je net als ik in één zit uitgekeken hebben.

Van de kinderen en mij zou je voor jouw verjaardag een online boek van Henning Mankell, Agatha Christie of een andere populaire misdaadauteur cadeau hebben gekregen. Voor het slapen gaan vannacht zou je alvast in ons bed begonnen zijn in je nieuwe aanwinst op jouw ereader. Ik zou voor pak weg de tienduizendste keer naast je in bed gekropen zijn. Je zou op je zij gelegen hebben met je rug naar me toe. Macht der gewoonte, want even goede vrienden. Dat we van elkaar hielden zou nooit ter discussie hebben gestaan. We hadden elkaar welterusten gewenst. Ik zou je verder niet hebben gestoord met huishoudelijke mededelingen, omdat je jarig was vandaag.

Hoe voorspelbaar zou jouw 59jarige verjaardag verlopen zijn als je niet al 2 jaar geleden overleden was. Hoe clichématig ook is mijn dankbaarheid dat wij 36 van dat soort burgerlijke verjaardagen samen hebben mogen vieren en hoe doorzichtig tenslotte is mijn chronische verlangen naar jou. Ik mis je.

 

23 juli 2021

Pijnpunt

Het is net of ik op de vele dagen dat het nu wel gaat aan de oppervlakte leef. Als ik de diepte inga dan stuit ik op een pijnpunt met een dun vliesje. Zodra ik doordouw dan knapt het verdriet weer open in alle hevigheid. Vannacht droomde ik dat ik in bad zat met Caroline. Een vriendin die op 3 december 2018 is overleden. Ik legde haar uit dat ik nou alleen was en dat ik maar veel bij haar moest komen logeren. Caroline reageerde ontwijkend in mijn droom en ik probeerde haar terughoudendheid te begrijpen.

'Of nee, doe maar niet, want dat is niet leuk voor jouw Jan. Hij leeft tenminste nog!', krabbelde ik terug.

Meteen daarna werd ik wakker. Mijn ogen vol tranen. Ik was boos. Caroline is helemaal niet op jouw begrafenis geweest!.

Ik zat rechtop in bed en kwam tot mezelf:

Caroline had helemaal niet op jouw begrafenis aanwezig kunnen zijn, want ze was 2 maanden eerder al overleden.

 

27 september 2021

Laatste woorden

Er is een leven na jouw dood. Dat leven leef ik nu al twee jaar en acht maanden. Het is geen leven zonder jou en toch ben je gestorven. Inmiddels studeert Robin psychologie aan de HAN. Trevor haalde in de afgelopen zomer zijn vwo-diploma en neemt nou een tussenjaar. Hij heeft nog geen idee wat hij wil studeren. Ik kan hem ook helemaal niet adviseren met m’n letterenstudie uit de vorige eeuw. Trevor wil ‘íets’ met natuur- of wiskunde. Biologie vindt hij ook wel interessant. Was jij nou maar hier om hem te ondersteunen. Maar jij zou je niet zo druk maken.

‘Hij is mans genoeg om zelfstandig keuzes te maken’ zou je zeggen.

Verder zou je mij op het hart drukken om wat meer vertrouwen in onze kinderen te hebben.

Met een beetje fantasie lukt het me in de tegenwoordige tijd meestal dus wel om jouw mening of advies over een dringende kwestie in mijn hoofd samen te stellen. Zonder jouw directe input. We zijn tenslotte zesendertig jaar een stel geweest. Het zou natuurlijk ook kunnen dat mijn chakra’s na jouw overgang van ellende zijn opengebroken voor communicatie met het hiernamaals. Afhankelijk van mijn stemming herdenk ik jou spiritueel of niet. Want zoals Multatuli al schreef:

‘Misschien is niets waar en zelfs dat niet.‘

Toch voel ik nog steeds een onafgebroken connectie met jou. Alsof je op een onbekende reis bent gegaan naar een bestemming waar ik je straks weer mag ontmoeten. Ik betrap mezelf erop dat ik anekdotes bewaar voor dat moment van hereniging. En in de kledingkast, die jij voor mij ontwierp, hang ik setjes apart die jij mooi zou hebben gevonden. Voor de gelegenheid. Macht der gewoonte en ook best wel pathetisch eigenlijk. Op nuchtere dagen. Op emotionele momenten troost ik me met de gedachte dat jij begin jaren tachtig van de ene op de andere dag in mijn leven gekomen bent. Dan kan niemand mij wijs maken dat je sinds jouw sterfdatum van 2 februari 2019 ergens gebleven bent waar ik je uiteindelijk niet terug ga vinden.

Er is dus hier leven en in het hiernamaals als je het mij vraagt. Jij speelt altijd door mijn hoofd. In goede en in slechte tijden. Bijvoorbeeld tijdens de diploma-uitreiking van beide kinderen waarbij jouw bekende ironie voor mij de uitwerking van de afscheidspraatjes van de mentoren relativeerden. Je weet dat ik overgevoelig ben. Zo werden alle meisjes uit de examenklas havo 5 van 2019 op de SSGN op hun beurt geprezen vanwege hun sociale vaardigheden. Stuk voor stuk werden ze ‘het cement’ genoemd. Tot vervelends toe. Het cement dat de bouwstenen van de groep – de jongens uit de examenklas dus - bijeen had gehouden. Met uitzondering van Robin. Toen haar naam ter sprake kwam werd ze, al dan niet per ongeluk, min of meer afgedaan als een leerlinge die niet graag moeilijk doet.

‘Lekker makkelijk’, hoorde ik jou in mijn oor protesteren.

‘Maar altijd nog beter dan het cement dat de bouwstenen van de groep bijeen houdt’, voegde je nog spottend aan jouw speelse rebellie toe.

Ook bij de toespraak op de diploma- uitreiking van Trevor, in juli van dit jaar, kreeg je me aan het lachen. Trevor werd een ruwe diamant genoemd die niemand van de docenten op de SSGN had kunnen slijpen.

‘Hebben we toch nog iets goed gedaan’ fluisterde je in mijn oor vanaf de vierde stoel aan de familietafel in de aula van de middelbare school van onze kinderen. Een lege stoel.

Tijdens dit soort momentopnames schiet ik altijd vol. Het zijn samengestelde fragmenten van oneindig veel herinneringen, jouw persoonlijkheid en dat wat had kunnen zijn. Of eigenlijk dat wat had moeten zijn. Als alles goed was geweest. Maar jij ging dood en ik leef verder. Eigenlijk overleef ik en doe maar wat de hele dag.

‘Je doet het toch goed!’, hoor ik je me verbeteren.

En ik geloof je wel, maar je weet hoe ik kan wankelen en jij kunt me niet meer vasthouden. Dan lees ik op het internet over her verloop van het rouwproces en de verschillende stadia. Alsof verdriet een hapklare brok is bestaande uit een serie van voorgesneden porties. Eerst is er ontkenning, daarna de boosheid, vervolgens het besef van het grote gemis, versterkt door de eenzaamheid, het schuldgevoel en tot slot de acceptatie. Bij mij loopt alles door elkaar heen in repetitieve golfslagen van tegenstrijdige emoties. Het ene moment denk ik dat het is wat het is, om een paar seconden later in opgekropte woede te vervallen over de rotopmerkingen die je maakte tijdens de ruzies die we hadden.

‘Alsof jij zo’n schatje bent als je kwaad bent’, schamper jij.

Ik herinner me opeens dat je gelijk hebt en dan verschijnt het schuldgevoel en het beeld van jouw lachende gezicht en je lieve twinkelogen. Je schudt je hoofd:

‘Het is niet belangrijk’, verzeker je me voor de duizendste keer.

‘Wat is dan wel belangrijk?’ sudder ik nog wat na.

‘Wij; de kinderen; jij en ik’, zou je antwoorden als je niet meer kwaad was.

Daarna komt het besef dat boosheid ook een uitingsvorm is van rouw.

‘Gewoon toelaten’, zeg jij.

Jij hebt nooit aan mij getwijfeld

‘Ik houd van jou’, zei ik toen je op jouw sterfbed lag.

