Brieven aan het hiernamaals
8 februari 2019
Hans
Jij en ik zijn 36 jaar een stel geweest.
Toch zijn we pas na de geboorte van jouw meisje Robin -
16 jaar geleden - getrouwd.
Op een regenachtige ochtend in september in de besloten
kring van 2 getuigen en een ambtenaar van de burgerlijke stand.
De inzegening vond plaats in het stadhuis van Eindhoven
op de gratis trouwdonderdag van de gemeente.
Geen cent teveel aan het huwelijk.
Niet dat je een krent was, maar we trouwden voor de
kinderen en de wet en niet omdat we geloofden dat onze liefde überhaupt nog
sterker kon worden door een prijzige huwelijksvoltrekking en een trouwboekje
dat overigens zelfs op de gratis trouwdonderdag niet voor niks was.
Het hapklare toespraakje van de ambtenaar van de
burgerlijke stand was weer wel in het gratis trouwtotaal pakket inbegrepen.
Jij vond de hele ceremonie 3 keer niks.
‘Kunnen we niet een handtekening zetten en wegwezen’,
hoorde ik je onder meer binnensmonds mompelen.
Zo bezorgde je me de slappe lach, zoals alleen jij dat
kon.
Zoals ook jij alleen mij het gevoel kon geven dat alles
mogelijk was in het leven en dat door jou niets ooit een verplichting zou
worden.
Drie maanden na de geboorte van Robin zei je:
‘Dat doen we nog een keertje’.
Overrompeld snakte ik naar adem, omdat ik amper uit het
kraambed van onze babydochter was opgestaan.
Maar Robin was ons goed bevallen en de vaderrol was je op
het lijf geschreven.
Acht maanden later werd Trevor geboren of ‘mijn grote
vriend’, om met jouw woorden te spreken.
Trevor is tot aan het einde toe jouw grote vriend
gebleven.
Hans, jij was niet iemand waar mensen makkelijk om heen
konden.
Jij liet je stem horen en je was je zeer wel bewust van
het effect van jouw manier van optreden.
Jouw eerlijkheid viel niet altijd bij iedereen in goede
aarde.
Sommige mensen vonden je bot.
Het kon je niks schelen.
‘Ze nemen me maar zoals ik ben, of niet, want ik laat
anderen ook in hun waarde’, zei je.
Je had gelijk.
Zoals zo vaak.
En in werkelijkheid was je ook helemaal niet zo
rechtlijnig als buitenstaanders soms dachten.
Je sprak tenminste thuis altijd met respect en warmte
over de mensen om je heen en dan met name over jouw collega’s in de
automatisering.
Je liet jezelf ook nooit ergens op voorstaan, terwijl
bijna iedereen die jou goed kende onder de indruk was van jouw intelligentie en
alertheid.
Je bezat een uniek bevattingsvermogen en een schat aan
parate kennis.
Toch vond jij jezelf geen koploper en werden oplossingen
op technische problemen op het werk volgens jou altijd in nauwe samenwerking
met anderen gevonden.
Je zag jezelf als een schakel in de ictketting, zonder
onnodig bescheiden te zijn.
Precies zo loyaal was je ook in onze relatie.
Jij en ik deden niet voor elkaar onder, terwijl ik toch
een universitaire graad heb en jij na jouw vwo zonder hard te studeren door
werkervaring en interne scholing rijker werd.
‘Je vergelijkt appels met peren’, beweerde je terecht.
Opnieuw had je gelijk.
Jij was immers degene die het brood op de plank bracht,
zodat ik onbetaald mocht schrijven en tegelijkertijd thuis voor de kinderen kon
zorgen.
Een tophuwelijk.
Ik kon mij niet gelukkiger prijzen.
Misschien is al mijn geluk nu opgebruikt.
Al zie ik je in gedachten bij wijze van reactie met je
karakteristieke hoofd schudden.
En je zult wel weer gelijk hebben!
Voor de laatste keer.
In 36 jaar samen met jou heb ik genoeg reserves
opgebouwd.
Natuurlijk moet ik door lopen op het pad dat wij samen al
zo ver betreden hebben.
Voor de kinderen en mezelf.
Ik houd je voor de rest van mijn leven stevig vast tot
aan de hemel.
Het geloof, de hoop en de liefde hebben ons geen kalme
reis opgeleverd.
Maar het kan niet anders dan dat zij wel degelijk een
behouden aankomst in het hiernamaals garanderen voor een prachtmens zoals jij.
Rust zacht liefde van mijn leven.
6 april 2019
Afstand
Ze bellen om te vragen hoe het met me gaat. Zo’n
verplicht nummertje. Ze kennen mij niet echt via jou en ik verdraag ze niet
meer.
‘Ze bedoelen het goed’, hoor ik je sussen.
Dan word ik ook boos op jou. Als iemand weet hoe ik ben,
dan jij wel. Hoe heb je die mensen kunnen aanzetten tot bijstand van mij na
jouw overlijden? Of heb je niks gevraagd? Dacht je niet aan mij gedurende die
laatste contacten met jouw vrienden, kennissen en collega’s?
Natuurlijk niet. Gelukkig niet. Maar zij denken dat ik
eenzaam ben. Zij weten niet dat ik graag alleen ben. Dat er niemand op aarde
bestond, met wie ik zo perfect op mezelf kon zijn als bij jou.
Na jouw overlijden moet ik de vreemdelingen uit jouw
buitenwereld ineens te woord staan over mijn gevoelsleven. Heel intiem. Op de
meest ongelegen momenten op de dag. Net na een huilbui en een golf van
overweldigend gemis, tijdens een drukke bezigheid in huis, een onverwachte maar
welkome lachstuip of een middagdut. Het mobieltje is al op slot. De vaste
telefoon blijft echter noodgedwongen aan. Er zijn mensen die ik wel wil
spreken. Zoals de belastingconsulent en nog wat gasten die niet plichtmatig aan
me vragen of ik het verdriet al een plekje heb weten te geven.
‘Zeg dan dat ze oprotten!’, roep je geërgerd.
Dat meen je niet, want deze mensen horen net zo goed bij
jou. Trouwens zo bot zit ik niet in elkaar. Dat weet jij ook. Gisteren nog gaf
ik telefonisch uitgebreid tekst en uitleg aan één van jouw beste vrienden. Over
alle administratieve rompslomp en dat ik je zo vreselijk mis. Zijn
aandachtspanne was beperkt en doorspekt met ongeduldige keelgeluidjes.
Uiteindelijk onderbrak hij mij. Hij beweerde dat jij niet gewild zou hebben dat
ik emotioneel zo onstabiel ben. Ook niet voor de kinderen, omdat het voor hen ook
niet makkelijk is en dat ik daar maar eens aan moest denken. Ik moet wel de
sterke vrouw blijven die jij volgens hem in mij zag. Zo van:
‘Kop op, joh’.
En ik nog schaapachtig meelachen, in de trant van:
‘Ja, je hebt wel
gelijk!’
En toen moest hij snel opleggen, maar we houden contact.
Waarom? Liever niet als je het mij vraagt.
‘Trek je er toch niks van aan!’, meesmuil jij.
Als jij dat zegt dan doe ik dat uiteraard. Niet.
Want ik snap alles. De wereld draait door met er zijn
geen woorden voor. Voor het niet weten wat te zeggen, het machteloze medeleven,
de angst voor de dood. Jij was niet mijn bezit. Anderen missen jou ook. Dus
stel ik mezelf open voor jouw vrienden. Allemaal heel gecontroleerd, wees maar
niet bang. Ik ben niet aan de drank of medicatie. Ik sta niet aan de rand van
de afgrond, heb geen zelfmoordneigingen en ik probeer er zo goed zo kwaad als
ik kan te zijn voor onze kinderen. Geef maar een teken hoor als ik nog meer
moet doen om de favorieten uit jouw kring een goed gevoel over zichzelf te
geven!
Terwijl we weinig gemeen hebben. Met uitzondering van de
kinderen, niet eens jouw persoontje, want de professionele jij is niet de Hans
met wie ik 36 jaar lang lief en leed heb gedeeld. Ze halen me naar beneden met
hun standaard medeleven en die aangeboden hulp voor de vorm. Hun stroeve
omgangsvormen geven mij het verlaten gevoel dat ik voor je moet vechten door in
mezelf terug te keren. Gun me die afstand!
14 april 2019
Beklonken
Vandaag is het 10 weken en 2 dagen geleden dat jij het
leven liet. Ik voel je nog altijd om mij heen. Dat is ook logisch. We leefden
zo lang samen dat ik niet meer precies kan aangeven waar jij ophield en ik
begon. Misschien doet die tweedeling er ook niet toe en is die fantastische,
spirituele zielenwereld echt de realiteit in een hiernamaals. Het geloof in die
alom besproken dimensie van het eeuwige licht is zo oud als de mensheid. Het
stoffelijk overschot sterft, maar het eeuwige bewustzijn, in de vorm van een
persoonsgebonden energie, zou het lichaam ontstijgen. Jij bent thuis gekomen.
Volgens onze kinderen doet het er helemaal niet toe waar
jij nu bent. Je bent van de aardbodem verdwenen en dat is op zich al moeilijk
genoeg. Ik geef ze geen ongelijk, maar stiekem blijf ik je zoeken buiten
mezelf.
In mijn hoofd klinken echo’s van dezelfde stem die laatst
weerklonk in een weergave van een familiefilm. Zo vertrouwd. Je geeft nog
steeds antwoord op al mijn praktische vragen. Vriendelijk, plagerig, nukkig. Al
naar gelang jouw stemming van het moment. In een flits geef je me het gezapige
gevoel terug dat alles voorgoed beklonken is tussen ons. Daarna maakt de idee
dat mijn opwellingen in werkelijkheid hallucinaties zijn een abrupt einde aan
mijn euforie. Mijn ingebeelde spirituele ervaringen zijn waarschijnlijk
waanbeelden gebaseerd op jarenlange, miljoenen, grote en kleine herinneringen
met en aan jou.
Wie zal het zeggen?
Jij natuurlijk. Laat het verlangen naar herhaling en
tastbaarheid maar bij mij. Maar laat mijn twijfel je er niet van weerhouden om
mij zo vaak te bezoeken als je belieft
21 april 2019
Hallo Hans, hier aarde.
Toen ik je nog elke dag kon aanraken wilde ik nog weleens
doem denken. Stel dat op een dag één van ons zou wegvallen? Jij deed er niet
aan mee.
‘Wie dan leeft wie
dan zorgt’, was jouw devies.
Terecht zoals vandaag wel blijkt. Jij bent overleden en
ik leef en zorg nog. Ik wil ook niet in de rouw zijn, vanwege het woord en de
associaties met grauw en grijs. Ik leef niet in een zwart gat. De zon schijnt,
Robin en Trevor puberen en Kirby moet uitgelaten worden.
Ik heb het gazon gemaaid. Niet met één van jouw
benzinemaaiers, maar met die elektrische. Je weet wel die grasmaaier waarvan
het grasgroene snoer op wel twintig plaatsen gerepareerd is met grijze tape.
Trevor voelde zich schuldig omdat hij geen puf had om de klus van mij over te
nemen. Alsof ik hem zijn tegenzin zou nadragen. Hij neemt al zoveel hooi op
zijn vork. Bovendien heeft hij weer last van hooikoorts. Al ontkent hij dat als
vanouds in alle toonaarden. Hij heeft nog steeds ‘gewoon’ koorts. En een verstopte
neus, waardoor hij nog wel onnodig lang met een jerrycan benzine heeft staan
klooien om één van jouw pronkstukken aan de praat te krijgen. Ongehinderd door
de benzinewalm, die hij door zijn hooikoorts dus niet waarnam. Robin en ik wel.
Overal in huis raakten we bedwelmd. Robin zelfs tot boven op haar kamer waar ze
de laatste weken keihard aan het zwoegen is voor haar eindexamen.
‘Nou, dat ' keihard zwoegen' zal wel meevallen! Tussen
het skypen door zal ze haar studieboeken heus wel af en toe eens inkijken’,
hoor ik jou relativeren.
Maar Trevor stond dus wel serieus keihard te zwoegen op
de trek motors van jouw monstermaaiers. Desondanks sloeg geen van de acht
ondingen lang genoeg aan om hun taak te kunnen volbrengen, waardoor de kinderen
en ik voor niets high zaten te wezen. Trouwens; Trevor is het postuum alsnog
roerend met jou eens dat het gazon maaien zonder benzine machine slavenarbeid
is. Ondertussen had ik in een mum van tijd de klus geklaard met dat elektrische
prulding.
Daarna borrelt het verdriet weer op. Of liever het gemis.
Verdriet is nat en doet denken aan regen en tranen. Maar de zon achter de
wolken schijnt de pijnscheuten niet weg. Gemis is geen laag of hoog drukgebied,
maar de tussenliggende windkracht in gradaties, weet ik nu. Grillig en
snerpend. Als een virus waartegen geen medicijn is opgewassen en dat uitgeziekt
dient te worden. Zo wens ik de controle over mijn emoties terug. Om verslaving
te voorkomen, want die onvoorspelbare pijnscheuten wortelen zich ook onwrikbaar
in mijn hart, zodat jij aldoor heel dicht bij me blijft. Hierdoor zou het gemis
toch geleidelijk veilig gelijkmatiger mogen worden.
Wanneer zou ik eindelijk volledig in staat zijn om 36
jaren rustig naast mij neer te leggen?
‘Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen!’, zou jij op
deze typische Katinkavraag hoofdschuddend verzuchten.
Vervolgens zou je overgaan tot de orde van de dag.
26 april 2019
Koningsdag
Gisteren regende het op Koningsdag. Dus ook op de
jaarlijkse rommelmarkt in het Goffertpark in Nijmegen. Weet je nog die keer dat
het de hele Koninginnedag zo hardnekkig door bleef gieten dat het hele park
bezaaid was met verlaten en verregende rommel? De rechtmatige eigenaren zaten
thuis al lang en droog achter een oranje tompoes, terwijl jij met de kinderen -
en nog een handjevol rommelmarkt jutters - de Dar te slim af waren door nog
vanalles en nog wat naar gading van de vuilnisbelt te redden. Eén maal thuis
deelde ik droge kleding uit aan een voldaan drietal in feeststemming. Hoeveel
euro’s hadden jullie wel niet bespaard? Koninginnedag was nog leuker dan
sinterklaas. De gratis oogst bestond onder meer uit; allerlei speelgoed, handig
gereedschap, natte prenten- en leesboeken, peperdure elektronica, games en een
hamsterkooi. We aten oranje roomsoesjes met gezichtjes. Het moet 2012 geweest
zijn. Ik weet nog dat ik een wasmachine vol met geadopteerde knuffels van Robin
moest draaien.
In de jaren daarna liet de zon het niet meer afweten op
het Oranjefeest en kon je over de koppen in het Goffertpark lopen. Van parkeren
is dan ook normaliter op de dag van de jaarlijkse rommelmarkt in de buurt van
het park al helemaal geen sprake. Daarom confisqueerden Trevor en jij alvast op
de vooravond van het Oranjefeest een parkeerplaats. De verse oogst kon zo
opgeslagen worden in de kofferbak van jouw Citroen, waarna er weer onbezwaard
op jacht gegaan kon worden. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Met
uitzondering van Robin en ik. Wij hadden het in de regel na een uur wel gezien.
In de beginjaren wilden we het jaarlijkse Goffertbezoek nog weleens afronden
met een frietje, dat veel te duur en vet was, maar later aten we thuis wel een
kroketje uit de airfryer.
Nadat Trevor en jij op de vooravond van Koninginne - of
Koningsdag de Citroen geparkeerd hadden, liepen jullie traditiegetrouw, met
hond Kirby aangelijnd, dat hele pokkeneind van de Goffert naar huis terug onder
het genot van een milkshake. Vanzelfsprekend brachten jullie er ook één voor
Robin mee. Bananensmaak. Ieder jaar was de milkshake 25 eurocent duurder.
Op het Oranjefeest zelf werd ik geacht om voor dag en
dauw op te staan om jullie met de Renault bij het Goffertpark af te zetten. Jij
zat naast me en Trevor achterin en jullie zweerden samen over mijn oriëntatie
onvermogen en deden lacherig over mijn rijstijl. Ik keek jullie niet na op de
plek van bestemming, maar maakte dat ik terug in mijn bed kwam.
Gisteren regende het niet de hele dag, alleen in de
ochtend. ‘s Middags werden we verrast op een waterig zonnetje. Trevor wilde
toch absurd vroeg naar de Goffert gaan. Uit gewenning neem ik aan. Ik had al
sinds gisteren een knoop in mijn maag, die zich verdubbelde toen ik hem bij een
troosteloze rommelmarkt afzette. Ik keek hem na, terwijl hij in de motregen in
zijn uppie richting rommelmarkt liep met die rode trolley achter zich aan. Je
weet wel dat schreeuwerige ding waarmee hij als kleuter al liep te sjouwen en
waardoor hij in notime door de politie werd opgespoord toen we hem als zesjarig
jongetje tussen de mensenmassa in de Goffert kwijt waren geraakt. Trevor is
geen kleuter meer. Hij steekt met kop en schouders boven de menigte uit nu. Ik
hoef niet meer bezorgd te zijn, maar toch ben ik thuis niet terug naar bed
gegaan.
Na 2 uur belde Trevor met het verzoek of ik hem op wilde
komen halen. Het regende niet meer. Hij had wel een goede oogst gehad. Veel
spullen in zijn rode trolley die hij via marktplaats met winst zou kunnen
doorverkopen.
‘Ik zal maar niet vragen of hij papa gemist heeft’,
ventileerde ik onwillekeurig richting Robin, terwijl ik naar mijn autosleutels
greep.
Meewarig keek Robin op van haar laptop en antwoordde:
‘Mam, ik snap dat het moeilijk is, maar je hoeft het
drama niet ook nog eens extra op te zoeken’.
Ze heeft gelijk natuurlijk.
5 mei 2019
Tranendal
Na 3 maanden merk ik dat jouw overlijden wel is ingebed
in de gewone gang van zaken van de mensen om ons heen. Voor mij is dat in
zekere zin een opluchting, want dan heb ik tenminste niet meer het idee dat ik
me groot moet houden. Ongestoord kan ik terug kruipen in mijn eigen
(facebook)wereldje en ik hoef – bijna - niemand meer te woord te staan die ik
vóór jouw laatste adem ook nauwelijks tot niet sprak. Op sommige dagen krabbel
ik aardig overeind en wankel ik stapje voor stapje op weg naar mijn nieuwe leven
zonder jouw lijfelijke aanwezigheid. Ik heb me ingeschreven voor een éénjarige
master onderwijswijsbevoegdheid aan de docentenacademie van de
Radbouduniversiteit hier in Nijmegen. Dat inschrijven gebeurde in het oude
Berchmanianum klooster dat omgebouwd is tot academiegebouw. Wat een prachtig
bouwwerk is dat! Dat heb je me nooit verteld toen jij daar vanuit je werk bij
de ING een cursus volgde. Of misschien toch wel en heb ik niet geluisterd.
Zoals sowieso wel vaker niet, realiseer ik me nu pas achteraf. Ik moest op de
universiteit zijn om de echtheid van mijn doctoraal te laten verifiëren. Robin
en Trevor waren er ook bij. Robin was net zo betoverd door het gebouw en de
ambiance als ik. Dat is nog eens wat anders dan de fabriekshallen van de
Katholieke Universiteit Tilburg.
‘Wat is er mis met fabriekshallen?!’, bromde jouw zoon op
z’n Trevors.
Maar dan opeens heb ik een hele slechte dag. Alsof ik van
binnen een tranendal opvul dat dan op een onbewaakt moment in stromen uit mijn
ogen over mijn wangen vloeit. Er is ook geen houden aan. Niemand kan de kraan
dichtdraaien. Ja, jij zou dat gekund hebben, maar je bent er dus niet meer. De
kinderen weten dan totaal niet wat ze met me aan moeten en gooien me allerlei
rationele wetenswaardigheden naar m’n verwarde hoofd. Jij zou ze meteen
gesteund hebben. Het lijkt wel of ze op zulke momenten door jouw bezeten zijn,
zo letterlijk hoor ik jou terug in hun nuchtere reacties. Ik doe er alles aan
om te stoppen met huilen, want afzonderen is geen optie, omdat ik de kinderen
in geen geval het idee wil geven dat ik langzaam aan het doordraaien ben.
Dat is namelijk niet zo. Tenminste dat hoop ik.
‘Er gaan elke dag mensen dood en de bejaardenhuizen
zitten vol met weduwen en weduwenaars’, zei mijn moeder van 83 gisteren nog
sussend tegen me tijdens mijn tweewekelijkse bezoek aan haar.
Op weg naar huis begon ik op de snelweg al onbedaarlijk
te huilen. Bij nader inzien denk ik dat die opmerking van ons moeder een lek in
mijn tranenreservoir heeft gestoken. Ze bedoelt het goed. Dat weet ik heus wel.
Of tenminste daar ga ik voor de lieve vrede maar vanuit en ook omdat ik volgens
haar lange tenen heb. Maar het is juist die prietpraat die steeds opnieuw het
dunne korstje van de verse wond rukt. Vooral als de ondoordachte uitspraken
afkomstig zijn van mensen waar je niet omheen kunt. In goede en in slechte
tijden.
In de huiskamer kwam Kirby – onze troosthond - heel dicht
tegen me aan zitten op de bank. Eén maal in de keuken bij het koffiezetapparaat
kringelden het katten duo Repel en Steeltje om me heen. Ik heb mijn tranen aan
hun vachtjes afgeveegd. Ze lieten zich gewoon als vaatdoek gebruiken, terwijl
katten in de regel toch niets moeten hebben van water. Dankzij onze drie
huisintrigantjes is het me in het bijzijn van de kinderen uiteindelijk toch
weer gelukt om tot mezelf te komen. Nou nog niet meer blijven liggen na het
vallen, maar in het vervolg meteen weer opstaan. Ik begin het te leren. Je kunt
trots op me zijn.
15 mei 2019
Op de eeuwigheid.
Vandaag – op 15 mei 2019– zou je 57 jaar geworden zijn.
De kinderen en ik maken er geen heisa van, want jij verjaarde onder het motto:
‘Het leven is een feest, maar je moet zelf de slingers
ophangen’.
Gelukkig deed je dat tijdens ons leven samen ook volop in
overdrachtelijke zin, maar liever niet op officiële zon- en feestdagen. Het
werkwoord ‘moeten’ stond niet in het lexicon van Hans Barten. Behalve onder de
kopjes van Robin en Trevor. Zij zijn voor altijd de uitzonderingen die onze
regels bevestigen.
Robin en Trevor zijn geboren in hartje zomer en wel
respectievelijk op 20 augustus 2002 en op 20 juli 2003. Midden in de nacht
bliezen jij en ik ballonnen op en verbonden ze met kleurige linten. Zo maakten
we slingers. Jij hing ze aan het plafond en in de struiken en fruitbomen in de
tuin. ’s Ochtends vroeg pakte jij de cadeautjes in, terwijl Robin en Trevor nog
sliepen. Ik vertrok voor dag en dauw om de oma’s in Eindhoven op te halen. Oma
Anita alias mijn moeder, oma Lies oftewel jouw moeder van wie we in 2015
afscheid moesten nemen en, niet te vergeten, jouw bruisende, loco moeder; tante
Nolda toen ze nog onder ons was. Bij aankomst stond iedere zomer weer het
opklapbare zwembad gevuld en wel uitnodigend te glunderen in een zonovergoten
tuin. Automatisch denk ik nu terug aan die keer dat tante Nolda zich door de
kinderen over liet over laten halen om in een zwempak van mij een duik te nemen
in het schijnbare kikkerbadje. Eenmaal gewend aan het toch wel frisse water
stond ze versteld van de weldaad en de bewegingsvrijheid in het huis, tuin en
keukenbassin. Na afloop van het kinderfeestje bracht jij samen met de jarige
job het damesgezelschap weer naar huis. Het was ieder jaar opnieuw behoorlijk
hard aanpoten op 20 juli en 20 augustus voor papa en mama, maar tegelijkertijd
de moeite voor de kinderen meer dan waard.
De verjaardagen van jou en mij lieten we toen allang zo
onopvallend mogelijk aan ons voorbij gaan. Het leven vierden we toch wel samen
en we zijn door schade en schande wijzer geworden in de beginjaren van onze
relatie. Toen trokken we alles uit de kast. Honderden guldens gaven we 2 keer
per jaar uit aan ons beider verjaardagfeestjes. Weet je nog dat we de kratten
pils voor mijn broer Ben – die ook al overleden is – niet aangesleept kregen?
Ik hoor nog hoe wijlen Frits achteraf opmerkte:
‘Ik ben toch een stevige drinker, maar die Ben van jullie
drinkt mij er met gemak uit.’
Het was waar. Ben bleef zitten tot alle ingekochte
flesjes Bavaria tot op de bodem leeg gedronken waren en nog stond hij tamelijk
stevig op zijn benen en wankelde niet bij zijn vertrek. In de eerste jaren
maakte hij pas om en nabij 5 uur in de morgen aanstalten om naar zijn eigen
huis te gaan. Totdat wij minder kratten Bavaria inkochten. Hoe minder bier, hoe
eerder Ben naar zijn stamcafé vluchtte. Hij was een ‘niveau’ drinker. Hoe
constanter zijn alcoholtoevoer, hoe stabieler hij functioneerde. Volhardend kroop
hij in het begin dan ook achter zijn stuur na een uurtje of zes onophoudelijk
pimpelen in onze overbevolkte woonkamer. Machteloos bleven jij en ik
hoofdschuddend achter in een van nicotine doordrongen nasleep van een geslaagde
avond en nacht zuipen en lallen. Iedereen had het gezellig gevonden behalve jij
en ik. We hadden niets meegekregen vanwege de drukte en de gastvrijheidslat die
wij uit gebrek aan ervaring ietwat te hoog gelegd hadden.
Uitgedroogd, hongerig, slaperig, overwerkt, met pijnlijke
spieren, tuitende oren en volkomen blut, ploften we bij het krieken van de dag
naast elkaar op de neppa lederen driezitsbank - één van onze eerste, niet
tweedehands winkelaankoop inclusief een gratis damesfiets – en overzagen de
puinhopen van het door ons geïnitieerde bacchanaal. Ieder jaar minderden we met
succes, totdat er na verloop van tijd geen uitspattingen meer op dat adres – op
de achternamen Barten-Sliepenbeek - georganiseerd werden.
Dat adres was onze eerste – vooroorlogse -
arbeiderswoning op de Bosboomstraat, nummer 70 in het Eindhovense stadsdeel
Tongelre. Toen – in 1991 – was de arbeiderswoning op de Bosboomstraat nummer 70
een rijtjeshuis in een achterstandswijk waar we zeven vette jaren met elkaar de
dagen sleten. Dus zeker geen ruim herenhuis met authentieke stijlkenmerken
waarvoor hetzelfde kot – op Bosboomstraat 70 - laatst op Funda te koop werd
aangeboden.
We schrijven de beginperiode van een zesendertigjarige
relatie. Ik bedoel die onbezonnen tijd waarin we nog naïef genoeg waren om een
extravagante housewarming party te houden ter inwijding van onze
‘starterswoning’. Ik moest wel op straat bij de voordeur op de wacht gaan
staan, omdat de meeste verdwaalde gasten anders het feestgedruis door het dicht
geparkeerde rijtjeshuizendoolhof mis dreigden te blijven lopen. Alle
rijtjeshuizen leken van buiten – en van binnen – op elkaar als aanmaakblokjes
en de huisnummering was op z’n zachtst gezegd onlogisch genoeg om voorgoed
ontmoedigd en het spoor bijster te raken. In de verte hoorde ik de welluidende
stem van mijn vriendin sinds de kleuterschool, Caroline, boven het geroezemoes
van het stadsverkeer uit steeds dichterbij komen. Ik zag haar toen nog niet,
maar hoorde haar wel vol afgrijzen tegen haar toekomstige man, Jan, uitroepen:
‘Woont zij HIER!’
Met de nadruk op de plaatsbepaling ‘hier’ welteverstaan.
Het dedain stond bij aankomst van haar gezicht te lezen. Caroline zelf woonde
inmiddels al lang en breed samen met Jan in een nieuwbouwwoning in Roosendaal.
De inrichting van elke kamer voldeed aan de volmaakte toonzaal. Precies naar
voorbeeld in de landelijke huis-aan-huiscatalogus van de IKEA.
Ik gaf niet voor niks de voorkeur aan jou boven al die
andere leuke gasten uit mijn tijd. Jij was anders. Knapper en slimmer. Sowieso.
En je had moed. Jij kleurde toch al dagelijks buiten de lijntjes door je keuze
voor een relatie met mij en mijn slechte reputatie. Ik stond niet bekend als
een net meisje. Jij durfal!