‘Dat weet ik’, waren jouw laatste woorden.

 

9 augustus 2022

Licht aan het einde van de Turnamat.

Mijn overleden echtgenoot Hans stond altijd voor iedereen klaar. Op zijn werk was hij onder meer bekend vanwege zijn behulpzaamheid en ook voor de kinderen en mij was weinig hem teveel gevraagd. Toch was er een chronisch klusje dat ik hem liever uit handen had genomen als ik had geweten hoe ik dat aan moest pakken en dat was de reparatie van de wasmachine. Ik heb wat tweedehands wasmachines versleten in de 36 jaren dat we samen waren. Hans tikte altijd bovenladers van het merk AEG geloof ik op de kop. Ze droegen de naam Turnamat. Dat waren van die ouderwetse apparaten uit de jaren 60, 70 en 80 van de vorige eeuw. Onverwoestbaar en zo ja dan toch tamelijk makkelijk te repareren. Althans als ik Hans moest geloven en dat deed ik uiteraard. Ik was trouwens van huis uit geen moderne machines gewend, want mijn vader was ook een liefhebber van oldtimers. Van hem leerde Hans om altijd een reserve Turnamat achter de hand te houden als een soort talisman onder het motto:

‘Als je een reserve apparaat in huis hebt, dan gaat je wasmachine nooit meer kapot.’

Die vlieger ging bijna altijd op, behalve als de machine het begaf en ik met de vuile was bleef zitten. De goede sfeer was op die momenten in ons anders zo harmonieuze huishouden ver te zoeken. Onder luid gevloek en getier werd de wasmachine uit haar hok getrokken en belaagd door mijn anders zo liefhebbende echtgenoot. Meestal kon hij met het nodige kunst- en vliegwerk de levensduur van de Turnamat nog wel een half jaartje rekken, maar gerust was ik er vanaf de eerste tekenen van verval niet meer op.

Kort na 2 februari 2019 - het overlijden van Hans - begon zijn laatste aangeleverde Turnamat moeilijk te doen. Onze zoon Trevor trad meteen in de voetsporen van zijn vader en grootvader en lapte de machine op. Ik was diep onder de indruk. Trevor was toen pas 15 jaar, maar Hans had me op zijn ziekbed al gerust gesteld:

‘Trevor kan het allemaal!’

Voor de zekerheid schafte Trevor via marktplaats alvast een reserve, tweedehands Turnamat aan. Ook lijnrecht in de traditie van zijn vader en grootvader. Met dit verschil dat Trevor nog geen rijbewijs heeft, dus deze keer mocht ik rijden en meehelpen sjouwen, nadat we de Turnamat hadden gevonden in een pittoresk boerderijtje in the middle of nowhere.

Kort na deze onderneming was de levensduur van de machine van mijn moeder verlopen. Ook nog een Turnamat die mijn vader bij leven had aangeschaft. Hij is overleden in 2007. Eén van mijn broers stond op het punt om een nieuwe, eigentijdse wasmachine voor mijn moeder in een reguliere witgoedwinkel aan te schaffen, toen zij persoonlijk een stokje voor deze aankoop stak. Haar hele leven had ze Turnamats bediend en een oude aap leer je geen nieuwe kunstjes meer. Bovendien stond er nog een reserve Turnamat in onze garage, die mijn moeder natuurlijk in bruikleen mocht hebben. Dezelfde Turnamat die ik na het overlijden van mijn moeder in 2020 weer terug ben gaan halen van Eindhoven naar Nijmegen, omdat mijn Turnamat intussen ook weer aan vervanging toe was.

In maart 2021 draaide deze Turnamat haar laatste rondjes. Daarna was het over en uit en Trevor stond met zijn handen in het haar. Ik vond dat de tijd was aangebroken voor een nieuwe wasmachine, maar daar was Trevor nog niet aan toe. Als ik nou niet zo nodig acuut hoefde te wassen en een weekje of twee zou wachten dan had hij tenminste genoeg tijd en ruimte om via marktplaats de nodige onderdelen te bemachtigen teneinde de Turnamat alsnog te repareren. Ik wanhoopte en zag de bui alweer hangen.

‘Ik wil het niet meer’, stampvoette ik.

‘Alles mis ik aan je vader, behalve dat eindeloze gemeier met die wasmachines. Ik wil het niet meer. Het moet stoppen. Nu.’

‘Het houdt niet op, niet vanzelf’, zong dochter Robin nog op de achtergrond.

Het compromis werd een tweedehandse, moderne wasmachine van het merk Bosch met drie maanden garantie bij een officieel witgoed bedrijf. We tellen 15 maart 2021. Ik wist niet wat ik kon verwachten van een moderne wasmachine, maar ik was blij verrast.

Eind juli van dit jaar hield mijn brave Bosch er ineens zo maar mee op. Trevor achterhaalde het euvel. Iets met de aansluiting, waardoor er nog een probleempje met een op hol geslagen kraan opdook dat moest worden opgelost door een loodgieter, die eerst een paar daagjes op zich liet wachten (150 euro). Ondertussen stapelde de vuile was zich op. In de weken erna viel de stroom verschillende keren uit door toedoen van de Bosch. Na herstel in de schakelkast moest de machine gereset worden. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Bij de laatste keer gooide Trevor de handdoek in de ring:

‘Koop maar een andere’, adviseerde hij verhit met zijn witte poloshirt onder de zwarte vegen.

Die andere wasmachine werd weer een Bosch van 160 euro. Gevonden op marktplaats. Afgelopen vrijdag werd zij geleverd. De verkoper nam de oude Bosch zelfs mee. Dat vond ik nog zo netjes van hem. Op zijn verzoek betaalde ik contant. Gisteren is de nieuwe Bosch gecrasht. Ik heb welgeteld 3 wasjes gedraaid.

‘Trevor’, begon ik gisteren zo voorzichtig mogelijk.

‘Ja?’, vroeg hij gealarmeerd.

‘De wasmachine draait niet.’

‘I hate my life’, riep hij in het Engels uit.

Hij is een kind van zijn tijd en hij had de wasmachineverkoper net 5 sterren toegekend op marktplaats. Niks meer aan te doen. De rest van de zondag besteedde Trevor aan proberen te redden wat er nog te redden viel, terwijl ik me vast voorbereidde op acceptatie van de miskoop van het jaar. Om 3 uur vannacht heeft Trevor de Bosch eindelijk opgegeven. Hij praat over pure pech. Ik vind de verkoper een oplichter. Hij geeft ook niet meer thuis na onze online melding over de defecte Bosch die hij ons heeft aangesmeerd. Ik zou al genoegen nemen met de helft van het bedrag retour. Wat zeg ik? Een kwart. Ok een tientje dan.

Enfin naar dat geld kan ik fluiten. Het positieve aan het hele gebeuren is dat Trevor en ik nu besloten hebben om een Bosch te huren voor 5 euro per maand en een borg van 37,50. Ik zit er voor zes jaar aan vast en als de machine kapot gaat, komt er gewoon een monteur van het bedrijf om de machine te repareren. De kosten hiervoor zijn bij de huurprijs inbegrepen. Woensdag wordt de nieuwe Bosch geleverd. Eindelijk licht aan het einde van de Turnamat.

 

7 oktober 2022

Niet te missen.

Vandaag zou mijn moeder 87 jaar geworden zijn.

‘Op deze stralende dag’, zou ze gezegd hebben als ze niet op 29 april 2020 overleden was.

Het ouderlijk huis dat mijn broers en ik na haar dood verkochten staat na 2 jaar alweer te koop voor 6 ton. Dat hebben wij er niet voor gekregen. Ook niet gevraagd trouwens. Maar de foto’s op Funda laten zien dat het huis waarin ik ben opgegroeid dan ook helemaal verbouwd is. Nou ja, verpest als je het mij vraagt. Mijn ouderlijk huis is niet meer.

In tegenstelling tot de geest van mijn moeder die natuurlijk door mijn gedachten meandert. Misschien wel iedere dag, maar toch minder nadrukkelijk dan bij haar leven. We hadden een moeizame relatie en vandaag hoef ik mezelf niet meer constant in bescherming te nemen tegen haar stugge karakter. Mijn moeder kon in en in gemeen zijn en haar slachtoffers zonder blikken of blozen de meest afschuwelijke beledigingen naar het hoofd smijten. Ik was één van haar slachtoffers. Dat lag aan mijn opstelling volgens mijn moeder.

‘Eigen schuld, dikke bult’.

Als klein meisje aanbad ik haar. Totdat ik ging puberen. Op mijn dertiende werd ik van de ene op de andere dag pisnijdig op mijn betoverende moeder en haar nukken. Niet zo gek dus dat we In de jaren die volgden min of meer permanent met elkaar in de clinch lagen. Op die zeldzame momentopnames na, waarop we plotseling de beste vriendinnen waren. Mijn moeder kon bij vlagen net zo innemend en humoristisch als onuitstaanbaar en zuur zijn. Maar voor je het wist trad de gewapende vrede weer in werking. Er viel geen peil meer op te trekken. Daarom heb ik zelfs een jaar lang het contact met thuis verbroken. Ik zal begin 30 geweest zijn. Mijn vader sprak me daarover nog onverwacht aan op straat. Waarom ik niet meer thuis kwam? Hij stak zijn hoofd door het open raam van zijn auto en gebaarde dat ik naast hem moest komen zitten. Ik had nog geen twee zinnen uitleg uitgesproken of hij begon over zichzelf. Over dat wat hij als pater familias allemaal wel niet met mijn moeder te stellen had. Zuchtend vroeg ik of hij me op mijn nieuwe woonadres wilde afzetten. Dat deed hij. Pas toen ik op mijn 36ste zwanger was van onze eersteling nam ik me heilig voor me niet meer tot conflicten met mijn moeder te laten verleiden. Ik distantieerde me figuurlijk van haar. Maar ook letterlijk door op 7 oktober 2005 van Eindhoven naar Nijmegen te verhuizen. Op de dag dat mijn moeder haar 70ste verjaardag vierde reden bij ons de verhuiswagens de Leenderweg te Eindhoven binnen om het hele Barten hebben en -houwen naar Gelderland te verplaatsen.

In de jaren daarna werden mijn moeder en ik beleefde verwanten van elkaar. Ik ging geen discussie met haar aan en zij zal ongetwijfeld ook de nodige zeilen bij hebben moeten zetten om niet met mij in conflict te raken. Een jaar of twee voor haar overlijden barstte de bom nog één keer. Onvermijdelijk. De afkeer in haar ogen zie ik nog steeds voor me. Onuitwisbaar. Ik weet dat ze op haar manier van me gehouden heeft, maar de eveneens aanwezige en immer broeiende aversie jegens mij heeft een litteken bij mij achter gelaten, dat af en toe nog steeds opspeelt.

Op 7 oktober 2019 kreeg mijn moeder op haar 84ste verjaardag te horen dat ze ongeneselijk ziek was. Ze stierf 7 maanden later op 29 april 2020. Welgeteld 14 maanden na het plotselinge heengaan van mijn echtgenoot op 2 februari 2019.

Mijn jongste broer (wel anderhalf jaar ouder dan ik) was een half jaar lang mantelzorger voor mijn moeder. Met hart en ziel. Ik zal hem eeuwig dankbaar zijn voor zijn inzet. Hij speelde het onmogelijke klaar door mijn moeder naar haar tevredenheid te bereiken en te ondersteunen. Tot aan haar laatste adem.

Mijn moeder en ik belden regelmatig. Totdat ze op een keer vroeg:

‘Waarom bel je eigenlijk?’

Daarna belde ik een tijdje niet meer. Mijn echtgenoot was amper een half jaar geleden overleden. Ik had even genoeg aan mezelf. Totdat m’n broer belde met de vraag waarom ik mijn moeder niet meer belde. Ze had geklaagd en gezegd:

‘Ik weet niet waarom Katinka niet meer belt.’

Ik wist toch hoe ze was. Mijn broer had gelijk. Dus belde ik maar weer regelmatig, Ook toog ik aanvankelijk eens in de veertien dagen van Nijmegen naar Eindhoven om haar te bezoeken. Naarmate haar ziekte zich verder ontwikkelde reed ik vaker op en neer, tot ik in de week van haar overlijden dagelijks naar ‘huis’ ging. We spraken over niemendalletjes mijn moeder en ik. We waren blij om elkaar in leven te zien, meer niet. We wensten elkaar geen kwaad toe. Zelfs alle goeds. Ergens tijdens die laatste dagen zei mijn moeder in tranen dat ze zo trots op me was over de manier waarop ik op de begrafenis van Hans had gesproken. Ik was volkomen knock out geslagen. Dit was het eerste. onverbloemde compliment dat ik in mijn leven van mijn moeder had gekregen. Maar het oude zeer bleef onder het tapijt. Godzijdank, want niemand had mij ertoe kunnen bewegen om mijzelf weer kwetsbaar op te stellen en voor mijn moeder bestond er geen oud zeer.

‘Weg is weg!’, zei ze altijd.

Ook als je geld van haar geleend had dat je dan achteraf nooit terug hoefde te betalen. Want gul was ze. En tolerant. En narcistisch. Als ik tenminste de experts in de voorlichtingsfilmpjes op mijn ‘watch’ moet geloven. Mijn moeder voldeed aan meer typische kenmerken van een narciste dan ik zei de gek. Misschien dat ik haar daarom niet overal terug vind in mijn huidige gang van zaken. Wel sluimert haar markante wezen nog steeds op de achtergrond van mijn dagelijkse doen en laten. Stijlvol, met een vleugje humor en niet te missen. Ze was en blijft mijn moeder.

 

29 januari 2023

Vier jaar

Vier jaar geleden werd je uit het leven gerukt in het ochtendgloren van een grijslauwe zaterdag op 2 februari 2019. Ik hoef in gedachten niet terug te gaan in de tijd om me jouw afscheid voor de geest te kunnen halen. De herinnering heb ik permanent paraat. Ik heb jou altijd bij me en om me heen. Weliswaar op een andere manier dan de 36 jaar van ons samen hier op aarde, maar je leeft mee en verder in mijn verbeelding en gevoelswereld.

Ondertussen ga ik onwillekeurig verder met mijn leven. Onder supervisie van de buitenwacht en het motto:

‘We moeten door!’

Vraag alleen niet hoe en zo ja, luister dan naar een uitspraak van Toon Hermans die luidt:

‘Je moet gewoon ademen en dan leef je vanzelf’.

Hij had wel gelijk, want ik weet nooit zo goed wat ik aan moet met opkikkertjes als:

‘Houd vol, ga door, geef niet op.’

Wat moet ik volhouden? Waar moet ik precies mee doorgaan en wat mag ik niet opgeven? Op het moment dat de liefde van je leven sterft, staat de wereld op z’n kop en is niets meer hetzelfde als voorheen. Dat zal het ook nooit meer worden. Dat weet ik nu en dat wist ik vier jaar geleden op het ogenblik dat jij jouw laatste adem liet. Het tranendal vulde zich voor mijn voeten. Een zwart gat dat in de loop van de tijd gelukkig wel in een mistige, pastelkleurige vallei is veranderd. Een oase die overigens niet elke dag even uitnodigend lonkt. Er zijn nog steeds momenten; waarop ik mijn bed niet uit wil; waarop ik zeker weet dat onze liefde een lachertje was, waarop ik me verlaten en verraden voel en waarop de zin van en in het leven ver te zoeken is. Rouw is een rommeltje, want natuurlijk zijn wij voor elkaar geschapen. Alleen niet consequent. Wel voor altijd. Verder doe ik ook maar wat, want wat is het alternatief? Ophouden met ademen? Er een einde aan maken? Alsof dat zo eenvoudig is.

‘We hobbelen maar heen’, zei jouw moeder altijd.

Het klonk zo doelloos, maar daarom niet minder waarachtig dan de vraag naar waarheen de weg leidt die wij moeten gaan.