Jij en ik dreven de spot met mijn bezoedelde afkomst en
vonden elkaar in eenzelfde soort stijlgevoel voor een georganiseerde puinhoop.
Ik kon blindelings vertrouwen op jouw neus voor originele, kwalitatief
hoogstaande tweedehands meubels en curiosa. Samen maakten we van onze standaard
woning toch een uniek thuis. Desondanks heb ik me nooit ergens op laten
voorstaan, in tegenstelling tot Caroline met haar geprefabriceerde blokkendoos
inclusief bouwpakketinhoud. Ook heb ik haar niet direct aangesproken op haar
minachtende uitroep op de avond van onze housewarming party. Ik weet niet of
Caroline zich ervan bewust was dat ze met haar ondoordachte kreet van afschuw
in de duisternis tegen de lamp gelopen was, maar ze schrok wel toen ze me
ineens bij de voordeur buiten in het spotlicht van een lantaarnpaal op wacht
zag staan. Vanaf dat moment is het snel bergafwaarts gegaan met onze
vriendschap.
Toch heb ik Caroline nooit volledig uit mijn
gedachtewereld gewist en toen we later weer contact kregen via facebook, riep
ze online dezelfde vertrouwde tegenstrijdige emoties op als 20 jaar terug. Ik
seinde al eerder aan jou door dat begin december van 2018 ook Caroline
gestorven is. Dus nog voordat jij deze wereld verliet op 2 februari 2019.
Achteraf maar goed dat we van niets wisten op het moment suprême. We hadden
genoeg aan onszelf in die laatste weken van ons samenzijn.
Sinds ik weet van het overlijden van Caroline, leeft ze
onveranderd voort in mijn achterhoofd als een zielsverschijning die ik in gang
kan zetten zodra ik een herinnering naar keuze met haar wens te koesteren.
Hetzelfde geldt voor; jouw moeder, Frits, Nolda, broer Ben en al die andere
dierbaren uit mijn directe omgeving die jou al eerder waren voorgegaan in de
trek naar de overkant.
Alleen jij valt niet te dagvaarden. Je komt en gaat
wanneer het jou uitkomt. Ik ben volledig overgeleverd aan jouw intieme energie
waarmee niets moet en alles mag. De lijfspreuk waarmee je nog steeds dag en
nacht mijn emoties beheerst en mijn verbeelding uitdaagt. Ik hoef jouw
geboortedatum niet te herdenken om jou niet te vergeten. Al mijn toekomstige
secondes tikken hoe dan ook, continu voort op basis van mijn vanzelfsprekende
verbintenis met jou.
Alzo santé Schatzl; op de eeuwigheid
21 mei 2019
As tot as.
Ergens in de loop van vandaag 21 mei 2019 wordt jouw as
verstrooid in vak Baetus van het crematorium Waalstede in Nijmegen. We hebben
niet voor een urn gekozen. Volgens de kinderen zou jij dat niet gewild hebben
en ik ben nog steeds niet in staat om me langer dan twee seconden op de
bestemming van jouw as te concentreren. Daarna klappen mijn luchtwegen dicht,
stokt mijn adem en maakt het zuurstofgebrek mij licht in mijn hoofd. Ik kan
niet meer denken en al helemaal niet aan dat jij dat bent die verstrooid wordt
vandaag.
Aarde naar aarde, as tot as, stof tot stof.
Jij sprak nooit over de dood. Ook niet toen je wist dat
je ongeneselijk ziek was. Jij ging voor kwaliteit van leven en ik ging met je
mee. Toch had jij een spirituele kant die je heel goed voor de buitenwereld
verborgen wist te houden en die je zelden tot bijna nooit aan mij liet zien.
Maar zonder enige geestelijke inslag zou jij nooit met
zingen in het Eindhovense Tivoli kerkkoor begonnen zijn toen je een jaar of 10
was. Nou was het Tivolikoor ook niet zomaar een zangclubje, maar een
jongenskoor dat in de jaren 50, 60 en 70 van de vorige eeuw wereldberoemd was.
Je bent zelfs samen met al die jongens van het koor - en de paters die je 44
jaar later allemaal nog bij naam en toenaam kende - op tournee geweest naar
onder meer Tsjechoslowakije (1974), waar je al jong doordrongen raakte van het
grote verschil tussen welvaart en welzijn. Je was 12 jaar en de koning te rijk
met je rijksdaalder uit Holland, maar nooit meer ontving je zoveel warmte,
vriendelijk- en gastvrijheid gratis en voor niks als van het povere Tsjechische
luisterpubliek.
Het meeste zong je in de Tivolikerk in het Eindhovense
stadsdeel Stratum. Elke zon- en feestdag uit je kinderjaren. Zonder misdienaar
te zijn, kende jij jouw klassiekers en je bleef je hele leven in de ban van de
pracht en praal van de katholieke kerk zonder overigens devoot of bezeten te
zijn. Als er iemand met 2 voeten op de aarde stond, dan was jij het wel. Toch
kwam jij met het idee om onze kinderen te laten dopen. Later hebben Robin en
Trevor ook de communie gedaan.
‘Vanuit de eigen geloofsbeleving kun je het katholicisme
en dus ook andere religies veel beter begrijpen en relativeren’, vond jij.
Dat vond ik ook. Demystificatie. Zowel het doopsel als de
communie heeft onze kinderen niet geloviger, maar wel geestelijk rijker
gemaakt.
Toch vond ik ze heel naïef griezelen bij de gedachte aan
jouw as in een urn op de schouw in de kamer. Misschien hebben ze wel uit eigen
belang voor de verstrooiing van jouw as gekozen?! Het zijn hartstikke leuke
jong volwassenen, maar ze zijn het post puberdom nog niet ontgroeid. Uit
zelfbescherming en levenslust zijn Robin en Trevor niet bereid om lang stil te
staan bij schrijnende levensvragen. Laat staan bij de weerslag van het
overlijden van hun vader. Ze hebben gevolglijk hoe langer hoe minder geduld met
mij en mijn trage verdriet. Moeder doet zo raar de laatste tijd!
‘Natuurlijk missen we hem mam, maar alles was goed. Dat
zei papa zelf ook!’
Jij zou hun houding voor de volle 100 procent gesteund
hebben. Jij leefde ook altijd in het hier en nu. Alleen ik aarzelde en twijfel
vandaag nog steeds. Zo nu en dan. De man van de DELA zag mij schrikken toen hij
de hamvraag voor het eerst te berde bracht. Hier aan de keukentafel tijdens het
babbeltje achteraf oftewel de evaluatie van de crematie.
‘Wat doen we met de as van uw man?’
Ik zal wel wit weggetrokken zijn, want na een pijnlijke
stilte bedacht de man van de DELA zelf berustend een antwoord op zijn cruciale
vraag:
‘Zo te zien heeft u er nog niet over nagedacht. Maar
maakt u zich geen zorgen, u heeft de tijd.’
Tot hier toe dus. Vandaag verzandt jouw lieve lijf tot
een deel van het geheel.
Op de aankondiging van de verstrooiing van de as staat
geschreven dat ik het terrein van het crematorium tijdens openingsuren altijd
mag bezoeken.
Een afspraak maken is niet nodig.
Daar word ik rustig van.
Ongedwongen past bij jou.
Wie weet wip ik nog weleens ooit even aan in vak Baetus
van het crematorium Waalstede in Nijmegen en woel ik wat vrijblijvend in de
aarde. Met mijn onbedekte handen en niet met mijn naakte joebeltenen (Dus in
geen geval afzichtelijke crocs tussen opgehouden duimen en wijsvingers en
vervolgens op een wijvig blote voeten drafje door het asveld. ) Die belofte
staat.
Als het goed is dan hebben Robin en Trevor het voor
vandaag bij nader inzien dus toch bij het rechte eind gehad.
14 juni 2019
Vaderdag
Soms is het leven gewoon bijna niet te doen zonder jou en
niemand weet hoe lang ik nog moet. Ok, jij je zin; hoe lang ik nog mag.
Natuurlijk hoop ik ooit weer met jou herenigd te worden en net als velen met
mij probeer ik garanties voor een reünie te vinden in de spirituele wereld.
Eigenlijk in het geloof; maar dat is ouderwets en ach als het beestje maar een
naam heeft. Zelfs Stephen Hawkens schijnt op het randje van zijn dood nog
bekeerd te zijn. Ineens leek de natuurkundige niet meer zo zeker van zijn vroegere,
stellige overtuiging dat er geen leven na de dood is. We zouden allemaal in een
zwart gat vallen. Toch zou Stephen Hawkins op zijn sterfbed signalen afgegeven
hebben van een visioen dat verdacht veel weg had van de universele bijna
doodervaring waar zoveel mensen wereldwijd al gewag van hebben gemaakt.
Helaas is zo’n wijdverbreid fenomeen als een typische
bijna dood ervaring noch een garantie voor het bestaan van een oneindig
bewustzijn - en daarmee van een hiernamaals -, noch het bewijs voor een
zinsbegoocheling in de zin van een laatste stuiptrekking van de hersenen die
zich niet laat meten met aardse, medische apparatuur. Ongelukkigerwijs weten we
pas zeker of er daadwerkelijk een hiernamaals bestaat en hoe dat eruit ziet,
nadat we zelf de laatste adem hier op aarde hebben uitgeblazen. Dat moment suprême
is jammer genoeg wel te laat voor de overlevenden.
Maar wie weet hebben wij mensen inderdaad wel allemaal
een ziel die over het sterven heen overleeft als een oneindig bewustzijn in een
geestelijke wereld. Hoe is het anders mogelijk dat zoveel mensen los van elkaar
op het randje van leven en dood getuigen van een gelijksoortige,
onbeschrijfelijke, hemelse gewaarwording in de vorm van de internationale bijna
doodervaring? Zo’n hiernamaals zou ook het mondiale verschijnsel ‘medium’
kunnen verklaren en de daaruit volgende ongelofelijke interactie met de overledenen
uit de wereld van de geesten. En ja, de meeste mediums zijn charlatans, die
zelfs na een ontmaskering in de eigen leugens blijven geloven, maar toch. Waar
rook is, is vuur. Alleen maar omdat een leven na de dood niet wetenschappelijk
bewezen kan worden, betekent dat toch nog niet dat er niets meer is na het
eind? Hoop doet immers leven. Of laat ik jouw held Albert Einstein citeren in
een poging om je van mijn fantomen te overtuigen:
‘Mijn religiositeit bestaat in een nederig bewonderen van
de oneindige superieure geest die zich openbaart in het kleine beetje dat wij
met ons zwakke, vluchtige verstand kunnen begrijpen van de werkelijkheid.’
In de afgelopen maanden heb ik je dan ook al
verschillende keren teruggevonden. In een papegaaiachtig, kleurrijk vogeltje
dat op een takje van de struik voor het huiskamerraam naar binnen tuurde en mij
secondenlang bleef aanstaren; in het veertje in de eierdoos; in het
identiteitsbewijs van Robin dat ik terugvond onder de driezitsbank waarop zij
nooit zit; en in de muntjes die ineens opdoken op de koelkast, terwijl ik die
plek vlak daarvoor nog leeggeruimd had. Ik zwijg over mijn bevindingen tegen de
kinderen, want zij hebben me al snel na jouw overlijden voor gek verklaard. Ze
brengen me in de war.
‘Zolang we leven zullen we nooit weten wat er is na de
dood mam’, roepen ze geërgerd.
Ik weet niet waar die irritatie vandaan komt. Het zal de
leeftijd wel zijn. Overlevingsdrang. Ze staan middenin het leven en kunnen uit
zelfbehoud niet al te lang stil blijven staan bij jouw afwezigheid en de
verbeeldingskracht van hun moeder. Jij geeft ze groot gelijk, dat weet ik wel.
Maar naast een levendige fantasie, heb ik net zo goed inlevingsvermogen en
herinner me heus hoe moeilijk het alleen al was om 15 en 16 jaar jong te zijn.
Dat neemt echter niet weg dat ik met m’n 53 jarige levenservaring ook niet weet
waar ik blijven moet met de afgelopen 36 jaar en met alles wat we samen hadden
en deden. Zelfs als alle clichés over eeuwige liefde, levende herinneringen en
verliesverwerking kloppen dan nog kan ik nooit meer met je bakkeleien. En stel
dat er bovendien ook nog eens echt een hiernamaals blijkt te bestaan, oftewel
een harmonieuze, geestelijke wereld waarin jij nu volmaakt gelukkig bent en
waar onze zielen bij een weerzien straks zullen fuseren, dan nog kan ik hier op
aarde nooit meer op jouw levende lijf terugvallen. Dat is een beklonken zaak.
Wetenschappelijk bewijsbaar. Een bijkomstigheidje waarmee ik de komende jaren
zal moeten leren leven wil ik niet doordraaien. Een vooruitzicht waarmee ik de
ene dag beter kan omgaan dan de andere; maar over het algemeen word ik er niet
gelukkig van moet ik eerlijk bekennen.
‘Jij komt er doorheen, want jij bent sterk’, hoor ik je
zeggen.
‘Ik vind het altijd zo lekker makkelijk om mij sterk te
noemen’, zou ik smalen.
‘Zeg dan dooddoener’, dring jij lachend aan.
‘Een dooddoener ja. En waar moet ik trouwens doorheen
komen? Door het leven? Waarom moet ik daar sterk voor zijn? We overleven het
leven toch niet.’
‘En toch wordt het beter’, houd jij koppig voet bij stuk.
‘Maar nooit meer zo goed als met jou’, zwelg ik.
‘Wees blij dat je het meegemaakt hebt. De meeste mensen
maken zoiets nooit mee’, schamper jij zo pijnlijk nuchter als alleen jij kunt
zijn.
Het zal niet de eerste keer zijn dat jouw logica mij tot
uitersten drijft. Weet je nog dat je het langer vertikte om met Trevor in een
attractie te gaan, nadat je in het Tivoli kinderpretpark de finale van een
viertal ritjes in de BeeBee ternauwernood had doorstaan? Je was kotsmisselijk,
maar Trevor kon er nog steeds geen genoeg van krijgen. Niet van de BeeBee in
het Tivolipark; de Python in de Efteling en tenslotte van de MP Xpress in
Movietown. Ook bekend als de grootste achtbaan van Europa. Hij mocht nog niet
alleen in dat soort reuze-attracties met zijn 9 jaar, maar wilde zo graag. Hij
voldeed immers aan de lengtenorm van 1 meter 20.
‘Sorry jongen, ik heb veel voor je over, maar ik heb
gezondheidsgrenzen’, gaf je schaamteloos toe.
‘Ik wil best alleen gaan’, stelde Trevor leukweg voor.
Een vreemde Duitse papa zag mij verstarren en bood
vriendelijk aan om onze zoon in de MP Xpress te begeleiden, maar dat ging dan
weer over mijn grenzen heen. Hij had waarschijnlijk de beste bedoelingen, die
gemoedelijke Duitse papa, maar ik heb ook mijn trots.
‘Weet je het zeker?’, informeerde jij nog bezorgd.
Ik wist het niet zeker. Helemaal toen ik niet meer terug
kon krabbelen en daarna pas merkte dat alle passagiers in de achtbaan werden
vastgeketend in een soort schommelstoeltje met de benen vrij.
‘Gaat het jongen?’ piepte ik angstig aan het begin van de
rit.
‘Vet cool mama’, schreeuwde Trevor opgetogen.
Zijn kleine beentjes raakten mijn verkrampte kuiten
tijdens een horrortocht van 1 minuut met de gevoelslengte van een uur. We
gingen over de kop, werden heen en weer geschud, van boven naar beneden
gesjeesd en trotseerden de wetten van de zwaartekracht. Ik was ervan overtuigd
dat ik ter plekke in het luchtledige ten onder zou gaan en dat we kleine Trevor
onderweg kwijt waren geraakt. Gelukkig bleef hij regelmatig ‘vet cool mama’
roepen, zodat ik tenminste zeker wist dat het mijn verstand was dat zojuist aan
mijn oren voorbij kwam suizen. Aan de finish van de agonie werd ik belaagd en
bevrijd uit mijn boeien door twee verlossers van Movietown. EHBO. Ik zag groen.
Maar hee, Trevor was over the moon and back geweest en daar ging het jou en mij
maar om.
‘Ik zeg niks’, was het eerste dat je na de tornado in de
MP Xpres tegen me zei.
Lollig als altijd. Ik vond je een droogkloot! Zelfs op
Vaderdag.
‘Allemaal commercie’, vond jij.
We gaven elkaar wel cadeaus op Vader – en Moederdag. Als
voorbeeld voor de kinderen. Dat je ook weleens wat voor een ander over moet
hebben! Ik werd bijvoorbeeld standaard verwend met handdoeken of een lekker
luchtje uit het geurenassortiment van de Wibra.
Zondag is het Vaderdag. Vorig jaar kreeg je van ons zo’n
groen afdeknet voor over de tweedehands aanhangwagen cadeau, weet je nog? Bij
de Action voor 7,95. We wisten niet waar je het gelaten had toen we laatst naar
de stort reden.
‘Je moet een afdeknet over de los liggende spullen in de
aanhangwagen hebben; dat is verplicht mam’, beweerde Trevor.
Ik nam het direct van hem aan, want hij wist ook precies
hoe hij met de trekhaak om moest gaan. Dat had hij geleerd nadat jullie samen
de aanhangwagen op de Wolfkuilseweg bijna verloren waren tijdens een eerste
oefenritje. Al doende leert men. Dus om een bekeuring te voorkomen, kocht ik na
lang wikken en wegen een nieuw afdeknet bij de Hema. Bij de Action waren die
dingen al een jaar uitverkocht. De Hema? Ja, de Hema. Vanwege de Actionachtige
prijs vooral. Ook 7,95 en geen 39 euro zoals bij De Gamma. Ik heb niet aan
prijs en kwaliteit vergelijk gedaan. Wat kan er nou verkeerd gaan met een
afdeknet?
Tijdens het opruimen van jouw doehetzelf schuurtje van
dat bouwpakket uit China in de achtertuin een week of wat geleden, vond ik het
1 jaar oude Vaderdag cadeau terug. Dat zul je altijd zien! Nou hebben we 2
groene afdeknetten van 7,95 per stuk. Dat kan er dus alsnog verkeerd gaan met
een afdeknet. Misschien in het vervolg wat eerder een hint vanuit de
geestenwereld geven over waar jij je spullen opgeslagen hebt graag.
27 juni 2019
Mijn probleem
Ik laat me graag vanalles vertellen door iedereen. Het
meeste neem ik ook direct voor waar aan. Je zou kunnen zeggen dat ik een naïeve
instelling heb. Zij het tijdelijk. Ik ben goedgelovig van nature; totdat het
tegendeel bewezen wordt. Meestal gebeurt dat door ervaring; door zaken aan den
lijve te onderwinden dus. Ik word door de realiteit ingehaald en met de neus op
de feiten gedrukt; hetgeen altijd een louterend effect op mij heeft. Niets valt
ooit mee of tegen. Alles is in werkelijkheid compleet anders dan ze beweren.
Het proces fascineert me. Daarom schrijf ik er ook over natuurlijk.
Zo week mijn werkelijkheid al eerder af van de norm bij;
het behalen van mijn rijbewijs en examens; de liefde; de eerste keer; onze
trouwdag; de aankoop en verkoop van een huis; de verhuizingen; mijn
zwangerschappen; de bevallingen; mijn relatie met jou; de opvoeding van de
kinderen; de zoektocht naar een baan buitenshuis en ga zo maar door op al die
betreden paden en mijlpalen in een mensenleven waarmee iedereen eigen
ervaringen heeft. Toch blijft die algemene deler de boventoon voeren.
Laat ik een voorbeeld geven. Ik had geen benul van het
bestaan van een universeel moederverbond. Voor de komst van ons eerste kind was
ik gewaarschuwd voor de illusie van de roze wolk, waar ik desondanks zo lang
mogelijk op bleef rondzweven. Ook was ik voorbereid op het einde van mijn
existentie als individu na levering door de ooievaar. Een afhankelijkheid die
ik overigens tot op heden koester. Verder leefde ik in zalige onwetendheid over
de rituelen rond mijn roeping. Totdat ik in mijn kraamtijd in aanraking kwam
met een onuitgesproken soort intuïtief moederpact, waarvan ik na de geboorte
van onze dochter als vanzelfsprekend deelgenoot werd gemaakt. Zonder
aanmoediging van mijn zijde overigens. De eerste kraambezoeksters gaven al
meteen signalen af van een mega verschuiving in mijn connectie met de
vrouwelijke buitenwacht. Van het ene op het andere moment hoorde ik erbij.
Waarbij? Bijvoorbeeld bij jouw moeder, in conclaaf met al haar vriendinnen en
de 7 zussen. Plotseling was zowaar mijn tegenpool, in dit geval in de
hoedanigheid van mijn prominente schoonmoeder, begaan met mijn zielenroerselen.
Hoewel? Misschien was ze achteraf niet zozeer in mij, maar in haar kleinkind
geïnteresseerd met wie het contact in de toekomst onverbiddelijk via mij zou
moeten gaan verlopen. Zelfs jouw moeder kon niet om die natuurwet heen. Ze was
niet achterlijk. Maar daar gaat het niet om. Je weet dat ik geen hekel aan haar
had en dat we elkaar – los van jou - respecteerden, maar dikke vriendinnen zijn
we nooit geworden. Dat doet er ook niet meer toe. Het gaat erom dat ik op mijn
kraambed ineens mocht zeuren over de ongemakjes in mijn leven, zonder meteen
minzaam te worden afgedaan als een gestudeerde, aanstellerige juffrouw. Ik was
één met andere mama’s geworden. Vanaf nu wist ik wat het was. Ik kon en mocht
over het moederschap meepraten.
Maar dat deed ik niet. Wel liet ik in het ziekenhuis,
door de naweeën half onderuit gezakt in mijn kraambed, noodgedwongen de wilde
bevallingsverhalen van de vele ervaringsdeskundigen om mij heen langs mij af
gaan. De ruis klonk niet alsof ik zelf zojuist een tamelijk heftige bevalling
met een vacuüm extractie had ondergaan. Toch was dat wel het geval. Zo’n scheve
gewaarwording is typisch voor mij. Een blijvertje. Ook na de geboorte van ons
tweede kind. Hij werd met een spoed keizersnede gehaald nog wel. Daar had ik
niet om gevraagd. Maakt niet uit. Alles is toch anders bij mij dan bij anderen.
Minder wereldschokkend. Zowel psychisch als lichamelijk.
Ik heb dat nooit goed kunnen wegstoppen. Het verschil
tussen de beleving van anderen en de eigen ervaring.
‘Anderen doen er niet toe’, hoor ik jou weer zeggen.
Waarmee je suggereert dat ik me niet moet laten afleiden.
Waarvan eigenlijk?
‘Van jezelf’, antwoord jij.
Niettemin sta ik niet op mezelf. Ik ben de som van dat
wat anderen van mij maken. Of voor mijn part ben ik de uitkomst van hetgeen ik
uit mijn sociale omgeving oppik.
‘Onzin, je hebt toch een eigen mening’, brom jij.
Jawel en die eigen mening is mijn persoonlijkheid,
karakter, geweten of misschien zelfs wel mijn ziel. Het is de ondubbelzinnige
waarheid over mijn gevoelswereld, waaraan ik met behulp van taal gestalte
probeer te geven. Zodra ik mijn emoties in een vorm giet, krijgen zij
bestaansrecht.
Dat geldt zeker voor de chronische. ongrijpbare pijn die
is komen opzetten vlak na jouw overlijden. Ik rechtvaardig mijn verdriet door
over jou te schrijven en publiceren op facebook. Ik eis geen luisterend oor,
noch een virtuele arm om mijn schouder. Het staat al mijn denkbeeldige vrienden
op facebook vrij om na een vluchtige blik op mijn verse post door te scrollen.
Dat neemt niet weg dat ik iedere like of reactie waardeer. Vanwege het
positieve korte termijn effect. Zo’n bondige zalving zonder bijbedoelingen
werkt honderd keer beter dan een vluchtig en ongemakkelijk telefoontje uit
plichtsbesef van verre vrienden, vage kennissen, jouw collega’s of van
familieleden uit jouw of mijn kamp.
Inmiddels is de boodschap in het echte leven overgekomen
en alles weer bij het oude voor de buitenwereld. Ik word met rust gelaten.
Niemand uit mijn directe, tastbare omgeving vraagt nog naar mijn welbevinden
zoals ze vlak na jouw overlijden wel min of meer plachten te doen. Althans ik
neem aan dat ik op mijn wenken bediend word, want als iedereen uit pure
desinteresse niets meer van zich laat horen dan is de echte wereld nog slechter
dan ik dacht. Alhoewel ik de reële mensen ook wel weer begrijp. Ik liep vroeger
ook niet over van medeleven met het verdriet van anderen. Waar was ik eigenlijk
bang voor? Besmetting? Vermoedelijk wel. Daarbij was ik waarschijnlijk ook weer
heilig overtuigd van het hoge waarheidsgehalte van de clichés over
verliesverwerking. Ik werd niet geacht weg te lopen voor het leed van de
nabestaanden. Van de weersomstuit zette ik de sprint erin. Op de vlucht voor
mijn onvermogen om opeens intense gevoelens te moeten uitwisselen met mensen
met wie ik voorheen helemaal niets had. Zo werkt dat van beide kanten niet.
Vandaag weet ik dat een rouwproces bestaat uit het
ontwarren van een kluwen aan emoties die net zo persoonlijk is als bij wijze
van spreken empathie of kraamtranen. Hoe sympathieker mijn medemens, hoe
intenser ik bereid ben om mee te leven. Mijn kraamtijd betreft onze 2 kinderen
in het bijzonder en niet alle pas geboren baby’s in het algemeen. En mijn
hartzeer gaat over jou en niet over mijn vader, jouw ouders, mijn oudste broer,
mijn beste jeugdvriendin en alle andere overledenen die jou zijn voorgegaan of
nog zullen volgen.
Toen ik jong en onervaren was wist ik zeker dat ik ter
plekke zou sterven zonder jouw liefde. Tegenwoordig ben ik oud en wijs en ik
leef nog steeds dankzij de onsterfelijkheid van jouw liefde.
‘Je moet gewoon ademen en dan leef je vanzelf’, wist ons
aller Toon Hermans het al zo mooi te vertellen.
Dat neem ik natuurlijk weer direct van hem aan. En ik
adem heel diep in en uit en probeer over te stappen op de normale gang van
zaken alhier door bijvoorbeeld bij jouw zoon te informeren of het niet eens
tijd wordt om weer een bezoek te brengen aan de – Turkse – buurtkapper van
jullie. Trevor wordt zichtbaar treurig van de gedachte alleen al:
‘Dan willen ze weer weten waarom papa er niet bij is. Dat
was laatst ook al zo moeilijk. Dan begrijpen ze me weer niet, omdat iedereen
door elkaar heen praat in de zaak en de meesten amper Nederlands spreken. Ik
heb geen zin om het uit te leggen. Het is pijnlijk. Niet voor mij, maar voor
hen. Ik kom voor een knipbeurt en niet voor een gesprek met diepgang over de
dood van mijn vader in gebrekkig Nederlands!’
Of zoals laatst toen we op verzoek van Trevor een
kringloopwinkel bezochten waar ik nog nooit geweest was, maar hij wel. Samen
met jou uiteraard tijdens de vele strooptochten die jullie gezamenlijk in het
weekend en op feestdagen ondernamen door rommelmarkten en vintagewinkels.
Trevor werd de winkel binnengehaald als de verloren zoon en het duurde niet
lang of hij was in een geanimeerd gesprek verwikkeld over de
kwaliteitsverschillen in platenspelers en hun omloop met de handelaar en nog
wat stamgasten. Na een kwartier had ik de uitgestalde koopwaar in de
oververhitte tweedehands winkel al uit en te na bekeken en wachtte op een
afstandje af totdat Trevor klaar was met socialiseren:
‘Is dat je moeder?’, vroeg de winkelier tegen het eind
van het gesprek met een hoofdknik in mijn richting.
Hij wachtte het antwoord niet af:
‘Je lijkt op haar.’
En tegen mij vervolgde hij;
‘Hij lijkt niet op zijn vader. Tenminste niet van de
buitenkant. Wel van de binnenkant, want die twee weten heel veel van
geluidsapperatuur. Ik ken zijn vader goed. Doe hem maar de hartelijke groeten
van mij. Ik hoop dat hij er de volgende keer weer bij is.’
Trevor lachte zuur en wuifde wat om zich heen bij wijze
van reactie. Zonder woorden vluchtten hij en ik vervolgens de kringloopwinkel
uit. Wat moet je zeggen op zo’n moment? Niemand wil van een gesprek over
platenspelers overgaan op een rouwbericht. Ook Trevor en ik niet. Alsof jouw
hele, grandioze leven uiteindelijk alleen maar op die rot kanker zou neerkomen.