Natuurlijk zijn de afgelopen vier jaren niet alleen maar kommer en kwel geweest. Mijn leventje telt veel zegeningen en ik probeer ze regelmatig uit de ruis te zeven. Neem onze kinderen die voorlopig nog thuis wonen. Robin studeert psychologie in Tilburg en Trevor Electrical Engineering in – jawel – onze geboortestad Eindhoven. De OV-jaarkaart is gratis! Dus een goed alternatief voor een dure studentenkamer in de betreffende universiteitssteden. Laat die kinderen van ons maar schuiven als in jouw credo waaraan ik vaker gehoor zou willen geven dan ik in werkelijkheid doe. Wat piekeren betreft ben ik namelijk weer helemaal terug bij af. Ik maak me opnieuw net zo druk over; de toekomst van de kinderen, het betalen van de rekeningen, het onderhoud van het huis en de mankementen aan mijn huishoudelijke apparatuur als toen jij nog leefde. Terwijl ik vlak na jouw overlijden zeker wist dat geen huis- tuin en keukenverdrietje jouw overweldigende vertrek ooit nog naar de achtergrond zou kunnen doen verdwijnen. Maar ze zijn er in de loop van de jaren toch weer ingeslopen. De beren op de weg. Alleen heb ik jou niet meer fysiek aan mijn zijde; om de boel te relativeren; om onbekommerd mee op de bank te ploffen; om tegenaan te zeuren; om samen alsnog de schouders onder het leven van alledag te zetten.

Toch ben ik niet eenzaam. Ik ben heel graag alleen. Altijd al geweest. Tot ongeloof van veel mensen om mij heen. Een facebookvriendin verzekerde mij laatst dat ik na vier jaar rouw met een gerust hart en een zuiver geweten op zoek mag gaan naar een nieuwe levensgezel. Met alle waardering voor het meedenken, maar ik sta niet open voor een nieuwe relatie. Ik mis niet zomaar iemand, maar mijn zielsverwantschap in de hoedanigheid van jouw tastbare aanwezigheid. Als ik op zoek was geweest naar een levenspartner puur en alleen vanwege het mannelijke gezelschap – in mijn geval - dan had ik me allang in het uitgaansleven gestort. Al dan niet online. Zo zelfvoorzienend zou ik dan echt wel geweest zijn. Indien behoeftig. Ongeacht jouw sterfdatum en het oordeel van de buitenwereld. Ook hoop ik niet stiekem dat er nog terloops een prins op het witte paard op mijn pad gaat komen. Sterker nog ik word al moe van de gedachte alleen al aan het gedoe van; het avances maken; het elkaar leren kennen; het aan elkaar wennen en de pieken en dalen van verliefdheid en een liefdesrelatie. Ik heb het allemaal al een keer meegemaakt. Het was te intens en allesomvattend om voor herhaling vatbaar te zijn. En dan maar te zwijgen over die prinsessenjurk die me inmiddels een paar maten te klein is geworden.

Aldus lukt het me momenteel aardig om zoveel mogelijk in het hier en nu te leven, ondanks dat ik me na jouw overlijden geamputeerd voel en lijd aan chronische fantoompijnen. Je zou trots op me zijn.

‘Nog meer dan ik al was?’, hoor ik je plagerig vragen in de lijn van jouw standaardreacties.

Helemaal positief durf ik die vraag niet te beantwoorden, want ik sta sinds 17 november 2022 in een wachtrij van 4 tot 5 maanden voor staaroperaties aan beide ogen apart met een interval van 2 weken. Ik zou opgelucht moeten zijn met het vooruitzicht op 2 routine ingrepen als oplossing voor mijn verminderde zicht. Dat ben ik ook heus wel, maar ik vind mezelf ook zielig. Ik voel me onbegrepen en alleen, omdat jij er niet meer bent om mijn hand vast te houden tijdens de oogoperaties die ik in 2000 ook heb ondergaan. Toen niet tegen staar, maar voor het plaatsen van artisanimplantaten – ingebouwde contactlenzen-. De ingrepen zijn vergelijkbaar. 23 jaar geleden plaatste oogarts T op de Utrechtse Heuvelrug lenzen in mijn 2 ogen en over een maand of 3 haalt oogarts W ze er weer uit in het CWZ in Nijmegen. Samen met mijn biologische ooglenzen die vertroebeld zijn door de staar. Ik krijg er nieuwe lenzen voor in de plaats. Dit keer worden ze wel vergoed en hoeft er geen extra hypotheek op het huis te worden genomen om mijn oogoperaties te kunnen bekostigen zoals in het jaar 2000. Dit keer zit jij ook niet meer fysiek naast mijn bed als ik ontwaak uit de narcose. Ik hoef niet eens meer onder narcose. Die staaroperaties schijnen tegenwoordig een fluitje van een cent te zijn. Mij is zelfs door verschillende ervaringsdeskundigen herhaaldelijk aangeraden om op zoek te gaan naar een privékliniek teneinde de lange wachttijden te omzeilen. Ik zou wel gek zijn. Je zou toch denken dat de gemiddelde oogarts wel het een en ander gewend is, maar die Dr. W uit het CWZ is de eerste oogarts in jaren bij wie ik niet het idee kreeg een buitenaards wezen te zijn met m’n min 26 en m’n inbouwde contactlenzen.

Zo sneerde een voorlaatste, andere oogarts uit de hel:

‘Anders ga je toch lekker terug naar oogarts T.’

Hij doelde op de oogarts die de artisanimplantaten destijds bij mij heeft ingebracht. Wat zou jij trouwens van leer getrokken zijn tegen het botte optreden van die stoïcijnse oogarts. Ik klap dicht bij zoveel gebrek aan inlevingsvermogen of ik zeg stomme dingen zoals:

‘Als dat zou kunnen! Maar volgens mij is oogarts T met pensioen. Is hij niet met pensioen?’

‘Nee, hij is (toen nog net) niet met pensioen’, wist die zakelijke oogarts in 2021 ook nog doodleuk te melden.

Dat wist hij wel, maar m’n staar heeft hij niet ontdekt. In tegenstelling tot een opticien bij Specsavers die in oktober 2022 weigerde om een bril bij mij af te meten, omdat mijn oogmeting te grote afwijkingen liet zien. En dan te bedenken dat ik vanaf 2019 regelmatig door de oogarts uit de hel bekeken ben, omdat ik bij hem in behandeling was vanwege een hoornvliesbeschadiging. Ik vroeg nog expliciet aan hem of ik niet regelmatig gecontroleerd moest worden vanwege mijn hoge, aangeboren bijziendheid. Vroeger als kind werd mij dat wel altijd op het hart gedrukt. Om mijn ogen goed in de gaten te houden, hetgeen ik toen al een overbodig advies vond, daar ik moeilijk anders kan.

‘Ja dat was vroeger,’ zuchtte de oogarts uit de hel in juli 2021 nog verveeld:

‘Maar kom over een jaar maar terug’, besloot hij vermoeid.

Kijk dan hoeft het van mij niet meer. De kinderen vinden me daarom overgevoelig, maar jij zou me begrepen hebben. Gelukkig ben ik nu dus bij oogarts W terecht gekomen. Een oogarts die er niet merkbaar vanuit gaat dat ik met dure artisanimplantaten in mijn ogen rondloop uit cosmetische overwegingen. Trouwens; zo ja, wat dan nog!? Ik kon destijds geen normale contactlenzen meer dragen en een bril bood in mijn geval geen optimaal zicht. Des te schandaliger dat we de complete ingreep – 20.000 gulden – in 2000 zelf moesten betalen, omdat de ziekenkostenverzekeraar niet thuis gaf. Des te dankbaarder was ik toen en ben ik nu voor een dokter die tenminste wel verstand heeft van ingebouwde contactlenzen voor myopen, want dat heeft ook lang niet iedere oogarts heb ik wel gemerkt.

Vandaag durf ik bij vlagen te hopen op eenzelfde verbetering van levenskwaliteit na mijn geplande staaroperatie als in 2000 toen jij deelgenoot was van mijn toenmalige euforie die zich in de loop van 22 jaren heeft ontwikkeld tot mijn huidige staarbeleving. Nu maakt de lange wachttijd tot de staaroperaties me soms onzeker en weinig productief. Herinner jij je nog dat oogarts T. verzekerde dat de artisanimplantaten voor eeuwig waren? Niets is voor eeuwig behalve mijn verbinding met jou. Zolang jouw energie me maar niet loslaat, kan en zal ik alles op alles zetten om er met frisse moed wederom het beste van te maken. Ik reken op je.

 

22 december 2023

We leven nu

Sinds het overlijden van mijn Hans, nu bijna vijf jaar geleden, is mijn hele dagritme opgeschoven. Net als in mijn studententijd, sliep ik tot voor kort een groot gat in de dag. Een maand geleden ben ik langzaamaan steeds vroeger in de avond naar bed gegaan, zodat ik ook iedere dag een beetje eerder uit de veren kon komen zonder slaapgebrek.

Vandaag ben ik zelfs om zeven uur in de morgen opgestaan zonder watjes in mijn hoofd, omdat ik gewoon acht slaapuren gedraaid had vannacht. Nu vind ik het wel weer welletjes. Vanaf morgen mag ik weer uitslapen.

In mijn geval heeft morgenstond namelijk over het algemeen niet zoveel goud in de mond en ik vind het een hele prestatie van mezelf dat ik vanmorgen om half negen fris en fruitig in het ziekenhuis was voor een ogentest om de glaucoomschade aan mijn ernstig bijziende ogen vast te kunnen stellen. Tijdens zo’n test moet de oog patiënt lichtflitsen op een scherm detecteren door steeds op tijd op een knop te drukken. Zo’n test vergt de nodige concentratie en voor zoiets kun je maar beter goed uitgeslapen zijn dacht ik. Onze zoon Trevor van twintig vond aanvankelijk dat ik overdreef met mijn voorbereidingen, maar nadat hij getuige was geweest van het verloop van de ogentest zei hij bewonderend:

‘Het is maar goed dat je uitgeslapen was!’

 

Vandaar die omgegooide slaaproutine van de afgelopen maand dus. Ik ga mijn nieuwe dagritme wel aanhouden, maar ik vind negen uur in de ochtend ook een mooie tijd om op te staan. Of tien uur. Zeven uur vind ik overdreven. Ik weet gewoon niet wat ik met mezelf aan moet zo vroeg in de morgen.

Of ik glaucoomschade heb? Jazeker. En ik heb ook min zesentwintig en blablabla. Ik merk dat ik andere mensen afschrik met mijn oogproblematiek. Of ik krijg persoonlijke berichtjes op facebook van oog patiënten die een wedstrijd willen maken van oogaandoeningen. Dat mag, maar niet met mij. Dus laat ik het maar bij deze summiere informatie betreffende mijn slechtziendheid. Voor verdere discussie verwijs ik u door naar mijn oogarts.

Trevor begon meteen te roepen dat er niets veranderd was aan mijn persoonlijke situatie door de uitslag van de ogentest. En bij de bushalte van het ziekenhuis benadrukte hij nog eens dat de eventuele operaties die de oogarts voor mij misschien in petto heeft, helemaal nog niet zeker zijn. Wat wel zeker is dat is dat de gediagnosticeerde glaucoomschade aan mijn ogen niet meer terug te draaien is. Het aftakelingsproces moet nu een halt toe worden geroepen en God verhoedde dat stopzetten niet alleen lukt met medicatie. Even afwachten samen met mijn twee thuiswonende, studerende, jong volwassen kinderen. Af en toe gaan ze een beetje kort door de bocht, maar ik vaar duizend keer beter op hun ongefundeerde optimisme dan op de zwaarmoedigheid in het ziekenhuis.

Los daarvan is afwachten niet mijn sterkste kant.

‘We moeten alert blijven, want U bent veel te jong voor uw oogconditie’, vond de oogarts.

Ondanks de deprimerende uitslag moest ik even grinniken om die uitspraak. Ik ben achtenvijftig jaar en het is minstens dertig jaar geleden dat ik voor het laatst jong genoemd ben. Laat staan ‘veel te jong’.

Toen ik nog jonger was -begin twintig – was er ook een oogarts die vond dat ik te jong was voor de oogbloedingen die ik toen van de ene op de andere dag ineens kreeg. Toen moest ik ook afwachten. Een heel leven lang. Het leven dat toen nog voor me lag lang.

We zijn nou bijna veertig jaar verder en ik zie nog steeds. Zij het met het nodige kunst- en vliegwerk. Met die gedachte kan ik mezelf dan wel weer min of meer troosten. En ik heb ook leuke kinderen. Dat weet ik wel. Ik mis er mijn Hans niet minder om. Ook niet na vijf jaar. Wie weet wat de toekomst ons nog brengen gaat.

‘Wat doet het ertoe’, zou mijn Hans gezegd hebben:

‘We leven NU!’

 

16 maart 2024

Mijn bijdrage aan de boekenweek

Bij ons in de familie

Op zestienjarige leeftijd kreeg ik stevige verkering met de man die mij zesendertig jaar later in 2019 als weduwe achterliet. Mijn moeder stierf het jaar daarna. In haar dagboeken las ik op de sterfdatum van mijn Hans hoe onverschillig haar schoonzoon haar altijd geweest was. Zogenaamd. Mijn moeder was in werkelijkheid namelijk veel minder koel en beheerst dan ze zich voordeed. Bij vlagen. Ze vertelde niets nieuws, maar haar onberekenbaarheid greep me postuum weer net zo hard naar de keel als bij leven. Met moeite onderdrukte ik de neiging om haar dagboeken grotendeels ongelezen bij het oud papier te zetten.  Precies zoals ze me destijds bevolen had in de dagen voor haar afscheid van het leven.

‘Gooi die dagboeken maar weg’.

Ik dacht dat ik haar een plezier deed door haar te beloven om ze juist te bewaren. Ik begreep haar nooit of te laat. Ze bedoelde precies wat ze zei. Dat ik haar dagboeken ongezien weg moest gooien. Wie weet had ze gelijk en zou ik me daarna bevrijd voelen. Alsof ik los geketend werd van mijn familiebanden. In het bezit van die dagboeken zou eind goed al goed voor mij tot aan mijn dood misschien wel een utopie blijven.

Mijn moeder was geen echte feeks. Af en toe sloeg ze weliswaar op een onbewaakt moment met een vlakke hand in m’n gezicht, maar op de dag dat ik haar waarschuwde dat ik de eerstvolgende keer gegarandeerd terug zou slaan, hield ze op. Ik zal een jaar of twintig geweest zijn en ik meende wat ik zei. Ik studeerde letteren, woonde nog thuis en verbleef voornamelijk op mijn slaapkamer als ik niet met mijn Hans onderweg was. Elders op kamers gaan was voor mij geen optie, want dan zag ik helemaal geen ingang meer om me te doen gelden naast mijn drie oudere broers bij mijn gepreoccupeerde ouders. Die broers hadden ook alle drie flamboyante vriendinnen en met die diva’s smeedde mijn moeder steevast heel speciale connecties. Zoveel specialer dan de bloedband dat ik jaren later weggekeken werd, omdat haar favoriete schoondochter in spé - in plaats van Hans en mij - onthaald moest worden met haar wekelijkse onderonsjes, terwijl ik mijn moeder net had verteld dat ze oma zou worden. Hans en ik dropen af als twee geslagen honden. Later kreeg ze spijt en stuurde ze mijn vader zes maanden lang om de veertien dagen langs bij ons op de Leenderweg te Eindhoven met giga baby pakketten, zelf gebreide dekentjes en enveloppen met contanten Toen ik mijn moeder na de bevalling op mijn kraambed bij wijze van verzoening wilde omhelzen wendde ze zich schichtig af.