Integendeel. Je was voor iedereen iemand anders. Ik kan
raden wat je betekende voor je collega’s in de ICT. Ik zag dat je door het vuur
ging voor je vrienden. Ik was getuige van je overgave aan onze kinderen, maar
niemand heeft jou gekend zoals ik jou 36 jaar lang heb mogen meemaken. Tot
vervelends toe. Zoals ’s nachts, want jarenlang heb ik als vanzelfsprekend het
bed met je gedeeld. Soms met mijn hoofd naast jouw blote voeteneind met mijn
vingers in m’n oren om jouw aanhoudende gesnurk te dempen.
‘Je snurkt zelf ook’, zei je de volgende ochtend
verontwaardigd.
‘Vrouwen snurken niet!’, bloosde ik betrapt.
‘Jawel, hoor’, wisten de kinderen zich te herinneren van
mijn middagdutjes op de bank in de huiskamer.
En kijk daar heb je mijn struikelblok weer: het verschil
tussen de beleving van anderen en de eigen ervaring.
‘Wat had je anders verwacht’, roep je wanhopig.
‘In ieder geval niet deze tegenwerking’, steun ik vol
zelfmedelijden.
‘Er is niets anders! Dit is alles wat je kunt verwachten.
Denk je dat anderen zoveel meer krijgen?’, stel je meedogenloos.
Ik sla je met je eigen woorden om de oren:
‘Ik dacht dat anderen er niet toe deden!?’
Jouw toon mindert vaart:
‘Voor mij niet, nee.’
‘Da’s nou precies het probleem, want jij bent er niet
meer’, eindig ik.
Dat is nou precies mijn probleem.
Jij bent er niet meer.
4 juli 2019
Het kan dus wel.
In de 4 laatste weken van jouw leven kreeg je palliatieve
psychische hulp aangeboden via het CWZ. Van een beginnende psychologe. Het
deerde je niet. Je vond het wel verfrissend. Mijn argwaan waaide je weg.
‘Ik heb jou toch’.
Maar wat weet ik nou van de dood? Bovendien zat ik
constant m’n ergernis over de onkunde van dat psychologische kind te verbijten.
Je was geen experiment. Je was echt. Binnen afzienbare tijd zou je er niet meer
zijn. Echter wordt het niet. Zo lag ik naast je op ons bed toen je door de
verse psychologe gebeld werd voor jouw wekelijkse check up. Je was net een week
uit het ziekenhuis en zou bijna aan de chemo beginnen. Niet om je beter te
maken, maar in de hoop de kwaliteit van jouw resterende leven te optimaliseren.
‘Hoe voel je je nou?’, hoorde ik de debutante onzeker
vragen.
‘Hij voelt zich toppie’, antwoordde ik in gedachten en
met gekromde tenen.
‘Gaat wel’, hoorde ik jou ontwijkend antwoorden.
Ik stond op en verliet de slaapkamer, omdat ik het
gesprek niet langer kon aanhoren en ik je niet wilde belasten met mijn
irritaties.
‘Weet je zeker dat je niet liever een ervaren psycholoog
wilt spreken?’, probeerde ik later voorzichtig.
Je kende me te goed:
‘Laat mij nou, zij is prima. Ze doet niets verkeerd.’
‘Nee, maar ze draagt ook niets bij’, liet ik me toch nog
extra kennen.
‘Ze is prima’, herhaalde jij met stemverheffing.
‘Ze vraagt hoe het met je is? Wat is dat voor een vraag
aan iemand die terminaal is?’
‘Wat moet ze dan vragen? Ik vind het juist prettig. Zo’n
vraag geeft me het gevoel dat ik er nog ben’, concludeerde jij koppig, waarna
jij je ogen sloot en even niet meer aanspreekbaar was.
En zo leerde ik in de loop van die fatale laatste 4 weken
dat de afstand tussen ons al in gang gezet was. Voor het eerst in onze 36jarige
relatie gebood je me indirect om de weg van de minste weerstand te kiezen. Het
was alsof ik als enige nog het verzet voelde tegen alles wat ‘hoort’. Weerstand
tegen regeltjes en clichés. Geen geduld met goede bedoelingen, onkunde en
onvermogen van mensen die eigenlijk beter weten moeten. Een afkeer van
groepsgesprekken en generalisaties. Het afscheid had onze tijd moeten zijn en
niet een leermomentje voor debutanten.
‘Wat is dat nou toch allemaal?’, was het eerste dat de
huisarts op de ochtend na jouw overlijden aan de telefoon aan me vroeg.
Ik voelde me net een demente bejaarde. Guttogut. Of ze me
nog moest bellen in de loop van mijn rouwproces?
‘Nou liever niet nee!’, snauwde ik naar waarheid.
Je schijnt open te moeten staan voor hulp van anderen.
Niet mijn sterkste kant geloof ik. Je lacht:
‘Ik begrijp echt wel wat je bedoelt, maar maak het jezelf
niet zo moeilijk. Gewoon ja en amen zeggen en daarna precies doen wat je zelf
wilt’, knipoog je.
Ik zei nog wel tegen de huisarts dat ze mijn afwijzing
niet persoonlijk moest nemen.
‘Nee, dat zal ik niet doen, want ik heb je inmiddels wel
een beetje leren kennen’, antwoordde ze op een volwassen toon ineens.
Het kan dus wel.
8 juli 2019
Propjes
Als ik de deskundigen zou vragen dan zal het er allemaal
wel bij horen. Het feit dat ik me overal toe moet zetten sinds jij overleden
bent. Ik hoorde Femke van der Laan (weduwe van de burgemeester van Amsterdam)
bij Pauw zitten verkondigen dat ze middenin haar rouwproces om Eberhart uit
pure wanhoop weleens niets anders deed in een week dan voor haar (kleine)
kinderen zorgen en een stukje voor de krant schrijven. Dat zou voor mij een
normale werkweek kunnen zijn, waarin ik van mezelf vind dat ik productief bezig
ben geweest. Toen jij nog leefde deed ik namelijk in een normale werkweek niet
veel meer dan voor jou en de kinderen zorgen en aan mijn facebookfeuilleton
‘KINDERSPEL’ schrijven. En het huishouden natuurlijk, maar Femke van der Laan
zal wel een werkster hebben en vaak uit eten gaan, dus dat telt niet. Verschil
moet er kennelijk zijn.
Zo is Femke dankzij haar achtergrond ook verzekerd van
een groot lezerspubliek voor haar roman; ‘Een Stad vol Ballonnen’, terwijl ik
maar een beperkt groepje liefhebbers met mijn facebookfeuilleton bereik. Ik ben
niet jaloers. Was ik dat maar. Die hele letterencharade doet me gewoon helemaal
niks meer.
Voordat ik in september aan mijn éénjarige opleiding tot
docente Nederlands met een onderwijsbevoegdheid aan de docentenacademie van de
Radboud Universiteit begin – kosten 2200 euro die ik van onze spaarcentjes zelf
mag ophoesten – probeer ik mijn facebookfeuilleton KINDERSPEL te voltooien. Het
is nu of nooit meer. Het liefste bleef ik de hele dag in bed liggen, want onze
jongvolwassen kinderen hebben nu zomervakantie en zij kunnen in plaats van mij
voor Kirby en de katjes zorgen en ik moet volgens de deskundigen precies doen
wat ik zelf wil. Dat recht heb ik vanwege mijn verdriet. De gevolgen van
dergelijk egocentrisch gedrag moet ik dan ook wel zelf dragen. Dat wordt er
niet bij verteld.
Dus sleur ik mezelf iedere dag als eerste hier in huis
uit ons tweepersoonsbed en werk routinematig mijn dagtaak af. Daarna probeer ik
te schrijven. Het gaat wel. Het moet wel, want ik weet dat jij van mij verwacht
dat ik doorga. En ja, ik realiseer me dat het slim is om binnenkort een
onderwijsbevoegdheid te gaan halen en dat die 2200 euro een verstandige
investering in de toekomst is. En nee, je hebt ons niet berooid achter gelaten.
Als ik echt niet wil, dan hoef ik geen betaalde arbeid te verrichten. Ook niet
op de lange termijn. Geld is niet belangrijk en een beetje minder kan altijd.
Maar als de kinderen straks het huis uit zijn en ik alleen van mijn
weduwetoelage en het vrijblijvende schrijven moet leven zonder jouw feedback
dan vrees ik dat ik verdrink in het aloude geleur met mijn schrijfsels. Dat
hoereren hangt me na al die jaren zo eindeloos de keel uit. Jij was degene die
mij energie gaf en de volgekrabbelde propjes voor mij uit de prullenmand haalde
en gladstreek weet je nog? Dankzij jou weet ik wat ik waard ben. En wetenschap
is nu eenmaal het einde van het geloof.
16 juli 2019
Dromen
Vanochtend tijdens het ontwaken kon ik me zowaar een
droom herinneren. Jij kwam erin voor en ik vond het de normaalste zaak van de
wereld dat je naast me zat. In plaats van je stevig vast te pakken en je te
vertellen dat ik je vreselijk gemist heb de afgelopen maanden, werd al mijn
aandacht afgeleid door de aanblik van een bord friet onder mijn neus. De hoop
goudgebakken staafjes van uiteenlopende lengtes kan ik me weer zo voor de geest
halen. Met duim en wijsvinger lichtte ik een frietje van de stapel op. Het kan
niet anders dan dat jij ook een portie tot je aan het nemen was. Je was een
frietenman. Zeker weten doe ik het echter niet, want ik heb niet op je gelet.
Je was er gewoon op de manier waarop ik dat 36 jaar lang gewend ben geweest.
Ik schoot wakker terwijl ik op mijn buik lag met mijn
gezicht van jouw kant van het bed afgewend. Op de tast probeerde ik te
achterhalen of je je misschien verslapen had. Mijn wekkerradio gaf aan dat het
al 11.30 uur was. Geen ramp, want we hebben zomervakantie en vermoedelijk had
je vrij genomen? We zijn allemaal nachtbrakers en uitslapers hier in huis. Maar
jouw warme, lieve lijf was helemaal niet tastbaar naast mij. Natuurlijk niet.
Nou moet ik die hele dag nog door, terwijl ik het liefste
in bed blijf liggen in de hoop op een nieuwe droom over jou. Hoe onbenullig
ook. Een mens schijnt tijdens elke slaapronde te dromen, maar ik kan me er zo
weinig van herinneren. Waarom liet jij trouwens niets uit jezelf los toen je
naast me zat tijdens het frietfestijn? Je had me best kunnen vertellen waar
jouw nieuwe thuis nu is. Je had me weleens uit mogen nodigen, want een voordeel
van een slecht droomgeheugen is wel dat het beetje dat blijft hangen ook echt
beklijft.
Zo is er een ingebakken les over doorgaan. Ik mag niet
stil blijven staan in het woud der herinneringen, want anders zie ik op een
gegeven moment door de bomen het bos niet meer. Doorgaan is het devies. Dus dat
doen we dan maar. Alsof er een keuze is.
22 juli 2019
Emoties
Menselijke gevoelens aan beesten toeschrijven is niet
gepast. Toch heb ik mezelf sinds jouw overlijden al vaker betrapt op de
overtuiging dat onze boxador Kirby jou zoekt en dus mist. Misschien het
poezenduo Repel en Steeltje hier in de woning ook wel, maar zij hebben de
kattenluikjes en zijn uithuiziger dan Kirby, waardoor ik ze minder goed op de
vacht kan zitten met mijn observaties. Zo heb ik al een paar keer gemerkt dat
Kirby onrustig wordt als ze op straat donkerharige mannen van jouw postuur in
het vizier krijgt. Je had een prachtige bos donker haar. Weet je nog dat ik
opmerkte:
‘Ik zou willen dat ik jouw haar had?’
Waarop jij antwoordde;
‘Ik niet, want dan zou ik kaal zijn.’
Toen Kirby en ik daarnet terug kwamen van een wandeling
door de spoorkuil stond er een tweetal Marokkaanse mannen op de stoep voor de
voordeur. Ze stonden naast een brommer met de ruggen naar ons toe. Ik zag geen
(verplichte) helmen.
‘Wat wil je ook met Marokkanen, hè’, zou jij gegrinnikt
hebben.
Hierop zouden de kinderen je beticht hebben van
discriminatie en ik zou niet zeggen dat je maar een grapje maakte. Toch? Maar
goed, de ene Marokkaan nam met een enorme beenzwaai plaats achter het stuur van
de brommer en de andere donkerharige man stapte achterop. Ik dacht
onwillekeurig aan al die keren dat jij met Kirby aan je zijde hier in de tuin
het gras gemaaid had met een benzinemachine. Telkens als jij de benzinemotor
met veel kabaal aan de praat kreeg, danste Kirby vrolijk blaffend rondjes om
jou en de machine heen. Een blij hondenleven is gauw vervuld.
Op het moment dat de voorste Marokkaan achter het stuur
zich licht ophief en de motor deed aanslaan door even achteruit te trappen, nam
Kirby ineens een enorme spurt richting de donkerharige mannen voor op de stoep.
Uiteraard zat Kirby aan de rolriem, maar aan het einde van de lijn trok ze me
toch pardoes de straat over. Godzijdank was de rolriem precies lang genoeg om
Kirby op tijd te stoppen in haar enthousiasme. Vlak achter de mannen op de
brommer bleef ze verstijfd staan. Een tel later sjeesden de heren weg.
Helmloos. Gebiologeerd keek Kirby ze na. Ze dacht dat jij het was. Jij met jouw
benzine maaimachine. Noem het stimulus respons. Maar dan nog. Respons door een
herinnering aan een prettige stimulus. Dat was jij voor Kirby. Ik probeerde een
snik te onderdrukken. Waarom weet ik niet, want er was verder niemand in de
buurt. Prompt keerde Kirby op haar schreden terug en sprong tegen me op. Alsof
ze me wilde troosten. Als dat geen emoties zijn dan weet ik het niet meer.
25 juli 2019
Gebakken peren.
Airconditioning door het hele huis. Dat was het eerste
dat je liet installeren toen we hier in oktober 2005 kwamen wonen. Voorheen,
dat was nog op de Leenderweg in Eindhoven, hadden we in de slaapkamers van die
ouderwetse ventilators aan de plafonds bevestigd. In de mega huiskamer
gebruikten we een draagbare airco die zoveel kabaal maakte dat we de televisie
op de hoogste geluidsstand niet meer konden verstaan. De vorige bewoners van
Leenderweg 262 waren liefhebbers van schrootjes geweest. We gingen het risico
maar niet aan om te kijken wat erachter de houten plankjes aan de muren en de
plafonds zat. Het geld om een stukadoor te kunnen betalen moest eerst nog door
jou verdiend worden. Om het geheel zolang toch een authentieke finishing touch
te geven, had ik de schrootjes in de keuken en de gang smaragd groen geverfd.
In de kamer was alles wit. Min of meer. Zelfs het landelijke plafond van
geperst stro. De constructie zoog als een spons. Weet je nog hoe we gezwoegd
hebben om het grijze plafond toch enigszins wit te krijgen? De emmers witte
verf waren niet aan te slepen. Desondanks was de vooroorlogse schrootjes woning
op de Leenderweg een sauna in de zomer. Dan is zo’n airconditioning voor
ongeacht welke woning ook bijna geen overbodige luxe meer te noemen. Zowaar de
huisdieren weten hier in huis op zijn tijd hun plaats in de buurt van de airco
beter te waarderen dan een plekje onder de zon.
Vorig jaar om deze tijd meende jij dat er wat mis was met
de airconditioning in dit Nijmeegse huis. Volgens jou was er sprake van een
verminderd vermogen. De kinderen en ik dachten van niet. Dus had het gezin
Barten weer een probleem, want tijdens de zomermaanden van vorig jaar liepen we
allemaal sowieso al vaker op onze tenen dan normaal. De kinderen puberden; ik
voelde dat ik intenser op jouw zenuwen werkte dan je wilde toegeven; en ik op
mijn beurt vond jou soms zelfs onredelijk. De oncoloog vertelde me na jouw
overlijden dat de darmkanker ongeveer in deze periode zijn intrede moet hebben
gedaan. Met die wetenschap had ik geduldiger moeten zijn. Maar ik wist van niks
en ging als vanouds recht tegen je in. We botsten. Er waren spanningen, maar
die verdwenen ook weer.
De mensen van Klimate hier in Nijmegen kwamen,
repareerden kosteloos een klein lek in het aircosysteem en vulden de boel bij
met vloeistof, teneinde het koelvermogen weer te herstellen. Je kreeg dus
gelijk en haalde je schouders op.
‘Wat gezegd is in een ruzie, blijft in een ruzie’, was
jouw devies.
Die houding van jou heeft een enorme bijdrage geleverd
aan de kracht van onze 36jarige relatie, want we konden afschuwelijke dingen
zeggen en beweren tegen elkaar tijdens een ruzie.
'Tegen elkaar ja', hoor ik jou relativeren.
En dan zijn we nou weer met elkaar.
Toch wil ik je graag met terugwerkende kracht heel
hartelijk bedanken voor jouw koppigheid met betrekking tot het vermogen van de
airco van een jaar terug. Dankzij die typische halsstarrigheid van jou, is de
schade beperkt gebleven en zitten de kinderen, huisdieren en ik nu niet met de
gebakken peren.
21 augustus 2019
Alles of niets
Ruim een half jaar zonder jou en het leven is er niet
leuker op geworden. Laat staan makkelijker. Relatief gezien heb ik niets te
klagen. Er waren pieken en er zijn dalen, maar goed; 1 haar in je soep is veel;
maar 1 haar op je hoofd is weinig.
Dat neemt echter niet weg dat ik sinds jouw overlijden
erg weinig steun heb ondervonden uit mijn directe omgeving. Dan heb ik het niet
over de opkikkertjes op facebook die altijd even oplichten, maar over de
eigenzinnigheid van de mensen uit de echte wereld. Ze nemen geen contact met me
op uit interesse in mij, maar om hun eigen verhaal kwijt te kunnen. Het mag 2
zinnen over jou gaan en misschien nog een woord of wat over mij en daarna gaan
we over tot de orde van de dag. Dat wil zeggen; we gaan over op onderwerpen die
de ander aangaan. Vakantie, uit eten, het werk, de hypotheek, de aanschaf van
een nieuwe auto, camper of boot. Populaire thema’s, vertel mij wat, maar ook
voor jouw overlijden was ik al meer voor spontane interactie. Dat hoef ik jou
niet te vertellen. Er is geen andere toegang tot mij dan met een gesprek zonder
taboes of begrensde topics. Anders kun je me net zo goed met rust laten. Ik
word niet gelukkig van dat geouwehoer in de ruimte. Ergo. ik heb er zelfs last
van als ik door anderen gedwongen word om een stompzinnig gesprek te voeren.
Laatst werd ik weer gebeld met de vraag over hoe het nou met me was en dat ik
gerust ook zelf eens contact op mocht nemen met de betreffende persoon. Los van
het feit dat ik dus helemaal geen zin heb in prietpraat, - nooit gehad ook -
snap ik echt wel dat de betreffende beller niet tot in de details wil weten wat
de diepste roerselen van mijn ziel zijn. Wat de persoon in kwestie dan wel wil
is mij een raadsel. Voor een gesprek over koetjes en kalfjes ga je naar je
stamkroeg, maar bel je toch niet met een kersverse weduwe, lijkt mij. Fout. Ik
moet en zal aan de banaliteit van de gangbare liefde en aandacht geloven alsof
de enige weg om nog echt gehoord te worden de gang naar de psychiater is.
In mijn ogen is een psychiater echter ook maar een mens,
met wie menselijkheden binnen een standaard kostenplaatje besproken kunnen
worden. Indien gewenst. Aldus eveneens niet op mij van toepassing. Laat mij
toch in mijn vet gaar smoren en zoek een ander tijdverdrijf, zou ik willen
zeggen tegen de gevoellozen uit mijn wereld, als ik niet zo vriendelijk en
voorkomend was van nature.
Vind je het gek dat ik hier op facebook regelmatig een
update plaats over mijn rouwproces, Als ik dat niet zou doen, was ik allang uit
elkaar geploft van opgekropte emoties. Dat kan ik de kinderen niet aandoen.
Niet na jou. Bovendien zijn het leuke kinderen, met wie ik nog het beste van
gedachten kan wisselen van allemaal. Zelfs over jou. Tot op zekere hoogte. Jij
was hun vader, maar mijn liefde van mijn leven.
Ben ik daarom eenzaam? Als dat zo is dan ben ik gelukkig
niet de enige, wat nog helemaal niet betekent dat ik daarom aan een praatgroep
met lotgenoten wil deelnemen. Wat wil ik dan? Kletsen met jou. Hier aan de
keukentafel. Over vanalles en nog wat. Melig, serieus, hartstochtelijk,
geërgerd, betrokken. Alles of niets. Niets dus.
18 oktober 2019
Wie dan leeft, wie dan zorgt.
Sinds jouw overlijden word ik elke dag minder bang om te
leven. De blinde paniek die mij overkwam op het moment dat jij jouw laatste
adem blies, verliest langzaam maar zeker grip op mijn keel. Ik haal weer adem.
Mijn onbevangenheid was al tanende na de dood van broer Ben en heeft nu
grotendeels plaats gemaakt voor gelatenheid. Zelfs nu het levenslicht van mijn
moeder binnen afzienbare tijd gedoofd zal zijn, loop ik rond met het mantra;
Wie dan leeft, wie dan zorgt.
Ik barst gemiddeld 4 keer op een dag in tranen uit. Soms
zie ik ineens een gezichtsuitdrukking van je voor me. Je lacht of bent boos.
Maakt niet uit. Het gaat om de gemene pijn van het besef dat ik jouw lieve
tronie nooit meer ouder dan 56 jaar zal zien worden. Dan weer weerklinken de
dingen die je zei; de discussies, ruzies en gesprekken die we hadden in de loop
van onze 36 jaar samen. Er zijn ook momenten dat ik helemaal niet specifiek aan
je denk, maar dat de tranen spontaan over mijn wangen rollen als ik sta te
koken of de trap stofzuig. Op die ogenblikken ben je nog dichter bij me dan
wanneer ik me onderdompel in de bedwelming van mijn mantra. Inmiddels kan ik
mijn verdriet zelfs sturen en moet het wel heel raar lopen als de buitenwacht
nog lucht van krijgt van mijn rouw, zonder dat ik mijn hart op facebook open
natuurlijk.
Ik geloof niet meer dat de mensen uit mijn directe
omgeving expres weglopen voor het verdriet van een ander. Al was het alleen
maar uit morele verplichting en de gedachte dat je een medemens niets moet
aandoen wat je zelf ook niet zou kunnen verdragen. Maar ik kan en wil nou
eenmaal niet met iedereen door één deur. Hetzelfde geldt denk ik voor wie dan
ook. Jij was en blijft de kern van mijn leven. De kring van mensen in het hier
en nu verzacht de nawerking van het gedoofde brandpunt, maar jij blijft mijn essentie.
Zo treed ik de toekomst dan maar tegemoet.
‘We will cross that bridge when we get there’, zei jij
altijd in het Engels, omdat; ‘wie dan leeft, wie dan zorgt’ zo typisch
Nederlands klinkt.
Los van het feit dat jij niet meer leeft en toch nog
steeds zorgt. Voor de kinderen en voor mij. Ik hoor wel wat je zegt en
adviseert. Zonder woorden. Op mijn gevoel.
‘Ja, mam je bent hartstikke paranormaal’, schampert
Trevor.
‘Para-abnormaal’, voegt Robin lacherig toe.
Ze pesten me nog steeds. Jouw nazaten. Ik zal maar niet
verder over ze uitweiden uit respect voor hun privacy die jij ook altijd zo
hoog in het vaandel had staan. En ik weet wel dat jij en ik zijn ook jong
geweest zijn.
‘Ik had toch altijd gedacht dat ik ons pap – je vader is
69 geworden - qua leeftijd wel voorbij zou streven’, mijmerde je, nadat je op
de hoogte was van de dodelijke ernst van jouw ziekte.
Ik sloeg je met je eigen woorden om jouw oren:
‘Denken moet je aan een paard overlaten; dat heeft een
groter hoofd.
26 oktober 2019
Waar geen wil is, ben ik weg.
Het is voorbij. Ik doel op mijn avontuur aan de
docentenacademie van de Radbouduniversiteit in Nijmegen. Ik betaalde vooruit
voor een kans om in één jaar mijn onderwijsbevoegdheid te halen, zodat ik in
augustus van 2020 met recht op vacatures voor docente Nederlands zou kunnen
solliciteren. Na het overlijden van mijn man aan het begin van dit jaar, moest
het roer namelijk om. Mijn man was kostwinner, waardoor ik in mijn hele
54jarige leven nog nooit noemenswaardige betaalde arbeid heb verricht. Ik heb ruim
30 jaar terug wel gestudeerd en schopte het tot drs. in de taal- en
literatuurwetenschappen. Aldus zag ik mij, na het behalen van mijn
onderwijsbevoegdheid, nog wel tot aan mijn pensioengerechtigde leeftijd
Nederlandse les geven op een middelbare school.
Dat zelfbeeld is niet veranderd. Maar die
docentenacademie ga ik bij nader inzien niet trekken. In de dunne 2 maanden die
ik op de universiteit heb rondgelopen als overjarige studente, was ik,
noodgedwongen, alleen maar bezig met randvoorwaarden.
Om te beginnen heb ik op 2 september een valse start
gemaakt op de eerste stageschool die mij toegewezen werd. Het was de bedoeling
dat ik na 2 weken van observeren een uurtje of 4 per week met begeleiding van
een werkplekbegeleidster – de desbetreffende lerares Nederlands – met de
lesstof voor de bovenbouw van de havo en het vwo aan de slag zou gaan. Voor het
tweede deel van de stage – zelfstandig voor de klas staan –, in de tweede helft
van het leerjaar, was ik nog niet eens aangenomen op dezelfde middelbare
school, terwijl het overgrote deel van mijn – gemiddeld 33 jaar jongere -
medestudenten wel voor 12 maanden onder de pannen waren op één en dezelfde
stageplek. Maar goed, ik ben ook niet meer de jongste en men zou mij op de
stageschool vanzelf leren kennen en waarderen. Dan zou het met die zelfstandige
stage ook wel goed komen. Dacht ik.
Verkeerd gedacht. Mijn werkplekbegeleidster was een
regelrechte trut. Ik kan haar helaas niet mooier maken dan ze is. Uit respect
voor de algemene privacyrechten van de mensheid, zal haar naam hier niet
vermeld worden, maar insiders weten gelukkig wel wie ik bedoel. Verder hoef ik
me niet druk te maken over een eventuele ten lastenlegging voor smaad, daar ik
vanwege mijn vermeende onbenulligheid toch nooit door mensen uit het vak
gelezen word. Wat niet weet wat niet deert. Toch?
Nou kan ik over het algemeen tamelijk afdoende met
trutjes afrekenen. Dat komt door mijn achtergrond. Veel mensen weten niet dat
ik in een grijs verleden bij de Nederlandse Vrouwenraad in Den Haag heb
gewerkt. Ik ben door de wol geverfd, zullen we maar zeggen, want een betere
leerschool om met trutjes om te gaan dan de NVR ga je niet vinden.
Het punt was alleen dat ik geen kant op kon op mijn
eerste stageschool. Ik was een stagiaire en in de eerste 2 weken werd ik geacht
om 3 dagen in de week achterin de klas te zitten, te observeren en pootjes te
geven. De overige 2 werkdagen waren bestemd voor de werkcolleges op de
docentenacademie. Geen plezierreisje, maar nog wel overzichtelijk. De nukken
van mijn truttige werkplekbegeleidster waren echter een ander verhaal. Ik was
bereid om me aan de regeltjes van de docentenacademie en de stageschool te onderwerpen.
Dus ik was respectvol en stelde me beleefd, flexibel en kwetsbaar op. Wie wil,
kan alles. En als er iemand wilde, dan was ik het wel. Desalniettemin was mijn
motivatie niet opgewassen tegen het instabiele humeur van mijn
werkplekbegeleidster. Gedurende mijn observatieperiode begon het vooruitzicht,
om nog een half jaar, 3 dagen in de week, overgeleverd te zijn aan de grillen
van mijn snauwerige werkplekbegeleidster, mij dan ook steeds meer tegen te
staan. Toen mijn werkplekbegeleidster na verloop van 2 weken nog steeds niet
was uitgekafferd, was voor mij de maat vol. Voor haar overigens ook, want naar
haar mening zou ik totaal geen rekening houden met de grilligheid van het
onderwijs.
Maar daar was geen sprake van. Ik was best bereid om me
geheel en al te schikken naar de stemmingswisselingen, beschikbare uren en
andere onredelijkheden van mijn narcistische werkplekbegeleidster, ware het
niet dat ik ook nog een stageplan en een examenhandleiding van de
docentenacademie na te leven had. Maar daar had mijn werkplekbegeleidster geen
boodschap aan.