Mijn vader zag mij bij leven - hij stierf in 2007 - wat liever, maar wel nogal eens over het hoofd. Dat hij naast mijn moeder een vriendin had en een dubbel leven leidde, was een algemeen gedeeld geheim dat hij niet al te best verborgen wist te houden. Zo zag mijn Hans de auto van mijn vader regelmatig ergens in Eindhoven geparkeerd staan met steeds dezelfde onbekende blonde dame op de bijrijdersstoel en niemand achter het stuur. Als Hans dan even op een afstandje en uit het zicht afwachtte dan dook het hoofd met de pet van mijn vader na een poosje hoe dan ook op naast de blonde dame in de auto. Mijn vader had zijn schoonzoon gespot en was iets te kort ondergedoken. In die dubbelrol kwam ik mijn vader ook eens tegen op een braderie. Ik reed zijn – inmiddels twee – kleinkinderen in een dubbele kinderwagen zijn richting op en riep herhaaldelijk:

‘Pap, hey, pap, hier zijn wij!’

Hij zag en hoorde ons niet. Hij stond nog geen twee meter van ons vandaan en hij keek gewoon langs mij en zijn kleinkinderen af.

‘Ons pap is doofstom geworden’, stamelde ik later confuus tegen mijn lief.

‘Welnee, zijn vriendin struint hier ook op de braderie rond, dus hij kan ons even niet kennen’, wist Hans vergoelijkend.

Mijn vader vergat mij ook te noemen tijdens een toevallige ontmoeting met de ouders van mijn jeugdvriendinnetje uit de straat. Trots pochte mijn vader over één van zijn zoons die inmiddels meester in de rechten was.

‘Heb je ook vermeld dat ik drs. in de literatuursociologie ben?’, vroeg ik sarcastisch, omdat de ontmoeting van mijn vader de ouders van mijn jeugdvriendin betrof en niet die van mijn broer.

En nee, ik was mijn vader even ontschoten. Het had zo mooi kunnen zijn.

 

11 april 2024

Gemeenschapszin.

De mazelen? Heb ik gehad. Samen met mijn derde broer die anderhalf jaar ouder is dan moi; het jongste en enige meisje in een gezin met vier kinderen. Het zal ergens in 1968 geweest zijn en we sliepen in een stapelbed. Ik herinner me de rode vlekjes over mijn hele lichaam en de hand op mijn schouder waarmee de huisarts me wakker schudde in het benedenbed. Het hoofd met rode stippen van mijn broer hing ondersteboven over de bovenbedrand. Zijn haren piekten in de lucht. Ik wilde eigenlijk ook liever in het hoogste bed slapen. Leek me spannend, maar ik ben van het begin af aan een meegaand mens geweest. Zo had hij me wel naar het hoogste deel van de oranje, draagbare badkuip weten te praten tijdens onze wekelijkse, gezamenlijke wasbeurt. Alleen maar zodat hij lekker warm tot aan zijn kin in het diepe deel kon weken en ik steevast met koude schouders op het zitgedeelte zat te klappertanden. Het was maar goed dat we sterke genen hebben, aldus de huisarts met een goedkeurende blik op mijn moeder, want wie weet hoe ernstig we er anders aan toe geweest waren. Ik kan niet ouder geweest zijn dan drie jaar, want ik ging nog niet naar de kleuterschool. In die periode kreeg ik ook gordelroos. Ik herinner me de stekende pijn in mijn taille tijdens het spelen. En dat mijn moeder aan de ontbijttafel geïrriteerd mijn middel vrijmaakte van borstrok en wollen trui en gekweld aan mijn vader vroeg:

‘Wat is dit nu weer?!’,

‘Dat is gordelroos’, antwoordde mijn vader met grote ogen.

‘Ja, van jou mag ik nooit naar de huisarts’, bitste mijn moeder schuldbewust, terwijl ze mijn kleding weer in orde bracht.

‘Wat een onzin’, vond mijn vader.

‘Je mag van mij zo vaak naar de huisarts als je wilt, maar ook gordelroos moet vanzelf overgaan. Daar helpt geen doktertje lief aan. Wel een moedertje lief.

Alsof mijn moeder niets te doen had, want in die tijd kreeg mijn oudste broer de bof.

Hij was een jaar of twaalf en ik zie hem nog uit zijn slaapkamer de zoldertrap aflopen in zijn bruine, badstof ochtendjas en een geruite sjaal om zijn nek. Gebiologeerd door zijn bolle wangen bleef ik stokstijf staan op de overloop. Mijn broer hield halverwege de zoldertrap halt toen hij mij op afstand waarnam.

‘Ga weg!’. bracht hij moeizaam maar niet onvriendelijk uit.

Ik kon wel janken, want wat snapt een peuter nou van besmettingsgevaar?

De geelzucht van mijn middelste broer zo’n jaar of twee later maakte voorgoed een einde aan mijn naïeve huidhonger. In een ziekbed in het centrum van onze gezamenlijke huiskamer nota bene, werd mijn geelzuchtige broer ruim zes weken lang vertroeteld door mijn ouders en wij – zijn boers en zus, opa en oma en overige familieleden; waaronder peetoom en tante – moesten koste wat kost bij hem uit de buurt blijven. Mijn middelste broer had een virusinfectie en was besmettelijker dan besmettelijk. Om te herstellen van zijn geelzucht diende hij te rusten in quarantaine en heel veel zoetigheden tot zich te nemen. Vraag me niet waarom, maar mijn geheugen liegt niet. Vooral die voorgeschreven zoetigheid overstijgt natuurlijk het bevattingsvermogen van welk gezond kind dan ook. Kilo’s lekkernijen verdwenen in die periode achter de huiskamerdeur naar voor mij verboden terrein; schuimblokken, spekjes, trekdrop, zoethout, toffees, roomsoesjes, Conotops, Zoenen, Napoleon zuurtjes, Koetjesrepen, gelatinepudding, Saroma, gevulde koeken, Kano’s, pannenkoeken, poffertjes, chocomel, etc en ga zo maar door. Wij kregen ook weleens wat, maar dat waren toch de afdankertjes van het zieke middelpunt van de belangstelling. Je zou er bijna voor gaan bidden dat je ook geelzucht mocht krijgen.

Zoals mijn derde broer van toen zeven die wensdromend alvast quasi misselijk onder de wol was gekropen in het bovenste bed van de stapelcombinatie De warme lunch liet mijn moeder met een mengeling van achterdocht en bezorgdheid in de slaapkamer op het nachtkastje voor mijn kermende derde broer achter. De ultieme test, want de enige echte geelzuchtige in huize Sliepenbeek at na een week of vier nog steeds maar mondjesmaat. Ook van alle zoetigheden. Dat konden wij gezonde kinderen niet weten natuurlijk, want wij waren al die tijd niet bij de zieke in de buurt geweest. Aldus was een kwartier later de warme hap van mijn hypochondrische derde broer schoon op en het porseleinen bord nog net niet afgelikt. Mijn derde broer deed alsof hij sliep. Hij mocht voor de rest van de middag schoolziek blijven, want morgen zou het voor hem ook gewoon weer vroeg dag zijn..

Ach ja, mijn kinderjaren vol met kinderziektes waar je volgens mijn vader ‘hard van werd’. Toch was hij een voorstander van inentingen. Hij heeft een arbeidsleven lang voor de klas gestaan en was de oudste uit een gezin met tien kinderen. Voorkomen was volgens hem beter dan genezen en niet alleen voor de betroffene zelf. Want mijn overbelaste moeder balanceerde eind jaren zestig permanent op de rand van een burn-out.

En dan zijn anno 2024 de mazelen weer in het land. En kinkhoest. Terug van weggeweest. Ter beginnen in Eindhoven of all places, maar toevallig wel de stad waar ik ben neergezet en opgegroeid in het van oudsher kinderrijke, katholieke zuiden. De plaats waar niets moet en alles mag. Zoals een prikje halen uit gemeenschapszin. En zo niet, doe het anders voor jullie moeder.

 

23 december 2024

Kerstsfeer

Morgen mag ik in het CWZ een laserbehandeling aan mijn ogen ondergaan. Deze keer niet teneinde scherper te kunnen zien, zoals in 1999 bij Retina in Driebergen, maar in de hoop om mijn oogdruk te verlagen. Ik kon kiezen tussen 24 of 31 december. Hoe feestelijk wil je het hebben.

Nou is kerst voor mij toch nooit geweest wat anderen ervan maken Een ieder die mij al wat langer volgt weet dat de wereld van mijn echtgenoot Hans, de kinderen en ik halverwege de kerstvakantie van 2018 van de ene op de andere dag over de kop sloeg op de eerste hulp van het CWZ te Nijmegen. Een fatale diagnose. Zes weken later is Hans overleden.

We zijn nu zes jaar verder en toch is mijn kerst er in de loop van de tijd niet slechter op geworden. Ik mis Hans niet meer op feestdagen dan gedurende de rest van het jaar. Die leegte is er altijd. Ook in het weekend. Het gemis slijt niet, maar schiet wortel door de pijn heen. Ik heb met de fysieke afwezigheid van Hans leren leven. Daar doen de feestdagen geen afbreuk meer aan.

Integendeel. Als ik terugdenk aan al die keren dat Hans en ik ons uitgesloofd hebben om iets leuks van Kerst te maken voor de kinderen en de schoonmama’s, zit ik met terugwerkende kracht weer tegen een zenuwinzinking aan. Over de kinderen geen kwaad woord, maar de schoonmama’s hadden zo ieder een eisenpakket onder het mom van: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’.

Zo herinner ik me de kip Siam die ik grieperig had staan kokkerellen op eerste Kerstdag 2011 in de hoop om schoonmoeder te imponeren die bleef logeren. Ik vergeet nooit meer die minachtende blik van haar op de haar voorgeschotelde dis. Alsof ze zeggen wilde:

‘Heb ik hiervoor de uitnodiging om uit te dineren met mijn andere zoon en diens supereega laten varen?’

Of dan de eerste kerst van onze dochter in 2002. Die herinnering springt er ook uit. Mijn moeder belde vlak voor de heilige avond op om haar pas geboren kleinkind op de valreep via mij voor de Winterefteling uit te nodigen. De hele familie zou van de partij zijn. Te weten; 8 volwassenen – 3 broers met aanhang en mijn vader en moeder – en oja; 2 kinderen in de basisschoolleeftijd. Mijn moeder trakteerde. Als Hans en ik zin hadden dan waren we natuurlijk ook welkom met de kleine Robin. Ik was overdonderd. Nog nooit in mijn leven heb ik iets samen gedaan met mijn vader, moeder en 3 oudere broers tegelijk. Ook niet toen ik klein was. We gingen nooit op vakantie en als we al iets ondernamen dan was dat nooit als voltallig gezin en bij voorkeur naar een museum en niet naar zoiets lichtzinnigs als de Winterefteling. Ik vermoedde dat mijn nieuwste schoonzus in spé mijn moeder had geïnspireerd, zoals een andere potentiële schoondochter mijn ouders jaren eerder wist aan te zetten tot het oppakken van de kerstboomtraditie. Mijn moeder dweepte veelal met de vriendinnen van 2 van mijn 3 oudere broers en mijn vader ging altijd met ons mam mee, omdat hij op zijn beurt weer met mijn moeder dweepte. Ik was stomverbaasd dat er zo rond mijn 20ste thuis ineens weer een versierde kerstboom pronkte. Tot mijn grote verdriet waren mijn ouders immers 7 jaar eerder met kerstbomen gestopt. Vanwege de rommel, dacht ik. 13 jaar zal ik geweest zijn en het kwam niet in me op om tegen het besluit van mijn ouders te protesteren. Alles voor de lieve vrede. En nu ik dan 37 jaar was en amper bekomen van de kraamtijd, lonkte opeens de familie- winter – Efteling. Ter ere van welke heilige was dat? Niet ter viering van de geboorte van onze dochter die net kwam kijken. Ze was 4 maanden oud, waarvan ze ook nog eens een tijdje in het Annaziekenhuis in Geldrop had gelegen. Wat krijgt een baby van amper 20 weken nou voor positiefs mee van een kerstsfeer in een rumoerig winterlandschap van een drukbezocht pretpark? Hans en ik hebben dan ook bedankt voor de eer, maar we mochten daarna nog wel in geuren en kleuren aanhoren hoe fantastisch de gezamelijke kerstbeleveng in de Winterefteling wel niet was geweest. Zo liet mijn moeder – subtiel als ze was - toch ook doorschemeren dat ik wel een beetje een spelbreekster was geweest.

Maar ik gun anderen hun pleziertjes echt wel. Zolang ik er niet meer aan hoef mee te doen, kan ik genieten van de kerstversieringen in de winkelstraten en aan de gevels en in de tuinen van de huizen hier in de wijk. De kinderen en ik vergelijken de kerstreclames van de verschillende elkaar beconcurrerende supermarkten. Ze worden almaar indrukwekkender. Dit jaar heeft Albert Heijn gewonnen met de hamster in de ‘last christmas clipremake.’ Maar die met die hond – Mormel - van de Jumbo vinden we een goede tweede. Ik kook gewoon met kerst zoals iedere dag. Voor onze twee thuiswonende, studerende kinderen en mezelf. Mocht dat trouwens onverhoopt niet mogelijk zijn na de laserbehandeling dan heb ik ook nog het één en ander ingevroren dat met kerst ontdooit en opgewarmd kan worden. Gemak dient de mens en alles beter dan mijn moeder die jaren achtereen tijdens de kerst achter het fornuis stond te huilen vanwege de stress. En omdat de kerstman geen sfeer kwam brengen. En mijn vader ook niet. Hap, slik weg. Al die moeite. Ze kon heerlijk koken mijn moeder, maar dat doe ik haar inmiddels wel na. Dus dat mis ik ook niet van haar. Verder verheug . ik me al op de aankomende rust van een dag zonder boodschappen en wens ik jullie allemaal prettige kerstdagen en een heel gelukkig nieuwjaar. Duim voor me morgen!

 

2 februari 2025

Zeker weten is het einde van het geloof.

Als kind kon ik mezelf helemaal overstuur maken door te proberen om me iets voor te stellen bij de dood. Dan lag ik gruwelend in het donker in m’n bed bij de gedachte aan het oneindige ‘niets’ na het leven. De leegte waarop mijn moeder me bij navraag luid en duidelijk had voorbereid:

‘Ik geloof niet dat er een hiernamaals is en daar ben ik totaal niet rouwig om. Als we sterven is het over en uit’, had ze op een toon van voor eens en voor altijd gesteld en daar moest ik het dus maar voor de rest van m’n leven mee doen. Ik zal niet veel ouder dan 10 jaar geweest zijn.

Natuurlijk wantrouwde ik de uitlatingen van mijn moeder. Met reden, maar dat is een ander verhaal. Toch kon ik niet zo makkelijk een alternatief bedenken voor haar zwarte gat. Ik ben in een tijd opgegroeid waarin religie steeds minder serieus bedreven werd. Mijn achterland is in afnemende mate katholiek en daar is dan wel zo’n beetje alles mee gezegd. Vanaf mijn twaalfde namen mijn ouders niet eens meer de moeite om zichzelf en hun vier kinderen één keer per jaar op kerstavond naar de nachtmis te slepen. Met traditionele geloofsbeleving heeft mijn verwarring over leven na de dood dan ook niets uit te staan.

Desondanks ik ben er nooit goed uitgekomen. Ook niet nu ik al zo lang volwassen ben. Is er nou wel of geen leven na de dood? Wat is mijn overtuiging? Geloof ik wel of niet?