‘Ik heb het druk! Denk je dat ik tijd heb om een
stageplan en een examenhandleiding van jou te lezen?!’, liet ze zich op het
laatst hysterisch gaan.
‘Nou dan lees je het niet’, antwoordde ik tam, terwijl ik
er achteraan dacht:
‘Maar dan dien ik wel even een klacht in bij de
docentenacademie.’
Zo gezegd, zo gedaan. Zeker nadat mijn fijngevoelige
werkplekbegeleidster - die zo op het oog overigens ook nog zo’n 20 jaar jonger
geweest moet zijn dan ik – mij afgebekt en wel, moederziel alleen achterliet in
de gangen van die immense middelbare school. Het liefste was ik huiswaarts
gevlucht, natuurlijk. Ik voelde me een verbaal mishandelde bejaarde die het
zich niet kon veroorloven om zich te laten kennen, omdat ze anders met
zekerheid aan het kortste eind zou trekken. Vandaar dat ik op eigen houtje maar
op zoek ben gegaan naar de vergaderruimte alwaar een bijeenkomst van sectie
Nederlands zou plaatsvinden, waarvoor ik eerder op de dag door mijn
werkplekbegeleidster al ontboden was. Zij kwam halverwege de bespreking
binnenvallen. Bekoeld. Zij wel.
Nadat ik mijn beklag over haar vijandige omgangsvormen
had gedaan in een mail aan de docentenacademie, die achteraf door alle
betrokkenen voornamelijk ‘te lang’ werd gevonden, volgden de onvermijdelijke
afrondings- evaluatie en afscheidsgesprekken. Allemaal babbeltjes die ik – als
rechtgeaarde auteur – op mijn beurt dan weer als ‘te tijdrovend’ ervoer. Nou
en? Ik was maar een lastige stagiaire die het waagde om veel te lang van
schrijfstof te zijn. Alsof al die geleerde docenten van de academie niks beters
te doen hebben dan hun kostbare spreekuren opofferen aan de hersenspinsels van
een belegen studente.
Desondanks stelden de professionals van de
docentenacademie na de nodige beraadslagingen een andere stageschool voor.
Overigens kon ik met persmissie eerst een weekje bijkomen van mijn valse start.
Jammer dat ik niet meteen op de tweede stageschool
terecht gekomen ben. Mijn werkplekbegeleider was dit keer een capabele, maar
vooral een vriendelijke man. Meer heeft een stagiaire van 54 van de
docentenacademie van de éénjarige master eigenlijk niet nodig. Alhoewel? Ook op
deze school werd ik, na een soortement van sollicitatiegesprek, slechts voor
het eerste half jaar, het begeleide deel, aangenomen. Voor de zelfstandige
stage zouden we wel zien.
Ook moest ik, begrijpelijk, van voren af aan beginnen met
observeren. Weer 2 weken zitten en kijken. Ik begon achterin de klas te
hallucineren over mijn oude middelbare school in de periode 1978-1984. Back to
the future, waardoor ik langzaam maar zeker behoorlijk achter begon te lopen op
mijn medestudenten die inmiddels al volop met begeleiding van de hun toegewezen
werkplekbegeleider aan het lesgeven waren op hun stageschool. Mij werd echter
herhaaldelijk met klem op het hart gedrukt dat ik me totaal niet druk hoefde te
maken over de verplicht gestelde uren in het stageplan, want in werkelijkheid
kwamen die deellessen niet zo nauw. Ik stond inmiddels alom bekend als een
controlfrikkerige stagiaire die te weinig rekening hield met de grilligheid van
het onderwijs. Wie zou die uitvlucht om het eigen botte gedrag te
rechtvaardigen toch in de wereld geholpen hebben? Bovendien vraag ik me nog
steeds af wat het nut is van een groots gelanceerd stageplan en een examen
handleiding als niemand zich ook maar bij benadering aan de regeltjes houdt.
Enfin, wie ben ik nou helemaal in het grotere geheel? Niemand. Dus als iedereen
maar wat aanrommelt, dan trek ik mijn plan zelf wel.
Want bij mijn docenten van de academie kon ik ook niet
terecht. Zelfs niet bij die ene professor van mijn leeftijd die speciaal
aangesteld was om beginnende docenten te motiveren met oppeppende werkcolleges
( een soort academische Emiel Ratelband) en die precies het tegenovergestelde
uitstraalde van dat wat ze doceerde.
‘Alles wat je doet is goed’, beweerde ze, maar ze voelde
zich wel aangevallen toen ik eerlijk mijn mening gaf.
Voor straf sloeg ze mijn opgestoken hand over. Dat was
ook wennen trouwens. Dat schoolse karakter van de hedendaagse universiteit,
Vroeger was heus niet alles beter, maar toen ik, in de tweede helft van de
jaren 80 van de vorige eeuw, letteren studeerde aan de Katholieke Universiteit
van Tilburg werd ik voor voller aangezien dan vandaag, 30 jaar later, aan de
docentenacademie van de Radboud universiteit in Nijmegen.
Te laat kwam ik tot de ontdekking dat de professor die ik
tegen me in het harnas had gejaagd, volgens haar eigen zeggen niet de minste
was op de docentenacademie. Ook beweerde zij niet zo iemand te zijn die erop
stond dat studenten al haar publicaties kenden, waarmee ze bewust haar macht
wilde laten doorschemeren. Voor machtsmisbruik van haar zijde hoefde echter
niemand te vrezen.
Niemand, behalve ik dan. Bij mij informeerde ze naar mijn
stageperikelen om mij vervolgens op mijn gevorderde leeftijd te wijzen. Ze
wilde weten of ik me wel ‘respectvol’ had opgesteld op de eerste stageschool.
Door schade en schande wijzer geworden, probeerde ik in de daaropvolgende
colleges uit haar persoonlijke space te blijven. Ze liet echter niet los en
beet zich vast in mijn ‘moeizame leerontwikkeling’. Uit beleefdheid besloot ik
haar van het vervolg van mijn stageworstelingen op de hoogte te stellen.
‘Zo is het leven!’, was haar cynische reactie op mijn
relaas.
Ik besloot rustig te blijven en respectvol en dienstbaar
en bovenal de verstandigste en antwoordde:
‘Ik vind dit niet zo leuk. Op jouw verzoek stel ik me
kwetsbaar op en dan zeg jij: ‘Zo is het leven!’ Wat weet jij van mijn leven?’
Sindsdien kan ik haar ondersteuning vergeten, dat spreekt
voor zich. Eigenlijk wil ik ook niets liever dan haar erbij vergeten. Zij mag
dan wel een onderwijsbevoegdheid hebben en ik niet, maar ik geef toch de
voorkeur aan mijn manier van met mensen omgaan. Dan maar geen
onderwijsbevoegdheid en dan maar geen betaalde baan als lerares Nederlands voor
de klas.
Het bericht van 7 oktober dat mijn 84jarige moeder
ongeneselijk ziek is, gaf de doorslag aan mijn besluit om de docentenacademie
de rug toe te keren. Zij is dus niet de oorzaak van mijn capitulatie. Hoewel
iedereen die mijn besluit toejuicht graag wil geloven van wel. Maar wie van hen
geeft zonder meer een betaalde baan op voor de palliatieve hulp aan een
dierbare? Als ik voldoening en een beetje zekerheid had gekregen van mijn
opleiding aan de docentenacademie, dan had ik mijn studie nooit volledig ingeruild
voor de mantelzorg aan mijn moeder. Die studie had dan zelfs een steuntje in de
rug kunnen zijn, waarvoor mijn moeder, die op haar 75ste nog Spaans heeft
gestudeerd, alle begrip van de wereld zou hebben opgebracht. Door samenlopen
van omstandigheden heeft de docentenacademie niet mogen zijn. Waar een wil is,
is een weg, maar waar geen wil is, ben ik weg.
9 november 2019
Maar ja, het leven gaat door, hè!?
Van de week belde weer één van jouw kennissen. Ik weet
niet waarom. Waarschijnlijk uit een soort morele verplichting. Ik heb nog
steeds de neiging om in hun zogenaamde medeleven te trappen. Dan ben ik in
eerste instantie blij met het vooruitzicht om met een oude bekende van jou over
jou van gedachten te kunnen wisselen. Van die ijdele hoop kom ik dan al snel
terug, omdat die mensen helemaal niet met dezelfde Hans als ik bezig zijn. Als
ze überhaupt al met jou bezig zijn.
‘Ach, uit het oog uit het hart’, hoor ik jou
vergoelijkend en begripvol sussen, maar tot nu toe wordt elk gesprek met mensen
uit jouw kliek na 2 zinnen als een soort postume krachtmeting. Een machtsstrijd
tussen de belevenissen van één van hen en jouw levensverhaal. En ik zit er
tussenin. Tussen het leven en de dood. Alsof ik me moet verdedigen waarom ik
nog steeds zo intensief met jou bezig ben. Na bijna 10 maanden. Alsof jij niet
onvervangbaar bent. Alsof ik je ooit ga vergeten! Natuurlijk ga ik door met leven,
maar nooit meer op de optimale manier waarop wij samen waren.
Als ik dan bedenk met hoeveel warmte en respect jij hier
thuis tegen mij en de kinderen altijd over jouw vrienden, kennissen en
collega’s sprak, dan doet de vervreemding die zij aanwakkeren extra pijn. Ook
al zullen ze dan waarschijnlijk heus wel goede bedoelingen hebben en zitten zij
en ik gewoon niet op dezelfde golflengte. Dat is nou juist precies het
probleem. Laat me toch met rust. Ik heb genoeg aan onze kinderen, mezelf en
mijn eigen herinneringen. Jij en ik hebben ze samen ingekleurd. Dat wil ik graag
zo houden en daar komt geen vreemdeling bij te pas.
Zo ben ik altijd geweest en op die manier is het vandaag
vanzelf 9 november geworden. De dag waarop Caroline haar 54ste verjaardag
gevierd zou hebben. Ware het niet dat ze amper een jaar geleden op 3 december
gestorven is. Daar kwam ik, na jouw overlijden op 2 februari van dit jaar, via
facebook ergens in maart pas achter toen ik Caroline van jouw heengaan op de
hoogte wilde brengen. Ik was niet vergeten dat ze ziek was, maar Caroline en ik
waren te ver uit elkaar gegroeid, om de kluwen rode vriendschapsdraad uit onze
kinder-, jeugd-, en jong volwassenjaren weer op te pakken en te ontwarren.
Nadat ik 54 jaar geleden op 31 oktober 1965 ter wereld
was gekomen, zag Caroline 9 dagen later voor het eerst het levenslicht. En wel
in een paar huizen verderop op de Hastelweg in Eindhoven. De moeder van
Caroline kreeg dezelfde gemoedelijke vroedvrouw als mijn moeder in de 9 dagen
daarvoor.
‘Nee maar’, schijnt de vroedvrouw quasi verrast
uitgeroepen te hebben bij de aanblik van de blakende baby Caroline:
‘Hier een paar huizen verderop is 9 dagen geleden ook
zo’n dikkertje geboren.’
Voor zover als ik me kan herinneren zijn Caroline en ik
in elkaars gezelschap altijd een dikkertjesduo gebleven. Totdat ik na onze
scheiding, die toen al 20 jaar aan de gang was, op een foto van haar stuitte op
facebook.
‘Wat zie je er fantastisch uit’, appte ik haar.
‘Ik ben ziek’, antwoordde Caroline tot mijn grote schok.
Vervolgens gaf ze me direct te kennen dat ze me
ontzettend graag nog één keer in levende lijve zou zien:
‘Voordat ik deze wereld verlaat’, eindigde ze.
Ik verstijfde helemaal. Ik had haar zo lang al niet meer
ontmoet of gesproken. Ik was laf.
‘Je gaat niet dood’, typte ik terug.
Maar ze ging wel dood. Net als jij 2 maanden later.
Sindsdien lijkt de vrijheid om te zijn wie ik ben beperkt
te zijn tot mijn reactie op het scrupuleuze medeleven van mensen die jou op een
manier herinneren die mij in de weg zit. Caroline zou geweten hebben wat ik
bedoel. Zij wist jarenlang wie jij in mijn ogen was. En jij wist wie zij was.
We kenden elkaar. Maar ja, het leven gaat door, hè!?
17 november 2019
Nie Wieder
Het gemis van jou fysieke aanwezigheid wordt hoe langer
hoe sterker. Ik voer gesprekken met je in mijn hoofd en je praat terug. In jouw
eigen woorden of in mijn verbeelding. Daarover heb ik gisteren nog een hele
discussie met Trevor gehad. Over het verschil tussen feit en fictie en dat
wetenschap het einde van het geloof is. Trevor wordt boos als ik ga ‘zweven’,
zoals hij dat noemt en ik erger me aan zijn starre ratio. Ik hoop alleen maar
dat er meer is tussen hemel en aarde. Zeker weten doe ik dat uiteraard niet,
hetgeen mijn zweven tot een geloof maakt. Ik zou niet snappen dat voor elke
levensvraag een wetenschappelijke oplossing gevonden kan worden. Maar met een
bewezen feit is de lading van het ongewisse nog niet gedekt. Toch zijn Trevor
en ik uiteindelijk wel nader tot elkaar gekomen. Hij staat nu wat minder
afwijzend tegenover mijn zogenaamde ‘gevoeligheid’ en ik begrijp nu waarom hij
de afgelopen maanden bij vlagen vreselijk woedend op me werd. Hoe kon ik nou zo
afwijzend tegenover de wetenschap staan? Wie neemt spiritualiteit nou serieus?
Ik mag dan wel zijn moeder zijn, maar daarom ben ik toch niet minder dan hij in
staat om nuchter na te denken? Gisteren heb ik hem eindelijk duidelijk kunnen
maken dat mijn geloof in een oneindig bewustzijn vaak een bevrijding is van dat
klinische intellect dat bij mij voor jouw overlijden juist vaker wel dan niet
de boventoon voerde. Dus ik begrijp de scepsis van onze zoon echt wel. Trevor
is jong en hij leeft - net als onze Robin - bij voorkeur in het hier en nu. Mijn
zweverigheid was in de ogen van onze kinderen een aanval op hun berustende
rouwproces. Alsof zij de nagedachtenis van hun vader niet op de juiste manier
zouden hooghouden en ik met m’n openlijke tranen de waarheid in pacht meende te
hebben. Terwijl het tegendeel waar is. De waarheid bestaat niet en ik doe ook
maar wat.
Bijvoorbeeld op de, sporadische, rationele momenten,
waarop ik twijfel. Dan schiet ik spontaan vol bij de gedachte dat je van de
aardbodem verdwenen bent. Wie zegt dat ik je ooit nog zal terugzien? Daar kom
ik pas achter na mijn dood. Dus wat maakt het uit of je op me wacht of niet?
Als er geen oneindig bewustzijn is, dan heb ik er toch geen weet van.
Het is dus maar beter dat na jouw overlijden de
spirituele perioden overheersen. Denkpauzes waarin ik mijn intuïtie laat
spreken. Dan is jouw impact of geestelijke aanwezigheid overal merkbaar. Maar
dan nog ik kan je nog steeds nooit meer aanraken; of tegen jouw warme, stevige
lijf aankruipen met mijn hoofd op je schouder en de geur van je haar in mijn
neus. Je stem galmt permanent door mijn hoofd; je woorden klinken moeiteloos
na, maar voor jouw fysieke afwezigheid valt geen surrogaat te bedenken. Geen
foto- of filmopname weegt op tegen het verlangen naar een terloopse knipoog,
een levensechte por in m’n zij of een onverwachte arm om me heen van jou. Dus
omhels ik de kinderen wat vaker dan 10 maanden geleden toen je nog bij ons was.
We houden elkaar een paar seconden langer stevig vast. Of ik knuffel de
huisbeesten. Hond Kirby is een dankbaar slachtoffer, maar ook de katten; Repel
en Steeltje zoeken me de laatste tijd opvallend vaak uit zichzelf op voor een
portie kopjes en wat geknor. Dieren voelen menselijk verdriet aan. Vooral
katten. Dat komt omdat katten paranormaal begaafd zijn; dat weet je toch?
‘Oh, dat verklaart waarom ik een voorkeur heb voor
honden?!’, hoor ik jou antwoorden.
Waarmee maar weer bewezen is dat jouw kinderen een aardje
naar hun vaartje hebben. Ook omdat ze mij – geheel naar jouw voorbeeld -
onvoorwaardelijk gesteund hebben toen ik afgelopen maandag tot 2 keer toe
gebeld werd door iemand van de docentenacademie. Ik zou, volgens een klacht van
de schoolopleider van mijn eerste stageschool, namen uit onderwijscircuit in
mijn facebookartikel vermeld hebben. Dat artikel is mijn persoonlijke verhaal
over mijn falen tot het behalen van een onderwijsbevoegdheid en jij kent mij
goed genoeg om te weten dat ik heus niet zo dom ben om namen te noemen. Ik heb
ook m’n beroepseer als schrijfster. Bovendien vind ik het vermelden van de
namen van de protagonisten in mijn onderwijsavontuur veel te veel eer op mijn
intieme tijdlijn.
Omdat echter de meeste docenten van de academie uit
principe niet op facebook zitten en niemand eigenlijk precies wist welke namen
er genoemd werden en waarom, heb ik, na het eerste telefoongesprek, mijn
controversiële, maar naamloze relaas naar de woordvoerster gemaild. Uit
zelfverdediging. Daarna waren de rapen pas echt goed gaar. Een tweede
telefoongesprek met dezelfde woordvoerster volgde. Van withete woede struikelde
ze over haar eigen verwijten. Ik had dan misschien geen namen genoemd in mijn
relaas; maar de toon in mijn facebookartikel sloeg alles. Dat was helemaal niet
de toon die ze van mij gewend was uit de vele persoonlijke gesprekken die wij
samen in het verleden gevoerd hadden. Maar ja, ik was maar een stagiaire en ik
moest dienstbaar, respectvol en vriendelijk zijn. Schrijfster ben ik
daarentegen al meer dan 30 jaren en op het gebied van schrijfstijlen hoeft
niemand mij meer iets te vertellen. Desondanks voelde de woordvoerster van de
docentenacademie zich verraden, gescandeerd en geschokt. Dat staat haar vrij,
het punt is alleen dat ik uitgerekend haar nergens op aanval. Ik heb haar zelfs
tijdens dat laatste telefoongesprek te kennen gegeven dat ik haar luisterende
oor steeds zeer op prijs gesteld heb. Alleen had ik er geen moer aan. Haar begrip
voor mijn situatie heeft me geen stap verder geholpen en het feit dat ze me nu
telefonisch in mijn vrijheid van meningsuiting probeerde te beperken, maakte
onze relatie er, wat mij betreft, ook niet vriendschappelijker op.
Maar de woordvoerster was nog niet klaar, want hoe durfde
ik het in mijn botte hersens te halen om een docente Nederlands van een
stageschool ergens in Nederland een trut te noemen? Wie dacht ik eigenlijk dat
ik was? We hebben het hier wel met mensen te maken. Als ik maar wist dat de
kwestie op directieniveau van de docentenacademie heel hoog werd opgevat. En of
onze zoon, die op de achtergrond riep dat ik (z’n moeder dus) alleen maar de
waarheid had opgeschreven, z’n brutale mond wilde houden, want dat was wel zo
netjes.
Over geschokt gesproken. Weet jij nog dat we in 1987 in
Berlijn waren? Herinner jij je nog hoeveel indruk de muur en een dagtrip naar
Oost-Berlijn op ons maakte? De beperkte vrijheid van meningsuiting hing als een
grauwe sluier over de DDR.
‘Nie wieder!’, antwoordde de BDR.
Die tweestrijd, die ervaar ik nu zelf. Ik kan het nog
steeds niet helemaal bevatten. Dat ik tot 2 keer toe op het matje geroepen ben
door een woordvoerster van de docentenacademie van de Radbouduniversiteit over
een onbenullig facebookartikel. En dat terwijl ik al bijna een maand ben
uitgeschreven aan de Radbouduniversiteit! Dankzij jou en de kinderen weet ik
wat mij in de toekomst te doen staat. Volharden.
20 november 2019
Zo is het gekomen.
‘Is dat papa?!’, riep Robin bewonderend uit, toen ik haar
op een jeugdfoto van jou wees.
De foto is gemaakt op het balkon van de flat van jouw
vriend Peter op de dag van jouw vwo-diploma-uitreiking.
‘Vlak voordat we verkering kregen’, antwoordde ik niet
zonder trots over mijn goede smaak.
Ik heb jou versierd in 1982. Ik heb je gewoon gebeld om
te vragen of je met me uit wilde gaan.
‘Da’s goed’, vond je.
Achteraf realiseerde ik me pas wat ik gedaan had. Ik, een
meisje van 16, had het initiatief genomen tot een afspraakje met een hunk van
20. Iedereen verklaarde me voor gek:
‘Wat heb je gedaan?!’, smaalde een goede schoolvriendin
herhaaldelijk.
Waarmee ze me nog maar eens extra liet voelen hoe
bespottelijk mijn eerste stap op het gebied van de romantiek wel was. Ik kon
wel janken. Helemaal na jouw besluit, waarmee je ons eerste afspraakje afrondde
Je vond me wel leuk, maar verder niks. Ik was in jouw
ogen sowieso te jong, want ‘pas’ 16 en jij was net 20 geworden. Je had me nog
uitgenodigd op jouw verjaardag annex examenfeest. Na 8 jaar was je eindelijk
geslaagd voor het vwo. Ik zou dat schooljaar na de zomervakantie van 4 havo
naar 5 vwo gaan. Jouw broer Twan vierde tegelijkertijd met jou het behalen van
zijn havodiploma. Het feest vond plaats op zijn zolderkamer bij jullie thuis.
Mijn broer Hans was uiteraard ook uitgenodigd, want medebandlid van de The
Majestics. Rock and roll. Ik was een groupie en in de zevende hemel, omdat je
me kennelijk zag staan. Waarom had je me anders uitgenodigd? Met trillende
vingers drukte ik op de deurbel van jouw huis. Mijn broer Hans stond naast me
en had niks in de gaten. Twan deed de deur open.
‘Waar is Hans?’, wilde ik direct teleurgesteld weten.
‘Ow, Hans, ja Hans is even zijn vriendin ophalen’,
gniffelde Twan met leedvermaak in zijn ogen.
Ik ging door de grond. Die avond praatte ik voornamelijk
met de derde Hans uit de band. De basgitarist. Hans de Werdt. Hij schijnt mijn
relatiegehalte in die dagen weleens tegen jou aangehouden te hebben:
‘Misschien moest ik maar eens verkering met Katinka
nemen?’
Jij hebt hem dat toen ten stelligste afgeraden:
‘Nee, want dan kan je het niet uitmaken zonder gedoe te
krijgen met haar broer (Hans Sliepenbeek) en dan is er weer ruzie in de band.’
Op die avond rond 15 mei in 1982 op de zolderkamer van
Twan, werd ik, omringd door feestvierende leeftijdgenoten, voor het eerst en
het laatst in mijn leven dronken. Ik kwam je moeder nog tegen in mijn gang naar
beneden naar het toilet:
‘Dag mevrouw’, prevelde ik
‘Die Katinka, da’s een leuke griet’, heeft je moeder je
later te kennen gegeven.
Tsja, de tijden zijn veranderd. Bovendien was jouw moeder
een kastelijnsdochter; en dan kijk je kennelijk niet op een glaasje wijn meer
of minder.
Amper 2 weken later was het uit met jouw vriendin en
greep ik mijn kans schoon. Een impuls. Mijn moeder was laaiend op me. Hoe dorst
ik mezelf zo goedkoop weg te geven? Een paar dagen later belde je me. Dat ging
toen nog via de vaste huistelefoon die bij ons in de gang stond. Broer Hans nam
de telefoon op en kwam tam de huiskamer binnen wandelen:
‘Hans Barten aan de telefoon’, zei hij.
Wijzer geworden door de gebruikelijke pesterijen van
broerlief, besloot ik hem niet te geloven en bleef stoïcijns naar de televisie
staren:
‘Hans Barten aan de telefoon!’, herhaalde hij na een
minuut of 5 met klem.
Wakker geschud, sprong ik op en snelde naar de gang.
‘Je zegt NEE!’, riep mijn moeder mij gebiedend na.
Ik luisterde niet naar haar, maar naar de muziek in mijn
oren uit de hoorn van de telefoon:
‘Wil je nog een keer met me uitgaan, want ik vind jou
toch wel leuk als je begrijpt wat ik bedoel?, vroeg je bedeesd.
En zo is het gekomen.
6 mei 2020
Mam
Voor mij is het nooit eenvoudig geweest om ten opzichte
van jou de juiste toon te vinden. Ook al was ik dan jouw enige dochter en
jongste kind. Alles wat ik tegen je zei zou tegen me gebruikt kunnen worden. Al
zolang als ik me kan herinneren. Ook vandaag, bij jouw afscheidsceremonie, had
ik me het liefst verdekt opgesteld. Veilig verschuild achter het imago dat jij
in de loop van 84 jaar zo zorgvuldig van jezelf hebt opgebouwd. Want waarom zou
ik je niet in je waarde laten?
Ik heb zielsveel van je gehouden. Je was mijn moeder.
Maar los daarvan was je ook een sociaal bewogen mens; vrijgevig, met gevoel
voor humor en een vlijmscherpe geest die tot aan jouw sterfbed op volle toeren
is blijven draaien.
Toch viel je niet zomaar te peilen en wist ik eigenlijk
nooit waar ik bij jou aan toe was. Die permanente onberekenbaarheid heeft de
moeder-dochterrelatie tussen jou en mij onherstelbaar uit balans gebracht.
Daarom neem ik vandaag geen afscheid van een perfecte moeder. Je was geen
perfecte moeder, maar een mens van vlees en bloed. Ik heb je in ieder geval
nooit in willen ruilen voor een prototype van een volmaakte moeder.
Hoewel jij meestal afwezig was op cruciale momenten in
mijn leven. Als ik het lef had om je te confronteren met mijn teleurstelling
dan wist ik één ding zeker:
Dat je me na een uitbrander vertwijfeld achter zou laten
met een nasmaak van pijn en spijt. Vandaar dat ik naar verloop van tijd ben
opgehouden om jouw motieven te doorgronden. Jij en ik waren tot elkaar
veroordeeld. Moeder en dochter. Twee tegenpolen. Er zat voor ons niets anders
op dan elkaar te leren accepteren voor wie we waren.
Jij leefde in een eigen wereld die begon op de
Mathildelaan in Eindhoven op 7 oktober 1935. Als kind van een Duitse moeder had
je het extra moeilijk in de oorlogsjaren. Vlak na de oorlog stierf jouw oudere
broer op 15jarige leeftijd en bleef jij als enig kind achter met opa en oma op
de Bennekelstraat in Eindhoven.
Je was een leergierig meisje. Zo pienter dat de nonnen je
een klas over lieten slaan op de lagere school. Ondanks jouw slechte, bijziende
ogen en afgezien van jouw jampotglazen ziekenfondsbrilletje, wist je indruk te
maken op de veeleisende kloosterlingen uit jouw basisschooltijd.
Jouw oogafwijking heb je aan al je kinderen doorgegeven
en daar baalde je van. Alsof die erfenis jouw schuld was en alsof we niet ook
een heleboel positiefs van jou hebben meegekregen. Ik heb zoveel van je geleerd
Tegenwoordig zou je met jouw capaciteiten het stempel
‘hoogbegaafd kind’ op de basisschool opgedrukt hebben gekregen. Toch kon je
niet door studeren. Vanwege de tijdsgeest en sociale druk. Een gedegen
vervolgopleiding was niet weggelegd voor ‘ons soort mensen’ in de jaren vlak na
de Tweede Wereld Oorlog. Zeker niet voor een katholiek meisje uit een
arbeidersmilieu.
In je latere leven heb je die studieblokkade eigenhandig
stukje bij beetje opgeheven. Bijvoorbeeld door je, tijdens jouw jonge jaren als
moeder en huisvrouw, te begraven in de oneindige collectie boeken van jouw
echtgenoot en onze vader. Al snel ontwikkelde je een eigen smaak en kon bijna
niemand meer aan jouw belezenheid tippen.
Tussen de soep en de aardappelen door, haalde je
bovendien begin jaren 70 een diploma VWO via de avondschool. Je had toen al 16
tropenjaren als huisvrouw en thuiswerkende moeder achter de rug. Je was 38 met
4 kinderen in de leeftijd van 7 tot 15 jaar. Dankzij jouw autodidactische
initialieven op leergebied en de diploma’s die je als volwassene alsnog had
weten te behalen, kon je nu eindelijk aan een carrière buiten de deur beginnen.
Je werd aangenomen als directie-secretaresse en later
gepromoveerd tot acceptante bij de UAP. Oftewel de Union Alliance de Paris. Een
Franse verzekeringsmaatschappij met filialen over heel West-Europa en ook in
Eindhoven.
Tussentijds bleef je cursussen voor de UAP volgen en
haalde je nog een graad in het middelbaar onderwijs voor de Frans taal. Ook
waagde jij je op latere leeftijd nog aan Spaanse taalverwerving. Niet zo
verwonderlijk dus dat zowel Frankrijk als Spanje bovenaan jouw lijst met
favoriete vakantielanden stonden.
Bij de UAP heb jij je tot aan je pensioen verdienstelijk
gemaakt. Dat studeren dat deed je erbij. Voor de lol. Je had een talenknobbel
waarvan ik in mijn middelbare schooltijd nog regelmatig misbruik heb mogen
maken. Want zo was je ook. Heel scheutig met het delen van kennis en je liet je
nooit op jouw prestaties voorstaan.
Na jouw pensioengerechtigde leeftijd, in de herfst van
jouw leven, beleefde je diepe dalen. In maart 2007 – het jaar van jullie gouden
bruiloft - overleed jouw echtgenoot en onze vader.
Zeven jaar later - in januari 2014 -moesten we afscheid
nemen van Ben. Jouw eerste zoon en onze oudste broer.
In 2005 begonnen de bloedingen in je bijziende ogen. In
die periode onderging je ook een staaroperatie. In de tijd erna ontwikkelde je
een netvliesaandoening waardoor je hoe langer hoe slechter ging zien.
Gelukkig waren er ook pieken in jouw pensioenjaren in de
gedaantes van 4 kleinkinderen. Ik zag je opleven in jouw rol van oma, maar
zweeg. Uit zelfbehoud stond ik altijd op gepaste afstand in contact met jou. Ik
probeerde jouw teruggetrokken leven in jouw heiligdom op de Botenlaan, te
respecteren, zonder mezelf tekort te doen, terwijl jouw wereld met het
verstrijken van de jaren steeds exclusiever werd. Soms mocht ik meedoen, maar
meestal werd ik buiten gesloten. Ongetwijfeld onbedoeld en versterkt door mijn
eigen toedoen. Alles welbeschouwd hebben jij en ik er toch steeds samen voor
gezorgd dat we elkaar nooit helemaal uit het oog verloren.
Ook niet in de blessuretijd waarin jouw dagen
voortkabbelden met familiebezoekjes, verjaardagen vieren, kruiswoord puzzelen
en breien op de bank tijdens het televisie kijken. Vaker wel dan niet onder het
genot van een goed glas wijn. Of je luisterde naar klassieke muziek of Franse
chansons.
Daarbij heb jij in de laatste 25 jaar van jouw leven ook
heel wat kilometers gemaakt in Eindhoven. Door de stad banjerend in jouw
zorgvuldig aangeschafte wandelschoenen. Altijd een stevige shopper aan je
schouder. Steevast keurig gekapt, met gemanicuurde nagels en de wenkbrauwen in
vorm. Op die manier deed je ook boodschappen. Zo bestierde je het huishouden.
Verzorgd, kordaat.
Jaar in, jaar uit.
Week in, week uit.
Dag in, dag uit.
Je wilde niks weten van een poetsvrouw of thuishulp.
Ook niet toen je ongeneselijk ziek werd.
Alles moest zonder poespas blijven draaien.
Zelfs na 7 oktober 2019.
Op jouw 84ste verjaardag nota bene.
De dag waarop we na jouw opname in het ziekenhuis te
horen kregen dat jouw dagen geteld waren.
Zeven maanden geleden.
Wat een moed en levenskracht heb ik sindsdien van je
kunnen bewonderen tijdens jouw doodsstrijd mam.
Terwijl je wist dat je niet kon winnen van die roekeloze
sadist.
Kanker is een meedogenloze sluipmoordenaar, waaraan jij
je op woensdag 29 april jongstleden uiteindelijk toch gewonnen hebt moeten
geven.
En opeens verschijn je weer tegenover me aan de
keukentafel.
Ik laad me op aan jouw aloude credo:
‘Je hebt je best gedaan, kind.
Meer kon je niet doen!’
Hetzelfde geldt voor jou:
‘Je hebt je best gedaan, mam.
Meer kon je niet doen!’
Rust nu maar zacht.
Het is je van harte gegund.
31 oktober 2020
Halloween
Vandaag word ik 55 jaar. Op Halloween. Jarenlang leefde
ik in onwetendheid over dit paranormale verkleedfeest dat in de loop van de
tijd uit Amerika is overgewaaid en dat zich langzaam maar zeker ook in
West-Europa heeft ingeburgerd. Ik vind het een on-Hollands gedoe waarvan het
beginsel waarschijnlijk – onder meer - terug te voeren is op ‘Allerzielen’ uit
de katholieke traditie. Van oudsher worden op 2 november binnen het
katholicisme de doden herdacht op Allerzielen. De dag na ‘Allerheiligen’ en 2
dagen na Halloween dus. Drie seizoensgebonden metaforen voor het hiernamaals of
het leven met de dood in een waas van mistige herfsttinten. Eind oktober, begin
november markeert de tijd van het jaar waarin het etherische vlies tussen leven
en dood zo dun is dat de blokkade bijna wordt opgeheven voor iedereen die open
staat voor een spiritueel contact met de overkant. Zulks wekt verwarrende
sensaties op van; hemel en hel; heilige geesten en duivels; heksen en spoken;
gruwel en horror en bewerkte pompoenen. Die prikkeling van de fantasie is een
sinister sprookje. Een griezeling in de zin van; een uitvergroting van de
realiteit; een parodie op het spirituele gebied tussen hemel en aarde en een
huiverend eerbetoon aan de dood in het algemeen en van iemand in het bijzonder.
Mijn 84jarige moeder is zo iemand in het bijzonder. Een
paar dagen geleden kwam ze in een flits voorbij in de Albert Heijn. Op
klaarlichte dag. Hier in Nijmegen, terwijl ze in Eindhoven woonde. Ik werd
getroffen door haar vertrouwde, kordate uitstraling, terwijl ik me een weg
baande tussen de winkelende mensenmassa. Verhit graaide ik naar mijn dagelijkse
boodschappen, toen ik plotseling net niet over een oud dametje struikelde. Het
nevelige mensje hield zich dapper aan haar karretje staande in het hol van de
kudde mondkapjes in de AH en vroeg niet om hulp, maar zocht woordeloos naar een
uitweg. Ik herkende mijn moeder. Precies op die manier moet zij zich tot vlak
voor haar overlijden in de AH gemanifesteerd hebben. Tenger en breekbaar, maar
te trots om steun te accepteren. Totdat ze niet meer anders kon met een
terminale ziekte onder de leden en nog nauwelijks zitvlees om thuis op een
stoel tot rust te kunnen komen. Natuurlijk zou mijn moeder een mondkapje
gedragen hebben als dat tijdens de eerste lockdown al verplicht was geweest.
Tegen het einde vroeg ze nog aan de huisarts:
‘Wat nou als ik corona krijg?’
De huisarts snapte de vraag niet. Ik wel. Mijn moeder
dacht niet aan zichzelf, maar was bang dat haar sterfbed op de valreep nog een
corona besmettingshaard zou worden ook.
Op 29 april van dit jaar is mijn moeder gestorven aan
alvleesklierkanker. Dik een jaar na jouw overlijden op 2 februari van 2019. Jij
was en blijft de liefde van mijn leven. Ruim 36 jaar lang waren jij en ik een
stel. Vanaf dat jij 20 en ik 16 jaar was. Maar daarvoor, als klein meisje,
dweepte ik met mijn moeder. Achteraf had ik een ongezonde adoratie voor haar.
Een blinde bewondering die mijn moeder voedde en altijd vanzelfsprekend heeft
gevonden. Ze merkte niet dat ik afhaakte naarmate de jaren verstreken. Dat los
maken was een pijnlijk proces dat er uiteindelijk wel toe heeft geleid dat ik
vandaag de dag lang niet zoveel met haar bezig ben als met jou. Jij en ik
hebben elkaar nooit voor lief genomen en ik mis de aanwezigheid van mijn moeder
niet, zoals ik jou presentie ontbeer met elke vezel van mijn lichaam. Dat de
herinnering aan mijn moeder me evenwel niet koud laat, weet ik nu, dankzij de
verschijning van mijn moeders evenbeeld in de Albert Heijn. In een momentopname
raakte ik doordrongen van de energie van mijn moeder. Met mijn hart in mijn
keel en mijn adem ontnomen, stond ik ter plekke met moeite mijn tranen te
bedwingen. Alsof mijn moeder mij via de oude vrouw kwam bezoeken en - als
vanouds - terecht kwam wijzen. Even haar puntjes op de i. Op haar
hittepetitterige manier, dus niet vanaf een sprekersstoel maar in de
supermarkt. Ze is niet ongemerkt voorbij gegaan. Er zijn verschillende manieren
waarop zielen elkaar kunnen raken.
Zo raak jij me niet dieper of intensiever tijdens
Allerheiligen, Allerzielen, of op Halloween, mijn verjaardag dus, dan normaal.
Ook niet op onverwachte momenten, zoals de geest van mijn moeder. Aan jou denk
ik constant en consequent. Jij bent nu zo goed als 2 jaar geleden overleden en
je staat dagelijks bijna dichter bij me dan toen je nog in persoon naast me
aanwezig was. Hetgeen niet betekent dat ik jouw lichamelijke aanwezigheid niet
overal tevergeefs zoek. Nergens meer dat warme lijf met die beschermende armen.
Nooit meer jouw jongensachtige smeekbede om een knuffel en mijn neus in jouw
nek voor een snuifje van jouw geur. Jouw gedoofde stemgeluid. De
tussenopmerkingen doorspekt met jouw gevoel voor humor. Ik ben vergroeid met
jouw wezen, waardoor jouw dood zo definitief is, dat ik de leegte heb begraven
in dat gat in mijn hart dat jij hebt achtergelaten toen je stierf. Wel kan ik
jouw reactiepatroon op mij, of op een situatie in een wereld zonder jou, raden.
Ook krijg ik antwoord op al mijn huidige vragen alsof je nog tegenover me zit
aan de keukentafel of naast me in bed ligt. Al word ik er onveranderd niet
wijzer van. Net als vroeger tasten we samen in het duister en zo duik je
eigenlijk overal op. Ik hoor wat je zegt of zei, of zeggen zou. Kortom, ik kan
je overal invullen en ik weet nog steeds niet zeker of je alleen maar in mijn
hoofd voortleeft of werkelijk weer tot een oneindig bewustzijn teruggekeerd
bent.
Waarom niet beiden? Als rouwen al een proces is met een
begin en een einde dan is de finish wellicht de berusting in het ongewisse.
Laatst zei de kapster nog tegen me:
‘Je weet nooit wie er nog op je pad komt!’
‘In ieder geval geen nieuwe liefde’, verzekerde ik haar.
‘Dat weet je niet’, antwoordde de kapster bijna
teleurgesteld.
‘Niet meer in dit leven’, hoorde ik mezelf schamperen.
‘Waarom niet? Je ziet er toch ‘nog’ goed uit?’, probeerde
de kapster mij – of eigenlijk zichzelf - op te peppen.
‘Voor mijn leeftijd’, spotte ik.
Nu voer ik uit voorzorg denkbeeldige gesprekken met mijn
eventuele toekomstige aanbidder, waarin ik hem afschrik met een korte uitleg
over waarom jij onvervangbaar bent. Dat moet genoeg zijn. Zeker met al die
datingsites en keuzes te over op de sociale media van tegenwoordig. In zoverre
heb ik mijn levensloop nog wel in de hand. Met berusting in het ongewisse
bedoel ik dan ook niet dat ik stiekem zit te hopen op de onverwachte komst van
een tweede zielsverwant als een verlengstuk van jou. Zo iemand moet nog geboren
worden met jouw ziel. Wat overblijft is mijn huidige leven als een restant van
mijn relatie met jou. Het hier en nu dat ik met het verstrijken van de
seconden, minuten, uren, dagen en nachten, weken en maanden na jouw dood hoe
langer hoe meer heb leren waarderen. Je zou trots op me zijn. Ik ben niet
alleen. We hebben elkaar altijd al opgezocht en terug gevonden.
12 november 2020
Spraakbericht
Of ik het illegale seksfilmpje van de bekende Nederlander
Fred van Leer onbekeken zou laten als ik de kans kreeg? Nee, natuurlijk niet,
maar ik zou de opname niet doorsturen. De kinderen en ik hebben nog gezocht of
we de beelden ergens op de sociale media te pakken konden krijgen. Door alle
commotie rondom de compromitterende registratie van een seksueel actieve Fred
van Leer, won onze nieuwsgierigheid het van de alom gepropageerde
fatsoensnormen. We hebben het veel besproken filmpje niet gespot op de sociale
media. Wel was er een hoop ruis over het zogenaamd aanstootgevende
beeldmateriaal en de anonieme schoften die het seksfilmpje zonder toestemming
van Fred van Leer in omloop zouden hebben gebracht. Het plasfilmpje van
televisiediva Patricia Paay heb ik indertijd wel onder ogen gekregen. Een hoop
gezeik om niks als je het mij vraagt. (Let op de woordspeling.) Zo valt de
inhoud van het filmpje van Fred van Leer volgens mij ook wel mee. Zolang er
geen sprake is van misbruik, heb ik geen mening over de slaapkamergeheimen van
anderen. Wel stel ik me zo voor dat de openbaring van de seksuele voorkeuren
van Patricia Paay en Fred van Leer op de sociale media niet in hun koude kleren
is gaan zitten.
Ik leef zelfs mee uit ervaring. Niet dat er seksueel
getinte video’s met mij in de hoofdrol op het internet de ronde doen, maar ik
herken de schaamte over de publieke ontmanteling door de eigen stomme schuld.
En dan de wetenschap dat niemand gaat geloven dat er van jouw kant geen opzet
in het spel was. Dat je jezelf niet per ongeluk expres aan de sociale media
hebt blootgegeven uit narcisme en/of exhibitionisme.
Mijn publieke blunder stamt van een jaar geleden toen ik
op mijn 54ste nog een onderwijsbevoegdheid dacht te kunnen halen als lerares
Nederlands aan de docentenacademie van de Radbouduniversiteit. Ik zat in een
appgroep met voornamelijk medestudenten vakdidactiek Nederlands. Ik was de
enige 50plusser tussen verder allemaal twens en een vakdocent van einde 30. De
jeugdige onbezonnenheid die mij omringde maakte me niet onzeker. Het gemak
waarmee mijn medestudenten met alle online lesprogramma’s, digitale roosters,
het digibord en met de vele relevante apps op hun mobiel omgingen, bezorgde me
echter wel permanent een rusteloos gevoel. Mijn moeizame inhaalrace ten spijt.
Zo goed zo kwaad als in een periode van een maand mogelijk was, had mijn zoon,
van toen 16, mij voorbereid en wegwijs gemaakt op de digitale snelweg richting
online programma’s als Brightspace en Onenote. Tegelijkertijd probeerde ik ook
nog om mijn behendigheid op mijn mobiel te verbeteren. Voordat mijn man en de
vader van onze kinderen op 2 februari van 2019 stierf, gebruikte ik nooit een
IPhone. In de loop van 30 jaar ben ik een huismus in de hoedanigheid van
schrijfster en moeder geweest. In al die jaren voldeed de vaste huistelefoon
prima. Maar als de nood aan de vrouw is, dan is de redding nabij en ik ben
allang geen digibeet meer. Er is bij mij alleen geen sprake van routine, omdat
ik me in het verleden nooit in het gebruik van computers en mobieltjes hoefde
te bekwamen. Mijn overleden man was immers een ouwe rot in het
automatseringswezen. Een ICTer van het eerste uur. Meer dan 30 jaar
faciliteerde hij mijn werkzaamheden thuis. Mijn huis- en boekhouding. Totdat
hij niet meer kon. Ik had mijn thuissituatie ook liever bij het oude gelaten.
Onze 2 kinderen – nu 17 en 18 – waren in oktober van 2019
dan ook niet echt verbaasd over mijn flater. Wel vinden ze het nog steeds een
unieke prestatie om met een IPhone onopzettelijk een spraakbericht van 7 uur op
te nemen. Op die manier was mijn tape onbedoeld tot een hoorspel uitgegroeid
dat in de appgroep vakdidactiek Nederlands door alle leden naar believen
beluisterd kon worden. Een medestudente wees mij erop in een appje:
‘Katinka volgens mij heb jij jouw spraakbericht aan laten
staan.’
Ik wist niet eens wat een spraakbericht was. Ik kon me
nog wel herinneren dat ik die middag met het touchscreen van mijn IPhone in
gevecht was geweest. Ik verveelde me in afwachting van een vertrouwelijk
gesprek met mijn studieadviseuse. Mijn stage op een middelbare school ergens in
Nederland dreigde op een fiasco uit te lopen. Met mijn stagebegeleidster – een
lerares Nederlands van pakweg 35 jaar die ik bij voor mezelf tot mevrouw
Gewichtig had gedoopt - was geen land te bezeilen. Ze behandelde me als een lastige
middelbare scholiere van 16. Aanvankelijk onderging ik de degradatie, maar
zelfs het aanpassingsvermogen van een 54jarige drs. in de Letteren heeft
grenzen. Dus ik moest wel in actie komen, want ik was de stagiaire, de mindere
en de oudste. Ik zou hoe dan ook aan het kortste eind trekken. Ik moest maken
dat ik wegkwam op een andere stageschool nu het nog kon aan het begin van het
studiejaar. Liefst zonder poespas of evaluatiegesprek op een middelbare school
waar ik als overjarige stagiare overduidelijk niets te zoeken had. Ik hoefde
niet te winnen. In tegenstelling tot mevrouw Gewichtig.
Het gesprek met de studieadviseuse alias mijn
vertrouwenspersoon bij de docentenacademie duurde dik 2 uur. Mevrouw Gewichtig
alsmede de betreffende middelbare school zijn constant aan de orde geweest en
bij naam genoemd. Zoiets moet kunnen in een vertrouwelijk gesprek. Ik weet nog
precies hoe ik mijn grieven geformuleerd heb en wat ik gezegd heb. Zo ben ik
nou eenmaal. Altijd op mijn hoede. De vertrouwenspersoon op haar beurt deed mij
haarfijn uit de doeken wat mijn juridische positie was en dat ik geacht werd om
discreet te blijven over de perikelen op de stageschool naar buiten toe. Voor
mij geen enkel probleem. Ik ben de discretie zelve.
Niet zo vreemd dus dat ik weken later even helemaal
knock-out ging, omdat mijn voormalige vertrouwenspersoon volkomen onverwacht
razend van woede aan mijn vaste telefoon hing met een beschuldiging van smaad.
Voor mij een symbolische kopstoot. Mevrouw Gewichtig had met terugwerkende
kracht een klacht tegen mij ingediend bij de docentenacademie. Ik zou haar met
naam en toenaam genoemd hebben op de sociale media. Ik had weliswaar een betoog
geschreven over mijn slechte ervaringen bij mijn poging om op latere leeftijd,
omringd door de jonge academici van tegenwoordig, alsnog een
onderwijsbevoegdheid te halen en dat op facebook geplaatst, maar daarbij had ik
geen namen genoemd. Ik ben niet achterlijk. Op het moment dat mijn
vertrouwenspersoon mij telefonisch ter verantwoording riep, vroeg ik me oprecht
af wat haar bezielde. De naam van mevrouw Gewichtig komt in mijn hele aanklacht
ten aanzien van de docentenacademie op facebook niet voor. Nogmaals: Ik noem
bewust geen namen in geschreven tekst op internet. Mevrouw Gewichtig komt
alleen maar cryptisch aan de orde. Een goed verstaander heeft tenslotte maar
een half woord nodig. Bovendien had ik de docentenacademie op de dag van het
aanmatigende telefoontje van de vertrouwenspersoon allang vaarwel gezegd.
Kennelijk legde mevrouw Gewichtig heel wat meer gewicht in de schaal dan ik; de
onbenullige persoon die de paranoia van een hysterische stagebegeleidster
schaamteloos in de schoenen geschoven kreeg. Zelfs nadat ik alle banden met de
docentenacademie verbroken had en weer op vrije voeten was. Waarom? Omdat
mevrouw Gewichtig een onderwijsbevoegdheid heeft en ik niet?
Mevrouw Gewichtig bleef mij achtervolgen. Al eerder, op
mijn nieuwe – tweede – stageschool, werd ik ook al tegen mijn wil met haar in
verbinding gebracht. Wat was er echt mis gegaan op de eerste stageschool? Wat
waren mijn verborgen gebreken? Uiteindelijk werd ook de tweede stageschool geen
succes, maar dat had niks meer met mijn nieuwe stagebegeleider te maken. Dit
keer een man. Een ervaren leraar Nederlands van mijn leeftijd. Dat scheelt toch
een slok op een borrel. Als ik meteen bij hem terecht was gekomen en mevrouw
Gewichtig nooit had ontmoet, dan had ik nu een onderwijsbevoegdheid gehad. Dat
weet ik zeker. En als mijn 84 jarige moeder in oktober van 2019 niet te horen
had gekregen dat ze niet meer lang te leven had, dan was het me zelfs ook na
het debacle op de eerste stageschool absoluut gelukt om het tij te keren met
mijn tweede kans. Maar als dan is koffiedik kijken. Voor mijn gevoel was ik in
de echte wereld intussen te ver achter geraakt om mezelf nog overtuigend te
kunnen onderwerpen aan het digitale tijdperk, het rigide regime van de
docentenacademie en de puberale insteek van een stageschool. Wat mevrouw
Gewichtig betreft was het kwaad op de tweede stageschool ook al geschied. Mijn
onbenullige verschijning zat onlosmakelijk aan haar vast. Tot mijn grote
ongenoegen kwam mevrouw Gewichtig in de wandelgangen van de tweede stageschool
regelmatig ter sprake. Ons kent ons. Met voor en achternaam. Zo ook wel honderd
keer tijdens mijn vertrouwelijke apartje met de studieadviseuse. Hetzelfde
onderonsje dat per abuis als spraakbericht in de appgroep vakdidactiek
Nederlands terecht gekomen is.
Ik flipte helemaal toen ik me realiseerde wat ik gedaan
had door per ongeluk de opnameknop van mijn IPhone aan te raken. Robin spoelde
wat heen en weer in het spraakbericht op mijn mobiel. Naast het vertrouwelijke
gesprek met de studieadviseuse waren ook de nodige korte privébabbeltjes en
kibbeltjes tussen de kinderen en mij te horen. Afgewisseld door uren van
geroezemoes met op het achtergrond het ritmische tikken van de keukenklok boven
de eettafel waarop mijn telefoon het grootste gedeelte van de opnametijd veilig
in mijn schoudertas opgeborgen was geweest.
‘Mam, doe rustig, niemand gaat een spraakbericht van 7
uur afluisteren’, probeerde Trevor mij te bedaren.
Het spraakbericht had hij al verwijderd en hij vroeg mijn
medestudenten onder mijn naam in de app om hetzelfde te doen.
‘Dan kennen jullie mijn medestudenten nog niet’, kermde
ik.
Ineens realiseerde ik me dat mijn docent vakdidactiek
Nederlands ook in de app zat en dat hij dus net zo goed toegang tot mijn
spraakbericht had. Ik voelde me niet goed worden.
‘Mam, doe normaal. Wat ben je toch een boomer. Zo
interessant ben je echt niet. Niemand gaat de tijd nemen om jouw spraakbericht
af te spelen. Geloof ons nou maar’, hield Robin vol.
Soms vraag ik me af of het wel zo’n goed idee was om onze
kinderen aan te leren om toch vooral open en eerlijk te zijn. Trevor stootte
mij aan en hield het scherm van mijn mobiel onder mijn neus.
‘Hier, je hebt al een appje terug op mijn verzoek om het
spraakbericht weg te gooien.’
Mijn leesbril moest eraan te pas komen. De reactie kwam
van een medestudente die mij eerder ook al hypocriet had geleken:
‘Kan gebeuren meid. En ja, Katinka ik ga serieus de tijd
nemen om een spraakbericht van 7 uur af te luisteren. Maar niet heus’.
‘Zie je nou wel. Zij snappen dat je dat spraakbericht per
ongeluk hebt opgenomen en niet expres hebt doorgestuurd’, vergoelijkte Trevor.
Ik kwam tot de conclusie dat het geen zin had om mijn
kinderen nog langer te belasten met mijn eigen stupiditeiten. Ze hadden geen
gelijk. Zo ver als ze zijn op de digitale snelweg, zo naïef is hun geloof in de
gepropageerde politieke correctheid van de buitenwacht. In de dagen na het
spraakberichtincident in de app, kon ik tijdens de werkcolleges precies
aanwijzen wie van mijn medestudenten de luistervinken waren. Het verraad zat in
een neerbuigend gebaar, een lollige opmerking en een subtiel buitensluiten.
Even stond ik voor een afgrond. Nog één stapje verder en ik zou vallen zonder
vangnet. Maar de woorden die mijn recentelijk overleden man in dit geval
gesproken zou hebben brachten me weer bij mijn positieven:
‘Trek het je niet aan en laat het gaan, want je hebt
niets met opzet verkeerd gedaan.’
Pas sinds de Fred van Leeraffaire realiseer ik me wat
vorig jaar de studieadviseuse alias de vertrouwenspersoon van de
docentenacademie getriggerd moet hebben om mij op het matje te roepen en zelfs
te dreigen met represailles van hogerhand. Overigens zonder dat ze zelf de
toedracht goed besefte, want mijn vertrouwenspersoon ging er bijna prat op dat
ze persoonlijk zo min mogelijk met de sociale media te maken wilde hebben. In
eerste instantie werd de vertrouwenspersoon dan ook mijn hoek ingestuurd door de
klacht van mevrouw Gewichtig, maar in tweede instantie niet eens zozeer door de
inhoud van mijn verhaal op facebook, terwijl aanvankelijk wel alle vingers die
kant uitwezen. Bij nader inzien is het veel aannemelijker dat mijn
spraakbericht over de tong is gegaan. In combinatie met mijn bericht op
facebook is dat vuurwerk natuurlik. Zeker omdat mevrouw Gewichtig in dat
spraakbericht wel tot uitentreuren bij naam genoemd wordt. Ben ik even blij dat
het geval van Fred van Leer ons leert dat het verspreiden van opnames op de
sociale media zonder toestemming strafbaar is. En daar zitten we dan nu in de
geruchtenmolen: de vertrouwenspersoon, mevrouw Gewichtig en ik. Alleen ik hoef
me nergens meer voor te schamen.
2 februari 2021
Twee jaar later.
Bij het krieken van zaterdag 2 februari 2019 blies jij
jouw laatste adem uit. Vandaag precies 2 jaar geleden. De kinderen en ik zaten
aan weerszijden van jouw bed in het CWZ. Hier in Nijmegen. In de wetenschap dat
je ernstig ziek was, hadden we hemel en aarde bewogen om je op het nippertje
met een ambulance naar de eerste hulp te kunnen krijgen. We wisten niet dat je
op 2 februari 2019 al dood zou gaan. We dachten dat je een inzinking had en met
een medisch steuntje in de rug wel weer snel aanspreekbaar zou zijn. Die
uitgezaaide endeldarmkanker had zich toen pas vijf weken geleden geopenbaard.
Ook was op dat moment amper anderhalve maand bij ons bekend dat je terminaal
was. Tot aan 28 december 2018 leefden wij nog in zalige onwetendheid over de
sluipmoordenaar die jouw darmflora saboteerde. Vlak voor de jaarwisseling van
2018 naar 2019 verzekerde een overmoedige zaalarts van het CWZ mij tijdens jouw
ziekenhuisopname in de eerste twee weken van de beproeving nog terloops dat je
niet op stel en sprong dood zou gaan. In de daaropvolgende vier weken in jouw
vertrouwde thuisomgeving stond er zelfs nog kwaliteit van leven op de planning.
Januari 2019. Mogelijk gemaakt door een met spoed aangebrachte stoma en
pijnbestrijding in de vorm van oxycodon. De lopende chemokuren waren
tevergeefs. Bleek achteraf. Wat is kwaliteit van leven? De kinderen en ik
voldeden aan jouw levensstandaard, maar kennelijk bieden in het verleden
behaalde successen geen garantie voor de toekomst. De dienstdoende arts van de
spoedeisende hulp keek me in de vroege ochtend van zaterdag 2 februari 2019
doordringend aan toen hij meedeelde dat jij op het punt stond om te gaan
sterven.
Wat moest ik zeggen? Alsof mijn wilskracht of wanhoop
iets konden veranderen aan een acute bloedvergiftiging door falen van jouw
lever vol metastasen. Zesendertig dagen en nachten aan een stuk had je
gevochten tegen pijn, ongemak en het ongewisse. Ik streed met je mee. Dusdanig
intens en met zoveel vlagen van verstandverbijstering, afgewisseld met
vertraagde inzichten, dat jij en ik uiteindelijk niets meer tegen de aflopende
zaak wisten in te brengen. Uit zelfbescherming keek ik niet meer voor- of achteruit.
Alleen maar om me heen. Naar jouw levenloze lichaam en naar onze verslagen
kinderen met hun bleke smoeltjes naast jouw stoffelijk overschot.
In de afgelopen twee jaar heb ik het terrein bij het
crematorium waar jouw as is uitgestrooid niet bezocht. Eerlijk gezegd ben ik de
confrontatie met de eindigheid van jouw leven bewust niet aangegaan. De
voorstelling van jouw lichaam dat in vlammen is opgegaan wil nog altijd niet
landen bij mij. De kinderen vonden de gedachte aan een urn belachelijk en
wisten zeker dat jij niet als een restje stof in een stenen pot op de schouw
had willen staan. Dat klopt wel volgens mij, maar ik kan er niet diep op ingaan.
Het is voor mij niet te bevatten dat je bent opgelost. Liefde is tastbaar.
Iemand die zoveel voor mij betekent moet nog ergens zijn. Ik ben niet ineens
gestopt met van je te houden. Van het totaalplaatje. Van je karakter, je
uitstraling, maar ook van het uiterlijk dat je met zoveel verve droeg. Dat
begeerlijke, warme lijf dat ik zo goed kende en dat ik letterlijk en figuurlijk
hartstochtelijk heb liefgehad.
We zaten met zijn vieren aan de keukentafel. De kinderen,
de begrafenisondernemer en ik. Het was zaterdagmiddag 2 februari 2019 en jouw
doodsstrijd van de afgelopen vijf weken sidderde na in al mijn zintuigen. De
begrafenisondernemer zat tegenover mij op jouw oude plek. Hij wist zich pas een
houding te geven toen ik tijdens het schenken van een kop koffie met vaste hand
kennelijk de indruk bij hem wekte een sterke weduwe te zijn. Zijn selectieve
waarneming blokkeerde me. Ik kroop nog verder terug in mijn schulp, want dat
wat hij verkoos te zien was mijn automatische piloot. In werkelijkheid was ik
in shock en balanceerde aan de rand van een zwart gat. Ik had zojuist een
trauma van hartverscheurende mantelzorg achter de rug. Mijn ziel en zaligheid
waren compleet afgemat. Uitgeput was ik overgebleven met twee ontredderde
pubers van 15 en 16. Mijn leven was aan stukken geslagen. Ik had het idee dat
ik nog maar voor de helft aanwezig was. De andere helft was met jou
afgestorven. Doodgebloed. Weggevaagd. Incompleet nu werd ik vervolgens geacht
om de begrafenis van de liefde van mijn leven te regelen met een wildvreemde.
De bloemen, de kist. De koffietafel met alleen maar cake of ook belegde
broodjes en kroketten? Zeg het maar. Hoeveel bezoekers dacht ik ongeveer te
mogen onthalen? Wat was het budget? Voor jou alleen het allerbeste toch? Ik was
verdoofd en praktisch. Na een relatie van ruim 36 jaar kon ik jouw bescheiden
wensen dromen. De kinderen dachten mee en ik wilde ze niet in de steek laten
door ze de boventoon te laten voeren. Ik moest erbij blijven van mezelf. Dat
lukte redelijk tot aan de slotbespreking over de urn. De begrafenisondernemer
merkte niet dat ik dichtklapte. Hij had zijn laptop alweer opgeborgen. Zijn
klus op die zaterdagmiddag 2 februari 2019 was sneller dan normaal geklaard.
Toen mijn slotakkoord uitbleef, nam hij zelf het heft in handen en rondde de
bijeenkomst zakelijk af.
‘Er is geen haast bij de keuze aangaande een urn of
verstrooiing, Neemt u rustig de tijd’, zei hij, waarna hij de voordeur achter
zich dichttrok.
Je neemt geen tijd. Tijd krijg je en in ons geval was het
niet genoeg.
‘Ik ben nog niet klaar’, vertrouwde je me toe op jouw
ziekbed.
Wat moest ik daarop zeggen? Als een razende zocht ik naar
protest in mijn imploderende hoofd. Ik vond geen woorden en zweeg ontdaan en
opstandig. Langzaam maar zeker verzeilde ik in een soort hysterische
verdwazing. Een schrijnende bedwelming afgewisseld met panische golven van
vertwijfeling. Alsof een oneindig gevoelsleven onophoudelijk wordt uitgehold
tot een droomloze slaap erop volgt. Of de achtbaan van de rouw gaat over de kop
door een onbedaarlijke huilbui die toch ook verlichting brengt met een tranenzee
die de aangekoekte ellende stukje bij beetje losweekt en het aandenken
verheldert. Op het ritme van die golfbewegingen zijn twee jaar verstreken. Naar
verloop van maanden begon de dynamiek van emoties in heftigheid af te nemen met
steeds grotere pauzes tussen mijn paniekaanvallen. Inmiddels ben ik weer vaker
kalm dan gespannen. Zoals vroeger met jou aan mijn zijde. Weet je nog?
Direct na jouw overtocht ben ik me gaan verdiepen in de
dood. Waar ben je gebleven zonder mij? Hoe moet ik verder leven voor de
kinderen? Ze hebben al geen vader meer. Met wie moet ik nog praten, lachen,
ruziën en discussiëren op gelijk niveau? Bij wie kan ik nou mezelf zijn? Wie
anders dan jij kan mij verdragen met al mijn onhebbelijkheden? Wie zorgt er
voor mij als ik later oud ben en gebrekkig? Niet de kinderen mag ik hopen. Zij
bouwen straks een eigen leven op. We zijn weliswaar te hecht om elkaar ooit uit
het oog te verliezen, maar God verhoede dat ik in de toekomst een verplichting
voor Robin en Trevor word. En een nieuwe liefde is geen optie. Niet op onze
manier.
Aldus dwalend en vragend op het internet laat ik me al
twee jaar troosten door het algoritme van het spiritualisme. Ik spit door de
verhalen van mediums en hun vermeende contact met overledenen. Uitermate
kritisch beluister ik online podcasts over reïncarnatie; betwijfel
getuigenissen van bijna-doodervaringen en neem de schetsen van het hiernamaals
met moeite serieus. Daar ergens tussen bevind jij je nu. Onbereikbaar dichtbij,
terwijl je me dag en nacht omgeeft Ondanks de rouw ben ik na jouw overlijden geen
seconde alleen geweest en mogelijk ben ik wel compleet doorgedraaid na 2
februari 2019. Ik weet niet zeker of je me hoort als ik met je praat en of je
ook echt wat terugzegt. Ik ga op mijn gevoel af als ik vermoed dat jij mijn
intuïtie voedt. Er is geen onomstotelijk bewijs voor leven na de dood. Alles is
een kwestie van persoonlijke perceptie. Onschatbare waarneming waarmee ik in de
afgelopen twee jaren dermate vergroeid ben dat ik met zekerheid levenslang niet
meer van mijn geloof in ons af zal vallen.
10 februari 2021
Citroën
Hier in de straat wordt amper gestrooid. Bovendien heeft
koning winter in de nacht van zondag op maandag dusdanig geheerst dat alle
geparkeerde auto’s zijn ingesneeuwd. Als ingevroren blikjes staan ze
onbruikbaar voor de omheining van de spoorkuil die onevenredig veel opwaaiende
sneeuw heeft tegengehouden. Daarna is de vorst ingetreden voor een solide
ijsblokkade van sneeuwophopingen. Vanuit het slaapkamerraam keek ik uit op een
man die tevergeefs met een schepje de bevroren berg sneeuw rond de wielen van zijn
auto probeerde af te vlakken. Zijn auto staat in het parkeervlak tegenover ons
huis. Op de plek waar vroeger meestal jouw Citroën te vinden was. Ik zou hem
best te hulp geschoten zijn als ik dacht dat zulks zin had, maar Trevor en ik
hadden eerder die zondag al twee scheppen geruïneerd op dat sneeuwbeton dus ik
deed niks en keek toe hoe hij na zijn vergeefse ruimpogingen met veel kabaal
zijn auto startte. In de ijdele hoop achteruit uit te kunnen parkeren reed hij
voortvarend een centimeter of twee naar voren. Vervolgens een verwoede draai
aan het stuur, een klap van het portier en daarna viel het stil. Nou staat zijn
auto scheef in het parkeervlak. Nog steeds muurvast in een sneeuwberg. De man
heeft de moed opgegeven tot de dooi intreedt. Hij kwam me niet bekend voor als
buurtbewoner. Het is te hopen voor hem dat hij bij zijn vriendin en niet bij
zijn moeder op bezoek was. Ook met het oog op de avondklok.
Die lockdown is trouwens ook de oorzaak dat er geen paden
gebaand worden in het gepekelde ijs op de rijweg hier in de straat. Dus blijft
mijn karretje laf op de oprit staan. In tegenstelling tot alle andere
geparkeerde auto’s tegen de omheining van de spoorkuil is mijn occasion niet
ingesneeuwd. Mijn auto stond uit de wind Als ik zou willen zou ik zo weg kunnen
rijden. Als jij nog geleefd zou hebben, dan had je me allang het verkeer in
gekregen. Zo was jij dan ook wel weer op van die idyllische wintermomentjes:.
‘Stel je niet zo aan. Je kunt toch autorijden? In z’n
twee dan komt alles goed’, zei je dan.
‘Ja, maar ik heb niet eens winterbanden’, zie ik mezelf
stuiteren.
‘Laat je toch niets wijsmaken!’, hoor ik jou
tegenwerpen..
Trevor lachte me ook nog uit, omdat ik meende dat die
ingesneeuwde auto op jouw vroegere parkeerplaats een Citroën was. Je reed het
liefste in Citroëns. Altijd tweedehandsjes uiteraard. Aan het einde van je
leven had je een XM of een DS dat mag ik kwijt zijn. Je was zelfs lid van de
Citroënclub, maar je ging nooit naar de clubdagen. Je wilde niet geassocieerd
worden met mannen die naar hun Citroën refereerde als ‘De Dame’. Je betaalde
wel contributie en ik vond weleens een opengeslagen clubblad op de salontafel.
Vlak na jouw overlijden hebben we jouw laatste Citroën van jouw vertrouwde
parkeerplaats tegenover ons huis weg laten slepen. We kregen er nog 50 euro
voor Het kentekenbewijs vond ik pas terug toen het niet meer nodig was.
Jaren geleden kocht je voor mij ook een tweede hands
Citroën. Een XM of een DS dat mag ik kwijt zijn. Ik reed erin en dat is meer
dan ik van jouw Citroën kon zeggen. Ik kreeg achter het stuur van jouw Citroën
altijd associaties met de cockpit van een straaljager. Met een schietstoel en
een heel smal vizier bij wijze van overzicht op de weg. Mijn eigen Citroën
voldeed wat beter, maar was geen lang leven beschoren. Voor geen goud nam ik
daarna jouw aanbod aan om jouw Citroën te lenen. Ik durfde niet. Dus schafte
jij voor mij mijn huidige occasion aan. Een Renault nog wat. Kan ik tenminste
ook zien waar ik rijd.
Vandaag ben jij er niet meer om mij de weg op te jagen en
moed in te spreken en dus bagger ik voor de dagelijkse boodschappen naar de
ALDI aan het einde van de straat. Voorlopig geen koopjes jagen en prijzen
vergelijken bij de Albert Heijn, Jumbo of Lidl, maar hey; ik mag wel in mijn
handen wrijven dat er bij mij in de buurt tenminste één supermarkt op
loopafstand te vinden is. Bij alle thuisbezorgdiensten zijn er nog 500
wachtenden voor mij en ben ik ergens tegen 22 februari aan de beurt. Toch kan
ik niet anders dan elke dag op strooptocht uit. Hamsteren is onmogelijk daar de
tocht naar de supermarkt door het sneeuwberglandschap ook zonder overvol
beladen boodschappentassen niet onder doet voor een intense workout voor
gevorderden.
‘Je hebt niet voor niks een auto’, laat jij mij
hoofdschuddend vanaf jouw wolk weten.
Ik stop aan de voordeur om op adem te komen. Op zoek naar
mijn huissleutel plaats ik twee zware shoppers aan weerszijden van mijn
moonboots in de sneeuw. Ik draai me om en kijk naar jouw oude parkeerplaats met
daarop de scheef geparkeerde, ingesneeuwde auto van de vreemdeling. Als ik door
de spleetjes van mijn ogen tuur dan lijkt het toch alsof jouw vertrouwde
Citroën daar staat. Het is net of je weer even thuisgekomen bent
Lerarentekort
17 maart 2021
Over het algemeen heb ik een gelijkmatig humeur, maar zo
nu en dan word ik overvallen door een herinnering die me een oppepper kan
geven, of die een opgekropte kwaadheid losmaakt. Dat laatste heeft alleen maar
zin als ik de losgekomen woede aan de oppervlakte ook in de diepte verwerk.
Hoe? Door mijn frustratie recht in de ogen te kijken door er een anekdote van
te maken.
Uit het niets lijkt wel, word ik vandaag geplaagd door
een flashback naar de docentenacademie, alwaar ik na de dood van mijn
echtgenoot Hans Barten twee jaar geleden, nog een blauwe maandag een poging heb
gewaagd om een onderwijsbevoegdheid te behalen. Let wel; ik was toen 53 jaar en
niet bepaald de jongste student aan de Radbouduniversiteit ooit. Ik had
crisisoverleg met een vertrouwenspersoon van de opleiding, omdat mijn
begeleidster op de middelbare school waar ik ergens in Nederland stage liep
(niet in Nijmegen), mij behandelde als een demente bejaarde. Of als een
onmondige tiener. Kies maar. Hoe dan ook; het boterde niet tussen de
drukbezette, jonge docente Nederlands en mij. Een kersverse, alleenstaande
weduwe met twee thuiswonende volwassenen in wording. Op een gegeven moment komt
de stagebegeleidster in de klas, waarin ik achterin al tien dagen haar
onderwijsstrategieën zat te observeren, na de les naar me toe en vraagt me
ineens hoezo ik weduwe zeg te zijn. Terughoudend vertel ik haar kort en zakelijk
waaraan Hans eerder dat jaar (2019) is overleden. De stagebegeleidster luistert
met een half oor en kijkt een beetje viezig. Tegen het einde van mijn antwoord
valt ze me verveeld in de rede. Ik hoef haar niets te vertellen. Ze weet alles
van kanker door een familielid van haar. Een tante. Tot slot doet ze een
minzame belofte:
‘Ik moet nu verder, maar we zullen het hier nog wel vaker
over hebben.’
Ik begrijp dat dit een zoenoffer is, maar ik heb het
gevoel dat mijn keel wordt dichtgeknepen. Ik moet er gewoon niet aan denken om
nog vaker met dit onmens over het overlijden van de liefde van mijn leven te
moeten babbelen.
Tijdens het crisisoverleg was dit één van de vele
geschetste futiliteiten die ik gebruikte om voor mijn vertrouwenspersoon op de
docentenacademie mijn onmogelijke positie ten opzichte van mijn
stagebegeleidster op de middelbare stageschool te illustreren. Het zijn de
kleine dingen die het doen.
‘Had ik dan moeten verzwijgen dat ik weduwe ben?!’, riep
ik wanhopig uit.
Het antwoord van de vertrouwenspersoon kan me nu nog in
een shocktoestand terugbrengen.
‘Nou ja, je had kunnen volstaan met te zeggen dat je een
alleenstaande moeder van twee pubers bent. Misschien kun je op een nieuwe
stageschool beginnen als gescheiden vrouw van middelbare leeftijd in plaats van
als weduwe.’
Serieus? Aan zulke bovenmenselijke eisen kan zelfs een
fruitige, jonge briljante docent in wording niet voldoen. Zo los je het
lerarentekort nooit op natuurlijk.
9 mei 2021
Moeder
Sinds haar overlijden een jaar geleden op 29 april 2020,
ben ik minder met haar bezig. Ze heeft haar rust verdiend, maar niet als
moeder. Ik heb van haar gehouden. Noodgedwongen, omdat ik haar dochter was en
dus via haar uitgroeide tot wie ik ben. Maar ook zomaar. Af en toe. Als we
tranen lachten samen. Toch lag haar verraad aan mij altijd op de loer. De
afgunst vanwege mijn kansen die zij nooit kreeg. Alle aandacht die ze opeiste
en mij misgunde. Met haar rotopmerkingen tot gevolg. Ze kon zich voorstellen dat
niemand mij aardig vond. Ach een mens zegt weleens wat. Niet zo diep graven
jongedame.
Na de komst van haar kleinkinderen groef ik niet meer. De
kans om oma te zijn wilde ik haar niet ontnemen. Ik wist dat ze het in zich
had, want ik heb zelf jarenlang haar moeder als een lieve oma ervaren.
‘Nou zo lief was ze anders niet als moeder!’, sprak mijn
moeder vroeger vaak kwaad over haar moeder.
Hetzelfde kon ik van haar zeggen tegen de kinderen. Maar
dat deed ik niet.
‘Jij bent altijd veel te aardig tegen oma’, merkten mijn
kinderen op.
Een cadeautje van het universum. Tussen haar en mij was
er een beleefde afstand in de laatste jaren, die zij nog weleens probeerde te
overbruggen met een sneer naar het verleden.
Na de begrafenis van mijn man in februari 2019 gaf ze me
met tranen in haar stem voor het eerst in mijn leven een welgemeend compliment
aan de telefoon;
‘Je hebt het goed gedaan. Ik was zo trots op je tijdens
de plechtigheid.’
Haar liefde uitte zich niet langer meer in onderdrukte
jaloezie, maar in medelijden. Mijn bloed stolde. Ik weet niet wat ik erger
vond.
15 mei 2021
Wat als.
Vandaag zou je 59 jaar geworden zijn. Je zou je eerste
prik al gehad hebben vanwege diabetes type 2. Voor jouw part Astrazeneca. Zo
zou je tenminste weer met een gerust hart sociaal hebben kunnen verkeren. Op
rak.
Naar rommelmarkten. Of kringloopwinkels afstruinen met je
zoon. Dat thuiswerken zou wat jou betreft inmiddels ook wel teveel van het
goede geworden zijn. Skypen vond je prima, maar niet als het verplicht is.
Zelfs in de automatisering moet je elkaar soms ook in het echt onder ogen
kunnen komen.
We zouden geen verjaardag bezoek hebben ontvangen, want
dat deden we onszelf al jaren niet meer aan. Het liefst waren we uit eten
gegaan. Inmiddels niet meer naar Macdonalds, maar misschien wel met de kinderen
naar de Wereldkeuken, de Tapasbar of de Chinees. Helaas kan dat uit eten gaan
even niet, vanwege de gedeeltelijke lockdown, waar jij helemaal achter zou
hebben gestaan. Vermoedelijk hadden we een Chinese rijsttafel laten bezorgen.
Of ik was achter het fornuis gaan staan voor zelfgemaakte Chinese tomatensoep,
nasi, saté en fujung hai. Jouw lievelingseten.
Aan tafel zou de recent verbroken relatie van Robin met
haar vriendje nog even ter sprake komen. Jij zou niet rouwig om de breuk zijn,
maar dat achteraf niet meer aan Robin laten merken. In plaats daarvan zou je
haar laten weten hoe trots je op haar bent. Specifiek op haar gevoel voor
eigenwaarde waarmee ze haar ex de mond heeft gesnoerd. Robin zou zich
verbijten, totdat ik over het komende eindexamen van Trevor zou beginnen. Jij
zou direct bij mij aandringen om mij niet onnodig sappel te maken. Trevor is een
grote jongen. Iedere examenkandidaat kan een zenuwachtige moeder sowieso missen
als kiespijn. Trevor zou het natuurlijk weer roerend met je eens zijn.
Daarna zouden we met z’n vieren over muziekstijlen verder
praten en over politiek. Waarschijnlijk zou je nog steeds SP gestemd hebben.
Hoewel je in 2018 nog jouw lidmaatschap van de SP in Nijmegen had opgezegd. De
nieuwe gemeentelijke lijsttrekster vond jij niet geloofwaardig. Ik vond dat
hetzelfde gold voor Lilian Marijnissen in de landelijke politiek. Dat vond jij
weer van niet. Bovendien zou je de ontmaskering van de toeslagenaffaire door
voornamelijk Renske Leijten van de SP hebben toegejuicht. Dat weet ik bijna
zeker. In de jaren 90 van de vorige eeuw ben je immers op de SP gaan stemmen,
omdat deze politieke partij als enige opkwam voor de werknemers die massaal bij
de DAF in Eindhoven ontslagen werden. Ook zo mensonterend. Vergelijkbaar met de
toeslagenaffaire. Toch is mijn stem dit jaar niet naar de SP gegaan. Het
kabinet is gevallen over de toeslagenaffaire; de slachtoffers krijgen een
schadevergoeding; en de regering belooft meer openheid van zaken. Wat willen we
nou nog meer? Over het antwoord op deze vraag zouden jij en ik redetwisten.
Je zou me niet veroordelen, dat weet ik wel. Daar staat
tegenover dat ik me ook niet in een hokje zou laten wegzetten. Misschien dat ik
je had kunnen overtuigen? Of andersom. Was ook goed geweest.
Na het eten zouden jij en ik een detective kijken, die
vantevoren door jou was opgenomen; Morse, Wallander, Silent Witness, Frost,
Waking the Death, Tatort of één of andere thriller die momenteel ‘hot’ is. De
kinderen zouden bij ons komen zitten met ieder een laptop op de schoot.
We zouden ook voor iets op Netflix hebben kunnen kiezen,
want dat doe ik tegenwoordig steeds vaker. Jij en ik hebben samen pas één
seizoen van The Crown gekeken. We zouden hebben kunnen starten met bingewatchen
dus. Jij op jouw relaxstoel, met ook jouw laptop binnen handbereik, en ik
languit op de driezitsbank. Ik vermoed dat je ‘Undercover’ ook wel
onderhoudende schiettelevisie zou hebben gevonden. Of Weissensee op Netflix.
Deze serie zou je net als ik in één zit uitgekeken hebben.
Van de kinderen en mij zou je voor jouw verjaardag een
online boek van Henning Mankell, Agatha Christie of een andere populaire
misdaadauteur cadeau hebben gekregen. Voor het slapen gaan vannacht zou je
alvast in ons bed begonnen zijn in je nieuwe aanwinst op jouw ereader. Ik zou
voor pak weg de tienduizendste keer naast je in bed gekropen zijn. Je zou op je
zij gelegen hebben met je rug naar me toe. Macht der gewoonte, want even goede
vrienden. Dat we van elkaar hielden zou nooit ter discussie hebben gestaan. We
hadden elkaar welterusten gewenst. Ik zou je verder niet hebben gestoord met
huishoudelijke mededelingen, omdat je jarig was vandaag.
Hoe voorspelbaar zou jouw 59jarige verjaardag verlopen
zijn als je niet al 2 jaar geleden overleden was. Hoe clichématig ook is mijn
dankbaarheid dat wij 36 van dat soort burgerlijke verjaardagen samen hebben
mogen vieren en hoe doorzichtig tenslotte is mijn chronische verlangen naar
jou. Ik mis je.
23 juli 2021
Pijnpunt
Het is net of ik op de vele dagen dat het nu wel gaat aan
de oppervlakte leef. Als ik de diepte inga dan stuit ik op een pijnpunt met een
dun vliesje. Zodra ik doordouw dan knapt het verdriet weer open in alle
hevigheid. Vannacht droomde ik dat ik in bad zat met Caroline. Een vriendin die
op 3 december 2018 is overleden. Ik legde haar uit dat ik nou alleen was en dat
ik maar veel bij haar moest komen logeren. Caroline reageerde ontwijkend in
mijn droom en ik probeerde haar terughoudendheid te begrijpen.
'Of nee, doe maar niet, want dat is niet leuk voor jouw
Jan. Hij leeft tenminste nog!', krabbelde ik terug.
Meteen daarna werd ik wakker. Mijn ogen vol tranen. Ik
was boos. Caroline is helemaal niet op jouw begrafenis geweest!.
Ik zat rechtop in bed en kwam tot mezelf:
Caroline had helemaal niet op jouw begrafenis aanwezig
kunnen zijn, want ze was 2 maanden eerder al overleden.
27 september 2021
Laatste woorden
Er is een leven na jouw dood. Dat leven leef ik nu al
twee jaar en acht maanden. Het is geen leven zonder jou en toch ben je
gestorven. Inmiddels studeert Robin psychologie aan de HAN. Trevor haalde in de
afgelopen zomer zijn vwo-diploma en neemt nou een tussenjaar. Hij heeft nog
geen idee wat hij wil studeren. Ik kan hem ook helemaal niet adviseren met m’n
letterenstudie uit de vorige eeuw. Trevor wil ‘íets’ met natuur- of wiskunde.
Biologie vindt hij ook wel interessant. Was jij nou maar hier om hem te ondersteunen.
Maar jij zou je niet zo druk maken.
‘Hij is mans genoeg om zelfstandig keuzes te maken’ zou
je zeggen.
Verder zou je mij op het hart drukken om wat meer
vertrouwen in onze kinderen te hebben.
Met een beetje fantasie lukt het me in de tegenwoordige
tijd meestal dus wel om jouw mening of advies over een dringende kwestie in
mijn hoofd samen te stellen. Zonder jouw directe input. We zijn tenslotte
zesendertig jaar een stel geweest. Het zou natuurlijk ook kunnen dat mijn
chakra’s na jouw overgang van ellende zijn opengebroken voor communicatie met
het hiernamaals. Afhankelijk van mijn stemming herdenk ik jou spiritueel of
niet. Want zoals Multatuli al schreef:
‘Misschien is niets waar en zelfs dat niet.‘
Toch voel ik nog steeds een onafgebroken connectie met
jou. Alsof je op een onbekende reis bent gegaan naar een bestemming waar ik je
straks weer mag ontmoeten. Ik betrap mezelf erop dat ik anekdotes bewaar voor
dat moment van hereniging. En in de kledingkast, die jij voor mij ontwierp,
hang ik setjes apart die jij mooi zou hebben gevonden. Voor de gelegenheid.
Macht der gewoonte en ook best wel pathetisch eigenlijk. Op nuchtere dagen. Op
emotionele momenten troost ik me met de gedachte dat jij begin jaren tachtig
van de ene op de andere dag in mijn leven gekomen bent. Dan kan niemand mij
wijs maken dat je sinds jouw sterfdatum van 2 februari 2019 ergens gebleven
bent waar ik je uiteindelijk niet terug ga vinden.
Er is dus hier leven en in het hiernamaals als je het mij
vraagt. Jij speelt altijd door mijn hoofd. In goede en in slechte tijden.
Bijvoorbeeld tijdens de diploma-uitreiking van beide kinderen waarbij jouw
bekende ironie voor mij de uitwerking van de afscheidspraatjes van de mentoren
relativeerden. Je weet dat ik overgevoelig ben. Zo werden alle meisjes uit de
examenklas havo 5 van 2019 op de SSGN op hun beurt geprezen vanwege hun sociale
vaardigheden. Stuk voor stuk werden ze ‘het cement’ genoemd. Tot vervelends
toe. Het cement dat de bouwstenen van de groep – de jongens uit de examenklas
dus - bijeen had gehouden. Met uitzondering van Robin. Toen haar naam ter
sprake kwam werd ze, al dan niet per ongeluk, min of meer afgedaan als een
leerlinge die niet graag moeilijk doet.
‘Lekker makkelijk’, hoorde ik jou in mijn oor
protesteren.
‘Maar altijd nog beter dan het cement dat de bouwstenen
van de groep bijeen houdt’, voegde je nog spottend aan jouw speelse rebellie
toe.
Ook bij de toespraak op de diploma- uitreiking van
Trevor, in juli van dit jaar, kreeg je me aan het lachen. Trevor werd een ruwe
diamant genoemd die niemand van de docenten op de SSGN had kunnen slijpen.
‘Hebben we toch nog iets goed gedaan’ fluisterde je in
mijn oor vanaf de vierde stoel aan de familietafel in de aula van de middelbare
school van onze kinderen. Een lege stoel.
Tijdens dit soort momentopnames schiet ik altijd vol. Het
zijn samengestelde fragmenten van oneindig veel herinneringen, jouw
persoonlijkheid en dat wat had kunnen zijn. Of eigenlijk dat wat had moeten
zijn. Als alles goed was geweest. Maar jij ging dood en ik leef verder.
Eigenlijk overleef ik en doe maar wat de hele dag.
‘Je doet het toch goed!’, hoor ik je me verbeteren.
En ik geloof je wel, maar je weet hoe ik kan wankelen en
jij kunt me niet meer vasthouden. Dan lees ik op het internet over her verloop
van het rouwproces en de verschillende stadia. Alsof verdriet een hapklare brok
is bestaande uit een serie van voorgesneden porties. Eerst is er ontkenning,
daarna de boosheid, vervolgens het besef van het grote gemis, versterkt door de
eenzaamheid, het schuldgevoel en tot slot de acceptatie. Bij mij loopt alles
door elkaar heen in repetitieve golfslagen van tegenstrijdige emoties. Het ene
moment denk ik dat het is wat het is, om een paar seconden later in opgekropte
woede te vervallen over de rotopmerkingen die je maakte tijdens de ruzies die
we hadden.
‘Alsof jij zo’n schatje bent als je kwaad bent’, schamper
jij.
Ik herinner me opeens dat je gelijk hebt en dan
verschijnt het schuldgevoel en het beeld van jouw lachende gezicht en je lieve
twinkelogen. Je schudt je hoofd:
‘Het is niet belangrijk’, verzeker je me voor de
duizendste keer.
‘Wat is dan wel belangrijk?’ sudder ik nog wat na.
‘Wij; de kinderen; jij en ik’, zou je antwoorden als je
niet meer kwaad was.
Daarna komt het besef dat boosheid ook een uitingsvorm is
van rouw.
‘Gewoon toelaten’, zeg jij.
Jij hebt nooit aan mij getwijfeld
‘Ik houd van jou’, zei ik toen je op jouw sterfbed lag.
‘Dat weet ik’, waren jouw laatste woorden.
9 augustus 2022
Licht aan het einde van de Turnamat.
Mijn overleden echtgenoot Hans stond altijd voor iedereen
klaar. Op zijn werk was hij onder meer bekend vanwege zijn behulpzaamheid en
ook voor de kinderen en mij was weinig hem teveel gevraagd. Toch was er een
chronisch klusje dat ik hem liever uit handen had genomen als ik had geweten
hoe ik dat aan moest pakken en dat was de reparatie van de wasmachine. Ik heb
wat tweedehands wasmachines versleten in de 36 jaren dat we samen waren. Hans
tikte altijd bovenladers van het merk AEG geloof ik op de kop. Ze droegen de
naam Turnamat. Dat waren van die ouderwetse apparaten uit de jaren 60, 70 en 80
van de vorige eeuw. Onverwoestbaar en zo ja dan toch tamelijk makkelijk te
repareren. Althans als ik Hans moest geloven en dat deed ik uiteraard. Ik was
trouwens van huis uit geen moderne machines gewend, want mijn vader was ook een
liefhebber van oldtimers. Van hem leerde Hans om altijd een reserve Turnamat
achter de hand te houden als een soort talisman onder het motto:
‘Als je een reserve apparaat in huis hebt, dan gaat je
wasmachine nooit meer kapot.’
Die vlieger ging bijna altijd op, behalve als de machine
het begaf en ik met de vuile was bleef zitten. De goede sfeer was op die
momenten in ons anders zo harmonieuze huishouden ver te zoeken. Onder luid
gevloek en getier werd de wasmachine uit haar hok getrokken en belaagd door
mijn anders zo liefhebbende echtgenoot. Meestal kon hij met het nodige kunst-
en vliegwerk de levensduur van de Turnamat nog wel een half jaartje rekken,
maar gerust was ik er vanaf de eerste tekenen van verval niet meer op.
Kort na 2 februari 2019 - het overlijden van Hans - begon
zijn laatste aangeleverde Turnamat moeilijk te doen. Onze zoon Trevor trad
meteen in de voetsporen van zijn vader en grootvader en lapte de machine op. Ik
was diep onder de indruk. Trevor was toen pas 15 jaar, maar Hans had me op zijn
ziekbed al gerust gesteld:
‘Trevor kan het allemaal!’
Voor de zekerheid schafte Trevor via marktplaats alvast
een reserve, tweedehands Turnamat aan. Ook lijnrecht in de traditie van zijn
vader en grootvader. Met dit verschil dat Trevor nog geen rijbewijs heeft, dus
deze keer mocht ik rijden en meehelpen sjouwen, nadat we de Turnamat hadden
gevonden in een pittoresk boerderijtje in the middle of nowhere.
Kort na deze onderneming was de levensduur van de machine
van mijn moeder verlopen. Ook nog een Turnamat die mijn vader bij leven had
aangeschaft. Hij is overleden in 2007. Eén van mijn broers stond op het punt om
een nieuwe, eigentijdse wasmachine voor mijn moeder in een reguliere
witgoedwinkel aan te schaffen, toen zij persoonlijk een stokje voor deze
aankoop stak. Haar hele leven had ze Turnamats bediend en een oude aap leer je
geen nieuwe kunstjes meer. Bovendien stond er nog een reserve Turnamat in onze
garage, die mijn moeder natuurlijk in bruikleen mocht hebben. Dezelfde Turnamat
die ik na het overlijden van mijn moeder in 2020 weer terug ben gaan halen van
Eindhoven naar Nijmegen, omdat mijn Turnamat intussen ook weer aan vervanging
toe was.
In maart 2021 draaide deze Turnamat haar laatste rondjes.
Daarna was het over en uit en Trevor stond met zijn handen in het haar. Ik vond
dat de tijd was aangebroken voor een nieuwe wasmachine, maar daar was Trevor
nog niet aan toe. Als ik nou niet zo nodig acuut hoefde te wassen en een weekje
of twee zou wachten dan had hij tenminste genoeg tijd en ruimte om via
marktplaats de nodige onderdelen te bemachtigen teneinde de Turnamat alsnog te
repareren. Ik wanhoopte en zag de bui alweer hangen.
‘Ik wil het niet meer’, stampvoette ik.
‘Alles mis ik aan je vader, behalve dat eindeloze gemeier
met die wasmachines. Ik wil het niet meer. Het moet stoppen. Nu.’
‘Het houdt niet op, niet vanzelf’, zong dochter Robin nog
op de achtergrond.
Het compromis werd een tweedehandse, moderne wasmachine
van het merk Bosch met drie maanden garantie bij een officieel witgoed bedrijf.
We tellen 15 maart 2021. Ik wist niet wat ik kon verwachten van een moderne
wasmachine, maar ik was blij verrast.
Eind juli van dit jaar hield mijn brave Bosch er ineens
zo maar mee op. Trevor achterhaalde het euvel. Iets met de aansluiting,
waardoor er nog een probleempje met een op hol geslagen kraan opdook dat moest
worden opgelost door een loodgieter, die eerst een paar daagjes op zich liet
wachten (150 euro). Ondertussen stapelde de vuile was zich op. In de weken erna
viel de stroom verschillende keren uit door toedoen van de Bosch. Na herstel in
de schakelkast moest de machine gereset worden. Dat klinkt eenvoudiger dan het
is. Bij de laatste keer gooide Trevor de handdoek in de ring:
‘Koop maar een andere’, adviseerde hij verhit met zijn
witte poloshirt onder de zwarte vegen.
Die andere wasmachine werd weer een Bosch van 160 euro.
Gevonden op marktplaats. Afgelopen vrijdag werd zij geleverd. De verkoper nam
de oude Bosch zelfs mee. Dat vond ik nog zo netjes van hem. Op zijn verzoek
betaalde ik contant. Gisteren is de nieuwe Bosch gecrasht. Ik heb welgeteld 3
wasjes gedraaid.
‘Trevor’, begon ik gisteren zo voorzichtig mogelijk.
‘Ja?’, vroeg hij gealarmeerd.
‘De wasmachine draait niet.’
‘I hate my life’, riep hij in het Engels uit.
Hij is een kind van zijn tijd en hij had de
wasmachineverkoper net 5 sterren toegekend op marktplaats. Niks meer aan te
doen. De rest van de zondag besteedde Trevor aan proberen te redden wat er nog
te redden viel, terwijl ik me vast voorbereidde op acceptatie van de miskoop
van het jaar. Om 3 uur vannacht heeft Trevor de Bosch eindelijk opgegeven. Hij
praat over pure pech. Ik vind de verkoper een oplichter. Hij geeft ook niet
meer thuis na onze online melding over de defecte Bosch die hij ons heeft aangesmeerd.
Ik zou al genoegen nemen met de helft van het bedrag retour. Wat zeg ik? Een
kwart. Ok een tientje dan.
Enfin naar dat geld kan ik fluiten. Het positieve aan het
hele gebeuren is dat Trevor en ik nu besloten hebben om een Bosch te huren voor
5 euro per maand en een borg van 37,50. Ik zit er voor zes jaar aan vast en als
de machine kapot gaat, komt er gewoon een monteur van het bedrijf om de machine
te repareren. De kosten hiervoor zijn bij de huurprijs inbegrepen. Woensdag
wordt de nieuwe Bosch geleverd. Eindelijk licht aan het einde van de Turnamat.
7 oktober 2022
Niet te missen.
Vandaag zou mijn moeder 87 jaar geworden zijn.
‘Op deze stralende dag’, zou ze gezegd hebben als ze niet
op 29 april 2020 overleden was.
Het ouderlijk huis dat mijn broers en ik na haar dood
verkochten staat na 2 jaar alweer te koop voor 6 ton. Dat hebben wij er niet
voor gekregen. Ook niet gevraagd trouwens. Maar de foto’s op Funda laten zien
dat het huis waarin ik ben opgegroeid dan ook helemaal verbouwd is. Nou ja,
verpest als je het mij vraagt. Mijn ouderlijk huis is niet meer.
In tegenstelling tot de geest van mijn moeder die
natuurlijk door mijn gedachten meandert. Misschien wel iedere dag, maar toch
minder nadrukkelijk dan bij haar leven. We hadden een moeizame relatie en
vandaag hoef ik mezelf niet meer constant in bescherming te nemen tegen haar
stugge karakter. Mijn moeder kon in en in gemeen zijn en haar slachtoffers
zonder blikken of blozen de meest afschuwelijke beledigingen naar het hoofd
smijten. Ik was één van haar slachtoffers. Dat lag aan mijn opstelling volgens
mijn moeder.
‘Eigen schuld, dikke bult’.
Als klein meisje aanbad ik haar. Totdat ik ging puberen.
Op mijn dertiende werd ik van de ene op de andere dag pisnijdig op mijn
betoverende moeder en haar nukken. Niet zo gek dus dat we In de jaren die
volgden min of meer permanent met elkaar in de clinch lagen. Op die zeldzame
momentopnames na, waarop we plotseling de beste vriendinnen waren. Mijn moeder
kon bij vlagen net zo innemend en humoristisch als onuitstaanbaar en zuur zijn.
Maar voor je het wist trad de gewapende vrede weer in werking. Er viel geen
peil meer op te trekken. Daarom heb ik zelfs een jaar lang het contact met
thuis verbroken. Ik zal begin 30 geweest zijn. Mijn vader sprak me daarover nog
onverwacht aan op straat. Waarom ik niet meer thuis kwam? Hij stak zijn hoofd
door het open raam van zijn auto en gebaarde dat ik naast hem moest komen
zitten. Ik had nog geen twee zinnen uitleg uitgesproken of hij begon over
zichzelf. Over dat wat hij als pater familias allemaal wel niet met mijn moeder
te stellen had. Zuchtend vroeg ik of hij me op mijn nieuwe woonadres wilde
afzetten. Dat deed hij. Pas toen ik op mijn 36ste zwanger was van onze
eersteling nam ik me heilig voor me niet meer tot conflicten met mijn moeder te
laten verleiden. Ik distantieerde me figuurlijk van haar. Maar ook letterlijk
door op 7 oktober 2005 van Eindhoven naar Nijmegen te verhuizen. Op de dag dat
mijn moeder haar 70ste verjaardag vierde reden bij ons de verhuiswagens de
Leenderweg te Eindhoven binnen om het hele Barten hebben en -houwen naar
Gelderland te verplaatsen.
In de jaren daarna werden mijn moeder en ik beleefde
verwanten van elkaar. Ik ging geen discussie met haar aan en zij zal
ongetwijfeld ook de nodige zeilen bij hebben moeten zetten om niet met mij in
conflict te raken. Een jaar of twee voor haar overlijden barstte de bom nog één
keer. Onvermijdelijk. De afkeer in haar ogen zie ik nog steeds voor me.
Onuitwisbaar. Ik weet dat ze op haar manier van me gehouden heeft, maar de
eveneens aanwezige en immer broeiende aversie jegens mij heeft een litteken bij
mij achter gelaten, dat af en toe nog steeds opspeelt.
Op 7 oktober 2019 kreeg mijn moeder op haar 84ste
verjaardag te horen dat ze ongeneselijk ziek was. Ze stierf 7 maanden later op
29 april 2020. Welgeteld 14 maanden na het plotselinge heengaan van mijn
echtgenoot op 2 februari 2019.
Mijn jongste broer (wel anderhalf jaar ouder dan ik) was
een half jaar lang mantelzorger voor mijn moeder. Met hart en ziel. Ik zal hem
eeuwig dankbaar zijn voor zijn inzet. Hij speelde het onmogelijke klaar door
mijn moeder naar haar tevredenheid te bereiken en te ondersteunen. Tot aan haar
laatste adem.
Mijn moeder en ik belden regelmatig. Totdat ze op een
keer vroeg:
‘Waarom bel je eigenlijk?’
Daarna belde ik een tijdje niet meer. Mijn echtgenoot was
amper een half jaar geleden overleden. Ik had even genoeg aan mezelf. Totdat
m’n broer belde met de vraag waarom ik mijn moeder niet meer belde. Ze had
geklaagd en gezegd:
‘Ik weet niet waarom Katinka niet meer belt.’
Ik wist toch hoe ze was. Mijn broer had gelijk. Dus belde
ik maar weer regelmatig, Ook toog ik aanvankelijk eens in de veertien dagen van
Nijmegen naar Eindhoven om haar te bezoeken. Naarmate haar ziekte zich verder
ontwikkelde reed ik vaker op en neer, tot ik in de week van haar overlijden
dagelijks naar ‘huis’ ging. We spraken over niemendalletjes mijn moeder en ik.
We waren blij om elkaar in leven te zien, meer niet. We wensten elkaar geen
kwaad toe. Zelfs alle goeds. Ergens tijdens die laatste dagen zei mijn moeder
in tranen dat ze zo trots op me was over de manier waarop ik op de begrafenis
van Hans had gesproken. Ik was volkomen knock out geslagen. Dit was het eerste.
onverbloemde compliment dat ik in mijn leven van mijn moeder had gekregen. Maar
het oude zeer bleef onder het tapijt. Godzijdank, want niemand had mij ertoe
kunnen bewegen om mijzelf weer kwetsbaar op te stellen en voor mijn moeder
bestond er geen oud zeer.
‘Weg is weg!’, zei ze altijd.
Ook als je geld van haar geleend had dat je dan achteraf
nooit terug hoefde te betalen. Want gul was ze. En tolerant. En narcistisch.
Als ik tenminste de experts in de voorlichtingsfilmpjes op mijn ‘watch’ moet
geloven. Mijn moeder voldeed aan meer typische kenmerken van een narciste dan
ik zei de gek. Misschien dat ik haar daarom niet overal terug vind in mijn
huidige gang van zaken. Wel sluimert haar markante wezen nog steeds op de
achtergrond van mijn dagelijkse doen en laten. Stijlvol, met een vleugje humor
en niet te missen. Ze was en blijft mijn moeder.
29 januari 2023
Vier jaar
Vier jaar geleden werd je uit het leven gerukt in het
ochtendgloren van een grijslauwe zaterdag op 2 februari 2019. Ik hoef in
gedachten niet terug te gaan in de tijd om me jouw afscheid voor de geest te
kunnen halen. De herinnering heb ik permanent paraat. Ik heb jou altijd bij me
en om me heen. Weliswaar op een andere manier dan de 36 jaar van ons samen hier
op aarde, maar je leeft mee en verder in mijn verbeelding en gevoelswereld.
Ondertussen ga ik onwillekeurig verder met mijn leven.
Onder supervisie van de buitenwacht en het motto:
‘We moeten door!’
Vraag alleen niet hoe en zo ja, luister dan naar een
uitspraak van Toon Hermans die luidt:
‘Je moet gewoon ademen en dan leef je vanzelf’.
Hij had wel gelijk, want ik weet nooit zo goed wat ik aan
moet met opkikkertjes als:
‘Houd vol, ga door, geef niet op.’
Wat moet ik volhouden? Waar moet ik precies mee doorgaan
en wat mag ik niet opgeven? Op het moment dat de liefde van je leven sterft,
staat de wereld op z’n kop en is niets meer hetzelfde als voorheen. Dat zal het
ook nooit meer worden. Dat weet ik nu en dat wist ik vier jaar geleden op het
ogenblik dat jij jouw laatste adem liet. Het tranendal vulde zich voor mijn
voeten. Een zwart gat dat in de loop van de tijd gelukkig wel in een mistige,
pastelkleurige vallei is veranderd. Een oase die overigens niet elke dag even
uitnodigend lonkt. Er zijn nog steeds momenten; waarop ik mijn bed niet uit
wil; waarop ik zeker weet dat onze liefde een lachertje was, waarop ik me
verlaten en verraden voel en waarop de zin van en in het leven ver te zoeken
is. Rouw is een rommeltje, want natuurlijk zijn wij voor elkaar geschapen.
Alleen niet consequent. Wel voor altijd. Verder doe ik ook maar wat, want wat
is het alternatief? Ophouden met ademen? Er een einde aan maken? Alsof dat zo
eenvoudig is.
‘We hobbelen maar heen’, zei jouw moeder altijd.
Het klonk zo doelloos, maar daarom niet minder waarachtig
dan de vraag naar waarheen de weg leidt die wij moeten gaan.
Natuurlijk zijn de afgelopen vier jaren niet alleen maar
kommer en kwel geweest. Mijn leventje telt veel zegeningen en ik probeer ze
regelmatig uit de ruis te zeven. Neem onze kinderen die voorlopig nog thuis
wonen. Robin studeert psychologie in Tilburg en Trevor Electrical Engineering
in – jawel – onze geboortestad Eindhoven. De OV-jaarkaart is gratis! Dus een
goed alternatief voor een dure studentenkamer in de betreffende
universiteitssteden. Laat die kinderen van ons maar schuiven als in jouw credo
waaraan ik vaker gehoor zou willen geven dan ik in werkelijkheid doe. Wat
piekeren betreft ben ik namelijk weer helemaal terug bij af. Ik maak me opnieuw
net zo druk over; de toekomst van de kinderen, het betalen van de rekeningen,
het onderhoud van het huis en de mankementen aan mijn huishoudelijke apparatuur
als toen jij nog leefde. Terwijl ik vlak na jouw overlijden zeker wist dat geen
huis- tuin en keukenverdrietje jouw overweldigende vertrek ooit nog naar de
achtergrond zou kunnen doen verdwijnen. Maar ze zijn er in de loop van de jaren
toch weer ingeslopen. De beren op de weg. Alleen heb ik jou niet meer fysiek
aan mijn zijde; om de boel te relativeren; om onbekommerd mee op de bank te
ploffen; om tegenaan te zeuren; om samen alsnog de schouders onder het leven
van alledag te zetten.
Toch ben ik niet eenzaam. Ik ben heel graag alleen.
Altijd al geweest. Tot ongeloof van veel mensen om mij heen. Een
facebookvriendin verzekerde mij laatst dat ik na vier jaar rouw met een gerust
hart en een zuiver geweten op zoek mag gaan naar een nieuwe levensgezel. Met
alle waardering voor het meedenken, maar ik sta niet open voor een nieuwe
relatie. Ik mis niet zomaar iemand, maar mijn zielsverwantschap in de
hoedanigheid van jouw tastbare aanwezigheid. Als ik op zoek was geweest naar
een levenspartner puur en alleen vanwege het mannelijke gezelschap – in mijn
geval - dan had ik me allang in het uitgaansleven gestort. Al dan niet online.
Zo zelfvoorzienend zou ik dan echt wel geweest zijn. Indien behoeftig. Ongeacht
jouw sterfdatum en het oordeel van de buitenwereld. Ook hoop ik niet stiekem
dat er nog terloops een prins op het witte paard op mijn pad gaat komen.
Sterker nog ik word al moe van de gedachte alleen al aan het gedoe van; het
avances maken; het elkaar leren kennen; het aan elkaar wennen en de pieken en
dalen van verliefdheid en een liefdesrelatie. Ik heb het allemaal al een keer
meegemaakt. Het was te intens en allesomvattend om voor herhaling vatbaar te
zijn. En dan maar te zwijgen over die prinsessenjurk die me inmiddels een paar
maten te klein is geworden.
Aldus lukt het me momenteel aardig om zoveel mogelijk in
het hier en nu te leven, ondanks dat ik me na jouw overlijden geamputeerd voel
en lijd aan chronische fantoompijnen. Je zou trots op me zijn.
‘Nog meer dan ik al was?’, hoor ik je plagerig vragen in
de lijn van jouw standaardreacties.
Helemaal positief durf ik die vraag niet te beantwoorden,
want ik sta sinds 17 november 2022 in een wachtrij van 4 tot 5 maanden voor
staaroperaties aan beide ogen apart met een interval van 2 weken. Ik zou
opgelucht moeten zijn met het vooruitzicht op 2 routine ingrepen als oplossing
voor mijn verminderde zicht. Dat ben ik ook heus wel, maar ik vind mezelf ook
zielig. Ik voel me onbegrepen en alleen, omdat jij er niet meer bent om mijn
hand vast te houden tijdens de oogoperaties die ik in 2000 ook heb ondergaan.
Toen niet tegen staar, maar voor het plaatsen van artisanimplantaten –
ingebouwde contactlenzen-. De ingrepen zijn vergelijkbaar. 23 jaar geleden
plaatste oogarts T op de Utrechtse Heuvelrug lenzen in mijn 2 ogen en over een
maand of 3 haalt oogarts W ze er weer uit in het CWZ in Nijmegen. Samen met
mijn biologische ooglenzen die vertroebeld zijn door de staar. Ik krijg er
nieuwe lenzen voor in de plaats. Dit keer worden ze wel vergoed en hoeft er
geen extra hypotheek op het huis te worden genomen om mijn oogoperaties te
kunnen bekostigen zoals in het jaar 2000. Dit keer zit jij ook niet meer fysiek
naast mijn bed als ik ontwaak uit de narcose. Ik hoef niet eens meer onder
narcose. Die staaroperaties schijnen tegenwoordig een fluitje van een cent te
zijn. Mij is zelfs door verschillende ervaringsdeskundigen herhaaldelijk
aangeraden om op zoek te gaan naar een privékliniek teneinde de lange
wachttijden te omzeilen. Ik zou wel gek zijn. Je zou toch denken dat de
gemiddelde oogarts wel het een en ander gewend is, maar die Dr. W uit het CWZ
is de eerste oogarts in jaren bij wie ik niet het idee kreeg een buitenaards
wezen te zijn met m’n min 26 en m’n inbouwde contactlenzen.
Zo sneerde een voorlaatste, andere oogarts uit de hel:
‘Anders ga je toch lekker terug naar oogarts T.’
Hij doelde op de oogarts die de artisanimplantaten
destijds bij mij heeft ingebracht. Wat zou jij trouwens van leer getrokken zijn
tegen het botte optreden van die stoïcijnse oogarts. Ik klap dicht bij zoveel
gebrek aan inlevingsvermogen of ik zeg stomme dingen zoals:
‘Als dat zou kunnen! Maar volgens mij is oogarts T met
pensioen. Is hij niet met pensioen?’
‘Nee, hij is (toen nog net) niet met pensioen’, wist die
zakelijke oogarts in 2021 ook nog doodleuk te melden.
Dat wist hij wel, maar m’n staar heeft hij niet ontdekt.
In tegenstelling tot een opticien bij Specsavers die in oktober 2022 weigerde
om een bril bij mij af te meten, omdat mijn oogmeting te grote afwijkingen liet
zien. En dan te bedenken dat ik vanaf 2019 regelmatig door de oogarts uit de
hel bekeken ben, omdat ik bij hem in behandeling was vanwege een
hoornvliesbeschadiging. Ik vroeg nog expliciet aan hem of ik niet regelmatig
gecontroleerd moest worden vanwege mijn hoge, aangeboren bijziendheid. Vroeger
als kind werd mij dat wel altijd op het hart gedrukt. Om mijn ogen goed in de
gaten te houden, hetgeen ik toen al een overbodig advies vond, daar ik moeilijk
anders kan.
‘Ja dat was vroeger,’ zuchtte de oogarts uit de hel in
juli 2021 nog verveeld:
‘Maar kom over een jaar maar terug’, besloot hij
vermoeid.
Kijk dan hoeft het van mij niet meer. De kinderen vinden
me daarom overgevoelig, maar jij zou me begrepen hebben. Gelukkig ben ik nu dus
bij oogarts W terecht gekomen. Een oogarts die er niet merkbaar vanuit gaat dat
ik met dure artisanimplantaten in mijn ogen rondloop uit cosmetische
overwegingen. Trouwens; zo ja, wat dan nog!? Ik kon destijds geen normale
contactlenzen meer dragen en een bril bood in mijn geval geen optimaal zicht.
Des te schandaliger dat we de complete ingreep – 20.000 gulden – in 2000 zelf
moesten betalen, omdat de ziekenkostenverzekeraar niet thuis gaf. Des te
dankbaarder was ik toen en ben ik nu voor een dokter die tenminste wel verstand
heeft van ingebouwde contactlenzen voor myopen, want dat heeft ook lang niet
iedere oogarts heb ik wel gemerkt.
Vandaag durf ik bij vlagen te hopen op eenzelfde
verbetering van levenskwaliteit na mijn geplande staaroperatie als in 2000 toen
jij deelgenoot was van mijn toenmalige euforie die zich in de loop van 22 jaren
heeft ontwikkeld tot mijn huidige staarbeleving. Nu maakt de lange wachttijd
tot de staaroperaties me soms onzeker en weinig productief. Herinner jij je nog
dat oogarts T. verzekerde dat de artisanimplantaten voor eeuwig waren? Niets is
voor eeuwig behalve mijn verbinding met jou. Zolang jouw energie me maar niet
loslaat, kan en zal ik alles op alles zetten om er met frisse moed wederom het
beste van te maken. Ik reken op je.
22 december 2023
We leven nu
Sinds het overlijden van mijn Hans, nu bijna vijf jaar
geleden, is mijn hele dagritme opgeschoven. Net als in mijn studententijd,
sliep ik tot voor kort een groot gat in de dag. Een maand geleden ben ik
langzaamaan steeds vroeger in de avond naar bed gegaan, zodat ik ook iedere dag
een beetje eerder uit de veren kon komen zonder slaapgebrek.
Vandaag ben ik zelfs om zeven uur in de morgen opgestaan
zonder watjes in mijn hoofd, omdat ik gewoon acht slaapuren gedraaid had
vannacht. Nu vind ik het wel weer welletjes. Vanaf morgen mag ik weer
uitslapen.
In mijn geval heeft morgenstond namelijk over het
algemeen niet zoveel goud in de mond en ik vind het een hele prestatie van
mezelf dat ik vanmorgen om half negen fris en fruitig in het ziekenhuis was
voor een ogentest om de glaucoomschade aan mijn ernstig bijziende ogen vast te
kunnen stellen. Tijdens zo’n test moet de oog patiënt lichtflitsen op een
scherm detecteren door steeds op tijd op een knop te drukken. Zo’n test vergt
de nodige concentratie en voor zoiets kun je maar beter goed uitgeslapen zijn
dacht ik. Onze zoon Trevor van twintig vond aanvankelijk dat ik overdreef met
mijn voorbereidingen, maar nadat hij getuige was geweest van het verloop van de
ogentest zei hij bewonderend:
‘Het is maar goed dat je uitgeslapen was!’
Vandaar die omgegooide slaaproutine van de afgelopen
maand dus. Ik ga mijn nieuwe dagritme wel aanhouden, maar ik vind negen uur in
de ochtend ook een mooie tijd om op te staan. Of tien uur. Zeven uur vind ik
overdreven. Ik weet gewoon niet wat ik met mezelf aan moet zo vroeg in de
morgen.
Of ik glaucoomschade heb? Jazeker. En ik heb ook min
zesentwintig en blablabla. Ik merk dat ik andere mensen afschrik met mijn
oogproblematiek. Of ik krijg persoonlijke berichtjes op facebook van oog
patiënten die een wedstrijd willen maken van oogaandoeningen. Dat mag, maar
niet met mij. Dus laat ik het maar bij deze summiere informatie betreffende
mijn slechtziendheid. Voor verdere discussie verwijs ik u door naar mijn
oogarts.
Trevor begon meteen te roepen dat er niets veranderd was
aan mijn persoonlijke situatie door de uitslag van de ogentest. En bij de
bushalte van het ziekenhuis benadrukte hij nog eens dat de eventuele operaties
die de oogarts voor mij misschien in petto heeft, helemaal nog niet zeker zijn.
Wat wel zeker is dat is dat de gediagnosticeerde glaucoomschade aan mijn ogen
niet meer terug te draaien is. Het aftakelingsproces moet nu een halt toe
worden geroepen en God verhoedde dat stopzetten niet alleen lukt met medicatie.
Even afwachten samen met mijn twee thuiswonende, studerende, jong volwassen
kinderen. Af en toe gaan ze een beetje kort door de bocht, maar ik vaar duizend
keer beter op hun ongefundeerde optimisme dan op de zwaarmoedigheid in het
ziekenhuis.
Los daarvan is afwachten niet mijn sterkste kant.
‘We moeten alert blijven, want U bent veel te jong voor
uw oogconditie’, vond de oogarts.
Ondanks de deprimerende uitslag moest ik even grinniken
om die uitspraak. Ik ben achtenvijftig jaar en het is minstens dertig jaar
geleden dat ik voor het laatst jong genoemd ben. Laat staan ‘veel te jong’.
Toen ik nog jonger was -begin twintig – was er ook een
oogarts die vond dat ik te jong was voor de oogbloedingen die ik toen van de
ene op de andere dag ineens kreeg. Toen moest ik ook afwachten. Een heel leven
lang. Het leven dat toen nog voor me lag lang.
We zijn nou bijna veertig jaar verder en ik zie nog
steeds. Zij het met het nodige kunst- en vliegwerk. Met die gedachte kan ik
mezelf dan wel weer min of meer troosten. En ik heb ook leuke kinderen. Dat
weet ik wel. Ik mis er mijn Hans niet minder om. Ook niet na vijf jaar. Wie
weet wat de toekomst ons nog brengen gaat.
‘Wat doet het ertoe’, zou mijn Hans gezegd hebben:
‘We leven NU!’
16 maart 2024
Mijn bijdrage aan de boekenweek
Bij ons in de familie
Op zestienjarige leeftijd kreeg ik stevige verkering met
de man die mij zesendertig jaar later in 2019 als weduwe achterliet. Mijn
moeder stierf het jaar daarna. In haar dagboeken las ik op de sterfdatum van
mijn Hans hoe onverschillig haar schoonzoon haar altijd geweest was. Zogenaamd.
Mijn moeder was in werkelijkheid namelijk veel minder koel en beheerst dan ze
zich voordeed. Bij vlagen. Ze vertelde niets nieuws, maar haar
onberekenbaarheid greep me postuum weer net zo hard naar de keel als bij leven.
Met moeite onderdrukte ik de neiging om haar dagboeken grotendeels ongelezen
bij het oud papier te zetten. Precies
zoals ze me destijds bevolen had in de dagen voor haar afscheid van het leven.
‘Gooi die dagboeken maar weg’.
Ik dacht dat ik haar een plezier deed door haar te
beloven om ze juist te bewaren. Ik begreep haar nooit of te laat. Ze bedoelde
precies wat ze zei. Dat ik haar dagboeken ongezien weg moest gooien. Wie weet had
ze gelijk en zou ik me daarna bevrijd voelen. Alsof ik los geketend werd van
mijn familiebanden. In het bezit van die dagboeken zou eind goed al goed voor
mij tot aan mijn dood misschien wel een utopie blijven.
Mijn moeder was geen echte feeks. Af en toe sloeg ze
weliswaar op een onbewaakt moment met een vlakke hand in m’n gezicht, maar op
de dag dat ik haar waarschuwde dat ik de eerstvolgende keer gegarandeerd terug
zou slaan, hield ze op. Ik zal een jaar of twintig geweest zijn en ik meende
wat ik zei. Ik studeerde letteren, woonde nog thuis en verbleef voornamelijk op
mijn slaapkamer als ik niet met mijn Hans onderweg was. Elders op kamers gaan
was voor mij geen optie, want dan zag ik helemaal geen ingang meer om me te
doen gelden naast mijn drie oudere broers bij mijn gepreoccupeerde ouders. Die
broers hadden ook alle drie flamboyante vriendinnen en met die diva’s smeedde
mijn moeder steevast heel speciale connecties. Zoveel specialer dan de
bloedband dat ik jaren later weggekeken werd, omdat haar favoriete
schoondochter in spé - in plaats van Hans en mij - onthaald moest worden met
haar wekelijkse onderonsjes, terwijl ik mijn moeder net had verteld dat ze oma
zou worden. Hans en ik dropen af als twee geslagen honden. Later kreeg ze spijt
en stuurde ze mijn vader zes maanden lang om de veertien dagen langs bij ons op
de Leenderweg te Eindhoven met giga baby pakketten, zelf gebreide dekentjes en
enveloppen met contanten Toen ik mijn moeder na de bevalling op mijn kraambed
bij wijze van verzoening wilde omhelzen wendde ze zich schichtig af.
Mijn vader zag mij bij leven - hij stierf in 2007 - wat
liever, maar wel nogal eens over het hoofd. Dat hij naast mijn moeder een
vriendin had en een dubbel leven leidde, was een algemeen gedeeld geheim dat
hij niet al te best verborgen wist te houden. Zo zag mijn Hans de auto van mijn
vader regelmatig ergens in Eindhoven geparkeerd staan met steeds dezelfde
onbekende blonde dame op de bijrijdersstoel en niemand achter het stuur. Als
Hans dan even op een afstandje en uit het zicht afwachtte dan dook het hoofd
met de pet van mijn vader na een poosje hoe dan ook op naast de blonde dame in
de auto. Mijn vader had zijn schoonzoon gespot en was iets te kort
ondergedoken. In die dubbelrol kwam ik mijn vader ook eens tegen op een
braderie. Ik reed zijn – inmiddels twee – kleinkinderen in een dubbele
kinderwagen zijn richting op en riep herhaaldelijk:
‘Pap, hey, pap, hier zijn wij!’
Hij zag en hoorde ons niet. Hij stond nog geen twee meter
van ons vandaan en hij keek gewoon langs mij en zijn kleinkinderen af.
‘Ons pap is doofstom geworden’, stamelde ik later confuus
tegen mijn lief.
‘Welnee, zijn vriendin struint hier ook op de braderie
rond, dus hij kan ons even niet kennen’, wist Hans vergoelijkend.
Mijn vader vergat mij ook te noemen tijdens een
toevallige ontmoeting met de ouders van mijn jeugdvriendinnetje uit de straat.
Trots pochte mijn vader over één van zijn zoons die inmiddels meester in de
rechten was.
‘Heb je ook vermeld dat ik drs. in de
literatuursociologie ben?’, vroeg ik sarcastisch, omdat de ontmoeting van mijn
vader de ouders van mijn jeugdvriendin betrof en niet die van mijn broer.
En nee, ik was mijn vader even ontschoten. Het had zo
mooi kunnen zijn.
11 april 2024
Gemeenschapszin.
De mazelen? Heb ik gehad. Samen met mijn derde broer die
anderhalf jaar ouder is dan moi; het jongste en enige meisje in een gezin met
vier kinderen. Het zal ergens in 1968 geweest zijn en we sliepen in een
stapelbed. Ik herinner me de rode vlekjes over mijn hele lichaam en de hand op
mijn schouder waarmee de huisarts me wakker schudde in het benedenbed. Het
hoofd met rode stippen van mijn broer hing ondersteboven over de bovenbedrand.
Zijn haren piekten in de lucht. Ik wilde eigenlijk ook liever in het hoogste
bed slapen. Leek me spannend, maar ik ben van het begin af aan een meegaand
mens geweest. Zo had hij me wel naar het hoogste deel van de oranje, draagbare
badkuip weten te praten tijdens onze wekelijkse, gezamenlijke wasbeurt. Alleen
maar zodat hij lekker warm tot aan zijn kin in het diepe deel kon weken en ik
steevast met koude schouders op het zitgedeelte zat te klappertanden. Het was
maar goed dat we sterke genen hebben, aldus de huisarts met een goedkeurende
blik op mijn moeder, want wie weet hoe ernstig we er anders aan toe geweest
waren. Ik kan niet ouder geweest zijn dan drie jaar, want ik ging nog niet naar
de kleuterschool. In die periode kreeg ik ook gordelroos. Ik herinner me de
stekende pijn in mijn taille tijdens het spelen. En dat mijn moeder aan de
ontbijttafel geïrriteerd mijn middel vrijmaakte van borstrok en wollen trui en
gekweld aan mijn vader vroeg:
‘Wat is dit nu weer?!’,
‘Dat is gordelroos’, antwoordde mijn vader met grote
ogen.
‘Ja, van jou mag ik nooit naar de huisarts’, bitste mijn
moeder schuldbewust, terwijl ze mijn kleding weer in orde bracht.
‘Wat een onzin’, vond mijn vader.
‘Je mag van mij zo vaak naar de huisarts als je wilt,
maar ook gordelroos moet vanzelf overgaan. Daar helpt geen doktertje lief aan.
Wel een moedertje lief.
Alsof mijn moeder niets te doen had, want in die tijd
kreeg mijn oudste broer de bof.
Hij was een jaar of twaalf en ik zie hem nog uit zijn
slaapkamer de zoldertrap aflopen in zijn bruine, badstof ochtendjas en een
geruite sjaal om zijn nek. Gebiologeerd door zijn bolle wangen bleef ik
stokstijf staan op de overloop. Mijn broer hield halverwege de zoldertrap halt
toen hij mij op afstand waarnam.
‘Ga weg!’. bracht hij moeizaam maar niet onvriendelijk
uit.
Ik kon wel janken, want wat snapt een peuter nou van
besmettingsgevaar?
De geelzucht van mijn middelste broer zo’n jaar of twee
later maakte voorgoed een einde aan mijn naïeve huidhonger. In een ziekbed in
het centrum van onze gezamenlijke huiskamer nota bene, werd mijn geelzuchtige
broer ruim zes weken lang vertroeteld door mijn ouders en wij – zijn boers en
zus, opa en oma en overige familieleden; waaronder peetoom en tante – moesten
koste wat kost bij hem uit de buurt blijven. Mijn middelste broer had een
virusinfectie en was besmettelijker dan besmettelijk. Om te herstellen van zijn
geelzucht diende hij te rusten in quarantaine en heel veel zoetigheden tot zich
te nemen. Vraag me niet waarom, maar mijn geheugen liegt niet. Vooral die
voorgeschreven zoetigheid overstijgt natuurlijk het bevattingsvermogen van welk
gezond kind dan ook. Kilo’s lekkernijen verdwenen in die periode achter de
huiskamerdeur naar voor mij verboden terrein; schuimblokken, spekjes, trekdrop,
zoethout, toffees, roomsoesjes, Conotops, Zoenen, Napoleon zuurtjes,
Koetjesrepen, gelatinepudding, Saroma, gevulde koeken, Kano’s, pannenkoeken,
poffertjes, chocomel, etc en ga zo maar door. Wij kregen ook weleens wat, maar
dat waren toch de afdankertjes van het zieke middelpunt van de belangstelling.
Je zou er bijna voor gaan bidden dat je ook geelzucht mocht krijgen.
Zoals mijn derde broer van toen zeven die wensdromend
alvast quasi misselijk onder de wol was gekropen in het bovenste bed van de
stapelcombinatie De warme lunch liet mijn moeder met een mengeling van
achterdocht en bezorgdheid in de slaapkamer op het nachtkastje voor mijn
kermende derde broer achter. De ultieme test, want de enige echte geelzuchtige
in huize Sliepenbeek at na een week of vier nog steeds maar mondjesmaat. Ook
van alle zoetigheden. Dat konden wij gezonde kinderen niet weten natuurlijk, want
wij waren al die tijd niet bij de zieke in de buurt geweest. Aldus was een
kwartier later de warme hap van mijn hypochondrische derde broer schoon op en
het porseleinen bord nog net niet afgelikt. Mijn derde broer deed alsof hij
sliep. Hij mocht voor de rest van de middag schoolziek blijven, want morgen zou
het voor hem ook gewoon weer vroeg dag zijn..
Ach ja, mijn kinderjaren vol met kinderziektes waar je
volgens mijn vader ‘hard van werd’. Toch was hij een voorstander van
inentingen. Hij heeft een arbeidsleven lang voor de klas gestaan en was de
oudste uit een gezin met tien kinderen. Voorkomen was volgens hem beter dan
genezen en niet alleen voor de betroffene zelf. Want mijn overbelaste moeder
balanceerde eind jaren zestig permanent op de rand van een burn-out.
En dan zijn anno 2024 de mazelen weer in het land. En
kinkhoest. Terug van weggeweest. Ter beginnen in Eindhoven of all places, maar
toevallig wel de stad waar ik ben neergezet en opgegroeid in het van oudsher
kinderrijke, katholieke zuiden. De plaats waar niets moet en alles mag. Zoals
een prikje halen uit gemeenschapszin. En zo niet, doe het anders voor jullie
moeder.
23 december 2024
Kerstsfeer
Morgen mag ik in het CWZ een laserbehandeling aan mijn
ogen ondergaan. Deze keer niet teneinde scherper te kunnen zien, zoals in 1999
bij Retina in Driebergen, maar in de hoop om mijn oogdruk te verlagen. Ik kon
kiezen tussen 24 of 31 december. Hoe feestelijk wil je het hebben.
Nou is kerst voor mij toch nooit geweest wat anderen
ervan maken Een ieder die mij al wat langer volgt weet dat de wereld van mijn
echtgenoot Hans, de kinderen en ik halverwege de kerstvakantie van 2018 van de
ene op de andere dag over de kop sloeg op de eerste hulp van het CWZ te
Nijmegen. Een fatale diagnose. Zes weken later is Hans overleden.
We zijn nu zes jaar verder en toch is mijn kerst er in de
loop van de tijd niet slechter op geworden. Ik mis Hans niet meer op feestdagen
dan gedurende de rest van het jaar. Die leegte is er altijd. Ook in het
weekend. Het gemis slijt niet, maar schiet wortel door de pijn heen. Ik heb met
de fysieke afwezigheid van Hans leren leven. Daar doen de feestdagen geen
afbreuk meer aan.
Integendeel. Als ik terugdenk aan al die keren dat Hans
en ik ons uitgesloofd hebben om iets leuks van Kerst te maken voor de kinderen
en de schoonmama’s, zit ik met terugwerkende kracht weer tegen een
zenuwinzinking aan. Over de kinderen geen kwaad woord, maar de schoonmama’s
hadden zo ieder een eisenpakket onder het mom van: ‘Doe maar gewoon, dan doe je
al gek genoeg’.
Zo herinner ik me de kip Siam die ik grieperig had staan
kokkerellen op eerste Kerstdag 2011 in de hoop om schoonmoeder te imponeren die
bleef logeren. Ik vergeet nooit meer die minachtende blik van haar op de haar
voorgeschotelde dis. Alsof ze zeggen wilde:
‘Heb ik hiervoor de uitnodiging om uit te dineren met
mijn andere zoon en diens supereega laten varen?’
Of dan de eerste kerst van onze dochter in 2002. Die
herinnering springt er ook uit. Mijn moeder belde vlak voor de heilige avond op
om haar pas geboren kleinkind op de valreep via mij voor de Winterefteling uit
te nodigen. De hele familie zou van de partij zijn. Te weten; 8 volwassenen – 3
broers met aanhang en mijn vader en moeder – en oja; 2 kinderen in de
basisschoolleeftijd. Mijn moeder trakteerde. Als Hans en ik zin hadden dan
waren we natuurlijk ook welkom met de kleine Robin. Ik was overdonderd. Nog
nooit in mijn leven heb ik iets samen gedaan met mijn vader, moeder en 3 oudere
broers tegelijk. Ook niet toen ik klein was. We gingen nooit op vakantie en als
we al iets ondernamen dan was dat nooit als voltallig gezin en bij voorkeur
naar een museum en niet naar zoiets lichtzinnigs als de Winterefteling. Ik
vermoedde dat mijn nieuwste schoonzus in spé mijn moeder had geïnspireerd,
zoals een andere potentiële schoondochter mijn ouders jaren eerder wist aan te
zetten tot het oppakken van de kerstboomtraditie. Mijn moeder dweepte veelal
met de vriendinnen van 2 van mijn 3 oudere broers en mijn vader ging altijd met
ons mam mee, omdat hij op zijn beurt weer met mijn moeder dweepte. Ik was
stomverbaasd dat er zo rond mijn 20ste thuis ineens weer een versierde
kerstboom pronkte. Tot mijn grote verdriet waren mijn ouders immers 7 jaar
eerder met kerstbomen gestopt. Vanwege de rommel, dacht ik. 13 jaar zal ik
geweest zijn en het kwam niet in me op om tegen het besluit van mijn ouders te
protesteren. Alles voor de lieve vrede. En nu ik dan 37 jaar was en amper
bekomen van de kraamtijd, lonkte opeens de familie- winter – Efteling. Ter ere
van welke heilige was dat? Niet ter viering van de geboorte van onze dochter
die net kwam kijken. Ze was 4 maanden oud, waarvan ze ook nog eens een tijdje
in het Annaziekenhuis in Geldrop had gelegen. Wat krijgt een baby van amper 20
weken nou voor positiefs mee van een kerstsfeer in een rumoerig winterlandschap
van een drukbezocht pretpark? Hans en ik hebben dan ook bedankt voor de eer,
maar we mochten daarna nog wel in geuren en kleuren aanhoren hoe fantastisch de
gezamelijke kerstbeleveng in de Winterefteling wel niet was geweest. Zo liet
mijn moeder – subtiel als ze was - toch ook doorschemeren dat ik wel een beetje
een spelbreekster was geweest.
Maar ik gun anderen hun pleziertjes echt wel. Zolang ik
er niet meer aan hoef mee te doen, kan ik genieten van de kerstversieringen in
de winkelstraten en aan de gevels en in de tuinen van de huizen hier in de
wijk. De kinderen en ik vergelijken de kerstreclames van de verschillende
elkaar beconcurrerende supermarkten. Ze worden almaar indrukwekkender. Dit jaar
heeft Albert Heijn gewonnen met de hamster in de ‘last christmas clipremake.’
Maar die met die hond – Mormel - van de Jumbo vinden we een goede tweede. Ik
kook gewoon met kerst zoals iedere dag. Voor onze twee thuiswonende, studerende
kinderen en mezelf. Mocht dat trouwens onverhoopt niet mogelijk zijn na de
laserbehandeling dan heb ik ook nog het één en ander ingevroren dat met kerst
ontdooit en opgewarmd kan worden. Gemak dient de mens en alles beter dan mijn
moeder die jaren achtereen tijdens de kerst achter het fornuis stond te huilen
vanwege de stress. En omdat de kerstman geen sfeer kwam brengen. En mijn vader
ook niet. Hap, slik weg. Al die moeite. Ze kon heerlijk koken mijn moeder, maar
dat doe ik haar inmiddels wel na. Dus dat mis ik ook niet van haar. Verder
verheug . ik me al op de aankomende rust van een dag zonder boodschappen en
wens ik jullie allemaal prettige kerstdagen en een heel gelukkig nieuwjaar.
Duim voor me morgen!
2 februari 2025
Zeker weten is het einde van het geloof.
Als kind kon ik mezelf helemaal overstuur maken door te
proberen om me iets voor te stellen bij de dood. Dan lag ik gruwelend in het
donker in m’n bed bij de gedachte aan het oneindige ‘niets’ na het leven. De
leegte waarop mijn moeder me bij navraag luid en duidelijk had voorbereid:
‘Ik geloof niet dat er een hiernamaals is en daar ben ik
totaal niet rouwig om. Als we sterven is het over en uit’, had ze op een toon
van voor eens en voor altijd gesteld en daar moest ik het dus maar voor de rest
van m’n leven mee doen. Ik zal niet veel ouder dan 10 jaar geweest zijn.
Natuurlijk wantrouwde ik de uitlatingen van mijn moeder.
Met reden, maar dat is een ander verhaal. Toch kon ik niet zo makkelijk een
alternatief bedenken voor haar zwarte gat. Ik ben in een tijd opgegroeid waarin
religie steeds minder serieus bedreven werd. Mijn achterland is in afnemende
mate katholiek en daar is dan wel zo’n beetje alles mee gezegd. Vanaf mijn
twaalfde namen mijn ouders niet eens meer de moeite om zichzelf en hun vier
kinderen één keer per jaar op kerstavond naar de nachtmis te slepen. Met
traditionele geloofsbeleving heeft mijn verwarring over leven na de dood dan
ook niets uit te staan.
Desondanks ik ben er nooit goed uitgekomen. Ook niet nu
ik al zo lang volwassen ben. Is er nou wel of geen leven na de dood? Wat is
mijn overtuiging? Geloof ik wel of niet?
Net als de meesten geloof ik het overgrote deel van de
tijd natuurlijk wel dat er ‘íets’ is. Uit gemakzucht en wensdenken. De vraag
naar wat dat ‘iets’ dan precies zou kunnen zijn, heb ik jarenlang naast me
neergelegd uit pure doodsangst dat mijn moeder het bij nader inzien misschien
toch bij het rechte eind had. Maar toen ik mijn Hans, de liefde van mijn leven,
op 2 februari 2019 voor het laatst in levende lijve kon aanspreken, viel de
dood niet langer meer uit mijn dagelijkse leven weg te denken. 36 jaar waren
Hans en ik onafscheidelijk geweest en opeens zou hij dan van de aardbodem
verdwenen moeten zijn? Letterlijk misschien, maar figuurlijk? In geestelijke
zin heeft Hans nooit afscheid van de kinderen en mij genomen. Of verbeeld ik me
dat maar?
Ruim een jaar na het heengaan van Hans stierf mijn
moeder. Ik herinner me de woorden van één van mijn broers vlak nadat onze
moeder haar laatste adem had gelaten:
‘Ze is niet dood, ze is er gewoon nog!’
Gevoelsmatig snapte ik meteen waar hij op doelde, maar
rationeel konden noch mijn broer noch ik zo’n mystieke gewaarwording duiden.
De uitweg vond ik in spiritualiteit, maar dan wel in de
brede zin van het woord. Ik heb in de afgelopen rouwperiode van 6 jaar geen
persoonlijk contact met mediums gezocht, ben niet van de ene op de andere dag
paranormaal geworden en er zijn voor zover ik weet geen spoken bij me op bezoek
geweest. Wel heb ik me verdiept in – onder weer - de theorie van Pim van Lommel
over ‘het oneindige bewustzijn’. Oftewel de essentie van elk levend wezen dat
de dood zou overstijgen en dat in die zin wel min of meer vergelijkbaar is met
‘de onsterfelijke ziel’ binnen het katholieke geloof. Verder heb ik in de
afgelopen jaren ontelbaar veel spirituele podcasts beluisterd en filmpjes op
YouTube bekeken van mensen met een zogenaamde ‘Bijna Dood Ervaring’. Ik heb er
mijn aardse, levensgezel Hans niet mee teruggekregen, maar van het groeiende
geloof dat hij in de geest misschien nooit is weggeweest ben ik ook niet
slechter geworden.
In gedachten praat ik al zes jaar elke dag met Hans alsof
hij nog naast me in bed ligt of tegenover me in zijn luie stoel zit. Hij kan
nog steeds geen ruzie maken zonder kwaad te worden.
‘Nee, jij blijft lekker rustig’, hoor ik hem dan spotten.
Uitpraten is ook niet zijn sterkste kant. Hij vindt
altijd dat ik moeilijk doe. Ik kan hem niet uitstaan als we bekvechten. Dan
weet ik niet waar ik blijven moet van machteloze woede. Totdat er opeens een
roodborstje in de struik voor het huiskamerraam op een takje wipt. Afgeleid
word ik vertederd teruggeslingerd in de tijd waarin onze dochter als babyRobin
de hele wereld van Hans en mij ontregelde. Robin is Engels voor Roodborstje. Of
zo vader zo zoon Trevor draait zijn hand weer eens niet voor een huishoudelijk
mankement om.
‘Hij kan het allemaal’, voorspelde Hans al op zijn
sterfbed.
Zo merk ik ineens, middenin mijn onredelijke kwaadheid
over alle onuitgesproken frustraties, opgekropte woede, misverstanden en
onvermogen; kortom middenin mijn rouwproces, dat Hans nog steeds vlakbij is.
Het is een gewaarwording van vertrouwen en geloof die grenst aan zeker weten.
Ik word bevangen door een kalmte die van buitenaf op me in lijkt te werken en
die mij ingeeft dat Hans en ik samen hoe dan ook wel ergens uit gaan komen. In
een hiernamaals, zielsverwantschap of in een oneindig bewustzijn.
16 februari 2025
Boekverbranding
Lees zojuist in de dagboeken van mijn in 2020 overleden
moeder over mijn oppervlakkigheid. Ik laat het denkwerk aan facebook over, waar
ik veel te veel tijd mee verdoe, en ik zit onder de plak bij mijn echtgenoot.
De echtgenoot die in 2019 overlijdt en waarover ze op zijn sterfdag in haar
dagboek schrijft:
‘Ik geloof niet dat ik hem erg goed lag. Mij
interesseerde hij niets Een gemiste kans.’
Voor mijn moeder wel ja. Mijn Hans heeft bij leven zo
ongelofelijk zijn best voor haar gedaan. Dat deed hij uit liefde voor mij.
‘Ach ja’, verzucht mijn moeder ter conclusie van het
heengaan van haar schoonzoon:
‘Het leven is wat je er zelf van maakt’.
En dat uit de pen van de vrouw die haar hele leven
binnenshuis liep te klagen over haar rotbestaan vol met rotkinderen en een
rothuwelijk.
‘Heb je een fijn leven gehad mam?’, vroeg mijn broer haar
aan het einde van haar vierentachtig jarige leven.
‘Ja’, knikte ze tevreden.
Toen wist ik al niet meer wat ik nou wel of niet moest
geloven, maar misschien is niets waar en zelfs dat niet, probeerde Multatuli de
mensheid al decennia eerder aan het verstand te brengen.
‘Gooi die dagboeken maar weg’, gebood mijn moeder tijdens
één van onze laatste ontmoetingen.
‘Nee, natuurlijk niet’, antwoordde ik omdat ik dacht dat
ze deze reactie van me verwachtte.
Ze had anders nog tijd genoeg gehad om die dagboeken
eigenhandig in de papierbak te mieteren.
‘Misschien lees ik ze nog weleens’, beloofde ik met
tegenzin, want na mijn eigen vierenvijftig levensjaren kon ik haar wel en wee
dromen.
‘Hmm, je zult wel niet alles leuk vinden wat je leest’,
waarschuwde ze nog.
Enigszins eufemistisch gesteld zeg ik vandaag nu ik na
bijna vijf jaar dan eindelijk in haar dagboeken gestart ben. Dit naar
aanleiding van een recente droom waarin ik haar gezicht zag achter mijn
slaapkamerraam. Daar was het oude vertrouwde schuldgevoel weer. Ik mocht haar
niet langer buitensluiten.
Ergens in 2017 doet ze verslag over het tweewekelijkse
bezoek dat Hans, de kinderen en ik jaren aan een stuk op zaterdag vanuit
Nijmegen naar Eindhoven aan haar brachten. Kennelijk was er op die dag sprake
van wat gekibbel over en weer geweest tussen Hans en mij.
‘Kijk daar valt de façade van het gelukkige gezinnetje’,
schrijft ze sarcastisch.
Wat bezielt die vrouw? Enfin, mijn moeder is weer
helemaal terug. Lucht met een lintje en een gebruiksaanwijzing. Al na een paar
grepen uit de dagboeken wil ik niet meer verder grasduinen in haar
stekeligheden in de wetenschap dat ik dan weer als vanouds een week of twee
psychisch zal moeten bijkomen van haar gedachtegoed. Ik word te oud voor die
klimtochten uit die diepe dalen. De volgekriebelde schriften met het
handschrift van mijn overleden moeder plant ik in een stapel met een klap op de
keukentafel...
‘Je kunt ze ritueel verbranden’, stelt Robin voor.
Ze studeert psychologie en als je het mij vraagt kan ze
niet anders dan een briljante carrière tegemoet gaan:
‘Ík wil je niet in een hokje stoppen, maar volgens mij
was er altijd wel sprake van enig emotioneel misbruik van oma Anita richting
jou’, zegt ze voorzichtig.
Mijn dochter is lief en slim en ik weet wel zeker dat ze
gelijk heeft, maar ik vergeet steeds hoe absurd de relatie met mijn moeder was.
De dag na de crematie van mijn Hans zei ze met tranen in haar stem tegen me aan
de telefoon:
‘Ik was zo trots op je tijdens de bijeenkomst’.
Ik heb niet gereageerd, niks gezegd, want ik geloofde
haar niet. Daar heb ik me schuldig over gevoeld na haar overlijden een jaar
later. Ik dacht dat ze aan het einde van haar leven haar hand naar me uitstak
en dat ik te kleinzielig was om haar zoenoffer te accepteren. Dat schuldgevoel
is vandaag opgelost in het luchtledige. Hebben de dagboeken van mijn overleden
moeder toch nog zin gehad. Morgen gaan ze met het oud papier mee. Wie ze hebben
wil moet snel zijn.
Reacties
Een reactie posten