Net als de meesten geloof ik het overgrote deel van de tijd natuurlijk wel dat er ‘íets’ is. Uit gemakzucht en wensdenken. De vraag naar wat dat ‘iets’ dan precies zou kunnen zijn, heb ik jarenlang naast me neergelegd uit pure doodsangst dat mijn moeder het bij nader inzien misschien toch bij het rechte eind had. Maar toen ik mijn Hans, de liefde van mijn leven, op 2 februari 2019 voor het laatst in levende lijve kon aanspreken, viel de dood niet langer meer uit mijn dagelijkse leven weg te denken. 36 jaar waren Hans en ik onafscheidelijk geweest en opeens zou hij dan van de aardbodem verdwenen moeten zijn? Letterlijk misschien, maar figuurlijk? In geestelijke zin heeft Hans nooit afscheid van de kinderen en mij genomen. Of verbeeld ik me dat maar?

Ruim een jaar na het heengaan van Hans stierf mijn moeder. Ik herinner me de woorden van één van mijn broers vlak nadat onze moeder haar laatste adem had gelaten:

‘Ze is niet dood, ze is er gewoon nog!’

Gevoelsmatig snapte ik meteen waar hij op doelde, maar rationeel konden noch mijn broer noch ik zo’n mystieke gewaarwording duiden.

De uitweg vond ik in spiritualiteit, maar dan wel in de brede zin van het woord. Ik heb in de afgelopen rouwperiode van 6 jaar geen persoonlijk contact met mediums gezocht, ben niet van de ene op de andere dag paranormaal geworden en er zijn voor zover ik weet geen spoken bij me op bezoek geweest. Wel heb ik me verdiept in – onder weer - de theorie van Pim van Lommel over ‘het oneindige bewustzijn’. Oftewel de essentie van elk levend wezen dat de dood zou overstijgen en dat in die zin wel min of meer vergelijkbaar is met ‘de onsterfelijke ziel’ binnen het katholieke geloof. Verder heb ik in de afgelopen jaren ontelbaar veel spirituele podcasts beluisterd en filmpjes op YouTube bekeken van mensen met een zogenaamde ‘Bijna Dood Ervaring’. Ik heb er mijn aardse, levensgezel Hans niet mee teruggekregen, maar van het groeiende geloof dat hij in de geest misschien nooit is weggeweest ben ik ook niet slechter geworden.

In gedachten praat ik al zes jaar elke dag met Hans alsof hij nog naast me in bed ligt of tegenover me in zijn luie stoel zit. Hij kan nog steeds geen ruzie maken zonder kwaad te worden.

‘Nee, jij blijft lekker rustig’, hoor ik hem dan spotten.

Uitpraten is ook niet zijn sterkste kant. Hij vindt altijd dat ik moeilijk doe. Ik kan hem niet uitstaan als we bekvechten. Dan weet ik niet waar ik blijven moet van machteloze woede. Totdat er opeens een roodborstje in de struik voor het huiskamerraam op een takje wipt. Afgeleid word ik vertederd teruggeslingerd in de tijd waarin onze dochter als babyRobin de hele wereld van Hans en mij ontregelde. Robin is Engels voor Roodborstje. Of zo vader zo zoon Trevor draait zijn hand weer eens niet voor een huishoudelijk mankement om.

‘Hij kan het allemaal’, voorspelde Hans al op zijn sterfbed.

Zo merk ik ineens, middenin mijn onredelijke kwaadheid over alle onuitgesproken frustraties, opgekropte woede, misverstanden en onvermogen; kortom middenin mijn rouwproces, dat Hans nog steeds vlakbij is. Het is een gewaarwording van vertrouwen en geloof die grenst aan zeker weten. Ik word bevangen door een kalmte die van buitenaf op me in lijkt te werken en die mij ingeeft dat Hans en ik samen hoe dan ook wel ergens uit gaan komen. In een hiernamaals, zielsverwantschap of in een oneindig bewustzijn.

 

16 februari 2025

Boekverbranding

Lees zojuist in de dagboeken van mijn in 2020 overleden moeder over mijn oppervlakkigheid. Ik laat het denkwerk aan facebook over, waar ik veel te veel tijd mee verdoe, en ik zit onder de plak bij mijn echtgenoot. De echtgenoot die in 2019 overlijdt en waarover ze op zijn sterfdag in haar dagboek schrijft:

‘Ik geloof niet dat ik hem erg goed lag. Mij interesseerde hij niets Een gemiste kans.’

Voor mijn moeder wel ja. Mijn Hans heeft bij leven zo ongelofelijk zijn best voor haar gedaan. Dat deed hij uit liefde voor mij.

‘Ach ja’, verzucht mijn moeder ter conclusie van het heengaan van haar schoonzoon:

‘Het leven is wat je er zelf van maakt’.

En dat uit de pen van de vrouw die haar hele leven binnenshuis liep te klagen over haar rotbestaan vol met rotkinderen en een rothuwelijk.

‘Heb je een fijn leven gehad mam?’, vroeg mijn broer haar aan het einde van haar vierentachtig jarige leven.

‘Ja’, knikte ze tevreden.

Toen wist ik al niet meer wat ik nou wel of niet moest geloven, maar misschien is niets waar en zelfs dat niet, probeerde Multatuli de mensheid al decennia eerder aan het verstand te brengen.

‘Gooi die dagboeken maar weg’, gebood mijn moeder tijdens één van onze laatste ontmoetingen.

‘Nee, natuurlijk niet’, antwoordde ik omdat ik dacht dat ze deze reactie van me verwachtte.

Ze had anders nog tijd genoeg gehad om die dagboeken eigenhandig in de papierbak te mieteren.

‘Misschien lees ik ze nog weleens’, beloofde ik met tegenzin, want na mijn eigen vierenvijftig levensjaren kon ik haar wel en wee dromen.

‘Hmm, je zult wel niet alles leuk vinden wat je leest’, waarschuwde ze nog.

Enigszins eufemistisch gesteld zeg ik vandaag nu ik na bijna vijf jaar dan eindelijk in haar dagboeken gestart ben. Dit naar aanleiding van een recente droom waarin ik haar gezicht zag achter mijn slaapkamerraam. Daar was het oude vertrouwde schuldgevoel weer. Ik mocht haar niet langer buitensluiten.

Ergens in 2017 doet ze verslag over het tweewekelijkse bezoek dat Hans, de kinderen en ik jaren aan een stuk op zaterdag vanuit Nijmegen naar Eindhoven aan haar brachten. Kennelijk was er op die dag sprake van wat gekibbel over en weer geweest tussen Hans en mij.

‘Kijk daar valt de façade van het gelukkige gezinnetje’, schrijft ze sarcastisch.

Wat bezielt die vrouw? Enfin, mijn moeder is weer helemaal terug. Lucht met een lintje en een gebruiksaanwijzing. Al na een paar grepen uit de dagboeken wil ik niet meer verder grasduinen in haar stekeligheden in de wetenschap dat ik dan weer als vanouds een week of twee psychisch zal moeten bijkomen van haar gedachtegoed. Ik word te oud voor die klimtochten uit die diepe dalen. De volgekriebelde schriften met het handschrift van mijn overleden moeder plant ik in een stapel met een klap op de keukentafel...

‘Je kunt ze ritueel verbranden’, stelt Robin voor.

Ze studeert psychologie en als je het mij vraagt kan ze niet anders dan een briljante carrière tegemoet gaan:

‘Ík wil je niet in een hokje stoppen, maar volgens mij was er altijd wel sprake van enig emotioneel misbruik van oma Anita richting jou’, zegt ze voorzichtig.

Mijn dochter is lief en slim en ik weet wel zeker dat ze gelijk heeft, maar ik vergeet steeds hoe absurd de relatie met mijn moeder was. De dag na de crematie van mijn Hans zei ze met tranen in haar stem tegen me aan de telefoon:

‘Ik was zo trots op je tijdens de bijeenkomst’.

Ik heb niet gereageerd, niks gezegd, want ik geloofde haar niet. Daar heb ik me schuldig over gevoeld na haar overlijden een jaar later. Ik dacht dat ze aan het einde van haar leven haar hand naar me uitstak en dat ik te kleinzielig was om haar zoenoffer te accepteren. Dat schuldgevoel is vandaag opgelost in het luchtledige. Hebben de dagboeken van mijn overleden moeder toch nog zin gehad. Morgen gaan ze met het oud papier mee. Wie ze hebben wil moet snel zijn.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties